33. DE BLAREN EN DE BLADEN.

Wàt een aardig vrouwtje, hoor!Met een hoed met een pleureuse,Kwam mij vragen: Is U ’r vóór,Voor de Plaatselijke Keuze?„Wie niet van een borrel houdt”,Zei ik, „niet van wijn, chartreuse,Punch of whisky, warm of koud —Is voor Plaatselijke Keuze.Dwingen van de minderheidIs het; reuze-humbug, reuze — !Met ’n begrip van recht in strijd,Dàt is Plaatselijke Keuze.Braaf zijnzalje! is ’t parool,Dwingt ze om in te gaan! de leuze.Self-help is maar apenkool;Zweert bij Plaatselijke Keuze!’k Heb mijn vrijheid veel te lief,In mij stroomt het bloed der Geuze’;Dwang, dàt is mijn grootste griefTegen Plaatselijke Keuze.D’ aard van den gemeenteraad(’k Ben nog ’s even na gaan neuze’Hoe het in de grondwet staat),Duldt geen Plaatselijke Keuze.Daarbij moet U rekenen:Slechts savantes en bas bleus (zeDrinken nooit!)dieteekenenVoor de Plaatselijke Keuze.Aan de meid en aan de knecht,Aan de naaister, de coupeuseWorden lijsten voorgelegdVan de Plaatselijke Keuze......”

Wàt een aardig vrouwtje, hoor!Met een hoed met een pleureuse,Kwam mij vragen: Is U ’r vóór,Voor de Plaatselijke Keuze?„Wie niet van een borrel houdt”,Zei ik, „niet van wijn, chartreuse,Punch of whisky, warm of koud —Is voor Plaatselijke Keuze.Dwingen van de minderheidIs het; reuze-humbug, reuze — !Met ’n begrip van recht in strijd,Dàt is Plaatselijke Keuze.Braaf zijnzalje! is ’t parool,Dwingt ze om in te gaan! de leuze.Self-help is maar apenkool;Zweert bij Plaatselijke Keuze!’k Heb mijn vrijheid veel te lief,In mij stroomt het bloed der Geuze’;Dwang, dàt is mijn grootste griefTegen Plaatselijke Keuze.D’ aard van den gemeenteraad(’k Ben nog ’s even na gaan neuze’Hoe het in de grondwet staat),Duldt geen Plaatselijke Keuze.Daarbij moet U rekenen:Slechts savantes en bas bleus (zeDrinken nooit!)dieteekenenVoor de Plaatselijke Keuze.Aan de meid en aan de knecht,Aan de naaister, de coupeuseWorden lijsten voorgelegdVan de Plaatselijke Keuze......”

Wàt een aardig vrouwtje, hoor!Met een hoed met een pleureuse,Kwam mij vragen: Is U ’r vóór,Voor de Plaatselijke Keuze?

Wàt een aardig vrouwtje, hoor!

Met een hoed met een pleureuse,

Kwam mij vragen: Is U ’r vóór,

Voor de Plaatselijke Keuze?

„Wie niet van een borrel houdt”,Zei ik, „niet van wijn, chartreuse,Punch of whisky, warm of koud —Is voor Plaatselijke Keuze.

„Wie niet van een borrel houdt”,

Zei ik, „niet van wijn, chartreuse,

Punch of whisky, warm of koud —

Is voor Plaatselijke Keuze.

Dwingen van de minderheidIs het; reuze-humbug, reuze — !Met ’n begrip van recht in strijd,Dàt is Plaatselijke Keuze.

Dwingen van de minderheid

Is het; reuze-humbug, reuze — !

Met ’n begrip van recht in strijd,

Dàt is Plaatselijke Keuze.

Braaf zijnzalje! is ’t parool,Dwingt ze om in te gaan! de leuze.Self-help is maar apenkool;Zweert bij Plaatselijke Keuze!

Braaf zijnzalje! is ’t parool,

Dwingt ze om in te gaan! de leuze.

Self-help is maar apenkool;

Zweert bij Plaatselijke Keuze!

’k Heb mijn vrijheid veel te lief,In mij stroomt het bloed der Geuze’;Dwang, dàt is mijn grootste griefTegen Plaatselijke Keuze.

’k Heb mijn vrijheid veel te lief,

In mij stroomt het bloed der Geuze’;

Dwang, dàt is mijn grootste grief

Tegen Plaatselijke Keuze.

D’ aard van den gemeenteraad(’k Ben nog ’s even na gaan neuze’Hoe het in de grondwet staat),Duldt geen Plaatselijke Keuze.

D’ aard van den gemeenteraad

(’k Ben nog ’s even na gaan neuze’

Hoe het in de grondwet staat),

Duldt geen Plaatselijke Keuze.

Daarbij moet U rekenen:Slechts savantes en bas bleus (zeDrinken nooit!)dieteekenenVoor de Plaatselijke Keuze.

Daarbij moet U rekenen:

Slechts savantes en bas bleus (ze

Drinken nooit!)dieteekenen

Voor de Plaatselijke Keuze.

Aan de meid en aan de knecht,Aan de naaister, de coupeuseWorden lijsten voorgelegdVan de Plaatselijke Keuze......”

Aan de meid en aan de knecht,

Aan de naaister, de coupeuse

Worden lijsten voorgelegd

Van de Plaatselijke Keuze......”

’t Is alles zeer correct gezegd, en juist geredeneerd,’t Zal èn mensch èn jurist dan ook geheel voldoening schenken,Maar als je over al het droeve drankwee prakkiseert —Dan ga je toch van zelf wel weer eens even, even denken......

’t Is alles zeer correct gezegd, en juist geredeneerd,’t Zal èn mensch èn jurist dan ook geheel voldoening schenken,Maar als je over al het droeve drankwee prakkiseert —Dan ga je toch van zelf wel weer eens even, even denken......

’t Is alles zeer correct gezegd, en juist geredeneerd,’t Zal èn mensch èn jurist dan ook geheel voldoening schenken,Maar als je over al het droeve drankwee prakkiseert —Dan ga je toch van zelf wel weer eens even, even denken......

’t Is alles zeer correct gezegd, en juist geredeneerd,

’t Zal èn mensch èn jurist dan ook geheel voldoening schenken,

Maar als je over al het droeve drankwee prakkiseert —

Dan ga je toch van zelf wel weer eens even, even denken......

De bollen zijn weer uitgebloeid,De fijne blaadjes uitgegroeid,Een buitje heeft den grond besproeid,Weer botten knop en sprietje;De lieve lente is weer daar,Zoo volgen eeuwig, ieder jaarDe jaargetijden op elkaar —’t Is altijd ’t oude liedje.’t Is altijd weer dezelfde geur,Dezelfde vorm, dezelfde kleur,Natuur-zelf volgt den ouden sleurBij bloemen en bij planten......Zoo is ’t ook steeds dezelfde taal,Gedachtelooze woorden-praalVan beeldspraak, kreupel en banaal,In onze mooie kranten.Het eene blad „staat op de bres”,En dadelijk, een stuk of zes,Jaloersch van ’t litterair succes,Die nemen ’t termpje over.Oorspronkelijk zijn? Onnoodig is ’t,Dat heeft ’t publiek allang beslist,Neen, ben j’ ’n handig journalist,Dan steel je als een roover.Je bouwt maar na van „pal te staan,”Van ’t „scharen onder iemands vaan,”Van „ergens niet op in te gaan,”Van „wij staan in het teeken,”Van „’t spreekt boekdeelen,” „’t dierbaarst pand,”Of van „de Hoop van ’t vaderland,”Van „’t eer’saluut” en van „de handIn eigen boezem steken.”„Schouder aan schouder” trek je op,Zet „d’ argumenten op hun kop,”„Schuift in de schoenen,” „zet iets stop;”Ook moet je niet vergeten:„De heeren van de overzij,”Kom ook eens iemand „in ’t gevlij,”Noem „kopstukken van de partij,”Of gooi weer „roet in ’t eten.”Of doe zoowat met Kuyper mee,Spreek altijd van „de zwakke stee,”Zeg „niet alsof,” vervang gedwee„In plaats van” door „in stee van!”Zeg „ingeperkt,” en „metterdaad,”Zorg dat je niet van kiesrecht praat,„d’ Electorale questie” staatVeel mooier!...... ’k word er wee van!Zoo is het steeds dezelfde taal,Gedachtenlooze woorden-praalVan beeldspraak, kreupel en banaalIn onze mooie kranten......Ook is het steeds dezelfde geur,Dezelfde vorm, dezelfde kleur,Natuur-zelf volgt den ouden sleur,Bij bloemen en bij planten.Maar wat ik daarvan zeggen wilIs dit: het kardinaal verschilVerzwijg ik — die zoo graag bedil —Verzwijg ik, noch verheel ik.Der boomen groene zomertooi,In Holland, Gelderland of Gooi,Deblaren, blijven altijd mooi,Debladen— altijd leelijk!

De bollen zijn weer uitgebloeid,De fijne blaadjes uitgegroeid,Een buitje heeft den grond besproeid,Weer botten knop en sprietje;De lieve lente is weer daar,Zoo volgen eeuwig, ieder jaarDe jaargetijden op elkaar —’t Is altijd ’t oude liedje.’t Is altijd weer dezelfde geur,Dezelfde vorm, dezelfde kleur,Natuur-zelf volgt den ouden sleurBij bloemen en bij planten......Zoo is ’t ook steeds dezelfde taal,Gedachtelooze woorden-praalVan beeldspraak, kreupel en banaal,In onze mooie kranten.Het eene blad „staat op de bres”,En dadelijk, een stuk of zes,Jaloersch van ’t litterair succes,Die nemen ’t termpje over.Oorspronkelijk zijn? Onnoodig is ’t,Dat heeft ’t publiek allang beslist,Neen, ben j’ ’n handig journalist,Dan steel je als een roover.Je bouwt maar na van „pal te staan,”Van ’t „scharen onder iemands vaan,”Van „ergens niet op in te gaan,”Van „wij staan in het teeken,”Van „’t spreekt boekdeelen,” „’t dierbaarst pand,”Of van „de Hoop van ’t vaderland,”Van „’t eer’saluut” en van „de handIn eigen boezem steken.”„Schouder aan schouder” trek je op,Zet „d’ argumenten op hun kop,”„Schuift in de schoenen,” „zet iets stop;”Ook moet je niet vergeten:„De heeren van de overzij,”Kom ook eens iemand „in ’t gevlij,”Noem „kopstukken van de partij,”Of gooi weer „roet in ’t eten.”Of doe zoowat met Kuyper mee,Spreek altijd van „de zwakke stee,”Zeg „niet alsof,” vervang gedwee„In plaats van” door „in stee van!”Zeg „ingeperkt,” en „metterdaad,”Zorg dat je niet van kiesrecht praat,„d’ Electorale questie” staatVeel mooier!...... ’k word er wee van!Zoo is het steeds dezelfde taal,Gedachtenlooze woorden-praalVan beeldspraak, kreupel en banaalIn onze mooie kranten......Ook is het steeds dezelfde geur,Dezelfde vorm, dezelfde kleur,Natuur-zelf volgt den ouden sleur,Bij bloemen en bij planten.Maar wat ik daarvan zeggen wilIs dit: het kardinaal verschilVerzwijg ik — die zoo graag bedil —Verzwijg ik, noch verheel ik.Der boomen groene zomertooi,In Holland, Gelderland of Gooi,Deblaren, blijven altijd mooi,Debladen— altijd leelijk!

De bollen zijn weer uitgebloeid,De fijne blaadjes uitgegroeid,Een buitje heeft den grond besproeid,Weer botten knop en sprietje;De lieve lente is weer daar,Zoo volgen eeuwig, ieder jaarDe jaargetijden op elkaar —’t Is altijd ’t oude liedje.

De bollen zijn weer uitgebloeid,

De fijne blaadjes uitgegroeid,

Een buitje heeft den grond besproeid,

Weer botten knop en sprietje;

De lieve lente is weer daar,

Zoo volgen eeuwig, ieder jaar

De jaargetijden op elkaar —

’t Is altijd ’t oude liedje.

’t Is altijd weer dezelfde geur,Dezelfde vorm, dezelfde kleur,Natuur-zelf volgt den ouden sleurBij bloemen en bij planten......Zoo is ’t ook steeds dezelfde taal,Gedachtelooze woorden-praalVan beeldspraak, kreupel en banaal,In onze mooie kranten.

’t Is altijd weer dezelfde geur,

Dezelfde vorm, dezelfde kleur,

Natuur-zelf volgt den ouden sleur

Bij bloemen en bij planten......

Zoo is ’t ook steeds dezelfde taal,

Gedachtelooze woorden-praal

Van beeldspraak, kreupel en banaal,

In onze mooie kranten.

Het eene blad „staat op de bres”,En dadelijk, een stuk of zes,Jaloersch van ’t litterair succes,Die nemen ’t termpje over.Oorspronkelijk zijn? Onnoodig is ’t,Dat heeft ’t publiek allang beslist,Neen, ben j’ ’n handig journalist,Dan steel je als een roover.

Het eene blad „staat op de bres”,

En dadelijk, een stuk of zes,

Jaloersch van ’t litterair succes,

Die nemen ’t termpje over.

Oorspronkelijk zijn? Onnoodig is ’t,

Dat heeft ’t publiek allang beslist,

Neen, ben j’ ’n handig journalist,

Dan steel je als een roover.

Je bouwt maar na van „pal te staan,”Van ’t „scharen onder iemands vaan,”Van „ergens niet op in te gaan,”Van „wij staan in het teeken,”Van „’t spreekt boekdeelen,” „’t dierbaarst pand,”Of van „de Hoop van ’t vaderland,”Van „’t eer’saluut” en van „de handIn eigen boezem steken.”

Je bouwt maar na van „pal te staan,”

Van ’t „scharen onder iemands vaan,”

Van „ergens niet op in te gaan,”

Van „wij staan in het teeken,”

Van „’t spreekt boekdeelen,” „’t dierbaarst pand,”

Of van „de Hoop van ’t vaderland,”

Van „’t eer’saluut” en van „de hand

In eigen boezem steken.”

„Schouder aan schouder” trek je op,Zet „d’ argumenten op hun kop,”„Schuift in de schoenen,” „zet iets stop;”Ook moet je niet vergeten:„De heeren van de overzij,”Kom ook eens iemand „in ’t gevlij,”Noem „kopstukken van de partij,”Of gooi weer „roet in ’t eten.”

„Schouder aan schouder” trek je op,

Zet „d’ argumenten op hun kop,”

„Schuift in de schoenen,” „zet iets stop;”

Ook moet je niet vergeten:

„De heeren van de overzij,”

Kom ook eens iemand „in ’t gevlij,”

Noem „kopstukken van de partij,”

Of gooi weer „roet in ’t eten.”

Of doe zoowat met Kuyper mee,Spreek altijd van „de zwakke stee,”Zeg „niet alsof,” vervang gedwee„In plaats van” door „in stee van!”Zeg „ingeperkt,” en „metterdaad,”Zorg dat je niet van kiesrecht praat,„d’ Electorale questie” staatVeel mooier!...... ’k word er wee van!

Of doe zoowat met Kuyper mee,

Spreek altijd van „de zwakke stee,”

Zeg „niet alsof,” vervang gedwee

„In plaats van” door „in stee van!”

Zeg „ingeperkt,” en „metterdaad,”

Zorg dat je niet van kiesrecht praat,

„d’ Electorale questie” staat

Veel mooier!...... ’k word er wee van!

Zoo is het steeds dezelfde taal,Gedachtenlooze woorden-praalVan beeldspraak, kreupel en banaalIn onze mooie kranten......Ook is het steeds dezelfde geur,Dezelfde vorm, dezelfde kleur,Natuur-zelf volgt den ouden sleur,Bij bloemen en bij planten.

Zoo is het steeds dezelfde taal,

Gedachtenlooze woorden-praal

Van beeldspraak, kreupel en banaal

In onze mooie kranten......

Ook is het steeds dezelfde geur,

Dezelfde vorm, dezelfde kleur,

Natuur-zelf volgt den ouden sleur,

Bij bloemen en bij planten.

Maar wat ik daarvan zeggen wilIs dit: het kardinaal verschilVerzwijg ik — die zoo graag bedil —Verzwijg ik, noch verheel ik.Der boomen groene zomertooi,In Holland, Gelderland of Gooi,Deblaren, blijven altijd mooi,Debladen— altijd leelijk!

Maar wat ik daarvan zeggen wil

Is dit: het kardinaal verschil

Verzwijg ik — die zoo graag bedil —

Verzwijg ik, noch verheel ik.

Der boomen groene zomertooi,

In Holland, Gelderland of Gooi,

Deblaren, blijven altijd mooi,

Debladen— altijd leelijk!

De Nieuwe Rotterdamsche krantWeet ’t deftig deel van ’t vaderlandMet eerbied te vervullenDoor hare ach-tens-waar-dig-heid,En door haar eigenaardigheidOm zich met groote vaardigheidIn nevelen te hullen.Geen enkel mensch van vleesch en bloedSchrijft in dat blad. En ’t klinkt wel goed,Dat wil ik graag erkennen:„Men schrijft ons dit,” „Men seint ons dat,”En ’k heb geteld, in ’t city-bladDaar schrijven bij mekaar zoowatEen stuk of twintig Mennen!Ook werkt geregeld, naar men weet,’t Geslacht mee, datVan Zijde, heet,Geleerd, en toch bescheide’,„Wel-ingelicht,” of „Zeer-geacht,”En — ’t nieuwste, gisteren pas bedacht —(Pas op, hoor, dat j’ er niet om lacht!)„Niet-onbevoegde Zijde!!!”Maar de — courant is g’excuseerd,Een voorbeeld heeft het blad geleerd:Het voorbeeld der regeering!Want wat die laat of wat die doet,’t Zal wel verstandig zijn en goed,Maar ’t wordt zoo maargegist,vermoed......Die strekte ’t blad tot leering!Een nevelachtig persbureauDoet ons het nieuwste nieuws cadeauIn sfinxerige woorden.„Men,” „Zijde,” „Bron,” „Verluidt” of „Kant,”Orakeltaalt tot ’t Vaderland,Zoo onlangs weer, uit d’ eerste hand,We schrokken, toen we ’t hoorden.Er wordt gebrond, er wordt gemend,Door een verluidt, dien niemand kent,Die zelf niet voor den draad komt.Dan krijgen w’ eindelijk een bericht,Dat de gemoederen wat verlicht,Maar ’t kwaad is dan al lang gesticht,Omdat het veel te laat komt.Laat u verbidden in dit vers,O, Hooge Oomes! en o, Pers,Gij sluier-vage Dame!Spreekt niet „betrouwbaar,” „officieel,”Noch „officieus,” zeer, half, of heel,Spreekt klaar en vlug — ’k vraag niet te veel —En noemt uw bron, met name!Maar wacht eens even — ik erken:Ik zelf ben eiglijk ook een Men,En ’k hoop ’t nog lang te blijven!Dus, Nieuwe Rotterdammer krant,Wij zijn elkander nauw verwant,Zoo reik mij dan de broederhand —Ik zal niet boos meer schrijven.

De Nieuwe Rotterdamsche krantWeet ’t deftig deel van ’t vaderlandMet eerbied te vervullenDoor hare ach-tens-waar-dig-heid,En door haar eigenaardigheidOm zich met groote vaardigheidIn nevelen te hullen.Geen enkel mensch van vleesch en bloedSchrijft in dat blad. En ’t klinkt wel goed,Dat wil ik graag erkennen:„Men schrijft ons dit,” „Men seint ons dat,”En ’k heb geteld, in ’t city-bladDaar schrijven bij mekaar zoowatEen stuk of twintig Mennen!Ook werkt geregeld, naar men weet,’t Geslacht mee, datVan Zijde, heet,Geleerd, en toch bescheide’,„Wel-ingelicht,” of „Zeer-geacht,”En — ’t nieuwste, gisteren pas bedacht —(Pas op, hoor, dat j’ er niet om lacht!)„Niet-onbevoegde Zijde!!!”Maar de — courant is g’excuseerd,Een voorbeeld heeft het blad geleerd:Het voorbeeld der regeering!Want wat die laat of wat die doet,’t Zal wel verstandig zijn en goed,Maar ’t wordt zoo maargegist,vermoed......Die strekte ’t blad tot leering!Een nevelachtig persbureauDoet ons het nieuwste nieuws cadeauIn sfinxerige woorden.„Men,” „Zijde,” „Bron,” „Verluidt” of „Kant,”Orakeltaalt tot ’t Vaderland,Zoo onlangs weer, uit d’ eerste hand,We schrokken, toen we ’t hoorden.Er wordt gebrond, er wordt gemend,Door een verluidt, dien niemand kent,Die zelf niet voor den draad komt.Dan krijgen w’ eindelijk een bericht,Dat de gemoederen wat verlicht,Maar ’t kwaad is dan al lang gesticht,Omdat het veel te laat komt.Laat u verbidden in dit vers,O, Hooge Oomes! en o, Pers,Gij sluier-vage Dame!Spreekt niet „betrouwbaar,” „officieel,”Noch „officieus,” zeer, half, of heel,Spreekt klaar en vlug — ’k vraag niet te veel —En noemt uw bron, met name!Maar wacht eens even — ik erken:Ik zelf ben eiglijk ook een Men,En ’k hoop ’t nog lang te blijven!Dus, Nieuwe Rotterdammer krant,Wij zijn elkander nauw verwant,Zoo reik mij dan de broederhand —Ik zal niet boos meer schrijven.

De Nieuwe Rotterdamsche krantWeet ’t deftig deel van ’t vaderlandMet eerbied te vervullenDoor hare ach-tens-waar-dig-heid,En door haar eigenaardigheidOm zich met groote vaardigheidIn nevelen te hullen.

De Nieuwe Rotterdamsche krant

Weet ’t deftig deel van ’t vaderland

Met eerbied te vervullen

Door hare ach-tens-waar-dig-heid,

En door haar eigenaardigheid

Om zich met groote vaardigheid

In nevelen te hullen.

Geen enkel mensch van vleesch en bloedSchrijft in dat blad. En ’t klinkt wel goed,Dat wil ik graag erkennen:„Men schrijft ons dit,” „Men seint ons dat,”En ’k heb geteld, in ’t city-bladDaar schrijven bij mekaar zoowatEen stuk of twintig Mennen!

Geen enkel mensch van vleesch en bloed

Schrijft in dat blad. En ’t klinkt wel goed,

Dat wil ik graag erkennen:

„Men schrijft ons dit,” „Men seint ons dat,”

En ’k heb geteld, in ’t city-blad

Daar schrijven bij mekaar zoowat

Een stuk of twintig Mennen!

Ook werkt geregeld, naar men weet,’t Geslacht mee, datVan Zijde, heet,Geleerd, en toch bescheide’,„Wel-ingelicht,” of „Zeer-geacht,”En — ’t nieuwste, gisteren pas bedacht —(Pas op, hoor, dat j’ er niet om lacht!)„Niet-onbevoegde Zijde!!!”

Ook werkt geregeld, naar men weet,

’t Geslacht mee, datVan Zijde, heet,

Geleerd, en toch bescheide’,

„Wel-ingelicht,” of „Zeer-geacht,”

En — ’t nieuwste, gisteren pas bedacht —

(Pas op, hoor, dat j’ er niet om lacht!)

„Niet-onbevoegde Zijde!!!”

Maar de — courant is g’excuseerd,Een voorbeeld heeft het blad geleerd:Het voorbeeld der regeering!Want wat die laat of wat die doet,’t Zal wel verstandig zijn en goed,Maar ’t wordt zoo maargegist,vermoed......Die strekte ’t blad tot leering!

Maar de — courant is g’excuseerd,

Een voorbeeld heeft het blad geleerd:

Het voorbeeld der regeering!

Want wat die laat of wat die doet,

’t Zal wel verstandig zijn en goed,

Maar ’t wordt zoo maargegist,vermoed......

Die strekte ’t blad tot leering!

Een nevelachtig persbureauDoet ons het nieuwste nieuws cadeauIn sfinxerige woorden.„Men,” „Zijde,” „Bron,” „Verluidt” of „Kant,”Orakeltaalt tot ’t Vaderland,Zoo onlangs weer, uit d’ eerste hand,We schrokken, toen we ’t hoorden.

Een nevelachtig persbureau

Doet ons het nieuwste nieuws cadeau

In sfinxerige woorden.

„Men,” „Zijde,” „Bron,” „Verluidt” of „Kant,”

Orakeltaalt tot ’t Vaderland,

Zoo onlangs weer, uit d’ eerste hand,

We schrokken, toen we ’t hoorden.

Er wordt gebrond, er wordt gemend,Door een verluidt, dien niemand kent,Die zelf niet voor den draad komt.Dan krijgen w’ eindelijk een bericht,Dat de gemoederen wat verlicht,Maar ’t kwaad is dan al lang gesticht,Omdat het veel te laat komt.

Er wordt gebrond, er wordt gemend,

Door een verluidt, dien niemand kent,

Die zelf niet voor den draad komt.

Dan krijgen w’ eindelijk een bericht,

Dat de gemoederen wat verlicht,

Maar ’t kwaad is dan al lang gesticht,

Omdat het veel te laat komt.

Laat u verbidden in dit vers,O, Hooge Oomes! en o, Pers,Gij sluier-vage Dame!Spreekt niet „betrouwbaar,” „officieel,”Noch „officieus,” zeer, half, of heel,Spreekt klaar en vlug — ’k vraag niet te veel —En noemt uw bron, met name!

Laat u verbidden in dit vers,

O, Hooge Oomes! en o, Pers,

Gij sluier-vage Dame!

Spreekt niet „betrouwbaar,” „officieel,”

Noch „officieus,” zeer, half, of heel,

Spreekt klaar en vlug — ’k vraag niet te veel —

En noemt uw bron, met name!

Maar wacht eens even — ik erken:Ik zelf ben eiglijk ook een Men,En ’k hoop ’t nog lang te blijven!Dus, Nieuwe Rotterdammer krant,Wij zijn elkander nauw verwant,Zoo reik mij dan de broederhand —Ik zal niet boos meer schrijven.

Maar wacht eens even — ik erken:

Ik zelf ben eiglijk ook een Men,

En ’k hoop ’t nog lang te blijven!

Dus, Nieuwe Rotterdammer krant,

Wij zijn elkander nauw verwant,

Zoo reik mij dan de broederhand —

Ik zal niet boos meer schrijven.

Ik ben emeritus; gepensioneerd.Nu komt er maandlijks niet veel meer in ’t laadje;Ik heb me daarom maar geabonneerdOp ’t plaatselijke blaadje.Mijn groote kranten heb ik opgezegd,Ik lees nu ’t Staatsblad van mijn kleine Staatje;Het is ’n beetje laat, maar lang niet slecht,Mijn plaatselijke blaadje.’k Lees van een brand, een ongeluk in een put,„’t Gemengde Nieuws” — een soort huzarenslaatje —Het weer, de oogst, de lezing van het NutIn ’t plaatselijke blaadje.Waarom de boom gerooid is op de brink,Het voorstel tot verbreeding van een straatje,’t Vertrek van boot en trem — dat alles vin’kIn ’t plaatselijke blaadje.Ik grasduin zoo genoeglijk en zoo knusIn „Onze lachhoek,” ’t „Zondagmorgenpraatje,”In ’t „Buurtnieuws” en in „Onze Vragenbus”Van ’t plaatselijke blaadje.Er is nog meer — o, nog ’n hééle hoop:Een feuilleton uit ’t Duitsch, soms zelfs een plaatje,En de advertenties van de bioscoop,In ’t plaatselijke blaadje.Ook „Brieven uit de Hoofdstad,” en ’t verslag,Van beide Kamers en ons eigen Raadje,En nog een Levensdruppel iederen dagGeeft ’t plaatselijke blaadje.Ze krijgen ten bureele ’t nieuws goedkoop:Men tapt er dapper uit eens ander’s vaatje;En laat den tijdingstroom zijn vrijen loopNaar ’t plaatselijke blaadje.De schooljeugd, op het pleintje, houdt een race,Speelt krijgertje, verstoppertje of soldaatje;En ik zit stil voor ’t venster, en ik’ leesMijn plaatselijke blaadje.Ik voel niets meer van ’s levens angst en leed.Ja; alle hartstocht, iedere drift verlaat je,Wanneer je eens ’t genot te smaken weetVan ’t plaatselijke blaadje.En ’k hoop dat over mij — ben ’k weggekwijnd,Gezakt naar ’t einde van mijn levenspaadje —Een vriendelijk artikeltje verschijntIn ’t plaatselijke blaadje.Dan wordt mijn zielloos lichaam gecremeerd,En dan — zóó is mijn wensch (enfin dat raad je!)Dan brande mee in ’t vuur, dat mij verteertHet plaatselijke blaadje.

Ik ben emeritus; gepensioneerd.Nu komt er maandlijks niet veel meer in ’t laadje;Ik heb me daarom maar geabonneerdOp ’t plaatselijke blaadje.Mijn groote kranten heb ik opgezegd,Ik lees nu ’t Staatsblad van mijn kleine Staatje;Het is ’n beetje laat, maar lang niet slecht,Mijn plaatselijke blaadje.’k Lees van een brand, een ongeluk in een put,„’t Gemengde Nieuws” — een soort huzarenslaatje —Het weer, de oogst, de lezing van het NutIn ’t plaatselijke blaadje.Waarom de boom gerooid is op de brink,Het voorstel tot verbreeding van een straatje,’t Vertrek van boot en trem — dat alles vin’kIn ’t plaatselijke blaadje.Ik grasduin zoo genoeglijk en zoo knusIn „Onze lachhoek,” ’t „Zondagmorgenpraatje,”In ’t „Buurtnieuws” en in „Onze Vragenbus”Van ’t plaatselijke blaadje.Er is nog meer — o, nog ’n hééle hoop:Een feuilleton uit ’t Duitsch, soms zelfs een plaatje,En de advertenties van de bioscoop,In ’t plaatselijke blaadje.Ook „Brieven uit de Hoofdstad,” en ’t verslag,Van beide Kamers en ons eigen Raadje,En nog een Levensdruppel iederen dagGeeft ’t plaatselijke blaadje.Ze krijgen ten bureele ’t nieuws goedkoop:Men tapt er dapper uit eens ander’s vaatje;En laat den tijdingstroom zijn vrijen loopNaar ’t plaatselijke blaadje.De schooljeugd, op het pleintje, houdt een race,Speelt krijgertje, verstoppertje of soldaatje;En ik zit stil voor ’t venster, en ik’ leesMijn plaatselijke blaadje.Ik voel niets meer van ’s levens angst en leed.Ja; alle hartstocht, iedere drift verlaat je,Wanneer je eens ’t genot te smaken weetVan ’t plaatselijke blaadje.En ’k hoop dat over mij — ben ’k weggekwijnd,Gezakt naar ’t einde van mijn levenspaadje —Een vriendelijk artikeltje verschijntIn ’t plaatselijke blaadje.Dan wordt mijn zielloos lichaam gecremeerd,En dan — zóó is mijn wensch (enfin dat raad je!)Dan brande mee in ’t vuur, dat mij verteertHet plaatselijke blaadje.

Ik ben emeritus; gepensioneerd.Nu komt er maandlijks niet veel meer in ’t laadje;Ik heb me daarom maar geabonneerdOp ’t plaatselijke blaadje.

Ik ben emeritus; gepensioneerd.

Nu komt er maandlijks niet veel meer in ’t laadje;

Ik heb me daarom maar geabonneerd

Op ’t plaatselijke blaadje.

Mijn groote kranten heb ik opgezegd,Ik lees nu ’t Staatsblad van mijn kleine Staatje;Het is ’n beetje laat, maar lang niet slecht,Mijn plaatselijke blaadje.

Mijn groote kranten heb ik opgezegd,

Ik lees nu ’t Staatsblad van mijn kleine Staatje;

Het is ’n beetje laat, maar lang niet slecht,

Mijn plaatselijke blaadje.

’k Lees van een brand, een ongeluk in een put,„’t Gemengde Nieuws” — een soort huzarenslaatje —Het weer, de oogst, de lezing van het NutIn ’t plaatselijke blaadje.

’k Lees van een brand, een ongeluk in een put,

„’t Gemengde Nieuws” — een soort huzarenslaatje —

Het weer, de oogst, de lezing van het Nut

In ’t plaatselijke blaadje.

Waarom de boom gerooid is op de brink,Het voorstel tot verbreeding van een straatje,’t Vertrek van boot en trem — dat alles vin’kIn ’t plaatselijke blaadje.

Waarom de boom gerooid is op de brink,

Het voorstel tot verbreeding van een straatje,

’t Vertrek van boot en trem — dat alles vin’k

In ’t plaatselijke blaadje.

Ik grasduin zoo genoeglijk en zoo knusIn „Onze lachhoek,” ’t „Zondagmorgenpraatje,”In ’t „Buurtnieuws” en in „Onze Vragenbus”Van ’t plaatselijke blaadje.

Ik grasduin zoo genoeglijk en zoo knus

In „Onze lachhoek,” ’t „Zondagmorgenpraatje,”

In ’t „Buurtnieuws” en in „Onze Vragenbus”

Van ’t plaatselijke blaadje.

Er is nog meer — o, nog ’n hééle hoop:Een feuilleton uit ’t Duitsch, soms zelfs een plaatje,En de advertenties van de bioscoop,In ’t plaatselijke blaadje.

Er is nog meer — o, nog ’n hééle hoop:

Een feuilleton uit ’t Duitsch, soms zelfs een plaatje,

En de advertenties van de bioscoop,

In ’t plaatselijke blaadje.

Ook „Brieven uit de Hoofdstad,” en ’t verslag,Van beide Kamers en ons eigen Raadje,En nog een Levensdruppel iederen dagGeeft ’t plaatselijke blaadje.

Ook „Brieven uit de Hoofdstad,” en ’t verslag,

Van beide Kamers en ons eigen Raadje,

En nog een Levensdruppel iederen dag

Geeft ’t plaatselijke blaadje.

Ze krijgen ten bureele ’t nieuws goedkoop:Men tapt er dapper uit eens ander’s vaatje;En laat den tijdingstroom zijn vrijen loopNaar ’t plaatselijke blaadje.

Ze krijgen ten bureele ’t nieuws goedkoop:

Men tapt er dapper uit eens ander’s vaatje;

En laat den tijdingstroom zijn vrijen loop

Naar ’t plaatselijke blaadje.

De schooljeugd, op het pleintje, houdt een race,Speelt krijgertje, verstoppertje of soldaatje;En ik zit stil voor ’t venster, en ik’ leesMijn plaatselijke blaadje.

De schooljeugd, op het pleintje, houdt een race,

Speelt krijgertje, verstoppertje of soldaatje;

En ik zit stil voor ’t venster, en ik’ lees

Mijn plaatselijke blaadje.

Ik voel niets meer van ’s levens angst en leed.Ja; alle hartstocht, iedere drift verlaat je,Wanneer je eens ’t genot te smaken weetVan ’t plaatselijke blaadje.

Ik voel niets meer van ’s levens angst en leed.

Ja; alle hartstocht, iedere drift verlaat je,

Wanneer je eens ’t genot te smaken weet

Van ’t plaatselijke blaadje.

En ’k hoop dat over mij — ben ’k weggekwijnd,Gezakt naar ’t einde van mijn levenspaadje —Een vriendelijk artikeltje verschijntIn ’t plaatselijke blaadje.

En ’k hoop dat over mij — ben ’k weggekwijnd,

Gezakt naar ’t einde van mijn levenspaadje —

Een vriendelijk artikeltje verschijnt

In ’t plaatselijke blaadje.

Dan wordt mijn zielloos lichaam gecremeerd,En dan — zóó is mijn wensch (enfin dat raad je!)Dan brande mee in ’t vuur, dat mij verteertHet plaatselijke blaadje.

Dan wordt mijn zielloos lichaam gecremeerd,

En dan — zóó is mijn wensch (enfin dat raad je!)

Dan brande mee in ’t vuur, dat mij verteert

Het plaatselijke blaadje.

Het Volk meldt, dat de sociaal-democratische Kamerfractie dezer dagen het 25-jarige jubileum van Mr. P. J. Troelstra heeft gevierd. De heeren Schaper en Sannes spraken Troelstra toe, wien namens de fractie een gouden zegelring werd aangeboden.

Het Volk meldt, dat de sociaal-democratische Kamerfractie dezer dagen het 25-jarige jubileum van Mr. P. J. Troelstra heeft gevierd. De heeren Schaper en Sannes spraken Troelstra toe, wien namens de fractie een gouden zegelring werd aangeboden.

Wijze: „Wien Neêrlandsch bloed.”

Het kenmerk van den gentleman,Getrouwd of ongetrouwd,Is — daar herken je ’m dalijk an —Een zegelring van goud.En dan niet met zoo’n gladde steen,Die ’t doel van ’t ding verbloemt,Zoo’n ring, welks drager algemeen„Lord Gladstone” wordt genoemd.Ik twijfel er in ’t minst niet aan:Op Troelstra’s feest-cadeauZal ’t fier familie-wapen staan,Patricisch,comme il faut.En ’k wed dat hij nog, naderhand,Als rust zijn werk beloont,Verheven in den adelstand,OpTroelstra-Statetroont.De proletariërs-armée,Die zoocommunbegon,Die wordt nu ook van lieverleêGeschikt voor den salon.Ze reizen eerste, eten goed,En knippen d’r coupons,Gedrenkt in ’s werkmans zweet en bloed —’t Gaat net zooals bij ons.Maar gaat dan ook niet zoo te keer,Wanneer het iemand geldt,Die zich te kleeden pleegt als heer,En prijs op weelde stelt.Dus voortaan niet zoo heftig zijn!Voyons! mes chers amis,Nu jullie net zoo deftig zijnAls wij, de boerzwazie.’k Wou, dat die kleine zegelringU deze wijsheid bracht:Als alles naar den regel ging,Dien gij den juisten acht,Dus als de Lichtstad werd gebouwd,En ingericht door u,Dan bleef de wereld, welbeschouwd,Precies zoo mal als nu.

Het kenmerk van den gentleman,Getrouwd of ongetrouwd,Is — daar herken je ’m dalijk an —Een zegelring van goud.En dan niet met zoo’n gladde steen,Die ’t doel van ’t ding verbloemt,Zoo’n ring, welks drager algemeen„Lord Gladstone” wordt genoemd.Ik twijfel er in ’t minst niet aan:Op Troelstra’s feest-cadeauZal ’t fier familie-wapen staan,Patricisch,comme il faut.En ’k wed dat hij nog, naderhand,Als rust zijn werk beloont,Verheven in den adelstand,OpTroelstra-Statetroont.De proletariërs-armée,Die zoocommunbegon,Die wordt nu ook van lieverleêGeschikt voor den salon.Ze reizen eerste, eten goed,En knippen d’r coupons,Gedrenkt in ’s werkmans zweet en bloed —’t Gaat net zooals bij ons.Maar gaat dan ook niet zoo te keer,Wanneer het iemand geldt,Die zich te kleeden pleegt als heer,En prijs op weelde stelt.Dus voortaan niet zoo heftig zijn!Voyons! mes chers amis,Nu jullie net zoo deftig zijnAls wij, de boerzwazie.’k Wou, dat die kleine zegelringU deze wijsheid bracht:Als alles naar den regel ging,Dien gij den juisten acht,Dus als de Lichtstad werd gebouwd,En ingericht door u,Dan bleef de wereld, welbeschouwd,Precies zoo mal als nu.

Het kenmerk van den gentleman,Getrouwd of ongetrouwd,Is — daar herken je ’m dalijk an —Een zegelring van goud.En dan niet met zoo’n gladde steen,Die ’t doel van ’t ding verbloemt,Zoo’n ring, welks drager algemeen„Lord Gladstone” wordt genoemd.

Het kenmerk van den gentleman,

Getrouwd of ongetrouwd,

Is — daar herken je ’m dalijk an —

Een zegelring van goud.

En dan niet met zoo’n gladde steen,

Die ’t doel van ’t ding verbloemt,

Zoo’n ring, welks drager algemeen

„Lord Gladstone” wordt genoemd.

Ik twijfel er in ’t minst niet aan:Op Troelstra’s feest-cadeauZal ’t fier familie-wapen staan,Patricisch,comme il faut.En ’k wed dat hij nog, naderhand,Als rust zijn werk beloont,Verheven in den adelstand,OpTroelstra-Statetroont.

Ik twijfel er in ’t minst niet aan:

Op Troelstra’s feest-cadeau

Zal ’t fier familie-wapen staan,

Patricisch,comme il faut.

En ’k wed dat hij nog, naderhand,

Als rust zijn werk beloont,

Verheven in den adelstand,

OpTroelstra-Statetroont.

De proletariërs-armée,Die zoocommunbegon,Die wordt nu ook van lieverleêGeschikt voor den salon.Ze reizen eerste, eten goed,En knippen d’r coupons,Gedrenkt in ’s werkmans zweet en bloed —’t Gaat net zooals bij ons.

De proletariërs-armée,

Die zoocommunbegon,

Die wordt nu ook van lieverleê

Geschikt voor den salon.

Ze reizen eerste, eten goed,

En knippen d’r coupons,

Gedrenkt in ’s werkmans zweet en bloed —

’t Gaat net zooals bij ons.

Maar gaat dan ook niet zoo te keer,Wanneer het iemand geldt,Die zich te kleeden pleegt als heer,En prijs op weelde stelt.Dus voortaan niet zoo heftig zijn!Voyons! mes chers amis,Nu jullie net zoo deftig zijnAls wij, de boerzwazie.

Maar gaat dan ook niet zoo te keer,

Wanneer het iemand geldt,

Die zich te kleeden pleegt als heer,

En prijs op weelde stelt.

Dus voortaan niet zoo heftig zijn!

Voyons! mes chers amis,

Nu jullie net zoo deftig zijn

Als wij, de boerzwazie.

’k Wou, dat die kleine zegelringU deze wijsheid bracht:Als alles naar den regel ging,Dien gij den juisten acht,Dus als de Lichtstad werd gebouwd,En ingericht door u,Dan bleef de wereld, welbeschouwd,Precies zoo mal als nu.

’k Wou, dat die kleine zegelring

U deze wijsheid bracht:

Als alles naar den regel ging,

Dien gij den juisten acht,

Dus als de Lichtstad werd gebouwd,

En ingericht door u,

Dan bleef de wereld, welbeschouwd,

Precies zoo mal als nu.

Lastige KlaasjeVader, wat beteekent „Kerstmis?”De VaderZoon, dat is een Christlijk feest,Feest van Vreugd, dat Jezus ChristusOp onze aarde is geweest.Lastige KlaasjeWaarom is dat dan zoo prettig?De VaderVóór Hem was het menschdom slecht;Hij heeft ons den weg gewezenNaar de Waarheid en het Recht.Lastige KlaasjeWaren eerst de menschen stouter?De VaderJa. Toen heerschte ’t heidendom:Zelfzucht, onrecht, wreedheid, oorlog,Leugen en bedrog, alom.Lastige KlaasjeZijn ze dalijk zoet geworden?De VaderNeen, zoo iets gaat langzaam aan......Hm!...... zoowat ’n...... twintig eeuwenHebben z’ over ’t werk gedaan.Lastige KlaasjeVader, zijn we nou dus beter?De VaderZeker, jongen, zijn we dat,Want de Christelijke GodsdienstHoudt ons op het rechte pad.Lastige KlaasjeMot dus Klaasje ook heel blij zijn?De VaderJa, God lovend, dag en nacht,Voor de rijke zegeningen,Die het Christendom ons bracht.Lastige KlaasjePa, als Jezus niet bestaan had......?De VaderDan waar’ w’ allemaal minder...... net......Minder...... hypocriet...... ’k verspreek me......Nou moet Klaasje naar zijn bed.

Lastige KlaasjeVader, wat beteekent „Kerstmis?”De VaderZoon, dat is een Christlijk feest,Feest van Vreugd, dat Jezus ChristusOp onze aarde is geweest.Lastige KlaasjeWaarom is dat dan zoo prettig?De VaderVóór Hem was het menschdom slecht;Hij heeft ons den weg gewezenNaar de Waarheid en het Recht.Lastige KlaasjeWaren eerst de menschen stouter?De VaderJa. Toen heerschte ’t heidendom:Zelfzucht, onrecht, wreedheid, oorlog,Leugen en bedrog, alom.Lastige KlaasjeZijn ze dalijk zoet geworden?De VaderNeen, zoo iets gaat langzaam aan......Hm!...... zoowat ’n...... twintig eeuwenHebben z’ over ’t werk gedaan.Lastige KlaasjeVader, zijn we nou dus beter?De VaderZeker, jongen, zijn we dat,Want de Christelijke GodsdienstHoudt ons op het rechte pad.Lastige KlaasjeMot dus Klaasje ook heel blij zijn?De VaderJa, God lovend, dag en nacht,Voor de rijke zegeningen,Die het Christendom ons bracht.Lastige KlaasjePa, als Jezus niet bestaan had......?De VaderDan waar’ w’ allemaal minder...... net......Minder...... hypocriet...... ’k verspreek me......Nou moet Klaasje naar zijn bed.

Lastige KlaasjeVader, wat beteekent „Kerstmis?”

Lastige Klaasje

Vader, wat beteekent „Kerstmis?”

De VaderZoon, dat is een Christlijk feest,Feest van Vreugd, dat Jezus ChristusOp onze aarde is geweest.

De Vader

Zoon, dat is een Christlijk feest,

Feest van Vreugd, dat Jezus Christus

Op onze aarde is geweest.

Lastige KlaasjeWaarom is dat dan zoo prettig?

Lastige Klaasje

Waarom is dat dan zoo prettig?

De VaderVóór Hem was het menschdom slecht;Hij heeft ons den weg gewezenNaar de Waarheid en het Recht.

De Vader

Vóór Hem was het menschdom slecht;

Hij heeft ons den weg gewezen

Naar de Waarheid en het Recht.

Lastige KlaasjeWaren eerst de menschen stouter?

Lastige Klaasje

Waren eerst de menschen stouter?

De VaderJa. Toen heerschte ’t heidendom:Zelfzucht, onrecht, wreedheid, oorlog,Leugen en bedrog, alom.

De Vader

Ja. Toen heerschte ’t heidendom:

Zelfzucht, onrecht, wreedheid, oorlog,

Leugen en bedrog, alom.

Lastige KlaasjeZijn ze dalijk zoet geworden?

Lastige Klaasje

Zijn ze dalijk zoet geworden?

De VaderNeen, zoo iets gaat langzaam aan......Hm!...... zoowat ’n...... twintig eeuwenHebben z’ over ’t werk gedaan.

De Vader

Neen, zoo iets gaat langzaam aan......

Hm!...... zoowat ’n...... twintig eeuwen

Hebben z’ over ’t werk gedaan.

Lastige KlaasjeVader, zijn we nou dus beter?

Lastige Klaasje

Vader, zijn we nou dus beter?

De VaderZeker, jongen, zijn we dat,Want de Christelijke GodsdienstHoudt ons op het rechte pad.

De Vader

Zeker, jongen, zijn we dat,

Want de Christelijke Godsdienst

Houdt ons op het rechte pad.

Lastige KlaasjeMot dus Klaasje ook heel blij zijn?

Lastige Klaasje

Mot dus Klaasje ook heel blij zijn?

De VaderJa, God lovend, dag en nacht,Voor de rijke zegeningen,Die het Christendom ons bracht.

De Vader

Ja, God lovend, dag en nacht,

Voor de rijke zegeningen,

Die het Christendom ons bracht.

Lastige KlaasjePa, als Jezus niet bestaan had......?

Lastige Klaasje

Pa, als Jezus niet bestaan had......?

De VaderDan waar’ w’ allemaal minder...... net......Minder...... hypocriet...... ’k verspreek me......Nou moet Klaasje naar zijn bed.

De Vader

Dan waar’ w’ allemaal minder...... net......

Minder...... hypocriet...... ’k verspreek me......

Nou moet Klaasje naar zijn bed.

Opwekkend woord aan een knaap, die door zijn eindexamen is.

Opwekkend woord aan een knaap, die door zijn eindexamen is.

Hartelijk geluk, mijn jongen!’t eindexamen is voorbij!En zoo treed je vol verwachtingin de bonte maatschappij.Nu geef ik j’ in deze reegleneen kwartiertje „Levensles,”Volg mijn raad — dit Vademecumvoert u verder naar ’t succes.Zorg de menschen nooit te hindren,zachtheid leer je nooit te vroeg,Want er is, geloof me, jongen,heusch al narigheid genoeg.Zeg geen mensch ooit cru de waarheid,ook al heeft hij het verdiend;Als ie ’r eens ’n keer niet bij is,ku’ j’ t’ eens „hebben over” ’n vriend.Dan begin je zóó b.v.:„’t Is ’n héél geschikte vent,Maar......” en dan ku’ j’alleszeggen,zonder dat j’ onhartlijk bent.Schrijf wat ieder graag wil lezen,zeg wat ieder hooren wil;Als je ’t harte dringt tot spreken,wees dan wijs, en houd je stil.Kom je op een ministerie,in het leger, op ’t kantoor,Wees beminnelijk voor je meerdren,daar zijn ze je meerdren voor.Tapt de kapitein een mopje,ook al hoorde je t’ al meer,Zet dan een gezicht als was hetvoor de allereerste keer.Is ’t niet aardig, — en je weet nietwaar je eiglijk lachen moet,Dan begin je maar te schaatrenals je ziet dat ’n ander ’t doet.Ga je in den handel, wees daneerlijk; dat ’s, zooals je weet,Wat in ’t algemeen gesprokenin den handel eerlijk heet.God krijgt nu weer wat te zeggen,ook op politiek gebied;Doe dus wat aan Godsdienst (Zondags —door de week dan hoeft het niet).Zorg ook dat je met „vooruitgang”en „sociale nooden” schwärmt,Maar je stemt (doe ’t maar wat stiekum)wie je duiten ’t best beschermt.Scheld geweldig op de Joden;dat strijdt niet met je fatsoen;Doe ze na, of zoo — dat ku’ j’ inieder net gezelschap doen.Hoor je van ’n louche zaakje,zeg dan — dat klinkt altijd goed —Dat je vindt „dat ieder zoo ietsvoor zichzelf maar weten moet.”Heb je geld, wees dan liefdadig,dat maakt j’ algemeen bemind;Maar geef nimmer zooveel, dat je ’rzelf den last van ondervindt.Laat je kiezen in bestuurtjesop ’t gebied van Kunst of Staat;Veel hoef j’ er niet van te weten,als j’ er maar wat veel van praat.De gemeenplaats moet je eeren,streef niet naar oorspronkelijkheid;In je termen, in je beeldspraak,volg de mode van je tijd.Volg angstvalligiedremode,imiteer de „upper ten,”Doe wat „men doet,” zeg wat „men zegt,”buig het hoofd voor Koning MEN.Wor je humorist, bedenk dan,dat je duidlijk, „dik” moet zijn;Geef de menschen niet te denken,werk is werk, en gijn is gijn.Eer — met vrouwlief — reine zeden,spot thuis nooit met overspel,Breng haar, als ze er ’s om wil lachen,naar den schouwburg; daar mag ’t wèl.Wees niet maklijk in je oordeel,doe gerust wat aan kritiek,Als je maar bij ’t kritiseerende kritiek volgt van ’t publiek.Doe niet wat je zelf het best vindt,daarin schuilt een groot gevaar;Wat demenschenzullen zeggen,richt je daar uitsluitend naar.Wees een man van ’t juiste midden,dan wor j’ algemeen geacht,Menschen van karakter, jongen,hebben ’t nooit heel ver gebracht......Zie, hier heb j’ ’n handvol lessen,leer ze en breng ze in praktijk,Eenmaal zal je — vrees ik — zeggen:Charivarius had gelijk.

Hartelijk geluk, mijn jongen!’t eindexamen is voorbij!En zoo treed je vol verwachtingin de bonte maatschappij.Nu geef ik j’ in deze reegleneen kwartiertje „Levensles,”Volg mijn raad — dit Vademecumvoert u verder naar ’t succes.Zorg de menschen nooit te hindren,zachtheid leer je nooit te vroeg,Want er is, geloof me, jongen,heusch al narigheid genoeg.Zeg geen mensch ooit cru de waarheid,ook al heeft hij het verdiend;Als ie ’r eens ’n keer niet bij is,ku’ j’ t’ eens „hebben over” ’n vriend.Dan begin je zóó b.v.:„’t Is ’n héél geschikte vent,Maar......” en dan ku’ j’alleszeggen,zonder dat j’ onhartlijk bent.Schrijf wat ieder graag wil lezen,zeg wat ieder hooren wil;Als je ’t harte dringt tot spreken,wees dan wijs, en houd je stil.Kom je op een ministerie,in het leger, op ’t kantoor,Wees beminnelijk voor je meerdren,daar zijn ze je meerdren voor.Tapt de kapitein een mopje,ook al hoorde je t’ al meer,Zet dan een gezicht als was hetvoor de allereerste keer.Is ’t niet aardig, — en je weet nietwaar je eiglijk lachen moet,Dan begin je maar te schaatrenals je ziet dat ’n ander ’t doet.Ga je in den handel, wees daneerlijk; dat ’s, zooals je weet,Wat in ’t algemeen gesprokenin den handel eerlijk heet.God krijgt nu weer wat te zeggen,ook op politiek gebied;Doe dus wat aan Godsdienst (Zondags —door de week dan hoeft het niet).Zorg ook dat je met „vooruitgang”en „sociale nooden” schwärmt,Maar je stemt (doe ’t maar wat stiekum)wie je duiten ’t best beschermt.Scheld geweldig op de Joden;dat strijdt niet met je fatsoen;Doe ze na, of zoo — dat ku’ j’ inieder net gezelschap doen.Hoor je van ’n louche zaakje,zeg dan — dat klinkt altijd goed —Dat je vindt „dat ieder zoo ietsvoor zichzelf maar weten moet.”Heb je geld, wees dan liefdadig,dat maakt j’ algemeen bemind;Maar geef nimmer zooveel, dat je ’rzelf den last van ondervindt.Laat je kiezen in bestuurtjesop ’t gebied van Kunst of Staat;Veel hoef j’ er niet van te weten,als j’ er maar wat veel van praat.De gemeenplaats moet je eeren,streef niet naar oorspronkelijkheid;In je termen, in je beeldspraak,volg de mode van je tijd.Volg angstvalligiedremode,imiteer de „upper ten,”Doe wat „men doet,” zeg wat „men zegt,”buig het hoofd voor Koning MEN.Wor je humorist, bedenk dan,dat je duidlijk, „dik” moet zijn;Geef de menschen niet te denken,werk is werk, en gijn is gijn.Eer — met vrouwlief — reine zeden,spot thuis nooit met overspel,Breng haar, als ze er ’s om wil lachen,naar den schouwburg; daar mag ’t wèl.Wees niet maklijk in je oordeel,doe gerust wat aan kritiek,Als je maar bij ’t kritiseerende kritiek volgt van ’t publiek.Doe niet wat je zelf het best vindt,daarin schuilt een groot gevaar;Wat demenschenzullen zeggen,richt je daar uitsluitend naar.Wees een man van ’t juiste midden,dan wor j’ algemeen geacht,Menschen van karakter, jongen,hebben ’t nooit heel ver gebracht......Zie, hier heb j’ ’n handvol lessen,leer ze en breng ze in praktijk,Eenmaal zal je — vrees ik — zeggen:Charivarius had gelijk.

Hartelijk geluk, mijn jongen!’t eindexamen is voorbij!En zoo treed je vol verwachtingin de bonte maatschappij.Nu geef ik j’ in deze reegleneen kwartiertje „Levensles,”Volg mijn raad — dit Vademecumvoert u verder naar ’t succes.Zorg de menschen nooit te hindren,zachtheid leer je nooit te vroeg,Want er is, geloof me, jongen,heusch al narigheid genoeg.Zeg geen mensch ooit cru de waarheid,ook al heeft hij het verdiend;Als ie ’r eens ’n keer niet bij is,ku’ j’ t’ eens „hebben over” ’n vriend.Dan begin je zóó b.v.:„’t Is ’n héél geschikte vent,Maar......” en dan ku’ j’alleszeggen,zonder dat j’ onhartlijk bent.Schrijf wat ieder graag wil lezen,zeg wat ieder hooren wil;Als je ’t harte dringt tot spreken,wees dan wijs, en houd je stil.Kom je op een ministerie,in het leger, op ’t kantoor,Wees beminnelijk voor je meerdren,daar zijn ze je meerdren voor.Tapt de kapitein een mopje,ook al hoorde je t’ al meer,Zet dan een gezicht als was hetvoor de allereerste keer.Is ’t niet aardig, — en je weet nietwaar je eiglijk lachen moet,Dan begin je maar te schaatrenals je ziet dat ’n ander ’t doet.Ga je in den handel, wees daneerlijk; dat ’s, zooals je weet,Wat in ’t algemeen gesprokenin den handel eerlijk heet.God krijgt nu weer wat te zeggen,ook op politiek gebied;Doe dus wat aan Godsdienst (Zondags —door de week dan hoeft het niet).Zorg ook dat je met „vooruitgang”en „sociale nooden” schwärmt,Maar je stemt (doe ’t maar wat stiekum)wie je duiten ’t best beschermt.Scheld geweldig op de Joden;dat strijdt niet met je fatsoen;Doe ze na, of zoo — dat ku’ j’ inieder net gezelschap doen.Hoor je van ’n louche zaakje,zeg dan — dat klinkt altijd goed —Dat je vindt „dat ieder zoo ietsvoor zichzelf maar weten moet.”Heb je geld, wees dan liefdadig,dat maakt j’ algemeen bemind;Maar geef nimmer zooveel, dat je ’rzelf den last van ondervindt.Laat je kiezen in bestuurtjesop ’t gebied van Kunst of Staat;Veel hoef j’ er niet van te weten,als j’ er maar wat veel van praat.De gemeenplaats moet je eeren,streef niet naar oorspronkelijkheid;In je termen, in je beeldspraak,volg de mode van je tijd.Volg angstvalligiedremode,imiteer de „upper ten,”Doe wat „men doet,” zeg wat „men zegt,”buig het hoofd voor Koning MEN.Wor je humorist, bedenk dan,dat je duidlijk, „dik” moet zijn;Geef de menschen niet te denken,werk is werk, en gijn is gijn.Eer — met vrouwlief — reine zeden,spot thuis nooit met overspel,Breng haar, als ze er ’s om wil lachen,naar den schouwburg; daar mag ’t wèl.Wees niet maklijk in je oordeel,doe gerust wat aan kritiek,Als je maar bij ’t kritiseerende kritiek volgt van ’t publiek.Doe niet wat je zelf het best vindt,daarin schuilt een groot gevaar;Wat demenschenzullen zeggen,richt je daar uitsluitend naar.Wees een man van ’t juiste midden,dan wor j’ algemeen geacht,Menschen van karakter, jongen,hebben ’t nooit heel ver gebracht......Zie, hier heb j’ ’n handvol lessen,leer ze en breng ze in praktijk,Eenmaal zal je — vrees ik — zeggen:Charivarius had gelijk.

Hartelijk geluk, mijn jongen!

’t eindexamen is voorbij!

En zoo treed je vol verwachting

in de bonte maatschappij.

Nu geef ik j’ in deze reeglen

een kwartiertje „Levensles,”

Volg mijn raad — dit Vademecum

voert u verder naar ’t succes.

Zorg de menschen nooit te hindren,

zachtheid leer je nooit te vroeg,

Want er is, geloof me, jongen,

heusch al narigheid genoeg.

Zeg geen mensch ooit cru de waarheid,

ook al heeft hij het verdiend;

Als ie ’r eens ’n keer niet bij is,

ku’ j’ t’ eens „hebben over” ’n vriend.

Dan begin je zóó b.v.:

„’t Is ’n héél geschikte vent,

Maar......” en dan ku’ j’alleszeggen,

zonder dat j’ onhartlijk bent.

Schrijf wat ieder graag wil lezen,

zeg wat ieder hooren wil;

Als je ’t harte dringt tot spreken,

wees dan wijs, en houd je stil.

Kom je op een ministerie,

in het leger, op ’t kantoor,

Wees beminnelijk voor je meerdren,

daar zijn ze je meerdren voor.

Tapt de kapitein een mopje,

ook al hoorde je t’ al meer,

Zet dan een gezicht als was het

voor de allereerste keer.

Is ’t niet aardig, — en je weet niet

waar je eiglijk lachen moet,

Dan begin je maar te schaatren

als je ziet dat ’n ander ’t doet.

Ga je in den handel, wees dan

eerlijk; dat ’s, zooals je weet,

Wat in ’t algemeen gesproken

in den handel eerlijk heet.

God krijgt nu weer wat te zeggen,

ook op politiek gebied;

Doe dus wat aan Godsdienst (Zondags —

door de week dan hoeft het niet).

Zorg ook dat je met „vooruitgang”

en „sociale nooden” schwärmt,

Maar je stemt (doe ’t maar wat stiekum)

wie je duiten ’t best beschermt.

Scheld geweldig op de Joden;

dat strijdt niet met je fatsoen;

Doe ze na, of zoo — dat ku’ j’ in

ieder net gezelschap doen.

Hoor je van ’n louche zaakje,

zeg dan — dat klinkt altijd goed —

Dat je vindt „dat ieder zoo iets

voor zichzelf maar weten moet.”

Heb je geld, wees dan liefdadig,

dat maakt j’ algemeen bemind;

Maar geef nimmer zooveel, dat je ’r

zelf den last van ondervindt.

Laat je kiezen in bestuurtjes

op ’t gebied van Kunst of Staat;

Veel hoef j’ er niet van te weten,

als j’ er maar wat veel van praat.

De gemeenplaats moet je eeren,

streef niet naar oorspronkelijkheid;

In je termen, in je beeldspraak,

volg de mode van je tijd.

Volg angstvalligiedremode,

imiteer de „upper ten,”

Doe wat „men doet,” zeg wat „men zegt,”

buig het hoofd voor Koning MEN.

Wor je humorist, bedenk dan,

dat je duidlijk, „dik” moet zijn;

Geef de menschen niet te denken,

werk is werk, en gijn is gijn.

Eer — met vrouwlief — reine zeden,

spot thuis nooit met overspel,

Breng haar, als ze er ’s om wil lachen,

naar den schouwburg; daar mag ’t wèl.

Wees niet maklijk in je oordeel,

doe gerust wat aan kritiek,

Als je maar bij ’t kritiseeren

de kritiek volgt van ’t publiek.

Doe niet wat je zelf het best vindt,

daarin schuilt een groot gevaar;

Wat demenschenzullen zeggen,

richt je daar uitsluitend naar.

Wees een man van ’t juiste midden,

dan wor j’ algemeen geacht,

Menschen van karakter, jongen,

hebben ’t nooit heel ver gebracht......

Zie, hier heb j’ ’n handvol lessen,

leer ze en breng ze in praktijk,

Eenmaal zal je — vrees ik — zeggen:

Charivarius had gelijk.

Motto: „What is life!”

Motto: „What is life!”

Je bent zoo moe. Je snakt naar rust voor lichaam en voor geest;Je snakt naar rust en stilte — ja, naar stilte ’t allermeest.Je maalt niet meer om warmte of kou, om zwoelte of om kilte,Je droomt maar van één zaligheid: de Goddelijke Stilte. —Die daavrend-dondrend-drukke stad van leven en geweld,Wat wor j’ er van den ochtend tot den avond wreed gekweld!’t Begint al ’s nachts, dat valsch, wanklankig klokkenspelgerinkel:Een wilde stier, die rondrent in een aarde- en glaswerkwinkel.Dan, vroeg — als compensatie dat de bakker niet goed bakt,De knecht, dieprimamet de deksel van den wagen kwakt.Daarna weer klinkt je ’t bellen van de vuilniskarren tege’,Dat is van hoogerhand — das herrie van Gemeentewege!Nu ’n schreeuwer, die zijn waren vent met huilend schorre stem,En meejankt in ’t Walpurgiskoor der stad — Gott strafe ook hem!De trams, die overbodig hard door ’s heeren straten zwieren,En bij de minste bocht der rails je-ziel-doorsnijdend gieren,De trambestuurder, die niet belt, wanneer hij bellen moet,Maar zóó maar ’s als tie zich verveelt of jeuk heeft aan zijn voet.Dan — hoe het te beschrijven, ach! had ik de pen van Zola!Die hel van orgel, fonograaf, piano, pianola......Dat hou je zoo niet langer uit, geen week, geen dag, geen uur,Je moet naar buiten, naar de Rust — de Stilte der Natuur......!Nu doe je toch wel wijs j’ er nietteveel van voor te stellen,Want wat die Stilte buiten is, dat zal ik je ’s vertellen.Stel voor, je komt aemechtig aan daar buiten, ’s avonds laat,Nou moet je eens goed luisteren, hoe het met die Stilte staat.Wanneer j’ al ’s nachts niet wordt gekweld door ’t piepen der muskieten,Dan is er toch nog tijd genoeg om ruimschoots te genieten.’t Begint al vroeg, voor dag en dauw, zoo om een uur of vier,Want dan ontwaakt het vooglenheir, en schatert van plezier.Ze maken je een helsch lawaai — precies als stoute kindren,Alleen maar met het doel om moede menschen flink te hind’ren:Want als je eenmaal wakker bent, dan hebben ze d’r zin,En sluimeren heel hatelijk weer voor ’n uurtje in!Daar lig je dan, in flauwe hope nog zoo wat te slapen,Maar verder breng je ’t niet dan tot wat woelen en wat gapen.Ha, eind’lijk wor je dommelig, nou, denk je, zal ’t wel gaan......Daar klinkt dat infernaalst lawaai, het kraaien van den haan!Dit allergruwelijkst geluid, aanmatigend en nijdig,Soms in een beurt-gekrijsch van twee, soms beiden gelijktijdig,Dit luidt den lieven morgen in, verkondend Godes eer,En dan ontwaakt het vooglenkoor voor goed — en jubeltweer!Nu staat het landvolk op. Nu fluit het nakroost van den pachterDe straatdeun van de groote stad — een deun of drie ten achter.Je stapt naar buiten, waar de kip je met den nek aankijkt,En ’t kuiken ontevreden piept, en diep verongelijkt;En d’ eend’, in plaats van blij te zijn in ’t heerlijk frissche water,Hun booze stemming luchten door ’n eindeloos gesnater.En uit de stal klinkt weer een klank, droog schraperig en schor,Het varken, dat zijn boosheid uit in morrend dof geknor.Ik spreek maar niet van ’t hinneken der paarden; van de koeien,Die, bulderend als mistsignalen, „goeie morgen” loeien,Terwijl de ezel balkt, de hond, zijn ketting ram’lend, blaft —Je bent voor j’ onbekookte plan nog niet genoeg gestraft.Je ijlt naar ’t woud in hope op rust; maar kraaien, reigers, spreeuwenBederven ’t mooi van ’t mooiste bosch met oorverdoovend schreeuwen,Waarna ’t gekwaak van ’t kikkerkoor je trommelvlies doorboort,En j’ avondstemming door ’t gepiep der krekels wordt verstoord.Dan ’t blaten van de schapen, van de geiten en de bokken,En in de verte alsmaardoor kapotte koekoek-klokken......Ik eindig — zonder slot: erisgeen einde aan dit lied;Want weet, o mensch, de Stilte die gij zoekt — die is er niet!Wel is een juist-bedachte naam aan ons Bestaan gegeven:Vraag ’t maar aan d’ Echo (schreeuwen, hoor!),„WAT IS HET LEVEN?”.LEVEN!!!

Je bent zoo moe. Je snakt naar rust voor lichaam en voor geest;Je snakt naar rust en stilte — ja, naar stilte ’t allermeest.Je maalt niet meer om warmte of kou, om zwoelte of om kilte,Je droomt maar van één zaligheid: de Goddelijke Stilte. —Die daavrend-dondrend-drukke stad van leven en geweld,Wat wor j’ er van den ochtend tot den avond wreed gekweld!’t Begint al ’s nachts, dat valsch, wanklankig klokkenspelgerinkel:Een wilde stier, die rondrent in een aarde- en glaswerkwinkel.Dan, vroeg — als compensatie dat de bakker niet goed bakt,De knecht, dieprimamet de deksel van den wagen kwakt.Daarna weer klinkt je ’t bellen van de vuilniskarren tege’,Dat is van hoogerhand — das herrie van Gemeentewege!Nu ’n schreeuwer, die zijn waren vent met huilend schorre stem,En meejankt in ’t Walpurgiskoor der stad — Gott strafe ook hem!De trams, die overbodig hard door ’s heeren straten zwieren,En bij de minste bocht der rails je-ziel-doorsnijdend gieren,De trambestuurder, die niet belt, wanneer hij bellen moet,Maar zóó maar ’s als tie zich verveelt of jeuk heeft aan zijn voet.Dan — hoe het te beschrijven, ach! had ik de pen van Zola!Die hel van orgel, fonograaf, piano, pianola......Dat hou je zoo niet langer uit, geen week, geen dag, geen uur,Je moet naar buiten, naar de Rust — de Stilte der Natuur......!Nu doe je toch wel wijs j’ er nietteveel van voor te stellen,Want wat die Stilte buiten is, dat zal ik je ’s vertellen.Stel voor, je komt aemechtig aan daar buiten, ’s avonds laat,Nou moet je eens goed luisteren, hoe het met die Stilte staat.Wanneer j’ al ’s nachts niet wordt gekweld door ’t piepen der muskieten,Dan is er toch nog tijd genoeg om ruimschoots te genieten.’t Begint al vroeg, voor dag en dauw, zoo om een uur of vier,Want dan ontwaakt het vooglenheir, en schatert van plezier.Ze maken je een helsch lawaai — precies als stoute kindren,Alleen maar met het doel om moede menschen flink te hind’ren:Want als je eenmaal wakker bent, dan hebben ze d’r zin,En sluimeren heel hatelijk weer voor ’n uurtje in!Daar lig je dan, in flauwe hope nog zoo wat te slapen,Maar verder breng je ’t niet dan tot wat woelen en wat gapen.Ha, eind’lijk wor je dommelig, nou, denk je, zal ’t wel gaan......Daar klinkt dat infernaalst lawaai, het kraaien van den haan!Dit allergruwelijkst geluid, aanmatigend en nijdig,Soms in een beurt-gekrijsch van twee, soms beiden gelijktijdig,Dit luidt den lieven morgen in, verkondend Godes eer,En dan ontwaakt het vooglenkoor voor goed — en jubeltweer!Nu staat het landvolk op. Nu fluit het nakroost van den pachterDe straatdeun van de groote stad — een deun of drie ten achter.Je stapt naar buiten, waar de kip je met den nek aankijkt,En ’t kuiken ontevreden piept, en diep verongelijkt;En d’ eend’, in plaats van blij te zijn in ’t heerlijk frissche water,Hun booze stemming luchten door ’n eindeloos gesnater.En uit de stal klinkt weer een klank, droog schraperig en schor,Het varken, dat zijn boosheid uit in morrend dof geknor.Ik spreek maar niet van ’t hinneken der paarden; van de koeien,Die, bulderend als mistsignalen, „goeie morgen” loeien,Terwijl de ezel balkt, de hond, zijn ketting ram’lend, blaft —Je bent voor j’ onbekookte plan nog niet genoeg gestraft.Je ijlt naar ’t woud in hope op rust; maar kraaien, reigers, spreeuwenBederven ’t mooi van ’t mooiste bosch met oorverdoovend schreeuwen,Waarna ’t gekwaak van ’t kikkerkoor je trommelvlies doorboort,En j’ avondstemming door ’t gepiep der krekels wordt verstoord.Dan ’t blaten van de schapen, van de geiten en de bokken,En in de verte alsmaardoor kapotte koekoek-klokken......Ik eindig — zonder slot: erisgeen einde aan dit lied;Want weet, o mensch, de Stilte die gij zoekt — die is er niet!Wel is een juist-bedachte naam aan ons Bestaan gegeven:Vraag ’t maar aan d’ Echo (schreeuwen, hoor!),„WAT IS HET LEVEN?”.LEVEN!!!

Je bent zoo moe. Je snakt naar rust voor lichaam en voor geest;Je snakt naar rust en stilte — ja, naar stilte ’t allermeest.Je maalt niet meer om warmte of kou, om zwoelte of om kilte,Je droomt maar van één zaligheid: de Goddelijke Stilte. —Die daavrend-dondrend-drukke stad van leven en geweld,Wat wor j’ er van den ochtend tot den avond wreed gekweld!’t Begint al ’s nachts, dat valsch, wanklankig klokkenspelgerinkel:Een wilde stier, die rondrent in een aarde- en glaswerkwinkel.Dan, vroeg — als compensatie dat de bakker niet goed bakt,De knecht, dieprimamet de deksel van den wagen kwakt.Daarna weer klinkt je ’t bellen van de vuilniskarren tege’,Dat is van hoogerhand — das herrie van Gemeentewege!Nu ’n schreeuwer, die zijn waren vent met huilend schorre stem,En meejankt in ’t Walpurgiskoor der stad — Gott strafe ook hem!De trams, die overbodig hard door ’s heeren straten zwieren,En bij de minste bocht der rails je-ziel-doorsnijdend gieren,De trambestuurder, die niet belt, wanneer hij bellen moet,Maar zóó maar ’s als tie zich verveelt of jeuk heeft aan zijn voet.Dan — hoe het te beschrijven, ach! had ik de pen van Zola!Die hel van orgel, fonograaf, piano, pianola......Dat hou je zoo niet langer uit, geen week, geen dag, geen uur,Je moet naar buiten, naar de Rust — de Stilte der Natuur......!Nu doe je toch wel wijs j’ er nietteveel van voor te stellen,Want wat die Stilte buiten is, dat zal ik je ’s vertellen.Stel voor, je komt aemechtig aan daar buiten, ’s avonds laat,Nou moet je eens goed luisteren, hoe het met die Stilte staat.Wanneer j’ al ’s nachts niet wordt gekweld door ’t piepen der muskieten,Dan is er toch nog tijd genoeg om ruimschoots te genieten.’t Begint al vroeg, voor dag en dauw, zoo om een uur of vier,Want dan ontwaakt het vooglenheir, en schatert van plezier.Ze maken je een helsch lawaai — precies als stoute kindren,Alleen maar met het doel om moede menschen flink te hind’ren:Want als je eenmaal wakker bent, dan hebben ze d’r zin,En sluimeren heel hatelijk weer voor ’n uurtje in!Daar lig je dan, in flauwe hope nog zoo wat te slapen,Maar verder breng je ’t niet dan tot wat woelen en wat gapen.Ha, eind’lijk wor je dommelig, nou, denk je, zal ’t wel gaan......Daar klinkt dat infernaalst lawaai, het kraaien van den haan!Dit allergruwelijkst geluid, aanmatigend en nijdig,Soms in een beurt-gekrijsch van twee, soms beiden gelijktijdig,Dit luidt den lieven morgen in, verkondend Godes eer,En dan ontwaakt het vooglenkoor voor goed — en jubeltweer!Nu staat het landvolk op. Nu fluit het nakroost van den pachterDe straatdeun van de groote stad — een deun of drie ten achter.Je stapt naar buiten, waar de kip je met den nek aankijkt,En ’t kuiken ontevreden piept, en diep verongelijkt;En d’ eend’, in plaats van blij te zijn in ’t heerlijk frissche water,Hun booze stemming luchten door ’n eindeloos gesnater.En uit de stal klinkt weer een klank, droog schraperig en schor,Het varken, dat zijn boosheid uit in morrend dof geknor.Ik spreek maar niet van ’t hinneken der paarden; van de koeien,Die, bulderend als mistsignalen, „goeie morgen” loeien,Terwijl de ezel balkt, de hond, zijn ketting ram’lend, blaft —Je bent voor j’ onbekookte plan nog niet genoeg gestraft.Je ijlt naar ’t woud in hope op rust; maar kraaien, reigers, spreeuwenBederven ’t mooi van ’t mooiste bosch met oorverdoovend schreeuwen,Waarna ’t gekwaak van ’t kikkerkoor je trommelvlies doorboort,En j’ avondstemming door ’t gepiep der krekels wordt verstoord.Dan ’t blaten van de schapen, van de geiten en de bokken,En in de verte alsmaardoor kapotte koekoek-klokken......Ik eindig — zonder slot: erisgeen einde aan dit lied;Want weet, o mensch, de Stilte die gij zoekt — die is er niet!Wel is een juist-bedachte naam aan ons Bestaan gegeven:Vraag ’t maar aan d’ Echo (schreeuwen, hoor!),„WAT IS HET LEVEN?”.

Je bent zoo moe. Je snakt naar rust voor lichaam en voor geest;

Je snakt naar rust en stilte — ja, naar stilte ’t allermeest.

Je maalt niet meer om warmte of kou, om zwoelte of om kilte,

Je droomt maar van één zaligheid: de Goddelijke Stilte. —

Die daavrend-dondrend-drukke stad van leven en geweld,

Wat wor j’ er van den ochtend tot den avond wreed gekweld!

’t Begint al ’s nachts, dat valsch, wanklankig klokkenspelgerinkel:

Een wilde stier, die rondrent in een aarde- en glaswerkwinkel.

Dan, vroeg — als compensatie dat de bakker niet goed bakt,

De knecht, dieprimamet de deksel van den wagen kwakt.

Daarna weer klinkt je ’t bellen van de vuilniskarren tege’,

Dat is van hoogerhand — das herrie van Gemeentewege!

Nu ’n schreeuwer, die zijn waren vent met huilend schorre stem,

En meejankt in ’t Walpurgiskoor der stad — Gott strafe ook hem!

De trams, die overbodig hard door ’s heeren straten zwieren,

En bij de minste bocht der rails je-ziel-doorsnijdend gieren,

De trambestuurder, die niet belt, wanneer hij bellen moet,

Maar zóó maar ’s als tie zich verveelt of jeuk heeft aan zijn voet.

Dan — hoe het te beschrijven, ach! had ik de pen van Zola!

Die hel van orgel, fonograaf, piano, pianola......

Dat hou je zoo niet langer uit, geen week, geen dag, geen uur,

Je moet naar buiten, naar de Rust — de Stilte der Natuur......!

Nu doe je toch wel wijs j’ er nietteveel van voor te stellen,

Want wat die Stilte buiten is, dat zal ik je ’s vertellen.

Stel voor, je komt aemechtig aan daar buiten, ’s avonds laat,

Nou moet je eens goed luisteren, hoe het met die Stilte staat.

Wanneer j’ al ’s nachts niet wordt gekweld door ’t piepen der muskieten,

Dan is er toch nog tijd genoeg om ruimschoots te genieten.

’t Begint al vroeg, voor dag en dauw, zoo om een uur of vier,

Want dan ontwaakt het vooglenheir, en schatert van plezier.

Ze maken je een helsch lawaai — precies als stoute kindren,

Alleen maar met het doel om moede menschen flink te hind’ren:

Want als je eenmaal wakker bent, dan hebben ze d’r zin,

En sluimeren heel hatelijk weer voor ’n uurtje in!

Daar lig je dan, in flauwe hope nog zoo wat te slapen,

Maar verder breng je ’t niet dan tot wat woelen en wat gapen.

Ha, eind’lijk wor je dommelig, nou, denk je, zal ’t wel gaan......

Daar klinkt dat infernaalst lawaai, het kraaien van den haan!

Dit allergruwelijkst geluid, aanmatigend en nijdig,

Soms in een beurt-gekrijsch van twee, soms beiden gelijktijdig,

Dit luidt den lieven morgen in, verkondend Godes eer,

En dan ontwaakt het vooglenkoor voor goed — en jubeltweer!

Nu staat het landvolk op. Nu fluit het nakroost van den pachter

De straatdeun van de groote stad — een deun of drie ten achter.

Je stapt naar buiten, waar de kip je met den nek aankijkt,

En ’t kuiken ontevreden piept, en diep verongelijkt;

En d’ eend’, in plaats van blij te zijn in ’t heerlijk frissche water,

Hun booze stemming luchten door ’n eindeloos gesnater.

En uit de stal klinkt weer een klank, droog schraperig en schor,

Het varken, dat zijn boosheid uit in morrend dof geknor.

Ik spreek maar niet van ’t hinneken der paarden; van de koeien,

Die, bulderend als mistsignalen, „goeie morgen” loeien,

Terwijl de ezel balkt, de hond, zijn ketting ram’lend, blaft —

Je bent voor j’ onbekookte plan nog niet genoeg gestraft.

Je ijlt naar ’t woud in hope op rust; maar kraaien, reigers, spreeuwen

Bederven ’t mooi van ’t mooiste bosch met oorverdoovend schreeuwen,

Waarna ’t gekwaak van ’t kikkerkoor je trommelvlies doorboort,

En j’ avondstemming door ’t gepiep der krekels wordt verstoord.

Dan ’t blaten van de schapen, van de geiten en de bokken,

En in de verte alsmaardoor kapotte koekoek-klokken......

Ik eindig — zonder slot: erisgeen einde aan dit lied;

Want weet, o mensch, de Stilte die gij zoekt — die is er niet!

Wel is een juist-bedachte naam aan ons Bestaan gegeven:

Vraag ’t maar aan d’ Echo (schreeuwen, hoor!),„WAT IS HET LEVEN?”.

LEVEN!!!

LEVEN!!!

d’ Eerste week van JanuariKomt er eens geen Charivari:Charivarius is op reis;Hij ’s aan ’t rusten van zijn zorgen,Hij zit veilig opgeborgenIn het land van sneeuw en ijs.Zwitserland houdt hem gevangen,Waar besneeuwde takken hangenOver ’t bleeke berg-en-dal,Waar zich witte wegen kronklen,Waar in ’t blanke vloerkleed fonklenDiamanten zonder tal.Waar de lichte lucht de longenPriklend vult — waar blij gezongen,Jolig, jong genoten wordt;’t Rijk van truien, bonte kleeden,Arren, schaatsen, skis en sleden,’t Rijk van KoningWINTERSPORT!Ziet z’ in bobslee met hun vierenLangs fluweelen paden slieren,Rrroetsj!! Ze kennen geen gevaar,Als met autovaart zij glijde’,Neigend bij een bocht...... Op zijde!!Hoort gij niet hun schreeuwen: „Gare!!”„Gare!” roept ook dat blozend meiske,Met een stemmetje als een sijske,„Gare!” al glijdend langs de baan,Op haar luge, in haar eentje,Kittig sturend met haar beentje,„Gare!” en stralend komt zij aan.Ziet de slanke skiërs zweven,Vol van tintlend jeugdig leven,Op de golvend sneeuwen zee.Ziet z’ op zeev-mijlsschaatsen snellen,Dan weer deinend, zeilend hellen,In een sierlijk vol plané.En de albediller, vitter,Charivarius, die zit er,En hij leest geen enkle krant.Als hij lummelt, lui en lustig,HeeftU. D.enStandaard’t rustig,d’N.R.C.en ’tVaderland.„Bleef hij daar nog maar een beetje!”’k Hoor ’t ze denken. — Een ideetje:— ’k Kreeg ’t bij ’t maken van dit vers —Breng bijéén, en stuur m’ een sommetje,’k Blijf dan nog wat — wèl bekomme ’t je!Prosit! Vaderlandsche Pers!

d’ Eerste week van JanuariKomt er eens geen Charivari:Charivarius is op reis;Hij ’s aan ’t rusten van zijn zorgen,Hij zit veilig opgeborgenIn het land van sneeuw en ijs.Zwitserland houdt hem gevangen,Waar besneeuwde takken hangenOver ’t bleeke berg-en-dal,Waar zich witte wegen kronklen,Waar in ’t blanke vloerkleed fonklenDiamanten zonder tal.Waar de lichte lucht de longenPriklend vult — waar blij gezongen,Jolig, jong genoten wordt;’t Rijk van truien, bonte kleeden,Arren, schaatsen, skis en sleden,’t Rijk van KoningWINTERSPORT!Ziet z’ in bobslee met hun vierenLangs fluweelen paden slieren,Rrroetsj!! Ze kennen geen gevaar,Als met autovaart zij glijde’,Neigend bij een bocht...... Op zijde!!Hoort gij niet hun schreeuwen: „Gare!!”„Gare!” roept ook dat blozend meiske,Met een stemmetje als een sijske,„Gare!” al glijdend langs de baan,Op haar luge, in haar eentje,Kittig sturend met haar beentje,„Gare!” en stralend komt zij aan.Ziet de slanke skiërs zweven,Vol van tintlend jeugdig leven,Op de golvend sneeuwen zee.Ziet z’ op zeev-mijlsschaatsen snellen,Dan weer deinend, zeilend hellen,In een sierlijk vol plané.En de albediller, vitter,Charivarius, die zit er,En hij leest geen enkle krant.Als hij lummelt, lui en lustig,HeeftU. D.enStandaard’t rustig,d’N.R.C.en ’tVaderland.„Bleef hij daar nog maar een beetje!”’k Hoor ’t ze denken. — Een ideetje:— ’k Kreeg ’t bij ’t maken van dit vers —Breng bijéén, en stuur m’ een sommetje,’k Blijf dan nog wat — wèl bekomme ’t je!Prosit! Vaderlandsche Pers!

d’ Eerste week van JanuariKomt er eens geen Charivari:Charivarius is op reis;Hij ’s aan ’t rusten van zijn zorgen,Hij zit veilig opgeborgenIn het land van sneeuw en ijs.

d’ Eerste week van Januari

Komt er eens geen Charivari:

Charivarius is op reis;

Hij ’s aan ’t rusten van zijn zorgen,

Hij zit veilig opgeborgen

In het land van sneeuw en ijs.

Zwitserland houdt hem gevangen,Waar besneeuwde takken hangenOver ’t bleeke berg-en-dal,Waar zich witte wegen kronklen,Waar in ’t blanke vloerkleed fonklenDiamanten zonder tal.

Zwitserland houdt hem gevangen,

Waar besneeuwde takken hangen

Over ’t bleeke berg-en-dal,

Waar zich witte wegen kronklen,

Waar in ’t blanke vloerkleed fonklen

Diamanten zonder tal.

Waar de lichte lucht de longenPriklend vult — waar blij gezongen,Jolig, jong genoten wordt;’t Rijk van truien, bonte kleeden,Arren, schaatsen, skis en sleden,’t Rijk van KoningWINTERSPORT!

Waar de lichte lucht de longen

Priklend vult — waar blij gezongen,

Jolig, jong genoten wordt;

’t Rijk van truien, bonte kleeden,

Arren, schaatsen, skis en sleden,

’t Rijk van KoningWINTERSPORT!

Ziet z’ in bobslee met hun vierenLangs fluweelen paden slieren,Rrroetsj!! Ze kennen geen gevaar,Als met autovaart zij glijde’,Neigend bij een bocht...... Op zijde!!Hoort gij niet hun schreeuwen: „Gare!!”

Ziet z’ in bobslee met hun vieren

Langs fluweelen paden slieren,

Rrroetsj!! Ze kennen geen gevaar,

Als met autovaart zij glijde’,

Neigend bij een bocht...... Op zijde!!

Hoort gij niet hun schreeuwen: „Gare!!”

„Gare!” roept ook dat blozend meiske,Met een stemmetje als een sijske,„Gare!” al glijdend langs de baan,Op haar luge, in haar eentje,Kittig sturend met haar beentje,„Gare!” en stralend komt zij aan.

„Gare!” roept ook dat blozend meiske,

Met een stemmetje als een sijske,

„Gare!” al glijdend langs de baan,

Op haar luge, in haar eentje,

Kittig sturend met haar beentje,

„Gare!” en stralend komt zij aan.

Ziet de slanke skiërs zweven,Vol van tintlend jeugdig leven,Op de golvend sneeuwen zee.Ziet z’ op zeev-mijlsschaatsen snellen,Dan weer deinend, zeilend hellen,In een sierlijk vol plané.

Ziet de slanke skiërs zweven,

Vol van tintlend jeugdig leven,

Op de golvend sneeuwen zee.

Ziet z’ op zeev-mijlsschaatsen snellen,

Dan weer deinend, zeilend hellen,

In een sierlijk vol plané.

En de albediller, vitter,Charivarius, die zit er,En hij leest geen enkle krant.Als hij lummelt, lui en lustig,HeeftU. D.enStandaard’t rustig,d’N.R.C.en ’tVaderland.

En de albediller, vitter,

Charivarius, die zit er,

En hij leest geen enkle krant.

Als hij lummelt, lui en lustig,

HeeftU. D.enStandaard’t rustig,

d’N.R.C.en ’tVaderland.

„Bleef hij daar nog maar een beetje!”’k Hoor ’t ze denken. — Een ideetje:— ’k Kreeg ’t bij ’t maken van dit vers —Breng bijéén, en stuur m’ een sommetje,’k Blijf dan nog wat — wèl bekomme ’t je!Prosit! Vaderlandsche Pers!

„Bleef hij daar nog maar een beetje!”

’k Hoor ’t ze denken. — Een ideetje:

— ’k Kreeg ’t bij ’t maken van dit vers —

Breng bijéén, en stuur m’ een sommetje,

’k Blijf dan nog wat — wèl bekomme ’t je!

Prosit! Vaderlandsche Pers!

Chesières, Januari 1914.

Ik lig in ’t bosch,Op ’t zachte mos,In ’t bosch van sparregeuren;De zonne daalt al, goud en ros,Ik voel me nu zoo vrij, zoo los,Van ’t elkendaagsch gebeuren.’t Is mij zoo blij,’k Ben nu zoo vrijVan kranten-fouten-schrijvers,Van heel de drukke maatschappij,Van heel de schetterende rijVan schreeuwers en van drijvers.Mijn vinnigheidDie ben ik kwijtIn ’t blijde bosch hier buiten;Ik zie den hemel, hoog en wijd,Ik voel het mulle mostapijt,Ik hoor de vogels fluiten.Ik weet het wel:De zon kan felEn brandend zijn, en steken,De kleuren zijn soms hard en hel,Veel vogels zingen schril en schel,De bloem zelfs heeft gebreken.En voor ’t gezichtZijn scheef gerichtVeel stammen, die daar groeien,En — ’t hoort wel niet in een gedicht —Maar ’t weet, dat er iets leelijks ligtOok bij de mooiste koeien!Maar wie het ziet —Ik zie het niet!’k Lig veel te zoet te droomen;Critiek ligt buiten dit gebied,Ik luister nu naar ’t vooglenlied,En naar ’t geruisch der boomen......

Ik lig in ’t bosch,Op ’t zachte mos,In ’t bosch van sparregeuren;De zonne daalt al, goud en ros,Ik voel me nu zoo vrij, zoo los,Van ’t elkendaagsch gebeuren.’t Is mij zoo blij,’k Ben nu zoo vrijVan kranten-fouten-schrijvers,Van heel de drukke maatschappij,Van heel de schetterende rijVan schreeuwers en van drijvers.Mijn vinnigheidDie ben ik kwijtIn ’t blijde bosch hier buiten;Ik zie den hemel, hoog en wijd,Ik voel het mulle mostapijt,Ik hoor de vogels fluiten.Ik weet het wel:De zon kan felEn brandend zijn, en steken,De kleuren zijn soms hard en hel,Veel vogels zingen schril en schel,De bloem zelfs heeft gebreken.En voor ’t gezichtZijn scheef gerichtVeel stammen, die daar groeien,En — ’t hoort wel niet in een gedicht —Maar ’t weet, dat er iets leelijks ligtOok bij de mooiste koeien!Maar wie het ziet —Ik zie het niet!’k Lig veel te zoet te droomen;Critiek ligt buiten dit gebied,Ik luister nu naar ’t vooglenlied,En naar ’t geruisch der boomen......

Ik lig in ’t bosch,Op ’t zachte mos,In ’t bosch van sparregeuren;De zonne daalt al, goud en ros,Ik voel me nu zoo vrij, zoo los,Van ’t elkendaagsch gebeuren.

Ik lig in ’t bosch,

Op ’t zachte mos,

In ’t bosch van sparregeuren;

De zonne daalt al, goud en ros,

Ik voel me nu zoo vrij, zoo los,

Van ’t elkendaagsch gebeuren.

’t Is mij zoo blij,’k Ben nu zoo vrijVan kranten-fouten-schrijvers,Van heel de drukke maatschappij,Van heel de schetterende rijVan schreeuwers en van drijvers.

’t Is mij zoo blij,

’k Ben nu zoo vrij

Van kranten-fouten-schrijvers,

Van heel de drukke maatschappij,

Van heel de schetterende rij

Van schreeuwers en van drijvers.

Mijn vinnigheidDie ben ik kwijtIn ’t blijde bosch hier buiten;Ik zie den hemel, hoog en wijd,Ik voel het mulle mostapijt,Ik hoor de vogels fluiten.

Mijn vinnigheid

Die ben ik kwijt

In ’t blijde bosch hier buiten;

Ik zie den hemel, hoog en wijd,

Ik voel het mulle mostapijt,

Ik hoor de vogels fluiten.

Ik weet het wel:De zon kan felEn brandend zijn, en steken,De kleuren zijn soms hard en hel,Veel vogels zingen schril en schel,De bloem zelfs heeft gebreken.

Ik weet het wel:

De zon kan fel

En brandend zijn, en steken,

De kleuren zijn soms hard en hel,

Veel vogels zingen schril en schel,

De bloem zelfs heeft gebreken.

En voor ’t gezichtZijn scheef gerichtVeel stammen, die daar groeien,En — ’t hoort wel niet in een gedicht —Maar ’t weet, dat er iets leelijks ligtOok bij de mooiste koeien!

En voor ’t gezicht

Zijn scheef gericht

Veel stammen, die daar groeien,

En — ’t hoort wel niet in een gedicht —

Maar ’t weet, dat er iets leelijks ligt

Ook bij de mooiste koeien!

Maar wie het ziet —Ik zie het niet!’k Lig veel te zoet te droomen;Critiek ligt buiten dit gebied,Ik luister nu naar ’t vooglenlied,En naar ’t geruisch der boomen......

Maar wie het ziet —

Ik zie het niet!

’k Lig veel te zoet te droomen;

Critiek ligt buiten dit gebied,

Ik luister nu naar ’t vooglenlied,

En naar ’t geruisch der boomen......

Wanneer heel Holland hijgendeEn heet is, zweetend zwijgende,En ’t kwik, steeds sterker stijgende,Tot dicht bij ’t kookpunt rijst,Dan ijlt half Holland naar het strand,Vlijt zich terneer in ’t mulle zand,En braadt zich bruin in zonnebrand:’t Is Holland op zijn blijst!Kijk, daar dat troepje, hollende,Dwars door de duinen dollende,In ’t zand, het rulle, rollende,In uitgelaten pret!Nu pootjebaaien! Wie doet mee?De rokken op, en ver in zee!Dan in de stoelen, twee aan tweeIn knussen kring gezet.De fine fleur, flaneerende,De katjes koketteerende,De katertjes begeerende,Frivool vergulde jeugd!Toiletjes, been- en boezemboogVertoonend aan het loerend oog,Van boven laag, van ondren hoog —Nog net in eer en deugd.’t Kadee Kadetje, kozende,Zich vrijende verpoozende,Met ’t blonde bruidje, blozende,Wanneer de knaap haar kust;Zij liggen, ver van ’t volle strand,Hoog ergens aan den heuvelrand,Wang tegen wang, en hand in hand,In laaie liefdelust.Die badstoel, breed beschuttendeDen dommen dikkerd, duttende,Weer nieuwe krachten puttendeVoor ’t volgend vette maal,Torst, krakend onder ’t zwaar gewicht,Den smulpaap met zijn bol gezicht,Die zalig zacht te snurken ligt,Gestadig en egaal.De manslui, wenkend, wuivende,Dicht naar den zeekant schuivende,Genieten, grijnzend gnuivendeVan ’t weelderig tafreelDer vrouwen, die aan ’t baden zijn,En ’t golven van haar lichaamslijnOnthullen, achteloos — in schijn —In dartelend gespeel.Daar staan ze, kuiten kijkende,Voor weer noch water wijkende,Lascieve leeuwen lijkende,Liplikkend van plezier;Totdat ze, lam van ’t lange staan,Met loomen pas naar boven gaan,En daar hun drogen dorst verslaanMet borrels of met bier.— — — — — — — — —Daar ligt de zee, de levende,Zoo zwaar en toch zoo zwevende,Zich stuwend, strandwaart strevende,In stagen golvenval;Zie hoe zij pronkt met paarlenpracht,In kleurenwisselingen zacht,Van rose, vaal, azuur, smaragd,Met tinten zonder tal.De zee! de pralend prachtige,De magistrale machtige,De koude, koene, krachtige,Die Leven brengt en Leed;In passielooze majesteitHaar ruischend reine wade spreidt,En, oud en jong — als d’ Eeuwigheid, —Van tijd noch tijden weet......Van al die wufte, woelenden,Die juichenden en joelenden,Die vaag en vluchtig voelenden,Daar dwarrelend langs de ree —Van al die menschen, luid en druk,Als in een bont spektakelstuk,Die vreugd verwarren met geluk —Wie kijkt er naar de zee?

Wanneer heel Holland hijgendeEn heet is, zweetend zwijgende,En ’t kwik, steeds sterker stijgende,Tot dicht bij ’t kookpunt rijst,Dan ijlt half Holland naar het strand,Vlijt zich terneer in ’t mulle zand,En braadt zich bruin in zonnebrand:’t Is Holland op zijn blijst!Kijk, daar dat troepje, hollende,Dwars door de duinen dollende,In ’t zand, het rulle, rollende,In uitgelaten pret!Nu pootjebaaien! Wie doet mee?De rokken op, en ver in zee!Dan in de stoelen, twee aan tweeIn knussen kring gezet.De fine fleur, flaneerende,De katjes koketteerende,De katertjes begeerende,Frivool vergulde jeugd!Toiletjes, been- en boezemboogVertoonend aan het loerend oog,Van boven laag, van ondren hoog —Nog net in eer en deugd.’t Kadee Kadetje, kozende,Zich vrijende verpoozende,Met ’t blonde bruidje, blozende,Wanneer de knaap haar kust;Zij liggen, ver van ’t volle strand,Hoog ergens aan den heuvelrand,Wang tegen wang, en hand in hand,In laaie liefdelust.Die badstoel, breed beschuttendeDen dommen dikkerd, duttende,Weer nieuwe krachten puttendeVoor ’t volgend vette maal,Torst, krakend onder ’t zwaar gewicht,Den smulpaap met zijn bol gezicht,Die zalig zacht te snurken ligt,Gestadig en egaal.De manslui, wenkend, wuivende,Dicht naar den zeekant schuivende,Genieten, grijnzend gnuivendeVan ’t weelderig tafreelDer vrouwen, die aan ’t baden zijn,En ’t golven van haar lichaamslijnOnthullen, achteloos — in schijn —In dartelend gespeel.Daar staan ze, kuiten kijkende,Voor weer noch water wijkende,Lascieve leeuwen lijkende,Liplikkend van plezier;Totdat ze, lam van ’t lange staan,Met loomen pas naar boven gaan,En daar hun drogen dorst verslaanMet borrels of met bier.— — — — — — — — —Daar ligt de zee, de levende,Zoo zwaar en toch zoo zwevende,Zich stuwend, strandwaart strevende,In stagen golvenval;Zie hoe zij pronkt met paarlenpracht,In kleurenwisselingen zacht,Van rose, vaal, azuur, smaragd,Met tinten zonder tal.De zee! de pralend prachtige,De magistrale machtige,De koude, koene, krachtige,Die Leven brengt en Leed;In passielooze majesteitHaar ruischend reine wade spreidt,En, oud en jong — als d’ Eeuwigheid, —Van tijd noch tijden weet......Van al die wufte, woelenden,Die juichenden en joelenden,Die vaag en vluchtig voelenden,Daar dwarrelend langs de ree —Van al die menschen, luid en druk,Als in een bont spektakelstuk,Die vreugd verwarren met geluk —Wie kijkt er naar de zee?

Wanneer heel Holland hijgendeEn heet is, zweetend zwijgende,En ’t kwik, steeds sterker stijgende,Tot dicht bij ’t kookpunt rijst,Dan ijlt half Holland naar het strand,Vlijt zich terneer in ’t mulle zand,En braadt zich bruin in zonnebrand:’t Is Holland op zijn blijst!

Wanneer heel Holland hijgende

En heet is, zweetend zwijgende,

En ’t kwik, steeds sterker stijgende,

Tot dicht bij ’t kookpunt rijst,

Dan ijlt half Holland naar het strand,

Vlijt zich terneer in ’t mulle zand,

En braadt zich bruin in zonnebrand:

’t Is Holland op zijn blijst!

Kijk, daar dat troepje, hollende,Dwars door de duinen dollende,In ’t zand, het rulle, rollende,In uitgelaten pret!Nu pootjebaaien! Wie doet mee?De rokken op, en ver in zee!Dan in de stoelen, twee aan tweeIn knussen kring gezet.

Kijk, daar dat troepje, hollende,

Dwars door de duinen dollende,

In ’t zand, het rulle, rollende,

In uitgelaten pret!

Nu pootjebaaien! Wie doet mee?

De rokken op, en ver in zee!

Dan in de stoelen, twee aan twee

In knussen kring gezet.

De fine fleur, flaneerende,De katjes koketteerende,De katertjes begeerende,Frivool vergulde jeugd!Toiletjes, been- en boezemboogVertoonend aan het loerend oog,Van boven laag, van ondren hoog —Nog net in eer en deugd.

De fine fleur, flaneerende,

De katjes koketteerende,

De katertjes begeerende,

Frivool vergulde jeugd!

Toiletjes, been- en boezemboog

Vertoonend aan het loerend oog,

Van boven laag, van ondren hoog —

Nog net in eer en deugd.

’t Kadee Kadetje, kozende,Zich vrijende verpoozende,Met ’t blonde bruidje, blozende,Wanneer de knaap haar kust;Zij liggen, ver van ’t volle strand,Hoog ergens aan den heuvelrand,Wang tegen wang, en hand in hand,In laaie liefdelust.

’t Kadee Kadetje, kozende,

Zich vrijende verpoozende,

Met ’t blonde bruidje, blozende,

Wanneer de knaap haar kust;

Zij liggen, ver van ’t volle strand,

Hoog ergens aan den heuvelrand,

Wang tegen wang, en hand in hand,

In laaie liefdelust.

Die badstoel, breed beschuttendeDen dommen dikkerd, duttende,Weer nieuwe krachten puttendeVoor ’t volgend vette maal,Torst, krakend onder ’t zwaar gewicht,Den smulpaap met zijn bol gezicht,Die zalig zacht te snurken ligt,Gestadig en egaal.

Die badstoel, breed beschuttende

Den dommen dikkerd, duttende,

Weer nieuwe krachten puttende

Voor ’t volgend vette maal,

Torst, krakend onder ’t zwaar gewicht,

Den smulpaap met zijn bol gezicht,

Die zalig zacht te snurken ligt,

Gestadig en egaal.

De manslui, wenkend, wuivende,Dicht naar den zeekant schuivende,Genieten, grijnzend gnuivendeVan ’t weelderig tafreelDer vrouwen, die aan ’t baden zijn,En ’t golven van haar lichaamslijnOnthullen, achteloos — in schijn —In dartelend gespeel.

De manslui, wenkend, wuivende,

Dicht naar den zeekant schuivende,

Genieten, grijnzend gnuivende

Van ’t weelderig tafreel

Der vrouwen, die aan ’t baden zijn,

En ’t golven van haar lichaamslijn

Onthullen, achteloos — in schijn —

In dartelend gespeel.

Daar staan ze, kuiten kijkende,Voor weer noch water wijkende,Lascieve leeuwen lijkende,Liplikkend van plezier;Totdat ze, lam van ’t lange staan,Met loomen pas naar boven gaan,En daar hun drogen dorst verslaanMet borrels of met bier.— — — — — — — — —Daar ligt de zee, de levende,Zoo zwaar en toch zoo zwevende,Zich stuwend, strandwaart strevende,In stagen golvenval;Zie hoe zij pronkt met paarlenpracht,In kleurenwisselingen zacht,Van rose, vaal, azuur, smaragd,Met tinten zonder tal.

Daar staan ze, kuiten kijkende,

Voor weer noch water wijkende,

Lascieve leeuwen lijkende,

Liplikkend van plezier;

Totdat ze, lam van ’t lange staan,

Met loomen pas naar boven gaan,

En daar hun drogen dorst verslaan

Met borrels of met bier.

— — — — — — — — —

Daar ligt de zee, de levende,

Zoo zwaar en toch zoo zwevende,

Zich stuwend, strandwaart strevende,

In stagen golvenval;

Zie hoe zij pronkt met paarlenpracht,

In kleurenwisselingen zacht,

Van rose, vaal, azuur, smaragd,

Met tinten zonder tal.

De zee! de pralend prachtige,De magistrale machtige,De koude, koene, krachtige,Die Leven brengt en Leed;In passielooze majesteitHaar ruischend reine wade spreidt,En, oud en jong — als d’ Eeuwigheid, —Van tijd noch tijden weet......

De zee! de pralend prachtige,

De magistrale machtige,

De koude, koene, krachtige,

Die Leven brengt en Leed;

In passielooze majesteit

Haar ruischend reine wade spreidt,

En, oud en jong — als d’ Eeuwigheid, —

Van tijd noch tijden weet......

Van al die wufte, woelenden,Die juichenden en joelenden,Die vaag en vluchtig voelenden,Daar dwarrelend langs de ree —Van al die menschen, luid en druk,Als in een bont spektakelstuk,Die vreugd verwarren met geluk —Wie kijkt er naar de zee?

Van al die wufte, woelenden,

Die juichenden en joelenden,

Die vaag en vluchtig voelenden,

Daar dwarrelend langs de ree —

Van al die menschen, luid en druk,

Als in een bont spektakelstuk,

Die vreugd verwarren met geluk —

Wie kijkt er naar de zee?

Zijnde de berijmde overpeinzingen van een eenvoudig wandelaar in zijn eentje.

Zijnde de berijmde overpeinzingen van een eenvoudig wandelaar in zijn eentje.

Der duinen zachtgebogen vormenDekt nu de koele blanke laag;Een golvenzee, verstard na stormen,Gelijkt mijn duinenland vandaag.Zoo zal mijn geest zich ook verstillen,Als alle vlammen zijn gebluschtVan veel verlangen, wenschen, willen,En vrede wederkeert, en rust.Alleen het bruin der naakte boomenVerbreekt het witte winterdek,En bij de verre duinezoomenNog hier en daar een blonde plek.Ik houd den adem in, en luister;Hier wordt geen enkle klank gehoord,Geen voetstap dreunt, geen windje ruischt er,Geen stemme die de stilte stoort.Geen kwekkend groepje stedelingen,Van sigarettenrook omwalmd,Die operette-deunen zingen,Van schorre kelen uitgegalmd.Geen wijze maat, die m’ uit wil leggen,Wat hij van wind en weder weet,Geen gids, die mij precies kan zeggen,Hoe elke weg en duintop heet.Geen makker, die mij van zijn zaken,Geen vriend, die van zijn vak verhaalt,Geen arts, die duidlijk tracht te maken,Hoe ’t wandelen de spieren staalt.Natuur is een jaloersche Vrouwe,Die eischt, dat zij u gansch vervult,Die overgave vraagt en trouwe,En die geen ander naast u duldt.Ik ben alleen. Dies ben ik blijde;Nu spreekt Natuur mij zwijgend toe,Wanneer ik als een ingewijde,Mijn biecht en mijn beloften doe.Zij spreekt zoo steunend en zoo sterkend,Dat elke kleine klacht verstomt;Zij leert mij, hoe ik wakend, werkend,Zal streven, tot het Einde komt.Zoo heb ik heel mijn ziel gegeven,In wijding, ootmoed en ontzag;Nu zal ik veilig verder leven,Getroost, en dankbaar voor den dag.

Der duinen zachtgebogen vormenDekt nu de koele blanke laag;Een golvenzee, verstard na stormen,Gelijkt mijn duinenland vandaag.Zoo zal mijn geest zich ook verstillen,Als alle vlammen zijn gebluschtVan veel verlangen, wenschen, willen,En vrede wederkeert, en rust.Alleen het bruin der naakte boomenVerbreekt het witte winterdek,En bij de verre duinezoomenNog hier en daar een blonde plek.Ik houd den adem in, en luister;Hier wordt geen enkle klank gehoord,Geen voetstap dreunt, geen windje ruischt er,Geen stemme die de stilte stoort.Geen kwekkend groepje stedelingen,Van sigarettenrook omwalmd,Die operette-deunen zingen,Van schorre kelen uitgegalmd.Geen wijze maat, die m’ uit wil leggen,Wat hij van wind en weder weet,Geen gids, die mij precies kan zeggen,Hoe elke weg en duintop heet.Geen makker, die mij van zijn zaken,Geen vriend, die van zijn vak verhaalt,Geen arts, die duidlijk tracht te maken,Hoe ’t wandelen de spieren staalt.Natuur is een jaloersche Vrouwe,Die eischt, dat zij u gansch vervult,Die overgave vraagt en trouwe,En die geen ander naast u duldt.Ik ben alleen. Dies ben ik blijde;Nu spreekt Natuur mij zwijgend toe,Wanneer ik als een ingewijde,Mijn biecht en mijn beloften doe.Zij spreekt zoo steunend en zoo sterkend,Dat elke kleine klacht verstomt;Zij leert mij, hoe ik wakend, werkend,Zal streven, tot het Einde komt.Zoo heb ik heel mijn ziel gegeven,In wijding, ootmoed en ontzag;Nu zal ik veilig verder leven,Getroost, en dankbaar voor den dag.

Der duinen zachtgebogen vormenDekt nu de koele blanke laag;Een golvenzee, verstard na stormen,Gelijkt mijn duinenland vandaag.

Der duinen zachtgebogen vormen

Dekt nu de koele blanke laag;

Een golvenzee, verstard na stormen,

Gelijkt mijn duinenland vandaag.

Zoo zal mijn geest zich ook verstillen,Als alle vlammen zijn gebluschtVan veel verlangen, wenschen, willen,En vrede wederkeert, en rust.

Zoo zal mijn geest zich ook verstillen,

Als alle vlammen zijn gebluscht

Van veel verlangen, wenschen, willen,

En vrede wederkeert, en rust.

Alleen het bruin der naakte boomenVerbreekt het witte winterdek,En bij de verre duinezoomenNog hier en daar een blonde plek.

Alleen het bruin der naakte boomen

Verbreekt het witte winterdek,

En bij de verre duinezoomen

Nog hier en daar een blonde plek.

Ik houd den adem in, en luister;Hier wordt geen enkle klank gehoord,Geen voetstap dreunt, geen windje ruischt er,Geen stemme die de stilte stoort.

Ik houd den adem in, en luister;

Hier wordt geen enkle klank gehoord,

Geen voetstap dreunt, geen windje ruischt er,

Geen stemme die de stilte stoort.

Geen kwekkend groepje stedelingen,Van sigarettenrook omwalmd,Die operette-deunen zingen,Van schorre kelen uitgegalmd.

Geen kwekkend groepje stedelingen,

Van sigarettenrook omwalmd,

Die operette-deunen zingen,

Van schorre kelen uitgegalmd.

Geen wijze maat, die m’ uit wil leggen,Wat hij van wind en weder weet,Geen gids, die mij precies kan zeggen,Hoe elke weg en duintop heet.

Geen wijze maat, die m’ uit wil leggen,

Wat hij van wind en weder weet,

Geen gids, die mij precies kan zeggen,

Hoe elke weg en duintop heet.

Geen makker, die mij van zijn zaken,Geen vriend, die van zijn vak verhaalt,Geen arts, die duidlijk tracht te maken,Hoe ’t wandelen de spieren staalt.

Geen makker, die mij van zijn zaken,

Geen vriend, die van zijn vak verhaalt,

Geen arts, die duidlijk tracht te maken,

Hoe ’t wandelen de spieren staalt.

Natuur is een jaloersche Vrouwe,Die eischt, dat zij u gansch vervult,Die overgave vraagt en trouwe,En die geen ander naast u duldt.

Natuur is een jaloersche Vrouwe,

Die eischt, dat zij u gansch vervult,

Die overgave vraagt en trouwe,

En die geen ander naast u duldt.

Ik ben alleen. Dies ben ik blijde;Nu spreekt Natuur mij zwijgend toe,Wanneer ik als een ingewijde,Mijn biecht en mijn beloften doe.

Ik ben alleen. Dies ben ik blijde;

Nu spreekt Natuur mij zwijgend toe,

Wanneer ik als een ingewijde,

Mijn biecht en mijn beloften doe.

Zij spreekt zoo steunend en zoo sterkend,Dat elke kleine klacht verstomt;Zij leert mij, hoe ik wakend, werkend,Zal streven, tot het Einde komt.

Zij spreekt zoo steunend en zoo sterkend,

Dat elke kleine klacht verstomt;

Zij leert mij, hoe ik wakend, werkend,

Zal streven, tot het Einde komt.

Zoo heb ik heel mijn ziel gegeven,In wijding, ootmoed en ontzag;Nu zal ik veilig verder leven,Getroost, en dankbaar voor den dag.

Zoo heb ik heel mijn ziel gegeven,

In wijding, ootmoed en ontzag;

Nu zal ik veilig verder leven,

Getroost, en dankbaar voor den dag.

Goddank! ik heb ’m eindelijk teruggekregen,De ouderwetsche kachel van mijn prille jeugd;’k Heb overal gezocht, op markten en in stegen:Daar staat ie nu, en vult mijn hart met stille vreugd.’t Is nog zoo’n echte oude kachel, met dat lofwerk,Een gat van boven, voor een keteltje bestemd,Wat bloemen, blaren, koppen, krullen, — alles grof werk —En binnenin een schuivend deurtje, dat wat klemt.Wees welkom, zwarte vriend! Wij zullen samen praten.Gij zult mij spreken van den goeden, ouden tijd,Van ’t leven zooals ’t was, toen w’ om de kachel zaten,Van huiselijk geluk en van gezelligheid.Vulkachel! denk maar niet, dat j’ ooit weer hier geduld wordt,Jij komt ’r niet meer in. Geëindigd is je rijk,Prozaïsch meubel! bak, die door de meid gevuld wordt!Trots al je warmte, koud, phosphoriseerend lijk!Al heet zoo’n vulmachien: „egale warmte gevend,”Al brandt mijn kachel soms een beetje minder goed —Jijbent geen dood stuk staal, mijn kachel, jij bent levend;Daar zit wat ziel in jou, wat geest, en wat gemoed.Wat heb ik dikwijls, in mijn verre kinderjarenDen tijd verdroomend, als een kind — en mensch — dat doet,Door ’t reetj’ in ’t rosse, laaie lichthuis zitten staren,Mij wilde phantasieën toovrend uit den gloed!Ik wist toen nog zoo niets van ’t wonderlijke leven,’t Was één mysterie, warlend door mijn kinderbrein,Een moeilijk, lang verhaal, in vreemde spraak geschreven,Een mooi-vermoed tableau, daar achter ’t toe-gordijn’k Zit peinzend met de pook in ’t kolenvuur te wiebelen,En menige herin’ring heb ’k weer opgepookt;Nu voel ik wel iets vochtigs in mijn ooghoek kriebelenIs ’t de Herin’ring, of is ’t dat de kachel rookt?

Goddank! ik heb ’m eindelijk teruggekregen,De ouderwetsche kachel van mijn prille jeugd;’k Heb overal gezocht, op markten en in stegen:Daar staat ie nu, en vult mijn hart met stille vreugd.’t Is nog zoo’n echte oude kachel, met dat lofwerk,Een gat van boven, voor een keteltje bestemd,Wat bloemen, blaren, koppen, krullen, — alles grof werk —En binnenin een schuivend deurtje, dat wat klemt.Wees welkom, zwarte vriend! Wij zullen samen praten.Gij zult mij spreken van den goeden, ouden tijd,Van ’t leven zooals ’t was, toen w’ om de kachel zaten,Van huiselijk geluk en van gezelligheid.Vulkachel! denk maar niet, dat j’ ooit weer hier geduld wordt,Jij komt ’r niet meer in. Geëindigd is je rijk,Prozaïsch meubel! bak, die door de meid gevuld wordt!Trots al je warmte, koud, phosphoriseerend lijk!Al heet zoo’n vulmachien: „egale warmte gevend,”Al brandt mijn kachel soms een beetje minder goed —Jijbent geen dood stuk staal, mijn kachel, jij bent levend;Daar zit wat ziel in jou, wat geest, en wat gemoed.Wat heb ik dikwijls, in mijn verre kinderjarenDen tijd verdroomend, als een kind — en mensch — dat doet,Door ’t reetj’ in ’t rosse, laaie lichthuis zitten staren,Mij wilde phantasieën toovrend uit den gloed!Ik wist toen nog zoo niets van ’t wonderlijke leven,’t Was één mysterie, warlend door mijn kinderbrein,Een moeilijk, lang verhaal, in vreemde spraak geschreven,Een mooi-vermoed tableau, daar achter ’t toe-gordijn’k Zit peinzend met de pook in ’t kolenvuur te wiebelen,En menige herin’ring heb ’k weer opgepookt;Nu voel ik wel iets vochtigs in mijn ooghoek kriebelenIs ’t de Herin’ring, of is ’t dat de kachel rookt?

Goddank! ik heb ’m eindelijk teruggekregen,De ouderwetsche kachel van mijn prille jeugd;’k Heb overal gezocht, op markten en in stegen:Daar staat ie nu, en vult mijn hart met stille vreugd.

Goddank! ik heb ’m eindelijk teruggekregen,

De ouderwetsche kachel van mijn prille jeugd;

’k Heb overal gezocht, op markten en in stegen:

Daar staat ie nu, en vult mijn hart met stille vreugd.

’t Is nog zoo’n echte oude kachel, met dat lofwerk,Een gat van boven, voor een keteltje bestemd,Wat bloemen, blaren, koppen, krullen, — alles grof werk —En binnenin een schuivend deurtje, dat wat klemt.

’t Is nog zoo’n echte oude kachel, met dat lofwerk,

Een gat van boven, voor een keteltje bestemd,

Wat bloemen, blaren, koppen, krullen, — alles grof werk —

En binnenin een schuivend deurtje, dat wat klemt.

Wees welkom, zwarte vriend! Wij zullen samen praten.Gij zult mij spreken van den goeden, ouden tijd,Van ’t leven zooals ’t was, toen w’ om de kachel zaten,Van huiselijk geluk en van gezelligheid.

Wees welkom, zwarte vriend! Wij zullen samen praten.

Gij zult mij spreken van den goeden, ouden tijd,

Van ’t leven zooals ’t was, toen w’ om de kachel zaten,

Van huiselijk geluk en van gezelligheid.

Vulkachel! denk maar niet, dat j’ ooit weer hier geduld wordt,Jij komt ’r niet meer in. Geëindigd is je rijk,Prozaïsch meubel! bak, die door de meid gevuld wordt!Trots al je warmte, koud, phosphoriseerend lijk!

Vulkachel! denk maar niet, dat j’ ooit weer hier geduld wordt,

Jij komt ’r niet meer in. Geëindigd is je rijk,

Prozaïsch meubel! bak, die door de meid gevuld wordt!

Trots al je warmte, koud, phosphoriseerend lijk!

Al heet zoo’n vulmachien: „egale warmte gevend,”Al brandt mijn kachel soms een beetje minder goed —Jijbent geen dood stuk staal, mijn kachel, jij bent levend;Daar zit wat ziel in jou, wat geest, en wat gemoed.

Al heet zoo’n vulmachien: „egale warmte gevend,”

Al brandt mijn kachel soms een beetje minder goed —

Jijbent geen dood stuk staal, mijn kachel, jij bent levend;

Daar zit wat ziel in jou, wat geest, en wat gemoed.

Wat heb ik dikwijls, in mijn verre kinderjarenDen tijd verdroomend, als een kind — en mensch — dat doet,Door ’t reetj’ in ’t rosse, laaie lichthuis zitten staren,Mij wilde phantasieën toovrend uit den gloed!

Wat heb ik dikwijls, in mijn verre kinderjaren

Den tijd verdroomend, als een kind — en mensch — dat doet,

Door ’t reetj’ in ’t rosse, laaie lichthuis zitten staren,

Mij wilde phantasieën toovrend uit den gloed!

Ik wist toen nog zoo niets van ’t wonderlijke leven,’t Was één mysterie, warlend door mijn kinderbrein,Een moeilijk, lang verhaal, in vreemde spraak geschreven,Een mooi-vermoed tableau, daar achter ’t toe-gordijn

Ik wist toen nog zoo niets van ’t wonderlijke leven,

’t Was één mysterie, warlend door mijn kinderbrein,

Een moeilijk, lang verhaal, in vreemde spraak geschreven,

Een mooi-vermoed tableau, daar achter ’t toe-gordijn

’k Zit peinzend met de pook in ’t kolenvuur te wiebelen,En menige herin’ring heb ’k weer opgepookt;Nu voel ik wel iets vochtigs in mijn ooghoek kriebelenIs ’t de Herin’ring, of is ’t dat de kachel rookt?

’k Zit peinzend met de pook in ’t kolenvuur te wiebelen,

En menige herin’ring heb ’k weer opgepookt;

Nu voel ik wel iets vochtigs in mijn ooghoek kriebelen

Is ’t de Herin’ring, of is ’t dat de kachel rookt?

(Brief)


Back to IndexNext