33. WIJ!

Hannes, ’k wil eens met je praten,Kom, gebruik nou je verstand!Zoud’ we ’t vechten maar niet laten?Toe. Hou op. Hier is mijn hand.Jij bent onzen twist begonnen,Maar je stoot je kop kapot!’k Heb je altijd overwonnen,Met behulp van m’ eigen God.Ik ben tot ’t gevecht gedwongen,Dat jij valsch had voorbereid,Dat jij mij hebt opgedrongen,Met bedrog en listigheid.Jij hebt mij er toe gedreven,Daar helpt geen ontkennen aan.Ikheb d’ eerste trap gegeven......Anders dan hadjij’t gedaan!Nu ’k je dus heb overwonnen,Nu bewijs je maar eens gauw,Datjijniet zou zijn begonnen!De bewijslast rust op jou.Jij zocht — ben je ’t soms vergeten? —Jij zocht ruzie, om de macht;Vlekloos rein is mijn geweten,Ik heb moed en ik heb kracht.Ik ben braaf en ik ben goedig,Man, je weet niet wat je waagt!Nu — hoe groot — en edelmoedig! —d’ Overwinnaar vrede vraagt!’k Heb het biddend overwogen,Grijp je nu mijn hand niet gauw,Dat ’k je zonder mededoogen,Met Gods hulp in stukken houw.Verder vechten is onzedelijk,Help ons beiden uit den nood!Kom, ik praat toch kalm en redelijk:Doe je ’t niet — dan trap ’k je dood!

Hannes, ’k wil eens met je praten,Kom, gebruik nou je verstand!Zoud’ we ’t vechten maar niet laten?Toe. Hou op. Hier is mijn hand.Jij bent onzen twist begonnen,Maar je stoot je kop kapot!’k Heb je altijd overwonnen,Met behulp van m’ eigen God.Ik ben tot ’t gevecht gedwongen,Dat jij valsch had voorbereid,Dat jij mij hebt opgedrongen,Met bedrog en listigheid.Jij hebt mij er toe gedreven,Daar helpt geen ontkennen aan.Ikheb d’ eerste trap gegeven......Anders dan hadjij’t gedaan!Nu ’k je dus heb overwonnen,Nu bewijs je maar eens gauw,Datjijniet zou zijn begonnen!De bewijslast rust op jou.Jij zocht — ben je ’t soms vergeten? —Jij zocht ruzie, om de macht;Vlekloos rein is mijn geweten,Ik heb moed en ik heb kracht.Ik ben braaf en ik ben goedig,Man, je weet niet wat je waagt!Nu — hoe groot — en edelmoedig! —d’ Overwinnaar vrede vraagt!’k Heb het biddend overwogen,Grijp je nu mijn hand niet gauw,Dat ’k je zonder mededoogen,Met Gods hulp in stukken houw.Verder vechten is onzedelijk,Help ons beiden uit den nood!Kom, ik praat toch kalm en redelijk:Doe je ’t niet — dan trap ’k je dood!

Hannes, ’k wil eens met je praten,Kom, gebruik nou je verstand!Zoud’ we ’t vechten maar niet laten?Toe. Hou op. Hier is mijn hand.

Hannes, ’k wil eens met je praten,

Kom, gebruik nou je verstand!

Zoud’ we ’t vechten maar niet laten?

Toe. Hou op. Hier is mijn hand.

Jij bent onzen twist begonnen,Maar je stoot je kop kapot!’k Heb je altijd overwonnen,Met behulp van m’ eigen God.

Jij bent onzen twist begonnen,

Maar je stoot je kop kapot!

’k Heb je altijd overwonnen,

Met behulp van m’ eigen God.

Ik ben tot ’t gevecht gedwongen,Dat jij valsch had voorbereid,Dat jij mij hebt opgedrongen,Met bedrog en listigheid.

Ik ben tot ’t gevecht gedwongen,

Dat jij valsch had voorbereid,

Dat jij mij hebt opgedrongen,

Met bedrog en listigheid.

Jij hebt mij er toe gedreven,Daar helpt geen ontkennen aan.Ikheb d’ eerste trap gegeven......Anders dan hadjij’t gedaan!

Jij hebt mij er toe gedreven,

Daar helpt geen ontkennen aan.

Ikheb d’ eerste trap gegeven......

Anders dan hadjij’t gedaan!

Nu ’k je dus heb overwonnen,Nu bewijs je maar eens gauw,Datjijniet zou zijn begonnen!De bewijslast rust op jou.

Nu ’k je dus heb overwonnen,

Nu bewijs je maar eens gauw,

Datjijniet zou zijn begonnen!

De bewijslast rust op jou.

Jij zocht — ben je ’t soms vergeten? —Jij zocht ruzie, om de macht;Vlekloos rein is mijn geweten,Ik heb moed en ik heb kracht.

Jij zocht — ben je ’t soms vergeten? —

Jij zocht ruzie, om de macht;

Vlekloos rein is mijn geweten,

Ik heb moed en ik heb kracht.

Ik ben braaf en ik ben goedig,Man, je weet niet wat je waagt!Nu — hoe groot — en edelmoedig! —d’ Overwinnaar vrede vraagt!

Ik ben braaf en ik ben goedig,

Man, je weet niet wat je waagt!

Nu — hoe groot — en edelmoedig! —

d’ Overwinnaar vrede vraagt!

’k Heb het biddend overwogen,Grijp je nu mijn hand niet gauw,Dat ’k je zonder mededoogen,Met Gods hulp in stukken houw.

’k Heb het biddend overwogen,

Grijp je nu mijn hand niet gauw,

Dat ’k je zonder mededoogen,

Met Gods hulp in stukken houw.

Verder vechten is onzedelijk,Help ons beiden uit den nood!Kom, ik praat toch kalm en redelijk:Doe je ’t niet — dan trap ’k je dood!

Verder vechten is onzedelijk,

Help ons beiden uit den nood!

Kom, ik praat toch kalm en redelijk:

Doe je ’t niet — dan trap ’k je dood!

Moraal:

Moraal:

O, pochend, pralend, brallend volk,wees wijs, kom tot bezinning!Wanneer je Vredesengel speelt —snoef niet op j’ overwinning!

O, pochend, pralend, brallend volk,wees wijs, kom tot bezinning!Wanneer je Vredesengel speelt —snoef niet op j’ overwinning!

O, pochend, pralend, brallend volk,wees wijs, kom tot bezinning!Wanneer je Vredesengel speelt —snoef niet op j’ overwinning!

O, pochend, pralend, brallend volk,

wees wijs, kom tot bezinning!

Wanneer je Vredesengel speelt —

snoef niet op j’ overwinning!

Sonnet, ingegeven door een artikel van prof. dr. R. Eucken, van Jena, in hetHandelsblad.„...... want aan ons is als aan geen ander volk door de Voorzienigheid de zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan toevertrouwd.”

Sonnet, ingegeven door een artikel van prof. dr. R. Eucken, van Jena, in hetHandelsblad.

„...... want aan ons is als aan geen ander volk door de Voorzienigheid de zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan toevertrouwd.”

Aan ons is als geen ander volk door Godde zorg voor ’t innerlijk, voor d’ eigenwaardevan gansch het menschelijk bestaan op aardevertrouwd. Vol vreugd volvoeren wij ’t gebod.Op ons, die trouw onze oude God bewaardegeweldig, ongeketend, ongeknot,op ons rust thans de plicht — benijdbaar lot! —om onzen geest te spreiden, met den zwaarde.Geen vijand zal ons zege-heir weerstaan;Klaar klinkt de krijgsklaroen, kartetsen knetteren!Wij vreezenGod— ons kan geenmenschverschrikken!Zoo mogen d’ andre volkren ondergaan;Wij zullen wie ons wederstreeft, verpletteren!......En dan ’t Heelal met onzen geest verkwikken.

Aan ons is als geen ander volk door Godde zorg voor ’t innerlijk, voor d’ eigenwaardevan gansch het menschelijk bestaan op aardevertrouwd. Vol vreugd volvoeren wij ’t gebod.Op ons, die trouw onze oude God bewaardegeweldig, ongeketend, ongeknot,op ons rust thans de plicht — benijdbaar lot! —om onzen geest te spreiden, met den zwaarde.Geen vijand zal ons zege-heir weerstaan;Klaar klinkt de krijgsklaroen, kartetsen knetteren!Wij vreezenGod— ons kan geenmenschverschrikken!Zoo mogen d’ andre volkren ondergaan;Wij zullen wie ons wederstreeft, verpletteren!......En dan ’t Heelal met onzen geest verkwikken.

Aan ons is als geen ander volk door Godde zorg voor ’t innerlijk, voor d’ eigenwaardevan gansch het menschelijk bestaan op aardevertrouwd. Vol vreugd volvoeren wij ’t gebod.

Aan ons is als geen ander volk door God

de zorg voor ’t innerlijk, voor d’ eigenwaarde

van gansch het menschelijk bestaan op aarde

vertrouwd. Vol vreugd volvoeren wij ’t gebod.

Op ons, die trouw onze oude God bewaardegeweldig, ongeketend, ongeknot,op ons rust thans de plicht — benijdbaar lot! —om onzen geest te spreiden, met den zwaarde.

Op ons, die trouw onze oude God bewaarde

geweldig, ongeketend, ongeknot,

op ons rust thans de plicht — benijdbaar lot! —

om onzen geest te spreiden, met den zwaarde.

Geen vijand zal ons zege-heir weerstaan;Klaar klinkt de krijgsklaroen, kartetsen knetteren!Wij vreezenGod— ons kan geenmenschverschrikken!

Geen vijand zal ons zege-heir weerstaan;

Klaar klinkt de krijgsklaroen, kartetsen knetteren!

Wij vreezenGod— ons kan geenmenschverschrikken!

Zoo mogen d’ andre volkren ondergaan;Wij zullen wie ons wederstreeft, verpletteren!......En dan ’t Heelal met onzen geest verkwikken.

Zoo mogen d’ andre volkren ondergaan;

Wij zullen wie ons wederstreeft, verpletteren!......

En dan ’t Heelal met onzen geest verkwikken.

Eenvoudig rijmpje van een nuchter neutraal.

„Wir Deutschesind unter allen Völkern von der Vorsehung ausersehen an dieSpitzealler der Kultur in derganzen Schöpfung. Unterwerfung unter unserer in jeder Hinsicht überlegene Leitung ist das einzige und sicherste Mittel zu einer gedeihlichen Existenz für jede Nation.” —Hengel.„Engeland moge zulke leugenachtige toespraken gaarne hooren; de Duitscher, die doortrokken is van de zedelijkheid („der von oben bis unten voller Moral sticht,”) verdraagt ze niet.” —Kreth, in den Rijksdag.„......want aanonsis als geen ander volk door de Voorzienigheid de zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan toevertrouwd.” —Prof. Eucken, Hoogleeraar te Jena.

„Wir Deutschesind unter allen Völkern von der Vorsehung ausersehen an dieSpitzealler der Kultur in derganzen Schöpfung. Unterwerfung unter unserer in jeder Hinsicht überlegene Leitung ist das einzige und sicherste Mittel zu einer gedeihlichen Existenz für jede Nation.” —Hengel.

„Engeland moge zulke leugenachtige toespraken gaarne hooren; de Duitscher, die doortrokken is van de zedelijkheid („der von oben bis unten voller Moral sticht,”) verdraagt ze niet.” —Kreth, in den Rijksdag.

„......want aanonsis als geen ander volk door de Voorzienigheid de zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan toevertrouwd.” —Prof. Eucken, Hoogleeraar te Jena.

„Wij Duitschersstaan hoog boven aan,Wijschrijden aan de spits,Wijwijzen weg,Wijbreken baan.Groot-Duitschlandis de gids.Wij Duitschersgaan in alles voor,Wat edel is en schoon,Wijrichten ’t Al in ’t rechte spoor,Groot-Duitschlandspant de kroon.God heeft de volkren van deez’ aardGerangschikt op een rij;Ze staan naar kwaliteit geschaard,En nummer één zijnWij.In deez’ Ons opgedrongen strijdVerbrak’Wijnooit Ons woord;Wijhebben Hoch-kultur verspreidIn Leuven, enz.Het Belgisch volkje hebbenWijMenschkundig aangepakt;Wijvoeren dan de heerschappijMet heel veel fijnen takt.Wijhebben ’t menschdom laten zien,Hoe groot en goedWijzijn,Met duikboot en met Zeppelin,En gassen van venijn.Wijhebben hier een Kroonprins — o!Zoo wars van bloed en strijd,Die van Zijn leven nimmer kro-kodillen-tranen schreit.Klein Holland en AmerikaBehandelenWijgelijk:De Sussex...... de Tubantia......Palembang...... Blommersdijk......Zorgt, dat ge onderOnzelei-ding,Onsbeheer geraakt,Want ’t uitverkoren volk zijnWij,Wijzijn zoowat volmaakt.Wijzijn veel beter dan de rest,Wijzijn van zonden vrij,Het braafst, het reinst, het hoogst, het bestZijnWij, zijnWIJ, zijn WIJ!”.............................................’t Is allemaal waar, ’t is allemaal goed,Geen fout heb j’ ooit begaan,Wat ’t Godgevallig Duitschland doet,En deed — is welgedaan.Alleen — je zegt het zelf zóó vaak,Dat j’ iedereen verveelt,En zoo van ieder man van smaakDe sympathie verspeelt.Een arme „Fremde” ben ik maar,Maarditzeg ik je toch:Je maakt de wereld wee en naarMet jullie mal gepoch.

„Wij Duitschersstaan hoog boven aan,Wijschrijden aan de spits,Wijwijzen weg,Wijbreken baan.Groot-Duitschlandis de gids.Wij Duitschersgaan in alles voor,Wat edel is en schoon,Wijrichten ’t Al in ’t rechte spoor,Groot-Duitschlandspant de kroon.God heeft de volkren van deez’ aardGerangschikt op een rij;Ze staan naar kwaliteit geschaard,En nummer één zijnWij.In deez’ Ons opgedrongen strijdVerbrak’Wijnooit Ons woord;Wijhebben Hoch-kultur verspreidIn Leuven, enz.Het Belgisch volkje hebbenWijMenschkundig aangepakt;Wijvoeren dan de heerschappijMet heel veel fijnen takt.Wijhebben ’t menschdom laten zien,Hoe groot en goedWijzijn,Met duikboot en met Zeppelin,En gassen van venijn.Wijhebben hier een Kroonprins — o!Zoo wars van bloed en strijd,Die van Zijn leven nimmer kro-kodillen-tranen schreit.Klein Holland en AmerikaBehandelenWijgelijk:De Sussex...... de Tubantia......Palembang...... Blommersdijk......Zorgt, dat ge onderOnzelei-ding,Onsbeheer geraakt,Want ’t uitverkoren volk zijnWij,Wijzijn zoowat volmaakt.Wijzijn veel beter dan de rest,Wijzijn van zonden vrij,Het braafst, het reinst, het hoogst, het bestZijnWij, zijnWIJ, zijn WIJ!”.............................................’t Is allemaal waar, ’t is allemaal goed,Geen fout heb j’ ooit begaan,Wat ’t Godgevallig Duitschland doet,En deed — is welgedaan.Alleen — je zegt het zelf zóó vaak,Dat j’ iedereen verveelt,En zoo van ieder man van smaakDe sympathie verspeelt.Een arme „Fremde” ben ik maar,Maarditzeg ik je toch:Je maakt de wereld wee en naarMet jullie mal gepoch.

„Wij Duitschersstaan hoog boven aan,Wijschrijden aan de spits,Wijwijzen weg,Wijbreken baan.Groot-Duitschlandis de gids.

„Wij Duitschersstaan hoog boven aan,

Wijschrijden aan de spits,

Wijwijzen weg,Wijbreken baan.

Groot-Duitschlandis de gids.

Wij Duitschersgaan in alles voor,Wat edel is en schoon,Wijrichten ’t Al in ’t rechte spoor,Groot-Duitschlandspant de kroon.

Wij Duitschersgaan in alles voor,

Wat edel is en schoon,

Wijrichten ’t Al in ’t rechte spoor,

Groot-Duitschlandspant de kroon.

God heeft de volkren van deez’ aardGerangschikt op een rij;Ze staan naar kwaliteit geschaard,En nummer één zijnWij.

God heeft de volkren van deez’ aard

Gerangschikt op een rij;

Ze staan naar kwaliteit geschaard,

En nummer één zijnWij.

In deez’ Ons opgedrongen strijdVerbrak’Wijnooit Ons woord;Wijhebben Hoch-kultur verspreidIn Leuven, enz.

In deez’ Ons opgedrongen strijd

Verbrak’Wijnooit Ons woord;

Wijhebben Hoch-kultur verspreid

In Leuven, enz.

Het Belgisch volkje hebbenWijMenschkundig aangepakt;Wijvoeren dan de heerschappijMet heel veel fijnen takt.

Het Belgisch volkje hebbenWij

Menschkundig aangepakt;

Wijvoeren dan de heerschappij

Met heel veel fijnen takt.

Wijhebben ’t menschdom laten zien,Hoe groot en goedWijzijn,Met duikboot en met Zeppelin,En gassen van venijn.

Wijhebben ’t menschdom laten zien,

Hoe groot en goedWijzijn,

Met duikboot en met Zeppelin,

En gassen van venijn.

Wijhebben hier een Kroonprins — o!Zoo wars van bloed en strijd,Die van Zijn leven nimmer kro-kodillen-tranen schreit.

Wijhebben hier een Kroonprins — o!

Zoo wars van bloed en strijd,

Die van Zijn leven nimmer kro-

kodillen-tranen schreit.

Klein Holland en AmerikaBehandelenWijgelijk:De Sussex...... de Tubantia......Palembang...... Blommersdijk......

Klein Holland en Amerika

BehandelenWijgelijk:

De Sussex...... de Tubantia......

Palembang...... Blommersdijk......

Zorgt, dat ge onderOnzelei-ding,Onsbeheer geraakt,Want ’t uitverkoren volk zijnWij,Wijzijn zoowat volmaakt.

Zorgt, dat ge onderOnzelei-

ding,Onsbeheer geraakt,

Want ’t uitverkoren volk zijnWij,

Wijzijn zoowat volmaakt.

Wijzijn veel beter dan de rest,Wijzijn van zonden vrij,Het braafst, het reinst, het hoogst, het bestZijnWij, zijnWIJ, zijn WIJ!”.............................................

Wijzijn veel beter dan de rest,

Wijzijn van zonden vrij,

Het braafst, het reinst, het hoogst, het best

ZijnWij, zijnWIJ, zijn WIJ!”

.............................................

’t Is allemaal waar, ’t is allemaal goed,Geen fout heb j’ ooit begaan,Wat ’t Godgevallig Duitschland doet,En deed — is welgedaan.

’t Is allemaal waar, ’t is allemaal goed,

Geen fout heb j’ ooit begaan,

Wat ’t Godgevallig Duitschland doet,

En deed — is welgedaan.

Alleen — je zegt het zelf zóó vaak,Dat j’ iedereen verveelt,En zoo van ieder man van smaakDe sympathie verspeelt.

Alleen — je zegt het zelf zóó vaak,

Dat j’ iedereen verveelt,

En zoo van ieder man van smaak

De sympathie verspeelt.

Een arme „Fremde” ben ik maar,Maarditzeg ik je toch:Je maakt de wereld wee en naarMet jullie mal gepoch.

Een arme „Fremde” ben ik maar,

Maarditzeg ik je toch:

Je maakt de wereld wee en naar

Met jullie mal gepoch.

„De ontzettende vernietiging van het Italiaansche leger is een Godsgericht. De hemel, enz.” —Wilhelm, I. R.

„De ontzettende vernietiging van het Italiaansche leger is een Godsgericht. De hemel, enz.” —Wilhelm, I. R.

De Keizer spreekt tot de Entente:

Hoezee! Nu is door ’s Hemels wil Italië’s macht geknot;Dat heeft mijn leger niet gedaan — dat was ’t Gericht van God!Ja. Weet je waarom ’K winnen moet, en winnenzal, per slot?Dat zit eenvoudig zoo: Ik heb een eigen, ouden God.Want waardoor liep bij ons de zaak van meet af aan zoo vlot?Van wege d’ assistentie van Mijn eigen, ouden God.Je legt het af. Je wordt getrapt, en bovendien bespot,Maar ’t is geen wonder: jullie hebt geen eigen, ouden God.„Wij missen eenheid,” zegt Lloyd George, hoe komt de vent zoo zot?Je mist geen eenheid, neen, je mist een eigen, ouden God!Je luksburgt vreemde schepen niet met man en muis kapot,Want jullie hebt niet zooals Ik een eigen, ouden God.Toen Grey een conferentie vroeg, toen weigerde Ik ’m bot;Ik vond ’t niet noodig: Ik had toch een eigen, ouden God.Ik brak Mijn woord, en het verdrag verscheurde Ik, als een vod;Dat mochtIkdoen, wantIkbezit een eigen, ouden God.Gehoorzaamt, volk’ren, dan devoot Mijn Keizerlijk gebod;Wat Ik wil, en Mijn generaals, dat is de wil van God!!

Hoezee! Nu is door ’s Hemels wil Italië’s macht geknot;Dat heeft mijn leger niet gedaan — dat was ’t Gericht van God!Ja. Weet je waarom ’K winnen moet, en winnenzal, per slot?Dat zit eenvoudig zoo: Ik heb een eigen, ouden God.Want waardoor liep bij ons de zaak van meet af aan zoo vlot?Van wege d’ assistentie van Mijn eigen, ouden God.Je legt het af. Je wordt getrapt, en bovendien bespot,Maar ’t is geen wonder: jullie hebt geen eigen, ouden God.„Wij missen eenheid,” zegt Lloyd George, hoe komt de vent zoo zot?Je mist geen eenheid, neen, je mist een eigen, ouden God!Je luksburgt vreemde schepen niet met man en muis kapot,Want jullie hebt niet zooals Ik een eigen, ouden God.Toen Grey een conferentie vroeg, toen weigerde Ik ’m bot;Ik vond ’t niet noodig: Ik had toch een eigen, ouden God.Ik brak Mijn woord, en het verdrag verscheurde Ik, als een vod;Dat mochtIkdoen, wantIkbezit een eigen, ouden God.Gehoorzaamt, volk’ren, dan devoot Mijn Keizerlijk gebod;Wat Ik wil, en Mijn generaals, dat is de wil van God!!

Hoezee! Nu is door ’s Hemels wil Italië’s macht geknot;Dat heeft mijn leger niet gedaan — dat was ’t Gericht van God!

Hoezee! Nu is door ’s Hemels wil Italië’s macht geknot;

Dat heeft mijn leger niet gedaan — dat was ’t Gericht van God!

Ja. Weet je waarom ’K winnen moet, en winnenzal, per slot?Dat zit eenvoudig zoo: Ik heb een eigen, ouden God.

Ja. Weet je waarom ’K winnen moet, en winnenzal, per slot?

Dat zit eenvoudig zoo: Ik heb een eigen, ouden God.

Want waardoor liep bij ons de zaak van meet af aan zoo vlot?Van wege d’ assistentie van Mijn eigen, ouden God.

Want waardoor liep bij ons de zaak van meet af aan zoo vlot?

Van wege d’ assistentie van Mijn eigen, ouden God.

Je legt het af. Je wordt getrapt, en bovendien bespot,Maar ’t is geen wonder: jullie hebt geen eigen, ouden God.

Je legt het af. Je wordt getrapt, en bovendien bespot,

Maar ’t is geen wonder: jullie hebt geen eigen, ouden God.

„Wij missen eenheid,” zegt Lloyd George, hoe komt de vent zoo zot?Je mist geen eenheid, neen, je mist een eigen, ouden God!

„Wij missen eenheid,” zegt Lloyd George, hoe komt de vent zoo zot?

Je mist geen eenheid, neen, je mist een eigen, ouden God!

Je luksburgt vreemde schepen niet met man en muis kapot,Want jullie hebt niet zooals Ik een eigen, ouden God.

Je luksburgt vreemde schepen niet met man en muis kapot,

Want jullie hebt niet zooals Ik een eigen, ouden God.

Toen Grey een conferentie vroeg, toen weigerde Ik ’m bot;Ik vond ’t niet noodig: Ik had toch een eigen, ouden God.

Toen Grey een conferentie vroeg, toen weigerde Ik ’m bot;

Ik vond ’t niet noodig: Ik had toch een eigen, ouden God.

Ik brak Mijn woord, en het verdrag verscheurde Ik, als een vod;Dat mochtIkdoen, wantIkbezit een eigen, ouden God.

Ik brak Mijn woord, en het verdrag verscheurde Ik, als een vod;

Dat mochtIkdoen, wantIkbezit een eigen, ouden God.

Gehoorzaamt, volk’ren, dan devoot Mijn Keizerlijk gebod;Wat Ik wil, en Mijn generaals, dat is de wil van God!!

Gehoorzaamt, volk’ren, dan devoot Mijn Keizerlijk gebod;

Wat Ik wil, en Mijn generaals, dat is de wil van God!!

„Und alle diese Siege verdanken wir nur Einem. Das ist unser alte Gott.”Wilhelm, I. R.

„Und alle diese Siege verdanken wir nur Einem. Das ist unser alte Gott.”

Wilhelm, I. R.

Wie met zeekren stijl vertrouwd is,Heeft gemerkt dat keer op keerWordt gezegd dat God zoo oud is:„Onze oude God, de Heer.”Altijd weer die Oude, Oude,Die ons zoo’n goed hart toedraagt,Wat dat toch beduiden zoude?Heb ’k me dikwijls afgevraagd.Waarom toch dat veelverspreide„Onze Oude” steeds? Waarom?Waarom is men toch zoo blijdeOver ’s Heeren ouderdom?Is ’t de hoop waarin wij leven,Dat „Onze oude God”... misschien...Wat in België is bedrevenNiet meer goed heeft kunnen zien?...

Wie met zeekren stijl vertrouwd is,Heeft gemerkt dat keer op keerWordt gezegd dat God zoo oud is:„Onze oude God, de Heer.”Altijd weer die Oude, Oude,Die ons zoo’n goed hart toedraagt,Wat dat toch beduiden zoude?Heb ’k me dikwijls afgevraagd.Waarom toch dat veelverspreide„Onze Oude” steeds? Waarom?Waarom is men toch zoo blijdeOver ’s Heeren ouderdom?Is ’t de hoop waarin wij leven,Dat „Onze oude God”... misschien...Wat in België is bedrevenNiet meer goed heeft kunnen zien?...

Wie met zeekren stijl vertrouwd is,Heeft gemerkt dat keer op keerWordt gezegd dat God zoo oud is:„Onze oude God, de Heer.”

Wie met zeekren stijl vertrouwd is,

Heeft gemerkt dat keer op keer

Wordt gezegd dat God zoo oud is:

„Onze oude God, de Heer.”

Altijd weer die Oude, Oude,Die ons zoo’n goed hart toedraagt,Wat dat toch beduiden zoude?Heb ’k me dikwijls afgevraagd.

Altijd weer die Oude, Oude,

Die ons zoo’n goed hart toedraagt,

Wat dat toch beduiden zoude?

Heb ’k me dikwijls afgevraagd.

Waarom toch dat veelverspreide„Onze Oude” steeds? Waarom?Waarom is men toch zoo blijdeOver ’s Heeren ouderdom?

Waarom toch dat veelverspreide

„Onze Oude” steeds? Waarom?

Waarom is men toch zoo blijde

Over ’s Heeren ouderdom?

Is ’t de hoop waarin wij leven,Dat „Onze oude God”... misschien...Wat in België is bedrevenNiet meer goed heeft kunnen zien?...

Is ’t de hoop waarin wij leven,

Dat „Onze oude God”... misschien...

Wat in België is bedreven

Niet meer goed heeft kunnen zien?...

„De Nederlandsche autoriteiten hadden het beschieten van ons luchtschip niet behooren toe te laten, daar zij hadden moeten begrijpen, dat het zich alleen tengevolge van force majeure boven Nederland bevond, aangezien het toch bekend was, dat de Duitsche Regeering aan hare luchtschippers destriktste bevelenhad gegeven, onzijdig gebied te vermijden, en dit langs den kortsten weg te verlaten, wanneer zij er bij vergissing boven waren gekomen.” —Nota van de Duitsche Regeering, 17 Febr. ’16.„Vooral imponeerde demajestueuze kalmte, waarmede het schip, zonder zich om het schieten der Hollandsche kustwacht te bekommeren, zijn tocht voortzette.” —Bericht in de Duitsche bladen, van een Duitsch journalist hier te lande, vertegenwoordiger van de Telegraphen-Union.„Het wordt tijd, dat onze regeering, met majestueuze kalmte, dezen grappenmaker bij de kraag pakt, en over de grens zet. — Bijna na elken Zeppelin-aanval op Engeland vliegen er, ook bij het helderste weer, Duitsche luchtschepen over Nederland, soms dwars over ons land, zelfs over de stelling van Amsterdam. — Is het in Duitschland dan zoo’n janboel, dat de regeering de luchtschippers niet meer in de hand heeft? Dit is moeilijk aan te nemen; wat blijft er dan anders over, dan om te veronderstellen, dat de Duitsche regeering ons eenvoudig voor den mal houdt?” —Kernkamp, De Europeesche Oorlog. Uitg. Tjeenk Willink en Zoon, Haarlem.

„De Nederlandsche autoriteiten hadden het beschieten van ons luchtschip niet behooren toe te laten, daar zij hadden moeten begrijpen, dat het zich alleen tengevolge van force majeure boven Nederland bevond, aangezien het toch bekend was, dat de Duitsche Regeering aan hare luchtschippers destriktste bevelenhad gegeven, onzijdig gebied te vermijden, en dit langs den kortsten weg te verlaten, wanneer zij er bij vergissing boven waren gekomen.” —Nota van de Duitsche Regeering, 17 Febr. ’16.

„Vooral imponeerde demajestueuze kalmte, waarmede het schip, zonder zich om het schieten der Hollandsche kustwacht te bekommeren, zijn tocht voortzette.” —Bericht in de Duitsche bladen, van een Duitsch journalist hier te lande, vertegenwoordiger van de Telegraphen-Union.

„Het wordt tijd, dat onze regeering, met majestueuze kalmte, dezen grappenmaker bij de kraag pakt, en over de grens zet. — Bijna na elken Zeppelin-aanval op Engeland vliegen er, ook bij het helderste weer, Duitsche luchtschepen over Nederland, soms dwars over ons land, zelfs over de stelling van Amsterdam. — Is het in Duitschland dan zoo’n janboel, dat de regeering de luchtschippers niet meer in de hand heeft? Dit is moeilijk aan te nemen; wat blijft er dan anders over, dan om te veronderstellen, dat de Duitsche regeering ons eenvoudig voor den mal houdt?” —Kernkamp, De Europeesche Oorlog. Uitg. Tjeenk Willink en Zoon, Haarlem.

De Keizer spreekt:

„Schippers en stuurlui van onze roemrijke luchtflotille,De liefde voor je vaderland besture en beziel’ je.Houdt Onzen naam in den Ons opgedrongen oorlog hoog,En den roem van de heerlijkste vloot, die ooit bij ongeluk over neutrale landen vloog.Nu Onze oude, niettegenstaande Mijn herhaald bevel, ’t vertikt Engeland afdoende te straffen,Moeten jullie, in zijn plaats, Ons daarginder recht gaan verschaffen.Maakt weer eens op humane wijze ’t perfide albion aan ’t schrikken,’t Is bekend, dat je altijd net tusschen de vrouwen en kinderen op een fabriek weet te mikken.Verlies je onderweg eens een bom, en vaart er toevallig een hollander met noem het maar „contrabande” onder door,Trek je zoo’n vergissing niet aan — ’t komt in de beste families voor,Wàt de oorlogsrechtverkrachtende engelschen daarover in hun lasterpers ook mogen kwebben!Maar dit is het niet, waar Ik ’t eigenlijk met jullie over wou hebben,Want je weet wel, dat Ik eigenlijk in alles, wat Wij in dezen heiligen oorlog doen, god’s hand zie; ja,Zelfs in Ons optreden in zake de sussex... Ik bedoel de palembang en de tubantia.Maar Ik heb je in ’t bijzonder hier voor Me aan laten treden,Om je zeggen, dat je zorgt, dat onzijdig gebied zorgvuldig wordt vermeden.En mocht er, na je baby-sparende heldendaden in engeland, toch ’s een ongelukje gebeuren,Dan zorg je, dat zoo’n slippertje, boven amsterdam b.v. bij helder weer, geschiedt door force majeure,En laat alsdan het schieten van de kustwacht je volstrekt niet beletten,Om in majestueuze kalmte je tocht over ’t platduitsch sprekend volkje voort te zetten.Dat voor slechte verstandhouding met ’t bevriende landje alle vrees wijk’;’t Wordt allemaal wel goedgepraat inde tukomstdoor Onze handlangers, zooals steenmet en sleeswijk,Onder Ons gezegd, een zoo’tje, waarover Ik eigenlijk niet graag spreek,Want dat weeë gelik van die buitenlanders geeft Me altijd zoo’n rommelig gevoel in M’n maagstreek.Maar nemen jullie toch maar wat abonnementen op dat strooperige blaadje,Dan schrijven de stumpers uit dankbaarheid nog eens een extra-drie-dubbel-overgehaald duitsch-freundlich praatje.Onthoudt dus, dat er de strengste straffen op staan,Als je ’t, Ikverdomme, in je duitsche hart krijgt om over holland te gaan.Ziet hier, schippers en stuurlui, Onze strikste bevelen,Maar als je ’t tóch doet...... nou, dan kan ’t Me ook al weer niet veel schelen.”

„Schippers en stuurlui van onze roemrijke luchtflotille,De liefde voor je vaderland besture en beziel’ je.Houdt Onzen naam in den Ons opgedrongen oorlog hoog,En den roem van de heerlijkste vloot, die ooit bij ongeluk over neutrale landen vloog.Nu Onze oude, niettegenstaande Mijn herhaald bevel, ’t vertikt Engeland afdoende te straffen,Moeten jullie, in zijn plaats, Ons daarginder recht gaan verschaffen.Maakt weer eens op humane wijze ’t perfide albion aan ’t schrikken,’t Is bekend, dat je altijd net tusschen de vrouwen en kinderen op een fabriek weet te mikken.Verlies je onderweg eens een bom, en vaart er toevallig een hollander met noem het maar „contrabande” onder door,Trek je zoo’n vergissing niet aan — ’t komt in de beste families voor,Wàt de oorlogsrechtverkrachtende engelschen daarover in hun lasterpers ook mogen kwebben!Maar dit is het niet, waar Ik ’t eigenlijk met jullie over wou hebben,Want je weet wel, dat Ik eigenlijk in alles, wat Wij in dezen heiligen oorlog doen, god’s hand zie; ja,Zelfs in Ons optreden in zake de sussex... Ik bedoel de palembang en de tubantia.Maar Ik heb je in ’t bijzonder hier voor Me aan laten treden,Om je zeggen, dat je zorgt, dat onzijdig gebied zorgvuldig wordt vermeden.En mocht er, na je baby-sparende heldendaden in engeland, toch ’s een ongelukje gebeuren,Dan zorg je, dat zoo’n slippertje, boven amsterdam b.v. bij helder weer, geschiedt door force majeure,En laat alsdan het schieten van de kustwacht je volstrekt niet beletten,Om in majestueuze kalmte je tocht over ’t platduitsch sprekend volkje voort te zetten.Dat voor slechte verstandhouding met ’t bevriende landje alle vrees wijk’;’t Wordt allemaal wel goedgepraat inde tukomstdoor Onze handlangers, zooals steenmet en sleeswijk,Onder Ons gezegd, een zoo’tje, waarover Ik eigenlijk niet graag spreek,Want dat weeë gelik van die buitenlanders geeft Me altijd zoo’n rommelig gevoel in M’n maagstreek.Maar nemen jullie toch maar wat abonnementen op dat strooperige blaadje,Dan schrijven de stumpers uit dankbaarheid nog eens een extra-drie-dubbel-overgehaald duitsch-freundlich praatje.Onthoudt dus, dat er de strengste straffen op staan,Als je ’t, Ikverdomme, in je duitsche hart krijgt om over holland te gaan.Ziet hier, schippers en stuurlui, Onze strikste bevelen,Maar als je ’t tóch doet...... nou, dan kan ’t Me ook al weer niet veel schelen.”

„Schippers en stuurlui van onze roemrijke luchtflotille,De liefde voor je vaderland besture en beziel’ je.Houdt Onzen naam in den Ons opgedrongen oorlog hoog,En den roem van de heerlijkste vloot, die ooit bij ongeluk over neutrale landen vloog.Nu Onze oude, niettegenstaande Mijn herhaald bevel, ’t vertikt Engeland afdoende te straffen,Moeten jullie, in zijn plaats, Ons daarginder recht gaan verschaffen.Maakt weer eens op humane wijze ’t perfide albion aan ’t schrikken,’t Is bekend, dat je altijd net tusschen de vrouwen en kinderen op een fabriek weet te mikken.Verlies je onderweg eens een bom, en vaart er toevallig een hollander met noem het maar „contrabande” onder door,Trek je zoo’n vergissing niet aan — ’t komt in de beste families voor,Wàt de oorlogsrechtverkrachtende engelschen daarover in hun lasterpers ook mogen kwebben!Maar dit is het niet, waar Ik ’t eigenlijk met jullie over wou hebben,Want je weet wel, dat Ik eigenlijk in alles, wat Wij in dezen heiligen oorlog doen, god’s hand zie; ja,Zelfs in Ons optreden in zake de sussex... Ik bedoel de palembang en de tubantia.Maar Ik heb je in ’t bijzonder hier voor Me aan laten treden,Om je zeggen, dat je zorgt, dat onzijdig gebied zorgvuldig wordt vermeden.En mocht er, na je baby-sparende heldendaden in engeland, toch ’s een ongelukje gebeuren,Dan zorg je, dat zoo’n slippertje, boven amsterdam b.v. bij helder weer, geschiedt door force majeure,En laat alsdan het schieten van de kustwacht je volstrekt niet beletten,Om in majestueuze kalmte je tocht over ’t platduitsch sprekend volkje voort te zetten.Dat voor slechte verstandhouding met ’t bevriende landje alle vrees wijk’;’t Wordt allemaal wel goedgepraat inde tukomstdoor Onze handlangers, zooals steenmet en sleeswijk,Onder Ons gezegd, een zoo’tje, waarover Ik eigenlijk niet graag spreek,Want dat weeë gelik van die buitenlanders geeft Me altijd zoo’n rommelig gevoel in M’n maagstreek.Maar nemen jullie toch maar wat abonnementen op dat strooperige blaadje,Dan schrijven de stumpers uit dankbaarheid nog eens een extra-drie-dubbel-overgehaald duitsch-freundlich praatje.Onthoudt dus, dat er de strengste straffen op staan,Als je ’t, Ikverdomme, in je duitsche hart krijgt om over holland te gaan.Ziet hier, schippers en stuurlui, Onze strikste bevelen,Maar als je ’t tóch doet...... nou, dan kan ’t Me ook al weer niet veel schelen.”

„Schippers en stuurlui van onze roemrijke luchtflotille,

De liefde voor je vaderland besture en beziel’ je.

Houdt Onzen naam in den Ons opgedrongen oorlog hoog,

En den roem van de heerlijkste vloot, die ooit bij ongeluk over neutrale landen vloog.

Nu Onze oude, niettegenstaande Mijn herhaald bevel, ’t vertikt Engeland afdoende te straffen,

Moeten jullie, in zijn plaats, Ons daarginder recht gaan verschaffen.

Maakt weer eens op humane wijze ’t perfide albion aan ’t schrikken,

’t Is bekend, dat je altijd net tusschen de vrouwen en kinderen op een fabriek weet te mikken.

Verlies je onderweg eens een bom, en vaart er toevallig een hollander met noem het maar „contrabande” onder door,

Trek je zoo’n vergissing niet aan — ’t komt in de beste families voor,

Wàt de oorlogsrechtverkrachtende engelschen daarover in hun lasterpers ook mogen kwebben!

Maar dit is het niet, waar Ik ’t eigenlijk met jullie over wou hebben,

Want je weet wel, dat Ik eigenlijk in alles, wat Wij in dezen heiligen oorlog doen, god’s hand zie; ja,

Zelfs in Ons optreden in zake de sussex... Ik bedoel de palembang en de tubantia.

Maar Ik heb je in ’t bijzonder hier voor Me aan laten treden,

Om je zeggen, dat je zorgt, dat onzijdig gebied zorgvuldig wordt vermeden.

En mocht er, na je baby-sparende heldendaden in engeland, toch ’s een ongelukje gebeuren,

Dan zorg je, dat zoo’n slippertje, boven amsterdam b.v. bij helder weer, geschiedt door force majeure,

En laat alsdan het schieten van de kustwacht je volstrekt niet beletten,

Om in majestueuze kalmte je tocht over ’t platduitsch sprekend volkje voort te zetten.

Dat voor slechte verstandhouding met ’t bevriende landje alle vrees wijk’;

’t Wordt allemaal wel goedgepraat inde tukomstdoor Onze handlangers, zooals steenmet en sleeswijk,

Onder Ons gezegd, een zoo’tje, waarover Ik eigenlijk niet graag spreek,

Want dat weeë gelik van die buitenlanders geeft Me altijd zoo’n rommelig gevoel in M’n maagstreek.

Maar nemen jullie toch maar wat abonnementen op dat strooperige blaadje,

Dan schrijven de stumpers uit dankbaarheid nog eens een extra-drie-dubbel-overgehaald duitsch-freundlich praatje.

Onthoudt dus, dat er de strengste straffen op staan,

Als je ’t, Ikverdomme, in je duitsche hart krijgt om over holland te gaan.

Ziet hier, schippers en stuurlui, Onze strikste bevelen,

Maar als je ’t tóch doet...... nou, dan kan ’t Me ook al weer niet veel schelen.”

„Ik erken, dat de inval in België een schending van het volkenrecht is.”(Bethmann-Hollweg.)„Onmiddellijk na den inval maakte België zich schuldig aan de schandelijkste schennis van het volkenrecht.”(Het Duitsche Witboek.)

„Ik erken, dat de inval in België een schending van het volkenrecht is.”

(Bethmann-Hollweg.)

„Onmiddellijk na den inval maakte België zich schuldig aan de schandelijkste schennis van het volkenrecht.”

(Het Duitsche Witboek.)

Toen ik nog een kleine aap was,Nog zoo’n baardelooze knaap was,Mocht ’k niet rooken voor m’n Pa,Of ’k ’t land had — ga maar na!Als ’k ’m dan zoo zoet zag blazenZware wolken, witte wazen,Knord’ ik in mijn jeugdverdriet:„U mag wel, maar ik mag niet!hè......!”Onlangs liep ’k weer eens een blauwtje,Ach, zij werd een ander’s vrouwtje,’k Zag ze gistren op ’t perron,En het minnespel begon!Hij kwam thuis — direkt aan ’t kussen!En ik mompeld’ ondertusschen,Fel jaloersch, zooals je ziet:„Hij mag wel, en ik mag niet!Oh......!”Een der bladen, dezer dagen,Stelde deze vraag der vragen,Of ’t de man is of de vrouw,Die men ’t liefst vergeven zou,Als...... hm! ja, hoe zal ’k ’t zeggen......’t Is zoo moeilijk uit te leggen......Maar ik wed da’ j’ ’t antwoord ried:„Hij mag wel, maar zij mag niet!Foei......!”Tusschen mij en ieder anderJournalist bestaat (hij kan d’rNiets aan doen) een groot verschil:Ik mag schrijven wat ik wil,Niets belet m’ ’r uit te flappen.Wat mij lust, maar hij moet schrappenWat zijn redacteur gebiedt:„Ik mag wel, maar hij mag niet!Eis......!”Bethmann-Hollweg heeft beleden,Dat hij ’t volkrecht heeft vertreden,En nu lees ik ’t Witboek weer,— Ik verwonder me niet meer! —Daarin zegt hij tegen België:„Beiden schond’ we ’t volkrecht wel, zie je,Maar” — ’t is weer het oude lied! —„Ik mocht wel, maar jij mocht niet!Zóó......!”

Toen ik nog een kleine aap was,Nog zoo’n baardelooze knaap was,Mocht ’k niet rooken voor m’n Pa,Of ’k ’t land had — ga maar na!Als ’k ’m dan zoo zoet zag blazenZware wolken, witte wazen,Knord’ ik in mijn jeugdverdriet:„U mag wel, maar ik mag niet!hè......!”Onlangs liep ’k weer eens een blauwtje,Ach, zij werd een ander’s vrouwtje,’k Zag ze gistren op ’t perron,En het minnespel begon!Hij kwam thuis — direkt aan ’t kussen!En ik mompeld’ ondertusschen,Fel jaloersch, zooals je ziet:„Hij mag wel, en ik mag niet!Oh......!”Een der bladen, dezer dagen,Stelde deze vraag der vragen,Of ’t de man is of de vrouw,Die men ’t liefst vergeven zou,Als...... hm! ja, hoe zal ’k ’t zeggen......’t Is zoo moeilijk uit te leggen......Maar ik wed da’ j’ ’t antwoord ried:„Hij mag wel, maar zij mag niet!Foei......!”Tusschen mij en ieder anderJournalist bestaat (hij kan d’rNiets aan doen) een groot verschil:Ik mag schrijven wat ik wil,Niets belet m’ ’r uit te flappen.Wat mij lust, maar hij moet schrappenWat zijn redacteur gebiedt:„Ik mag wel, maar hij mag niet!Eis......!”Bethmann-Hollweg heeft beleden,Dat hij ’t volkrecht heeft vertreden,En nu lees ik ’t Witboek weer,— Ik verwonder me niet meer! —Daarin zegt hij tegen België:„Beiden schond’ we ’t volkrecht wel, zie je,Maar” — ’t is weer het oude lied! —„Ik mocht wel, maar jij mocht niet!Zóó......!”

Toen ik nog een kleine aap was,Nog zoo’n baardelooze knaap was,Mocht ’k niet rooken voor m’n Pa,Of ’k ’t land had — ga maar na!Als ’k ’m dan zoo zoet zag blazenZware wolken, witte wazen,Knord’ ik in mijn jeugdverdriet:„U mag wel, maar ik mag niet!hè......!”

Toen ik nog een kleine aap was,

Nog zoo’n baardelooze knaap was,

Mocht ’k niet rooken voor m’n Pa,

Of ’k ’t land had — ga maar na!

Als ’k ’m dan zoo zoet zag blazen

Zware wolken, witte wazen,

Knord’ ik in mijn jeugdverdriet:

„U mag wel, maar ik mag niet!

hè......!”

Onlangs liep ’k weer eens een blauwtje,Ach, zij werd een ander’s vrouwtje,’k Zag ze gistren op ’t perron,En het minnespel begon!Hij kwam thuis — direkt aan ’t kussen!En ik mompeld’ ondertusschen,Fel jaloersch, zooals je ziet:„Hij mag wel, en ik mag niet!Oh......!”

Onlangs liep ’k weer eens een blauwtje,

Ach, zij werd een ander’s vrouwtje,

’k Zag ze gistren op ’t perron,

En het minnespel begon!

Hij kwam thuis — direkt aan ’t kussen!

En ik mompeld’ ondertusschen,

Fel jaloersch, zooals je ziet:

„Hij mag wel, en ik mag niet!

Oh......!”

Een der bladen, dezer dagen,Stelde deze vraag der vragen,Of ’t de man is of de vrouw,Die men ’t liefst vergeven zou,Als...... hm! ja, hoe zal ’k ’t zeggen......’t Is zoo moeilijk uit te leggen......Maar ik wed da’ j’ ’t antwoord ried:„Hij mag wel, maar zij mag niet!Foei......!”

Een der bladen, dezer dagen,

Stelde deze vraag der vragen,

Of ’t de man is of de vrouw,

Die men ’t liefst vergeven zou,

Als...... hm! ja, hoe zal ’k ’t zeggen......

’t Is zoo moeilijk uit te leggen......

Maar ik wed da’ j’ ’t antwoord ried:

„Hij mag wel, maar zij mag niet!

Foei......!”

Tusschen mij en ieder anderJournalist bestaat (hij kan d’rNiets aan doen) een groot verschil:Ik mag schrijven wat ik wil,Niets belet m’ ’r uit te flappen.Wat mij lust, maar hij moet schrappenWat zijn redacteur gebiedt:„Ik mag wel, maar hij mag niet!Eis......!”

Tusschen mij en ieder ander

Journalist bestaat (hij kan d’r

Niets aan doen) een groot verschil:

Ik mag schrijven wat ik wil,

Niets belet m’ ’r uit te flappen.

Wat mij lust, maar hij moet schrappen

Wat zijn redacteur gebiedt:

„Ik mag wel, maar hij mag niet!

Eis......!”

Bethmann-Hollweg heeft beleden,Dat hij ’t volkrecht heeft vertreden,En nu lees ik ’t Witboek weer,— Ik verwonder me niet meer! —Daarin zegt hij tegen België:„Beiden schond’ we ’t volkrecht wel, zie je,Maar” — ’t is weer het oude lied! —„Ik mocht wel, maar jij mocht niet!Zóó......!”

Bethmann-Hollweg heeft beleden,

Dat hij ’t volkrecht heeft vertreden,

En nu lees ik ’t Witboek weer,

— Ik verwonder me niet meer! —

Daarin zegt hij tegen België:

„Beiden schond’ we ’t volkrecht wel, zie je,

Maar” — ’t is weer het oude lied! —

„Ik mocht wel, maar jij mocht niet!

Zóó......!”

Onuitgesproken oordeel van een Neutraal.

Onuitgesproken oordeel van een Neutraal.

Toen Bethmann-Hollweg ruiterlijk verklaarde:„Wij plegen onrecht— ziet, ik geef het toe!”Toen was er menigeen, die dat aanvaardde,Al werd ’t den zwakken volkren dezer aardeOp ’t hooren van dit woord ook bang te moe......Maar toch, er was iets eerlijks in die woorden,„Wij plegen onrecht, maar wij maken ’t goed”;Zelfs zeiden de Juristen, die het hoorden:Zoo verontschuldigt ’t Recht ook doodslaan, moorden,Dat heet „Uit noodweer”, of „Het mag — als ’t moet.”Wel dachten enklen, dommer dan Juristen:Het was een plan, al jaren her bedacht,Dit was toch iets, dat zelfs de kindren wisten,Dat, als de Duitschers België’s doortocht misten,Geen overwinning moog’lijk werd geacht.Endat al lang, bij ’t gieten der kanonnen,En onder ’t zingen van „Die Wacht am Rhein”,Terwijl steeds beter moordtuig werd verzonnen,En van meer Dreadnoughts steeds de bouw begonnen,Het „Stück Papier” verscheurd had moeten zijn.Maar Duitschland leek den plompen boerenpummel,Die ’t kind opzij schopt, dat hem wederstaat:Hij is misschien nog wel een goeie lummel,En heeft per slot zelfs meêlij met den hummel,Hij is een lomperd — maar au fond niet kwaad.Maar dat gij, Bethmann-Hollweg, nu getracht hebt,U grondend op den schijn, op een verhaal,t’ Ontkennen, dat gij ’t Volkrenrecht verkracht hebtOp gronden,die gij naderhand bedacht hebt,Dàt noem ik...... nee, da’s waar ook: ’k ben neutraal.

Toen Bethmann-Hollweg ruiterlijk verklaarde:„Wij plegen onrecht— ziet, ik geef het toe!”Toen was er menigeen, die dat aanvaardde,Al werd ’t den zwakken volkren dezer aardeOp ’t hooren van dit woord ook bang te moe......Maar toch, er was iets eerlijks in die woorden,„Wij plegen onrecht, maar wij maken ’t goed”;Zelfs zeiden de Juristen, die het hoorden:Zoo verontschuldigt ’t Recht ook doodslaan, moorden,Dat heet „Uit noodweer”, of „Het mag — als ’t moet.”Wel dachten enklen, dommer dan Juristen:Het was een plan, al jaren her bedacht,Dit was toch iets, dat zelfs de kindren wisten,Dat, als de Duitschers België’s doortocht misten,Geen overwinning moog’lijk werd geacht.Endat al lang, bij ’t gieten der kanonnen,En onder ’t zingen van „Die Wacht am Rhein”,Terwijl steeds beter moordtuig werd verzonnen,En van meer Dreadnoughts steeds de bouw begonnen,Het „Stück Papier” verscheurd had moeten zijn.Maar Duitschland leek den plompen boerenpummel,Die ’t kind opzij schopt, dat hem wederstaat:Hij is misschien nog wel een goeie lummel,En heeft per slot zelfs meêlij met den hummel,Hij is een lomperd — maar au fond niet kwaad.Maar dat gij, Bethmann-Hollweg, nu getracht hebt,U grondend op den schijn, op een verhaal,t’ Ontkennen, dat gij ’t Volkrenrecht verkracht hebtOp gronden,die gij naderhand bedacht hebt,Dàt noem ik...... nee, da’s waar ook: ’k ben neutraal.

Toen Bethmann-Hollweg ruiterlijk verklaarde:„Wij plegen onrecht— ziet, ik geef het toe!”Toen was er menigeen, die dat aanvaardde,Al werd ’t den zwakken volkren dezer aardeOp ’t hooren van dit woord ook bang te moe......

Toen Bethmann-Hollweg ruiterlijk verklaarde:

„Wij plegen onrecht— ziet, ik geef het toe!”

Toen was er menigeen, die dat aanvaardde,

Al werd ’t den zwakken volkren dezer aarde

Op ’t hooren van dit woord ook bang te moe......

Maar toch, er was iets eerlijks in die woorden,„Wij plegen onrecht, maar wij maken ’t goed”;Zelfs zeiden de Juristen, die het hoorden:Zoo verontschuldigt ’t Recht ook doodslaan, moorden,Dat heet „Uit noodweer”, of „Het mag — als ’t moet.”

Maar toch, er was iets eerlijks in die woorden,

„Wij plegen onrecht, maar wij maken ’t goed”;

Zelfs zeiden de Juristen, die het hoorden:

Zoo verontschuldigt ’t Recht ook doodslaan, moorden,

Dat heet „Uit noodweer”, of „Het mag — als ’t moet.”

Wel dachten enklen, dommer dan Juristen:Het was een plan, al jaren her bedacht,Dit was toch iets, dat zelfs de kindren wisten,Dat, als de Duitschers België’s doortocht misten,Geen overwinning moog’lijk werd geacht.

Wel dachten enklen, dommer dan Juristen:

Het was een plan, al jaren her bedacht,

Dit was toch iets, dat zelfs de kindren wisten,

Dat, als de Duitschers België’s doortocht misten,

Geen overwinning moog’lijk werd geacht.

Endat al lang, bij ’t gieten der kanonnen,En onder ’t zingen van „Die Wacht am Rhein”,Terwijl steeds beter moordtuig werd verzonnen,En van meer Dreadnoughts steeds de bouw begonnen,Het „Stück Papier” verscheurd had moeten zijn.

Endat al lang, bij ’t gieten der kanonnen,

En onder ’t zingen van „Die Wacht am Rhein”,

Terwijl steeds beter moordtuig werd verzonnen,

En van meer Dreadnoughts steeds de bouw begonnen,

Het „Stück Papier” verscheurd had moeten zijn.

Maar Duitschland leek den plompen boerenpummel,Die ’t kind opzij schopt, dat hem wederstaat:Hij is misschien nog wel een goeie lummel,En heeft per slot zelfs meêlij met den hummel,Hij is een lomperd — maar au fond niet kwaad.

Maar Duitschland leek den plompen boerenpummel,

Die ’t kind opzij schopt, dat hem wederstaat:

Hij is misschien nog wel een goeie lummel,

En heeft per slot zelfs meêlij met den hummel,

Hij is een lomperd — maar au fond niet kwaad.

Maar dat gij, Bethmann-Hollweg, nu getracht hebt,U grondend op den schijn, op een verhaal,t’ Ontkennen, dat gij ’t Volkrenrecht verkracht hebtOp gronden,die gij naderhand bedacht hebt,Dàt noem ik...... nee, da’s waar ook: ’k ben neutraal.

Maar dat gij, Bethmann-Hollweg, nu getracht hebt,

U grondend op den schijn, op een verhaal,

t’ Ontkennen, dat gij ’t Volkrenrecht verkracht hebt

Op gronden,die gij naderhand bedacht hebt,

Dàt noem ik...... nee, da’s waar ook: ’k ben neutraal.

„Als hun taak wordt niet alleen de Entente, maar de geheele wereld te overwinnen, openbaart zich hier een nog grootere opzet van de Voorzienigheid voor de toekomstige leiding der menschheid.”Neue Zuericher Nachrichten.

„Als hun taak wordt niet alleen de Entente, maar de geheele wereld te overwinnen, openbaart zich hier een nog grootere opzet van de Voorzienigheid voor de toekomstige leiding der menschheid.”Neue Zuericher Nachrichten.

Wordt de taak de heele wereld te verslaan hun opgelegd,Dan is eenmaal hun de leiding! heeft het Zwitschersch blad gezegd.Dat is dan de heerlijke hooge opzet der Voorzienigheid:Hun de leiding van de menschheid, (als zij winnen in den strijd.)’t Duitsche doen en ’t Duitsche denken dringt dan door van pool tot pool,„Rücksichtlosigkeit”, „Einschüchtern”, „Nicht gestattet!” wordt ’t parool,Alle landen van de wereld omgetuischt in Duitschen geest,Staatsbesturen, volksgebruiken omgeschoeid op Duitschen leest.Sabelrinkling, dikke boeken, gnädigste, durchlaucht, mensur,Bekkesnijen, luintvergoding, zware humor, hochkultur,Duitsche smaak en Duitsche vormen, Duitsche bouw en Duitsche dracht,Duitsche klanken, Duitsche kleuren, Duitsche pronk en Duitsche pracht,Duitsche modes, Duitsche groeten, Duitsche sect en Duitsche ham,In St. Petersburg, in Londen, in Parijs, en Amsterdam.Duitsche Kaffee, Duitsche Kuchen, Duitsche Klatsch en Duitsche worst,Duitsche Kneipe, Duitsche knevels, Duitsche buiken, Duitsche dorst.Monumenten, sieg’-alleeën, over heel onz’ aard verspreid,Beelden, zuilen, schilderijen, (olieverf) „Aus groszer Zeit,”’t Lik-naar-boven-trap-naar-onderen-systeem het hoogst gebod......En hoog tronend zit de Keizer, met den Kroonprins — vlak bij God.

Wordt de taak de heele wereld te verslaan hun opgelegd,Dan is eenmaal hun de leiding! heeft het Zwitschersch blad gezegd.Dat is dan de heerlijke hooge opzet der Voorzienigheid:Hun de leiding van de menschheid, (als zij winnen in den strijd.)’t Duitsche doen en ’t Duitsche denken dringt dan door van pool tot pool,„Rücksichtlosigkeit”, „Einschüchtern”, „Nicht gestattet!” wordt ’t parool,Alle landen van de wereld omgetuischt in Duitschen geest,Staatsbesturen, volksgebruiken omgeschoeid op Duitschen leest.Sabelrinkling, dikke boeken, gnädigste, durchlaucht, mensur,Bekkesnijen, luintvergoding, zware humor, hochkultur,Duitsche smaak en Duitsche vormen, Duitsche bouw en Duitsche dracht,Duitsche klanken, Duitsche kleuren, Duitsche pronk en Duitsche pracht,Duitsche modes, Duitsche groeten, Duitsche sect en Duitsche ham,In St. Petersburg, in Londen, in Parijs, en Amsterdam.Duitsche Kaffee, Duitsche Kuchen, Duitsche Klatsch en Duitsche worst,Duitsche Kneipe, Duitsche knevels, Duitsche buiken, Duitsche dorst.Monumenten, sieg’-alleeën, over heel onz’ aard verspreid,Beelden, zuilen, schilderijen, (olieverf) „Aus groszer Zeit,”’t Lik-naar-boven-trap-naar-onderen-systeem het hoogst gebod......En hoog tronend zit de Keizer, met den Kroonprins — vlak bij God.

Wordt de taak de heele wereld te verslaan hun opgelegd,Dan is eenmaal hun de leiding! heeft het Zwitschersch blad gezegd.Dat is dan de heerlijke hooge opzet der Voorzienigheid:Hun de leiding van de menschheid, (als zij winnen in den strijd.)’t Duitsche doen en ’t Duitsche denken dringt dan door van pool tot pool,„Rücksichtlosigkeit”, „Einschüchtern”, „Nicht gestattet!” wordt ’t parool,Alle landen van de wereld omgetuischt in Duitschen geest,Staatsbesturen, volksgebruiken omgeschoeid op Duitschen leest.Sabelrinkling, dikke boeken, gnädigste, durchlaucht, mensur,Bekkesnijen, luintvergoding, zware humor, hochkultur,Duitsche smaak en Duitsche vormen, Duitsche bouw en Duitsche dracht,Duitsche klanken, Duitsche kleuren, Duitsche pronk en Duitsche pracht,Duitsche modes, Duitsche groeten, Duitsche sect en Duitsche ham,In St. Petersburg, in Londen, in Parijs, en Amsterdam.Duitsche Kaffee, Duitsche Kuchen, Duitsche Klatsch en Duitsche worst,Duitsche Kneipe, Duitsche knevels, Duitsche buiken, Duitsche dorst.Monumenten, sieg’-alleeën, over heel onz’ aard verspreid,Beelden, zuilen, schilderijen, (olieverf) „Aus groszer Zeit,”’t Lik-naar-boven-trap-naar-onderen-systeem het hoogst gebod......En hoog tronend zit de Keizer, met den Kroonprins — vlak bij God.

Wordt de taak de heele wereld te verslaan hun opgelegd,

Dan is eenmaal hun de leiding! heeft het Zwitschersch blad gezegd.

Dat is dan de heerlijke hooge opzet der Voorzienigheid:

Hun de leiding van de menschheid, (als zij winnen in den strijd.)

’t Duitsche doen en ’t Duitsche denken dringt dan door van pool tot pool,

„Rücksichtlosigkeit”, „Einschüchtern”, „Nicht gestattet!” wordt ’t parool,

Alle landen van de wereld omgetuischt in Duitschen geest,

Staatsbesturen, volksgebruiken omgeschoeid op Duitschen leest.

Sabelrinkling, dikke boeken, gnädigste, durchlaucht, mensur,

Bekkesnijen, luintvergoding, zware humor, hochkultur,

Duitsche smaak en Duitsche vormen, Duitsche bouw en Duitsche dracht,

Duitsche klanken, Duitsche kleuren, Duitsche pronk en Duitsche pracht,

Duitsche modes, Duitsche groeten, Duitsche sect en Duitsche ham,

In St. Petersburg, in Londen, in Parijs, en Amsterdam.

Duitsche Kaffee, Duitsche Kuchen, Duitsche Klatsch en Duitsche worst,

Duitsche Kneipe, Duitsche knevels, Duitsche buiken, Duitsche dorst.

Monumenten, sieg’-alleeën, over heel onz’ aard verspreid,

Beelden, zuilen, schilderijen, (olieverf) „Aus groszer Zeit,”

’t Lik-naar-boven-trap-naar-onderen-systeem het hoogst gebod......

En hoog tronend zit de Keizer, met den Kroonprins — vlak bij God.

(Alleen voor Heeren.)

„Onder de overlevende soldaten blijven er nog genoeg flinke mannen over om Duitschlands werk- en weerkracht snel op ’t oude peil te brengen. Zoolang het echter den man verboden is bij meer dan een vrouw kinderen te krijgen, blijft zijn voor de volkskracht zoo vruchtbaar scheppingsvermogen door dat van de vrouw beperkt. De vraag moet daarom overwogen worden, of het niet voor het behoud van de volkskracht geraden, ja, geboden is na den oorlog b.v. als gunst voor de uit den oorlog terugkeerende dapperen, van de starre monogame zedenwet af te wijken, en de mannelijke natuur toestemming te verleenen tot hetgeen haar volgens moreele opvattingen van andere tijden en andere volken als goed recht wordt toegestaan.” — Biologische Friedensrüstungen. Door C. von Ehrenfels, in het Archiv für Rassenbiologie. — (Avondp.)

„Onder de overlevende soldaten blijven er nog genoeg flinke mannen over om Duitschlands werk- en weerkracht snel op ’t oude peil te brengen. Zoolang het echter den man verboden is bij meer dan een vrouw kinderen te krijgen, blijft zijn voor de volkskracht zoo vruchtbaar scheppingsvermogen door dat van de vrouw beperkt. De vraag moet daarom overwogen worden, of het niet voor het behoud van de volkskracht geraden, ja, geboden is na den oorlog b.v. als gunst voor de uit den oorlog terugkeerende dapperen, van de starre monogame zedenwet af te wijken, en de mannelijke natuur toestemming te verleenen tot hetgeen haar volgens moreele opvattingen van andere tijden en andere volken als goed recht wordt toegestaan.” — Biologische Friedensrüstungen. Door C. von Ehrenfels, in het Archiv für Rassenbiologie. — (Avondp.)

(Dit Rijm zou Holland’s Vrouw, of heb ik ’t mis?Wellicht geneeren,Dus, dames, leest niet verder door. Dit isAlleen voor Heeren.)— — — — — — — — — — — — —Misschien wordt deez’ of geen geschokt, die ’t hoort,Mijzal ’t niet hinderen —Al strijdt ’t een beetje met het bijbelwoord:„Wordt als de kinderen!”’k Beken, dat ik het zelf zoo erg niet vind,Zoo’n kransje vrouwen;’k Heb óók wel ’s meer dan één gelijk bemind —(Dit in vertrouwen!)„Laat ons den held, keert hij uit d’ oorlog weer,Royaal beloonen;Mijn volk,” schrijft Ehrenfels, „ga in de leerBij de Mormonen!Laat ons toch breken met die starre mo-nogame zeden,Waarom hetzelfde niet gedaan dat zooveel andren deden?”Dus breekt ’r een gouden tijd aan, Duitsche jeugd!Dat zal je smaken!Een tijd van volop huwelijksgeneucht,Dan ku’ je ’m raken!Doet als uw bondgenoot, de sultan, (Ma-homet bewaar’ ’m!)Volgt hem ook in zijn huiselijk leven na,En vormt een harem!Zes donkre schoonen hou je in Berlijn,Met rozenmondjes,In Sommerfrische, ’t andre half dozijn,Zes slanke blondjes.Hou verder nog een extra-troepje vrij,Vol vuur en verve,Om in te vallen, als ’t eens moet, bij wij-ze van reserve.En wordt er eentje soms ontrouw misschien,Of wil ze scheiden,Wat nood? Je hebt er nog een stuk of tien,Het kan best lijden.Zoo heeft je liefde hier een hooger doel,Door ’s Keizers gratie,En paart het Nut zich aan het reinst Gevoel,Tot heil der natie.Bravo, von Ehrenfels! Breek met verou-derde begrippen;Volgt dan zijn oproep, Bloem der Duitsche Vrouw:Wordt als de kippen!

(Dit Rijm zou Holland’s Vrouw, of heb ik ’t mis?Wellicht geneeren,Dus, dames, leest niet verder door. Dit isAlleen voor Heeren.)— — — — — — — — — — — — —Misschien wordt deez’ of geen geschokt, die ’t hoort,Mijzal ’t niet hinderen —Al strijdt ’t een beetje met het bijbelwoord:„Wordt als de kinderen!”’k Beken, dat ik het zelf zoo erg niet vind,Zoo’n kransje vrouwen;’k Heb óók wel ’s meer dan één gelijk bemind —(Dit in vertrouwen!)„Laat ons den held, keert hij uit d’ oorlog weer,Royaal beloonen;Mijn volk,” schrijft Ehrenfels, „ga in de leerBij de Mormonen!Laat ons toch breken met die starre mo-nogame zeden,Waarom hetzelfde niet gedaan dat zooveel andren deden?”Dus breekt ’r een gouden tijd aan, Duitsche jeugd!Dat zal je smaken!Een tijd van volop huwelijksgeneucht,Dan ku’ je ’m raken!Doet als uw bondgenoot, de sultan, (Ma-homet bewaar’ ’m!)Volgt hem ook in zijn huiselijk leven na,En vormt een harem!Zes donkre schoonen hou je in Berlijn,Met rozenmondjes,In Sommerfrische, ’t andre half dozijn,Zes slanke blondjes.Hou verder nog een extra-troepje vrij,Vol vuur en verve,Om in te vallen, als ’t eens moet, bij wij-ze van reserve.En wordt er eentje soms ontrouw misschien,Of wil ze scheiden,Wat nood? Je hebt er nog een stuk of tien,Het kan best lijden.Zoo heeft je liefde hier een hooger doel,Door ’s Keizers gratie,En paart het Nut zich aan het reinst Gevoel,Tot heil der natie.Bravo, von Ehrenfels! Breek met verou-derde begrippen;Volgt dan zijn oproep, Bloem der Duitsche Vrouw:Wordt als de kippen!

(Dit Rijm zou Holland’s Vrouw, of heb ik ’t mis?Wellicht geneeren,Dus, dames, leest niet verder door. Dit isAlleen voor Heeren.)— — — — — — — — — — — — —Misschien wordt deez’ of geen geschokt, die ’t hoort,Mijzal ’t niet hinderen —Al strijdt ’t een beetje met het bijbelwoord:„Wordt als de kinderen!”

(Dit Rijm zou Holland’s Vrouw, of heb ik ’t mis?

Wellicht geneeren,

Dus, dames, leest niet verder door. Dit is

Alleen voor Heeren.)

— — — — — — — — — — — — —

Misschien wordt deez’ of geen geschokt, die ’t hoort,

Mijzal ’t niet hinderen —

Al strijdt ’t een beetje met het bijbelwoord:

„Wordt als de kinderen!”

’k Beken, dat ik het zelf zoo erg niet vind,Zoo’n kransje vrouwen;’k Heb óók wel ’s meer dan één gelijk bemind —(Dit in vertrouwen!)

’k Beken, dat ik het zelf zoo erg niet vind,

Zoo’n kransje vrouwen;

’k Heb óók wel ’s meer dan één gelijk bemind —

(Dit in vertrouwen!)

„Laat ons den held, keert hij uit d’ oorlog weer,Royaal beloonen;Mijn volk,” schrijft Ehrenfels, „ga in de leerBij de Mormonen!

„Laat ons den held, keert hij uit d’ oorlog weer,

Royaal beloonen;

Mijn volk,” schrijft Ehrenfels, „ga in de leer

Bij de Mormonen!

Laat ons toch breken met die starre mo-nogame zeden,Waarom hetzelfde niet gedaan dat zooveel andren deden?”

Laat ons toch breken met die starre mo-

nogame zeden,

Waarom hetzelfde niet gedaan dat zoo

veel andren deden?”

Dus breekt ’r een gouden tijd aan, Duitsche jeugd!Dat zal je smaken!Een tijd van volop huwelijksgeneucht,Dan ku’ je ’m raken!

Dus breekt ’r een gouden tijd aan, Duitsche jeugd!

Dat zal je smaken!

Een tijd van volop huwelijksgeneucht,

Dan ku’ je ’m raken!

Doet als uw bondgenoot, de sultan, (Ma-homet bewaar’ ’m!)Volgt hem ook in zijn huiselijk leven na,En vormt een harem!

Doet als uw bondgenoot, de sultan, (Ma-

homet bewaar’ ’m!)

Volgt hem ook in zijn huiselijk leven na,

En vormt een harem!

Zes donkre schoonen hou je in Berlijn,Met rozenmondjes,In Sommerfrische, ’t andre half dozijn,Zes slanke blondjes.

Zes donkre schoonen hou je in Berlijn,

Met rozenmondjes,

In Sommerfrische, ’t andre half dozijn,

Zes slanke blondjes.

Hou verder nog een extra-troepje vrij,Vol vuur en verve,Om in te vallen, als ’t eens moet, bij wij-ze van reserve.

Hou verder nog een extra-troepje vrij,

Vol vuur en verve,

Om in te vallen, als ’t eens moet, bij wij-

ze van reserve.

En wordt er eentje soms ontrouw misschien,Of wil ze scheiden,Wat nood? Je hebt er nog een stuk of tien,Het kan best lijden.

En wordt er eentje soms ontrouw misschien,

Of wil ze scheiden,

Wat nood? Je hebt er nog een stuk of tien,

Het kan best lijden.

Zoo heeft je liefde hier een hooger doel,Door ’s Keizers gratie,En paart het Nut zich aan het reinst Gevoel,Tot heil der natie.

Zoo heeft je liefde hier een hooger doel,

Door ’s Keizers gratie,

En paart het Nut zich aan het reinst Gevoel,

Tot heil der natie.

Bravo, von Ehrenfels! Breek met verou-derde begrippen;Volgt dan zijn oproep, Bloem der Duitsche Vrouw:Wordt als de kippen!

Bravo, von Ehrenfels! Breek met verou-

derde begrippen;

Volgt dan zijn oproep, Bloem der Duitsche Vrouw:

Wordt als de kippen!

Troost aan de Non-combattanten.

Troost aan de Non-combattanten.

„Nooit werd in het openbaar meer gelogen en gelasterd, nooit werd opzettelijk en bewust meer onwaarheid gesproken dan in dezen oorlog.” —Chr. N. in het Hbld.

„Nooit werd in het openbaar meer gelogen en gelasterd, nooit werd opzettelijk en bewust meer onwaarheid gesproken dan in dezen oorlog.” —Chr. N. in het Hbld.

„Nooit werd in het openbaar meer gelogen en gelasterd, nooit werd opzettelijk en bewust meer onwaarheid gesproken dan in dezen oorlog.” —Chr. N. in het Hbld.

Toen ik een jonge jongen was,En Staatsinrichting leerde,Toen zei de leeraar van de klas,Die ons dat vak doceerde:DeCombattanten, dat zijn zij,Die vechten voor hun land, enZij, die niet meedoen — leerde hij —Dat zijnNon-combattanten.Die slechte kerels! dacht ik dan,Of soms had ’k medelijdenMet wie niet optrok, als een man,Om voor zijn Vorst te strijden.Nu ik een ouwe jongen ben,Al bij de grens der grijsheid,En niet meer zoo doordrongen benVan ’t ware van die wijsheid,Nu ’k Wolff’s-bureau-berichten slik,En Reuter-telegrammen,Nu merk ik, dat onze oude frikEen beetje heeft staan zwammen.Nu weet ik, dat aan elken kantIn dezen taaien tweestrijdEen zoogenaamd „Non-combattant”Geweldig dapper meestrijdt:De pers! zij voert een strijd (met inkt)Van leugen en van laster —Of: „liefde voor haar land” — dat klinktIets netter en gepaster.De pers moet liegen, in het groot,Den vijand grof verguizend;Dus, schieten d’ onz’ er zestig dood,Dan schrijft ze: „zestig duizend!”Is ’t met de „geestdrift” slecht gesteld,En met de „doodsverachting”,En worden d’ onzen met geweldGedrevennaar de slachting,Dan vinden wij, in tegendeel,Den toestand zóó geteekend:„De opgewektheid, het moreelDer onzen was uitstekend.”De pers — en ook de burgerijMoet zwetsen, kletsen, klappen,En in hun brieven moeten zijUit ’t zelfde vaatje tappen.Is van een kogel ’t puntje maarEen beetje afgestooten,Dan schrijf je: „Gruwzaam! de barbaarHeeft met dums-dums geschoten!”(Brief uit......)„We krijgen zelfs geen stroomatrasOm ons op neer te leggen!We slapen op gebroken glas,En omgekeerde eggen.”(Brief uit......)„Zij deelen dooie katten uit,Met wurmen en met neten,En hondenworst met rattenkruid,Dàt krijgen wij te eten!”(Brief uit......)„Gewonden worden afgemaakt,Als overreje honden;’k Heb gistren zelf een graf gemaaktVoor zeventig gewonden.”(Brief uit......)„Laatst zag ik er een stuk of vijf,Die zóó het leven lieten:Ze dienden één voor één als schijf,Om op te leeren schieten!”(Brief uit......)„Een luitnant, die mijn dochter sprak,Kreeg schik in ’t meisje, nam ’r......”(De rest door ons geschrapt — Redac-tieNieuwe Amsterdammer.)Dus wees getroost, Non-combattantDoor ziekte of door jaren!Je kunt j’ in dienst van ’t VaderlandToch lauweren vergaren.Wanneer je dan niet vecht in ’t veld,Bij ’t schetteren der trompetten —Al ku’ j’ niet als een echte heldEen stad in vlammen zetten.Al werk je niet met bom of mijn,Bij ’t varen of bij ’t vliegen —Je kunt je land toch nuttig zijn:Je kunt toch altijd ...liegen!

Toen ik een jonge jongen was,En Staatsinrichting leerde,Toen zei de leeraar van de klas,Die ons dat vak doceerde:DeCombattanten, dat zijn zij,Die vechten voor hun land, enZij, die niet meedoen — leerde hij —Dat zijnNon-combattanten.Die slechte kerels! dacht ik dan,Of soms had ’k medelijdenMet wie niet optrok, als een man,Om voor zijn Vorst te strijden.Nu ik een ouwe jongen ben,Al bij de grens der grijsheid,En niet meer zoo doordrongen benVan ’t ware van die wijsheid,Nu ’k Wolff’s-bureau-berichten slik,En Reuter-telegrammen,Nu merk ik, dat onze oude frikEen beetje heeft staan zwammen.Nu weet ik, dat aan elken kantIn dezen taaien tweestrijdEen zoogenaamd „Non-combattant”Geweldig dapper meestrijdt:De pers! zij voert een strijd (met inkt)Van leugen en van laster —Of: „liefde voor haar land” — dat klinktIets netter en gepaster.De pers moet liegen, in het groot,Den vijand grof verguizend;Dus, schieten d’ onz’ er zestig dood,Dan schrijft ze: „zestig duizend!”Is ’t met de „geestdrift” slecht gesteld,En met de „doodsverachting”,En worden d’ onzen met geweldGedrevennaar de slachting,Dan vinden wij, in tegendeel,Den toestand zóó geteekend:„De opgewektheid, het moreelDer onzen was uitstekend.”De pers — en ook de burgerijMoet zwetsen, kletsen, klappen,En in hun brieven moeten zijUit ’t zelfde vaatje tappen.Is van een kogel ’t puntje maarEen beetje afgestooten,Dan schrijf je: „Gruwzaam! de barbaarHeeft met dums-dums geschoten!”(Brief uit......)„We krijgen zelfs geen stroomatrasOm ons op neer te leggen!We slapen op gebroken glas,En omgekeerde eggen.”(Brief uit......)„Zij deelen dooie katten uit,Met wurmen en met neten,En hondenworst met rattenkruid,Dàt krijgen wij te eten!”(Brief uit......)„Gewonden worden afgemaakt,Als overreje honden;’k Heb gistren zelf een graf gemaaktVoor zeventig gewonden.”(Brief uit......)„Laatst zag ik er een stuk of vijf,Die zóó het leven lieten:Ze dienden één voor één als schijf,Om op te leeren schieten!”(Brief uit......)„Een luitnant, die mijn dochter sprak,Kreeg schik in ’t meisje, nam ’r......”(De rest door ons geschrapt — Redac-tieNieuwe Amsterdammer.)Dus wees getroost, Non-combattantDoor ziekte of door jaren!Je kunt j’ in dienst van ’t VaderlandToch lauweren vergaren.Wanneer je dan niet vecht in ’t veld,Bij ’t schetteren der trompetten —Al ku’ j’ niet als een echte heldEen stad in vlammen zetten.Al werk je niet met bom of mijn,Bij ’t varen of bij ’t vliegen —Je kunt je land toch nuttig zijn:Je kunt toch altijd ...liegen!

Toen ik een jonge jongen was,En Staatsinrichting leerde,Toen zei de leeraar van de klas,Die ons dat vak doceerde:

Toen ik een jonge jongen was,

En Staatsinrichting leerde,

Toen zei de leeraar van de klas,

Die ons dat vak doceerde:

DeCombattanten, dat zijn zij,Die vechten voor hun land, enZij, die niet meedoen — leerde hij —Dat zijnNon-combattanten.

DeCombattanten, dat zijn zij,

Die vechten voor hun land, en

Zij, die niet meedoen — leerde hij —

Dat zijnNon-combattanten.

Die slechte kerels! dacht ik dan,Of soms had ’k medelijdenMet wie niet optrok, als een man,Om voor zijn Vorst te strijden.

Die slechte kerels! dacht ik dan,

Of soms had ’k medelijden

Met wie niet optrok, als een man,

Om voor zijn Vorst te strijden.

Nu ik een ouwe jongen ben,Al bij de grens der grijsheid,En niet meer zoo doordrongen benVan ’t ware van die wijsheid,

Nu ik een ouwe jongen ben,

Al bij de grens der grijsheid,

En niet meer zoo doordrongen ben

Van ’t ware van die wijsheid,

Nu ’k Wolff’s-bureau-berichten slik,En Reuter-telegrammen,Nu merk ik, dat onze oude frikEen beetje heeft staan zwammen.

Nu ’k Wolff’s-bureau-berichten slik,

En Reuter-telegrammen,

Nu merk ik, dat onze oude frik

Een beetje heeft staan zwammen.

Nu weet ik, dat aan elken kantIn dezen taaien tweestrijdEen zoogenaamd „Non-combattant”Geweldig dapper meestrijdt:

Nu weet ik, dat aan elken kant

In dezen taaien tweestrijd

Een zoogenaamd „Non-combattant”

Geweldig dapper meestrijdt:

De pers! zij voert een strijd (met inkt)Van leugen en van laster —Of: „liefde voor haar land” — dat klinktIets netter en gepaster.

De pers! zij voert een strijd (met inkt)

Van leugen en van laster —

Of: „liefde voor haar land” — dat klinkt

Iets netter en gepaster.

De pers moet liegen, in het groot,Den vijand grof verguizend;Dus, schieten d’ onz’ er zestig dood,Dan schrijft ze: „zestig duizend!”

De pers moet liegen, in het groot,

Den vijand grof verguizend;

Dus, schieten d’ onz’ er zestig dood,

Dan schrijft ze: „zestig duizend!”

Is ’t met de „geestdrift” slecht gesteld,En met de „doodsverachting”,En worden d’ onzen met geweldGedrevennaar de slachting,

Is ’t met de „geestdrift” slecht gesteld,

En met de „doodsverachting”,

En worden d’ onzen met geweld

Gedrevennaar de slachting,

Dan vinden wij, in tegendeel,Den toestand zóó geteekend:„De opgewektheid, het moreelDer onzen was uitstekend.”

Dan vinden wij, in tegendeel,

Den toestand zóó geteekend:

„De opgewektheid, het moreel

Der onzen was uitstekend.”

De pers — en ook de burgerijMoet zwetsen, kletsen, klappen,En in hun brieven moeten zijUit ’t zelfde vaatje tappen.

De pers — en ook de burgerij

Moet zwetsen, kletsen, klappen,

En in hun brieven moeten zij

Uit ’t zelfde vaatje tappen.

Is van een kogel ’t puntje maarEen beetje afgestooten,Dan schrijf je: „Gruwzaam! de barbaarHeeft met dums-dums geschoten!”

Is van een kogel ’t puntje maar

Een beetje afgestooten,

Dan schrijf je: „Gruwzaam! de barbaar

Heeft met dums-dums geschoten!”

(Brief uit......)„We krijgen zelfs geen stroomatrasOm ons op neer te leggen!We slapen op gebroken glas,En omgekeerde eggen.”

(Brief uit......)

„We krijgen zelfs geen stroomatras

Om ons op neer te leggen!

We slapen op gebroken glas,

En omgekeerde eggen.”

(Brief uit......)„Zij deelen dooie katten uit,Met wurmen en met neten,En hondenworst met rattenkruid,Dàt krijgen wij te eten!”

(Brief uit......)

„Zij deelen dooie katten uit,

Met wurmen en met neten,

En hondenworst met rattenkruid,

Dàt krijgen wij te eten!”

(Brief uit......)„Gewonden worden afgemaakt,Als overreje honden;’k Heb gistren zelf een graf gemaaktVoor zeventig gewonden.”

(Brief uit......)

„Gewonden worden afgemaakt,

Als overreje honden;

’k Heb gistren zelf een graf gemaakt

Voor zeventig gewonden.”

(Brief uit......)„Laatst zag ik er een stuk of vijf,Die zóó het leven lieten:Ze dienden één voor één als schijf,Om op te leeren schieten!”

(Brief uit......)

„Laatst zag ik er een stuk of vijf,

Die zóó het leven lieten:

Ze dienden één voor één als schijf,

Om op te leeren schieten!”

(Brief uit......)„Een luitnant, die mijn dochter sprak,Kreeg schik in ’t meisje, nam ’r......”(De rest door ons geschrapt — Redac-tieNieuwe Amsterdammer.)

(Brief uit......)

„Een luitnant, die mijn dochter sprak,

Kreeg schik in ’t meisje, nam ’r......”

(De rest door ons geschrapt — Redac-

tieNieuwe Amsterdammer.)

Dus wees getroost, Non-combattantDoor ziekte of door jaren!Je kunt j’ in dienst van ’t VaderlandToch lauweren vergaren.

Dus wees getroost, Non-combattant

Door ziekte of door jaren!

Je kunt j’ in dienst van ’t Vaderland

Toch lauweren vergaren.

Wanneer je dan niet vecht in ’t veld,Bij ’t schetteren der trompetten —Al ku’ j’ niet als een echte heldEen stad in vlammen zetten.

Wanneer je dan niet vecht in ’t veld,

Bij ’t schetteren der trompetten —

Al ku’ j’ niet als een echte held

Een stad in vlammen zetten.

Al werk je niet met bom of mijn,Bij ’t varen of bij ’t vliegen —Je kunt je land toch nuttig zijn:Je kunt toch altijd ...liegen!

Al werk je niet met bom of mijn,

Bij ’t varen of bij ’t vliegen —

Je kunt je land toch nuttig zijn:

Je kunt toch altijd ...liegen!

„......starb den Heldentod fürs Vaterland......”Honderdduizendzooveelste adv. Köln. Zeitung.„Een infanterist aarzelde aan het bevel van den kapitein tot voortrukken in de vuurzône te voldoen en de heele compagnie begon gedemoraliseerd te raken. De kapitein trok onmiddellijk zijn revolver en schoot den soldaat neer, waarna de andere soldaten dadelijk de bevelen gehoorzaamden.” ... ...Hbl.

„......starb den Heldentod fürs Vaterland......”

Honderdduizendzooveelste adv. Köln. Zeitung.

„Een infanterist aarzelde aan het bevel van den kapitein tot voortrukken in de vuurzône te voldoen en de heele compagnie begon gedemoraliseerd te raken. De kapitein trok onmiddellijk zijn revolver en schoot den soldaat neer, waarna de andere soldaten dadelijk de bevelen gehoorzaamden.” ... ...

Hbl.

Rrrrrm — rrrrrm!Rrrm, rrrm, rrm, rrm,Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je mal?Als de lijkenmachine maar draait en schiet,Ben j’ ’n held, vóór je ’t weet, of je wil of niet:’t Honderdduizendzooveelste geval.Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je frisch?Wanneer je ’t verdraait om een held te zijn,Krijg j’ ’n kogel door je kop, van je eigen kapitein:Held zijn! of — naar de verdoemenis!!Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je dwaas?Als de luint commandeert, zeg, dan toon je maar je moed!Heb het hart eens, dat je niet heldhaftig doet,Durf je niet! al ben je nog zoo’n haas!Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je raar?Is hetjousoms gevraagd, of je bekkesnijen wou?Ofmoestje wel weg van je kleuters en je vrouw,’n Dooie held te worden hier of daar?Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je dol?Neen, niet in dezemachinale lijkenmakerij—In denVredevin’je helden en... heldinnen, allebei:Levens, tragisch, groot en kommervol.Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je gek?Bij de wet, in het Staatsblad nummerXvermeld,Is de Algemeene Heldplicht ingesteld,Dus... wéés een held, en verder hou jerrrrrm!Rrrrrm — rrrrrm!Rrrm, rrrm, rrrm, rrrm...

Rrrrrm — rrrrrm!Rrrm, rrrm, rrm, rrm,Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je mal?Als de lijkenmachine maar draait en schiet,Ben j’ ’n held, vóór je ’t weet, of je wil of niet:’t Honderdduizendzooveelste geval.Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je frisch?Wanneer je ’t verdraait om een held te zijn,Krijg j’ ’n kogel door je kop, van je eigen kapitein:Held zijn! of — naar de verdoemenis!!Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je dwaas?Als de luint commandeert, zeg, dan toon je maar je moed!Heb het hart eens, dat je niet heldhaftig doet,Durf je niet! al ben je nog zoo’n haas!Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je raar?Is hetjousoms gevraagd, of je bekkesnijen wou?Ofmoestje wel weg van je kleuters en je vrouw,’n Dooie held te worden hier of daar?Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je dol?Neen, niet in dezemachinale lijkenmakerij—In denVredevin’je helden en... heldinnen, allebei:Levens, tragisch, groot en kommervol.Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je gek?Bij de wet, in het Staatsblad nummerXvermeld,Is de Algemeene Heldplicht ingesteld,Dus... wéés een held, en verder hou jerrrrrm!Rrrrrm — rrrrrm!Rrrm, rrrm, rrrm, rrrm...

Rrrrrm — rrrrrm!Rrrm, rrrm, rrm, rrm,Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je mal?Als de lijkenmachine maar draait en schiet,Ben j’ ’n held, vóór je ’t weet, of je wil of niet:’t Honderdduizendzooveelste geval.

Rrrrrm — rrrrrm!

Rrrm, rrrm, rrm, rrm,

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!

Ben je mal?

Als de lijkenmachine maar draait en schiet,

Ben j’ ’n held, vóór je ’t weet, of je wil of niet:

’t Honderdduizendzooveelste geval.

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je frisch?Wanneer je ’t verdraait om een held te zijn,Krijg j’ ’n kogel door je kop, van je eigen kapitein:Held zijn! of — naar de verdoemenis!!

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!

Ben je frisch?

Wanneer je ’t verdraait om een held te zijn,

Krijg j’ ’n kogel door je kop, van je eigen kapitein:

Held zijn! of — naar de verdoemenis!!

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je dwaas?Als de luint commandeert, zeg, dan toon je maar je moed!Heb het hart eens, dat je niet heldhaftig doet,Durf je niet! al ben je nog zoo’n haas!

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!

Ben je dwaas?

Als de luint commandeert, zeg, dan toon je maar je moed!

Heb het hart eens, dat je niet heldhaftig doet,

Durf je niet! al ben je nog zoo’n haas!

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je raar?Is hetjousoms gevraagd, of je bekkesnijen wou?Ofmoestje wel weg van je kleuters en je vrouw,’n Dooie held te worden hier of daar?

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!

Ben je raar?

Is hetjousoms gevraagd, of je bekkesnijen wou?

Ofmoestje wel weg van je kleuters en je vrouw,

’n Dooie held te worden hier of daar?

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je dol?Neen, niet in dezemachinale lijkenmakerij—In denVredevin’je helden en... heldinnen, allebei:Levens, tragisch, groot en kommervol.

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!

Ben je dol?

Neen, niet in dezemachinale lijkenmakerij—

In denVredevin’je helden en... heldinnen, allebei:

Levens, tragisch, groot en kommervol.

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!Ben je gek?Bij de wet, in het Staatsblad nummerXvermeld,Is de Algemeene Heldplicht ingesteld,Dus... wéés een held, en verder hou jerrrrrm!Rrrrrm — rrrrrm!Rrrm, rrrm, rrrm, rrrm...

Heldendood! Heldendood? Heldendood?!

Ben je gek?

Bij de wet, in het Staatsblad nummerXvermeld,

Is de Algemeene Heldplicht ingesteld,

Dus... wéés een held, en verder hou jerrrrrm!

Rrrrrm — rrrrrm!

Rrrm, rrrm, rrrm, rrrm...

Ik word pro-Duitsch. Ik word er toe gedrevenDoor deze jingo-yankee-politiek.Het neme’ —in doodsangst!— was hun te vergeven,Maar dat geteem van „recht”, dat maakt me ziek.Ik word pro-Duitsch. Ik ga me abonneerenOp Reichmann’sToekomst, en ik schmeichel mee.En Steinmetz, Kiffs, en al die kleffe heerenDie vraag ik — als ’k weer ’s thee heb — op de thee.’k Ga óók van d’ „opgedrongen oorlog” spreken,’k Geloof dat Duitschland Oostenrijk ontriedDat Ultimatum... in die donkre weken...En wat Lichnowsky schrijft — dat lees ik niet.De Woordbreuk, dus de Inval, was rechtvaardig,Men gooit toch niet de deur dicht voor een Vriend?En de behandeling van België — edelaardig;Vernieling, brand en plundering — ruim verdiend.De ruize-boeten? — Billijke bestraffing.Het Vlaamsch gedoe — ’t ging alles „op verzoek”.De deportaties? — Zuiverwerkverschaffing.Dat alles eet ik op voor zoete koek.En als ze onze vloot den grond in boorden —De zee voor ons te sluiten was hun recht,Daar mochten z’ onze zeelui vrij vermoorden;Ze hadden het toch duidelijk gezegd?Ook Luxburg’s plan was, après tout, wel praktisch,’t Voorkomt veel last en noodeloos geschrijf;’t Is repressief, en tevens prophylaktisch,Dus Luxburg, sans rancune! Geef me de vijf!Ja. ’k Word pro-Duitsch. Ik word nu eindlijk wijzer.Ik heb berouw van m’ ongepasten spot.’k Lach niet meer om den Telegrammenkeizer,Ik ga gelooven in Zijn eigen God.Ja. ’k Kom ten langen leste tot bezinning;Omtrent Gods wil bestaat geen twijfel meer.Hij schenkt het Junkerdom de overwinning,Dat het Euroop — neen gansch onze Aard regeer!’k Zing reeds den Zegezang met luider stemme.Kom, geest van Pruisen! Maak ook Holland groot!Dat ons Germania’s machtige Arm omklemme...!Ik ben pro-Duitsch. En maak me nou maar dood.

Ik word pro-Duitsch. Ik word er toe gedrevenDoor deze jingo-yankee-politiek.Het neme’ —in doodsangst!— was hun te vergeven,Maar dat geteem van „recht”, dat maakt me ziek.Ik word pro-Duitsch. Ik ga me abonneerenOp Reichmann’sToekomst, en ik schmeichel mee.En Steinmetz, Kiffs, en al die kleffe heerenDie vraag ik — als ’k weer ’s thee heb — op de thee.’k Ga óók van d’ „opgedrongen oorlog” spreken,’k Geloof dat Duitschland Oostenrijk ontriedDat Ultimatum... in die donkre weken...En wat Lichnowsky schrijft — dat lees ik niet.De Woordbreuk, dus de Inval, was rechtvaardig,Men gooit toch niet de deur dicht voor een Vriend?En de behandeling van België — edelaardig;Vernieling, brand en plundering — ruim verdiend.De ruize-boeten? — Billijke bestraffing.Het Vlaamsch gedoe — ’t ging alles „op verzoek”.De deportaties? — Zuiverwerkverschaffing.Dat alles eet ik op voor zoete koek.En als ze onze vloot den grond in boorden —De zee voor ons te sluiten was hun recht,Daar mochten z’ onze zeelui vrij vermoorden;Ze hadden het toch duidelijk gezegd?Ook Luxburg’s plan was, après tout, wel praktisch,’t Voorkomt veel last en noodeloos geschrijf;’t Is repressief, en tevens prophylaktisch,Dus Luxburg, sans rancune! Geef me de vijf!Ja. ’k Word pro-Duitsch. Ik word nu eindlijk wijzer.Ik heb berouw van m’ ongepasten spot.’k Lach niet meer om den Telegrammenkeizer,Ik ga gelooven in Zijn eigen God.Ja. ’k Kom ten langen leste tot bezinning;Omtrent Gods wil bestaat geen twijfel meer.Hij schenkt het Junkerdom de overwinning,Dat het Euroop — neen gansch onze Aard regeer!’k Zing reeds den Zegezang met luider stemme.Kom, geest van Pruisen! Maak ook Holland groot!Dat ons Germania’s machtige Arm omklemme...!Ik ben pro-Duitsch. En maak me nou maar dood.

Ik word pro-Duitsch. Ik word er toe gedrevenDoor deze jingo-yankee-politiek.Het neme’ —in doodsangst!— was hun te vergeven,Maar dat geteem van „recht”, dat maakt me ziek.

Ik word pro-Duitsch. Ik word er toe gedreven

Door deze jingo-yankee-politiek.

Het neme’ —in doodsangst!— was hun te vergeven,

Maar dat geteem van „recht”, dat maakt me ziek.

Ik word pro-Duitsch. Ik ga me abonneerenOp Reichmann’sToekomst, en ik schmeichel mee.En Steinmetz, Kiffs, en al die kleffe heerenDie vraag ik — als ’k weer ’s thee heb — op de thee.

Ik word pro-Duitsch. Ik ga me abonneeren

Op Reichmann’sToekomst, en ik schmeichel mee.

En Steinmetz, Kiffs, en al die kleffe heeren

Die vraag ik — als ’k weer ’s thee heb — op de thee.

’k Ga óók van d’ „opgedrongen oorlog” spreken,’k Geloof dat Duitschland Oostenrijk ontriedDat Ultimatum... in die donkre weken...En wat Lichnowsky schrijft — dat lees ik niet.

’k Ga óók van d’ „opgedrongen oorlog” spreken,

’k Geloof dat Duitschland Oostenrijk ontried

Dat Ultimatum... in die donkre weken...

En wat Lichnowsky schrijft — dat lees ik niet.

De Woordbreuk, dus de Inval, was rechtvaardig,Men gooit toch niet de deur dicht voor een Vriend?En de behandeling van België — edelaardig;Vernieling, brand en plundering — ruim verdiend.

De Woordbreuk, dus de Inval, was rechtvaardig,

Men gooit toch niet de deur dicht voor een Vriend?

En de behandeling van België — edelaardig;

Vernieling, brand en plundering — ruim verdiend.

De ruize-boeten? — Billijke bestraffing.Het Vlaamsch gedoe — ’t ging alles „op verzoek”.De deportaties? — Zuiverwerkverschaffing.Dat alles eet ik op voor zoete koek.

De ruize-boeten? — Billijke bestraffing.

Het Vlaamsch gedoe — ’t ging alles „op verzoek”.

De deportaties? — Zuiverwerkverschaffing.

Dat alles eet ik op voor zoete koek.

En als ze onze vloot den grond in boorden —De zee voor ons te sluiten was hun recht,Daar mochten z’ onze zeelui vrij vermoorden;Ze hadden het toch duidelijk gezegd?

En als ze onze vloot den grond in boorden —

De zee voor ons te sluiten was hun recht,

Daar mochten z’ onze zeelui vrij vermoorden;

Ze hadden het toch duidelijk gezegd?

Ook Luxburg’s plan was, après tout, wel praktisch,’t Voorkomt veel last en noodeloos geschrijf;’t Is repressief, en tevens prophylaktisch,Dus Luxburg, sans rancune! Geef me de vijf!

Ook Luxburg’s plan was, après tout, wel praktisch,

’t Voorkomt veel last en noodeloos geschrijf;

’t Is repressief, en tevens prophylaktisch,

Dus Luxburg, sans rancune! Geef me de vijf!

Ja. ’k Word pro-Duitsch. Ik word nu eindlijk wijzer.Ik heb berouw van m’ ongepasten spot.’k Lach niet meer om den Telegrammenkeizer,Ik ga gelooven in Zijn eigen God.

Ja. ’k Word pro-Duitsch. Ik word nu eindlijk wijzer.

Ik heb berouw van m’ ongepasten spot.

’k Lach niet meer om den Telegrammenkeizer,

Ik ga gelooven in Zijn eigen God.

Ja. ’k Kom ten langen leste tot bezinning;Omtrent Gods wil bestaat geen twijfel meer.Hij schenkt het Junkerdom de overwinning,Dat het Euroop — neen gansch onze Aard regeer!

Ja. ’k Kom ten langen leste tot bezinning;

Omtrent Gods wil bestaat geen twijfel meer.

Hij schenkt het Junkerdom de overwinning,

Dat het Euroop — neen gansch onze Aard regeer!

’k Zing reeds den Zegezang met luider stemme.Kom, geest van Pruisen! Maak ook Holland groot!Dat ons Germania’s machtige Arm omklemme...!Ik ben pro-Duitsch. En maak me nou maar dood.

’k Zing reeds den Zegezang met luider stemme.

Kom, geest van Pruisen! Maak ook Holland groot!

Dat ons Germania’s machtige Arm omklemme...!

Ik ben pro-Duitsch. En maak me nou maar dood.

Opgedragen aan allen, die nog het goede in den oorlog weten te waardeeren.

„Met de vervaardiging der kunstledematen voor de verminkten schiet men hard op; bijna allen zullen binnen kort geholpen zijn. — Een zeer geschikte betrekking voor de jongelieden, die blind geschoten zijn — een schrikbarend groot aantal — is die van masseur. De opleiding geschiedt kosteloos.” —Bericht in de bladen.

„Met de vervaardiging der kunstledematen voor de verminkten schiet men hard op; bijna allen zullen binnen kort geholpen zijn. — Een zeer geschikte betrekking voor de jongelieden, die blind geschoten zijn — een schrikbarend groot aantal — is die van masseur. De opleiding geschiedt kosteloos.” —

Bericht in de bladen.

„Als de Mei komt,Ben ik blijde;In den morgen,Zoel en zacht,Dwaal ik rond langsWeg en weide;Wees gegroet, gijTijd der tijden,Als het lente-leven lacht!”„Als de Mei komt,Ben ik blijde,En ik stralevan geluk,Want mijn kind zalNiet meer rijden,Neen, dan loopt hijAan mijn zijde,Want mijn jongenKrijgt zijn kruk.”„Als de Mei komt,Ben ik blijde,Is mij ’t harteLicht en warm,Want mijn kind, zoo-als men zeide,Heeft dan weerZijn armen, beide,Want hij krijgt zijnHouten arm.”„Als de Mei komt,Ben ik blijde,Want de wolf blijftVan de deur:Met het oog opDure tijden,Zal ’k mijn blind kindOp doen leidenTot een eerste-klas masseur.”„Als de Mei komt,Ben ik blijde,Want mijn kind, ginds,Heeft geen nood;’t Is het eindeVan zijn strijden,Van zijn pijn enVan zijn lijden,Want mijn jongenLigt er dood.”

„Als de Mei komt,Ben ik blijde;In den morgen,Zoel en zacht,Dwaal ik rond langsWeg en weide;Wees gegroet, gijTijd der tijden,Als het lente-leven lacht!”„Als de Mei komt,Ben ik blijde,En ik stralevan geluk,Want mijn kind zalNiet meer rijden,Neen, dan loopt hijAan mijn zijde,Want mijn jongenKrijgt zijn kruk.”„Als de Mei komt,Ben ik blijde,Is mij ’t harteLicht en warm,Want mijn kind, zoo-als men zeide,Heeft dan weerZijn armen, beide,Want hij krijgt zijnHouten arm.”„Als de Mei komt,Ben ik blijde,Want de wolf blijftVan de deur:Met het oog opDure tijden,Zal ’k mijn blind kindOp doen leidenTot een eerste-klas masseur.”„Als de Mei komt,Ben ik blijde,Want mijn kind, ginds,Heeft geen nood;’t Is het eindeVan zijn strijden,Van zijn pijn enVan zijn lijden,Want mijn jongenLigt er dood.”

„Als de Mei komt,Ben ik blijde;In den morgen,Zoel en zacht,Dwaal ik rond langsWeg en weide;Wees gegroet, gijTijd der tijden,Als het lente-leven lacht!”

„Als de Mei komt,

Ben ik blijde;

In den morgen,

Zoel en zacht,

Dwaal ik rond langs

Weg en weide;

Wees gegroet, gij

Tijd der tijden,

Als het lente-

leven lacht!”

„Als de Mei komt,Ben ik blijde,En ik stralevan geluk,Want mijn kind zalNiet meer rijden,Neen, dan loopt hijAan mijn zijde,Want mijn jongenKrijgt zijn kruk.”

„Als de Mei komt,

Ben ik blijde,

En ik strale

van geluk,

Want mijn kind zal

Niet meer rijden,

Neen, dan loopt hij

Aan mijn zijde,

Want mijn jongen

Krijgt zijn kruk.”

„Als de Mei komt,Ben ik blijde,Is mij ’t harteLicht en warm,Want mijn kind, zoo-als men zeide,Heeft dan weerZijn armen, beide,Want hij krijgt zijnHouten arm.”

„Als de Mei komt,

Ben ik blijde,

Is mij ’t harte

Licht en warm,

Want mijn kind, zoo-

als men zeide,

Heeft dan weer

Zijn armen, beide,

Want hij krijgt zijn

Houten arm.”

„Als de Mei komt,Ben ik blijde,Want de wolf blijftVan de deur:Met het oog opDure tijden,Zal ’k mijn blind kindOp doen leidenTot een eerste-klas masseur.”

„Als de Mei komt,

Ben ik blijde,

Want de wolf blijft

Van de deur:

Met het oog op

Dure tijden,

Zal ’k mijn blind kind

Op doen leiden

Tot een eerste-

klas masseur.”

„Als de Mei komt,Ben ik blijde,Want mijn kind, ginds,Heeft geen nood;’t Is het eindeVan zijn strijden,Van zijn pijn enVan zijn lijden,Want mijn jongenLigt er dood.”

„Als de Mei komt,

Ben ik blijde,

Want mijn kind, ginds,

Heeft geen nood;

’t Is het einde

Van zijn strijden,

Van zijn pijn en

Van zijn lijden,

Want mijn jongen

Ligt er dood.”

„Over Noorwegen was de tsaar zeer ongerust. Op de mededeeling, dat het koning Oskar onverschillig was wie zijn buurman zou worden en dat hij ook niets tegen een republiek had, sloeg hij de handen boven het hoofd ineen onder den uitroep: „Ook dat nog, dat mankeerde er nog maar aan.Alsof wij nog geen republieken genoeg in de wereld hebben!”Hij sprak de meening uit, dat wanneer geen Zweedsche prins er heen ging en Kopenhagen het in zijn belang achtte, prins Waldemar kon gaan. Deze hadeenige levenservaring, een elegante, nette vrouw en mooie, flinke kinderen.Ik verklaarde het met hem eens te zijn......” —Wilhelm, I. R.

„Over Noorwegen was de tsaar zeer ongerust. Op de mededeeling, dat het koning Oskar onverschillig was wie zijn buurman zou worden en dat hij ook niets tegen een republiek had, sloeg hij de handen boven het hoofd ineen onder den uitroep: „Ook dat nog, dat mankeerde er nog maar aan.Alsof wij nog geen republieken genoeg in de wereld hebben!”

Hij sprak de meening uit, dat wanneer geen Zweedsche prins er heen ging en Kopenhagen het in zijn belang achtte, prins Waldemar kon gaan. Deze hadeenige levenservaring, een elegante, nette vrouw en mooie, flinke kinderen.

Ik verklaarde het met hem eens te zijn......” —Wilhelm, I. R.

Een koning heeft, geloof dat vrij,Een lang niet lichte karrewei!Daar komt een heeleboel bij kijken,Zoo als je dadelijk zal blijkenUit zeekre brieven — lees ze maar —Van Keizer Wilhelm en de Tsaar.’t Is maar een moeielijk besluit!Hoe kies je ’n goeie koning uit?De Tsaar en Wilhelm kunnen ’t weten;De Tsaar is nu wel wat versleten,Maar Wilhelm is in ’t vak vergrijsd;Hij weet dus wat er wordt vereischt.Daar dient gewogen en gewikt,Want heusch niet ieder is geschikt,Al kan hij reeknen, schrijven, lezen,Hij moet toch ook een kerel wezenDie zoo wel eens wat heeft beleefd,Eneenige ervaringheeft.Hoor verder. Komt ’r ’n troontje vrij,En denk je: „das wel iets voor mij,Met andre baantjes wou ’t niet lukken,Wie weet of dit niet... (’t lot heeft nukken!)”Dan zoek je dalijk — do it now! —Een elegante, nette vrouw.De koning heerscht bij Gods genâ.Dat staat zoo vast als algebra.De gratie Gods doet hem regeeren;Maar wil hij werklijk iets presteeren,Iets extra-fijns — dan bidde hijErmooie, flinke kindrenbij.Zoo luidt dan ’t vroede vorstenwoord.Verneemt het, volkren, zegt het voort!Verdwijn’ de Republiek in ’t duister,Verschijn’ de Vorst in vollen luister,Van Gode zelf ten dienst gewijd...Nu knielt, en prevelt...: Majesteit!

Een koning heeft, geloof dat vrij,Een lang niet lichte karrewei!Daar komt een heeleboel bij kijken,Zoo als je dadelijk zal blijkenUit zeekre brieven — lees ze maar —Van Keizer Wilhelm en de Tsaar.’t Is maar een moeielijk besluit!Hoe kies je ’n goeie koning uit?De Tsaar en Wilhelm kunnen ’t weten;De Tsaar is nu wel wat versleten,Maar Wilhelm is in ’t vak vergrijsd;Hij weet dus wat er wordt vereischt.Daar dient gewogen en gewikt,Want heusch niet ieder is geschikt,Al kan hij reeknen, schrijven, lezen,Hij moet toch ook een kerel wezenDie zoo wel eens wat heeft beleefd,Eneenige ervaringheeft.Hoor verder. Komt ’r ’n troontje vrij,En denk je: „das wel iets voor mij,Met andre baantjes wou ’t niet lukken,Wie weet of dit niet... (’t lot heeft nukken!)”Dan zoek je dalijk — do it now! —Een elegante, nette vrouw.De koning heerscht bij Gods genâ.Dat staat zoo vast als algebra.De gratie Gods doet hem regeeren;Maar wil hij werklijk iets presteeren,Iets extra-fijns — dan bidde hijErmooie, flinke kindrenbij.Zoo luidt dan ’t vroede vorstenwoord.Verneemt het, volkren, zegt het voort!Verdwijn’ de Republiek in ’t duister,Verschijn’ de Vorst in vollen luister,Van Gode zelf ten dienst gewijd...Nu knielt, en prevelt...: Majesteit!

Een koning heeft, geloof dat vrij,Een lang niet lichte karrewei!Daar komt een heeleboel bij kijken,Zoo als je dadelijk zal blijkenUit zeekre brieven — lees ze maar —Van Keizer Wilhelm en de Tsaar.

Een koning heeft, geloof dat vrij,

Een lang niet lichte karrewei!

Daar komt een heeleboel bij kijken,

Zoo als je dadelijk zal blijken

Uit zeekre brieven — lees ze maar —

Van Keizer Wilhelm en de Tsaar.

’t Is maar een moeielijk besluit!Hoe kies je ’n goeie koning uit?De Tsaar en Wilhelm kunnen ’t weten;De Tsaar is nu wel wat versleten,Maar Wilhelm is in ’t vak vergrijsd;Hij weet dus wat er wordt vereischt.

’t Is maar een moeielijk besluit!

Hoe kies je ’n goeie koning uit?

De Tsaar en Wilhelm kunnen ’t weten;

De Tsaar is nu wel wat versleten,

Maar Wilhelm is in ’t vak vergrijsd;

Hij weet dus wat er wordt vereischt.

Daar dient gewogen en gewikt,Want heusch niet ieder is geschikt,Al kan hij reeknen, schrijven, lezen,Hij moet toch ook een kerel wezenDie zoo wel eens wat heeft beleefd,Eneenige ervaringheeft.

Daar dient gewogen en gewikt,

Want heusch niet ieder is geschikt,

Al kan hij reeknen, schrijven, lezen,

Hij moet toch ook een kerel wezen

Die zoo wel eens wat heeft beleefd,

Eneenige ervaringheeft.

Hoor verder. Komt ’r ’n troontje vrij,En denk je: „das wel iets voor mij,Met andre baantjes wou ’t niet lukken,Wie weet of dit niet... (’t lot heeft nukken!)”Dan zoek je dalijk — do it now! —Een elegante, nette vrouw.

Hoor verder. Komt ’r ’n troontje vrij,

En denk je: „das wel iets voor mij,

Met andre baantjes wou ’t niet lukken,

Wie weet of dit niet... (’t lot heeft nukken!)”

Dan zoek je dalijk — do it now! —

Een elegante, nette vrouw.

De koning heerscht bij Gods genâ.Dat staat zoo vast als algebra.De gratie Gods doet hem regeeren;Maar wil hij werklijk iets presteeren,Iets extra-fijns — dan bidde hijErmooie, flinke kindrenbij.

De koning heerscht bij Gods genâ.

Dat staat zoo vast als algebra.

De gratie Gods doet hem regeeren;

Maar wil hij werklijk iets presteeren,

Iets extra-fijns — dan bidde hij

Ermooie, flinke kindrenbij.

Zoo luidt dan ’t vroede vorstenwoord.Verneemt het, volkren, zegt het voort!Verdwijn’ de Republiek in ’t duister,Verschijn’ de Vorst in vollen luister,Van Gode zelf ten dienst gewijd...Nu knielt, en prevelt...: Majesteit!

Zoo luidt dan ’t vroede vorstenwoord.

Verneemt het, volkren, zegt het voort!

Verdwijn’ de Republiek in ’t duister,

Verschijn’ de Vorst in vollen luister,

Van Gode zelf ten dienst gewijd...

Nu knielt, en prevelt...: Majesteit!


Back to IndexNext