Laat mij bezingen de vrouwin het weven ervaren als geene,die in de kunst van ’t Getouwzich wou meten met Pallas Athene.Arm was Arachne — maar fierop de gaaf, door den god haar gegeven;schoonheid stond in haar banier,hare Kunst was haar lust en haar leven.En daar verdreef zij den tijdvan ’t begin tot het eind van den dag mee;iedereen prees haar om strijd,want geen mensch die ’t zoo kon als Arachnee.Arm was Arachne — maar trotsch!Ja, zij minachtte zelfs de godinnen:’t stond bij haar vast als een rots,dat Minerva ’t niet van haar zou winnen.Pallas Athene, die ’t hoort,zelf de Eerste der Weefsters geheeten,nadert, verbaasd en verstoord,en stelt voor om zich met haar te meten.Blij gaat Arachne ten kamp;o, zij schijnt naar den wedstrijd te haken!Weinig vermoedt zij den ramp,die dit Rijm tot een drama zal maken......Elk neemt haar plaats op haar stoel.Door de zucht naar de zege gedreven,vangen zij aan, en de spoelschijnt om schering en inslag te zweven.Spoedig is Pallas gereed,en zij monstert het werk van Arachnee,schoon ze voor zich al wel weet,dat het zwakjes zal wezen... Maar, ach nee!’t Tegendeel is ’t, wat ze ziet:’t is een meesterstuk — zonder gebreken!Neen, zij ontveinst het zich niet:de godin is de zwakste gebleken.Blakend van afgunst en haat,in een vlaag van ontembare woede,scheurt zij het weefsel tot draad,en dan grijpt zij vol gramschap de roede.Roepend: „Wat gij hebt volbrachtis alleen aan de goden geoorloofd!”slaat zij tot driemaal met krachtde rivaal op het bloedige voorhoofd.Snel maakt Arachne een stropvan de flarden die raaf’lig daar lagen;ziedende hangt zij zich op,want die hoon kon de trotsche niet dragen.Maar nu van meelij vervuld,zegt Minerva: „Ik schenk u het leven;echter, tot straf voor uw schuld,zult gij, levende, wevende... zweven!”Uit het noodlottige touwgroeit een netwerk al fijner en fijner;’t lijf der rampzalige vrouwkrimpt gestadig. Al kleiner en kleinerwordt het een gruwzaam insect,bolgebuikt, van veel pooten omgeven.Zoo, op haar webbe gestrekt,blijft Arachne, de Spinnekop, weven.........................................Vrouwen zijn meestal charmant,en dan moeten wij, mannen, ze minnen;maar, zijn ze trotsch en pedant,dan veranderen vrouwen in spinnen.
Laat mij bezingen de vrouwin het weven ervaren als geene,die in de kunst van ’t Getouwzich wou meten met Pallas Athene.Arm was Arachne — maar fierop de gaaf, door den god haar gegeven;schoonheid stond in haar banier,hare Kunst was haar lust en haar leven.En daar verdreef zij den tijdvan ’t begin tot het eind van den dag mee;iedereen prees haar om strijd,want geen mensch die ’t zoo kon als Arachnee.Arm was Arachne — maar trotsch!Ja, zij minachtte zelfs de godinnen:’t stond bij haar vast als een rots,dat Minerva ’t niet van haar zou winnen.Pallas Athene, die ’t hoort,zelf de Eerste der Weefsters geheeten,nadert, verbaasd en verstoord,en stelt voor om zich met haar te meten.Blij gaat Arachne ten kamp;o, zij schijnt naar den wedstrijd te haken!Weinig vermoedt zij den ramp,die dit Rijm tot een drama zal maken......Elk neemt haar plaats op haar stoel.Door de zucht naar de zege gedreven,vangen zij aan, en de spoelschijnt om schering en inslag te zweven.Spoedig is Pallas gereed,en zij monstert het werk van Arachnee,schoon ze voor zich al wel weet,dat het zwakjes zal wezen... Maar, ach nee!’t Tegendeel is ’t, wat ze ziet:’t is een meesterstuk — zonder gebreken!Neen, zij ontveinst het zich niet:de godin is de zwakste gebleken.Blakend van afgunst en haat,in een vlaag van ontembare woede,scheurt zij het weefsel tot draad,en dan grijpt zij vol gramschap de roede.Roepend: „Wat gij hebt volbrachtis alleen aan de goden geoorloofd!”slaat zij tot driemaal met krachtde rivaal op het bloedige voorhoofd.Snel maakt Arachne een stropvan de flarden die raaf’lig daar lagen;ziedende hangt zij zich op,want die hoon kon de trotsche niet dragen.Maar nu van meelij vervuld,zegt Minerva: „Ik schenk u het leven;echter, tot straf voor uw schuld,zult gij, levende, wevende... zweven!”Uit het noodlottige touwgroeit een netwerk al fijner en fijner;’t lijf der rampzalige vrouwkrimpt gestadig. Al kleiner en kleinerwordt het een gruwzaam insect,bolgebuikt, van veel pooten omgeven.Zoo, op haar webbe gestrekt,blijft Arachne, de Spinnekop, weven.........................................Vrouwen zijn meestal charmant,en dan moeten wij, mannen, ze minnen;maar, zijn ze trotsch en pedant,dan veranderen vrouwen in spinnen.
Laat mij bezingen de vrouwin het weven ervaren als geene,die in de kunst van ’t Getouwzich wou meten met Pallas Athene.
Laat mij bezingen de vrouw
in het weven ervaren als geene,
die in de kunst van ’t Getouw
zich wou meten met Pallas Athene.
Arm was Arachne — maar fierop de gaaf, door den god haar gegeven;schoonheid stond in haar banier,hare Kunst was haar lust en haar leven.En daar verdreef zij den tijdvan ’t begin tot het eind van den dag mee;iedereen prees haar om strijd,want geen mensch die ’t zoo kon als Arachnee.Arm was Arachne — maar trotsch!Ja, zij minachtte zelfs de godinnen:’t stond bij haar vast als een rots,dat Minerva ’t niet van haar zou winnen.Pallas Athene, die ’t hoort,zelf de Eerste der Weefsters geheeten,nadert, verbaasd en verstoord,en stelt voor om zich met haar te meten.Blij gaat Arachne ten kamp;o, zij schijnt naar den wedstrijd te haken!Weinig vermoedt zij den ramp,die dit Rijm tot een drama zal maken......Elk neemt haar plaats op haar stoel.Door de zucht naar de zege gedreven,vangen zij aan, en de spoelschijnt om schering en inslag te zweven.Spoedig is Pallas gereed,en zij monstert het werk van Arachnee,schoon ze voor zich al wel weet,dat het zwakjes zal wezen... Maar, ach nee!’t Tegendeel is ’t, wat ze ziet:’t is een meesterstuk — zonder gebreken!Neen, zij ontveinst het zich niet:de godin is de zwakste gebleken.Blakend van afgunst en haat,in een vlaag van ontembare woede,scheurt zij het weefsel tot draad,en dan grijpt zij vol gramschap de roede.Roepend: „Wat gij hebt volbrachtis alleen aan de goden geoorloofd!”slaat zij tot driemaal met krachtde rivaal op het bloedige voorhoofd.Snel maakt Arachne een stropvan de flarden die raaf’lig daar lagen;ziedende hangt zij zich op,want die hoon kon de trotsche niet dragen.Maar nu van meelij vervuld,zegt Minerva: „Ik schenk u het leven;echter, tot straf voor uw schuld,zult gij, levende, wevende... zweven!”Uit het noodlottige touwgroeit een netwerk al fijner en fijner;’t lijf der rampzalige vrouwkrimpt gestadig. Al kleiner en kleinerwordt het een gruwzaam insect,bolgebuikt, van veel pooten omgeven.Zoo, op haar webbe gestrekt,blijft Arachne, de Spinnekop, weven.........................................Vrouwen zijn meestal charmant,en dan moeten wij, mannen, ze minnen;maar, zijn ze trotsch en pedant,dan veranderen vrouwen in spinnen.
Arm was Arachne — maar fier
op de gaaf, door den god haar gegeven;
schoonheid stond in haar banier,
hare Kunst was haar lust en haar leven.
En daar verdreef zij den tijd
van ’t begin tot het eind van den dag mee;
iedereen prees haar om strijd,
want geen mensch die ’t zoo kon als Arachnee.
Arm was Arachne — maar trotsch!
Ja, zij minachtte zelfs de godinnen:
’t stond bij haar vast als een rots,
dat Minerva ’t niet van haar zou winnen.
Pallas Athene, die ’t hoort,
zelf de Eerste der Weefsters geheeten,
nadert, verbaasd en verstoord,
en stelt voor om zich met haar te meten.
Blij gaat Arachne ten kamp;
o, zij schijnt naar den wedstrijd te haken!
Weinig vermoedt zij den ramp,
die dit Rijm tot een drama zal maken......
Elk neemt haar plaats op haar stoel.
Door de zucht naar de zege gedreven,
vangen zij aan, en de spoel
schijnt om schering en inslag te zweven.
Spoedig is Pallas gereed,
en zij monstert het werk van Arachnee,
schoon ze voor zich al wel weet,
dat het zwakjes zal wezen... Maar, ach nee!
’t Tegendeel is ’t, wat ze ziet:
’t is een meesterstuk — zonder gebreken!
Neen, zij ontveinst het zich niet:
de godin is de zwakste gebleken.
Blakend van afgunst en haat,
in een vlaag van ontembare woede,
scheurt zij het weefsel tot draad,
en dan grijpt zij vol gramschap de roede.
Roepend: „Wat gij hebt volbracht
is alleen aan de goden geoorloofd!”
slaat zij tot driemaal met kracht
de rivaal op het bloedige voorhoofd.
Snel maakt Arachne een strop
van de flarden die raaf’lig daar lagen;
ziedende hangt zij zich op,
want die hoon kon de trotsche niet dragen.
Maar nu van meelij vervuld,
zegt Minerva: „Ik schenk u het leven;
echter, tot straf voor uw schuld,
zult gij, levende, wevende... zweven!”
Uit het noodlottige touw
groeit een netwerk al fijner en fijner;
’t lijf der rampzalige vrouw
krimpt gestadig. Al kleiner en kleiner
wordt het een gruwzaam insect,
bolgebuikt, van veel pooten omgeven.
Zoo, op haar webbe gestrekt,
blijft Arachne, de Spinnekop, weven.
........................................
Vrouwen zijn meestal charmant,
en dan moeten wij, mannen, ze minnen;
maar, zijn ze trotsch en pedant,
dan veranderen vrouwen in spinnen.
Daedalus, wereldberoemd,toen hij eenmaal den Doolhof gebouwd had,alom met eere genoemddoor wie ’t kunstige wonder aanschouwd had,vlug en vernuftig van geest,de bekwaamste van Griekenland’s mannen,juist door zijn kunde gevreesd —was door Minos naar Creta verbannen,Droef zit de banneling, daar,van zijn vaderland verre, te zuchten,peinzend: hoe speel ik ’t klaarom dit straf-oord van Minos t’ ontvluchten!„Hijheeft het water, het land,(hm! ik ook!)” zoo denkt Daedalus dikkels;„Ikheb de lucht, en ’t verstand!”en zijn heimwee, die sterkste der prikkels,brengt hem een plan voor den geest.Door het onrecht nog hevig verbolgen,zint hij, beducht noch bevreesd,de natuur van de vogels te volgen.Nu komt zijn kunde te pas!hij vervaardigt van vederen vlerken,lijmt z’ aan de leden met was,en erlangt zoo het loon voor zijn werken.Zie, daar verheft hij zich alom zijn vlieg-apparaat te probeeren;(’t Is maar een proef, voor ’t gevaldat er soms nog iets aan mocht mankeeren.)Icarus, Daedalus’ zoon,ziet hem gaan, en komt stralende nader.„O!” roept hij uit, „dat is schoon!maak mij ook van die vleugelen, vader!”Daedalus draalt in ’t begin,maar, (men weet het, zoo zijn eenmaal ouders)geeft hem ten slotte zijn zin,en dan smeert hij het was op zijn schouders,hecht er de vleugelen aan,maar vermaant hem voorzichtig te wezen.Steelsgewijs pinkt hij een traan,en dan denkt hij, met heimelijk vreezen:Deed ik wat plicht mij gebiedt,’k gaf het heele plan op, en ik bleef hier......Lang duurt de weifeling niet,en hij zeilt op de zucht van den zephirzalig in ’s Blaue hinein,en geen macht houdt den vliedende tegen!Icarus, dapper en klein,is al recht in de hoogte gestegen.’t Boertje op ’t land aan de ploeg,die ze ziet, bij het spitten der zoden,mompelt: „Ik weet al genoeg;die twee vliegers daar ginder zijn goden!”Icarus, jeugdige dwaas!overmoedige, die geen gevaar schuwt,slaat er geen acht op, helaas!hoe de vader hem vliegende waarschuwt:„Icarus, Icarus, kom!Toe, niet hooger! Vlieg net even laag alsik het doe! Wees niet zoo dom!Daar gebeurt nog een ongeluk, waaghals!”Alles vergeefs. Wee! zijn zuchtom steeds hooger en hooger te zweven,blij door de blauwende lucht,kost den jongen vermeetle het leven.Zwaar treft den strever de straf:zie, de zon smelt het was... Even latervallen de vleugelen af —en hij stort met een kreet in het water!Daedalus is al aan walen hij kijkt er, ontzet, van de ree naar......Zoo was dan Icarus’ val;daar heet nu nog d’Icarische zeenaar.........................................d’ Aviatiek staat nog zwak,ook al vordert de kunst wonderbaarlijk:Kies maar een veiliger vak,want het vliegen blijft altijd gevaarlijk.
Daedalus, wereldberoemd,toen hij eenmaal den Doolhof gebouwd had,alom met eere genoemddoor wie ’t kunstige wonder aanschouwd had,vlug en vernuftig van geest,de bekwaamste van Griekenland’s mannen,juist door zijn kunde gevreesd —was door Minos naar Creta verbannen,Droef zit de banneling, daar,van zijn vaderland verre, te zuchten,peinzend: hoe speel ik ’t klaarom dit straf-oord van Minos t’ ontvluchten!„Hijheeft het water, het land,(hm! ik ook!)” zoo denkt Daedalus dikkels;„Ikheb de lucht, en ’t verstand!”en zijn heimwee, die sterkste der prikkels,brengt hem een plan voor den geest.Door het onrecht nog hevig verbolgen,zint hij, beducht noch bevreesd,de natuur van de vogels te volgen.Nu komt zijn kunde te pas!hij vervaardigt van vederen vlerken,lijmt z’ aan de leden met was,en erlangt zoo het loon voor zijn werken.Zie, daar verheft hij zich alom zijn vlieg-apparaat te probeeren;(’t Is maar een proef, voor ’t gevaldat er soms nog iets aan mocht mankeeren.)Icarus, Daedalus’ zoon,ziet hem gaan, en komt stralende nader.„O!” roept hij uit, „dat is schoon!maak mij ook van die vleugelen, vader!”Daedalus draalt in ’t begin,maar, (men weet het, zoo zijn eenmaal ouders)geeft hem ten slotte zijn zin,en dan smeert hij het was op zijn schouders,hecht er de vleugelen aan,maar vermaant hem voorzichtig te wezen.Steelsgewijs pinkt hij een traan,en dan denkt hij, met heimelijk vreezen:Deed ik wat plicht mij gebiedt,’k gaf het heele plan op, en ik bleef hier......Lang duurt de weifeling niet,en hij zeilt op de zucht van den zephirzalig in ’s Blaue hinein,en geen macht houdt den vliedende tegen!Icarus, dapper en klein,is al recht in de hoogte gestegen.’t Boertje op ’t land aan de ploeg,die ze ziet, bij het spitten der zoden,mompelt: „Ik weet al genoeg;die twee vliegers daar ginder zijn goden!”Icarus, jeugdige dwaas!overmoedige, die geen gevaar schuwt,slaat er geen acht op, helaas!hoe de vader hem vliegende waarschuwt:„Icarus, Icarus, kom!Toe, niet hooger! Vlieg net even laag alsik het doe! Wees niet zoo dom!Daar gebeurt nog een ongeluk, waaghals!”Alles vergeefs. Wee! zijn zuchtom steeds hooger en hooger te zweven,blij door de blauwende lucht,kost den jongen vermeetle het leven.Zwaar treft den strever de straf:zie, de zon smelt het was... Even latervallen de vleugelen af —en hij stort met een kreet in het water!Daedalus is al aan walen hij kijkt er, ontzet, van de ree naar......Zoo was dan Icarus’ val;daar heet nu nog d’Icarische zeenaar.........................................d’ Aviatiek staat nog zwak,ook al vordert de kunst wonderbaarlijk:Kies maar een veiliger vak,want het vliegen blijft altijd gevaarlijk.
Daedalus, wereldberoemd,toen hij eenmaal den Doolhof gebouwd had,alom met eere genoemddoor wie ’t kunstige wonder aanschouwd had,vlug en vernuftig van geest,de bekwaamste van Griekenland’s mannen,juist door zijn kunde gevreesd —was door Minos naar Creta verbannen,Droef zit de banneling, daar,van zijn vaderland verre, te zuchten,peinzend: hoe speel ik ’t klaarom dit straf-oord van Minos t’ ontvluchten!„Hijheeft het water, het land,(hm! ik ook!)” zoo denkt Daedalus dikkels;„Ikheb de lucht, en ’t verstand!”en zijn heimwee, die sterkste der prikkels,brengt hem een plan voor den geest.Door het onrecht nog hevig verbolgen,zint hij, beducht noch bevreesd,de natuur van de vogels te volgen.Nu komt zijn kunde te pas!hij vervaardigt van vederen vlerken,lijmt z’ aan de leden met was,en erlangt zoo het loon voor zijn werken.Zie, daar verheft hij zich alom zijn vlieg-apparaat te probeeren;(’t Is maar een proef, voor ’t gevaldat er soms nog iets aan mocht mankeeren.)Icarus, Daedalus’ zoon,ziet hem gaan, en komt stralende nader.„O!” roept hij uit, „dat is schoon!maak mij ook van die vleugelen, vader!”Daedalus draalt in ’t begin,maar, (men weet het, zoo zijn eenmaal ouders)geeft hem ten slotte zijn zin,en dan smeert hij het was op zijn schouders,hecht er de vleugelen aan,maar vermaant hem voorzichtig te wezen.Steelsgewijs pinkt hij een traan,en dan denkt hij, met heimelijk vreezen:Deed ik wat plicht mij gebiedt,’k gaf het heele plan op, en ik bleef hier......Lang duurt de weifeling niet,en hij zeilt op de zucht van den zephirzalig in ’s Blaue hinein,en geen macht houdt den vliedende tegen!Icarus, dapper en klein,is al recht in de hoogte gestegen.’t Boertje op ’t land aan de ploeg,die ze ziet, bij het spitten der zoden,mompelt: „Ik weet al genoeg;die twee vliegers daar ginder zijn goden!”Icarus, jeugdige dwaas!overmoedige, die geen gevaar schuwt,slaat er geen acht op, helaas!hoe de vader hem vliegende waarschuwt:„Icarus, Icarus, kom!Toe, niet hooger! Vlieg net even laag alsik het doe! Wees niet zoo dom!Daar gebeurt nog een ongeluk, waaghals!”Alles vergeefs. Wee! zijn zuchtom steeds hooger en hooger te zweven,blij door de blauwende lucht,kost den jongen vermeetle het leven.Zwaar treft den strever de straf:zie, de zon smelt het was... Even latervallen de vleugelen af —en hij stort met een kreet in het water!Daedalus is al aan walen hij kijkt er, ontzet, van de ree naar......Zoo was dan Icarus’ val;daar heet nu nog d’Icarische zeenaar.........................................d’ Aviatiek staat nog zwak,ook al vordert de kunst wonderbaarlijk:Kies maar een veiliger vak,want het vliegen blijft altijd gevaarlijk.
Daedalus, wereldberoemd,
toen hij eenmaal den Doolhof gebouwd had,
alom met eere genoemd
door wie ’t kunstige wonder aanschouwd had,
vlug en vernuftig van geest,
de bekwaamste van Griekenland’s mannen,
juist door zijn kunde gevreesd —
was door Minos naar Creta verbannen,
Droef zit de banneling, daar,
van zijn vaderland verre, te zuchten,
peinzend: hoe speel ik ’t klaar
om dit straf-oord van Minos t’ ontvluchten!
„Hijheeft het water, het land,
(hm! ik ook!)” zoo denkt Daedalus dikkels;
„Ikheb de lucht, en ’t verstand!”
en zijn heimwee, die sterkste der prikkels,
brengt hem een plan voor den geest.
Door het onrecht nog hevig verbolgen,
zint hij, beducht noch bevreesd,
de natuur van de vogels te volgen.
Nu komt zijn kunde te pas!
hij vervaardigt van vederen vlerken,
lijmt z’ aan de leden met was,
en erlangt zoo het loon voor zijn werken.
Zie, daar verheft hij zich al
om zijn vlieg-apparaat te probeeren;
(’t Is maar een proef, voor ’t geval
dat er soms nog iets aan mocht mankeeren.)
Icarus, Daedalus’ zoon,
ziet hem gaan, en komt stralende nader.
„O!” roept hij uit, „dat is schoon!
maak mij ook van die vleugelen, vader!”
Daedalus draalt in ’t begin,
maar, (men weet het, zoo zijn eenmaal ouders)
geeft hem ten slotte zijn zin,
en dan smeert hij het was op zijn schouders,
hecht er de vleugelen aan,
maar vermaant hem voorzichtig te wezen.
Steelsgewijs pinkt hij een traan,
en dan denkt hij, met heimelijk vreezen:
Deed ik wat plicht mij gebiedt,
’k gaf het heele plan op, en ik bleef hier......
Lang duurt de weifeling niet,
en hij zeilt op de zucht van den zephir
zalig in ’s Blaue hinein,
en geen macht houdt den vliedende tegen!
Icarus, dapper en klein,
is al recht in de hoogte gestegen.
’t Boertje op ’t land aan de ploeg,
die ze ziet, bij het spitten der zoden,
mompelt: „Ik weet al genoeg;
die twee vliegers daar ginder zijn goden!”
Icarus, jeugdige dwaas!
overmoedige, die geen gevaar schuwt,
slaat er geen acht op, helaas!
hoe de vader hem vliegende waarschuwt:
„Icarus, Icarus, kom!
Toe, niet hooger! Vlieg net even laag als
ik het doe! Wees niet zoo dom!
Daar gebeurt nog een ongeluk, waaghals!”
Alles vergeefs. Wee! zijn zucht
om steeds hooger en hooger te zweven,
blij door de blauwende lucht,
kost den jongen vermeetle het leven.
Zwaar treft den strever de straf:
zie, de zon smelt het was... Even later
vallen de vleugelen af —
en hij stort met een kreet in het water!
Daedalus is al aan wal
en hij kijkt er, ontzet, van de ree naar......
Zoo was dan Icarus’ val;
daar heet nu nog d’Icarische zeenaar.
........................................
d’ Aviatiek staat nog zwak,
ook al vordert de kunst wonderbaarlijk:
Kies maar een veiliger vak,
want het vliegen blijft altijd gevaarlijk.
Pyramus en Thisbe,zij, de lieflijkste onder de vrouwen,vurig en jong alle twee,spraken af met elkander te trouwen.Jammer genoeg voor het paar —of een „paar” mocht het dus nog niet heeten —maakten de ouders bezwaar,want die wilden van vrijen niet weten.Vruchtloos der kindren geween!en tot overmaat nog van hun lijdenwaren zij buren, alleendoor een muur van elkander gescheiden.Dicht bij elkaar, en toch ver!In de muur was geen poort of geen deurtje,maar...... als een lichtende sterin den nacht scheen hun eenmaal een scheurtje,ergens verborgen in ’t groen,groot genoeg voor ’t verliefde gefluister,maar net te klein voor een zoen.Hier nu dweepten zij dikwijls in ’t duister.En om het blakende vuurhunner heimlijke liefde te blusschen,drukten zij elk op den muurbij het kiertje de klappendste kussen.O, dat gehate verbod!Is me dat een manier om te vrijen?’t Is maar een matig genotdat gezoen op die ijskoude keien!Eindlijk verwint zij haar schroom;hoor de schalken het schema beramen:„Onder den moerbeienboom,vlak bij Ninus’ graf, komen wij samen!”„Goed!” — Zoo gezegd zoo gedaan.Zie nu Thisbe ontsnappen... daar gaat ze...Zacht, bij het schijnsel der maan,sluipt ze voort, en is tijdig ter plaatse.Alles rondom ligt in droom;geen gevaar is in ’t duister te duchten.Hier is de moerbeienboom;hagelblank zijn de volrijpe vruchten.Plotsling verbleekt haar gelaat:een leeuwin ziet zij dreigend genaken,vlak bij de plaats waar ze staat,met van runderbloed druipende kaken!Snel, voor haar leven beducht,is nu Thisbe een grot in gekropen,maar, in haar angstige vluchtdaar ontslipt haar de sluier bij ’t loopen.Dezen verscheurt de leeuwin,en, teleurgesteld, langer niet wachtend,gaat zij de bosschen weer in,de nu bloedige flarden verachtend.Pyramus komt. — Ach! het roodvan den sluier, en ’t poot-merk in d’ aardezeggen hem: Thisbe is dood! —Heeft het leven voor hem nu nog waarde?Neen. Hij doorsteekt met het staalzich de borst in die droevigste stonde,rukt het weer uit, en een straalspuit omhoog uit de kokende wonde.Thisbe, verheugd, dat het lothaar den dood der verscheuring bespaarde,sluipt, nog bedeesd, uit den grot......ziet den bloedigen jongling ter aarde...werpt zich op ’t lijk met een gil......heft den dolk op, en rukt zich de tressen —„Boom!” krijt zij, „gij, die daar stil,overladen met sneeuwwitte bessen,staat, als getuige der smart,moog’ uw vrucht, als een blijk onzer pijnen,voortaan in ’t klaaglijke zwartvan den rouw voor de menschheid verschijnen!”’t Boezemblank bloedig bespet,zinkt zij neer, zich uit liefde vermoordend.Dat was haar laatste gebed —en genadige goden verhoorden ’t.........................................Als je knus moerbeien eet,zal je meestal wel ver van de smart zijn;toch is het goed dat je weethoe het komt, dat die vruchten zoo zwart zijn.
Pyramus en Thisbe,zij, de lieflijkste onder de vrouwen,vurig en jong alle twee,spraken af met elkander te trouwen.Jammer genoeg voor het paar —of een „paar” mocht het dus nog niet heeten —maakten de ouders bezwaar,want die wilden van vrijen niet weten.Vruchtloos der kindren geween!en tot overmaat nog van hun lijdenwaren zij buren, alleendoor een muur van elkander gescheiden.Dicht bij elkaar, en toch ver!In de muur was geen poort of geen deurtje,maar...... als een lichtende sterin den nacht scheen hun eenmaal een scheurtje,ergens verborgen in ’t groen,groot genoeg voor ’t verliefde gefluister,maar net te klein voor een zoen.Hier nu dweepten zij dikwijls in ’t duister.En om het blakende vuurhunner heimlijke liefde te blusschen,drukten zij elk op den muurbij het kiertje de klappendste kussen.O, dat gehate verbod!Is me dat een manier om te vrijen?’t Is maar een matig genotdat gezoen op die ijskoude keien!Eindlijk verwint zij haar schroom;hoor de schalken het schema beramen:„Onder den moerbeienboom,vlak bij Ninus’ graf, komen wij samen!”„Goed!” — Zoo gezegd zoo gedaan.Zie nu Thisbe ontsnappen... daar gaat ze...Zacht, bij het schijnsel der maan,sluipt ze voort, en is tijdig ter plaatse.Alles rondom ligt in droom;geen gevaar is in ’t duister te duchten.Hier is de moerbeienboom;hagelblank zijn de volrijpe vruchten.Plotsling verbleekt haar gelaat:een leeuwin ziet zij dreigend genaken,vlak bij de plaats waar ze staat,met van runderbloed druipende kaken!Snel, voor haar leven beducht,is nu Thisbe een grot in gekropen,maar, in haar angstige vluchtdaar ontslipt haar de sluier bij ’t loopen.Dezen verscheurt de leeuwin,en, teleurgesteld, langer niet wachtend,gaat zij de bosschen weer in,de nu bloedige flarden verachtend.Pyramus komt. — Ach! het roodvan den sluier, en ’t poot-merk in d’ aardezeggen hem: Thisbe is dood! —Heeft het leven voor hem nu nog waarde?Neen. Hij doorsteekt met het staalzich de borst in die droevigste stonde,rukt het weer uit, en een straalspuit omhoog uit de kokende wonde.Thisbe, verheugd, dat het lothaar den dood der verscheuring bespaarde,sluipt, nog bedeesd, uit den grot......ziet den bloedigen jongling ter aarde...werpt zich op ’t lijk met een gil......heft den dolk op, en rukt zich de tressen —„Boom!” krijt zij, „gij, die daar stil,overladen met sneeuwwitte bessen,staat, als getuige der smart,moog’ uw vrucht, als een blijk onzer pijnen,voortaan in ’t klaaglijke zwartvan den rouw voor de menschheid verschijnen!”’t Boezemblank bloedig bespet,zinkt zij neer, zich uit liefde vermoordend.Dat was haar laatste gebed —en genadige goden verhoorden ’t.........................................Als je knus moerbeien eet,zal je meestal wel ver van de smart zijn;toch is het goed dat je weethoe het komt, dat die vruchten zoo zwart zijn.
Pyramus en Thisbe,zij, de lieflijkste onder de vrouwen,vurig en jong alle twee,spraken af met elkander te trouwen.Jammer genoeg voor het paar —of een „paar” mocht het dus nog niet heeten —maakten de ouders bezwaar,want die wilden van vrijen niet weten.Vruchtloos der kindren geween!en tot overmaat nog van hun lijdenwaren zij buren, alleendoor een muur van elkander gescheiden.Dicht bij elkaar, en toch ver!In de muur was geen poort of geen deurtje,maar...... als een lichtende sterin den nacht scheen hun eenmaal een scheurtje,ergens verborgen in ’t groen,groot genoeg voor ’t verliefde gefluister,maar net te klein voor een zoen.Hier nu dweepten zij dikwijls in ’t duister.En om het blakende vuurhunner heimlijke liefde te blusschen,drukten zij elk op den muurbij het kiertje de klappendste kussen.O, dat gehate verbod!Is me dat een manier om te vrijen?’t Is maar een matig genotdat gezoen op die ijskoude keien!Eindlijk verwint zij haar schroom;hoor de schalken het schema beramen:„Onder den moerbeienboom,vlak bij Ninus’ graf, komen wij samen!”„Goed!” — Zoo gezegd zoo gedaan.Zie nu Thisbe ontsnappen... daar gaat ze...Zacht, bij het schijnsel der maan,sluipt ze voort, en is tijdig ter plaatse.Alles rondom ligt in droom;geen gevaar is in ’t duister te duchten.Hier is de moerbeienboom;hagelblank zijn de volrijpe vruchten.Plotsling verbleekt haar gelaat:een leeuwin ziet zij dreigend genaken,vlak bij de plaats waar ze staat,met van runderbloed druipende kaken!Snel, voor haar leven beducht,is nu Thisbe een grot in gekropen,maar, in haar angstige vluchtdaar ontslipt haar de sluier bij ’t loopen.Dezen verscheurt de leeuwin,en, teleurgesteld, langer niet wachtend,gaat zij de bosschen weer in,de nu bloedige flarden verachtend.Pyramus komt. — Ach! het roodvan den sluier, en ’t poot-merk in d’ aardezeggen hem: Thisbe is dood! —Heeft het leven voor hem nu nog waarde?Neen. Hij doorsteekt met het staalzich de borst in die droevigste stonde,rukt het weer uit, en een straalspuit omhoog uit de kokende wonde.
Pyramus en Thisbe,
zij, de lieflijkste onder de vrouwen,
vurig en jong alle twee,
spraken af met elkander te trouwen.
Jammer genoeg voor het paar —
of een „paar” mocht het dus nog niet heeten —
maakten de ouders bezwaar,
want die wilden van vrijen niet weten.
Vruchtloos der kindren geween!
en tot overmaat nog van hun lijden
waren zij buren, alleen
door een muur van elkander gescheiden.
Dicht bij elkaar, en toch ver!
In de muur was geen poort of geen deurtje,
maar...... als een lichtende ster
in den nacht scheen hun eenmaal een scheurtje,
ergens verborgen in ’t groen,
groot genoeg voor ’t verliefde gefluister,
maar net te klein voor een zoen.
Hier nu dweepten zij dikwijls in ’t duister.
En om het blakende vuur
hunner heimlijke liefde te blusschen,
drukten zij elk op den muur
bij het kiertje de klappendste kussen.
O, dat gehate verbod!
Is me dat een manier om te vrijen?
’t Is maar een matig genot
dat gezoen op die ijskoude keien!
Eindlijk verwint zij haar schroom;
hoor de schalken het schema beramen:
„Onder den moerbeienboom,
vlak bij Ninus’ graf, komen wij samen!”
„Goed!” — Zoo gezegd zoo gedaan.
Zie nu Thisbe ontsnappen... daar gaat ze...
Zacht, bij het schijnsel der maan,
sluipt ze voort, en is tijdig ter plaatse.
Alles rondom ligt in droom;
geen gevaar is in ’t duister te duchten.
Hier is de moerbeienboom;
hagelblank zijn de volrijpe vruchten.
Plotsling verbleekt haar gelaat:
een leeuwin ziet zij dreigend genaken,
vlak bij de plaats waar ze staat,
met van runderbloed druipende kaken!
Snel, voor haar leven beducht,
is nu Thisbe een grot in gekropen,
maar, in haar angstige vlucht
daar ontslipt haar de sluier bij ’t loopen.
Dezen verscheurt de leeuwin,
en, teleurgesteld, langer niet wachtend,
gaat zij de bosschen weer in,
de nu bloedige flarden verachtend.
Pyramus komt. — Ach! het rood
van den sluier, en ’t poot-merk in d’ aarde
zeggen hem: Thisbe is dood! —
Heeft het leven voor hem nu nog waarde?
Neen. Hij doorsteekt met het staal
zich de borst in die droevigste stonde,
rukt het weer uit, en een straal
spuit omhoog uit de kokende wonde.
Thisbe, verheugd, dat het lothaar den dood der verscheuring bespaarde,sluipt, nog bedeesd, uit den grot......ziet den bloedigen jongling ter aarde...werpt zich op ’t lijk met een gil......heft den dolk op, en rukt zich de tressen —„Boom!” krijt zij, „gij, die daar stil,overladen met sneeuwwitte bessen,staat, als getuige der smart,moog’ uw vrucht, als een blijk onzer pijnen,voortaan in ’t klaaglijke zwartvan den rouw voor de menschheid verschijnen!”’t Boezemblank bloedig bespet,zinkt zij neer, zich uit liefde vermoordend.Dat was haar laatste gebed —en genadige goden verhoorden ’t.........................................Als je knus moerbeien eet,zal je meestal wel ver van de smart zijn;toch is het goed dat je weethoe het komt, dat die vruchten zoo zwart zijn.
Thisbe, verheugd, dat het lot
haar den dood der verscheuring bespaarde,
sluipt, nog bedeesd, uit den grot......
ziet den bloedigen jongling ter aarde...
werpt zich op ’t lijk met een gil......
heft den dolk op, en rukt zich de tressen —
„Boom!” krijt zij, „gij, die daar stil,
overladen met sneeuwwitte bessen,
staat, als getuige der smart,
moog’ uw vrucht, als een blijk onzer pijnen,
voortaan in ’t klaaglijke zwart
van den rouw voor de menschheid verschijnen!”
’t Boezemblank bloedig bespet,
zinkt zij neer, zich uit liefde vermoordend.
Dat was haar laatste gebed —
en genadige goden verhoorden ’t.
........................................
Als je knus moerbeien eet,
zal je meestal wel ver van de smart zijn;
toch is het goed dat je weet
hoe het komt, dat die vruchten zoo zwart zijn.
Jupiter — alias Zeus —met god Hermes, vermomd als mortalen,zochten een veilig tehuisop een zwerftocht door Phrygië’s dalen.Iedere deur was op slot;zij beproefden aan honderden huizen —overal vingen zij bot,tot zij klopten aan ’t kleinste der kluizen.Daar, voor zijn jaren nog vlug,woont Philemon, de grijsaard, en Baucis,grauw, en gebogen van rug,dus je hoeft niet te vragen hoe oud z’ is!Teeder beminde hij haar;en van ouds, door de liefde verbonden,woont er het waardige paar,zonder geld, zonder goed — zonder zonden.Daar, in die schamele hut,met wat riet overdekt en wat zoden,zwak en bouwvallig gestut,wordt den zwervers gastvrijheid geboden.Snel zoekt Philemon een bankvoor de gaste’ in een donkeren hoek op;knoestig en hard is de plank,maar de vrouw legt er dalijk een doek op.Zij blaast het smeulende vuurtot de vlammen al lekken en laaien,hij haalt het spek uit de schuur.en het bestje begint het te braaien.Spoedig is alles gereed,en als Baucis de tafel gaat dekken,— proper, maar oud is het kleed —kort Philemon den tijd met gesprekken.En, daar één poot van den disch,door den ouderdom wankel geworde’,korter dan d’ anderen is,maakt hij dat met een potscherf in orde.Baucis brengt wat ze bezit;in de kast mag geen kruimeltje blijven:eieren, goudgeel en wit,kaas en brood, en Minerva’s olijven.Knus in een mandje van rietligt de noot bij de rijpe kornoelje —Weelde die vin je daar niet,maar hethartis zoo goed. En dat voel je.Dan nog een appel, een peer,voor dessert een beschuitje met honing;aardbeien zijn er niet meer,maar wel druiven. Tot slot en bekroningkomt er nog wijn. Maar o schrik!toen zij schonken, den gasten tot hulde,zag hun verstarrende blikdat de kan zich van zelve weer vulde!Biddende zijgen zij neer;ja, nu zien ze ’t de gasten zijn goden!„Straft ons, o goôn, niet te zeervoor het schamele maal dat wij boden!”stamelt Philemon, en thansgaat hij gauw in de gaarde daar achter’t offerdier grijpen: een gansdie zij hielden bij huis, als een wachter.Vlug vliegt de vogel bevreesdin de hut, en zoekt heul bij de goden;deze beschermen het beesten verbieden den man het te dooden.„Braven!” zoo zeggen de goôn,„onze gunst hebt gij weten te werven;spreekt! wat verlangt gij als loon?Uw nabuurschap zal smadelijk sterven!”„Dat g’ ons uw dienaren maakt,”zegt Philemon, „en ’t zij ons gegeven,dat, als het einde genaakt,wij malkanderen niet overleven!”Zoo is geschied. In een poelligt de bodem der buren verzonken;d’ oudjes bereiken hun doel,want het priesterschap wordt hun geschonken.d’ Arme, bouwvallige kluis,riet-bedekt en met ranken omlooverd,wordt op een teeken van Zeusin een statigen tempel vertooverd.Jaren nog dienden zij daarals de priesters in Jupiter’s tempel.Eens op een dag stond het paarvoor den dienst op den heiligen drempel,toen zij bemerkten, dat plotsaan hun lichamen takken ontsproten;dit was de gave des godsen het loon voor de goede genooten:Godes genadig bestel,dat hun einde gelijk zoude komen.Zwak klonk het tweemaal: „Vaarwel......!”Toen veranderden beiden in boomen.........................................Schriel zijn is slecht, maar ook dom;geef je gasten dus volop te eten.’k Zeg het niet erregens om,maar enfin, hè, je kunt toch nooit weten...
Jupiter — alias Zeus —met god Hermes, vermomd als mortalen,zochten een veilig tehuisop een zwerftocht door Phrygië’s dalen.Iedere deur was op slot;zij beproefden aan honderden huizen —overal vingen zij bot,tot zij klopten aan ’t kleinste der kluizen.Daar, voor zijn jaren nog vlug,woont Philemon, de grijsaard, en Baucis,grauw, en gebogen van rug,dus je hoeft niet te vragen hoe oud z’ is!Teeder beminde hij haar;en van ouds, door de liefde verbonden,woont er het waardige paar,zonder geld, zonder goed — zonder zonden.Daar, in die schamele hut,met wat riet overdekt en wat zoden,zwak en bouwvallig gestut,wordt den zwervers gastvrijheid geboden.Snel zoekt Philemon een bankvoor de gaste’ in een donkeren hoek op;knoestig en hard is de plank,maar de vrouw legt er dalijk een doek op.Zij blaast het smeulende vuurtot de vlammen al lekken en laaien,hij haalt het spek uit de schuur.en het bestje begint het te braaien.Spoedig is alles gereed,en als Baucis de tafel gaat dekken,— proper, maar oud is het kleed —kort Philemon den tijd met gesprekken.En, daar één poot van den disch,door den ouderdom wankel geworde’,korter dan d’ anderen is,maakt hij dat met een potscherf in orde.Baucis brengt wat ze bezit;in de kast mag geen kruimeltje blijven:eieren, goudgeel en wit,kaas en brood, en Minerva’s olijven.Knus in een mandje van rietligt de noot bij de rijpe kornoelje —Weelde die vin je daar niet,maar hethartis zoo goed. En dat voel je.Dan nog een appel, een peer,voor dessert een beschuitje met honing;aardbeien zijn er niet meer,maar wel druiven. Tot slot en bekroningkomt er nog wijn. Maar o schrik!toen zij schonken, den gasten tot hulde,zag hun verstarrende blikdat de kan zich van zelve weer vulde!Biddende zijgen zij neer;ja, nu zien ze ’t de gasten zijn goden!„Straft ons, o goôn, niet te zeervoor het schamele maal dat wij boden!”stamelt Philemon, en thansgaat hij gauw in de gaarde daar achter’t offerdier grijpen: een gansdie zij hielden bij huis, als een wachter.Vlug vliegt de vogel bevreesdin de hut, en zoekt heul bij de goden;deze beschermen het beesten verbieden den man het te dooden.„Braven!” zoo zeggen de goôn,„onze gunst hebt gij weten te werven;spreekt! wat verlangt gij als loon?Uw nabuurschap zal smadelijk sterven!”„Dat g’ ons uw dienaren maakt,”zegt Philemon, „en ’t zij ons gegeven,dat, als het einde genaakt,wij malkanderen niet overleven!”Zoo is geschied. In een poelligt de bodem der buren verzonken;d’ oudjes bereiken hun doel,want het priesterschap wordt hun geschonken.d’ Arme, bouwvallige kluis,riet-bedekt en met ranken omlooverd,wordt op een teeken van Zeusin een statigen tempel vertooverd.Jaren nog dienden zij daarals de priesters in Jupiter’s tempel.Eens op een dag stond het paarvoor den dienst op den heiligen drempel,toen zij bemerkten, dat plotsaan hun lichamen takken ontsproten;dit was de gave des godsen het loon voor de goede genooten:Godes genadig bestel,dat hun einde gelijk zoude komen.Zwak klonk het tweemaal: „Vaarwel......!”Toen veranderden beiden in boomen.........................................Schriel zijn is slecht, maar ook dom;geef je gasten dus volop te eten.’k Zeg het niet erregens om,maar enfin, hè, je kunt toch nooit weten...
Jupiter — alias Zeus —met god Hermes, vermomd als mortalen,zochten een veilig tehuisop een zwerftocht door Phrygië’s dalen.Iedere deur was op slot;zij beproefden aan honderden huizen —overal vingen zij bot,tot zij klopten aan ’t kleinste der kluizen.Daar, voor zijn jaren nog vlug,woont Philemon, de grijsaard, en Baucis,grauw, en gebogen van rug,dus je hoeft niet te vragen hoe oud z’ is!Teeder beminde hij haar;en van ouds, door de liefde verbonden,woont er het waardige paar,zonder geld, zonder goed — zonder zonden.Daar, in die schamele hut,met wat riet overdekt en wat zoden,zwak en bouwvallig gestut,wordt den zwervers gastvrijheid geboden.Snel zoekt Philemon een bankvoor de gaste’ in een donkeren hoek op;knoestig en hard is de plank,maar de vrouw legt er dalijk een doek op.Zij blaast het smeulende vuurtot de vlammen al lekken en laaien,hij haalt het spek uit de schuur.en het bestje begint het te braaien.Spoedig is alles gereed,en als Baucis de tafel gaat dekken,— proper, maar oud is het kleed —kort Philemon den tijd met gesprekken.En, daar één poot van den disch,door den ouderdom wankel geworde’,korter dan d’ anderen is,maakt hij dat met een potscherf in orde.Baucis brengt wat ze bezit;in de kast mag geen kruimeltje blijven:eieren, goudgeel en wit,kaas en brood, en Minerva’s olijven.Knus in een mandje van rietligt de noot bij de rijpe kornoelje —Weelde die vin je daar niet,maar hethartis zoo goed. En dat voel je.Dan nog een appel, een peer,voor dessert een beschuitje met honing;aardbeien zijn er niet meer,maar wel druiven. Tot slot en bekroningkomt er nog wijn. Maar o schrik!toen zij schonken, den gasten tot hulde,zag hun verstarrende blikdat de kan zich van zelve weer vulde!Biddende zijgen zij neer;ja, nu zien ze ’t de gasten zijn goden!„Straft ons, o goôn, niet te zeervoor het schamele maal dat wij boden!”stamelt Philemon, en thansgaat hij gauw in de gaarde daar achter’t offerdier grijpen: een gansdie zij hielden bij huis, als een wachter.Vlug vliegt de vogel bevreesdin de hut, en zoekt heul bij de goden;deze beschermen het beesten verbieden den man het te dooden.„Braven!” zoo zeggen de goôn,„onze gunst hebt gij weten te werven;spreekt! wat verlangt gij als loon?Uw nabuurschap zal smadelijk sterven!”„Dat g’ ons uw dienaren maakt,”zegt Philemon, „en ’t zij ons gegeven,dat, als het einde genaakt,wij malkanderen niet overleven!”Zoo is geschied. In een poelligt de bodem der buren verzonken;d’ oudjes bereiken hun doel,want het priesterschap wordt hun geschonken.d’ Arme, bouwvallige kluis,riet-bedekt en met ranken omlooverd,wordt op een teeken van Zeusin een statigen tempel vertooverd.Jaren nog dienden zij daarals de priesters in Jupiter’s tempel.
Jupiter — alias Zeus —
met god Hermes, vermomd als mortalen,
zochten een veilig tehuis
op een zwerftocht door Phrygië’s dalen.
Iedere deur was op slot;
zij beproefden aan honderden huizen —
overal vingen zij bot,
tot zij klopten aan ’t kleinste der kluizen.
Daar, voor zijn jaren nog vlug,
woont Philemon, de grijsaard, en Baucis,
grauw, en gebogen van rug,
dus je hoeft niet te vragen hoe oud z’ is!
Teeder beminde hij haar;
en van ouds, door de liefde verbonden,
woont er het waardige paar,
zonder geld, zonder goed — zonder zonden.
Daar, in die schamele hut,
met wat riet overdekt en wat zoden,
zwak en bouwvallig gestut,
wordt den zwervers gastvrijheid geboden.
Snel zoekt Philemon een bank
voor de gaste’ in een donkeren hoek op;
knoestig en hard is de plank,
maar de vrouw legt er dalijk een doek op.
Zij blaast het smeulende vuur
tot de vlammen al lekken en laaien,
hij haalt het spek uit de schuur.
en het bestje begint het te braaien.
Spoedig is alles gereed,
en als Baucis de tafel gaat dekken,
— proper, maar oud is het kleed —
kort Philemon den tijd met gesprekken.
En, daar één poot van den disch,
door den ouderdom wankel geworde’,
korter dan d’ anderen is,
maakt hij dat met een potscherf in orde.
Baucis brengt wat ze bezit;
in de kast mag geen kruimeltje blijven:
eieren, goudgeel en wit,
kaas en brood, en Minerva’s olijven.
Knus in een mandje van riet
ligt de noot bij de rijpe kornoelje —
Weelde die vin je daar niet,
maar hethartis zoo goed. En dat voel je.
Dan nog een appel, een peer,
voor dessert een beschuitje met honing;
aardbeien zijn er niet meer,
maar wel druiven. Tot slot en bekroning
komt er nog wijn. Maar o schrik!
toen zij schonken, den gasten tot hulde,
zag hun verstarrende blik
dat de kan zich van zelve weer vulde!
Biddende zijgen zij neer;
ja, nu zien ze ’t de gasten zijn goden!
„Straft ons, o goôn, niet te zeer
voor het schamele maal dat wij boden!”
stamelt Philemon, en thans
gaat hij gauw in de gaarde daar achter
’t offerdier grijpen: een gans
die zij hielden bij huis, als een wachter.
Vlug vliegt de vogel bevreesd
in de hut, en zoekt heul bij de goden;
deze beschermen het beest
en verbieden den man het te dooden.
„Braven!” zoo zeggen de goôn,
„onze gunst hebt gij weten te werven;
spreekt! wat verlangt gij als loon?
Uw nabuurschap zal smadelijk sterven!”
„Dat g’ ons uw dienaren maakt,”
zegt Philemon, „en ’t zij ons gegeven,
dat, als het einde genaakt,
wij malkanderen niet overleven!”
Zoo is geschied. In een poel
ligt de bodem der buren verzonken;
d’ oudjes bereiken hun doel,
want het priesterschap wordt hun geschonken.
d’ Arme, bouwvallige kluis,
riet-bedekt en met ranken omlooverd,
wordt op een teeken van Zeus
in een statigen tempel vertooverd.
Jaren nog dienden zij daar
als de priesters in Jupiter’s tempel.
Eens op een dag stond het paarvoor den dienst op den heiligen drempel,toen zij bemerkten, dat plotsaan hun lichamen takken ontsproten;dit was de gave des godsen het loon voor de goede genooten:Godes genadig bestel,dat hun einde gelijk zoude komen.Zwak klonk het tweemaal: „Vaarwel......!”Toen veranderden beiden in boomen.........................................Schriel zijn is slecht, maar ook dom;geef je gasten dus volop te eten.’k Zeg het niet erregens om,maar enfin, hè, je kunt toch nooit weten...
Eens op een dag stond het paar
voor den dienst op den heiligen drempel,
toen zij bemerkten, dat plots
aan hun lichamen takken ontsproten;
dit was de gave des gods
en het loon voor de goede genooten:
Godes genadig bestel,
dat hun einde gelijk zoude komen.
Zwak klonk het tweemaal: „Vaarwel......!”
Toen veranderden beiden in boomen.
........................................
Schriel zijn is slecht, maar ook dom;
geef je gasten dus volop te eten.
’k Zeg het niet erregens om,
maar enfin, hè, je kunt toch nooit weten...
Phaëton, Clymene’s zoon,kreeg van Epaphus telkens te hooren,— mokkend verkroppend den hoon —dat hij niet uit een god was geboren.Clymene klaagt hij zijn leed,en hij smeekt haar: „Verklaar het mij nader,moeder, bewijs wat gij weet!Is het waar, is Apollo mijn vader?”„Ga naar het Zonnepaleis,”was het antwoord, „leg Sol zelf de vraag voor.’t Is mij wat moeilijk, die reis,anders ging ’k met je mee, jongen — graag hoor!”’t Prachtig paleis van den vorstprijkt in pralenden pronk in den hoogen;’t dak van kolommen getorst,diamanten en goud aan de bogen.Mulciber zelf had de poortvan het zuivere zilver gedreven:’t zwerk, waar de zonne van gloort,en het land, van de zeeën omgeven.Schuchter, met wankelen voet,nadert Phaëton — zal hij het wagen?Nauwelijks kan hij den gloed,de verblindende schitring verdragen.Daar, op den goudenen troon,zit de god van de laaiende lichten,stralende, schitterend schoon,om het voorhoofd de vurige schichten.Rondom hem heen staat zijn schaarsatellieten, gecierd van festoenen:’t Uur en de Dag en het Jaar;naast de Maand en de Eeuw, de Seizoenen.„Phaëton!” zegt hij verbaasd,„wat verlangt ge? Wees welkom, treed nader!”Dalijk, in koortsigen haast,roept de knaap: „O, bewijs mij, mijn vader,dat ik uw zoon ben!” — „Ik zweer ’t!”antwoordt Phoebus, „en ’k geef — ten bewijze —Phaëton, wat ge begeert!”„O, zoo moog ik een enkele reize,mennen uw vurige span......”en de vader ten diepste verslagen,dat hij niet weigeren kan,brengt zijn telg naar den vlammenden wagen,balsemt hem lijf en gelaat,dat de gloed ze niet moge verbranden,en, na veel woorden van raad,legt de teugels den knaap in de handen.Snel, op des Zonnegods woord,dat het wonder des dags ga geschieden,opent Aurora de poort,en de Starren verbleeken, en vlieden.Phaëton’s hand is onvast,en het vierspan, gehoefd en gevleugeld,vliegt met den veerlichten lastdoor het zwerk, noch geleid, noch beteugeld.Voort! nu eens scheef, dan weer rechtgaan de rossen, die nimmer vermoeid zijn,hooger, en laag — en men zegt,dat de Mooren er zwart door geschroeid zijn.Heviger blakert de gloed,dien geen sterveling meer kan verdragen;vuur blaast het vierspan verwoed,en de vlammen slaan hoog uit den wagen.Eindelijk, hijgend en heet,stort de knaap, wien de teugels ontgleden,met een ontzettenden kreet,half verzengd en ontzield naar beneden.’t Vlammende haar om het hoofdleek het licht van een vallende sterre,plots in de ruimte gedoofd —en hij viel, van zijn vaderland verre.’t Lichaam, met roetstof bedekt,werd, met geurende bloemen beladen,zacht in de groeve gestrektdoor de weenende Weste-Najaden.........................................Streng was des jongelings straf;en nu kun je van Phaëton leeren:ben j’ al van hooge komaf,daarom kun je maar zóó niet chauffeeren.
Phaëton, Clymene’s zoon,kreeg van Epaphus telkens te hooren,— mokkend verkroppend den hoon —dat hij niet uit een god was geboren.Clymene klaagt hij zijn leed,en hij smeekt haar: „Verklaar het mij nader,moeder, bewijs wat gij weet!Is het waar, is Apollo mijn vader?”„Ga naar het Zonnepaleis,”was het antwoord, „leg Sol zelf de vraag voor.’t Is mij wat moeilijk, die reis,anders ging ’k met je mee, jongen — graag hoor!”’t Prachtig paleis van den vorstprijkt in pralenden pronk in den hoogen;’t dak van kolommen getorst,diamanten en goud aan de bogen.Mulciber zelf had de poortvan het zuivere zilver gedreven:’t zwerk, waar de zonne van gloort,en het land, van de zeeën omgeven.Schuchter, met wankelen voet,nadert Phaëton — zal hij het wagen?Nauwelijks kan hij den gloed,de verblindende schitring verdragen.Daar, op den goudenen troon,zit de god van de laaiende lichten,stralende, schitterend schoon,om het voorhoofd de vurige schichten.Rondom hem heen staat zijn schaarsatellieten, gecierd van festoenen:’t Uur en de Dag en het Jaar;naast de Maand en de Eeuw, de Seizoenen.„Phaëton!” zegt hij verbaasd,„wat verlangt ge? Wees welkom, treed nader!”Dalijk, in koortsigen haast,roept de knaap: „O, bewijs mij, mijn vader,dat ik uw zoon ben!” — „Ik zweer ’t!”antwoordt Phoebus, „en ’k geef — ten bewijze —Phaëton, wat ge begeert!”„O, zoo moog ik een enkele reize,mennen uw vurige span......”en de vader ten diepste verslagen,dat hij niet weigeren kan,brengt zijn telg naar den vlammenden wagen,balsemt hem lijf en gelaat,dat de gloed ze niet moge verbranden,en, na veel woorden van raad,legt de teugels den knaap in de handen.Snel, op des Zonnegods woord,dat het wonder des dags ga geschieden,opent Aurora de poort,en de Starren verbleeken, en vlieden.Phaëton’s hand is onvast,en het vierspan, gehoefd en gevleugeld,vliegt met den veerlichten lastdoor het zwerk, noch geleid, noch beteugeld.Voort! nu eens scheef, dan weer rechtgaan de rossen, die nimmer vermoeid zijn,hooger, en laag — en men zegt,dat de Mooren er zwart door geschroeid zijn.Heviger blakert de gloed,dien geen sterveling meer kan verdragen;vuur blaast het vierspan verwoed,en de vlammen slaan hoog uit den wagen.Eindelijk, hijgend en heet,stort de knaap, wien de teugels ontgleden,met een ontzettenden kreet,half verzengd en ontzield naar beneden.’t Vlammende haar om het hoofdleek het licht van een vallende sterre,plots in de ruimte gedoofd —en hij viel, van zijn vaderland verre.’t Lichaam, met roetstof bedekt,werd, met geurende bloemen beladen,zacht in de groeve gestrektdoor de weenende Weste-Najaden.........................................Streng was des jongelings straf;en nu kun je van Phaëton leeren:ben j’ al van hooge komaf,daarom kun je maar zóó niet chauffeeren.
Phaëton, Clymene’s zoon,kreeg van Epaphus telkens te hooren,— mokkend verkroppend den hoon —dat hij niet uit een god was geboren.Clymene klaagt hij zijn leed,en hij smeekt haar: „Verklaar het mij nader,moeder, bewijs wat gij weet!Is het waar, is Apollo mijn vader?”„Ga naar het Zonnepaleis,”was het antwoord, „leg Sol zelf de vraag voor.’t Is mij wat moeilijk, die reis,anders ging ’k met je mee, jongen — graag hoor!”
Phaëton, Clymene’s zoon,
kreeg van Epaphus telkens te hooren,
— mokkend verkroppend den hoon —
dat hij niet uit een god was geboren.
Clymene klaagt hij zijn leed,
en hij smeekt haar: „Verklaar het mij nader,
moeder, bewijs wat gij weet!
Is het waar, is Apollo mijn vader?”
„Ga naar het Zonnepaleis,”
was het antwoord, „leg Sol zelf de vraag voor.
’t Is mij wat moeilijk, die reis,
anders ging ’k met je mee, jongen — graag hoor!”
’t Prachtig paleis van den vorstprijkt in pralenden pronk in den hoogen;’t dak van kolommen getorst,diamanten en goud aan de bogen.Mulciber zelf had de poortvan het zuivere zilver gedreven:’t zwerk, waar de zonne van gloort,en het land, van de zeeën omgeven.
’t Prachtig paleis van den vorst
prijkt in pralenden pronk in den hoogen;
’t dak van kolommen getorst,
diamanten en goud aan de bogen.
Mulciber zelf had de poort
van het zuivere zilver gedreven:
’t zwerk, waar de zonne van gloort,
en het land, van de zeeën omgeven.
Schuchter, met wankelen voet,nadert Phaëton — zal hij het wagen?Nauwelijks kan hij den gloed,de verblindende schitring verdragen.Daar, op den goudenen troon,zit de god van de laaiende lichten,stralende, schitterend schoon,om het voorhoofd de vurige schichten.Rondom hem heen staat zijn schaarsatellieten, gecierd van festoenen:’t Uur en de Dag en het Jaar;naast de Maand en de Eeuw, de Seizoenen.
Schuchter, met wankelen voet,
nadert Phaëton — zal hij het wagen?
Nauwelijks kan hij den gloed,
de verblindende schitring verdragen.
Daar, op den goudenen troon,
zit de god van de laaiende lichten,
stralende, schitterend schoon,
om het voorhoofd de vurige schichten.
Rondom hem heen staat zijn schaar
satellieten, gecierd van festoenen:
’t Uur en de Dag en het Jaar;
naast de Maand en de Eeuw, de Seizoenen.
„Phaëton!” zegt hij verbaasd,„wat verlangt ge? Wees welkom, treed nader!”Dalijk, in koortsigen haast,roept de knaap: „O, bewijs mij, mijn vader,dat ik uw zoon ben!” — „Ik zweer ’t!”antwoordt Phoebus, „en ’k geef — ten bewijze —Phaëton, wat ge begeert!”„O, zoo moog ik een enkele reize,mennen uw vurige span......”en de vader ten diepste verslagen,dat hij niet weigeren kan,brengt zijn telg naar den vlammenden wagen,balsemt hem lijf en gelaat,dat de gloed ze niet moge verbranden,en, na veel woorden van raad,legt de teugels den knaap in de handen.
„Phaëton!” zegt hij verbaasd,
„wat verlangt ge? Wees welkom, treed nader!”
Dalijk, in koortsigen haast,
roept de knaap: „O, bewijs mij, mijn vader,
dat ik uw zoon ben!” — „Ik zweer ’t!”
antwoordt Phoebus, „en ’k geef — ten bewijze —
Phaëton, wat ge begeert!”
„O, zoo moog ik een enkele reize,
mennen uw vurige span......”
en de vader ten diepste verslagen,
dat hij niet weigeren kan,
brengt zijn telg naar den vlammenden wagen,
balsemt hem lijf en gelaat,
dat de gloed ze niet moge verbranden,
en, na veel woorden van raad,
legt de teugels den knaap in de handen.
Snel, op des Zonnegods woord,dat het wonder des dags ga geschieden,opent Aurora de poort,en de Starren verbleeken, en vlieden.Phaëton’s hand is onvast,en het vierspan, gehoefd en gevleugeld,vliegt met den veerlichten lastdoor het zwerk, noch geleid, noch beteugeld.Voort! nu eens scheef, dan weer rechtgaan de rossen, die nimmer vermoeid zijn,hooger, en laag — en men zegt,dat de Mooren er zwart door geschroeid zijn.
Snel, op des Zonnegods woord,
dat het wonder des dags ga geschieden,
opent Aurora de poort,
en de Starren verbleeken, en vlieden.
Phaëton’s hand is onvast,
en het vierspan, gehoefd en gevleugeld,
vliegt met den veerlichten last
door het zwerk, noch geleid, noch beteugeld.
Voort! nu eens scheef, dan weer recht
gaan de rossen, die nimmer vermoeid zijn,
hooger, en laag — en men zegt,
dat de Mooren er zwart door geschroeid zijn.
Heviger blakert de gloed,dien geen sterveling meer kan verdragen;vuur blaast het vierspan verwoed,en de vlammen slaan hoog uit den wagen.Eindelijk, hijgend en heet,stort de knaap, wien de teugels ontgleden,met een ontzettenden kreet,half verzengd en ontzield naar beneden.’t Vlammende haar om het hoofdleek het licht van een vallende sterre,plots in de ruimte gedoofd —en hij viel, van zijn vaderland verre.’t Lichaam, met roetstof bedekt,werd, met geurende bloemen beladen,zacht in de groeve gestrektdoor de weenende Weste-Najaden.........................................Streng was des jongelings straf;en nu kun je van Phaëton leeren:ben j’ al van hooge komaf,daarom kun je maar zóó niet chauffeeren.
Heviger blakert de gloed,
dien geen sterveling meer kan verdragen;
vuur blaast het vierspan verwoed,
en de vlammen slaan hoog uit den wagen.
Eindelijk, hijgend en heet,
stort de knaap, wien de teugels ontgleden,
met een ontzettenden kreet,
half verzengd en ontzield naar beneden.
’t Vlammende haar om het hoofd
leek het licht van een vallende sterre,
plots in de ruimte gedoofd —
en hij viel, van zijn vaderland verre.
’t Lichaam, met roetstof bedekt,
werd, met geurende bloemen beladen,
zacht in de groeve gestrekt
door de weenende Weste-Najaden.
........................................
Streng was des jongelings straf;
en nu kun je van Phaëton leeren:
ben j’ al van hooge komaf,
daarom kun je maar zóó niet chauffeeren.
(Fragment)
DE KOMST DER BATAVIEREN. — ZEDEN EN GEWOONTEN. — GODSDIENST.
DE KOMST DER BATAVIEREN. — ZEDEN EN GEWOONTEN. — GODSDIENST.
Verzot op jacht en spel, maar wakker en rechtschapen,Aan woord en vriendschap trouw, geducht in ’t oorlogswapen,En Rome’s achting waard was Fries en Batavier.Met recht is ’t nageslacht op zulk een herkomst fier.Van Lennep.
Verzot op jacht en spel, maar wakker en rechtschapen,Aan woord en vriendschap trouw, geducht in ’t oorlogswapen,En Rome’s achting waard was Fries en Batavier.Met recht is ’t nageslacht op zulk een herkomst fier.Van Lennep.
Verzot op jacht en spel, maar wakker en rechtschapen,Aan woord en vriendschap trouw, geducht in ’t oorlogswapen,En Rome’s achting waard was Fries en Batavier.Met recht is ’t nageslacht op zulk een herkomst fier.
Verzot op jacht en spel, maar wakker en rechtschapen,
Aan woord en vriendschap trouw, geducht in ’t oorlogswapen,
En Rome’s achting waard was Fries en Batavier.
Met recht is ’t nageslacht op zulk een herkomst fier.
Van Lennep.
Van Lennep.
O, jeugd van Nederland! Door burgerzin gedrevenHeb ik dit heldendicht om uwentwil geschreven.Het fraaist geschenk, wellicht, dat u te bieden is:Een rijmenrijk relaas van ’s Lands Geschiedenis.Mocht soms een stille lach uw jonge lippen krullen,Mocht soms een enkle traan tersluik uw ooghoek vullen —Het zij zoo. ’t Zou me niet verbazen. Want ik weet:Niets treft ons dieper dan der Vaadren Lief en Leed.Voorzeker is dit vaers voor kinderen geschreven:’t Verleden hoort aan hen, die in de Toekomst leven;Maar wellicht geeft het soms ook iets voor hart en hoofdAan hem, die niet meer aan den ooievaar gelooft.Aanschouwt dan ’t bont tafreel, dat ik u voor zal leggen!En als het je verveelt, dan mag je ’t eerlijk zeggen.In overoude tijden zag ons grondgebiedEr anders uit dan nu. Zoo was er toen nog nietDie groote zilte plas, deZuiderzeegeheeten;Daar was hetFlevo-meer. Zooals je wel zult weten,Bestaat er kans dat deze toestand wordt hersteld;Een dure karrewei; enfin, de Staat heeft geld.In Duitschland, ver in Hessen, woonde ’t volk derKatten,Die, door den buur getergd, ’t wanhopig plan opvattenTe wijken voor de macht. Zij hollen boomen uit;Zoo maakt zich elk in haast een primitieve schuit,Om in zoo’n hollen stam denRijnstroomaf te zakken.Zij hadden roer noch zeil; zij stuwden zich met takken.En wie niet mee mocht zakken in een hollen boom,Staat daar in wanhoop aan den oever van den stroom;Hij ziet zijn makkers gaan, en voelt een droef verlangenOm zich aan een niet-hollen boomstam op te hangen.Zoo zakken zij in holle boomen naar ons land.Hier woont deMarezaat, deFriesen deTubant,En ’t volk, dat geen konijn in ’t duin met rust kan laten,Dat blijkt wel uit hun naam — nietwaar? — „Kaninefaten.”De holleboomers zochten ’t centrum. Toen ontstondDe naam van:Batavier(Bat ouwe, „goede grond.”)’t Is mijn gewoonte niet, adviezen op te dringen,Maar ik had ze genoemd: deHolleboomelingen.Het juiste jaartal is natuurlijk niet bekend;’t Moet 100 Jaar v. C. zijn, of daaromtrent.Nu. Al die volken waren eigenlijkGermanen,(Wat heel wat anders is danDuitsche onderdanen!)Hun haar was blond, hun oogen blauw, hun tanden wit,Want koekjes noch tabak bedierven hun gebit.De oudren hulden zich in wildebeesten-vellen,Wasch-echt en weinig sleetsch, gemaklijk te verstellen;Die werden aan den hals met doornen vastgehaakt;De jeugd liep, net als nu de dames dikwijls, naakt.Hun hutten bouwden zij opwoerdenof opterpen.Hun sport — goddank geen voetbal — was het speren werpen.Veel heeft men heden nog, maar ’t ging toen minder grof;Zij reden niemand dood, en spreidden stank noch stof.Voorts had men ’t zwemvermaak, het worstlen en het rijden,Het klimmen in den boom, en ’s winters ’t baantje glijden.Zij leefden van de jacht en van de visscherij,En verder at men honig, fruit, en gerstebrij.Hun drank wasmedeof bier. Ja, ons gebruik van bierenDateert nog uit den tijd der oude Batavieren.Het was een moedig ras, zoo eerelijk als goud,Maar dol op dobbelen — een nog bestaande fout.Hun eens gegeven woord, daar kon je op vertrouwen.Ze gingen wel eens uit, maar nooit met rare vrouwen.De vaderlijke macht was onbeperkt. Maar, ja —’k Vindonzekinderen veel te vrij met hun papa.De Batavier was te beschaafd om zelf te werken;Wie werkte, was: deslaaf. En hieruit kun je merken,Hoe naam en daad veranderd zijn op dit gebied,Wantwerkmanheet hij nu, enwerkendoet hij niet.De taak in huis werd door de vrouwen waargenomen —Daar moet je bij de damesnumaar eens om komen!De dooden werden steeds op stapels hout verbrand:Aan wurmen voeren had de Batavier het land.Door al die volken werd hetHeidendombeleden;Toch was er net zooveel schijnheiligheid als heden.De oppergod wasWodan, sterk, maar zacht van zin,En verderDonar(zoon), enFreya(gemalin),Waarvan menDonder-dagenVrij-dagaf moet leien;Dus niet, zooals je dacht, vandonderenen vanvrijen.Walhallaheette ’t hemelrijk, waar ook de menschKwam leven na den dood. Hij had het daar naar wensch,Want daar zat men zich niet bij harpspel te vervelen,Maar dronk men lekker, ijskoud bier uit bekkeneelen.
O, jeugd van Nederland! Door burgerzin gedrevenHeb ik dit heldendicht om uwentwil geschreven.Het fraaist geschenk, wellicht, dat u te bieden is:Een rijmenrijk relaas van ’s Lands Geschiedenis.Mocht soms een stille lach uw jonge lippen krullen,Mocht soms een enkle traan tersluik uw ooghoek vullen —Het zij zoo. ’t Zou me niet verbazen. Want ik weet:Niets treft ons dieper dan der Vaadren Lief en Leed.Voorzeker is dit vaers voor kinderen geschreven:’t Verleden hoort aan hen, die in de Toekomst leven;Maar wellicht geeft het soms ook iets voor hart en hoofdAan hem, die niet meer aan den ooievaar gelooft.Aanschouwt dan ’t bont tafreel, dat ik u voor zal leggen!En als het je verveelt, dan mag je ’t eerlijk zeggen.In overoude tijden zag ons grondgebiedEr anders uit dan nu. Zoo was er toen nog nietDie groote zilte plas, deZuiderzeegeheeten;Daar was hetFlevo-meer. Zooals je wel zult weten,Bestaat er kans dat deze toestand wordt hersteld;Een dure karrewei; enfin, de Staat heeft geld.In Duitschland, ver in Hessen, woonde ’t volk derKatten,Die, door den buur getergd, ’t wanhopig plan opvattenTe wijken voor de macht. Zij hollen boomen uit;Zoo maakt zich elk in haast een primitieve schuit,Om in zoo’n hollen stam denRijnstroomaf te zakken.Zij hadden roer noch zeil; zij stuwden zich met takken.En wie niet mee mocht zakken in een hollen boom,Staat daar in wanhoop aan den oever van den stroom;Hij ziet zijn makkers gaan, en voelt een droef verlangenOm zich aan een niet-hollen boomstam op te hangen.Zoo zakken zij in holle boomen naar ons land.Hier woont deMarezaat, deFriesen deTubant,En ’t volk, dat geen konijn in ’t duin met rust kan laten,Dat blijkt wel uit hun naam — nietwaar? — „Kaninefaten.”De holleboomers zochten ’t centrum. Toen ontstondDe naam van:Batavier(Bat ouwe, „goede grond.”)’t Is mijn gewoonte niet, adviezen op te dringen,Maar ik had ze genoemd: deHolleboomelingen.Het juiste jaartal is natuurlijk niet bekend;’t Moet 100 Jaar v. C. zijn, of daaromtrent.Nu. Al die volken waren eigenlijkGermanen,(Wat heel wat anders is danDuitsche onderdanen!)Hun haar was blond, hun oogen blauw, hun tanden wit,Want koekjes noch tabak bedierven hun gebit.De oudren hulden zich in wildebeesten-vellen,Wasch-echt en weinig sleetsch, gemaklijk te verstellen;Die werden aan den hals met doornen vastgehaakt;De jeugd liep, net als nu de dames dikwijls, naakt.Hun hutten bouwden zij opwoerdenof opterpen.Hun sport — goddank geen voetbal — was het speren werpen.Veel heeft men heden nog, maar ’t ging toen minder grof;Zij reden niemand dood, en spreidden stank noch stof.Voorts had men ’t zwemvermaak, het worstlen en het rijden,Het klimmen in den boom, en ’s winters ’t baantje glijden.Zij leefden van de jacht en van de visscherij,En verder at men honig, fruit, en gerstebrij.Hun drank wasmedeof bier. Ja, ons gebruik van bierenDateert nog uit den tijd der oude Batavieren.Het was een moedig ras, zoo eerelijk als goud,Maar dol op dobbelen — een nog bestaande fout.Hun eens gegeven woord, daar kon je op vertrouwen.Ze gingen wel eens uit, maar nooit met rare vrouwen.De vaderlijke macht was onbeperkt. Maar, ja —’k Vindonzekinderen veel te vrij met hun papa.De Batavier was te beschaafd om zelf te werken;Wie werkte, was: deslaaf. En hieruit kun je merken,Hoe naam en daad veranderd zijn op dit gebied,Wantwerkmanheet hij nu, enwerkendoet hij niet.De taak in huis werd door de vrouwen waargenomen —Daar moet je bij de damesnumaar eens om komen!De dooden werden steeds op stapels hout verbrand:Aan wurmen voeren had de Batavier het land.Door al die volken werd hetHeidendombeleden;Toch was er net zooveel schijnheiligheid als heden.De oppergod wasWodan, sterk, maar zacht van zin,En verderDonar(zoon), enFreya(gemalin),Waarvan menDonder-dagenVrij-dagaf moet leien;Dus niet, zooals je dacht, vandonderenen vanvrijen.Walhallaheette ’t hemelrijk, waar ook de menschKwam leven na den dood. Hij had het daar naar wensch,Want daar zat men zich niet bij harpspel te vervelen,Maar dronk men lekker, ijskoud bier uit bekkeneelen.
O, jeugd van Nederland! Door burgerzin gedrevenHeb ik dit heldendicht om uwentwil geschreven.Het fraaist geschenk, wellicht, dat u te bieden is:Een rijmenrijk relaas van ’s Lands Geschiedenis.Mocht soms een stille lach uw jonge lippen krullen,Mocht soms een enkle traan tersluik uw ooghoek vullen —Het zij zoo. ’t Zou me niet verbazen. Want ik weet:Niets treft ons dieper dan der Vaadren Lief en Leed.Voorzeker is dit vaers voor kinderen geschreven:’t Verleden hoort aan hen, die in de Toekomst leven;Maar wellicht geeft het soms ook iets voor hart en hoofdAan hem, die niet meer aan den ooievaar gelooft.Aanschouwt dan ’t bont tafreel, dat ik u voor zal leggen!En als het je verveelt, dan mag je ’t eerlijk zeggen.
O, jeugd van Nederland! Door burgerzin gedreven
Heb ik dit heldendicht om uwentwil geschreven.
Het fraaist geschenk, wellicht, dat u te bieden is:
Een rijmenrijk relaas van ’s Lands Geschiedenis.
Mocht soms een stille lach uw jonge lippen krullen,
Mocht soms een enkle traan tersluik uw ooghoek vullen —
Het zij zoo. ’t Zou me niet verbazen. Want ik weet:
Niets treft ons dieper dan der Vaadren Lief en Leed.
Voorzeker is dit vaers voor kinderen geschreven:
’t Verleden hoort aan hen, die in de Toekomst leven;
Maar wellicht geeft het soms ook iets voor hart en hoofd
Aan hem, die niet meer aan den ooievaar gelooft.
Aanschouwt dan ’t bont tafreel, dat ik u voor zal leggen!
En als het je verveelt, dan mag je ’t eerlijk zeggen.
In overoude tijden zag ons grondgebiedEr anders uit dan nu. Zoo was er toen nog nietDie groote zilte plas, deZuiderzeegeheeten;Daar was hetFlevo-meer. Zooals je wel zult weten,Bestaat er kans dat deze toestand wordt hersteld;Een dure karrewei; enfin, de Staat heeft geld.In Duitschland, ver in Hessen, woonde ’t volk derKatten,Die, door den buur getergd, ’t wanhopig plan opvattenTe wijken voor de macht. Zij hollen boomen uit;Zoo maakt zich elk in haast een primitieve schuit,Om in zoo’n hollen stam denRijnstroomaf te zakken.Zij hadden roer noch zeil; zij stuwden zich met takken.En wie niet mee mocht zakken in een hollen boom,Staat daar in wanhoop aan den oever van den stroom;Hij ziet zijn makkers gaan, en voelt een droef verlangenOm zich aan een niet-hollen boomstam op te hangen.Zoo zakken zij in holle boomen naar ons land.Hier woont deMarezaat, deFriesen deTubant,En ’t volk, dat geen konijn in ’t duin met rust kan laten,Dat blijkt wel uit hun naam — nietwaar? — „Kaninefaten.”De holleboomers zochten ’t centrum. Toen ontstondDe naam van:Batavier(Bat ouwe, „goede grond.”)’t Is mijn gewoonte niet, adviezen op te dringen,Maar ik had ze genoemd: deHolleboomelingen.Het juiste jaartal is natuurlijk niet bekend;’t Moet 100 Jaar v. C. zijn, of daaromtrent.Nu. Al die volken waren eigenlijkGermanen,(Wat heel wat anders is danDuitsche onderdanen!)Hun haar was blond, hun oogen blauw, hun tanden wit,Want koekjes noch tabak bedierven hun gebit.De oudren hulden zich in wildebeesten-vellen,Wasch-echt en weinig sleetsch, gemaklijk te verstellen;Die werden aan den hals met doornen vastgehaakt;De jeugd liep, net als nu de dames dikwijls, naakt.Hun hutten bouwden zij opwoerdenof opterpen.Hun sport — goddank geen voetbal — was het speren werpen.Veel heeft men heden nog, maar ’t ging toen minder grof;Zij reden niemand dood, en spreidden stank noch stof.Voorts had men ’t zwemvermaak, het worstlen en het rijden,Het klimmen in den boom, en ’s winters ’t baantje glijden.Zij leefden van de jacht en van de visscherij,En verder at men honig, fruit, en gerstebrij.Hun drank wasmedeof bier. Ja, ons gebruik van bierenDateert nog uit den tijd der oude Batavieren.Het was een moedig ras, zoo eerelijk als goud,Maar dol op dobbelen — een nog bestaande fout.Hun eens gegeven woord, daar kon je op vertrouwen.Ze gingen wel eens uit, maar nooit met rare vrouwen.De vaderlijke macht was onbeperkt. Maar, ja —’k Vindonzekinderen veel te vrij met hun papa.De Batavier was te beschaafd om zelf te werken;Wie werkte, was: deslaaf. En hieruit kun je merken,Hoe naam en daad veranderd zijn op dit gebied,Wantwerkmanheet hij nu, enwerkendoet hij niet.De taak in huis werd door de vrouwen waargenomen —Daar moet je bij de damesnumaar eens om komen!De dooden werden steeds op stapels hout verbrand:Aan wurmen voeren had de Batavier het land.Door al die volken werd hetHeidendombeleden;Toch was er net zooveel schijnheiligheid als heden.De oppergod wasWodan, sterk, maar zacht van zin,En verderDonar(zoon), enFreya(gemalin),Waarvan menDonder-dagenVrij-dagaf moet leien;Dus niet, zooals je dacht, vandonderenen vanvrijen.Walhallaheette ’t hemelrijk, waar ook de menschKwam leven na den dood. Hij had het daar naar wensch,Want daar zat men zich niet bij harpspel te vervelen,Maar dronk men lekker, ijskoud bier uit bekkeneelen.
In overoude tijden zag ons grondgebied
Er anders uit dan nu. Zoo was er toen nog niet
Die groote zilte plas, deZuiderzeegeheeten;
Daar was hetFlevo-meer. Zooals je wel zult weten,
Bestaat er kans dat deze toestand wordt hersteld;
Een dure karrewei; enfin, de Staat heeft geld.
In Duitschland, ver in Hessen, woonde ’t volk derKatten,
Die, door den buur getergd, ’t wanhopig plan opvatten
Te wijken voor de macht. Zij hollen boomen uit;
Zoo maakt zich elk in haast een primitieve schuit,
Om in zoo’n hollen stam denRijnstroomaf te zakken.
Zij hadden roer noch zeil; zij stuwden zich met takken.
En wie niet mee mocht zakken in een hollen boom,
Staat daar in wanhoop aan den oever van den stroom;
Hij ziet zijn makkers gaan, en voelt een droef verlangen
Om zich aan een niet-hollen boomstam op te hangen.
Zoo zakken zij in holle boomen naar ons land.
Hier woont deMarezaat, deFriesen deTubant,
En ’t volk, dat geen konijn in ’t duin met rust kan laten,
Dat blijkt wel uit hun naam — nietwaar? — „Kaninefaten.”
De holleboomers zochten ’t centrum. Toen ontstond
De naam van:Batavier(Bat ouwe, „goede grond.”)
’t Is mijn gewoonte niet, adviezen op te dringen,
Maar ik had ze genoemd: deHolleboomelingen.
Het juiste jaartal is natuurlijk niet bekend;
’t Moet 100 Jaar v. C. zijn, of daaromtrent.
Nu. Al die volken waren eigenlijkGermanen,
(Wat heel wat anders is danDuitsche onderdanen!)
Hun haar was blond, hun oogen blauw, hun tanden wit,
Want koekjes noch tabak bedierven hun gebit.
De oudren hulden zich in wildebeesten-vellen,
Wasch-echt en weinig sleetsch, gemaklijk te verstellen;
Die werden aan den hals met doornen vastgehaakt;
De jeugd liep, net als nu de dames dikwijls, naakt.
Hun hutten bouwden zij opwoerdenof opterpen.
Hun sport — goddank geen voetbal — was het speren werpen.
Veel heeft men heden nog, maar ’t ging toen minder grof;
Zij reden niemand dood, en spreidden stank noch stof.
Voorts had men ’t zwemvermaak, het worstlen en het rijden,
Het klimmen in den boom, en ’s winters ’t baantje glijden.
Zij leefden van de jacht en van de visscherij,
En verder at men honig, fruit, en gerstebrij.
Hun drank wasmedeof bier. Ja, ons gebruik van bieren
Dateert nog uit den tijd der oude Batavieren.
Het was een moedig ras, zoo eerelijk als goud,
Maar dol op dobbelen — een nog bestaande fout.
Hun eens gegeven woord, daar kon je op vertrouwen.
Ze gingen wel eens uit, maar nooit met rare vrouwen.
De vaderlijke macht was onbeperkt. Maar, ja —
’k Vindonzekinderen veel te vrij met hun papa.
De Batavier was te beschaafd om zelf te werken;
Wie werkte, was: deslaaf. En hieruit kun je merken,
Hoe naam en daad veranderd zijn op dit gebied,
Wantwerkmanheet hij nu, enwerkendoet hij niet.
De taak in huis werd door de vrouwen waargenomen —
Daar moet je bij de damesnumaar eens om komen!
De dooden werden steeds op stapels hout verbrand:
Aan wurmen voeren had de Batavier het land.
Door al die volken werd hetHeidendombeleden;
Toch was er net zooveel schijnheiligheid als heden.
De oppergod wasWodan, sterk, maar zacht van zin,
En verderDonar(zoon), enFreya(gemalin),
Waarvan menDonder-dagenVrij-dagaf moet leien;
Dus niet, zooals je dacht, vandonderenen vanvrijen.
Walhallaheette ’t hemelrijk, waar ook de mensch
Kwam leven na den dood. Hij had het daar naar wensch,
Want daar zat men zich niet bij harpspel te vervelen,
Maar dronk men lekker, ijskoud bier uit bekkeneelen.
DE ROMEINEN HIER TE LANDE. — HUN INVLOED OP ONZE TAAL EN BESCHAVING. — CLAUDIUS CIVILIS. — VELLEDA.
DE ROMEINEN HIER TE LANDE. — HUN INVLOED OP ONZE TAAL EN BESCHAVING. — CLAUDIUS CIVILIS. — VELLEDA.
De grijze wichlares verstaat meer duistre dingenDan d’allerkundigste der nuchtre stervelingen.Vermaes.
De grijze wichlares verstaat meer duistre dingenDan d’allerkundigste der nuchtre stervelingen.Vermaes.
De grijze wichlares verstaat meer duistre dingenDan d’allerkundigste der nuchtre stervelingen.
De grijze wichlares verstaat meer duistre dingen
Dan d’allerkundigste der nuchtre stervelingen.
Vermaes.
Vermaes.
Zoo had ons voorgeslacht geruimen tijd geleefd,Als een gelukkig volk, dat geen historie heeft,Toen van het zoele Zuid een onweer van cohortenZich over deze lage landen uit kwam storten.En leert nu uit den worstelstrijd met den RomeinHoe, naar ’t bekende woord, een klein volk groot kan zijn.Laat ik u eerst wat van ’t Romeinsche volk verhalen.Zij vonden, met de Grieken, uit de doode talen.Een goede daad. Want hadden zij dit niet gedaan,Dan zou er hier geen één gymnasium bestaan.En d’ invloed van ’t Latijn, dien kan, mijn jonge vrinden,Wie niet goed oppast, aan den lijve ondervinden;Want wie de fout begaat van lazarus te zijn,En op zijn canis krijgt, die dankt dat aan ’t Latijn.’t Latijn verschafte onsmusea’s,gladiolussen,Dilemna— neen, dat ’s Grieksch, maarpetroleum,bolussen.Ook eigennamen:Manus,Ita,Lex,Margo,Six,De Miranda,Nolens,Da,Mulier,Cato.Voortseienflensenmors, ennatennetennare,Enpostendasenvultenremenreusenmare,Endans, englans,patent, ende,die,dat, ensta,Enkwibus,tot,voluit, enfluitenopera.Romeinen waren redenaars, strategen, dichters,En van de Rechtsgeleerdheid waren zij de stichters.Maar bovenal in krijgskunst toonden zij hun kracht,En onderwierpen vele volken aan hun macht.DochCaesar, keizer, generaal en groot geleerde,Bedacht een plan, dat hem en onzen voorzaat eerde:Hij onderwierp hem niet, maar door een hecht verdragVerkreeg hij hier, in naam der vriendschap, groot gezag.En zelfs in Caesar’s eigen lijfwacht opgenomen,Was Fries en Batavier als kind in huis te Rome.Maar Rome was een stad vol ongerechtigheid,Waar onze jeugd tot heel veel leelijks werd verleid,Maar als ’k dat in den breede wilde demonstreeren,Dan schreef ik boven dezen Zang „Alleen voor Heeren.”Het is mij liever, dat uw oordeel wordt verzacht,Dies wijs ’k op’t goede, dat ons Rome heeft gebracht.Zij bouwden vestingen, en maakten mooie wegen,Zoo hard als adamant, zelfs na den zwaarsten regen.Kanalen groeven zij, zoo als deDrusus-gracht,DieDrususmaakte — dus de naam was goed bedacht. —Maar eindelijk begon de band toch wat te knellen;En wat er toen gebeurde, zal ik je vertellen.De Friezen gaven ’t sein; maar ’t is hun niet gelukt:Hun opstand is doorCorbulosnel onderdrukt.Edoch, het smeulend vuur blijft onder d’ assche gloeien;Wanneer het onweer wegtrekt, gaat de hooiberg broeien......Bezing mij, Muze, thans den eersten grooten man,Waarop zich ons aloud geslacht verheffen kan!Wien Neêrlandsch bloed door d’ aadren vloeit, van vreemde smetten,En andr’ infecties vrij, en die gedwee ’s lands wetten,Al zijn ze soms wat mal, gehoorzaamt; hij, wiens borst(Zijn onbeklemde) gloeit voor Vaderland en Vorst —Die eere hem, die van den grooten kamp de ziel is;Het hoofd der Batavieren,Claudius Civilis.Van afkomst Batavier — Romein naar burgerrecht,Zag hij met afschuw hoe de landzaat werd geknecht.Want daartoe was het al inNero’stijd gekomen;Gestadig was de onderdrukking toegenomen,De bondschap was ontaard in bitt’re slavernij......Toen trad Civilis op. De redding was nabij.Maar, volgens ’t bijgeloof van die (en deze) dagen,Zocht hij de Vroede Vrouw, om haar advies te vragen.De zieneresVelledawoonde op de hei,Waar zij planeten las, en werkte met het ei.Daar zien wij dan den held haar plaghut binnentreden,Wen zij verzonken zat in heidensche gebeden,Te midden van haar ganschen attributen-schat:De koffie en de kous, de kaarten en de kat.Maar nauwlijks zag zij den bezoeker binnenkomen,Of zij begon met radde tong hardop te droomen:„Gij krijgt een blonde vrouw; en kindren zonder tal;U wacht een verre reis; een zwarte vogel zal......”„Pardon, juffrouw,” viel Claudius haar in de rede,„Och, deelt u dat maar aan uw andre klanten mede.Het zal wel waar zijn, maar daar kom ik nu niet voor.”Toen fluisterde hij snel Velleda iets in ’t oor:Het was zijn eigen plan! Hij knipoogde veelzeggend,Toen zei ze ’t hardop na — kwansuis de kaarten leggend.Nu kon hij ’t volk verzeekren, met een schijn van recht:„Dat heeft de zieneres Velleda mij gezegd.”Zoo doeikmet mijn arts, en ’k kan ’t u aanbevelen,Om met uw dokter ook dat spelletje te spelen:Eerst doe ik hem een lang en intressant verhaalVan de symptomen van mijn (ingebeelde) kwaal;Dan zeg ik zoo terloops, half in gedachten quasi,Bij voorbeeld: „’k Hou van runderlappen met spinazie......”Nu krabt mijn eskulaap zich even achter ’t oor,En schrijft mij runderlappen met spinazie voor.
Zoo had ons voorgeslacht geruimen tijd geleefd,Als een gelukkig volk, dat geen historie heeft,Toen van het zoele Zuid een onweer van cohortenZich over deze lage landen uit kwam storten.En leert nu uit den worstelstrijd met den RomeinHoe, naar ’t bekende woord, een klein volk groot kan zijn.Laat ik u eerst wat van ’t Romeinsche volk verhalen.Zij vonden, met de Grieken, uit de doode talen.Een goede daad. Want hadden zij dit niet gedaan,Dan zou er hier geen één gymnasium bestaan.En d’ invloed van ’t Latijn, dien kan, mijn jonge vrinden,Wie niet goed oppast, aan den lijve ondervinden;Want wie de fout begaat van lazarus te zijn,En op zijn canis krijgt, die dankt dat aan ’t Latijn.’t Latijn verschafte onsmusea’s,gladiolussen,Dilemna— neen, dat ’s Grieksch, maarpetroleum,bolussen.Ook eigennamen:Manus,Ita,Lex,Margo,Six,De Miranda,Nolens,Da,Mulier,Cato.Voortseienflensenmors, ennatennetennare,Enpostendasenvultenremenreusenmare,Endans, englans,patent, ende,die,dat, ensta,Enkwibus,tot,voluit, enfluitenopera.Romeinen waren redenaars, strategen, dichters,En van de Rechtsgeleerdheid waren zij de stichters.Maar bovenal in krijgskunst toonden zij hun kracht,En onderwierpen vele volken aan hun macht.DochCaesar, keizer, generaal en groot geleerde,Bedacht een plan, dat hem en onzen voorzaat eerde:Hij onderwierp hem niet, maar door een hecht verdragVerkreeg hij hier, in naam der vriendschap, groot gezag.En zelfs in Caesar’s eigen lijfwacht opgenomen,Was Fries en Batavier als kind in huis te Rome.Maar Rome was een stad vol ongerechtigheid,Waar onze jeugd tot heel veel leelijks werd verleid,Maar als ’k dat in den breede wilde demonstreeren,Dan schreef ik boven dezen Zang „Alleen voor Heeren.”Het is mij liever, dat uw oordeel wordt verzacht,Dies wijs ’k op’t goede, dat ons Rome heeft gebracht.Zij bouwden vestingen, en maakten mooie wegen,Zoo hard als adamant, zelfs na den zwaarsten regen.Kanalen groeven zij, zoo als deDrusus-gracht,DieDrususmaakte — dus de naam was goed bedacht. —Maar eindelijk begon de band toch wat te knellen;En wat er toen gebeurde, zal ik je vertellen.De Friezen gaven ’t sein; maar ’t is hun niet gelukt:Hun opstand is doorCorbulosnel onderdrukt.Edoch, het smeulend vuur blijft onder d’ assche gloeien;Wanneer het onweer wegtrekt, gaat de hooiberg broeien......Bezing mij, Muze, thans den eersten grooten man,Waarop zich ons aloud geslacht verheffen kan!Wien Neêrlandsch bloed door d’ aadren vloeit, van vreemde smetten,En andr’ infecties vrij, en die gedwee ’s lands wetten,Al zijn ze soms wat mal, gehoorzaamt; hij, wiens borst(Zijn onbeklemde) gloeit voor Vaderland en Vorst —Die eere hem, die van den grooten kamp de ziel is;Het hoofd der Batavieren,Claudius Civilis.Van afkomst Batavier — Romein naar burgerrecht,Zag hij met afschuw hoe de landzaat werd geknecht.Want daartoe was het al inNero’stijd gekomen;Gestadig was de onderdrukking toegenomen,De bondschap was ontaard in bitt’re slavernij......Toen trad Civilis op. De redding was nabij.Maar, volgens ’t bijgeloof van die (en deze) dagen,Zocht hij de Vroede Vrouw, om haar advies te vragen.De zieneresVelledawoonde op de hei,Waar zij planeten las, en werkte met het ei.Daar zien wij dan den held haar plaghut binnentreden,Wen zij verzonken zat in heidensche gebeden,Te midden van haar ganschen attributen-schat:De koffie en de kous, de kaarten en de kat.Maar nauwlijks zag zij den bezoeker binnenkomen,Of zij begon met radde tong hardop te droomen:„Gij krijgt een blonde vrouw; en kindren zonder tal;U wacht een verre reis; een zwarte vogel zal......”„Pardon, juffrouw,” viel Claudius haar in de rede,„Och, deelt u dat maar aan uw andre klanten mede.Het zal wel waar zijn, maar daar kom ik nu niet voor.”Toen fluisterde hij snel Velleda iets in ’t oor:Het was zijn eigen plan! Hij knipoogde veelzeggend,Toen zei ze ’t hardop na — kwansuis de kaarten leggend.Nu kon hij ’t volk verzeekren, met een schijn van recht:„Dat heeft de zieneres Velleda mij gezegd.”Zoo doeikmet mijn arts, en ’k kan ’t u aanbevelen,Om met uw dokter ook dat spelletje te spelen:Eerst doe ik hem een lang en intressant verhaalVan de symptomen van mijn (ingebeelde) kwaal;Dan zeg ik zoo terloops, half in gedachten quasi,Bij voorbeeld: „’k Hou van runderlappen met spinazie......”Nu krabt mijn eskulaap zich even achter ’t oor,En schrijft mij runderlappen met spinazie voor.
Zoo had ons voorgeslacht geruimen tijd geleefd,Als een gelukkig volk, dat geen historie heeft,Toen van het zoele Zuid een onweer van cohortenZich over deze lage landen uit kwam storten.En leert nu uit den worstelstrijd met den RomeinHoe, naar ’t bekende woord, een klein volk groot kan zijn.
Zoo had ons voorgeslacht geruimen tijd geleefd,
Als een gelukkig volk, dat geen historie heeft,
Toen van het zoele Zuid een onweer van cohorten
Zich over deze lage landen uit kwam storten.
En leert nu uit den worstelstrijd met den Romein
Hoe, naar ’t bekende woord, een klein volk groot kan zijn.
Laat ik u eerst wat van ’t Romeinsche volk verhalen.Zij vonden, met de Grieken, uit de doode talen.Een goede daad. Want hadden zij dit niet gedaan,Dan zou er hier geen één gymnasium bestaan.En d’ invloed van ’t Latijn, dien kan, mijn jonge vrinden,Wie niet goed oppast, aan den lijve ondervinden;Want wie de fout begaat van lazarus te zijn,En op zijn canis krijgt, die dankt dat aan ’t Latijn.’t Latijn verschafte onsmusea’s,gladiolussen,Dilemna— neen, dat ’s Grieksch, maarpetroleum,bolussen.Ook eigennamen:Manus,Ita,Lex,Margo,Six,De Miranda,Nolens,Da,Mulier,Cato.Voortseienflensenmors, ennatennetennare,Enpostendasenvultenremenreusenmare,Endans, englans,patent, ende,die,dat, ensta,Enkwibus,tot,voluit, enfluitenopera.Romeinen waren redenaars, strategen, dichters,En van de Rechtsgeleerdheid waren zij de stichters.Maar bovenal in krijgskunst toonden zij hun kracht,En onderwierpen vele volken aan hun macht.DochCaesar, keizer, generaal en groot geleerde,Bedacht een plan, dat hem en onzen voorzaat eerde:Hij onderwierp hem niet, maar door een hecht verdragVerkreeg hij hier, in naam der vriendschap, groot gezag.En zelfs in Caesar’s eigen lijfwacht opgenomen,Was Fries en Batavier als kind in huis te Rome.Maar Rome was een stad vol ongerechtigheid,Waar onze jeugd tot heel veel leelijks werd verleid,Maar als ’k dat in den breede wilde demonstreeren,Dan schreef ik boven dezen Zang „Alleen voor Heeren.”Het is mij liever, dat uw oordeel wordt verzacht,Dies wijs ’k op’t goede, dat ons Rome heeft gebracht.Zij bouwden vestingen, en maakten mooie wegen,Zoo hard als adamant, zelfs na den zwaarsten regen.Kanalen groeven zij, zoo als deDrusus-gracht,DieDrususmaakte — dus de naam was goed bedacht. —Maar eindelijk begon de band toch wat te knellen;En wat er toen gebeurde, zal ik je vertellen.De Friezen gaven ’t sein; maar ’t is hun niet gelukt:Hun opstand is doorCorbulosnel onderdrukt.Edoch, het smeulend vuur blijft onder d’ assche gloeien;Wanneer het onweer wegtrekt, gaat de hooiberg broeien......
Laat ik u eerst wat van ’t Romeinsche volk verhalen.
Zij vonden, met de Grieken, uit de doode talen.
Een goede daad. Want hadden zij dit niet gedaan,
Dan zou er hier geen één gymnasium bestaan.
En d’ invloed van ’t Latijn, dien kan, mijn jonge vrinden,
Wie niet goed oppast, aan den lijve ondervinden;
Want wie de fout begaat van lazarus te zijn,
En op zijn canis krijgt, die dankt dat aan ’t Latijn.
’t Latijn verschafte onsmusea’s,gladiolussen,
Dilemna— neen, dat ’s Grieksch, maarpetroleum,bolussen.
Ook eigennamen:Manus,Ita,Lex,Margo,
Six,De Miranda,Nolens,Da,Mulier,Cato.
Voortseienflensenmors, ennatennetennare,
Enpostendasenvultenremenreusenmare,
Endans, englans,patent, ende,die,dat, ensta,
Enkwibus,tot,voluit, enfluitenopera.
Romeinen waren redenaars, strategen, dichters,
En van de Rechtsgeleerdheid waren zij de stichters.
Maar bovenal in krijgskunst toonden zij hun kracht,
En onderwierpen vele volken aan hun macht.
DochCaesar, keizer, generaal en groot geleerde,
Bedacht een plan, dat hem en onzen voorzaat eerde:
Hij onderwierp hem niet, maar door een hecht verdrag
Verkreeg hij hier, in naam der vriendschap, groot gezag.
En zelfs in Caesar’s eigen lijfwacht opgenomen,
Was Fries en Batavier als kind in huis te Rome.
Maar Rome was een stad vol ongerechtigheid,
Waar onze jeugd tot heel veel leelijks werd verleid,
Maar als ’k dat in den breede wilde demonstreeren,
Dan schreef ik boven dezen Zang „Alleen voor Heeren.”
Het is mij liever, dat uw oordeel wordt verzacht,
Dies wijs ’k op’t goede, dat ons Rome heeft gebracht.
Zij bouwden vestingen, en maakten mooie wegen,
Zoo hard als adamant, zelfs na den zwaarsten regen.
Kanalen groeven zij, zoo als deDrusus-gracht,
DieDrususmaakte — dus de naam was goed bedacht. —
Maar eindelijk begon de band toch wat te knellen;
En wat er toen gebeurde, zal ik je vertellen.
De Friezen gaven ’t sein; maar ’t is hun niet gelukt:
Hun opstand is doorCorbulosnel onderdrukt.
Edoch, het smeulend vuur blijft onder d’ assche gloeien;
Wanneer het onweer wegtrekt, gaat de hooiberg broeien......
Bezing mij, Muze, thans den eersten grooten man,Waarop zich ons aloud geslacht verheffen kan!Wien Neêrlandsch bloed door d’ aadren vloeit, van vreemde smetten,En andr’ infecties vrij, en die gedwee ’s lands wetten,Al zijn ze soms wat mal, gehoorzaamt; hij, wiens borst(Zijn onbeklemde) gloeit voor Vaderland en Vorst —Die eere hem, die van den grooten kamp de ziel is;Het hoofd der Batavieren,Claudius Civilis.Van afkomst Batavier — Romein naar burgerrecht,Zag hij met afschuw hoe de landzaat werd geknecht.Want daartoe was het al inNero’stijd gekomen;Gestadig was de onderdrukking toegenomen,De bondschap was ontaard in bitt’re slavernij......Toen trad Civilis op. De redding was nabij.Maar, volgens ’t bijgeloof van die (en deze) dagen,Zocht hij de Vroede Vrouw, om haar advies te vragen.De zieneresVelledawoonde op de hei,Waar zij planeten las, en werkte met het ei.Daar zien wij dan den held haar plaghut binnentreden,Wen zij verzonken zat in heidensche gebeden,Te midden van haar ganschen attributen-schat:De koffie en de kous, de kaarten en de kat.Maar nauwlijks zag zij den bezoeker binnenkomen,Of zij begon met radde tong hardop te droomen:„Gij krijgt een blonde vrouw; en kindren zonder tal;U wacht een verre reis; een zwarte vogel zal......”„Pardon, juffrouw,” viel Claudius haar in de rede,„Och, deelt u dat maar aan uw andre klanten mede.Het zal wel waar zijn, maar daar kom ik nu niet voor.”Toen fluisterde hij snel Velleda iets in ’t oor:Het was zijn eigen plan! Hij knipoogde veelzeggend,Toen zei ze ’t hardop na — kwansuis de kaarten leggend.Nu kon hij ’t volk verzeekren, met een schijn van recht:„Dat heeft de zieneres Velleda mij gezegd.”Zoo doeikmet mijn arts, en ’k kan ’t u aanbevelen,Om met uw dokter ook dat spelletje te spelen:Eerst doe ik hem een lang en intressant verhaalVan de symptomen van mijn (ingebeelde) kwaal;Dan zeg ik zoo terloops, half in gedachten quasi,Bij voorbeeld: „’k Hou van runderlappen met spinazie......”Nu krabt mijn eskulaap zich even achter ’t oor,En schrijft mij runderlappen met spinazie voor.
Bezing mij, Muze, thans den eersten grooten man,
Waarop zich ons aloud geslacht verheffen kan!
Wien Neêrlandsch bloed door d’ aadren vloeit, van vreemde smetten,
En andr’ infecties vrij, en die gedwee ’s lands wetten,
Al zijn ze soms wat mal, gehoorzaamt; hij, wiens borst
(Zijn onbeklemde) gloeit voor Vaderland en Vorst —
Die eere hem, die van den grooten kamp de ziel is;
Het hoofd der Batavieren,Claudius Civilis.
Van afkomst Batavier — Romein naar burgerrecht,
Zag hij met afschuw hoe de landzaat werd geknecht.
Want daartoe was het al inNero’stijd gekomen;
Gestadig was de onderdrukking toegenomen,
De bondschap was ontaard in bitt’re slavernij......
Toen trad Civilis op. De redding was nabij.
Maar, volgens ’t bijgeloof van die (en deze) dagen,
Zocht hij de Vroede Vrouw, om haar advies te vragen.
De zieneresVelledawoonde op de hei,
Waar zij planeten las, en werkte met het ei.
Daar zien wij dan den held haar plaghut binnentreden,
Wen zij verzonken zat in heidensche gebeden,
Te midden van haar ganschen attributen-schat:
De koffie en de kous, de kaarten en de kat.
Maar nauwlijks zag zij den bezoeker binnenkomen,
Of zij begon met radde tong hardop te droomen:
„Gij krijgt een blonde vrouw; en kindren zonder tal;
U wacht een verre reis; een zwarte vogel zal......”
„Pardon, juffrouw,” viel Claudius haar in de rede,
„Och, deelt u dat maar aan uw andre klanten mede.
Het zal wel waar zijn, maar daar kom ik nu niet voor.”
Toen fluisterde hij snel Velleda iets in ’t oor:
Het was zijn eigen plan! Hij knipoogde veelzeggend,
Toen zei ze ’t hardop na — kwansuis de kaarten leggend.
Nu kon hij ’t volk verzeekren, met een schijn van recht:
„Dat heeft de zieneres Velleda mij gezegd.”
Zoo doeikmet mijn arts, en ’k kan ’t u aanbevelen,
Om met uw dokter ook dat spelletje te spelen:
Eerst doe ik hem een lang en intressant verhaal
Van de symptomen van mijn (ingebeelde) kwaal;
Dan zeg ik zoo terloops, half in gedachten quasi,
Bij voorbeeld: „’k Hou van runderlappen met spinazie......”
Nu krabt mijn eskulaap zich even achter ’t oor,
En schrijft mij runderlappen met spinazie voor.
BRINIO. — DE VOLKSVERGADERING IN HET HEILIGE WOUD. — DE INNEMING VAN CASTRA VETERA.
BRINIO. — DE VOLKSVERGADERING IN HET HEILIGE WOUD. — DE INNEMING VAN CASTRA VETERA.
Geen mes of schaar, die ’t hoofd mij raakt,Eer ’t Vaderland is vrij gemaakt.Van Lennep.
Geen mes of schaar, die ’t hoofd mij raakt,Eer ’t Vaderland is vrij gemaakt.Van Lennep.
Geen mes of schaar, die ’t hoofd mij raakt,Eer ’t Vaderland is vrij gemaakt.
Geen mes of schaar, die ’t hoofd mij raakt,
Eer ’t Vaderland is vrij gemaakt.
Van Lennep.
Van Lennep.
Het plan van Claudius, waarin ik daar bleef steken,Zal ’k nu, met je verlof, beknoptelijk bespreken.Hij had in Rome deze wijsheid opgedaan,Dat eerlijkheid en oorlog kwalijk samengaan.Zoo kwam hij op ’t idee, zijn plannen te verdoezelen,Om met den vijand wat te kunnen blijven smoezelen;Aan Rome bleef hij trouw — dat is, hij hield zich zoo,En koos zich hier een strooman, zeekrenBrinio,Den populairen leider der Kaninefaten,Een vurig patriot, gemaklijk om te praten.Vol moed op goed succes besteeg de held zijn ruin,En reed naar des konijnenvangers hut in ’t duin.Dan, nauwlijks is ’t gewichtig tweegesprek begonnen,Of Brinio is voor het stoute plan gewonnen.Geen wonder, dat ze ’t spoedig eens geworden zijn:Hij wasniet, wat je noemt, een vurig pro-Romein!Het kwam er nu op aan, geen tijd meer te verliezen;En Brinio met spoed tot hoofd te laten kiezen.Een samenkomst van ’t volk werd ijlings voorbereid,In ’t woud, dat aan den dienst van Wodan was gewijd.In ’t eeuwenoude Bosch, geweldig om t’ aanschouwen,Stroomt man en macht te saam, bij ’t schijnsel der flambouwen.De dierenhuid om ’t lijf, geschut door schild en speer,Zit men, in spanning, op de zodenbanken neer.De eeredienst begint. De stemming wordt onrustig.Het outer is gereed. De vlammen laaien lustig.In ’t wit gekleede priesters voeren geiten aan,En ’t offer wordt gebracht ter eere van de Maan.De rook trekt langzaam weg door ’t bladerdak der boomen,Maar nog is ’t oogenblik van spreken niet gekomen.Luid hoorngeschal verkondt een nieuwe plechtigheid:Een wit en smetloos kleed wordt op den grond gespreid;Een grijze wichlaar werpt de rijsjes, handig, kunstig......Hij legt het teeken uit. Het blijkt, toevallig, gunstig.Nu vangt de maaltijd aan. Men vult de hoorns met bier,En ’t pleit der plechtigheid maakt plaats voor het plezier.Toen nam Civilis ’t woord voor zijn beroemde rede.Ik deel u, op verzoek, ’t voornaamste daaruit mede.„O, mannen-broeders,” sprak hij, „luistert naar mijn woord!Bewaart het in uw ziel, en zegt het verder voort.Het zal er thans om gaan, een leider te verkiezen,Die u den kampstrijd kan doen winnen of verliezen.Hoort dus aandachtig toe, neemt straks een wijs besluit,En wie de orde stoort, die gaat er tusschen uit.Waar dat het hier om gaat, behoef ik niet te zeggen;Dat hoopt u Brinio zoo aanstonds uit te leggen:Het gaat er heden om, als één man pal te staan,En u, met Wodan’s hulp, te scharen om de vaan.Verscheidenheid van volk bewoont de lage landen,Maar, volgens Wodan’s wil, verknocht door hechte bandenAan de gewijde plek, waar onze wieg op stond,Waar eens ons graf zal staan — den vaderlandschen grond,Die thans bedreigd wordt door een volk met stalen helmen,Een Wodanloochnend ras van Thorvergeten schelmen!Het gaat, gelijk gezegd, om een vitaal belang,Het gaat om recht of macht, om vrijheid of om dwang.Kiest Brinio. Kiest hem. Nu stemme niemand tegen!Hij zal u redden, onder Thor’s onmisbren zegen.Een kerel uit één stuk. Geen werk is hem te zwaar;Hij knapt het voor u op; hij bokst het vóór-mekaar.Vergeet niet: ik geloof nog vast in de mirakelen,En ’k acht het niet toelaatbaar Wodan uit te schakelen;Vandaar dat ik mij tot een slaapster heb gewend:Velleda, en die ispremier, gelijk bekend.„Zet alle twisten stop; strijdt schouder,” sprak z’ „aan schouder!”Kiest Brinio dan, wantikword al een dagje ouder.Maar ’k zweer u, dat ik snor en baard zal laten staan,Totdat het ons gelukt den vijand te verslaan.Verkiest dus Brinio, er kome van, wat kome,En blijft getrouw aan uw parool: Thor straffe Rome!”Hij zweeg. Een zilte traan ontweld’ aan menig oog.Toen stond de massa van haar zetels op, en toogTer stem-urn, als één man. De stroom was niet te stremmen;En Brinio verkreeg op één na alle stemmen.Nu klom de nieuwe leider op een zodenbank,En sprak een enkel woord van welgemeenden dank.„Ik dank jelui beleefd,” sprak hij, „Kaninefaten,En andren, die mij koost uit al die kandidaten.Ik reken op u allen, dat gij pal zult staan;Ik hoop, dat gij begrijpt, waar om het thans zal gaan.Als wij, om Wodan’s wil, den reuzen strijd aanvaarden,Dan gaat het om de hoogste cultureele waarden;Dan gaat het niet om goed, dan gaat het niet om geld,Dan gaat het om te strijden tegen bruut geweld.Wij staan in ’t teeken van verpletterende tijden,Laat ons de handen dan in-een slaan om te strijden!Wat Claudius daar straks naar voren heeft gebracht,Dáár gaat het heden om; de vrijheid wordt verkracht,De zonen van hoogstaande, vooraanstaande mannen,Die worden momenteel gekneveld en verbannen,De dochters worden van de moeders losgescheurd,Haar waardevolste goed, haar reinheid, wordt besmeurd......’t Is onaanvechtbaar waar. Wie wenscht zich dan te passenAan zoo’n mentaliteit? Maar — laat het water wassen,Het daghet in den Oosten, ’t leed heeft welhaast uit;Daar komt een nieuwe lente en een nieuw geluid!d’ Ontvoogdingsdrang begint beslist al door te dringen.Vanaf de laagste tot de allerhoogste kringen,Totdat, door het gevoel van die saamhoorigheid,d’Omvorming zich voltrekt, in ’t raam van onzen tijd.Het gaat hier om......” toen werd hij op een schild geheven,En van dien tijd dateert de term: „Lang zal die leven!”Toen werd er door de plakkers nog wat nagepraat,Wat eindigde met mot, zooals dat meestal gaat.Zoo was ’t begin. Doch van den verdren gang van zakenBen ik van plan me maar een beetje af te maken.Ik zwijg dus over Bonn, Maastricht, et cetera,En schets u slechts den val vanCastra Vetera,Een machtig vestingwerk, beschut aan alle kantenDoor wallen, meters dik. ’t Heet tegenwoordigXanten.Civilis sloot het in, en eerst na langen tijdVerloren de Romeinen dezen heeten strijd:De honger noopte hen het eindlijk op te geven.Civilis stond hun toe om, met behoud van ’t leven,De vesting uit te gaan. Hij gaf zijn eerewoord,En toen zij buiten kwamen, werden zij vermoord.Zij smeekten: „Claudius!” Civilis stak geen hand uit;Hij was Oost-Indisch doof, en keek een andren kant uit.Toen klom de groote Leider boven op zijn paard,En draafde spoorslags naar zijn huiselijken haard.Maar vóóraleer zich tot de zijnen te begeven,Bezocht hij zijn barbier, en kwam terug clean-shaven.
Het plan van Claudius, waarin ik daar bleef steken,Zal ’k nu, met je verlof, beknoptelijk bespreken.Hij had in Rome deze wijsheid opgedaan,Dat eerlijkheid en oorlog kwalijk samengaan.Zoo kwam hij op ’t idee, zijn plannen te verdoezelen,Om met den vijand wat te kunnen blijven smoezelen;Aan Rome bleef hij trouw — dat is, hij hield zich zoo,En koos zich hier een strooman, zeekrenBrinio,Den populairen leider der Kaninefaten,Een vurig patriot, gemaklijk om te praten.Vol moed op goed succes besteeg de held zijn ruin,En reed naar des konijnenvangers hut in ’t duin.Dan, nauwlijks is ’t gewichtig tweegesprek begonnen,Of Brinio is voor het stoute plan gewonnen.Geen wonder, dat ze ’t spoedig eens geworden zijn:Hij wasniet, wat je noemt, een vurig pro-Romein!Het kwam er nu op aan, geen tijd meer te verliezen;En Brinio met spoed tot hoofd te laten kiezen.Een samenkomst van ’t volk werd ijlings voorbereid,In ’t woud, dat aan den dienst van Wodan was gewijd.In ’t eeuwenoude Bosch, geweldig om t’ aanschouwen,Stroomt man en macht te saam, bij ’t schijnsel der flambouwen.De dierenhuid om ’t lijf, geschut door schild en speer,Zit men, in spanning, op de zodenbanken neer.De eeredienst begint. De stemming wordt onrustig.Het outer is gereed. De vlammen laaien lustig.In ’t wit gekleede priesters voeren geiten aan,En ’t offer wordt gebracht ter eere van de Maan.De rook trekt langzaam weg door ’t bladerdak der boomen,Maar nog is ’t oogenblik van spreken niet gekomen.Luid hoorngeschal verkondt een nieuwe plechtigheid:Een wit en smetloos kleed wordt op den grond gespreid;Een grijze wichlaar werpt de rijsjes, handig, kunstig......Hij legt het teeken uit. Het blijkt, toevallig, gunstig.Nu vangt de maaltijd aan. Men vult de hoorns met bier,En ’t pleit der plechtigheid maakt plaats voor het plezier.Toen nam Civilis ’t woord voor zijn beroemde rede.Ik deel u, op verzoek, ’t voornaamste daaruit mede.„O, mannen-broeders,” sprak hij, „luistert naar mijn woord!Bewaart het in uw ziel, en zegt het verder voort.Het zal er thans om gaan, een leider te verkiezen,Die u den kampstrijd kan doen winnen of verliezen.Hoort dus aandachtig toe, neemt straks een wijs besluit,En wie de orde stoort, die gaat er tusschen uit.Waar dat het hier om gaat, behoef ik niet te zeggen;Dat hoopt u Brinio zoo aanstonds uit te leggen:Het gaat er heden om, als één man pal te staan,En u, met Wodan’s hulp, te scharen om de vaan.Verscheidenheid van volk bewoont de lage landen,Maar, volgens Wodan’s wil, verknocht door hechte bandenAan de gewijde plek, waar onze wieg op stond,Waar eens ons graf zal staan — den vaderlandschen grond,Die thans bedreigd wordt door een volk met stalen helmen,Een Wodanloochnend ras van Thorvergeten schelmen!Het gaat, gelijk gezegd, om een vitaal belang,Het gaat om recht of macht, om vrijheid of om dwang.Kiest Brinio. Kiest hem. Nu stemme niemand tegen!Hij zal u redden, onder Thor’s onmisbren zegen.Een kerel uit één stuk. Geen werk is hem te zwaar;Hij knapt het voor u op; hij bokst het vóór-mekaar.Vergeet niet: ik geloof nog vast in de mirakelen,En ’k acht het niet toelaatbaar Wodan uit te schakelen;Vandaar dat ik mij tot een slaapster heb gewend:Velleda, en die ispremier, gelijk bekend.„Zet alle twisten stop; strijdt schouder,” sprak z’ „aan schouder!”Kiest Brinio dan, wantikword al een dagje ouder.Maar ’k zweer u, dat ik snor en baard zal laten staan,Totdat het ons gelukt den vijand te verslaan.Verkiest dus Brinio, er kome van, wat kome,En blijft getrouw aan uw parool: Thor straffe Rome!”Hij zweeg. Een zilte traan ontweld’ aan menig oog.Toen stond de massa van haar zetels op, en toogTer stem-urn, als één man. De stroom was niet te stremmen;En Brinio verkreeg op één na alle stemmen.Nu klom de nieuwe leider op een zodenbank,En sprak een enkel woord van welgemeenden dank.„Ik dank jelui beleefd,” sprak hij, „Kaninefaten,En andren, die mij koost uit al die kandidaten.Ik reken op u allen, dat gij pal zult staan;Ik hoop, dat gij begrijpt, waar om het thans zal gaan.Als wij, om Wodan’s wil, den reuzen strijd aanvaarden,Dan gaat het om de hoogste cultureele waarden;Dan gaat het niet om goed, dan gaat het niet om geld,Dan gaat het om te strijden tegen bruut geweld.Wij staan in ’t teeken van verpletterende tijden,Laat ons de handen dan in-een slaan om te strijden!Wat Claudius daar straks naar voren heeft gebracht,Dáár gaat het heden om; de vrijheid wordt verkracht,De zonen van hoogstaande, vooraanstaande mannen,Die worden momenteel gekneveld en verbannen,De dochters worden van de moeders losgescheurd,Haar waardevolste goed, haar reinheid, wordt besmeurd......’t Is onaanvechtbaar waar. Wie wenscht zich dan te passenAan zoo’n mentaliteit? Maar — laat het water wassen,Het daghet in den Oosten, ’t leed heeft welhaast uit;Daar komt een nieuwe lente en een nieuw geluid!d’ Ontvoogdingsdrang begint beslist al door te dringen.Vanaf de laagste tot de allerhoogste kringen,Totdat, door het gevoel van die saamhoorigheid,d’Omvorming zich voltrekt, in ’t raam van onzen tijd.Het gaat hier om......” toen werd hij op een schild geheven,En van dien tijd dateert de term: „Lang zal die leven!”Toen werd er door de plakkers nog wat nagepraat,Wat eindigde met mot, zooals dat meestal gaat.Zoo was ’t begin. Doch van den verdren gang van zakenBen ik van plan me maar een beetje af te maken.Ik zwijg dus over Bonn, Maastricht, et cetera,En schets u slechts den val vanCastra Vetera,Een machtig vestingwerk, beschut aan alle kantenDoor wallen, meters dik. ’t Heet tegenwoordigXanten.Civilis sloot het in, en eerst na langen tijdVerloren de Romeinen dezen heeten strijd:De honger noopte hen het eindlijk op te geven.Civilis stond hun toe om, met behoud van ’t leven,De vesting uit te gaan. Hij gaf zijn eerewoord,En toen zij buiten kwamen, werden zij vermoord.Zij smeekten: „Claudius!” Civilis stak geen hand uit;Hij was Oost-Indisch doof, en keek een andren kant uit.Toen klom de groote Leider boven op zijn paard,En draafde spoorslags naar zijn huiselijken haard.Maar vóóraleer zich tot de zijnen te begeven,Bezocht hij zijn barbier, en kwam terug clean-shaven.
Het plan van Claudius, waarin ik daar bleef steken,Zal ’k nu, met je verlof, beknoptelijk bespreken.Hij had in Rome deze wijsheid opgedaan,Dat eerlijkheid en oorlog kwalijk samengaan.Zoo kwam hij op ’t idee, zijn plannen te verdoezelen,Om met den vijand wat te kunnen blijven smoezelen;Aan Rome bleef hij trouw — dat is, hij hield zich zoo,En koos zich hier een strooman, zeekrenBrinio,Den populairen leider der Kaninefaten,Een vurig patriot, gemaklijk om te praten.Vol moed op goed succes besteeg de held zijn ruin,En reed naar des konijnenvangers hut in ’t duin.Dan, nauwlijks is ’t gewichtig tweegesprek begonnen,Of Brinio is voor het stoute plan gewonnen.Geen wonder, dat ze ’t spoedig eens geworden zijn:Hij wasniet, wat je noemt, een vurig pro-Romein!Het kwam er nu op aan, geen tijd meer te verliezen;En Brinio met spoed tot hoofd te laten kiezen.Een samenkomst van ’t volk werd ijlings voorbereid,In ’t woud, dat aan den dienst van Wodan was gewijd.
Het plan van Claudius, waarin ik daar bleef steken,
Zal ’k nu, met je verlof, beknoptelijk bespreken.
Hij had in Rome deze wijsheid opgedaan,
Dat eerlijkheid en oorlog kwalijk samengaan.
Zoo kwam hij op ’t idee, zijn plannen te verdoezelen,
Om met den vijand wat te kunnen blijven smoezelen;
Aan Rome bleef hij trouw — dat is, hij hield zich zoo,
En koos zich hier een strooman, zeekrenBrinio,
Den populairen leider der Kaninefaten,
Een vurig patriot, gemaklijk om te praten.
Vol moed op goed succes besteeg de held zijn ruin,
En reed naar des konijnenvangers hut in ’t duin.
Dan, nauwlijks is ’t gewichtig tweegesprek begonnen,
Of Brinio is voor het stoute plan gewonnen.
Geen wonder, dat ze ’t spoedig eens geworden zijn:
Hij wasniet, wat je noemt, een vurig pro-Romein!
Het kwam er nu op aan, geen tijd meer te verliezen;
En Brinio met spoed tot hoofd te laten kiezen.
Een samenkomst van ’t volk werd ijlings voorbereid,
In ’t woud, dat aan den dienst van Wodan was gewijd.
In ’t eeuwenoude Bosch, geweldig om t’ aanschouwen,Stroomt man en macht te saam, bij ’t schijnsel der flambouwen.De dierenhuid om ’t lijf, geschut door schild en speer,Zit men, in spanning, op de zodenbanken neer.De eeredienst begint. De stemming wordt onrustig.Het outer is gereed. De vlammen laaien lustig.In ’t wit gekleede priesters voeren geiten aan,En ’t offer wordt gebracht ter eere van de Maan.De rook trekt langzaam weg door ’t bladerdak der boomen,Maar nog is ’t oogenblik van spreken niet gekomen.Luid hoorngeschal verkondt een nieuwe plechtigheid:Een wit en smetloos kleed wordt op den grond gespreid;Een grijze wichlaar werpt de rijsjes, handig, kunstig......Hij legt het teeken uit. Het blijkt, toevallig, gunstig.Nu vangt de maaltijd aan. Men vult de hoorns met bier,En ’t pleit der plechtigheid maakt plaats voor het plezier.Toen nam Civilis ’t woord voor zijn beroemde rede.Ik deel u, op verzoek, ’t voornaamste daaruit mede.
In ’t eeuwenoude Bosch, geweldig om t’ aanschouwen,
Stroomt man en macht te saam, bij ’t schijnsel der flambouwen.
De dierenhuid om ’t lijf, geschut door schild en speer,
Zit men, in spanning, op de zodenbanken neer.
De eeredienst begint. De stemming wordt onrustig.
Het outer is gereed. De vlammen laaien lustig.
In ’t wit gekleede priesters voeren geiten aan,
En ’t offer wordt gebracht ter eere van de Maan.
De rook trekt langzaam weg door ’t bladerdak der boomen,
Maar nog is ’t oogenblik van spreken niet gekomen.
Luid hoorngeschal verkondt een nieuwe plechtigheid:
Een wit en smetloos kleed wordt op den grond gespreid;
Een grijze wichlaar werpt de rijsjes, handig, kunstig......
Hij legt het teeken uit. Het blijkt, toevallig, gunstig.
Nu vangt de maaltijd aan. Men vult de hoorns met bier,
En ’t pleit der plechtigheid maakt plaats voor het plezier.
Toen nam Civilis ’t woord voor zijn beroemde rede.
Ik deel u, op verzoek, ’t voornaamste daaruit mede.
„O, mannen-broeders,” sprak hij, „luistert naar mijn woord!Bewaart het in uw ziel, en zegt het verder voort.Het zal er thans om gaan, een leider te verkiezen,Die u den kampstrijd kan doen winnen of verliezen.Hoort dus aandachtig toe, neemt straks een wijs besluit,En wie de orde stoort, die gaat er tusschen uit.Waar dat het hier om gaat, behoef ik niet te zeggen;Dat hoopt u Brinio zoo aanstonds uit te leggen:Het gaat er heden om, als één man pal te staan,En u, met Wodan’s hulp, te scharen om de vaan.Verscheidenheid van volk bewoont de lage landen,Maar, volgens Wodan’s wil, verknocht door hechte bandenAan de gewijde plek, waar onze wieg op stond,Waar eens ons graf zal staan — den vaderlandschen grond,Die thans bedreigd wordt door een volk met stalen helmen,Een Wodanloochnend ras van Thorvergeten schelmen!Het gaat, gelijk gezegd, om een vitaal belang,Het gaat om recht of macht, om vrijheid of om dwang.Kiest Brinio. Kiest hem. Nu stemme niemand tegen!Hij zal u redden, onder Thor’s onmisbren zegen.Een kerel uit één stuk. Geen werk is hem te zwaar;Hij knapt het voor u op; hij bokst het vóór-mekaar.Vergeet niet: ik geloof nog vast in de mirakelen,En ’k acht het niet toelaatbaar Wodan uit te schakelen;Vandaar dat ik mij tot een slaapster heb gewend:Velleda, en die ispremier, gelijk bekend.„Zet alle twisten stop; strijdt schouder,” sprak z’ „aan schouder!”Kiest Brinio dan, wantikword al een dagje ouder.Maar ’k zweer u, dat ik snor en baard zal laten staan,Totdat het ons gelukt den vijand te verslaan.Verkiest dus Brinio, er kome van, wat kome,En blijft getrouw aan uw parool: Thor straffe Rome!”
„O, mannen-broeders,” sprak hij, „luistert naar mijn woord!
Bewaart het in uw ziel, en zegt het verder voort.
Het zal er thans om gaan, een leider te verkiezen,
Die u den kampstrijd kan doen winnen of verliezen.
Hoort dus aandachtig toe, neemt straks een wijs besluit,
En wie de orde stoort, die gaat er tusschen uit.
Waar dat het hier om gaat, behoef ik niet te zeggen;
Dat hoopt u Brinio zoo aanstonds uit te leggen:
Het gaat er heden om, als één man pal te staan,
En u, met Wodan’s hulp, te scharen om de vaan.
Verscheidenheid van volk bewoont de lage landen,
Maar, volgens Wodan’s wil, verknocht door hechte banden
Aan de gewijde plek, waar onze wieg op stond,
Waar eens ons graf zal staan — den vaderlandschen grond,
Die thans bedreigd wordt door een volk met stalen helmen,
Een Wodanloochnend ras van Thorvergeten schelmen!
Het gaat, gelijk gezegd, om een vitaal belang,
Het gaat om recht of macht, om vrijheid of om dwang.
Kiest Brinio. Kiest hem. Nu stemme niemand tegen!
Hij zal u redden, onder Thor’s onmisbren zegen.
Een kerel uit één stuk. Geen werk is hem te zwaar;
Hij knapt het voor u op; hij bokst het vóór-mekaar.
Vergeet niet: ik geloof nog vast in de mirakelen,
En ’k acht het niet toelaatbaar Wodan uit te schakelen;
Vandaar dat ik mij tot een slaapster heb gewend:
Velleda, en die ispremier, gelijk bekend.
„Zet alle twisten stop; strijdt schouder,” sprak z’ „aan schouder!”
Kiest Brinio dan, wantikword al een dagje ouder.
Maar ’k zweer u, dat ik snor en baard zal laten staan,
Totdat het ons gelukt den vijand te verslaan.
Verkiest dus Brinio, er kome van, wat kome,
En blijft getrouw aan uw parool: Thor straffe Rome!”
Hij zweeg. Een zilte traan ontweld’ aan menig oog.Toen stond de massa van haar zetels op, en toogTer stem-urn, als één man. De stroom was niet te stremmen;En Brinio verkreeg op één na alle stemmen.Nu klom de nieuwe leider op een zodenbank,En sprak een enkel woord van welgemeenden dank.„Ik dank jelui beleefd,” sprak hij, „Kaninefaten,En andren, die mij koost uit al die kandidaten.Ik reken op u allen, dat gij pal zult staan;Ik hoop, dat gij begrijpt, waar om het thans zal gaan.Als wij, om Wodan’s wil, den reuzen strijd aanvaarden,Dan gaat het om de hoogste cultureele waarden;Dan gaat het niet om goed, dan gaat het niet om geld,Dan gaat het om te strijden tegen bruut geweld.Wij staan in ’t teeken van verpletterende tijden,Laat ons de handen dan in-een slaan om te strijden!Wat Claudius daar straks naar voren heeft gebracht,Dáár gaat het heden om; de vrijheid wordt verkracht,De zonen van hoogstaande, vooraanstaande mannen,Die worden momenteel gekneveld en verbannen,De dochters worden van de moeders losgescheurd,Haar waardevolste goed, haar reinheid, wordt besmeurd......’t Is onaanvechtbaar waar. Wie wenscht zich dan te passenAan zoo’n mentaliteit? Maar — laat het water wassen,Het daghet in den Oosten, ’t leed heeft welhaast uit;Daar komt een nieuwe lente en een nieuw geluid!d’ Ontvoogdingsdrang begint beslist al door te dringen.Vanaf de laagste tot de allerhoogste kringen,Totdat, door het gevoel van die saamhoorigheid,d’Omvorming zich voltrekt, in ’t raam van onzen tijd.Het gaat hier om......” toen werd hij op een schild geheven,En van dien tijd dateert de term: „Lang zal die leven!”Toen werd er door de plakkers nog wat nagepraat,Wat eindigde met mot, zooals dat meestal gaat.
Hij zweeg. Een zilte traan ontweld’ aan menig oog.
Toen stond de massa van haar zetels op, en toog
Ter stem-urn, als één man. De stroom was niet te stremmen;
En Brinio verkreeg op één na alle stemmen.
Nu klom de nieuwe leider op een zodenbank,
En sprak een enkel woord van welgemeenden dank.
„Ik dank jelui beleefd,” sprak hij, „Kaninefaten,
En andren, die mij koost uit al die kandidaten.
Ik reken op u allen, dat gij pal zult staan;
Ik hoop, dat gij begrijpt, waar om het thans zal gaan.
Als wij, om Wodan’s wil, den reuzen strijd aanvaarden,
Dan gaat het om de hoogste cultureele waarden;
Dan gaat het niet om goed, dan gaat het niet om geld,
Dan gaat het om te strijden tegen bruut geweld.
Wij staan in ’t teeken van verpletterende tijden,
Laat ons de handen dan in-een slaan om te strijden!
Wat Claudius daar straks naar voren heeft gebracht,
Dáár gaat het heden om; de vrijheid wordt verkracht,
De zonen van hoogstaande, vooraanstaande mannen,
Die worden momenteel gekneveld en verbannen,
De dochters worden van de moeders losgescheurd,
Haar waardevolste goed, haar reinheid, wordt besmeurd......
’t Is onaanvechtbaar waar. Wie wenscht zich dan te passen
Aan zoo’n mentaliteit? Maar — laat het water wassen,
Het daghet in den Oosten, ’t leed heeft welhaast uit;
Daar komt een nieuwe lente en een nieuw geluid!
d’ Ontvoogdingsdrang begint beslist al door te dringen.
Vanaf de laagste tot de allerhoogste kringen,
Totdat, door het gevoel van die saamhoorigheid,
d’Omvorming zich voltrekt, in ’t raam van onzen tijd.
Het gaat hier om......” toen werd hij op een schild geheven,
En van dien tijd dateert de term: „Lang zal die leven!”
Toen werd er door de plakkers nog wat nagepraat,
Wat eindigde met mot, zooals dat meestal gaat.
Zoo was ’t begin. Doch van den verdren gang van zakenBen ik van plan me maar een beetje af te maken.Ik zwijg dus over Bonn, Maastricht, et cetera,En schets u slechts den val vanCastra Vetera,Een machtig vestingwerk, beschut aan alle kantenDoor wallen, meters dik. ’t Heet tegenwoordigXanten.Civilis sloot het in, en eerst na langen tijdVerloren de Romeinen dezen heeten strijd:De honger noopte hen het eindlijk op te geven.Civilis stond hun toe om, met behoud van ’t leven,De vesting uit te gaan. Hij gaf zijn eerewoord,En toen zij buiten kwamen, werden zij vermoord.Zij smeekten: „Claudius!” Civilis stak geen hand uit;Hij was Oost-Indisch doof, en keek een andren kant uit.Toen klom de groote Leider boven op zijn paard,En draafde spoorslags naar zijn huiselijken haard.Maar vóóraleer zich tot de zijnen te begeven,Bezocht hij zijn barbier, en kwam terug clean-shaven.
Zoo was ’t begin. Doch van den verdren gang van zaken
Ben ik van plan me maar een beetje af te maken.
Ik zwijg dus over Bonn, Maastricht, et cetera,
En schets u slechts den val vanCastra Vetera,
Een machtig vestingwerk, beschut aan alle kanten
Door wallen, meters dik. ’t Heet tegenwoordigXanten.
Civilis sloot het in, en eerst na langen tijd
Verloren de Romeinen dezen heeten strijd:
De honger noopte hen het eindlijk op te geven.
Civilis stond hun toe om, met behoud van ’t leven,
De vesting uit te gaan. Hij gaf zijn eerewoord,
En toen zij buiten kwamen, werden zij vermoord.
Zij smeekten: „Claudius!” Civilis stak geen hand uit;
Hij was Oost-Indisch doof, en keek een andren kant uit.
Toen klom de groote Leider boven op zijn paard,
En draafde spoorslags naar zijn huiselijken haard.
Maar vóóraleer zich tot de zijnen te begeven,
Bezocht hij zijn barbier, en kwam terug clean-shaven.