3. DE REVANCHE-IDEE.

De kwestie van de namen is en blijft een lastig vraagstuk,Benoem je kinderen niet te dwaas, bedenk het is een waagstuk.Ik ken een deftig handelsman, gewichtig, stram en stoer,Hij groeit geweldig door zijn haar — maar heet nog altijd... Broer!Een donkere vrouw van veertig jaar, in statige gewaden,Schrijdt, vorstelijk neigend, door de zaal. Haar naam, zoo zou je raden,IsHilda,Nora,Adelheid? — Helaas, ’t is niet aldus,De schitterende schoone luistert naar den naam van Zus!Haar oudre zuster voelt zich jong; dat blijkt, wanneer je weet,Dat zij — ze is nog ongetrouwd — (hoe snoezig!) Baby heet!Marianneklinkt te muzikaal, te mooi; daar weet’ w’ iets op:De arme stumperd wordt veroordeeld — levenslang — tot Mop!We willen Fransche namen, best! maar ’t Fransch is ons de baas,En daarom wordt Louise Wies, Françoise — schrik niet! — Zwaas!Een kindje, laat-in-’t-spreken, stottert, en wij stotteren ’t na,Zoo’n hik-snik wordt tot naam verheven door Papa en Ma.Zoo Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep,En Pip en Mans en Tot en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep,En Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Ponk en Poppie,En Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Toppie,En Kiek en Uk en Noep en Tuk en Ies en Oot en Mik...Zoo zull’ de stakkers blijven heeten tot den jongsten snik.’k Doe, slachtoffers, beroep op u. Gij allen, die moet lijden,Door ’t smakeloos en zot bedrijf, gij moet uzelf bevrijden.O Broer, o Zus, o Peuter, Poes, o Tik, o Fink, o Riet!Vecht voor je naam, en luistert naar die kokhalsklanken niet!

De kwestie van de namen is en blijft een lastig vraagstuk,Benoem je kinderen niet te dwaas, bedenk het is een waagstuk.Ik ken een deftig handelsman, gewichtig, stram en stoer,Hij groeit geweldig door zijn haar — maar heet nog altijd... Broer!Een donkere vrouw van veertig jaar, in statige gewaden,Schrijdt, vorstelijk neigend, door de zaal. Haar naam, zoo zou je raden,IsHilda,Nora,Adelheid? — Helaas, ’t is niet aldus,De schitterende schoone luistert naar den naam van Zus!Haar oudre zuster voelt zich jong; dat blijkt, wanneer je weet,Dat zij — ze is nog ongetrouwd — (hoe snoezig!) Baby heet!Marianneklinkt te muzikaal, te mooi; daar weet’ w’ iets op:De arme stumperd wordt veroordeeld — levenslang — tot Mop!We willen Fransche namen, best! maar ’t Fransch is ons de baas,En daarom wordt Louise Wies, Françoise — schrik niet! — Zwaas!Een kindje, laat-in-’t-spreken, stottert, en wij stotteren ’t na,Zoo’n hik-snik wordt tot naam verheven door Papa en Ma.Zoo Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep,En Pip en Mans en Tot en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep,En Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Ponk en Poppie,En Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Toppie,En Kiek en Uk en Noep en Tuk en Ies en Oot en Mik...Zoo zull’ de stakkers blijven heeten tot den jongsten snik.’k Doe, slachtoffers, beroep op u. Gij allen, die moet lijden,Door ’t smakeloos en zot bedrijf, gij moet uzelf bevrijden.O Broer, o Zus, o Peuter, Poes, o Tik, o Fink, o Riet!Vecht voor je naam, en luistert naar die kokhalsklanken niet!

De kwestie van de namen is en blijft een lastig vraagstuk,Benoem je kinderen niet te dwaas, bedenk het is een waagstuk.Ik ken een deftig handelsman, gewichtig, stram en stoer,Hij groeit geweldig door zijn haar — maar heet nog altijd... Broer!Een donkere vrouw van veertig jaar, in statige gewaden,Schrijdt, vorstelijk neigend, door de zaal. Haar naam, zoo zou je raden,IsHilda,Nora,Adelheid? — Helaas, ’t is niet aldus,De schitterende schoone luistert naar den naam van Zus!Haar oudre zuster voelt zich jong; dat blijkt, wanneer je weet,Dat zij — ze is nog ongetrouwd — (hoe snoezig!) Baby heet!Marianneklinkt te muzikaal, te mooi; daar weet’ w’ iets op:De arme stumperd wordt veroordeeld — levenslang — tot Mop!We willen Fransche namen, best! maar ’t Fransch is ons de baas,En daarom wordt Louise Wies, Françoise — schrik niet! — Zwaas!Een kindje, laat-in-’t-spreken, stottert, en wij stotteren ’t na,Zoo’n hik-snik wordt tot naam verheven door Papa en Ma.Zoo Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep,En Pip en Mans en Tot en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep,En Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Ponk en Poppie,En Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Toppie,En Kiek en Uk en Noep en Tuk en Ies en Oot en Mik...Zoo zull’ de stakkers blijven heeten tot den jongsten snik.’k Doe, slachtoffers, beroep op u. Gij allen, die moet lijden,Door ’t smakeloos en zot bedrijf, gij moet uzelf bevrijden.O Broer, o Zus, o Peuter, Poes, o Tik, o Fink, o Riet!Vecht voor je naam, en luistert naar die kokhalsklanken niet!

De kwestie van de namen is en blijft een lastig vraagstuk,

Benoem je kinderen niet te dwaas, bedenk het is een waagstuk.

Ik ken een deftig handelsman, gewichtig, stram en stoer,

Hij groeit geweldig door zijn haar — maar heet nog altijd... Broer!

Een donkere vrouw van veertig jaar, in statige gewaden,

Schrijdt, vorstelijk neigend, door de zaal. Haar naam, zoo zou je raden,

IsHilda,Nora,Adelheid? — Helaas, ’t is niet aldus,

De schitterende schoone luistert naar den naam van Zus!

Haar oudre zuster voelt zich jong; dat blijkt, wanneer je weet,

Dat zij — ze is nog ongetrouwd — (hoe snoezig!) Baby heet!

Marianneklinkt te muzikaal, te mooi; daar weet’ w’ iets op:

De arme stumperd wordt veroordeeld — levenslang — tot Mop!

We willen Fransche namen, best! maar ’t Fransch is ons de baas,

En daarom wordt Louise Wies, Françoise — schrik niet! — Zwaas!

Een kindje, laat-in-’t-spreken, stottert, en wij stotteren ’t na,

Zoo’n hik-snik wordt tot naam verheven door Papa en Ma.

Zoo Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep,

En Pip en Mans en Tot en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep,

En Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Ponk en Poppie,

En Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Toppie,

En Kiek en Uk en Noep en Tuk en Ies en Oot en Mik...

Zoo zull’ de stakkers blijven heeten tot den jongsten snik.

’k Doe, slachtoffers, beroep op u. Gij allen, die moet lijden,

Door ’t smakeloos en zot bedrijf, gij moet uzelf bevrijden.

O Broer, o Zus, o Peuter, Poes, o Tik, o Fink, o Riet!

Vecht voor je naam, en luistert naar die kokhalsklanken niet!

Opgedragen aan Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep en Pip en Mans en Tet en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep en Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Snor en Poppie, en Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Topie, en Kiek en Uk en Noep en Tot en Ies en Oot en Mik, en Broer en Zus en Peuter, Poes en Fink en Tik.

Opgedragen aan Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep en Pip en Mans en Tet en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep en Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Snor en Poppie, en Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Topie, en Kiek en Uk en Noep en Tot en Ies en Oot en Mik, en Broer en Zus en Peuter, Poes en Fink en Tik.

Motto: „Verongelijkten van alle ouders, vereenigt u!”

Neen, Uk en Poes, en Tut, verdraagt je schande niet geduldig,Neemt op jeouderswreede wraak, want waarlijkzijzijn schuldig!Zij leverden u over, Broer en Miep, aan hoon en smaad,Neemt wraak! en zet het hun betaald! Vergeldt dan kwaad met kwaad!Maar, luistert, want je moet het goed en vinnig, met verstand doen,Ik weet wat voor je. ’k Zal je eens wat aardigs aan de hand doen.Vooreerst, zegt altijd „Jou” en „Jij” — dat geeft zoo’n lekkere snauw:„Jij, Tut!” — „Nee, jij mot, jij!” — „’t Is ’t jouwe!” — „Nee, van jou! van jou!”Je noemt dat Fransch of Duitschen stijl — al is ’t ook geen van beiden,Want Franschen, Duitschers zeggen „jou” tot God, „u” tot de meiden! —En verder, zegt nooit „Moeder” meer, zoo hartelijk en zacht,Zoolang zij hikt van „Hak” en „Tip”, met misbruik van haar macht.Zegt „Mamma”, want daar ku’ j’ zoo’n doffen rommelklank in leggen,Of, wil je nog wat leelijkers, dan moet je „Mam” gaan zeggen.Je weet, datmamma„uier” is (een oud-latijnsche stam)En „Mam” klinkt zoo poëtisch! Net alsham, enkamenklam.Nu heb ik nog iets voor je om je vader klein te krijgen:Je moet het mooie „vader”-woord zorgvuldiglijk verzwijgen,Je scheldt hem plat en duidelijk uit, ter eer van ’t vaderschap,Met woord voor ’t slijmerig kindervoêr, en noemt je vader...Pap!Allemaal:’t Weerklinke dus van Groningen, Maastricht tot AmsterdamVan:MamenPapenPapenMamenMamenPapenMam!!

Neen, Uk en Poes, en Tut, verdraagt je schande niet geduldig,Neemt op jeouderswreede wraak, want waarlijkzijzijn schuldig!Zij leverden u over, Broer en Miep, aan hoon en smaad,Neemt wraak! en zet het hun betaald! Vergeldt dan kwaad met kwaad!Maar, luistert, want je moet het goed en vinnig, met verstand doen,Ik weet wat voor je. ’k Zal je eens wat aardigs aan de hand doen.Vooreerst, zegt altijd „Jou” en „Jij” — dat geeft zoo’n lekkere snauw:„Jij, Tut!” — „Nee, jij mot, jij!” — „’t Is ’t jouwe!” — „Nee, van jou! van jou!”Je noemt dat Fransch of Duitschen stijl — al is ’t ook geen van beiden,Want Franschen, Duitschers zeggen „jou” tot God, „u” tot de meiden! —En verder, zegt nooit „Moeder” meer, zoo hartelijk en zacht,Zoolang zij hikt van „Hak” en „Tip”, met misbruik van haar macht.Zegt „Mamma”, want daar ku’ j’ zoo’n doffen rommelklank in leggen,Of, wil je nog wat leelijkers, dan moet je „Mam” gaan zeggen.Je weet, datmamma„uier” is (een oud-latijnsche stam)En „Mam” klinkt zoo poëtisch! Net alsham, enkamenklam.Nu heb ik nog iets voor je om je vader klein te krijgen:Je moet het mooie „vader”-woord zorgvuldiglijk verzwijgen,Je scheldt hem plat en duidelijk uit, ter eer van ’t vaderschap,Met woord voor ’t slijmerig kindervoêr, en noemt je vader...Pap!Allemaal:’t Weerklinke dus van Groningen, Maastricht tot AmsterdamVan:MamenPapenPapenMamenMamenPapenMam!!

Neen, Uk en Poes, en Tut, verdraagt je schande niet geduldig,Neemt op jeouderswreede wraak, want waarlijkzijzijn schuldig!Zij leverden u over, Broer en Miep, aan hoon en smaad,Neemt wraak! en zet het hun betaald! Vergeldt dan kwaad met kwaad!Maar, luistert, want je moet het goed en vinnig, met verstand doen,Ik weet wat voor je. ’k Zal je eens wat aardigs aan de hand doen.Vooreerst, zegt altijd „Jou” en „Jij” — dat geeft zoo’n lekkere snauw:„Jij, Tut!” — „Nee, jij mot, jij!” — „’t Is ’t jouwe!” — „Nee, van jou! van jou!”Je noemt dat Fransch of Duitschen stijl — al is ’t ook geen van beiden,Want Franschen, Duitschers zeggen „jou” tot God, „u” tot de meiden! —En verder, zegt nooit „Moeder” meer, zoo hartelijk en zacht,Zoolang zij hikt van „Hak” en „Tip”, met misbruik van haar macht.Zegt „Mamma”, want daar ku’ j’ zoo’n doffen rommelklank in leggen,Of, wil je nog wat leelijkers, dan moet je „Mam” gaan zeggen.Je weet, datmamma„uier” is (een oud-latijnsche stam)En „Mam” klinkt zoo poëtisch! Net alsham, enkamenklam.Nu heb ik nog iets voor je om je vader klein te krijgen:Je moet het mooie „vader”-woord zorgvuldiglijk verzwijgen,Je scheldt hem plat en duidelijk uit, ter eer van ’t vaderschap,Met woord voor ’t slijmerig kindervoêr, en noemt je vader...Pap!

Neen, Uk en Poes, en Tut, verdraagt je schande niet geduldig,

Neemt op jeouderswreede wraak, want waarlijkzijzijn schuldig!

Zij leverden u over, Broer en Miep, aan hoon en smaad,

Neemt wraak! en zet het hun betaald! Vergeldt dan kwaad met kwaad!

Maar, luistert, want je moet het goed en vinnig, met verstand doen,

Ik weet wat voor je. ’k Zal je eens wat aardigs aan de hand doen.

Vooreerst, zegt altijd „Jou” en „Jij” — dat geeft zoo’n lekkere snauw:

„Jij, Tut!” — „Nee, jij mot, jij!” — „’t Is ’t jouwe!” — „Nee, van jou! van jou!”

Je noemt dat Fransch of Duitschen stijl — al is ’t ook geen van beiden,

Want Franschen, Duitschers zeggen „jou” tot God, „u” tot de meiden! —

En verder, zegt nooit „Moeder” meer, zoo hartelijk en zacht,

Zoolang zij hikt van „Hak” en „Tip”, met misbruik van haar macht.

Zegt „Mamma”, want daar ku’ j’ zoo’n doffen rommelklank in leggen,

Of, wil je nog wat leelijkers, dan moet je „Mam” gaan zeggen.

Je weet, datmamma„uier” is (een oud-latijnsche stam)

En „Mam” klinkt zoo poëtisch! Net alsham, enkamenklam.

Nu heb ik nog iets voor je om je vader klein te krijgen:

Je moet het mooie „vader”-woord zorgvuldiglijk verzwijgen,

Je scheldt hem plat en duidelijk uit, ter eer van ’t vaderschap,

Met woord voor ’t slijmerig kindervoêr, en noemt je vader...Pap!

Allemaal:

Allemaal:

’t Weerklinke dus van Groningen, Maastricht tot AmsterdamVan:MamenPapenPapenMamenMamenPapenMam!!

’t Weerklinke dus van Groningen, Maastricht tot Amsterdam

Van:MamenPapenPapenMamenMamenPapenMam!!

„Ons land zij groot in al, waarin een klein land groot kan zijn,”Zoo luidde ’t vorstelijk woord, (te veel!) herhaald door groot en klein.En als er ooit geluisterd werd naar zulke wijze lessen,Dan hebben wij dat hier gedaan. Kijk maar eens naar d’ adressen;Die zijn, hoe klein ons land ook is, behoorlijk lang en groot,En daarbij goed bedacht — door een volslagen idioot.Wij, dwazen, schrijven elken dag die dolle nonsens neer:WelEdele, of, deftiger,WelEd. Geboren Heer,Den Heer, zoo sec, dat durv’ we niet; dat moeten we verlengenTotWelEerwaarden,ZeerGeleerden,WeledelGestrengen,DenHoogGeboren HeerofVrouwe; en — je moet het hooren! —Die even minder deftig is, die isHoogWelGeboren!En ben j’ iets meer dan hooggeboorn, al is ’t verschil ook klein,Wat ben je dan? Medunkt, dan moet jeZeerGeborenzijn!HoogEdele,GrootAchtbare,Geleerde,ZeerEerwaarde...Verbeeld je iemand, die den adel aan geleerdheid paarde,Zoo iemand werdHoogWelgeborenEdelZeerGeleerd!En was hij in de Rechten bovendien gepromoveerd,En wist hij het tot raadslid van Kwadijk of Liemt te brenge’Hij werdWelEdelAchtbaarHoogGeborenZeerGestrenge! —O,HoogGeborenWelEerwaardeZeerGrootAchtbareHeer,U is geleerd, maar is U ’tHoog, of is U ’t nog maarZeer? —Wij moesten eens bedenken, wij, grootachtbare eedle dwazen,Voorwiewij toch zoo zeergeleerd op d’enveloppen razen,Voor wie ’t bestemd is, al die strenge edelachtbaarheid?...Ik zal ’t je zeggen: voor den postman en voor Mie, de meid.

„Ons land zij groot in al, waarin een klein land groot kan zijn,”Zoo luidde ’t vorstelijk woord, (te veel!) herhaald door groot en klein.En als er ooit geluisterd werd naar zulke wijze lessen,Dan hebben wij dat hier gedaan. Kijk maar eens naar d’ adressen;Die zijn, hoe klein ons land ook is, behoorlijk lang en groot,En daarbij goed bedacht — door een volslagen idioot.Wij, dwazen, schrijven elken dag die dolle nonsens neer:WelEdele, of, deftiger,WelEd. Geboren Heer,Den Heer, zoo sec, dat durv’ we niet; dat moeten we verlengenTotWelEerwaarden,ZeerGeleerden,WeledelGestrengen,DenHoogGeboren HeerofVrouwe; en — je moet het hooren! —Die even minder deftig is, die isHoogWelGeboren!En ben j’ iets meer dan hooggeboorn, al is ’t verschil ook klein,Wat ben je dan? Medunkt, dan moet jeZeerGeborenzijn!HoogEdele,GrootAchtbare,Geleerde,ZeerEerwaarde...Verbeeld je iemand, die den adel aan geleerdheid paarde,Zoo iemand werdHoogWelgeborenEdelZeerGeleerd!En was hij in de Rechten bovendien gepromoveerd,En wist hij het tot raadslid van Kwadijk of Liemt te brenge’Hij werdWelEdelAchtbaarHoogGeborenZeerGestrenge! —O,HoogGeborenWelEerwaardeZeerGrootAchtbareHeer,U is geleerd, maar is U ’tHoog, of is U ’t nog maarZeer? —Wij moesten eens bedenken, wij, grootachtbare eedle dwazen,Voorwiewij toch zoo zeergeleerd op d’enveloppen razen,Voor wie ’t bestemd is, al die strenge edelachtbaarheid?...Ik zal ’t je zeggen: voor den postman en voor Mie, de meid.

„Ons land zij groot in al, waarin een klein land groot kan zijn,”Zoo luidde ’t vorstelijk woord, (te veel!) herhaald door groot en klein.En als er ooit geluisterd werd naar zulke wijze lessen,Dan hebben wij dat hier gedaan. Kijk maar eens naar d’ adressen;Die zijn, hoe klein ons land ook is, behoorlijk lang en groot,En daarbij goed bedacht — door een volslagen idioot.Wij, dwazen, schrijven elken dag die dolle nonsens neer:WelEdele, of, deftiger,WelEd. Geboren Heer,Den Heer, zoo sec, dat durv’ we niet; dat moeten we verlengenTotWelEerwaarden,ZeerGeleerden,WeledelGestrengen,DenHoogGeboren HeerofVrouwe; en — je moet het hooren! —Die even minder deftig is, die isHoogWelGeboren!En ben j’ iets meer dan hooggeboorn, al is ’t verschil ook klein,Wat ben je dan? Medunkt, dan moet jeZeerGeborenzijn!HoogEdele,GrootAchtbare,Geleerde,ZeerEerwaarde...Verbeeld je iemand, die den adel aan geleerdheid paarde,Zoo iemand werdHoogWelgeborenEdelZeerGeleerd!En was hij in de Rechten bovendien gepromoveerd,En wist hij het tot raadslid van Kwadijk of Liemt te brenge’Hij werdWelEdelAchtbaarHoogGeborenZeerGestrenge! —O,HoogGeborenWelEerwaardeZeerGrootAchtbareHeer,U is geleerd, maar is U ’tHoog, of is U ’t nog maarZeer? —Wij moesten eens bedenken, wij, grootachtbare eedle dwazen,Voorwiewij toch zoo zeergeleerd op d’enveloppen razen,Voor wie ’t bestemd is, al die strenge edelachtbaarheid?...Ik zal ’t je zeggen: voor den postman en voor Mie, de meid.

„Ons land zij groot in al, waarin een klein land groot kan zijn,”

Zoo luidde ’t vorstelijk woord, (te veel!) herhaald door groot en klein.

En als er ooit geluisterd werd naar zulke wijze lessen,

Dan hebben wij dat hier gedaan. Kijk maar eens naar d’ adressen;

Die zijn, hoe klein ons land ook is, behoorlijk lang en groot,

En daarbij goed bedacht — door een volslagen idioot.

Wij, dwazen, schrijven elken dag die dolle nonsens neer:

WelEdele, of, deftiger,WelEd. Geboren Heer,

Den Heer, zoo sec, dat durv’ we niet; dat moeten we verlengen

TotWelEerwaarden,ZeerGeleerden,WeledelGestrengen,

DenHoogGeboren HeerofVrouwe; en — je moet het hooren! —

Die even minder deftig is, die isHoogWelGeboren!

En ben j’ iets meer dan hooggeboorn, al is ’t verschil ook klein,

Wat ben je dan? Medunkt, dan moet jeZeerGeborenzijn!

HoogEdele,GrootAchtbare,Geleerde,ZeerEerwaarde...

Verbeeld je iemand, die den adel aan geleerdheid paarde,

Zoo iemand werdHoogWelgeborenEdelZeerGeleerd!

En was hij in de Rechten bovendien gepromoveerd,

En wist hij het tot raadslid van Kwadijk of Liemt te brenge’

Hij werdWelEdelAchtbaarHoogGeborenZeerGestrenge! —

O,HoogGeborenWelEerwaardeZeerGrootAchtbareHeer,

U is geleerd, maar is U ’tHoog, of is U ’t nog maarZeer? —

Wij moesten eens bedenken, wij, grootachtbare eedle dwazen,

Voorwiewij toch zoo zeergeleerd op d’enveloppen razen,

Voor wie ’t bestemd is, al die strenge edelachtbaarheid?...

Ik zal ’t je zeggen: voor den postman en voor Mie, de meid.

De nonsenstermen zijn nu afgeschaft op d’enveloppen,We doen niet meer aanEdel,Streng, of dergelijke moppen,DenWaarden Weleer Zeer Geleerden HooggeborenHeer —Geen lieve lezer van de Ruize-Rijmen schrijft dat meer.Maar wees nu consequent, en pas hetzelfde stelsel toeOpWaarde,Beste,Zeer Geacht’en al dat mal gedoe;Hoogachtend,Met de meeste Achting,’k Blijf geheel de Uwe,Uw dienaar,dienstwillig,dienstvaardig... is ’t niet om te gruwe’?En meen’geen gaf ’t in wanhoop op, en schreef maar niet, ten leste,Omdat hij maar geen keus kon doen uitLieve,WaardeofBeste!Is het zoo moeilijk, zou het niet met een’ge oef’ning lukken,Dienstvaardigheid en achting in den brief zelf uit te drukken?En zuiver zaken-brieven, als: „Is u van middag vrij?”Moet daar die achting en dienstwilligheid nu ook al bij?Zeg, hebt gij zelf nog nooit zoo iets geschreven als dit, lezer:„In antwoord op Uw Zeer Geëerde van den vierden dezerHeb ik de Eer U mede te deelen, Zeer Geachte Heer,Dat onze kat gejongd heeft, dat’s nu voor de tiende keer,En al de beestjes leven nog; ’t is boven mijn verwachting.’k Verblijve Uw dienstwil’ge dienaar, met de meeste Achting”?Die dwaze wartaal weg te laten strijdt met je fatsoen,Maar sta je, als jespreektmet iemand, ook zoo gek te doen?Bv. zeg je: „Zeer Geleerde, Hoog Geachte Heer!Ik heb de Eer U mee te deelen: ’t is vandaag mooi weer?” —Wie doet er mee, en breekt met dit gedachteloos geteem,En schrijft — zooveel als ’t mooglijk is — naar ’t volgende systeem:Laat slechts den datum op uw brief, den naam er onder prijken,En laat uw achting, liefde en geest uit stijl en woordkeus blijken!

De nonsenstermen zijn nu afgeschaft op d’enveloppen,We doen niet meer aanEdel,Streng, of dergelijke moppen,DenWaarden Weleer Zeer Geleerden HooggeborenHeer —Geen lieve lezer van de Ruize-Rijmen schrijft dat meer.Maar wees nu consequent, en pas hetzelfde stelsel toeOpWaarde,Beste,Zeer Geacht’en al dat mal gedoe;Hoogachtend,Met de meeste Achting,’k Blijf geheel de Uwe,Uw dienaar,dienstwillig,dienstvaardig... is ’t niet om te gruwe’?En meen’geen gaf ’t in wanhoop op, en schreef maar niet, ten leste,Omdat hij maar geen keus kon doen uitLieve,WaardeofBeste!Is het zoo moeilijk, zou het niet met een’ge oef’ning lukken,Dienstvaardigheid en achting in den brief zelf uit te drukken?En zuiver zaken-brieven, als: „Is u van middag vrij?”Moet daar die achting en dienstwilligheid nu ook al bij?Zeg, hebt gij zelf nog nooit zoo iets geschreven als dit, lezer:„In antwoord op Uw Zeer Geëerde van den vierden dezerHeb ik de Eer U mede te deelen, Zeer Geachte Heer,Dat onze kat gejongd heeft, dat’s nu voor de tiende keer,En al de beestjes leven nog; ’t is boven mijn verwachting.’k Verblijve Uw dienstwil’ge dienaar, met de meeste Achting”?Die dwaze wartaal weg te laten strijdt met je fatsoen,Maar sta je, als jespreektmet iemand, ook zoo gek te doen?Bv. zeg je: „Zeer Geleerde, Hoog Geachte Heer!Ik heb de Eer U mee te deelen: ’t is vandaag mooi weer?” —Wie doet er mee, en breekt met dit gedachteloos geteem,En schrijft — zooveel als ’t mooglijk is — naar ’t volgende systeem:Laat slechts den datum op uw brief, den naam er onder prijken,En laat uw achting, liefde en geest uit stijl en woordkeus blijken!

De nonsenstermen zijn nu afgeschaft op d’enveloppen,We doen niet meer aanEdel,Streng, of dergelijke moppen,DenWaarden Weleer Zeer Geleerden HooggeborenHeer —Geen lieve lezer van de Ruize-Rijmen schrijft dat meer.Maar wees nu consequent, en pas hetzelfde stelsel toeOpWaarde,Beste,Zeer Geacht’en al dat mal gedoe;Hoogachtend,Met de meeste Achting,’k Blijf geheel de Uwe,Uw dienaar,dienstwillig,dienstvaardig... is ’t niet om te gruwe’?En meen’geen gaf ’t in wanhoop op, en schreef maar niet, ten leste,Omdat hij maar geen keus kon doen uitLieve,WaardeofBeste!Is het zoo moeilijk, zou het niet met een’ge oef’ning lukken,Dienstvaardigheid en achting in den brief zelf uit te drukken?En zuiver zaken-brieven, als: „Is u van middag vrij?”Moet daar die achting en dienstwilligheid nu ook al bij?Zeg, hebt gij zelf nog nooit zoo iets geschreven als dit, lezer:„In antwoord op Uw Zeer Geëerde van den vierden dezerHeb ik de Eer U mede te deelen, Zeer Geachte Heer,Dat onze kat gejongd heeft, dat’s nu voor de tiende keer,En al de beestjes leven nog; ’t is boven mijn verwachting.’k Verblijve Uw dienstwil’ge dienaar, met de meeste Achting”?Die dwaze wartaal weg te laten strijdt met je fatsoen,Maar sta je, als jespreektmet iemand, ook zoo gek te doen?Bv. zeg je: „Zeer Geleerde, Hoog Geachte Heer!Ik heb de Eer U mee te deelen: ’t is vandaag mooi weer?” —Wie doet er mee, en breekt met dit gedachteloos geteem,En schrijft — zooveel als ’t mooglijk is — naar ’t volgende systeem:Laat slechts den datum op uw brief, den naam er onder prijken,En laat uw achting, liefde en geest uit stijl en woordkeus blijken!

De nonsenstermen zijn nu afgeschaft op d’enveloppen,

We doen niet meer aanEdel,Streng, of dergelijke moppen,

DenWaarden Weleer Zeer Geleerden HooggeborenHeer —

Geen lieve lezer van de Ruize-Rijmen schrijft dat meer.

Maar wees nu consequent, en pas hetzelfde stelsel toe

OpWaarde,Beste,Zeer Geacht’en al dat mal gedoe;

Hoogachtend,Met de meeste Achting,’k Blijf geheel de Uwe,

Uw dienaar,dienstwillig,dienstvaardig... is ’t niet om te gruwe’?

En meen’geen gaf ’t in wanhoop op, en schreef maar niet, ten leste,

Omdat hij maar geen keus kon doen uitLieve,WaardeofBeste!

Is het zoo moeilijk, zou het niet met een’ge oef’ning lukken,

Dienstvaardigheid en achting in den brief zelf uit te drukken?

En zuiver zaken-brieven, als: „Is u van middag vrij?”

Moet daar die achting en dienstwilligheid nu ook al bij?

Zeg, hebt gij zelf nog nooit zoo iets geschreven als dit, lezer:

„In antwoord op Uw Zeer Geëerde van den vierden dezer

Heb ik de Eer U mede te deelen, Zeer Geachte Heer,

Dat onze kat gejongd heeft, dat’s nu voor de tiende keer,

En al de beestjes leven nog; ’t is boven mijn verwachting.

’k Verblijve Uw dienstwil’ge dienaar, met de meeste Achting”?

Die dwaze wartaal weg te laten strijdt met je fatsoen,

Maar sta je, als jespreektmet iemand, ook zoo gek te doen?

Bv. zeg je: „Zeer Geleerde, Hoog Geachte Heer!

Ik heb de Eer U mee te deelen: ’t is vandaag mooi weer?” —

Wie doet er mee, en breekt met dit gedachteloos geteem,

En schrijft — zooveel als ’t mooglijk is — naar ’t volgende systeem:

Laat slechts den datum op uw brief, den naam er onder prijken,

En laat uw achting, liefde en geest uit stijl en woordkeus blijken!

Wie stuurt er me-n-’n kaartje,Een kaartje met Nieuwjaar?Die kaartenstroom, die kaartenvloedDie doet me ieder jaar zoo ’n goed!Mag ik ’r op reek’nen dat je ’t doet?Och, stuur me maar een kaartje,Een kaartje met Nieuw Jaar!Wie stuurt er me-n-’n kaartje,Een kaartje met Nieuw Jaar?Je doet m’ ’r zoo’n genoegen mee,En ’t is zoo’n aardig, nieuw idee,Zoo met „p.f.” of met „m.g.”,Iksnakzoo naar je kaartje,Je kaartje, met Nieuw Jaar.O, stuur me toch je kaartje,Je kaartje met Nieuw Jaar!Dan heeft de Post wat bezigheid,December is de slappe tijd,Zoodat je ook dePostverblijdt,Begrijp je? met je kaartje,Je kaartje met Nieuw Jaar.Zoo’n kaartje, dat bespaart jeEen langen brief, niet waar?’t Is dan niet noodig, dat je dichtEen mooien wensch aan Oom of Nicht,Voor ’t jaar, „dat weder vóór ons ligt,”Je stuurt ze maar een kaartje,Je bent veel gauwer klaar.Dus krijg ikvastje kaartje,Je kaartje met Nieuw Jaar?’k Behandel ’t heusch niet achteloos,’k Bewaar het netjes in een doos,En stuur je na een korte poos,Uit dankbaarheid mijn kaartje,Voor ’t kaartje van Nieuw Jaar.Zoo gaat het jaar op jaartje,Zoo foppen wij mekaar.De wereld is een poppenkast!We doen elkander overlast,Maar ’thoort, dus doen we ’t; dàt staat vast...Och, stuur me maar geen kaartje,Nee, dank je. Laat het maar.

Wie stuurt er me-n-’n kaartje,Een kaartje met Nieuwjaar?Die kaartenstroom, die kaartenvloedDie doet me ieder jaar zoo ’n goed!Mag ik ’r op reek’nen dat je ’t doet?Och, stuur me maar een kaartje,Een kaartje met Nieuw Jaar!Wie stuurt er me-n-’n kaartje,Een kaartje met Nieuw Jaar?Je doet m’ ’r zoo’n genoegen mee,En ’t is zoo’n aardig, nieuw idee,Zoo met „p.f.” of met „m.g.”,Iksnakzoo naar je kaartje,Je kaartje, met Nieuw Jaar.O, stuur me toch je kaartje,Je kaartje met Nieuw Jaar!Dan heeft de Post wat bezigheid,December is de slappe tijd,Zoodat je ook dePostverblijdt,Begrijp je? met je kaartje,Je kaartje met Nieuw Jaar.Zoo’n kaartje, dat bespaart jeEen langen brief, niet waar?’t Is dan niet noodig, dat je dichtEen mooien wensch aan Oom of Nicht,Voor ’t jaar, „dat weder vóór ons ligt,”Je stuurt ze maar een kaartje,Je bent veel gauwer klaar.Dus krijg ikvastje kaartje,Je kaartje met Nieuw Jaar?’k Behandel ’t heusch niet achteloos,’k Bewaar het netjes in een doos,En stuur je na een korte poos,Uit dankbaarheid mijn kaartje,Voor ’t kaartje van Nieuw Jaar.Zoo gaat het jaar op jaartje,Zoo foppen wij mekaar.De wereld is een poppenkast!We doen elkander overlast,Maar ’thoort, dus doen we ’t; dàt staat vast...Och, stuur me maar geen kaartje,Nee, dank je. Laat het maar.

Wie stuurt er me-n-’n kaartje,Een kaartje met Nieuwjaar?Die kaartenstroom, die kaartenvloedDie doet me ieder jaar zoo ’n goed!Mag ik ’r op reek’nen dat je ’t doet?Och, stuur me maar een kaartje,Een kaartje met Nieuw Jaar!

Wie stuurt er me-n-’n kaartje,

Een kaartje met Nieuwjaar?

Die kaartenstroom, die kaartenvloed

Die doet me ieder jaar zoo ’n goed!

Mag ik ’r op reek’nen dat je ’t doet?

Och, stuur me maar een kaartje,

Een kaartje met Nieuw Jaar!

Wie stuurt er me-n-’n kaartje,Een kaartje met Nieuw Jaar?Je doet m’ ’r zoo’n genoegen mee,En ’t is zoo’n aardig, nieuw idee,Zoo met „p.f.” of met „m.g.”,Iksnakzoo naar je kaartje,Je kaartje, met Nieuw Jaar.

Wie stuurt er me-n-’n kaartje,

Een kaartje met Nieuw Jaar?

Je doet m’ ’r zoo’n genoegen mee,

En ’t is zoo’n aardig, nieuw idee,

Zoo met „p.f.” of met „m.g.”,

Iksnakzoo naar je kaartje,

Je kaartje, met Nieuw Jaar.

O, stuur me toch je kaartje,Je kaartje met Nieuw Jaar!Dan heeft de Post wat bezigheid,December is de slappe tijd,Zoodat je ook dePostverblijdt,Begrijp je? met je kaartje,Je kaartje met Nieuw Jaar.

O, stuur me toch je kaartje,

Je kaartje met Nieuw Jaar!

Dan heeft de Post wat bezigheid,

December is de slappe tijd,

Zoodat je ook dePostverblijdt,

Begrijp je? met je kaartje,

Je kaartje met Nieuw Jaar.

Zoo’n kaartje, dat bespaart jeEen langen brief, niet waar?’t Is dan niet noodig, dat je dichtEen mooien wensch aan Oom of Nicht,Voor ’t jaar, „dat weder vóór ons ligt,”Je stuurt ze maar een kaartje,Je bent veel gauwer klaar.

Zoo’n kaartje, dat bespaart je

Een langen brief, niet waar?

’t Is dan niet noodig, dat je dicht

Een mooien wensch aan Oom of Nicht,

Voor ’t jaar, „dat weder vóór ons ligt,”

Je stuurt ze maar een kaartje,

Je bent veel gauwer klaar.

Dus krijg ikvastje kaartje,Je kaartje met Nieuw Jaar?’k Behandel ’t heusch niet achteloos,’k Bewaar het netjes in een doos,En stuur je na een korte poos,Uit dankbaarheid mijn kaartje,Voor ’t kaartje van Nieuw Jaar.

Dus krijg ikvastje kaartje,

Je kaartje met Nieuw Jaar?

’k Behandel ’t heusch niet achteloos,

’k Bewaar het netjes in een doos,

En stuur je na een korte poos,

Uit dankbaarheid mijn kaartje,

Voor ’t kaartje van Nieuw Jaar.

Zoo gaat het jaar op jaartje,Zoo foppen wij mekaar.De wereld is een poppenkast!We doen elkander overlast,Maar ’thoort, dus doen we ’t; dàt staat vast...Och, stuur me maar geen kaartje,Nee, dank je. Laat het maar.

Zoo gaat het jaar op jaartje,

Zoo foppen wij mekaar.

De wereld is een poppenkast!

We doen elkander overlast,

Maar ’thoort, dus doen we ’t; dàt staat vast...

Och, stuur me maar geen kaartje,

Nee, dank je. Laat het maar.

Opgedragen aan alle vriendelijke gastvrouwen, door een paying guest.

Opgedragen aan alle vriendelijke gastvrouwen, door een paying guest.

Laat mijn lustig lied bezingenEen van d’ allerdolste dingen,Die in onze nette kringenTot dengoeden toonbehooren,(Dus je weet al van te voren,Dat je weer wat moois zal hooren.)Wie bij vrienden gaat dineeren,Moet een pop — contant — spendeeren,Wie bij vrienden gaat logeeren,Waar hij „Logies met Ontbijt” krijgt,Dokt een gulden, die de meid krijgt —Dat wil zeggen, ’t heet, dat zij ’t krijgt,Zijontvangt het; goed — uitstekend,Maar je weet wat het beteekent:’t Is bij ’t huren zóó berekend:„Zooveel zal je loon zijn, Keetje,Maar we geven, hm, ja, weet je,Nog al zoo eens een dineetje...Bovendien, wij inviteerenDikwijls menschen te soupeeren,Of ze komen hier logeeren,— ’t Zal zoo eens per veertien daag zijn —Anders zou je loon wat laag zijn.”„Nu mevrouw, ik wil hier graag zijn,”Antwoordt heel tevreden Keetje.En na ieder dejeuneetje,Of dineetje of soupeetje,Voelt zij al haar handpalm jeuken...„Och, mevrouw, waar is de keuken?”Vraagt de gast. „Daar!” zegt ze leuk, enZiet hoe Keetje, niets verlegen,Krijgt, wat zij — wat is er tegen? —Loons te weinig heeft gekregen.Ja, wie zich op stand laat „veur”-staan,Houdt van deftig doen en geurslaan,Die laat Mina bij de deur staan,Dat is nog te prefereeren,Want dan kan geen gast ’t probeeren,Om ’m stiekempjes te smeren...Och mevrouw, mag ik het wagen,U bescheidenlijk te vragen,Of u wellicht dezer dagenEens bij mij wilt komen eten?Maar dan moet ik zeker weten,Dat g’ uw beursje zult vergeten:Komt u bij mij middagmalen,’k Wil u gaarne goed onthalen —Maar u mag het niet betalen!

Laat mijn lustig lied bezingenEen van d’ allerdolste dingen,Die in onze nette kringenTot dengoeden toonbehooren,(Dus je weet al van te voren,Dat je weer wat moois zal hooren.)Wie bij vrienden gaat dineeren,Moet een pop — contant — spendeeren,Wie bij vrienden gaat logeeren,Waar hij „Logies met Ontbijt” krijgt,Dokt een gulden, die de meid krijgt —Dat wil zeggen, ’t heet, dat zij ’t krijgt,Zijontvangt het; goed — uitstekend,Maar je weet wat het beteekent:’t Is bij ’t huren zóó berekend:„Zooveel zal je loon zijn, Keetje,Maar we geven, hm, ja, weet je,Nog al zoo eens een dineetje...Bovendien, wij inviteerenDikwijls menschen te soupeeren,Of ze komen hier logeeren,— ’t Zal zoo eens per veertien daag zijn —Anders zou je loon wat laag zijn.”„Nu mevrouw, ik wil hier graag zijn,”Antwoordt heel tevreden Keetje.En na ieder dejeuneetje,Of dineetje of soupeetje,Voelt zij al haar handpalm jeuken...„Och, mevrouw, waar is de keuken?”Vraagt de gast. „Daar!” zegt ze leuk, enZiet hoe Keetje, niets verlegen,Krijgt, wat zij — wat is er tegen? —Loons te weinig heeft gekregen.Ja, wie zich op stand laat „veur”-staan,Houdt van deftig doen en geurslaan,Die laat Mina bij de deur staan,Dat is nog te prefereeren,Want dan kan geen gast ’t probeeren,Om ’m stiekempjes te smeren...Och mevrouw, mag ik het wagen,U bescheidenlijk te vragen,Of u wellicht dezer dagenEens bij mij wilt komen eten?Maar dan moet ik zeker weten,Dat g’ uw beursje zult vergeten:Komt u bij mij middagmalen,’k Wil u gaarne goed onthalen —Maar u mag het niet betalen!

Laat mijn lustig lied bezingenEen van d’ allerdolste dingen,Die in onze nette kringenTot dengoeden toonbehooren,(Dus je weet al van te voren,Dat je weer wat moois zal hooren.)Wie bij vrienden gaat dineeren,Moet een pop — contant — spendeeren,Wie bij vrienden gaat logeeren,Waar hij „Logies met Ontbijt” krijgt,Dokt een gulden, die de meid krijgt —Dat wil zeggen, ’t heet, dat zij ’t krijgt,Zijontvangt het; goed — uitstekend,Maar je weet wat het beteekent:’t Is bij ’t huren zóó berekend:„Zooveel zal je loon zijn, Keetje,Maar we geven, hm, ja, weet je,Nog al zoo eens een dineetje...Bovendien, wij inviteerenDikwijls menschen te soupeeren,Of ze komen hier logeeren,— ’t Zal zoo eens per veertien daag zijn —Anders zou je loon wat laag zijn.”„Nu mevrouw, ik wil hier graag zijn,”Antwoordt heel tevreden Keetje.En na ieder dejeuneetje,Of dineetje of soupeetje,Voelt zij al haar handpalm jeuken...„Och, mevrouw, waar is de keuken?”Vraagt de gast. „Daar!” zegt ze leuk, enZiet hoe Keetje, niets verlegen,Krijgt, wat zij — wat is er tegen? —Loons te weinig heeft gekregen.Ja, wie zich op stand laat „veur”-staan,Houdt van deftig doen en geurslaan,Die laat Mina bij de deur staan,Dat is nog te prefereeren,Want dan kan geen gast ’t probeeren,Om ’m stiekempjes te smeren...Och mevrouw, mag ik het wagen,U bescheidenlijk te vragen,Of u wellicht dezer dagenEens bij mij wilt komen eten?Maar dan moet ik zeker weten,Dat g’ uw beursje zult vergeten:Komt u bij mij middagmalen,’k Wil u gaarne goed onthalen —Maar u mag het niet betalen!

Laat mijn lustig lied bezingen

Een van d’ allerdolste dingen,

Die in onze nette kringen

Tot dengoeden toonbehooren,

(Dus je weet al van te voren,

Dat je weer wat moois zal hooren.)

Wie bij vrienden gaat dineeren,

Moet een pop — contant — spendeeren,

Wie bij vrienden gaat logeeren,

Waar hij „Logies met Ontbijt” krijgt,

Dokt een gulden, die de meid krijgt —

Dat wil zeggen, ’t heet, dat zij ’t krijgt,

Zijontvangt het; goed — uitstekend,

Maar je weet wat het beteekent:

’t Is bij ’t huren zóó berekend:

„Zooveel zal je loon zijn, Keetje,

Maar we geven, hm, ja, weet je,

Nog al zoo eens een dineetje...

Bovendien, wij inviteeren

Dikwijls menschen te soupeeren,

Of ze komen hier logeeren,

— ’t Zal zoo eens per veertien daag zijn —

Anders zou je loon wat laag zijn.”

„Nu mevrouw, ik wil hier graag zijn,”

Antwoordt heel tevreden Keetje.

En na ieder dejeuneetje,

Of dineetje of soupeetje,

Voelt zij al haar handpalm jeuken...

„Och, mevrouw, waar is de keuken?”

Vraagt de gast. „Daar!” zegt ze leuk, en

Ziet hoe Keetje, niets verlegen,

Krijgt, wat zij — wat is er tegen? —

Loons te weinig heeft gekregen.

Ja, wie zich op stand laat „veur”-staan,

Houdt van deftig doen en geurslaan,

Die laat Mina bij de deur staan,

Dat is nog te prefereeren,

Want dan kan geen gast ’t probeeren,

Om ’m stiekempjes te smeren...

Och mevrouw, mag ik het wagen,

U bescheidenlijk te vragen,

Of u wellicht dezer dagen

Eens bij mij wilt komen eten?

Maar dan moet ik zeker weten,

Dat g’ uw beursje zult vergeten:

Komt u bij mij middagmalen,

’k Wil u gaarne goed onthalen —

Maar u mag het niet betalen!

O, Sinterklaas, verschriklijk feest! o, jaarlijksche bezoeking!U treffe in dit klaaglied mijn verwensching en vervloeking!O avond van geheimpjes, van surprises en cadeaux,Van pakjes van de post en mandjes van v. Gend & Loos,Die ’k eerst een half uur stil laat staan, dan open met een zucht,Omdat ’k, geleerd door droeve ondervinding, d’ inhoud ducht;Het angstzweet breekt me uit en ’k sta op ’t punt om te bezwijken:Als ’t voorwerp nakend voor mij ligt — ik durf haast niet te kijken:Een kussen, dat ’k niet noodig heb, een inktpot, of zoo iets,Och kom, ik heb een vulpen, en zoo’n ding dat dient tot niets!Een nare dure, vaas — o jee, die moet j’ „een plaatsje geven!”En wat het leelijkste is, dat blijft gewoonlijk ’t langste leven;Ja, wààr je ’t zet, met stille hope op een ongeluk,Vlak bij een rand, of op een hoek, dat ding dat wil niet stuk!„Sämmtliche Werke” worden j’ ook soms op je hals geschoven,De druk te klein, ’t papier van stroo, verguld op snee (van boven).Of anders is ’t een „schilderij”, waar ’k niet naar heb verlangd,Dat is al héél erg, want ’t fatsoen eischt dat je ’t ergens hangt,(Ja, alles, waar een lijst omheen is, heet een „schilderij”)Natuurlijk moet je dankbaar zijn, je kijkt verrast en blij,En of je ’t mooi of leelijk vindt, je moet er, ten pleziereVan wie het je heeft aangedaan, je kamer mee versiere’.Dit door-en-door onzeedlijk feest, het leert het menschdom veinzen,Want hoe ’t ook in je binnenst’ ziedt, je moet blij-dankbaar grijnzen.Het is een tijd van klatergoud, van lorren en van prullen,Waaraan de Priesters van de Wansmaak likkebaardend smullen.Loop nu eens door de Kalverstraat, en zie eens om je heen,Wanneer je in de winkels kijkt, dan krimpt je ’t hart ineen.Je gruwt van al de druk beblomde loopertjes en kleeden,Die stapels van rood-pluche-met-vergulde aakligheden;Zoo’n beeldj’ op waglend voetstuk, heel goedkoop maar veel te duur,Een klok met coupes — monsterlijk — à zooveel „’t Garnituur”.Maar ’t ergste komt nog. ’t Is het zoeken naar den gullen gever.Je zegt, met een gezicht alsof je last hadt van je lever:„Het is toch niet van jou?” of: „zeg, weet jij hier soms iets van?”En zes of zeven maal verdenk je den verkeerden man.En altijd zijn ’t onschuldigen, die j’ aanklampt met je vragen,En telkens heb je allebei een gek figuur geslagen........ ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... .....Maar denk je dat ’k het allemaal meen? Kom, lezer, ben je dwaas!Ik ken geen fijner kinderfeest, dan ’t feest van Sinterklaas!

O, Sinterklaas, verschriklijk feest! o, jaarlijksche bezoeking!U treffe in dit klaaglied mijn verwensching en vervloeking!O avond van geheimpjes, van surprises en cadeaux,Van pakjes van de post en mandjes van v. Gend & Loos,Die ’k eerst een half uur stil laat staan, dan open met een zucht,Omdat ’k, geleerd door droeve ondervinding, d’ inhoud ducht;Het angstzweet breekt me uit en ’k sta op ’t punt om te bezwijken:Als ’t voorwerp nakend voor mij ligt — ik durf haast niet te kijken:Een kussen, dat ’k niet noodig heb, een inktpot, of zoo iets,Och kom, ik heb een vulpen, en zoo’n ding dat dient tot niets!Een nare dure, vaas — o jee, die moet j’ „een plaatsje geven!”En wat het leelijkste is, dat blijft gewoonlijk ’t langste leven;Ja, wààr je ’t zet, met stille hope op een ongeluk,Vlak bij een rand, of op een hoek, dat ding dat wil niet stuk!„Sämmtliche Werke” worden j’ ook soms op je hals geschoven,De druk te klein, ’t papier van stroo, verguld op snee (van boven).Of anders is ’t een „schilderij”, waar ’k niet naar heb verlangd,Dat is al héél erg, want ’t fatsoen eischt dat je ’t ergens hangt,(Ja, alles, waar een lijst omheen is, heet een „schilderij”)Natuurlijk moet je dankbaar zijn, je kijkt verrast en blij,En of je ’t mooi of leelijk vindt, je moet er, ten pleziereVan wie het je heeft aangedaan, je kamer mee versiere’.Dit door-en-door onzeedlijk feest, het leert het menschdom veinzen,Want hoe ’t ook in je binnenst’ ziedt, je moet blij-dankbaar grijnzen.Het is een tijd van klatergoud, van lorren en van prullen,Waaraan de Priesters van de Wansmaak likkebaardend smullen.Loop nu eens door de Kalverstraat, en zie eens om je heen,Wanneer je in de winkels kijkt, dan krimpt je ’t hart ineen.Je gruwt van al de druk beblomde loopertjes en kleeden,Die stapels van rood-pluche-met-vergulde aakligheden;Zoo’n beeldj’ op waglend voetstuk, heel goedkoop maar veel te duur,Een klok met coupes — monsterlijk — à zooveel „’t Garnituur”.Maar ’t ergste komt nog. ’t Is het zoeken naar den gullen gever.Je zegt, met een gezicht alsof je last hadt van je lever:„Het is toch niet van jou?” of: „zeg, weet jij hier soms iets van?”En zes of zeven maal verdenk je den verkeerden man.En altijd zijn ’t onschuldigen, die j’ aanklampt met je vragen,En telkens heb je allebei een gek figuur geslagen........ ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... .....Maar denk je dat ’k het allemaal meen? Kom, lezer, ben je dwaas!Ik ken geen fijner kinderfeest, dan ’t feest van Sinterklaas!

O, Sinterklaas, verschriklijk feest! o, jaarlijksche bezoeking!U treffe in dit klaaglied mijn verwensching en vervloeking!O avond van geheimpjes, van surprises en cadeaux,Van pakjes van de post en mandjes van v. Gend & Loos,Die ’k eerst een half uur stil laat staan, dan open met een zucht,Omdat ’k, geleerd door droeve ondervinding, d’ inhoud ducht;Het angstzweet breekt me uit en ’k sta op ’t punt om te bezwijken:Als ’t voorwerp nakend voor mij ligt — ik durf haast niet te kijken:Een kussen, dat ’k niet noodig heb, een inktpot, of zoo iets,Och kom, ik heb een vulpen, en zoo’n ding dat dient tot niets!Een nare dure, vaas — o jee, die moet j’ „een plaatsje geven!”En wat het leelijkste is, dat blijft gewoonlijk ’t langste leven;Ja, wààr je ’t zet, met stille hope op een ongeluk,Vlak bij een rand, of op een hoek, dat ding dat wil niet stuk!„Sämmtliche Werke” worden j’ ook soms op je hals geschoven,De druk te klein, ’t papier van stroo, verguld op snee (van boven).Of anders is ’t een „schilderij”, waar ’k niet naar heb verlangd,Dat is al héél erg, want ’t fatsoen eischt dat je ’t ergens hangt,(Ja, alles, waar een lijst omheen is, heet een „schilderij”)Natuurlijk moet je dankbaar zijn, je kijkt verrast en blij,En of je ’t mooi of leelijk vindt, je moet er, ten pleziereVan wie het je heeft aangedaan, je kamer mee versiere’.Dit door-en-door onzeedlijk feest, het leert het menschdom veinzen,Want hoe ’t ook in je binnenst’ ziedt, je moet blij-dankbaar grijnzen.Het is een tijd van klatergoud, van lorren en van prullen,Waaraan de Priesters van de Wansmaak likkebaardend smullen.Loop nu eens door de Kalverstraat, en zie eens om je heen,Wanneer je in de winkels kijkt, dan krimpt je ’t hart ineen.Je gruwt van al de druk beblomde loopertjes en kleeden,Die stapels van rood-pluche-met-vergulde aakligheden;Zoo’n beeldj’ op waglend voetstuk, heel goedkoop maar veel te duur,Een klok met coupes — monsterlijk — à zooveel „’t Garnituur”.Maar ’t ergste komt nog. ’t Is het zoeken naar den gullen gever.Je zegt, met een gezicht alsof je last hadt van je lever:„Het is toch niet van jou?” of: „zeg, weet jij hier soms iets van?”En zes of zeven maal verdenk je den verkeerden man.En altijd zijn ’t onschuldigen, die j’ aanklampt met je vragen,En telkens heb je allebei een gek figuur geslagen........ ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... .....Maar denk je dat ’k het allemaal meen? Kom, lezer, ben je dwaas!Ik ken geen fijner kinderfeest, dan ’t feest van Sinterklaas!

O, Sinterklaas, verschriklijk feest! o, jaarlijksche bezoeking!

U treffe in dit klaaglied mijn verwensching en vervloeking!

O avond van geheimpjes, van surprises en cadeaux,

Van pakjes van de post en mandjes van v. Gend & Loos,

Die ’k eerst een half uur stil laat staan, dan open met een zucht,

Omdat ’k, geleerd door droeve ondervinding, d’ inhoud ducht;

Het angstzweet breekt me uit en ’k sta op ’t punt om te bezwijken:

Als ’t voorwerp nakend voor mij ligt — ik durf haast niet te kijken:

Een kussen, dat ’k niet noodig heb, een inktpot, of zoo iets,

Och kom, ik heb een vulpen, en zoo’n ding dat dient tot niets!

Een nare dure, vaas — o jee, die moet j’ „een plaatsje geven!”

En wat het leelijkste is, dat blijft gewoonlijk ’t langste leven;

Ja, wààr je ’t zet, met stille hope op een ongeluk,

Vlak bij een rand, of op een hoek, dat ding dat wil niet stuk!

„Sämmtliche Werke” worden j’ ook soms op je hals geschoven,

De druk te klein, ’t papier van stroo, verguld op snee (van boven).

Of anders is ’t een „schilderij”, waar ’k niet naar heb verlangd,

Dat is al héél erg, want ’t fatsoen eischt dat je ’t ergens hangt,

(Ja, alles, waar een lijst omheen is, heet een „schilderij”)

Natuurlijk moet je dankbaar zijn, je kijkt verrast en blij,

En of je ’t mooi of leelijk vindt, je moet er, ten pleziere

Van wie het je heeft aangedaan, je kamer mee versiere’.

Dit door-en-door onzeedlijk feest, het leert het menschdom veinzen,

Want hoe ’t ook in je binnenst’ ziedt, je moet blij-dankbaar grijnzen.

Het is een tijd van klatergoud, van lorren en van prullen,

Waaraan de Priesters van de Wansmaak likkebaardend smullen.

Loop nu eens door de Kalverstraat, en zie eens om je heen,

Wanneer je in de winkels kijkt, dan krimpt je ’t hart ineen.

Je gruwt van al de druk beblomde loopertjes en kleeden,

Die stapels van rood-pluche-met-vergulde aakligheden;

Zoo’n beeldj’ op waglend voetstuk, heel goedkoop maar veel te duur,

Een klok met coupes — monsterlijk — à zooveel „’t Garnituur”.

Maar ’t ergste komt nog. ’t Is het zoeken naar den gullen gever.

Je zegt, met een gezicht alsof je last hadt van je lever:

„Het is toch niet van jou?” of: „zeg, weet jij hier soms iets van?”

En zes of zeven maal verdenk je den verkeerden man.

En altijd zijn ’t onschuldigen, die j’ aanklampt met je vragen,

En telkens heb je allebei een gek figuur geslagen...

..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... .....

Maar denk je dat ’k het allemaal meen? Kom, lezer, ben je dwaas!

Ik ken geen fijner kinderfeest, dan ’t feest van Sinterklaas!

De jeugd van tegenwoordig is gewend, van jongs af aan,Zich aan geen mensch te storen, en d’r eigen gang te gaan.De smaak is grof, de geest is dood, de humor ligt in zwijm —O, jeugd! U wijd ik, met een zucht, mijn ruigste Ruize-Rijm.Ja, ruig. Want waarom zoetigheid, en water in den wijn,Nu jongens voetjeballomaan, en meisjes jongens zijn?Het meisje rookt een sigaret (dat wordt wel een sigaar!)Zit met de beenen kruislings, of een meter van mekaar.Ze ziet er niets onvrouwelijks in, niets grofs en niets gemeens,Te hangen achter ’t motor-jong, de broek aan, en wijdbeens.De knaap stelt slechts in voetbal, auto, bioscoop, belang,In pracht-revues en operettes van den derden rang.Hij geeft „geen snars” om schilderen, tooneelkunst of muziek,Leest ijverig de kranten — maar alleen de Sportrubriek.Hij smeert zijn sierlijk krullend haar met brillantine vol,Hij wenscht — omdat het Engelsch is — een glimmend vetten bol.Diners met geestig knusse kout, die raken uit den tijd,De pauzen tusschen ’t eten worden aan gedans gewijd.Waar zouden z’ over praten? Immers alle geest is weg:Ze zijn testomvoor „table talk” — ’t is zonde da’ ’k ’t zeg.De oudren blijven zitten aan een half-verlaten disch —De jongelui doen wat hunzelf het aangenaamste is.’t Lawaai der dansmuziek verstomt der ouderen gesprek,Daar heeft de jonkheid maling aan; wie eerbied toont, is gek.Ze dansen niet met kuische gratie, volgens ’t oud gebruik,Maar wennen zich in wee gewieg, begeerig, buik-aan-buik.De jongelieden zwijgen niet, maar voeren ’t hoogste woord;Ze hebben ons niet noodig, want ze weten hoe het hoort.Zooals ze tot hun ouderszeggen„je” en „jou” en „jij,”Zoodoenze „je-en-jij-en-jou” met heel de maatschappij...O, meisjes! Knapen! Vin je dat ’k wat àl te bitter brom,Schrijft dan op mij een Ruize-rijm: „De zure Ouderdom!”

De jeugd van tegenwoordig is gewend, van jongs af aan,Zich aan geen mensch te storen, en d’r eigen gang te gaan.De smaak is grof, de geest is dood, de humor ligt in zwijm —O, jeugd! U wijd ik, met een zucht, mijn ruigste Ruize-Rijm.Ja, ruig. Want waarom zoetigheid, en water in den wijn,Nu jongens voetjeballomaan, en meisjes jongens zijn?Het meisje rookt een sigaret (dat wordt wel een sigaar!)Zit met de beenen kruislings, of een meter van mekaar.Ze ziet er niets onvrouwelijks in, niets grofs en niets gemeens,Te hangen achter ’t motor-jong, de broek aan, en wijdbeens.De knaap stelt slechts in voetbal, auto, bioscoop, belang,In pracht-revues en operettes van den derden rang.Hij geeft „geen snars” om schilderen, tooneelkunst of muziek,Leest ijverig de kranten — maar alleen de Sportrubriek.Hij smeert zijn sierlijk krullend haar met brillantine vol,Hij wenscht — omdat het Engelsch is — een glimmend vetten bol.Diners met geestig knusse kout, die raken uit den tijd,De pauzen tusschen ’t eten worden aan gedans gewijd.Waar zouden z’ over praten? Immers alle geest is weg:Ze zijn testomvoor „table talk” — ’t is zonde da’ ’k ’t zeg.De oudren blijven zitten aan een half-verlaten disch —De jongelui doen wat hunzelf het aangenaamste is.’t Lawaai der dansmuziek verstomt der ouderen gesprek,Daar heeft de jonkheid maling aan; wie eerbied toont, is gek.Ze dansen niet met kuische gratie, volgens ’t oud gebruik,Maar wennen zich in wee gewieg, begeerig, buik-aan-buik.De jongelieden zwijgen niet, maar voeren ’t hoogste woord;Ze hebben ons niet noodig, want ze weten hoe het hoort.Zooals ze tot hun ouderszeggen„je” en „jou” en „jij,”Zoodoenze „je-en-jij-en-jou” met heel de maatschappij...O, meisjes! Knapen! Vin je dat ’k wat àl te bitter brom,Schrijft dan op mij een Ruize-rijm: „De zure Ouderdom!”

De jeugd van tegenwoordig is gewend, van jongs af aan,Zich aan geen mensch te storen, en d’r eigen gang te gaan.

De jeugd van tegenwoordig is gewend, van jongs af aan,

Zich aan geen mensch te storen, en d’r eigen gang te gaan.

De smaak is grof, de geest is dood, de humor ligt in zwijm —O, jeugd! U wijd ik, met een zucht, mijn ruigste Ruize-Rijm.

De smaak is grof, de geest is dood, de humor ligt in zwijm —

O, jeugd! U wijd ik, met een zucht, mijn ruigste Ruize-Rijm.

Ja, ruig. Want waarom zoetigheid, en water in den wijn,Nu jongens voetjeballomaan, en meisjes jongens zijn?

Ja, ruig. Want waarom zoetigheid, en water in den wijn,

Nu jongens voetjeballomaan, en meisjes jongens zijn?

Het meisje rookt een sigaret (dat wordt wel een sigaar!)Zit met de beenen kruislings, of een meter van mekaar.

Het meisje rookt een sigaret (dat wordt wel een sigaar!)

Zit met de beenen kruislings, of een meter van mekaar.

Ze ziet er niets onvrouwelijks in, niets grofs en niets gemeens,Te hangen achter ’t motor-jong, de broek aan, en wijdbeens.

Ze ziet er niets onvrouwelijks in, niets grofs en niets gemeens,

Te hangen achter ’t motor-jong, de broek aan, en wijdbeens.

De knaap stelt slechts in voetbal, auto, bioscoop, belang,In pracht-revues en operettes van den derden rang.

De knaap stelt slechts in voetbal, auto, bioscoop, belang,

In pracht-revues en operettes van den derden rang.

Hij geeft „geen snars” om schilderen, tooneelkunst of muziek,Leest ijverig de kranten — maar alleen de Sportrubriek.

Hij geeft „geen snars” om schilderen, tooneelkunst of muziek,

Leest ijverig de kranten — maar alleen de Sportrubriek.

Hij smeert zijn sierlijk krullend haar met brillantine vol,Hij wenscht — omdat het Engelsch is — een glimmend vetten bol.

Hij smeert zijn sierlijk krullend haar met brillantine vol,

Hij wenscht — omdat het Engelsch is — een glimmend vetten bol.

Diners met geestig knusse kout, die raken uit den tijd,De pauzen tusschen ’t eten worden aan gedans gewijd.

Diners met geestig knusse kout, die raken uit den tijd,

De pauzen tusschen ’t eten worden aan gedans gewijd.

Waar zouden z’ over praten? Immers alle geest is weg:Ze zijn testomvoor „table talk” — ’t is zonde da’ ’k ’t zeg.

Waar zouden z’ over praten? Immers alle geest is weg:

Ze zijn testomvoor „table talk” — ’t is zonde da’ ’k ’t zeg.

De oudren blijven zitten aan een half-verlaten disch —De jongelui doen wat hunzelf het aangenaamste is.

De oudren blijven zitten aan een half-verlaten disch —

De jongelui doen wat hunzelf het aangenaamste is.

’t Lawaai der dansmuziek verstomt der ouderen gesprek,Daar heeft de jonkheid maling aan; wie eerbied toont, is gek.

’t Lawaai der dansmuziek verstomt der ouderen gesprek,

Daar heeft de jonkheid maling aan; wie eerbied toont, is gek.

Ze dansen niet met kuische gratie, volgens ’t oud gebruik,Maar wennen zich in wee gewieg, begeerig, buik-aan-buik.

Ze dansen niet met kuische gratie, volgens ’t oud gebruik,

Maar wennen zich in wee gewieg, begeerig, buik-aan-buik.

De jongelieden zwijgen niet, maar voeren ’t hoogste woord;Ze hebben ons niet noodig, want ze weten hoe het hoort.

De jongelieden zwijgen niet, maar voeren ’t hoogste woord;

Ze hebben ons niet noodig, want ze weten hoe het hoort.

Zooals ze tot hun ouderszeggen„je” en „jou” en „jij,”Zoodoenze „je-en-jij-en-jou” met heel de maatschappij...

Zooals ze tot hun ouderszeggen„je” en „jou” en „jij,”

Zoodoenze „je-en-jij-en-jou” met heel de maatschappij...

O, meisjes! Knapen! Vin je dat ’k wat àl te bitter brom,Schrijft dan op mij een Ruize-rijm: „De zure Ouderdom!”

O, meisjes! Knapen! Vin je dat ’k wat àl te bitter brom,

Schrijft dan op mij een Ruize-rijm: „De zure Ouderdom!”

Proeve van een gezellig damesbriefje.

Proeve van een gezellig damesbriefje.

Lieve Zus, een enkel woordje met je jaardag, beste kind,Hartelijk geluk en hoop ik gij U allen wel bevindt,Schrijf toch eens hoe gij het maakt, het nieuwe huis bevalt U dat,Wat een weer toch tegenwoordig, elke dag zoo akelig nat,Houden hier veel meer van droge kou, en gaan haast niet meer uit,En uw broer zoo naar Chicago, zeker wel een heel besluit,Hoe maakt Mies het op de kostschool, heeft je Pa het nog zoo druk,Ik draag thuis voetvrije rokken, want die lange trap je stuk,Onze meid haar broer gaat trouwen, dat schijnt allemaal maar te gaan,Maar je moet je soms verbazen, waar die menschen van bestaan,Zijn je weer eens bij je tante op de thee of zoo geweest,Zeker weer gezellig, schrijf eens of je Ma nog zooveel leest,Nare boeken anders tegenwoordig, en begrijp ik niet,Waar die treurigheid voor dient, er toch al genoeg verdriet,Vreeselijk die oorlog toch maar, kijken haast geen platen meer,Want de illustraties komen allemaal op hetzelfde neer,O, die Keizer, zeggen wij maar, die moest zelf maar dood, he, zeg,Weet je wat zoo goed voor kou is, warme kwast, de poes is weg,Gaan jelui wel eens naar Speenhoff, eenig vind ik hem, echt leuk,Morgen eten wij weer rolpens, zalig maar een erge reuk,’k Geloof je Ma — of was het Tini — die daar ook zoo veel van hield,Weer een staking in de krant, he, wat die menschen toch bezielt,Hier blijft alles bij ’t oude, Noep heeft blaren aan haar voet,Hadden laatst een paar visietjes, Uk studeert, hij maakt het goed,Zitten Zondags meestal voor, dan wordt er achter niet gestookt,Stoken cokes of kolen, vinden altijd anthraciet zoo rookt,’t Is wat met dat vrouwenkiesrecht, ja daar hoor je me wat van,Ik denk altijd maar, ik weet niet, maar een vrouw is toch geen man,Zit je dikwijls voor de glazen, hier komt bijna niets voorbij,Zondags gaat het, laatst een dame met precies zoo’n hoed als jij,Nu ik eindig, lieve Zus, ik meen haast ik geroepen word,Groet je Ma, ’k heb nu geen tijd meer, schrijf wat langer binnenkort.Een hartelijke zoen van je zoo liefhebbendeKIKI.

Lieve Zus, een enkel woordje met je jaardag, beste kind,Hartelijk geluk en hoop ik gij U allen wel bevindt,Schrijf toch eens hoe gij het maakt, het nieuwe huis bevalt U dat,Wat een weer toch tegenwoordig, elke dag zoo akelig nat,Houden hier veel meer van droge kou, en gaan haast niet meer uit,En uw broer zoo naar Chicago, zeker wel een heel besluit,Hoe maakt Mies het op de kostschool, heeft je Pa het nog zoo druk,Ik draag thuis voetvrije rokken, want die lange trap je stuk,Onze meid haar broer gaat trouwen, dat schijnt allemaal maar te gaan,Maar je moet je soms verbazen, waar die menschen van bestaan,Zijn je weer eens bij je tante op de thee of zoo geweest,Zeker weer gezellig, schrijf eens of je Ma nog zooveel leest,Nare boeken anders tegenwoordig, en begrijp ik niet,Waar die treurigheid voor dient, er toch al genoeg verdriet,Vreeselijk die oorlog toch maar, kijken haast geen platen meer,Want de illustraties komen allemaal op hetzelfde neer,O, die Keizer, zeggen wij maar, die moest zelf maar dood, he, zeg,Weet je wat zoo goed voor kou is, warme kwast, de poes is weg,Gaan jelui wel eens naar Speenhoff, eenig vind ik hem, echt leuk,Morgen eten wij weer rolpens, zalig maar een erge reuk,’k Geloof je Ma — of was het Tini — die daar ook zoo veel van hield,Weer een staking in de krant, he, wat die menschen toch bezielt,Hier blijft alles bij ’t oude, Noep heeft blaren aan haar voet,Hadden laatst een paar visietjes, Uk studeert, hij maakt het goed,Zitten Zondags meestal voor, dan wordt er achter niet gestookt,Stoken cokes of kolen, vinden altijd anthraciet zoo rookt,’t Is wat met dat vrouwenkiesrecht, ja daar hoor je me wat van,Ik denk altijd maar, ik weet niet, maar een vrouw is toch geen man,Zit je dikwijls voor de glazen, hier komt bijna niets voorbij,Zondags gaat het, laatst een dame met precies zoo’n hoed als jij,Nu ik eindig, lieve Zus, ik meen haast ik geroepen word,Groet je Ma, ’k heb nu geen tijd meer, schrijf wat langer binnenkort.Een hartelijke zoen van je zoo liefhebbendeKIKI.

Lieve Zus, een enkel woordje met je jaardag, beste kind,Hartelijk geluk en hoop ik gij U allen wel bevindt,Schrijf toch eens hoe gij het maakt, het nieuwe huis bevalt U dat,Wat een weer toch tegenwoordig, elke dag zoo akelig nat,Houden hier veel meer van droge kou, en gaan haast niet meer uit,En uw broer zoo naar Chicago, zeker wel een heel besluit,Hoe maakt Mies het op de kostschool, heeft je Pa het nog zoo druk,Ik draag thuis voetvrije rokken, want die lange trap je stuk,Onze meid haar broer gaat trouwen, dat schijnt allemaal maar te gaan,Maar je moet je soms verbazen, waar die menschen van bestaan,Zijn je weer eens bij je tante op de thee of zoo geweest,Zeker weer gezellig, schrijf eens of je Ma nog zooveel leest,Nare boeken anders tegenwoordig, en begrijp ik niet,Waar die treurigheid voor dient, er toch al genoeg verdriet,Vreeselijk die oorlog toch maar, kijken haast geen platen meer,Want de illustraties komen allemaal op hetzelfde neer,O, die Keizer, zeggen wij maar, die moest zelf maar dood, he, zeg,Weet je wat zoo goed voor kou is, warme kwast, de poes is weg,Gaan jelui wel eens naar Speenhoff, eenig vind ik hem, echt leuk,Morgen eten wij weer rolpens, zalig maar een erge reuk,’k Geloof je Ma — of was het Tini — die daar ook zoo veel van hield,Weer een staking in de krant, he, wat die menschen toch bezielt,Hier blijft alles bij ’t oude, Noep heeft blaren aan haar voet,Hadden laatst een paar visietjes, Uk studeert, hij maakt het goed,Zitten Zondags meestal voor, dan wordt er achter niet gestookt,Stoken cokes of kolen, vinden altijd anthraciet zoo rookt,’t Is wat met dat vrouwenkiesrecht, ja daar hoor je me wat van,Ik denk altijd maar, ik weet niet, maar een vrouw is toch geen man,Zit je dikwijls voor de glazen, hier komt bijna niets voorbij,Zondags gaat het, laatst een dame met precies zoo’n hoed als jij,Nu ik eindig, lieve Zus, ik meen haast ik geroepen word,Groet je Ma, ’k heb nu geen tijd meer, schrijf wat langer binnenkort.

Lieve Zus, een enkel woordje met je jaardag, beste kind,

Hartelijk geluk en hoop ik gij U allen wel bevindt,

Schrijf toch eens hoe gij het maakt, het nieuwe huis bevalt U dat,

Wat een weer toch tegenwoordig, elke dag zoo akelig nat,

Houden hier veel meer van droge kou, en gaan haast niet meer uit,

En uw broer zoo naar Chicago, zeker wel een heel besluit,

Hoe maakt Mies het op de kostschool, heeft je Pa het nog zoo druk,

Ik draag thuis voetvrije rokken, want die lange trap je stuk,

Onze meid haar broer gaat trouwen, dat schijnt allemaal maar te gaan,

Maar je moet je soms verbazen, waar die menschen van bestaan,

Zijn je weer eens bij je tante op de thee of zoo geweest,

Zeker weer gezellig, schrijf eens of je Ma nog zooveel leest,

Nare boeken anders tegenwoordig, en begrijp ik niet,

Waar die treurigheid voor dient, er toch al genoeg verdriet,

Vreeselijk die oorlog toch maar, kijken haast geen platen meer,

Want de illustraties komen allemaal op hetzelfde neer,

O, die Keizer, zeggen wij maar, die moest zelf maar dood, he, zeg,

Weet je wat zoo goed voor kou is, warme kwast, de poes is weg,

Gaan jelui wel eens naar Speenhoff, eenig vind ik hem, echt leuk,

Morgen eten wij weer rolpens, zalig maar een erge reuk,

’k Geloof je Ma — of was het Tini — die daar ook zoo veel van hield,

Weer een staking in de krant, he, wat die menschen toch bezielt,

Hier blijft alles bij ’t oude, Noep heeft blaren aan haar voet,

Hadden laatst een paar visietjes, Uk studeert, hij maakt het goed,

Zitten Zondags meestal voor, dan wordt er achter niet gestookt,

Stoken cokes of kolen, vinden altijd anthraciet zoo rookt,

’t Is wat met dat vrouwenkiesrecht, ja daar hoor je me wat van,

Ik denk altijd maar, ik weet niet, maar een vrouw is toch geen man,

Zit je dikwijls voor de glazen, hier komt bijna niets voorbij,

Zondags gaat het, laatst een dame met precies zoo’n hoed als jij,

Nu ik eindig, lieve Zus, ik meen haast ik geroepen word,

Groet je Ma, ’k heb nu geen tijd meer, schrijf wat langer binnenkort.

Een hartelijke zoen van je zoo liefhebbendeKIKI.

Een hartelijke zoen van je zoo liefhebbende

KIKI.

Beklaag uw ongetrouwden vriendNiet om zijn eenzaam leven,Vooreerst, hij heeft, wat hij verdient!En dan, bedenk eens even:Hij heeft het rustig, vrank en vrij,Hij kent geen aardsche zorgen,Zijn leven vliet bedaard voorbij,Hij denkt niet aan den morgen.Neen. Wat ik heel wat erger vind,Een last! Om te bezwijken!Is, als hij bij zijn besten vrindDe baby moet bekijken.Daar staat de stakkerd. ’k Zie hem al,Te midden der vriendinnen.Hij weet niet wat hij zeggen zal —Hoe moet de hals beginnen?De dames kussen ’t kind om ’t langst,Hij weet niet hoe hij staan moet,Fixeert het wicht in doodlijk’ angst,Dat hij er ook nog aan moet.Hij kijkt, confuus, en ongerust,Naar ’t kind zijn natte lippies...Daar nadert tante Kee — zij kustHet op... zijn bloote bippies!Een oude nicht staat mal te doen,Ze blaast haar wangen bol op:„Mijn honkieponkie, nog een zoen!Ik ben er toch zoo dol op!Me bommekoppie, koekeloe,Dada, me dikkedijntje,Van kielekielekiekeboe,Trararietjes, trarijntje!M’n hikkepikkiesnuizepoes,M’n mollebollebokkie,M’n rikketikkierobbedoes,M’n kussemusse mokkie!Jou pruimepoetepietemis,Jou honneponnepippie,Jou krullebollekissebis,Jou poelekoelekippie!Waar issie dan, me pootepien?”— ’t Is of ze met ’r hond spreekt —Tot ze eensklaps ’t voetje — ’k heb ’t gezien! —Tot ’t enkeltje in d’r mond steekt!Nu komt het vreeslijkst oogenblik...Hij heeft het aan zien komen!Hij heeft er van gedroomd, met schrik,In vele, bange droomen:Hij krijgt het kind op schoot!!Jawel!Hij durft niet nee te zeggen,Ik zal er — zoo bedenkt hij snel —Wat kranten onder leggen......... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ......Te laat!! Hij roept de baker, wenkt...Hij weet niet wat hij ’t meest is,Boos, of beschaamd, als hij bedenktDathijook zoo geweest is!Ach, mag een schuchter woord misschienHet eind van dit betoog zijn...?Ik wil graag al je kind’ren zien,Maar niet — voordat ze droog zijn!

Beklaag uw ongetrouwden vriendNiet om zijn eenzaam leven,Vooreerst, hij heeft, wat hij verdient!En dan, bedenk eens even:Hij heeft het rustig, vrank en vrij,Hij kent geen aardsche zorgen,Zijn leven vliet bedaard voorbij,Hij denkt niet aan den morgen.Neen. Wat ik heel wat erger vind,Een last! Om te bezwijken!Is, als hij bij zijn besten vrindDe baby moet bekijken.Daar staat de stakkerd. ’k Zie hem al,Te midden der vriendinnen.Hij weet niet wat hij zeggen zal —Hoe moet de hals beginnen?De dames kussen ’t kind om ’t langst,Hij weet niet hoe hij staan moet,Fixeert het wicht in doodlijk’ angst,Dat hij er ook nog aan moet.Hij kijkt, confuus, en ongerust,Naar ’t kind zijn natte lippies...Daar nadert tante Kee — zij kustHet op... zijn bloote bippies!Een oude nicht staat mal te doen,Ze blaast haar wangen bol op:„Mijn honkieponkie, nog een zoen!Ik ben er toch zoo dol op!Me bommekoppie, koekeloe,Dada, me dikkedijntje,Van kielekielekiekeboe,Trararietjes, trarijntje!M’n hikkepikkiesnuizepoes,M’n mollebollebokkie,M’n rikketikkierobbedoes,M’n kussemusse mokkie!Jou pruimepoetepietemis,Jou honneponnepippie,Jou krullebollekissebis,Jou poelekoelekippie!Waar issie dan, me pootepien?”— ’t Is of ze met ’r hond spreekt —Tot ze eensklaps ’t voetje — ’k heb ’t gezien! —Tot ’t enkeltje in d’r mond steekt!Nu komt het vreeslijkst oogenblik...Hij heeft het aan zien komen!Hij heeft er van gedroomd, met schrik,In vele, bange droomen:Hij krijgt het kind op schoot!!Jawel!Hij durft niet nee te zeggen,Ik zal er — zoo bedenkt hij snel —Wat kranten onder leggen......... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ......Te laat!! Hij roept de baker, wenkt...Hij weet niet wat hij ’t meest is,Boos, of beschaamd, als hij bedenktDathijook zoo geweest is!Ach, mag een schuchter woord misschienHet eind van dit betoog zijn...?Ik wil graag al je kind’ren zien,Maar niet — voordat ze droog zijn!

Beklaag uw ongetrouwden vriendNiet om zijn eenzaam leven,Vooreerst, hij heeft, wat hij verdient!En dan, bedenk eens even:Hij heeft het rustig, vrank en vrij,Hij kent geen aardsche zorgen,Zijn leven vliet bedaard voorbij,Hij denkt niet aan den morgen.Neen. Wat ik heel wat erger vind,Een last! Om te bezwijken!Is, als hij bij zijn besten vrindDe baby moet bekijken.Daar staat de stakkerd. ’k Zie hem al,Te midden der vriendinnen.Hij weet niet wat hij zeggen zal —Hoe moet de hals beginnen?De dames kussen ’t kind om ’t langst,Hij weet niet hoe hij staan moet,Fixeert het wicht in doodlijk’ angst,Dat hij er ook nog aan moet.Hij kijkt, confuus, en ongerust,Naar ’t kind zijn natte lippies...Daar nadert tante Kee — zij kustHet op... zijn bloote bippies!Een oude nicht staat mal te doen,Ze blaast haar wangen bol op:„Mijn honkieponkie, nog een zoen!Ik ben er toch zoo dol op!Me bommekoppie, koekeloe,Dada, me dikkedijntje,Van kielekielekiekeboe,Trararietjes, trarijntje!M’n hikkepikkiesnuizepoes,M’n mollebollebokkie,M’n rikketikkierobbedoes,M’n kussemusse mokkie!Jou pruimepoetepietemis,Jou honneponnepippie,Jou krullebollekissebis,Jou poelekoelekippie!Waar issie dan, me pootepien?”— ’t Is of ze met ’r hond spreekt —Tot ze eensklaps ’t voetje — ’k heb ’t gezien! —Tot ’t enkeltje in d’r mond steekt!Nu komt het vreeslijkst oogenblik...Hij heeft het aan zien komen!Hij heeft er van gedroomd, met schrik,In vele, bange droomen:Hij krijgt het kind op schoot!!Jawel!Hij durft niet nee te zeggen,Ik zal er — zoo bedenkt hij snel —Wat kranten onder leggen......... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ......Te laat!! Hij roept de baker, wenkt...Hij weet niet wat hij ’t meest is,Boos, of beschaamd, als hij bedenktDathijook zoo geweest is!Ach, mag een schuchter woord misschienHet eind van dit betoog zijn...?Ik wil graag al je kind’ren zien,Maar niet — voordat ze droog zijn!

Beklaag uw ongetrouwden vriend

Niet om zijn eenzaam leven,

Vooreerst, hij heeft, wat hij verdient!

En dan, bedenk eens even:

Hij heeft het rustig, vrank en vrij,

Hij kent geen aardsche zorgen,

Zijn leven vliet bedaard voorbij,

Hij denkt niet aan den morgen.

Neen. Wat ik heel wat erger vind,

Een last! Om te bezwijken!

Is, als hij bij zijn besten vrind

De baby moet bekijken.

Daar staat de stakkerd. ’k Zie hem al,

Te midden der vriendinnen.

Hij weet niet wat hij zeggen zal —

Hoe moet de hals beginnen?

De dames kussen ’t kind om ’t langst,

Hij weet niet hoe hij staan moet,

Fixeert het wicht in doodlijk’ angst,

Dat hij er ook nog aan moet.

Hij kijkt, confuus, en ongerust,

Naar ’t kind zijn natte lippies...

Daar nadert tante Kee — zij kust

Het op... zijn bloote bippies!

Een oude nicht staat mal te doen,

Ze blaast haar wangen bol op:

„Mijn honkieponkie, nog een zoen!

Ik ben er toch zoo dol op!

Me bommekoppie, koekeloe,

Dada, me dikkedijntje,

Van kielekielekiekeboe,

Trararietjes, trarijntje!

M’n hikkepikkiesnuizepoes,

M’n mollebollebokkie,

M’n rikketikkierobbedoes,

M’n kussemusse mokkie!

Jou pruimepoetepietemis,

Jou honneponnepippie,

Jou krullebollekissebis,

Jou poelekoelekippie!

Waar issie dan, me pootepien?”

— ’t Is of ze met ’r hond spreekt —

Tot ze eensklaps ’t voetje — ’k heb ’t gezien! —

Tot ’t enkeltje in d’r mond steekt!

Nu komt het vreeslijkst oogenblik...

Hij heeft het aan zien komen!

Hij heeft er van gedroomd, met schrik,

In vele, bange droomen:

Hij krijgt het kind op schoot!!Jawel!

Hij durft niet nee te zeggen,

Ik zal er — zoo bedenkt hij snel —

Wat kranten onder leggen...

...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ......

Te laat!! Hij roept de baker, wenkt...

Hij weet niet wat hij ’t meest is,

Boos, of beschaamd, als hij bedenkt

Dathijook zoo geweest is!

Ach, mag een schuchter woord misschien

Het eind van dit betoog zijn...?

Ik wil graag al je kind’ren zien,

Maar niet — voordat ze droog zijn!

„Is life worth living?”

„Is life worth living?”

’t Zijn verschrikkelijke tijden,Die het Menschdom thans doorleeft,Fel geteisterd door een lijden,Als geen pen beschreven heeft,Nu de gansche wijde Waereld op zijn fundamenten beeft.Vrij bleef nog ons goede Holland,Dierbaarst plekje van onz’ aard!Vrij! Terwijl Europa dol an ’tRennen is, als ’t schichtig paard,Naar den afgrond van verderf en wee, in toomelooze vaart.Maar ook wij hebb’ onz’ ellende,Op de Vaderlandsche kust:Circulaires — und kein Ende —Laten je geen dag met rust,En bederven je je stemming en je lieve levenslust.Zit je ergens knus te babbelen,In een lunchroom of café,Op je krakeling te knabbelen,Bij je borrel of je thee,Dâlijk wor j’ omzwermd door kindren, en begint het „lijsten-wee.”Nergens kun je rustig loopen,In dit dierbaarst oord van d’ aard,Nu eens moet j’ een bloempje koopen,Dan weer prikken in een kaart,En je teekent, koopt, prikt, zuchtend: „Is het Leven ’t Leven waard?”Veel vernuftigs vond deze eeuw alUit — tot Last van ’t Algemeen,Maar het mooiste is de „Sneeuwbal,”Fraaier vondst bestaat er geen:Daarmee hinder jedriemenschen tegelijk, inplaats van één!Krijg ’k zoo’n brief, dien ’k af moet schrijven,Driemaal, meen ik haast zoowat,Dan probeer ik stil te blijvenZitten — net zoo als ik zat...En den termnietuit te spreken... ’n enkele keer gelukt me dat.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —Dankbaar, dat wij veilig bleven,Goôn! die ons genadig zijt!Zullen w’, u ter eere, geven,Blakend van liefdadigheid...Alsgijons verlost van prik- en sneeuwbal-lammenadigheid!

’t Zijn verschrikkelijke tijden,Die het Menschdom thans doorleeft,Fel geteisterd door een lijden,Als geen pen beschreven heeft,Nu de gansche wijde Waereld op zijn fundamenten beeft.Vrij bleef nog ons goede Holland,Dierbaarst plekje van onz’ aard!Vrij! Terwijl Europa dol an ’tRennen is, als ’t schichtig paard,Naar den afgrond van verderf en wee, in toomelooze vaart.Maar ook wij hebb’ onz’ ellende,Op de Vaderlandsche kust:Circulaires — und kein Ende —Laten je geen dag met rust,En bederven je je stemming en je lieve levenslust.Zit je ergens knus te babbelen,In een lunchroom of café,Op je krakeling te knabbelen,Bij je borrel of je thee,Dâlijk wor j’ omzwermd door kindren, en begint het „lijsten-wee.”Nergens kun je rustig loopen,In dit dierbaarst oord van d’ aard,Nu eens moet j’ een bloempje koopen,Dan weer prikken in een kaart,En je teekent, koopt, prikt, zuchtend: „Is het Leven ’t Leven waard?”Veel vernuftigs vond deze eeuw alUit — tot Last van ’t Algemeen,Maar het mooiste is de „Sneeuwbal,”Fraaier vondst bestaat er geen:Daarmee hinder jedriemenschen tegelijk, inplaats van één!Krijg ’k zoo’n brief, dien ’k af moet schrijven,Driemaal, meen ik haast zoowat,Dan probeer ik stil te blijvenZitten — net zoo als ik zat...En den termnietuit te spreken... ’n enkele keer gelukt me dat.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —Dankbaar, dat wij veilig bleven,Goôn! die ons genadig zijt!Zullen w’, u ter eere, geven,Blakend van liefdadigheid...Alsgijons verlost van prik- en sneeuwbal-lammenadigheid!

’t Zijn verschrikkelijke tijden,Die het Menschdom thans doorleeft,Fel geteisterd door een lijden,Als geen pen beschreven heeft,Nu de gansche wijde Waereld op zijn fundamenten beeft.

’t Zijn verschrikkelijke tijden,

Die het Menschdom thans doorleeft,

Fel geteisterd door een lijden,

Als geen pen beschreven heeft,

Nu de gansche wijde Waereld op zijn fundamenten beeft.

Vrij bleef nog ons goede Holland,Dierbaarst plekje van onz’ aard!Vrij! Terwijl Europa dol an ’tRennen is, als ’t schichtig paard,Naar den afgrond van verderf en wee, in toomelooze vaart.

Vrij bleef nog ons goede Holland,

Dierbaarst plekje van onz’ aard!

Vrij! Terwijl Europa dol an ’t

Rennen is, als ’t schichtig paard,

Naar den afgrond van verderf en wee, in toomelooze vaart.

Maar ook wij hebb’ onz’ ellende,Op de Vaderlandsche kust:Circulaires — und kein Ende —Laten je geen dag met rust,En bederven je je stemming en je lieve levenslust.

Maar ook wij hebb’ onz’ ellende,

Op de Vaderlandsche kust:

Circulaires — und kein Ende —

Laten je geen dag met rust,

En bederven je je stemming en je lieve levenslust.

Zit je ergens knus te babbelen,In een lunchroom of café,Op je krakeling te knabbelen,Bij je borrel of je thee,Dâlijk wor j’ omzwermd door kindren, en begint het „lijsten-wee.”

Zit je ergens knus te babbelen,

In een lunchroom of café,

Op je krakeling te knabbelen,

Bij je borrel of je thee,

Dâlijk wor j’ omzwermd door kindren, en begint het „lijsten-wee.”

Nergens kun je rustig loopen,In dit dierbaarst oord van d’ aard,Nu eens moet j’ een bloempje koopen,Dan weer prikken in een kaart,En je teekent, koopt, prikt, zuchtend: „Is het Leven ’t Leven waard?”

Nergens kun je rustig loopen,

In dit dierbaarst oord van d’ aard,

Nu eens moet j’ een bloempje koopen,

Dan weer prikken in een kaart,

En je teekent, koopt, prikt, zuchtend: „Is het Leven ’t Leven waard?”

Veel vernuftigs vond deze eeuw alUit — tot Last van ’t Algemeen,Maar het mooiste is de „Sneeuwbal,”Fraaier vondst bestaat er geen:Daarmee hinder jedriemenschen tegelijk, inplaats van één!

Veel vernuftigs vond deze eeuw al

Uit — tot Last van ’t Algemeen,

Maar het mooiste is de „Sneeuwbal,”

Fraaier vondst bestaat er geen:

Daarmee hinder jedriemenschen tegelijk, inplaats van één!

Krijg ’k zoo’n brief, dien ’k af moet schrijven,Driemaal, meen ik haast zoowat,Dan probeer ik stil te blijvenZitten — net zoo als ik zat...En den termnietuit te spreken... ’n enkele keer gelukt me dat.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —Dankbaar, dat wij veilig bleven,Goôn! die ons genadig zijt!Zullen w’, u ter eere, geven,Blakend van liefdadigheid...Alsgijons verlost van prik- en sneeuwbal-lammenadigheid!

Krijg ’k zoo’n brief, dien ’k af moet schrijven,

Driemaal, meen ik haast zoowat,

Dan probeer ik stil te blijven

Zitten — net zoo als ik zat...

En den termnietuit te spreken... ’n enkele keer gelukt me dat.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Dankbaar, dat wij veilig bleven,

Goôn! die ons genadig zijt!

Zullen w’, u ter eere, geven,

Blakend van liefdadigheid...

Alsgijons verlost van prik- en sneeuwbal-lammenadigheid!

„Brave landgenooten! Twee Koninginnedagen zonder lintjes!” (Tel.)

„Brave landgenooten! Twee Koninginnedagen zonder lintjes!” (Tel.)

Ik ben een man van beteekenis,Me dunkt dat dat nu wel gebleken is,Want Christelijke bladen vallen mij aan,En mijn hoofd heeft in de Groene gestaan.Nu kan het mij toch zoo verschrikkelijk verdrieten,Dat er nooit nog een lintje op over kon schieten,Zoodat ik aan iedereen duidelijk kon toonen:Ik ben een van Neerland’s verdienstelijke zonen!Want niemand zal mij daar het recht toe betwisten,Al ben ik — uit eerbied voor Christus — geen Christen.Wanneer je 25 jaar niets heel ergs gedaan hebt,Of aan ’t hoofd van iets, of onder iemand gestaan hebt,Of je bent van een heeleboel anderen de oudste,Of van de ongetrouwden de ongetrouwdste,Of je bent bij een vaderlandslievendheidsfeestSecretaris van de voorbereidingscommissie geweest,In één woord, als je je door burgerschapszin onderscheidt,Dan krijg je van zelf, vóór je ’t weet, op je tijdZoo’n verdienstelijkheidsstaatsburgerdeugden insigne,Zoo’n braafheids-diploma thuis — en dat verdien je.Dat hang je te pronk vlak vooraan op je borst,(Menigeen deed ’t ook aan zijn huisdeur, als hij maar dorst!)Ik kom tegenwoordig heel veel op de Witte,Daar zie ik dan tal van verdienstelijken zitte’,Die zwijgende zeggen, omdat ’k ze niet ken:„Je ziet, hoop ik, wel hoe verdienstelijk ik ben?” —Waarom kan ik ook tot zoo’n hoogte niet stijgen?O, mocht toch ook ik eens zoo’n deugdbewijs krijgen,Dan zweer ik je dat je mijn eerelintOp elk exemplaar van mijn kleere’ vindt:Op rok, op smoking, op pandjes-jas,(Die nu, zoo als ik verlede’ las,Het rokcostuum overdag vervangt)’k Zorg verder ook dat dat gevalletje hangt,Op mijn bruine, en op mijn blauwe colbert,Daar komt het op uit en het schittert van ver,Dan zul j’ ’m nog zien ook, de eeremedailleOp me kamerjapon, ja zeker, dat zal je,En ook op mijn grijsruiten zomercostuum,Ja zelfs op mijn tenniscolbertje ziet u ’m,Want ’k ben er toch eigenlijk wel op gesteld,Dat ook op het groenende tennisveldDie zwijgend’ maar duidelijke lintjes-stemDe sportwereld toeroept met kracht en klem,In kleurengeluiden hard en schel:„Ik ben zoo verdienstelijk, dat zie je toch wel?”En ’t herfstweder zal mij niet kunnen weerhouden,Al ben ik betrekkelijk ook heel gauw verkouden,Om mijn overjas, als het maar eenigszins kan,Op straat voor den gaanden en komenden manZoo open te dragen: dan hoort hij al dalijkAls ’t ware een stemme: „U neemt me niet kwalijk,Maar u dacht toch niet, dat ik niet verdienstelijk was?Je kijkt niet goed, lummel, hier onder mijn jas!”Ja, ga ik uit baden in ’t ziltige nat,Dan staan daar de dagjeslui uit de stad,In Zondagsch tenu, allerfijnst, allerchicst,Te kijken naar ’t ploeteren in zee, in ’t bain mixte.Die menschen nu dienen toch ook wel te weten,Hoe verdienstelijk ik ben, en ik zal niet vergeten,Mijn lintje op mijn zwembroek te spelden, op zij,Met een veiligheidsspeldje, schuinsch-links, bij mijn dij.... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...Ach, konden de lintjes zich uiten in woorden,Dan wed ik wat, dat we heel duidelijk hoorden:„Mijn baas is verdienstelijk, verkondigt het luid:Verdienstlijk, en tevens, — een ijdeltuit!”

Ik ben een man van beteekenis,Me dunkt dat dat nu wel gebleken is,Want Christelijke bladen vallen mij aan,En mijn hoofd heeft in de Groene gestaan.Nu kan het mij toch zoo verschrikkelijk verdrieten,Dat er nooit nog een lintje op over kon schieten,Zoodat ik aan iedereen duidelijk kon toonen:Ik ben een van Neerland’s verdienstelijke zonen!Want niemand zal mij daar het recht toe betwisten,Al ben ik — uit eerbied voor Christus — geen Christen.Wanneer je 25 jaar niets heel ergs gedaan hebt,Of aan ’t hoofd van iets, of onder iemand gestaan hebt,Of je bent van een heeleboel anderen de oudste,Of van de ongetrouwden de ongetrouwdste,Of je bent bij een vaderlandslievendheidsfeestSecretaris van de voorbereidingscommissie geweest,In één woord, als je je door burgerschapszin onderscheidt,Dan krijg je van zelf, vóór je ’t weet, op je tijdZoo’n verdienstelijkheidsstaatsburgerdeugden insigne,Zoo’n braafheids-diploma thuis — en dat verdien je.Dat hang je te pronk vlak vooraan op je borst,(Menigeen deed ’t ook aan zijn huisdeur, als hij maar dorst!)Ik kom tegenwoordig heel veel op de Witte,Daar zie ik dan tal van verdienstelijken zitte’,Die zwijgende zeggen, omdat ’k ze niet ken:„Je ziet, hoop ik, wel hoe verdienstelijk ik ben?” —Waarom kan ik ook tot zoo’n hoogte niet stijgen?O, mocht toch ook ik eens zoo’n deugdbewijs krijgen,Dan zweer ik je dat je mijn eerelintOp elk exemplaar van mijn kleere’ vindt:Op rok, op smoking, op pandjes-jas,(Die nu, zoo als ik verlede’ las,Het rokcostuum overdag vervangt)’k Zorg verder ook dat dat gevalletje hangt,Op mijn bruine, en op mijn blauwe colbert,Daar komt het op uit en het schittert van ver,Dan zul j’ ’m nog zien ook, de eeremedailleOp me kamerjapon, ja zeker, dat zal je,En ook op mijn grijsruiten zomercostuum,Ja zelfs op mijn tenniscolbertje ziet u ’m,Want ’k ben er toch eigenlijk wel op gesteld,Dat ook op het groenende tennisveldDie zwijgend’ maar duidelijke lintjes-stemDe sportwereld toeroept met kracht en klem,In kleurengeluiden hard en schel:„Ik ben zoo verdienstelijk, dat zie je toch wel?”En ’t herfstweder zal mij niet kunnen weerhouden,Al ben ik betrekkelijk ook heel gauw verkouden,Om mijn overjas, als het maar eenigszins kan,Op straat voor den gaanden en komenden manZoo open te dragen: dan hoort hij al dalijkAls ’t ware een stemme: „U neemt me niet kwalijk,Maar u dacht toch niet, dat ik niet verdienstelijk was?Je kijkt niet goed, lummel, hier onder mijn jas!”Ja, ga ik uit baden in ’t ziltige nat,Dan staan daar de dagjeslui uit de stad,In Zondagsch tenu, allerfijnst, allerchicst,Te kijken naar ’t ploeteren in zee, in ’t bain mixte.Die menschen nu dienen toch ook wel te weten,Hoe verdienstelijk ik ben, en ik zal niet vergeten,Mijn lintje op mijn zwembroek te spelden, op zij,Met een veiligheidsspeldje, schuinsch-links, bij mijn dij.... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...Ach, konden de lintjes zich uiten in woorden,Dan wed ik wat, dat we heel duidelijk hoorden:„Mijn baas is verdienstelijk, verkondigt het luid:Verdienstlijk, en tevens, — een ijdeltuit!”

Ik ben een man van beteekenis,Me dunkt dat dat nu wel gebleken is,Want Christelijke bladen vallen mij aan,En mijn hoofd heeft in de Groene gestaan.Nu kan het mij toch zoo verschrikkelijk verdrieten,Dat er nooit nog een lintje op over kon schieten,Zoodat ik aan iedereen duidelijk kon toonen:Ik ben een van Neerland’s verdienstelijke zonen!Want niemand zal mij daar het recht toe betwisten,Al ben ik — uit eerbied voor Christus — geen Christen.Wanneer je 25 jaar niets heel ergs gedaan hebt,Of aan ’t hoofd van iets, of onder iemand gestaan hebt,Of je bent van een heeleboel anderen de oudste,Of van de ongetrouwden de ongetrouwdste,Of je bent bij een vaderlandslievendheidsfeestSecretaris van de voorbereidingscommissie geweest,In één woord, als je je door burgerschapszin onderscheidt,Dan krijg je van zelf, vóór je ’t weet, op je tijdZoo’n verdienstelijkheidsstaatsburgerdeugden insigne,Zoo’n braafheids-diploma thuis — en dat verdien je.Dat hang je te pronk vlak vooraan op je borst,(Menigeen deed ’t ook aan zijn huisdeur, als hij maar dorst!)Ik kom tegenwoordig heel veel op de Witte,Daar zie ik dan tal van verdienstelijken zitte’,Die zwijgende zeggen, omdat ’k ze niet ken:„Je ziet, hoop ik, wel hoe verdienstelijk ik ben?” —Waarom kan ik ook tot zoo’n hoogte niet stijgen?O, mocht toch ook ik eens zoo’n deugdbewijs krijgen,Dan zweer ik je dat je mijn eerelintOp elk exemplaar van mijn kleere’ vindt:Op rok, op smoking, op pandjes-jas,(Die nu, zoo als ik verlede’ las,Het rokcostuum overdag vervangt)’k Zorg verder ook dat dat gevalletje hangt,Op mijn bruine, en op mijn blauwe colbert,Daar komt het op uit en het schittert van ver,Dan zul j’ ’m nog zien ook, de eeremedailleOp me kamerjapon, ja zeker, dat zal je,En ook op mijn grijsruiten zomercostuum,Ja zelfs op mijn tenniscolbertje ziet u ’m,Want ’k ben er toch eigenlijk wel op gesteld,Dat ook op het groenende tennisveldDie zwijgend’ maar duidelijke lintjes-stemDe sportwereld toeroept met kracht en klem,In kleurengeluiden hard en schel:„Ik ben zoo verdienstelijk, dat zie je toch wel?”En ’t herfstweder zal mij niet kunnen weerhouden,Al ben ik betrekkelijk ook heel gauw verkouden,Om mijn overjas, als het maar eenigszins kan,Op straat voor den gaanden en komenden manZoo open te dragen: dan hoort hij al dalijkAls ’t ware een stemme: „U neemt me niet kwalijk,Maar u dacht toch niet, dat ik niet verdienstelijk was?Je kijkt niet goed, lummel, hier onder mijn jas!”Ja, ga ik uit baden in ’t ziltige nat,Dan staan daar de dagjeslui uit de stad,In Zondagsch tenu, allerfijnst, allerchicst,Te kijken naar ’t ploeteren in zee, in ’t bain mixte.Die menschen nu dienen toch ook wel te weten,Hoe verdienstelijk ik ben, en ik zal niet vergeten,Mijn lintje op mijn zwembroek te spelden, op zij,Met een veiligheidsspeldje, schuinsch-links, bij mijn dij.... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...Ach, konden de lintjes zich uiten in woorden,Dan wed ik wat, dat we heel duidelijk hoorden:„Mijn baas is verdienstelijk, verkondigt het luid:Verdienstlijk, en tevens, — een ijdeltuit!”

Ik ben een man van beteekenis,

Me dunkt dat dat nu wel gebleken is,

Want Christelijke bladen vallen mij aan,

En mijn hoofd heeft in de Groene gestaan.

Nu kan het mij toch zoo verschrikkelijk verdrieten,

Dat er nooit nog een lintje op over kon schieten,

Zoodat ik aan iedereen duidelijk kon toonen:

Ik ben een van Neerland’s verdienstelijke zonen!

Want niemand zal mij daar het recht toe betwisten,

Al ben ik — uit eerbied voor Christus — geen Christen.

Wanneer je 25 jaar niets heel ergs gedaan hebt,

Of aan ’t hoofd van iets, of onder iemand gestaan hebt,

Of je bent van een heeleboel anderen de oudste,

Of van de ongetrouwden de ongetrouwdste,

Of je bent bij een vaderlandslievendheidsfeest

Secretaris van de voorbereidingscommissie geweest,

In één woord, als je je door burgerschapszin onderscheidt,

Dan krijg je van zelf, vóór je ’t weet, op je tijd

Zoo’n verdienstelijkheidsstaatsburgerdeugden insigne,

Zoo’n braafheids-diploma thuis — en dat verdien je.

Dat hang je te pronk vlak vooraan op je borst,

(Menigeen deed ’t ook aan zijn huisdeur, als hij maar dorst!)

Ik kom tegenwoordig heel veel op de Witte,

Daar zie ik dan tal van verdienstelijken zitte’,

Die zwijgende zeggen, omdat ’k ze niet ken:

„Je ziet, hoop ik, wel hoe verdienstelijk ik ben?” —

Waarom kan ik ook tot zoo’n hoogte niet stijgen?

O, mocht toch ook ik eens zoo’n deugdbewijs krijgen,

Dan zweer ik je dat je mijn eerelint

Op elk exemplaar van mijn kleere’ vindt:

Op rok, op smoking, op pandjes-jas,

(Die nu, zoo als ik verlede’ las,

Het rokcostuum overdag vervangt)

’k Zorg verder ook dat dat gevalletje hangt,

Op mijn bruine, en op mijn blauwe colbert,

Daar komt het op uit en het schittert van ver,

Dan zul j’ ’m nog zien ook, de eeremedaille

Op me kamerjapon, ja zeker, dat zal je,

En ook op mijn grijsruiten zomercostuum,

Ja zelfs op mijn tenniscolbertje ziet u ’m,

Want ’k ben er toch eigenlijk wel op gesteld,

Dat ook op het groenende tennisveld

Die zwijgend’ maar duidelijke lintjes-stem

De sportwereld toeroept met kracht en klem,

In kleurengeluiden hard en schel:

„Ik ben zoo verdienstelijk, dat zie je toch wel?”

En ’t herfstweder zal mij niet kunnen weerhouden,

Al ben ik betrekkelijk ook heel gauw verkouden,

Om mijn overjas, als het maar eenigszins kan,

Op straat voor den gaanden en komenden man

Zoo open te dragen: dan hoort hij al dalijk

Als ’t ware een stemme: „U neemt me niet kwalijk,

Maar u dacht toch niet, dat ik niet verdienstelijk was?

Je kijkt niet goed, lummel, hier onder mijn jas!”

Ja, ga ik uit baden in ’t ziltige nat,

Dan staan daar de dagjeslui uit de stad,

In Zondagsch tenu, allerfijnst, allerchicst,

Te kijken naar ’t ploeteren in zee, in ’t bain mixte.

Die menschen nu dienen toch ook wel te weten,

Hoe verdienstelijk ik ben, en ik zal niet vergeten,

Mijn lintje op mijn zwembroek te spelden, op zij,

Met een veiligheidsspeldje, schuinsch-links, bij mijn dij.

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

Ach, konden de lintjes zich uiten in woorden,

Dan wed ik wat, dat we heel duidelijk hoorden:

„Mijn baas is verdienstelijk, verkondigt het luid:

Verdienstlijk, en tevens, — een ijdeltuit!”

„Deze dame was jaren lang aangeslagen naar een vermogen van ƒ 25.000. Toen zij stierf liet zij een vermogen na van 8 millioen.” Belasting-discussies.

„Deze dame was jaren lang aangeslagen naar een vermogen van ƒ 25.000. Toen zij stierf liet zij een vermogen na van 8 millioen.” Belasting-discussies.

Ik ben een net mensch, en ik houd niet van liegen,Ik zie in onwaarheid, in draaien, bedriegen,Iets schandlijks, en soms iets gevaarlijks;Maar als ik moest liegen omtrent mijn vermogen,Dan heb ik mijn leven lang altijd bedrogen,Dan lieg en bedrieg ik nog jaarlijks.Oprechtheid en eerlijkheid, waarheid is heilig!Bij mij zijn je geld en je goederen veilig,Bij mij vliegt er niemand „gemeen in;”Maar vragen douanen me naar mijn sigaren,Dan lieg ik met smaak om wat geld uit te sparen,Och nee, zeg, daar zie ik zoo geen been in.Ik geef ook het voorbeeld aan vrouw en aan kindren,Ik houd het hun voor, en ik leer het mijn mindren,Dat waarheid mijn Leidstar, mijn Bruid is;Maar „Jaantje, meid, luister. Dit is mijn verlangen:Zeg nooit, als men komt: „meneer kan niet ontvangen,”Zeg altijd, Jaan, „dat meneer uit is.”O, wees toch oprecht, mijn lief tienjarig zoontje,Kastanjebruin kind, met je blozende koontje,En een aartje (goddank!) naar je vaârtje!O, blikk’ uit uw oog slechts de waarheid ons tegen...Maar denk er om, Jan, in den trein ben je negen,Dat scheelt me de helft in je kaartje.Op school was ik altijd een eerlijke jongen,Ik maakte wel eens, wat men noemt: kromme sprongen,Een jongen die doet wel eens méér raar!Maar niemand kon m’ ooit op een leugen betrappen,’k Was eerlijk als goud hoor! — maarals’k ’t ’m kon lappen,Bedroog ik geregeld den leeraar.We maakten er grappen op, soms om te gieren!We noemden het „smokkelen,” „spieken” of „spieren,”Ik placht mij er op te beroemen.Toen heb ik geleerd wat de menschen bedoelenMet „eerlijkheid”; dit (maar zoo iets moet je voelen):Wat nette lui eerlijkheid noemen.Wanneer ik zoo lees in de krant, hoe ze stelen,En oplichten, knoeien, vervalschen en helen,Je snapt, hoe ik dankbaar en blij ben,Datikniet zoo slecht ben, dat eerlijk mijn handel,Dat rein mijn geweten is, vlekloos mijn wandel...Goddank, dat ik niet zoo als zij ben!

Ik ben een net mensch, en ik houd niet van liegen,Ik zie in onwaarheid, in draaien, bedriegen,Iets schandlijks, en soms iets gevaarlijks;Maar als ik moest liegen omtrent mijn vermogen,Dan heb ik mijn leven lang altijd bedrogen,Dan lieg en bedrieg ik nog jaarlijks.Oprechtheid en eerlijkheid, waarheid is heilig!Bij mij zijn je geld en je goederen veilig,Bij mij vliegt er niemand „gemeen in;”Maar vragen douanen me naar mijn sigaren,Dan lieg ik met smaak om wat geld uit te sparen,Och nee, zeg, daar zie ik zoo geen been in.Ik geef ook het voorbeeld aan vrouw en aan kindren,Ik houd het hun voor, en ik leer het mijn mindren,Dat waarheid mijn Leidstar, mijn Bruid is;Maar „Jaantje, meid, luister. Dit is mijn verlangen:Zeg nooit, als men komt: „meneer kan niet ontvangen,”Zeg altijd, Jaan, „dat meneer uit is.”O, wees toch oprecht, mijn lief tienjarig zoontje,Kastanjebruin kind, met je blozende koontje,En een aartje (goddank!) naar je vaârtje!O, blikk’ uit uw oog slechts de waarheid ons tegen...Maar denk er om, Jan, in den trein ben je negen,Dat scheelt me de helft in je kaartje.Op school was ik altijd een eerlijke jongen,Ik maakte wel eens, wat men noemt: kromme sprongen,Een jongen die doet wel eens méér raar!Maar niemand kon m’ ooit op een leugen betrappen,’k Was eerlijk als goud hoor! — maarals’k ’t ’m kon lappen,Bedroog ik geregeld den leeraar.We maakten er grappen op, soms om te gieren!We noemden het „smokkelen,” „spieken” of „spieren,”Ik placht mij er op te beroemen.Toen heb ik geleerd wat de menschen bedoelenMet „eerlijkheid”; dit (maar zoo iets moet je voelen):Wat nette lui eerlijkheid noemen.Wanneer ik zoo lees in de krant, hoe ze stelen,En oplichten, knoeien, vervalschen en helen,Je snapt, hoe ik dankbaar en blij ben,Datikniet zoo slecht ben, dat eerlijk mijn handel,Dat rein mijn geweten is, vlekloos mijn wandel...Goddank, dat ik niet zoo als zij ben!

Ik ben een net mensch, en ik houd niet van liegen,Ik zie in onwaarheid, in draaien, bedriegen,Iets schandlijks, en soms iets gevaarlijks;Maar als ik moest liegen omtrent mijn vermogen,Dan heb ik mijn leven lang altijd bedrogen,Dan lieg en bedrieg ik nog jaarlijks.

Ik ben een net mensch, en ik houd niet van liegen,

Ik zie in onwaarheid, in draaien, bedriegen,

Iets schandlijks, en soms iets gevaarlijks;

Maar als ik moest liegen omtrent mijn vermogen,

Dan heb ik mijn leven lang altijd bedrogen,

Dan lieg en bedrieg ik nog jaarlijks.

Oprechtheid en eerlijkheid, waarheid is heilig!Bij mij zijn je geld en je goederen veilig,Bij mij vliegt er niemand „gemeen in;”Maar vragen douanen me naar mijn sigaren,Dan lieg ik met smaak om wat geld uit te sparen,Och nee, zeg, daar zie ik zoo geen been in.

Oprechtheid en eerlijkheid, waarheid is heilig!

Bij mij zijn je geld en je goederen veilig,

Bij mij vliegt er niemand „gemeen in;”

Maar vragen douanen me naar mijn sigaren,

Dan lieg ik met smaak om wat geld uit te sparen,

Och nee, zeg, daar zie ik zoo geen been in.

Ik geef ook het voorbeeld aan vrouw en aan kindren,Ik houd het hun voor, en ik leer het mijn mindren,Dat waarheid mijn Leidstar, mijn Bruid is;Maar „Jaantje, meid, luister. Dit is mijn verlangen:Zeg nooit, als men komt: „meneer kan niet ontvangen,”Zeg altijd, Jaan, „dat meneer uit is.”

Ik geef ook het voorbeeld aan vrouw en aan kindren,

Ik houd het hun voor, en ik leer het mijn mindren,

Dat waarheid mijn Leidstar, mijn Bruid is;

Maar „Jaantje, meid, luister. Dit is mijn verlangen:

Zeg nooit, als men komt: „meneer kan niet ontvangen,”

Zeg altijd, Jaan, „dat meneer uit is.”

O, wees toch oprecht, mijn lief tienjarig zoontje,Kastanjebruin kind, met je blozende koontje,En een aartje (goddank!) naar je vaârtje!O, blikk’ uit uw oog slechts de waarheid ons tegen...Maar denk er om, Jan, in den trein ben je negen,Dat scheelt me de helft in je kaartje.

O, wees toch oprecht, mijn lief tienjarig zoontje,

Kastanjebruin kind, met je blozende koontje,

En een aartje (goddank!) naar je vaârtje!

O, blikk’ uit uw oog slechts de waarheid ons tegen...

Maar denk er om, Jan, in den trein ben je negen,

Dat scheelt me de helft in je kaartje.

Op school was ik altijd een eerlijke jongen,Ik maakte wel eens, wat men noemt: kromme sprongen,Een jongen die doet wel eens méér raar!Maar niemand kon m’ ooit op een leugen betrappen,’k Was eerlijk als goud hoor! — maarals’k ’t ’m kon lappen,Bedroog ik geregeld den leeraar.

Op school was ik altijd een eerlijke jongen,

Ik maakte wel eens, wat men noemt: kromme sprongen,

Een jongen die doet wel eens méér raar!

Maar niemand kon m’ ooit op een leugen betrappen,

’k Was eerlijk als goud hoor! — maarals’k ’t ’m kon lappen,

Bedroog ik geregeld den leeraar.

We maakten er grappen op, soms om te gieren!We noemden het „smokkelen,” „spieken” of „spieren,”Ik placht mij er op te beroemen.Toen heb ik geleerd wat de menschen bedoelenMet „eerlijkheid”; dit (maar zoo iets moet je voelen):Wat nette lui eerlijkheid noemen.

We maakten er grappen op, soms om te gieren!

We noemden het „smokkelen,” „spieken” of „spieren,”

Ik placht mij er op te beroemen.

Toen heb ik geleerd wat de menschen bedoelen

Met „eerlijkheid”; dit (maar zoo iets moet je voelen):

Wat nette lui eerlijkheid noemen.

Wanneer ik zoo lees in de krant, hoe ze stelen,En oplichten, knoeien, vervalschen en helen,Je snapt, hoe ik dankbaar en blij ben,Datikniet zoo slecht ben, dat eerlijk mijn handel,Dat rein mijn geweten is, vlekloos mijn wandel...Goddank, dat ik niet zoo als zij ben!

Wanneer ik zoo lees in de krant, hoe ze stelen,

En oplichten, knoeien, vervalschen en helen,

Je snapt, hoe ik dankbaar en blij ben,

Datikniet zoo slecht ben, dat eerlijk mijn handel,

Dat rein mijn geweten is, vlekloos mijn wandel...

Goddank, dat ik niet zoo als zij ben!

Daar zitten de zielige stakkers,Verschillend in rang en stand,Ze voelen zich broeders en makkers,Vereend door een spookigen band.’t Begint met het Largo van Händel,Dat maakt ze wat melig en makDan zijn ze goed gaar voor den zwendel,En steek je ze zóó in je zak.Het medium neemt ze in ’t ootje;Eerst werkt hij wat op d’r gemoed,Dan schetst hij ’t gezicht van je grootje,Hij raadt het — en soms raadt hij goed.Hij raadt uit een kam of een kaartjeOf de doode dik, lang was, of kort,Uit een mes of de scheê van een schaartje,Of hij veel aan muziek deed, of sport.„Ik voel zoo iets,” kreunt hij, „alswater;Zwom de doode veel? — Komt dat niet uit?”„„Neen!”” roept men. — „Enfin,” zegt hij, „laterDan merk je wel wat het beduidt.”„De neus van je nicht was gebogen.”„„Kaarsrecht!”” roept de neef, „„Ben je dwaas?””„Best,” zegt hij, „dan hè ’k me bedrogen;Dat komt zóó: ik zag d’ren face.”„Het kind, dat dit schoentj’ heeft gedragen...Wat babbelde ’t lief! Heel den dag!”„„Ons kind was doofstom,”” hoor ik klagen,Toen verging mij de lust tot een lach.Dan, plotseling, doet hij je schrikken,„Een Geest!!!... ’k Kan ’m duidelijk zien!!Ik zie ’m — met mijn geestlijke blikken...Dáár!!! Stalles, rij 6, no. 10!!”O, zie dat morbide verlangen,Dat hunkren naar griezel en schrik!Dien koortsigen blos op hun wangen,Dien glazigen glans in den blik!Ze zweven naar hemelsche oordenOp vleuglen van klank en van taal,Van wondere, wazige woorden,Als „fluïdum”, „karma”, „astraal”.Naar Liefde, naar Schoonheid te streven,Naar Kunst — alles is hun te laf —Ze zijn niet tevreê met het leven,’t Bestaan, zooals God het hun gaf.Zóó smacht naar de zonne de zieke,Hij haakt, en hij hoopt en gelooft —Zóó snakken zij naar het Mystieke,Dat de zinnen bedwelmt en verdooft.Rubini — die wist ze te boeien!’t Was phenomenaal wat hij deed;En hoe deed Tagore z’ ontgloeien,Zacht zingend, als Boeddha verkleed.Ze hebben hun godsdienst verloren,Hun ziel is verslaafd aan den soes —Bij Peters, Rubini, TagoreDaar vinden ze rust in een roes.

Daar zitten de zielige stakkers,Verschillend in rang en stand,Ze voelen zich broeders en makkers,Vereend door een spookigen band.’t Begint met het Largo van Händel,Dat maakt ze wat melig en makDan zijn ze goed gaar voor den zwendel,En steek je ze zóó in je zak.Het medium neemt ze in ’t ootje;Eerst werkt hij wat op d’r gemoed,Dan schetst hij ’t gezicht van je grootje,Hij raadt het — en soms raadt hij goed.Hij raadt uit een kam of een kaartjeOf de doode dik, lang was, of kort,Uit een mes of de scheê van een schaartje,Of hij veel aan muziek deed, of sport.„Ik voel zoo iets,” kreunt hij, „alswater;Zwom de doode veel? — Komt dat niet uit?”„„Neen!”” roept men. — „Enfin,” zegt hij, „laterDan merk je wel wat het beduidt.”„De neus van je nicht was gebogen.”„„Kaarsrecht!”” roept de neef, „„Ben je dwaas?””„Best,” zegt hij, „dan hè ’k me bedrogen;Dat komt zóó: ik zag d’ren face.”„Het kind, dat dit schoentj’ heeft gedragen...Wat babbelde ’t lief! Heel den dag!”„„Ons kind was doofstom,”” hoor ik klagen,Toen verging mij de lust tot een lach.Dan, plotseling, doet hij je schrikken,„Een Geest!!!... ’k Kan ’m duidelijk zien!!Ik zie ’m — met mijn geestlijke blikken...Dáár!!! Stalles, rij 6, no. 10!!”O, zie dat morbide verlangen,Dat hunkren naar griezel en schrik!Dien koortsigen blos op hun wangen,Dien glazigen glans in den blik!Ze zweven naar hemelsche oordenOp vleuglen van klank en van taal,Van wondere, wazige woorden,Als „fluïdum”, „karma”, „astraal”.Naar Liefde, naar Schoonheid te streven,Naar Kunst — alles is hun te laf —Ze zijn niet tevreê met het leven,’t Bestaan, zooals God het hun gaf.Zóó smacht naar de zonne de zieke,Hij haakt, en hij hoopt en gelooft —Zóó snakken zij naar het Mystieke,Dat de zinnen bedwelmt en verdooft.Rubini — die wist ze te boeien!’t Was phenomenaal wat hij deed;En hoe deed Tagore z’ ontgloeien,Zacht zingend, als Boeddha verkleed.Ze hebben hun godsdienst verloren,Hun ziel is verslaafd aan den soes —Bij Peters, Rubini, TagoreDaar vinden ze rust in een roes.

Daar zitten de zielige stakkers,Verschillend in rang en stand,Ze voelen zich broeders en makkers,Vereend door een spookigen band.

Daar zitten de zielige stakkers,

Verschillend in rang en stand,

Ze voelen zich broeders en makkers,

Vereend door een spookigen band.

’t Begint met het Largo van Händel,Dat maakt ze wat melig en makDan zijn ze goed gaar voor den zwendel,En steek je ze zóó in je zak.

’t Begint met het Largo van Händel,

Dat maakt ze wat melig en mak

Dan zijn ze goed gaar voor den zwendel,

En steek je ze zóó in je zak.

Het medium neemt ze in ’t ootje;Eerst werkt hij wat op d’r gemoed,Dan schetst hij ’t gezicht van je grootje,Hij raadt het — en soms raadt hij goed.

Het medium neemt ze in ’t ootje;

Eerst werkt hij wat op d’r gemoed,

Dan schetst hij ’t gezicht van je grootje,

Hij raadt het — en soms raadt hij goed.

Hij raadt uit een kam of een kaartjeOf de doode dik, lang was, of kort,Uit een mes of de scheê van een schaartje,Of hij veel aan muziek deed, of sport.

Hij raadt uit een kam of een kaartje

Of de doode dik, lang was, of kort,

Uit een mes of de scheê van een schaartje,

Of hij veel aan muziek deed, of sport.

„Ik voel zoo iets,” kreunt hij, „alswater;Zwom de doode veel? — Komt dat niet uit?”„„Neen!”” roept men. — „Enfin,” zegt hij, „laterDan merk je wel wat het beduidt.”

„Ik voel zoo iets,” kreunt hij, „alswater;

Zwom de doode veel? — Komt dat niet uit?”

„„Neen!”” roept men. — „Enfin,” zegt hij, „later

Dan merk je wel wat het beduidt.”

„De neus van je nicht was gebogen.”„„Kaarsrecht!”” roept de neef, „„Ben je dwaas?””„Best,” zegt hij, „dan hè ’k me bedrogen;Dat komt zóó: ik zag d’ren face.”

„De neus van je nicht was gebogen.”

„„Kaarsrecht!”” roept de neef, „„Ben je dwaas?””

„Best,” zegt hij, „dan hè ’k me bedrogen;

Dat komt zóó: ik zag d’ren face.”

„Het kind, dat dit schoentj’ heeft gedragen...Wat babbelde ’t lief! Heel den dag!”„„Ons kind was doofstom,”” hoor ik klagen,Toen verging mij de lust tot een lach.

„Het kind, dat dit schoentj’ heeft gedragen...

Wat babbelde ’t lief! Heel den dag!”

„„Ons kind was doofstom,”” hoor ik klagen,

Toen verging mij de lust tot een lach.

Dan, plotseling, doet hij je schrikken,„Een Geest!!!... ’k Kan ’m duidelijk zien!!Ik zie ’m — met mijn geestlijke blikken...Dáár!!! Stalles, rij 6, no. 10!!”

Dan, plotseling, doet hij je schrikken,

„Een Geest!!!... ’k Kan ’m duidelijk zien!!

Ik zie ’m — met mijn geestlijke blikken...

Dáár!!! Stalles, rij 6, no. 10!!”

O, zie dat morbide verlangen,Dat hunkren naar griezel en schrik!Dien koortsigen blos op hun wangen,Dien glazigen glans in den blik!

O, zie dat morbide verlangen,

Dat hunkren naar griezel en schrik!

Dien koortsigen blos op hun wangen,

Dien glazigen glans in den blik!

Ze zweven naar hemelsche oordenOp vleuglen van klank en van taal,Van wondere, wazige woorden,Als „fluïdum”, „karma”, „astraal”.

Ze zweven naar hemelsche oorden

Op vleuglen van klank en van taal,

Van wondere, wazige woorden,

Als „fluïdum”, „karma”, „astraal”.

Naar Liefde, naar Schoonheid te streven,Naar Kunst — alles is hun te laf —Ze zijn niet tevreê met het leven,’t Bestaan, zooals God het hun gaf.

Naar Liefde, naar Schoonheid te streven,

Naar Kunst — alles is hun te laf —

Ze zijn niet tevreê met het leven,

’t Bestaan, zooals God het hun gaf.

Zóó smacht naar de zonne de zieke,Hij haakt, en hij hoopt en gelooft —Zóó snakken zij naar het Mystieke,Dat de zinnen bedwelmt en verdooft.

Zóó smacht naar de zonne de zieke,

Hij haakt, en hij hoopt en gelooft —

Zóó snakken zij naar het Mystieke,

Dat de zinnen bedwelmt en verdooft.

Rubini — die wist ze te boeien!’t Was phenomenaal wat hij deed;En hoe deed Tagore z’ ontgloeien,Zacht zingend, als Boeddha verkleed.

Rubini — die wist ze te boeien!

’t Was phenomenaal wat hij deed;

En hoe deed Tagore z’ ontgloeien,

Zacht zingend, als Boeddha verkleed.

Ze hebben hun godsdienst verloren,Hun ziel is verslaafd aan den soes —Bij Peters, Rubini, TagoreDaar vinden ze rust in een roes.

Ze hebben hun godsdienst verloren,

Hun ziel is verslaafd aan den soes —

Bij Peters, Rubini, Tagore

Daar vinden ze rust in een roes.

STAATSRECHTELIJK-ECONOMISCH RIJM.

De Physiocraten verdedigden de leer van de „Impôt unique”: zij wilden alle belastingen vervangen door één enkele — Charivarius ook.„Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is niet geoorloofd”.Grondwet, art. 158.

De Physiocraten verdedigden de leer van de „Impôt unique”: zij wilden alle belastingen vervangen door één enkele — Charivarius ook.

„Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is niet geoorloofd”.Grondwet, art. 158.

Ja, de oorlog is verschriklijk,En de tijd als lood zoo zwaar,Droef, benauwend, onverkwiklijk,Welhaast onverdraaglijk, maar —Weet je, wat ik nog veel zwaarder,Harder te verduren vind,Veel ellendiger, veel naarder?Het piano tikkend kind!Daar begint ie, Jantje of Pietje,Weg is weer je rust en vree,Want, als naaste buur, geniet jeGratis van het goede mee:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......Wat een wanhoop, wat een lijden!Kind, je maakt me stapelgek!Ongevraagd en onbescheiden,Dring je door in mijn vertrek.Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......Vruchtloos zucht je, klaag je, mor je,’t Helpt niet of je protesteert,Door die klanken-duikboot wor jeRücksichtslos getorpedeerd:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......In mijn huis wilikregeeren,Kan ’k dan niet uitmijngebiedIedereen en alles weren?Neen! die helsche klanken niet!Zoo doet dus dit kleine knaapjeWat de Staat zelf niet vermag,En zoo is het nietigst aapjeSterker dan het Staatsgezag!Och, mevrouwtje! Och, meneertje!Hebt respect voor ’t instrument!Staakt de lessen — ik bezweer ’t je,Want je kind heeftgeentalent.Laat ’m liever leeren schilderen,Is die kunst soms minder fraai?Dan voorkom je het „verwilderen,”En het maakt niet zoo’n lawaai.„Maar zijn leeraar prijst hem hooglijk,Heusch, die ziet er wel wat in......”Ja mevrouw, dat is best mooglijk,Maar — de man heeft een gezin!Zelfs al is hij nog zoo eerlijk:De verwachting volgt den wensch,Iedre leerling is begeerlijk —Ook een leeraar is een mensch!Eiglijk moet je meelij krijgenMet het wicht, gekweld, geplaagd,Door gestadig dringen, dreigen,Naar het jengelblok gejaagd.„Weet je, dat je nog studeeren,Jantje! nog studeeren moet?Wanneer zal je toch eens leeren,Dat je ’t uit je eigen doet!”„Hè, ’k ben net zoo leuk aan ’t lezen......”’t Is al weer gedaan, de pret!„Zal je nou gehoorzaam wezen?Gauw: studeeren — of naar bed!”En daar zit ie weer weemoedigOp het klavecijn te slaan;„Ik vin wel,” zegt Grootmoe goedig,„Jantjeisvooruit gegaan.”Rapper gaan de finkies, rapper,Door geen aardsche macht gestuit,Jantje rinkelt, klein maar dapper,Boven al het praten uit:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......„Hè, speel nou nog ’s dat stukkieVoor de jaardag van je pa!”Jantje draait wat op zijn krukkie,En hij denkt ’s even na......„Nee, dat kan ik niet meer spelen,En ik von d’r ook niks an.Ditnog eens? ’t Kanmijnniet schelen.”„Goed; Danditnog maar ’s, Jan.”Dan begint weer ’t zelfde stukkie,Weer die zelfde nare dreunWeer dat griezelige stukkie,Weer die liederlijke dreun......En ik hoor ’t weer binnen zwevenOp de golven des geluidsHeel die gruwel van mijn leven......Wicht, je tingelt me pro-Duitsch!!En ik wil u wel vertellen,— ’t Klinkt niet vrindlijk of beleefd —Maardatkan ik u voorspellen:Als hij eens zijn vrijheid heeft,En, ontgroeid aan moeders zorgen,Kalm zijn eigen weg mag gaan,Zult u ’m op een goeien morgenBij het rammelhout zien staan;Al zijn notenboeken kwakt ieIn de verste rommelhoek,En het klavecimbel smakt ieDicht — voor eeuwig. Met ’n vloek.Want hij denkt aan al die uren,Die hij weggesmeten heeft,En ’t zal heel wat jaren duren,Voor hij u uw schuld vergeeft! —Wie een huis gaat meubileerenVoor zijn burgermans gezin,Wàt ie daar ook kan ontberen —Een piano moet er in.Net zoo goed als kommen, kannen,Tafels, stoelen, canapé’s,Schotels, borden, potten, pannen,Vliegenkasten voor het vleesch,Glazen, lepels, vorken, messen,Hooikist, poetslap, emmer, tijl,Kurketrekkers, inmaakflesschen,Bezem, blik, en doek en dweil,Voor de lampen lampekappen,Voor elk venster een gordijn,Matten, loopers op de trappen —Moet er een piano zijn. —Moch ik ooit minister worden,Dan kwam hier d’ „Impôt unique,”Tegen die verwenschte horden,Die pianotikkerskliek.Mateloos zou ik belasten,Altijd zwaarder, altijd meer:Die vervloekte jammerkasten....Goden! daar begint het weer:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......enz. ad infinitum.

Ja, de oorlog is verschriklijk,En de tijd als lood zoo zwaar,Droef, benauwend, onverkwiklijk,Welhaast onverdraaglijk, maar —Weet je, wat ik nog veel zwaarder,Harder te verduren vind,Veel ellendiger, veel naarder?Het piano tikkend kind!Daar begint ie, Jantje of Pietje,Weg is weer je rust en vree,Want, als naaste buur, geniet jeGratis van het goede mee:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......Wat een wanhoop, wat een lijden!Kind, je maakt me stapelgek!Ongevraagd en onbescheiden,Dring je door in mijn vertrek.Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......Vruchtloos zucht je, klaag je, mor je,’t Helpt niet of je protesteert,Door die klanken-duikboot wor jeRücksichtslos getorpedeerd:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......In mijn huis wilikregeeren,Kan ’k dan niet uitmijngebiedIedereen en alles weren?Neen! die helsche klanken niet!Zoo doet dus dit kleine knaapjeWat de Staat zelf niet vermag,En zoo is het nietigst aapjeSterker dan het Staatsgezag!Och, mevrouwtje! Och, meneertje!Hebt respect voor ’t instrument!Staakt de lessen — ik bezweer ’t je,Want je kind heeftgeentalent.Laat ’m liever leeren schilderen,Is die kunst soms minder fraai?Dan voorkom je het „verwilderen,”En het maakt niet zoo’n lawaai.„Maar zijn leeraar prijst hem hooglijk,Heusch, die ziet er wel wat in......”Ja mevrouw, dat is best mooglijk,Maar — de man heeft een gezin!Zelfs al is hij nog zoo eerlijk:De verwachting volgt den wensch,Iedre leerling is begeerlijk —Ook een leeraar is een mensch!Eiglijk moet je meelij krijgenMet het wicht, gekweld, geplaagd,Door gestadig dringen, dreigen,Naar het jengelblok gejaagd.„Weet je, dat je nog studeeren,Jantje! nog studeeren moet?Wanneer zal je toch eens leeren,Dat je ’t uit je eigen doet!”„Hè, ’k ben net zoo leuk aan ’t lezen......”’t Is al weer gedaan, de pret!„Zal je nou gehoorzaam wezen?Gauw: studeeren — of naar bed!”En daar zit ie weer weemoedigOp het klavecijn te slaan;„Ik vin wel,” zegt Grootmoe goedig,„Jantjeisvooruit gegaan.”Rapper gaan de finkies, rapper,Door geen aardsche macht gestuit,Jantje rinkelt, klein maar dapper,Boven al het praten uit:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......„Hè, speel nou nog ’s dat stukkieVoor de jaardag van je pa!”Jantje draait wat op zijn krukkie,En hij denkt ’s even na......„Nee, dat kan ik niet meer spelen,En ik von d’r ook niks an.Ditnog eens? ’t Kanmijnniet schelen.”„Goed; Danditnog maar ’s, Jan.”Dan begint weer ’t zelfde stukkie,Weer die zelfde nare dreunWeer dat griezelige stukkie,Weer die liederlijke dreun......En ik hoor ’t weer binnen zwevenOp de golven des geluidsHeel die gruwel van mijn leven......Wicht, je tingelt me pro-Duitsch!!En ik wil u wel vertellen,— ’t Klinkt niet vrindlijk of beleefd —Maardatkan ik u voorspellen:Als hij eens zijn vrijheid heeft,En, ontgroeid aan moeders zorgen,Kalm zijn eigen weg mag gaan,Zult u ’m op een goeien morgenBij het rammelhout zien staan;Al zijn notenboeken kwakt ieIn de verste rommelhoek,En het klavecimbel smakt ieDicht — voor eeuwig. Met ’n vloek.Want hij denkt aan al die uren,Die hij weggesmeten heeft,En ’t zal heel wat jaren duren,Voor hij u uw schuld vergeeft! —Wie een huis gaat meubileerenVoor zijn burgermans gezin,Wàt ie daar ook kan ontberen —Een piano moet er in.Net zoo goed als kommen, kannen,Tafels, stoelen, canapé’s,Schotels, borden, potten, pannen,Vliegenkasten voor het vleesch,Glazen, lepels, vorken, messen,Hooikist, poetslap, emmer, tijl,Kurketrekkers, inmaakflesschen,Bezem, blik, en doek en dweil,Voor de lampen lampekappen,Voor elk venster een gordijn,Matten, loopers op de trappen —Moet er een piano zijn. —Moch ik ooit minister worden,Dan kwam hier d’ „Impôt unique,”Tegen die verwenschte horden,Die pianotikkerskliek.Mateloos zou ik belasten,Altijd zwaarder, altijd meer:Die vervloekte jammerkasten....Goden! daar begint het weer:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......enz. ad infinitum.

Ja, de oorlog is verschriklijk,En de tijd als lood zoo zwaar,Droef, benauwend, onverkwiklijk,Welhaast onverdraaglijk, maar —Weet je, wat ik nog veel zwaarder,Harder te verduren vind,Veel ellendiger, veel naarder?Het piano tikkend kind!Daar begint ie, Jantje of Pietje,Weg is weer je rust en vree,Want, als naaste buur, geniet jeGratis van het goede mee:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......Wat een wanhoop, wat een lijden!Kind, je maakt me stapelgek!Ongevraagd en onbescheiden,Dring je door in mijn vertrek.Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......Vruchtloos zucht je, klaag je, mor je,’t Helpt niet of je protesteert,Door die klanken-duikboot wor jeRücksichtslos getorpedeerd:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......In mijn huis wilikregeeren,Kan ’k dan niet uitmijngebiedIedereen en alles weren?Neen! die helsche klanken niet!Zoo doet dus dit kleine knaapjeWat de Staat zelf niet vermag,En zoo is het nietigst aapjeSterker dan het Staatsgezag!Och, mevrouwtje! Och, meneertje!Hebt respect voor ’t instrument!Staakt de lessen — ik bezweer ’t je,Want je kind heeftgeentalent.Laat ’m liever leeren schilderen,Is die kunst soms minder fraai?Dan voorkom je het „verwilderen,”En het maakt niet zoo’n lawaai.„Maar zijn leeraar prijst hem hooglijk,Heusch, die ziet er wel wat in......”Ja mevrouw, dat is best mooglijk,Maar — de man heeft een gezin!Zelfs al is hij nog zoo eerlijk:De verwachting volgt den wensch,Iedre leerling is begeerlijk —Ook een leeraar is een mensch!Eiglijk moet je meelij krijgenMet het wicht, gekweld, geplaagd,Door gestadig dringen, dreigen,Naar het jengelblok gejaagd.„Weet je, dat je nog studeeren,Jantje! nog studeeren moet?Wanneer zal je toch eens leeren,Dat je ’t uit je eigen doet!”„Hè, ’k ben net zoo leuk aan ’t lezen......”’t Is al weer gedaan, de pret!„Zal je nou gehoorzaam wezen?Gauw: studeeren — of naar bed!”En daar zit ie weer weemoedigOp het klavecijn te slaan;„Ik vin wel,” zegt Grootmoe goedig,„Jantjeisvooruit gegaan.”Rapper gaan de finkies, rapper,Door geen aardsche macht gestuit,Jantje rinkelt, klein maar dapper,Boven al het praten uit:Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......„Hè, speel nou nog ’s dat stukkieVoor de jaardag van je pa!”Jantje draait wat op zijn krukkie,En hij denkt ’s even na......„Nee, dat kan ik niet meer spelen,En ik von d’r ook niks an.Ditnog eens? ’t Kanmijnniet schelen.”„Goed; Danditnog maar ’s, Jan.”Dan begint weer ’t zelfde stukkie,Weer die zelfde nare dreunWeer dat griezelige stukkie,Weer die liederlijke dreun......En ik hoor ’t weer binnen zwevenOp de golven des geluidsHeel die gruwel van mijn leven......Wicht, je tingelt me pro-Duitsch!!En ik wil u wel vertellen,— ’t Klinkt niet vrindlijk of beleefd —Maardatkan ik u voorspellen:Als hij eens zijn vrijheid heeft,En, ontgroeid aan moeders zorgen,Kalm zijn eigen weg mag gaan,Zult u ’m op een goeien morgenBij het rammelhout zien staan;Al zijn notenboeken kwakt ieIn de verste rommelhoek,En het klavecimbel smakt ieDicht — voor eeuwig. Met ’n vloek.Want hij denkt aan al die uren,Die hij weggesmeten heeft,En ’t zal heel wat jaren duren,Voor hij u uw schuld vergeeft! —Wie een huis gaat meubileerenVoor zijn burgermans gezin,Wàt ie daar ook kan ontberen —Een piano moet er in.Net zoo goed als kommen, kannen,Tafels, stoelen, canapé’s,Schotels, borden, potten, pannen,Vliegenkasten voor het vleesch,Glazen, lepels, vorken, messen,Hooikist, poetslap, emmer, tijl,Kurketrekkers, inmaakflesschen,Bezem, blik, en doek en dweil,Voor de lampen lampekappen,Voor elk venster een gordijn,Matten, loopers op de trappen —Moet er een piano zijn. —Moch ik ooit minister worden,Dan kwam hier d’ „Impôt unique,”Tegen die verwenschte horden,Die pianotikkerskliek.Mateloos zou ik belasten,Altijd zwaarder, altijd meer:Die vervloekte jammerkasten....

Ja, de oorlog is verschriklijk,

En de tijd als lood zoo zwaar,

Droef, benauwend, onverkwiklijk,

Welhaast onverdraaglijk, maar —

Weet je, wat ik nog veel zwaarder,

Harder te verduren vind,

Veel ellendiger, veel naarder?

Het piano tikkend kind!

Daar begint ie, Jantje of Pietje,

Weg is weer je rust en vree,

Want, als naaste buur, geniet je

Gratis van het goede mee:

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun,

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun......

Wat een wanhoop, wat een lijden!

Kind, je maakt me stapelgek!

Ongevraagd en onbescheiden,

Dring je door in mijn vertrek.

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun,

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun......

Vruchtloos zucht je, klaag je, mor je,

’t Helpt niet of je protesteert,

Door die klanken-duikboot wor je

Rücksichtslos getorpedeerd:

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun,

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun......

In mijn huis wilikregeeren,

Kan ’k dan niet uitmijngebied

Iedereen en alles weren?

Neen! die helsche klanken niet!

Zoo doet dus dit kleine knaapje

Wat de Staat zelf niet vermag,

En zoo is het nietigst aapje

Sterker dan het Staatsgezag!

Och, mevrouwtje! Och, meneertje!

Hebt respect voor ’t instrument!

Staakt de lessen — ik bezweer ’t je,

Want je kind heeftgeentalent.

Laat ’m liever leeren schilderen,

Is die kunst soms minder fraai?

Dan voorkom je het „verwilderen,”

En het maakt niet zoo’n lawaai.

„Maar zijn leeraar prijst hem hooglijk,

Heusch, die ziet er wel wat in......”

Ja mevrouw, dat is best mooglijk,

Maar — de man heeft een gezin!

Zelfs al is hij nog zoo eerlijk:

De verwachting volgt den wensch,

Iedre leerling is begeerlijk —

Ook een leeraar is een mensch!

Eiglijk moet je meelij krijgen

Met het wicht, gekweld, geplaagd,

Door gestadig dringen, dreigen,

Naar het jengelblok gejaagd.

„Weet je, dat je nog studeeren,

Jantje! nog studeeren moet?

Wanneer zal je toch eens leeren,

Dat je ’t uit je eigen doet!”

„Hè, ’k ben net zoo leuk aan ’t lezen......”

’t Is al weer gedaan, de pret!

„Zal je nou gehoorzaam wezen?

Gauw: studeeren — of naar bed!”

En daar zit ie weer weemoedig

Op het klavecijn te slaan;

„Ik vin wel,” zegt Grootmoe goedig,

„Jantjeisvooruit gegaan.”

Rapper gaan de finkies, rapper,

Door geen aardsche macht gestuit,

Jantje rinkelt, klein maar dapper,

Boven al het praten uit:

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun......

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun......

„Hè, speel nou nog ’s dat stukkie

Voor de jaardag van je pa!”

Jantje draait wat op zijn krukkie,

En hij denkt ’s even na......

„Nee, dat kan ik niet meer spelen,

En ik von d’r ook niks an.

Ditnog eens? ’t Kanmijnniet schelen.”

„Goed; Danditnog maar ’s, Jan.”

Dan begint weer ’t zelfde stukkie,

Weer die zelfde nare dreun

Weer dat griezelige stukkie,

Weer die liederlijke dreun......

En ik hoor ’t weer binnen zweven

Op de golven des geluids

Heel die gruwel van mijn leven......

Wicht, je tingelt me pro-Duitsch!!

En ik wil u wel vertellen,

— ’t Klinkt niet vrindlijk of beleefd —

Maardatkan ik u voorspellen:

Als hij eens zijn vrijheid heeft,

En, ontgroeid aan moeders zorgen,

Kalm zijn eigen weg mag gaan,

Zult u ’m op een goeien morgen

Bij het rammelhout zien staan;

Al zijn notenboeken kwakt ie

In de verste rommelhoek,

En het klavecimbel smakt ie

Dicht — voor eeuwig. Met ’n vloek.

Want hij denkt aan al die uren,

Die hij weggesmeten heeft,

En ’t zal heel wat jaren duren,

Voor hij u uw schuld vergeeft! —

Wie een huis gaat meubileeren

Voor zijn burgermans gezin,

Wàt ie daar ook kan ontberen —

Een piano moet er in.

Net zoo goed als kommen, kannen,

Tafels, stoelen, canapé’s,

Schotels, borden, potten, pannen,

Vliegenkasten voor het vleesch,

Glazen, lepels, vorken, messen,

Hooikist, poetslap, emmer, tijl,

Kurketrekkers, inmaakflesschen,

Bezem, blik, en doek en dweil,

Voor de lampen lampekappen,

Voor elk venster een gordijn,

Matten, loopers op de trappen —

Moet er een piano zijn. —

Moch ik ooit minister worden,

Dan kwam hier d’ „Impôt unique,”

Tegen die verwenschte horden,

Die pianotikkerskliek.

Mateloos zou ik belasten,

Altijd zwaarder, altijd meer:

Die vervloekte jammerkasten....

Goden! daar begint het weer:

Goden! daar begint het weer:

Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun,Telkens weer dat zelfde stukkie,Telkens weer die zelfde dreun......enz. ad infinitum.

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun,

Telkens weer dat zelfde stukkie,

Telkens weer die zelfde dreun......

enz. ad infinitum.

(Knip uit, arme lezer, en stuur aan je buren!)


Back to IndexNext