9. LOFRIJM OP DE PRIKKEL-IDYLLEN.[3]

„Dat voor haar jagen moet, om onderdak en kost,De eerste bezitter van het woud en van de rots”.(Van Looyin deGids)„Naar torens op de kust, wanneer ze langsHun boorden varend, den oranje glans.”(Gorter’s Mei)„Van licht in licht, lichtwenteling —’t Is nachtdood, morgenkentering.”(Van Eeden, Ellen)„O, Moeder in den hemel! WeesGij mijn liefs trouwe Hoedster steeds!”(Hofdijk, Reynouts’ tocht.)’t Is waar, er hapert iets aan deze rijmen. Maar werkelijke poëzie kijkt zoo nauw niet. Wellicht zal de oplettende lezer ook in de volgendeBalladehier en daar een rijm aantreffen, dat niet volkomen correct is; maar wij wenschen ons in dit opzicht een zekere vrijheid voor te behouden.

„Dat voor haar jagen moet, om onderdak en kost,De eerste bezitter van het woud en van de rots”.(Van Looyin deGids)

„Dat voor haar jagen moet, om onderdak en kost,De eerste bezitter van het woud en van de rots”.(Van Looyin deGids)

„Dat voor haar jagen moet, om onderdak en kost,De eerste bezitter van het woud en van de rots”.(Van Looyin deGids)

„Dat voor haar jagen moet, om onderdak en kost,

De eerste bezitter van het woud en van de rots”.

(Van Looyin deGids)

„Naar torens op de kust, wanneer ze langsHun boorden varend, den oranje glans.”(Gorter’s Mei)

„Naar torens op de kust, wanneer ze langsHun boorden varend, den oranje glans.”(Gorter’s Mei)

„Naar torens op de kust, wanneer ze langsHun boorden varend, den oranje glans.”(Gorter’s Mei)

„Naar torens op de kust, wanneer ze langs

Hun boorden varend, den oranje glans.”

(Gorter’s Mei)

„Van licht in licht, lichtwenteling —’t Is nachtdood, morgenkentering.”(Van Eeden, Ellen)

„Van licht in licht, lichtwenteling —’t Is nachtdood, morgenkentering.”(Van Eeden, Ellen)

„Van licht in licht, lichtwenteling —’t Is nachtdood, morgenkentering.”(Van Eeden, Ellen)

„Van licht in licht, lichtwenteling —

’t Is nachtdood, morgenkentering.”

(Van Eeden, Ellen)

„O, Moeder in den hemel! WeesGij mijn liefs trouwe Hoedster steeds!”(Hofdijk, Reynouts’ tocht.)

„O, Moeder in den hemel! WeesGij mijn liefs trouwe Hoedster steeds!”(Hofdijk, Reynouts’ tocht.)

„O, Moeder in den hemel! WeesGij mijn liefs trouwe Hoedster steeds!”(Hofdijk, Reynouts’ tocht.)

„O, Moeder in den hemel! Wees

Gij mijn liefs trouwe Hoedster steeds!”

(Hofdijk, Reynouts’ tocht.)

’t Is waar, er hapert iets aan deze rijmen. Maar werkelijke poëzie kijkt zoo nauw niet. Wellicht zal de oplettende lezer ook in de volgendeBalladehier en daar een rijm aantreffen, dat niet volkomen correct is; maar wij wenschen ons in dit opzicht een zekere vrijheid voor te behouden.

I.De zomerzonne zonk ter kimme,Een rose diskos, goud-omstraald;Het was het uur der zoete minne,Waarin Natuur tot kozen maant.De vogel staakt zijn blijde tonen,Het schuchter haasken, op zijn kalmst,Zit midden op den weg te droomen,De schuwe eekhoorn kent geen angst.O, Mensch, geniet en zet u neder,Wisch van uw brauw de drupplen zweets,Hier vindt gij reine rust en vredeVoor moede ziel en matten geest.Wat zoekt g’ in drukke stede-straten’t Geluk — geslierd in ’s werelds ren?Ontvlied den maalstroom van vermaken,En luister naar der Stilte stem.II.Wie draaft daar door de lommerlanen,Langs lindengroen en beukenbruin,Als om een vlucht’ling t’ achterhalen,Zijn rennend ros besmeurd met schuim?Het is de ridderknaap Renaldo.Hij toomt zijn klepper. Als verstard,Zoo staat zijn ros, op zijn commando.Renaldo springt ter aard, en wacht.Hij wacht een wijl’, maar toeft niet lang daar;Plots hoort hij ’t kraken van ’t geblaartEn voor hem staat — zijn lief, Amanda,Ster zijner droomen, struische maagd!Een blik, een blos, een zucht, een snikken,Een liefdedronken minnezwijm....„Geliefde!” lispelen 2 paar lippen,„Voor eeuwig mijn!” — „Voor eeuwig mijn!”III.Een brave blonde boerenjongen,Feiko, een vrome, vrije Fries,Had eens Amanda’s hart gewonnen,Amanda had haar Feiko lief.De zaak kreeg vasten vorm, natuurlijk,Toen beider min bestendig bleek,En alles was al klaar voor ’t huw’lijk,Ja zelfs hun uitzet was gereed.Toen kwam Renaldo. Zacht maar zeker,Lokt hij het lijsterk’ in zijn net;Geen kamerspin verstaat het beterDe vlieg te vangen in zijn web.Renaldo schiet zijn scherpste pijlen,Dringt d’armen Feiko van zijn plaats,Hij weet Amanda te verleiden:Zijn lage list gelukt op ’t laatst......IV.Op dezen minnezwang’ren avendKeert Feiko huiswaarts door het bosch;’t Gelaat van liefdevuurgloed stralend,Zingt hij van „haar”, uit volle borst.Het dalend duister deert hem weinig,Hij heeft een goed pistool op zak,Want roovers maken ’t woud onveilig,En loeren langs ’t verlaten pad.Wat hoort zijn oor? Wat zien zijn oogen?Een schijnbeeld, dat de schemer schiep?Hij luistert...... gluurt door ’t lichte loover......Neen, goden! Hij vergist zich niet:Hij hoort de sissekussen snerpen,De booswicht lisptAmanda’snaam......Daar staan ze, bij de blanke berken,In ’t schijnsel van de zilvren maan!V.Een oogwenk slaat hij ’t schouwspel gade,Hij staat verslagen en verstomd,Zijn adem stokt, zijn oogen stare’,Hij blijft genageld aan den grond.Dan tast zijn hand naar ’t dood’lijk wapen,Hij drukt het aan de slaap, en zucht......Wel wil hij ’t weeë leven laten,Maar deinst nog voor de daad terug......„Amanda,” snikt hij, „was dàt edel?Amanda, had ik dàt verdiend......?”Hij wankelt, heft den blik ten hemel......Een schot — hij ligt ter aard, ontzield.— — — — — — — — —’t Is zeker treurig. Maar geen wonder.Leer dus uit Feiko’s levensloop:Richt op je voorhoofd geen revolver,Want als het afgaat, ben je dood.

I.De zomerzonne zonk ter kimme,Een rose diskos, goud-omstraald;Het was het uur der zoete minne,Waarin Natuur tot kozen maant.De vogel staakt zijn blijde tonen,Het schuchter haasken, op zijn kalmst,Zit midden op den weg te droomen,De schuwe eekhoorn kent geen angst.O, Mensch, geniet en zet u neder,Wisch van uw brauw de drupplen zweets,Hier vindt gij reine rust en vredeVoor moede ziel en matten geest.Wat zoekt g’ in drukke stede-straten’t Geluk — geslierd in ’s werelds ren?Ontvlied den maalstroom van vermaken,En luister naar der Stilte stem.II.Wie draaft daar door de lommerlanen,Langs lindengroen en beukenbruin,Als om een vlucht’ling t’ achterhalen,Zijn rennend ros besmeurd met schuim?Het is de ridderknaap Renaldo.Hij toomt zijn klepper. Als verstard,Zoo staat zijn ros, op zijn commando.Renaldo springt ter aard, en wacht.Hij wacht een wijl’, maar toeft niet lang daar;Plots hoort hij ’t kraken van ’t geblaartEn voor hem staat — zijn lief, Amanda,Ster zijner droomen, struische maagd!Een blik, een blos, een zucht, een snikken,Een liefdedronken minnezwijm....„Geliefde!” lispelen 2 paar lippen,„Voor eeuwig mijn!” — „Voor eeuwig mijn!”III.Een brave blonde boerenjongen,Feiko, een vrome, vrije Fries,Had eens Amanda’s hart gewonnen,Amanda had haar Feiko lief.De zaak kreeg vasten vorm, natuurlijk,Toen beider min bestendig bleek,En alles was al klaar voor ’t huw’lijk,Ja zelfs hun uitzet was gereed.Toen kwam Renaldo. Zacht maar zeker,Lokt hij het lijsterk’ in zijn net;Geen kamerspin verstaat het beterDe vlieg te vangen in zijn web.Renaldo schiet zijn scherpste pijlen,Dringt d’armen Feiko van zijn plaats,Hij weet Amanda te verleiden:Zijn lage list gelukt op ’t laatst......IV.Op dezen minnezwang’ren avendKeert Feiko huiswaarts door het bosch;’t Gelaat van liefdevuurgloed stralend,Zingt hij van „haar”, uit volle borst.Het dalend duister deert hem weinig,Hij heeft een goed pistool op zak,Want roovers maken ’t woud onveilig,En loeren langs ’t verlaten pad.Wat hoort zijn oor? Wat zien zijn oogen?Een schijnbeeld, dat de schemer schiep?Hij luistert...... gluurt door ’t lichte loover......Neen, goden! Hij vergist zich niet:Hij hoort de sissekussen snerpen,De booswicht lisptAmanda’snaam......Daar staan ze, bij de blanke berken,In ’t schijnsel van de zilvren maan!V.Een oogwenk slaat hij ’t schouwspel gade,Hij staat verslagen en verstomd,Zijn adem stokt, zijn oogen stare’,Hij blijft genageld aan den grond.Dan tast zijn hand naar ’t dood’lijk wapen,Hij drukt het aan de slaap, en zucht......Wel wil hij ’t weeë leven laten,Maar deinst nog voor de daad terug......„Amanda,” snikt hij, „was dàt edel?Amanda, had ik dàt verdiend......?”Hij wankelt, heft den blik ten hemel......Een schot — hij ligt ter aard, ontzield.— — — — — — — — —’t Is zeker treurig. Maar geen wonder.Leer dus uit Feiko’s levensloop:Richt op je voorhoofd geen revolver,Want als het afgaat, ben je dood.

I.

I.

De zomerzonne zonk ter kimme,Een rose diskos, goud-omstraald;Het was het uur der zoete minne,Waarin Natuur tot kozen maant.

De zomerzonne zonk ter kimme,

Een rose diskos, goud-omstraald;

Het was het uur der zoete minne,

Waarin Natuur tot kozen maant.

De vogel staakt zijn blijde tonen,Het schuchter haasken, op zijn kalmst,Zit midden op den weg te droomen,De schuwe eekhoorn kent geen angst.

De vogel staakt zijn blijde tonen,

Het schuchter haasken, op zijn kalmst,

Zit midden op den weg te droomen,

De schuwe eekhoorn kent geen angst.

O, Mensch, geniet en zet u neder,Wisch van uw brauw de drupplen zweets,Hier vindt gij reine rust en vredeVoor moede ziel en matten geest.

O, Mensch, geniet en zet u neder,

Wisch van uw brauw de drupplen zweets,

Hier vindt gij reine rust en vrede

Voor moede ziel en matten geest.

Wat zoekt g’ in drukke stede-straten’t Geluk — geslierd in ’s werelds ren?Ontvlied den maalstroom van vermaken,En luister naar der Stilte stem.

Wat zoekt g’ in drukke stede-straten

’t Geluk — geslierd in ’s werelds ren?

Ontvlied den maalstroom van vermaken,

En luister naar der Stilte stem.

II.

II.

Wie draaft daar door de lommerlanen,Langs lindengroen en beukenbruin,Als om een vlucht’ling t’ achterhalen,Zijn rennend ros besmeurd met schuim?

Wie draaft daar door de lommerlanen,

Langs lindengroen en beukenbruin,

Als om een vlucht’ling t’ achterhalen,

Zijn rennend ros besmeurd met schuim?

Het is de ridderknaap Renaldo.Hij toomt zijn klepper. Als verstard,Zoo staat zijn ros, op zijn commando.Renaldo springt ter aard, en wacht.

Het is de ridderknaap Renaldo.

Hij toomt zijn klepper. Als verstard,

Zoo staat zijn ros, op zijn commando.

Renaldo springt ter aard, en wacht.

Hij wacht een wijl’, maar toeft niet lang daar;Plots hoort hij ’t kraken van ’t geblaartEn voor hem staat — zijn lief, Amanda,Ster zijner droomen, struische maagd!

Hij wacht een wijl’, maar toeft niet lang daar;

Plots hoort hij ’t kraken van ’t geblaart

En voor hem staat — zijn lief, Amanda,

Ster zijner droomen, struische maagd!

Een blik, een blos, een zucht, een snikken,Een liefdedronken minnezwijm....„Geliefde!” lispelen 2 paar lippen,„Voor eeuwig mijn!” — „Voor eeuwig mijn!”

Een blik, een blos, een zucht, een snikken,

Een liefdedronken minnezwijm....

„Geliefde!” lispelen 2 paar lippen,

„Voor eeuwig mijn!” — „Voor eeuwig mijn!”

III.

III.

Een brave blonde boerenjongen,Feiko, een vrome, vrije Fries,Had eens Amanda’s hart gewonnen,Amanda had haar Feiko lief.

Een brave blonde boerenjongen,

Feiko, een vrome, vrije Fries,

Had eens Amanda’s hart gewonnen,

Amanda had haar Feiko lief.

De zaak kreeg vasten vorm, natuurlijk,Toen beider min bestendig bleek,En alles was al klaar voor ’t huw’lijk,Ja zelfs hun uitzet was gereed.

De zaak kreeg vasten vorm, natuurlijk,

Toen beider min bestendig bleek,

En alles was al klaar voor ’t huw’lijk,

Ja zelfs hun uitzet was gereed.

Toen kwam Renaldo. Zacht maar zeker,Lokt hij het lijsterk’ in zijn net;Geen kamerspin verstaat het beterDe vlieg te vangen in zijn web.

Toen kwam Renaldo. Zacht maar zeker,

Lokt hij het lijsterk’ in zijn net;

Geen kamerspin verstaat het beter

De vlieg te vangen in zijn web.

Renaldo schiet zijn scherpste pijlen,Dringt d’armen Feiko van zijn plaats,Hij weet Amanda te verleiden:Zijn lage list gelukt op ’t laatst......

Renaldo schiet zijn scherpste pijlen,

Dringt d’armen Feiko van zijn plaats,

Hij weet Amanda te verleiden:

Zijn lage list gelukt op ’t laatst......

IV.

IV.

Op dezen minnezwang’ren avendKeert Feiko huiswaarts door het bosch;’t Gelaat van liefdevuurgloed stralend,Zingt hij van „haar”, uit volle borst.

Op dezen minnezwang’ren avend

Keert Feiko huiswaarts door het bosch;

’t Gelaat van liefdevuurgloed stralend,

Zingt hij van „haar”, uit volle borst.

Het dalend duister deert hem weinig,Hij heeft een goed pistool op zak,Want roovers maken ’t woud onveilig,En loeren langs ’t verlaten pad.

Het dalend duister deert hem weinig,

Hij heeft een goed pistool op zak,

Want roovers maken ’t woud onveilig,

En loeren langs ’t verlaten pad.

Wat hoort zijn oor? Wat zien zijn oogen?Een schijnbeeld, dat de schemer schiep?Hij luistert...... gluurt door ’t lichte loover......Neen, goden! Hij vergist zich niet:

Wat hoort zijn oor? Wat zien zijn oogen?

Een schijnbeeld, dat de schemer schiep?

Hij luistert...... gluurt door ’t lichte loover......

Neen, goden! Hij vergist zich niet:

Hij hoort de sissekussen snerpen,De booswicht lisptAmanda’snaam......Daar staan ze, bij de blanke berken,In ’t schijnsel van de zilvren maan!

Hij hoort de sissekussen snerpen,

De booswicht lisptAmanda’snaam......

Daar staan ze, bij de blanke berken,

In ’t schijnsel van de zilvren maan!

V.

V.

Een oogwenk slaat hij ’t schouwspel gade,Hij staat verslagen en verstomd,Zijn adem stokt, zijn oogen stare’,Hij blijft genageld aan den grond.

Een oogwenk slaat hij ’t schouwspel gade,

Hij staat verslagen en verstomd,

Zijn adem stokt, zijn oogen stare’,

Hij blijft genageld aan den grond.

Dan tast zijn hand naar ’t dood’lijk wapen,Hij drukt het aan de slaap, en zucht......Wel wil hij ’t weeë leven laten,Maar deinst nog voor de daad terug......

Dan tast zijn hand naar ’t dood’lijk wapen,

Hij drukt het aan de slaap, en zucht......

Wel wil hij ’t weeë leven laten,

Maar deinst nog voor de daad terug......

„Amanda,” snikt hij, „was dàt edel?Amanda, had ik dàt verdiend......?”Hij wankelt, heft den blik ten hemel......Een schot — hij ligt ter aard, ontzield.— — — — — — — — —’t Is zeker treurig. Maar geen wonder.Leer dus uit Feiko’s levensloop:Richt op je voorhoofd geen revolver,Want als het afgaat, ben je dood.

„Amanda,” snikt hij, „was dàt edel?

Amanda, had ik dàt verdiend......?”

Hij wankelt, heft den blik ten hemel......

Een schot — hij ligt ter aard, ontzield.

— — — — — — — — —

’t Is zeker treurig. Maar geen wonder.

Leer dus uit Feiko’s levensloop:

Richt op je voorhoofd geen revolver,

Want als het afgaat, ben je dood.

Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen,Hoewel ik gewoonlijk meer houd van bedillen,Een ieder zijn meug heeft, en smaken verschillen,Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen.En hun, die hun tijd en hun duiten verspillenAan al die dolzinnige drama-paskwillen,Aan Holmessen, Carters en Buffalo-Billen,Die rillend genieten, genietende rillen,Niet ophouden kunnen, al zouden ze willen,Er stapels van koopen, te zwaar om te tillen,Hun roep ik het toe: leest de Prikkel-Idyllen!Of zijt ge soms een van die stiekeme stillen,Die leest in ’t geniep van het levendig villen,Van moorden, van branden, van snikken, van gillen,Van ’t rammelend rif, van het graf, van het kille,Van zuchten zoo zachte, van schreeuwen zoo schrille,Dat ieder, die ’t leest als een riet staat te trillen,Van oogen die puilen, van wonden die lillen,Van gruwzame ouders, die kinderen drillenIn ’t listig vermommen met pruiken en brillen —Leest, leest, en geneest door de Prikkel-Idyllen!Zoo zeker als hoest door laurier of camillen,En alles geneest door de Holloway-pillen,Zoo vindt gij uw heil bij de Prikkel-Idyllen!

Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen,Hoewel ik gewoonlijk meer houd van bedillen,Een ieder zijn meug heeft, en smaken verschillen,Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen.En hun, die hun tijd en hun duiten verspillenAan al die dolzinnige drama-paskwillen,Aan Holmessen, Carters en Buffalo-Billen,Die rillend genieten, genietende rillen,Niet ophouden kunnen, al zouden ze willen,Er stapels van koopen, te zwaar om te tillen,Hun roep ik het toe: leest de Prikkel-Idyllen!Of zijt ge soms een van die stiekeme stillen,Die leest in ’t geniep van het levendig villen,Van moorden, van branden, van snikken, van gillen,Van ’t rammelend rif, van het graf, van het kille,Van zuchten zoo zachte, van schreeuwen zoo schrille,Dat ieder, die ’t leest als een riet staat te trillen,Van oogen die puilen, van wonden die lillen,Van gruwzame ouders, die kinderen drillenIn ’t listig vermommen met pruiken en brillen —Leest, leest, en geneest door de Prikkel-Idyllen!Zoo zeker als hoest door laurier of camillen,En alles geneest door de Holloway-pillen,Zoo vindt gij uw heil bij de Prikkel-Idyllen!

Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen,Hoewel ik gewoonlijk meer houd van bedillen,Een ieder zijn meug heeft, en smaken verschillen,Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen.En hun, die hun tijd en hun duiten verspillenAan al die dolzinnige drama-paskwillen,Aan Holmessen, Carters en Buffalo-Billen,Die rillend genieten, genietende rillen,Niet ophouden kunnen, al zouden ze willen,Er stapels van koopen, te zwaar om te tillen,Hun roep ik het toe: leest de Prikkel-Idyllen!Of zijt ge soms een van die stiekeme stillen,Die leest in ’t geniep van het levendig villen,Van moorden, van branden, van snikken, van gillen,Van ’t rammelend rif, van het graf, van het kille,Van zuchten zoo zachte, van schreeuwen zoo schrille,Dat ieder, die ’t leest als een riet staat te trillen,Van oogen die puilen, van wonden die lillen,Van gruwzame ouders, die kinderen drillenIn ’t listig vermommen met pruiken en brillen —Leest, leest, en geneest door de Prikkel-Idyllen!Zoo zeker als hoest door laurier of camillen,En alles geneest door de Holloway-pillen,Zoo vindt gij uw heil bij de Prikkel-Idyllen!

Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen,

Hoewel ik gewoonlijk meer houd van bedillen,

Een ieder zijn meug heeft, en smaken verschillen,

Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen.

En hun, die hun tijd en hun duiten verspillen

Aan al die dolzinnige drama-paskwillen,

Aan Holmessen, Carters en Buffalo-Billen,

Die rillend genieten, genietende rillen,

Niet ophouden kunnen, al zouden ze willen,

Er stapels van koopen, te zwaar om te tillen,

Hun roep ik het toe: leest de Prikkel-Idyllen!

Of zijt ge soms een van die stiekeme stillen,

Die leest in ’t geniep van het levendig villen,

Van moorden, van branden, van snikken, van gillen,

Van ’t rammelend rif, van het graf, van het kille,

Van zuchten zoo zachte, van schreeuwen zoo schrille,

Dat ieder, die ’t leest als een riet staat te trillen,

Van oogen die puilen, van wonden die lillen,

Van gruwzame ouders, die kinderen drillen

In ’t listig vermommen met pruiken en brillen —

Leest, leest, en geneest door de Prikkel-Idyllen!

Zoo zeker als hoest door laurier of camillen,

En alles geneest door de Holloway-pillen,

Zoo vindt gij uw heil bij de Prikkel-Idyllen!

[3]„Prikkel-Idyllen” door Cornelis Veth. Uitg. C. A. J. van Dishoeck, Bussum.

[3]„Prikkel-Idyllen” door Cornelis Veth. Uitg. C. A. J. van Dishoeck, Bussum.

(Irish Bulls)

An Irish bull is an unconscious and amusing blunder, often implying an evident contradiction in terms, generally attributed, though not confined, to Irishmen. — Enc.

An Irish bull is an unconscious and amusing blunder, often implying an evident contradiction in terms, generally attributed, though not confined, to Irishmen. — Enc.

1.Patrik had zich niet gedragenAls den Ierschen held betaamt:Hij was op de vlucht geslagen!En daar stond hij nu, beschaamd.Nou. Het regende verwijtenVan de boeren uit de buurt;Patrik stond zich te verbijten:’t Had nu lang genoeg geduurd!Hij wou van de herrie af zijn,Waarom Pat aldus besloot:„Liever vijf minuten laf zijn,Dan je heele leven dood!”2.Patrik Brown viel naar beneden,Toen hij werkte op het dak,Zoo, dat d’ arme baas, och heden!Allebei zijn beenen brak.En de medicus, een hartlijk,En gemoedlijk’ oude heer,Zei: „Wel man, dat treft me smartlijk!Dee die val je dan zoo’n zeer?”„Nee,” zei Pat, „ja, ’t is waarschijnlijk,Dat je ’t niet gelooven zal:’t Vallen zelf dat was niet pijnlijk,Maar het staken van den val.”3.Patrik was met Mike aan ’t badenIn de mooie, blauwe zee,En zooals je wel kunt raden,Nam een vloedgolf beiden mee.Mike zwom goed, en even laterStond hij veilig op het strand;Daarna ging hij weer te water,En bracht toen zijn vriend aan land.„Wat was dat nu voor een grapje?”Klaagde Pat, en Mike zei toen:„’k Moest mezelf eerst redden, snap je,Anders kon ’k het jou niet doen.”4.Mike z’n zuster was bevallenVan een welgeschapen spruit,En zijn buren staken allenVoor hun vriend de vlaggen uit.„Is ’t een meisje of een jongen?”Vroeg men, maar hij wist het niet,Daar werd steeds op aangedrongen,Telkens was ’t het oude lied.Eindlijk werd het onzen man teBar, en greep hij naar de pen:„Schrijf me,” schreef hij, „of ik tante,Of dat ’k oom geworden ben.”5.Een meneer, die had georven,Bouwd’ in Ierland eens een huis.Maar het uitzicht werd bedorvenDoor een stapel puin en gruis.„Zeg, wat doe ik met dat puin, man?”Vroeg hij aan zijn baas een keer;„Graaf een kuil,” zei Pat, zijn tuinman,„En daar stop je ’t in, meneer.”„Hoe dan d’ aarde kwijt te raken?”Vroeg hij. Waarop Pat verzonOm den kuil zóó groot te maken,Dat ’t er allebei in kon.6.Patrik was geen erge slimmert,Maar hij knokte gauw, en goed;En zijn vijand, beurs getimmerd,Lag te baden in zijn bloed.Een agent bracht onzen vechterIn de boeien naar de stad.„Wat voor wapen,” vroeg de rechter,„Heb je in je hand gehad?”Patrik stond te klappertanden,En zei vlug, maar minder juist:„Heusch, ik had niets in me handen,Edelachtbre, dan me vuist.”7.Mike, die deed in oude kleeren,Woonde naast de school, alleen.Eens wou Mike zich laten scheren,Sloot zijn winkel, en ging heen.En hij schreef op een papiertje,Dat hij vastbond aan de bel:„Klanten! Over een kwartiertjeBen ’k terug. Dus wacht je wel.”Maar, om heel sekuur te wezen,Schreef hij onder, aan den voet:„Voor ’t geval je niet kunt lezen,Vraag of Meester ’t voor je doet.”8.Ieren schrijven ongezoutenWat ze meenen, in de krant,En aan boeken vol met foutenHeeft een Ier terecht het land.Toen een boek was uitgegeven,Dat nog vol met fouten stond,Had een criticus geschreven,Dat hij ’t ding onleesbaar vond.d’ Ier, die ’t uitgaf, heeft bewezen,Dat hij hoorde tot het ras:„’t Handschrift had hij niet gelezenVoor ’t in druk verschenen was.”9.Twee heel nette Iersche heerenKregen ruzie over geld;Dat liep uit op duelleeren,Dag en uur werd vastgesteld.d’ Een schreef d’ ander, daags te voren,— Hij moest komen met den trein —„’t Is onmooglijk, met die sporen,Net precies op tijd te zijn.”Maar hij scheen geen strijd te schromen,Want hij had er bij gekrast:„Mocht ik soms iets later komen,Wacht dan niet. Begin maar vast.”10.Patrik zat in een der parkenOp een bank in grooten nood,Jam’rend: „O, mijn éénig varken,Ach! me mooie big is dood!”Een oud heertje hoorde ’t leven,Keek hem medelijdend aan,Gaf hem geld, en vroeg nog even:„Waar is ’t beest aan doodgegaan?”„Ach,” zei Pat, nog schor en heezig,Schoon zijn smarte was verzacht,„’t Varken werd zoo vet en vleezig,Da’ ’k het beest maar heb geslacht.”11.Pat zou van zijn grootje erven;Dat kwam Patrik goed te pas,Hij kreeg alles bij d’r sterven,„Als hij vriendlijk voor ze was.”Eens zat grootje voor de ruiten,Peinzend over dood en graf;Pat passeert toevallig buiten,Kijkt, maar neemt zijn hoed niet af.„Man, daar zal je nog voor boeten!”Zei een vriend. Maar Pat zei: „Zot!Waarom zou ik grootje groeten,Die zoo doof is als een pot?”12.Pat, die waren wou verkoopen,Ook een doodshoofd, groezlig geel,Riep tot ’t volk, dat aan kwam loopen:„Dit is Cromwell’s bekkeneel!”„Lieg toch niet zoo valsch, hou op, man!”Zei een boer, die slim wou zijn,„Cromwell had een grooten kop, man,En dit bekkeneel is klein.”Patrik riep, van woede groen: „DiePraatjes komen niet te pas!Dit is Cromwell’s schedel, toen dieNog een kleine jongen was!”13.Door een vracht, die veel te zwaar was,Lag de schuit van Mike zóó diep,Dat de man in groot gevaar was,Als het water overliep.Pat stond aan den kant te kijken,En — wat meer gevonden wordt —Hij wou graag eens laten blijkenWat hij wist van watersport.Daarom riep hij — en je staat erEven stil bij, als je ’t leest —„’t Is gelukkig geen hoog water,Anders was je weg geweest.”14.Mike was, door gebrek aan schijven,Bij een boer in dienst gegaan;Maar, om goed gezond te blijven,Deed hij alles kalmpjes aan.Telkens kwam de boer hem zoeken,Als hij even rustig zat,En dan werd het schelden, vloeken:Potverdit en potverdat!„’k Ben al vlugger dan een kogel!Denk je,” protesteerde Mike,„Dat ik zijn kan, als een vogel,Op twee plaatsen tegelijk?”15.Patrik liep eens door de stratenVan Tralee, een Iersche stad,Hardop in zich zelf te pratenOver Joost-mag-weten-wat.Een kwajongen lag te kijkenErgens uit een bovenraam;Die liet luid zijn blijdschap blijken,En deed hoogst onaangenaam.Patrik was zóó ontevreden,Dat hij dit ten antwoord gaf:„Was jij, vlegel, hier beneden,’k Gooide j’ alle trappen af!”16.Mike liep Zondag te flaneerenMet zijn hooge zijden op.Patrik wou zijn buks probeeren,En hij schoot naar Mike z’n kop.Patrik schoot niet heel bizonder,Meestal mikte hij niet goed,En de kogel — ’t was een wonder —Ging door Mike z’n hoogen hoed.Mike, die gauw ’t geval gevat had,Zei, van schrik nog wat bedeesd:„Als ’k me dophoed op gehad had,Was ik zeker dood geweest.”17.Mijn moeder had een groote komMet goudvisschen — een keurcollectie,En zei tot ’t hitje, goed maar dom:„Maak dat ik nooit op ’t glas een vlek zie,Hou ’t water altijd versch en rein,De visschen schoon — verzorg de dieren,Zoodat zij blijven wat zij zijn:De bloemen, die mijn home versieren.”„Jawel!” zei Mary. Maar, o neen!De stomme dieren gingen kwijnen,De schub-laag brak, en een voor eenZag men ze sterven en verdwijnen.Maar wie schetst moeder’s ergernis,Toen z’ eens bemerkte — ach, te spade!Hoe Mary vlijtig visch voor visch,Aan ’t poetsen was met poetspomade?18.Vriend Patrik holde hijgendHet hek in van den hoef.„Een schop, gauw!” klonk het klagend,en zijn oogen stonden droef.„Broer Mike zit in de modder,Tot aan zijn enkels; Gauw!!”„Die redt zichzelf wel,” zei de boer,„Ik heb geen schop voor jou.”Een oogenblikje stilte.Toen, plotseling, zei Pat:— Er schoot hem iets te binnen,dat hij schoon vergeten had —„’k Vergat er bij te zeggen,Door schrik en droefenis,Dat Mike er met zijn hoofdvoorover in gevallen is!”19.De arme Mike stond eens terechtVoor ’t stelen van een haan.„Foei, neen!” zei Mike. „’k Ben niet zoo slecht!Ik heb hetnietgedaan.”De rechter sprak: „Beken ’t nu maar.Misschien vergeef ik ’t wel.Maar, denk er om: de leugenaarGaat rechtstreeks naar de hel!”En toen zei Mike, diep aangedaanDoor ’t rechterlijk sermoen:„Ik ben er heusch onschuldig aan,En ’k zal het nooit meer doen.”20.„Als j’ een aardig raadsel weet,”Zei een Ier, „zal ik trakteeren.”Patrik was direkt gereed:„’t Blaft — en ’t is bedekt met veeren.”„Kip!” riep Pat, toen niemand ’t ried.„Mis!” zei d’ ander zonder dralen,„Kippen, Paddy, blaffen niet;Jij mag zelf je bier betalen.”Pat keek op zijn neus, en scheenIn verlegenheid te raken.„Ja maar,” sprak hij, „’k zei ’t alleenOm ’t wat moeilijker te maken.”21.Een jonkman, zeer verliefd en blond,Schreef in ’t café aan zijn vriendinnetje,En Patrik, die er achter stond,Bleek ’t na te neuzen, zin voor zinnetje.„Hier breek ik af,” zoo schreef de knaap,„Hoewel dit slot wat vreemd mag lijken,Maar een vervloekte lompe aapStaat stiekum alles af te kijken.”En Pat zei — want hij schrok er van —„Ik kan je de verzekering geven,Dat ik geen woord gezien heb, man,Van wat je daar hebt neergeschreven.”22.„Wel, Pat,” zei ’k, „is dit huis van jou?”„Ja,” zei Pat, „door me werk en me sparen!’”„Al lang?” — „Meneer, ik woon hier nouAl over de zeventig jaren.Ik ben hier uit dit huis getrouwd,Ik heb er me vrouw in verloren,Me vader heeft het zelf gebouwd,En me grootvader is er geboren.”23.Twee Ieren stonden, voor ’t duel,Elk met zijn vriend,Maar d’ een riep, net voor d’ aanvang, snel:„Ik ben bijziend!” —„Dus ’t is niet fair als ’t zóó moet gaan,”Vervolgde hij,„’k Moet tien voet dichter bij hem staan,Dan hij bij mij.”

1.Patrik had zich niet gedragenAls den Ierschen held betaamt:Hij was op de vlucht geslagen!En daar stond hij nu, beschaamd.Nou. Het regende verwijtenVan de boeren uit de buurt;Patrik stond zich te verbijten:’t Had nu lang genoeg geduurd!Hij wou van de herrie af zijn,Waarom Pat aldus besloot:„Liever vijf minuten laf zijn,Dan je heele leven dood!”2.Patrik Brown viel naar beneden,Toen hij werkte op het dak,Zoo, dat d’ arme baas, och heden!Allebei zijn beenen brak.En de medicus, een hartlijk,En gemoedlijk’ oude heer,Zei: „Wel man, dat treft me smartlijk!Dee die val je dan zoo’n zeer?”„Nee,” zei Pat, „ja, ’t is waarschijnlijk,Dat je ’t niet gelooven zal:’t Vallen zelf dat was niet pijnlijk,Maar het staken van den val.”3.Patrik was met Mike aan ’t badenIn de mooie, blauwe zee,En zooals je wel kunt raden,Nam een vloedgolf beiden mee.Mike zwom goed, en even laterStond hij veilig op het strand;Daarna ging hij weer te water,En bracht toen zijn vriend aan land.„Wat was dat nu voor een grapje?”Klaagde Pat, en Mike zei toen:„’k Moest mezelf eerst redden, snap je,Anders kon ’k het jou niet doen.”4.Mike z’n zuster was bevallenVan een welgeschapen spruit,En zijn buren staken allenVoor hun vriend de vlaggen uit.„Is ’t een meisje of een jongen?”Vroeg men, maar hij wist het niet,Daar werd steeds op aangedrongen,Telkens was ’t het oude lied.Eindlijk werd het onzen man teBar, en greep hij naar de pen:„Schrijf me,” schreef hij, „of ik tante,Of dat ’k oom geworden ben.”5.Een meneer, die had georven,Bouwd’ in Ierland eens een huis.Maar het uitzicht werd bedorvenDoor een stapel puin en gruis.„Zeg, wat doe ik met dat puin, man?”Vroeg hij aan zijn baas een keer;„Graaf een kuil,” zei Pat, zijn tuinman,„En daar stop je ’t in, meneer.”„Hoe dan d’ aarde kwijt te raken?”Vroeg hij. Waarop Pat verzonOm den kuil zóó groot te maken,Dat ’t er allebei in kon.6.Patrik was geen erge slimmert,Maar hij knokte gauw, en goed;En zijn vijand, beurs getimmerd,Lag te baden in zijn bloed.Een agent bracht onzen vechterIn de boeien naar de stad.„Wat voor wapen,” vroeg de rechter,„Heb je in je hand gehad?”Patrik stond te klappertanden,En zei vlug, maar minder juist:„Heusch, ik had niets in me handen,Edelachtbre, dan me vuist.”7.Mike, die deed in oude kleeren,Woonde naast de school, alleen.Eens wou Mike zich laten scheren,Sloot zijn winkel, en ging heen.En hij schreef op een papiertje,Dat hij vastbond aan de bel:„Klanten! Over een kwartiertjeBen ’k terug. Dus wacht je wel.”Maar, om heel sekuur te wezen,Schreef hij onder, aan den voet:„Voor ’t geval je niet kunt lezen,Vraag of Meester ’t voor je doet.”8.Ieren schrijven ongezoutenWat ze meenen, in de krant,En aan boeken vol met foutenHeeft een Ier terecht het land.Toen een boek was uitgegeven,Dat nog vol met fouten stond,Had een criticus geschreven,Dat hij ’t ding onleesbaar vond.d’ Ier, die ’t uitgaf, heeft bewezen,Dat hij hoorde tot het ras:„’t Handschrift had hij niet gelezenVoor ’t in druk verschenen was.”9.Twee heel nette Iersche heerenKregen ruzie over geld;Dat liep uit op duelleeren,Dag en uur werd vastgesteld.d’ Een schreef d’ ander, daags te voren,— Hij moest komen met den trein —„’t Is onmooglijk, met die sporen,Net precies op tijd te zijn.”Maar hij scheen geen strijd te schromen,Want hij had er bij gekrast:„Mocht ik soms iets later komen,Wacht dan niet. Begin maar vast.”10.Patrik zat in een der parkenOp een bank in grooten nood,Jam’rend: „O, mijn éénig varken,Ach! me mooie big is dood!”Een oud heertje hoorde ’t leven,Keek hem medelijdend aan,Gaf hem geld, en vroeg nog even:„Waar is ’t beest aan doodgegaan?”„Ach,” zei Pat, nog schor en heezig,Schoon zijn smarte was verzacht,„’t Varken werd zoo vet en vleezig,Da’ ’k het beest maar heb geslacht.”11.Pat zou van zijn grootje erven;Dat kwam Patrik goed te pas,Hij kreeg alles bij d’r sterven,„Als hij vriendlijk voor ze was.”Eens zat grootje voor de ruiten,Peinzend over dood en graf;Pat passeert toevallig buiten,Kijkt, maar neemt zijn hoed niet af.„Man, daar zal je nog voor boeten!”Zei een vriend. Maar Pat zei: „Zot!Waarom zou ik grootje groeten,Die zoo doof is als een pot?”12.Pat, die waren wou verkoopen,Ook een doodshoofd, groezlig geel,Riep tot ’t volk, dat aan kwam loopen:„Dit is Cromwell’s bekkeneel!”„Lieg toch niet zoo valsch, hou op, man!”Zei een boer, die slim wou zijn,„Cromwell had een grooten kop, man,En dit bekkeneel is klein.”Patrik riep, van woede groen: „DiePraatjes komen niet te pas!Dit is Cromwell’s schedel, toen dieNog een kleine jongen was!”13.Door een vracht, die veel te zwaar was,Lag de schuit van Mike zóó diep,Dat de man in groot gevaar was,Als het water overliep.Pat stond aan den kant te kijken,En — wat meer gevonden wordt —Hij wou graag eens laten blijkenWat hij wist van watersport.Daarom riep hij — en je staat erEven stil bij, als je ’t leest —„’t Is gelukkig geen hoog water,Anders was je weg geweest.”14.Mike was, door gebrek aan schijven,Bij een boer in dienst gegaan;Maar, om goed gezond te blijven,Deed hij alles kalmpjes aan.Telkens kwam de boer hem zoeken,Als hij even rustig zat,En dan werd het schelden, vloeken:Potverdit en potverdat!„’k Ben al vlugger dan een kogel!Denk je,” protesteerde Mike,„Dat ik zijn kan, als een vogel,Op twee plaatsen tegelijk?”15.Patrik liep eens door de stratenVan Tralee, een Iersche stad,Hardop in zich zelf te pratenOver Joost-mag-weten-wat.Een kwajongen lag te kijkenErgens uit een bovenraam;Die liet luid zijn blijdschap blijken,En deed hoogst onaangenaam.Patrik was zóó ontevreden,Dat hij dit ten antwoord gaf:„Was jij, vlegel, hier beneden,’k Gooide j’ alle trappen af!”16.Mike liep Zondag te flaneerenMet zijn hooge zijden op.Patrik wou zijn buks probeeren,En hij schoot naar Mike z’n kop.Patrik schoot niet heel bizonder,Meestal mikte hij niet goed,En de kogel — ’t was een wonder —Ging door Mike z’n hoogen hoed.Mike, die gauw ’t geval gevat had,Zei, van schrik nog wat bedeesd:„Als ’k me dophoed op gehad had,Was ik zeker dood geweest.”17.Mijn moeder had een groote komMet goudvisschen — een keurcollectie,En zei tot ’t hitje, goed maar dom:„Maak dat ik nooit op ’t glas een vlek zie,Hou ’t water altijd versch en rein,De visschen schoon — verzorg de dieren,Zoodat zij blijven wat zij zijn:De bloemen, die mijn home versieren.”„Jawel!” zei Mary. Maar, o neen!De stomme dieren gingen kwijnen,De schub-laag brak, en een voor eenZag men ze sterven en verdwijnen.Maar wie schetst moeder’s ergernis,Toen z’ eens bemerkte — ach, te spade!Hoe Mary vlijtig visch voor visch,Aan ’t poetsen was met poetspomade?18.Vriend Patrik holde hijgendHet hek in van den hoef.„Een schop, gauw!” klonk het klagend,en zijn oogen stonden droef.„Broer Mike zit in de modder,Tot aan zijn enkels; Gauw!!”„Die redt zichzelf wel,” zei de boer,„Ik heb geen schop voor jou.”Een oogenblikje stilte.Toen, plotseling, zei Pat:— Er schoot hem iets te binnen,dat hij schoon vergeten had —„’k Vergat er bij te zeggen,Door schrik en droefenis,Dat Mike er met zijn hoofdvoorover in gevallen is!”19.De arme Mike stond eens terechtVoor ’t stelen van een haan.„Foei, neen!” zei Mike. „’k Ben niet zoo slecht!Ik heb hetnietgedaan.”De rechter sprak: „Beken ’t nu maar.Misschien vergeef ik ’t wel.Maar, denk er om: de leugenaarGaat rechtstreeks naar de hel!”En toen zei Mike, diep aangedaanDoor ’t rechterlijk sermoen:„Ik ben er heusch onschuldig aan,En ’k zal het nooit meer doen.”20.„Als j’ een aardig raadsel weet,”Zei een Ier, „zal ik trakteeren.”Patrik was direkt gereed:„’t Blaft — en ’t is bedekt met veeren.”„Kip!” riep Pat, toen niemand ’t ried.„Mis!” zei d’ ander zonder dralen,„Kippen, Paddy, blaffen niet;Jij mag zelf je bier betalen.”Pat keek op zijn neus, en scheenIn verlegenheid te raken.„Ja maar,” sprak hij, „’k zei ’t alleenOm ’t wat moeilijker te maken.”21.Een jonkman, zeer verliefd en blond,Schreef in ’t café aan zijn vriendinnetje,En Patrik, die er achter stond,Bleek ’t na te neuzen, zin voor zinnetje.„Hier breek ik af,” zoo schreef de knaap,„Hoewel dit slot wat vreemd mag lijken,Maar een vervloekte lompe aapStaat stiekum alles af te kijken.”En Pat zei — want hij schrok er van —„Ik kan je de verzekering geven,Dat ik geen woord gezien heb, man,Van wat je daar hebt neergeschreven.”22.„Wel, Pat,” zei ’k, „is dit huis van jou?”„Ja,” zei Pat, „door me werk en me sparen!’”„Al lang?” — „Meneer, ik woon hier nouAl over de zeventig jaren.Ik ben hier uit dit huis getrouwd,Ik heb er me vrouw in verloren,Me vader heeft het zelf gebouwd,En me grootvader is er geboren.”23.Twee Ieren stonden, voor ’t duel,Elk met zijn vriend,Maar d’ een riep, net voor d’ aanvang, snel:„Ik ben bijziend!” —„Dus ’t is niet fair als ’t zóó moet gaan,”Vervolgde hij,„’k Moet tien voet dichter bij hem staan,Dan hij bij mij.”

1.

1.

Patrik had zich niet gedragenAls den Ierschen held betaamt:Hij was op de vlucht geslagen!En daar stond hij nu, beschaamd.

Patrik had zich niet gedragen

Als den Ierschen held betaamt:

Hij was op de vlucht geslagen!

En daar stond hij nu, beschaamd.

Nou. Het regende verwijtenVan de boeren uit de buurt;Patrik stond zich te verbijten:’t Had nu lang genoeg geduurd!

Nou. Het regende verwijten

Van de boeren uit de buurt;

Patrik stond zich te verbijten:

’t Had nu lang genoeg geduurd!

Hij wou van de herrie af zijn,Waarom Pat aldus besloot:„Liever vijf minuten laf zijn,Dan je heele leven dood!”

Hij wou van de herrie af zijn,

Waarom Pat aldus besloot:

„Liever vijf minuten laf zijn,

Dan je heele leven dood!”

2.

2.

Patrik Brown viel naar beneden,Toen hij werkte op het dak,Zoo, dat d’ arme baas, och heden!Allebei zijn beenen brak.

Patrik Brown viel naar beneden,

Toen hij werkte op het dak,

Zoo, dat d’ arme baas, och heden!

Allebei zijn beenen brak.

En de medicus, een hartlijk,En gemoedlijk’ oude heer,Zei: „Wel man, dat treft me smartlijk!Dee die val je dan zoo’n zeer?”

En de medicus, een hartlijk,

En gemoedlijk’ oude heer,

Zei: „Wel man, dat treft me smartlijk!

Dee die val je dan zoo’n zeer?”

„Nee,” zei Pat, „ja, ’t is waarschijnlijk,Dat je ’t niet gelooven zal:’t Vallen zelf dat was niet pijnlijk,Maar het staken van den val.”

„Nee,” zei Pat, „ja, ’t is waarschijnlijk,

Dat je ’t niet gelooven zal:

’t Vallen zelf dat was niet pijnlijk,

Maar het staken van den val.”

3.

3.

Patrik was met Mike aan ’t badenIn de mooie, blauwe zee,En zooals je wel kunt raden,Nam een vloedgolf beiden mee.

Patrik was met Mike aan ’t baden

In de mooie, blauwe zee,

En zooals je wel kunt raden,

Nam een vloedgolf beiden mee.

Mike zwom goed, en even laterStond hij veilig op het strand;Daarna ging hij weer te water,En bracht toen zijn vriend aan land.

Mike zwom goed, en even later

Stond hij veilig op het strand;

Daarna ging hij weer te water,

En bracht toen zijn vriend aan land.

„Wat was dat nu voor een grapje?”Klaagde Pat, en Mike zei toen:„’k Moest mezelf eerst redden, snap je,Anders kon ’k het jou niet doen.”

„Wat was dat nu voor een grapje?”

Klaagde Pat, en Mike zei toen:

„’k Moest mezelf eerst redden, snap je,

Anders kon ’k het jou niet doen.”

4.

4.

Mike z’n zuster was bevallenVan een welgeschapen spruit,En zijn buren staken allenVoor hun vriend de vlaggen uit.

Mike z’n zuster was bevallen

Van een welgeschapen spruit,

En zijn buren staken allen

Voor hun vriend de vlaggen uit.

„Is ’t een meisje of een jongen?”Vroeg men, maar hij wist het niet,Daar werd steeds op aangedrongen,Telkens was ’t het oude lied.

„Is ’t een meisje of een jongen?”

Vroeg men, maar hij wist het niet,

Daar werd steeds op aangedrongen,

Telkens was ’t het oude lied.

Eindlijk werd het onzen man teBar, en greep hij naar de pen:„Schrijf me,” schreef hij, „of ik tante,Of dat ’k oom geworden ben.”

Eindlijk werd het onzen man te

Bar, en greep hij naar de pen:

„Schrijf me,” schreef hij, „of ik tante,

Of dat ’k oom geworden ben.”

5.

5.

Een meneer, die had georven,Bouwd’ in Ierland eens een huis.Maar het uitzicht werd bedorvenDoor een stapel puin en gruis.

Een meneer, die had georven,

Bouwd’ in Ierland eens een huis.

Maar het uitzicht werd bedorven

Door een stapel puin en gruis.

„Zeg, wat doe ik met dat puin, man?”Vroeg hij aan zijn baas een keer;„Graaf een kuil,” zei Pat, zijn tuinman,„En daar stop je ’t in, meneer.”

„Zeg, wat doe ik met dat puin, man?”

Vroeg hij aan zijn baas een keer;

„Graaf een kuil,” zei Pat, zijn tuinman,

„En daar stop je ’t in, meneer.”

„Hoe dan d’ aarde kwijt te raken?”Vroeg hij. Waarop Pat verzonOm den kuil zóó groot te maken,Dat ’t er allebei in kon.

„Hoe dan d’ aarde kwijt te raken?”

Vroeg hij. Waarop Pat verzon

Om den kuil zóó groot te maken,

Dat ’t er allebei in kon.

6.

6.

Patrik was geen erge slimmert,Maar hij knokte gauw, en goed;En zijn vijand, beurs getimmerd,Lag te baden in zijn bloed.

Patrik was geen erge slimmert,

Maar hij knokte gauw, en goed;

En zijn vijand, beurs getimmerd,

Lag te baden in zijn bloed.

Een agent bracht onzen vechterIn de boeien naar de stad.„Wat voor wapen,” vroeg de rechter,„Heb je in je hand gehad?”

Een agent bracht onzen vechter

In de boeien naar de stad.

„Wat voor wapen,” vroeg de rechter,

„Heb je in je hand gehad?”

Patrik stond te klappertanden,En zei vlug, maar minder juist:„Heusch, ik had niets in me handen,Edelachtbre, dan me vuist.”

Patrik stond te klappertanden,

En zei vlug, maar minder juist:

„Heusch, ik had niets in me handen,

Edelachtbre, dan me vuist.”

7.

7.

Mike, die deed in oude kleeren,Woonde naast de school, alleen.Eens wou Mike zich laten scheren,Sloot zijn winkel, en ging heen.

Mike, die deed in oude kleeren,

Woonde naast de school, alleen.

Eens wou Mike zich laten scheren,

Sloot zijn winkel, en ging heen.

En hij schreef op een papiertje,Dat hij vastbond aan de bel:„Klanten! Over een kwartiertjeBen ’k terug. Dus wacht je wel.”

En hij schreef op een papiertje,

Dat hij vastbond aan de bel:

„Klanten! Over een kwartiertje

Ben ’k terug. Dus wacht je wel.”

Maar, om heel sekuur te wezen,Schreef hij onder, aan den voet:„Voor ’t geval je niet kunt lezen,Vraag of Meester ’t voor je doet.”

Maar, om heel sekuur te wezen,

Schreef hij onder, aan den voet:

„Voor ’t geval je niet kunt lezen,

Vraag of Meester ’t voor je doet.”

8.

8.

Ieren schrijven ongezoutenWat ze meenen, in de krant,En aan boeken vol met foutenHeeft een Ier terecht het land.

Ieren schrijven ongezouten

Wat ze meenen, in de krant,

En aan boeken vol met fouten

Heeft een Ier terecht het land.

Toen een boek was uitgegeven,Dat nog vol met fouten stond,Had een criticus geschreven,Dat hij ’t ding onleesbaar vond.

Toen een boek was uitgegeven,

Dat nog vol met fouten stond,

Had een criticus geschreven,

Dat hij ’t ding onleesbaar vond.

d’ Ier, die ’t uitgaf, heeft bewezen,Dat hij hoorde tot het ras:„’t Handschrift had hij niet gelezenVoor ’t in druk verschenen was.”

d’ Ier, die ’t uitgaf, heeft bewezen,

Dat hij hoorde tot het ras:

„’t Handschrift had hij niet gelezen

Voor ’t in druk verschenen was.”

9.

9.

Twee heel nette Iersche heerenKregen ruzie over geld;Dat liep uit op duelleeren,Dag en uur werd vastgesteld.

Twee heel nette Iersche heeren

Kregen ruzie over geld;

Dat liep uit op duelleeren,

Dag en uur werd vastgesteld.

d’ Een schreef d’ ander, daags te voren,— Hij moest komen met den trein —„’t Is onmooglijk, met die sporen,Net precies op tijd te zijn.”

d’ Een schreef d’ ander, daags te voren,

— Hij moest komen met den trein —

„’t Is onmooglijk, met die sporen,

Net precies op tijd te zijn.”

Maar hij scheen geen strijd te schromen,Want hij had er bij gekrast:„Mocht ik soms iets later komen,Wacht dan niet. Begin maar vast.”

Maar hij scheen geen strijd te schromen,

Want hij had er bij gekrast:

„Mocht ik soms iets later komen,

Wacht dan niet. Begin maar vast.”

10.

10.

Patrik zat in een der parkenOp een bank in grooten nood,Jam’rend: „O, mijn éénig varken,Ach! me mooie big is dood!”

Patrik zat in een der parken

Op een bank in grooten nood,

Jam’rend: „O, mijn éénig varken,

Ach! me mooie big is dood!”

Een oud heertje hoorde ’t leven,Keek hem medelijdend aan,Gaf hem geld, en vroeg nog even:„Waar is ’t beest aan doodgegaan?”

Een oud heertje hoorde ’t leven,

Keek hem medelijdend aan,

Gaf hem geld, en vroeg nog even:

„Waar is ’t beest aan doodgegaan?”

„Ach,” zei Pat, nog schor en heezig,Schoon zijn smarte was verzacht,„’t Varken werd zoo vet en vleezig,Da’ ’k het beest maar heb geslacht.”

„Ach,” zei Pat, nog schor en heezig,

Schoon zijn smarte was verzacht,

„’t Varken werd zoo vet en vleezig,

Da’ ’k het beest maar heb geslacht.”

11.

11.

Pat zou van zijn grootje erven;Dat kwam Patrik goed te pas,Hij kreeg alles bij d’r sterven,„Als hij vriendlijk voor ze was.”

Pat zou van zijn grootje erven;

Dat kwam Patrik goed te pas,

Hij kreeg alles bij d’r sterven,

„Als hij vriendlijk voor ze was.”

Eens zat grootje voor de ruiten,Peinzend over dood en graf;Pat passeert toevallig buiten,Kijkt, maar neemt zijn hoed niet af.

Eens zat grootje voor de ruiten,

Peinzend over dood en graf;

Pat passeert toevallig buiten,

Kijkt, maar neemt zijn hoed niet af.

„Man, daar zal je nog voor boeten!”Zei een vriend. Maar Pat zei: „Zot!Waarom zou ik grootje groeten,Die zoo doof is als een pot?”

„Man, daar zal je nog voor boeten!”

Zei een vriend. Maar Pat zei: „Zot!

Waarom zou ik grootje groeten,

Die zoo doof is als een pot?”

12.

12.

Pat, die waren wou verkoopen,Ook een doodshoofd, groezlig geel,Riep tot ’t volk, dat aan kwam loopen:„Dit is Cromwell’s bekkeneel!”

Pat, die waren wou verkoopen,

Ook een doodshoofd, groezlig geel,

Riep tot ’t volk, dat aan kwam loopen:

„Dit is Cromwell’s bekkeneel!”

„Lieg toch niet zoo valsch, hou op, man!”Zei een boer, die slim wou zijn,„Cromwell had een grooten kop, man,En dit bekkeneel is klein.”

„Lieg toch niet zoo valsch, hou op, man!”

Zei een boer, die slim wou zijn,

„Cromwell had een grooten kop, man,

En dit bekkeneel is klein.”

Patrik riep, van woede groen: „DiePraatjes komen niet te pas!Dit is Cromwell’s schedel, toen dieNog een kleine jongen was!”

Patrik riep, van woede groen: „Die

Praatjes komen niet te pas!

Dit is Cromwell’s schedel, toen die

Nog een kleine jongen was!”

13.

13.

Door een vracht, die veel te zwaar was,Lag de schuit van Mike zóó diep,Dat de man in groot gevaar was,Als het water overliep.

Door een vracht, die veel te zwaar was,

Lag de schuit van Mike zóó diep,

Dat de man in groot gevaar was,

Als het water overliep.

Pat stond aan den kant te kijken,En — wat meer gevonden wordt —Hij wou graag eens laten blijkenWat hij wist van watersport.

Pat stond aan den kant te kijken,

En — wat meer gevonden wordt —

Hij wou graag eens laten blijken

Wat hij wist van watersport.

Daarom riep hij — en je staat erEven stil bij, als je ’t leest —„’t Is gelukkig geen hoog water,Anders was je weg geweest.”

Daarom riep hij — en je staat er

Even stil bij, als je ’t leest —

„’t Is gelukkig geen hoog water,

Anders was je weg geweest.”

14.

14.

Mike was, door gebrek aan schijven,Bij een boer in dienst gegaan;Maar, om goed gezond te blijven,Deed hij alles kalmpjes aan.

Mike was, door gebrek aan schijven,

Bij een boer in dienst gegaan;

Maar, om goed gezond te blijven,

Deed hij alles kalmpjes aan.

Telkens kwam de boer hem zoeken,Als hij even rustig zat,En dan werd het schelden, vloeken:Potverdit en potverdat!

Telkens kwam de boer hem zoeken,

Als hij even rustig zat,

En dan werd het schelden, vloeken:

Potverdit en potverdat!

„’k Ben al vlugger dan een kogel!Denk je,” protesteerde Mike,„Dat ik zijn kan, als een vogel,Op twee plaatsen tegelijk?”

„’k Ben al vlugger dan een kogel!

Denk je,” protesteerde Mike,

„Dat ik zijn kan, als een vogel,

Op twee plaatsen tegelijk?”

15.

15.

Patrik liep eens door de stratenVan Tralee, een Iersche stad,Hardop in zich zelf te pratenOver Joost-mag-weten-wat.

Patrik liep eens door de straten

Van Tralee, een Iersche stad,

Hardop in zich zelf te praten

Over Joost-mag-weten-wat.

Een kwajongen lag te kijkenErgens uit een bovenraam;Die liet luid zijn blijdschap blijken,En deed hoogst onaangenaam.

Een kwajongen lag te kijken

Ergens uit een bovenraam;

Die liet luid zijn blijdschap blijken,

En deed hoogst onaangenaam.

Patrik was zóó ontevreden,Dat hij dit ten antwoord gaf:„Was jij, vlegel, hier beneden,’k Gooide j’ alle trappen af!”

Patrik was zóó ontevreden,

Dat hij dit ten antwoord gaf:

„Was jij, vlegel, hier beneden,

’k Gooide j’ alle trappen af!”

16.

16.

Mike liep Zondag te flaneerenMet zijn hooge zijden op.Patrik wou zijn buks probeeren,En hij schoot naar Mike z’n kop.

Mike liep Zondag te flaneeren

Met zijn hooge zijden op.

Patrik wou zijn buks probeeren,

En hij schoot naar Mike z’n kop.

Patrik schoot niet heel bizonder,Meestal mikte hij niet goed,En de kogel — ’t was een wonder —Ging door Mike z’n hoogen hoed.

Patrik schoot niet heel bizonder,

Meestal mikte hij niet goed,

En de kogel — ’t was een wonder —

Ging door Mike z’n hoogen hoed.

Mike, die gauw ’t geval gevat had,Zei, van schrik nog wat bedeesd:„Als ’k me dophoed op gehad had,Was ik zeker dood geweest.”

Mike, die gauw ’t geval gevat had,

Zei, van schrik nog wat bedeesd:

„Als ’k me dophoed op gehad had,

Was ik zeker dood geweest.”

17.

17.

Mijn moeder had een groote komMet goudvisschen — een keurcollectie,En zei tot ’t hitje, goed maar dom:„Maak dat ik nooit op ’t glas een vlek zie,Hou ’t water altijd versch en rein,De visschen schoon — verzorg de dieren,Zoodat zij blijven wat zij zijn:De bloemen, die mijn home versieren.”

Mijn moeder had een groote kom

Met goudvisschen — een keurcollectie,

En zei tot ’t hitje, goed maar dom:

„Maak dat ik nooit op ’t glas een vlek zie,

Hou ’t water altijd versch en rein,

De visschen schoon — verzorg de dieren,

Zoodat zij blijven wat zij zijn:

De bloemen, die mijn home versieren.”

„Jawel!” zei Mary. Maar, o neen!De stomme dieren gingen kwijnen,De schub-laag brak, en een voor eenZag men ze sterven en verdwijnen.Maar wie schetst moeder’s ergernis,Toen z’ eens bemerkte — ach, te spade!Hoe Mary vlijtig visch voor visch,Aan ’t poetsen was met poetspomade?

„Jawel!” zei Mary. Maar, o neen!

De stomme dieren gingen kwijnen,

De schub-laag brak, en een voor een

Zag men ze sterven en verdwijnen.

Maar wie schetst moeder’s ergernis,

Toen z’ eens bemerkte — ach, te spade!

Hoe Mary vlijtig visch voor visch,

Aan ’t poetsen was met poetspomade?

18.

18.

Vriend Patrik holde hijgendHet hek in van den hoef.„Een schop, gauw!” klonk het klagend,en zijn oogen stonden droef.„Broer Mike zit in de modder,Tot aan zijn enkels; Gauw!!”„Die redt zichzelf wel,” zei de boer,„Ik heb geen schop voor jou.”Een oogenblikje stilte.Toen, plotseling, zei Pat:— Er schoot hem iets te binnen,dat hij schoon vergeten had —

Vriend Patrik holde hijgend

Het hek in van den hoef.

„Een schop, gauw!” klonk het klagend,

en zijn oogen stonden droef.

„Broer Mike zit in de modder,

Tot aan zijn enkels; Gauw!!”

„Die redt zichzelf wel,” zei de boer,

„Ik heb geen schop voor jou.”

Een oogenblikje stilte.

Toen, plotseling, zei Pat:

— Er schoot hem iets te binnen,

dat hij schoon vergeten had —

„’k Vergat er bij te zeggen,Door schrik en droefenis,Dat Mike er met zijn hoofdvoorover in gevallen is!”

„’k Vergat er bij te zeggen,

Door schrik en droefenis,

Dat Mike er met zijn hoofd

voorover in gevallen is!”

19.

19.

De arme Mike stond eens terechtVoor ’t stelen van een haan.„Foei, neen!” zei Mike. „’k Ben niet zoo slecht!Ik heb hetnietgedaan.”

De arme Mike stond eens terecht

Voor ’t stelen van een haan.

„Foei, neen!” zei Mike. „’k Ben niet zoo slecht!

Ik heb hetnietgedaan.”

De rechter sprak: „Beken ’t nu maar.Misschien vergeef ik ’t wel.Maar, denk er om: de leugenaarGaat rechtstreeks naar de hel!”

De rechter sprak: „Beken ’t nu maar.

Misschien vergeef ik ’t wel.

Maar, denk er om: de leugenaar

Gaat rechtstreeks naar de hel!”

En toen zei Mike, diep aangedaanDoor ’t rechterlijk sermoen:„Ik ben er heusch onschuldig aan,En ’k zal het nooit meer doen.”

En toen zei Mike, diep aangedaan

Door ’t rechterlijk sermoen:

„Ik ben er heusch onschuldig aan,

En ’k zal het nooit meer doen.”

20.

20.

„Als j’ een aardig raadsel weet,”Zei een Ier, „zal ik trakteeren.”Patrik was direkt gereed:„’t Blaft — en ’t is bedekt met veeren.”

„Als j’ een aardig raadsel weet,”

Zei een Ier, „zal ik trakteeren.”

Patrik was direkt gereed:

„’t Blaft — en ’t is bedekt met veeren.”

„Kip!” riep Pat, toen niemand ’t ried.„Mis!” zei d’ ander zonder dralen,„Kippen, Paddy, blaffen niet;Jij mag zelf je bier betalen.”

„Kip!” riep Pat, toen niemand ’t ried.

„Mis!” zei d’ ander zonder dralen,

„Kippen, Paddy, blaffen niet;

Jij mag zelf je bier betalen.”

Pat keek op zijn neus, en scheenIn verlegenheid te raken.„Ja maar,” sprak hij, „’k zei ’t alleenOm ’t wat moeilijker te maken.”

Pat keek op zijn neus, en scheen

In verlegenheid te raken.

„Ja maar,” sprak hij, „’k zei ’t alleen

Om ’t wat moeilijker te maken.”

21.

21.

Een jonkman, zeer verliefd en blond,Schreef in ’t café aan zijn vriendinnetje,En Patrik, die er achter stond,Bleek ’t na te neuzen, zin voor zinnetje.

Een jonkman, zeer verliefd en blond,

Schreef in ’t café aan zijn vriendinnetje,

En Patrik, die er achter stond,

Bleek ’t na te neuzen, zin voor zinnetje.

„Hier breek ik af,” zoo schreef de knaap,„Hoewel dit slot wat vreemd mag lijken,Maar een vervloekte lompe aapStaat stiekum alles af te kijken.”

„Hier breek ik af,” zoo schreef de knaap,

„Hoewel dit slot wat vreemd mag lijken,

Maar een vervloekte lompe aap

Staat stiekum alles af te kijken.”

En Pat zei — want hij schrok er van —„Ik kan je de verzekering geven,Dat ik geen woord gezien heb, man,Van wat je daar hebt neergeschreven.”

En Pat zei — want hij schrok er van —

„Ik kan je de verzekering geven,

Dat ik geen woord gezien heb, man,

Van wat je daar hebt neergeschreven.”

22.

22.

„Wel, Pat,” zei ’k, „is dit huis van jou?”„Ja,” zei Pat, „door me werk en me sparen!’”„Al lang?” — „Meneer, ik woon hier nouAl over de zeventig jaren.Ik ben hier uit dit huis getrouwd,Ik heb er me vrouw in verloren,Me vader heeft het zelf gebouwd,En me grootvader is er geboren.”

„Wel, Pat,” zei ’k, „is dit huis van jou?”

„Ja,” zei Pat, „door me werk en me sparen!’”

„Al lang?” — „Meneer, ik woon hier nou

Al over de zeventig jaren.

Ik ben hier uit dit huis getrouwd,

Ik heb er me vrouw in verloren,

Me vader heeft het zelf gebouwd,

En me grootvader is er geboren.”

23.

23.

Twee Ieren stonden, voor ’t duel,Elk met zijn vriend,Maar d’ een riep, net voor d’ aanvang, snel:„Ik ben bijziend!” —„Dus ’t is niet fair als ’t zóó moet gaan,”Vervolgde hij,„’k Moet tien voet dichter bij hem staan,Dan hij bij mij.”

Twee Ieren stonden, voor ’t duel,

Elk met zijn vriend,

Maar d’ een riep, net voor d’ aanvang, snel:

„Ik ben bijziend!” —

„Dus ’t is niet fair als ’t zóó moet gaan,”

Vervolgde hij,

„’k Moet tien voet dichter bij hem staan,

Dan hij bij mij.”

Diep was het menschlijk geslachtin den poel van de zonde verzonken.Zeus, op bestraffing bedacht,voelt het vuur van zijn tooren ontvonken.IJlings ontbiedt hij zijn Raad.Langs het pad, nog deMelkweggeheeten,komen zij saam. Zijn gelaatspelt niets goeds; en als elk is gezeten,kondigt hij aan zijn besluitom het menschelijk geslacht te verdelgen.„’k Zweer bij de Styx,” roept hij uit,„dat het water het land zal verzwelgen!D’ aarde, met alles er op,zal vergaan in de barnende baren,zinken in ’t ziedende sop,door geen hemelsche macht te bedaren!”Plotseling barst nu met krachtvan den Hoogen een hevige regen;stortend bij dag en bij nacht,overstroomt hij de velden en wegen.Droef ziet de landman zijn oogsthem ontgaan en zijn nijveren lieden.Nog is de nood niet het hoogst,want het gruwzame gaat nog geschieden.Nu krijgt Neptunus tot taakvan Saturnius, schriklijk verbolgen,zinnend op wreedere wraak,om het werk des verderfs te vervolgen.Fel woedt de god van de zee,met zijn drietand orkanen verwekkend;’t Water stijgt boven de reê,stroomt het land in, de beemden bedekkend.Donderend stort zich de vloed,die de menschen verdelgt, en gebouwenkrakende tuimelen doet,op de lieflijke loover-landauwen.Daar, waar de geit had gegraasd,zwemmen zeemonsters thans, en dolphijnen.De Nereïden, verbaasd,zweven rond tusschen beuken en pijnen.Alles wordt zee, zonder grens,vale vlakte van vocht zonder leven.Zoo was het eind van den Mensch,van zijn werken en hopen en streven.Slechts de Parnassus, die hoogzich verhief, met de kruin in de wolken,was aan het uiteinde droog,onbereikt door de kokende kolken.Hier dreef Deucalion heenin een wankele boot, met zijn gade;Jupiter hoort hun geweenen hun jammergeroep om genade.Kraai hadden beiden, noch kind;hij, de grijsaard, en Pyrrha, zijn ega,hadden de deugd steeds bemind,(een gevoel, waarin ik met ze mee ga).Jupiter spaarde die tweeom hun deugd, deed ze landen — zij beidenworden gered, want de zeewijkt terug, van het land weer gescheiden.d’ Aarde herrijst. Veld en bosch,eerst met modder bedekt en ontoonbaar,prijken in vroegeren dos,en de wereld wordt weder bewoonbaar.Ach, maar het menschdom ontbrak,op die twee na, die overig waren,beiden gebrekkig en zwak,en gedrukt door den last van de jaren.„O, gij mijn zuster en vrouw,”zegt de grijze Deucalion teeder,blijde, maar nochtans in rouw,„Zie, den aardbodem vonden wij weder;wel is de hemel ontwolkt,maar, al zien wij de zonne weer schijnen,hoe wordt de wereld bevolkt?wee! met ons zal het menschdom verdwijnen!”Door den nog drassigen grondgaan zij op naar den eenigen tempel.Themis gewijd, die daar stondongerept op den berg. Bij den drempelknielen zij, mat en verbleekt,en daar klinkt het uit ’t heilig gesteente,— Themis is ’t zelve, die spreekt —„Gaat van hier, werpt uw moeder’s gebeenteachter uw ruggen ter aard!”en Deucalion, denkend, heeft spoedig’t wondere raadsel verklaard.„Onze moeder,” zoo roept hij blijmoedig,„is deze aarde; enbeenis het steen in den bodem verscholen!”Zonder verwijl gaan zij heenvoor de daad door de godheid bevolen.’t Tweetal werpt steenen, en zietreeds de vormlooze hardheid vermindren...Thans is het wonder geschied,want de keien vergroeien tot kindren!’t Heerlijke werk was volbrachtvan het paar door de godheid verkoren.Zoo is het menschlijk geslachtna den Vloed uit den bodem herboren.........................................’k Meen het volstrekt niet vulgair,maar misschien (’t schiet me net zoo te binnen)maakt me dit Rijm populair.bij den „Bond voor de groote gezinnen.”

Diep was het menschlijk geslachtin den poel van de zonde verzonken.Zeus, op bestraffing bedacht,voelt het vuur van zijn tooren ontvonken.IJlings ontbiedt hij zijn Raad.Langs het pad, nog deMelkweggeheeten,komen zij saam. Zijn gelaatspelt niets goeds; en als elk is gezeten,kondigt hij aan zijn besluitom het menschelijk geslacht te verdelgen.„’k Zweer bij de Styx,” roept hij uit,„dat het water het land zal verzwelgen!D’ aarde, met alles er op,zal vergaan in de barnende baren,zinken in ’t ziedende sop,door geen hemelsche macht te bedaren!”Plotseling barst nu met krachtvan den Hoogen een hevige regen;stortend bij dag en bij nacht,overstroomt hij de velden en wegen.Droef ziet de landman zijn oogsthem ontgaan en zijn nijveren lieden.Nog is de nood niet het hoogst,want het gruwzame gaat nog geschieden.Nu krijgt Neptunus tot taakvan Saturnius, schriklijk verbolgen,zinnend op wreedere wraak,om het werk des verderfs te vervolgen.Fel woedt de god van de zee,met zijn drietand orkanen verwekkend;’t Water stijgt boven de reê,stroomt het land in, de beemden bedekkend.Donderend stort zich de vloed,die de menschen verdelgt, en gebouwenkrakende tuimelen doet,op de lieflijke loover-landauwen.Daar, waar de geit had gegraasd,zwemmen zeemonsters thans, en dolphijnen.De Nereïden, verbaasd,zweven rond tusschen beuken en pijnen.Alles wordt zee, zonder grens,vale vlakte van vocht zonder leven.Zoo was het eind van den Mensch,van zijn werken en hopen en streven.Slechts de Parnassus, die hoogzich verhief, met de kruin in de wolken,was aan het uiteinde droog,onbereikt door de kokende kolken.Hier dreef Deucalion heenin een wankele boot, met zijn gade;Jupiter hoort hun geweenen hun jammergeroep om genade.Kraai hadden beiden, noch kind;hij, de grijsaard, en Pyrrha, zijn ega,hadden de deugd steeds bemind,(een gevoel, waarin ik met ze mee ga).Jupiter spaarde die tweeom hun deugd, deed ze landen — zij beidenworden gered, want de zeewijkt terug, van het land weer gescheiden.d’ Aarde herrijst. Veld en bosch,eerst met modder bedekt en ontoonbaar,prijken in vroegeren dos,en de wereld wordt weder bewoonbaar.Ach, maar het menschdom ontbrak,op die twee na, die overig waren,beiden gebrekkig en zwak,en gedrukt door den last van de jaren.„O, gij mijn zuster en vrouw,”zegt de grijze Deucalion teeder,blijde, maar nochtans in rouw,„Zie, den aardbodem vonden wij weder;wel is de hemel ontwolkt,maar, al zien wij de zonne weer schijnen,hoe wordt de wereld bevolkt?wee! met ons zal het menschdom verdwijnen!”Door den nog drassigen grondgaan zij op naar den eenigen tempel.Themis gewijd, die daar stondongerept op den berg. Bij den drempelknielen zij, mat en verbleekt,en daar klinkt het uit ’t heilig gesteente,— Themis is ’t zelve, die spreekt —„Gaat van hier, werpt uw moeder’s gebeenteachter uw ruggen ter aard!”en Deucalion, denkend, heeft spoedig’t wondere raadsel verklaard.„Onze moeder,” zoo roept hij blijmoedig,„is deze aarde; enbeenis het steen in den bodem verscholen!”Zonder verwijl gaan zij heenvoor de daad door de godheid bevolen.’t Tweetal werpt steenen, en zietreeds de vormlooze hardheid vermindren...Thans is het wonder geschied,want de keien vergroeien tot kindren!’t Heerlijke werk was volbrachtvan het paar door de godheid verkoren.Zoo is het menschlijk geslachtna den Vloed uit den bodem herboren.........................................’k Meen het volstrekt niet vulgair,maar misschien (’t schiet me net zoo te binnen)maakt me dit Rijm populair.bij den „Bond voor de groote gezinnen.”

Diep was het menschlijk geslachtin den poel van de zonde verzonken.Zeus, op bestraffing bedacht,voelt het vuur van zijn tooren ontvonken.IJlings ontbiedt hij zijn Raad.Langs het pad, nog deMelkweggeheeten,komen zij saam. Zijn gelaatspelt niets goeds; en als elk is gezeten,kondigt hij aan zijn besluitom het menschelijk geslacht te verdelgen.„’k Zweer bij de Styx,” roept hij uit,„dat het water het land zal verzwelgen!D’ aarde, met alles er op,zal vergaan in de barnende baren,zinken in ’t ziedende sop,door geen hemelsche macht te bedaren!”Plotseling barst nu met krachtvan den Hoogen een hevige regen;stortend bij dag en bij nacht,overstroomt hij de velden en wegen.Droef ziet de landman zijn oogsthem ontgaan en zijn nijveren lieden.Nog is de nood niet het hoogst,want het gruwzame gaat nog geschieden.Nu krijgt Neptunus tot taakvan Saturnius, schriklijk verbolgen,zinnend op wreedere wraak,om het werk des verderfs te vervolgen.Fel woedt de god van de zee,met zijn drietand orkanen verwekkend;’t Water stijgt boven de reê,stroomt het land in, de beemden bedekkend.Donderend stort zich de vloed,die de menschen verdelgt, en gebouwenkrakende tuimelen doet,op de lieflijke loover-landauwen.Daar, waar de geit had gegraasd,zwemmen zeemonsters thans, en dolphijnen.De Nereïden, verbaasd,zweven rond tusschen beuken en pijnen.Alles wordt zee, zonder grens,vale vlakte van vocht zonder leven.Zoo was het eind van den Mensch,van zijn werken en hopen en streven.

Diep was het menschlijk geslacht

in den poel van de zonde verzonken.

Zeus, op bestraffing bedacht,

voelt het vuur van zijn tooren ontvonken.

IJlings ontbiedt hij zijn Raad.

Langs het pad, nog deMelkweggeheeten,

komen zij saam. Zijn gelaat

spelt niets goeds; en als elk is gezeten,

kondigt hij aan zijn besluit

om het menschelijk geslacht te verdelgen.

„’k Zweer bij de Styx,” roept hij uit,

„dat het water het land zal verzwelgen!

D’ aarde, met alles er op,

zal vergaan in de barnende baren,

zinken in ’t ziedende sop,

door geen hemelsche macht te bedaren!”

Plotseling barst nu met kracht

van den Hoogen een hevige regen;

stortend bij dag en bij nacht,

overstroomt hij de velden en wegen.

Droef ziet de landman zijn oogst

hem ontgaan en zijn nijveren lieden.

Nog is de nood niet het hoogst,

want het gruwzame gaat nog geschieden.

Nu krijgt Neptunus tot taak

van Saturnius, schriklijk verbolgen,

zinnend op wreedere wraak,

om het werk des verderfs te vervolgen.

Fel woedt de god van de zee,

met zijn drietand orkanen verwekkend;

’t Water stijgt boven de reê,

stroomt het land in, de beemden bedekkend.

Donderend stort zich de vloed,

die de menschen verdelgt, en gebouwen

krakende tuimelen doet,

op de lieflijke loover-landauwen.

Daar, waar de geit had gegraasd,

zwemmen zeemonsters thans, en dolphijnen.

De Nereïden, verbaasd,

zweven rond tusschen beuken en pijnen.

Alles wordt zee, zonder grens,

vale vlakte van vocht zonder leven.

Zoo was het eind van den Mensch,

van zijn werken en hopen en streven.

Slechts de Parnassus, die hoogzich verhief, met de kruin in de wolken,was aan het uiteinde droog,onbereikt door de kokende kolken.Hier dreef Deucalion heenin een wankele boot, met zijn gade;Jupiter hoort hun geweenen hun jammergeroep om genade.Kraai hadden beiden, noch kind;hij, de grijsaard, en Pyrrha, zijn ega,hadden de deugd steeds bemind,(een gevoel, waarin ik met ze mee ga).Jupiter spaarde die tweeom hun deugd, deed ze landen — zij beidenworden gered, want de zeewijkt terug, van het land weer gescheiden.d’ Aarde herrijst. Veld en bosch,eerst met modder bedekt en ontoonbaar,prijken in vroegeren dos,en de wereld wordt weder bewoonbaar.Ach, maar het menschdom ontbrak,op die twee na, die overig waren,beiden gebrekkig en zwak,en gedrukt door den last van de jaren.„O, gij mijn zuster en vrouw,”zegt de grijze Deucalion teeder,blijde, maar nochtans in rouw,„Zie, den aardbodem vonden wij weder;wel is de hemel ontwolkt,maar, al zien wij de zonne weer schijnen,hoe wordt de wereld bevolkt?wee! met ons zal het menschdom verdwijnen!”

Slechts de Parnassus, die hoog

zich verhief, met de kruin in de wolken,

was aan het uiteinde droog,

onbereikt door de kokende kolken.

Hier dreef Deucalion heen

in een wankele boot, met zijn gade;

Jupiter hoort hun geween

en hun jammergeroep om genade.

Kraai hadden beiden, noch kind;

hij, de grijsaard, en Pyrrha, zijn ega,

hadden de deugd steeds bemind,

(een gevoel, waarin ik met ze mee ga).

Jupiter spaarde die twee

om hun deugd, deed ze landen — zij beiden

worden gered, want de zee

wijkt terug, van het land weer gescheiden.

d’ Aarde herrijst. Veld en bosch,

eerst met modder bedekt en ontoonbaar,

prijken in vroegeren dos,

en de wereld wordt weder bewoonbaar.

Ach, maar het menschdom ontbrak,

op die twee na, die overig waren,

beiden gebrekkig en zwak,

en gedrukt door den last van de jaren.

„O, gij mijn zuster en vrouw,”

zegt de grijze Deucalion teeder,

blijde, maar nochtans in rouw,

„Zie, den aardbodem vonden wij weder;

wel is de hemel ontwolkt,

maar, al zien wij de zonne weer schijnen,

hoe wordt de wereld bevolkt?

wee! met ons zal het menschdom verdwijnen!”

Door den nog drassigen grondgaan zij op naar den eenigen tempel.Themis gewijd, die daar stondongerept op den berg. Bij den drempelknielen zij, mat en verbleekt,en daar klinkt het uit ’t heilig gesteente,— Themis is ’t zelve, die spreekt —„Gaat van hier, werpt uw moeder’s gebeenteachter uw ruggen ter aard!”en Deucalion, denkend, heeft spoedig’t wondere raadsel verklaard.„Onze moeder,” zoo roept hij blijmoedig,„is deze aarde; enbeenis het steen in den bodem verscholen!”Zonder verwijl gaan zij heenvoor de daad door de godheid bevolen.’t Tweetal werpt steenen, en zietreeds de vormlooze hardheid vermindren...Thans is het wonder geschied,want de keien vergroeien tot kindren!’t Heerlijke werk was volbrachtvan het paar door de godheid verkoren.Zoo is het menschlijk geslachtna den Vloed uit den bodem herboren.........................................’k Meen het volstrekt niet vulgair,maar misschien (’t schiet me net zoo te binnen)maakt me dit Rijm populair.bij den „Bond voor de groote gezinnen.”

Door den nog drassigen grond

gaan zij op naar den eenigen tempel.

Themis gewijd, die daar stond

ongerept op den berg. Bij den drempel

knielen zij, mat en verbleekt,

en daar klinkt het uit ’t heilig gesteente,

— Themis is ’t zelve, die spreekt —

„Gaat van hier, werpt uw moeder’s gebeente

achter uw ruggen ter aard!”

en Deucalion, denkend, heeft spoedig

’t wondere raadsel verklaard.

„Onze moeder,” zoo roept hij blijmoedig,

„is deze aarde; enbeen

is het steen in den bodem verscholen!”

Zonder verwijl gaan zij heen

voor de daad door de godheid bevolen.

’t Tweetal werpt steenen, en ziet

reeds de vormlooze hardheid vermindren...

Thans is het wonder geschied,

want de keien vergroeien tot kindren!

’t Heerlijke werk was volbracht

van het paar door de godheid verkoren.

Zoo is het menschlijk geslacht

na den Vloed uit den bodem herboren.

........................................

’k Meen het volstrekt niet vulgair,

maar misschien (’t schiet me net zoo te binnen)

maakt me dit Rijm populair.

bij den „Bond voor de groote gezinnen.”

Echo, de praatzieke maagd,die maar eindeloos kleppert en babbelt,ook als geen mensch haar iets vraagt,als een beek, die langs rotsblokken kabbelt,diende god Jupiter vaak,als hij vree met de nymphen der wouden,want dan had Echo de taakom zijn vrouw op de praatstoel te houden.Juno, die ’t eerst niet doorzag,was er eindelijk achter gekomen;daarom heeft z’ eens op een daghaar de gave van ’t spreken ontnomen.Zij, zoo loslippig voorheen,nu de eigene woorden haar falen,Echo, kan nu nog alleenwat een ander haar voorzegt, herhalen.Eens, toen zij dwaalde door ’t woud,in een onbestemd liefde-verlangen,heeft zij Narcissus aanschouwd,en werd aanstonds van hartstocht bevangen.Zielsverrukt nadert zij hem,en zij brandt hem haar min te verklaren...Ach! nu ontbreekt haar de stem,en zij wenkt hem met stomme gebaren.„Wie daar?” zoo roept hij, en vlucht,als bezeten, door velden en dreven;„Wie daar!” weerklinkt als een zucht,want geen antwoord vermag zij te geven.Voort ijlt hij, rusteloos voort,en „Ga weg!” hoort zij weder weerklinken;„Weg!” zoo herhaalt zij zijn woord,en dan voelt zij de kracht haar ontzinken.„Sterf!” roept de vluchtling, „Verga!”en „Ga!” jammert zij tot den beminde.Hijgende snelt zij hem na,als de honden de hollende hinde.Eindelijk, blakend van nijd,dat zij ’s jongelings liefde moet derven,zwijmt zij, verstikkend van spijt,om in spraaklooze wanhoop te sterven.’t Lichaam verdroogt en vervaagt,en vermengt zich met ’t dorrende loover;weg is de minzieke maagd,slechts de klank van de Echo is over.........................................Meisjeslief, hoort naar mijn raad,— ik hoop niet, dat je hierdoor gegriefd wordt —zorgt, dat je niet te veel praat,en vooral, dat je niet te verliefd wordt.

Echo, de praatzieke maagd,die maar eindeloos kleppert en babbelt,ook als geen mensch haar iets vraagt,als een beek, die langs rotsblokken kabbelt,diende god Jupiter vaak,als hij vree met de nymphen der wouden,want dan had Echo de taakom zijn vrouw op de praatstoel te houden.Juno, die ’t eerst niet doorzag,was er eindelijk achter gekomen;daarom heeft z’ eens op een daghaar de gave van ’t spreken ontnomen.Zij, zoo loslippig voorheen,nu de eigene woorden haar falen,Echo, kan nu nog alleenwat een ander haar voorzegt, herhalen.Eens, toen zij dwaalde door ’t woud,in een onbestemd liefde-verlangen,heeft zij Narcissus aanschouwd,en werd aanstonds van hartstocht bevangen.Zielsverrukt nadert zij hem,en zij brandt hem haar min te verklaren...Ach! nu ontbreekt haar de stem,en zij wenkt hem met stomme gebaren.„Wie daar?” zoo roept hij, en vlucht,als bezeten, door velden en dreven;„Wie daar!” weerklinkt als een zucht,want geen antwoord vermag zij te geven.Voort ijlt hij, rusteloos voort,en „Ga weg!” hoort zij weder weerklinken;„Weg!” zoo herhaalt zij zijn woord,en dan voelt zij de kracht haar ontzinken.„Sterf!” roept de vluchtling, „Verga!”en „Ga!” jammert zij tot den beminde.Hijgende snelt zij hem na,als de honden de hollende hinde.Eindelijk, blakend van nijd,dat zij ’s jongelings liefde moet derven,zwijmt zij, verstikkend van spijt,om in spraaklooze wanhoop te sterven.’t Lichaam verdroogt en vervaagt,en vermengt zich met ’t dorrende loover;weg is de minzieke maagd,slechts de klank van de Echo is over.........................................Meisjeslief, hoort naar mijn raad,— ik hoop niet, dat je hierdoor gegriefd wordt —zorgt, dat je niet te veel praat,en vooral, dat je niet te verliefd wordt.

Echo, de praatzieke maagd,die maar eindeloos kleppert en babbelt,ook als geen mensch haar iets vraagt,als een beek, die langs rotsblokken kabbelt,diende god Jupiter vaak,als hij vree met de nymphen der wouden,want dan had Echo de taakom zijn vrouw op de praatstoel te houden.Juno, die ’t eerst niet doorzag,was er eindelijk achter gekomen;daarom heeft z’ eens op een daghaar de gave van ’t spreken ontnomen.Zij, zoo loslippig voorheen,nu de eigene woorden haar falen,Echo, kan nu nog alleenwat een ander haar voorzegt, herhalen.

Echo, de praatzieke maagd,

die maar eindeloos kleppert en babbelt,

ook als geen mensch haar iets vraagt,

als een beek, die langs rotsblokken kabbelt,

diende god Jupiter vaak,

als hij vree met de nymphen der wouden,

want dan had Echo de taak

om zijn vrouw op de praatstoel te houden.

Juno, die ’t eerst niet doorzag,

was er eindelijk achter gekomen;

daarom heeft z’ eens op een dag

haar de gave van ’t spreken ontnomen.

Zij, zoo loslippig voorheen,

nu de eigene woorden haar falen,

Echo, kan nu nog alleen

wat een ander haar voorzegt, herhalen.

Eens, toen zij dwaalde door ’t woud,in een onbestemd liefde-verlangen,heeft zij Narcissus aanschouwd,en werd aanstonds van hartstocht bevangen.Zielsverrukt nadert zij hem,en zij brandt hem haar min te verklaren...Ach! nu ontbreekt haar de stem,en zij wenkt hem met stomme gebaren.„Wie daar?” zoo roept hij, en vlucht,als bezeten, door velden en dreven;„Wie daar!” weerklinkt als een zucht,want geen antwoord vermag zij te geven.Voort ijlt hij, rusteloos voort,en „Ga weg!” hoort zij weder weerklinken;„Weg!” zoo herhaalt zij zijn woord,en dan voelt zij de kracht haar ontzinken.„Sterf!” roept de vluchtling, „Verga!”en „Ga!” jammert zij tot den beminde.Hijgende snelt zij hem na,als de honden de hollende hinde.Eindelijk, blakend van nijd,dat zij ’s jongelings liefde moet derven,zwijmt zij, verstikkend van spijt,om in spraaklooze wanhoop te sterven.’t Lichaam verdroogt en vervaagt,en vermengt zich met ’t dorrende loover;weg is de minzieke maagd,slechts de klank van de Echo is over.........................................Meisjeslief, hoort naar mijn raad,— ik hoop niet, dat je hierdoor gegriefd wordt —zorgt, dat je niet te veel praat,en vooral, dat je niet te verliefd wordt.

Eens, toen zij dwaalde door ’t woud,

in een onbestemd liefde-verlangen,

heeft zij Narcissus aanschouwd,

en werd aanstonds van hartstocht bevangen.

Zielsverrukt nadert zij hem,

en zij brandt hem haar min te verklaren...

Ach! nu ontbreekt haar de stem,

en zij wenkt hem met stomme gebaren.

„Wie daar?” zoo roept hij, en vlucht,

als bezeten, door velden en dreven;

„Wie daar!” weerklinkt als een zucht,

want geen antwoord vermag zij te geven.

Voort ijlt hij, rusteloos voort,

en „Ga weg!” hoort zij weder weerklinken;

„Weg!” zoo herhaalt zij zijn woord,

en dan voelt zij de kracht haar ontzinken.

„Sterf!” roept de vluchtling, „Verga!”

en „Ga!” jammert zij tot den beminde.

Hijgende snelt zij hem na,

als de honden de hollende hinde.

Eindelijk, blakend van nijd,

dat zij ’s jongelings liefde moet derven,

zwijmt zij, verstikkend van spijt,

om in spraaklooze wanhoop te sterven.

’t Lichaam verdroogt en vervaagt,

en vermengt zich met ’t dorrende loover;

weg is de minzieke maagd,

slechts de klank van de Echo is over.

........................................

Meisjeslief, hoort naar mijn raad,

— ik hoop niet, dat je hierdoor gegriefd wordt —

zorgt, dat je niet te veel praat,

en vooral, dat je niet te verliefd wordt.

Liriope had een zoon,en Narcissus — zoo heette de jongen —was zoo verwonderlijk schoonals geen dichter het ooit had bezongen.Eens, als de moeder zich wendttot den god, om zijn leef-tijd te vragen,„Zoo hij zich zelven niet kent,”is ’t bescheid, „tot in lengte van dagen.”Dit was een duistere maar’!wat beteekent het: hopen of vreezen?Klinkt het al vreemd — het was waar,aan het eind van dit Rijm zal je ’t lezen.’t Kind groeide op tot haar roem,en toen ’t zestiende jaarfeest gevierd werd,leek hij de lieflijkste bloem,waarmee immer een gaarde versierd werd.Iedere maagd die hem zietstaart hem aan. — Hij is blind voor die blikken;vrouwen bekoren hem nieten, wat hem betreft, kunnen ze —Liefde? Hij lacht er wat mee,neen, daar zal hij zijn hart niet aan wagen!Hij is volkomen tevreein zijn eentje, met visschen en jagen.Diep in het woud was een plas,tusschen planten en struiken en boomen,’t water was helder als glas,bonte bloemen ontwiessen de zoomen.Hier kwam Narcissus een keer,overmoe van jachtlievenden ijver.Afgemat zonk hij ter neeraan den kant van den blinkenden vijver.Dan, om zijn dorst te verslaan,houdt hij ’t hoofd naar het water gebogen...Plots grijpt ontroering hem aan,want wat schouwen zijn starende oogen?’t Schitterend beeld van een knaap,waar de maagden in droom naar verlangen,’t golvende blond aan den slaapen de teederste blos op de wangen.Star, met een koortsigen blik,blijft hij ’t overschoon schijnbeeld bestaren,beurtlings in blijdschap en schrikwenkt hij ’t toe met de wildste gebaren.Strekt hij de hand, dan verdwijnt,door het golven, het schijnsel daaronder —dan, na een oogwenk, verschijntin de plas weer het beeldschoone wonder.„Wee mij!” zoo klaagt hij zijn smart,„hoe verdraag ik dit nameloos lijden?Vlak bij den vriend van mijn harten toch vademen van hem gescheiden!Ik, die naar teederheid dorst,moet hier eenzaam in wanhoop verkwijnen!”En hij kastijdt zich de borst,zich berokkenend duldlooze pijnenZoo stort hij jammerend neer,’t gloeiend hoofd op de koelende zoden......Nu lijdt Narcissus niet meer,want zijn geest is het lichaam ontvloden.En de Najaden, vol smart,snellen toe naar de plek... zij ontwarenniets dan een bloem, geel in ’t hart,met een kransje van sneeuwwitte blâren.........................................Mijdt dus den spiegel als ’t kan,want het kon je nog wel eens berouwen!Dit is ’t verhaal van een man,maar het geldt haast nog meer voor de vrouwen.

Liriope had een zoon,en Narcissus — zoo heette de jongen —was zoo verwonderlijk schoonals geen dichter het ooit had bezongen.Eens, als de moeder zich wendttot den god, om zijn leef-tijd te vragen,„Zoo hij zich zelven niet kent,”is ’t bescheid, „tot in lengte van dagen.”Dit was een duistere maar’!wat beteekent het: hopen of vreezen?Klinkt het al vreemd — het was waar,aan het eind van dit Rijm zal je ’t lezen.’t Kind groeide op tot haar roem,en toen ’t zestiende jaarfeest gevierd werd,leek hij de lieflijkste bloem,waarmee immer een gaarde versierd werd.Iedere maagd die hem zietstaart hem aan. — Hij is blind voor die blikken;vrouwen bekoren hem nieten, wat hem betreft, kunnen ze —Liefde? Hij lacht er wat mee,neen, daar zal hij zijn hart niet aan wagen!Hij is volkomen tevreein zijn eentje, met visschen en jagen.Diep in het woud was een plas,tusschen planten en struiken en boomen,’t water was helder als glas,bonte bloemen ontwiessen de zoomen.Hier kwam Narcissus een keer,overmoe van jachtlievenden ijver.Afgemat zonk hij ter neeraan den kant van den blinkenden vijver.Dan, om zijn dorst te verslaan,houdt hij ’t hoofd naar het water gebogen...Plots grijpt ontroering hem aan,want wat schouwen zijn starende oogen?’t Schitterend beeld van een knaap,waar de maagden in droom naar verlangen,’t golvende blond aan den slaapen de teederste blos op de wangen.Star, met een koortsigen blik,blijft hij ’t overschoon schijnbeeld bestaren,beurtlings in blijdschap en schrikwenkt hij ’t toe met de wildste gebaren.Strekt hij de hand, dan verdwijnt,door het golven, het schijnsel daaronder —dan, na een oogwenk, verschijntin de plas weer het beeldschoone wonder.„Wee mij!” zoo klaagt hij zijn smart,„hoe verdraag ik dit nameloos lijden?Vlak bij den vriend van mijn harten toch vademen van hem gescheiden!Ik, die naar teederheid dorst,moet hier eenzaam in wanhoop verkwijnen!”En hij kastijdt zich de borst,zich berokkenend duldlooze pijnenZoo stort hij jammerend neer,’t gloeiend hoofd op de koelende zoden......Nu lijdt Narcissus niet meer,want zijn geest is het lichaam ontvloden.En de Najaden, vol smart,snellen toe naar de plek... zij ontwarenniets dan een bloem, geel in ’t hart,met een kransje van sneeuwwitte blâren.........................................Mijdt dus den spiegel als ’t kan,want het kon je nog wel eens berouwen!Dit is ’t verhaal van een man,maar het geldt haast nog meer voor de vrouwen.

Liriope had een zoon,en Narcissus — zoo heette de jongen —was zoo verwonderlijk schoonals geen dichter het ooit had bezongen.Eens, als de moeder zich wendttot den god, om zijn leef-tijd te vragen,„Zoo hij zich zelven niet kent,”is ’t bescheid, „tot in lengte van dagen.”Dit was een duistere maar’!wat beteekent het: hopen of vreezen?Klinkt het al vreemd — het was waar,aan het eind van dit Rijm zal je ’t lezen.’t Kind groeide op tot haar roem,en toen ’t zestiende jaarfeest gevierd werd,leek hij de lieflijkste bloem,waarmee immer een gaarde versierd werd.Iedere maagd die hem zietstaart hem aan. — Hij is blind voor die blikken;vrouwen bekoren hem nieten, wat hem betreft, kunnen ze —Liefde? Hij lacht er wat mee,neen, daar zal hij zijn hart niet aan wagen!Hij is volkomen tevreein zijn eentje, met visschen en jagen.

Liriope had een zoon,

en Narcissus — zoo heette de jongen —

was zoo verwonderlijk schoon

als geen dichter het ooit had bezongen.

Eens, als de moeder zich wendt

tot den god, om zijn leef-tijd te vragen,

„Zoo hij zich zelven niet kent,”

is ’t bescheid, „tot in lengte van dagen.”

Dit was een duistere maar’!

wat beteekent het: hopen of vreezen?

Klinkt het al vreemd — het was waar,

aan het eind van dit Rijm zal je ’t lezen.

’t Kind groeide op tot haar roem,

en toen ’t zestiende jaarfeest gevierd werd,

leek hij de lieflijkste bloem,

waarmee immer een gaarde versierd werd.

Iedere maagd die hem ziet

staart hem aan. — Hij is blind voor die blikken;

vrouwen bekoren hem niet

en, wat hem betreft, kunnen ze —

Liefde? Hij lacht er wat mee,

neen, daar zal hij zijn hart niet aan wagen!

Hij is volkomen tevree

in zijn eentje, met visschen en jagen.

Diep in het woud was een plas,tusschen planten en struiken en boomen,’t water was helder als glas,bonte bloemen ontwiessen de zoomen.Hier kwam Narcissus een keer,overmoe van jachtlievenden ijver.Afgemat zonk hij ter neeraan den kant van den blinkenden vijver.Dan, om zijn dorst te verslaan,houdt hij ’t hoofd naar het water gebogen...Plots grijpt ontroering hem aan,want wat schouwen zijn starende oogen?’t Schitterend beeld van een knaap,waar de maagden in droom naar verlangen,’t golvende blond aan den slaapen de teederste blos op de wangen.Star, met een koortsigen blik,blijft hij ’t overschoon schijnbeeld bestaren,beurtlings in blijdschap en schrikwenkt hij ’t toe met de wildste gebaren.Strekt hij de hand, dan verdwijnt,door het golven, het schijnsel daaronder —dan, na een oogwenk, verschijntin de plas weer het beeldschoone wonder.„Wee mij!” zoo klaagt hij zijn smart,„hoe verdraag ik dit nameloos lijden?Vlak bij den vriend van mijn harten toch vademen van hem gescheiden!Ik, die naar teederheid dorst,moet hier eenzaam in wanhoop verkwijnen!”En hij kastijdt zich de borst,zich berokkenend duldlooze pijnenZoo stort hij jammerend neer,’t gloeiend hoofd op de koelende zoden......

Diep in het woud was een plas,

tusschen planten en struiken en boomen,

’t water was helder als glas,

bonte bloemen ontwiessen de zoomen.

Hier kwam Narcissus een keer,

overmoe van jachtlievenden ijver.

Afgemat zonk hij ter neer

aan den kant van den blinkenden vijver.

Dan, om zijn dorst te verslaan,

houdt hij ’t hoofd naar het water gebogen...

Plots grijpt ontroering hem aan,

want wat schouwen zijn starende oogen?

’t Schitterend beeld van een knaap,

waar de maagden in droom naar verlangen,

’t golvende blond aan den slaap

en de teederste blos op de wangen.

Star, met een koortsigen blik,

blijft hij ’t overschoon schijnbeeld bestaren,

beurtlings in blijdschap en schrik

wenkt hij ’t toe met de wildste gebaren.

Strekt hij de hand, dan verdwijnt,

door het golven, het schijnsel daaronder —

dan, na een oogwenk, verschijnt

in de plas weer het beeldschoone wonder.

„Wee mij!” zoo klaagt hij zijn smart,

„hoe verdraag ik dit nameloos lijden?

Vlak bij den vriend van mijn hart

en toch vademen van hem gescheiden!

Ik, die naar teederheid dorst,

moet hier eenzaam in wanhoop verkwijnen!”

En hij kastijdt zich de borst,

zich berokkenend duldlooze pijnen

Zoo stort hij jammerend neer,

’t gloeiend hoofd op de koelende zoden......

Nu lijdt Narcissus niet meer,want zijn geest is het lichaam ontvloden.En de Najaden, vol smart,snellen toe naar de plek... zij ontwarenniets dan een bloem, geel in ’t hart,met een kransje van sneeuwwitte blâren.........................................Mijdt dus den spiegel als ’t kan,want het kon je nog wel eens berouwen!Dit is ’t verhaal van een man,maar het geldt haast nog meer voor de vrouwen.

Nu lijdt Narcissus niet meer,

want zijn geest is het lichaam ontvloden.

En de Najaden, vol smart,

snellen toe naar de plek... zij ontwaren

niets dan een bloem, geel in ’t hart,

met een kransje van sneeuwwitte blâren.

........................................

Mijdt dus den spiegel als ’t kan,

want het kon je nog wel eens berouwen!

Dit is ’t verhaal van een man,

maar het geldt haast nog meer voor de vrouwen.

Zekere Pygmalion,in den tijd van het verre verleden,leefde zoo vrij als hij kon,ongetrouwd, dus volkomen tevreden.Kunst was zijn lust, in ’t gemeen,en het beeldhouwen in het bijzonder,en uit het levenloos steenschiep hij ’t beeld van een vrouw — ’t was een wonder.’t Was van zoo zeldzame pracht,dat produkt van zijn vaardige handen,dat, met ontembare kracht,het zijn minnevuur fel deed ontbranden.’t Was van een lijn en een bouw,die zóó schoon en zóó levensgetrouw scheen,dat het geenbeeldvan een vrouw,maar eenvrouw(en een beeld van een vrouw!) scheen.Als hij het marmer betast,is zijn minnevlam niet meer te blusschen,en hij bedekt het albastvan den mond met de vurigste kussen.Woordekens, zalig en zoet,meer gezucht dan gezegd of gefluisterd,luchten zijn dwepend gemoed,en hij beeldt het zich in, dat zij luistert.Dan brengt hij gaven in goud,dan de roos, dan de wuivende winde,reukwerk, en druiven bedauwd,als de minnaar de teeder beminde.Sieraden, kostbaar en mooi,die de zinnen der maagden bekoren,Hangt hij zijn lief om, ten tooi,diamanten aan hals en aan ooren.’t Feest van de Lente breekt aan,dat de Cypriër vroom pleegt te vieren;’t altaar, met gaven belaân,wacht het offer der sneeuwwitte stieren.Pygmalion komt, en vraagtAphrodite gehoor voor zijn smeeken:„Geef mij mijn marmeren maagdtot mijn vrouw...” Neen, zoo durft hij niet spreken...en dan bedenkt hij een zin,half vertolkend ’t gevoel dat hem blaakte:„Gun mij een gade, godin,diegelijktop het beeld dat ik maakte!”Venus verhoort zijn gebed,en de vlam flikkert op tot een teeken.Blijde, met luchtigen tredkeert hij weer, want zijn angst is geweken.Honderdwerf kust hij het beeld.Nu betast hij het ijzige marmer......Als hij het koozende streelt,schijnt het steen hem al zachter en warmer,en, naar zijn innigen wensch,gaat het hooge geluk tot hem naad’ren:’t beeld wordt een levende Mensch,en het bloed kleurt haar levende aad’ren!Andermaal kust hij haar mond,en hij voelt zich verrukt, als verwinnaar —Blozende blikt zij in ’t rond,en dan schouwt zij in ’t oog van haar minnaar.........................................Kunstenaars, weet wat je doet!maakt maar nooit mooie beelden van vrouwen,want het begint soms zoo goed,en dan eindig je met ze te trouwen.

Zekere Pygmalion,in den tijd van het verre verleden,leefde zoo vrij als hij kon,ongetrouwd, dus volkomen tevreden.Kunst was zijn lust, in ’t gemeen,en het beeldhouwen in het bijzonder,en uit het levenloos steenschiep hij ’t beeld van een vrouw — ’t was een wonder.’t Was van zoo zeldzame pracht,dat produkt van zijn vaardige handen,dat, met ontembare kracht,het zijn minnevuur fel deed ontbranden.’t Was van een lijn en een bouw,die zóó schoon en zóó levensgetrouw scheen,dat het geenbeeldvan een vrouw,maar eenvrouw(en een beeld van een vrouw!) scheen.Als hij het marmer betast,is zijn minnevlam niet meer te blusschen,en hij bedekt het albastvan den mond met de vurigste kussen.Woordekens, zalig en zoet,meer gezucht dan gezegd of gefluisterd,luchten zijn dwepend gemoed,en hij beeldt het zich in, dat zij luistert.Dan brengt hij gaven in goud,dan de roos, dan de wuivende winde,reukwerk, en druiven bedauwd,als de minnaar de teeder beminde.Sieraden, kostbaar en mooi,die de zinnen der maagden bekoren,Hangt hij zijn lief om, ten tooi,diamanten aan hals en aan ooren.’t Feest van de Lente breekt aan,dat de Cypriër vroom pleegt te vieren;’t altaar, met gaven belaân,wacht het offer der sneeuwwitte stieren.Pygmalion komt, en vraagtAphrodite gehoor voor zijn smeeken:„Geef mij mijn marmeren maagdtot mijn vrouw...” Neen, zoo durft hij niet spreken...en dan bedenkt hij een zin,half vertolkend ’t gevoel dat hem blaakte:„Gun mij een gade, godin,diegelijktop het beeld dat ik maakte!”Venus verhoort zijn gebed,en de vlam flikkert op tot een teeken.Blijde, met luchtigen tredkeert hij weer, want zijn angst is geweken.Honderdwerf kust hij het beeld.Nu betast hij het ijzige marmer......Als hij het koozende streelt,schijnt het steen hem al zachter en warmer,en, naar zijn innigen wensch,gaat het hooge geluk tot hem naad’ren:’t beeld wordt een levende Mensch,en het bloed kleurt haar levende aad’ren!Andermaal kust hij haar mond,en hij voelt zich verrukt, als verwinnaar —Blozende blikt zij in ’t rond,en dan schouwt zij in ’t oog van haar minnaar.........................................Kunstenaars, weet wat je doet!maakt maar nooit mooie beelden van vrouwen,want het begint soms zoo goed,en dan eindig je met ze te trouwen.

Zekere Pygmalion,in den tijd van het verre verleden,leefde zoo vrij als hij kon,ongetrouwd, dus volkomen tevreden.Kunst was zijn lust, in ’t gemeen,en het beeldhouwen in het bijzonder,en uit het levenloos steenschiep hij ’t beeld van een vrouw — ’t was een wonder.’t Was van zoo zeldzame pracht,dat produkt van zijn vaardige handen,dat, met ontembare kracht,het zijn minnevuur fel deed ontbranden.’t Was van een lijn en een bouw,die zóó schoon en zóó levensgetrouw scheen,dat het geenbeeldvan een vrouw,maar eenvrouw(en een beeld van een vrouw!) scheen.Als hij het marmer betast,is zijn minnevlam niet meer te blusschen,en hij bedekt het albastvan den mond met de vurigste kussen.Woordekens, zalig en zoet,meer gezucht dan gezegd of gefluisterd,luchten zijn dwepend gemoed,en hij beeldt het zich in, dat zij luistert.Dan brengt hij gaven in goud,dan de roos, dan de wuivende winde,reukwerk, en druiven bedauwd,als de minnaar de teeder beminde.Sieraden, kostbaar en mooi,die de zinnen der maagden bekoren,Hangt hij zijn lief om, ten tooi,diamanten aan hals en aan ooren.

Zekere Pygmalion,

in den tijd van het verre verleden,

leefde zoo vrij als hij kon,

ongetrouwd, dus volkomen tevreden.

Kunst was zijn lust, in ’t gemeen,

en het beeldhouwen in het bijzonder,

en uit het levenloos steen

schiep hij ’t beeld van een vrouw — ’t was een wonder.

’t Was van zoo zeldzame pracht,

dat produkt van zijn vaardige handen,

dat, met ontembare kracht,

het zijn minnevuur fel deed ontbranden.

’t Was van een lijn en een bouw,

die zóó schoon en zóó levensgetrouw scheen,

dat het geenbeeldvan een vrouw,

maar eenvrouw(en een beeld van een vrouw!) scheen.

Als hij het marmer betast,

is zijn minnevlam niet meer te blusschen,

en hij bedekt het albast

van den mond met de vurigste kussen.

Woordekens, zalig en zoet,

meer gezucht dan gezegd of gefluisterd,

luchten zijn dwepend gemoed,

en hij beeldt het zich in, dat zij luistert.

Dan brengt hij gaven in goud,

dan de roos, dan de wuivende winde,

reukwerk, en druiven bedauwd,

als de minnaar de teeder beminde.

Sieraden, kostbaar en mooi,

die de zinnen der maagden bekoren,

Hangt hij zijn lief om, ten tooi,

diamanten aan hals en aan ooren.

’t Feest van de Lente breekt aan,dat de Cypriër vroom pleegt te vieren;’t altaar, met gaven belaân,wacht het offer der sneeuwwitte stieren.Pygmalion komt, en vraagtAphrodite gehoor voor zijn smeeken:„Geef mij mijn marmeren maagdtot mijn vrouw...” Neen, zoo durft hij niet spreken...en dan bedenkt hij een zin,half vertolkend ’t gevoel dat hem blaakte:„Gun mij een gade, godin,diegelijktop het beeld dat ik maakte!”Venus verhoort zijn gebed,en de vlam flikkert op tot een teeken.

’t Feest van de Lente breekt aan,

dat de Cypriër vroom pleegt te vieren;

’t altaar, met gaven belaân,

wacht het offer der sneeuwwitte stieren.

Pygmalion komt, en vraagt

Aphrodite gehoor voor zijn smeeken:

„Geef mij mijn marmeren maagd

tot mijn vrouw...” Neen, zoo durft hij niet spreken...

en dan bedenkt hij een zin,

half vertolkend ’t gevoel dat hem blaakte:

„Gun mij een gade, godin,

diegelijktop het beeld dat ik maakte!”

Venus verhoort zijn gebed,

en de vlam flikkert op tot een teeken.

Blijde, met luchtigen tredkeert hij weer, want zijn angst is geweken.Honderdwerf kust hij het beeld.Nu betast hij het ijzige marmer......Als hij het koozende streelt,schijnt het steen hem al zachter en warmer,en, naar zijn innigen wensch,gaat het hooge geluk tot hem naad’ren:’t beeld wordt een levende Mensch,en het bloed kleurt haar levende aad’ren!Andermaal kust hij haar mond,en hij voelt zich verrukt, als verwinnaar —Blozende blikt zij in ’t rond,en dan schouwt zij in ’t oog van haar minnaar.........................................Kunstenaars, weet wat je doet!maakt maar nooit mooie beelden van vrouwen,want het begint soms zoo goed,en dan eindig je met ze te trouwen.

Blijde, met luchtigen tred

keert hij weer, want zijn angst is geweken.

Honderdwerf kust hij het beeld.

Nu betast hij het ijzige marmer......

Als hij het koozende streelt,

schijnt het steen hem al zachter en warmer,

en, naar zijn innigen wensch,

gaat het hooge geluk tot hem naad’ren:

’t beeld wordt een levende Mensch,

en het bloed kleurt haar levende aad’ren!

Andermaal kust hij haar mond,

en hij voelt zich verrukt, als verwinnaar —

Blozende blikt zij in ’t rond,

en dan schouwt zij in ’t oog van haar minnaar.

........................................

Kunstenaars, weet wat je doet!

maakt maar nooit mooie beelden van vrouwen,

want het begint soms zoo goed,

en dan eindig je met ze te trouwen.


Back to IndexNext