VIJFDE ZANG.

HET FRANKISCHE RIJK. — DE PREDIKING VAN HET CHRISTENDOM. — DE VERWANTSCHAP VAN HET ENGELSCH MET HET HOLLANDSCH. — KAREL DE GROOTE. — DE NOORMANNEN.

HET FRANKISCHE RIJK. — DE PREDIKING VAN HET CHRISTENDOM. — DE VERWANTSCHAP VAN HET ENGELSCH MET HET HOLLANDSCH. — KAREL DE GROOTE. — DE NOORMANNEN.

Een kikker zag een os, die rustig liep te grazen,Hij dacht: als ik het wil, dan word ik net zoo groot!En dad’lijk ving hij aan zijn lichaam op te blazen,Hij blaast en blaast — en barst, en vindt een vroegen dood.Aesopus.

Een kikker zag een os, die rustig liep te grazen,Hij dacht: als ik het wil, dan word ik net zoo groot!En dad’lijk ving hij aan zijn lichaam op te blazen,Hij blaast en blaast — en barst, en vindt een vroegen dood.Aesopus.

Een kikker zag een os, die rustig liep te grazen,Hij dacht: als ik het wil, dan word ik net zoo groot!En dad’lijk ving hij aan zijn lichaam op te blazen,Hij blaast en blaast — en barst, en vindt een vroegen dood.

Een kikker zag een os, die rustig liep te grazen,

Hij dacht: als ik het wil, dan word ik net zoo groot!

En dad’lijk ving hij aan zijn lichaam op te blazen,

Hij blaast en blaast — en barst, en vindt een vroegen dood.

Aesopus.

Aesopus.

Na ’t geen ik in het vorig hoofdstuk heb verhaald,Is de Romeinsche zon zoo-zoetjes-aan gedaald.Het trotsche volk verging door innerlijke voosheid,Door wufte weeldezin, door zond’ en zedeloosheid.Dan — ook een onverzadigbare dorst naar machtHeeft dit (en nog een ander!) rijk ten val gebracht.Zooals w’ in onze jeugd al bij Aesopus lazen:De kikker barst, die tot een os zich op wil blazen. —Ter plaatse waar ’t Romeinsch Paleis in d’ assche ligt,Wordt thans een nieuw gebouw doorClovisopgericht:HetRijk der Franken. Al de midden-volken kwamen,Als kiekens, onder deze groote kloekhen samen.Ook de Bataven gingen in dat rijk te loor;De Friezen niet. Die waren daar te koppig voor.Voorts woondenSaksenhier. Aan Saksen, Friezen, FrankenHeeft dus ons volk voornamelijk zijn bestaan te danken.Al spoedig hebben, ter versterking van hun macht,De Franken-vorsten hier het Christendom gebracht.Dat ziet men tegenwoordig ook nog wel geschieden,Dat godsdienst wordt misbruikt door machtbeluste lieden.Vooral veel Anglen (Wolfram,Bonifacius)Getuigden hier; een soort „Salvation Army” dus.De Britten waren ’t steeds, die „vroom” en „goed” verwarden;Nog is in Engeland een Zondag niet te harden.Maar bij de Friezen vonden zij niet veel gehoor,Daar waren deze veel te linke jongens voor.De groote koningRadboud, een dier Friesche vorsten,Die allerminst naar des geloofs fonteinen dorstten,Was eindelijk bepraat door Wolfram, d’ Angelsaks,Een goed propagandist — dat zei ik al daar straks —Om in ’t gewijde water zich te laten doopen,En zoo den zegen van het Christendom te koopen.De koning stond ontkleed, de heeleboel was klaar,Toen stuitte men ineens op tweeërlei bezwaar:Vooreerst was, wat je wel begrijpen kunt, het bad koud,Maar dat was ’t ergste niet voor den geharden Radboud,Neen, ’t ergste was ’t bescheid, dat men den koning bood,Toen hij den priester vroeg: „Waar kom ik na mijn dood?Zal ’k bij mijn voorzaat zijn, die in Walhalla’s veldenVrij bier drinkt uit de schedels onzer doode helden?”— „Neen. Gij komt in den hemel. Zij zijn in de hel.” —„Dan zie ik er van af,” sprak Radboud, „dank je wel.”De doop ging dus niet door. En, ’k zeg ’t niet zonder blozen,Ik had in zijn plaats ook waarschijnlijk ’t bier verkozen.Een deel der Friezen ging, met Anglen, naar Brittanje.En namen ’t in bezit. Den Dietschen invloed kan jeNog merken, als je later vlijtig Engelsch leert.(De wisling is er nog, maar ’t gaat nu omgekeerd).Toen zijn er naamlijk woorden in die taal gekomen,Die zoo maar uit het Hollandsch over zijn genomen,Alselfenelkenhem,die,toeendoeendeed,Enredden,bulkenveilenpunt,been,pinkenreed,Enangel,made,mugengems,ruin,beer,big,ever,Enbroodenroomenbierenworstendropenlever,Enbaker,dotenkind, enbaasenventenrats,Enlastenmudenpondenhoedenpetenpats,Enstemenrustenrestennutenbeetengave,Enbadenartsenlinksenfatenlapenhave,Endun,breed,stoutenslimenroodengladenvies,Zoek zelf maar verder voort inWEBSTERenDE VRIES.De grootste koning, uit ’t geslachtPepijngesprote’,WasKarel, bijgenaamd — en zeer terecht —de Groote.Die slaagd’ er eindlijk in, de Friezen te verslaan;Toen dwong hij z’ — als geloovig Christen — in te gaan.De paus was zeer tevreden met den Christen-koning,En kroonde hem tot „Roomschen Keizer”, als belooningTot viermaal toe is deze vorst getrouwd geweest;Je wrijft je oogen uit, wanneer je zooiets leest,Te meer, omdat hij verder uiterst matig leefde,Noch dobbelde, noch dronk, en steeds naar eenvoud streefde.De Roomsche Keizer heeft hier zeer veel goeds gewrocht.Veel scholen, die hij zelf van tijd tot tijd bezocht,Heeft Karel opgericht. Hij liet geleerden komen,Die werden in den hofkring gastvrij opgenomen.Zooiets gebeurt niet meer. Nu vindt men aan het HofSlechts menschenzonderaanleg voor het vak van prof.Hij leerd’ als grijsaard schrijven. Dat moet j’ in hem eeren;Ik ken scribenten, die het schrijven nimmer leeren.’tLeenstelsel, dat al wel zoo ongeveer bestond,Gaf hij door strenge regelingen vaster grond.Dat stelsel heeft men nog — alleen in andren zin:Valt een minister soms een nieuw ideetje in,Dan vraagt hij niet (wat moest, naar mijn bescheiden meening)Is ’t ook misschien te duur? Och neen — hij sluit een leening.De Keizer kleedde zich eenvoudig, elegant,Maar lang zoo weeldrig niet als nu de burgerstand,Wanneer zijn staatswerk hem ’n beetje ging vervelen,Ging hij metElegastgezellig wat uit stelen.Dit vorstelijk vermaak heeft nog zeer lang bestaan,En vele heerschers hebben ’t Karel nagedaan.Nu moet ik aan het slot in droeven klank bezingenDe gruweldaden, die deNorenhier begingen.Uit Scandinavië kwam deze woeste bent,Al plundrend, brandend, roovend, moordend, zonder end.HunVikingsleidden deze niets-ontziende krijgers,Zij teisterden ons land, bloeddorstiger dan tijgers.’t Was ijslijk. En je denkt, wanneer je daarvan leest:Wat was dàtschit’rendvoor de bioskoop geweest.Godfried de Noorman, door den vorst tot graaf verheven,Bezorgde d’ armen Friezen een verschriklijk leven.Hij gaf hun, na een opstand, elk een eigen strop,Te dragen om den nek; toen pasten zij wel op!Want iedereen begreep, als hij maar even stout was,Dat hij er in een minimum van tijd om koud was.En nog loopt menig stervling, tot zijn staag verdriet,Met zulk een strop bekneld, ofschoon men ’t touw niet ziet.BijLeuvenzijn de Noren eindelijk verslagen.Die stad zag nòg een keer zoo’n bende, in later dagen......

Na ’t geen ik in het vorig hoofdstuk heb verhaald,Is de Romeinsche zon zoo-zoetjes-aan gedaald.Het trotsche volk verging door innerlijke voosheid,Door wufte weeldezin, door zond’ en zedeloosheid.Dan — ook een onverzadigbare dorst naar machtHeeft dit (en nog een ander!) rijk ten val gebracht.Zooals w’ in onze jeugd al bij Aesopus lazen:De kikker barst, die tot een os zich op wil blazen. —Ter plaatse waar ’t Romeinsch Paleis in d’ assche ligt,Wordt thans een nieuw gebouw doorClovisopgericht:HetRijk der Franken. Al de midden-volken kwamen,Als kiekens, onder deze groote kloekhen samen.Ook de Bataven gingen in dat rijk te loor;De Friezen niet. Die waren daar te koppig voor.Voorts woondenSaksenhier. Aan Saksen, Friezen, FrankenHeeft dus ons volk voornamelijk zijn bestaan te danken.Al spoedig hebben, ter versterking van hun macht,De Franken-vorsten hier het Christendom gebracht.Dat ziet men tegenwoordig ook nog wel geschieden,Dat godsdienst wordt misbruikt door machtbeluste lieden.Vooral veel Anglen (Wolfram,Bonifacius)Getuigden hier; een soort „Salvation Army” dus.De Britten waren ’t steeds, die „vroom” en „goed” verwarden;Nog is in Engeland een Zondag niet te harden.Maar bij de Friezen vonden zij niet veel gehoor,Daar waren deze veel te linke jongens voor.De groote koningRadboud, een dier Friesche vorsten,Die allerminst naar des geloofs fonteinen dorstten,Was eindelijk bepraat door Wolfram, d’ Angelsaks,Een goed propagandist — dat zei ik al daar straks —Om in ’t gewijde water zich te laten doopen,En zoo den zegen van het Christendom te koopen.De koning stond ontkleed, de heeleboel was klaar,Toen stuitte men ineens op tweeërlei bezwaar:Vooreerst was, wat je wel begrijpen kunt, het bad koud,Maar dat was ’t ergste niet voor den geharden Radboud,Neen, ’t ergste was ’t bescheid, dat men den koning bood,Toen hij den priester vroeg: „Waar kom ik na mijn dood?Zal ’k bij mijn voorzaat zijn, die in Walhalla’s veldenVrij bier drinkt uit de schedels onzer doode helden?”— „Neen. Gij komt in den hemel. Zij zijn in de hel.” —„Dan zie ik er van af,” sprak Radboud, „dank je wel.”De doop ging dus niet door. En, ’k zeg ’t niet zonder blozen,Ik had in zijn plaats ook waarschijnlijk ’t bier verkozen.Een deel der Friezen ging, met Anglen, naar Brittanje.En namen ’t in bezit. Den Dietschen invloed kan jeNog merken, als je later vlijtig Engelsch leert.(De wisling is er nog, maar ’t gaat nu omgekeerd).Toen zijn er naamlijk woorden in die taal gekomen,Die zoo maar uit het Hollandsch over zijn genomen,Alselfenelkenhem,die,toeendoeendeed,Enredden,bulkenveilenpunt,been,pinkenreed,Enangel,made,mugengems,ruin,beer,big,ever,Enbroodenroomenbierenworstendropenlever,Enbaker,dotenkind, enbaasenventenrats,Enlastenmudenpondenhoedenpetenpats,Enstemenrustenrestennutenbeetengave,Enbadenartsenlinksenfatenlapenhave,Endun,breed,stoutenslimenroodengladenvies,Zoek zelf maar verder voort inWEBSTERenDE VRIES.De grootste koning, uit ’t geslachtPepijngesprote’,WasKarel, bijgenaamd — en zeer terecht —de Groote.Die slaagd’ er eindlijk in, de Friezen te verslaan;Toen dwong hij z’ — als geloovig Christen — in te gaan.De paus was zeer tevreden met den Christen-koning,En kroonde hem tot „Roomschen Keizer”, als belooningTot viermaal toe is deze vorst getrouwd geweest;Je wrijft je oogen uit, wanneer je zooiets leest,Te meer, omdat hij verder uiterst matig leefde,Noch dobbelde, noch dronk, en steeds naar eenvoud streefde.De Roomsche Keizer heeft hier zeer veel goeds gewrocht.Veel scholen, die hij zelf van tijd tot tijd bezocht,Heeft Karel opgericht. Hij liet geleerden komen,Die werden in den hofkring gastvrij opgenomen.Zooiets gebeurt niet meer. Nu vindt men aan het HofSlechts menschenzonderaanleg voor het vak van prof.Hij leerd’ als grijsaard schrijven. Dat moet j’ in hem eeren;Ik ken scribenten, die het schrijven nimmer leeren.’tLeenstelsel, dat al wel zoo ongeveer bestond,Gaf hij door strenge regelingen vaster grond.Dat stelsel heeft men nog — alleen in andren zin:Valt een minister soms een nieuw ideetje in,Dan vraagt hij niet (wat moest, naar mijn bescheiden meening)Is ’t ook misschien te duur? Och neen — hij sluit een leening.De Keizer kleedde zich eenvoudig, elegant,Maar lang zoo weeldrig niet als nu de burgerstand,Wanneer zijn staatswerk hem ’n beetje ging vervelen,Ging hij metElegastgezellig wat uit stelen.Dit vorstelijk vermaak heeft nog zeer lang bestaan,En vele heerschers hebben ’t Karel nagedaan.Nu moet ik aan het slot in droeven klank bezingenDe gruweldaden, die deNorenhier begingen.Uit Scandinavië kwam deze woeste bent,Al plundrend, brandend, roovend, moordend, zonder end.HunVikingsleidden deze niets-ontziende krijgers,Zij teisterden ons land, bloeddorstiger dan tijgers.’t Was ijslijk. En je denkt, wanneer je daarvan leest:Wat was dàtschit’rendvoor de bioskoop geweest.Godfried de Noorman, door den vorst tot graaf verheven,Bezorgde d’ armen Friezen een verschriklijk leven.Hij gaf hun, na een opstand, elk een eigen strop,Te dragen om den nek; toen pasten zij wel op!Want iedereen begreep, als hij maar even stout was,Dat hij er in een minimum van tijd om koud was.En nog loopt menig stervling, tot zijn staag verdriet,Met zulk een strop bekneld, ofschoon men ’t touw niet ziet.BijLeuvenzijn de Noren eindelijk verslagen.Die stad zag nòg een keer zoo’n bende, in later dagen......

Na ’t geen ik in het vorig hoofdstuk heb verhaald,Is de Romeinsche zon zoo-zoetjes-aan gedaald.Het trotsche volk verging door innerlijke voosheid,Door wufte weeldezin, door zond’ en zedeloosheid.Dan — ook een onverzadigbare dorst naar machtHeeft dit (en nog een ander!) rijk ten val gebracht.Zooals w’ in onze jeugd al bij Aesopus lazen:De kikker barst, die tot een os zich op wil blazen. —Ter plaatse waar ’t Romeinsch Paleis in d’ assche ligt,Wordt thans een nieuw gebouw doorClovisopgericht:HetRijk der Franken. Al de midden-volken kwamen,Als kiekens, onder deze groote kloekhen samen.Ook de Bataven gingen in dat rijk te loor;De Friezen niet. Die waren daar te koppig voor.Voorts woondenSaksenhier. Aan Saksen, Friezen, FrankenHeeft dus ons volk voornamelijk zijn bestaan te danken.

Na ’t geen ik in het vorig hoofdstuk heb verhaald,

Is de Romeinsche zon zoo-zoetjes-aan gedaald.

Het trotsche volk verging door innerlijke voosheid,

Door wufte weeldezin, door zond’ en zedeloosheid.

Dan — ook een onverzadigbare dorst naar macht

Heeft dit (en nog een ander!) rijk ten val gebracht.

Zooals w’ in onze jeugd al bij Aesopus lazen:

De kikker barst, die tot een os zich op wil blazen. —

Ter plaatse waar ’t Romeinsch Paleis in d’ assche ligt,

Wordt thans een nieuw gebouw doorClovisopgericht:

HetRijk der Franken. Al de midden-volken kwamen,

Als kiekens, onder deze groote kloekhen samen.

Ook de Bataven gingen in dat rijk te loor;

De Friezen niet. Die waren daar te koppig voor.

Voorts woondenSaksenhier. Aan Saksen, Friezen, Franken

Heeft dus ons volk voornamelijk zijn bestaan te danken.

Al spoedig hebben, ter versterking van hun macht,De Franken-vorsten hier het Christendom gebracht.Dat ziet men tegenwoordig ook nog wel geschieden,Dat godsdienst wordt misbruikt door machtbeluste lieden.Vooral veel Anglen (Wolfram,Bonifacius)Getuigden hier; een soort „Salvation Army” dus.De Britten waren ’t steeds, die „vroom” en „goed” verwarden;Nog is in Engeland een Zondag niet te harden.Maar bij de Friezen vonden zij niet veel gehoor,Daar waren deze veel te linke jongens voor.De groote koningRadboud, een dier Friesche vorsten,Die allerminst naar des geloofs fonteinen dorstten,Was eindelijk bepraat door Wolfram, d’ Angelsaks,Een goed propagandist — dat zei ik al daar straks —Om in ’t gewijde water zich te laten doopen,En zoo den zegen van het Christendom te koopen.De koning stond ontkleed, de heeleboel was klaar,Toen stuitte men ineens op tweeërlei bezwaar:Vooreerst was, wat je wel begrijpen kunt, het bad koud,Maar dat was ’t ergste niet voor den geharden Radboud,Neen, ’t ergste was ’t bescheid, dat men den koning bood,Toen hij den priester vroeg: „Waar kom ik na mijn dood?Zal ’k bij mijn voorzaat zijn, die in Walhalla’s veldenVrij bier drinkt uit de schedels onzer doode helden?”— „Neen. Gij komt in den hemel. Zij zijn in de hel.” —„Dan zie ik er van af,” sprak Radboud, „dank je wel.”De doop ging dus niet door. En, ’k zeg ’t niet zonder blozen,Ik had in zijn plaats ook waarschijnlijk ’t bier verkozen.Een deel der Friezen ging, met Anglen, naar Brittanje.En namen ’t in bezit. Den Dietschen invloed kan jeNog merken, als je later vlijtig Engelsch leert.(De wisling is er nog, maar ’t gaat nu omgekeerd).Toen zijn er naamlijk woorden in die taal gekomen,Die zoo maar uit het Hollandsch over zijn genomen,Alselfenelkenhem,die,toeendoeendeed,Enredden,bulkenveilenpunt,been,pinkenreed,Enangel,made,mugengems,ruin,beer,big,ever,Enbroodenroomenbierenworstendropenlever,Enbaker,dotenkind, enbaasenventenrats,Enlastenmudenpondenhoedenpetenpats,Enstemenrustenrestennutenbeetengave,Enbadenartsenlinksenfatenlapenhave,Endun,breed,stoutenslimenroodengladenvies,Zoek zelf maar verder voort inWEBSTERenDE VRIES.

Al spoedig hebben, ter versterking van hun macht,

De Franken-vorsten hier het Christendom gebracht.

Dat ziet men tegenwoordig ook nog wel geschieden,

Dat godsdienst wordt misbruikt door machtbeluste lieden.

Vooral veel Anglen (Wolfram,Bonifacius)

Getuigden hier; een soort „Salvation Army” dus.

De Britten waren ’t steeds, die „vroom” en „goed” verwarden;

Nog is in Engeland een Zondag niet te harden.

Maar bij de Friezen vonden zij niet veel gehoor,

Daar waren deze veel te linke jongens voor.

De groote koningRadboud, een dier Friesche vorsten,

Die allerminst naar des geloofs fonteinen dorstten,

Was eindelijk bepraat door Wolfram, d’ Angelsaks,

Een goed propagandist — dat zei ik al daar straks —

Om in ’t gewijde water zich te laten doopen,

En zoo den zegen van het Christendom te koopen.

De koning stond ontkleed, de heeleboel was klaar,

Toen stuitte men ineens op tweeërlei bezwaar:

Vooreerst was, wat je wel begrijpen kunt, het bad koud,

Maar dat was ’t ergste niet voor den geharden Radboud,

Neen, ’t ergste was ’t bescheid, dat men den koning bood,

Toen hij den priester vroeg: „Waar kom ik na mijn dood?

Zal ’k bij mijn voorzaat zijn, die in Walhalla’s velden

Vrij bier drinkt uit de schedels onzer doode helden?”

— „Neen. Gij komt in den hemel. Zij zijn in de hel.” —

„Dan zie ik er van af,” sprak Radboud, „dank je wel.”

De doop ging dus niet door. En, ’k zeg ’t niet zonder blozen,

Ik had in zijn plaats ook waarschijnlijk ’t bier verkozen.

Een deel der Friezen ging, met Anglen, naar Brittanje.

En namen ’t in bezit. Den Dietschen invloed kan je

Nog merken, als je later vlijtig Engelsch leert.

(De wisling is er nog, maar ’t gaat nu omgekeerd).

Toen zijn er naamlijk woorden in die taal gekomen,

Die zoo maar uit het Hollandsch over zijn genomen,

Alselfenelkenhem,die,toeendoeendeed,

Enredden,bulkenveilenpunt,been,pinkenreed,

Enangel,made,mugengems,ruin,beer,big,ever,

Enbroodenroomenbierenworstendropenlever,

Enbaker,dotenkind, enbaasenventenrats,

Enlastenmudenpondenhoedenpetenpats,

Enstemenrustenrestennutenbeetengave,

Enbadenartsenlinksenfatenlapenhave,

Endun,breed,stoutenslimenroodengladenvies,

Zoek zelf maar verder voort inWEBSTERenDE VRIES.

De grootste koning, uit ’t geslachtPepijngesprote’,WasKarel, bijgenaamd — en zeer terecht —de Groote.Die slaagd’ er eindlijk in, de Friezen te verslaan;Toen dwong hij z’ — als geloovig Christen — in te gaan.De paus was zeer tevreden met den Christen-koning,En kroonde hem tot „Roomschen Keizer”, als belooningTot viermaal toe is deze vorst getrouwd geweest;Je wrijft je oogen uit, wanneer je zooiets leest,Te meer, omdat hij verder uiterst matig leefde,Noch dobbelde, noch dronk, en steeds naar eenvoud streefde.De Roomsche Keizer heeft hier zeer veel goeds gewrocht.Veel scholen, die hij zelf van tijd tot tijd bezocht,Heeft Karel opgericht. Hij liet geleerden komen,Die werden in den hofkring gastvrij opgenomen.Zooiets gebeurt niet meer. Nu vindt men aan het HofSlechts menschenzonderaanleg voor het vak van prof.Hij leerd’ als grijsaard schrijven. Dat moet j’ in hem eeren;Ik ken scribenten, die het schrijven nimmer leeren.’tLeenstelsel, dat al wel zoo ongeveer bestond,Gaf hij door strenge regelingen vaster grond.Dat stelsel heeft men nog — alleen in andren zin:Valt een minister soms een nieuw ideetje in,Dan vraagt hij niet (wat moest, naar mijn bescheiden meening)Is ’t ook misschien te duur? Och neen — hij sluit een leening.De Keizer kleedde zich eenvoudig, elegant,Maar lang zoo weeldrig niet als nu de burgerstand,Wanneer zijn staatswerk hem ’n beetje ging vervelen,Ging hij metElegastgezellig wat uit stelen.Dit vorstelijk vermaak heeft nog zeer lang bestaan,En vele heerschers hebben ’t Karel nagedaan.

De grootste koning, uit ’t geslachtPepijngesprote’,

WasKarel, bijgenaamd — en zeer terecht —de Groote.

Die slaagd’ er eindlijk in, de Friezen te verslaan;

Toen dwong hij z’ — als geloovig Christen — in te gaan.

De paus was zeer tevreden met den Christen-koning,

En kroonde hem tot „Roomschen Keizer”, als belooning

Tot viermaal toe is deze vorst getrouwd geweest;

Je wrijft je oogen uit, wanneer je zooiets leest,

Te meer, omdat hij verder uiterst matig leefde,

Noch dobbelde, noch dronk, en steeds naar eenvoud streefde.

De Roomsche Keizer heeft hier zeer veel goeds gewrocht.

Veel scholen, die hij zelf van tijd tot tijd bezocht,

Heeft Karel opgericht. Hij liet geleerden komen,

Die werden in den hofkring gastvrij opgenomen.

Zooiets gebeurt niet meer. Nu vindt men aan het Hof

Slechts menschenzonderaanleg voor het vak van prof.

Hij leerd’ als grijsaard schrijven. Dat moet j’ in hem eeren;

Ik ken scribenten, die het schrijven nimmer leeren.

’tLeenstelsel, dat al wel zoo ongeveer bestond,

Gaf hij door strenge regelingen vaster grond.

Dat stelsel heeft men nog — alleen in andren zin:

Valt een minister soms een nieuw ideetje in,

Dan vraagt hij niet (wat moest, naar mijn bescheiden meening)

Is ’t ook misschien te duur? Och neen — hij sluit een leening.

De Keizer kleedde zich eenvoudig, elegant,

Maar lang zoo weeldrig niet als nu de burgerstand,

Wanneer zijn staatswerk hem ’n beetje ging vervelen,

Ging hij metElegastgezellig wat uit stelen.

Dit vorstelijk vermaak heeft nog zeer lang bestaan,

En vele heerschers hebben ’t Karel nagedaan.

Nu moet ik aan het slot in droeven klank bezingenDe gruweldaden, die deNorenhier begingen.Uit Scandinavië kwam deze woeste bent,Al plundrend, brandend, roovend, moordend, zonder end.HunVikingsleidden deze niets-ontziende krijgers,Zij teisterden ons land, bloeddorstiger dan tijgers.’t Was ijslijk. En je denkt, wanneer je daarvan leest:Wat was dàtschit’rendvoor de bioskoop geweest.Godfried de Noorman, door den vorst tot graaf verheven,Bezorgde d’ armen Friezen een verschriklijk leven.Hij gaf hun, na een opstand, elk een eigen strop,Te dragen om den nek; toen pasten zij wel op!Want iedereen begreep, als hij maar even stout was,Dat hij er in een minimum van tijd om koud was.En nog loopt menig stervling, tot zijn staag verdriet,Met zulk een strop bekneld, ofschoon men ’t touw niet ziet.BijLeuvenzijn de Noren eindelijk verslagen.Die stad zag nòg een keer zoo’n bende, in later dagen......

Nu moet ik aan het slot in droeven klank bezingen

De gruweldaden, die deNorenhier begingen.

Uit Scandinavië kwam deze woeste bent,

Al plundrend, brandend, roovend, moordend, zonder end.

HunVikingsleidden deze niets-ontziende krijgers,

Zij teisterden ons land, bloeddorstiger dan tijgers.

’t Was ijslijk. En je denkt, wanneer je daarvan leest:

Wat was dàtschit’rendvoor de bioskoop geweest.

Godfried de Noorman, door den vorst tot graaf verheven,

Bezorgde d’ armen Friezen een verschriklijk leven.

Hij gaf hun, na een opstand, elk een eigen strop,

Te dragen om den nek; toen pasten zij wel op!

Want iedereen begreep, als hij maar even stout was,

Dat hij er in een minimum van tijd om koud was.

En nog loopt menig stervling, tot zijn staag verdriet,

Met zulk een strop bekneld, ofschoon men ’t touw niet ziet.

BijLeuvenzijn de Noren eindelijk verslagen.

Die stad zag nòg een keer zoo’n bende, in later dagen......

HET GRAAFSCHAP HOLLAND. — DIRK I, DIRK II, DIRK III, ENZ. — DE KRUISTOCHTEN. — PETER DE HERMIET. — DE TOCHT NAAR DAMIATE.

HET GRAAFSCHAP HOLLAND. — DIRK I, DIRK II, DIRK III, ENZ. — DE KRUISTOCHTEN. — PETER DE HERMIET. — DE TOCHT NAAR DAMIATE.

’t Waren donkre, droeve dagen,Nimmer vrij van oorlogsplagen,’t Was krakeelen keer op keerTusschen Bisschop, Graaf en Heer.van Lennep.

’t Waren donkre, droeve dagen,Nimmer vrij van oorlogsplagen,’t Was krakeelen keer op keerTusschen Bisschop, Graaf en Heer.van Lennep.

’t Waren donkre, droeve dagen,Nimmer vrij van oorlogsplagen,’t Was krakeelen keer op keerTusschen Bisschop, Graaf en Heer.

’t Waren donkre, droeve dagen,

Nimmer vrij van oorlogsplagen,

’t Was krakeelen keer op keer

Tusschen Bisschop, Graaf en Heer.

van Lennep.

van Lennep.

Nu spreidt een droef tafreel zich voor mijn blikken uit,En klagelijke klanken klinken van mijn luit.Het was een tijd van twisten, ijverzucht en veeten,Waarin haast alle helden Dirk of Willem heetten,Vandaar de nationale plaag: het dirkenwee,Daar kwelt elk onderwijzer elken leerling mee,Want al die Dirken dient hij op te kunnen noemenMet zijn regeeringstijd, en wie zich kan beroemen,Ze allen, zonder in zijn boek te hoeven zien,Vlot op te kunnen dreunen, krijgt van meestertien.Zoo leert de jeugd al vroeg zijn schooltijd te verknoeien,En de Geschiedenis hartgrondig te verfoeien.Het Graafschap Holland dan, waarvan ik heden dicht,Schoon ’t door den koning van de Franken was gesticht,Werd spoedig Duitsch gebied — ik kan het niet ontkennen;Men zal aan dat idee een beetje moeten wennen,Wanneer men — dat komt voor! — de Duitsche heerschzucht haat,Iets waarvoor evenwel geen reden meer bestaat,Want Duitschland is veranderd in den loop der tijden;Nu is de Duitscher heel gematigd en bescheiden.En als men de Mémoires van d’ ex-Kroonprins leest,Dan ziet men, dat als hij maar Keizer was geweest,Hij wel iets op de moeilijkheden had verzonnen,En vast den oorlog had verhinderd en gewonnen.De eerste Dirk, door keizer Karel aangesteld,Was graaf — dat ’s alles wat de faam van hem vermeldt.Nog heden zijn er graven, die noch slecht, noch braaf zijn,Noch dom, noch slim, noch sloom, noch vlug — alleen maar graaf zijn.Een kroontje op hun kaartje zegt: Mijn bloed is blauw!Iets wat je zonder dat misschien niet merken zou.De tweede...... neen, niet alle breng ik hier te berde,Ik deel u slechts wat mee van één nog: Dirk de Derde,Hij hief, waar later Dordrecht werd gesticht, een tol,En stal, tot schâ des handels, zich den buidel vol.Ten slotte heeft hij, opdat God hem zou vergeven,Van zijn gestolen geld een bedevaart bedreven.Dat deed men toen wel meer; van godsdienstvuur ontbrand,Trok men, ten zoen voor zonde, naar het Heilig Land.Tot zoen der zonde! Ja, maar waarom ’t hier verzwegen?Kwam naderhand zoo’n held een aardig meisje tegen,Dan bleek het vrome middel dikwijls niet afdoend,En werd er weer opnieuw gezondigd en gezoend.Toen evenwel de Turken deze streek bezetten,Begonnen zij die bedevaarten te beletten,De pelgrims werden vrij hardhandig aangepakt,En, spartelden zij tegen, in de pan gehakt.Maar Peter de Hermiet, een kluizenaar uit Frankrijk,Verhief zijn sterke stem, hartstochtelijk en klankrijk,En wekte op ten strijd. Hij trok van stad tot stad,En predikte, terwijl hij op een ezel zat,Den oorlog aan den Turk. De Paus was hem genegen,En schonk den ijveraar zijn herderlijken zegen:De hoorige, die deelnam aan zoo’n tocht, werd vrij.De slaven waren er dus als de kippen bij,Want niet slechts na zijn dood zou men zijn heil bekomen,Maar dadelijk, dus dat was altijd meegenomen.De ridders stroomden toe op Peter’s vrome stem,Zij mochten wel zoo’n tochtje naar Jerusalem,Want dom en dapper zaten z’ op hun burcht te mokken,Verveelden zich er dood, en waren gek op knokken.Hoewel ’k mijn zang niet noodeloos verlengen wil,Sta ik bij één dier tochten toch nog even stil.Die amuseerde mij als kind al uitermate,Ik heb hier op het oog de tocht naar Damiate.Die stad lag aan den Nijl, en aan den overkantBevond zich een kasteel, versterkt en goed bemand.Ook Damiate had een krachtige bezetting,En stad en burcht verbond een sterke stalen ketting.Graaf Willem trok vol moed naar Damiate heen,Om het t’ ontrukken aan den fellen Saraceen,Maar de belegerden verweerden zich hardnekkig,En ’t aanvalsmateriaal was blijkbaar te gebrekkig.Totdat het scherp vernuft van den belegeraarTwee mooie vondsten deed. Toen was het zaakje klaar.De eerste was een op twee schepen staande toren,De tweede een galjoen met groote zaag van voren;Zoo werd de vijand uit zijn hoog kasteel verjaagd,En tegelijkertijd de ketting doorgezaagd.Nog luidt men in de kerk te Haarlem „damiaatjes,”Naar ’t heet geroofd van daar. Maar wellicht zijn dat praatjes,Want in dit opzicht zijn de meeningen verdeeld,Maar niet op ’t punt, dat dat geklep vervloekt verveelt.En opdatgiju niet vervelen zult, al lezend,Leg ’k hier de vulpen neer, en eindig. Cet’ra desunt.

Nu spreidt een droef tafreel zich voor mijn blikken uit,En klagelijke klanken klinken van mijn luit.Het was een tijd van twisten, ijverzucht en veeten,Waarin haast alle helden Dirk of Willem heetten,Vandaar de nationale plaag: het dirkenwee,Daar kwelt elk onderwijzer elken leerling mee,Want al die Dirken dient hij op te kunnen noemenMet zijn regeeringstijd, en wie zich kan beroemen,Ze allen, zonder in zijn boek te hoeven zien,Vlot op te kunnen dreunen, krijgt van meestertien.Zoo leert de jeugd al vroeg zijn schooltijd te verknoeien,En de Geschiedenis hartgrondig te verfoeien.Het Graafschap Holland dan, waarvan ik heden dicht,Schoon ’t door den koning van de Franken was gesticht,Werd spoedig Duitsch gebied — ik kan het niet ontkennen;Men zal aan dat idee een beetje moeten wennen,Wanneer men — dat komt voor! — de Duitsche heerschzucht haat,Iets waarvoor evenwel geen reden meer bestaat,Want Duitschland is veranderd in den loop der tijden;Nu is de Duitscher heel gematigd en bescheiden.En als men de Mémoires van d’ ex-Kroonprins leest,Dan ziet men, dat als hij maar Keizer was geweest,Hij wel iets op de moeilijkheden had verzonnen,En vast den oorlog had verhinderd en gewonnen.De eerste Dirk, door keizer Karel aangesteld,Was graaf — dat ’s alles wat de faam van hem vermeldt.Nog heden zijn er graven, die noch slecht, noch braaf zijn,Noch dom, noch slim, noch sloom, noch vlug — alleen maar graaf zijn.Een kroontje op hun kaartje zegt: Mijn bloed is blauw!Iets wat je zonder dat misschien niet merken zou.De tweede...... neen, niet alle breng ik hier te berde,Ik deel u slechts wat mee van één nog: Dirk de Derde,Hij hief, waar later Dordrecht werd gesticht, een tol,En stal, tot schâ des handels, zich den buidel vol.Ten slotte heeft hij, opdat God hem zou vergeven,Van zijn gestolen geld een bedevaart bedreven.Dat deed men toen wel meer; van godsdienstvuur ontbrand,Trok men, ten zoen voor zonde, naar het Heilig Land.Tot zoen der zonde! Ja, maar waarom ’t hier verzwegen?Kwam naderhand zoo’n held een aardig meisje tegen,Dan bleek het vrome middel dikwijls niet afdoend,En werd er weer opnieuw gezondigd en gezoend.Toen evenwel de Turken deze streek bezetten,Begonnen zij die bedevaarten te beletten,De pelgrims werden vrij hardhandig aangepakt,En, spartelden zij tegen, in de pan gehakt.Maar Peter de Hermiet, een kluizenaar uit Frankrijk,Verhief zijn sterke stem, hartstochtelijk en klankrijk,En wekte op ten strijd. Hij trok van stad tot stad,En predikte, terwijl hij op een ezel zat,Den oorlog aan den Turk. De Paus was hem genegen,En schonk den ijveraar zijn herderlijken zegen:De hoorige, die deelnam aan zoo’n tocht, werd vrij.De slaven waren er dus als de kippen bij,Want niet slechts na zijn dood zou men zijn heil bekomen,Maar dadelijk, dus dat was altijd meegenomen.De ridders stroomden toe op Peter’s vrome stem,Zij mochten wel zoo’n tochtje naar Jerusalem,Want dom en dapper zaten z’ op hun burcht te mokken,Verveelden zich er dood, en waren gek op knokken.Hoewel ’k mijn zang niet noodeloos verlengen wil,Sta ik bij één dier tochten toch nog even stil.Die amuseerde mij als kind al uitermate,Ik heb hier op het oog de tocht naar Damiate.Die stad lag aan den Nijl, en aan den overkantBevond zich een kasteel, versterkt en goed bemand.Ook Damiate had een krachtige bezetting,En stad en burcht verbond een sterke stalen ketting.Graaf Willem trok vol moed naar Damiate heen,Om het t’ ontrukken aan den fellen Saraceen,Maar de belegerden verweerden zich hardnekkig,En ’t aanvalsmateriaal was blijkbaar te gebrekkig.Totdat het scherp vernuft van den belegeraarTwee mooie vondsten deed. Toen was het zaakje klaar.De eerste was een op twee schepen staande toren,De tweede een galjoen met groote zaag van voren;Zoo werd de vijand uit zijn hoog kasteel verjaagd,En tegelijkertijd de ketting doorgezaagd.Nog luidt men in de kerk te Haarlem „damiaatjes,”Naar ’t heet geroofd van daar. Maar wellicht zijn dat praatjes,Want in dit opzicht zijn de meeningen verdeeld,Maar niet op ’t punt, dat dat geklep vervloekt verveelt.En opdatgiju niet vervelen zult, al lezend,Leg ’k hier de vulpen neer, en eindig. Cet’ra desunt.

Nu spreidt een droef tafreel zich voor mijn blikken uit,En klagelijke klanken klinken van mijn luit.Het was een tijd van twisten, ijverzucht en veeten,Waarin haast alle helden Dirk of Willem heetten,Vandaar de nationale plaag: het dirkenwee,Daar kwelt elk onderwijzer elken leerling mee,Want al die Dirken dient hij op te kunnen noemenMet zijn regeeringstijd, en wie zich kan beroemen,Ze allen, zonder in zijn boek te hoeven zien,Vlot op te kunnen dreunen, krijgt van meestertien.Zoo leert de jeugd al vroeg zijn schooltijd te verknoeien,En de Geschiedenis hartgrondig te verfoeien.Het Graafschap Holland dan, waarvan ik heden dicht,Schoon ’t door den koning van de Franken was gesticht,Werd spoedig Duitsch gebied — ik kan het niet ontkennen;Men zal aan dat idee een beetje moeten wennen,Wanneer men — dat komt voor! — de Duitsche heerschzucht haat,Iets waarvoor evenwel geen reden meer bestaat,Want Duitschland is veranderd in den loop der tijden;Nu is de Duitscher heel gematigd en bescheiden.En als men de Mémoires van d’ ex-Kroonprins leest,Dan ziet men, dat als hij maar Keizer was geweest,Hij wel iets op de moeilijkheden had verzonnen,En vast den oorlog had verhinderd en gewonnen.De eerste Dirk, door keizer Karel aangesteld,Was graaf — dat ’s alles wat de faam van hem vermeldt.Nog heden zijn er graven, die noch slecht, noch braaf zijn,Noch dom, noch slim, noch sloom, noch vlug — alleen maar graaf zijn.Een kroontje op hun kaartje zegt: Mijn bloed is blauw!Iets wat je zonder dat misschien niet merken zou.De tweede...... neen, niet alle breng ik hier te berde,Ik deel u slechts wat mee van één nog: Dirk de Derde,Hij hief, waar later Dordrecht werd gesticht, een tol,En stal, tot schâ des handels, zich den buidel vol.Ten slotte heeft hij, opdat God hem zou vergeven,Van zijn gestolen geld een bedevaart bedreven.Dat deed men toen wel meer; van godsdienstvuur ontbrand,Trok men, ten zoen voor zonde, naar het Heilig Land.Tot zoen der zonde! Ja, maar waarom ’t hier verzwegen?Kwam naderhand zoo’n held een aardig meisje tegen,Dan bleek het vrome middel dikwijls niet afdoend,En werd er weer opnieuw gezondigd en gezoend.Toen evenwel de Turken deze streek bezetten,Begonnen zij die bedevaarten te beletten,De pelgrims werden vrij hardhandig aangepakt,En, spartelden zij tegen, in de pan gehakt.Maar Peter de Hermiet, een kluizenaar uit Frankrijk,Verhief zijn sterke stem, hartstochtelijk en klankrijk,En wekte op ten strijd. Hij trok van stad tot stad,En predikte, terwijl hij op een ezel zat,Den oorlog aan den Turk. De Paus was hem genegen,En schonk den ijveraar zijn herderlijken zegen:De hoorige, die deelnam aan zoo’n tocht, werd vrij.De slaven waren er dus als de kippen bij,Want niet slechts na zijn dood zou men zijn heil bekomen,Maar dadelijk, dus dat was altijd meegenomen.De ridders stroomden toe op Peter’s vrome stem,Zij mochten wel zoo’n tochtje naar Jerusalem,Want dom en dapper zaten z’ op hun burcht te mokken,Verveelden zich er dood, en waren gek op knokken.

Nu spreidt een droef tafreel zich voor mijn blikken uit,

En klagelijke klanken klinken van mijn luit.

Het was een tijd van twisten, ijverzucht en veeten,

Waarin haast alle helden Dirk of Willem heetten,

Vandaar de nationale plaag: het dirkenwee,

Daar kwelt elk onderwijzer elken leerling mee,

Want al die Dirken dient hij op te kunnen noemen

Met zijn regeeringstijd, en wie zich kan beroemen,

Ze allen, zonder in zijn boek te hoeven zien,

Vlot op te kunnen dreunen, krijgt van meestertien.

Zoo leert de jeugd al vroeg zijn schooltijd te verknoeien,

En de Geschiedenis hartgrondig te verfoeien.

Het Graafschap Holland dan, waarvan ik heden dicht,

Schoon ’t door den koning van de Franken was gesticht,

Werd spoedig Duitsch gebied — ik kan het niet ontkennen;

Men zal aan dat idee een beetje moeten wennen,

Wanneer men — dat komt voor! — de Duitsche heerschzucht haat,

Iets waarvoor evenwel geen reden meer bestaat,

Want Duitschland is veranderd in den loop der tijden;

Nu is de Duitscher heel gematigd en bescheiden.

En als men de Mémoires van d’ ex-Kroonprins leest,

Dan ziet men, dat als hij maar Keizer was geweest,

Hij wel iets op de moeilijkheden had verzonnen,

En vast den oorlog had verhinderd en gewonnen.

De eerste Dirk, door keizer Karel aangesteld,

Was graaf — dat ’s alles wat de faam van hem vermeldt.

Nog heden zijn er graven, die noch slecht, noch braaf zijn,

Noch dom, noch slim, noch sloom, noch vlug — alleen maar graaf zijn.

Een kroontje op hun kaartje zegt: Mijn bloed is blauw!

Iets wat je zonder dat misschien niet merken zou.

De tweede...... neen, niet alle breng ik hier te berde,

Ik deel u slechts wat mee van één nog: Dirk de Derde,

Hij hief, waar later Dordrecht werd gesticht, een tol,

En stal, tot schâ des handels, zich den buidel vol.

Ten slotte heeft hij, opdat God hem zou vergeven,

Van zijn gestolen geld een bedevaart bedreven.

Dat deed men toen wel meer; van godsdienstvuur ontbrand,

Trok men, ten zoen voor zonde, naar het Heilig Land.

Tot zoen der zonde! Ja, maar waarom ’t hier verzwegen?

Kwam naderhand zoo’n held een aardig meisje tegen,

Dan bleek het vrome middel dikwijls niet afdoend,

En werd er weer opnieuw gezondigd en gezoend.

Toen evenwel de Turken deze streek bezetten,

Begonnen zij die bedevaarten te beletten,

De pelgrims werden vrij hardhandig aangepakt,

En, spartelden zij tegen, in de pan gehakt.

Maar Peter de Hermiet, een kluizenaar uit Frankrijk,

Verhief zijn sterke stem, hartstochtelijk en klankrijk,

En wekte op ten strijd. Hij trok van stad tot stad,

En predikte, terwijl hij op een ezel zat,

Den oorlog aan den Turk. De Paus was hem genegen,

En schonk den ijveraar zijn herderlijken zegen:

De hoorige, die deelnam aan zoo’n tocht, werd vrij.

De slaven waren er dus als de kippen bij,

Want niet slechts na zijn dood zou men zijn heil bekomen,

Maar dadelijk, dus dat was altijd meegenomen.

De ridders stroomden toe op Peter’s vrome stem,

Zij mochten wel zoo’n tochtje naar Jerusalem,

Want dom en dapper zaten z’ op hun burcht te mokken,

Verveelden zich er dood, en waren gek op knokken.

Hoewel ’k mijn zang niet noodeloos verlengen wil,Sta ik bij één dier tochten toch nog even stil.Die amuseerde mij als kind al uitermate,Ik heb hier op het oog de tocht naar Damiate.Die stad lag aan den Nijl, en aan den overkantBevond zich een kasteel, versterkt en goed bemand.Ook Damiate had een krachtige bezetting,En stad en burcht verbond een sterke stalen ketting.Graaf Willem trok vol moed naar Damiate heen,Om het t’ ontrukken aan den fellen Saraceen,Maar de belegerden verweerden zich hardnekkig,En ’t aanvalsmateriaal was blijkbaar te gebrekkig.Totdat het scherp vernuft van den belegeraarTwee mooie vondsten deed. Toen was het zaakje klaar.De eerste was een op twee schepen staande toren,De tweede een galjoen met groote zaag van voren;Zoo werd de vijand uit zijn hoog kasteel verjaagd,En tegelijkertijd de ketting doorgezaagd.Nog luidt men in de kerk te Haarlem „damiaatjes,”Naar ’t heet geroofd van daar. Maar wellicht zijn dat praatjes,Want in dit opzicht zijn de meeningen verdeeld,Maar niet op ’t punt, dat dat geklep vervloekt verveelt.

Hoewel ’k mijn zang niet noodeloos verlengen wil,

Sta ik bij één dier tochten toch nog even stil.

Die amuseerde mij als kind al uitermate,

Ik heb hier op het oog de tocht naar Damiate.

Die stad lag aan den Nijl, en aan den overkant

Bevond zich een kasteel, versterkt en goed bemand.

Ook Damiate had een krachtige bezetting,

En stad en burcht verbond een sterke stalen ketting.

Graaf Willem trok vol moed naar Damiate heen,

Om het t’ ontrukken aan den fellen Saraceen,

Maar de belegerden verweerden zich hardnekkig,

En ’t aanvalsmateriaal was blijkbaar te gebrekkig.

Totdat het scherp vernuft van den belegeraar

Twee mooie vondsten deed. Toen was het zaakje klaar.

De eerste was een op twee schepen staande toren,

De tweede een galjoen met groote zaag van voren;

Zoo werd de vijand uit zijn hoog kasteel verjaagd,

En tegelijkertijd de ketting doorgezaagd.

Nog luidt men in de kerk te Haarlem „damiaatjes,”

Naar ’t heet geroofd van daar. Maar wellicht zijn dat praatjes,

Want in dit opzicht zijn de meeningen verdeeld,

Maar niet op ’t punt, dat dat geklep vervloekt verveelt.

En opdatgiju niet vervelen zult, al lezend,Leg ’k hier de vulpen neer, en eindig. Cet’ra desunt.

En opdatgiju niet vervelen zult, al lezend,

Leg ’k hier de vulpen neer, en eindig. Cet’ra desunt.

„Im wunderschönen Monat Mai......”

„Im wunderschönen Monat Mai......”

Het hoort er zoo bij,Dat je dweept met de Mei,Als de blaadjes en bloemetjes botten;De vogeltjes blij,Leggen ijlings een ei,En de koetjes zijn vrijIn de groenende wei,Waar de veulentjes vroolijk ravotten.Het lammetje blaat,En de nachtegaal slaat,Terwijl zelfs de kooivink zich vrij waant;En ’s avonds nog laatStaat de meid met d’r maatIn gezellig gepraatOp de hoek van de straat —Dat is alles ter eer van de Meimaand.De habituésZitten voor de cafésTe drinken, te leuteren, en teBespreken vol vrees,Of vol hoop, match of race;En nu wijken dinersVoor de tennisclub-thés —Dat is alles ter eer van de Lente.De comedies zijn dicht:Het is veel te lang licht,En de menschen verlangen naar buiten;Zelfs de man van gewichtZet een vroolijk gezicht,Als hij blijde zijn plichtEn zijn dagtaak verricht,En ik heb zelfs een prof hooren fluiten!Elk poëet in den dopSlaat de Mei in den kop,Nu kan zich geen dichter bedwingen,Want zijn vreugd stijgt ten top,En de pen neemt hij op,En de bloem in den knop,En de rups in de pop,En dat alles dat moet hij bezingen.Maarikdenk dan maar:’k Ben geen dichter, niet waar?Gelukkig de man die hetnietis! —Ja, de Meimaand is daar,En de Lente staat klaar,Maar het weer doet zoo raar,En je keel loopt gevaar,En ’t is nu net de tijd voor bronchitis.Ik zet nu geen voetBuitenshuis, als ’t niet moet,Zonder jas — neen, daar waag ’k het niet graag op!Want de Meimaand is zoet,Maar bedenk wat je doet,Want het weer is nu goedVoor je panamahoed,En je winterjas — dicht! — met de kraag op!

Het hoort er zoo bij,Dat je dweept met de Mei,Als de blaadjes en bloemetjes botten;De vogeltjes blij,Leggen ijlings een ei,En de koetjes zijn vrijIn de groenende wei,Waar de veulentjes vroolijk ravotten.Het lammetje blaat,En de nachtegaal slaat,Terwijl zelfs de kooivink zich vrij waant;En ’s avonds nog laatStaat de meid met d’r maatIn gezellig gepraatOp de hoek van de straat —Dat is alles ter eer van de Meimaand.De habituésZitten voor de cafésTe drinken, te leuteren, en teBespreken vol vrees,Of vol hoop, match of race;En nu wijken dinersVoor de tennisclub-thés —Dat is alles ter eer van de Lente.De comedies zijn dicht:Het is veel te lang licht,En de menschen verlangen naar buiten;Zelfs de man van gewichtZet een vroolijk gezicht,Als hij blijde zijn plichtEn zijn dagtaak verricht,En ik heb zelfs een prof hooren fluiten!Elk poëet in den dopSlaat de Mei in den kop,Nu kan zich geen dichter bedwingen,Want zijn vreugd stijgt ten top,En de pen neemt hij op,En de bloem in den knop,En de rups in de pop,En dat alles dat moet hij bezingen.Maarikdenk dan maar:’k Ben geen dichter, niet waar?Gelukkig de man die hetnietis! —Ja, de Meimaand is daar,En de Lente staat klaar,Maar het weer doet zoo raar,En je keel loopt gevaar,En ’t is nu net de tijd voor bronchitis.Ik zet nu geen voetBuitenshuis, als ’t niet moet,Zonder jas — neen, daar waag ’k het niet graag op!Want de Meimaand is zoet,Maar bedenk wat je doet,Want het weer is nu goedVoor je panamahoed,En je winterjas — dicht! — met de kraag op!

Het hoort er zoo bij,Dat je dweept met de Mei,Als de blaadjes en bloemetjes botten;De vogeltjes blij,Leggen ijlings een ei,En de koetjes zijn vrijIn de groenende wei,Waar de veulentjes vroolijk ravotten.

Het hoort er zoo bij,

Dat je dweept met de Mei,

Als de blaadjes en bloemetjes botten;

De vogeltjes blij,

Leggen ijlings een ei,

En de koetjes zijn vrij

In de groenende wei,

Waar de veulentjes vroolijk ravotten.

Het lammetje blaat,En de nachtegaal slaat,Terwijl zelfs de kooivink zich vrij waant;En ’s avonds nog laatStaat de meid met d’r maatIn gezellig gepraatOp de hoek van de straat —Dat is alles ter eer van de Meimaand.

Het lammetje blaat,

En de nachtegaal slaat,

Terwijl zelfs de kooivink zich vrij waant;

En ’s avonds nog laat

Staat de meid met d’r maat

In gezellig gepraat

Op de hoek van de straat —

Dat is alles ter eer van de Meimaand.

De habituésZitten voor de cafésTe drinken, te leuteren, en teBespreken vol vrees,Of vol hoop, match of race;En nu wijken dinersVoor de tennisclub-thés —Dat is alles ter eer van de Lente.

De habitués

Zitten voor de cafés

Te drinken, te leuteren, en te

Bespreken vol vrees,

Of vol hoop, match of race;

En nu wijken diners

Voor de tennisclub-thés —

Dat is alles ter eer van de Lente.

De comedies zijn dicht:Het is veel te lang licht,En de menschen verlangen naar buiten;Zelfs de man van gewichtZet een vroolijk gezicht,Als hij blijde zijn plichtEn zijn dagtaak verricht,En ik heb zelfs een prof hooren fluiten!

De comedies zijn dicht:

Het is veel te lang licht,

En de menschen verlangen naar buiten;

Zelfs de man van gewicht

Zet een vroolijk gezicht,

Als hij blijde zijn plicht

En zijn dagtaak verricht,

En ik heb zelfs een prof hooren fluiten!

Elk poëet in den dopSlaat de Mei in den kop,Nu kan zich geen dichter bedwingen,Want zijn vreugd stijgt ten top,En de pen neemt hij op,En de bloem in den knop,En de rups in de pop,En dat alles dat moet hij bezingen.

Elk poëet in den dop

Slaat de Mei in den kop,

Nu kan zich geen dichter bedwingen,

Want zijn vreugd stijgt ten top,

En de pen neemt hij op,

En de bloem in den knop,

En de rups in de pop,

En dat alles dat moet hij bezingen.

Maarikdenk dan maar:’k Ben geen dichter, niet waar?Gelukkig de man die hetnietis! —Ja, de Meimaand is daar,En de Lente staat klaar,Maar het weer doet zoo raar,En je keel loopt gevaar,En ’t is nu net de tijd voor bronchitis.

Maarikdenk dan maar:

’k Ben geen dichter, niet waar?

Gelukkig de man die hetnietis! —

Ja, de Meimaand is daar,

En de Lente staat klaar,

Maar het weer doet zoo raar,

En je keel loopt gevaar,

En ’t is nu net de tijd voor bronchitis.

Ik zet nu geen voetBuitenshuis, als ’t niet moet,Zonder jas — neen, daar waag ’k het niet graag op!Want de Meimaand is zoet,Maar bedenk wat je doet,Want het weer is nu goedVoor je panamahoed,En je winterjas — dicht! — met de kraag op!

Ik zet nu geen voet

Buitenshuis, als ’t niet moet,

Zonder jas — neen, daar waag ’k het niet graag op!

Want de Meimaand is zoet,

Maar bedenk wat je doet,

Want het weer is nu goed

Voor je panamahoed,

En je winterjas — dicht! — met de kraag op!

Bede van een zakenman aan de Post.

Bede van een zakenman aan de Post.

Ik heb een flink en net kantoor,Waar ’k ijvrig werk, voor vrouw en kindren.Vermaak is goed — maar ’t werk gaat voor!dat ’smijndevies. En ’k leer ’t mijn mindren.Ik doe mijn plicht, al zeg ’k het zelf,Ik ben geen enklen dag afwezig,Ik kom niet om een uur of elf —Om kwart voor negen ben ’k al bezig.De zaken lopen reedlijk goed,Zoo alles door mekaar genomen;Hoewel ’k me wat bekrimpen moet,Ik kan er door-de-bank wel komen.Mijn dagtaak zelf bevalt me zeer,En, hoor ’k de klok van twaalven klinken,Dan leg ’k voldaan mijn vulpen neer,En ga tevreden koffiedrinken.Daar ’s maar één ding in mijn bestaan,Dat mij mijn sterven zal vervroegen;— O, mensch, wees met mijn lot begaan! —Debrievenberg, dien ’k door moet zwoegen...Daar liggen de stukken in dreigende stapels,Van Londen, Parijs, van Berlijn en van Napels,Papieren pilasters, zoo hoog als de zolder,Omvallend en rollend al holderdebolder,Mijn tafels bedekkend, bedrukkend, begravend!Daar zit ik weer, zweetend en zwoegend en slavend,En schuivend en schiftend en schikkend en zoekend;En razend en tierend, verwenschend en vloekend,Verscheur ’k d’ enveloppen, de gele, de blauwe,En ’k lees van ’t „gelieve te treffen in vouwe,”Al bevende breek ik de bloedige lakken,En ’k brand om de rommel het raam uit te kwakken,Want ’t ergst is de Hollandsche correspondentie,Zoo’n schrijver, die breek ik de nek, als ’k de vent zie!Die plat-duitsche wartaal, mijn vrede verdrijvend,Van handels-scribenten, „inmiddels verblijvend”,Van „spoedigst”, „op afroep”, „goedschrijvend”, „af Londen”,Goed schrijven! Godbetert! Ik wou dat z’ ’t konden!Die „eventueel” „en verzoeken wij”-zwetsers,„Inliggend” en „eer” en „na hoogachting”-kletsers,Die lummels, wier zinlooze vleitaal hun kracht is,Wier „vrijheid” „beleefd”, wijlmijn„schrijven” „geacht” is,Die „goederen afgeven”, „billijk voorradig”,In leutertaal, Duitsch, lam, laf, likkend, langdradig;Die walglijke kost, naar en misselijk smakend,Die zit ik te kauwen, in wanhoop gerakend,En knorrend en morrend,En grommend en brommend,En persend en knersend,En krakend en blakend,En grijpend en knijpend,En blazend en razend,En steunend en kreunend,En wringend en springend,En kloppend en schoppend,En hoestend en proestend,En niezend en briezend en kniezend,En nokkend en wrokkend en schokkend,En stampend en kampend en dampend,En hijgend en zijgend en zwijgend,En draaiend en zwaaiend en laaiend,En speurend en sleurend en scheurend,En rijtend en smijtend en bijtend en krijtend,En hikkend en snikkend en schrikkend en stikkend,En sissend en grissend en visschend en missend,En snakkend en pakkend en smakkend en kwakkend,En kreukend en deukend en beukend en jeukend,En knoeiend en loeiend en broeiend en gloeiend,En duwend en stuwend en gruwend en spuwend,En tillend en trillend en rillend en gillend,En jagend en klagend en vragend versagend,Zóó zink ik in zwijmel, gekneusd en geknakt —Dàt is ’t, wat me daaglijks de morgenpost bakt.............................................En zie! onlangs — o, welk een lust!Geen morgenpost om mij te kwellen......Een bijna bovenaardsche rust,Als zich geen sterveling voor kan stellen!O, Post! Wat ik je bidden mag,Je kunt me zoo gelukkig maken:Och, zou je, al was ’t maar voor één dag,Nog ééns een keertje willen staken?

Ik heb een flink en net kantoor,Waar ’k ijvrig werk, voor vrouw en kindren.Vermaak is goed — maar ’t werk gaat voor!dat ’smijndevies. En ’k leer ’t mijn mindren.Ik doe mijn plicht, al zeg ’k het zelf,Ik ben geen enklen dag afwezig,Ik kom niet om een uur of elf —Om kwart voor negen ben ’k al bezig.De zaken lopen reedlijk goed,Zoo alles door mekaar genomen;Hoewel ’k me wat bekrimpen moet,Ik kan er door-de-bank wel komen.Mijn dagtaak zelf bevalt me zeer,En, hoor ’k de klok van twaalven klinken,Dan leg ’k voldaan mijn vulpen neer,En ga tevreden koffiedrinken.Daar ’s maar één ding in mijn bestaan,Dat mij mijn sterven zal vervroegen;— O, mensch, wees met mijn lot begaan! —Debrievenberg, dien ’k door moet zwoegen...Daar liggen de stukken in dreigende stapels,Van Londen, Parijs, van Berlijn en van Napels,Papieren pilasters, zoo hoog als de zolder,Omvallend en rollend al holderdebolder,Mijn tafels bedekkend, bedrukkend, begravend!Daar zit ik weer, zweetend en zwoegend en slavend,En schuivend en schiftend en schikkend en zoekend;En razend en tierend, verwenschend en vloekend,Verscheur ’k d’ enveloppen, de gele, de blauwe,En ’k lees van ’t „gelieve te treffen in vouwe,”Al bevende breek ik de bloedige lakken,En ’k brand om de rommel het raam uit te kwakken,Want ’t ergst is de Hollandsche correspondentie,Zoo’n schrijver, die breek ik de nek, als ’k de vent zie!Die plat-duitsche wartaal, mijn vrede verdrijvend,Van handels-scribenten, „inmiddels verblijvend”,Van „spoedigst”, „op afroep”, „goedschrijvend”, „af Londen”,Goed schrijven! Godbetert! Ik wou dat z’ ’t konden!Die „eventueel” „en verzoeken wij”-zwetsers,„Inliggend” en „eer” en „na hoogachting”-kletsers,Die lummels, wier zinlooze vleitaal hun kracht is,Wier „vrijheid” „beleefd”, wijlmijn„schrijven” „geacht” is,Die „goederen afgeven”, „billijk voorradig”,In leutertaal, Duitsch, lam, laf, likkend, langdradig;Die walglijke kost, naar en misselijk smakend,Die zit ik te kauwen, in wanhoop gerakend,En knorrend en morrend,En grommend en brommend,En persend en knersend,En krakend en blakend,En grijpend en knijpend,En blazend en razend,En steunend en kreunend,En wringend en springend,En kloppend en schoppend,En hoestend en proestend,En niezend en briezend en kniezend,En nokkend en wrokkend en schokkend,En stampend en kampend en dampend,En hijgend en zijgend en zwijgend,En draaiend en zwaaiend en laaiend,En speurend en sleurend en scheurend,En rijtend en smijtend en bijtend en krijtend,En hikkend en snikkend en schrikkend en stikkend,En sissend en grissend en visschend en missend,En snakkend en pakkend en smakkend en kwakkend,En kreukend en deukend en beukend en jeukend,En knoeiend en loeiend en broeiend en gloeiend,En duwend en stuwend en gruwend en spuwend,En tillend en trillend en rillend en gillend,En jagend en klagend en vragend versagend,Zóó zink ik in zwijmel, gekneusd en geknakt —Dàt is ’t, wat me daaglijks de morgenpost bakt.............................................En zie! onlangs — o, welk een lust!Geen morgenpost om mij te kwellen......Een bijna bovenaardsche rust,Als zich geen sterveling voor kan stellen!O, Post! Wat ik je bidden mag,Je kunt me zoo gelukkig maken:Och, zou je, al was ’t maar voor één dag,Nog ééns een keertje willen staken?

Ik heb een flink en net kantoor,Waar ’k ijvrig werk, voor vrouw en kindren.Vermaak is goed — maar ’t werk gaat voor!dat ’smijndevies. En ’k leer ’t mijn mindren.

Ik heb een flink en net kantoor,

Waar ’k ijvrig werk, voor vrouw en kindren.

Vermaak is goed — maar ’t werk gaat voor!

dat ’smijndevies. En ’k leer ’t mijn mindren.

Ik doe mijn plicht, al zeg ’k het zelf,Ik ben geen enklen dag afwezig,Ik kom niet om een uur of elf —Om kwart voor negen ben ’k al bezig.

Ik doe mijn plicht, al zeg ’k het zelf,

Ik ben geen enklen dag afwezig,

Ik kom niet om een uur of elf —

Om kwart voor negen ben ’k al bezig.

De zaken lopen reedlijk goed,Zoo alles door mekaar genomen;Hoewel ’k me wat bekrimpen moet,Ik kan er door-de-bank wel komen.

De zaken lopen reedlijk goed,

Zoo alles door mekaar genomen;

Hoewel ’k me wat bekrimpen moet,

Ik kan er door-de-bank wel komen.

Mijn dagtaak zelf bevalt me zeer,En, hoor ’k de klok van twaalven klinken,Dan leg ’k voldaan mijn vulpen neer,En ga tevreden koffiedrinken.

Mijn dagtaak zelf bevalt me zeer,

En, hoor ’k de klok van twaalven klinken,

Dan leg ’k voldaan mijn vulpen neer,

En ga tevreden koffiedrinken.

Daar ’s maar één ding in mijn bestaan,Dat mij mijn sterven zal vervroegen;— O, mensch, wees met mijn lot begaan! —Debrievenberg, dien ’k door moet zwoegen...

Daar ’s maar één ding in mijn bestaan,

Dat mij mijn sterven zal vervroegen;

— O, mensch, wees met mijn lot begaan! —

Debrievenberg, dien ’k door moet zwoegen...

Daar liggen de stukken in dreigende stapels,Van Londen, Parijs, van Berlijn en van Napels,Papieren pilasters, zoo hoog als de zolder,Omvallend en rollend al holderdebolder,Mijn tafels bedekkend, bedrukkend, begravend!Daar zit ik weer, zweetend en zwoegend en slavend,En schuivend en schiftend en schikkend en zoekend;En razend en tierend, verwenschend en vloekend,Verscheur ’k d’ enveloppen, de gele, de blauwe,En ’k lees van ’t „gelieve te treffen in vouwe,”Al bevende breek ik de bloedige lakken,En ’k brand om de rommel het raam uit te kwakken,Want ’t ergst is de Hollandsche correspondentie,Zoo’n schrijver, die breek ik de nek, als ’k de vent zie!Die plat-duitsche wartaal, mijn vrede verdrijvend,Van handels-scribenten, „inmiddels verblijvend”,Van „spoedigst”, „op afroep”, „goedschrijvend”, „af Londen”,Goed schrijven! Godbetert! Ik wou dat z’ ’t konden!Die „eventueel” „en verzoeken wij”-zwetsers,„Inliggend” en „eer” en „na hoogachting”-kletsers,Die lummels, wier zinlooze vleitaal hun kracht is,Wier „vrijheid” „beleefd”, wijlmijn„schrijven” „geacht” is,Die „goederen afgeven”, „billijk voorradig”,In leutertaal, Duitsch, lam, laf, likkend, langdradig;Die walglijke kost, naar en misselijk smakend,Die zit ik te kauwen, in wanhoop gerakend,En knorrend en morrend,En grommend en brommend,En persend en knersend,En krakend en blakend,En grijpend en knijpend,En blazend en razend,En steunend en kreunend,En wringend en springend,En kloppend en schoppend,En hoestend en proestend,En niezend en briezend en kniezend,En nokkend en wrokkend en schokkend,En stampend en kampend en dampend,En hijgend en zijgend en zwijgend,En draaiend en zwaaiend en laaiend,En speurend en sleurend en scheurend,En rijtend en smijtend en bijtend en krijtend,En hikkend en snikkend en schrikkend en stikkend,En sissend en grissend en visschend en missend,En snakkend en pakkend en smakkend en kwakkend,En kreukend en deukend en beukend en jeukend,En knoeiend en loeiend en broeiend en gloeiend,En duwend en stuwend en gruwend en spuwend,En tillend en trillend en rillend en gillend,En jagend en klagend en vragend versagend,Zóó zink ik in zwijmel, gekneusd en geknakt —Dàt is ’t, wat me daaglijks de morgenpost bakt.............................................En zie! onlangs — o, welk een lust!Geen morgenpost om mij te kwellen......Een bijna bovenaardsche rust,Als zich geen sterveling voor kan stellen!

Daar liggen de stukken in dreigende stapels,

Van Londen, Parijs, van Berlijn en van Napels,

Papieren pilasters, zoo hoog als de zolder,

Omvallend en rollend al holderdebolder,

Mijn tafels bedekkend, bedrukkend, begravend!

Daar zit ik weer, zweetend en zwoegend en slavend,

En schuivend en schiftend en schikkend en zoekend;

En razend en tierend, verwenschend en vloekend,

Verscheur ’k d’ enveloppen, de gele, de blauwe,

En ’k lees van ’t „gelieve te treffen in vouwe,”

Al bevende breek ik de bloedige lakken,

En ’k brand om de rommel het raam uit te kwakken,

Want ’t ergst is de Hollandsche correspondentie,

Zoo’n schrijver, die breek ik de nek, als ’k de vent zie!

Die plat-duitsche wartaal, mijn vrede verdrijvend,

Van handels-scribenten, „inmiddels verblijvend”,

Van „spoedigst”, „op afroep”, „goedschrijvend”, „af Londen”,

Goed schrijven! Godbetert! Ik wou dat z’ ’t konden!

Die „eventueel” „en verzoeken wij”-zwetsers,

„Inliggend” en „eer” en „na hoogachting”-kletsers,

Die lummels, wier zinlooze vleitaal hun kracht is,

Wier „vrijheid” „beleefd”, wijlmijn„schrijven” „geacht” is,

Die „goederen afgeven”, „billijk voorradig”,

In leutertaal, Duitsch, lam, laf, likkend, langdradig;

Die walglijke kost, naar en misselijk smakend,

Die zit ik te kauwen, in wanhoop gerakend,

En knorrend en morrend,

En grommend en brommend,

En persend en knersend,

En krakend en blakend,

En grijpend en knijpend,

En blazend en razend,

En steunend en kreunend,

En wringend en springend,

En kloppend en schoppend,

En hoestend en proestend,

En niezend en briezend en kniezend,

En nokkend en wrokkend en schokkend,

En stampend en kampend en dampend,

En hijgend en zijgend en zwijgend,

En draaiend en zwaaiend en laaiend,

En speurend en sleurend en scheurend,

En rijtend en smijtend en bijtend en krijtend,

En hikkend en snikkend en schrikkend en stikkend,

En sissend en grissend en visschend en missend,

En snakkend en pakkend en smakkend en kwakkend,

En kreukend en deukend en beukend en jeukend,

En knoeiend en loeiend en broeiend en gloeiend,

En duwend en stuwend en gruwend en spuwend,

En tillend en trillend en rillend en gillend,

En jagend en klagend en vragend versagend,

Zóó zink ik in zwijmel, gekneusd en geknakt —

Dàt is ’t, wat me daaglijks de morgenpost bakt.....

........................................

En zie! onlangs — o, welk een lust!

Geen morgenpost om mij te kwellen......

Een bijna bovenaardsche rust,

Als zich geen sterveling voor kan stellen!

O, Post! Wat ik je bidden mag,Je kunt me zoo gelukkig maken:Och, zou je, al was ’t maar voor één dag,Nog ééns een keertje willen staken?

O, Post! Wat ik je bidden mag,

Je kunt me zoo gelukkig maken:

Och, zou je, al was ’t maar voor één dag,

Nog ééns een keertje willen staken?

DeTel.ontving een afschrift van den volgenden order, dezer dagen ter kennis gebracht van de cadetten der Kon. Militaire Academie te Breda:Het is mij den laatsten tijd opgevallen, dat meerdere cadetten zich gearmd met jonge dames in het openbaar vertoonen.1o. Als gevolg hiervan is meermalen de aandacht dier cadetten zoozeer in beslag genomen, dat ze verzuimen hun meerderen te groeten, blijkbaaromdat zij die meerderen niet zien of herkennen.2o. Ook laat de militaire houding van cadetten, die gearmd loopen, meestentijds zeer veel te wenschen over,althans is die houding geenszins zooals van aanstaande officieren verwacht mag worden.3o. Bovendien acht ik het ongewenscht, dat cadetten, die immers niet in het huwelijk mogen treden, door met een jonge dame gearmd over straat te loopen,den schijn aannemen, als zouden zij verloofd zijn, en derhalve voornemens zijn binnenkort een huwelijk te sluiten.Het vorenstaande geeft mij aanleiding te bepalen, dat in art. 57 van de consignes, 2e en 3e alinea van boven wordt opgenomen:„Het is aan cadetten verboden zich gearmd in het openbaar te vertoonen.”Ik reken op ieders medewerking om aan genoemde misstanden, die aan het uiterlijk aanzien der Koninklijk Militaire Akademie ontegenzeggelijk afbreuk doen, een einde te maken.

DeTel.ontving een afschrift van den volgenden order, dezer dagen ter kennis gebracht van de cadetten der Kon. Militaire Academie te Breda:

Het is mij den laatsten tijd opgevallen, dat meerdere cadetten zich gearmd met jonge dames in het openbaar vertoonen.

1o. Als gevolg hiervan is meermalen de aandacht dier cadetten zoozeer in beslag genomen, dat ze verzuimen hun meerderen te groeten, blijkbaaromdat zij die meerderen niet zien of herkennen.

2o. Ook laat de militaire houding van cadetten, die gearmd loopen, meestentijds zeer veel te wenschen over,althans is die houding geenszins zooals van aanstaande officieren verwacht mag worden.

3o. Bovendien acht ik het ongewenscht, dat cadetten, die immers niet in het huwelijk mogen treden, door met een jonge dame gearmd over straat te loopen,den schijn aannemen, als zouden zij verloofd zijn, en derhalve voornemens zijn binnenkort een huwelijk te sluiten.

Het vorenstaande geeft mij aanleiding te bepalen, dat in art. 57 van de consignes, 2e en 3e alinea van boven wordt opgenomen:

„Het is aan cadetten verboden zich gearmd in het openbaar te vertoonen.”

Ik reken op ieders medewerking om aan genoemde misstanden, die aan het uiterlijk aanzien der Koninklijk Militaire Akademie ontegenzeggelijk afbreuk doen, een einde te maken.

De cadetten staan geschaard op het plein van het gebouw der K. M. A.De kolonel spreekt hun toe:Goeden morgen, jongelui. Ik heb je wat te zeggen.Ik voel me n.l. verplicht je nog eens duidelijk uit te leggenWat de beteekenis is van het nieuwe consigne,Waarbij je strafbaar gesteld wordt indien jeJe in ’t openbaar gearmd mocht vertoonen.Ik bedoel natuurlijk: met een der Bredasche schoonen.Al staat het er niet bij, de beteekenis is klaar,Want je doet het vanzelf niet alleen, of met mekaar,En je gearmd te vertoonen met je grootje, je zus, je tante, of je Ma,Daar verlangen jullie uit je zelf al niet na.Ik verzoek je nu allen terdege op te letten,En ik verwacht, dat je je niet tegen mijn wil zult verzetten.Want je staat hier even goed onder mijn hoede als onder je eigen petten,En de ondeugd spant, zooals je weet, overal haar netten,Zoowel voor de groote menschen als voor de cadetten,Dus voor je ’t weet kan de zonde je besmetten,Maar ’t is niet zoozeer dat, wat ik wil beletten,Want tegen de boosheid helpen eigenlijk geen wetten,Als wel, primo, de insubordinatie tegen je superieuren.Immers het kan zeer wel gebeuren,Dat je eens een luitenant of zoo zou ontmoeten,En dan zou je hem, als gearmd zijnde, niet eerbiedig kunnen groeten,Want, loop je met een warmbloedig meisje — tenminste zoo was ’t in mijn tijd —Dan raak je haar arm zoo ineens maar niet kwijt.Bovendien heb je haar waarschijnlijk zooveel leugens over de liefde verteld,En haar zooveel desbetreffende nonsens op de mouw gespeld,Dat je mouw allicht in die spelden blijft haken,En je zoodoende niet gauw een behoorlijk militair saluut kunt maken.Voorts is een gearmd cadet gewoonlijk zoo overmeesterd door zijn gevoel,Dat hij zijn meerdere niet ziet, of niet herkent — hm! je weet wat ik bedoel.Secundo loop je gearmd in een houding die ik niet kan gedoogen:Schommelig, schokkerig, kronkelig, je nek scheef, en je knie naar ’t meisje gebogen.En dit moge nu te dulden zijn bij de straatslijpende horden,’t Is geenszins de houding zooals die van aanstaande officieren verwacht mag worden.Tertio, en dit is misschien het ergste nog,Ik beschouw dit als een soort van anticipatie-huwelijksbedrog.Immers je neemt den schijn aan van een engagement,Terwijl je integendeel, om zoo te zeggen, nog maagdelijk bent.Want je weet, en ik hoop dat je ’t goed zult onthouwen:Ik heb je verboden te spelen, te drinken en te trouwen.Ziezoo. Ik meen van jullie te mogen verwachten,Dat je geen van allen op slinksche wijs zult trachtenDit consigne te ontduiken, en toch met meisjes te loopen,Zij ’t dan ongearmd, bijv. zoo warmpjes tegen haar aangekropen,Zoo, je weet wel, de schouders tegen mekaar aanwrijvend,En dat wel zonder trouwbedoeling (in den handel heet zoo iets „vrij blijvend”).Of hand-in-hand, als kinderen, want dit is ’s winters wel prettig,Maar ’s zomers niet; dan voelt ’t min of meer vettig.Of — je bent allemaal wel eens in de bioskoop geweest —In bevallige pose met je arm om haar leest,Of je armen om mekaars hals, of, zooals bij ’t schaatsenrijden,Kruisling voor ’t lijf — dat alles zul je, hoop ik, vermijden.Ook verwacht ik, hoewel ik het in ’t consigne niet uitdrukkelijk verbood,Je nooit op een bankje aan te treffen met een meisje op je schoot.Ik heb gezegd. Alleen dit nog. Ik eer Bonaparte,Omdat hij koelbloedig de grootste gevaren tartte,Maar je moet me toegeven, dat hij nooit zoo’n consigne verzon,En in zoover win ik ’t, al zeg ik het zelf, van Napoleon!(Daverende toejuichingen)

De cadetten staan geschaard op het plein van het gebouw der K. M. A.De kolonel spreekt hun toe:Goeden morgen, jongelui. Ik heb je wat te zeggen.Ik voel me n.l. verplicht je nog eens duidelijk uit te leggenWat de beteekenis is van het nieuwe consigne,Waarbij je strafbaar gesteld wordt indien jeJe in ’t openbaar gearmd mocht vertoonen.Ik bedoel natuurlijk: met een der Bredasche schoonen.Al staat het er niet bij, de beteekenis is klaar,Want je doet het vanzelf niet alleen, of met mekaar,En je gearmd te vertoonen met je grootje, je zus, je tante, of je Ma,Daar verlangen jullie uit je zelf al niet na.Ik verzoek je nu allen terdege op te letten,En ik verwacht, dat je je niet tegen mijn wil zult verzetten.Want je staat hier even goed onder mijn hoede als onder je eigen petten,En de ondeugd spant, zooals je weet, overal haar netten,Zoowel voor de groote menschen als voor de cadetten,Dus voor je ’t weet kan de zonde je besmetten,Maar ’t is niet zoozeer dat, wat ik wil beletten,Want tegen de boosheid helpen eigenlijk geen wetten,Als wel, primo, de insubordinatie tegen je superieuren.Immers het kan zeer wel gebeuren,Dat je eens een luitenant of zoo zou ontmoeten,En dan zou je hem, als gearmd zijnde, niet eerbiedig kunnen groeten,Want, loop je met een warmbloedig meisje — tenminste zoo was ’t in mijn tijd —Dan raak je haar arm zoo ineens maar niet kwijt.Bovendien heb je haar waarschijnlijk zooveel leugens over de liefde verteld,En haar zooveel desbetreffende nonsens op de mouw gespeld,Dat je mouw allicht in die spelden blijft haken,En je zoodoende niet gauw een behoorlijk militair saluut kunt maken.Voorts is een gearmd cadet gewoonlijk zoo overmeesterd door zijn gevoel,Dat hij zijn meerdere niet ziet, of niet herkent — hm! je weet wat ik bedoel.Secundo loop je gearmd in een houding die ik niet kan gedoogen:Schommelig, schokkerig, kronkelig, je nek scheef, en je knie naar ’t meisje gebogen.En dit moge nu te dulden zijn bij de straatslijpende horden,’t Is geenszins de houding zooals die van aanstaande officieren verwacht mag worden.Tertio, en dit is misschien het ergste nog,Ik beschouw dit als een soort van anticipatie-huwelijksbedrog.Immers je neemt den schijn aan van een engagement,Terwijl je integendeel, om zoo te zeggen, nog maagdelijk bent.Want je weet, en ik hoop dat je ’t goed zult onthouwen:Ik heb je verboden te spelen, te drinken en te trouwen.Ziezoo. Ik meen van jullie te mogen verwachten,Dat je geen van allen op slinksche wijs zult trachtenDit consigne te ontduiken, en toch met meisjes te loopen,Zij ’t dan ongearmd, bijv. zoo warmpjes tegen haar aangekropen,Zoo, je weet wel, de schouders tegen mekaar aanwrijvend,En dat wel zonder trouwbedoeling (in den handel heet zoo iets „vrij blijvend”).Of hand-in-hand, als kinderen, want dit is ’s winters wel prettig,Maar ’s zomers niet; dan voelt ’t min of meer vettig.Of — je bent allemaal wel eens in de bioskoop geweest —In bevallige pose met je arm om haar leest,Of je armen om mekaars hals, of, zooals bij ’t schaatsenrijden,Kruisling voor ’t lijf — dat alles zul je, hoop ik, vermijden.Ook verwacht ik, hoewel ik het in ’t consigne niet uitdrukkelijk verbood,Je nooit op een bankje aan te treffen met een meisje op je schoot.Ik heb gezegd. Alleen dit nog. Ik eer Bonaparte,Omdat hij koelbloedig de grootste gevaren tartte,Maar je moet me toegeven, dat hij nooit zoo’n consigne verzon,En in zoover win ik ’t, al zeg ik het zelf, van Napoleon!(Daverende toejuichingen)

De cadetten staan geschaard op het plein van het gebouw der K. M. A.De kolonel spreekt hun toe:

De cadetten staan geschaard op het plein van het gebouw der K. M. A.

De kolonel spreekt hun toe:

Goeden morgen, jongelui. Ik heb je wat te zeggen.Ik voel me n.l. verplicht je nog eens duidelijk uit te leggenWat de beteekenis is van het nieuwe consigne,Waarbij je strafbaar gesteld wordt indien jeJe in ’t openbaar gearmd mocht vertoonen.Ik bedoel natuurlijk: met een der Bredasche schoonen.Al staat het er niet bij, de beteekenis is klaar,Want je doet het vanzelf niet alleen, of met mekaar,En je gearmd te vertoonen met je grootje, je zus, je tante, of je Ma,Daar verlangen jullie uit je zelf al niet na.Ik verzoek je nu allen terdege op te letten,En ik verwacht, dat je je niet tegen mijn wil zult verzetten.Want je staat hier even goed onder mijn hoede als onder je eigen petten,En de ondeugd spant, zooals je weet, overal haar netten,Zoowel voor de groote menschen als voor de cadetten,Dus voor je ’t weet kan de zonde je besmetten,Maar ’t is niet zoozeer dat, wat ik wil beletten,Want tegen de boosheid helpen eigenlijk geen wetten,Als wel, primo, de insubordinatie tegen je superieuren.Immers het kan zeer wel gebeuren,Dat je eens een luitenant of zoo zou ontmoeten,En dan zou je hem, als gearmd zijnde, niet eerbiedig kunnen groeten,Want, loop je met een warmbloedig meisje — tenminste zoo was ’t in mijn tijd —Dan raak je haar arm zoo ineens maar niet kwijt.Bovendien heb je haar waarschijnlijk zooveel leugens over de liefde verteld,En haar zooveel desbetreffende nonsens op de mouw gespeld,Dat je mouw allicht in die spelden blijft haken,En je zoodoende niet gauw een behoorlijk militair saluut kunt maken.Voorts is een gearmd cadet gewoonlijk zoo overmeesterd door zijn gevoel,Dat hij zijn meerdere niet ziet, of niet herkent — hm! je weet wat ik bedoel.Secundo loop je gearmd in een houding die ik niet kan gedoogen:Schommelig, schokkerig, kronkelig, je nek scheef, en je knie naar ’t meisje gebogen.En dit moge nu te dulden zijn bij de straatslijpende horden,’t Is geenszins de houding zooals die van aanstaande officieren verwacht mag worden.Tertio, en dit is misschien het ergste nog,Ik beschouw dit als een soort van anticipatie-huwelijksbedrog.Immers je neemt den schijn aan van een engagement,Terwijl je integendeel, om zoo te zeggen, nog maagdelijk bent.Want je weet, en ik hoop dat je ’t goed zult onthouwen:Ik heb je verboden te spelen, te drinken en te trouwen.Ziezoo. Ik meen van jullie te mogen verwachten,Dat je geen van allen op slinksche wijs zult trachtenDit consigne te ontduiken, en toch met meisjes te loopen,Zij ’t dan ongearmd, bijv. zoo warmpjes tegen haar aangekropen,Zoo, je weet wel, de schouders tegen mekaar aanwrijvend,En dat wel zonder trouwbedoeling (in den handel heet zoo iets „vrij blijvend”).Of hand-in-hand, als kinderen, want dit is ’s winters wel prettig,Maar ’s zomers niet; dan voelt ’t min of meer vettig.Of — je bent allemaal wel eens in de bioskoop geweest —In bevallige pose met je arm om haar leest,Of je armen om mekaars hals, of, zooals bij ’t schaatsenrijden,Kruisling voor ’t lijf — dat alles zul je, hoop ik, vermijden.Ook verwacht ik, hoewel ik het in ’t consigne niet uitdrukkelijk verbood,Je nooit op een bankje aan te treffen met een meisje op je schoot.Ik heb gezegd. Alleen dit nog. Ik eer Bonaparte,Omdat hij koelbloedig de grootste gevaren tartte,Maar je moet me toegeven, dat hij nooit zoo’n consigne verzon,En in zoover win ik ’t, al zeg ik het zelf, van Napoleon!

Goeden morgen, jongelui. Ik heb je wat te zeggen.

Ik voel me n.l. verplicht je nog eens duidelijk uit te leggen

Wat de beteekenis is van het nieuwe consigne,

Waarbij je strafbaar gesteld wordt indien je

Je in ’t openbaar gearmd mocht vertoonen.

Ik bedoel natuurlijk: met een der Bredasche schoonen.

Al staat het er niet bij, de beteekenis is klaar,

Want je doet het vanzelf niet alleen, of met mekaar,

En je gearmd te vertoonen met je grootje, je zus, je tante, of je Ma,

Daar verlangen jullie uit je zelf al niet na.

Ik verzoek je nu allen terdege op te letten,

En ik verwacht, dat je je niet tegen mijn wil zult verzetten.

Want je staat hier even goed onder mijn hoede als onder je eigen petten,

En de ondeugd spant, zooals je weet, overal haar netten,

Zoowel voor de groote menschen als voor de cadetten,

Dus voor je ’t weet kan de zonde je besmetten,

Maar ’t is niet zoozeer dat, wat ik wil beletten,

Want tegen de boosheid helpen eigenlijk geen wetten,

Als wel, primo, de insubordinatie tegen je superieuren.

Immers het kan zeer wel gebeuren,

Dat je eens een luitenant of zoo zou ontmoeten,

En dan zou je hem, als gearmd zijnde, niet eerbiedig kunnen groeten,

Want, loop je met een warmbloedig meisje — tenminste zoo was ’t in mijn tijd —

Dan raak je haar arm zoo ineens maar niet kwijt.

Bovendien heb je haar waarschijnlijk zooveel leugens over de liefde verteld,

En haar zooveel desbetreffende nonsens op de mouw gespeld,

Dat je mouw allicht in die spelden blijft haken,

En je zoodoende niet gauw een behoorlijk militair saluut kunt maken.

Voorts is een gearmd cadet gewoonlijk zoo overmeesterd door zijn gevoel,

Dat hij zijn meerdere niet ziet, of niet herkent — hm! je weet wat ik bedoel.

Secundo loop je gearmd in een houding die ik niet kan gedoogen:

Schommelig, schokkerig, kronkelig, je nek scheef, en je knie naar ’t meisje gebogen.

En dit moge nu te dulden zijn bij de straatslijpende horden,

’t Is geenszins de houding zooals die van aanstaande officieren verwacht mag worden.

Tertio, en dit is misschien het ergste nog,

Ik beschouw dit als een soort van anticipatie-huwelijksbedrog.

Immers je neemt den schijn aan van een engagement,

Terwijl je integendeel, om zoo te zeggen, nog maagdelijk bent.

Want je weet, en ik hoop dat je ’t goed zult onthouwen:

Ik heb je verboden te spelen, te drinken en te trouwen.

Ziezoo. Ik meen van jullie te mogen verwachten,

Dat je geen van allen op slinksche wijs zult trachten

Dit consigne te ontduiken, en toch met meisjes te loopen,

Zij ’t dan ongearmd, bijv. zoo warmpjes tegen haar aangekropen,

Zoo, je weet wel, de schouders tegen mekaar aanwrijvend,

En dat wel zonder trouwbedoeling (in den handel heet zoo iets „vrij blijvend”).

Of hand-in-hand, als kinderen, want dit is ’s winters wel prettig,

Maar ’s zomers niet; dan voelt ’t min of meer vettig.

Of — je bent allemaal wel eens in de bioskoop geweest —

In bevallige pose met je arm om haar leest,

Of je armen om mekaars hals, of, zooals bij ’t schaatsenrijden,

Kruisling voor ’t lijf — dat alles zul je, hoop ik, vermijden.

Ook verwacht ik, hoewel ik het in ’t consigne niet uitdrukkelijk verbood,

Je nooit op een bankje aan te treffen met een meisje op je schoot.

Ik heb gezegd. Alleen dit nog. Ik eer Bonaparte,

Omdat hij koelbloedig de grootste gevaren tartte,

Maar je moet me toegeven, dat hij nooit zoo’n consigne verzon,

En in zoover win ik ’t, al zeg ik het zelf, van Napoleon!

(Daverende toejuichingen)

(Daverende toejuichingen)

Aan To.

Aan To.

’t Was een mooieZomerdag,Dat ik, To, je’t Eerste zag.Bij het beekjeZag ’k je staan,En ik keek jeSmachtend aan.Ik was dalijkSmoor, maar jijNam me kwalijkDat ’k het zei.Maar toch ein’lijkGaf je toe;HoogstwaarschijnlijkWerd je moe.Even zweeg ik,To, en toen,Liefste, kreeg ikPlots een zoen.Hoe begeerlijkIs de min!En hoe heerlijkWas ’t begin.Ik bezat geenRooie cent,En ik had geenTractement.Dus je vaderWas verstoord;’k Heb dat nader-hand gehoord.En je moederStom verbaasd!’k Weet nog hoe d’rWerd geraasd!Ik kreeg klappenVoor me straf;Al de trappenRolde ’k af.Ach, daar lag ikIn de laan!Jij was, — zag ik —Aangedaan.Je stond onder’t Lindegroen,Maar je kon d’rNiets aan doen.En ik liep naarHuis, kapotVan dit diep naar-geestig slot.Heel mijn levenLeek m’ één nacht...Jij was zeven,Ik was acht.(Maar dit vrijenIn ’t geheimLevert mij ’nRuize-Rijm).(_Naar het Engelsch._)

’t Was een mooieZomerdag,Dat ik, To, je’t Eerste zag.Bij het beekjeZag ’k je staan,En ik keek jeSmachtend aan.Ik was dalijkSmoor, maar jijNam me kwalijkDat ’k het zei.Maar toch ein’lijkGaf je toe;HoogstwaarschijnlijkWerd je moe.Even zweeg ik,To, en toen,Liefste, kreeg ikPlots een zoen.Hoe begeerlijkIs de min!En hoe heerlijkWas ’t begin.Ik bezat geenRooie cent,En ik had geenTractement.Dus je vaderWas verstoord;’k Heb dat nader-hand gehoord.En je moederStom verbaasd!’k Weet nog hoe d’rWerd geraasd!Ik kreeg klappenVoor me straf;Al de trappenRolde ’k af.Ach, daar lag ikIn de laan!Jij was, — zag ik —Aangedaan.Je stond onder’t Lindegroen,Maar je kon d’rNiets aan doen.En ik liep naarHuis, kapotVan dit diep naar-geestig slot.Heel mijn levenLeek m’ één nacht...Jij was zeven,Ik was acht.(Maar dit vrijenIn ’t geheimLevert mij ’nRuize-Rijm).(_Naar het Engelsch._)

’t Was een mooieZomerdag,Dat ik, To, je’t Eerste zag.

’t Was een mooie

Zomerdag,

Dat ik, To, je

’t Eerste zag.

Bij het beekjeZag ’k je staan,En ik keek jeSmachtend aan.

Bij het beekje

Zag ’k je staan,

En ik keek je

Smachtend aan.

Ik was dalijkSmoor, maar jijNam me kwalijkDat ’k het zei.

Ik was dalijk

Smoor, maar jij

Nam me kwalijk

Dat ’k het zei.

Maar toch ein’lijkGaf je toe;HoogstwaarschijnlijkWerd je moe.

Maar toch ein’lijk

Gaf je toe;

Hoogstwaarschijnlijk

Werd je moe.

Even zweeg ik,To, en toen,Liefste, kreeg ikPlots een zoen.

Even zweeg ik,

To, en toen,

Liefste, kreeg ik

Plots een zoen.

Hoe begeerlijkIs de min!En hoe heerlijkWas ’t begin.

Hoe begeerlijk

Is de min!

En hoe heerlijk

Was ’t begin.

Ik bezat geenRooie cent,En ik had geenTractement.

Ik bezat geen

Rooie cent,

En ik had geen

Tractement.

Dus je vaderWas verstoord;’k Heb dat nader-hand gehoord.

Dus je vader

Was verstoord;

’k Heb dat nader-

hand gehoord.

En je moederStom verbaasd!’k Weet nog hoe d’rWerd geraasd!

En je moeder

Stom verbaasd!

’k Weet nog hoe d’r

Werd geraasd!

Ik kreeg klappenVoor me straf;Al de trappenRolde ’k af.

Ik kreeg klappen

Voor me straf;

Al de trappen

Rolde ’k af.

Ach, daar lag ikIn de laan!Jij was, — zag ik —Aangedaan.

Ach, daar lag ik

In de laan!

Jij was, — zag ik —

Aangedaan.

Je stond onder’t Lindegroen,Maar je kon d’rNiets aan doen.

Je stond onder

’t Lindegroen,

Maar je kon d’r

Niets aan doen.

En ik liep naarHuis, kapotVan dit diep naar-geestig slot.

En ik liep naar

Huis, kapot

Van dit diep naar-

geestig slot.

Heel mijn levenLeek m’ één nacht...Jij was zeven,Ik was acht.

Heel mijn leven

Leek m’ één nacht...

Jij was zeven,

Ik was acht.

(Maar dit vrijenIn ’t geheimLevert mij ’nRuize-Rijm).

(Maar dit vrijen

In ’t geheim

Levert mij ’n

Ruize-Rijm).

(_Naar het Engelsch._)

(_Naar het Engelsch._)

Opgedragen aan de Redacteurs van bladen, die medewerken aan de verspreiding van kwakzalversmiddelen.

Opgedragen aan de Redacteurs van bladen, die medewerken aan de verspreiding van kwakzalversmiddelen.

Zing mij, mijn Groene-muze, thansniet in gedweeë zuchten,Laat mij mijn verontwaardigingin forscher klanken luchten,Mijn woede over ’n zonde, ergerdan wat slechten stijl:De zonde der omkoopbaarheid. Ja,onze Pers is veil.Ziet hoe ’t bedrog gedijt door degekochte hulp der kranten,En hoe ’t u toegrijnst, ’t duizend-namigKwaad, van alle kanten:Musol, Garsol, Chlorol, Sprutol,Lymphol, of Menathol,Riol, Flucol, of Kephaldol,Vixol, of Amonnol,Pastilles Poncelet, Urbanus-zalf,Zambuk, Melrose,Dragées Dupont, Kneipp’s pillen,Coza-poeder, Dermatose,Haarlemmer-olie, Pink-pillen,Pastilles Géraudel,Of Foster’s rugpijn-nierenpillen,Beechamp, Bilaudel,„Abdij”-siroopjes (suikerpap)van niet-bestaande kloosters,Of dikke-borsten-pillen voordemi-mondaines — „Oostersch!” —(Heel dikwijls wordt er een „abdij”,of „priester” bij gehaald,Een lokaas voor geloovigen —een truc, die zelden faalt)Gezondheidsketting, Voltakruis,Galvano-boedha-platen,Sanden’s electrisch gordelwerk,Adolph’s jicht-apparaten.Voorts middeltjes, die tot verhoogingvan de werkzaamheid,Heel vriendelijk voor den lijder, metvergiften zijn bereid:Bucine, phenolphtaleïne — andreben ’k vergeten,O, ja, „Nibblett” (epilepsie):strychnine— Smaaklijk eten!En dan ’t gemeenste soort nog, datden lijder lokt — maar straft!Daar ’t juist wat hij verlangt, maar schuwen moet,— vermomd — verschaft:Als: anti-diabetes-middelen,met volop suiker.Een zeer verlokkend drankje voorden drinkebroer-gebruiker:Ziet, vroolijk schenkt hij van hetmedicijn zijn glaasje vol:Een anti-drankzucht-middel, mildgemengd met alcohol!Een nektar voor den morfinist —daar valt mee te verdiene’! —„Antimorfine” heet het goed,bestaande uit...... morfine!En dan de prijs nog, dien zoo’n waardeloosmengseltje je kost!Tien gulden voor wat suiker inwat water opgelost,Parlaghy (broom) voor 12 centbij elk drogist te halen,Daar laat zoo’n schurk zich 25gulden voor betalen!Is ’t wonder, dat dat kwakgespuisin vorsten-weelde leeft,Wanneer ’t zich in ’n jaar of watschatrijk gestolen heeft?O, Redacteurs, ik klaag je aan,ik wil je niet beleedigen,Maar geeft het nu maar eerlijk toe —je kunt je niet verdedigen:’t Slachtoffer dokt, en dokt, en desbedriegers buidel zwelt,De stomme stumper sterft — en julliekrijgt de helft van ’t geld.Je bent de steun en toeverlaatvan heel een bende schoften,Die paaien met portretten, metattesten en beloften.En zelfs als ’t goedj’ onschaadlijk is,doe j’ onherstelbaar kwaad,Want dokter’s hulp wordt uitgesteld:hij komt — maar komt te laat.Effecten-zwendel wordt geweerd —daar zou je naam door lijden! —Kwak’s leugens ku’ j’ niet weigren, wel?Zorgvuldig zijn gescheidenRedactie en directie. O,je vindt het ijslijk naar,Dat liegen — maar de Directeurgebiedt — vooruit dan maar!En door je mooiste hoofdartikel,waar j’, in geestvervoering,Van plicht, en eer, en waarheid spreekt,in edele ontroering,Vlecht zich zoo’n pillen-leugen heen,die zoo verleidelijk leest,Als „Ingezonden mededeeling” —dat betaalt het meest!Je weet precies, wat je misdoet,je kunt je niet vergissen,Alleen — de onderneming kande duiten nog niet missenJa, schitterend is de winst, met zulkreclamewerk behaald......En jullie tractement wordt met datdievengeld betaald.

Zing mij, mijn Groene-muze, thansniet in gedweeë zuchten,Laat mij mijn verontwaardigingin forscher klanken luchten,Mijn woede over ’n zonde, ergerdan wat slechten stijl:De zonde der omkoopbaarheid. Ja,onze Pers is veil.Ziet hoe ’t bedrog gedijt door degekochte hulp der kranten,En hoe ’t u toegrijnst, ’t duizend-namigKwaad, van alle kanten:Musol, Garsol, Chlorol, Sprutol,Lymphol, of Menathol,Riol, Flucol, of Kephaldol,Vixol, of Amonnol,Pastilles Poncelet, Urbanus-zalf,Zambuk, Melrose,Dragées Dupont, Kneipp’s pillen,Coza-poeder, Dermatose,Haarlemmer-olie, Pink-pillen,Pastilles Géraudel,Of Foster’s rugpijn-nierenpillen,Beechamp, Bilaudel,„Abdij”-siroopjes (suikerpap)van niet-bestaande kloosters,Of dikke-borsten-pillen voordemi-mondaines — „Oostersch!” —(Heel dikwijls wordt er een „abdij”,of „priester” bij gehaald,Een lokaas voor geloovigen —een truc, die zelden faalt)Gezondheidsketting, Voltakruis,Galvano-boedha-platen,Sanden’s electrisch gordelwerk,Adolph’s jicht-apparaten.Voorts middeltjes, die tot verhoogingvan de werkzaamheid,Heel vriendelijk voor den lijder, metvergiften zijn bereid:Bucine, phenolphtaleïne — andreben ’k vergeten,O, ja, „Nibblett” (epilepsie):strychnine— Smaaklijk eten!En dan ’t gemeenste soort nog, datden lijder lokt — maar straft!Daar ’t juist wat hij verlangt, maar schuwen moet,— vermomd — verschaft:Als: anti-diabetes-middelen,met volop suiker.Een zeer verlokkend drankje voorden drinkebroer-gebruiker:Ziet, vroolijk schenkt hij van hetmedicijn zijn glaasje vol:Een anti-drankzucht-middel, mildgemengd met alcohol!Een nektar voor den morfinist —daar valt mee te verdiene’! —„Antimorfine” heet het goed,bestaande uit...... morfine!En dan de prijs nog, dien zoo’n waardeloosmengseltje je kost!Tien gulden voor wat suiker inwat water opgelost,Parlaghy (broom) voor 12 centbij elk drogist te halen,Daar laat zoo’n schurk zich 25gulden voor betalen!Is ’t wonder, dat dat kwakgespuisin vorsten-weelde leeft,Wanneer ’t zich in ’n jaar of watschatrijk gestolen heeft?O, Redacteurs, ik klaag je aan,ik wil je niet beleedigen,Maar geeft het nu maar eerlijk toe —je kunt je niet verdedigen:’t Slachtoffer dokt, en dokt, en desbedriegers buidel zwelt,De stomme stumper sterft — en julliekrijgt de helft van ’t geld.Je bent de steun en toeverlaatvan heel een bende schoften,Die paaien met portretten, metattesten en beloften.En zelfs als ’t goedj’ onschaadlijk is,doe j’ onherstelbaar kwaad,Want dokter’s hulp wordt uitgesteld:hij komt — maar komt te laat.Effecten-zwendel wordt geweerd —daar zou je naam door lijden! —Kwak’s leugens ku’ j’ niet weigren, wel?Zorgvuldig zijn gescheidenRedactie en directie. O,je vindt het ijslijk naar,Dat liegen — maar de Directeurgebiedt — vooruit dan maar!En door je mooiste hoofdartikel,waar j’, in geestvervoering,Van plicht, en eer, en waarheid spreekt,in edele ontroering,Vlecht zich zoo’n pillen-leugen heen,die zoo verleidelijk leest,Als „Ingezonden mededeeling” —dat betaalt het meest!Je weet precies, wat je misdoet,je kunt je niet vergissen,Alleen — de onderneming kande duiten nog niet missenJa, schitterend is de winst, met zulkreclamewerk behaald......En jullie tractement wordt met datdievengeld betaald.

Zing mij, mijn Groene-muze, thansniet in gedweeë zuchten,Laat mij mijn verontwaardigingin forscher klanken luchten,Mijn woede over ’n zonde, ergerdan wat slechten stijl:De zonde der omkoopbaarheid. Ja,onze Pers is veil.Ziet hoe ’t bedrog gedijt door degekochte hulp der kranten,En hoe ’t u toegrijnst, ’t duizend-namigKwaad, van alle kanten:Musol, Garsol, Chlorol, Sprutol,Lymphol, of Menathol,Riol, Flucol, of Kephaldol,Vixol, of Amonnol,Pastilles Poncelet, Urbanus-zalf,Zambuk, Melrose,Dragées Dupont, Kneipp’s pillen,Coza-poeder, Dermatose,Haarlemmer-olie, Pink-pillen,Pastilles Géraudel,Of Foster’s rugpijn-nierenpillen,Beechamp, Bilaudel,„Abdij”-siroopjes (suikerpap)van niet-bestaande kloosters,Of dikke-borsten-pillen voordemi-mondaines — „Oostersch!” —(Heel dikwijls wordt er een „abdij”,of „priester” bij gehaald,Een lokaas voor geloovigen —een truc, die zelden faalt)Gezondheidsketting, Voltakruis,Galvano-boedha-platen,Sanden’s electrisch gordelwerk,Adolph’s jicht-apparaten.Voorts middeltjes, die tot verhoogingvan de werkzaamheid,Heel vriendelijk voor den lijder, metvergiften zijn bereid:Bucine, phenolphtaleïne — andreben ’k vergeten,O, ja, „Nibblett” (epilepsie):strychnine— Smaaklijk eten!En dan ’t gemeenste soort nog, datden lijder lokt — maar straft!Daar ’t juist wat hij verlangt, maar schuwen moet,— vermomd — verschaft:Als: anti-diabetes-middelen,met volop suiker.Een zeer verlokkend drankje voorden drinkebroer-gebruiker:Ziet, vroolijk schenkt hij van hetmedicijn zijn glaasje vol:Een anti-drankzucht-middel, mildgemengd met alcohol!Een nektar voor den morfinist —daar valt mee te verdiene’! —„Antimorfine” heet het goed,bestaande uit...... morfine!En dan de prijs nog, dien zoo’n waardeloosmengseltje je kost!Tien gulden voor wat suiker inwat water opgelost,Parlaghy (broom) voor 12 centbij elk drogist te halen,Daar laat zoo’n schurk zich 25gulden voor betalen!Is ’t wonder, dat dat kwakgespuisin vorsten-weelde leeft,Wanneer ’t zich in ’n jaar of watschatrijk gestolen heeft?O, Redacteurs, ik klaag je aan,ik wil je niet beleedigen,Maar geeft het nu maar eerlijk toe —je kunt je niet verdedigen:’t Slachtoffer dokt, en dokt, en desbedriegers buidel zwelt,De stomme stumper sterft — en julliekrijgt de helft van ’t geld.Je bent de steun en toeverlaatvan heel een bende schoften,Die paaien met portretten, metattesten en beloften.En zelfs als ’t goedj’ onschaadlijk is,doe j’ onherstelbaar kwaad,Want dokter’s hulp wordt uitgesteld:hij komt — maar komt te laat.Effecten-zwendel wordt geweerd —daar zou je naam door lijden! —Kwak’s leugens ku’ j’ niet weigren, wel?Zorgvuldig zijn gescheidenRedactie en directie. O,je vindt het ijslijk naar,Dat liegen — maar de Directeurgebiedt — vooruit dan maar!En door je mooiste hoofdartikel,waar j’, in geestvervoering,Van plicht, en eer, en waarheid spreekt,in edele ontroering,Vlecht zich zoo’n pillen-leugen heen,die zoo verleidelijk leest,Als „Ingezonden mededeeling” —dat betaalt het meest!Je weet precies, wat je misdoet,je kunt je niet vergissen,Alleen — de onderneming kande duiten nog niet missenJa, schitterend is de winst, met zulkreclamewerk behaald......En jullie tractement wordt met datdievengeld betaald.

Zing mij, mijn Groene-muze, thans

niet in gedweeë zuchten,

Laat mij mijn verontwaardiging

in forscher klanken luchten,

Mijn woede over ’n zonde, erger

dan wat slechten stijl:

De zonde der omkoopbaarheid. Ja,

onze Pers is veil.

Ziet hoe ’t bedrog gedijt door de

gekochte hulp der kranten,

En hoe ’t u toegrijnst, ’t duizend-namig

Kwaad, van alle kanten:

Musol, Garsol, Chlorol, Sprutol,

Lymphol, of Menathol,

Riol, Flucol, of Kephaldol,

Vixol, of Amonnol,

Pastilles Poncelet, Urbanus-zalf,

Zambuk, Melrose,

Dragées Dupont, Kneipp’s pillen,

Coza-poeder, Dermatose,

Haarlemmer-olie, Pink-pillen,

Pastilles Géraudel,

Of Foster’s rugpijn-nierenpillen,

Beechamp, Bilaudel,

„Abdij”-siroopjes (suikerpap)

van niet-bestaande kloosters,

Of dikke-borsten-pillen voor

demi-mondaines — „Oostersch!” —

(Heel dikwijls wordt er een „abdij”,

of „priester” bij gehaald,

Een lokaas voor geloovigen —

een truc, die zelden faalt)

Gezondheidsketting, Voltakruis,

Galvano-boedha-platen,

Sanden’s electrisch gordelwerk,

Adolph’s jicht-apparaten.

Voorts middeltjes, die tot verhooging

van de werkzaamheid,

Heel vriendelijk voor den lijder, met

vergiften zijn bereid:

Bucine, phenolphtaleïne — andre

ben ’k vergeten,

O, ja, „Nibblett” (epilepsie):

strychnine— Smaaklijk eten!

En dan ’t gemeenste soort nog, dat

den lijder lokt — maar straft!

Daar ’t juist wat hij verlangt, maar schuwen moet,

— vermomd — verschaft:

Als: anti-diabetes-middelen,

met volop suiker.

Een zeer verlokkend drankje voor

den drinkebroer-gebruiker:

Ziet, vroolijk schenkt hij van het

medicijn zijn glaasje vol:

Een anti-drankzucht-middel, mild

gemengd met alcohol!

Een nektar voor den morfinist —

daar valt mee te verdiene’! —

„Antimorfine” heet het goed,

bestaande uit...... morfine!

En dan de prijs nog, dien zoo’n waardeloos

mengseltje je kost!

Tien gulden voor wat suiker in

wat water opgelost,

Parlaghy (broom) voor 12 cent

bij elk drogist te halen,

Daar laat zoo’n schurk zich 25

gulden voor betalen!

Is ’t wonder, dat dat kwakgespuis

in vorsten-weelde leeft,

Wanneer ’t zich in ’n jaar of wat

schatrijk gestolen heeft?

O, Redacteurs, ik klaag je aan,

ik wil je niet beleedigen,

Maar geeft het nu maar eerlijk toe —

je kunt je niet verdedigen:

’t Slachtoffer dokt, en dokt, en des

bedriegers buidel zwelt,

De stomme stumper sterft — en jullie

krijgt de helft van ’t geld.

Je bent de steun en toeverlaat

van heel een bende schoften,

Die paaien met portretten, met

attesten en beloften.

En zelfs als ’t goedj’ onschaadlijk is,

doe j’ onherstelbaar kwaad,

Want dokter’s hulp wordt uitgesteld:

hij komt — maar komt te laat.

Effecten-zwendel wordt geweerd —

daar zou je naam door lijden! —

Kwak’s leugens ku’ j’ niet weigren, wel?

Zorgvuldig zijn gescheiden

Redactie en directie. O,

je vindt het ijslijk naar,

Dat liegen — maar de Directeur

gebiedt — vooruit dan maar!

En door je mooiste hoofdartikel,

waar j’, in geestvervoering,

Van plicht, en eer, en waarheid spreekt,

in edele ontroering,

Vlecht zich zoo’n pillen-leugen heen,

die zoo verleidelijk leest,

Als „Ingezonden mededeeling” —

dat betaalt het meest!

Je weet precies, wat je misdoet,

je kunt je niet vergissen,

Alleen — de onderneming kan

de duiten nog niet missen

Ja, schitterend is de winst, met zulk

reclamewerk behaald......

En jullie tractement wordt met dat

dievengeld betaald.

Het leven is zoo saai. Zoo altijd ’t zelfde.Wij varen lustloos door in ’t oude zog.Zooals zich ’t firmament sinds eeuwen welfde,Zoo staat de blauwe (grauwe) koepel nog.De winden waaien — en de boomen groeien —De regens vallen — en de zonne schijnt —De vogels vliegen — en de bloemen bloeien —Zoo telkens weer opnieuw, en zonder eind......De menschen minnen, haten, strijden, streven,’t Is altijd ’t zelfde spel, en ’t oude lied;Het is al honderdduizend maal beschreven,Maar nieuwe dingen lees of zie ik niet.Wij dwalen doelloos door de dichte drommen;Ter slinke noch ter rechte daagt de dag;Geen stervling heeft den Berg des Lichts beklommen,Dien slechts de dichter in zijn droomen zag.O, schrik mij! schok mij! breng mij in ontroering!Tref, geesel, striem mij, smak mij! Kwak mij neer!Laat mij verstikken in mijn zielsvervoering —Maar laat mij niet in dorheid sterven, Heer!Zoo peinzend liep ik loom langs ’s heeren straten,Als een, die niets van ’t leven meer verwacht,Verveeld, vermoeid, versuft, verdoofd, verlaten......Toen is het Wonder plotseling volbracht.Wat ’k zag, ik zal ’t mijn leven lang onthouden,Verstijfd van schrik, en van ontzetting strakDoor wat mijn starend’ oogen daar aanschouwden:Een dienstmeid met een muts en met een jak.

Het leven is zoo saai. Zoo altijd ’t zelfde.Wij varen lustloos door in ’t oude zog.Zooals zich ’t firmament sinds eeuwen welfde,Zoo staat de blauwe (grauwe) koepel nog.De winden waaien — en de boomen groeien —De regens vallen — en de zonne schijnt —De vogels vliegen — en de bloemen bloeien —Zoo telkens weer opnieuw, en zonder eind......De menschen minnen, haten, strijden, streven,’t Is altijd ’t zelfde spel, en ’t oude lied;Het is al honderdduizend maal beschreven,Maar nieuwe dingen lees of zie ik niet.Wij dwalen doelloos door de dichte drommen;Ter slinke noch ter rechte daagt de dag;Geen stervling heeft den Berg des Lichts beklommen,Dien slechts de dichter in zijn droomen zag.O, schrik mij! schok mij! breng mij in ontroering!Tref, geesel, striem mij, smak mij! Kwak mij neer!Laat mij verstikken in mijn zielsvervoering —Maar laat mij niet in dorheid sterven, Heer!Zoo peinzend liep ik loom langs ’s heeren straten,Als een, die niets van ’t leven meer verwacht,Verveeld, vermoeid, versuft, verdoofd, verlaten......Toen is het Wonder plotseling volbracht.Wat ’k zag, ik zal ’t mijn leven lang onthouden,Verstijfd van schrik, en van ontzetting strakDoor wat mijn starend’ oogen daar aanschouwden:Een dienstmeid met een muts en met een jak.

Het leven is zoo saai. Zoo altijd ’t zelfde.Wij varen lustloos door in ’t oude zog.Zooals zich ’t firmament sinds eeuwen welfde,Zoo staat de blauwe (grauwe) koepel nog.

Het leven is zoo saai. Zoo altijd ’t zelfde.

Wij varen lustloos door in ’t oude zog.

Zooals zich ’t firmament sinds eeuwen welfde,

Zoo staat de blauwe (grauwe) koepel nog.

De winden waaien — en de boomen groeien —De regens vallen — en de zonne schijnt —De vogels vliegen — en de bloemen bloeien —Zoo telkens weer opnieuw, en zonder eind......

De winden waaien — en de boomen groeien —

De regens vallen — en de zonne schijnt —

De vogels vliegen — en de bloemen bloeien —

Zoo telkens weer opnieuw, en zonder eind......

De menschen minnen, haten, strijden, streven,’t Is altijd ’t zelfde spel, en ’t oude lied;Het is al honderdduizend maal beschreven,Maar nieuwe dingen lees of zie ik niet.

De menschen minnen, haten, strijden, streven,

’t Is altijd ’t zelfde spel, en ’t oude lied;

Het is al honderdduizend maal beschreven,

Maar nieuwe dingen lees of zie ik niet.

Wij dwalen doelloos door de dichte drommen;Ter slinke noch ter rechte daagt de dag;Geen stervling heeft den Berg des Lichts beklommen,Dien slechts de dichter in zijn droomen zag.

Wij dwalen doelloos door de dichte drommen;

Ter slinke noch ter rechte daagt de dag;

Geen stervling heeft den Berg des Lichts beklommen,

Dien slechts de dichter in zijn droomen zag.

O, schrik mij! schok mij! breng mij in ontroering!Tref, geesel, striem mij, smak mij! Kwak mij neer!Laat mij verstikken in mijn zielsvervoering —Maar laat mij niet in dorheid sterven, Heer!

O, schrik mij! schok mij! breng mij in ontroering!

Tref, geesel, striem mij, smak mij! Kwak mij neer!

Laat mij verstikken in mijn zielsvervoering —

Maar laat mij niet in dorheid sterven, Heer!

Zoo peinzend liep ik loom langs ’s heeren straten,Als een, die niets van ’t leven meer verwacht,Verveeld, vermoeid, versuft, verdoofd, verlaten......Toen is het Wonder plotseling volbracht.

Zoo peinzend liep ik loom langs ’s heeren straten,

Als een, die niets van ’t leven meer verwacht,

Verveeld, vermoeid, versuft, verdoofd, verlaten......

Toen is het Wonder plotseling volbracht.

Wat ’k zag, ik zal ’t mijn leven lang onthouden,Verstijfd van schrik, en van ontzetting strakDoor wat mijn starend’ oogen daar aanschouwden:Een dienstmeid met een muts en met een jak.

Wat ’k zag, ik zal ’t mijn leven lang onthouden,

Verstijfd van schrik, en van ontzetting strak

Door wat mijn starend’ oogen daar aanschouwden:

Een dienstmeid met een muts en met een jak.

O, telefoon, ik haat je!Ik haat je als de hel!Rrrrring!!Jij, die mijn kamerrust verstoort met jouw vervloekt gebel!Rrrrring!!Je staat daar in een hoekje,Maar eischt subiet gehoor,Rrrrring!!Want, ren ’k niet dalijk op je toe, dan bel je nijdig door.Rrrrring!!Ben ’k boven aan het scheren,Waar ’k kin en wangen krab,Rrrrring!!Dan keep ik m’ in mijn tronie, en ik struikel op de trap.Rrrrring!!„Verkeerd (weer!) aangesloten!”Dat ’s alles wat ik hoor;Rrrrring!!Dan zegik...... nee, dat zeg ’k je niet — daar ben ’k te netjes voor.Rrrrring!!Wie maar wat heeft te vragen,Valt ruw in elk gesprek,Rrrrring!!En staat daar lomp, onaangediend in mijn intiem vertrek.Rrrrring!!De kleverigste kletskous,d’ Onmogelijkste vlerk,Rrrrring!!Die haalt je kalm per telefoon, floep! midden uit je werk.Rrrrring!!Hij ’s veilig, dus waarom niet?En, krijgt ie ’t in z’n kop,Rrrrring!!Dan belt ie op een goeien dag de Koningin eens op.Rrrrring!!De telefoon verleert jeManieren en fatsoen,Rrrrring!!Want op zoo’n grooten afstand hoef je niet beleefd te doen.Rrrrring!!De zachtst-gezinde menschen,Zijn grof per telefoon,Rrrrring!!Ze bijten bits hun woorden af, en vinnig klinkt hun toon.Rrrrring!!Ik noem maar niet meer grieven —Vanwege plaatsgebrek,Rrrrring!!Ik zwijg dus van het eeuwigdurend wachtwoord: „In gesprek!”Rrrrring!!Ik zwijg ook van den toestand,Dien j’ elken dag doorleeft,Rrrrring!!— Gott strafe ’t telefoongebroed! — dat juf geen aassem geeft.Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!!Bah! — ’k Smijt den horen nederOp ’t toestel met een kwak......Maar ’k hou mijn telefoon toch maar, want ’kvin’t een groot gemak.

O, telefoon, ik haat je!Ik haat je als de hel!Rrrrring!!Jij, die mijn kamerrust verstoort met jouw vervloekt gebel!Rrrrring!!Je staat daar in een hoekje,Maar eischt subiet gehoor,Rrrrring!!Want, ren ’k niet dalijk op je toe, dan bel je nijdig door.Rrrrring!!Ben ’k boven aan het scheren,Waar ’k kin en wangen krab,Rrrrring!!Dan keep ik m’ in mijn tronie, en ik struikel op de trap.Rrrrring!!„Verkeerd (weer!) aangesloten!”Dat ’s alles wat ik hoor;Rrrrring!!Dan zegik...... nee, dat zeg ’k je niet — daar ben ’k te netjes voor.Rrrrring!!Wie maar wat heeft te vragen,Valt ruw in elk gesprek,Rrrrring!!En staat daar lomp, onaangediend in mijn intiem vertrek.Rrrrring!!De kleverigste kletskous,d’ Onmogelijkste vlerk,Rrrrring!!Die haalt je kalm per telefoon, floep! midden uit je werk.Rrrrring!!Hij ’s veilig, dus waarom niet?En, krijgt ie ’t in z’n kop,Rrrrring!!Dan belt ie op een goeien dag de Koningin eens op.Rrrrring!!De telefoon verleert jeManieren en fatsoen,Rrrrring!!Want op zoo’n grooten afstand hoef je niet beleefd te doen.Rrrrring!!De zachtst-gezinde menschen,Zijn grof per telefoon,Rrrrring!!Ze bijten bits hun woorden af, en vinnig klinkt hun toon.Rrrrring!!Ik noem maar niet meer grieven —Vanwege plaatsgebrek,Rrrrring!!Ik zwijg dus van het eeuwigdurend wachtwoord: „In gesprek!”Rrrrring!!Ik zwijg ook van den toestand,Dien j’ elken dag doorleeft,Rrrrring!!— Gott strafe ’t telefoongebroed! — dat juf geen aassem geeft.Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!!Bah! — ’k Smijt den horen nederOp ’t toestel met een kwak......Maar ’k hou mijn telefoon toch maar, want ’kvin’t een groot gemak.

O, telefoon, ik haat je!Ik haat je als de hel!Rrrrring!!Jij, die mijn kamerrust verstoort met jouw vervloekt gebel!Rrrrring!!

O, telefoon, ik haat je!

Ik haat je als de hel!

Rrrrring!!

Jij, die mijn kamerrust verstoort met jouw vervloekt gebel!

Rrrrring!!

Je staat daar in een hoekje,Maar eischt subiet gehoor,Rrrrring!!Want, ren ’k niet dalijk op je toe, dan bel je nijdig door.Rrrrring!!

Je staat daar in een hoekje,

Maar eischt subiet gehoor,

Rrrrring!!

Want, ren ’k niet dalijk op je toe, dan bel je nijdig door.

Rrrrring!!

Ben ’k boven aan het scheren,Waar ’k kin en wangen krab,Rrrrring!!Dan keep ik m’ in mijn tronie, en ik struikel op de trap.Rrrrring!!

Ben ’k boven aan het scheren,

Waar ’k kin en wangen krab,

Rrrrring!!

Dan keep ik m’ in mijn tronie, en ik struikel op de trap.

Rrrrring!!

„Verkeerd (weer!) aangesloten!”Dat ’s alles wat ik hoor;Rrrrring!!Dan zegik...... nee, dat zeg ’k je niet — daar ben ’k te netjes voor.Rrrrring!!

„Verkeerd (weer!) aangesloten!”

Dat ’s alles wat ik hoor;

Rrrrring!!

Dan zegik...... nee, dat zeg ’k je niet — daar ben ’k te netjes voor.

Rrrrring!!

Wie maar wat heeft te vragen,Valt ruw in elk gesprek,Rrrrring!!En staat daar lomp, onaangediend in mijn intiem vertrek.Rrrrring!!

Wie maar wat heeft te vragen,

Valt ruw in elk gesprek,

Rrrrring!!

En staat daar lomp, onaangediend in mijn intiem vertrek.

Rrrrring!!

De kleverigste kletskous,d’ Onmogelijkste vlerk,Rrrrring!!Die haalt je kalm per telefoon, floep! midden uit je werk.Rrrrring!!

De kleverigste kletskous,

d’ Onmogelijkste vlerk,

Rrrrring!!

Die haalt je kalm per telefoon, floep! midden uit je werk.

Rrrrring!!

Hij ’s veilig, dus waarom niet?En, krijgt ie ’t in z’n kop,Rrrrring!!Dan belt ie op een goeien dag de Koningin eens op.Rrrrring!!

Hij ’s veilig, dus waarom niet?

En, krijgt ie ’t in z’n kop,

Rrrrring!!

Dan belt ie op een goeien dag de Koningin eens op.

Rrrrring!!

De telefoon verleert jeManieren en fatsoen,Rrrrring!!Want op zoo’n grooten afstand hoef je niet beleefd te doen.Rrrrring!!

De telefoon verleert je

Manieren en fatsoen,

Rrrrring!!

Want op zoo’n grooten afstand hoef je niet beleefd te doen.

Rrrrring!!

De zachtst-gezinde menschen,Zijn grof per telefoon,Rrrrring!!Ze bijten bits hun woorden af, en vinnig klinkt hun toon.Rrrrring!!

De zachtst-gezinde menschen,

Zijn grof per telefoon,

Rrrrring!!

Ze bijten bits hun woorden af, en vinnig klinkt hun toon.

Rrrrring!!

Ik noem maar niet meer grieven —Vanwege plaatsgebrek,Rrrrring!!Ik zwijg dus van het eeuwigdurend wachtwoord: „In gesprek!”Rrrrring!!

Ik noem maar niet meer grieven —

Vanwege plaatsgebrek,

Rrrrring!!

Ik zwijg dus van het eeuwigdurend wachtwoord: „In gesprek!”

Rrrrring!!

Ik zwijg ook van den toestand,Dien j’ elken dag doorleeft,Rrrrring!!— Gott strafe ’t telefoongebroed! — dat juf geen aassem geeft.Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!!

Ik zwijg ook van den toestand,

Dien j’ elken dag doorleeft,

Rrrrring!!

— Gott strafe ’t telefoongebroed! — dat juf geen aassem geeft.

Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!!

Bah! — ’k Smijt den horen nederOp ’t toestel met een kwak......Maar ’k hou mijn telefoon toch maar, want ’kvin’t een groot gemak.

Bah! — ’k Smijt den horen neder

Op ’t toestel met een kwak......

Maar ’k hou mijn telefoon toch maar, want ’kvin’t een groot gemak.

Jubelrijm, met verzoek aan de Vaderlandsche sigarenfabrikanten.


Back to IndexNext