18. EXAMEN-RIJM.

„Wed. met groote zaak, niet in staat deze alleen te besturen, zoekt in kennis te komen met flink persoon, 40-50 jaar, liefstvakkundig in Glas- en Aardewerk, om na goedvinden te huwen. Brieven met portret, enz.” — Adv.N. v. d. D.

„Wed. met groote zaak, niet in staat deze alleen te besturen, zoekt in kennis te komen met flink persoon, 40-50 jaar, liefstvakkundig in Glas- en Aardewerk, om na goedvinden te huwen. Brieven met portret, enz.” — Adv.N. v. d. D.

De weduwe ontving een brief-met-portret, die haar aanstond, dacht aan Vondel’s rei:Waar werd opreghter trouDan tusschen man en vrouTer weereld oyt gevonden?Twee sielen, gloend aan een gesmeedOf vast geschakelt en verbondenIn lief en leed.Zoo sterck verbind de bandVan ’t paer, door hand aan handVerknocht, om niet te scheyden,Na datse jaeren lang gepaertEen kuysch en vreedsaem leven leyden,Gelijck van aerd.Daar zoo de liefde viel,Smolt liefde siel met siel,En hart met hart te gader.De liefde is stercker dan de dood,Geen liefde koomt Gods liefde nader,Noch is zoo groot.Geen water bluscht dit vuur,Het edelst, dat natuurTer weereld heeft ontsteecken.Dit is het krachtighste ciment,Dat harten bind, als muuren breeckenTot puyn in ’t end.Door dese liefde treurtDe tortelduyf, gescheurtVan haer beminden tortel.Sij jammert op de dorre ranckVan eenen boom, verdrooght van wortel,Haer leven langk......greep naar de pen, en antwoordde in ontroering:Waar zou opreghter trouDan tusschen mijn en jouOp aerd gevonden worden?Twee sielen, vastgelymt, geperst,Als goed gerepareerde borden:Je siet geen berst.Zoo sterck verbind de bandVan ’t paer, dat door de krantElckander heeft gevonden.Na datse jaeren lang gespaert,Bezuinigt hadden, waer ze konden,Gelijck van aerd.Ick doe — ick ben niet sterck —InGlas en Aerdewerck.Ay! streef met mij te gader!Mijn liefde, stercker dan de dood,Maakt jou misschien nog eens tot vader!De kans is groot.Geen water bluscht dit vuur,Het edelst, dat natuurTer weereld heeft ontsteecken.En als j’ ook goedvakkundigbent,Dan blijf ’k je trou, als glazen breeckenTot gruys in ’t end.Door dese liefde treurtDe tortelduyf, gescheurtVan haer beminden tortel.Maar wij beminnen, wang aan wangTe midden van schael, glas en bord el-kaer — levenslang......

De weduwe ontving een brief-met-portret, die haar aanstond, dacht aan Vondel’s rei:

Waar werd opreghter trouDan tusschen man en vrouTer weereld oyt gevonden?Twee sielen, gloend aan een gesmeedOf vast geschakelt en verbondenIn lief en leed.Zoo sterck verbind de bandVan ’t paer, door hand aan handVerknocht, om niet te scheyden,Na datse jaeren lang gepaertEen kuysch en vreedsaem leven leyden,Gelijck van aerd.Daar zoo de liefde viel,Smolt liefde siel met siel,En hart met hart te gader.De liefde is stercker dan de dood,Geen liefde koomt Gods liefde nader,Noch is zoo groot.Geen water bluscht dit vuur,Het edelst, dat natuurTer weereld heeft ontsteecken.Dit is het krachtighste ciment,Dat harten bind, als muuren breeckenTot puyn in ’t end.Door dese liefde treurtDe tortelduyf, gescheurtVan haer beminden tortel.Sij jammert op de dorre ranckVan eenen boom, verdrooght van wortel,Haer leven langk......

Waar werd opreghter trouDan tusschen man en vrouTer weereld oyt gevonden?Twee sielen, gloend aan een gesmeedOf vast geschakelt en verbondenIn lief en leed.

Waar werd opreghter trou

Dan tusschen man en vrou

Ter weereld oyt gevonden?

Twee sielen, gloend aan een gesmeed

Of vast geschakelt en verbonden

In lief en leed.

Zoo sterck verbind de bandVan ’t paer, door hand aan handVerknocht, om niet te scheyden,Na datse jaeren lang gepaertEen kuysch en vreedsaem leven leyden,Gelijck van aerd.

Zoo sterck verbind de band

Van ’t paer, door hand aan hand

Verknocht, om niet te scheyden,

Na datse jaeren lang gepaert

Een kuysch en vreedsaem leven leyden,

Gelijck van aerd.

Daar zoo de liefde viel,Smolt liefde siel met siel,En hart met hart te gader.De liefde is stercker dan de dood,Geen liefde koomt Gods liefde nader,Noch is zoo groot.

Daar zoo de liefde viel,

Smolt liefde siel met siel,

En hart met hart te gader.

De liefde is stercker dan de dood,

Geen liefde koomt Gods liefde nader,

Noch is zoo groot.

Geen water bluscht dit vuur,Het edelst, dat natuurTer weereld heeft ontsteecken.Dit is het krachtighste ciment,Dat harten bind, als muuren breeckenTot puyn in ’t end.

Geen water bluscht dit vuur,

Het edelst, dat natuur

Ter weereld heeft ontsteecken.

Dit is het krachtighste ciment,

Dat harten bind, als muuren breecken

Tot puyn in ’t end.

Door dese liefde treurtDe tortelduyf, gescheurtVan haer beminden tortel.Sij jammert op de dorre ranckVan eenen boom, verdrooght van wortel,Haer leven langk......

Door dese liefde treurt

De tortelduyf, gescheurt

Van haer beminden tortel.

Sij jammert op de dorre ranck

Van eenen boom, verdrooght van wortel,

Haer leven langk......

greep naar de pen, en antwoordde in ontroering:

Waar zou opreghter trouDan tusschen mijn en jouOp aerd gevonden worden?Twee sielen, vastgelymt, geperst,Als goed gerepareerde borden:Je siet geen berst.Zoo sterck verbind de bandVan ’t paer, dat door de krantElckander heeft gevonden.Na datse jaeren lang gespaert,Bezuinigt hadden, waer ze konden,Gelijck van aerd.Ick doe — ick ben niet sterck —InGlas en Aerdewerck.Ay! streef met mij te gader!Mijn liefde, stercker dan de dood,Maakt jou misschien nog eens tot vader!De kans is groot.Geen water bluscht dit vuur,Het edelst, dat natuurTer weereld heeft ontsteecken.En als j’ ook goedvakkundigbent,Dan blijf ’k je trou, als glazen breeckenTot gruys in ’t end.Door dese liefde treurtDe tortelduyf, gescheurtVan haer beminden tortel.Maar wij beminnen, wang aan wangTe midden van schael, glas en bord el-kaer — levenslang......

Waar zou opreghter trouDan tusschen mijn en jouOp aerd gevonden worden?Twee sielen, vastgelymt, geperst,Als goed gerepareerde borden:Je siet geen berst.

Waar zou opreghter trou

Dan tusschen mijn en jou

Op aerd gevonden worden?

Twee sielen, vastgelymt, geperst,

Als goed gerepareerde borden:

Je siet geen berst.

Zoo sterck verbind de bandVan ’t paer, dat door de krantElckander heeft gevonden.Na datse jaeren lang gespaert,Bezuinigt hadden, waer ze konden,Gelijck van aerd.

Zoo sterck verbind de band

Van ’t paer, dat door de krant

Elckander heeft gevonden.

Na datse jaeren lang gespaert,

Bezuinigt hadden, waer ze konden,

Gelijck van aerd.

Ick doe — ick ben niet sterck —InGlas en Aerdewerck.Ay! streef met mij te gader!Mijn liefde, stercker dan de dood,Maakt jou misschien nog eens tot vader!De kans is groot.

Ick doe — ick ben niet sterck —

InGlas en Aerdewerck.

Ay! streef met mij te gader!

Mijn liefde, stercker dan de dood,

Maakt jou misschien nog eens tot vader!

De kans is groot.

Geen water bluscht dit vuur,Het edelst, dat natuurTer weereld heeft ontsteecken.En als j’ ook goedvakkundigbent,Dan blijf ’k je trou, als glazen breeckenTot gruys in ’t end.

Geen water bluscht dit vuur,

Het edelst, dat natuur

Ter weereld heeft ontsteecken.

En als j’ ook goedvakkundigbent,

Dan blijf ’k je trou, als glazen breecken

Tot gruys in ’t end.

Door dese liefde treurtDe tortelduyf, gescheurtVan haer beminden tortel.Maar wij beminnen, wang aan wangTe midden van schael, glas en bord el-kaer — levenslang......

Door dese liefde treurt

De tortelduyf, gescheurt

Van haer beminden tortel.

Maar wij beminnen, wang aan wang

Te midden van schael, glas en bord el-

kaer — levenslang......

Opgedragen aan de H. B. S.-ers.

Opgedragen aan de H. B. S.-ers.

Eindexamen, eindexamen,O, verschrikkelijke tijd!Tijd van feiten, cijfers, namen.Wanneer raken we je kwijt?’k Wijd dit vers aan ied’ren jongen,(Meisje) van de H. B. S.,Volgepropt en volgedrongen,Als een groote inmaakflesch.In een stuk of twintig vakkenIs zoo’n knaap geweldig knap,Diep doorkneed, en bruin gebakken,Krakend van de wetenschap.Dapper weet hij door te draven,Met de wijsheid uit zijn boek,Over homogene staven,Bolsegment en hellingshoek.Stikstofoxydule ken-d-ie,Barytwater, carbonaat,Millimol, status nascendi,Kaliumpermanganaat.Onze jonge Muzenzoon isThuis in goniometrie,En hij zegt, of ’t heel gewoon is:Sin. α tan. π.Zonder aarz’len schrijft hij nederMet een glans op zijn gelaat,D’ inhoud van een octaeder:√10 π r².Ook zijn hem kathodestralenBrekingsindex, welbekend,Kryophoren, transversalen,Uitzettingscoëfficient.Hij berekent je de manen,Volle, halve — door mekaar,En hij teekent je de banenDer kometen kant en klaar.Bollen, knollen en cyclamen,Hij beschrijft ze, blij te môe,En hij kent Latijnsche namenVoorkanarie,kipenkoe.Zelfbestuur en abolitie,Toetsingsrecht en vormverzuim,Comptabiliteit, justitie,Kent hij keurig op zijn duim.Communisme, Socialisme,Waardeleer, muntpariteit,Teekengeld, bimetalisme —’t Is voor hem een kleinigheid.Heel d’ onmeetlijke historieKent de knappert uit z’n kop,Nooit begeeft hem zijn memorie,Dertien Dirken dreunt hij op.Schratten, klammen, leemt en lava,Hij verklaart ze je precies,En hij weet van ’t eiland JavaIederen berg en al de tji’s.Met een zeekre nonchalanceSpreekt hij over cheques, coupons,Conto, meta, koers, usance,Tarra, traites en talons.Veler talen letterkundeDraait hij af, en praat hij na,En het smaakt als een verdunde,Slappe waterchocola.Afgeknotte pyramidesTeekent hij in stippellijn,Schaduw-schetsen maakt hij, die dusArtistiek en „stijlvol” zijn.Al zijn wijsheid lucht hij zóó maar,Zelden zegt hij iets verkeerd,Maar wat logisch denken — ho maar!Want dàt heeft hij afgeleerd.

Eindexamen, eindexamen,O, verschrikkelijke tijd!Tijd van feiten, cijfers, namen.Wanneer raken we je kwijt?’k Wijd dit vers aan ied’ren jongen,(Meisje) van de H. B. S.,Volgepropt en volgedrongen,Als een groote inmaakflesch.In een stuk of twintig vakkenIs zoo’n knaap geweldig knap,Diep doorkneed, en bruin gebakken,Krakend van de wetenschap.Dapper weet hij door te draven,Met de wijsheid uit zijn boek,Over homogene staven,Bolsegment en hellingshoek.Stikstofoxydule ken-d-ie,Barytwater, carbonaat,Millimol, status nascendi,Kaliumpermanganaat.Onze jonge Muzenzoon isThuis in goniometrie,En hij zegt, of ’t heel gewoon is:Sin. α tan. π.Zonder aarz’len schrijft hij nederMet een glans op zijn gelaat,D’ inhoud van een octaeder:√10 π r².Ook zijn hem kathodestralenBrekingsindex, welbekend,Kryophoren, transversalen,Uitzettingscoëfficient.Hij berekent je de manen,Volle, halve — door mekaar,En hij teekent je de banenDer kometen kant en klaar.Bollen, knollen en cyclamen,Hij beschrijft ze, blij te môe,En hij kent Latijnsche namenVoorkanarie,kipenkoe.Zelfbestuur en abolitie,Toetsingsrecht en vormverzuim,Comptabiliteit, justitie,Kent hij keurig op zijn duim.Communisme, Socialisme,Waardeleer, muntpariteit,Teekengeld, bimetalisme —’t Is voor hem een kleinigheid.Heel d’ onmeetlijke historieKent de knappert uit z’n kop,Nooit begeeft hem zijn memorie,Dertien Dirken dreunt hij op.Schratten, klammen, leemt en lava,Hij verklaart ze je precies,En hij weet van ’t eiland JavaIederen berg en al de tji’s.Met een zeekre nonchalanceSpreekt hij over cheques, coupons,Conto, meta, koers, usance,Tarra, traites en talons.Veler talen letterkundeDraait hij af, en praat hij na,En het smaakt als een verdunde,Slappe waterchocola.Afgeknotte pyramidesTeekent hij in stippellijn,Schaduw-schetsen maakt hij, die dusArtistiek en „stijlvol” zijn.Al zijn wijsheid lucht hij zóó maar,Zelden zegt hij iets verkeerd,Maar wat logisch denken — ho maar!Want dàt heeft hij afgeleerd.

Eindexamen, eindexamen,O, verschrikkelijke tijd!Tijd van feiten, cijfers, namen.Wanneer raken we je kwijt?

Eindexamen, eindexamen,

O, verschrikkelijke tijd!

Tijd van feiten, cijfers, namen.

Wanneer raken we je kwijt?

’k Wijd dit vers aan ied’ren jongen,(Meisje) van de H. B. S.,Volgepropt en volgedrongen,Als een groote inmaakflesch.

’k Wijd dit vers aan ied’ren jongen,

(Meisje) van de H. B. S.,

Volgepropt en volgedrongen,

Als een groote inmaakflesch.

In een stuk of twintig vakkenIs zoo’n knaap geweldig knap,Diep doorkneed, en bruin gebakken,Krakend van de wetenschap.

In een stuk of twintig vakken

Is zoo’n knaap geweldig knap,

Diep doorkneed, en bruin gebakken,

Krakend van de wetenschap.

Dapper weet hij door te draven,Met de wijsheid uit zijn boek,Over homogene staven,Bolsegment en hellingshoek.

Dapper weet hij door te draven,

Met de wijsheid uit zijn boek,

Over homogene staven,

Bolsegment en hellingshoek.

Stikstofoxydule ken-d-ie,Barytwater, carbonaat,Millimol, status nascendi,Kaliumpermanganaat.

Stikstofoxydule ken-d-ie,

Barytwater, carbonaat,

Millimol, status nascendi,

Kaliumpermanganaat.

Onze jonge Muzenzoon isThuis in goniometrie,En hij zegt, of ’t heel gewoon is:Sin. α tan. π.

Onze jonge Muzenzoon is

Thuis in goniometrie,

En hij zegt, of ’t heel gewoon is:

Sin. α tan. π.

Zonder aarz’len schrijft hij nederMet een glans op zijn gelaat,D’ inhoud van een octaeder:√10 π r².

Zonder aarz’len schrijft hij neder

Met een glans op zijn gelaat,

D’ inhoud van een octaeder:

√10 π r².

Ook zijn hem kathodestralenBrekingsindex, welbekend,Kryophoren, transversalen,Uitzettingscoëfficient.

Ook zijn hem kathodestralen

Brekingsindex, welbekend,

Kryophoren, transversalen,

Uitzettingscoëfficient.

Hij berekent je de manen,Volle, halve — door mekaar,En hij teekent je de banenDer kometen kant en klaar.

Hij berekent je de manen,

Volle, halve — door mekaar,

En hij teekent je de banen

Der kometen kant en klaar.

Bollen, knollen en cyclamen,Hij beschrijft ze, blij te môe,En hij kent Latijnsche namenVoorkanarie,kipenkoe.

Bollen, knollen en cyclamen,

Hij beschrijft ze, blij te môe,

En hij kent Latijnsche namen

Voorkanarie,kipenkoe.

Zelfbestuur en abolitie,Toetsingsrecht en vormverzuim,Comptabiliteit, justitie,Kent hij keurig op zijn duim.

Zelfbestuur en abolitie,

Toetsingsrecht en vormverzuim,

Comptabiliteit, justitie,

Kent hij keurig op zijn duim.

Communisme, Socialisme,Waardeleer, muntpariteit,Teekengeld, bimetalisme —’t Is voor hem een kleinigheid.

Communisme, Socialisme,

Waardeleer, muntpariteit,

Teekengeld, bimetalisme —

’t Is voor hem een kleinigheid.

Heel d’ onmeetlijke historieKent de knappert uit z’n kop,Nooit begeeft hem zijn memorie,Dertien Dirken dreunt hij op.

Heel d’ onmeetlijke historie

Kent de knappert uit z’n kop,

Nooit begeeft hem zijn memorie,

Dertien Dirken dreunt hij op.

Schratten, klammen, leemt en lava,Hij verklaart ze je precies,En hij weet van ’t eiland JavaIederen berg en al de tji’s.

Schratten, klammen, leemt en lava,

Hij verklaart ze je precies,

En hij weet van ’t eiland Java

Iederen berg en al de tji’s.

Met een zeekre nonchalanceSpreekt hij over cheques, coupons,Conto, meta, koers, usance,Tarra, traites en talons.

Met een zeekre nonchalance

Spreekt hij over cheques, coupons,

Conto, meta, koers, usance,

Tarra, traites en talons.

Veler talen letterkundeDraait hij af, en praat hij na,En het smaakt als een verdunde,Slappe waterchocola.

Veler talen letterkunde

Draait hij af, en praat hij na,

En het smaakt als een verdunde,

Slappe waterchocola.

Afgeknotte pyramidesTeekent hij in stippellijn,Schaduw-schetsen maakt hij, die dusArtistiek en „stijlvol” zijn.

Afgeknotte pyramides

Teekent hij in stippellijn,

Schaduw-schetsen maakt hij, die dus

Artistiek en „stijlvol” zijn.

Al zijn wijsheid lucht hij zóó maar,Zelden zegt hij iets verkeerd,Maar wat logisch denken — ho maar!Want dàt heeft hij afgeleerd.

Al zijn wijsheid lucht hij zóó maar,

Zelden zegt hij iets verkeerd,

Maar wat logisch denken — ho maar!

Want dàt heeft hij afgeleerd.

Wat Charivarius tot het bezigen van ruwe taal brengt.

Wat Charivarius tot het bezigen van ruwe taal brengt.

Ik ben geen man van zaken,Ik ben geen man van geld,’k Ben kalm in mijn vermaken,En op mijn rust gesteld.Ik houd er van te dwalenLangs heuvelen en dalen,Wanneer de laatste stralenBelichten bosch en veld.Ik heb, dat spreekt, geen auto —’k Verlang niet eens zoo iets;Ja, was ik rijk getrouwd, oDan kreeg ’k zoo’n ding voor niets.Nu is ’t mijn lot te loopen,En hoogstens mag ik hopenNog eens te kunnen koopenEn tweedehandsche fiets.Ik min het lieflijk kweelen,In ’t stille avond-uur,Der zoete filomeelen,Bij ’t zwijgen der natuur.En ’t „Boeh!” van d’ auto-hoorn,Kan mij wel niet bekoren,Maar wekt toch niet mijn toorn —Dat went wel op den duur.Maar dat valsch-gierend gillen,Zoo plots — nu schor, dan schel,Waarvan je staat te rillen,Je huid in kippenvel,Dat krijschend jammerjanken,In d’ infernaalste klanken,Dat ’s erger dan de stank enDat haat ik als de hel.En als het monster krijtend,Met krassend huil-geblaat,De trommelvliezen splijtend,Aan ’t snaatrend schetteren slaat,En ’t schril gekners verscherpend,En snorkend, snijdend, snerpend,En braakgeluid uitwerpend,Mij vult met blinde haat,Dan — ’t ware zeker wenschlijk,Dat ik me nooit vergat,Maar ik ben ook maar menschlijk,Wie is er meer dan dat? —Dan wordt het me waarachtigSoms wel wat al te machtig,Dan komt er, kort en krachtig......Enfin, je weet wel wat.

Ik ben geen man van zaken,Ik ben geen man van geld,’k Ben kalm in mijn vermaken,En op mijn rust gesteld.Ik houd er van te dwalenLangs heuvelen en dalen,Wanneer de laatste stralenBelichten bosch en veld.Ik heb, dat spreekt, geen auto —’k Verlang niet eens zoo iets;Ja, was ik rijk getrouwd, oDan kreeg ’k zoo’n ding voor niets.Nu is ’t mijn lot te loopen,En hoogstens mag ik hopenNog eens te kunnen koopenEn tweedehandsche fiets.Ik min het lieflijk kweelen,In ’t stille avond-uur,Der zoete filomeelen,Bij ’t zwijgen der natuur.En ’t „Boeh!” van d’ auto-hoorn,Kan mij wel niet bekoren,Maar wekt toch niet mijn toorn —Dat went wel op den duur.Maar dat valsch-gierend gillen,Zoo plots — nu schor, dan schel,Waarvan je staat te rillen,Je huid in kippenvel,Dat krijschend jammerjanken,In d’ infernaalste klanken,Dat ’s erger dan de stank enDat haat ik als de hel.En als het monster krijtend,Met krassend huil-geblaat,De trommelvliezen splijtend,Aan ’t snaatrend schetteren slaat,En ’t schril gekners verscherpend,En snorkend, snijdend, snerpend,En braakgeluid uitwerpend,Mij vult met blinde haat,Dan — ’t ware zeker wenschlijk,Dat ik me nooit vergat,Maar ik ben ook maar menschlijk,Wie is er meer dan dat? —Dan wordt het me waarachtigSoms wel wat al te machtig,Dan komt er, kort en krachtig......Enfin, je weet wel wat.

Ik ben geen man van zaken,Ik ben geen man van geld,’k Ben kalm in mijn vermaken,En op mijn rust gesteld.Ik houd er van te dwalenLangs heuvelen en dalen,Wanneer de laatste stralenBelichten bosch en veld.

Ik ben geen man van zaken,

Ik ben geen man van geld,

’k Ben kalm in mijn vermaken,

En op mijn rust gesteld.

Ik houd er van te dwalen

Langs heuvelen en dalen,

Wanneer de laatste stralen

Belichten bosch en veld.

Ik heb, dat spreekt, geen auto —’k Verlang niet eens zoo iets;Ja, was ik rijk getrouwd, oDan kreeg ’k zoo’n ding voor niets.Nu is ’t mijn lot te loopen,En hoogstens mag ik hopenNog eens te kunnen koopenEn tweedehandsche fiets.

Ik heb, dat spreekt, geen auto —

’k Verlang niet eens zoo iets;

Ja, was ik rijk getrouwd, o

Dan kreeg ’k zoo’n ding voor niets.

Nu is ’t mijn lot te loopen,

En hoogstens mag ik hopen

Nog eens te kunnen koopen

En tweedehandsche fiets.

Ik min het lieflijk kweelen,In ’t stille avond-uur,Der zoete filomeelen,Bij ’t zwijgen der natuur.En ’t „Boeh!” van d’ auto-hoorn,Kan mij wel niet bekoren,Maar wekt toch niet mijn toorn —Dat went wel op den duur.

Ik min het lieflijk kweelen,

In ’t stille avond-uur,

Der zoete filomeelen,

Bij ’t zwijgen der natuur.

En ’t „Boeh!” van d’ auto-hoorn,

Kan mij wel niet bekoren,

Maar wekt toch niet mijn toorn —

Dat went wel op den duur.

Maar dat valsch-gierend gillen,Zoo plots — nu schor, dan schel,Waarvan je staat te rillen,Je huid in kippenvel,Dat krijschend jammerjanken,In d’ infernaalste klanken,Dat ’s erger dan de stank enDat haat ik als de hel.

Maar dat valsch-gierend gillen,

Zoo plots — nu schor, dan schel,

Waarvan je staat te rillen,

Je huid in kippenvel,

Dat krijschend jammerjanken,

In d’ infernaalste klanken,

Dat ’s erger dan de stank en

Dat haat ik als de hel.

En als het monster krijtend,Met krassend huil-geblaat,De trommelvliezen splijtend,Aan ’t snaatrend schetteren slaat,En ’t schril gekners verscherpend,En snorkend, snijdend, snerpend,En braakgeluid uitwerpend,Mij vult met blinde haat,

En als het monster krijtend,

Met krassend huil-geblaat,

De trommelvliezen splijtend,

Aan ’t snaatrend schetteren slaat,

En ’t schril gekners verscherpend,

En snorkend, snijdend, snerpend,

En braakgeluid uitwerpend,

Mij vult met blinde haat,

Dan — ’t ware zeker wenschlijk,Dat ik me nooit vergat,Maar ik ben ook maar menschlijk,Wie is er meer dan dat? —Dan wordt het me waarachtigSoms wel wat al te machtig,Dan komt er, kort en krachtig......Enfin, je weet wel wat.

Dan — ’t ware zeker wenschlijk,

Dat ik me nooit vergat,

Maar ik ben ook maar menschlijk,

Wie is er meer dan dat? —

Dan wordt het me waarachtig

Soms wel wat al te machtig,

Dan komt er, kort en krachtig......

Enfin, je weet wel wat.

Nu flitse ’t vuur mij uit de pen,En vlamme fel in ’t duister!’k Bezweer je, dat ik giftig ben,Dus hou je vast, en luister. —U treft de banvloek van mijn vaers,— Jood, atheïst of Christen! —U, vloekbaar ras van moordenaars,U, automobilisten! —Dat rijdt en rent en race’t en raast,Als ten Walpurgisfeeste;Die dwazen hebben altijd haast,Wie ’t minst te doen heeft, ’t meeste!Zij letten op geen zonneschijn,Of ’t groen van beemd en dreven,Om ’t gauwst in ’t volgend dorp te zijn,Dat is hun eenig streven. —De stille burger, wandlend, kalm,Langs ’t veld, waar d’aren golven,Wordt plots bedwelmd door weeën walm,En onder stof bedolven. —Vrij zijn zij in hun dol bedrijf,Dat spot met alle regels;Weg, wandlaar! Berg u ’t veege lijfVoor tierend’ auto-vlegels! —Wat deert hun ’t lot van d’evenmensch?Wat duizend’ ongelukken?Hard, hard! te gaan, dat is hun wensch,Waar ’t menschdom voor moet bukken.Geen enkle tak van arbeid bloeitIn nuttigere zaken;Ons kapitaal wordt stom verknoeidOm tuf-spul van te maken.De wegen-toestand wordt barbaarsch,O, bende booze geesten!De weg is voor de wandelaars,En niet voor wilde beesten! —Neen, strenge rechter, ’k vrees u niet,Gevangenis, ik tart je......En elk, die op een auto schiet,Die krijgt van mij een kwartje!

Nu flitse ’t vuur mij uit de pen,En vlamme fel in ’t duister!’k Bezweer je, dat ik giftig ben,Dus hou je vast, en luister. —U treft de banvloek van mijn vaers,— Jood, atheïst of Christen! —U, vloekbaar ras van moordenaars,U, automobilisten! —Dat rijdt en rent en race’t en raast,Als ten Walpurgisfeeste;Die dwazen hebben altijd haast,Wie ’t minst te doen heeft, ’t meeste!Zij letten op geen zonneschijn,Of ’t groen van beemd en dreven,Om ’t gauwst in ’t volgend dorp te zijn,Dat is hun eenig streven. —De stille burger, wandlend, kalm,Langs ’t veld, waar d’aren golven,Wordt plots bedwelmd door weeën walm,En onder stof bedolven. —Vrij zijn zij in hun dol bedrijf,Dat spot met alle regels;Weg, wandlaar! Berg u ’t veege lijfVoor tierend’ auto-vlegels! —Wat deert hun ’t lot van d’evenmensch?Wat duizend’ ongelukken?Hard, hard! te gaan, dat is hun wensch,Waar ’t menschdom voor moet bukken.Geen enkle tak van arbeid bloeitIn nuttigere zaken;Ons kapitaal wordt stom verknoeidOm tuf-spul van te maken.De wegen-toestand wordt barbaarsch,O, bende booze geesten!De weg is voor de wandelaars,En niet voor wilde beesten! —Neen, strenge rechter, ’k vrees u niet,Gevangenis, ik tart je......En elk, die op een auto schiet,Die krijgt van mij een kwartje!

Nu flitse ’t vuur mij uit de pen,En vlamme fel in ’t duister!’k Bezweer je, dat ik giftig ben,Dus hou je vast, en luister. —U treft de banvloek van mijn vaers,— Jood, atheïst of Christen! —U, vloekbaar ras van moordenaars,U, automobilisten! —Dat rijdt en rent en race’t en raast,Als ten Walpurgisfeeste;Die dwazen hebben altijd haast,Wie ’t minst te doen heeft, ’t meeste!Zij letten op geen zonneschijn,Of ’t groen van beemd en dreven,Om ’t gauwst in ’t volgend dorp te zijn,Dat is hun eenig streven. —De stille burger, wandlend, kalm,Langs ’t veld, waar d’aren golven,Wordt plots bedwelmd door weeën walm,En onder stof bedolven. —Vrij zijn zij in hun dol bedrijf,Dat spot met alle regels;Weg, wandlaar! Berg u ’t veege lijfVoor tierend’ auto-vlegels! —Wat deert hun ’t lot van d’evenmensch?Wat duizend’ ongelukken?Hard, hard! te gaan, dat is hun wensch,Waar ’t menschdom voor moet bukken.Geen enkle tak van arbeid bloeitIn nuttigere zaken;Ons kapitaal wordt stom verknoeidOm tuf-spul van te maken.De wegen-toestand wordt barbaarsch,O, bende booze geesten!De weg is voor de wandelaars,En niet voor wilde beesten! —Neen, strenge rechter, ’k vrees u niet,Gevangenis, ik tart je......En elk, die op een auto schiet,Die krijgt van mij een kwartje!

Nu flitse ’t vuur mij uit de pen,

En vlamme fel in ’t duister!

’k Bezweer je, dat ik giftig ben,

Dus hou je vast, en luister. —

U treft de banvloek van mijn vaers,

— Jood, atheïst of Christen! —

U, vloekbaar ras van moordenaars,

U, automobilisten! —

Dat rijdt en rent en race’t en raast,

Als ten Walpurgisfeeste;

Die dwazen hebben altijd haast,

Wie ’t minst te doen heeft, ’t meeste!

Zij letten op geen zonneschijn,

Of ’t groen van beemd en dreven,

Om ’t gauwst in ’t volgend dorp te zijn,

Dat is hun eenig streven. —

De stille burger, wandlend, kalm,

Langs ’t veld, waar d’aren golven,

Wordt plots bedwelmd door weeën walm,

En onder stof bedolven. —

Vrij zijn zij in hun dol bedrijf,

Dat spot met alle regels;

Weg, wandlaar! Berg u ’t veege lijf

Voor tierend’ auto-vlegels! —

Wat deert hun ’t lot van d’evenmensch?

Wat duizend’ ongelukken?

Hard, hard! te gaan, dat is hun wensch,

Waar ’t menschdom voor moet bukken.

Geen enkle tak van arbeid bloeit

In nuttigere zaken;

Ons kapitaal wordt stom verknoeid

Om tuf-spul van te maken.

De wegen-toestand wordt barbaarsch,

O, bende booze geesten!

De weg is voor de wandelaars,

En niet voor wilde beesten! —

Neen, strenge rechter, ’k vrees u niet,

Gevangenis, ik tart je......

En elk, die op een auto schiet,

Die krijgt van mij een kwartje!

Ik merk tegenwoordig — ik weet niet hoe ’t komt —Dat ik m’ over haast niets meer verwonder;Ik denk dat mijn voelhorens af zijn gestompt,Ik vind bijna niets meer bijzonder.Inventies, bijvoorbeeld, op ieder gebied,Die elkaar met een vaartje verdringen,Ik lees er wel van, maar ze boeien me niet,En ik kan er geen geeuw bij bedwingen.Het achturenarbeidsdagswetsphenomeen —Zelfs dàt kan mijn aandacht niet trekken,Geen interpellatie, geen voorstel — niet éénVermag m’ uit mijn stupor te wekken.Ik kijk van geen stuk zonder stijlfouten op,Of zonder gemeenplaats, dat is meGeen oorzaak van schrik; noch een geestige mop,Of een brief zonder één germanisme.Een eenvoudig geschreven verhaal in een boek,Een liefdedicht zonder verdwazing,Een leesbaar verslag van een vorstenbezoek,Vervult me niet meer met verbazing.Geen Duitsche onthullingen schokken me meer......Van Erzberger...... of zijn trawanten......Prins Max...... of hoe heeten die kerels ook weer......Ik k.k.knikkebol...... over....... m’n kranten.Het sensationeele dat trekt mij niet aanVan een tocht naar het front van den Yser;Ik gaap als ik lees dat er weer een wil gaanAls „zitredacteur” voor den keizer.De vliegersverhalen, hóé vreemd, hóé geducht,Ik wil ze graag all’maal gelooven,Maar hoor ik het motorgeronk in de lucht,Dan kijk ik niet eens meer naar boven.Neen, ’k weet maar één wonder. Dat wonder is dit:— Daar zou zelfs mijn sloomheid voor wijken —Een auto, waar ’nheerof ’ndamein zit,Ik zweer je, dáár kom ’k ’s naar kijken!

Ik merk tegenwoordig — ik weet niet hoe ’t komt —Dat ik m’ over haast niets meer verwonder;Ik denk dat mijn voelhorens af zijn gestompt,Ik vind bijna niets meer bijzonder.Inventies, bijvoorbeeld, op ieder gebied,Die elkaar met een vaartje verdringen,Ik lees er wel van, maar ze boeien me niet,En ik kan er geen geeuw bij bedwingen.Het achturenarbeidsdagswetsphenomeen —Zelfs dàt kan mijn aandacht niet trekken,Geen interpellatie, geen voorstel — niet éénVermag m’ uit mijn stupor te wekken.Ik kijk van geen stuk zonder stijlfouten op,Of zonder gemeenplaats, dat is meGeen oorzaak van schrik; noch een geestige mop,Of een brief zonder één germanisme.Een eenvoudig geschreven verhaal in een boek,Een liefdedicht zonder verdwazing,Een leesbaar verslag van een vorstenbezoek,Vervult me niet meer met verbazing.Geen Duitsche onthullingen schokken me meer......Van Erzberger...... of zijn trawanten......Prins Max...... of hoe heeten die kerels ook weer......Ik k.k.knikkebol...... over....... m’n kranten.Het sensationeele dat trekt mij niet aanVan een tocht naar het front van den Yser;Ik gaap als ik lees dat er weer een wil gaanAls „zitredacteur” voor den keizer.De vliegersverhalen, hóé vreemd, hóé geducht,Ik wil ze graag all’maal gelooven,Maar hoor ik het motorgeronk in de lucht,Dan kijk ik niet eens meer naar boven.Neen, ’k weet maar één wonder. Dat wonder is dit:— Daar zou zelfs mijn sloomheid voor wijken —Een auto, waar ’nheerof ’ndamein zit,Ik zweer je, dáár kom ’k ’s naar kijken!

Ik merk tegenwoordig — ik weet niet hoe ’t komt —Dat ik m’ over haast niets meer verwonder;Ik denk dat mijn voelhorens af zijn gestompt,Ik vind bijna niets meer bijzonder.

Ik merk tegenwoordig — ik weet niet hoe ’t komt —

Dat ik m’ over haast niets meer verwonder;

Ik denk dat mijn voelhorens af zijn gestompt,

Ik vind bijna niets meer bijzonder.

Inventies, bijvoorbeeld, op ieder gebied,Die elkaar met een vaartje verdringen,Ik lees er wel van, maar ze boeien me niet,En ik kan er geen geeuw bij bedwingen.

Inventies, bijvoorbeeld, op ieder gebied,

Die elkaar met een vaartje verdringen,

Ik lees er wel van, maar ze boeien me niet,

En ik kan er geen geeuw bij bedwingen.

Het achturenarbeidsdagswetsphenomeen —Zelfs dàt kan mijn aandacht niet trekken,Geen interpellatie, geen voorstel — niet éénVermag m’ uit mijn stupor te wekken.

Het achturenarbeidsdagswetsphenomeen —

Zelfs dàt kan mijn aandacht niet trekken,

Geen interpellatie, geen voorstel — niet één

Vermag m’ uit mijn stupor te wekken.

Ik kijk van geen stuk zonder stijlfouten op,Of zonder gemeenplaats, dat is meGeen oorzaak van schrik; noch een geestige mop,Of een brief zonder één germanisme.

Ik kijk van geen stuk zonder stijlfouten op,

Of zonder gemeenplaats, dat is me

Geen oorzaak van schrik; noch een geestige mop,

Of een brief zonder één germanisme.

Een eenvoudig geschreven verhaal in een boek,Een liefdedicht zonder verdwazing,Een leesbaar verslag van een vorstenbezoek,Vervult me niet meer met verbazing.

Een eenvoudig geschreven verhaal in een boek,

Een liefdedicht zonder verdwazing,

Een leesbaar verslag van een vorstenbezoek,

Vervult me niet meer met verbazing.

Geen Duitsche onthullingen schokken me meer......Van Erzberger...... of zijn trawanten......Prins Max...... of hoe heeten die kerels ook weer......Ik k.k.knikkebol...... over....... m’n kranten.

Geen Duitsche onthullingen schokken me meer......

Van Erzberger...... of zijn trawanten......

Prins Max...... of hoe heeten die kerels ook weer......

Ik k.k.knikkebol...... over....... m’n kranten.

Het sensationeele dat trekt mij niet aanVan een tocht naar het front van den Yser;Ik gaap als ik lees dat er weer een wil gaanAls „zitredacteur” voor den keizer.

Het sensationeele dat trekt mij niet aan

Van een tocht naar het front van den Yser;

Ik gaap als ik lees dat er weer een wil gaan

Als „zitredacteur” voor den keizer.

De vliegersverhalen, hóé vreemd, hóé geducht,Ik wil ze graag all’maal gelooven,Maar hoor ik het motorgeronk in de lucht,Dan kijk ik niet eens meer naar boven.

De vliegersverhalen, hóé vreemd, hóé geducht,

Ik wil ze graag all’maal gelooven,

Maar hoor ik het motorgeronk in de lucht,

Dan kijk ik niet eens meer naar boven.

Neen, ’k weet maar één wonder. Dat wonder is dit:— Daar zou zelfs mijn sloomheid voor wijken —Een auto, waar ’nheerof ’ndamein zit,Ik zweer je, dáár kom ’k ’s naar kijken!

Neen, ’k weet maar één wonder. Dat wonder is dit:

— Daar zou zelfs mijn sloomheid voor wijken —

Een auto, waar ’nheerof ’ndamein zit,

Ik zweer je, dáár kom ’k ’s naar kijken!

Van ’t einde van de lindelaan,In ’t landelijk gehuchtje,Daar kwam een rustige auto aan,Haast zonder suis of zuchtje.De wagen gleed met kalme vaart;Ze waren met z’n beiden;Hij stuurde, stevig en bedaard,En toeterde bescheiden.Ze keken telkens om zich heen,Ik zag hen de oogen richtenIn stille extase, naar het scheen,Op fraaye vergezichten.Ik schrijf dit „fraaye” met y,Want, schoon ’t tooneel modern was,’t Scheen of ’t geval, al klinkt het gek,Klassiek haast in de kern was.Een handig zwenken en een draai,Met licht geknor — heel even —Deed de karos met zachten zwaaiNaar ’t zomerzitje zweven.Hij nam een biertje, of een kwast,Zij, na wat overleggen,Koffie, of zoo — of thee — wat was ’t?’k Zou ’t niet meer kunnen zeggen.Zij had geen Amsjterdamsch aksjint,Hij sprak niet als een schorum;Zij was gekleed in lichte tint,Vol fleur, maar met decorum.Zij — geen juweel aan hals of haar,Een bijna ringloos handje,En hij — geen buik, en geen sigaar,Geen dure, met zoo’n bandje.Zij — lief van lach, en zoet van vooys,Hij — rustig en bezonken,Ze spraken blij van al het moois,Dat ’t tochtje hun had geschonken.Er werd niet over geld gepraat,Of over dure spullen;De pracht van pleintje en kerk en straat,Die scheen hen te vervullen.’t Is of ’k dat sympathieke paarNog op dien stillen brink zie,Zoo rustig koutend met mekaar,Een toonbeeld van distinctie.’k Dacht: „Geen oweeërs deze keer!”— Een zucht van vreugde slaakte ik —„En echte dame en een heer,Goddank!” — en toen ontwaakte ik.

Van ’t einde van de lindelaan,In ’t landelijk gehuchtje,Daar kwam een rustige auto aan,Haast zonder suis of zuchtje.De wagen gleed met kalme vaart;Ze waren met z’n beiden;Hij stuurde, stevig en bedaard,En toeterde bescheiden.Ze keken telkens om zich heen,Ik zag hen de oogen richtenIn stille extase, naar het scheen,Op fraaye vergezichten.Ik schrijf dit „fraaye” met y,Want, schoon ’t tooneel modern was,’t Scheen of ’t geval, al klinkt het gek,Klassiek haast in de kern was.Een handig zwenken en een draai,Met licht geknor — heel even —Deed de karos met zachten zwaaiNaar ’t zomerzitje zweven.Hij nam een biertje, of een kwast,Zij, na wat overleggen,Koffie, of zoo — of thee — wat was ’t?’k Zou ’t niet meer kunnen zeggen.Zij had geen Amsjterdamsch aksjint,Hij sprak niet als een schorum;Zij was gekleed in lichte tint,Vol fleur, maar met decorum.Zij — geen juweel aan hals of haar,Een bijna ringloos handje,En hij — geen buik, en geen sigaar,Geen dure, met zoo’n bandje.Zij — lief van lach, en zoet van vooys,Hij — rustig en bezonken,Ze spraken blij van al het moois,Dat ’t tochtje hun had geschonken.Er werd niet over geld gepraat,Of over dure spullen;De pracht van pleintje en kerk en straat,Die scheen hen te vervullen.’t Is of ’k dat sympathieke paarNog op dien stillen brink zie,Zoo rustig koutend met mekaar,Een toonbeeld van distinctie.’k Dacht: „Geen oweeërs deze keer!”— Een zucht van vreugde slaakte ik —„En echte dame en een heer,Goddank!” — en toen ontwaakte ik.

Van ’t einde van de lindelaan,In ’t landelijk gehuchtje,Daar kwam een rustige auto aan,Haast zonder suis of zuchtje.

Van ’t einde van de lindelaan,

In ’t landelijk gehuchtje,

Daar kwam een rustige auto aan,

Haast zonder suis of zuchtje.

De wagen gleed met kalme vaart;Ze waren met z’n beiden;Hij stuurde, stevig en bedaard,En toeterde bescheiden.

De wagen gleed met kalme vaart;

Ze waren met z’n beiden;

Hij stuurde, stevig en bedaard,

En toeterde bescheiden.

Ze keken telkens om zich heen,Ik zag hen de oogen richtenIn stille extase, naar het scheen,Op fraaye vergezichten.

Ze keken telkens om zich heen,

Ik zag hen de oogen richten

In stille extase, naar het scheen,

Op fraaye vergezichten.

Ik schrijf dit „fraaye” met y,Want, schoon ’t tooneel modern was,’t Scheen of ’t geval, al klinkt het gek,Klassiek haast in de kern was.

Ik schrijf dit „fraaye” met y,

Want, schoon ’t tooneel modern was,

’t Scheen of ’t geval, al klinkt het gek,

Klassiek haast in de kern was.

Een handig zwenken en een draai,Met licht geknor — heel even —Deed de karos met zachten zwaaiNaar ’t zomerzitje zweven.

Een handig zwenken en een draai,

Met licht geknor — heel even —

Deed de karos met zachten zwaai

Naar ’t zomerzitje zweven.

Hij nam een biertje, of een kwast,Zij, na wat overleggen,Koffie, of zoo — of thee — wat was ’t?’k Zou ’t niet meer kunnen zeggen.

Hij nam een biertje, of een kwast,

Zij, na wat overleggen,

Koffie, of zoo — of thee — wat was ’t?

’k Zou ’t niet meer kunnen zeggen.

Zij had geen Amsjterdamsch aksjint,Hij sprak niet als een schorum;Zij was gekleed in lichte tint,Vol fleur, maar met decorum.

Zij had geen Amsjterdamsch aksjint,

Hij sprak niet als een schorum;

Zij was gekleed in lichte tint,

Vol fleur, maar met decorum.

Zij — geen juweel aan hals of haar,Een bijna ringloos handje,En hij — geen buik, en geen sigaar,Geen dure, met zoo’n bandje.

Zij — geen juweel aan hals of haar,

Een bijna ringloos handje,

En hij — geen buik, en geen sigaar,

Geen dure, met zoo’n bandje.

Zij — lief van lach, en zoet van vooys,Hij — rustig en bezonken,Ze spraken blij van al het moois,Dat ’t tochtje hun had geschonken.

Zij — lief van lach, en zoet van vooys,

Hij — rustig en bezonken,

Ze spraken blij van al het moois,

Dat ’t tochtje hun had geschonken.

Er werd niet over geld gepraat,Of over dure spullen;De pracht van pleintje en kerk en straat,Die scheen hen te vervullen.

Er werd niet over geld gepraat,

Of over dure spullen;

De pracht van pleintje en kerk en straat,

Die scheen hen te vervullen.

’t Is of ’k dat sympathieke paarNog op dien stillen brink zie,Zoo rustig koutend met mekaar,Een toonbeeld van distinctie.

’t Is of ’k dat sympathieke paar

Nog op dien stillen brink zie,

Zoo rustig koutend met mekaar,

Een toonbeeld van distinctie.

’k Dacht: „Geen oweeërs deze keer!”— Een zucht van vreugde slaakte ik —„En echte dame en een heer,Goddank!” — en toen ontwaakte ik.

’k Dacht: „Geen oweeërs deze keer!”

— Een zucht van vreugde slaakte ik —

„En echte dame en een heer,

Goddank!” — en toen ontwaakte ik.

Lieve lente, kom ons troosten!Smachtend zien wij naar u uit;Zie, het daghet in den Oosten:Nieuwe lente, nieuw geluid.(Dit is uit de Mei van Gorter,’k Heb dien term al meer gehoord;Maar wat zegt het mooier, korterDan dit afgezaagde woord?)’k Loop al iedren dag te droomen,Hoe ik weer genieten zal,Van de wegen en de boomen,Vliet en weiland, duin en dal!De Riviera gaat vervelen,Met die dooie, blauwe zee;Mij ku’ j’ ’t heele zaakje stelen,’k Doe niet aan den lofzang mee.Schmink en reukwerkwinkelwalmen —Vrouwen van verdacht allooi —Harde kleuren — namaak-palmen —Prentbriefkaart-oweeërs mooi!Ik verkies mijn lage landjeMet zijn tinten, teer en zacht —Als j’ er indenkt, watertand jeVan de vreugde, die je wacht!Lente, kom! Ik wil naar buiten,Waar ik stille Schoonheid vind,Waar de knoppen zich ontsluiten,Trots de frissche voorjaarswind.Lieve lente, lach mij tegen,Ik wil van de stad vandaan!Ik wil dwalen langs de wegen,Door de dorpen wil ik gaan.Weg is weer de winterkilte,Straten-herrie, achter mij!Op, naar buiten! Naar de stilte,Zoete rust en mijmerij!Wee! Daar grijnst me ’n schrikbeeld tegen:— ’k Voel een schok, terwijl ik ’t zeg —’t Stof-stank-brul-beest-van-de-wegen......Lieve lente, blijf maar weg.

Lieve lente, kom ons troosten!Smachtend zien wij naar u uit;Zie, het daghet in den Oosten:Nieuwe lente, nieuw geluid.(Dit is uit de Mei van Gorter,’k Heb dien term al meer gehoord;Maar wat zegt het mooier, korterDan dit afgezaagde woord?)’k Loop al iedren dag te droomen,Hoe ik weer genieten zal,Van de wegen en de boomen,Vliet en weiland, duin en dal!De Riviera gaat vervelen,Met die dooie, blauwe zee;Mij ku’ j’ ’t heele zaakje stelen,’k Doe niet aan den lofzang mee.Schmink en reukwerkwinkelwalmen —Vrouwen van verdacht allooi —Harde kleuren — namaak-palmen —Prentbriefkaart-oweeërs mooi!Ik verkies mijn lage landjeMet zijn tinten, teer en zacht —Als j’ er indenkt, watertand jeVan de vreugde, die je wacht!Lente, kom! Ik wil naar buiten,Waar ik stille Schoonheid vind,Waar de knoppen zich ontsluiten,Trots de frissche voorjaarswind.Lieve lente, lach mij tegen,Ik wil van de stad vandaan!Ik wil dwalen langs de wegen,Door de dorpen wil ik gaan.Weg is weer de winterkilte,Straten-herrie, achter mij!Op, naar buiten! Naar de stilte,Zoete rust en mijmerij!Wee! Daar grijnst me ’n schrikbeeld tegen:— ’k Voel een schok, terwijl ik ’t zeg —’t Stof-stank-brul-beest-van-de-wegen......Lieve lente, blijf maar weg.

Lieve lente, kom ons troosten!Smachtend zien wij naar u uit;Zie, het daghet in den Oosten:Nieuwe lente, nieuw geluid.

Lieve lente, kom ons troosten!

Smachtend zien wij naar u uit;

Zie, het daghet in den Oosten:

Nieuwe lente, nieuw geluid.

(Dit is uit de Mei van Gorter,’k Heb dien term al meer gehoord;Maar wat zegt het mooier, korterDan dit afgezaagde woord?)

(Dit is uit de Mei van Gorter,

’k Heb dien term al meer gehoord;

Maar wat zegt het mooier, korter

Dan dit afgezaagde woord?)

’k Loop al iedren dag te droomen,Hoe ik weer genieten zal,Van de wegen en de boomen,Vliet en weiland, duin en dal!

’k Loop al iedren dag te droomen,

Hoe ik weer genieten zal,

Van de wegen en de boomen,

Vliet en weiland, duin en dal!

De Riviera gaat vervelen,Met die dooie, blauwe zee;Mij ku’ j’ ’t heele zaakje stelen,’k Doe niet aan den lofzang mee.

De Riviera gaat vervelen,

Met die dooie, blauwe zee;

Mij ku’ j’ ’t heele zaakje stelen,

’k Doe niet aan den lofzang mee.

Schmink en reukwerkwinkelwalmen —Vrouwen van verdacht allooi —Harde kleuren — namaak-palmen —Prentbriefkaart-oweeërs mooi!

Schmink en reukwerkwinkelwalmen —

Vrouwen van verdacht allooi —

Harde kleuren — namaak-palmen —

Prentbriefkaart-oweeërs mooi!

Ik verkies mijn lage landjeMet zijn tinten, teer en zacht —Als j’ er indenkt, watertand jeVan de vreugde, die je wacht!

Ik verkies mijn lage landje

Met zijn tinten, teer en zacht —

Als j’ er indenkt, watertand je

Van de vreugde, die je wacht!

Lente, kom! Ik wil naar buiten,Waar ik stille Schoonheid vind,Waar de knoppen zich ontsluiten,Trots de frissche voorjaarswind.

Lente, kom! Ik wil naar buiten,

Waar ik stille Schoonheid vind,

Waar de knoppen zich ontsluiten,

Trots de frissche voorjaarswind.

Lieve lente, lach mij tegen,Ik wil van de stad vandaan!Ik wil dwalen langs de wegen,Door de dorpen wil ik gaan.

Lieve lente, lach mij tegen,

Ik wil van de stad vandaan!

Ik wil dwalen langs de wegen,

Door de dorpen wil ik gaan.

Weg is weer de winterkilte,Straten-herrie, achter mij!Op, naar buiten! Naar de stilte,Zoete rust en mijmerij!

Weg is weer de winterkilte,

Straten-herrie, achter mij!

Op, naar buiten! Naar de stilte,

Zoete rust en mijmerij!

Wee! Daar grijnst me ’n schrikbeeld tegen:— ’k Voel een schok, terwijl ik ’t zeg —’t Stof-stank-brul-beest-van-de-wegen......Lieve lente, blijf maar weg.

Wee! Daar grijnst me ’n schrikbeeld tegen:

— ’k Voel een schok, terwijl ik ’t zeg —

’t Stof-stank-brul-beest-van-de-wegen......

Lieve lente, blijf maar weg.

Ik min u, mooi moderngewrocht,O, speciosum genus!(Dit is geen drukfout voor „gedrocht,”’t Is deze keer eens meenus.)Gij, met uw giganteske kracht,Verborgen in uw bogen,Tot staal verstarde wondermachtVan ’s menschen denkvermogen!Ja, in dit weidsch emporiumGeschiedt een groot gebeuren:Er klinkt een oratoriumVan vormen en van kleuren.Hier staat de schouwer stil verrukt,Die zich een blik mag gunnenOp dit ontzachelijk produktVan kennen en van kunnen.Ik wandel monter langs de stands,’k Weet ieder merk te vinden;Ik maak een praatje, en shake handsMet kennissen en vrinden.Een beetje Amsterdamsch patois,Dat kan me niet veel schelen;Het klinkt niet liefelijk, maar — soit!Hier kan ’k het heel goed velen.Zeg, heb je die Renault gezien?En daar, die Studebaker?Die Oakland, Freia, Earl en Bean?Die Cadillac toch zeker?Het is een heele serie — O,Te veel om op te sommen!Minerva, Buick en BlériotStaan daar in dichte drommen.Het lijkt hier wel een toovertent,Een wellust voor den kijker,Zoo’n Lancia, zoo’n Overland,Zoo’n Ludi en zoo’n Spijker!De fietsen zal ’k maar overslaan,Hoewel ’k er óók een boel zie,Maar kijk me daar die Daimler staan!Die Hotchkiss, en die Wolseley![4]O, weeldrig wonder der techniek,Voor nut en vreugde beiden!Gij toont in grootsche symboliekHoe zich Natuur laat leiden.De gansche toekomst kent men niet,Die nog de motorcar beidt!Zoo peinst, wie deze telgen zietVan Kapitaal en Arbeid.Heb dan mijn hulde, lof en dank,Automobiel! — ik min u!Zoo zonder leven, stof en stank,En geen plebejers in u......

Ik min u, mooi moderngewrocht,O, speciosum genus!(Dit is geen drukfout voor „gedrocht,”’t Is deze keer eens meenus.)Gij, met uw giganteske kracht,Verborgen in uw bogen,Tot staal verstarde wondermachtVan ’s menschen denkvermogen!Ja, in dit weidsch emporiumGeschiedt een groot gebeuren:Er klinkt een oratoriumVan vormen en van kleuren.Hier staat de schouwer stil verrukt,Die zich een blik mag gunnenOp dit ontzachelijk produktVan kennen en van kunnen.Ik wandel monter langs de stands,’k Weet ieder merk te vinden;Ik maak een praatje, en shake handsMet kennissen en vrinden.Een beetje Amsterdamsch patois,Dat kan me niet veel schelen;Het klinkt niet liefelijk, maar — soit!Hier kan ’k het heel goed velen.Zeg, heb je die Renault gezien?En daar, die Studebaker?Die Oakland, Freia, Earl en Bean?Die Cadillac toch zeker?Het is een heele serie — O,Te veel om op te sommen!Minerva, Buick en BlériotStaan daar in dichte drommen.Het lijkt hier wel een toovertent,Een wellust voor den kijker,Zoo’n Lancia, zoo’n Overland,Zoo’n Ludi en zoo’n Spijker!De fietsen zal ’k maar overslaan,Hoewel ’k er óók een boel zie,Maar kijk me daar die Daimler staan!Die Hotchkiss, en die Wolseley![4]O, weeldrig wonder der techniek,Voor nut en vreugde beiden!Gij toont in grootsche symboliekHoe zich Natuur laat leiden.De gansche toekomst kent men niet,Die nog de motorcar beidt!Zoo peinst, wie deze telgen zietVan Kapitaal en Arbeid.Heb dan mijn hulde, lof en dank,Automobiel! — ik min u!Zoo zonder leven, stof en stank,En geen plebejers in u......

Ik min u, mooi moderngewrocht,O, speciosum genus!(Dit is geen drukfout voor „gedrocht,”’t Is deze keer eens meenus.)

Ik min u, mooi moderngewrocht,

O, speciosum genus!

(Dit is geen drukfout voor „gedrocht,”

’t Is deze keer eens meenus.)

Gij, met uw giganteske kracht,Verborgen in uw bogen,Tot staal verstarde wondermachtVan ’s menschen denkvermogen!

Gij, met uw giganteske kracht,

Verborgen in uw bogen,

Tot staal verstarde wondermacht

Van ’s menschen denkvermogen!

Ja, in dit weidsch emporiumGeschiedt een groot gebeuren:Er klinkt een oratoriumVan vormen en van kleuren.

Ja, in dit weidsch emporium

Geschiedt een groot gebeuren:

Er klinkt een oratorium

Van vormen en van kleuren.

Hier staat de schouwer stil verrukt,Die zich een blik mag gunnenOp dit ontzachelijk produktVan kennen en van kunnen.

Hier staat de schouwer stil verrukt,

Die zich een blik mag gunnen

Op dit ontzachelijk produkt

Van kennen en van kunnen.

Ik wandel monter langs de stands,’k Weet ieder merk te vinden;Ik maak een praatje, en shake handsMet kennissen en vrinden.

Ik wandel monter langs de stands,

’k Weet ieder merk te vinden;

Ik maak een praatje, en shake hands

Met kennissen en vrinden.

Een beetje Amsterdamsch patois,Dat kan me niet veel schelen;Het klinkt niet liefelijk, maar — soit!Hier kan ’k het heel goed velen.

Een beetje Amsterdamsch patois,

Dat kan me niet veel schelen;

Het klinkt niet liefelijk, maar — soit!

Hier kan ’k het heel goed velen.

Zeg, heb je die Renault gezien?En daar, die Studebaker?Die Oakland, Freia, Earl en Bean?Die Cadillac toch zeker?

Zeg, heb je die Renault gezien?

En daar, die Studebaker?

Die Oakland, Freia, Earl en Bean?

Die Cadillac toch zeker?

Het is een heele serie — O,Te veel om op te sommen!Minerva, Buick en BlériotStaan daar in dichte drommen.

Het is een heele serie — O,

Te veel om op te sommen!

Minerva, Buick en Blériot

Staan daar in dichte drommen.

Het lijkt hier wel een toovertent,Een wellust voor den kijker,Zoo’n Lancia, zoo’n Overland,Zoo’n Ludi en zoo’n Spijker!

Het lijkt hier wel een toovertent,

Een wellust voor den kijker,

Zoo’n Lancia, zoo’n Overland,

Zoo’n Ludi en zoo’n Spijker!

De fietsen zal ’k maar overslaan,Hoewel ’k er óók een boel zie,Maar kijk me daar die Daimler staan!Die Hotchkiss, en die Wolseley![4]

De fietsen zal ’k maar overslaan,

Hoewel ’k er óók een boel zie,

Maar kijk me daar die Daimler staan!

Die Hotchkiss, en die Wolseley![4]

O, weeldrig wonder der techniek,Voor nut en vreugde beiden!Gij toont in grootsche symboliekHoe zich Natuur laat leiden.

O, weeldrig wonder der techniek,

Voor nut en vreugde beiden!

Gij toont in grootsche symboliek

Hoe zich Natuur laat leiden.

De gansche toekomst kent men niet,Die nog de motorcar beidt!Zoo peinst, wie deze telgen zietVan Kapitaal en Arbeid.

De gansche toekomst kent men niet,

Die nog de motorcar beidt!

Zoo peinst, wie deze telgen ziet

Van Kapitaal en Arbeid.

Heb dan mijn hulde, lof en dank,Automobiel! — ik min u!Zoo zonder leven, stof en stank,En geen plebejers in u......

Heb dan mijn hulde, lof en dank,

Automobiel! — ik min u!

Zoo zonder leven, stof en stank,

En geen plebejers in u......

(Met mijn verontschuldiging aan de nette menschen, die ook wel eens in een auto zitten.)

[4]Dit is de uitspraak van dezen naam; in zuiver rijm:Woelzie.

[4]Dit is de uitspraak van dezen naam; in zuiver rijm:Woelzie.

O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult,Die dagelijks ’t gedaas der krant verslinden,In hartstocht, die geen smaak voor ’t hoog’re duldt,Dat menschen beesten maakt, en zienden blinden —Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult,Terwijl het aan ’t afzichtlijk schouwspel smult,Als daar een horde woestaards en ontzindenIn ’t schunnig schop-werk vuile vreugde vinden......Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt,De pees zich opbolt als een boos gezwel,Wijl ’t oog van een onheil’gen vuurgloed fonkelt......Ja, duizendwerf vervloekt zij ’t voetbalspel,Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld......Voort! vuige voetbalbende — vaar ter hel!

O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult,Die dagelijks ’t gedaas der krant verslinden,In hartstocht, die geen smaak voor ’t hoog’re duldt,Dat menschen beesten maakt, en zienden blinden —Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult,Terwijl het aan ’t afzichtlijk schouwspel smult,Als daar een horde woestaards en ontzindenIn ’t schunnig schop-werk vuile vreugde vinden......Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt,De pees zich opbolt als een boos gezwel,Wijl ’t oog van een onheil’gen vuurgloed fonkelt......Ja, duizendwerf vervloekt zij ’t voetbalspel,Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld......Voort! vuige voetbalbende — vaar ter hel!

O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult,Die dagelijks ’t gedaas der krant verslinden,In hartstocht, die geen smaak voor ’t hoog’re duldt,Dat menschen beesten maakt, en zienden blinden —

O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult,

Die dagelijks ’t gedaas der krant verslinden,

In hartstocht, die geen smaak voor ’t hoog’re duldt,

Dat menschen beesten maakt, en zienden blinden —

Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult,Terwijl het aan ’t afzichtlijk schouwspel smult,Als daar een horde woestaards en ontzindenIn ’t schunnig schop-werk vuile vreugde vinden......

Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult,

Terwijl het aan ’t afzichtlijk schouwspel smult,

Als daar een horde woestaards en ontzinden

In ’t schunnig schop-werk vuile vreugde vinden......

Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt,De pees zich opbolt als een boos gezwel,Wijl ’t oog van een onheil’gen vuurgloed fonkelt......

Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt,

De pees zich opbolt als een boos gezwel,

Wijl ’t oog van een onheil’gen vuurgloed fonkelt......

Ja, duizendwerf vervloekt zij ’t voetbalspel,Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld......Voort! vuige voetbalbende — vaar ter hel!

Ja, duizendwerf vervloekt zij ’t voetbalspel,

Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld......

Voort! vuige voetbalbende — vaar ter hel!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, vol jeugdige idealen,Ga nu in ’t heerlijk lenteweer langs veld en wegen dwalen,En droom, gij dichter, die gij zijt, en schrijf uw poëzie,Laat zich ontplooien uw talent, uw zin voor harmonie,Bezing der nachtegalen slag, ’t gezang der leeuwerikken! —Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die u kunt verheffenOp vleugelen van de muziek, gij, die ons weet te treffen,Te roeren door uw zachte kunst, aangrijpend door de machtVan uw gezang, uw snarenspel, met onweerstaanb’re kracht,Zoolang het tijd is, speel of zing om ’t harte te verkwikken! —Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die tooneel kunt spelen,Ontwikkel deze gave Gods, begunstigd boven velen.Gij voelt de vreugde van het spel, van ’t spel en van het woord.Wanneer de zaal u gade slaat, en naar uw klanken hoort,Wanneer ge nu eens zacht ontroert, en dan weer fel doet schrikken —Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw vader is verslagenOmdat gij nimmer werken wilt, en hij van dag tot dagenU aanspoort, vraagt, bedreigt, bezweert te werken, zooals hij,Om eens uw plaats u te verov’ren in de maatschappij,Doe wat hij zegt, en leer u naar zijn redelijk’ eischen schikken!Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw moeder ligt te sterven,Moet zij de laatste dagen droef uw zonnig aanschijn derven?Ga, troost de kranke, koel haar ’t hoofd, dat van den koortsgloed brandt,Zit aan haar sponde, spreek haar toe, streel haar de rimp’le hand,Vertroost de stervende, verlicht haar laatste oogenblikken......Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, vol jeugdige idealen,Ga nu in ’t heerlijk lenteweer langs veld en wegen dwalen,En droom, gij dichter, die gij zijt, en schrijf uw poëzie,Laat zich ontplooien uw talent, uw zin voor harmonie,Bezing der nachtegalen slag, ’t gezang der leeuwerikken! —Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die u kunt verheffenOp vleugelen van de muziek, gij, die ons weet te treffen,Te roeren door uw zachte kunst, aangrijpend door de machtVan uw gezang, uw snarenspel, met onweerstaanb’re kracht,Zoolang het tijd is, speel of zing om ’t harte te verkwikken! —Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die tooneel kunt spelen,Ontwikkel deze gave Gods, begunstigd boven velen.Gij voelt de vreugde van het spel, van ’t spel en van het woord.Wanneer de zaal u gade slaat, en naar uw klanken hoort,Wanneer ge nu eens zacht ontroert, en dan weer fel doet schrikken —Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw vader is verslagenOmdat gij nimmer werken wilt, en hij van dag tot dagenU aanspoort, vraagt, bedreigt, bezweert te werken, zooals hij,Om eens uw plaats u te verov’ren in de maatschappij,Doe wat hij zegt, en leer u naar zijn redelijk’ eischen schikken!Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw moeder ligt te sterven,Moet zij de laatste dagen droef uw zonnig aanschijn derven?Ga, troost de kranke, koel haar ’t hoofd, dat van den koortsgloed brandt,Zit aan haar sponde, spreek haar toe, streel haar de rimp’le hand,Vertroost de stervende, verlicht haar laatste oogenblikken......Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, vol jeugdige idealen,Ga nu in ’t heerlijk lenteweer langs veld en wegen dwalen,En droom, gij dichter, die gij zijt, en schrijf uw poëzie,Laat zich ontplooien uw talent, uw zin voor harmonie,Bezing der nachtegalen slag, ’t gezang der leeuwerikken! —Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, vol jeugdige idealen,

Ga nu in ’t heerlijk lenteweer langs veld en wegen dwalen,

En droom, gij dichter, die gij zijt, en schrijf uw poëzie,

Laat zich ontplooien uw talent, uw zin voor harmonie,

Bezing der nachtegalen slag, ’t gezang der leeuwerikken! —

Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die u kunt verheffenOp vleugelen van de muziek, gij, die ons weet te treffen,Te roeren door uw zachte kunst, aangrijpend door de machtVan uw gezang, uw snarenspel, met onweerstaanb’re kracht,Zoolang het tijd is, speel of zing om ’t harte te verkwikken! —Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die u kunt verheffen

Op vleugelen van de muziek, gij, die ons weet te treffen,

Te roeren door uw zachte kunst, aangrijpend door de macht

Van uw gezang, uw snarenspel, met onweerstaanb’re kracht,

Zoolang het tijd is, speel of zing om ’t harte te verkwikken! —

Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die tooneel kunt spelen,Ontwikkel deze gave Gods, begunstigd boven velen.Gij voelt de vreugde van het spel, van ’t spel en van het woord.Wanneer de zaal u gade slaat, en naar uw klanken hoort,Wanneer ge nu eens zacht ontroert, en dan weer fel doet schrikken —Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die tooneel kunt spelen,

Ontwikkel deze gave Gods, begunstigd boven velen.

Gij voelt de vreugde van het spel, van ’t spel en van het woord.

Wanneer de zaal u gade slaat, en naar uw klanken hoort,

Wanneer ge nu eens zacht ontroert, en dan weer fel doet schrikken —

Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw vader is verslagenOmdat gij nimmer werken wilt, en hij van dag tot dagenU aanspoort, vraagt, bedreigt, bezweert te werken, zooals hij,Om eens uw plaats u te verov’ren in de maatschappij,Doe wat hij zegt, en leer u naar zijn redelijk’ eischen schikken!Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw vader is verslagen

Omdat gij nimmer werken wilt, en hij van dag tot dagen

U aanspoort, vraagt, bedreigt, bezweert te werken, zooals hij,

Om eens uw plaats u te verov’ren in de maatschappij,

Doe wat hij zegt, en leer u naar zijn redelijk’ eischen schikken!

Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw moeder ligt te sterven,Moet zij de laatste dagen droef uw zonnig aanschijn derven?Ga, troost de kranke, koel haar ’t hoofd, dat van den koortsgloed brandt,Zit aan haar sponde, spreek haar toe, streel haar de rimp’le hand,Vertroost de stervende, verlicht haar laatste oogenblikken......Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw moeder ligt te sterven,

Moet zij de laatste dagen droef uw zonnig aanschijn derven?

Ga, troost de kranke, koel haar ’t hoofd, dat van den koortsgloed brandt,

Zit aan haar sponde, spreek haar toe, streel haar de rimp’le hand,

Vertroost de stervende, verlicht haar laatste oogenblikken......

Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!

Gerijmd na de Amsterdamsche uiting van biljartrazernij.

Gerijmd na de Amsterdamsche uiting van biljartrazernij.

O, menschen, wordt wijs! Komt tot inkeer! Houdt op!Bezint u! Niet verder, gij dwazen!Staat de wereld dan nog niet genoeg op z’n kop?Laat af van je tieren en razen!De Kunst telt maar weinig, de Wetenschap niets,Die kost is te zwaar voor de magen,De held van den dag is de ploert op de fiets —Lees de motorfietswedstrijd-verslagen!De god dezer eeuw is de schop-maniak,Van den nimbus der grootheid omgeven,Maar iedere schouwburg-affaire staat zwak,En rekt met een staatsfooi het leven.De hero des volks is de bloedneusproleet,Hoe zoo’n bruut van de Glorie omstraald wordt!Daar wordt een fortuin aan zoo’n beestmensch besteed,Maar vraagt niet, hoe eenschrijverbetaald wordt!De schrijver, de schilder, de vorst van den Geest,Zij, die scheppen, voor vele geslachten,Het spook van ’t Gebrek houdt hen stadig bevreesd,En vervolgt hen in slaaplooze nachten.De bladen besteden een regel aan Kunst,Maar aan sport-gelal vele kolommen,Want anders verliest d’ onderneming de gunstVan de sport-overdrijvende stommen.Een kroegvlerk, die handig biljart heeft geleerd,Wordt bejuicht en bebruld door die gekken,Verheerlijkt, bekranst, als een koning vereerd,En het schuim staat het vee op d’r bekken!Ziehier nog een voorwerp voor ’t vaderlandsch vuur,Waar de vlammen der geestdrift in flikkeren,’k Voorspel je, we krijgen hem nog op den duur;De Wereldkampioen in het Knikkeren!Krankzinnige huldigers-horde, houdt op!Juichers, kransers, fanfare-malloten!Al krijg ’k van die knokkers misschien op mijn kop,Ik verklaar je voor ras-idioten!

O, menschen, wordt wijs! Komt tot inkeer! Houdt op!Bezint u! Niet verder, gij dwazen!Staat de wereld dan nog niet genoeg op z’n kop?Laat af van je tieren en razen!De Kunst telt maar weinig, de Wetenschap niets,Die kost is te zwaar voor de magen,De held van den dag is de ploert op de fiets —Lees de motorfietswedstrijd-verslagen!De god dezer eeuw is de schop-maniak,Van den nimbus der grootheid omgeven,Maar iedere schouwburg-affaire staat zwak,En rekt met een staatsfooi het leven.De hero des volks is de bloedneusproleet,Hoe zoo’n bruut van de Glorie omstraald wordt!Daar wordt een fortuin aan zoo’n beestmensch besteed,Maar vraagt niet, hoe eenschrijverbetaald wordt!De schrijver, de schilder, de vorst van den Geest,Zij, die scheppen, voor vele geslachten,Het spook van ’t Gebrek houdt hen stadig bevreesd,En vervolgt hen in slaaplooze nachten.De bladen besteden een regel aan Kunst,Maar aan sport-gelal vele kolommen,Want anders verliest d’ onderneming de gunstVan de sport-overdrijvende stommen.Een kroegvlerk, die handig biljart heeft geleerd,Wordt bejuicht en bebruld door die gekken,Verheerlijkt, bekranst, als een koning vereerd,En het schuim staat het vee op d’r bekken!Ziehier nog een voorwerp voor ’t vaderlandsch vuur,Waar de vlammen der geestdrift in flikkeren,’k Voorspel je, we krijgen hem nog op den duur;De Wereldkampioen in het Knikkeren!Krankzinnige huldigers-horde, houdt op!Juichers, kransers, fanfare-malloten!Al krijg ’k van die knokkers misschien op mijn kop,Ik verklaar je voor ras-idioten!

O, menschen, wordt wijs! Komt tot inkeer! Houdt op!Bezint u! Niet verder, gij dwazen!Staat de wereld dan nog niet genoeg op z’n kop?Laat af van je tieren en razen!De Kunst telt maar weinig, de Wetenschap niets,Die kost is te zwaar voor de magen,De held van den dag is de ploert op de fiets —Lees de motorfietswedstrijd-verslagen!De god dezer eeuw is de schop-maniak,Van den nimbus der grootheid omgeven,Maar iedere schouwburg-affaire staat zwak,En rekt met een staatsfooi het leven.De hero des volks is de bloedneusproleet,Hoe zoo’n bruut van de Glorie omstraald wordt!Daar wordt een fortuin aan zoo’n beestmensch besteed,Maar vraagt niet, hoe eenschrijverbetaald wordt!De schrijver, de schilder, de vorst van den Geest,Zij, die scheppen, voor vele geslachten,Het spook van ’t Gebrek houdt hen stadig bevreesd,En vervolgt hen in slaaplooze nachten.De bladen besteden een regel aan Kunst,Maar aan sport-gelal vele kolommen,Want anders verliest d’ onderneming de gunstVan de sport-overdrijvende stommen.Een kroegvlerk, die handig biljart heeft geleerd,Wordt bejuicht en bebruld door die gekken,Verheerlijkt, bekranst, als een koning vereerd,En het schuim staat het vee op d’r bekken!Ziehier nog een voorwerp voor ’t vaderlandsch vuur,Waar de vlammen der geestdrift in flikkeren,’k Voorspel je, we krijgen hem nog op den duur;De Wereldkampioen in het Knikkeren!Krankzinnige huldigers-horde, houdt op!Juichers, kransers, fanfare-malloten!Al krijg ’k van die knokkers misschien op mijn kop,Ik verklaar je voor ras-idioten!

O, menschen, wordt wijs! Komt tot inkeer! Houdt op!

Bezint u! Niet verder, gij dwazen!

Staat de wereld dan nog niet genoeg op z’n kop?

Laat af van je tieren en razen!

De Kunst telt maar weinig, de Wetenschap niets,

Die kost is te zwaar voor de magen,

De held van den dag is de ploert op de fiets —

Lees de motorfietswedstrijd-verslagen!

De god dezer eeuw is de schop-maniak,

Van den nimbus der grootheid omgeven,

Maar iedere schouwburg-affaire staat zwak,

En rekt met een staatsfooi het leven.

De hero des volks is de bloedneusproleet,

Hoe zoo’n bruut van de Glorie omstraald wordt!

Daar wordt een fortuin aan zoo’n beestmensch besteed,

Maar vraagt niet, hoe eenschrijverbetaald wordt!

De schrijver, de schilder, de vorst van den Geest,

Zij, die scheppen, voor vele geslachten,

Het spook van ’t Gebrek houdt hen stadig bevreesd,

En vervolgt hen in slaaplooze nachten.

De bladen besteden een regel aan Kunst,

Maar aan sport-gelal vele kolommen,

Want anders verliest d’ onderneming de gunst

Van de sport-overdrijvende stommen.

Een kroegvlerk, die handig biljart heeft geleerd,

Wordt bejuicht en bebruld door die gekken,

Verheerlijkt, bekranst, als een koning vereerd,

En het schuim staat het vee op d’r bekken!

Ziehier nog een voorwerp voor ’t vaderlandsch vuur,

Waar de vlammen der geestdrift in flikkeren,

’k Voorspel je, we krijgen hem nog op den duur;

De Wereldkampioen in het Knikkeren!

Krankzinnige huldigers-horde, houdt op!

Juichers, kransers, fanfare-malloten!

Al krijg ’k van die knokkers misschien op mijn kop,

Ik verklaar je voor ras-idioten!

DeRevue der Sportenbevat een sportief gesteld artikel van „Bob” over mijn Rijm „Lof der Zotheid, I”, waarin Bob toont het niet in alle opzichten met mij eens te zijn. Belangrijk is alleen wat hij van Querido aanhaalt: „Natuurlijk zullen nathalzige of koelecynische spotters, op hun duim kluivend, wat zure scherts verbrassen, als ze lezen, dat biljartspellyrische aandoeningenkan suggereeren.”

DeRevue der Sportenbevat een sportief gesteld artikel van „Bob” over mijn Rijm „Lof der Zotheid, I”, waarin Bob toont het niet in alle opzichten met mij eens te zijn. Belangrijk is alleen wat hij van Querido aanhaalt: „Natuurlijk zullen nathalzige of koelecynische spotters, op hun duim kluivend, wat zure scherts verbrassen, als ze lezen, dat biljartspellyrische aandoeningenkan suggereeren.”

VoorheenMijn Annie, dat beeldig bekoorlijke kind,De roos in de gaarde mijns levens,Die ’k jaren lang vurig en trouw heb bemind,Is zacht en gewillig, vergevensgezind,En, iets dat men zelden bij vrouwen meer vindt,Z’ is tamelijk degelijk tevens.Ze poedert en verft zich een beetje, da’s waar,Maar zoo, dat je ’t haast niet kunt merken;Ze draagt ook wat vulling (niet veel) in het haar,En eenige tandjes, niet meer dan een paar,Die zijn van den tandarts — volstrekt geen bezwaar!Dat kan slechts haar schoonheid versterken.Dus is ze naar geest en naar lichaam volmaakt?Neen. Aarzelend zeg ’k het, en schuchter,Haar ontbreekt — z’ is als ’t vuur dat wel smeult maar niet blaakt —Een gemoed, tot het lyrische leven ontwaakt,Ze is nog haast nooit eens in geestdrift geraakt,Ze is zoo prozaïsch, zóó nuchter!Ik tracht haar te leiden zooveel als ik kan,Ik heb al van alles verzonnen,Maar mooie natuur, daar geniet ze niet van,En kunst? „Jazzus”, zegt ze, „wat heb je d’r an?”Ze denkt, tot verdriet van haar lyrischen man,Slechts aan smullen en mooie japonnen.ThansThans is ze gekeerd als een blad van een boom.’t Staat vast nu. Ik weet het empirisch.Z’ is lyrisch ontwaakt uit een lierloozen droom,Ze drijft op lyriek als een schuit op een stroom,Met moeite houdt Annie haar lierzucht in toom,„Hou me vast”, zegt ze, „of ik doe lyrisch!”Hoe is er mijn liefste dat licht opgegaan,Dat zij zingt van haar vreugden en smartenMet kwijnend gekweel? Dat zij dweept met de maan?Van waar deze ommekeer in haar bestaan...?Dat heeft het systeem (zie hiernevens) gedaan:Ik heb Anneke leeren biljarten.

VoorheenMijn Annie, dat beeldig bekoorlijke kind,De roos in de gaarde mijns levens,Die ’k jaren lang vurig en trouw heb bemind,Is zacht en gewillig, vergevensgezind,En, iets dat men zelden bij vrouwen meer vindt,Z’ is tamelijk degelijk tevens.Ze poedert en verft zich een beetje, da’s waar,Maar zoo, dat je ’t haast niet kunt merken;Ze draagt ook wat vulling (niet veel) in het haar,En eenige tandjes, niet meer dan een paar,Die zijn van den tandarts — volstrekt geen bezwaar!Dat kan slechts haar schoonheid versterken.Dus is ze naar geest en naar lichaam volmaakt?Neen. Aarzelend zeg ’k het, en schuchter,Haar ontbreekt — z’ is als ’t vuur dat wel smeult maar niet blaakt —Een gemoed, tot het lyrische leven ontwaakt,Ze is nog haast nooit eens in geestdrift geraakt,Ze is zoo prozaïsch, zóó nuchter!Ik tracht haar te leiden zooveel als ik kan,Ik heb al van alles verzonnen,Maar mooie natuur, daar geniet ze niet van,En kunst? „Jazzus”, zegt ze, „wat heb je d’r an?”Ze denkt, tot verdriet van haar lyrischen man,Slechts aan smullen en mooie japonnen.ThansThans is ze gekeerd als een blad van een boom.’t Staat vast nu. Ik weet het empirisch.Z’ is lyrisch ontwaakt uit een lierloozen droom,Ze drijft op lyriek als een schuit op een stroom,Met moeite houdt Annie haar lierzucht in toom,„Hou me vast”, zegt ze, „of ik doe lyrisch!”Hoe is er mijn liefste dat licht opgegaan,Dat zij zingt van haar vreugden en smartenMet kwijnend gekweel? Dat zij dweept met de maan?Van waar deze ommekeer in haar bestaan...?Dat heeft het systeem (zie hiernevens) gedaan:Ik heb Anneke leeren biljarten.

Voorheen

Mijn Annie, dat beeldig bekoorlijke kind,De roos in de gaarde mijns levens,Die ’k jaren lang vurig en trouw heb bemind,Is zacht en gewillig, vergevensgezind,En, iets dat men zelden bij vrouwen meer vindt,Z’ is tamelijk degelijk tevens.

Mijn Annie, dat beeldig bekoorlijke kind,

De roos in de gaarde mijns levens,

Die ’k jaren lang vurig en trouw heb bemind,

Is zacht en gewillig, vergevensgezind,

En, iets dat men zelden bij vrouwen meer vindt,

Z’ is tamelijk degelijk tevens.

Ze poedert en verft zich een beetje, da’s waar,Maar zoo, dat je ’t haast niet kunt merken;Ze draagt ook wat vulling (niet veel) in het haar,En eenige tandjes, niet meer dan een paar,Die zijn van den tandarts — volstrekt geen bezwaar!Dat kan slechts haar schoonheid versterken.

Ze poedert en verft zich een beetje, da’s waar,

Maar zoo, dat je ’t haast niet kunt merken;

Ze draagt ook wat vulling (niet veel) in het haar,

En eenige tandjes, niet meer dan een paar,

Die zijn van den tandarts — volstrekt geen bezwaar!

Dat kan slechts haar schoonheid versterken.

Dus is ze naar geest en naar lichaam volmaakt?Neen. Aarzelend zeg ’k het, en schuchter,Haar ontbreekt — z’ is als ’t vuur dat wel smeult maar niet blaakt —Een gemoed, tot het lyrische leven ontwaakt,Ze is nog haast nooit eens in geestdrift geraakt,Ze is zoo prozaïsch, zóó nuchter!

Dus is ze naar geest en naar lichaam volmaakt?

Neen. Aarzelend zeg ’k het, en schuchter,

Haar ontbreekt — z’ is als ’t vuur dat wel smeult maar niet blaakt —

Een gemoed, tot het lyrische leven ontwaakt,

Ze is nog haast nooit eens in geestdrift geraakt,

Ze is zoo prozaïsch, zóó nuchter!

Ik tracht haar te leiden zooveel als ik kan,Ik heb al van alles verzonnen,Maar mooie natuur, daar geniet ze niet van,En kunst? „Jazzus”, zegt ze, „wat heb je d’r an?”Ze denkt, tot verdriet van haar lyrischen man,Slechts aan smullen en mooie japonnen.

Ik tracht haar te leiden zooveel als ik kan,

Ik heb al van alles verzonnen,

Maar mooie natuur, daar geniet ze niet van,

En kunst? „Jazzus”, zegt ze, „wat heb je d’r an?”

Ze denkt, tot verdriet van haar lyrischen man,

Slechts aan smullen en mooie japonnen.

Thans

Thans is ze gekeerd als een blad van een boom.’t Staat vast nu. Ik weet het empirisch.Z’ is lyrisch ontwaakt uit een lierloozen droom,Ze drijft op lyriek als een schuit op een stroom,Met moeite houdt Annie haar lierzucht in toom,„Hou me vast”, zegt ze, „of ik doe lyrisch!”

Thans is ze gekeerd als een blad van een boom.

’t Staat vast nu. Ik weet het empirisch.

Z’ is lyrisch ontwaakt uit een lierloozen droom,

Ze drijft op lyriek als een schuit op een stroom,

Met moeite houdt Annie haar lierzucht in toom,

„Hou me vast”, zegt ze, „of ik doe lyrisch!”

Hoe is er mijn liefste dat licht opgegaan,Dat zij zingt van haar vreugden en smartenMet kwijnend gekweel? Dat zij dweept met de maan?Van waar deze ommekeer in haar bestaan...?Dat heeft het systeem (zie hiernevens) gedaan:Ik heb Anneke leeren biljarten.

Hoe is er mijn liefste dat licht opgegaan,

Dat zij zingt van haar vreugden en smarten

Met kwijnend gekweel? Dat zij dweept met de maan?

Van waar deze ommekeer in haar bestaan...?

Dat heeft het systeem (zie hiernevens) gedaan:

Ik heb Anneke leeren biljarten.

Onder dezen ironisch bedoelden titel citeert deN. R. C.Couperus, die in deH. P.een liefelijk beeld gaf van den bokser. Het citaat is een verwijt tot mij gericht: „Ik ben gewonnen. Het was ongeloofelijk. Het was heel bijzonder. Het was een fenomeen. Daar komt aan een fijne, gedistingeerde, jonge, blonde man, haar weggekamd naar achteren als de mode is. Hij draagt een grijs zijden kimono. Hij rilt in die kimono een beetje als een bedorven kind, en bromt: „Brrr! Brrrr! Froid! J’ai froid! Qu’il fait froid à Alger!” Dan slaat hij zijn kimono af en staat als een slank jong mensch van goede familie, die wel eens een beetje aan sport doet. Een aardige, fijne kop met telkens ontluikend lachje om witte tanden. De schouders wel vierkant en sterk maar geen zichtbare spier aan die fijne armen. Slanke beenen en enkels waar om een vrouwenarmband zou kunnen sluiten. En hij draagt een kleurig tricot en het driekleurig nationale kampioenslint om zijn middel. Even een boudeerend gezichtje over dat openluchtsche, koude stadion, enz.”Ik ben door deN. R. C.bekeerd. Ik heb nu een andere voorstelling van het boksen gekregen, en kan me niet weerhouden het type bokser aldus te bezingen:

Onder dezen ironisch bedoelden titel citeert deN. R. C.Couperus, die in deH. P.een liefelijk beeld gaf van den bokser. Het citaat is een verwijt tot mij gericht: „Ik ben gewonnen. Het was ongeloofelijk. Het was heel bijzonder. Het was een fenomeen. Daar komt aan een fijne, gedistingeerde, jonge, blonde man, haar weggekamd naar achteren als de mode is. Hij draagt een grijs zijden kimono. Hij rilt in die kimono een beetje als een bedorven kind, en bromt: „Brrr! Brrrr! Froid! J’ai froid! Qu’il fait froid à Alger!” Dan slaat hij zijn kimono af en staat als een slank jong mensch van goede familie, die wel eens een beetje aan sport doet. Een aardige, fijne kop met telkens ontluikend lachje om witte tanden. De schouders wel vierkant en sterk maar geen zichtbare spier aan die fijne armen. Slanke beenen en enkels waar om een vrouwenarmband zou kunnen sluiten. En hij draagt een kleurig tricot en het driekleurig nationale kampioenslint om zijn middel. Even een boudeerend gezichtje over dat openluchtsche, koude stadion, enz.”

Ik ben door deN. R. C.bekeerd. Ik heb nu een andere voorstelling van het boksen gekregen, en kan me niet weerhouden het type bokser aldus te bezingen:

(Wijze: „Klein, klein kleutertje,Wat doe je in mijn hof?”)

(Wijze: „Klein, klein kleutertje,Wat doe je in mijn hof?”)

(Wijze: „Klein, klein kleutertje,Wat doe je in mijn hof?”)

(Wijze: „Klein, klein kleutertje,

Wat doe je in mijn hof?”)

Beeldig boksertje,En heb je ’t dan zoo koud?Het is toch ook voor jou geen weer!Je bent zoo tenger en zoo teer,En zoo fragiel gebouwd.Snoezig boksertje,Wat zijn je armpjes fijn!Wat zijn je bloote beentjes slank,Je lokjes blond, je tandjes blank,Wat zijn je voetjes klein!Schattig boksertje,Mijn oogen vieren feest!Want je kimono is van zij,Je tricot kleurt er prachtig bij,En ’t lintje om je leest.Boutig boksertje,Wel word ik zwaar bezocht!Ach, dat de zede ’t niet verbood,En ’k van je lipjes rozenroodEen zoentje stelen mocht!Poetig boksertje,Waarom boudeer je nou?Stil maar. Ik heb wat meegebracht,Kijk hier: pralines, zalig zacht;Mondj’ open! Da’s voor jou!Zielig boksertje,Ik ril terwijl ik rijm,Want als je strakjes heel misschienEen enkel drupje bloed mocht zien,Dan val je vast in zwijm!Doddig boksertje,Mijn loflied loopt ten eind.Ziehier den zondaar dan bekeerd,Het boksen — ’k heb het nu geleerd —Verweeklijkt, en verfijnt.Honnig boksertje,Reik mij je poez’le hand;Ik heb je onrecht aangedaan,En mijn bekeering dank ik aan......De Rotterdammer krant!

Beeldig boksertje,En heb je ’t dan zoo koud?Het is toch ook voor jou geen weer!Je bent zoo tenger en zoo teer,En zoo fragiel gebouwd.Snoezig boksertje,Wat zijn je armpjes fijn!Wat zijn je bloote beentjes slank,Je lokjes blond, je tandjes blank,Wat zijn je voetjes klein!Schattig boksertje,Mijn oogen vieren feest!Want je kimono is van zij,Je tricot kleurt er prachtig bij,En ’t lintje om je leest.Boutig boksertje,Wel word ik zwaar bezocht!Ach, dat de zede ’t niet verbood,En ’k van je lipjes rozenroodEen zoentje stelen mocht!Poetig boksertje,Waarom boudeer je nou?Stil maar. Ik heb wat meegebracht,Kijk hier: pralines, zalig zacht;Mondj’ open! Da’s voor jou!Zielig boksertje,Ik ril terwijl ik rijm,Want als je strakjes heel misschienEen enkel drupje bloed mocht zien,Dan val je vast in zwijm!Doddig boksertje,Mijn loflied loopt ten eind.Ziehier den zondaar dan bekeerd,Het boksen — ’k heb het nu geleerd —Verweeklijkt, en verfijnt.Honnig boksertje,Reik mij je poez’le hand;Ik heb je onrecht aangedaan,En mijn bekeering dank ik aan......De Rotterdammer krant!

Beeldig boksertje,En heb je ’t dan zoo koud?Het is toch ook voor jou geen weer!Je bent zoo tenger en zoo teer,En zoo fragiel gebouwd.

Beeldig boksertje,

En heb je ’t dan zoo koud?

Het is toch ook voor jou geen weer!

Je bent zoo tenger en zoo teer,

En zoo fragiel gebouwd.

Snoezig boksertje,Wat zijn je armpjes fijn!Wat zijn je bloote beentjes slank,Je lokjes blond, je tandjes blank,Wat zijn je voetjes klein!

Snoezig boksertje,

Wat zijn je armpjes fijn!

Wat zijn je bloote beentjes slank,

Je lokjes blond, je tandjes blank,

Wat zijn je voetjes klein!

Schattig boksertje,Mijn oogen vieren feest!Want je kimono is van zij,Je tricot kleurt er prachtig bij,En ’t lintje om je leest.

Schattig boksertje,

Mijn oogen vieren feest!

Want je kimono is van zij,

Je tricot kleurt er prachtig bij,

En ’t lintje om je leest.

Boutig boksertje,Wel word ik zwaar bezocht!Ach, dat de zede ’t niet verbood,En ’k van je lipjes rozenroodEen zoentje stelen mocht!

Boutig boksertje,

Wel word ik zwaar bezocht!

Ach, dat de zede ’t niet verbood,

En ’k van je lipjes rozenrood

Een zoentje stelen mocht!

Poetig boksertje,Waarom boudeer je nou?Stil maar. Ik heb wat meegebracht,Kijk hier: pralines, zalig zacht;Mondj’ open! Da’s voor jou!

Poetig boksertje,

Waarom boudeer je nou?

Stil maar. Ik heb wat meegebracht,

Kijk hier: pralines, zalig zacht;

Mondj’ open! Da’s voor jou!

Zielig boksertje,Ik ril terwijl ik rijm,Want als je strakjes heel misschienEen enkel drupje bloed mocht zien,Dan val je vast in zwijm!

Zielig boksertje,

Ik ril terwijl ik rijm,

Want als je strakjes heel misschien

Een enkel drupje bloed mocht zien,

Dan val je vast in zwijm!

Doddig boksertje,Mijn loflied loopt ten eind.Ziehier den zondaar dan bekeerd,Het boksen — ’k heb het nu geleerd —Verweeklijkt, en verfijnt.

Doddig boksertje,

Mijn loflied loopt ten eind.

Ziehier den zondaar dan bekeerd,

Het boksen — ’k heb het nu geleerd —

Verweeklijkt, en verfijnt.

Honnig boksertje,Reik mij je poez’le hand;Ik heb je onrecht aangedaan,En mijn bekeering dank ik aan......De Rotterdammer krant!

Honnig boksertje,

Reik mij je poez’le hand;

Ik heb je onrecht aangedaan,

En mijn bekeering dank ik aan......

De Rotterdammer krant!

„Toen zong ik slechts uit lust; nu dwingt het lot daartoe;Want nood is bitter kruid: in noodtijd bulkt de koe.” —H. Poot Czn.

„Toen zong ik slechts uit lust; nu dwingt het lot daartoe;Want nood is bitter kruid: in noodtijd bulkt de koe.” —H. Poot Czn.

„Toen zong ik slechts uit lust; nu dwingt het lot daartoe;Want nood is bitter kruid: in noodtijd bulkt de koe.” —H. Poot Czn.

„Toen zong ik slechts uit lust; nu dwingt het lot daartoe;

Want nood is bitter kruid: in noodtijd bulkt de koe.” —H. Poot Czn.

„Een Ruize-Rijm van liefde, vet en olie.” Advertentie-vers voor de Olie-fabrieken-Calvé, Delft, door Charivarius. Zie debladen.„Dát niet!”Uitroep van afschuw.

„Een Ruize-Rijm van liefde, vet en olie.” Advertentie-vers voor de Olie-fabrieken-Calvé, Delft, door Charivarius. Zie debladen.

„Dát niet!”Uitroep van afschuw.

Ik rijmel voor reclame,Ik dicht voor wie maar dokt;’t Heeft menig heer en dameGeërgerd en geschokt:De ruize-ridder rolt van ’t ros, door grof gewin gelokt!Mijn grommen en mijn grapjesVerkoop ik à contant.Wanneer je met je flapjesMaar zwaait met vlotte hand;Ik juich, of jammer — wat je wilt — voor vorst en vaderland.’k Erken, ’t is allerdunst; maarWat is er aan te doen?En — ook zoo menig kunst’naarVergooit zoo zijn fatsoen,En teekent, tokkelt, bouwt en bikt door dik en dun — voor poen.Ook Poot zelfs liet zich lijmen— Hem dwong het lot daartoe —Om op bestel te rijmen,Precies als ik het doe;„Want nood is bitter kruid,” zegt Poot: „In noodtijd bulkt de koe.”En Röntgen volgt ons voorbeeld:Hij daalt naar ’t filmwerk af!Wanneer hij wordt veroordeeld,Is ’t zijn verdiende straf,Want Bach — ik ben d’r zeker van — die draait zich in zijn graf.Mijn vaerzen vlijen vloeiend,— Ten minste volgens mij —En beelden, boud en boeiendDie lever ik er bij;Ik meng ze door mijn Rijmen heen als boter door de brij.En dan d’ alliteratie!Zoo ook in dit gedicht:Let op, met hoeveel gratieDe letter-lijning ligt,Hoe zacht ze zoemt zoo’n zomerzang, als zucht van zeis en zicht.Wie dus fortuin wil maken,Bestelt bij mij een lied.’k Berijm haast alle zaken,Op velerlei gebied,Maar ’t menschenmoordend motor-tuig — Neen. Dat berijm ik niet.Overigens minzaam aanbevelend,CHARIVARIUS.

Ik rijmel voor reclame,Ik dicht voor wie maar dokt;’t Heeft menig heer en dameGeërgerd en geschokt:De ruize-ridder rolt van ’t ros, door grof gewin gelokt!Mijn grommen en mijn grapjesVerkoop ik à contant.Wanneer je met je flapjesMaar zwaait met vlotte hand;Ik juich, of jammer — wat je wilt — voor vorst en vaderland.’k Erken, ’t is allerdunst; maarWat is er aan te doen?En — ook zoo menig kunst’naarVergooit zoo zijn fatsoen,En teekent, tokkelt, bouwt en bikt door dik en dun — voor poen.Ook Poot zelfs liet zich lijmen— Hem dwong het lot daartoe —Om op bestel te rijmen,Precies als ik het doe;„Want nood is bitter kruid,” zegt Poot: „In noodtijd bulkt de koe.”En Röntgen volgt ons voorbeeld:Hij daalt naar ’t filmwerk af!Wanneer hij wordt veroordeeld,Is ’t zijn verdiende straf,Want Bach — ik ben d’r zeker van — die draait zich in zijn graf.Mijn vaerzen vlijen vloeiend,— Ten minste volgens mij —En beelden, boud en boeiendDie lever ik er bij;Ik meng ze door mijn Rijmen heen als boter door de brij.En dan d’ alliteratie!Zoo ook in dit gedicht:Let op, met hoeveel gratieDe letter-lijning ligt,Hoe zacht ze zoemt zoo’n zomerzang, als zucht van zeis en zicht.Wie dus fortuin wil maken,Bestelt bij mij een lied.’k Berijm haast alle zaken,Op velerlei gebied,Maar ’t menschenmoordend motor-tuig — Neen. Dat berijm ik niet.Overigens minzaam aanbevelend,CHARIVARIUS.

Ik rijmel voor reclame,Ik dicht voor wie maar dokt;’t Heeft menig heer en dameGeërgerd en geschokt:De ruize-ridder rolt van ’t ros, door grof gewin gelokt!

Ik rijmel voor reclame,

Ik dicht voor wie maar dokt;

’t Heeft menig heer en dame

Geërgerd en geschokt:

De ruize-ridder rolt van ’t ros, door grof gewin gelokt!

Mijn grommen en mijn grapjesVerkoop ik à contant.Wanneer je met je flapjesMaar zwaait met vlotte hand;Ik juich, of jammer — wat je wilt — voor vorst en vaderland.

Mijn grommen en mijn grapjes

Verkoop ik à contant.

Wanneer je met je flapjes

Maar zwaait met vlotte hand;

Ik juich, of jammer — wat je wilt — voor vorst en vaderland.

’k Erken, ’t is allerdunst; maarWat is er aan te doen?En — ook zoo menig kunst’naarVergooit zoo zijn fatsoen,En teekent, tokkelt, bouwt en bikt door dik en dun — voor poen.

’k Erken, ’t is allerdunst; maar

Wat is er aan te doen?

En — ook zoo menig kunst’naar

Vergooit zoo zijn fatsoen,

En teekent, tokkelt, bouwt en bikt door dik en dun — voor poen.

Ook Poot zelfs liet zich lijmen— Hem dwong het lot daartoe —Om op bestel te rijmen,Precies als ik het doe;„Want nood is bitter kruid,” zegt Poot: „In noodtijd bulkt de koe.”

Ook Poot zelfs liet zich lijmen

— Hem dwong het lot daartoe —

Om op bestel te rijmen,

Precies als ik het doe;

„Want nood is bitter kruid,” zegt Poot: „In noodtijd bulkt de koe.”

En Röntgen volgt ons voorbeeld:Hij daalt naar ’t filmwerk af!Wanneer hij wordt veroordeeld,Is ’t zijn verdiende straf,Want Bach — ik ben d’r zeker van — die draait zich in zijn graf.

En Röntgen volgt ons voorbeeld:

Hij daalt naar ’t filmwerk af!

Wanneer hij wordt veroordeeld,

Is ’t zijn verdiende straf,

Want Bach — ik ben d’r zeker van — die draait zich in zijn graf.

Mijn vaerzen vlijen vloeiend,— Ten minste volgens mij —En beelden, boud en boeiendDie lever ik er bij;Ik meng ze door mijn Rijmen heen als boter door de brij.

Mijn vaerzen vlijen vloeiend,

— Ten minste volgens mij —

En beelden, boud en boeiend

Die lever ik er bij;

Ik meng ze door mijn Rijmen heen als boter door de brij.

En dan d’ alliteratie!Zoo ook in dit gedicht:Let op, met hoeveel gratieDe letter-lijning ligt,Hoe zacht ze zoemt zoo’n zomerzang, als zucht van zeis en zicht.

En dan d’ alliteratie!

Zoo ook in dit gedicht:

Let op, met hoeveel gratie

De letter-lijning ligt,

Hoe zacht ze zoemt zoo’n zomerzang, als zucht van zeis en zicht.

Wie dus fortuin wil maken,Bestelt bij mij een lied.’k Berijm haast alle zaken,Op velerlei gebied,Maar ’t menschenmoordend motor-tuig — Neen. Dat berijm ik niet.

Wie dus fortuin wil maken,

Bestelt bij mij een lied.

’k Berijm haast alle zaken,

Op velerlei gebied,

Maar ’t menschenmoordend motor-tuig — Neen. Dat berijm ik niet.

Overigens minzaam aanbevelend,CHARIVARIUS.

Overigens minzaam aanbevelend,

CHARIVARIUS.

’t Is niet de krijg, die d’ aard verwoest,met ongekende kracht,Wijl ’t menschelijk geweten zwijgt,en rede wijk voor macht,’t Is niet het eindloos leed en kwaad,door d’ oorlogspest gesticht,Noch ’s werelds organisme doordes krijgsgod’s wig ontwricht,’t Is niet de leugen-lasterpers,die ’t menschdom voedt met haat,Noch Wolff en Reuter, die elkaarbevechten met den draad,’t Zijn niet fabrieken stopgezet,noch handel lamgekwakt,Noch bloeiende bedrijven diepin schuldenpoel verzakt,’t Is niet mobilisatie-wee,militie-plicht-ellend,Noch werkloosheid, noch achterstand,’t is niet faillissement,’t Is niet der bladen jammertaal,noch, Lijs! uw laffe geest,Noch ’t meisje op ’t verkeerde pad,noch d’ oudste zoon gesjeesd,’t Is niet — al is ’t ook voor den bravenbierbuik bar beroerd —Dat Pilsner Urquell’ niet geregeldmeer wordt ingevoerd,’t Is, jongling! niet de blauwe scheenniet, maagd! ’t gebroken hart,Noch ook, mevrouw! dienstboden-plaag,niet, knaap! examen-smart,’t Is niet ’t verlies van maag of vriend,noch van ons dierbaarst pand,Noch ’t donker dreigende gevaarvoor ’t vrije vaderland......Neen. ’t Is bij mijn gehoorig huis,met dunne een-steens-muur,Dat wicht, die duizendpoot, de trap-hitvan mijn naasten buur.— Gott strafe ’t kind! — dat mijtot wanhoop brengt en razernij,Dat als-maar-door van „Santfoort” blèrtvan „Santfoort bai de sei”!

’t Is niet de krijg, die d’ aard verwoest,met ongekende kracht,Wijl ’t menschelijk geweten zwijgt,en rede wijk voor macht,’t Is niet het eindloos leed en kwaad,door d’ oorlogspest gesticht,Noch ’s werelds organisme doordes krijgsgod’s wig ontwricht,’t Is niet de leugen-lasterpers,die ’t menschdom voedt met haat,Noch Wolff en Reuter, die elkaarbevechten met den draad,’t Zijn niet fabrieken stopgezet,noch handel lamgekwakt,Noch bloeiende bedrijven diepin schuldenpoel verzakt,’t Is niet mobilisatie-wee,militie-plicht-ellend,Noch werkloosheid, noch achterstand,’t is niet faillissement,’t Is niet der bladen jammertaal,noch, Lijs! uw laffe geest,Noch ’t meisje op ’t verkeerde pad,noch d’ oudste zoon gesjeesd,’t Is niet — al is ’t ook voor den bravenbierbuik bar beroerd —Dat Pilsner Urquell’ niet geregeldmeer wordt ingevoerd,’t Is, jongling! niet de blauwe scheenniet, maagd! ’t gebroken hart,Noch ook, mevrouw! dienstboden-plaag,niet, knaap! examen-smart,’t Is niet ’t verlies van maag of vriend,noch van ons dierbaarst pand,Noch ’t donker dreigende gevaarvoor ’t vrije vaderland......Neen. ’t Is bij mijn gehoorig huis,met dunne een-steens-muur,Dat wicht, die duizendpoot, de trap-hitvan mijn naasten buur.— Gott strafe ’t kind! — dat mijtot wanhoop brengt en razernij,Dat als-maar-door van „Santfoort” blèrtvan „Santfoort bai de sei”!

’t Is niet de krijg, die d’ aard verwoest,met ongekende kracht,Wijl ’t menschelijk geweten zwijgt,en rede wijk voor macht,’t Is niet het eindloos leed en kwaad,door d’ oorlogspest gesticht,Noch ’s werelds organisme doordes krijgsgod’s wig ontwricht,’t Is niet de leugen-lasterpers,die ’t menschdom voedt met haat,Noch Wolff en Reuter, die elkaarbevechten met den draad,’t Zijn niet fabrieken stopgezet,noch handel lamgekwakt,Noch bloeiende bedrijven diepin schuldenpoel verzakt,’t Is niet mobilisatie-wee,militie-plicht-ellend,Noch werkloosheid, noch achterstand,’t is niet faillissement,’t Is niet der bladen jammertaal,noch, Lijs! uw laffe geest,Noch ’t meisje op ’t verkeerde pad,noch d’ oudste zoon gesjeesd,’t Is niet — al is ’t ook voor den bravenbierbuik bar beroerd —Dat Pilsner Urquell’ niet geregeldmeer wordt ingevoerd,’t Is, jongling! niet de blauwe scheenniet, maagd! ’t gebroken hart,Noch ook, mevrouw! dienstboden-plaag,niet, knaap! examen-smart,’t Is niet ’t verlies van maag of vriend,noch van ons dierbaarst pand,Noch ’t donker dreigende gevaarvoor ’t vrije vaderland......Neen. ’t Is bij mijn gehoorig huis,met dunne een-steens-muur,Dat wicht, die duizendpoot, de trap-hitvan mijn naasten buur.— Gott strafe ’t kind! — dat mijtot wanhoop brengt en razernij,Dat als-maar-door van „Santfoort” blèrtvan „Santfoort bai de sei”!

’t Is niet de krijg, die d’ aard verwoest,

met ongekende kracht,

Wijl ’t menschelijk geweten zwijgt,

en rede wijk voor macht,

’t Is niet het eindloos leed en kwaad,

door d’ oorlogspest gesticht,

Noch ’s werelds organisme door

des krijgsgod’s wig ontwricht,

’t Is niet de leugen-lasterpers,

die ’t menschdom voedt met haat,

Noch Wolff en Reuter, die elkaar

bevechten met den draad,

’t Zijn niet fabrieken stopgezet,

noch handel lamgekwakt,

Noch bloeiende bedrijven diep

in schuldenpoel verzakt,

’t Is niet mobilisatie-wee,

militie-plicht-ellend,

Noch werkloosheid, noch achterstand,

’t is niet faillissement,

’t Is niet der bladen jammertaal,

noch, Lijs! uw laffe geest,

Noch ’t meisje op ’t verkeerde pad,

noch d’ oudste zoon gesjeesd,

’t Is niet — al is ’t ook voor den braven

bierbuik bar beroerd —

Dat Pilsner Urquell’ niet geregeld

meer wordt ingevoerd,

’t Is, jongling! niet de blauwe scheen

niet, maagd! ’t gebroken hart,

Noch ook, mevrouw! dienstboden-plaag,

niet, knaap! examen-smart,

’t Is niet ’t verlies van maag of vriend,

noch van ons dierbaarst pand,

Noch ’t donker dreigende gevaar

voor ’t vrije vaderland......

Neen. ’t Is bij mijn gehoorig huis,

met dunne een-steens-muur,

Dat wicht, die duizendpoot, de trap-hit

van mijn naasten buur.

— Gott strafe ’t kind! — dat mij

tot wanhoop brengt en razernij,

Dat als-maar-door van „Santfoort” blèrt

van „Santfoort bai de sei”!


Back to IndexNext