3. DAPPERE SOLDATEN,BANGE DIPLOMATEN.

„’t Is ’t schoonste dat ’k ooit heb gezien in mijn leven,”Heeft Sven Hedin, volgens de bladen, geschreven:„Die geestdrift, die kracht en die moed!De indruk is mooi, overweldigend, prachtig!”Hij schrijft het in termen, bewonderend en krachtig —Zijn pen is gedoopt in het bloed.Is dàt nu het schoonste? Ellendig geschetter!Maar oorlog is lijklucht, en oorlog is etter,En oorlog is haat en venijn!Verbranding, verwoesting van huizen en gaarden,En oorlog is stank van de krengen van paarden,Verminking, vernieling en pijn!Daar liggen de lijk’ in ’t gedrang en de volte,Een romp zonder armen...... zeg, zie je de holteWaar d’ arm zat, gescheurd bij de borst?De wormen zijn nu al den mond ingekropen,Het haar zit gekleefd, en het oog is beloopen,Het bloed is gedroogd en gekorst.De hersenpan druipt daar dien knaap op de wangen,Het linkeroog blijft uit de oogholte hangen,Arm kind! moeder’s trots, vader’s vreugd!Een sabelhouw heeft hem die woestling gegeven.Een bloedrige klomp is er overgeblevenVan ’t stralende Beeld van de Jeugd.Dat lillend lap vleesch van dien jongen daar beeft nog,Zijn buik is in twee, maar waarachtig, hij leeft nog!Een vinger ligt ginds op den grond;Daar liggen de stompjes van armen en beenen,Hier hoor je het schreeuwen, daar ’t kreunen en stenenNog zacht uit den stervenden mond.Die daar, die den ander niets, niets! kan verwijten,Staat klaar om hem daadlijk den schedel te splijten,Hoe ’t oog hem van beestigheid straalt!Omdat een troep veilige hofdiplomaten,Met seinen en telefoneeren en praten,Dat eenmaal zoo hebben bepaald.O, God, onze Vader! Wij danken U allen:Daar is er net een in de wolfskuil gevallen,De punt van de paal door zijn pens!Wij haten hem vurig — geheel naar behooren,Omdat hij in ’t andere land is geboren,Een half uur over de grens.Nou ja, maar je hoeft het zoo cru niet te zeggen,Je kunt er toch ook wel een bloempje op leggen,Je zegt het zoo „eng” en onguur;Je kan ’t ook met grappige namen betitelen,De Vossische Zeitung sprak laatst al van „kietelen” —In ’t algemeen heet het „Cultuur”.’k Hoor liever van „geestdrift” en „heldenmoed” zingen,Van „edele strijdlust” en dergelijke dingen,Van roem, en...... hoe-heet-dat-ook-weer?En als we de bloem van de natie zien vallen,Cadavers, gestapeld op hoopen en wallen,Dan noemen we dat: „’t Veld-van-Eer!”De beest-mensch in deze verschriklijke tijdenGeniet van het hakken en steken en snijden.Het schoonste!! Armzalige zot!Neen, Sven Hedin, nu is ’t de Glorie van ’t Slechte.Want als je geen beest bent, dan kun je niet vechte’,De oorlog is...... walglijk, is...... rot!!

„’t Is ’t schoonste dat ’k ooit heb gezien in mijn leven,”Heeft Sven Hedin, volgens de bladen, geschreven:„Die geestdrift, die kracht en die moed!De indruk is mooi, overweldigend, prachtig!”Hij schrijft het in termen, bewonderend en krachtig —Zijn pen is gedoopt in het bloed.Is dàt nu het schoonste? Ellendig geschetter!Maar oorlog is lijklucht, en oorlog is etter,En oorlog is haat en venijn!Verbranding, verwoesting van huizen en gaarden,En oorlog is stank van de krengen van paarden,Verminking, vernieling en pijn!Daar liggen de lijk’ in ’t gedrang en de volte,Een romp zonder armen...... zeg, zie je de holteWaar d’ arm zat, gescheurd bij de borst?De wormen zijn nu al den mond ingekropen,Het haar zit gekleefd, en het oog is beloopen,Het bloed is gedroogd en gekorst.De hersenpan druipt daar dien knaap op de wangen,Het linkeroog blijft uit de oogholte hangen,Arm kind! moeder’s trots, vader’s vreugd!Een sabelhouw heeft hem die woestling gegeven.Een bloedrige klomp is er overgeblevenVan ’t stralende Beeld van de Jeugd.Dat lillend lap vleesch van dien jongen daar beeft nog,Zijn buik is in twee, maar waarachtig, hij leeft nog!Een vinger ligt ginds op den grond;Daar liggen de stompjes van armen en beenen,Hier hoor je het schreeuwen, daar ’t kreunen en stenenNog zacht uit den stervenden mond.Die daar, die den ander niets, niets! kan verwijten,Staat klaar om hem daadlijk den schedel te splijten,Hoe ’t oog hem van beestigheid straalt!Omdat een troep veilige hofdiplomaten,Met seinen en telefoneeren en praten,Dat eenmaal zoo hebben bepaald.O, God, onze Vader! Wij danken U allen:Daar is er net een in de wolfskuil gevallen,De punt van de paal door zijn pens!Wij haten hem vurig — geheel naar behooren,Omdat hij in ’t andere land is geboren,Een half uur over de grens.Nou ja, maar je hoeft het zoo cru niet te zeggen,Je kunt er toch ook wel een bloempje op leggen,Je zegt het zoo „eng” en onguur;Je kan ’t ook met grappige namen betitelen,De Vossische Zeitung sprak laatst al van „kietelen” —In ’t algemeen heet het „Cultuur”.’k Hoor liever van „geestdrift” en „heldenmoed” zingen,Van „edele strijdlust” en dergelijke dingen,Van roem, en...... hoe-heet-dat-ook-weer?En als we de bloem van de natie zien vallen,Cadavers, gestapeld op hoopen en wallen,Dan noemen we dat: „’t Veld-van-Eer!”De beest-mensch in deze verschriklijke tijdenGeniet van het hakken en steken en snijden.Het schoonste!! Armzalige zot!Neen, Sven Hedin, nu is ’t de Glorie van ’t Slechte.Want als je geen beest bent, dan kun je niet vechte’,De oorlog is...... walglijk, is...... rot!!

„’t Is ’t schoonste dat ’k ooit heb gezien in mijn leven,”Heeft Sven Hedin, volgens de bladen, geschreven:„Die geestdrift, die kracht en die moed!De indruk is mooi, overweldigend, prachtig!”Hij schrijft het in termen, bewonderend en krachtig —Zijn pen is gedoopt in het bloed.

„’t Is ’t schoonste dat ’k ooit heb gezien in mijn leven,”

Heeft Sven Hedin, volgens de bladen, geschreven:

„Die geestdrift, die kracht en die moed!

De indruk is mooi, overweldigend, prachtig!”

Hij schrijft het in termen, bewonderend en krachtig —

Zijn pen is gedoopt in het bloed.

Is dàt nu het schoonste? Ellendig geschetter!Maar oorlog is lijklucht, en oorlog is etter,En oorlog is haat en venijn!Verbranding, verwoesting van huizen en gaarden,En oorlog is stank van de krengen van paarden,Verminking, vernieling en pijn!

Is dàt nu het schoonste? Ellendig geschetter!

Maar oorlog is lijklucht, en oorlog is etter,

En oorlog is haat en venijn!

Verbranding, verwoesting van huizen en gaarden,

En oorlog is stank van de krengen van paarden,

Verminking, vernieling en pijn!

Daar liggen de lijk’ in ’t gedrang en de volte,Een romp zonder armen...... zeg, zie je de holteWaar d’ arm zat, gescheurd bij de borst?De wormen zijn nu al den mond ingekropen,Het haar zit gekleefd, en het oog is beloopen,Het bloed is gedroogd en gekorst.

Daar liggen de lijk’ in ’t gedrang en de volte,

Een romp zonder armen...... zeg, zie je de holte

Waar d’ arm zat, gescheurd bij de borst?

De wormen zijn nu al den mond ingekropen,

Het haar zit gekleefd, en het oog is beloopen,

Het bloed is gedroogd en gekorst.

De hersenpan druipt daar dien knaap op de wangen,Het linkeroog blijft uit de oogholte hangen,Arm kind! moeder’s trots, vader’s vreugd!Een sabelhouw heeft hem die woestling gegeven.Een bloedrige klomp is er overgeblevenVan ’t stralende Beeld van de Jeugd.

De hersenpan druipt daar dien knaap op de wangen,

Het linkeroog blijft uit de oogholte hangen,

Arm kind! moeder’s trots, vader’s vreugd!

Een sabelhouw heeft hem die woestling gegeven.

Een bloedrige klomp is er overgebleven

Van ’t stralende Beeld van de Jeugd.

Dat lillend lap vleesch van dien jongen daar beeft nog,Zijn buik is in twee, maar waarachtig, hij leeft nog!Een vinger ligt ginds op den grond;Daar liggen de stompjes van armen en beenen,Hier hoor je het schreeuwen, daar ’t kreunen en stenenNog zacht uit den stervenden mond.

Dat lillend lap vleesch van dien jongen daar beeft nog,

Zijn buik is in twee, maar waarachtig, hij leeft nog!

Een vinger ligt ginds op den grond;

Daar liggen de stompjes van armen en beenen,

Hier hoor je het schreeuwen, daar ’t kreunen en stenen

Nog zacht uit den stervenden mond.

Die daar, die den ander niets, niets! kan verwijten,Staat klaar om hem daadlijk den schedel te splijten,Hoe ’t oog hem van beestigheid straalt!Omdat een troep veilige hofdiplomaten,Met seinen en telefoneeren en praten,Dat eenmaal zoo hebben bepaald.

Die daar, die den ander niets, niets! kan verwijten,

Staat klaar om hem daadlijk den schedel te splijten,

Hoe ’t oog hem van beestigheid straalt!

Omdat een troep veilige hofdiplomaten,

Met seinen en telefoneeren en praten,

Dat eenmaal zoo hebben bepaald.

O, God, onze Vader! Wij danken U allen:Daar is er net een in de wolfskuil gevallen,De punt van de paal door zijn pens!Wij haten hem vurig — geheel naar behooren,Omdat hij in ’t andere land is geboren,Een half uur over de grens.

O, God, onze Vader! Wij danken U allen:

Daar is er net een in de wolfskuil gevallen,

De punt van de paal door zijn pens!

Wij haten hem vurig — geheel naar behooren,

Omdat hij in ’t andere land is geboren,

Een half uur over de grens.

Nou ja, maar je hoeft het zoo cru niet te zeggen,Je kunt er toch ook wel een bloempje op leggen,Je zegt het zoo „eng” en onguur;Je kan ’t ook met grappige namen betitelen,De Vossische Zeitung sprak laatst al van „kietelen” —In ’t algemeen heet het „Cultuur”.

Nou ja, maar je hoeft het zoo cru niet te zeggen,

Je kunt er toch ook wel een bloempje op leggen,

Je zegt het zoo „eng” en onguur;

Je kan ’t ook met grappige namen betitelen,

De Vossische Zeitung sprak laatst al van „kietelen” —

In ’t algemeen heet het „Cultuur”.

’k Hoor liever van „geestdrift” en „heldenmoed” zingen,Van „edele strijdlust” en dergelijke dingen,Van roem, en...... hoe-heet-dat-ook-weer?En als we de bloem van de natie zien vallen,Cadavers, gestapeld op hoopen en wallen,Dan noemen we dat: „’t Veld-van-Eer!”

’k Hoor liever van „geestdrift” en „heldenmoed” zingen,

Van „edele strijdlust” en dergelijke dingen,

Van roem, en...... hoe-heet-dat-ook-weer?

En als we de bloem van de natie zien vallen,

Cadavers, gestapeld op hoopen en wallen,

Dan noemen we dat: „’t Veld-van-Eer!”

De beest-mensch in deze verschriklijke tijdenGeniet van het hakken en steken en snijden.Het schoonste!! Armzalige zot!Neen, Sven Hedin, nu is ’t de Glorie van ’t Slechte.Want als je geen beest bent, dan kun je niet vechte’,De oorlog is...... walglijk, is...... rot!!

De beest-mensch in deze verschriklijke tijden

Geniet van het hakken en steken en snijden.

Het schoonste!! Armzalige zot!

Neen, Sven Hedin, nu is ’t de Glorie van ’t Slechte.

Want als je geen beest bent, dan kun je niet vechte’,

De oorlog is...... walglijk, is...... rot!!

Gerijmd naar aanleiding van Grey’s genoegelijk déjeuner in het Cecil Hotel te Londen.

„Indien de zedelijke moed der regeeringen den onsterfelijken krijgsmoed van hun soldaten evenaarde, zouden er tusschen de gezanten vertrouwelijke gesprekken kunnen beginnen.”Emily Hobhouse.

„Indien de zedelijke moed der regeeringen den onsterfelijken krijgsmoed van hun soldaten evenaarde, zouden er tusschen de gezanten vertrouwelijke gesprekken kunnen beginnen.”Emily Hobhouse.

„Indien de zedelijke moed der regeeringen den onsterfelijken krijgsmoed van hun soldaten evenaarde, zouden er tusschen de gezanten vertrouwelijke gesprekken kunnen beginnen.”

Emily Hobhouse.

Ze praten zoo goedVan onsterflijken moed,Van de dapperheid van de soldaten;En iedereen vechtVoor beschaving en recht...Maar over den vrede te praten,Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.Zingt ’t droevig refrein van een droeviger lied:Koor:Dappere soldaten,Bange diplomaten.’t Staat vast, datikwin,Dus alsiknu begin,Dan denken ze, dat ik bek-af ben;Ikben niet zoo bangDat ’k naar vrede verlang!Wat denk je wel, dat ik zóó laf ben?En ’t vredesverdrag ligt nog ver in ’t verschiet:Ze zijn er te bang voor, ze durven nog niet.Koor:Dappere soldaten,Bange diplomaten.Ze durven zooveelOp het oorlogstooneel,Waarvan een gewoon mensch zou schrikken;Schiet ze lam, schiet ze blind!Moordt er moeder en kind!En laat er de mannen verstikken!Maar ’n einde te maken aan ’t schrijnend verdriet,Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.Koor:Dappere soldaten,Bange diplomaten.Zoo’n stichtlijke toastWakkert aan, en vertroost,Verdriet en ellende vergeet je.En er wordt niet gedachtAan ’t gemoord en ’t geslachtBij ’t genot van zoo’n fijn déjeunertje...Maar te doen, wat het hart en ’t geweten gebiedt —Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.Koor:Laffe diplomaten,Stervende soldaten...

Ze praten zoo goedVan onsterflijken moed,Van de dapperheid van de soldaten;En iedereen vechtVoor beschaving en recht...Maar over den vrede te praten,Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.Zingt ’t droevig refrein van een droeviger lied:Koor:Dappere soldaten,Bange diplomaten.’t Staat vast, datikwin,Dus alsiknu begin,Dan denken ze, dat ik bek-af ben;Ikben niet zoo bangDat ’k naar vrede verlang!Wat denk je wel, dat ik zóó laf ben?En ’t vredesverdrag ligt nog ver in ’t verschiet:Ze zijn er te bang voor, ze durven nog niet.Koor:Dappere soldaten,Bange diplomaten.Ze durven zooveelOp het oorlogstooneel,Waarvan een gewoon mensch zou schrikken;Schiet ze lam, schiet ze blind!Moordt er moeder en kind!En laat er de mannen verstikken!Maar ’n einde te maken aan ’t schrijnend verdriet,Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.Koor:Dappere soldaten,Bange diplomaten.Zoo’n stichtlijke toastWakkert aan, en vertroost,Verdriet en ellende vergeet je.En er wordt niet gedachtAan ’t gemoord en ’t geslachtBij ’t genot van zoo’n fijn déjeunertje...Maar te doen, wat het hart en ’t geweten gebiedt —Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.Koor:Laffe diplomaten,Stervende soldaten...

Ze praten zoo goedVan onsterflijken moed,Van de dapperheid van de soldaten;En iedereen vechtVoor beschaving en recht...Maar over den vrede te praten,Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.Zingt ’t droevig refrein van een droeviger lied:Koor:Dappere soldaten,Bange diplomaten.

Ze praten zoo goed

Van onsterflijken moed,

Van de dapperheid van de soldaten;

En iedereen vecht

Voor beschaving en recht...

Maar over den vrede te praten,

Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.

Zingt ’t droevig refrein van een droeviger lied:

Koor:Dappere soldaten,

Bange diplomaten.

’t Staat vast, datikwin,Dus alsiknu begin,Dan denken ze, dat ik bek-af ben;Ikben niet zoo bangDat ’k naar vrede verlang!Wat denk je wel, dat ik zóó laf ben?En ’t vredesverdrag ligt nog ver in ’t verschiet:Ze zijn er te bang voor, ze durven nog niet.Koor:Dappere soldaten,Bange diplomaten.

’t Staat vast, datikwin,

Dus alsiknu begin,

Dan denken ze, dat ik bek-af ben;

Ikben niet zoo bang

Dat ’k naar vrede verlang!

Wat denk je wel, dat ik zóó laf ben?

En ’t vredesverdrag ligt nog ver in ’t verschiet:

Ze zijn er te bang voor, ze durven nog niet.

Koor:Dappere soldaten,

Bange diplomaten.

Ze durven zooveelOp het oorlogstooneel,Waarvan een gewoon mensch zou schrikken;Schiet ze lam, schiet ze blind!Moordt er moeder en kind!En laat er de mannen verstikken!Maar ’n einde te maken aan ’t schrijnend verdriet,Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.Koor:Dappere soldaten,Bange diplomaten.

Ze durven zooveel

Op het oorlogstooneel,

Waarvan een gewoon mensch zou schrikken;

Schiet ze lam, schiet ze blind!

Moordt er moeder en kind!

En laat er de mannen verstikken!

Maar ’n einde te maken aan ’t schrijnend verdriet,

Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.

Koor:Dappere soldaten,

Bange diplomaten.

Zoo’n stichtlijke toastWakkert aan, en vertroost,Verdriet en ellende vergeet je.En er wordt niet gedachtAan ’t gemoord en ’t geslachtBij ’t genot van zoo’n fijn déjeunertje...Maar te doen, wat het hart en ’t geweten gebiedt —Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.Koor:Laffe diplomaten,Stervende soldaten...

Zoo’n stichtlijke toast

Wakkert aan, en vertroost,

Verdriet en ellende vergeet je.

En er wordt niet gedacht

Aan ’t gemoord en ’t geslacht

Bij ’t genot van zoo’n fijn déjeunertje...

Maar te doen, wat het hart en ’t geweten gebiedt —

Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.

Koor:Laffe diplomaten,

Stervende soldaten...

(„Het wordt steeds meer duidelijk, dat slechts enkele personen, eenige diplomaten en ministers, de onmiddellijke aanleiding geweest zijn tot de uitbarsting.” —Chr. N. i. h. Hbl.„Het is een oorlog door een zes-tal diplomaten veroorzaakt. De volken leefden vreedzaam met elkander, zonder eenigen haat of nijd. Een half dozijn mannen heeft Europa aan den rand des afgronds gebracht, en Europa is daarin gevallen.” —Ramsay Macdonald in de Cont. Times.)

(„Het wordt steeds meer duidelijk, dat slechts enkele personen, eenige diplomaten en ministers, de onmiddellijke aanleiding geweest zijn tot de uitbarsting.” —

Chr. N. i. h. Hbl.

„Het is een oorlog door een zes-tal diplomaten veroorzaakt. De volken leefden vreedzaam met elkander, zonder eenigen haat of nijd. Een half dozijn mannen heeft Europa aan den rand des afgronds gebracht, en Europa is daarin gevallen.” —

Ramsay Macdonald in de Cont. Times.)

Wie hebben strijdEn moord bereid,Giganten-strijd van zóóveel staten?Zes Diplomaten.Wie wierpen ’t lot,Het volk ten spot,Van gansch Europa, trotsch, verwaten?Zes Diplomaten.Wie speelden metMoraal en wet,Geheime ententes en tractaten?Zes Diplomaten.Wie stookten ’t vuurT’onzaalger uurNog meer door zwijgen dan door praten?Zes Diplomaten.Wie stookten ’n zeeVan wereldwee,Een storm van jammer zonder maten?Zes Diplomaten.Wie brachten woed’En dorst naar bloed,Wie brachten haat tot wie niet haatten?Zes Diplomaten.Wie vulden luchtEn aard, geduchtMet ’t knetrend knallen der granaten?Zes Diplomaten.Wie drijven dag-aan-dag ten slag,Ten doode, duizenden soldaten?Zes Diplomaten.Wie maakten datIn dorp en stadDe lijklucht hangt in steeg en straten?Zes Diplomaten.Wie brengen smartEn angst in ’t hartVan vrouwen, eenzaam en verlaten?Zes Diplomaten.Wie roepen luidDen volke uit:Ik wilde vrêe, maar ’t mocht niet baten?Zes Diplomaten.Wie zal ’t berouw— ’t Koom’ laat of gauw —Geen stonde lang met ruste laten?...Zes Diplomaten.

Wie hebben strijdEn moord bereid,Giganten-strijd van zóóveel staten?Zes Diplomaten.Wie wierpen ’t lot,Het volk ten spot,Van gansch Europa, trotsch, verwaten?Zes Diplomaten.Wie speelden metMoraal en wet,Geheime ententes en tractaten?Zes Diplomaten.Wie stookten ’t vuurT’onzaalger uurNog meer door zwijgen dan door praten?Zes Diplomaten.Wie stookten ’n zeeVan wereldwee,Een storm van jammer zonder maten?Zes Diplomaten.Wie brachten woed’En dorst naar bloed,Wie brachten haat tot wie niet haatten?Zes Diplomaten.Wie vulden luchtEn aard, geduchtMet ’t knetrend knallen der granaten?Zes Diplomaten.Wie drijven dag-aan-dag ten slag,Ten doode, duizenden soldaten?Zes Diplomaten.Wie maakten datIn dorp en stadDe lijklucht hangt in steeg en straten?Zes Diplomaten.Wie brengen smartEn angst in ’t hartVan vrouwen, eenzaam en verlaten?Zes Diplomaten.Wie roepen luidDen volke uit:Ik wilde vrêe, maar ’t mocht niet baten?Zes Diplomaten.Wie zal ’t berouw— ’t Koom’ laat of gauw —Geen stonde lang met ruste laten?...Zes Diplomaten.

Wie hebben strijdEn moord bereid,Giganten-strijd van zóóveel staten?Zes Diplomaten.

Wie hebben strijd

En moord bereid,

Giganten-strijd van zóóveel staten?

Zes Diplomaten.

Wie wierpen ’t lot,Het volk ten spot,Van gansch Europa, trotsch, verwaten?Zes Diplomaten.

Wie wierpen ’t lot,

Het volk ten spot,

Van gansch Europa, trotsch, verwaten?

Zes Diplomaten.

Wie speelden metMoraal en wet,Geheime ententes en tractaten?Zes Diplomaten.

Wie speelden met

Moraal en wet,

Geheime ententes en tractaten?

Zes Diplomaten.

Wie stookten ’t vuurT’onzaalger uurNog meer door zwijgen dan door praten?Zes Diplomaten.

Wie stookten ’t vuur

T’onzaalger uur

Nog meer door zwijgen dan door praten?

Zes Diplomaten.

Wie stookten ’n zeeVan wereldwee,Een storm van jammer zonder maten?Zes Diplomaten.

Wie stookten ’n zee

Van wereldwee,

Een storm van jammer zonder maten?

Zes Diplomaten.

Wie brachten woed’En dorst naar bloed,Wie brachten haat tot wie niet haatten?Zes Diplomaten.

Wie brachten woed’

En dorst naar bloed,

Wie brachten haat tot wie niet haatten?

Zes Diplomaten.

Wie vulden luchtEn aard, geduchtMet ’t knetrend knallen der granaten?Zes Diplomaten.

Wie vulden lucht

En aard, geducht

Met ’t knetrend knallen der granaten?

Zes Diplomaten.

Wie drijven dag-aan-dag ten slag,Ten doode, duizenden soldaten?Zes Diplomaten.

Wie drijven dag-

aan-dag ten slag,

Ten doode, duizenden soldaten?

Zes Diplomaten.

Wie maakten datIn dorp en stadDe lijklucht hangt in steeg en straten?Zes Diplomaten.

Wie maakten dat

In dorp en stad

De lijklucht hangt in steeg en straten?

Zes Diplomaten.

Wie brengen smartEn angst in ’t hartVan vrouwen, eenzaam en verlaten?Zes Diplomaten.

Wie brengen smart

En angst in ’t hart

Van vrouwen, eenzaam en verlaten?

Zes Diplomaten.

Wie roepen luidDen volke uit:Ik wilde vrêe, maar ’t mocht niet baten?Zes Diplomaten.

Wie roepen luid

Den volke uit:

Ik wilde vrêe, maar ’t mocht niet baten?

Zes Diplomaten.

Wie zal ’t berouw— ’t Koom’ laat of gauw —Geen stonde lang met ruste laten?...Zes Diplomaten.

Wie zal ’t berouw

— ’t Koom’ laat of gauw —

Geen stonde lang met ruste laten?...

Zes Diplomaten.

Nomen breve, opera longa.

Nomen breve, opera longa.

Toen d’ eerste schok onz’ oude burcht deed beven,Hebt gij met Treub, gijduo van de kracht,Aan ons verbijsterd volk ’t verstand hergeven,En in den chaos orde en rust gebracht.Gij stutte ’t Staatshuis sterk, met moed en macht,Ook toen in ’t boek van ’t eigen zielelevenMet scherpe stift het smartwoord werd geschreven;U zij de dank van ’t nu en ’t nageslacht.En als soms weer, in deze duistre dagen,Bij ’t dreigend schijnsel van den vlammengloed,De geest benauwd wordt, en het harte bang —Dan hoedt dit woord den wankle voor versagen:De dijkgraaf waakt, bij ’t wassen van den vloed!...Uw naam is Cort — wat gij gewrocht hebt, lang.

Toen d’ eerste schok onz’ oude burcht deed beven,Hebt gij met Treub, gijduo van de kracht,Aan ons verbijsterd volk ’t verstand hergeven,En in den chaos orde en rust gebracht.Gij stutte ’t Staatshuis sterk, met moed en macht,Ook toen in ’t boek van ’t eigen zielelevenMet scherpe stift het smartwoord werd geschreven;U zij de dank van ’t nu en ’t nageslacht.En als soms weer, in deze duistre dagen,Bij ’t dreigend schijnsel van den vlammengloed,De geest benauwd wordt, en het harte bang —Dan hoedt dit woord den wankle voor versagen:De dijkgraaf waakt, bij ’t wassen van den vloed!...Uw naam is Cort — wat gij gewrocht hebt, lang.

Toen d’ eerste schok onz’ oude burcht deed beven,Hebt gij met Treub, gijduo van de kracht,Aan ons verbijsterd volk ’t verstand hergeven,En in den chaos orde en rust gebracht.

Toen d’ eerste schok onz’ oude burcht deed beven,

Hebt gij met Treub, gijduo van de kracht,

Aan ons verbijsterd volk ’t verstand hergeven,

En in den chaos orde en rust gebracht.

Gij stutte ’t Staatshuis sterk, met moed en macht,Ook toen in ’t boek van ’t eigen zielelevenMet scherpe stift het smartwoord werd geschreven;U zij de dank van ’t nu en ’t nageslacht.

Gij stutte ’t Staatshuis sterk, met moed en macht,

Ook toen in ’t boek van ’t eigen zieleleven

Met scherpe stift het smartwoord werd geschreven;

U zij de dank van ’t nu en ’t nageslacht.

En als soms weer, in deze duistre dagen,Bij ’t dreigend schijnsel van den vlammengloed,De geest benauwd wordt, en het harte bang —

En als soms weer, in deze duistre dagen,

Bij ’t dreigend schijnsel van den vlammengloed,

De geest benauwd wordt, en het harte bang —

Dan hoedt dit woord den wankle voor versagen:De dijkgraaf waakt, bij ’t wassen van den vloed!...Uw naam is Cort — wat gij gewrocht hebt, lang.

Dan hoedt dit woord den wankle voor versagen:

De dijkgraaf waakt, bij ’t wassen van den vloed!...

Uw naam is Cort — wat gij gewrocht hebt, lang.

Reimchen von ein „scrap of paper” und ein „Stück Papier.”

Reimchen von ein „scrap of paper” und ein „Stück Papier.”

Trulstra, Substitut-Gesandt,Ging in Deutschland informieren,Ob das grosze VaterlandNiederland wollt’ annexieren,Wenn — was er wahrscheinlich findt —Deutschland diesen Ohrlog winnt.Trulstra war der rechte Mann,Weil die Hollandsche RegierungEiglig nicht regieren kann:Die ist nur so zur Verzierung.Trulstra ist RepresentantVon das ganze Niederland.Aber, Trulstra, hör’ mich an,Warum liefst du thatlig toll weg,Wenn du kamst von Zimmermann?Warum nicht zu Bethman-Hollweg?Der schrieb’ wohl ein „Stück Papier”,Belgien’s Tractat-Formulier!Trulstra, ehrlich dürt das langst,Krieg ist grausam, Friede seelig,Dusz bekenn nur, in dein AngstHaft du — Niemand nimmt es kwälig —DieAlliiertenunterschatzt,Nicht neutral das! und misplatzt.Ein Ding hätt’ ich darum grag,Gistern schosz es mir zu binnen:Geh’ nun auch nach England, Trag’,Falls die Alliierten winnen,Dasz wir nicht, wenn das geluckt,DurchBrittannienaufgeschluckt.Und jezt fältt mir dies noch ein:Gibt auchGreyso’n „scrap of paper”,Dann kann Holland ruhig sein.Und, bekeicht man ’s auf dem Käper,Wenn kein Feind uns dähren kann:Wahrfür dient das Läger dann?Drum, Soldaten, stuhr und stramm,Kehrt zurüch zu Ihr Pantoffeln,Braucht das Schwert fürs Boszerham,’s Bayonet für die Kartoffeln!......Und das Alles danken wir:„Scrap of paper” — „Stück Papier”!

Trulstra, Substitut-Gesandt,Ging in Deutschland informieren,Ob das grosze VaterlandNiederland wollt’ annexieren,Wenn — was er wahrscheinlich findt —Deutschland diesen Ohrlog winnt.Trulstra war der rechte Mann,Weil die Hollandsche RegierungEiglig nicht regieren kann:Die ist nur so zur Verzierung.Trulstra ist RepresentantVon das ganze Niederland.Aber, Trulstra, hör’ mich an,Warum liefst du thatlig toll weg,Wenn du kamst von Zimmermann?Warum nicht zu Bethman-Hollweg?Der schrieb’ wohl ein „Stück Papier”,Belgien’s Tractat-Formulier!Trulstra, ehrlich dürt das langst,Krieg ist grausam, Friede seelig,Dusz bekenn nur, in dein AngstHaft du — Niemand nimmt es kwälig —DieAlliiertenunterschatzt,Nicht neutral das! und misplatzt.Ein Ding hätt’ ich darum grag,Gistern schosz es mir zu binnen:Geh’ nun auch nach England, Trag’,Falls die Alliierten winnen,Dasz wir nicht, wenn das geluckt,DurchBrittannienaufgeschluckt.Und jezt fältt mir dies noch ein:Gibt auchGreyso’n „scrap of paper”,Dann kann Holland ruhig sein.Und, bekeicht man ’s auf dem Käper,Wenn kein Feind uns dähren kann:Wahrfür dient das Läger dann?Drum, Soldaten, stuhr und stramm,Kehrt zurüch zu Ihr Pantoffeln,Braucht das Schwert fürs Boszerham,’s Bayonet für die Kartoffeln!......Und das Alles danken wir:„Scrap of paper” — „Stück Papier”!

Trulstra, Substitut-Gesandt,Ging in Deutschland informieren,Ob das grosze VaterlandNiederland wollt’ annexieren,Wenn — was er wahrscheinlich findt —Deutschland diesen Ohrlog winnt.

Trulstra, Substitut-Gesandt,

Ging in Deutschland informieren,

Ob das grosze Vaterland

Niederland wollt’ annexieren,

Wenn — was er wahrscheinlich findt —

Deutschland diesen Ohrlog winnt.

Trulstra war der rechte Mann,Weil die Hollandsche RegierungEiglig nicht regieren kann:Die ist nur so zur Verzierung.Trulstra ist RepresentantVon das ganze Niederland.

Trulstra war der rechte Mann,

Weil die Hollandsche Regierung

Eiglig nicht regieren kann:

Die ist nur so zur Verzierung.

Trulstra ist Representant

Von das ganze Niederland.

Aber, Trulstra, hör’ mich an,Warum liefst du thatlig toll weg,Wenn du kamst von Zimmermann?Warum nicht zu Bethman-Hollweg?Der schrieb’ wohl ein „Stück Papier”,Belgien’s Tractat-Formulier!

Aber, Trulstra, hör’ mich an,

Warum liefst du thatlig toll weg,

Wenn du kamst von Zimmermann?

Warum nicht zu Bethman-Hollweg?

Der schrieb’ wohl ein „Stück Papier”,

Belgien’s Tractat-Formulier!

Trulstra, ehrlich dürt das langst,Krieg ist grausam, Friede seelig,Dusz bekenn nur, in dein AngstHaft du — Niemand nimmt es kwälig —DieAlliiertenunterschatzt,Nicht neutral das! und misplatzt.

Trulstra, ehrlich dürt das langst,

Krieg ist grausam, Friede seelig,

Dusz bekenn nur, in dein Angst

Haft du — Niemand nimmt es kwälig —

DieAlliiertenunterschatzt,

Nicht neutral das! und misplatzt.

Ein Ding hätt’ ich darum grag,Gistern schosz es mir zu binnen:Geh’ nun auch nach England, Trag’,Falls die Alliierten winnen,Dasz wir nicht, wenn das geluckt,DurchBrittannienaufgeschluckt.

Ein Ding hätt’ ich darum grag,

Gistern schosz es mir zu binnen:

Geh’ nun auch nach England, Trag’,

Falls die Alliierten winnen,

Dasz wir nicht, wenn das geluckt,

DurchBrittannienaufgeschluckt.

Und jezt fältt mir dies noch ein:Gibt auchGreyso’n „scrap of paper”,Dann kann Holland ruhig sein.Und, bekeicht man ’s auf dem Käper,Wenn kein Feind uns dähren kann:Wahrfür dient das Läger dann?

Und jezt fältt mir dies noch ein:

Gibt auchGreyso’n „scrap of paper”,

Dann kann Holland ruhig sein.

Und, bekeicht man ’s auf dem Käper,

Wenn kein Feind uns dähren kann:

Wahrfür dient das Läger dann?

Drum, Soldaten, stuhr und stramm,Kehrt zurüch zu Ihr Pantoffeln,Braucht das Schwert fürs Boszerham,’s Bayonet für die Kartoffeln!......Und das Alles danken wir:„Scrap of paper” — „Stück Papier”!

Drum, Soldaten, stuhr und stramm,

Kehrt zurüch zu Ihr Pantoffeln,

Braucht das Schwert fürs Boszerham,

’s Bayonet für die Kartoffeln!......

Und das Alles danken wir:

„Scrap of paper” — „Stück Papier”!

„En de kinderen zullen de moeders vragen hen te roepen, als ’s nachts het mooie luchtschip komt......”(Kernkamp, De Oorlog.)

„En de kinderen zullen de moeders vragen hen te roepen, als ’s nachts het mooie luchtschip komt......”

(Kernkamp, De Oorlog.)

„Moeder, wil u Baby roepen,Als dat mooie luchtschip komt,Dat daar boven alle dakenVerre vliegt, en gromt en bromt?”„Kind, ik zal je laten slapen,Als het Groote Monster naakt,Die je zeien, dat het mooi is,Hebben je wat wijs gemaakt!”„Waarom zit u zoo te beven?Ben u bange voor de nacht?Zal u Baby zeker roepen......??”„Slaap, mijn kindje, sluimer zacht!”Baby sluimert. In het duisterZweeft de Zeplin door het zwerk,En de moordenaars daarbovenDoen bedaard hun duivelsch werk.„Zal ’k er maar wat laten vallen?Dat daar, dunkt me, is een stad,”„Ja, je kunt het licht probeeren,’t Hindert niet. Gooi maar zoowat.”En hij werpt de helsche bommenNaar beneê met vaste hand,God ter eer, en voor de ZegeVan het lieve Vaderland.— — — — — — — — — — — — —Baby ligt er, bleek en bloedig,In d’r bedjen uitgestrekt,Moeder hoeft ’r niet te roepen,Zeplin heeft ’r doodgewekt......

„Moeder, wil u Baby roepen,Als dat mooie luchtschip komt,Dat daar boven alle dakenVerre vliegt, en gromt en bromt?”„Kind, ik zal je laten slapen,Als het Groote Monster naakt,Die je zeien, dat het mooi is,Hebben je wat wijs gemaakt!”„Waarom zit u zoo te beven?Ben u bange voor de nacht?Zal u Baby zeker roepen......??”„Slaap, mijn kindje, sluimer zacht!”Baby sluimert. In het duisterZweeft de Zeplin door het zwerk,En de moordenaars daarbovenDoen bedaard hun duivelsch werk.„Zal ’k er maar wat laten vallen?Dat daar, dunkt me, is een stad,”„Ja, je kunt het licht probeeren,’t Hindert niet. Gooi maar zoowat.”En hij werpt de helsche bommenNaar beneê met vaste hand,God ter eer, en voor de ZegeVan het lieve Vaderland.— — — — — — — — — — — — —Baby ligt er, bleek en bloedig,In d’r bedjen uitgestrekt,Moeder hoeft ’r niet te roepen,Zeplin heeft ’r doodgewekt......

„Moeder, wil u Baby roepen,Als dat mooie luchtschip komt,Dat daar boven alle dakenVerre vliegt, en gromt en bromt?”

„Moeder, wil u Baby roepen,

Als dat mooie luchtschip komt,

Dat daar boven alle daken

Verre vliegt, en gromt en bromt?”

„Kind, ik zal je laten slapen,Als het Groote Monster naakt,Die je zeien, dat het mooi is,Hebben je wat wijs gemaakt!”

„Kind, ik zal je laten slapen,

Als het Groote Monster naakt,

Die je zeien, dat het mooi is,

Hebben je wat wijs gemaakt!”

„Waarom zit u zoo te beven?Ben u bange voor de nacht?Zal u Baby zeker roepen......??”„Slaap, mijn kindje, sluimer zacht!”

„Waarom zit u zoo te beven?

Ben u bange voor de nacht?

Zal u Baby zeker roepen......??”

„Slaap, mijn kindje, sluimer zacht!”

Baby sluimert. In het duisterZweeft de Zeplin door het zwerk,En de moordenaars daarbovenDoen bedaard hun duivelsch werk.

Baby sluimert. In het duister

Zweeft de Zeplin door het zwerk,

En de moordenaars daarboven

Doen bedaard hun duivelsch werk.

„Zal ’k er maar wat laten vallen?Dat daar, dunkt me, is een stad,”„Ja, je kunt het licht probeeren,’t Hindert niet. Gooi maar zoowat.”

„Zal ’k er maar wat laten vallen?

Dat daar, dunkt me, is een stad,”

„Ja, je kunt het licht probeeren,

’t Hindert niet. Gooi maar zoowat.”

En hij werpt de helsche bommenNaar beneê met vaste hand,God ter eer, en voor de ZegeVan het lieve Vaderland.— — — — — — — — — — — — —Baby ligt er, bleek en bloedig,In d’r bedjen uitgestrekt,Moeder hoeft ’r niet te roepen,Zeplin heeft ’r doodgewekt......

En hij werpt de helsche bommen

Naar beneê met vaste hand,

God ter eer, en voor de Zege

Van het lieve Vaderland.

— — — — — — — — — — — — —

Baby ligt er, bleek en bloedig,

In d’r bedjen uitgestrekt,

Moeder hoeft ’r niet te roepen,

Zeplin heeft ’r doodgewekt......

„Und wollen sie dir nach der Kehle fassen,So recke dich in ganzer Furchtbarkeit!Zur Liebe ist es später wieder Zeit,Jetzt, Michel, hilft nur Eines: lerne hassen!” —Fliegende Blätter.

„Und wollen sie dir nach der Kehle fassen,So recke dich in ganzer Furchtbarkeit!Zur Liebe ist es später wieder Zeit,Jetzt, Michel, hilft nur Eines: lerne hassen!” —Fliegende Blätter.

„Und wollen sie dir nach der Kehle fassen,So recke dich in ganzer Furchtbarkeit!Zur Liebe ist es später wieder Zeit,Jetzt, Michel, hilft nur Eines: lerne hassen!” —Fliegende Blätter.

„Und wollen sie dir nach der Kehle fassen,

So recke dich in ganzer Furchtbarkeit!

Zur Liebe ist es später wieder Zeit,

Jetzt, Michel, hilft nur Eines: lerne hassen!” —

Fliegende Blätter.

Het is wel goed, maar eens oprecht te praten,Je komt niet verder met schijnheiligheid,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!Gevoel en zachtheid deugt niet voor soldaten,Een krijgsman is goddank geen jonge meid!Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!De liefde moet j’ aan...... dieren overlaten,De liefde schept geen macht en wint geen strijd,Voor liefde is er later wel weer tijd.Nu is er maar één leuze: leer te haten!De leer van Jezus kan ons nu niet baten,Das maar ’n tijdverdrijfje, zoo voor de aardigheid,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!Wij hebben nu voor alles surrogaten:Het surrogaat voor liefde is de nijd,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!Dus luistert, kanselier en diplomaten:Liegt, lastert, hitst en hoont; slechts haat gedijt,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze:leert ze haten!

Het is wel goed, maar eens oprecht te praten,Je komt niet verder met schijnheiligheid,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!Gevoel en zachtheid deugt niet voor soldaten,Een krijgsman is goddank geen jonge meid!Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!De liefde moet j’ aan...... dieren overlaten,De liefde schept geen macht en wint geen strijd,Voor liefde is er later wel weer tijd.Nu is er maar één leuze: leer te haten!De leer van Jezus kan ons nu niet baten,Das maar ’n tijdverdrijfje, zoo voor de aardigheid,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!Wij hebben nu voor alles surrogaten:Het surrogaat voor liefde is de nijd,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!Dus luistert, kanselier en diplomaten:Liegt, lastert, hitst en hoont; slechts haat gedijt,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze:leert ze haten!

Het is wel goed, maar eens oprecht te praten,Je komt niet verder met schijnheiligheid,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!

Het is wel goed, maar eens oprecht te praten,

Je komt niet verder met schijnheiligheid,

Voor liefde is er later wel weer tijd,

Nu is er maar één leuze: leer te haten!

Gevoel en zachtheid deugt niet voor soldaten,Een krijgsman is goddank geen jonge meid!Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!

Gevoel en zachtheid deugt niet voor soldaten,

Een krijgsman is goddank geen jonge meid!

Voor liefde is er later wel weer tijd,

Nu is er maar één leuze: leer te haten!

De liefde moet j’ aan...... dieren overlaten,De liefde schept geen macht en wint geen strijd,Voor liefde is er later wel weer tijd.Nu is er maar één leuze: leer te haten!

De liefde moet j’ aan...... dieren overlaten,

De liefde schept geen macht en wint geen strijd,

Voor liefde is er later wel weer tijd.

Nu is er maar één leuze: leer te haten!

De leer van Jezus kan ons nu niet baten,Das maar ’n tijdverdrijfje, zoo voor de aardigheid,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!

De leer van Jezus kan ons nu niet baten,

Das maar ’n tijdverdrijfje, zoo voor de aardigheid,

Voor liefde is er later wel weer tijd,

Nu is er maar één leuze: leer te haten!

Wij hebben nu voor alles surrogaten:Het surrogaat voor liefde is de nijd,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze: leer te haten!

Wij hebben nu voor alles surrogaten:

Het surrogaat voor liefde is de nijd,

Voor liefde is er later wel weer tijd,

Nu is er maar één leuze: leer te haten!

Dus luistert, kanselier en diplomaten:Liegt, lastert, hitst en hoont; slechts haat gedijt,Voor liefde is er later wel weer tijd,Nu is er maar één leuze:leert ze haten!

Dus luistert, kanselier en diplomaten:

Liegt, lastert, hitst en hoont; slechts haat gedijt,

Voor liefde is er later wel weer tijd,

Nu is er maar één leuze:leert ze haten!

„Wat de Argentijnsche schepen betreft, raad ik aan, ze...... spoorloos tot zinken te brengen.” —Luxburg, Gezant.

„Wat de Argentijnsche schepen betreft, raad ik aan, ze...... spoorloos tot zinken te brengen.” —

Luxburg, Gezant.

Oneerbiedig opgedragen aan Zijn Excellentie Graaf Luxburg.

Luxburg, schoft, je naam zal levenTot bij ’t verre nageslacht,Door den raad, dien j’ hebt gegeven,En het plan dat j’ hebt bedacht:„Spoorloos moet zoo’n schuit verzinken,Wind en weder diene je!Zorgt dat al de lui verdrinken,Leve Argentinië!Laat van ’t ons bevriende landje’t Schip met man en muis vergaan:Helpt de lummels maar ’n handje......Spoorloos!Heb je ’t goed verstaan?Zie je nog zoo’n stakkerig troepje,Stijf van schrik, van doodsangst stom,Eén goed schot, en ’t schommelend sloepje —Slaat met ’t heele zootje om.Zie je ’n drenkeling, even later,Die zich vastklampt aan een hout,Prachtig mikpunt: kop uit ’t water!Paf — en ’t Schwein is d’r om koud!Dat geen stervling wederkeere!Al wat leeft, dat moet kapot;Moordt er raak op los, ter eereVan onz’ ouden Duitschen God.Volgt mijn raad dus; weest verstandig,Dan bè j’ hartlijk welkom thuis,En schenkt Wilhelm j’ eigenhandig,Een voor één, het ijzren Kruis.”Luxburg, ’k wil je niet verhelen.’t Is niet hoffelijk, misschien,Maar als ’kjouzag vierendeelen —’k Zou het met genoegen zien!Van een „Duitschen God” te sprekenStaat je volk volkomen vrij:Daar is ook — ’t is nu gebleken —’n „Duitsche Duivel”. Dat ben jij.

Luxburg, schoft, je naam zal levenTot bij ’t verre nageslacht,Door den raad, dien j’ hebt gegeven,En het plan dat j’ hebt bedacht:„Spoorloos moet zoo’n schuit verzinken,Wind en weder diene je!Zorgt dat al de lui verdrinken,Leve Argentinië!Laat van ’t ons bevriende landje’t Schip met man en muis vergaan:Helpt de lummels maar ’n handje......Spoorloos!Heb je ’t goed verstaan?Zie je nog zoo’n stakkerig troepje,Stijf van schrik, van doodsangst stom,Eén goed schot, en ’t schommelend sloepje —Slaat met ’t heele zootje om.Zie je ’n drenkeling, even later,Die zich vastklampt aan een hout,Prachtig mikpunt: kop uit ’t water!Paf — en ’t Schwein is d’r om koud!Dat geen stervling wederkeere!Al wat leeft, dat moet kapot;Moordt er raak op los, ter eereVan onz’ ouden Duitschen God.Volgt mijn raad dus; weest verstandig,Dan bè j’ hartlijk welkom thuis,En schenkt Wilhelm j’ eigenhandig,Een voor één, het ijzren Kruis.”Luxburg, ’k wil je niet verhelen.’t Is niet hoffelijk, misschien,Maar als ’kjouzag vierendeelen —’k Zou het met genoegen zien!Van een „Duitschen God” te sprekenStaat je volk volkomen vrij:Daar is ook — ’t is nu gebleken —’n „Duitsche Duivel”. Dat ben jij.

Luxburg, schoft, je naam zal levenTot bij ’t verre nageslacht,Door den raad, dien j’ hebt gegeven,En het plan dat j’ hebt bedacht:

Luxburg, schoft, je naam zal leven

Tot bij ’t verre nageslacht,

Door den raad, dien j’ hebt gegeven,

En het plan dat j’ hebt bedacht:

„Spoorloos moet zoo’n schuit verzinken,Wind en weder diene je!Zorgt dat al de lui verdrinken,Leve Argentinië!

„Spoorloos moet zoo’n schuit verzinken,

Wind en weder diene je!

Zorgt dat al de lui verdrinken,

Leve Argentinië!

Laat van ’t ons bevriende landje’t Schip met man en muis vergaan:Helpt de lummels maar ’n handje......Spoorloos!Heb je ’t goed verstaan?

Laat van ’t ons bevriende landje

’t Schip met man en muis vergaan:

Helpt de lummels maar ’n handje......

Spoorloos!Heb je ’t goed verstaan?

Zie je nog zoo’n stakkerig troepje,Stijf van schrik, van doodsangst stom,Eén goed schot, en ’t schommelend sloepje —Slaat met ’t heele zootje om.

Zie je nog zoo’n stakkerig troepje,

Stijf van schrik, van doodsangst stom,

Eén goed schot, en ’t schommelend sloepje —

Slaat met ’t heele zootje om.

Zie je ’n drenkeling, even later,Die zich vastklampt aan een hout,Prachtig mikpunt: kop uit ’t water!Paf — en ’t Schwein is d’r om koud!

Zie je ’n drenkeling, even later,

Die zich vastklampt aan een hout,

Prachtig mikpunt: kop uit ’t water!

Paf — en ’t Schwein is d’r om koud!

Dat geen stervling wederkeere!Al wat leeft, dat moet kapot;Moordt er raak op los, ter eereVan onz’ ouden Duitschen God.

Dat geen stervling wederkeere!

Al wat leeft, dat moet kapot;

Moordt er raak op los, ter eere

Van onz’ ouden Duitschen God.

Volgt mijn raad dus; weest verstandig,Dan bè j’ hartlijk welkom thuis,En schenkt Wilhelm j’ eigenhandig,Een voor één, het ijzren Kruis.”

Volgt mijn raad dus; weest verstandig,

Dan bè j’ hartlijk welkom thuis,

En schenkt Wilhelm j’ eigenhandig,

Een voor één, het ijzren Kruis.”

Luxburg, ’k wil je niet verhelen.’t Is niet hoffelijk, misschien,Maar als ’kjouzag vierendeelen —’k Zou het met genoegen zien!

Luxburg, ’k wil je niet verhelen.

’t Is niet hoffelijk, misschien,

Maar als ’kjouzag vierendeelen —

’k Zou het met genoegen zien!

Van een „Duitschen God” te sprekenStaat je volk volkomen vrij:Daar is ook — ’t is nu gebleken —’n „Duitsche Duivel”. Dat ben jij.

Van een „Duitschen God” te spreken

Staat je volk volkomen vrij:

Daar is ook — ’t is nu gebleken —

’n „Duitsche Duivel”. Dat ben jij.

„Als uiterlijke gedachtenis schenk ik u, Hindenburg, mijn portret in olieverf, dat u vandaag zal worden toegezonden.”Wilhelm, I. R. — N. v. d. D.Z. M. dicht ook. Charivarius veronderstelt dat iets als ’t volgende de schilderij tot Geleibrief gestrekt heeft.

„Als uiterlijke gedachtenis schenk ik u, Hindenburg, mijn portret in olieverf, dat u vandaag zal worden toegezonden.”Wilhelm, I. R. — N. v. d. D.

Z. M. dicht ook. Charivarius veronderstelt dat iets als ’t volgende de schilderij tot Geleibrief gestrekt heeft.

„Gij, schuts van onzer vaad’ren erf,En in mijn dienst vergrijsd,Hierbij Mijn Hoofd in olieverf,In zwaar vergulde lijst.Gij, held, geen drie-, maar duizendwerf!Dien ’t menschdom eert en prijst,Aanvaard Mijn Hoofd in olieverf,In zwaar vergulde lijst.Gij, die zoo vaak voor Rus en SerfDe Rijksvaan dreigend hijscht,Gij krijgt Mijn Hoofd in olieverf,In zwaar vergulde lijst.Gij zijt den vijand ten verderf,Wat uw succes bewijst;Dies stuur ’K u MIJ — in olieverf,In zwaarvergulde lijst.„Koom nooit de tijd, dat ik u derf!”Dat bidt uw Vorst — neeneischt—Bij dit portret in olieverf,In zwaar vergulde lijst.Wat er verbrokle of verscherv’— Dat maakt Mij nog het blijst —Niet dit portret in olieverf,In zwaarvergulde lijst.Wáárin het mes des tijds ook kerv’Wááraan de worm ook spijst —Niet aan Mijn Hoofd in olieverf,In zwaarvergulde lijst.En, nadert d’ ure, dat Ik sterf,Mijn Ziel ten hemel rijst,Gij houdt ME — al is ’t in olieverf,In zwaarvergulde lijst.Eens zal ’K ten prooi zijn aan bederf,Zelfs Ik — wie ’t hoort, die ijst!Maar nooit Mijn Hoofd in olieverf,In zwaarvergulde lijst.”— — — — — — — —Nu weet ’k geen woorden meer op -erf,En ook geen meer op -ijst,Vaarwel dus, hoofd in olieverf,In zwaarvergulde lijst!

„Gij, schuts van onzer vaad’ren erf,En in mijn dienst vergrijsd,Hierbij Mijn Hoofd in olieverf,In zwaar vergulde lijst.Gij, held, geen drie-, maar duizendwerf!Dien ’t menschdom eert en prijst,Aanvaard Mijn Hoofd in olieverf,In zwaar vergulde lijst.Gij, die zoo vaak voor Rus en SerfDe Rijksvaan dreigend hijscht,Gij krijgt Mijn Hoofd in olieverf,In zwaar vergulde lijst.Gij zijt den vijand ten verderf,Wat uw succes bewijst;Dies stuur ’K u MIJ — in olieverf,In zwaarvergulde lijst.„Koom nooit de tijd, dat ik u derf!”Dat bidt uw Vorst — neeneischt—Bij dit portret in olieverf,In zwaar vergulde lijst.Wat er verbrokle of verscherv’— Dat maakt Mij nog het blijst —Niet dit portret in olieverf,In zwaarvergulde lijst.Wáárin het mes des tijds ook kerv’Wááraan de worm ook spijst —Niet aan Mijn Hoofd in olieverf,In zwaarvergulde lijst.En, nadert d’ ure, dat Ik sterf,Mijn Ziel ten hemel rijst,Gij houdt ME — al is ’t in olieverf,In zwaarvergulde lijst.Eens zal ’K ten prooi zijn aan bederf,Zelfs Ik — wie ’t hoort, die ijst!Maar nooit Mijn Hoofd in olieverf,In zwaarvergulde lijst.”— — — — — — — —Nu weet ’k geen woorden meer op -erf,En ook geen meer op -ijst,Vaarwel dus, hoofd in olieverf,In zwaarvergulde lijst!

„Gij, schuts van onzer vaad’ren erf,En in mijn dienst vergrijsd,Hierbij Mijn Hoofd in olieverf,In zwaar vergulde lijst.

„Gij, schuts van onzer vaad’ren erf,

En in mijn dienst vergrijsd,

Hierbij Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaar vergulde lijst.

Gij, held, geen drie-, maar duizendwerf!Dien ’t menschdom eert en prijst,Aanvaard Mijn Hoofd in olieverf,In zwaar vergulde lijst.

Gij, held, geen drie-, maar duizendwerf!

Dien ’t menschdom eert en prijst,

Aanvaard Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaar vergulde lijst.

Gij, die zoo vaak voor Rus en SerfDe Rijksvaan dreigend hijscht,Gij krijgt Mijn Hoofd in olieverf,In zwaar vergulde lijst.

Gij, die zoo vaak voor Rus en Serf

De Rijksvaan dreigend hijscht,

Gij krijgt Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaar vergulde lijst.

Gij zijt den vijand ten verderf,Wat uw succes bewijst;Dies stuur ’K u MIJ — in olieverf,In zwaarvergulde lijst.

Gij zijt den vijand ten verderf,

Wat uw succes bewijst;

Dies stuur ’K u MIJ — in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.

„Koom nooit de tijd, dat ik u derf!”Dat bidt uw Vorst — neeneischt—Bij dit portret in olieverf,In zwaar vergulde lijst.

„Koom nooit de tijd, dat ik u derf!”

Dat bidt uw Vorst — neeneischt—

Bij dit portret in olieverf,

In zwaar vergulde lijst.

Wat er verbrokle of verscherv’— Dat maakt Mij nog het blijst —Niet dit portret in olieverf,In zwaarvergulde lijst.

Wat er verbrokle of verscherv’

— Dat maakt Mij nog het blijst —

Niet dit portret in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.

Wáárin het mes des tijds ook kerv’Wááraan de worm ook spijst —Niet aan Mijn Hoofd in olieverf,In zwaarvergulde lijst.

Wáárin het mes des tijds ook kerv’

Wááraan de worm ook spijst —

Niet aan Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.

En, nadert d’ ure, dat Ik sterf,Mijn Ziel ten hemel rijst,Gij houdt ME — al is ’t in olieverf,In zwaarvergulde lijst.

En, nadert d’ ure, dat Ik sterf,

Mijn Ziel ten hemel rijst,

Gij houdt ME — al is ’t in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.

Eens zal ’K ten prooi zijn aan bederf,Zelfs Ik — wie ’t hoort, die ijst!Maar nooit Mijn Hoofd in olieverf,In zwaarvergulde lijst.”— — — — — — — —Nu weet ’k geen woorden meer op -erf,En ook geen meer op -ijst,Vaarwel dus, hoofd in olieverf,In zwaarvergulde lijst!

Eens zal ’K ten prooi zijn aan bederf,

Zelfs Ik — wie ’t hoort, die ijst!

Maar nooit Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.”

— — — — — — — —

Nu weet ’k geen woorden meer op -erf,

En ook geen meer op -ijst,

Vaarwel dus, hoofd in olieverf,

In zwaarvergulde lijst!

De Toorts vermeldt met blijdschap, dat een tiental Nederlanders zich bereid hebben verklaard een professoraat aan de Gentsche hoogeschool, in Duitschen dienst, te aanvaarden.

De Toorts vermeldt met blijdschap, dat een tiental Nederlanders zich bereid hebben verklaard een professoraat aan de Gentsche hoogeschool, in Duitschen dienst, te aanvaarden.

Gij hebt u dan bereid verklaard, nietwaar?Om België’s overweldiger te dienen,Gij buigt u blij voor den geweldenaar,Gij, met uw tienen.Gij zult doceeren in den geest en trant,Door d’ allerhöchste Stell’ u voorgeschreven,En zóó den zonen van ’t geteisterd landUw wijsheid geven.Ziet — nu reeds, vóórdat Duitschland is geslaagdGansch België en zijn Koning te bedwingen,Begint het al zijn weldaân, ongevraagd,Hun op te dringen.Hoevelen had men al vergeefs genood?Het waren de hooghartigen, de sterken;Als onderkruipers voor wie d’ eer ’t verboodGaat gij daar werken.Van Keizer Wilhelm’s wege aanvaardt g’ uw ambt,Uw rechten en uw plichten, uw belooning;Maar Wilhelm niet — neen, Albert, die daar kampt,Hijis uw Koning!Hij — die daar stille strijdt voor huis en erf,Dien d’ overmacht verslaan kon, noch verlammen,Die geen Portretten stuurt, in olieverf,Of Telegrammen.In dienst van hem, die België heeft geknecht,Zult gij u richten naar zijn hoog verlangen,Een deel der boeten, België opgelegd,Als loon ontvangen.Voor wat de vijand aan dat volk misdeedZult g’ onderdanig uw bewondring veinzen;Bij ’t zien van al dat onverdiende leedZoet-schmeichlend grijnzen.Maar als voor trouw-loos Duitschland d’ ure slaat,En België’s vlag weer waait in sted’ en dorpen,Dan wordt gij, weet dat wel, met hoon en smaadEr uitgeworpen.Gaat. Huldigt door uw daad de Duitsche leer:Verdragen zijn maar vodjes — om te brande’!Gaat. Uw professorstitel acht g’ uw eer —Hij is uw schande.

Gij hebt u dan bereid verklaard, nietwaar?Om België’s overweldiger te dienen,Gij buigt u blij voor den geweldenaar,Gij, met uw tienen.Gij zult doceeren in den geest en trant,Door d’ allerhöchste Stell’ u voorgeschreven,En zóó den zonen van ’t geteisterd landUw wijsheid geven.Ziet — nu reeds, vóórdat Duitschland is geslaagdGansch België en zijn Koning te bedwingen,Begint het al zijn weldaân, ongevraagd,Hun op te dringen.Hoevelen had men al vergeefs genood?Het waren de hooghartigen, de sterken;Als onderkruipers voor wie d’ eer ’t verboodGaat gij daar werken.Van Keizer Wilhelm’s wege aanvaardt g’ uw ambt,Uw rechten en uw plichten, uw belooning;Maar Wilhelm niet — neen, Albert, die daar kampt,Hijis uw Koning!Hij — die daar stille strijdt voor huis en erf,Dien d’ overmacht verslaan kon, noch verlammen,Die geen Portretten stuurt, in olieverf,Of Telegrammen.In dienst van hem, die België heeft geknecht,Zult gij u richten naar zijn hoog verlangen,Een deel der boeten, België opgelegd,Als loon ontvangen.Voor wat de vijand aan dat volk misdeedZult g’ onderdanig uw bewondring veinzen;Bij ’t zien van al dat onverdiende leedZoet-schmeichlend grijnzen.Maar als voor trouw-loos Duitschland d’ ure slaat,En België’s vlag weer waait in sted’ en dorpen,Dan wordt gij, weet dat wel, met hoon en smaadEr uitgeworpen.Gaat. Huldigt door uw daad de Duitsche leer:Verdragen zijn maar vodjes — om te brande’!Gaat. Uw professorstitel acht g’ uw eer —Hij is uw schande.

Gij hebt u dan bereid verklaard, nietwaar?Om België’s overweldiger te dienen,Gij buigt u blij voor den geweldenaar,Gij, met uw tienen.

Gij hebt u dan bereid verklaard, nietwaar?

Om België’s overweldiger te dienen,

Gij buigt u blij voor den geweldenaar,

Gij, met uw tienen.

Gij zult doceeren in den geest en trant,Door d’ allerhöchste Stell’ u voorgeschreven,En zóó den zonen van ’t geteisterd landUw wijsheid geven.

Gij zult doceeren in den geest en trant,

Door d’ allerhöchste Stell’ u voorgeschreven,

En zóó den zonen van ’t geteisterd land

Uw wijsheid geven.

Ziet — nu reeds, vóórdat Duitschland is geslaagdGansch België en zijn Koning te bedwingen,Begint het al zijn weldaân, ongevraagd,Hun op te dringen.

Ziet — nu reeds, vóórdat Duitschland is geslaagd

Gansch België en zijn Koning te bedwingen,

Begint het al zijn weldaân, ongevraagd,

Hun op te dringen.

Hoevelen had men al vergeefs genood?Het waren de hooghartigen, de sterken;Als onderkruipers voor wie d’ eer ’t verboodGaat gij daar werken.

Hoevelen had men al vergeefs genood?

Het waren de hooghartigen, de sterken;

Als onderkruipers voor wie d’ eer ’t verbood

Gaat gij daar werken.

Van Keizer Wilhelm’s wege aanvaardt g’ uw ambt,Uw rechten en uw plichten, uw belooning;Maar Wilhelm niet — neen, Albert, die daar kampt,Hijis uw Koning!

Van Keizer Wilhelm’s wege aanvaardt g’ uw ambt,

Uw rechten en uw plichten, uw belooning;

Maar Wilhelm niet — neen, Albert, die daar kampt,

Hijis uw Koning!

Hij — die daar stille strijdt voor huis en erf,Dien d’ overmacht verslaan kon, noch verlammen,Die geen Portretten stuurt, in olieverf,Of Telegrammen.

Hij — die daar stille strijdt voor huis en erf,

Dien d’ overmacht verslaan kon, noch verlammen,

Die geen Portretten stuurt, in olieverf,

Of Telegrammen.

In dienst van hem, die België heeft geknecht,Zult gij u richten naar zijn hoog verlangen,Een deel der boeten, België opgelegd,Als loon ontvangen.

In dienst van hem, die België heeft geknecht,

Zult gij u richten naar zijn hoog verlangen,

Een deel der boeten, België opgelegd,

Als loon ontvangen.

Voor wat de vijand aan dat volk misdeedZult g’ onderdanig uw bewondring veinzen;Bij ’t zien van al dat onverdiende leedZoet-schmeichlend grijnzen.

Voor wat de vijand aan dat volk misdeed

Zult g’ onderdanig uw bewondring veinzen;

Bij ’t zien van al dat onverdiende leed

Zoet-schmeichlend grijnzen.

Maar als voor trouw-loos Duitschland d’ ure slaat,En België’s vlag weer waait in sted’ en dorpen,Dan wordt gij, weet dat wel, met hoon en smaadEr uitgeworpen.

Maar als voor trouw-loos Duitschland d’ ure slaat,

En België’s vlag weer waait in sted’ en dorpen,

Dan wordt gij, weet dat wel, met hoon en smaad

Er uitgeworpen.

Gaat. Huldigt door uw daad de Duitsche leer:Verdragen zijn maar vodjes — om te brande’!Gaat. Uw professorstitel acht g’ uw eer —Hij is uw schande.

Gaat. Huldigt door uw daad de Duitsche leer:

Verdragen zijn maar vodjes — om te brande’!

Gaat. Uw professorstitel acht g’ uw eer —

Hij is uw schande.

Troostrijm voor den Oudejaarsavond, opgedragen aan De Moeders.

„Tegenwoordig kunnen wij het normale verlies der troepen bijna geheel door de jaarlijksche vermeerdering der manschappen aanvullen.” —De O. H. Minister van Oorlog.„I didn’t bring up my boy to be a soldier.”Amerikaansch liedje.

„Tegenwoordig kunnen wij het normale verlies der troepen bijna geheel door de jaarlijksche vermeerdering der manschappen aanvullen.” —

De O. H. Minister van Oorlog.

„I didn’t bring up my boy to be a soldier.”

Amerikaansch liedje.

„Moedertje, vanwaar die tranen?Heb je zoo’n verdriet?Heb je niet genoeg te eten,Brandt je vuurtje niet?”„„’k Heb geen honger, ’k voel geen koude,’k Ben gewend aan nood;’k Werk me warm, ’k denk niet aan eten,Maar mijn kind is dood.””„Dapper heeft uw zoon gestreden,Kijk maar in de krant;Schoon is ’t, Moedertje, te stervenVoor het Vaderland!”„„’k Lees geen kranten, want mijn oog isDof van droefenis;’k Weet alleen maar dat mijn jongenWeggenomen is.””„Maar zijn naam zal in ’t GeschiedboekStaan, met eer vermeld;Voor zijn Volk en voor zijn KeizerStierf hij als een held!”„„Voor zijn Volk en voor zijn KeizerBracht ’k mijn zoon niet groot;Roem en eere zijn gebleven,Maar mijn kind is dood.””„Troost je, Moeder. Droog je tranen!Draag het met geduld;’t Is ’t normaal verlies der troepen,’t Wordt weer aangevuld.”

„Moedertje, vanwaar die tranen?Heb je zoo’n verdriet?Heb je niet genoeg te eten,Brandt je vuurtje niet?”„„’k Heb geen honger, ’k voel geen koude,’k Ben gewend aan nood;’k Werk me warm, ’k denk niet aan eten,Maar mijn kind is dood.””„Dapper heeft uw zoon gestreden,Kijk maar in de krant;Schoon is ’t, Moedertje, te stervenVoor het Vaderland!”„„’k Lees geen kranten, want mijn oog isDof van droefenis;’k Weet alleen maar dat mijn jongenWeggenomen is.””„Maar zijn naam zal in ’t GeschiedboekStaan, met eer vermeld;Voor zijn Volk en voor zijn KeizerStierf hij als een held!”„„Voor zijn Volk en voor zijn KeizerBracht ’k mijn zoon niet groot;Roem en eere zijn gebleven,Maar mijn kind is dood.””„Troost je, Moeder. Droog je tranen!Draag het met geduld;’t Is ’t normaal verlies der troepen,’t Wordt weer aangevuld.”

„Moedertje, vanwaar die tranen?Heb je zoo’n verdriet?Heb je niet genoeg te eten,Brandt je vuurtje niet?”

„Moedertje, vanwaar die tranen?

Heb je zoo’n verdriet?

Heb je niet genoeg te eten,

Brandt je vuurtje niet?”

„„’k Heb geen honger, ’k voel geen koude,’k Ben gewend aan nood;’k Werk me warm, ’k denk niet aan eten,Maar mijn kind is dood.””

„„’k Heb geen honger, ’k voel geen koude,

’k Ben gewend aan nood;

’k Werk me warm, ’k denk niet aan eten,

Maar mijn kind is dood.””

„Dapper heeft uw zoon gestreden,Kijk maar in de krant;Schoon is ’t, Moedertje, te stervenVoor het Vaderland!”

„Dapper heeft uw zoon gestreden,

Kijk maar in de krant;

Schoon is ’t, Moedertje, te sterven

Voor het Vaderland!”

„„’k Lees geen kranten, want mijn oog isDof van droefenis;’k Weet alleen maar dat mijn jongenWeggenomen is.””

„„’k Lees geen kranten, want mijn oog is

Dof van droefenis;

’k Weet alleen maar dat mijn jongen

Weggenomen is.””

„Maar zijn naam zal in ’t GeschiedboekStaan, met eer vermeld;Voor zijn Volk en voor zijn KeizerStierf hij als een held!”

„Maar zijn naam zal in ’t Geschiedboek

Staan, met eer vermeld;

Voor zijn Volk en voor zijn Keizer

Stierf hij als een held!”

„„Voor zijn Volk en voor zijn KeizerBracht ’k mijn zoon niet groot;Roem en eere zijn gebleven,Maar mijn kind is dood.””

„„Voor zijn Volk en voor zijn Keizer

Bracht ’k mijn zoon niet groot;

Roem en eere zijn gebleven,

Maar mijn kind is dood.””

„Troost je, Moeder. Droog je tranen!Draag het met geduld;’t Is ’t normaal verlies der troepen,’t Wordt weer aangevuld.”

„Troost je, Moeder. Droog je tranen!

Draag het met geduld;

’t Is ’t normaal verlies der troepen,

’t Wordt weer aangevuld.”

(„In den Gulden Riddertijd.” —Marlowe-Pisuisse.)

(„In den Gulden Riddertijd.” —Marlowe-Pisuisse.)

In den gulden riddertijdWas er schoonheid in den strijd,Streed men niet in leelijk kakhi,Maakten handelaars geen zaakieUit den oorlog, met profijt —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWas er stoere eerlijkheid,Waren er geen persberichtenOm het volk valsch voor te lichten,Haat te zaaien, haat en nijd —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdRaakte men zijn hoofd niet kwijt,Hooggeleerde professorenDeden geen betoogen hoorenMal van oppervlakkigheid —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdTrad de ridder kalm in ’t krijt,En geen dikke telegrammenOm den moed te doen ontvlammenWerden onder ’t volk verspreid —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWerd er stevig gerammeid,Hard geslagen, fel gestooten,Maar niet metdum-dumgeschoten,Die ’t gebeent’ in splinters splijt —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWas op d’open zeede strijd,Deden geen verborgen mijnenSchepen machinaal verdwijnen,Zonder moed en dapperheid —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWas er edelmoedigheid,Was er geen gemeene duikboot,Die een schip laag in den buik schootAls een dief, die ’t daglicht mijdt —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdStreed men niet des duivels-strijd,Wierp geen vliegersvloot in drommenVrouw en kind met helsche bommen,Streed men niet als Satan strijdt —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdBleefmen ridder in den strijd.’t Bethmann-Hollwegiaansche knoeien,’t Draaien, placht men te verfoeien,Eens gezeid — dat bleef gezeid! —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWas er openhartigheid,En voorzichtige neutralenZwegen niet in alle talen.Over ’t onrecht in den strijd......In den gulden riddertijd!

In den gulden riddertijdWas er schoonheid in den strijd,Streed men niet in leelijk kakhi,Maakten handelaars geen zaakieUit den oorlog, met profijt —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWas er stoere eerlijkheid,Waren er geen persberichtenOm het volk valsch voor te lichten,Haat te zaaien, haat en nijd —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdRaakte men zijn hoofd niet kwijt,Hooggeleerde professorenDeden geen betoogen hoorenMal van oppervlakkigheid —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdTrad de ridder kalm in ’t krijt,En geen dikke telegrammenOm den moed te doen ontvlammenWerden onder ’t volk verspreid —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWerd er stevig gerammeid,Hard geslagen, fel gestooten,Maar niet metdum-dumgeschoten,Die ’t gebeent’ in splinters splijt —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWas op d’open zeede strijd,Deden geen verborgen mijnenSchepen machinaal verdwijnen,Zonder moed en dapperheid —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWas er edelmoedigheid,Was er geen gemeene duikboot,Die een schip laag in den buik schootAls een dief, die ’t daglicht mijdt —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdStreed men niet des duivels-strijd,Wierp geen vliegersvloot in drommenVrouw en kind met helsche bommen,Streed men niet als Satan strijdt —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdBleefmen ridder in den strijd.’t Bethmann-Hollwegiaansche knoeien,’t Draaien, placht men te verfoeien,Eens gezeid — dat bleef gezeid! —In den gulden riddertijd.In den gulden riddertijdWas er openhartigheid,En voorzichtige neutralenZwegen niet in alle talen.Over ’t onrecht in den strijd......In den gulden riddertijd!

In den gulden riddertijdWas er schoonheid in den strijd,Streed men niet in leelijk kakhi,Maakten handelaars geen zaakieUit den oorlog, met profijt —In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Was er schoonheid in den strijd,

Streed men niet in leelijk kakhi,

Maakten handelaars geen zaakie

Uit den oorlog, met profijt —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijdWas er stoere eerlijkheid,Waren er geen persberichtenOm het volk valsch voor te lichten,Haat te zaaien, haat en nijd —In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Was er stoere eerlijkheid,

Waren er geen persberichten

Om het volk valsch voor te lichten,

Haat te zaaien, haat en nijd —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijdRaakte men zijn hoofd niet kwijt,Hooggeleerde professorenDeden geen betoogen hoorenMal van oppervlakkigheid —In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Raakte men zijn hoofd niet kwijt,

Hooggeleerde professoren

Deden geen betoogen hooren

Mal van oppervlakkigheid —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijdTrad de ridder kalm in ’t krijt,En geen dikke telegrammenOm den moed te doen ontvlammenWerden onder ’t volk verspreid —In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Trad de ridder kalm in ’t krijt,

En geen dikke telegrammen

Om den moed te doen ontvlammen

Werden onder ’t volk verspreid —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijdWerd er stevig gerammeid,Hard geslagen, fel gestooten,Maar niet metdum-dumgeschoten,Die ’t gebeent’ in splinters splijt —In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Werd er stevig gerammeid,

Hard geslagen, fel gestooten,

Maar niet metdum-dumgeschoten,

Die ’t gebeent’ in splinters splijt —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijdWas op d’open zeede strijd,Deden geen verborgen mijnenSchepen machinaal verdwijnen,Zonder moed en dapperheid —In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Was op d’open zeede strijd,

Deden geen verborgen mijnen

Schepen machinaal verdwijnen,

Zonder moed en dapperheid —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijdWas er edelmoedigheid,Was er geen gemeene duikboot,Die een schip laag in den buik schootAls een dief, die ’t daglicht mijdt —In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Was er edelmoedigheid,

Was er geen gemeene duikboot,

Die een schip laag in den buik schoot

Als een dief, die ’t daglicht mijdt —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijdStreed men niet des duivels-strijd,Wierp geen vliegersvloot in drommenVrouw en kind met helsche bommen,Streed men niet als Satan strijdt —In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Streed men niet des duivels-strijd,

Wierp geen vliegersvloot in drommen

Vrouw en kind met helsche bommen,

Streed men niet als Satan strijdt —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijdBleefmen ridder in den strijd.’t Bethmann-Hollwegiaansche knoeien,’t Draaien, placht men te verfoeien,Eens gezeid — dat bleef gezeid! —In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Bleefmen ridder in den strijd.

’t Bethmann-Hollwegiaansche knoeien,

’t Draaien, placht men te verfoeien,

Eens gezeid — dat bleef gezeid! —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijdWas er openhartigheid,En voorzichtige neutralenZwegen niet in alle talen.Over ’t onrecht in den strijd......In den gulden riddertijd!

In den gulden riddertijd

Was er openhartigheid,

En voorzichtige neutralen

Zwegen niet in alle talen.

Over ’t onrecht in den strijd......

In den gulden riddertijd!

Leerdicht voor de Belgische dames.

„De 16-jarige gravin Hélène Jonke d’Ardoye is door het Duitsche Gerechtshof te Brussel tot 3 maanden gevangenisstraf veroordeeld, omdat zij op de Boulevard een Duitsch officier op de grofste wijze heeft beleedigd. De gevangenisstraf is verdiend wegens de gemeene uitdrukkingen, waarvan de gravin zich bij die gelegenheid bediende, en die een opmerkelijkgebrek aan takten opvoeding verrieden. Hare grootmoeder, die aan de beleedigingen deelnam, moest evenzeer met gevangenis worden bestraft. Het is te hopen dat deze vonnissen den Belgischen vrouwen tot waarschuwing zullen strekken.” —Wolff’s Bureau.

„De 16-jarige gravin Hélène Jonke d’Ardoye is door het Duitsche Gerechtshof te Brussel tot 3 maanden gevangenisstraf veroordeeld, omdat zij op de Boulevard een Duitsch officier op de grofste wijze heeft beleedigd. De gevangenisstraf is verdiend wegens de gemeene uitdrukkingen, waarvan de gravin zich bij die gelegenheid bediende, en die een opmerkelijkgebrek aan takten opvoeding verrieden. Hare grootmoeder, die aan de beleedigingen deelnam, moest evenzeer met gevangenis worden bestraft. Het is te hopen dat deze vonnissen den Belgischen vrouwen tot waarschuwing zullen strekken.” —

Wolff’s Bureau.

Een jolig, jong gravinnetjeLiep langs de Boulevard,Een kuiltjen in d’r kinnetje,Een krultjen in d’r haar.En naast haar liep haar grootmama,Daar keek natuurlijk niemand na.’t Was heusch een lief gravinnetje,Zoo vriendelijk als de dag,Maar — nijdig als een spinnetje,Zoodra z’ ’n Duitscher zag!Dan uitte ze de grofste taal —En grootma had dezelfde kwaal.Daar komt een stramme luitenant,Hij vult de halve straat,Echt Pruisisch aan den buitenkant,Al is zijn hart niet kwaad;Zijn snorren wijzen, in een boog,Naar onzen oude, daar omhoog.Hij doet...... enfin ge kent ze wel —Luid briest zijn hoog-Germaansch,Zijn stem is tien percent te schel,Zijn kleur kalkoensche-haansch;Zijn blikken schieten twee en veer-tig centimeters vonk’ — en meer!„’k Wou dat ’k die vent zag hangen, heusch!”Roept grootma — veel te luid,En sist, en trekt een langen neus......Daar krijscht gravinnetje uit,Wijl z’ op haar paarlen tandjes knarst:Loop naar den bl...... M.f, en — !!!!!Nooit is den luit, zijn leven lang,Zoo’n smaadheid aangedaan,Hij schrikt, en schijnt zelfs even bang......Maar — ’t komt haar duur te staan:Ja, dames, ’t is niet na je zin,Maar...... allebei de bajes in!Een vrouwenmond staat zelden stil,Hij kleppert onverveerd,Maar, dames, àls je schelden wil,Scheldt dan gedistingeerd!Waarom is Jonke opgepakt?Van wege haargebrek aan takt.Het lot van ons gravinnetjeZij u een les, voorgoed;Zegt nooit zoo’n leelijk zinnetje,Als g’ ook zoo’n luit ontmoet,Zegt heel beleefd: „Pardon, meneer,Wees u zoo goed en...... explodeer!”

Een jolig, jong gravinnetjeLiep langs de Boulevard,Een kuiltjen in d’r kinnetje,Een krultjen in d’r haar.En naast haar liep haar grootmama,Daar keek natuurlijk niemand na.’t Was heusch een lief gravinnetje,Zoo vriendelijk als de dag,Maar — nijdig als een spinnetje,Zoodra z’ ’n Duitscher zag!Dan uitte ze de grofste taal —En grootma had dezelfde kwaal.Daar komt een stramme luitenant,Hij vult de halve straat,Echt Pruisisch aan den buitenkant,Al is zijn hart niet kwaad;Zijn snorren wijzen, in een boog,Naar onzen oude, daar omhoog.Hij doet...... enfin ge kent ze wel —Luid briest zijn hoog-Germaansch,Zijn stem is tien percent te schel,Zijn kleur kalkoensche-haansch;Zijn blikken schieten twee en veer-tig centimeters vonk’ — en meer!„’k Wou dat ’k die vent zag hangen, heusch!”Roept grootma — veel te luid,En sist, en trekt een langen neus......Daar krijscht gravinnetje uit,Wijl z’ op haar paarlen tandjes knarst:Loop naar den bl...... M.f, en — !!!!!Nooit is den luit, zijn leven lang,Zoo’n smaadheid aangedaan,Hij schrikt, en schijnt zelfs even bang......Maar — ’t komt haar duur te staan:Ja, dames, ’t is niet na je zin,Maar...... allebei de bajes in!Een vrouwenmond staat zelden stil,Hij kleppert onverveerd,Maar, dames, àls je schelden wil,Scheldt dan gedistingeerd!Waarom is Jonke opgepakt?Van wege haargebrek aan takt.Het lot van ons gravinnetjeZij u een les, voorgoed;Zegt nooit zoo’n leelijk zinnetje,Als g’ ook zoo’n luit ontmoet,Zegt heel beleefd: „Pardon, meneer,Wees u zoo goed en...... explodeer!”

Een jolig, jong gravinnetjeLiep langs de Boulevard,Een kuiltjen in d’r kinnetje,Een krultjen in d’r haar.En naast haar liep haar grootmama,Daar keek natuurlijk niemand na.

Een jolig, jong gravinnetje

Liep langs de Boulevard,

Een kuiltjen in d’r kinnetje,

Een krultjen in d’r haar.

En naast haar liep haar grootmama,

Daar keek natuurlijk niemand na.

’t Was heusch een lief gravinnetje,Zoo vriendelijk als de dag,Maar — nijdig als een spinnetje,Zoodra z’ ’n Duitscher zag!Dan uitte ze de grofste taal —En grootma had dezelfde kwaal.

’t Was heusch een lief gravinnetje,

Zoo vriendelijk als de dag,

Maar — nijdig als een spinnetje,

Zoodra z’ ’n Duitscher zag!

Dan uitte ze de grofste taal —

En grootma had dezelfde kwaal.

Daar komt een stramme luitenant,Hij vult de halve straat,Echt Pruisisch aan den buitenkant,Al is zijn hart niet kwaad;Zijn snorren wijzen, in een boog,Naar onzen oude, daar omhoog.

Daar komt een stramme luitenant,

Hij vult de halve straat,

Echt Pruisisch aan den buitenkant,

Al is zijn hart niet kwaad;

Zijn snorren wijzen, in een boog,

Naar onzen oude, daar omhoog.

Hij doet...... enfin ge kent ze wel —Luid briest zijn hoog-Germaansch,Zijn stem is tien percent te schel,Zijn kleur kalkoensche-haansch;Zijn blikken schieten twee en veer-tig centimeters vonk’ — en meer!

Hij doet...... enfin ge kent ze wel —

Luid briest zijn hoog-Germaansch,

Zijn stem is tien percent te schel,

Zijn kleur kalkoensche-haansch;

Zijn blikken schieten twee en veer-

tig centimeters vonk’ — en meer!

„’k Wou dat ’k die vent zag hangen, heusch!”Roept grootma — veel te luid,En sist, en trekt een langen neus......Daar krijscht gravinnetje uit,Wijl z’ op haar paarlen tandjes knarst:Loop naar den bl...... M.f, en — !!!!!

„’k Wou dat ’k die vent zag hangen, heusch!”

Roept grootma — veel te luid,

En sist, en trekt een langen neus......

Daar krijscht gravinnetje uit,

Wijl z’ op haar paarlen tandjes knarst:

Loop naar den bl...... M.f, en — !!!!!

Nooit is den luit, zijn leven lang,Zoo’n smaadheid aangedaan,Hij schrikt, en schijnt zelfs even bang......Maar — ’t komt haar duur te staan:Ja, dames, ’t is niet na je zin,Maar...... allebei de bajes in!

Nooit is den luit, zijn leven lang,

Zoo’n smaadheid aangedaan,

Hij schrikt, en schijnt zelfs even bang......

Maar — ’t komt haar duur te staan:

Ja, dames, ’t is niet na je zin,

Maar...... allebei de bajes in!

Een vrouwenmond staat zelden stil,Hij kleppert onverveerd,Maar, dames, àls je schelden wil,Scheldt dan gedistingeerd!Waarom is Jonke opgepakt?Van wege haargebrek aan takt.

Een vrouwenmond staat zelden stil,

Hij kleppert onverveerd,

Maar, dames, àls je schelden wil,

Scheldt dan gedistingeerd!

Waarom is Jonke opgepakt?

Van wege haargebrek aan takt.

Het lot van ons gravinnetjeZij u een les, voorgoed;Zegt nooit zoo’n leelijk zinnetje,Als g’ ook zoo’n luit ontmoet,Zegt heel beleefd: „Pardon, meneer,Wees u zoo goed en...... explodeer!”

Het lot van ons gravinnetje

Zij u een les, voorgoed;

Zegt nooit zoo’n leelijk zinnetje,

Als g’ ook zoo’n luit ontmoet,

Zegt heel beleefd: „Pardon, meneer,

Wees u zoo goed en...... explodeer!”

„Opgericht is deDietsche Bond, met het doel de onderlinge toenadering der Dietschers, de ontwikkeling der Dietsche sprake, enz. Bestuur: Prof. Steinmetz, e. a.” —Bericht in de bladen.„Wat heb ’k nou an me fiets hange?” —Populair gezegde.

„Opgericht is deDietsche Bond, met het doel de onderlinge toenadering der Dietschers, de ontwikkeling der Dietsche sprake, enz. Bestuur: Prof. Steinmetz, e. a.” —

Bericht in de bladen.

„Wat heb ’k nou an me fiets hange?” —

Populair gezegde.

Dietsch, Dietsch, Dietsch!Wat hangt er an me fiets?Ik vraag j’, of dàt niet wat belooft,Zoo’n ding met......Steinmetzaan het hoofdEn nog zoo’n stuk of zes?Nou, reken maar van yes!Dietsch, Dietsch, Dietsch!Zeg, zegt dat woord je niets?Mij wel. Dit ’s de beteekenis:Dat „Holland” bijna „Duitschland” is;Ja. Al dat „Dietsch” gedoeDrijft ons naar Duitschland toe!Dietsch, Dietsch, Dietsch!Zoo heet het niet voor niets!Dietsch — Duitsch — dat ’s „taal- en stamverwant.”Zoo naadren wij...... lang-za-mer-hand......Zoo loopt het zaakje best,En volgt vanzelf — de rest!Dietsch, Dietsch, Dietsch!We weten nu toch iets:Dat ons die Dietsche Dietschers-boelIets dietsch wil maak’ omtrent zijn doel;Maar, Dietsche, Dietscher, „Dietsch”Is —Duitsch, en anders niets!Dietsch, Dietsch, Dietsch!Ik ben aan ’t eind mijns lieds.O, Dietscher-zonder-vrees-of blaam,Kom, noem je met je waren naam,Dan weten we ’t precies:Dus, lummel, noem je...... Pries!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!Wat hangt er an me fiets?Ik vraag j’, of dàt niet wat belooft,Zoo’n ding met......Steinmetzaan het hoofdEn nog zoo’n stuk of zes?Nou, reken maar van yes!Dietsch, Dietsch, Dietsch!Zeg, zegt dat woord je niets?Mij wel. Dit ’s de beteekenis:Dat „Holland” bijna „Duitschland” is;Ja. Al dat „Dietsch” gedoeDrijft ons naar Duitschland toe!Dietsch, Dietsch, Dietsch!Zoo heet het niet voor niets!Dietsch — Duitsch — dat ’s „taal- en stamverwant.”Zoo naadren wij...... lang-za-mer-hand......Zoo loopt het zaakje best,En volgt vanzelf — de rest!Dietsch, Dietsch, Dietsch!We weten nu toch iets:Dat ons die Dietsche Dietschers-boelIets dietsch wil maak’ omtrent zijn doel;Maar, Dietsche, Dietscher, „Dietsch”Is —Duitsch, en anders niets!Dietsch, Dietsch, Dietsch!Ik ben aan ’t eind mijns lieds.O, Dietscher-zonder-vrees-of blaam,Kom, noem je met je waren naam,Dan weten we ’t precies:Dus, lummel, noem je...... Pries!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!Wat hangt er an me fiets?Ik vraag j’, of dàt niet wat belooft,Zoo’n ding met......Steinmetzaan het hoofdEn nog zoo’n stuk of zes?Nou, reken maar van yes!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!

Wat hangt er an me fiets?

Ik vraag j’, of dàt niet wat belooft,

Zoo’n ding met......Steinmetzaan het hoofd

En nog zoo’n stuk of zes?

Nou, reken maar van yes!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!Zeg, zegt dat woord je niets?Mij wel. Dit ’s de beteekenis:Dat „Holland” bijna „Duitschland” is;Ja. Al dat „Dietsch” gedoeDrijft ons naar Duitschland toe!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!

Zeg, zegt dat woord je niets?

Mij wel. Dit ’s de beteekenis:

Dat „Holland” bijna „Duitschland” is;

Ja. Al dat „Dietsch” gedoe

Drijft ons naar Duitschland toe!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!Zoo heet het niet voor niets!Dietsch — Duitsch — dat ’s „taal- en stamverwant.”Zoo naadren wij...... lang-za-mer-hand......Zoo loopt het zaakje best,En volgt vanzelf — de rest!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!

Zoo heet het niet voor niets!

Dietsch — Duitsch — dat ’s „taal- en stamverwant.”

Zoo naadren wij...... lang-za-mer-hand......

Zoo loopt het zaakje best,

En volgt vanzelf — de rest!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!We weten nu toch iets:Dat ons die Dietsche Dietschers-boelIets dietsch wil maak’ omtrent zijn doel;Maar, Dietsche, Dietscher, „Dietsch”Is —Duitsch, en anders niets!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!

We weten nu toch iets:

Dat ons die Dietsche Dietschers-boel

Iets dietsch wil maak’ omtrent zijn doel;

Maar, Dietsche, Dietscher, „Dietsch”

Is —Duitsch, en anders niets!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!Ik ben aan ’t eind mijns lieds.O, Dietscher-zonder-vrees-of blaam,Kom, noem je met je waren naam,Dan weten we ’t precies:Dus, lummel, noem je...... Pries!

Dietsch, Dietsch, Dietsch!

Ik ben aan ’t eind mijns lieds.

O, Dietscher-zonder-vrees-of blaam,

Kom, noem je met je waren naam,

Dan weten we ’t precies:

Dus, lummel, noem je...... Pries!

Toekomstbrief van een Neutraal aan Gretchen, zijne Duitsche Beminde.

Het Duitsche Tandheelkundig Weekblad oppert het denkbeeld om aan gesneuvelde vijanden de tanden uit te trekken, teneinde de gebitten der Duitschers te herstellen; vooral de tanden van de gevallen Russen worden aanbevolen, daar ze bijzonder wit en sterk zijn. —N. Gr.

Het Duitsche Tandheelkundig Weekblad oppert het denkbeeld om aan gesneuvelde vijanden de tanden uit te trekken, teneinde de gebitten der Duitschers te herstellen; vooral de tanden van de gevallen Russen worden aanbevolen, daar ze bijzonder wit en sterk zijn. —

N. Gr.

O, gij, eens de zon van mijn leven,Mein Gretchen, aanbiddelijk kind!Gij hadt mij den hemel gegeven,Wat heb ik u innig bemind!Mijne ziele verhiefZich zoo zalig, mijn lief,Als de wolk op de wiek van de wind.„Ffff......t!”Wat hebben wij samen genoten,Zacht fluisterend in ’t suizende bosch,Waar meerlen ons minnelied floten,Wij, schouder aan schouder, op ’t mos!Als lelie en roosKind, zoo scheen, bij ’t gekoos,Mij het blank van je hals, en je blos.„Ssssss......t!”En als ik dan, minnelust-dronken,Je kuste, mijn lief, op je mond,Al streelend, in weelde verzonken,Je vlecht van het vlassigste blond,Dan zuchtten wij zachtVan de Liefde, die smacht,En de zephiren ruischten het rond.„Hhhhhh......!”Toen heb j’ eens gezegd, lieve Greetje,Dat alles heel echt aan je was;’k Geloofde je daadlijk, dat weet je:’k Geloof in de trouw van je ras.Maar je voegde er bij:„Slechts die tand, hier op zij,Zoo sneeuwwit, en zoo glimmend als glas,(„Hm!”)Die heb ik er in laten zetten.”Zoo sprak je, en gaf mij een kus......Ach! dàt zal ons huwlijk beletten!!Want ’k las....... (zie hierboven) en dus......Ik ka’ j’ niet meer zien!!Want die tand is...... misschienWel gerukt uit het lijk van een Rus!!„Brrrrr!!”

O, gij, eens de zon van mijn leven,Mein Gretchen, aanbiddelijk kind!Gij hadt mij den hemel gegeven,Wat heb ik u innig bemind!Mijne ziele verhiefZich zoo zalig, mijn lief,Als de wolk op de wiek van de wind.„Ffff......t!”Wat hebben wij samen genoten,Zacht fluisterend in ’t suizende bosch,Waar meerlen ons minnelied floten,Wij, schouder aan schouder, op ’t mos!Als lelie en roosKind, zoo scheen, bij ’t gekoos,Mij het blank van je hals, en je blos.„Ssssss......t!”En als ik dan, minnelust-dronken,Je kuste, mijn lief, op je mond,Al streelend, in weelde verzonken,Je vlecht van het vlassigste blond,Dan zuchtten wij zachtVan de Liefde, die smacht,En de zephiren ruischten het rond.„Hhhhhh......!”Toen heb j’ eens gezegd, lieve Greetje,Dat alles heel echt aan je was;’k Geloofde je daadlijk, dat weet je:’k Geloof in de trouw van je ras.Maar je voegde er bij:„Slechts die tand, hier op zij,Zoo sneeuwwit, en zoo glimmend als glas,(„Hm!”)Die heb ik er in laten zetten.”Zoo sprak je, en gaf mij een kus......Ach! dàt zal ons huwlijk beletten!!Want ’k las....... (zie hierboven) en dus......Ik ka’ j’ niet meer zien!!Want die tand is...... misschienWel gerukt uit het lijk van een Rus!!„Brrrrr!!”

O, gij, eens de zon van mijn leven,Mein Gretchen, aanbiddelijk kind!Gij hadt mij den hemel gegeven,Wat heb ik u innig bemind!Mijne ziele verhiefZich zoo zalig, mijn lief,Als de wolk op de wiek van de wind.„Ffff......t!”

O, gij, eens de zon van mijn leven,

Mein Gretchen, aanbiddelijk kind!

Gij hadt mij den hemel gegeven,

Wat heb ik u innig bemind!

Mijne ziele verhief

Zich zoo zalig, mijn lief,

Als de wolk op de wiek van de wind.

„Ffff......t!”

Wat hebben wij samen genoten,Zacht fluisterend in ’t suizende bosch,Waar meerlen ons minnelied floten,Wij, schouder aan schouder, op ’t mos!Als lelie en roosKind, zoo scheen, bij ’t gekoos,Mij het blank van je hals, en je blos.„Ssssss......t!”

Wat hebben wij samen genoten,

Zacht fluisterend in ’t suizende bosch,

Waar meerlen ons minnelied floten,

Wij, schouder aan schouder, op ’t mos!

Als lelie en roos

Kind, zoo scheen, bij ’t gekoos,

Mij het blank van je hals, en je blos.

„Ssssss......t!”

En als ik dan, minnelust-dronken,Je kuste, mijn lief, op je mond,Al streelend, in weelde verzonken,Je vlecht van het vlassigste blond,Dan zuchtten wij zachtVan de Liefde, die smacht,En de zephiren ruischten het rond.„Hhhhhh......!”

En als ik dan, minnelust-dronken,

Je kuste, mijn lief, op je mond,

Al streelend, in weelde verzonken,

Je vlecht van het vlassigste blond,

Dan zuchtten wij zacht

Van de Liefde, die smacht,

En de zephiren ruischten het rond.

„Hhhhhh......!”

Toen heb j’ eens gezegd, lieve Greetje,Dat alles heel echt aan je was;’k Geloofde je daadlijk, dat weet je:’k Geloof in de trouw van je ras.Maar je voegde er bij:„Slechts die tand, hier op zij,Zoo sneeuwwit, en zoo glimmend als glas,(„Hm!”)

Toen heb j’ eens gezegd, lieve Greetje,

Dat alles heel echt aan je was;

’k Geloofde je daadlijk, dat weet je:

’k Geloof in de trouw van je ras.

Maar je voegde er bij:

„Slechts die tand, hier op zij,

Zoo sneeuwwit, en zoo glimmend als glas,

(„Hm!”)

Die heb ik er in laten zetten.”Zoo sprak je, en gaf mij een kus......Ach! dàt zal ons huwlijk beletten!!Want ’k las....... (zie hierboven) en dus......Ik ka’ j’ niet meer zien!!Want die tand is...... misschienWel gerukt uit het lijk van een Rus!!„Brrrrr!!”

Die heb ik er in laten zetten.”

Zoo sprak je, en gaf mij een kus......

Ach! dàt zal ons huwlijk beletten!!

Want ’k las....... (zie hierboven) en dus......

Ik ka’ j’ niet meer zien!!

Want die tand is...... misschien

Wel gerukt uit het lijk van een Rus!!

„Brrrrr!!”

Een Amerikaansch oud-senator schrijft in deTimes: „In Amerika hoort men nu herhaaldelijk uitingen van leedwezen, om niet te zeggen van teleurstelling over de omstandigheid, dat de Vereenigde Staten zich niet in den grooten wereldkrijg gemengd hebben.”

Een Amerikaansch oud-senator schrijft in deTimes: „In Amerika hoort men nu herhaaldelijk uitingen van leedwezen, om niet te zeggen van teleurstelling over de omstandigheid, dat de Vereenigde Staten zich niet in den grooten wereldkrijg gemengd hebben.”

Wat is het toch akelig duf en saai,die eeuwige pais en vree!Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!ach, deden wij ook maar mee!Bij ons is er niemand met haat bezield,met hevigen, blinden haat,Voor iederen man en voor iedere vrouw,en kind, van „den anderen staat.”Wij hebben nog wel wat waardeering hier,al maken w’ ons soms wat boos,Wij zien toch het goede in ieder land —wat laf! wat karakterloos!Bij ons wordt er rustloos gewerkt, gezwoegdvoor ’t leven, voor ’t dagelijksch brood,Ginds werkt men alleen voor een nobeler doel,veel prettiger: voor den dood!Hier zie je niet ieder gezin in rouw,om vader, of man, of kind,Hier zie je de straten niet volgeproptmet monsters, verminkt en blind.In Duitschland spelen de kindren aleen heel aardig spel op straat,’t Is origineel, en goed bedacht,het heet „De gewonde soldaat.”Een doekj’ om het hoofdje, rood geverfd,hij komt er zoo uit ’t gevecht,Hij speelt dat hij sterft, de oogjes dicht,hij doet het heel leuk, net echt.De kinderen spelen hier nooit zoo iets,ze kunnen ’t niet eens, misschien:Ze hebben waarschijnlijk hier nog nooit’n gewonde heusch gezien.Hier zijn nog de jongens zoo gaaf, zoo heel,’t verveelt je. Wat ’s dáár nou an?Dáár zie je ze overal bij de vleet,de stompjes gewezen-man.Wij hebben ’t nu allemaal goed gezien,hoe heerlijk het is. Hoezee!Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!ach, deden wij ook maar mee!

Wat is het toch akelig duf en saai,die eeuwige pais en vree!Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!ach, deden wij ook maar mee!Bij ons is er niemand met haat bezield,met hevigen, blinden haat,Voor iederen man en voor iedere vrouw,en kind, van „den anderen staat.”Wij hebben nog wel wat waardeering hier,al maken w’ ons soms wat boos,Wij zien toch het goede in ieder land —wat laf! wat karakterloos!Bij ons wordt er rustloos gewerkt, gezwoegdvoor ’t leven, voor ’t dagelijksch brood,Ginds werkt men alleen voor een nobeler doel,veel prettiger: voor den dood!Hier zie je niet ieder gezin in rouw,om vader, of man, of kind,Hier zie je de straten niet volgeproptmet monsters, verminkt en blind.In Duitschland spelen de kindren aleen heel aardig spel op straat,’t Is origineel, en goed bedacht,het heet „De gewonde soldaat.”Een doekj’ om het hoofdje, rood geverfd,hij komt er zoo uit ’t gevecht,Hij speelt dat hij sterft, de oogjes dicht,hij doet het heel leuk, net echt.De kinderen spelen hier nooit zoo iets,ze kunnen ’t niet eens, misschien:Ze hebben waarschijnlijk hier nog nooit’n gewonde heusch gezien.Hier zijn nog de jongens zoo gaaf, zoo heel,’t verveelt je. Wat ’s dáár nou an?Dáár zie je ze overal bij de vleet,de stompjes gewezen-man.Wij hebben ’t nu allemaal goed gezien,hoe heerlijk het is. Hoezee!Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!ach, deden wij ook maar mee!

Wat is het toch akelig duf en saai,die eeuwige pais en vree!Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!ach, deden wij ook maar mee!

Wat is het toch akelig duf en saai,

die eeuwige pais en vree!

Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!

ach, deden wij ook maar mee!

Bij ons is er niemand met haat bezield,met hevigen, blinden haat,Voor iederen man en voor iedere vrouw,en kind, van „den anderen staat.”

Bij ons is er niemand met haat bezield,

met hevigen, blinden haat,

Voor iederen man en voor iedere vrouw,

en kind, van „den anderen staat.”

Wij hebben nog wel wat waardeering hier,al maken w’ ons soms wat boos,Wij zien toch het goede in ieder land —wat laf! wat karakterloos!

Wij hebben nog wel wat waardeering hier,

al maken w’ ons soms wat boos,

Wij zien toch het goede in ieder land —

wat laf! wat karakterloos!

Bij ons wordt er rustloos gewerkt, gezwoegdvoor ’t leven, voor ’t dagelijksch brood,Ginds werkt men alleen voor een nobeler doel,veel prettiger: voor den dood!

Bij ons wordt er rustloos gewerkt, gezwoegd

voor ’t leven, voor ’t dagelijksch brood,

Ginds werkt men alleen voor een nobeler doel,

veel prettiger: voor den dood!

Hier zie je niet ieder gezin in rouw,om vader, of man, of kind,Hier zie je de straten niet volgeproptmet monsters, verminkt en blind.

Hier zie je niet ieder gezin in rouw,

om vader, of man, of kind,

Hier zie je de straten niet volgepropt

met monsters, verminkt en blind.

In Duitschland spelen de kindren aleen heel aardig spel op straat,’t Is origineel, en goed bedacht,het heet „De gewonde soldaat.”

In Duitschland spelen de kindren al

een heel aardig spel op straat,

’t Is origineel, en goed bedacht,

het heet „De gewonde soldaat.”

Een doekj’ om het hoofdje, rood geverfd,hij komt er zoo uit ’t gevecht,Hij speelt dat hij sterft, de oogjes dicht,hij doet het heel leuk, net echt.

Een doekj’ om het hoofdje, rood geverfd,

hij komt er zoo uit ’t gevecht,

Hij speelt dat hij sterft, de oogjes dicht,

hij doet het heel leuk, net echt.

De kinderen spelen hier nooit zoo iets,ze kunnen ’t niet eens, misschien:Ze hebben waarschijnlijk hier nog nooit’n gewonde heusch gezien.

De kinderen spelen hier nooit zoo iets,

ze kunnen ’t niet eens, misschien:

Ze hebben waarschijnlijk hier nog nooit

’n gewonde heusch gezien.

Hier zijn nog de jongens zoo gaaf, zoo heel,’t verveelt je. Wat ’s dáár nou an?Dáár zie je ze overal bij de vleet,de stompjes gewezen-man.

Hier zijn nog de jongens zoo gaaf, zoo heel,

’t verveelt je. Wat ’s dáár nou an?

Dáár zie je ze overal bij de vleet,

de stompjes gewezen-man.

Wij hebben ’t nu allemaal goed gezien,hoe heerlijk het is. Hoezee!Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!ach, deden wij ook maar mee!

Wij hebben ’t nu allemaal goed gezien,

hoe heerlijk het is. Hoezee!

Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!

ach, deden wij ook maar mee!

Tubantia-rijm.


Back to IndexNext