„Een jongmensch uit de machinebranche verzekerde ons: „Ik geloof evenmin aan een torpedo als aan een mijn. Naar mijne meening was de een of andere kist in het schip de oorzaak. Van dezelfde meening zijn ook alle geredden.”Kölnische Zeitung.Wijze: „’t Is zoo deftig, ’t is zoo fijn, Vegetariër te zijn.”
„Een jongmensch uit de machinebranche verzekerde ons: „Ik geloof evenmin aan een torpedo als aan een mijn. Naar mijne meening was de een of andere kist in het schip de oorzaak. Van dezelfde meening zijn ook alle geredden.”
Kölnische Zeitung.
Wijze: „’t Is zoo deftig, ’t is zoo fijn, Vegetariër te zijn.”
Waardoor is het schip gezonken,Zijn de menschen haast verdronken?Was, als reeds zoo vele keeren,Duitschland weer aan ’t torpedeeren?De regeering informeerde,Waarop Duitschland repliceerde,Met een verontwaardigd antwoord,Dat bij ’t vredelievendst land hoort:Dat je zóó iets kon gelooven,Dat gaat ons verstand te boven,Holland moest ons zoo niet krenken,Foei! hoekonhet dààraan denken......!Laat’ we dus maar niet meer gissen,En eenvoudig dit beslissen:Geen torpedo en geen mijn —Dus het moet...... dezeeslangzijn!Engeland had, naar ieders oordeel,Met dit wanbedrijf geen voordeel,En hoewel de Duitsche bladenGauw de schuld op Albion laadden,Engeland van ’t werk betichttenLachen wij om die berichten,Laat’ we dus maar niet meer gissen,En eenvoudig dit beslissen:Geen torpedo en geen mijn,Dus het moet de zeeslang zijn!Wat de Kölnische bedacht heeft,Dat een kist de ramp gebracht heeft,Schijnt een zeer gegrond vermoede’,Maar het blad houd’ ons ten goede,Dat we even twijflen durven......Laat’ we dus maar af gaan turven:Dit niet — dat niet — dit niet — dat niet —Een toevallig lek niet — gat niet —Dit niet — dat niet — dit — dat ook niet —Heks niet — booze fee niet — spook niet —’t Is de mysterieuze kist niet —Engeland is ’t niet — Duitschland is ’t niet —Laat ons dan niet verder gissen.’t Staat nu vast. Het kan niet missen:Geen torpedo en geen mijn......Ja! hetmoetdezeeslangzijn!
Waardoor is het schip gezonken,Zijn de menschen haast verdronken?Was, als reeds zoo vele keeren,Duitschland weer aan ’t torpedeeren?De regeering informeerde,Waarop Duitschland repliceerde,Met een verontwaardigd antwoord,Dat bij ’t vredelievendst land hoort:Dat je zóó iets kon gelooven,Dat gaat ons verstand te boven,Holland moest ons zoo niet krenken,Foei! hoekonhet dààraan denken......!Laat’ we dus maar niet meer gissen,En eenvoudig dit beslissen:Geen torpedo en geen mijn —Dus het moet...... dezeeslangzijn!Engeland had, naar ieders oordeel,Met dit wanbedrijf geen voordeel,En hoewel de Duitsche bladenGauw de schuld op Albion laadden,Engeland van ’t werk betichttenLachen wij om die berichten,Laat’ we dus maar niet meer gissen,En eenvoudig dit beslissen:Geen torpedo en geen mijn,Dus het moet de zeeslang zijn!Wat de Kölnische bedacht heeft,Dat een kist de ramp gebracht heeft,Schijnt een zeer gegrond vermoede’,Maar het blad houd’ ons ten goede,Dat we even twijflen durven......Laat’ we dus maar af gaan turven:Dit niet — dat niet — dit niet — dat niet —Een toevallig lek niet — gat niet —Dit niet — dat niet — dit — dat ook niet —Heks niet — booze fee niet — spook niet —’t Is de mysterieuze kist niet —Engeland is ’t niet — Duitschland is ’t niet —Laat ons dan niet verder gissen.’t Staat nu vast. Het kan niet missen:Geen torpedo en geen mijn......Ja! hetmoetdezeeslangzijn!
Waardoor is het schip gezonken,Zijn de menschen haast verdronken?Was, als reeds zoo vele keeren,Duitschland weer aan ’t torpedeeren?De regeering informeerde,Waarop Duitschland repliceerde,Met een verontwaardigd antwoord,Dat bij ’t vredelievendst land hoort:Dat je zóó iets kon gelooven,Dat gaat ons verstand te boven,Holland moest ons zoo niet krenken,Foei! hoekonhet dààraan denken......!Laat’ we dus maar niet meer gissen,En eenvoudig dit beslissen:Geen torpedo en geen mijn —Dus het moet...... dezeeslangzijn!
Waardoor is het schip gezonken,
Zijn de menschen haast verdronken?
Was, als reeds zoo vele keeren,
Duitschland weer aan ’t torpedeeren?
De regeering informeerde,
Waarop Duitschland repliceerde,
Met een verontwaardigd antwoord,
Dat bij ’t vredelievendst land hoort:
Dat je zóó iets kon gelooven,
Dat gaat ons verstand te boven,
Holland moest ons zoo niet krenken,
Foei! hoekonhet dààraan denken......!
Laat’ we dus maar niet meer gissen,
En eenvoudig dit beslissen:
Geen torpedo en geen mijn —
Dus het moet...... dezeeslangzijn!
Engeland had, naar ieders oordeel,Met dit wanbedrijf geen voordeel,En hoewel de Duitsche bladenGauw de schuld op Albion laadden,Engeland van ’t werk betichttenLachen wij om die berichten,Laat’ we dus maar niet meer gissen,En eenvoudig dit beslissen:Geen torpedo en geen mijn,Dus het moet de zeeslang zijn!
Engeland had, naar ieders oordeel,
Met dit wanbedrijf geen voordeel,
En hoewel de Duitsche bladen
Gauw de schuld op Albion laadden,
Engeland van ’t werk betichtten
Lachen wij om die berichten,
Laat’ we dus maar niet meer gissen,
En eenvoudig dit beslissen:
Geen torpedo en geen mijn,
Dus het moet de zeeslang zijn!
Wat de Kölnische bedacht heeft,Dat een kist de ramp gebracht heeft,Schijnt een zeer gegrond vermoede’,Maar het blad houd’ ons ten goede,Dat we even twijflen durven......Laat’ we dus maar af gaan turven:Dit niet — dat niet — dit niet — dat niet —Een toevallig lek niet — gat niet —Dit niet — dat niet — dit — dat ook niet —Heks niet — booze fee niet — spook niet —’t Is de mysterieuze kist niet —Engeland is ’t niet — Duitschland is ’t niet —Laat ons dan niet verder gissen.’t Staat nu vast. Het kan niet missen:Geen torpedo en geen mijn......Ja! hetmoetdezeeslangzijn!
Wat de Kölnische bedacht heeft,
Dat een kist de ramp gebracht heeft,
Schijnt een zeer gegrond vermoede’,
Maar het blad houd’ ons ten goede,
Dat we even twijflen durven......
Laat’ we dus maar af gaan turven:
Dit niet — dat niet — dit niet — dat niet —
Een toevallig lek niet — gat niet —
Dit niet — dat niet — dit — dat ook niet —
Heks niet — booze fee niet — spook niet —
’t Is de mysterieuze kist niet —
Engeland is ’t niet — Duitschland is ’t niet —
Laat ons dan niet verder gissen.
’t Staat nu vast. Het kan niet missen:
Geen torpedo en geen mijn......
Ja! hetmoetdezeeslangzijn!
„Dronken of gek — wie meenen, dat een Duitsch officier te hoog staat voor deze qualificaties, hoe anders kunnen zij het gebeurde met de Artemis verklaren, waardoor een brandmerk is gedrukt op de Duitsche marine? — Zoodat wij, in afwachting van een verklaring, die voor den betrokken officier minder onaangenaam is, voorloopig alleen de keus hebben tusschen bovengenoemd alternatief.” —Prof. Kernkamp, De drijvende dood.„Van welke zijde men de zaak ook beziet, is het optreden van de Engelsche regeering in deze kwestie — de aanhouding der effecten — als een ongehoorde rechtsschennis aan te merken, waardoor roekeloos met de sympathieën der neutralen wordt gespeeld.” —Hbl.
„Dronken of gek — wie meenen, dat een Duitsch officier te hoog staat voor deze qualificaties, hoe anders kunnen zij het gebeurde met de Artemis verklaren, waardoor een brandmerk is gedrukt op de Duitsche marine? — Zoodat wij, in afwachting van een verklaring, die voor den betrokken officier minder onaangenaam is, voorloopig alleen de keus hebben tusschen bovengenoemd alternatief.” —
Prof. Kernkamp, De drijvende dood.
„Van welke zijde men de zaak ook beziet, is het optreden van de Engelsche regeering in deze kwestie — de aanhouding der effecten — als een ongehoorde rechtsschennis aan te merken, waardoor roekeloos met de sympathieën der neutralen wordt gespeeld.” —
Hbl.
Eens was ik pro-Duitsch — maar dat kun je niet blijven,Als j’ even bedenkt, wat ze doen,Die Duitschers, in ’t dwaze, doldriftige drijven,Teg’ ieder begrip van fatsoen,Hoe groot, en hartgrondig, rechtvaardig de grief is,Nu rede noch oordeel meer geldt,Nu „dronken, of gek” slechts het alternatief is,Aan Duitsch’ officieren gesteld.(Tubantia????) Artemis! en zoo veel meer nog,Te veel voor mijn kleine bestek;Wat wacht ons nog meer van dien kant? Hoeveel keer nogZal ’t klinken, het „dronken, of gek?”Ook was er een tijd, dat ik hevig pro-Britsch was,Wat leek mij mijn vaderland klein!Toen d’ Engelsche spirit mijn leidsman, mijn gids was,En ’k bijna een Brit wilde zijn!Maar als ik nu opmerk, hoe trotsch en verwaten,Hoe strijdig met regel en recht,Brittannia, spottend met alle tractaten,Beslag op onz’ eigendom legt,Nu komt mij de twijfel de ziel ondermijnen,— Hoe graag ’k dit gevoel overwon —Nu zie ’k sympathie en bewondring verdwijnen,Versmelten, als sneeuw voor de zon.Nu elk van de twee ons zoo bar op de kop zit,Ons hoont, krenkt, ons minacht, in ’t kort,Nu vrees ik wel, dat er niet anders meer op zit,Dan dat ’k maar... pro-Nederlandsch word!
Eens was ik pro-Duitsch — maar dat kun je niet blijven,Als j’ even bedenkt, wat ze doen,Die Duitschers, in ’t dwaze, doldriftige drijven,Teg’ ieder begrip van fatsoen,Hoe groot, en hartgrondig, rechtvaardig de grief is,Nu rede noch oordeel meer geldt,Nu „dronken, of gek” slechts het alternatief is,Aan Duitsch’ officieren gesteld.(Tubantia????) Artemis! en zoo veel meer nog,Te veel voor mijn kleine bestek;Wat wacht ons nog meer van dien kant? Hoeveel keer nogZal ’t klinken, het „dronken, of gek?”Ook was er een tijd, dat ik hevig pro-Britsch was,Wat leek mij mijn vaderland klein!Toen d’ Engelsche spirit mijn leidsman, mijn gids was,En ’k bijna een Brit wilde zijn!Maar als ik nu opmerk, hoe trotsch en verwaten,Hoe strijdig met regel en recht,Brittannia, spottend met alle tractaten,Beslag op onz’ eigendom legt,Nu komt mij de twijfel de ziel ondermijnen,— Hoe graag ’k dit gevoel overwon —Nu zie ’k sympathie en bewondring verdwijnen,Versmelten, als sneeuw voor de zon.Nu elk van de twee ons zoo bar op de kop zit,Ons hoont, krenkt, ons minacht, in ’t kort,Nu vrees ik wel, dat er niet anders meer op zit,Dan dat ’k maar... pro-Nederlandsch word!
Eens was ik pro-Duitsch — maar dat kun je niet blijven,Als j’ even bedenkt, wat ze doen,Die Duitschers, in ’t dwaze, doldriftige drijven,Teg’ ieder begrip van fatsoen,Hoe groot, en hartgrondig, rechtvaardig de grief is,Nu rede noch oordeel meer geldt,Nu „dronken, of gek” slechts het alternatief is,Aan Duitsch’ officieren gesteld.(Tubantia????) Artemis! en zoo veel meer nog,Te veel voor mijn kleine bestek;Wat wacht ons nog meer van dien kant? Hoeveel keer nogZal ’t klinken, het „dronken, of gek?”Ook was er een tijd, dat ik hevig pro-Britsch was,Wat leek mij mijn vaderland klein!Toen d’ Engelsche spirit mijn leidsman, mijn gids was,En ’k bijna een Brit wilde zijn!Maar als ik nu opmerk, hoe trotsch en verwaten,Hoe strijdig met regel en recht,Brittannia, spottend met alle tractaten,Beslag op onz’ eigendom legt,Nu komt mij de twijfel de ziel ondermijnen,— Hoe graag ’k dit gevoel overwon —Nu zie ’k sympathie en bewondring verdwijnen,Versmelten, als sneeuw voor de zon.
Eens was ik pro-Duitsch — maar dat kun je niet blijven,
Als j’ even bedenkt, wat ze doen,
Die Duitschers, in ’t dwaze, doldriftige drijven,
Teg’ ieder begrip van fatsoen,
Hoe groot, en hartgrondig, rechtvaardig de grief is,
Nu rede noch oordeel meer geldt,
Nu „dronken, of gek” slechts het alternatief is,
Aan Duitsch’ officieren gesteld.
(Tubantia????) Artemis! en zoo veel meer nog,
Te veel voor mijn kleine bestek;
Wat wacht ons nog meer van dien kant? Hoeveel keer nog
Zal ’t klinken, het „dronken, of gek?”
Ook was er een tijd, dat ik hevig pro-Britsch was,
Wat leek mij mijn vaderland klein!
Toen d’ Engelsche spirit mijn leidsman, mijn gids was,
En ’k bijna een Brit wilde zijn!
Maar als ik nu opmerk, hoe trotsch en verwaten,
Hoe strijdig met regel en recht,
Brittannia, spottend met alle tractaten,
Beslag op onz’ eigendom legt,
Nu komt mij de twijfel de ziel ondermijnen,
— Hoe graag ’k dit gevoel overwon —
Nu zie ’k sympathie en bewondring verdwijnen,
Versmelten, als sneeuw voor de zon.
Nu elk van de twee ons zoo bar op de kop zit,Ons hoont, krenkt, ons minacht, in ’t kort,Nu vrees ik wel, dat er niet anders meer op zit,Dan dat ’k maar... pro-Nederlandsch word!
Nu elk van de twee ons zoo bar op de kop zit,
Ons hoont, krenkt, ons minacht, in ’t kort,
Nu vrees ik wel, dat er niet anders meer op zit,
Dan dat ’k maar... pro-Nederlandsch word!
„Bilder aus groszer Zeit” —Gebruikelijk opschrift in Duitsche illustraties.
„Bilder aus groszer Zeit” —Gebruikelijk opschrift in Duitsche illustraties.
Wie sukkelt aan produitserigheid,Die zwetst — je weet ’t van te voren —De Duitschers na van „Grosze Zeit,”En dankt zijn Schepper dag aan dag,Dat hij dien tijd beleven mag.Dat schijnt er nu zoo bij te hooren.Toen d’ oorlog uitgebroken was,Dien wij vervloeken en verwenschen,Die schande voor het menschenras,Toen schenen de bedrijvers mijVerblinden, als in razernij,Verdwaasde, geesteskranke menschen.Maar toen daarna, langzamerhand,Het schelden toenam, en het kijven,Zoowel aan d’een’, als d’ and’ren kant,Toen kreeg ’t geval ten slotte veelVan ieder achterbuurt-tooneel:Een zooi bezopen Zeedijk-wijven.Toch schijnt het tegenwoordig alZoo mooglijk nog weer te vermind’ren.’t Is niet meer erg. Alleen maar mal,Het „Wel-is!” „Niet-is!” „Jij!” „Nee, jij!”Hier past nog maar een grimlach bij,Als tegen nare, stoute kind’ren.
Wie sukkelt aan produitserigheid,Die zwetst — je weet ’t van te voren —De Duitschers na van „Grosze Zeit,”En dankt zijn Schepper dag aan dag,Dat hij dien tijd beleven mag.Dat schijnt er nu zoo bij te hooren.Toen d’ oorlog uitgebroken was,Dien wij vervloeken en verwenschen,Die schande voor het menschenras,Toen schenen de bedrijvers mijVerblinden, als in razernij,Verdwaasde, geesteskranke menschen.Maar toen daarna, langzamerhand,Het schelden toenam, en het kijven,Zoowel aan d’een’, als d’ and’ren kant,Toen kreeg ’t geval ten slotte veelVan ieder achterbuurt-tooneel:Een zooi bezopen Zeedijk-wijven.Toch schijnt het tegenwoordig alZoo mooglijk nog weer te vermind’ren.’t Is niet meer erg. Alleen maar mal,Het „Wel-is!” „Niet-is!” „Jij!” „Nee, jij!”Hier past nog maar een grimlach bij,Als tegen nare, stoute kind’ren.
Wie sukkelt aan produitserigheid,Die zwetst — je weet ’t van te voren —De Duitschers na van „Grosze Zeit,”En dankt zijn Schepper dag aan dag,Dat hij dien tijd beleven mag.Dat schijnt er nu zoo bij te hooren.
Wie sukkelt aan produitserigheid,
Die zwetst — je weet ’t van te voren —
De Duitschers na van „Grosze Zeit,”
En dankt zijn Schepper dag aan dag,
Dat hij dien tijd beleven mag.
Dat schijnt er nu zoo bij te hooren.
Toen d’ oorlog uitgebroken was,Dien wij vervloeken en verwenschen,Die schande voor het menschenras,Toen schenen de bedrijvers mijVerblinden, als in razernij,Verdwaasde, geesteskranke menschen.
Toen d’ oorlog uitgebroken was,
Dien wij vervloeken en verwenschen,
Die schande voor het menschenras,
Toen schenen de bedrijvers mij
Verblinden, als in razernij,
Verdwaasde, geesteskranke menschen.
Maar toen daarna, langzamerhand,Het schelden toenam, en het kijven,Zoowel aan d’een’, als d’ and’ren kant,Toen kreeg ’t geval ten slotte veelVan ieder achterbuurt-tooneel:Een zooi bezopen Zeedijk-wijven.
Maar toen daarna, langzamerhand,
Het schelden toenam, en het kijven,
Zoowel aan d’een’, als d’ and’ren kant,
Toen kreeg ’t geval ten slotte veel
Van ieder achterbuurt-tooneel:
Een zooi bezopen Zeedijk-wijven.
Toch schijnt het tegenwoordig alZoo mooglijk nog weer te vermind’ren.’t Is niet meer erg. Alleen maar mal,Het „Wel-is!” „Niet-is!” „Jij!” „Nee, jij!”Hier past nog maar een grimlach bij,Als tegen nare, stoute kind’ren.
Toch schijnt het tegenwoordig al
Zoo mooglijk nog weer te vermind’ren.
’t Is niet meer erg. Alleen maar mal,
Het „Wel-is!” „Niet-is!” „Jij!” „Nee, jij!”
Hier past nog maar een grimlach bij,
Als tegen nare, stoute kind’ren.
De luchten zijn onwederzwanger,De donder dreunt dof door den nacht,De nooddruft nijpt banger en banger,Maar Holland is wakker, en wacht.Waar Armoê zich mat weent en moe zucht,Daar wenkt, als het Licht op de reê,De groote, genadige Toevlucht:Het Steuncomité.In deze bedroevende dagen,Nu alles een slakkengang gaat,Wordt menige werkman ontslagen,En staat met de zijnen op straat.Goddank dat de man nog bewaard blijftVoor honger en nameloos wee:Wie zorgt, dat hem schande bespaard blijft?Het Steuncomité.Arm moedertje zit er te peinzen,Nu ’t monster van Nood en GebrekKil-kijkende gram staat te grijnzen,Zij rilt in haar schamel vertrek.Haar jongen, haar kostwinner, hangt maarWat om — zonder werk, ontevreê......Met opene armen ontvangt haarHet Steuncomité.Het heertje, dat niet veel te doen heeft,Niet werkt en niet drinkt en niet speelt,Het meiske, dat last van fatsoen heeft,Zoodat ze zich chronisch verveelt,(Haar wangetjes zien er al wit van!)O, is het geen troostrijk idee!Die worden nu allemaal lid vanEen Steuncomité.En als deze oorlog voorbij is,Dan doeken de steunclubjes op;Natuurlijk dat iedereen blij is,Maar ’k vin’ ’t voor de leden een strop;Want evenals iedere zeemanOp ’t land weer verlangt naar de zee,Zoo mist dan de Steuncomité-manZijn Steuncomité.Ja, zóó als de visch naar het water,De drenk’ling in zee naar de plank,De kat op het dak naar den kater,De pimpelaar snakt naar den drank.De loerende Duitsche onderzee-erNaar ’n Engelsche trawler, of twee......Zóó snakt dan de steuncomité-erNaar ’t Steuncomité.
De luchten zijn onwederzwanger,De donder dreunt dof door den nacht,De nooddruft nijpt banger en banger,Maar Holland is wakker, en wacht.Waar Armoê zich mat weent en moe zucht,Daar wenkt, als het Licht op de reê,De groote, genadige Toevlucht:Het Steuncomité.In deze bedroevende dagen,Nu alles een slakkengang gaat,Wordt menige werkman ontslagen,En staat met de zijnen op straat.Goddank dat de man nog bewaard blijftVoor honger en nameloos wee:Wie zorgt, dat hem schande bespaard blijft?Het Steuncomité.Arm moedertje zit er te peinzen,Nu ’t monster van Nood en GebrekKil-kijkende gram staat te grijnzen,Zij rilt in haar schamel vertrek.Haar jongen, haar kostwinner, hangt maarWat om — zonder werk, ontevreê......Met opene armen ontvangt haarHet Steuncomité.Het heertje, dat niet veel te doen heeft,Niet werkt en niet drinkt en niet speelt,Het meiske, dat last van fatsoen heeft,Zoodat ze zich chronisch verveelt,(Haar wangetjes zien er al wit van!)O, is het geen troostrijk idee!Die worden nu allemaal lid vanEen Steuncomité.En als deze oorlog voorbij is,Dan doeken de steunclubjes op;Natuurlijk dat iedereen blij is,Maar ’k vin’ ’t voor de leden een strop;Want evenals iedere zeemanOp ’t land weer verlangt naar de zee,Zoo mist dan de Steuncomité-manZijn Steuncomité.Ja, zóó als de visch naar het water,De drenk’ling in zee naar de plank,De kat op het dak naar den kater,De pimpelaar snakt naar den drank.De loerende Duitsche onderzee-erNaar ’n Engelsche trawler, of twee......Zóó snakt dan de steuncomité-erNaar ’t Steuncomité.
De luchten zijn onwederzwanger,De donder dreunt dof door den nacht,De nooddruft nijpt banger en banger,Maar Holland is wakker, en wacht.Waar Armoê zich mat weent en moe zucht,Daar wenkt, als het Licht op de reê,De groote, genadige Toevlucht:Het Steuncomité.
De luchten zijn onwederzwanger,
De donder dreunt dof door den nacht,
De nooddruft nijpt banger en banger,
Maar Holland is wakker, en wacht.
Waar Armoê zich mat weent en moe zucht,
Daar wenkt, als het Licht op de reê,
De groote, genadige Toevlucht:
Het Steuncomité.
In deze bedroevende dagen,Nu alles een slakkengang gaat,Wordt menige werkman ontslagen,En staat met de zijnen op straat.Goddank dat de man nog bewaard blijftVoor honger en nameloos wee:Wie zorgt, dat hem schande bespaard blijft?Het Steuncomité.
In deze bedroevende dagen,
Nu alles een slakkengang gaat,
Wordt menige werkman ontslagen,
En staat met de zijnen op straat.
Goddank dat de man nog bewaard blijft
Voor honger en nameloos wee:
Wie zorgt, dat hem schande bespaard blijft?
Het Steuncomité.
Arm moedertje zit er te peinzen,Nu ’t monster van Nood en GebrekKil-kijkende gram staat te grijnzen,Zij rilt in haar schamel vertrek.Haar jongen, haar kostwinner, hangt maarWat om — zonder werk, ontevreê......Met opene armen ontvangt haarHet Steuncomité.
Arm moedertje zit er te peinzen,
Nu ’t monster van Nood en Gebrek
Kil-kijkende gram staat te grijnzen,
Zij rilt in haar schamel vertrek.
Haar jongen, haar kostwinner, hangt maar
Wat om — zonder werk, ontevreê......
Met opene armen ontvangt haar
Het Steuncomité.
Het heertje, dat niet veel te doen heeft,Niet werkt en niet drinkt en niet speelt,Het meiske, dat last van fatsoen heeft,Zoodat ze zich chronisch verveelt,(Haar wangetjes zien er al wit van!)O, is het geen troostrijk idee!Die worden nu allemaal lid vanEen Steuncomité.
Het heertje, dat niet veel te doen heeft,
Niet werkt en niet drinkt en niet speelt,
Het meiske, dat last van fatsoen heeft,
Zoodat ze zich chronisch verveelt,
(Haar wangetjes zien er al wit van!)
O, is het geen troostrijk idee!
Die worden nu allemaal lid van
Een Steuncomité.
En als deze oorlog voorbij is,Dan doeken de steunclubjes op;Natuurlijk dat iedereen blij is,Maar ’k vin’ ’t voor de leden een strop;Want evenals iedere zeemanOp ’t land weer verlangt naar de zee,Zoo mist dan de Steuncomité-manZijn Steuncomité.
En als deze oorlog voorbij is,
Dan doeken de steunclubjes op;
Natuurlijk dat iedereen blij is,
Maar ’k vin’ ’t voor de leden een strop;
Want evenals iedere zeeman
Op ’t land weer verlangt naar de zee,
Zoo mist dan de Steuncomité-man
Zijn Steuncomité.
Ja, zóó als de visch naar het water,De drenk’ling in zee naar de plank,De kat op het dak naar den kater,De pimpelaar snakt naar den drank.De loerende Duitsche onderzee-erNaar ’n Engelsche trawler, of twee......Zóó snakt dan de steuncomité-erNaar ’t Steuncomité.
Ja, zóó als de visch naar het water,
De drenk’ling in zee naar de plank,
De kat op het dak naar den kater,
De pimpelaar snakt naar den drank.
De loerende Duitsche onderzee-er
Naar ’n Engelsche trawler, of twee......
Zóó snakt dan de steuncomité-er
Naar ’t Steuncomité.
Bloedrijm, opgedragen aan allen, die het schoone in den oorlog nog weten te waardeeren.
Bloedrijm, opgedragen aan allen, die het schoone in den oorlog nog weten te waardeeren.
„Wat moet mijn zoon worden?” (De zoon is de held aan ’t front.)
„Wat moet mijn zoon worden?” (De zoon is de held aan ’t front.)
„Wat moet mijn zoon worden?” (De zoon is de held aan ’t front.)
Ik heb nu net een jaar gemoord,Verminkt, geslacht, gestoken,Gejammer en gesteun gehoord,En lijkenlucht geroken.Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laatVolgd’ ik de Tien Geboden —’k Bedoel dan die voor den soldaat,Dat ’s tienmaal: „Gij zult dooden!”’k Ben één dier veel bewonderden,Die echt goed mikken konden,Ik heb al vele honderdenNaar ’t vroege graf gezonden.Ook bommen gooien was mijn werk,Ik smulde van die dingen!’k Heb heel wat kerels, jong en sterk,In stukken laten springen.Een arm lag hier, een kop lag daar,Een been hoog in de boomen,En één keer heb ik er zoowaarEen kiekje van genomen!Eerst werd ’t mij wel eens wee en bang,Dat wil ik niet ontkennen,Maar twaalf, twaalf maanden lang!Dan ga j’ er wel aan wennen!Ja, mijn (koel-)bloedigheid is groot,’k Màg wel zoo’n beetje slachting;Ik geef niet om een ander’s dood —Is dat geen „doodsverachting?”’k Zeg wàt je doet, zeg, doe dat goed,Ook dooden en verdelgen,Ja bloed en bloed en bloed en bloedEn bloed — daar kan ’k in zwelgen!En steken met een bajonet!Vergiftigen met gassen!Maar ’t meeste heb ’k mijn hart gezetOp bloed en bloed in plassen!En is ons moordwerk eens voorbijDan zal ’k me dood verkniezen;Hoe moet ’k me in de maatschappijEen passend handwerk kiezen?Ik weet wat. Eén vak dat ik ken!Al staat het ook wat lagerMaar een waar ’k héél geschikt voor ben,Ik weet het: ik word slager!
Ik heb nu net een jaar gemoord,Verminkt, geslacht, gestoken,Gejammer en gesteun gehoord,En lijkenlucht geroken.Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laatVolgd’ ik de Tien Geboden —’k Bedoel dan die voor den soldaat,Dat ’s tienmaal: „Gij zult dooden!”’k Ben één dier veel bewonderden,Die echt goed mikken konden,Ik heb al vele honderdenNaar ’t vroege graf gezonden.Ook bommen gooien was mijn werk,Ik smulde van die dingen!’k Heb heel wat kerels, jong en sterk,In stukken laten springen.Een arm lag hier, een kop lag daar,Een been hoog in de boomen,En één keer heb ik er zoowaarEen kiekje van genomen!Eerst werd ’t mij wel eens wee en bang,Dat wil ik niet ontkennen,Maar twaalf, twaalf maanden lang!Dan ga j’ er wel aan wennen!Ja, mijn (koel-)bloedigheid is groot,’k Màg wel zoo’n beetje slachting;Ik geef niet om een ander’s dood —Is dat geen „doodsverachting?”’k Zeg wàt je doet, zeg, doe dat goed,Ook dooden en verdelgen,Ja bloed en bloed en bloed en bloedEn bloed — daar kan ’k in zwelgen!En steken met een bajonet!Vergiftigen met gassen!Maar ’t meeste heb ’k mijn hart gezetOp bloed en bloed in plassen!En is ons moordwerk eens voorbijDan zal ’k me dood verkniezen;Hoe moet ’k me in de maatschappijEen passend handwerk kiezen?Ik weet wat. Eén vak dat ik ken!Al staat het ook wat lagerMaar een waar ’k héél geschikt voor ben,Ik weet het: ik word slager!
Ik heb nu net een jaar gemoord,Verminkt, geslacht, gestoken,Gejammer en gesteun gehoord,En lijkenlucht geroken.
Ik heb nu net een jaar gemoord,
Verminkt, geslacht, gestoken,
Gejammer en gesteun gehoord,
En lijkenlucht geroken.
Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laatVolgd’ ik de Tien Geboden —’k Bedoel dan die voor den soldaat,Dat ’s tienmaal: „Gij zult dooden!”
Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat
Volgd’ ik de Tien Geboden —
’k Bedoel dan die voor den soldaat,
Dat ’s tienmaal: „Gij zult dooden!”
’k Ben één dier veel bewonderden,Die echt goed mikken konden,Ik heb al vele honderdenNaar ’t vroege graf gezonden.
’k Ben één dier veel bewonderden,
Die echt goed mikken konden,
Ik heb al vele honderden
Naar ’t vroege graf gezonden.
Ook bommen gooien was mijn werk,Ik smulde van die dingen!’k Heb heel wat kerels, jong en sterk,In stukken laten springen.
Ook bommen gooien was mijn werk,
Ik smulde van die dingen!
’k Heb heel wat kerels, jong en sterk,
In stukken laten springen.
Een arm lag hier, een kop lag daar,Een been hoog in de boomen,En één keer heb ik er zoowaarEen kiekje van genomen!
Een arm lag hier, een kop lag daar,
Een been hoog in de boomen,
En één keer heb ik er zoowaar
Een kiekje van genomen!
Eerst werd ’t mij wel eens wee en bang,Dat wil ik niet ontkennen,Maar twaalf, twaalf maanden lang!Dan ga j’ er wel aan wennen!
Eerst werd ’t mij wel eens wee en bang,
Dat wil ik niet ontkennen,
Maar twaalf, twaalf maanden lang!
Dan ga j’ er wel aan wennen!
Ja, mijn (koel-)bloedigheid is groot,’k Màg wel zoo’n beetje slachting;Ik geef niet om een ander’s dood —Is dat geen „doodsverachting?”
Ja, mijn (koel-)bloedigheid is groot,
’k Màg wel zoo’n beetje slachting;
Ik geef niet om een ander’s dood —
Is dat geen „doodsverachting?”
’k Zeg wàt je doet, zeg, doe dat goed,Ook dooden en verdelgen,Ja bloed en bloed en bloed en bloedEn bloed — daar kan ’k in zwelgen!
’k Zeg wàt je doet, zeg, doe dat goed,
Ook dooden en verdelgen,
Ja bloed en bloed en bloed en bloed
En bloed — daar kan ’k in zwelgen!
En steken met een bajonet!Vergiftigen met gassen!Maar ’t meeste heb ’k mijn hart gezetOp bloed en bloed in plassen!
En steken met een bajonet!
Vergiftigen met gassen!
Maar ’t meeste heb ’k mijn hart gezet
Op bloed en bloed in plassen!
En is ons moordwerk eens voorbijDan zal ’k me dood verkniezen;Hoe moet ’k me in de maatschappijEen passend handwerk kiezen?
En is ons moordwerk eens voorbij
Dan zal ’k me dood verkniezen;
Hoe moet ’k me in de maatschappij
Een passend handwerk kiezen?
Ik weet wat. Eén vak dat ik ken!Al staat het ook wat lagerMaar een waar ’k héél geschikt voor ben,Ik weet het: ik word slager!
Ik weet wat. Eén vak dat ik ken!
Al staat het ook wat lager
Maar een waar ’k héél geschikt voor ben,
Ik weet het: ik word slager!
Het moet maar weer het topic zijn,dat niet te mijden is:Alweer de oorlog. — Hier is mijngeloofsbelijdenis.Entre les deux mon coeur balance,waarom — dat zul je lezen;Dus: honni soit qui mal y pense,’k zal openhartig wezen.Ik mep ze beiden op ’t gezicht,en ’k loof ze — doe ’k expres:Dan blijft de zaak in evenwicht,en ik krijg geen proces.Het leusgeleuter is voor land-genooten en voor kindren,Neen, Duitschlandwouden Grooten Brand —de Brit wou ’m niet verhindren.Brittanje sluit den toevoer afvan ’t sterke Duitsche rijk,Wel, Duitschland slaat terug voor straf,nou...... beiden schóón gelijk!’t Duitsch snorkerig telegramgedruischverveelt ons wel ontzachelijk,Onz’ oude God en ’t IJzeren Kruis —dat vind’ we hier belachelijk.O, land van vrijheid-in-den-Staat,— ons voorbeeld — Engeland,Van zelfbestuur, van rappe daad,ons bindt een sterke band!En d’ Engelschman, steeds kalm (zelfsnu)die heelemaal geen „soldaat” is,Hij trekt ons aan, doordat hij hu-morist, sportief, en „smart” is.De Duitsche wetenschap en vlijt,de kunst, vooral muziek,Het bier, en de Gemüthlichkeit,ze zijn ons sympathiek.Voor Duitschers zijn die Fremden zeer,zéér achterlijke horden,„Kultur” dat zeggen z’ al niet meer,dat ’s „Hoch-kultur” geworden.De Brit behandelt iedren vreem-dling hoflijk, als een heer,Maar ziet — wat ’k hem niets kwalijk neem —diep op den foreigner neer.Hij heeft alleen maar te veel smaak,te vriendelijke manieren,Om op Kultur zoo van de da-ken af te renommieren.Wij haten ’t Britsch schijnheilig, slap-pe kijk-devoot-geteem,En ’t Duitsche lik-naar-boven-trap-naar-onderen-systeem.Zoodat ’k oprecht verklaren moet,— kan ’t meer neutraal gezegd zijn? —Ik vind dat z’ allebei even goed,en allebei even slecht zijn.En als het eindlijk vrede is,wat wacht ons landje dan?’t Is mooglijk dat ik me vergis,maar dit denk ik er van:KrijgtEngelandde heerschappij,dan zal ’t niet heel veel praten,Maar kalm den blooming for’ner vrij —— dat is: tevreden — laten.AlsDuitschland— Heer, verhoed het maar! —zijn Gods-bevel volvoert,Dan word’ we door een ambtenaarver-über-hoch-kulturt.
Het moet maar weer het topic zijn,dat niet te mijden is:Alweer de oorlog. — Hier is mijngeloofsbelijdenis.Entre les deux mon coeur balance,waarom — dat zul je lezen;Dus: honni soit qui mal y pense,’k zal openhartig wezen.Ik mep ze beiden op ’t gezicht,en ’k loof ze — doe ’k expres:Dan blijft de zaak in evenwicht,en ik krijg geen proces.Het leusgeleuter is voor land-genooten en voor kindren,Neen, Duitschlandwouden Grooten Brand —de Brit wou ’m niet verhindren.Brittanje sluit den toevoer afvan ’t sterke Duitsche rijk,Wel, Duitschland slaat terug voor straf,nou...... beiden schóón gelijk!’t Duitsch snorkerig telegramgedruischverveelt ons wel ontzachelijk,Onz’ oude God en ’t IJzeren Kruis —dat vind’ we hier belachelijk.O, land van vrijheid-in-den-Staat,— ons voorbeeld — Engeland,Van zelfbestuur, van rappe daad,ons bindt een sterke band!En d’ Engelschman, steeds kalm (zelfsnu)die heelemaal geen „soldaat” is,Hij trekt ons aan, doordat hij hu-morist, sportief, en „smart” is.De Duitsche wetenschap en vlijt,de kunst, vooral muziek,Het bier, en de Gemüthlichkeit,ze zijn ons sympathiek.Voor Duitschers zijn die Fremden zeer,zéér achterlijke horden,„Kultur” dat zeggen z’ al niet meer,dat ’s „Hoch-kultur” geworden.De Brit behandelt iedren vreem-dling hoflijk, als een heer,Maar ziet — wat ’k hem niets kwalijk neem —diep op den foreigner neer.Hij heeft alleen maar te veel smaak,te vriendelijke manieren,Om op Kultur zoo van de da-ken af te renommieren.Wij haten ’t Britsch schijnheilig, slap-pe kijk-devoot-geteem,En ’t Duitsche lik-naar-boven-trap-naar-onderen-systeem.Zoodat ’k oprecht verklaren moet,— kan ’t meer neutraal gezegd zijn? —Ik vind dat z’ allebei even goed,en allebei even slecht zijn.En als het eindlijk vrede is,wat wacht ons landje dan?’t Is mooglijk dat ik me vergis,maar dit denk ik er van:KrijgtEngelandde heerschappij,dan zal ’t niet heel veel praten,Maar kalm den blooming for’ner vrij —— dat is: tevreden — laten.AlsDuitschland— Heer, verhoed het maar! —zijn Gods-bevel volvoert,Dan word’ we door een ambtenaarver-über-hoch-kulturt.
Het moet maar weer het topic zijn,dat niet te mijden is:Alweer de oorlog. — Hier is mijngeloofsbelijdenis.
Het moet maar weer het topic zijn,
dat niet te mijden is:
Alweer de oorlog. — Hier is mijn
geloofsbelijdenis.
Entre les deux mon coeur balance,waarom — dat zul je lezen;Dus: honni soit qui mal y pense,’k zal openhartig wezen.
Entre les deux mon coeur balance,
waarom — dat zul je lezen;
Dus: honni soit qui mal y pense,
’k zal openhartig wezen.
Ik mep ze beiden op ’t gezicht,en ’k loof ze — doe ’k expres:Dan blijft de zaak in evenwicht,en ik krijg geen proces.
Ik mep ze beiden op ’t gezicht,
en ’k loof ze — doe ’k expres:
Dan blijft de zaak in evenwicht,
en ik krijg geen proces.
Het leusgeleuter is voor land-genooten en voor kindren,Neen, Duitschlandwouden Grooten Brand —de Brit wou ’m niet verhindren.
Het leusgeleuter is voor land-
genooten en voor kindren,
Neen, Duitschlandwouden Grooten Brand —
de Brit wou ’m niet verhindren.
Brittanje sluit den toevoer afvan ’t sterke Duitsche rijk,Wel, Duitschland slaat terug voor straf,nou...... beiden schóón gelijk!
Brittanje sluit den toevoer af
van ’t sterke Duitsche rijk,
Wel, Duitschland slaat terug voor straf,
nou...... beiden schóón gelijk!
’t Duitsch snorkerig telegramgedruischverveelt ons wel ontzachelijk,Onz’ oude God en ’t IJzeren Kruis —dat vind’ we hier belachelijk.
’t Duitsch snorkerig telegramgedruisch
verveelt ons wel ontzachelijk,
Onz’ oude God en ’t IJzeren Kruis —
dat vind’ we hier belachelijk.
O, land van vrijheid-in-den-Staat,— ons voorbeeld — Engeland,Van zelfbestuur, van rappe daad,ons bindt een sterke band!
O, land van vrijheid-in-den-Staat,
— ons voorbeeld — Engeland,
Van zelfbestuur, van rappe daad,
ons bindt een sterke band!
En d’ Engelschman, steeds kalm (zelfsnu)die heelemaal geen „soldaat” is,Hij trekt ons aan, doordat hij hu-morist, sportief, en „smart” is.
En d’ Engelschman, steeds kalm (zelfsnu)
die heelemaal geen „soldaat” is,
Hij trekt ons aan, doordat hij hu-
morist, sportief, en „smart” is.
De Duitsche wetenschap en vlijt,de kunst, vooral muziek,Het bier, en de Gemüthlichkeit,ze zijn ons sympathiek.
De Duitsche wetenschap en vlijt,
de kunst, vooral muziek,
Het bier, en de Gemüthlichkeit,
ze zijn ons sympathiek.
Voor Duitschers zijn die Fremden zeer,zéér achterlijke horden,„Kultur” dat zeggen z’ al niet meer,dat ’s „Hoch-kultur” geworden.
Voor Duitschers zijn die Fremden zeer,
zéér achterlijke horden,
„Kultur” dat zeggen z’ al niet meer,
dat ’s „Hoch-kultur” geworden.
De Brit behandelt iedren vreem-dling hoflijk, als een heer,Maar ziet — wat ’k hem niets kwalijk neem —diep op den foreigner neer.
De Brit behandelt iedren vreem-
dling hoflijk, als een heer,
Maar ziet — wat ’k hem niets kwalijk neem —
diep op den foreigner neer.
Hij heeft alleen maar te veel smaak,te vriendelijke manieren,Om op Kultur zoo van de da-ken af te renommieren.
Hij heeft alleen maar te veel smaak,
te vriendelijke manieren,
Om op Kultur zoo van de da-
ken af te renommieren.
Wij haten ’t Britsch schijnheilig, slap-pe kijk-devoot-geteem,En ’t Duitsche lik-naar-boven-trap-naar-onderen-systeem.
Wij haten ’t Britsch schijnheilig, slap-
pe kijk-devoot-geteem,
En ’t Duitsche lik-naar-boven-trap-
naar-onderen-systeem.
Zoodat ’k oprecht verklaren moet,— kan ’t meer neutraal gezegd zijn? —Ik vind dat z’ allebei even goed,en allebei even slecht zijn.
Zoodat ’k oprecht verklaren moet,
— kan ’t meer neutraal gezegd zijn? —
Ik vind dat z’ allebei even goed,
en allebei even slecht zijn.
En als het eindlijk vrede is,wat wacht ons landje dan?’t Is mooglijk dat ik me vergis,maar dit denk ik er van:
En als het eindlijk vrede is,
wat wacht ons landje dan?
’t Is mooglijk dat ik me vergis,
maar dit denk ik er van:
KrijgtEngelandde heerschappij,dan zal ’t niet heel veel praten,Maar kalm den blooming for’ner vrij —— dat is: tevreden — laten.
KrijgtEngelandde heerschappij,
dan zal ’t niet heel veel praten,
Maar kalm den blooming for’ner vrij —
— dat is: tevreden — laten.
AlsDuitschland— Heer, verhoed het maar! —zijn Gods-bevel volvoert,Dan word’ we door een ambtenaarver-über-hoch-kulturt.
AlsDuitschland— Heer, verhoed het maar! —
zijn Gods-bevel volvoert,
Dan word’ we door een ambtenaar
ver-über-hoch-kulturt.
(Welkomstrijm aan „De Toekomst.”)
Aan Prof. Sleeswijk, dr. van Vredenburch en Prof. Valckenier Kips, Redacteuren.
Aan Prof. Sleeswijk, dr. van Vredenburch en Prof. Valckenier Kips, Redacteuren.
Heil U, hoog erhavene Lieden!Luistert naar mijn Woord een Wijl,En gestaat m’ U Lof te bieden,Groet U God! Hoog! Maaltijd! Heil!Gij, die Gij zoo kloek bemoeid zijt,Te verspreiden Duitschen Geest,Telt niet, dat Gij wel verfoeid zijtDoor ’t Gezindel, dat U vreest.Gij, die Gij zoo groote DingenU te onderstaan verzoekt,Glanzend moge Uw Werk gelingen,Looft den Pruis — den Brit vervloekt!Is het ja niet te beduren,Dat men Pruisische Kultur,Plaats ze immer aan te vuren,Hier verkent, als ik ervoer?Ach, bestreeft U met elkandren,Keizer Wilhelm trouw ten Dood,Ons almalig om te andren,Duitsch te maken, Pruisisch — groot.Schade, dat niet langst in dezenOorde klinkt de Wacht aan Rijn!Ach! dat waar te schoon gewezen,Ach! dat heeft niet zullen zijn!Met begeesteringsvolle WijdingU ontledigend van Uw Taak,Teigt G’ in d’ Omslag van Uw TijdingSchoon Uw Duitschen Hoog-gesmaak.Maar schrijft: „Tukomst” — dat verstaat zichDoch om zoo veel beter, ziet:D’ „oe” van „Toekomst” immers laat zichLezen: „ö”, als: „Goethe”, niet?Ja, ’k verloof m’ U in te laden,(’k Hoop ’k mij niet te gek beneem?)Tuisch den naam om, laat u raden,Heet ’t ten Bijspel...... hm: „Daarheem”!Ach, Uw werk is lievenswaardig,En gevallig ied’ren Pruis,Uiterdien bestemd grootaardig,Keizer! schik hun ’t IJzeren Kruis!’k Vrees mij slechts door andre Proffen,Schrijvers in Onze Eeuw of Gids,Wordt naast Uw Vereen van —Daargesteld een „Club” (pro-Britsch).En ’k verwacht zoovoort niet andersAls dat hier straks even goedd’ Oorlogtusschen NederlandersZooals nu in ’t Uitland, woedt......Wederig is mij alle tankenInnerhalf mijn dure land;’t Bruist een Roep in heetere Klanken:Wapen neder! Hader bant!Maar t’ is Tijd om optehooren,’k Ben aan ’t Einde mijnes Briefs,Lof zij God, die U verkoren,Schleswig, Friedenburg en Kiffs!
Heil U, hoog erhavene Lieden!Luistert naar mijn Woord een Wijl,En gestaat m’ U Lof te bieden,Groet U God! Hoog! Maaltijd! Heil!Gij, die Gij zoo kloek bemoeid zijt,Te verspreiden Duitschen Geest,Telt niet, dat Gij wel verfoeid zijtDoor ’t Gezindel, dat U vreest.Gij, die Gij zoo groote DingenU te onderstaan verzoekt,Glanzend moge Uw Werk gelingen,Looft den Pruis — den Brit vervloekt!Is het ja niet te beduren,Dat men Pruisische Kultur,Plaats ze immer aan te vuren,Hier verkent, als ik ervoer?Ach, bestreeft U met elkandren,Keizer Wilhelm trouw ten Dood,Ons almalig om te andren,Duitsch te maken, Pruisisch — groot.Schade, dat niet langst in dezenOorde klinkt de Wacht aan Rijn!Ach! dat waar te schoon gewezen,Ach! dat heeft niet zullen zijn!Met begeesteringsvolle WijdingU ontledigend van Uw Taak,Teigt G’ in d’ Omslag van Uw TijdingSchoon Uw Duitschen Hoog-gesmaak.Maar schrijft: „Tukomst” — dat verstaat zichDoch om zoo veel beter, ziet:D’ „oe” van „Toekomst” immers laat zichLezen: „ö”, als: „Goethe”, niet?Ja, ’k verloof m’ U in te laden,(’k Hoop ’k mij niet te gek beneem?)Tuisch den naam om, laat u raden,Heet ’t ten Bijspel...... hm: „Daarheem”!Ach, Uw werk is lievenswaardig,En gevallig ied’ren Pruis,Uiterdien bestemd grootaardig,Keizer! schik hun ’t IJzeren Kruis!’k Vrees mij slechts door andre Proffen,Schrijvers in Onze Eeuw of Gids,Wordt naast Uw Vereen van —Daargesteld een „Club” (pro-Britsch).En ’k verwacht zoovoort niet andersAls dat hier straks even goedd’ Oorlogtusschen NederlandersZooals nu in ’t Uitland, woedt......Wederig is mij alle tankenInnerhalf mijn dure land;’t Bruist een Roep in heetere Klanken:Wapen neder! Hader bant!Maar t’ is Tijd om optehooren,’k Ben aan ’t Einde mijnes Briefs,Lof zij God, die U verkoren,Schleswig, Friedenburg en Kiffs!
Heil U, hoog erhavene Lieden!Luistert naar mijn Woord een Wijl,En gestaat m’ U Lof te bieden,Groet U God! Hoog! Maaltijd! Heil!
Heil U, hoog erhavene Lieden!
Luistert naar mijn Woord een Wijl,
En gestaat m’ U Lof te bieden,
Groet U God! Hoog! Maaltijd! Heil!
Gij, die Gij zoo kloek bemoeid zijt,Te verspreiden Duitschen Geest,Telt niet, dat Gij wel verfoeid zijtDoor ’t Gezindel, dat U vreest.
Gij, die Gij zoo kloek bemoeid zijt,
Te verspreiden Duitschen Geest,
Telt niet, dat Gij wel verfoeid zijt
Door ’t Gezindel, dat U vreest.
Gij, die Gij zoo groote DingenU te onderstaan verzoekt,Glanzend moge Uw Werk gelingen,Looft den Pruis — den Brit vervloekt!
Gij, die Gij zoo groote Dingen
U te onderstaan verzoekt,
Glanzend moge Uw Werk gelingen,
Looft den Pruis — den Brit vervloekt!
Is het ja niet te beduren,Dat men Pruisische Kultur,Plaats ze immer aan te vuren,Hier verkent, als ik ervoer?
Is het ja niet te beduren,
Dat men Pruisische Kultur,
Plaats ze immer aan te vuren,
Hier verkent, als ik ervoer?
Ach, bestreeft U met elkandren,Keizer Wilhelm trouw ten Dood,Ons almalig om te andren,Duitsch te maken, Pruisisch — groot.
Ach, bestreeft U met elkandren,
Keizer Wilhelm trouw ten Dood,
Ons almalig om te andren,
Duitsch te maken, Pruisisch — groot.
Schade, dat niet langst in dezenOorde klinkt de Wacht aan Rijn!Ach! dat waar te schoon gewezen,Ach! dat heeft niet zullen zijn!
Schade, dat niet langst in dezen
Oorde klinkt de Wacht aan Rijn!
Ach! dat waar te schoon gewezen,
Ach! dat heeft niet zullen zijn!
Met begeesteringsvolle WijdingU ontledigend van Uw Taak,Teigt G’ in d’ Omslag van Uw TijdingSchoon Uw Duitschen Hoog-gesmaak.
Met begeesteringsvolle Wijding
U ontledigend van Uw Taak,
Teigt G’ in d’ Omslag van Uw Tijding
Schoon Uw Duitschen Hoog-gesmaak.
Maar schrijft: „Tukomst” — dat verstaat zichDoch om zoo veel beter, ziet:D’ „oe” van „Toekomst” immers laat zichLezen: „ö”, als: „Goethe”, niet?
Maar schrijft: „Tukomst” — dat verstaat zich
Doch om zoo veel beter, ziet:
D’ „oe” van „Toekomst” immers laat zich
Lezen: „ö”, als: „Goethe”, niet?
Ja, ’k verloof m’ U in te laden,(’k Hoop ’k mij niet te gek beneem?)Tuisch den naam om, laat u raden,Heet ’t ten Bijspel...... hm: „Daarheem”!
Ja, ’k verloof m’ U in te laden,
(’k Hoop ’k mij niet te gek beneem?)
Tuisch den naam om, laat u raden,
Heet ’t ten Bijspel...... hm: „Daarheem”!
Ach, Uw werk is lievenswaardig,En gevallig ied’ren Pruis,Uiterdien bestemd grootaardig,Keizer! schik hun ’t IJzeren Kruis!
Ach, Uw werk is lievenswaardig,
En gevallig ied’ren Pruis,
Uiterdien bestemd grootaardig,
Keizer! schik hun ’t IJzeren Kruis!
’k Vrees mij slechts door andre Proffen,Schrijvers in Onze Eeuw of Gids,Wordt naast Uw Vereen van —Daargesteld een „Club” (pro-Britsch).
’k Vrees mij slechts door andre Proffen,
Schrijvers in Onze Eeuw of Gids,
Wordt naast Uw Vereen van —
Daargesteld een „Club” (pro-Britsch).
En ’k verwacht zoovoort niet andersAls dat hier straks even goedd’ Oorlogtusschen NederlandersZooals nu in ’t Uitland, woedt......
En ’k verwacht zoovoort niet anders
Als dat hier straks even goed
d’ Oorlogtusschen Nederlanders
Zooals nu in ’t Uitland, woedt......
Wederig is mij alle tankenInnerhalf mijn dure land;’t Bruist een Roep in heetere Klanken:Wapen neder! Hader bant!
Wederig is mij alle tanken
Innerhalf mijn dure land;
’t Bruist een Roep in heetere Klanken:
Wapen neder! Hader bant!
Maar t’ is Tijd om optehooren,’k Ben aan ’t Einde mijnes Briefs,Lof zij God, die U verkoren,Schleswig, Friedenburg en Kiffs!
Maar t’ is Tijd om optehooren,
’k Ben aan ’t Einde mijnes Briefs,
Lof zij God, die U verkoren,
Schleswig, Friedenburg en Kiffs!
(„Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.” —Stijn Streuvels in de Nieuwe Groene.)
(„Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.” —Stijn Streuvels in de Nieuwe Groene.)
(„Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.” —Stijn Streuvels in de Nieuwe Groene.)
Stijn Streuvels heeft gelijk. Zoo is ’t. Ik ben gerust.Herhaalt het, Hollanders, verkondt het van de daken!Dat het weerklink’ van berg tot berg, van kust tot kust:Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken!Wij willen wel waardeeren waar het kan. Maar toch,Wij hebben andere noties, neigingen en smaken;Onze eigen aard van eeuwen her — hij is er nog!Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.Hollandsche humor blijft, geschoeid op d’ eigen leest,De zachte taal — vol kracht! — die onze vaadren spraken,Maar bovenal blijft onz’ ontembre Vrijheidsgeest...Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.Laat dan een duistreTukomst-bent in wee gevleiHun waardigheid en plicht en landsgevoel verzaken;Keert hun den rug toe. Wat wij zijn, dat blijven wij.Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.Wordt soms de Taal, door germanismen in de krantEn menig boek — bekent het met beschaamde kaken! —Van ’t pootig Nederlandsch tot duf plat-Duitsch ontmand,Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.Ja, ook al mocht voor Holland zelve d’ ure slaan,En ’t Lam, door overmacht, in ’s Adelaars klauw geraken,Des Grooten Zwijgers geest zal nimmermeer vergaan...Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Stijn Streuvels heeft gelijk. Zoo is ’t. Ik ben gerust.Herhaalt het, Hollanders, verkondt het van de daken!Dat het weerklink’ van berg tot berg, van kust tot kust:Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken!Wij willen wel waardeeren waar het kan. Maar toch,Wij hebben andere noties, neigingen en smaken;Onze eigen aard van eeuwen her — hij is er nog!Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.Hollandsche humor blijft, geschoeid op d’ eigen leest,De zachte taal — vol kracht! — die onze vaadren spraken,Maar bovenal blijft onz’ ontembre Vrijheidsgeest...Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.Laat dan een duistreTukomst-bent in wee gevleiHun waardigheid en plicht en landsgevoel verzaken;Keert hun den rug toe. Wat wij zijn, dat blijven wij.Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.Wordt soms de Taal, door germanismen in de krantEn menig boek — bekent het met beschaamde kaken! —Van ’t pootig Nederlandsch tot duf plat-Duitsch ontmand,Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.Ja, ook al mocht voor Holland zelve d’ ure slaan,En ’t Lam, door overmacht, in ’s Adelaars klauw geraken,Des Grooten Zwijgers geest zal nimmermeer vergaan...Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Stijn Streuvels heeft gelijk. Zoo is ’t. Ik ben gerust.Herhaalt het, Hollanders, verkondt het van de daken!Dat het weerklink’ van berg tot berg, van kust tot kust:Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken!
Stijn Streuvels heeft gelijk. Zoo is ’t. Ik ben gerust.
Herhaalt het, Hollanders, verkondt het van de daken!
Dat het weerklink’ van berg tot berg, van kust tot kust:
Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken!
Wij willen wel waardeeren waar het kan. Maar toch,Wij hebben andere noties, neigingen en smaken;Onze eigen aard van eeuwen her — hij is er nog!Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Wij willen wel waardeeren waar het kan. Maar toch,
Wij hebben andere noties, neigingen en smaken;
Onze eigen aard van eeuwen her — hij is er nog!
Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Hollandsche humor blijft, geschoeid op d’ eigen leest,De zachte taal — vol kracht! — die onze vaadren spraken,Maar bovenal blijft onz’ ontembre Vrijheidsgeest...Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Hollandsche humor blijft, geschoeid op d’ eigen leest,
De zachte taal — vol kracht! — die onze vaadren spraken,
Maar bovenal blijft onz’ ontembre Vrijheidsgeest...
Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Laat dan een duistreTukomst-bent in wee gevleiHun waardigheid en plicht en landsgevoel verzaken;Keert hun den rug toe. Wat wij zijn, dat blijven wij.Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Laat dan een duistreTukomst-bent in wee gevlei
Hun waardigheid en plicht en landsgevoel verzaken;
Keert hun den rug toe. Wat wij zijn, dat blijven wij.
Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Wordt soms de Taal, door germanismen in de krantEn menig boek — bekent het met beschaamde kaken! —Van ’t pootig Nederlandsch tot duf plat-Duitsch ontmand,Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Wordt soms de Taal, door germanismen in de krant
En menig boek — bekent het met beschaamde kaken! —
Van ’t pootig Nederlandsch tot duf plat-Duitsch ontmand,
Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Ja, ook al mocht voor Holland zelve d’ ure slaan,En ’t Lam, door overmacht, in ’s Adelaars klauw geraken,Des Grooten Zwijgers geest zal nimmermeer vergaan...Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Ja, ook al mocht voor Holland zelve d’ ure slaan,
En ’t Lam, door overmacht, in ’s Adelaars klauw geraken,
Des Grooten Zwijgers geest zal nimmermeer vergaan...
Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.
Afscheidsrijm aan „De Toekomst.”
Vier jaren lang hadt gij den last te zeulenVan wat gij hieldt voor uw verheven plicht;Om met den keizer-en-zijn-kliek te heulen;Met wellust hebt gij ’t weeë werk verricht.Daar velde plotseling de bliksemschichtUw aangebeden goden — België’s beulen.Gij zette (en niet ten onrechte) een gezicht,Alsof ge ’t hoorde donderen in Keulen.Nu is uw lekke, wrakke schuit gestrand,En kiel en dek en mast ligt stukgeslagen.Wat kunt gij nog beginnen, mag men vragen,Nu gij het groote Deutsche VaterlandNiet weeklijks meer kunt vleien, loven, likken?Gij kunt... je kunt voor mijn part allemaal — !
Vier jaren lang hadt gij den last te zeulenVan wat gij hieldt voor uw verheven plicht;Om met den keizer-en-zijn-kliek te heulen;Met wellust hebt gij ’t weeë werk verricht.Daar velde plotseling de bliksemschichtUw aangebeden goden — België’s beulen.Gij zette (en niet ten onrechte) een gezicht,Alsof ge ’t hoorde donderen in Keulen.Nu is uw lekke, wrakke schuit gestrand,En kiel en dek en mast ligt stukgeslagen.Wat kunt gij nog beginnen, mag men vragen,Nu gij het groote Deutsche VaterlandNiet weeklijks meer kunt vleien, loven, likken?Gij kunt... je kunt voor mijn part allemaal — !
Vier jaren lang hadt gij den last te zeulenVan wat gij hieldt voor uw verheven plicht;Om met den keizer-en-zijn-kliek te heulen;Met wellust hebt gij ’t weeë werk verricht.
Vier jaren lang hadt gij den last te zeulen
Van wat gij hieldt voor uw verheven plicht;
Om met den keizer-en-zijn-kliek te heulen;
Met wellust hebt gij ’t weeë werk verricht.
Daar velde plotseling de bliksemschichtUw aangebeden goden — België’s beulen.Gij zette (en niet ten onrechte) een gezicht,Alsof ge ’t hoorde donderen in Keulen.
Daar velde plotseling de bliksemschicht
Uw aangebeden goden — België’s beulen.
Gij zette (en niet ten onrechte) een gezicht,
Alsof ge ’t hoorde donderen in Keulen.
Nu is uw lekke, wrakke schuit gestrand,En kiel en dek en mast ligt stukgeslagen.Wat kunt gij nog beginnen, mag men vragen,Nu gij het groote Deutsche VaterlandNiet weeklijks meer kunt vleien, loven, likken?Gij kunt... je kunt voor mijn part allemaal — !
Nu is uw lekke, wrakke schuit gestrand,
En kiel en dek en mast ligt stukgeslagen.
Wat kunt gij nog beginnen, mag men vragen,
Nu gij het groote Deutsche Vaterland
Niet weeklijks meer kunt vleien, loven, likken?
Gij kunt... je kunt voor mijn part allemaal — !
O, die blinde, blinde, blinde,Blinde, blinde Duitsch-gezinde,Die maar nooitietskunnen vinde’In hun hoch-kultursche vrinde’Dat niet über-hoch-volmaakt is,Waarvan elk direct geraakt is,Die ’t eenvoudig niet verdragen,Als je ’t maar zou durven wagen,Even, weifelend, te vragen,Of in al die oorlogsdagen,d’ Uber-hoch-kulturelingenNooit één enkele fout begingen?Laat’ we, zonder te laveeren,Ons de luxe permitteerenOm nog wat te critiseeren,Laten we toch profiteerenVan het feit, dat wij nog vrij zijn,Dat we werklijk geen partij zijn.Met pro-Britten valt te spreken,Die zijn niet zoo blind gekeken,Zien in Engeland, ’t is gebleken,Hier en daar nog wel gebreken.Is ’t niet juist ons grootste voordeel,Dat we vrij zijn in ons oordeel?En nu mag ’k niet eens wat spele’,Spotten, schertsen met de heeleVele, vele, vele, veleDikke-lange-woorden-tele-Grammen, die ze prachtig vindenDie ze lezen en verslinden!En terwijl ze plots ontbranden,Voor het heerlijkst land der landen,Slaan zij klapprend met de tanden,Woest, met allebei de handen,In vervoering op de tafel,Schreeuwende: „hou jij je wafel!Duitschland, moedig, kloek en krachtig,Heerschen zal en moet het, machtigOver d’ aard, alleen, eendrachtig,Deze strijd is grootsch en prachtig!”En geen enkel Duitsch sergeantje,Korporaaltje, luitenantje,Heeft ooit iets, iets, iets misdreven,Krieg ist Krieg — zoo is nu ’t leven,Ziet, hoe heerlijk en verhevenZij zich in den dood begeven...En zij zingen: hoog den Keizer!Wie is grooter, wie is wijzer?En dan wordt er schel geschetterd,Ge-potstausenddonnerwetterd,Dat het klinkt en knalt en knettert,En — ik ben maar ongeletterd,Ik kan ’t niet zoo mooi vertellen,Hoe ze ’t weten voor te stellen —Maar dat brallen, ’t brengt hun lavingOp de Duitsche hoogbeschaving,Duitsche uitduur en begaving!En dan zingen zij tot stavingVan hun woorden, overmeesterdDoor hun geestdrift, gansch begeesterd,Unsere Wacht am Rhein, bestendig,Want die kennen ze uitwendig,En ze smokkelen behendigMenig leelijk, lomp, ellendigGermanisme in hun zinnen,Want per slotmoetDuitschland winnen,En we moeten, zelfs in ’t praten,Nu al vast bemerken laten,Dat we ’t liefst bij Duitschland zaten,Als een van de Bundesstaten.Duitsch zijn zou hun ideaal zijn,Neen, zij kunnen niet neutraal zijn,Door de banden, die hen binde’Aan Groot-Duitschland, ’t veel beminde,O, die blinde, blinde, blinde,Blinde, blinde Duitsch-gezinde...!
O, die blinde, blinde, blinde,Blinde, blinde Duitsch-gezinde,Die maar nooitietskunnen vinde’In hun hoch-kultursche vrinde’Dat niet über-hoch-volmaakt is,Waarvan elk direct geraakt is,Die ’t eenvoudig niet verdragen,Als je ’t maar zou durven wagen,Even, weifelend, te vragen,Of in al die oorlogsdagen,d’ Uber-hoch-kulturelingenNooit één enkele fout begingen?Laat’ we, zonder te laveeren,Ons de luxe permitteerenOm nog wat te critiseeren,Laten we toch profiteerenVan het feit, dat wij nog vrij zijn,Dat we werklijk geen partij zijn.Met pro-Britten valt te spreken,Die zijn niet zoo blind gekeken,Zien in Engeland, ’t is gebleken,Hier en daar nog wel gebreken.Is ’t niet juist ons grootste voordeel,Dat we vrij zijn in ons oordeel?En nu mag ’k niet eens wat spele’,Spotten, schertsen met de heeleVele, vele, vele, veleDikke-lange-woorden-tele-Grammen, die ze prachtig vindenDie ze lezen en verslinden!En terwijl ze plots ontbranden,Voor het heerlijkst land der landen,Slaan zij klapprend met de tanden,Woest, met allebei de handen,In vervoering op de tafel,Schreeuwende: „hou jij je wafel!Duitschland, moedig, kloek en krachtig,Heerschen zal en moet het, machtigOver d’ aard, alleen, eendrachtig,Deze strijd is grootsch en prachtig!”En geen enkel Duitsch sergeantje,Korporaaltje, luitenantje,Heeft ooit iets, iets, iets misdreven,Krieg ist Krieg — zoo is nu ’t leven,Ziet, hoe heerlijk en verhevenZij zich in den dood begeven...En zij zingen: hoog den Keizer!Wie is grooter, wie is wijzer?En dan wordt er schel geschetterd,Ge-potstausenddonnerwetterd,Dat het klinkt en knalt en knettert,En — ik ben maar ongeletterd,Ik kan ’t niet zoo mooi vertellen,Hoe ze ’t weten voor te stellen —Maar dat brallen, ’t brengt hun lavingOp de Duitsche hoogbeschaving,Duitsche uitduur en begaving!En dan zingen zij tot stavingVan hun woorden, overmeesterdDoor hun geestdrift, gansch begeesterd,Unsere Wacht am Rhein, bestendig,Want die kennen ze uitwendig,En ze smokkelen behendigMenig leelijk, lomp, ellendigGermanisme in hun zinnen,Want per slotmoetDuitschland winnen,En we moeten, zelfs in ’t praten,Nu al vast bemerken laten,Dat we ’t liefst bij Duitschland zaten,Als een van de Bundesstaten.Duitsch zijn zou hun ideaal zijn,Neen, zij kunnen niet neutraal zijn,Door de banden, die hen binde’Aan Groot-Duitschland, ’t veel beminde,O, die blinde, blinde, blinde,Blinde, blinde Duitsch-gezinde...!
O, die blinde, blinde, blinde,Blinde, blinde Duitsch-gezinde,Die maar nooitietskunnen vinde’In hun hoch-kultursche vrinde’Dat niet über-hoch-volmaakt is,Waarvan elk direct geraakt is,Die ’t eenvoudig niet verdragen,Als je ’t maar zou durven wagen,Even, weifelend, te vragen,Of in al die oorlogsdagen,d’ Uber-hoch-kulturelingenNooit één enkele fout begingen?Laat’ we, zonder te laveeren,Ons de luxe permitteerenOm nog wat te critiseeren,Laten we toch profiteerenVan het feit, dat wij nog vrij zijn,Dat we werklijk geen partij zijn.Met pro-Britten valt te spreken,Die zijn niet zoo blind gekeken,Zien in Engeland, ’t is gebleken,Hier en daar nog wel gebreken.Is ’t niet juist ons grootste voordeel,Dat we vrij zijn in ons oordeel?En nu mag ’k niet eens wat spele’,Spotten, schertsen met de heeleVele, vele, vele, veleDikke-lange-woorden-tele-Grammen, die ze prachtig vindenDie ze lezen en verslinden!En terwijl ze plots ontbranden,Voor het heerlijkst land der landen,Slaan zij klapprend met de tanden,Woest, met allebei de handen,In vervoering op de tafel,Schreeuwende: „hou jij je wafel!Duitschland, moedig, kloek en krachtig,Heerschen zal en moet het, machtigOver d’ aard, alleen, eendrachtig,Deze strijd is grootsch en prachtig!”En geen enkel Duitsch sergeantje,Korporaaltje, luitenantje,Heeft ooit iets, iets, iets misdreven,Krieg ist Krieg — zoo is nu ’t leven,Ziet, hoe heerlijk en verhevenZij zich in den dood begeven...En zij zingen: hoog den Keizer!Wie is grooter, wie is wijzer?En dan wordt er schel geschetterd,Ge-potstausenddonnerwetterd,Dat het klinkt en knalt en knettert,En — ik ben maar ongeletterd,Ik kan ’t niet zoo mooi vertellen,Hoe ze ’t weten voor te stellen —Maar dat brallen, ’t brengt hun lavingOp de Duitsche hoogbeschaving,Duitsche uitduur en begaving!En dan zingen zij tot stavingVan hun woorden, overmeesterdDoor hun geestdrift, gansch begeesterd,Unsere Wacht am Rhein, bestendig,Want die kennen ze uitwendig,En ze smokkelen behendigMenig leelijk, lomp, ellendigGermanisme in hun zinnen,Want per slotmoetDuitschland winnen,En we moeten, zelfs in ’t praten,Nu al vast bemerken laten,Dat we ’t liefst bij Duitschland zaten,Als een van de Bundesstaten.Duitsch zijn zou hun ideaal zijn,Neen, zij kunnen niet neutraal zijn,Door de banden, die hen binde’Aan Groot-Duitschland, ’t veel beminde,O, die blinde, blinde, blinde,Blinde, blinde Duitsch-gezinde...!
O, die blinde, blinde, blinde,
Blinde, blinde Duitsch-gezinde,
Die maar nooitietskunnen vinde’
In hun hoch-kultursche vrinde’
Dat niet über-hoch-volmaakt is,
Waarvan elk direct geraakt is,
Die ’t eenvoudig niet verdragen,
Als je ’t maar zou durven wagen,
Even, weifelend, te vragen,
Of in al die oorlogsdagen,
d’ Uber-hoch-kulturelingen
Nooit één enkele fout begingen?
Laat’ we, zonder te laveeren,
Ons de luxe permitteeren
Om nog wat te critiseeren,
Laten we toch profiteeren
Van het feit, dat wij nog vrij zijn,
Dat we werklijk geen partij zijn.
Met pro-Britten valt te spreken,
Die zijn niet zoo blind gekeken,
Zien in Engeland, ’t is gebleken,
Hier en daar nog wel gebreken.
Is ’t niet juist ons grootste voordeel,
Dat we vrij zijn in ons oordeel?
En nu mag ’k niet eens wat spele’,
Spotten, schertsen met de heele
Vele, vele, vele, vele
Dikke-lange-woorden-tele-
Grammen, die ze prachtig vinden
Die ze lezen en verslinden!
En terwijl ze plots ontbranden,
Voor het heerlijkst land der landen,
Slaan zij klapprend met de tanden,
Woest, met allebei de handen,
In vervoering op de tafel,
Schreeuwende: „hou jij je wafel!
Duitschland, moedig, kloek en krachtig,
Heerschen zal en moet het, machtig
Over d’ aard, alleen, eendrachtig,
Deze strijd is grootsch en prachtig!”
En geen enkel Duitsch sergeantje,
Korporaaltje, luitenantje,
Heeft ooit iets, iets, iets misdreven,
Krieg ist Krieg — zoo is nu ’t leven,
Ziet, hoe heerlijk en verheven
Zij zich in den dood begeven...
En zij zingen: hoog den Keizer!
Wie is grooter, wie is wijzer?
En dan wordt er schel geschetterd,
Ge-potstausenddonnerwetterd,
Dat het klinkt en knalt en knettert,
En — ik ben maar ongeletterd,
Ik kan ’t niet zoo mooi vertellen,
Hoe ze ’t weten voor te stellen —
Maar dat brallen, ’t brengt hun laving
Op de Duitsche hoogbeschaving,
Duitsche uitduur en begaving!
En dan zingen zij tot staving
Van hun woorden, overmeesterd
Door hun geestdrift, gansch begeesterd,
Unsere Wacht am Rhein, bestendig,
Want die kennen ze uitwendig,
En ze smokkelen behendig
Menig leelijk, lomp, ellendig
Germanisme in hun zinnen,
Want per slotmoetDuitschland winnen,
En we moeten, zelfs in ’t praten,
Nu al vast bemerken laten,
Dat we ’t liefst bij Duitschland zaten,
Als een van de Bundesstaten.
Duitsch zijn zou hun ideaal zijn,
Neen, zij kunnen niet neutraal zijn,
Door de banden, die hen binde’
Aan Groot-Duitschland, ’t veel beminde,
O, die blinde, blinde, blinde,
Blinde, blinde Duitsch-gezinde...!
Anti-pro-Rijm.
Anti-pro-Rijm.
Ach, ons goede land, eilacy!Is verdeeld, al is er vreê,Onze „eensgezinde” natieScheidt een zwarte lijn in twee.’t Is de lijn, die fel-prodittenVan de fel-prodatten scheidt,Die de Duitschers en de BrittenNadoen — in een pennestrijd.Als de honden en de kattenStaan ze klaar tot krab of beet,De proditten en prodatten,Even vinnig, even wreed.Waarom moeten wij tochdwepenMet den Duitscher of den Brit?Heb je nog al niet begrepen,Dat je net in ’t midden zit?Ach, moest ’t lot ons zóó beloonen,Waaraan hebben wij ’t verdiend,Dat de vader van zijn zonen,En de vriend wijkt van den vriend?Bij de huiselijke feesten,Waar juist alles één moest zijn,Scheidt de harten en de geestenDie beroerde zwarte lijn!Vriend en vriend, en zoon en vader,Elk aan elken kant der lijn!Brengt je dan ’t idee niet nader,Dat de strijdersgekkenzijn?Gekken zijn ’t! aan beide zijden,Onze sympathie niet waard,Te verdwaasd om uit te scheiden,Als een toomloos, hollend paard.Duidelijk verklaart het geene,Waarom hij ’t gemoord begon,„Prusianisme”, zegt de eene,d’ Ander: „’t plaatsje in de zon.”En met zulke vage woordenSnelde men in ’t strijdgewoel,En zoo als de grond van ’t moorden,Even wazig — is hetdoel.Laat ’m branden, ook al brandt ieNóg zoo fel daar, d’ oorlogstoorts,Weg met pro’s! Wees enkelanti:Anti-dollemans-oorlogskoorts!
Ach, ons goede land, eilacy!Is verdeeld, al is er vreê,Onze „eensgezinde” natieScheidt een zwarte lijn in twee.’t Is de lijn, die fel-prodittenVan de fel-prodatten scheidt,Die de Duitschers en de BrittenNadoen — in een pennestrijd.Als de honden en de kattenStaan ze klaar tot krab of beet,De proditten en prodatten,Even vinnig, even wreed.Waarom moeten wij tochdwepenMet den Duitscher of den Brit?Heb je nog al niet begrepen,Dat je net in ’t midden zit?Ach, moest ’t lot ons zóó beloonen,Waaraan hebben wij ’t verdiend,Dat de vader van zijn zonen,En de vriend wijkt van den vriend?Bij de huiselijke feesten,Waar juist alles één moest zijn,Scheidt de harten en de geestenDie beroerde zwarte lijn!Vriend en vriend, en zoon en vader,Elk aan elken kant der lijn!Brengt je dan ’t idee niet nader,Dat de strijdersgekkenzijn?Gekken zijn ’t! aan beide zijden,Onze sympathie niet waard,Te verdwaasd om uit te scheiden,Als een toomloos, hollend paard.Duidelijk verklaart het geene,Waarom hij ’t gemoord begon,„Prusianisme”, zegt de eene,d’ Ander: „’t plaatsje in de zon.”En met zulke vage woordenSnelde men in ’t strijdgewoel,En zoo als de grond van ’t moorden,Even wazig — is hetdoel.Laat ’m branden, ook al brandt ieNóg zoo fel daar, d’ oorlogstoorts,Weg met pro’s! Wees enkelanti:Anti-dollemans-oorlogskoorts!
Ach, ons goede land, eilacy!Is verdeeld, al is er vreê,Onze „eensgezinde” natieScheidt een zwarte lijn in twee.
Ach, ons goede land, eilacy!
Is verdeeld, al is er vreê,
Onze „eensgezinde” natie
Scheidt een zwarte lijn in twee.
’t Is de lijn, die fel-prodittenVan de fel-prodatten scheidt,Die de Duitschers en de BrittenNadoen — in een pennestrijd.
’t Is de lijn, die fel-proditten
Van de fel-prodatten scheidt,
Die de Duitschers en de Britten
Nadoen — in een pennestrijd.
Als de honden en de kattenStaan ze klaar tot krab of beet,De proditten en prodatten,Even vinnig, even wreed.
Als de honden en de katten
Staan ze klaar tot krab of beet,
De proditten en prodatten,
Even vinnig, even wreed.
Waarom moeten wij tochdwepenMet den Duitscher of den Brit?Heb je nog al niet begrepen,Dat je net in ’t midden zit?
Waarom moeten wij tochdwepen
Met den Duitscher of den Brit?
Heb je nog al niet begrepen,
Dat je net in ’t midden zit?
Ach, moest ’t lot ons zóó beloonen,Waaraan hebben wij ’t verdiend,Dat de vader van zijn zonen,En de vriend wijkt van den vriend?
Ach, moest ’t lot ons zóó beloonen,
Waaraan hebben wij ’t verdiend,
Dat de vader van zijn zonen,
En de vriend wijkt van den vriend?
Bij de huiselijke feesten,Waar juist alles één moest zijn,Scheidt de harten en de geestenDie beroerde zwarte lijn!
Bij de huiselijke feesten,
Waar juist alles één moest zijn,
Scheidt de harten en de geesten
Die beroerde zwarte lijn!
Vriend en vriend, en zoon en vader,Elk aan elken kant der lijn!Brengt je dan ’t idee niet nader,Dat de strijdersgekkenzijn?
Vriend en vriend, en zoon en vader,
Elk aan elken kant der lijn!
Brengt je dan ’t idee niet nader,
Dat de strijdersgekkenzijn?
Gekken zijn ’t! aan beide zijden,Onze sympathie niet waard,Te verdwaasd om uit te scheiden,Als een toomloos, hollend paard.
Gekken zijn ’t! aan beide zijden,
Onze sympathie niet waard,
Te verdwaasd om uit te scheiden,
Als een toomloos, hollend paard.
Duidelijk verklaart het geene,Waarom hij ’t gemoord begon,„Prusianisme”, zegt de eene,d’ Ander: „’t plaatsje in de zon.”
Duidelijk verklaart het geene,
Waarom hij ’t gemoord begon,
„Prusianisme”, zegt de eene,
d’ Ander: „’t plaatsje in de zon.”
En met zulke vage woordenSnelde men in ’t strijdgewoel,En zoo als de grond van ’t moorden,Even wazig — is hetdoel.
En met zulke vage woorden
Snelde men in ’t strijdgewoel,
En zoo als de grond van ’t moorden,
Even wazig — is hetdoel.
Laat ’m branden, ook al brandt ieNóg zoo fel daar, d’ oorlogstoorts,Weg met pro’s! Wees enkelanti:Anti-dollemans-oorlogskoorts!
Laat ’m branden, ook al brandt ie
Nóg zoo fel daar, d’ oorlogstoorts,
Weg met pro’s! Wees enkelanti:
Anti-dollemans-oorlogskoorts!
„Wij ontmoetten dezer dagen een knap man uit het volk, die jaren lang als melkknecht in Duitschland was werkzaam geweest. Zijne krachtige, sympathieke persoonlijkheid wekte vertrouwen, en wij konden den lust niet weerstaan hem te ondervragen, om van hem te vernemen wat hem van de Duitsche kultuur had gesproken. „De Duitschers zijn vlotte menschen,” zeide hij. — „En het drinken?” vroegen wij. „Bier,” was het antwoord. „Overal en altijd in Westfalen, bier.” — Toen begon ik zoowat over de denkbeelden van von Treitschke en Bernardi. Dat was echter aan onzen melkknecht onbekend terrein gebleven. — Men kan zeker niet afgaan op de ondervindingen van één Nederlandschen melkknecht, wanneer men wil weten wat de Duitsche Kultur beteekent. Toch valt niet te ontkennen, dat de opmerkingen van den melkknecht misschien den sleutel geven, waardoor wij een der hoofdoorzaken van het succes der Duitschers leeren begrijpen.”N. R. C.
„Wij ontmoetten dezer dagen een knap man uit het volk, die jaren lang als melkknecht in Duitschland was werkzaam geweest. Zijne krachtige, sympathieke persoonlijkheid wekte vertrouwen, en wij konden den lust niet weerstaan hem te ondervragen, om van hem te vernemen wat hem van de Duitsche kultuur had gesproken. „De Duitschers zijn vlotte menschen,” zeide hij. — „En het drinken?” vroegen wij. „Bier,” was het antwoord. „Overal en altijd in Westfalen, bier.” — Toen begon ik zoowat over de denkbeelden van von Treitschke en Bernardi. Dat was echter aan onzen melkknecht onbekend terrein gebleven. — Men kan zeker niet afgaan op de ondervindingen van één Nederlandschen melkknecht, wanneer men wil weten wat de Duitsche Kultur beteekent. Toch valt niet te ontkennen, dat de opmerkingen van den melkknecht misschien den sleutel geven, waardoor wij een der hoofdoorzaken van het succes der Duitschers leeren begrijpen.”N. R. C.
Wij zijn niet lichtvaardig en wuft van natuur,We gelooven maar zóó niet wat elk zegt!We hebben daarom, want we zijn wat secuur,d’ Opinie gevraagd over Duitsche kultuurVan een knappen en krachtigen melk-knecht.„O melk-knecht,” zoo spraken we, vriendlijk, maar vrij,„Het zal ons een werklijk genot zijn,Te hoor’n wat U dunkt van Kultur!” ...„Zeg maarjij!”Zei de melk-knecht, „en ’k zweer je,” zoo voegd’ ie er bij,„Dat de Duitschers beslist ruizevlot zijn!”Nu kwam er een vraag op — belangrijk genoegMaar we plaatsten haar wat onverwàchts hier —„Wat is er de drank?” — „Bij m’n eg en m’n ploeg!”Riep hij uit, „dat is bier, bier-bier-bier — ’s morgens vroeg,En ’s middags bier, ’s avonds bier, ’s nàchts bier!”„Maar luister eens,” zeiden we, ietwat bedeesd,— Want die melk-knecht bleek lang niet van gister! —Maar dat intrigueerde ons toch nog het meest,„Is-t-er dan een speciaal-Duitsch kultuurlijke geest?”„Nou reken maar!” sprak hij, „die is-t-er!”„Wat dunkt je van Treitschke?” zoo gingen wij voort,„Wat is jou idee van Bernardi?”„Zeg, as-je-me-nou!” sprak de melk-knecht verstoord,„O ja, toch, daar hè ’k wel ’s wàt van gehoord......Maar ’k weet ’t niet meer. Ik verwar die — ”Men kan zeker niet op hetgeen wordt beweerdDoor een Hollandschen melk-knecht maar, afgaan,Wanneer men zich sterk voor „Kultur” intresseert.Maar alles wat hier omtrent „Bier” wordt geleerd,Zal menigeen toch nog doen paf staan.Charivarius is net als het deftige blad,Hij gelooft ook maar zóó niet, wat elk zeit,Maar alshij„Kultur”-vorschings-neigingen had,Ginghijvoor een klein interviewtje op ’t pad......Met een knappe en krachtigemelk-meid!
Wij zijn niet lichtvaardig en wuft van natuur,We gelooven maar zóó niet wat elk zegt!We hebben daarom, want we zijn wat secuur,d’ Opinie gevraagd over Duitsche kultuurVan een knappen en krachtigen melk-knecht.„O melk-knecht,” zoo spraken we, vriendlijk, maar vrij,„Het zal ons een werklijk genot zijn,Te hoor’n wat U dunkt van Kultur!” ...„Zeg maarjij!”Zei de melk-knecht, „en ’k zweer je,” zoo voegd’ ie er bij,„Dat de Duitschers beslist ruizevlot zijn!”Nu kwam er een vraag op — belangrijk genoegMaar we plaatsten haar wat onverwàchts hier —„Wat is er de drank?” — „Bij m’n eg en m’n ploeg!”Riep hij uit, „dat is bier, bier-bier-bier — ’s morgens vroeg,En ’s middags bier, ’s avonds bier, ’s nàchts bier!”„Maar luister eens,” zeiden we, ietwat bedeesd,— Want die melk-knecht bleek lang niet van gister! —Maar dat intrigueerde ons toch nog het meest,„Is-t-er dan een speciaal-Duitsch kultuurlijke geest?”„Nou reken maar!” sprak hij, „die is-t-er!”„Wat dunkt je van Treitschke?” zoo gingen wij voort,„Wat is jou idee van Bernardi?”„Zeg, as-je-me-nou!” sprak de melk-knecht verstoord,„O ja, toch, daar hè ’k wel ’s wàt van gehoord......Maar ’k weet ’t niet meer. Ik verwar die — ”Men kan zeker niet op hetgeen wordt beweerdDoor een Hollandschen melk-knecht maar, afgaan,Wanneer men zich sterk voor „Kultur” intresseert.Maar alles wat hier omtrent „Bier” wordt geleerd,Zal menigeen toch nog doen paf staan.Charivarius is net als het deftige blad,Hij gelooft ook maar zóó niet, wat elk zeit,Maar alshij„Kultur”-vorschings-neigingen had,Ginghijvoor een klein interviewtje op ’t pad......Met een knappe en krachtigemelk-meid!
Wij zijn niet lichtvaardig en wuft van natuur,We gelooven maar zóó niet wat elk zegt!We hebben daarom, want we zijn wat secuur,d’ Opinie gevraagd over Duitsche kultuurVan een knappen en krachtigen melk-knecht.
Wij zijn niet lichtvaardig en wuft van natuur,
We gelooven maar zóó niet wat elk zegt!
We hebben daarom, want we zijn wat secuur,
d’ Opinie gevraagd over Duitsche kultuur
Van een knappen en krachtigen melk-knecht.
„O melk-knecht,” zoo spraken we, vriendlijk, maar vrij,„Het zal ons een werklijk genot zijn,Te hoor’n wat U dunkt van Kultur!” ...„Zeg maarjij!”Zei de melk-knecht, „en ’k zweer je,” zoo voegd’ ie er bij,„Dat de Duitschers beslist ruizevlot zijn!”
„O melk-knecht,” zoo spraken we, vriendlijk, maar vrij,
„Het zal ons een werklijk genot zijn,
Te hoor’n wat U dunkt van Kultur!” ...„Zeg maarjij!”
Zei de melk-knecht, „en ’k zweer je,” zoo voegd’ ie er bij,
„Dat de Duitschers beslist ruizevlot zijn!”
Nu kwam er een vraag op — belangrijk genoegMaar we plaatsten haar wat onverwàchts hier —„Wat is er de drank?” — „Bij m’n eg en m’n ploeg!”Riep hij uit, „dat is bier, bier-bier-bier — ’s morgens vroeg,En ’s middags bier, ’s avonds bier, ’s nàchts bier!”
Nu kwam er een vraag op — belangrijk genoeg
Maar we plaatsten haar wat onverwàchts hier —
„Wat is er de drank?” — „Bij m’n eg en m’n ploeg!”
Riep hij uit, „dat is bier, bier-bier-bier — ’s morgens vroeg,
En ’s middags bier, ’s avonds bier, ’s nàchts bier!”
„Maar luister eens,” zeiden we, ietwat bedeesd,— Want die melk-knecht bleek lang niet van gister! —Maar dat intrigueerde ons toch nog het meest,„Is-t-er dan een speciaal-Duitsch kultuurlijke geest?”„Nou reken maar!” sprak hij, „die is-t-er!”
„Maar luister eens,” zeiden we, ietwat bedeesd,
— Want die melk-knecht bleek lang niet van gister! —
Maar dat intrigueerde ons toch nog het meest,
„Is-t-er dan een speciaal-Duitsch kultuurlijke geest?”
„Nou reken maar!” sprak hij, „die is-t-er!”
„Wat dunkt je van Treitschke?” zoo gingen wij voort,„Wat is jou idee van Bernardi?”„Zeg, as-je-me-nou!” sprak de melk-knecht verstoord,„O ja, toch, daar hè ’k wel ’s wàt van gehoord......Maar ’k weet ’t niet meer. Ik verwar die — ”
„Wat dunkt je van Treitschke?” zoo gingen wij voort,
„Wat is jou idee van Bernardi?”
„Zeg, as-je-me-nou!” sprak de melk-knecht verstoord,
„O ja, toch, daar hè ’k wel ’s wàt van gehoord......
Maar ’k weet ’t niet meer. Ik verwar die — ”
Men kan zeker niet op hetgeen wordt beweerdDoor een Hollandschen melk-knecht maar, afgaan,Wanneer men zich sterk voor „Kultur” intresseert.Maar alles wat hier omtrent „Bier” wordt geleerd,Zal menigeen toch nog doen paf staan.
Men kan zeker niet op hetgeen wordt beweerd
Door een Hollandschen melk-knecht maar, afgaan,
Wanneer men zich sterk voor „Kultur” intresseert.
Maar alles wat hier omtrent „Bier” wordt geleerd,
Zal menigeen toch nog doen paf staan.
Charivarius is net als het deftige blad,Hij gelooft ook maar zóó niet, wat elk zeit,Maar alshij„Kultur”-vorschings-neigingen had,Ginghijvoor een klein interviewtje op ’t pad......Met een knappe en krachtigemelk-meid!
Charivarius is net als het deftige blad,
Hij gelooft ook maar zóó niet, wat elk zeit,
Maar alshij„Kultur”-vorschings-neigingen had,
Ginghijvoor een klein interviewtje op ’t pad......
Met een knappe en krachtigemelk-meid!
Gerijmd na het lezen van Prof. Kernkamp’s „Hou zee!” — Prof. Dr. Kernkamp.De Europeesche Oorlog.Uitg.Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem.
Gerijmd na het lezen van Prof. Kernkamp’s „Hou zee!” — Prof. Dr. Kernkamp.De Europeesche Oorlog.Uitg.Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem.
We wonen in een houten huis, en ’t dak dat is van riet,De heele straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet.Stel, er gebeurt een „ongeluk”: een schip geramd — gebomd,Dan kan het zijn, gebeurt het meer, dat eindlijk d’ oorlog komt. (1)Of — als een deel van zeekre vloot in onze waatren drijft,En niet wil gaan — dan weet de Heer waar onze vrede blijft! (2)Geval 1 drijft ons goede land in d’ armen van vriend A,Dan volgen w’ hem en doen hem enthousiast in alles na.Maar worden wij naar B gekwakt — dat is dan geval 2 —Dan fluks aan B ons hart verpand, dan dwepen we met B.In elk geval doen we dan mee met al ’t gepoch, ’t gescheld,En iedre A (of B) is „Hun”, en B (of A) een „Held”.’t Hangt alles van het toeval af, van één schot — van één schip,We rollen links of rechts, we zitten midden op de wip.Bij (2) wordt Raemaekers gespietst, deTelegraafverbrand,Bij (1) treft generaal Prins dat treurig lot — en ’tVaderland.Gij andere bladen! weest bereid, en houdt je pen gereed,De oorlog dreigt van elken kant, en is er vóór je ’t weet.Schrijft van „barbaarsch-heid” en „kultuur”, artikelen, zin voor zin,Je laat maar open: „A” of „B” — dat vul je later in.Weest klaar! de straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet,Maar denkt ’r om: ’t is een houten huis, en ’t dak dat is van riet...
We wonen in een houten huis, en ’t dak dat is van riet,De heele straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet.Stel, er gebeurt een „ongeluk”: een schip geramd — gebomd,Dan kan het zijn, gebeurt het meer, dat eindlijk d’ oorlog komt. (1)Of — als een deel van zeekre vloot in onze waatren drijft,En niet wil gaan — dan weet de Heer waar onze vrede blijft! (2)Geval 1 drijft ons goede land in d’ armen van vriend A,Dan volgen w’ hem en doen hem enthousiast in alles na.Maar worden wij naar B gekwakt — dat is dan geval 2 —Dan fluks aan B ons hart verpand, dan dwepen we met B.In elk geval doen we dan mee met al ’t gepoch, ’t gescheld,En iedre A (of B) is „Hun”, en B (of A) een „Held”.’t Hangt alles van het toeval af, van één schot — van één schip,We rollen links of rechts, we zitten midden op de wip.Bij (2) wordt Raemaekers gespietst, deTelegraafverbrand,Bij (1) treft generaal Prins dat treurig lot — en ’tVaderland.Gij andere bladen! weest bereid, en houdt je pen gereed,De oorlog dreigt van elken kant, en is er vóór je ’t weet.Schrijft van „barbaarsch-heid” en „kultuur”, artikelen, zin voor zin,Je laat maar open: „A” of „B” — dat vul je later in.Weest klaar! de straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet,Maar denkt ’r om: ’t is een houten huis, en ’t dak dat is van riet...
We wonen in een houten huis, en ’t dak dat is van riet,De heele straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet.Stel, er gebeurt een „ongeluk”: een schip geramd — gebomd,Dan kan het zijn, gebeurt het meer, dat eindlijk d’ oorlog komt. (1)Of — als een deel van zeekre vloot in onze waatren drijft,En niet wil gaan — dan weet de Heer waar onze vrede blijft! (2)Geval 1 drijft ons goede land in d’ armen van vriend A,Dan volgen w’ hem en doen hem enthousiast in alles na.Maar worden wij naar B gekwakt — dat is dan geval 2 —Dan fluks aan B ons hart verpand, dan dwepen we met B.In elk geval doen we dan mee met al ’t gepoch, ’t gescheld,En iedre A (of B) is „Hun”, en B (of A) een „Held”.’t Hangt alles van het toeval af, van één schot — van één schip,We rollen links of rechts, we zitten midden op de wip.Bij (2) wordt Raemaekers gespietst, deTelegraafverbrand,Bij (1) treft generaal Prins dat treurig lot — en ’tVaderland.Gij andere bladen! weest bereid, en houdt je pen gereed,De oorlog dreigt van elken kant, en is er vóór je ’t weet.Schrijft van „barbaarsch-heid” en „kultuur”, artikelen, zin voor zin,Je laat maar open: „A” of „B” — dat vul je later in.Weest klaar! de straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet,Maar denkt ’r om: ’t is een houten huis, en ’t dak dat is van riet...
We wonen in een houten huis, en ’t dak dat is van riet,
De heele straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet.
Stel, er gebeurt een „ongeluk”: een schip geramd — gebomd,
Dan kan het zijn, gebeurt het meer, dat eindlijk d’ oorlog komt. (1)
Of — als een deel van zeekre vloot in onze waatren drijft,
En niet wil gaan — dan weet de Heer waar onze vrede blijft! (2)
Geval 1 drijft ons goede land in d’ armen van vriend A,
Dan volgen w’ hem en doen hem enthousiast in alles na.
Maar worden wij naar B gekwakt — dat is dan geval 2 —
Dan fluks aan B ons hart verpand, dan dwepen we met B.
In elk geval doen we dan mee met al ’t gepoch, ’t gescheld,
En iedre A (of B) is „Hun”, en B (of A) een „Held”.
’t Hangt alles van het toeval af, van één schot — van één schip,
We rollen links of rechts, we zitten midden op de wip.
Bij (2) wordt Raemaekers gespietst, deTelegraafverbrand,
Bij (1) treft generaal Prins dat treurig lot — en ’tVaderland.
Gij andere bladen! weest bereid, en houdt je pen gereed,
De oorlog dreigt van elken kant, en is er vóór je ’t weet.
Schrijft van „barbaarsch-heid” en „kultuur”, artikelen, zin voor zin,
Je laat maar open: „A” of „B” — dat vul je later in.
Weest klaar! de straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet,
Maar denkt ’r om: ’t is een houten huis, en ’t dak dat is van riet...
„De valsche leuze is een onmisbaar oorlogswapen...... Zij is bestemd voor de outsiders...... Men gevoelt, dat de oorlog een zoo afschuwelijk iets is, dat „belangen” niet volstaan om hem te rechtvaardigen; door edeler doel moet het afzichtelijk middel worden geheiligd.”Prof. dr. Kernkamp. De Europeesche oorlog. Uitg. Tjeenk Willink en Zoon, Haarlem.
„De valsche leuze is een onmisbaar oorlogswapen...... Zij is bestemd voor de outsiders...... Men gevoelt, dat de oorlog een zoo afschuwelijk iets is, dat „belangen” niet volstaan om hem te rechtvaardigen; door edeler doel moet het afzichtelijk middel worden geheiligd.”Prof. dr. Kernkamp. De Europeesche oorlog. Uitg. Tjeenk Willink en Zoon, Haarlem.
In de lang vervlogen tijden, in de dagen van weleerStreed men om „belangen”, Macht en Rijkdom, Grootheid, en zoo meer.Thans vecht niemand om motieven van een dergelijk laag allooi,Dààrom juist is deze oorlog zoo verheffend en zoo mooi.Hoog en heerlijk is deleuze, die elk Volk in ’t Vaandel voert,Wij Neutralen lezen z’ alle, vol bewondering, diep geroerd......Maar nu wordt toch tegenwoordig ’t aantal wel zóó uitgebreid,Dat ’k ze maar eens heb verzameld — want je raakt de tel haast kwijt.Ach! in Oostenrijk werd plotseling Vrede en Eendracht ruw verstoord:’t Koningspaar werd daar laaghartig door — wie was ’t ook weer? — vermoord.En men zond een ultima... pardon! een „Nota” net op tijd;Trok ten slotte ’t zwaard — alleen ter wille derGerechtigheid!Rusland, in de gansche wereld, (ook in Finland) zoo geliefd,Was door ’t harde lot van Servië tot in ’t diepst der ziel gegriefd.’t Volk van Knoet, Kozak, Siberië is met zooveel leeds begaan:Ter bescherming der verdruktenscharen zij zich om de vaan.Frankrijk, ’t land van politieke Orde, Eerlijkheid en zoo,(Wie herdenkt niet met genoegen Dreyfus en ’t proces-Caillaux?)Steunt met roerende verkleefdheid zijn bedreigden bondgenoot,Onder d’ aanhef van de leuze: „Trouw, ja trouw tot in den dood!”„Deutschland, Deutschland über Alles!” is een hoogst bescheiden air,De Uhlaan is vredelievend — Pruisen anti-militair,Duitschland schuwt, verfoeit den oorlog, haat het vechten en het vuur,Is tot dezen strijdgedwongen— vechtvoor Vrijheid en Kultuur.Engeland isdolop Duitschland, voelt geengreintjejaloezieOp zijn sterken jongen nabuur —denktniet aan hegemonie!Strijdt voor ’t Recht der Kleine Staten — zooals België (en Transvaal),Voor’t goed recht der kleine staten! Hoor je ’t wel? Dat’s andre taal?Nippon! Nippon yusen kaisha, watakushin Engeland,Yen, Yi-Yitsu, kakimona, ’t gele ras, de broederhand,Ra Mikado sore geisha, hari-kiri Albion’s keus,„Mizugwashi fuji sama rokuban!” is dààr de leus.In Turkije, schoon Turkije, waar Geloof en Vrijheid bloeit,Is voor dezenHeilgen Oorlogplots de Turksche borst ontgloeid,En millioenen Muzelmannen strijden met den vromen kreet:Allah is(Onze Oude)Allah — Mahomed is zijn profeet!België alleen vecht zóó maar — wreed geteisterd door het lot —Zonder mooie telegrammen, zonder eigen Ouden God.’t Arme België kon niet eens — wat iedre nette natie doet —Kon niet eens een leus bedenken! België vecht...omdat het moet!!
In de lang vervlogen tijden, in de dagen van weleerStreed men om „belangen”, Macht en Rijkdom, Grootheid, en zoo meer.Thans vecht niemand om motieven van een dergelijk laag allooi,Dààrom juist is deze oorlog zoo verheffend en zoo mooi.Hoog en heerlijk is deleuze, die elk Volk in ’t Vaandel voert,Wij Neutralen lezen z’ alle, vol bewondering, diep geroerd......Maar nu wordt toch tegenwoordig ’t aantal wel zóó uitgebreid,Dat ’k ze maar eens heb verzameld — want je raakt de tel haast kwijt.Ach! in Oostenrijk werd plotseling Vrede en Eendracht ruw verstoord:’t Koningspaar werd daar laaghartig door — wie was ’t ook weer? — vermoord.En men zond een ultima... pardon! een „Nota” net op tijd;Trok ten slotte ’t zwaard — alleen ter wille derGerechtigheid!Rusland, in de gansche wereld, (ook in Finland) zoo geliefd,Was door ’t harde lot van Servië tot in ’t diepst der ziel gegriefd.’t Volk van Knoet, Kozak, Siberië is met zooveel leeds begaan:Ter bescherming der verdruktenscharen zij zich om de vaan.Frankrijk, ’t land van politieke Orde, Eerlijkheid en zoo,(Wie herdenkt niet met genoegen Dreyfus en ’t proces-Caillaux?)Steunt met roerende verkleefdheid zijn bedreigden bondgenoot,Onder d’ aanhef van de leuze: „Trouw, ja trouw tot in den dood!”„Deutschland, Deutschland über Alles!” is een hoogst bescheiden air,De Uhlaan is vredelievend — Pruisen anti-militair,Duitschland schuwt, verfoeit den oorlog, haat het vechten en het vuur,Is tot dezen strijdgedwongen— vechtvoor Vrijheid en Kultuur.Engeland isdolop Duitschland, voelt geengreintjejaloezieOp zijn sterken jongen nabuur —denktniet aan hegemonie!Strijdt voor ’t Recht der Kleine Staten — zooals België (en Transvaal),Voor’t goed recht der kleine staten! Hoor je ’t wel? Dat’s andre taal?Nippon! Nippon yusen kaisha, watakushin Engeland,Yen, Yi-Yitsu, kakimona, ’t gele ras, de broederhand,Ra Mikado sore geisha, hari-kiri Albion’s keus,„Mizugwashi fuji sama rokuban!” is dààr de leus.In Turkije, schoon Turkije, waar Geloof en Vrijheid bloeit,Is voor dezenHeilgen Oorlogplots de Turksche borst ontgloeid,En millioenen Muzelmannen strijden met den vromen kreet:Allah is(Onze Oude)Allah — Mahomed is zijn profeet!België alleen vecht zóó maar — wreed geteisterd door het lot —Zonder mooie telegrammen, zonder eigen Ouden God.’t Arme België kon niet eens — wat iedre nette natie doet —Kon niet eens een leus bedenken! België vecht...omdat het moet!!
In de lang vervlogen tijden, in de dagen van weleerStreed men om „belangen”, Macht en Rijkdom, Grootheid, en zoo meer.Thans vecht niemand om motieven van een dergelijk laag allooi,Dààrom juist is deze oorlog zoo verheffend en zoo mooi.
In de lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer
Streed men om „belangen”, Macht en Rijkdom, Grootheid, en zoo meer.
Thans vecht niemand om motieven van een dergelijk laag allooi,
Dààrom juist is deze oorlog zoo verheffend en zoo mooi.
Hoog en heerlijk is deleuze, die elk Volk in ’t Vaandel voert,Wij Neutralen lezen z’ alle, vol bewondering, diep geroerd......Maar nu wordt toch tegenwoordig ’t aantal wel zóó uitgebreid,Dat ’k ze maar eens heb verzameld — want je raakt de tel haast kwijt.
Hoog en heerlijk is deleuze, die elk Volk in ’t Vaandel voert,
Wij Neutralen lezen z’ alle, vol bewondering, diep geroerd......
Maar nu wordt toch tegenwoordig ’t aantal wel zóó uitgebreid,
Dat ’k ze maar eens heb verzameld — want je raakt de tel haast kwijt.
Ach! in Oostenrijk werd plotseling Vrede en Eendracht ruw verstoord:’t Koningspaar werd daar laaghartig door — wie was ’t ook weer? — vermoord.En men zond een ultima... pardon! een „Nota” net op tijd;Trok ten slotte ’t zwaard — alleen ter wille derGerechtigheid!
Ach! in Oostenrijk werd plotseling Vrede en Eendracht ruw verstoord:
’t Koningspaar werd daar laaghartig door — wie was ’t ook weer? — vermoord.
En men zond een ultima... pardon! een „Nota” net op tijd;
Trok ten slotte ’t zwaard — alleen ter wille derGerechtigheid!
Rusland, in de gansche wereld, (ook in Finland) zoo geliefd,Was door ’t harde lot van Servië tot in ’t diepst der ziel gegriefd.’t Volk van Knoet, Kozak, Siberië is met zooveel leeds begaan:Ter bescherming der verdruktenscharen zij zich om de vaan.
Rusland, in de gansche wereld, (ook in Finland) zoo geliefd,
Was door ’t harde lot van Servië tot in ’t diepst der ziel gegriefd.
’t Volk van Knoet, Kozak, Siberië is met zooveel leeds begaan:
Ter bescherming der verdruktenscharen zij zich om de vaan.
Frankrijk, ’t land van politieke Orde, Eerlijkheid en zoo,(Wie herdenkt niet met genoegen Dreyfus en ’t proces-Caillaux?)Steunt met roerende verkleefdheid zijn bedreigden bondgenoot,Onder d’ aanhef van de leuze: „Trouw, ja trouw tot in den dood!”
Frankrijk, ’t land van politieke Orde, Eerlijkheid en zoo,
(Wie herdenkt niet met genoegen Dreyfus en ’t proces-Caillaux?)
Steunt met roerende verkleefdheid zijn bedreigden bondgenoot,
Onder d’ aanhef van de leuze: „Trouw, ja trouw tot in den dood!”
„Deutschland, Deutschland über Alles!” is een hoogst bescheiden air,De Uhlaan is vredelievend — Pruisen anti-militair,Duitschland schuwt, verfoeit den oorlog, haat het vechten en het vuur,Is tot dezen strijdgedwongen— vechtvoor Vrijheid en Kultuur.
„Deutschland, Deutschland über Alles!” is een hoogst bescheiden air,
De Uhlaan is vredelievend — Pruisen anti-militair,
Duitschland schuwt, verfoeit den oorlog, haat het vechten en het vuur,
Is tot dezen strijdgedwongen— vechtvoor Vrijheid en Kultuur.
Engeland isdolop Duitschland, voelt geengreintjejaloezieOp zijn sterken jongen nabuur —denktniet aan hegemonie!Strijdt voor ’t Recht der Kleine Staten — zooals België (en Transvaal),Voor’t goed recht der kleine staten! Hoor je ’t wel? Dat’s andre taal?
Engeland isdolop Duitschland, voelt geengreintjejaloezie
Op zijn sterken jongen nabuur —denktniet aan hegemonie!
Strijdt voor ’t Recht der Kleine Staten — zooals België (en Transvaal),
Voor’t goed recht der kleine staten! Hoor je ’t wel? Dat’s andre taal?
Nippon! Nippon yusen kaisha, watakushin Engeland,Yen, Yi-Yitsu, kakimona, ’t gele ras, de broederhand,Ra Mikado sore geisha, hari-kiri Albion’s keus,„Mizugwashi fuji sama rokuban!” is dààr de leus.
Nippon! Nippon yusen kaisha, watakushin Engeland,
Yen, Yi-Yitsu, kakimona, ’t gele ras, de broederhand,
Ra Mikado sore geisha, hari-kiri Albion’s keus,
„Mizugwashi fuji sama rokuban!” is dààr de leus.
In Turkije, schoon Turkije, waar Geloof en Vrijheid bloeit,Is voor dezenHeilgen Oorlogplots de Turksche borst ontgloeid,En millioenen Muzelmannen strijden met den vromen kreet:Allah is(Onze Oude)Allah — Mahomed is zijn profeet!
In Turkije, schoon Turkije, waar Geloof en Vrijheid bloeit,
Is voor dezenHeilgen Oorlogplots de Turksche borst ontgloeid,
En millioenen Muzelmannen strijden met den vromen kreet:
Allah is(Onze Oude)Allah — Mahomed is zijn profeet!
België alleen vecht zóó maar — wreed geteisterd door het lot —Zonder mooie telegrammen, zonder eigen Ouden God.’t Arme België kon niet eens — wat iedre nette natie doet —Kon niet eens een leus bedenken! België vecht...omdat het moet!!
België alleen vecht zóó maar — wreed geteisterd door het lot —
Zonder mooie telegrammen, zonder eigen Ouden God.
’t Arme België kon niet eens — wat iedre nette natie doet —
Kon niet eens een leus bedenken! België vecht...omdat het moet!!
De Duitsche vredesengel spreekt: „In het gevoel van deoverwinning, die gij door uw dapperheid hebt behaald, heb ik den vijand een vredesaanbod gedaan...met Gods hulphebben onze dappere troepen dezen toestand geschapen...... deheldendadenonzer duikbooten...... de geniale aanvoering en deheldhaftige dadenonzer troepen...... de keizer gaf het bevel tot mobilisatie, dat hem door de Russische mobilisatie wasafgedwongen...... ter verdediging van ons bestaan zijn wij destijdsgedwongennaar de wapens te grijpen...... deheldendadenonzer legers...... de onsopgedrongenoorlog...... besloten tot hetzegevierendeeinde voort te zetten...... in 1914 hebben onze vijanden de machtskwestie van den wereldoorlog gesteld, vandaag stellenwijde vredeskwestie der menschheid... de kalmte die onze uitwendige kracht, en de innerlijke kracht vanons rein gewetengeeft...... vijanden, met vernietigings- enveroveringsplannen...... door de uittartingen en bedreigingen in 1914gedwongennaar het zwaard te grijpen......arglistigeaanslagen...... voorwaarts stormend enoverwinnend, de plannen van den vijand te schande gemaakt...... verdediging tegen een reeds lang beoogden enafgesproken aanvalop haar voortbestaan...... verdedigingsoorlog tegen hetvernietigingswerkder vijanden...... Het zal in de geheele wereldgeschiedenis zeker niet zijn voorgekomen, dat eenoverwinnendemogendheid denoverwonnentegenstander, voordat zij overgaat tot het volledig partij trekken van de overwinning, zoo grootmoedige en edelmoedige vredesaanbiedingen heeft gedaan...... enz.”Plaats der handeling:een achterbuurt.Personen:Kees en Hannes, twee vechtersbazen, even sterk.Kees, al vechtende:
De Duitsche vredesengel spreekt: „In het gevoel van deoverwinning, die gij door uw dapperheid hebt behaald, heb ik den vijand een vredesaanbod gedaan...met Gods hulphebben onze dappere troepen dezen toestand geschapen...... deheldendadenonzer duikbooten...... de geniale aanvoering en deheldhaftige dadenonzer troepen...... de keizer gaf het bevel tot mobilisatie, dat hem door de Russische mobilisatie wasafgedwongen...... ter verdediging van ons bestaan zijn wij destijdsgedwongennaar de wapens te grijpen...... deheldendadenonzer legers...... de onsopgedrongenoorlog...... besloten tot hetzegevierendeeinde voort te zetten...... in 1914 hebben onze vijanden de machtskwestie van den wereldoorlog gesteld, vandaag stellenwijde vredeskwestie der menschheid... de kalmte die onze uitwendige kracht, en de innerlijke kracht vanons rein gewetengeeft...... vijanden, met vernietigings- enveroveringsplannen...... door de uittartingen en bedreigingen in 1914gedwongennaar het zwaard te grijpen......arglistigeaanslagen...... voorwaarts stormend enoverwinnend, de plannen van den vijand te schande gemaakt...... verdediging tegen een reeds lang beoogden enafgesproken aanvalop haar voortbestaan...... verdedigingsoorlog tegen hetvernietigingswerkder vijanden...... Het zal in de geheele wereldgeschiedenis zeker niet zijn voorgekomen, dat eenoverwinnendemogendheid denoverwonnentegenstander, voordat zij overgaat tot het volledig partij trekken van de overwinning, zoo grootmoedige en edelmoedige vredesaanbiedingen heeft gedaan...... enz.”
Plaats der handeling:een achterbuurt.
Personen:Kees en Hannes, twee vechtersbazen, even sterk.
Kees, al vechtende: