„Vele kopstukken op elk gebied woonden de uitvoering van de leerlingen der Tooneelschool bij; onder de genoodigden merkten wij op —, —, —, —, —, —, —, en Charivarius.”Tel.
„Vele kopstukken op elk gebied woonden de uitvoering van de leerlingen der Tooneelschool bij; onder de genoodigden merkten wij op —, —, —, —, —, —, —, en Charivarius.”Tel.
Hiep, hiep, hoera! ’k ben „opgemerkt!”Ik ben tot „kei” verheven!Ik ben gesticht, gesteund, gesterkt,Als had ’k bij Kuyper-zelf gekerkt,Mijn vreugd is grensloos, onbeperkt,Ik voel mij opwaarts zweven,Als zonnevoog’len, goudgevlerkt,Naar witte wolkjes, blauw-omzwerkt......En, lig ’k in ’t graf eens, zwaar-bezerkt,Dan heb ik niet voor niets gewerkt,Niet vrucht’loos was mijn leven!Wat heb ik, arme, jaar en dag,Die glorie moeten derven!Waar ’k naamloos, — schoon ik zeggen mag;Van onberispelijk gedrag —(Applaus van links; van rechts:gelach)Door ’t leven rond moest zwerven.Wat zuchtte ik dikwijls wee en ach,In stille smart en zelf-beklag,Als ik mijn droevig lot voorzag,Om, zonder wimpel, zonder vlag,„Onopgemerkt” te sterven!En thans......! Vertoon ’k me nu en danIn Flora, in Frascati,In Monico of in de Pan,In hoogen hoed en Astrakan,Dan wijst ’t publiek mij steelswijs an,Zacht fluisterend: „Daar staat ie!”En slent’r ik, zonder doel of plan,Op straat — ik ben er zeker van,Dan kijkt men naar den grooten man,Die ruize-rijmen rijmen kan,En zegt: „Let op! Daar gaat ie!”Ik ben nu bijna 50 jaar,Ik jaag niet meer naar baantjes;Geen maagd’lijn blank, en blond van haarBrengt d’ ouden man meer in gevaarMet lieven lach, met zoet gebaar,Met lonkjes of met traantjes;Nog één illuzie heb ik maar— O, fabrikant of handelaar,Wie maakt mijn heerlijk droombeeld waar? —De geurige 10 cts. sigaar,Merk: Charivariaantjes!
Hiep, hiep, hoera! ’k ben „opgemerkt!”Ik ben tot „kei” verheven!Ik ben gesticht, gesteund, gesterkt,Als had ’k bij Kuyper-zelf gekerkt,Mijn vreugd is grensloos, onbeperkt,Ik voel mij opwaarts zweven,Als zonnevoog’len, goudgevlerkt,Naar witte wolkjes, blauw-omzwerkt......En, lig ’k in ’t graf eens, zwaar-bezerkt,Dan heb ik niet voor niets gewerkt,Niet vrucht’loos was mijn leven!Wat heb ik, arme, jaar en dag,Die glorie moeten derven!Waar ’k naamloos, — schoon ik zeggen mag;Van onberispelijk gedrag —(Applaus van links; van rechts:gelach)Door ’t leven rond moest zwerven.Wat zuchtte ik dikwijls wee en ach,In stille smart en zelf-beklag,Als ik mijn droevig lot voorzag,Om, zonder wimpel, zonder vlag,„Onopgemerkt” te sterven!En thans......! Vertoon ’k me nu en danIn Flora, in Frascati,In Monico of in de Pan,In hoogen hoed en Astrakan,Dan wijst ’t publiek mij steelswijs an,Zacht fluisterend: „Daar staat ie!”En slent’r ik, zonder doel of plan,Op straat — ik ben er zeker van,Dan kijkt men naar den grooten man,Die ruize-rijmen rijmen kan,En zegt: „Let op! Daar gaat ie!”Ik ben nu bijna 50 jaar,Ik jaag niet meer naar baantjes;Geen maagd’lijn blank, en blond van haarBrengt d’ ouden man meer in gevaarMet lieven lach, met zoet gebaar,Met lonkjes of met traantjes;Nog één illuzie heb ik maar— O, fabrikant of handelaar,Wie maakt mijn heerlijk droombeeld waar? —De geurige 10 cts. sigaar,Merk: Charivariaantjes!
Hiep, hiep, hoera! ’k ben „opgemerkt!”Ik ben tot „kei” verheven!Ik ben gesticht, gesteund, gesterkt,Als had ’k bij Kuyper-zelf gekerkt,Mijn vreugd is grensloos, onbeperkt,Ik voel mij opwaarts zweven,Als zonnevoog’len, goudgevlerkt,Naar witte wolkjes, blauw-omzwerkt......En, lig ’k in ’t graf eens, zwaar-bezerkt,Dan heb ik niet voor niets gewerkt,Niet vrucht’loos was mijn leven!
Hiep, hiep, hoera! ’k ben „opgemerkt!”
Ik ben tot „kei” verheven!
Ik ben gesticht, gesteund, gesterkt,
Als had ’k bij Kuyper-zelf gekerkt,
Mijn vreugd is grensloos, onbeperkt,
Ik voel mij opwaarts zweven,
Als zonnevoog’len, goudgevlerkt,
Naar witte wolkjes, blauw-omzwerkt......
En, lig ’k in ’t graf eens, zwaar-bezerkt,
Dan heb ik niet voor niets gewerkt,
Niet vrucht’loos was mijn leven!
Wat heb ik, arme, jaar en dag,Die glorie moeten derven!Waar ’k naamloos, — schoon ik zeggen mag;Van onberispelijk gedrag —(Applaus van links; van rechts:gelach)Door ’t leven rond moest zwerven.Wat zuchtte ik dikwijls wee en ach,In stille smart en zelf-beklag,Als ik mijn droevig lot voorzag,Om, zonder wimpel, zonder vlag,„Onopgemerkt” te sterven!
Wat heb ik, arme, jaar en dag,
Die glorie moeten derven!
Waar ’k naamloos, — schoon ik zeggen mag;
Van onberispelijk gedrag —
(Applaus van links; van rechts:gelach)
Door ’t leven rond moest zwerven.
Wat zuchtte ik dikwijls wee en ach,
In stille smart en zelf-beklag,
Als ik mijn droevig lot voorzag,
Om, zonder wimpel, zonder vlag,
„Onopgemerkt” te sterven!
En thans......! Vertoon ’k me nu en danIn Flora, in Frascati,In Monico of in de Pan,In hoogen hoed en Astrakan,
En thans......! Vertoon ’k me nu en dan
In Flora, in Frascati,
In Monico of in de Pan,
In hoogen hoed en Astrakan,
Dan wijst ’t publiek mij steelswijs an,Zacht fluisterend: „Daar staat ie!”En slent’r ik, zonder doel of plan,Op straat — ik ben er zeker van,Dan kijkt men naar den grooten man,Die ruize-rijmen rijmen kan,En zegt: „Let op! Daar gaat ie!”
Dan wijst ’t publiek mij steelswijs an,
Zacht fluisterend: „Daar staat ie!”
En slent’r ik, zonder doel of plan,
Op straat — ik ben er zeker van,
Dan kijkt men naar den grooten man,
Die ruize-rijmen rijmen kan,
En zegt: „Let op! Daar gaat ie!”
Ik ben nu bijna 50 jaar,Ik jaag niet meer naar baantjes;Geen maagd’lijn blank, en blond van haarBrengt d’ ouden man meer in gevaarMet lieven lach, met zoet gebaar,Met lonkjes of met traantjes;Nog één illuzie heb ik maar— O, fabrikant of handelaar,Wie maakt mijn heerlijk droombeeld waar? —De geurige 10 cts. sigaar,Merk: Charivariaantjes!
Ik ben nu bijna 50 jaar,
Ik jaag niet meer naar baantjes;
Geen maagd’lijn blank, en blond van haar
Brengt d’ ouden man meer in gevaar
Met lieven lach, met zoet gebaar,
Met lonkjes of met traantjes;
Nog één illuzie heb ik maar
— O, fabrikant of handelaar,
Wie maakt mijn heerlijk droombeeld waar? —
De geurige 10 cts. sigaar,
Merk: Charivariaantjes!
d’ Oude nicht is dan verscheiden.’k Volgde in den stillen stoet.Met haar streven en haar strijden,Haar verdriet en haar verblijden,Haar beklagen, haar benijden,Is het nu gedaan. Voor goed.Toen de menschen huistoe gingen,Heb ik nog eens nagedachtOver deze diepe dingen,Waar de Zieners zoo van zingen:— Zoete, zachte zegeningen! —Stervensmoed en Levenskracht.Ik behoor niet tot de vromen —Twijfelmoedig is mijn aard;En ’t is, als ik liep te droomen,In de schaduw van de boomen,Dikwijls bij mij opgekomen:„Is het Leven ’t leven waard?”Zie ze zwoegen; zie ze zweeten!Waarvoor maakt de mensch zich druk?Om te drinken? Om te eten?Moet Genot het einddoel heeten?Wordt het wijze woord vergeten:„Geld en goed is geen geluk?”Wie zich schatten zoekt te gâren,Goud begeert en goud alleen,Goud in geld en goud in baren —Ach! hij zal het ras ervaren:Uren, dagen, maanden, jarenVliegen als een schaduw heen!Ach, wat baat ons al het vechtenVoor het vrije Vaderland!Heeft ons ruige Ras zijn rechten?Of zal Macht het pleit beslechten?Knaap! zal knods of knoet ons knechten,Nu of nooit of naderhand?„’k Zie de gele blâren vallen,”Zong ik al bij moeders schoot;En wij menschen storten allenEvenzoo, bij duizendtallen,Als de strijders op de wallen,Van het Leven in den Dood.Toch — het weidsche wereldwonderOverstelpt mij keer op keer:— Mij, den dorren hypochonder! —’s Avonds gaat de zon wel onder,Maar des morgens is de zon d’r,Wen de wolken wijken, weer.Ja. Het Kwade en het GoedeBlijven bij mekaar bestaan;Laat ons daarom blij te moede,Fier als prinsen van den bloede,Onder ’s hemels heilge hoede,Door de wondre Waereld gaan.Niet te zuchten, niet te klagen,Maar te leven, onverveerd,Niet te zoeken, niet te vragen,Maar, het hoofd omhoog gedragen,Zóó den stoeren strijd te wagen —Dat heeft mij dit graf geleerd......Weinig had mijn nicht geleden,— Stormloos was haar levenszee —Daarom, rustig en tevreden,Liep ik licht, met luchte schreden,En dan ook om deze reden:d’ Erfenis viel nog al mee.
d’ Oude nicht is dan verscheiden.’k Volgde in den stillen stoet.Met haar streven en haar strijden,Haar verdriet en haar verblijden,Haar beklagen, haar benijden,Is het nu gedaan. Voor goed.Toen de menschen huistoe gingen,Heb ik nog eens nagedachtOver deze diepe dingen,Waar de Zieners zoo van zingen:— Zoete, zachte zegeningen! —Stervensmoed en Levenskracht.Ik behoor niet tot de vromen —Twijfelmoedig is mijn aard;En ’t is, als ik liep te droomen,In de schaduw van de boomen,Dikwijls bij mij opgekomen:„Is het Leven ’t leven waard?”Zie ze zwoegen; zie ze zweeten!Waarvoor maakt de mensch zich druk?Om te drinken? Om te eten?Moet Genot het einddoel heeten?Wordt het wijze woord vergeten:„Geld en goed is geen geluk?”Wie zich schatten zoekt te gâren,Goud begeert en goud alleen,Goud in geld en goud in baren —Ach! hij zal het ras ervaren:Uren, dagen, maanden, jarenVliegen als een schaduw heen!Ach, wat baat ons al het vechtenVoor het vrije Vaderland!Heeft ons ruige Ras zijn rechten?Of zal Macht het pleit beslechten?Knaap! zal knods of knoet ons knechten,Nu of nooit of naderhand?„’k Zie de gele blâren vallen,”Zong ik al bij moeders schoot;En wij menschen storten allenEvenzoo, bij duizendtallen,Als de strijders op de wallen,Van het Leven in den Dood.Toch — het weidsche wereldwonderOverstelpt mij keer op keer:— Mij, den dorren hypochonder! —’s Avonds gaat de zon wel onder,Maar des morgens is de zon d’r,Wen de wolken wijken, weer.Ja. Het Kwade en het GoedeBlijven bij mekaar bestaan;Laat ons daarom blij te moede,Fier als prinsen van den bloede,Onder ’s hemels heilge hoede,Door de wondre Waereld gaan.Niet te zuchten, niet te klagen,Maar te leven, onverveerd,Niet te zoeken, niet te vragen,Maar, het hoofd omhoog gedragen,Zóó den stoeren strijd te wagen —Dat heeft mij dit graf geleerd......Weinig had mijn nicht geleden,— Stormloos was haar levenszee —Daarom, rustig en tevreden,Liep ik licht, met luchte schreden,En dan ook om deze reden:d’ Erfenis viel nog al mee.
d’ Oude nicht is dan verscheiden.’k Volgde in den stillen stoet.Met haar streven en haar strijden,Haar verdriet en haar verblijden,Haar beklagen, haar benijden,Is het nu gedaan. Voor goed.
d’ Oude nicht is dan verscheiden.
’k Volgde in den stillen stoet.
Met haar streven en haar strijden,
Haar verdriet en haar verblijden,
Haar beklagen, haar benijden,
Is het nu gedaan. Voor goed.
Toen de menschen huistoe gingen,Heb ik nog eens nagedachtOver deze diepe dingen,Waar de Zieners zoo van zingen:— Zoete, zachte zegeningen! —Stervensmoed en Levenskracht.
Toen de menschen huistoe gingen,
Heb ik nog eens nagedacht
Over deze diepe dingen,
Waar de Zieners zoo van zingen:
— Zoete, zachte zegeningen! —
Stervensmoed en Levenskracht.
Ik behoor niet tot de vromen —Twijfelmoedig is mijn aard;En ’t is, als ik liep te droomen,In de schaduw van de boomen,Dikwijls bij mij opgekomen:„Is het Leven ’t leven waard?”
Ik behoor niet tot de vromen —
Twijfelmoedig is mijn aard;
En ’t is, als ik liep te droomen,
In de schaduw van de boomen,
Dikwijls bij mij opgekomen:
„Is het Leven ’t leven waard?”
Zie ze zwoegen; zie ze zweeten!Waarvoor maakt de mensch zich druk?Om te drinken? Om te eten?Moet Genot het einddoel heeten?Wordt het wijze woord vergeten:„Geld en goed is geen geluk?”
Zie ze zwoegen; zie ze zweeten!
Waarvoor maakt de mensch zich druk?
Om te drinken? Om te eten?
Moet Genot het einddoel heeten?
Wordt het wijze woord vergeten:
„Geld en goed is geen geluk?”
Wie zich schatten zoekt te gâren,Goud begeert en goud alleen,Goud in geld en goud in baren —Ach! hij zal het ras ervaren:Uren, dagen, maanden, jarenVliegen als een schaduw heen!
Wie zich schatten zoekt te gâren,
Goud begeert en goud alleen,
Goud in geld en goud in baren —
Ach! hij zal het ras ervaren:
Uren, dagen, maanden, jaren
Vliegen als een schaduw heen!
Ach, wat baat ons al het vechtenVoor het vrije Vaderland!Heeft ons ruige Ras zijn rechten?Of zal Macht het pleit beslechten?Knaap! zal knods of knoet ons knechten,Nu of nooit of naderhand?
Ach, wat baat ons al het vechten
Voor het vrije Vaderland!
Heeft ons ruige Ras zijn rechten?
Of zal Macht het pleit beslechten?
Knaap! zal knods of knoet ons knechten,
Nu of nooit of naderhand?
„’k Zie de gele blâren vallen,”Zong ik al bij moeders schoot;En wij menschen storten allenEvenzoo, bij duizendtallen,Als de strijders op de wallen,Van het Leven in den Dood.
„’k Zie de gele blâren vallen,”
Zong ik al bij moeders schoot;
En wij menschen storten allen
Evenzoo, bij duizendtallen,
Als de strijders op de wallen,
Van het Leven in den Dood.
Toch — het weidsche wereldwonderOverstelpt mij keer op keer:— Mij, den dorren hypochonder! —’s Avonds gaat de zon wel onder,Maar des morgens is de zon d’r,Wen de wolken wijken, weer.
Toch — het weidsche wereldwonder
Overstelpt mij keer op keer:
— Mij, den dorren hypochonder! —
’s Avonds gaat de zon wel onder,
Maar des morgens is de zon d’r,
Wen de wolken wijken, weer.
Ja. Het Kwade en het GoedeBlijven bij mekaar bestaan;Laat ons daarom blij te moede,Fier als prinsen van den bloede,Onder ’s hemels heilge hoede,Door de wondre Waereld gaan.
Ja. Het Kwade en het Goede
Blijven bij mekaar bestaan;
Laat ons daarom blij te moede,
Fier als prinsen van den bloede,
Onder ’s hemels heilge hoede,
Door de wondre Waereld gaan.
Niet te zuchten, niet te klagen,Maar te leven, onverveerd,Niet te zoeken, niet te vragen,Maar, het hoofd omhoog gedragen,Zóó den stoeren strijd te wagen —Dat heeft mij dit graf geleerd......
Niet te zuchten, niet te klagen,
Maar te leven, onverveerd,
Niet te zoeken, niet te vragen,
Maar, het hoofd omhoog gedragen,
Zóó den stoeren strijd te wagen —
Dat heeft mij dit graf geleerd......
Weinig had mijn nicht geleden,— Stormloos was haar levenszee —Daarom, rustig en tevreden,Liep ik licht, met luchte schreden,En dan ook om deze reden:d’ Erfenis viel nog al mee.
Weinig had mijn nicht geleden,
— Stormloos was haar levenszee —
Daarom, rustig en tevreden,
Liep ik licht, met luchte schreden,
En dan ook om deze reden:
d’ Erfenis viel nog al mee.
Jubelzang, ter tijdelijke vervanging van het Volkslied.
„Een forens schrijft ons: De stroom van ingezonden stukken is gestremd, de golf van boosheid is gezakt. De treinen vertrekken weer op tijd. Ze komen weer op tijd aan.” —Hbl.
„Een forens schrijft ons: De stroom van ingezonden stukken is gestremd, de golf van boosheid is gezakt. De treinen vertrekken weer op tijd. Ze komen weer op tijd aan.” —Hbl.
Wien Neerlandsch bloed door d’ aadren vloeit,Van vreemde smetten vrij,Wie ’t eeuwige gezeur verfoeitDer Spoorwegmaatschappij,Hij stemm’, met mij vereend van zin,Vervuld van dankbaarheid,Geestdriftig dezen juichkreet in:De treinen zijn op tijd! (bis)Geen ingezonden stukken meer,Sarcastisch, fel en bits,Wij hebben het vertrouwen weerIn onzen spoorweggids.De cijfertjes, zij liegen niet,Maar geven zekerheid,Zoo klinke dan ons daavrend lied:De treinen zijn op tijd! (bis)Wanneer de slaperige forens,Uit ’t zoele bed gejaagd,(Er is waarschijnlijk wel geen mensch,Die d’ arme niet beklaagt!)Niet langer uren op ’t stationMoet wachten, bleek van nijd,Dan juicht hij, dansend op ’t perron:De treinen zijn op tijd! (bis)En wie j’ ook met den trein verwacht,Wanneer j’ aan d’ „Uitgang” staat,Je vrouw, naar wie je hunkrend smacht,Je bruid, je broer, je maat,Je partner, je patroon, je klant,Je goedgezinde meid......J’ hebt geen minuut te wachten, wantDe treinen zijn op tijd! (bis)Het reizen wordt weer een genot,’t Is niet meer als voorheen,Toen iedre „sneltrein” — bitt’re spot! —Een sloome boemel scheen.Wij komen aan op ’t juiste uur,Het treinwee zijn we kwijt,Hiep, hiep, hoera! voor ’t spoorbestuur,De treinen zijn op tijd! (bis)
Wien Neerlandsch bloed door d’ aadren vloeit,Van vreemde smetten vrij,Wie ’t eeuwige gezeur verfoeitDer Spoorwegmaatschappij,Hij stemm’, met mij vereend van zin,Vervuld van dankbaarheid,Geestdriftig dezen juichkreet in:De treinen zijn op tijd! (bis)Geen ingezonden stukken meer,Sarcastisch, fel en bits,Wij hebben het vertrouwen weerIn onzen spoorweggids.De cijfertjes, zij liegen niet,Maar geven zekerheid,Zoo klinke dan ons daavrend lied:De treinen zijn op tijd! (bis)Wanneer de slaperige forens,Uit ’t zoele bed gejaagd,(Er is waarschijnlijk wel geen mensch,Die d’ arme niet beklaagt!)Niet langer uren op ’t stationMoet wachten, bleek van nijd,Dan juicht hij, dansend op ’t perron:De treinen zijn op tijd! (bis)En wie j’ ook met den trein verwacht,Wanneer j’ aan d’ „Uitgang” staat,Je vrouw, naar wie je hunkrend smacht,Je bruid, je broer, je maat,Je partner, je patroon, je klant,Je goedgezinde meid......J’ hebt geen minuut te wachten, wantDe treinen zijn op tijd! (bis)Het reizen wordt weer een genot,’t Is niet meer als voorheen,Toen iedre „sneltrein” — bitt’re spot! —Een sloome boemel scheen.Wij komen aan op ’t juiste uur,Het treinwee zijn we kwijt,Hiep, hiep, hoera! voor ’t spoorbestuur,De treinen zijn op tijd! (bis)
Wien Neerlandsch bloed door d’ aadren vloeit,Van vreemde smetten vrij,Wie ’t eeuwige gezeur verfoeitDer Spoorwegmaatschappij,Hij stemm’, met mij vereend van zin,Vervuld van dankbaarheid,Geestdriftig dezen juichkreet in:De treinen zijn op tijd! (bis)
Wien Neerlandsch bloed door d’ aadren vloeit,
Van vreemde smetten vrij,
Wie ’t eeuwige gezeur verfoeit
Der Spoorwegmaatschappij,
Hij stemm’, met mij vereend van zin,
Vervuld van dankbaarheid,
Geestdriftig dezen juichkreet in:
De treinen zijn op tijd! (bis)
Geen ingezonden stukken meer,Sarcastisch, fel en bits,Wij hebben het vertrouwen weerIn onzen spoorweggids.De cijfertjes, zij liegen niet,Maar geven zekerheid,Zoo klinke dan ons daavrend lied:De treinen zijn op tijd! (bis)
Geen ingezonden stukken meer,
Sarcastisch, fel en bits,
Wij hebben het vertrouwen weer
In onzen spoorweggids.
De cijfertjes, zij liegen niet,
Maar geven zekerheid,
Zoo klinke dan ons daavrend lied:
De treinen zijn op tijd! (bis)
Wanneer de slaperige forens,Uit ’t zoele bed gejaagd,(Er is waarschijnlijk wel geen mensch,Die d’ arme niet beklaagt!)Niet langer uren op ’t stationMoet wachten, bleek van nijd,Dan juicht hij, dansend op ’t perron:De treinen zijn op tijd! (bis)
Wanneer de slaperige forens,
Uit ’t zoele bed gejaagd,
(Er is waarschijnlijk wel geen mensch,
Die d’ arme niet beklaagt!)
Niet langer uren op ’t station
Moet wachten, bleek van nijd,
Dan juicht hij, dansend op ’t perron:
De treinen zijn op tijd! (bis)
En wie j’ ook met den trein verwacht,Wanneer j’ aan d’ „Uitgang” staat,Je vrouw, naar wie je hunkrend smacht,Je bruid, je broer, je maat,Je partner, je patroon, je klant,Je goedgezinde meid......J’ hebt geen minuut te wachten, wantDe treinen zijn op tijd! (bis)
En wie j’ ook met den trein verwacht,
Wanneer j’ aan d’ „Uitgang” staat,
Je vrouw, naar wie je hunkrend smacht,
Je bruid, je broer, je maat,
Je partner, je patroon, je klant,
Je goedgezinde meid......
J’ hebt geen minuut te wachten, want
De treinen zijn op tijd! (bis)
Het reizen wordt weer een genot,’t Is niet meer als voorheen,Toen iedre „sneltrein” — bitt’re spot! —Een sloome boemel scheen.Wij komen aan op ’t juiste uur,Het treinwee zijn we kwijt,Hiep, hiep, hoera! voor ’t spoorbestuur,De treinen zijn op tijd! (bis)
Het reizen wordt weer een genot,
’t Is niet meer als voorheen,
Toen iedre „sneltrein” — bitt’re spot! —
Een sloome boemel scheen.
Wij komen aan op ’t juiste uur,
Het treinwee zijn we kwijt,
Hiep, hiep, hoera! voor ’t spoorbestuur,
De treinen zijn op tijd! (bis)
Charivarius heeft elk jaar een hazendinertje. Deze keer droeg hij er ’t volgende Rijm voor. Misschien kan iemand dit vaers voor zoo’n gelegenheid, mutatis mutandis, gebruiken.
Charivarius heeft elk jaar een hazendinertje. Deze keer droeg hij er ’t volgende Rijm voor. Misschien kan iemand dit vaers voor zoo’n gelegenheid, mutatis mutandis, gebruiken.
Vergunt mij uw aandacht te vragenVoor ’t volgend berijmde relaas,Het is, wat ik voor heb gedragenOp ’t jaarlijksch diner van den haas:Zoo zitten wij hier weer tezamen.’t Is niet voor een broodje met kaas!Neen, menschen met dubbele namenDie eten niet minder dan haas.Voorheen zat men hier bij de gratieVan Willem, in ’t jagen een baas!Hijvoerde ons (in combinatieMet ’n nette affaire in haas).Nu zijn we met koophaas tevreden;’t Is niet zoo poëtisch, helaas!Hij is in het huwlijk getreden,Maar wij hebben niettemin haas.Ja, er zijn er, die vielen — en trouwden!Zij werden — of worden — Papa’s,Maar dat heeft hen goddank niet weerhoudenVan het heilige Feest van den Haas.In streng vegetarische kringenBeschouwt men dit eten als „aas”,Wij zijn niet als zij, en wij zingenMet geestdrift den lof van den haas.Wij zijn geen diep-droomende dichters,Die het leven bezien door een waas,We eten gewoonlijk wat lichters,Maar eens in het jaar is het: haas!Wat geeft er in tijden van smarteWeer levensmoed, steun en soelaas?Dat is — niet zoo’n boutj’ „á la carte,”Maar ’n deeglijke maaltijd van haas.Met vettige visch en pasteien,Met puddingen, taarten of vla’s —Laat andren zich daarmee vermeien,’t Is ons hier te doen om den haas.Het beest van de wijde terreinen,Die soms prikkeldraad afsloot, of gaas,Moet in onze magen verdwijnen —Dat is eenmaal ’t lot van den haas.Ja, met moeite bedwingen wij kretenVan vreugde, en luide hoera’s,Wanneer wij zoo zitten te etenVan Brinkmann’s voortreflijken haas.Dat ’t varken de mesthoop bewerke,Dat het rund vrij het weiland begraz’Dat de kip zich met wurmen versterke —Wij, mannen, wij eten den haas!Wat het bijbelwoord is voor den Christen,Voor de vrouwen de bloem in de vaas,Dat is voor ons, epicuristenZoo’n heerelijk ruggetje haas.Natuurlijk, wanneer we niets dronken,Dan waren we allemaal dwaas,Maaralser hier iets wordt gedronken,Dan is het ter eer van den haas.En niemand verlaagt of verkleint zichDoor dollemanstaal of gedaas:De smaak van ’t gesprek zelfs verfijnt zichDoor den nobelen smaak van den haas.Men knoeit met de menschlijke namen,Bv. Françoise wordt „Zwaas!”Maar iedere man zou zich schamen,Om een haas niet te noemen, eenhaas.Hoe gaarne ik straks mijn HavannaTot geurige wolken verblaas,’k Verkies boven nevelen manna,En manna voor ons is — de haas!Men spreekt en men dicht en men schrijft steedsVan ’t vaderlandsch feest Sint Niklaas,Maaronsvaderlandsch feestje, dat blijft steeds:Het jarelijksch Feest van den Haas!Ach, Haarlem ligt maar aan het Spaarne,En Rotterdam ligt aan de Maas,Maardaarheeft men — ’k erken het, en gaarne,Toch nooitzulkefeesten van haas.Zoo zitten wij hier weer als vrinden,Onder feestlijk geruisch en geraas;Wij weten elkander te vinden,En — ’t is niet alleen om den haas!
Vergunt mij uw aandacht te vragenVoor ’t volgend berijmde relaas,Het is, wat ik voor heb gedragenOp ’t jaarlijksch diner van den haas:Zoo zitten wij hier weer tezamen.’t Is niet voor een broodje met kaas!Neen, menschen met dubbele namenDie eten niet minder dan haas.Voorheen zat men hier bij de gratieVan Willem, in ’t jagen een baas!Hijvoerde ons (in combinatieMet ’n nette affaire in haas).Nu zijn we met koophaas tevreden;’t Is niet zoo poëtisch, helaas!Hij is in het huwlijk getreden,Maar wij hebben niettemin haas.Ja, er zijn er, die vielen — en trouwden!Zij werden — of worden — Papa’s,Maar dat heeft hen goddank niet weerhoudenVan het heilige Feest van den Haas.In streng vegetarische kringenBeschouwt men dit eten als „aas”,Wij zijn niet als zij, en wij zingenMet geestdrift den lof van den haas.Wij zijn geen diep-droomende dichters,Die het leven bezien door een waas,We eten gewoonlijk wat lichters,Maar eens in het jaar is het: haas!Wat geeft er in tijden van smarteWeer levensmoed, steun en soelaas?Dat is — niet zoo’n boutj’ „á la carte,”Maar ’n deeglijke maaltijd van haas.Met vettige visch en pasteien,Met puddingen, taarten of vla’s —Laat andren zich daarmee vermeien,’t Is ons hier te doen om den haas.Het beest van de wijde terreinen,Die soms prikkeldraad afsloot, of gaas,Moet in onze magen verdwijnen —Dat is eenmaal ’t lot van den haas.Ja, met moeite bedwingen wij kretenVan vreugde, en luide hoera’s,Wanneer wij zoo zitten te etenVan Brinkmann’s voortreflijken haas.Dat ’t varken de mesthoop bewerke,Dat het rund vrij het weiland begraz’Dat de kip zich met wurmen versterke —Wij, mannen, wij eten den haas!Wat het bijbelwoord is voor den Christen,Voor de vrouwen de bloem in de vaas,Dat is voor ons, epicuristenZoo’n heerelijk ruggetje haas.Natuurlijk, wanneer we niets dronken,Dan waren we allemaal dwaas,Maaralser hier iets wordt gedronken,Dan is het ter eer van den haas.En niemand verlaagt of verkleint zichDoor dollemanstaal of gedaas:De smaak van ’t gesprek zelfs verfijnt zichDoor den nobelen smaak van den haas.Men knoeit met de menschlijke namen,Bv. Françoise wordt „Zwaas!”Maar iedere man zou zich schamen,Om een haas niet te noemen, eenhaas.Hoe gaarne ik straks mijn HavannaTot geurige wolken verblaas,’k Verkies boven nevelen manna,En manna voor ons is — de haas!Men spreekt en men dicht en men schrijft steedsVan ’t vaderlandsch feest Sint Niklaas,Maaronsvaderlandsch feestje, dat blijft steeds:Het jarelijksch Feest van den Haas!Ach, Haarlem ligt maar aan het Spaarne,En Rotterdam ligt aan de Maas,Maardaarheeft men — ’k erken het, en gaarne,Toch nooitzulkefeesten van haas.Zoo zitten wij hier weer als vrinden,Onder feestlijk geruisch en geraas;Wij weten elkander te vinden,En — ’t is niet alleen om den haas!
Vergunt mij uw aandacht te vragenVoor ’t volgend berijmde relaas,Het is, wat ik voor heb gedragenOp ’t jaarlijksch diner van den haas:
Vergunt mij uw aandacht te vragen
Voor ’t volgend berijmde relaas,
Het is, wat ik voor heb gedragen
Op ’t jaarlijksch diner van den haas:
Zoo zitten wij hier weer tezamen.’t Is niet voor een broodje met kaas!Neen, menschen met dubbele namenDie eten niet minder dan haas.
Zoo zitten wij hier weer tezamen.
’t Is niet voor een broodje met kaas!
Neen, menschen met dubbele namen
Die eten niet minder dan haas.
Voorheen zat men hier bij de gratieVan Willem, in ’t jagen een baas!Hijvoerde ons (in combinatieMet ’n nette affaire in haas).
Voorheen zat men hier bij de gratie
Van Willem, in ’t jagen een baas!
Hijvoerde ons (in combinatie
Met ’n nette affaire in haas).
Nu zijn we met koophaas tevreden;’t Is niet zoo poëtisch, helaas!Hij is in het huwlijk getreden,Maar wij hebben niettemin haas.
Nu zijn we met koophaas tevreden;
’t Is niet zoo poëtisch, helaas!
Hij is in het huwlijk getreden,
Maar wij hebben niettemin haas.
Ja, er zijn er, die vielen — en trouwden!Zij werden — of worden — Papa’s,Maar dat heeft hen goddank niet weerhoudenVan het heilige Feest van den Haas.
Ja, er zijn er, die vielen — en trouwden!
Zij werden — of worden — Papa’s,
Maar dat heeft hen goddank niet weerhouden
Van het heilige Feest van den Haas.
In streng vegetarische kringenBeschouwt men dit eten als „aas”,Wij zijn niet als zij, en wij zingenMet geestdrift den lof van den haas.
In streng vegetarische kringen
Beschouwt men dit eten als „aas”,
Wij zijn niet als zij, en wij zingen
Met geestdrift den lof van den haas.
Wij zijn geen diep-droomende dichters,Die het leven bezien door een waas,We eten gewoonlijk wat lichters,Maar eens in het jaar is het: haas!
Wij zijn geen diep-droomende dichters,
Die het leven bezien door een waas,
We eten gewoonlijk wat lichters,
Maar eens in het jaar is het: haas!
Wat geeft er in tijden van smarteWeer levensmoed, steun en soelaas?Dat is — niet zoo’n boutj’ „á la carte,”Maar ’n deeglijke maaltijd van haas.
Wat geeft er in tijden van smarte
Weer levensmoed, steun en soelaas?
Dat is — niet zoo’n boutj’ „á la carte,”
Maar ’n deeglijke maaltijd van haas.
Met vettige visch en pasteien,Met puddingen, taarten of vla’s —Laat andren zich daarmee vermeien,’t Is ons hier te doen om den haas.
Met vettige visch en pasteien,
Met puddingen, taarten of vla’s —
Laat andren zich daarmee vermeien,
’t Is ons hier te doen om den haas.
Het beest van de wijde terreinen,Die soms prikkeldraad afsloot, of gaas,Moet in onze magen verdwijnen —Dat is eenmaal ’t lot van den haas.
Het beest van de wijde terreinen,
Die soms prikkeldraad afsloot, of gaas,
Moet in onze magen verdwijnen —
Dat is eenmaal ’t lot van den haas.
Ja, met moeite bedwingen wij kretenVan vreugde, en luide hoera’s,Wanneer wij zoo zitten te etenVan Brinkmann’s voortreflijken haas.
Ja, met moeite bedwingen wij kreten
Van vreugde, en luide hoera’s,
Wanneer wij zoo zitten te eten
Van Brinkmann’s voortreflijken haas.
Dat ’t varken de mesthoop bewerke,Dat het rund vrij het weiland begraz’Dat de kip zich met wurmen versterke —Wij, mannen, wij eten den haas!
Dat ’t varken de mesthoop bewerke,
Dat het rund vrij het weiland begraz’
Dat de kip zich met wurmen versterke —
Wij, mannen, wij eten den haas!
Wat het bijbelwoord is voor den Christen,Voor de vrouwen de bloem in de vaas,Dat is voor ons, epicuristenZoo’n heerelijk ruggetje haas.
Wat het bijbelwoord is voor den Christen,
Voor de vrouwen de bloem in de vaas,
Dat is voor ons, epicuristen
Zoo’n heerelijk ruggetje haas.
Natuurlijk, wanneer we niets dronken,Dan waren we allemaal dwaas,Maaralser hier iets wordt gedronken,Dan is het ter eer van den haas.
Natuurlijk, wanneer we niets dronken,
Dan waren we allemaal dwaas,
Maaralser hier iets wordt gedronken,
Dan is het ter eer van den haas.
En niemand verlaagt of verkleint zichDoor dollemanstaal of gedaas:De smaak van ’t gesprek zelfs verfijnt zichDoor den nobelen smaak van den haas.
En niemand verlaagt of verkleint zich
Door dollemanstaal of gedaas:
De smaak van ’t gesprek zelfs verfijnt zich
Door den nobelen smaak van den haas.
Men knoeit met de menschlijke namen,Bv. Françoise wordt „Zwaas!”Maar iedere man zou zich schamen,Om een haas niet te noemen, eenhaas.
Men knoeit met de menschlijke namen,
Bv. Françoise wordt „Zwaas!”
Maar iedere man zou zich schamen,
Om een haas niet te noemen, eenhaas.
Hoe gaarne ik straks mijn HavannaTot geurige wolken verblaas,’k Verkies boven nevelen manna,En manna voor ons is — de haas!
Hoe gaarne ik straks mijn Havanna
Tot geurige wolken verblaas,
’k Verkies boven nevelen manna,
En manna voor ons is — de haas!
Men spreekt en men dicht en men schrijft steedsVan ’t vaderlandsch feest Sint Niklaas,Maaronsvaderlandsch feestje, dat blijft steeds:Het jarelijksch Feest van den Haas!
Men spreekt en men dicht en men schrijft steeds
Van ’t vaderlandsch feest Sint Niklaas,
Maaronsvaderlandsch feestje, dat blijft steeds:
Het jarelijksch Feest van den Haas!
Ach, Haarlem ligt maar aan het Spaarne,En Rotterdam ligt aan de Maas,Maardaarheeft men — ’k erken het, en gaarne,Toch nooitzulkefeesten van haas.
Ach, Haarlem ligt maar aan het Spaarne,
En Rotterdam ligt aan de Maas,
Maardaarheeft men — ’k erken het, en gaarne,
Toch nooitzulkefeesten van haas.
Zoo zitten wij hier weer als vrinden,Onder feestlijk geruisch en geraas;Wij weten elkander te vinden,En — ’t is niet alleen om den haas!
Zoo zitten wij hier weer als vrinden,
Onder feestlijk geruisch en geraas;
Wij weten elkander te vinden,
En — ’t is niet alleen om den haas!
Raad aan getrouwden, celibatairs, predikanten, middenstanders, scribenten, dilettanten, kunstminnaars, forensen en anderen.
Raad aan getrouwden, celibatairs, predikanten, middenstanders, scribenten, dilettanten, kunstminnaars, forensen en anderen.
Wanneer je kachel niet goed trekt,Wanneer je vulpenhouder lekt,Wanneer geen klok in huis goed loopt,Wanneer zich ’t stof op hoopen hoopt,Mensch, erger je niet.Wanneer je buurman je verveelt,Die als-maar dronkemans dreunen speelt,Als je de meid d’r vrijer snapt,Die stiekum je sigaren gapt,Mensch, erger je niet.Als de barbier je keept en snijdt,Je schoen te nauw is of te wijd,Wanneer je eksteroog je steekt,Op ’t laatst moment je veter breekt,Mensch, erger je niet.Wanneer ’t lawaai op straat je kwelt,De tram piept, loeit, onnoodig belt,De bakkersknecht den deksel kwakt,Je dischgenoot bij ’t eten smakt,Mensch, erger je niet.Wanneer men weg blijft uit je kerk,Geen mensch belang stelt in je werk,Word je verwaarloosd door je vriend,Of door den kellner slecht bediend,Mensch, erger je niet.Als ’t antwoord achterwege bleef,Wanneer j’ om spoedig antwoord schreef,Als iemand ter vergaderingEen grofheid tegen je beging,Mensch, erger je niet.Wanneer je bij de veertig bent,En, bij je vriend’s engagement,Steeds ieder om je ooren zeurt,Zoo met zoo’n grijns: „Nou is ’tjoubeurt!”Mensch, erger je niet.Wanneer een deftig man van standJe groet — zoo even — nonchalant,Als vrouwlief, goed, maar welbespraakt,Je ooren aan het tuiten maakt,Mensch, erger je niet.Of, sukkel je aan slechte taal,Aan beelden, barstig of banaal,Aan bombast of mooidoenerij —En ben j’ er in deGroene„bij”,Mensch, erger je niet.Als, op de tea, ’t gesprek wat hokt,En jij, door ’t vleiend woord verlokt,Lang aangezocht, wat spelen gaat,En dat het sein is voor ’t gepraat,Mensch, erger je niet.En gij, beklagenswaardig mensch,Rampzalige! Amsterdamsch forens,Als ’s Maandags morgens in den treinDe lui al humoristisch zijn,Mensch, erger je niet.Ja. Als de week weer voor je ligt,De „blijde dagtaak” en de plicht,Wanneer je kleine oogjes zet,En weer terug verlangt naar bed,Wanneer — het scheren ging wat gauw —Je kin nog pijnlijk is, en rauw,Je handen koud, je haren nat,Wanneer je dan je ochtendbladHeel hoog, krampachtig om je houdt,Om vrij te zijn van morgenkout......Als dàn je buurman zaagt, en zaagt,Je niet met rust laat, en je vraagt,Van „heb jedienog niet gehoord?”En onverstoorbaar, onverstoord,De „nieuwsten” van de Beurs vertelt,Je dwingt te luistren, met geweld,Totdat je niet meer grijnzen kan,Maar zucht — en zucht — zelfs dan, zelfs dàn...Mensch, erger je niet!
Wanneer je kachel niet goed trekt,Wanneer je vulpenhouder lekt,Wanneer geen klok in huis goed loopt,Wanneer zich ’t stof op hoopen hoopt,Mensch, erger je niet.Wanneer je buurman je verveelt,Die als-maar dronkemans dreunen speelt,Als je de meid d’r vrijer snapt,Die stiekum je sigaren gapt,Mensch, erger je niet.Als de barbier je keept en snijdt,Je schoen te nauw is of te wijd,Wanneer je eksteroog je steekt,Op ’t laatst moment je veter breekt,Mensch, erger je niet.Wanneer ’t lawaai op straat je kwelt,De tram piept, loeit, onnoodig belt,De bakkersknecht den deksel kwakt,Je dischgenoot bij ’t eten smakt,Mensch, erger je niet.Wanneer men weg blijft uit je kerk,Geen mensch belang stelt in je werk,Word je verwaarloosd door je vriend,Of door den kellner slecht bediend,Mensch, erger je niet.Als ’t antwoord achterwege bleef,Wanneer j’ om spoedig antwoord schreef,Als iemand ter vergaderingEen grofheid tegen je beging,Mensch, erger je niet.Wanneer je bij de veertig bent,En, bij je vriend’s engagement,Steeds ieder om je ooren zeurt,Zoo met zoo’n grijns: „Nou is ’tjoubeurt!”Mensch, erger je niet.Wanneer een deftig man van standJe groet — zoo even — nonchalant,Als vrouwlief, goed, maar welbespraakt,Je ooren aan het tuiten maakt,Mensch, erger je niet.Of, sukkel je aan slechte taal,Aan beelden, barstig of banaal,Aan bombast of mooidoenerij —En ben j’ er in deGroene„bij”,Mensch, erger je niet.Als, op de tea, ’t gesprek wat hokt,En jij, door ’t vleiend woord verlokt,Lang aangezocht, wat spelen gaat,En dat het sein is voor ’t gepraat,Mensch, erger je niet.En gij, beklagenswaardig mensch,Rampzalige! Amsterdamsch forens,Als ’s Maandags morgens in den treinDe lui al humoristisch zijn,Mensch, erger je niet.Ja. Als de week weer voor je ligt,De „blijde dagtaak” en de plicht,Wanneer je kleine oogjes zet,En weer terug verlangt naar bed,Wanneer — het scheren ging wat gauw —Je kin nog pijnlijk is, en rauw,Je handen koud, je haren nat,Wanneer je dan je ochtendbladHeel hoog, krampachtig om je houdt,Om vrij te zijn van morgenkout......Als dàn je buurman zaagt, en zaagt,Je niet met rust laat, en je vraagt,Van „heb jedienog niet gehoord?”En onverstoorbaar, onverstoord,De „nieuwsten” van de Beurs vertelt,Je dwingt te luistren, met geweld,Totdat je niet meer grijnzen kan,Maar zucht — en zucht — zelfs dan, zelfs dàn...Mensch, erger je niet!
Wanneer je kachel niet goed trekt,Wanneer je vulpenhouder lekt,Wanneer geen klok in huis goed loopt,Wanneer zich ’t stof op hoopen hoopt,Mensch, erger je niet.Wanneer je buurman je verveelt,Die als-maar dronkemans dreunen speelt,Als je de meid d’r vrijer snapt,Die stiekum je sigaren gapt,Mensch, erger je niet.Als de barbier je keept en snijdt,Je schoen te nauw is of te wijd,Wanneer je eksteroog je steekt,Op ’t laatst moment je veter breekt,Mensch, erger je niet.Wanneer ’t lawaai op straat je kwelt,De tram piept, loeit, onnoodig belt,De bakkersknecht den deksel kwakt,Je dischgenoot bij ’t eten smakt,Mensch, erger je niet.Wanneer men weg blijft uit je kerk,Geen mensch belang stelt in je werk,Word je verwaarloosd door je vriend,Of door den kellner slecht bediend,Mensch, erger je niet.Als ’t antwoord achterwege bleef,Wanneer j’ om spoedig antwoord schreef,Als iemand ter vergaderingEen grofheid tegen je beging,Mensch, erger je niet.Wanneer je bij de veertig bent,En, bij je vriend’s engagement,Steeds ieder om je ooren zeurt,Zoo met zoo’n grijns: „Nou is ’tjoubeurt!”Mensch, erger je niet.Wanneer een deftig man van standJe groet — zoo even — nonchalant,Als vrouwlief, goed, maar welbespraakt,Je ooren aan het tuiten maakt,Mensch, erger je niet.Of, sukkel je aan slechte taal,Aan beelden, barstig of banaal,Aan bombast of mooidoenerij —En ben j’ er in deGroene„bij”,Mensch, erger je niet.Als, op de tea, ’t gesprek wat hokt,En jij, door ’t vleiend woord verlokt,Lang aangezocht, wat spelen gaat,En dat het sein is voor ’t gepraat,Mensch, erger je niet.En gij, beklagenswaardig mensch,Rampzalige! Amsterdamsch forens,Als ’s Maandags morgens in den treinDe lui al humoristisch zijn,Mensch, erger je niet.Ja. Als de week weer voor je ligt,De „blijde dagtaak” en de plicht,Wanneer je kleine oogjes zet,En weer terug verlangt naar bed,Wanneer — het scheren ging wat gauw —Je kin nog pijnlijk is, en rauw,Je handen koud, je haren nat,Wanneer je dan je ochtendbladHeel hoog, krampachtig om je houdt,Om vrij te zijn van morgenkout......Als dàn je buurman zaagt, en zaagt,Je niet met rust laat, en je vraagt,Van „heb jedienog niet gehoord?”En onverstoorbaar, onverstoord,De „nieuwsten” van de Beurs vertelt,Je dwingt te luistren, met geweld,Totdat je niet meer grijnzen kan,Maar zucht — en zucht — zelfs dan, zelfs dàn...Mensch, erger je niet!
Wanneer je kachel niet goed trekt,
Wanneer je vulpenhouder lekt,
Wanneer geen klok in huis goed loopt,
Wanneer zich ’t stof op hoopen hoopt,
Mensch, erger je niet.
Wanneer je buurman je verveelt,
Die als-maar dronkemans dreunen speelt,
Als je de meid d’r vrijer snapt,
Die stiekum je sigaren gapt,
Mensch, erger je niet.
Als de barbier je keept en snijdt,
Je schoen te nauw is of te wijd,
Wanneer je eksteroog je steekt,
Op ’t laatst moment je veter breekt,
Mensch, erger je niet.
Wanneer ’t lawaai op straat je kwelt,
De tram piept, loeit, onnoodig belt,
De bakkersknecht den deksel kwakt,
Je dischgenoot bij ’t eten smakt,
Mensch, erger je niet.
Wanneer men weg blijft uit je kerk,
Geen mensch belang stelt in je werk,
Word je verwaarloosd door je vriend,
Of door den kellner slecht bediend,
Mensch, erger je niet.
Als ’t antwoord achterwege bleef,
Wanneer j’ om spoedig antwoord schreef,
Als iemand ter vergadering
Een grofheid tegen je beging,
Mensch, erger je niet.
Wanneer je bij de veertig bent,
En, bij je vriend’s engagement,
Steeds ieder om je ooren zeurt,
Zoo met zoo’n grijns: „Nou is ’tjoubeurt!”
Mensch, erger je niet.
Wanneer een deftig man van stand
Je groet — zoo even — nonchalant,
Als vrouwlief, goed, maar welbespraakt,
Je ooren aan het tuiten maakt,
Mensch, erger je niet.
Of, sukkel je aan slechte taal,
Aan beelden, barstig of banaal,
Aan bombast of mooidoenerij —
En ben j’ er in deGroene„bij”,
Mensch, erger je niet.
Als, op de tea, ’t gesprek wat hokt,
En jij, door ’t vleiend woord verlokt,
Lang aangezocht, wat spelen gaat,
En dat het sein is voor ’t gepraat,
Mensch, erger je niet.
En gij, beklagenswaardig mensch,
Rampzalige! Amsterdamsch forens,
Als ’s Maandags morgens in den trein
De lui al humoristisch zijn,
Mensch, erger je niet.
Ja. Als de week weer voor je ligt,
De „blijde dagtaak” en de plicht,
Wanneer je kleine oogjes zet,
En weer terug verlangt naar bed,
Wanneer — het scheren ging wat gauw —
Je kin nog pijnlijk is, en rauw,
Je handen koud, je haren nat,
Wanneer je dan je ochtendblad
Heel hoog, krampachtig om je houdt,
Om vrij te zijn van morgenkout......
Als dàn je buurman zaagt, en zaagt,
Je niet met rust laat, en je vraagt,
Van „heb jedienog niet gehoord?”
En onverstoorbaar, onverstoord,
De „nieuwsten” van de Beurs vertelt,
Je dwingt te luistren, met geweld,
Totdat je niet meer grijnzen kan,
Maar zucht — en zucht — zelfs dan, zelfs dàn...
Mensch, erger je niet!
In de groote restaurants van Amsterdam en Rotterdam worden tegenwoordig eetlessen gegeven onder leiding van een bekwaam oberkellner, die mede aanzit.De afgewezen candidaat spreekt:
In de groote restaurants van Amsterdam en Rotterdam worden tegenwoordig eetlessen gegeven onder leiding van een bekwaam oberkellner, die mede aanzit.
De afgewezen candidaat spreekt:
I.Gij staart er in vrees en in beven,Kaptein van het Engelsche schip,Gij rilt voor uw vracht en uw leven,Ontzet, en met trillende lip,Bij ’t zien van den Duitsch’ onderzeeër,Die zich al verheugt in de vangst......Ik, laag-auto-nummer-oweeër,Ik ken nog een heviger angst.Ik weet het nu, wat het beteekent,Het lijden en wee van den schrik!Mijn kracht is er niet op berekend,d’ Emotie is sterker dan ik.Ik zal dan maar alles verhalen,In dit mijn weemoedig gedicht,Het moge mijn zenuwen stalen,Misschien dat de biecht mij verlicht.II.Ik volgde geregeld de lessen,In „Etica” — heette het vak —Van vijven tot kwart over zessen,Gekleed in mijn Zondagsche pak.Ik oefende lichaam en geest er,Ik heb er met vlijt gestudeerd,Ik ging goed vooruit, zei de meester,Ik heb er een massa geleerd.U kunt me gerust al eens vragen,Verlegen dat ben ik niet meer,Ik zal me heel netjes gedragen,Precies als eenechtemeneer.Neen, heusch, als ik nu eens bij ú kom,Dan slurp ik niet, smak niet, noch snork,Ik doop niet mijn duim in de sju-kom,Ik kam niet mijn snor met mijn vork.U kunt er gerust op vertrouwen,Dat ’k niet met een volle mond praat,Ik houd ’m potdicht bij het kauwen,Je hoeft niet te zien hoe het gaat.’k Zit niet in mijn ooren te poken,’k Zorg, dat ik bij ’t schenken niet stort,’k Hang niet in mekander gedoken,Mijn elleboog haaksch voor mijn bord.’k Onthoud mij van schreeuwen en kwebben,Ik maak geen onnoodig kabaal,En wil ik een aardappel hebben,Dan prik ik ’m niet uit de schaal.De taal geeft geen moeilijkheden:Je spreekt maar precies als je schrijft:’k Zeg niet meer „motór” en „omreden,”Of „nee, dame, dank u belijfd.”Mijn haast maakt me niet aan het hikken,Ik spoel niet mijn mond met mijn drank,Ik schokschouder niet bij het slikken,Mijn tanden zijn min of meer blank.Mijn jas — geen confectie! — zit netjes,Mijn broek is volmaakt in de vouw,Mijn front vrij van kreukjes of spetjes,Mijn nagels zijn niet in de rouw.Mijn boordje — niets netters of reinersZag j’ ooit aan den hals van een heer,Voor doperwten of capucijnersGebruik ik mijn lepel niet meer.Ik weet nu al weg met mijn handen,Als was ’k een dineur van beroep,Ik peuter niet tusschen mijn tanden,Ik slobber niet meer met mijn soep.’k Begin niet met alles te snijden,Ik neem niet zooveel als ik kan,Ik houd de gerechten gescheiden,Ik maak er geen papje meer van.De sperges, die ’k uit heb gezogen,Die gooi ik niet meer op den grond,’k Wijs niet met mijn mes naar mijn oogenEn ’k steek het niet meer in mijn mond.’k Omklem het ook niet meer krampachtig,Als iemand, die zint op een moord;Zelfs douw ’k mijn servet — ’t is waarachtig! —Niet meer met de punt in mijn boord.Ik zorg dat me wangen niet blinkenBij ’t kluiven aan vettige kip;Besmeur ik me snor bij het drinken,Dan zuig ’k ’m niet droog met me lip.’k Maak da’ ’k met de menschen geen mot krijg,Ik kijk bij geen schotel verbaasd,En als ’k bij de kippen kompot krijg,Dan leg ’k het op ’t bordje daarnaast.’k Zit niet met mijn beenen te trillen,Ik kneed niet mijn broodje tot deeg,De druiv’ eet ik niet met de schillen,Mijn vingerkom drink ik niet leeg.„Wat denkt u nu van mijn examen?”Zoo heb ik mijn meester gevraagd,„Ik kan je niet verder bekwamen,”Wat ’t antwoord. „’t Staat vast dat je slaagt.”„Dus hebt u nu niets meer vergeten,En loop ik geen risico meer?” —— „Neen. Iedereen, die je ziet eten,Die houdt je beslist voor een heer.” —III.Ik ga. Bij de eerste gerechten,Ofschoon soms mijn hand nog wat beeft,Win ik met gemak de gevechtenMet oesters, met boutjes en kreeft.Zoo’n maal zonder fout — ’t is een héél ding!Gelukkig één schotel nog maar;’k Zie in mijn verhitte verbeelding’t Diploma —cum laude!— al klaar.Daar krijg ’k ’n groen, stekelig monster,Het lijkt wel ’n struik, op mijn bord!Mijn harte dat klopt er en bonst er......Mijn polsslag wordt koortsig en kort......Ik zit op ’t mysterie te staren......Een klein plasje saus ligt er naast......En hemelwaarts stijgen mijn haren,Mijn blik is verstard en verglaasd......Ik kan haast geen adem meer krijgen......Met moeite weerhoud ik een kreet......Ik zit als een karhond te hijgen......Mijn voorhoofd staat blank van het zweet......De kellner, een man van het vak dus,Die ziet, hoe ’t gedrocht me benauwt,Zegt zachtjes: „Meneer, ’t is ’n cactus,Die eet je met peper en zout!”Een onheilverkondend gefluister......d’ Examencommissie pleegt raad......Mijn examinator kijkt duister,En boekdeelen spreekt zijn gelaat......— — — — — — — — —Van oesters ben ’k niet meer geschrokken,Ik toonde me ’n held in gehakt,Maar op die vervloekt’artisjokkenBen ik, diep-rampzalige, gezakt!
I.Gij staart er in vrees en in beven,Kaptein van het Engelsche schip,Gij rilt voor uw vracht en uw leven,Ontzet, en met trillende lip,Bij ’t zien van den Duitsch’ onderzeeër,Die zich al verheugt in de vangst......Ik, laag-auto-nummer-oweeër,Ik ken nog een heviger angst.Ik weet het nu, wat het beteekent,Het lijden en wee van den schrik!Mijn kracht is er niet op berekend,d’ Emotie is sterker dan ik.Ik zal dan maar alles verhalen,In dit mijn weemoedig gedicht,Het moge mijn zenuwen stalen,Misschien dat de biecht mij verlicht.II.Ik volgde geregeld de lessen,In „Etica” — heette het vak —Van vijven tot kwart over zessen,Gekleed in mijn Zondagsche pak.Ik oefende lichaam en geest er,Ik heb er met vlijt gestudeerd,Ik ging goed vooruit, zei de meester,Ik heb er een massa geleerd.U kunt me gerust al eens vragen,Verlegen dat ben ik niet meer,Ik zal me heel netjes gedragen,Precies als eenechtemeneer.Neen, heusch, als ik nu eens bij ú kom,Dan slurp ik niet, smak niet, noch snork,Ik doop niet mijn duim in de sju-kom,Ik kam niet mijn snor met mijn vork.U kunt er gerust op vertrouwen,Dat ’k niet met een volle mond praat,Ik houd ’m potdicht bij het kauwen,Je hoeft niet te zien hoe het gaat.’k Zit niet in mijn ooren te poken,’k Zorg, dat ik bij ’t schenken niet stort,’k Hang niet in mekander gedoken,Mijn elleboog haaksch voor mijn bord.’k Onthoud mij van schreeuwen en kwebben,Ik maak geen onnoodig kabaal,En wil ik een aardappel hebben,Dan prik ik ’m niet uit de schaal.De taal geeft geen moeilijkheden:Je spreekt maar precies als je schrijft:’k Zeg niet meer „motór” en „omreden,”Of „nee, dame, dank u belijfd.”Mijn haast maakt me niet aan het hikken,Ik spoel niet mijn mond met mijn drank,Ik schokschouder niet bij het slikken,Mijn tanden zijn min of meer blank.Mijn jas — geen confectie! — zit netjes,Mijn broek is volmaakt in de vouw,Mijn front vrij van kreukjes of spetjes,Mijn nagels zijn niet in de rouw.Mijn boordje — niets netters of reinersZag j’ ooit aan den hals van een heer,Voor doperwten of capucijnersGebruik ik mijn lepel niet meer.Ik weet nu al weg met mijn handen,Als was ’k een dineur van beroep,Ik peuter niet tusschen mijn tanden,Ik slobber niet meer met mijn soep.’k Begin niet met alles te snijden,Ik neem niet zooveel als ik kan,Ik houd de gerechten gescheiden,Ik maak er geen papje meer van.De sperges, die ’k uit heb gezogen,Die gooi ik niet meer op den grond,’k Wijs niet met mijn mes naar mijn oogenEn ’k steek het niet meer in mijn mond.’k Omklem het ook niet meer krampachtig,Als iemand, die zint op een moord;Zelfs douw ’k mijn servet — ’t is waarachtig! —Niet meer met de punt in mijn boord.Ik zorg dat me wangen niet blinkenBij ’t kluiven aan vettige kip;Besmeur ik me snor bij het drinken,Dan zuig ’k ’m niet droog met me lip.’k Maak da’ ’k met de menschen geen mot krijg,Ik kijk bij geen schotel verbaasd,En als ’k bij de kippen kompot krijg,Dan leg ’k het op ’t bordje daarnaast.’k Zit niet met mijn beenen te trillen,Ik kneed niet mijn broodje tot deeg,De druiv’ eet ik niet met de schillen,Mijn vingerkom drink ik niet leeg.„Wat denkt u nu van mijn examen?”Zoo heb ik mijn meester gevraagd,„Ik kan je niet verder bekwamen,”Wat ’t antwoord. „’t Staat vast dat je slaagt.”„Dus hebt u nu niets meer vergeten,En loop ik geen risico meer?” —— „Neen. Iedereen, die je ziet eten,Die houdt je beslist voor een heer.” —III.Ik ga. Bij de eerste gerechten,Ofschoon soms mijn hand nog wat beeft,Win ik met gemak de gevechtenMet oesters, met boutjes en kreeft.Zoo’n maal zonder fout — ’t is een héél ding!Gelukkig één schotel nog maar;’k Zie in mijn verhitte verbeelding’t Diploma —cum laude!— al klaar.Daar krijg ’k ’n groen, stekelig monster,Het lijkt wel ’n struik, op mijn bord!Mijn harte dat klopt er en bonst er......Mijn polsslag wordt koortsig en kort......Ik zit op ’t mysterie te staren......Een klein plasje saus ligt er naast......En hemelwaarts stijgen mijn haren,Mijn blik is verstard en verglaasd......Ik kan haast geen adem meer krijgen......Met moeite weerhoud ik een kreet......Ik zit als een karhond te hijgen......Mijn voorhoofd staat blank van het zweet......De kellner, een man van het vak dus,Die ziet, hoe ’t gedrocht me benauwt,Zegt zachtjes: „Meneer, ’t is ’n cactus,Die eet je met peper en zout!”Een onheilverkondend gefluister......d’ Examencommissie pleegt raad......Mijn examinator kijkt duister,En boekdeelen spreekt zijn gelaat......— — — — — — — — —Van oesters ben ’k niet meer geschrokken,Ik toonde me ’n held in gehakt,Maar op die vervloekt’artisjokkenBen ik, diep-rampzalige, gezakt!
I.Gij staart er in vrees en in beven,Kaptein van het Engelsche schip,Gij rilt voor uw vracht en uw leven,Ontzet, en met trillende lip,Bij ’t zien van den Duitsch’ onderzeeër,Die zich al verheugt in de vangst......Ik, laag-auto-nummer-oweeër,Ik ken nog een heviger angst.Ik weet het nu, wat het beteekent,Het lijden en wee van den schrik!Mijn kracht is er niet op berekend,d’ Emotie is sterker dan ik.Ik zal dan maar alles verhalen,In dit mijn weemoedig gedicht,Het moge mijn zenuwen stalen,Misschien dat de biecht mij verlicht.
I.
Gij staart er in vrees en in beven,
Kaptein van het Engelsche schip,
Gij rilt voor uw vracht en uw leven,
Ontzet, en met trillende lip,
Bij ’t zien van den Duitsch’ onderzeeër,
Die zich al verheugt in de vangst......
Ik, laag-auto-nummer-oweeër,
Ik ken nog een heviger angst.
Ik weet het nu, wat het beteekent,
Het lijden en wee van den schrik!
Mijn kracht is er niet op berekend,
d’ Emotie is sterker dan ik.
Ik zal dan maar alles verhalen,
In dit mijn weemoedig gedicht,
Het moge mijn zenuwen stalen,
Misschien dat de biecht mij verlicht.
II.Ik volgde geregeld de lessen,In „Etica” — heette het vak —Van vijven tot kwart over zessen,Gekleed in mijn Zondagsche pak.Ik oefende lichaam en geest er,Ik heb er met vlijt gestudeerd,Ik ging goed vooruit, zei de meester,Ik heb er een massa geleerd.U kunt me gerust al eens vragen,Verlegen dat ben ik niet meer,Ik zal me heel netjes gedragen,Precies als eenechtemeneer.Neen, heusch, als ik nu eens bij ú kom,Dan slurp ik niet, smak niet, noch snork,Ik doop niet mijn duim in de sju-kom,Ik kam niet mijn snor met mijn vork.U kunt er gerust op vertrouwen,Dat ’k niet met een volle mond praat,Ik houd ’m potdicht bij het kauwen,Je hoeft niet te zien hoe het gaat.’k Zit niet in mijn ooren te poken,’k Zorg, dat ik bij ’t schenken niet stort,’k Hang niet in mekander gedoken,Mijn elleboog haaksch voor mijn bord.’k Onthoud mij van schreeuwen en kwebben,Ik maak geen onnoodig kabaal,En wil ik een aardappel hebben,Dan prik ik ’m niet uit de schaal.De taal geeft geen moeilijkheden:Je spreekt maar precies als je schrijft:’k Zeg niet meer „motór” en „omreden,”Of „nee, dame, dank u belijfd.”Mijn haast maakt me niet aan het hikken,Ik spoel niet mijn mond met mijn drank,Ik schokschouder niet bij het slikken,Mijn tanden zijn min of meer blank.Mijn jas — geen confectie! — zit netjes,Mijn broek is volmaakt in de vouw,Mijn front vrij van kreukjes of spetjes,Mijn nagels zijn niet in de rouw.Mijn boordje — niets netters of reinersZag j’ ooit aan den hals van een heer,Voor doperwten of capucijnersGebruik ik mijn lepel niet meer.Ik weet nu al weg met mijn handen,Als was ’k een dineur van beroep,Ik peuter niet tusschen mijn tanden,Ik slobber niet meer met mijn soep.’k Begin niet met alles te snijden,Ik neem niet zooveel als ik kan,Ik houd de gerechten gescheiden,Ik maak er geen papje meer van.De sperges, die ’k uit heb gezogen,Die gooi ik niet meer op den grond,’k Wijs niet met mijn mes naar mijn oogenEn ’k steek het niet meer in mijn mond.’k Omklem het ook niet meer krampachtig,Als iemand, die zint op een moord;Zelfs douw ’k mijn servet — ’t is waarachtig! —Niet meer met de punt in mijn boord.Ik zorg dat me wangen niet blinkenBij ’t kluiven aan vettige kip;Besmeur ik me snor bij het drinken,Dan zuig ’k ’m niet droog met me lip.’k Maak da’ ’k met de menschen geen mot krijg,Ik kijk bij geen schotel verbaasd,En als ’k bij de kippen kompot krijg,Dan leg ’k het op ’t bordje daarnaast.’k Zit niet met mijn beenen te trillen,Ik kneed niet mijn broodje tot deeg,De druiv’ eet ik niet met de schillen,Mijn vingerkom drink ik niet leeg.„Wat denkt u nu van mijn examen?”Zoo heb ik mijn meester gevraagd,„Ik kan je niet verder bekwamen,”Wat ’t antwoord. „’t Staat vast dat je slaagt.”„Dus hebt u nu niets meer vergeten,En loop ik geen risico meer?” —— „Neen. Iedereen, die je ziet eten,Die houdt je beslist voor een heer.” —
II.
Ik volgde geregeld de lessen,
In „Etica” — heette het vak —
Van vijven tot kwart over zessen,
Gekleed in mijn Zondagsche pak.
Ik oefende lichaam en geest er,
Ik heb er met vlijt gestudeerd,
Ik ging goed vooruit, zei de meester,
Ik heb er een massa geleerd.
U kunt me gerust al eens vragen,
Verlegen dat ben ik niet meer,
Ik zal me heel netjes gedragen,
Precies als eenechtemeneer.
Neen, heusch, als ik nu eens bij ú kom,
Dan slurp ik niet, smak niet, noch snork,
Ik doop niet mijn duim in de sju-kom,
Ik kam niet mijn snor met mijn vork.
U kunt er gerust op vertrouwen,
Dat ’k niet met een volle mond praat,
Ik houd ’m potdicht bij het kauwen,
Je hoeft niet te zien hoe het gaat.
’k Zit niet in mijn ooren te poken,
’k Zorg, dat ik bij ’t schenken niet stort,
’k Hang niet in mekander gedoken,
Mijn elleboog haaksch voor mijn bord.
’k Onthoud mij van schreeuwen en kwebben,
Ik maak geen onnoodig kabaal,
En wil ik een aardappel hebben,
Dan prik ik ’m niet uit de schaal.
De taal geeft geen moeilijkheden:
Je spreekt maar precies als je schrijft:
’k Zeg niet meer „motór” en „omreden,”
Of „nee, dame, dank u belijfd.”
Mijn haast maakt me niet aan het hikken,
Ik spoel niet mijn mond met mijn drank,
Ik schokschouder niet bij het slikken,
Mijn tanden zijn min of meer blank.
Mijn jas — geen confectie! — zit netjes,
Mijn broek is volmaakt in de vouw,
Mijn front vrij van kreukjes of spetjes,
Mijn nagels zijn niet in de rouw.
Mijn boordje — niets netters of reiners
Zag j’ ooit aan den hals van een heer,
Voor doperwten of capucijners
Gebruik ik mijn lepel niet meer.
Ik weet nu al weg met mijn handen,
Als was ’k een dineur van beroep,
Ik peuter niet tusschen mijn tanden,
Ik slobber niet meer met mijn soep.
’k Begin niet met alles te snijden,
Ik neem niet zooveel als ik kan,
Ik houd de gerechten gescheiden,
Ik maak er geen papje meer van.
De sperges, die ’k uit heb gezogen,
Die gooi ik niet meer op den grond,
’k Wijs niet met mijn mes naar mijn oogen
En ’k steek het niet meer in mijn mond.
’k Omklem het ook niet meer krampachtig,
Als iemand, die zint op een moord;
Zelfs douw ’k mijn servet — ’t is waarachtig! —
Niet meer met de punt in mijn boord.
Ik zorg dat me wangen niet blinken
Bij ’t kluiven aan vettige kip;
Besmeur ik me snor bij het drinken,
Dan zuig ’k ’m niet droog met me lip.
’k Maak da’ ’k met de menschen geen mot krijg,
Ik kijk bij geen schotel verbaasd,
En als ’k bij de kippen kompot krijg,
Dan leg ’k het op ’t bordje daarnaast.
’k Zit niet met mijn beenen te trillen,
Ik kneed niet mijn broodje tot deeg,
De druiv’ eet ik niet met de schillen,
Mijn vingerkom drink ik niet leeg.
„Wat denkt u nu van mijn examen?”
Zoo heb ik mijn meester gevraagd,
„Ik kan je niet verder bekwamen,”
Wat ’t antwoord. „’t Staat vast dat je slaagt.”
„Dus hebt u nu niets meer vergeten,
En loop ik geen risico meer?” —
— „Neen. Iedereen, die je ziet eten,
Die houdt je beslist voor een heer.” —
III.Ik ga. Bij de eerste gerechten,Ofschoon soms mijn hand nog wat beeft,Win ik met gemak de gevechtenMet oesters, met boutjes en kreeft.Zoo’n maal zonder fout — ’t is een héél ding!Gelukkig één schotel nog maar;’k Zie in mijn verhitte verbeelding’t Diploma —cum laude!— al klaar.Daar krijg ’k ’n groen, stekelig monster,Het lijkt wel ’n struik, op mijn bord!Mijn harte dat klopt er en bonst er......Mijn polsslag wordt koortsig en kort......Ik zit op ’t mysterie te staren......Een klein plasje saus ligt er naast......En hemelwaarts stijgen mijn haren,Mijn blik is verstard en verglaasd......Ik kan haast geen adem meer krijgen......Met moeite weerhoud ik een kreet......Ik zit als een karhond te hijgen......Mijn voorhoofd staat blank van het zweet......De kellner, een man van het vak dus,Die ziet, hoe ’t gedrocht me benauwt,Zegt zachtjes: „Meneer, ’t is ’n cactus,Die eet je met peper en zout!”Een onheilverkondend gefluister......d’ Examencommissie pleegt raad......Mijn examinator kijkt duister,En boekdeelen spreekt zijn gelaat......— — — — — — — — —Van oesters ben ’k niet meer geschrokken,Ik toonde me ’n held in gehakt,Maar op die vervloekt’artisjokkenBen ik, diep-rampzalige, gezakt!
III.
Ik ga. Bij de eerste gerechten,
Ofschoon soms mijn hand nog wat beeft,
Win ik met gemak de gevechten
Met oesters, met boutjes en kreeft.
Zoo’n maal zonder fout — ’t is een héél ding!
Gelukkig één schotel nog maar;
’k Zie in mijn verhitte verbeelding
’t Diploma —cum laude!— al klaar.
Daar krijg ’k ’n groen, stekelig monster,
Het lijkt wel ’n struik, op mijn bord!
Mijn harte dat klopt er en bonst er......
Mijn polsslag wordt koortsig en kort......
Ik zit op ’t mysterie te staren......
Een klein plasje saus ligt er naast......
En hemelwaarts stijgen mijn haren,
Mijn blik is verstard en verglaasd......
Ik kan haast geen adem meer krijgen......
Met moeite weerhoud ik een kreet......
Ik zit als een karhond te hijgen......
Mijn voorhoofd staat blank van het zweet......
De kellner, een man van het vak dus,
Die ziet, hoe ’t gedrocht me benauwt,
Zegt zachtjes: „Meneer, ’t is ’n cactus,
Die eet je met peper en zout!”
Een onheilverkondend gefluister......
d’ Examencommissie pleegt raad......
Mijn examinator kijkt duister,
En boekdeelen spreekt zijn gelaat......
— — — — — — — — —
Van oesters ben ’k niet meer geschrokken,
Ik toonde me ’n held in gehakt,
Maar op die vervloekt’artisjokken
Ben ik, diep-rampzalige, gezakt!
Monoloog.
„Heer van goeden huize biedt zich aan tot het geven van onderricht in goede manieren en beschaafde uitdrukkingen.” —Adv. Hbl.
„Heer van goeden huize biedt zich aan tot het geven van onderricht in goede manieren en beschaafde uitdrukkingen.” —Adv. Hbl.
(Kamer. Links haard, waarvoor tafeltje met theegoed, en stoelen. Deur links voor. Kamerschut in hoek rechts achter. De leeraar neemt achtereenvolgens een schaal met taartjes en trommeltje met koekjes, en een luxedoos met bonbons uit een kast rechts, en zegt onder ’t loopen:)
Ik krijg straks oweeërs hier, dames en heeren;Die komen bij mij om manieren te leeren. (Zet neer)Ziezoo. Hier de koekjes — de taartschotel daar.(Schuift fauteuil naar haard) Hier deze fauteuil is voor hem; die voor haar.En deze bonbons (bekijkt ze goed)...... dat’s zulk moeilijk eten,Dat ’t stelletje daar wel geen raad mee zal weten!Enfin, das juist goed: dan hebikwat te doen.Ja (bedenkelijk knikkend) doornig en steil is het pad naar ’t fatsoen!
Ik krijg straks oweeërs hier, dames en heeren;Die komen bij mij om manieren te leeren. (Zet neer)Ziezoo. Hier de koekjes — de taartschotel daar.(Schuift fauteuil naar haard) Hier deze fauteuil is voor hem; die voor haar.En deze bonbons (bekijkt ze goed)...... dat’s zulk moeilijk eten,Dat ’t stelletje daar wel geen raad mee zal weten!Enfin, das juist goed: dan hebikwat te doen.Ja (bedenkelijk knikkend) doornig en steil is het pad naar ’t fatsoen!
Ik krijg straks oweeërs hier, dames en heeren;Die komen bij mij om manieren te leeren. (Zet neer)Ziezoo. Hier de koekjes — de taartschotel daar.(Schuift fauteuil naar haard) Hier deze fauteuil is voor hem; die voor haar.En deze bonbons (bekijkt ze goed)...... dat’s zulk moeilijk eten,Dat ’t stelletje daar wel geen raad mee zal weten!Enfin, das juist goed: dan hebikwat te doen.Ja (bedenkelijk knikkend) doornig en steil is het pad naar ’t fatsoen!
Ik krijg straks oweeërs hier, dames en heeren;
Die komen bij mij om manieren te leeren. (Zet neer)
Ziezoo. Hier de koekjes — de taartschotel daar.
(Schuift fauteuil naar haard) Hier deze fauteuil is voor hem; die voor haar.
En deze bonbons (bekijkt ze goed)...... dat’s zulk moeilijk eten,
Dat ’t stelletje daar wel geen raad mee zal weten!
Enfin, das juist goed: dan hebikwat te doen.
Ja (bedenkelijk knikkend) doornig en steil is het pad naar ’t fatsoen!
(Kijkt nog even of alles in orde is, en zegt dan, nadenkend, hand aan kin:)
Maar...... ze zijn zoo verlegen, natuurlijk, als kindren......Dus al dat publiek daar...... dat zal ze wel hindren......(Voetstappen buiten) O, wacht... ik geloof, dat ik daar al iets hoor!(Vlug) ik weet wat: ik zet er dat kamerschut voor!
Maar...... ze zijn zoo verlegen, natuurlijk, als kindren......Dus al dat publiek daar...... dat zal ze wel hindren......(Voetstappen buiten) O, wacht... ik geloof, dat ik daar al iets hoor!(Vlug) ik weet wat: ik zet er dat kamerschut voor!
Maar...... ze zijn zoo verlegen, natuurlijk, als kindren......Dus al dat publiek daar...... dat zal ze wel hindren......(Voetstappen buiten) O, wacht... ik geloof, dat ik daar al iets hoor!(Vlug) ik weet wat: ik zet er dat kamerschut voor!
Maar...... ze zijn zoo verlegen, natuurlijk, als kindren......
Dus al dat publiek daar...... dat zal ze wel hindren......
(Voetstappen buiten) O, wacht... ik geloof, dat ik daar al iets hoor!
(Vlug) ik weet wat: ik zet er dat kamerschut voor!
(Zet vlug ’t schut zoo, dat hij alléén zichtbaar blijft, en spreekt verder staande, profiel; loopt eerst naar de deur:)
„Dag mevrouw, dag meneer! Welkom hier. Komt u binnen. —Nee, nee,mevrouweerst — nog maar even beginnen. —Uw hoed af, meneer! — Nee, houdtu’m maar op. —Kalm loopen, en niet in zoo’n woesten galop. —Wàt zie ik? Een eindje sigaar? Nee, dat gaat niet;Kom, kom, dat u dat uit uzelf niet op straat liet!Gooi ’t nu maar zoo ongemerkt weg in den haard. —Gaat zitten. Hier knus in het hoekje geschaard. —Me lieve mevrouwtje! Kom, wees u nou wijzer:Dat voetje terug! Nee, nee — niet aan dat ijzer!Waarom dat niet buit’ aan de schrapper geschrapt?Maar kijk liever uit, dat u nergens in trapt! —Nee, nee, meneer, laat u z’ in godsnaam maar loopen,Hierniet — u kunt’ straks wat insektpoeder koopen.Men zegt „transpireeren,” mevrouw —alsmen ’t zegt!Want voor een gesprek leent zich ’t onderwerp slecht. —Glimlachen, mevrouw! Desnoods lachen — nóóit proesten! —Meneer!!!...... Dàn tenminste gelijk even hoesten!Neen, dat is een aschbakje — geen kwispeldoor, —Nee, mevrouw, daar gebruikt men zijn vingers niet voor,Nee, zelfs niet met ’t lepeltje...... al lijkt het u vitten,De suiker-rest moet u d’r in laten zitten. —’t Is heet, maar ’k wou datudat blazen wat liet. —Mevrouw, drink uit ’tkopje— uit ’t schoteltje niet.Meneer, wees zoo goed, niet aan alles te ruiken. —Och mevrouw, wil u even uw zakdoek gebruiken?Uleert vlug, meneer: ’k zag, u deed het daar gauw,Maar denk in ’t vervolg d’r om:nietmet uw mouw. —’t Is waar, ’tiswat warm; ik zag ’t aan uw gezicht;Maar m’n beste mevrouw, uw japon moet weer dicht. —Eén stoel per persoon, meneer; weg met die beenen! —Ja zeker, mevrouw, u draagt prachtige steenen,En paarlen, robijnen — ja, allemaal echt,Maar had u er nou niet de prijs van gezegd!Pardon, waarde heer, heusch, hier wil toch niets groeien,U hoeft, als u niest, niet den grond te besproeien. —Mevrouw, hand ervoor; ’t best is, dat u ’t vermijdt;En zeker ’n duim of drie vier minder wijd! —Recht op, beiden! ’k Dacht dat u zóó wou gaan duiken! —Tabak, meneer, enkel voorrookengebruiken!Heel lekker, misschien, maar hijmoetuit uw mond.Maar afleeren, hoor! Nee, nu niet op den grond!Wel zonde, hè? ’t Was net zoo’n lekkere, versche —Nee, mevrouw, nee! zóó neemt m’ uit ’n ben ’n hand kerse’,Maar koekjes die neemt men maar één-tegelijk,En houd wat u beet hebt, zoo in uw bereik. —Die roomtaartjes schijnen u wel te bekoren,Maar niet met die room zoo tot over uw ooren!Voorzichtig zoo’n hap! Niet te gauw! Niet te gauw!Uw vingersafvegen— niet likken, mevrouw! —Die melkkan, hoe vreemd het u ook moge klinken,Dient om uit teschenken— niet om uit te drinken. —Niethierdoen, uw nagels! —Uwmond is te vol! —Hu! Meneer, hebt u wel eens gehoord van Odol?! —Fruits glacés, mevrouw, ja. Maar u doet me weer schrikken,Met ’tvorkje, hoor, niet met uw haarspeld uitprikken! —Och meneer, asjeblieft, laat die beeldjes zoo staan! —En al steekt u uw likdoorn — uw schoen moet weer aan! —Dat woord kunt u werkelijk niet zeggen, dat voelt u;„Dat is flauwenonsens,” meneer, dat bedoelt u. —Ook dat niet, mevrouw, als men dàt zeggen kon,Dan liep het zoo vol niet bij Pygmalion. —Neen, ’k zal tot mijn spijtweeruw mond moeten stoppen,Mevrouwtje; u meent: „Manlief, laat je nietfoppen!” —Ziezoo. Nu is ’t tijd. Ja, ja, zooals u ziet,Manieren die leer je zoo makkelijk niet!Nu thuis nog maar ijverig door repeteeren,Dan zult u het allebei schitterend leeren.En binnen ’n jaar zingt u luidemijnlof,Want dan wordt u t’ eten gevraagd aan het Hof!”(Gordijn)
„Dag mevrouw, dag meneer! Welkom hier. Komt u binnen. —Nee, nee,mevrouweerst — nog maar even beginnen. —Uw hoed af, meneer! — Nee, houdtu’m maar op. —Kalm loopen, en niet in zoo’n woesten galop. —Wàt zie ik? Een eindje sigaar? Nee, dat gaat niet;Kom, kom, dat u dat uit uzelf niet op straat liet!Gooi ’t nu maar zoo ongemerkt weg in den haard. —Gaat zitten. Hier knus in het hoekje geschaard. —Me lieve mevrouwtje! Kom, wees u nou wijzer:Dat voetje terug! Nee, nee — niet aan dat ijzer!Waarom dat niet buit’ aan de schrapper geschrapt?Maar kijk liever uit, dat u nergens in trapt! —Nee, nee, meneer, laat u z’ in godsnaam maar loopen,Hierniet — u kunt’ straks wat insektpoeder koopen.Men zegt „transpireeren,” mevrouw —alsmen ’t zegt!Want voor een gesprek leent zich ’t onderwerp slecht. —Glimlachen, mevrouw! Desnoods lachen — nóóit proesten! —Meneer!!!...... Dàn tenminste gelijk even hoesten!Neen, dat is een aschbakje — geen kwispeldoor, —Nee, mevrouw, daar gebruikt men zijn vingers niet voor,Nee, zelfs niet met ’t lepeltje...... al lijkt het u vitten,De suiker-rest moet u d’r in laten zitten. —’t Is heet, maar ’k wou datudat blazen wat liet. —Mevrouw, drink uit ’tkopje— uit ’t schoteltje niet.Meneer, wees zoo goed, niet aan alles te ruiken. —Och mevrouw, wil u even uw zakdoek gebruiken?Uleert vlug, meneer: ’k zag, u deed het daar gauw,Maar denk in ’t vervolg d’r om:nietmet uw mouw. —’t Is waar, ’tiswat warm; ik zag ’t aan uw gezicht;Maar m’n beste mevrouw, uw japon moet weer dicht. —Eén stoel per persoon, meneer; weg met die beenen! —Ja zeker, mevrouw, u draagt prachtige steenen,En paarlen, robijnen — ja, allemaal echt,Maar had u er nou niet de prijs van gezegd!Pardon, waarde heer, heusch, hier wil toch niets groeien,U hoeft, als u niest, niet den grond te besproeien. —Mevrouw, hand ervoor; ’t best is, dat u ’t vermijdt;En zeker ’n duim of drie vier minder wijd! —Recht op, beiden! ’k Dacht dat u zóó wou gaan duiken! —Tabak, meneer, enkel voorrookengebruiken!Heel lekker, misschien, maar hijmoetuit uw mond.Maar afleeren, hoor! Nee, nu niet op den grond!Wel zonde, hè? ’t Was net zoo’n lekkere, versche —Nee, mevrouw, nee! zóó neemt m’ uit ’n ben ’n hand kerse’,Maar koekjes die neemt men maar één-tegelijk,En houd wat u beet hebt, zoo in uw bereik. —Die roomtaartjes schijnen u wel te bekoren,Maar niet met die room zoo tot over uw ooren!Voorzichtig zoo’n hap! Niet te gauw! Niet te gauw!Uw vingersafvegen— niet likken, mevrouw! —Die melkkan, hoe vreemd het u ook moge klinken,Dient om uit teschenken— niet om uit te drinken. —Niethierdoen, uw nagels! —Uwmond is te vol! —Hu! Meneer, hebt u wel eens gehoord van Odol?! —Fruits glacés, mevrouw, ja. Maar u doet me weer schrikken,Met ’tvorkje, hoor, niet met uw haarspeld uitprikken! —Och meneer, asjeblieft, laat die beeldjes zoo staan! —En al steekt u uw likdoorn — uw schoen moet weer aan! —Dat woord kunt u werkelijk niet zeggen, dat voelt u;„Dat is flauwenonsens,” meneer, dat bedoelt u. —Ook dat niet, mevrouw, als men dàt zeggen kon,Dan liep het zoo vol niet bij Pygmalion. —Neen, ’k zal tot mijn spijtweeruw mond moeten stoppen,Mevrouwtje; u meent: „Manlief, laat je nietfoppen!” —Ziezoo. Nu is ’t tijd. Ja, ja, zooals u ziet,Manieren die leer je zoo makkelijk niet!Nu thuis nog maar ijverig door repeteeren,Dan zult u het allebei schitterend leeren.En binnen ’n jaar zingt u luidemijnlof,Want dan wordt u t’ eten gevraagd aan het Hof!”(Gordijn)
„Dag mevrouw, dag meneer! Welkom hier. Komt u binnen. —Nee, nee,mevrouweerst — nog maar even beginnen. —Uw hoed af, meneer! — Nee, houdtu’m maar op. —Kalm loopen, en niet in zoo’n woesten galop. —Wàt zie ik? Een eindje sigaar? Nee, dat gaat niet;Kom, kom, dat u dat uit uzelf niet op straat liet!Gooi ’t nu maar zoo ongemerkt weg in den haard. —Gaat zitten. Hier knus in het hoekje geschaard. —Me lieve mevrouwtje! Kom, wees u nou wijzer:Dat voetje terug! Nee, nee — niet aan dat ijzer!Waarom dat niet buit’ aan de schrapper geschrapt?Maar kijk liever uit, dat u nergens in trapt! —Nee, nee, meneer, laat u z’ in godsnaam maar loopen,Hierniet — u kunt’ straks wat insektpoeder koopen.Men zegt „transpireeren,” mevrouw —alsmen ’t zegt!Want voor een gesprek leent zich ’t onderwerp slecht. —Glimlachen, mevrouw! Desnoods lachen — nóóit proesten! —Meneer!!!...... Dàn tenminste gelijk even hoesten!Neen, dat is een aschbakje — geen kwispeldoor, —Nee, mevrouw, daar gebruikt men zijn vingers niet voor,Nee, zelfs niet met ’t lepeltje...... al lijkt het u vitten,De suiker-rest moet u d’r in laten zitten. —’t Is heet, maar ’k wou datudat blazen wat liet. —Mevrouw, drink uit ’tkopje— uit ’t schoteltje niet.Meneer, wees zoo goed, niet aan alles te ruiken. —Och mevrouw, wil u even uw zakdoek gebruiken?Uleert vlug, meneer: ’k zag, u deed het daar gauw,Maar denk in ’t vervolg d’r om:nietmet uw mouw. —’t Is waar, ’tiswat warm; ik zag ’t aan uw gezicht;Maar m’n beste mevrouw, uw japon moet weer dicht. —Eén stoel per persoon, meneer; weg met die beenen! —Ja zeker, mevrouw, u draagt prachtige steenen,En paarlen, robijnen — ja, allemaal echt,Maar had u er nou niet de prijs van gezegd!Pardon, waarde heer, heusch, hier wil toch niets groeien,U hoeft, als u niest, niet den grond te besproeien. —Mevrouw, hand ervoor; ’t best is, dat u ’t vermijdt;En zeker ’n duim of drie vier minder wijd! —Recht op, beiden! ’k Dacht dat u zóó wou gaan duiken! —Tabak, meneer, enkel voorrookengebruiken!Heel lekker, misschien, maar hijmoetuit uw mond.Maar afleeren, hoor! Nee, nu niet op den grond!Wel zonde, hè? ’t Was net zoo’n lekkere, versche —Nee, mevrouw, nee! zóó neemt m’ uit ’n ben ’n hand kerse’,Maar koekjes die neemt men maar één-tegelijk,En houd wat u beet hebt, zoo in uw bereik. —Die roomtaartjes schijnen u wel te bekoren,Maar niet met die room zoo tot over uw ooren!Voorzichtig zoo’n hap! Niet te gauw! Niet te gauw!Uw vingersafvegen— niet likken, mevrouw! —Die melkkan, hoe vreemd het u ook moge klinken,Dient om uit teschenken— niet om uit te drinken. —Niethierdoen, uw nagels! —Uwmond is te vol! —Hu! Meneer, hebt u wel eens gehoord van Odol?! —Fruits glacés, mevrouw, ja. Maar u doet me weer schrikken,Met ’tvorkje, hoor, niet met uw haarspeld uitprikken! —Och meneer, asjeblieft, laat die beeldjes zoo staan! —En al steekt u uw likdoorn — uw schoen moet weer aan! —Dat woord kunt u werkelijk niet zeggen, dat voelt u;„Dat is flauwenonsens,” meneer, dat bedoelt u. —Ook dat niet, mevrouw, als men dàt zeggen kon,Dan liep het zoo vol niet bij Pygmalion. —Neen, ’k zal tot mijn spijtweeruw mond moeten stoppen,Mevrouwtje; u meent: „Manlief, laat je nietfoppen!” —Ziezoo. Nu is ’t tijd. Ja, ja, zooals u ziet,Manieren die leer je zoo makkelijk niet!Nu thuis nog maar ijverig door repeteeren,Dan zult u het allebei schitterend leeren.En binnen ’n jaar zingt u luidemijnlof,Want dan wordt u t’ eten gevraagd aan het Hof!”
„Dag mevrouw, dag meneer! Welkom hier. Komt u binnen. —
Nee, nee,mevrouweerst — nog maar even beginnen. —
Uw hoed af, meneer! — Nee, houdtu’m maar op. —
Kalm loopen, en niet in zoo’n woesten galop. —
Wàt zie ik? Een eindje sigaar? Nee, dat gaat niet;
Kom, kom, dat u dat uit uzelf niet op straat liet!
Gooi ’t nu maar zoo ongemerkt weg in den haard. —
Gaat zitten. Hier knus in het hoekje geschaard. —
Me lieve mevrouwtje! Kom, wees u nou wijzer:
Dat voetje terug! Nee, nee — niet aan dat ijzer!
Waarom dat niet buit’ aan de schrapper geschrapt?
Maar kijk liever uit, dat u nergens in trapt! —
Nee, nee, meneer, laat u z’ in godsnaam maar loopen,
Hierniet — u kunt’ straks wat insektpoeder koopen.
Men zegt „transpireeren,” mevrouw —alsmen ’t zegt!
Want voor een gesprek leent zich ’t onderwerp slecht. —
Glimlachen, mevrouw! Desnoods lachen — nóóit proesten! —
Meneer!!!...... Dàn tenminste gelijk even hoesten!
Neen, dat is een aschbakje — geen kwispeldoor, —
Nee, mevrouw, daar gebruikt men zijn vingers niet voor,
Nee, zelfs niet met ’t lepeltje...... al lijkt het u vitten,
De suiker-rest moet u d’r in laten zitten. —
’t Is heet, maar ’k wou datudat blazen wat liet. —
Mevrouw, drink uit ’tkopje— uit ’t schoteltje niet.
Meneer, wees zoo goed, niet aan alles te ruiken. —
Och mevrouw, wil u even uw zakdoek gebruiken?
Uleert vlug, meneer: ’k zag, u deed het daar gauw,
Maar denk in ’t vervolg d’r om:nietmet uw mouw. —
’t Is waar, ’tiswat warm; ik zag ’t aan uw gezicht;
Maar m’n beste mevrouw, uw japon moet weer dicht. —
Eén stoel per persoon, meneer; weg met die beenen! —
Ja zeker, mevrouw, u draagt prachtige steenen,
En paarlen, robijnen — ja, allemaal echt,
Maar had u er nou niet de prijs van gezegd!
Pardon, waarde heer, heusch, hier wil toch niets groeien,
U hoeft, als u niest, niet den grond te besproeien. —
Mevrouw, hand ervoor; ’t best is, dat u ’t vermijdt;
En zeker ’n duim of drie vier minder wijd! —
Recht op, beiden! ’k Dacht dat u zóó wou gaan duiken! —
Tabak, meneer, enkel voorrookengebruiken!
Heel lekker, misschien, maar hijmoetuit uw mond.
Maar afleeren, hoor! Nee, nu niet op den grond!
Wel zonde, hè? ’t Was net zoo’n lekkere, versche —
Nee, mevrouw, nee! zóó neemt m’ uit ’n ben ’n hand kerse’,
Maar koekjes die neemt men maar één-tegelijk,
En houd wat u beet hebt, zoo in uw bereik. —
Die roomtaartjes schijnen u wel te bekoren,
Maar niet met die room zoo tot over uw ooren!
Voorzichtig zoo’n hap! Niet te gauw! Niet te gauw!
Uw vingersafvegen— niet likken, mevrouw! —
Die melkkan, hoe vreemd het u ook moge klinken,
Dient om uit teschenken— niet om uit te drinken. —
Niethierdoen, uw nagels! —Uwmond is te vol! —
Hu! Meneer, hebt u wel eens gehoord van Odol?! —
Fruits glacés, mevrouw, ja. Maar u doet me weer schrikken,
Met ’tvorkje, hoor, niet met uw haarspeld uitprikken! —
Och meneer, asjeblieft, laat die beeldjes zoo staan! —
En al steekt u uw likdoorn — uw schoen moet weer aan! —
Dat woord kunt u werkelijk niet zeggen, dat voelt u;
„Dat is flauwenonsens,” meneer, dat bedoelt u. —
Ook dat niet, mevrouw, als men dàt zeggen kon,
Dan liep het zoo vol niet bij Pygmalion. —
Neen, ’k zal tot mijn spijtweeruw mond moeten stoppen,
Mevrouwtje; u meent: „Manlief, laat je nietfoppen!” —
Ziezoo. Nu is ’t tijd. Ja, ja, zooals u ziet,
Manieren die leer je zoo makkelijk niet!
Nu thuis nog maar ijverig door repeteeren,
Dan zult u het allebei schitterend leeren.
En binnen ’n jaar zingt u luidemijnlof,
Want dan wordt u t’ eten gevraagd aan het Hof!”
(Gordijn)
(Gordijn)
Charivarius heeft bij zijn verblijf ten plattelande de overtuiging gekregen, dat er behoefte bestaat aan een Algemeen Vereenigingslied op de Vriendschap. De vereeniging die in de Uitspanning komt potverteren, neemt plaats aan de tafeltjes onder de boomen, en heft het clublied aan. Meestal is het slecht gerijmd, weinig vloeiend van klank en ondiep van gedachte. Ziehier een poging tot iets beters. Het lied is er op ingericht om voor alle soorten van vereenigingen te dienen.
Charivarius heeft bij zijn verblijf ten plattelande de overtuiging gekregen, dat er behoefte bestaat aan een Algemeen Vereenigingslied op de Vriendschap. De vereeniging die in de Uitspanning komt potverteren, neemt plaats aan de tafeltjes onder de boomen, en heft het clublied aan. Meestal is het slecht gerijmd, weinig vloeiend van klank en ondiep van gedachte. Ziehier een poging tot iets beters. Het lied is er op ingericht om voor alle soorten van vereenigingen te dienen.
Wijze: „Wien Neerlandsch bloed” — Tollens.
(Allen, opgewekt, maar niet uitgelaten)Wij zitten blijde hier vereend,De Vriendschap bind ons saâm,Dien ’t Leven al zijn waarde leent,Gezegend zij zijn naam!Bij ’s levens Vreugd en ’s levens PijnHoud onzen Eendracht stand,En wat er ook van d’ aard verdwijn’,Nooit onzen Vriendschapsband! (bis)(Solo, een getrouwde Dame van huiselijken aanleg)De moeder mint haar zuigeling,En doet haar eigen wascht,Zoo blijft ook onzen VriendenkringSteeds proper en gepast.Wij eeren onze Koningin,Oranje, en Nederland,Wij zijn omstrengeld, één van zin,Door onze Vriendschapsband. (bis)(Duo, een Dame en een Heer, niet zonder nationale trots)Wel hebben wij ons Neerland lief,Ontwoekerd aan de zee,Met arbeid, zweet en ongerief,Van Texel tot Goeree,Maar veen en vaart en veld en vliet,En ’t Scheveningsche strandZijn ons nog lang zoo dierbaar nietAls onzen Vriendschapsband! (bis)(Solo, het jongste Lid, onbedorven, met zin voor natuurschoon)De vogel vliegt in vrijheid rond,De visch hapt in den haak,En uit de reinen kindermondHoort men de waarheid vaak.Een wonder is ’t hoe ’t luchtgewelf’t Grotesk Heelal omspant,Maar hechter nog — al zeg ’k ’t zelf —Is onzen Vriendschapsband. (bis)(Solo, een goedgezind, maar zuinig landmeisje)Hij, die niet op mij tegen heeft,Die blijv’ niet achterbaks:De kip, die ’t ei gelegen heeft,Begroet zijn kuiken straks.Wanneer ik fijn verkeering krijg,Trakteer ik navenant,Als ’k ’t geld voor de vertering krijgVan onzen vriendschapsband. (bis)(Solo, een militair, flink, maar hartelijk)Het leger staat nog overend,En vreest niet voor den strijd:Ik draag den rok, gelijk bekend,Van Hare Majesteit;Al ben ik maar een korporaal,(Binnen kort misschien sergeant)Nog hooger dan een generaalAcht ik de Vriendschapsband! (bis)(Solo, een jonge Dame met een warm hart)Een mensch zijn leven is een kruis,Wanneer geenLiefde’t kroont,Hetzij hij op een bovenhuis,Of in een villa woont.Maar zelfs al was ’k ’n barones,Gekleed in zijde en kant —Ik sprong beslist steeds in de bresVoor onze Vriendschapsband! (bis)(Solo, een eenig Heer van ernstig karakter)En als één onzer scheiden moet,De groene zoô hem wenkt,En elk, in ’t zwart en hoogen hoed,De ziltste tranen plengt,Ook dàn staan voor de laatste keerDe vrienden hand aan hand,En zingen luide ’t lied ter eerVan onzen Vriendschapsband. (bis)(Solo, de Redacteur van het plaatselijke blad)Een nieuwe lent’ — een nieuw geluid!Het gaat hier om de pret!Wij schakelen de tweedracht uit,De twist wordt stopgezet.Wat hier naar voren is gebracht,Komt morgen in de krant,Die sta in ’t teeken van de krachtVan onzen Vriendschapsband! (bis)
(Allen, opgewekt, maar niet uitgelaten)
Wij zitten blijde hier vereend,De Vriendschap bind ons saâm,Dien ’t Leven al zijn waarde leent,Gezegend zij zijn naam!Bij ’s levens Vreugd en ’s levens PijnHoud onzen Eendracht stand,En wat er ook van d’ aard verdwijn’,Nooit onzen Vriendschapsband! (bis)
Wij zitten blijde hier vereend,De Vriendschap bind ons saâm,Dien ’t Leven al zijn waarde leent,Gezegend zij zijn naam!Bij ’s levens Vreugd en ’s levens PijnHoud onzen Eendracht stand,En wat er ook van d’ aard verdwijn’,Nooit onzen Vriendschapsband! (bis)
Wij zitten blijde hier vereend,
De Vriendschap bind ons saâm,
Dien ’t Leven al zijn waarde leent,
Gezegend zij zijn naam!
Bij ’s levens Vreugd en ’s levens Pijn
Houd onzen Eendracht stand,
En wat er ook van d’ aard verdwijn’,
Nooit onzen Vriendschapsband! (bis)
(Solo, een getrouwde Dame van huiselijken aanleg)
De moeder mint haar zuigeling,En doet haar eigen wascht,Zoo blijft ook onzen VriendenkringSteeds proper en gepast.Wij eeren onze Koningin,Oranje, en Nederland,Wij zijn omstrengeld, één van zin,Door onze Vriendschapsband. (bis)
De moeder mint haar zuigeling,En doet haar eigen wascht,Zoo blijft ook onzen VriendenkringSteeds proper en gepast.Wij eeren onze Koningin,Oranje, en Nederland,Wij zijn omstrengeld, één van zin,Door onze Vriendschapsband. (bis)
De moeder mint haar zuigeling,
En doet haar eigen wascht,
Zoo blijft ook onzen Vriendenkring
Steeds proper en gepast.
Wij eeren onze Koningin,
Oranje, en Nederland,
Wij zijn omstrengeld, één van zin,
Door onze Vriendschapsband. (bis)
(Duo, een Dame en een Heer, niet zonder nationale trots)
Wel hebben wij ons Neerland lief,Ontwoekerd aan de zee,Met arbeid, zweet en ongerief,Van Texel tot Goeree,Maar veen en vaart en veld en vliet,En ’t Scheveningsche strandZijn ons nog lang zoo dierbaar nietAls onzen Vriendschapsband! (bis)
Wel hebben wij ons Neerland lief,Ontwoekerd aan de zee,Met arbeid, zweet en ongerief,Van Texel tot Goeree,Maar veen en vaart en veld en vliet,En ’t Scheveningsche strandZijn ons nog lang zoo dierbaar nietAls onzen Vriendschapsband! (bis)
Wel hebben wij ons Neerland lief,
Ontwoekerd aan de zee,
Met arbeid, zweet en ongerief,
Van Texel tot Goeree,
Maar veen en vaart en veld en vliet,
En ’t Scheveningsche strand
Zijn ons nog lang zoo dierbaar niet
Als onzen Vriendschapsband! (bis)
(Solo, het jongste Lid, onbedorven, met zin voor natuurschoon)
De vogel vliegt in vrijheid rond,De visch hapt in den haak,En uit de reinen kindermondHoort men de waarheid vaak.Een wonder is ’t hoe ’t luchtgewelf’t Grotesk Heelal omspant,Maar hechter nog — al zeg ’k ’t zelf —Is onzen Vriendschapsband. (bis)
De vogel vliegt in vrijheid rond,De visch hapt in den haak,En uit de reinen kindermondHoort men de waarheid vaak.Een wonder is ’t hoe ’t luchtgewelf’t Grotesk Heelal omspant,Maar hechter nog — al zeg ’k ’t zelf —Is onzen Vriendschapsband. (bis)
De vogel vliegt in vrijheid rond,
De visch hapt in den haak,
En uit de reinen kindermond
Hoort men de waarheid vaak.
Een wonder is ’t hoe ’t luchtgewelf
’t Grotesk Heelal omspant,
Maar hechter nog — al zeg ’k ’t zelf —
Is onzen Vriendschapsband. (bis)
(Solo, een goedgezind, maar zuinig landmeisje)
Hij, die niet op mij tegen heeft,Die blijv’ niet achterbaks:De kip, die ’t ei gelegen heeft,Begroet zijn kuiken straks.Wanneer ik fijn verkeering krijg,Trakteer ik navenant,Als ’k ’t geld voor de vertering krijgVan onzen vriendschapsband. (bis)
Hij, die niet op mij tegen heeft,Die blijv’ niet achterbaks:De kip, die ’t ei gelegen heeft,Begroet zijn kuiken straks.Wanneer ik fijn verkeering krijg,Trakteer ik navenant,Als ’k ’t geld voor de vertering krijgVan onzen vriendschapsband. (bis)
Hij, die niet op mij tegen heeft,
Die blijv’ niet achterbaks:
De kip, die ’t ei gelegen heeft,
Begroet zijn kuiken straks.
Wanneer ik fijn verkeering krijg,
Trakteer ik navenant,
Als ’k ’t geld voor de vertering krijg
Van onzen vriendschapsband. (bis)
(Solo, een militair, flink, maar hartelijk)
Het leger staat nog overend,En vreest niet voor den strijd:Ik draag den rok, gelijk bekend,Van Hare Majesteit;Al ben ik maar een korporaal,(Binnen kort misschien sergeant)Nog hooger dan een generaalAcht ik de Vriendschapsband! (bis)
Het leger staat nog overend,En vreest niet voor den strijd:Ik draag den rok, gelijk bekend,Van Hare Majesteit;Al ben ik maar een korporaal,(Binnen kort misschien sergeant)Nog hooger dan een generaalAcht ik de Vriendschapsband! (bis)
Het leger staat nog overend,
En vreest niet voor den strijd:
Ik draag den rok, gelijk bekend,
Van Hare Majesteit;
Al ben ik maar een korporaal,
(Binnen kort misschien sergeant)
Nog hooger dan een generaal
Acht ik de Vriendschapsband! (bis)
(Solo, een jonge Dame met een warm hart)
Een mensch zijn leven is een kruis,Wanneer geenLiefde’t kroont,Hetzij hij op een bovenhuis,Of in een villa woont.Maar zelfs al was ’k ’n barones,Gekleed in zijde en kant —Ik sprong beslist steeds in de bresVoor onze Vriendschapsband! (bis)
Een mensch zijn leven is een kruis,Wanneer geenLiefde’t kroont,Hetzij hij op een bovenhuis,Of in een villa woont.Maar zelfs al was ’k ’n barones,Gekleed in zijde en kant —Ik sprong beslist steeds in de bresVoor onze Vriendschapsband! (bis)
Een mensch zijn leven is een kruis,
Wanneer geenLiefde’t kroont,
Hetzij hij op een bovenhuis,
Of in een villa woont.
Maar zelfs al was ’k ’n barones,
Gekleed in zijde en kant —
Ik sprong beslist steeds in de bres
Voor onze Vriendschapsband! (bis)
(Solo, een eenig Heer van ernstig karakter)
En als één onzer scheiden moet,De groene zoô hem wenkt,En elk, in ’t zwart en hoogen hoed,De ziltste tranen plengt,Ook dàn staan voor de laatste keerDe vrienden hand aan hand,En zingen luide ’t lied ter eerVan onzen Vriendschapsband. (bis)
En als één onzer scheiden moet,De groene zoô hem wenkt,En elk, in ’t zwart en hoogen hoed,De ziltste tranen plengt,Ook dàn staan voor de laatste keerDe vrienden hand aan hand,En zingen luide ’t lied ter eerVan onzen Vriendschapsband. (bis)
En als één onzer scheiden moet,
De groene zoô hem wenkt,
En elk, in ’t zwart en hoogen hoed,
De ziltste tranen plengt,
Ook dàn staan voor de laatste keer
De vrienden hand aan hand,
En zingen luide ’t lied ter eer
Van onzen Vriendschapsband. (bis)
(Solo, de Redacteur van het plaatselijke blad)
Een nieuwe lent’ — een nieuw geluid!Het gaat hier om de pret!Wij schakelen de tweedracht uit,De twist wordt stopgezet.Wat hier naar voren is gebracht,Komt morgen in de krant,Die sta in ’t teeken van de krachtVan onzen Vriendschapsband! (bis)
Een nieuwe lent’ — een nieuw geluid!Het gaat hier om de pret!Wij schakelen de tweedracht uit,De twist wordt stopgezet.Wat hier naar voren is gebracht,Komt morgen in de krant,Die sta in ’t teeken van de krachtVan onzen Vriendschapsband! (bis)
Een nieuwe lent’ — een nieuw geluid!
Het gaat hier om de pret!
Wij schakelen de tweedracht uit,
De twist wordt stopgezet.
Wat hier naar voren is gebracht,
Komt morgen in de krant,
Die sta in ’t teeken van de kracht
Van onzen Vriendschapsband! (bis)
„HUWELIJK. Heer, 50 j. zoekt kennismaking met een net, eenvoudig meisje. Leeftijd 40 à 50 jaar.”Adv. N. v. d. D.
„HUWELIJK. Heer, 50 j. zoekt kennismaking met een net, eenvoudig meisje. Leeftijd 40 à 50 jaar.”Adv. N. v. d. D.
Geachte Heer, ik las daarnet uw advertentie:U zoekt een vrouw.’k Meen dat ’k hier de vervulling van een dierbren wensch zie,Dus schrijf ’k maar gauw.Ik heet Giesbertha Klomp, maar och, zegtumaar Gijsje,Zoo familiaar.Me dunkt, ik ben net iets voor u: ik ben een meisjeVan vijftig jaar.Hierbij gaat mijn portret — voor u alleen, mijn hartje,Inspres besteld!Bij Bosman in de Kalverstraat; drie voor een kwartje;Het is géén geld.Ik plak nu zelf van goudpapier een prachtig lijs’je,’t Is bijna klaar;Dat stuur ’k u d’ andre week — voor ’t snoetje van uw meisjeVan vijftig jaar.Ik weeg tweehonderd pond (ik heb me laten wegen)Schoon aan de haak.’k Heb net gelukkig mijn gebit terug gekregen:’t Was in de maak.’k Heb beeldig blonde haren — met ’n enkel grijsje,Zoo hier en daar,Ze zeggen, dat dat snoezig staat zoo in een meisjeVan vijftig jaar.’k Ben weeuw. ’k Heb van m’n eerste man een flinke jongen.Daar woon ’k bij in.Hij ’s ook getrouwd. Er wordt den ganschen dag gezongenIn ons gezin.Zijn vrouwtje speelt: U houdt toch van een vroolijk wijsjeIn huis, nietwaar?Ik neurie heel lief mee, al ben ik al een meisjeVan vijftig jaar.De kindren zijn gezond en lief. Het zijn er zeven —Dat zeg ’k maar vast.Die brengen vroolijkheid in ons gezin, en leven,En heel geen last.Ja, Pietje krijgt van meester elken dag een prijsje,Dus — geen bezwaar!’k Zou ’t ronduit zeggen, want ik ben een eerlijk meisjeVan vijftig jaar.Wij hebb’ ’n zieken hond, met zoo’n gezellig luchtjeVan oude kaas;Hij is heel waaksch, en bromt, of blaft bij ’t minst geruchtje;Dat wil de baas.Dan nog drie poesen, een kanarie en een sijsje,Lief met mekaar,En allemaal zóó gehecht aan uw aanstaande meisjeVan vijftig jaar!’k Ben net als u; ’k houd niets van zoo’n aanstell’rig juffie —Da’s niks voor mijn!Zoo’n lekkerbekkig poppetje, zoo’n groozig nuffie,Verwend en fijn,Die zanikt om een kipj’, een duifje, of patrijsje,Of caviaar —Da’s niks gedaan voor u. U zoekt eenhuislijkmeisjeVan vijftig jaar.Bij ons is ’t heel eenvoudig, maar toch altijd volop:Gestampte pot,Of stokvisch of zoo iets, daar zijn we allemaal dol op,Gebakken bot,Of spek, of bloemkool met wat worst of een saucijsje,Goed vet en gaar,Da’smijgenoeg —ikben toch zoo’n eenvoudig meisjeVan vijftig jaar!Een pasgestorven nicht vermaakte mij haar spullen:Een overvloed!Zoodat ’k mijn heele linnenkast heb kunnen vullenMet ondergoed.We maken in het binnenland ons huwlijksreisje;Het is wel naar,Maar ’t buitenland is nu niet veilig voor een meisjeVan vijftig jaar.We kijken ’s uit na ’n prijsvermindering of daling,Nietwaar, Mijnheer?Of koopen nog wat meubeltjes op afbetaling,Da doe ’k wel meer.Zoo maakt gij onze woning tot een klein paleisje,Gij, toovenaar!En...... koningin in dat paleis — dat wordt uw meisjeVan vijftig jaar!Zóó wordt dan werklijkheid wat ’k schier onmooglijk waande,Door Gods genâ!’k Verzoek u dus beleefd: antwoord per ommegaande,En antwoord...... JA!!Zóó wordt tot ingang van een wereldsch paradijsjeHet bruidsaltaar,Waar gij uw hart en hand schenkt aan uw smachtend meisjeVan vijftig jaar!
Geachte Heer, ik las daarnet uw advertentie:U zoekt een vrouw.’k Meen dat ’k hier de vervulling van een dierbren wensch zie,Dus schrijf ’k maar gauw.Ik heet Giesbertha Klomp, maar och, zegtumaar Gijsje,Zoo familiaar.Me dunkt, ik ben net iets voor u: ik ben een meisjeVan vijftig jaar.Hierbij gaat mijn portret — voor u alleen, mijn hartje,Inspres besteld!Bij Bosman in de Kalverstraat; drie voor een kwartje;Het is géén geld.Ik plak nu zelf van goudpapier een prachtig lijs’je,’t Is bijna klaar;Dat stuur ’k u d’ andre week — voor ’t snoetje van uw meisjeVan vijftig jaar.Ik weeg tweehonderd pond (ik heb me laten wegen)Schoon aan de haak.’k Heb net gelukkig mijn gebit terug gekregen:’t Was in de maak.’k Heb beeldig blonde haren — met ’n enkel grijsje,Zoo hier en daar,Ze zeggen, dat dat snoezig staat zoo in een meisjeVan vijftig jaar.’k Ben weeuw. ’k Heb van m’n eerste man een flinke jongen.Daar woon ’k bij in.Hij ’s ook getrouwd. Er wordt den ganschen dag gezongenIn ons gezin.Zijn vrouwtje speelt: U houdt toch van een vroolijk wijsjeIn huis, nietwaar?Ik neurie heel lief mee, al ben ik al een meisjeVan vijftig jaar.De kindren zijn gezond en lief. Het zijn er zeven —Dat zeg ’k maar vast.Die brengen vroolijkheid in ons gezin, en leven,En heel geen last.Ja, Pietje krijgt van meester elken dag een prijsje,Dus — geen bezwaar!’k Zou ’t ronduit zeggen, want ik ben een eerlijk meisjeVan vijftig jaar.Wij hebb’ ’n zieken hond, met zoo’n gezellig luchtjeVan oude kaas;Hij is heel waaksch, en bromt, of blaft bij ’t minst geruchtje;Dat wil de baas.Dan nog drie poesen, een kanarie en een sijsje,Lief met mekaar,En allemaal zóó gehecht aan uw aanstaande meisjeVan vijftig jaar!’k Ben net als u; ’k houd niets van zoo’n aanstell’rig juffie —Da’s niks voor mijn!Zoo’n lekkerbekkig poppetje, zoo’n groozig nuffie,Verwend en fijn,Die zanikt om een kipj’, een duifje, of patrijsje,Of caviaar —Da’s niks gedaan voor u. U zoekt eenhuislijkmeisjeVan vijftig jaar.Bij ons is ’t heel eenvoudig, maar toch altijd volop:Gestampte pot,Of stokvisch of zoo iets, daar zijn we allemaal dol op,Gebakken bot,Of spek, of bloemkool met wat worst of een saucijsje,Goed vet en gaar,Da’smijgenoeg —ikben toch zoo’n eenvoudig meisjeVan vijftig jaar!Een pasgestorven nicht vermaakte mij haar spullen:Een overvloed!Zoodat ’k mijn heele linnenkast heb kunnen vullenMet ondergoed.We maken in het binnenland ons huwlijksreisje;Het is wel naar,Maar ’t buitenland is nu niet veilig voor een meisjeVan vijftig jaar.We kijken ’s uit na ’n prijsvermindering of daling,Nietwaar, Mijnheer?Of koopen nog wat meubeltjes op afbetaling,Da doe ’k wel meer.Zoo maakt gij onze woning tot een klein paleisje,Gij, toovenaar!En...... koningin in dat paleis — dat wordt uw meisjeVan vijftig jaar!Zóó wordt dan werklijkheid wat ’k schier onmooglijk waande,Door Gods genâ!’k Verzoek u dus beleefd: antwoord per ommegaande,En antwoord...... JA!!Zóó wordt tot ingang van een wereldsch paradijsjeHet bruidsaltaar,Waar gij uw hart en hand schenkt aan uw smachtend meisjeVan vijftig jaar!
Geachte Heer, ik las daarnet uw advertentie:U zoekt een vrouw.’k Meen dat ’k hier de vervulling van een dierbren wensch zie,Dus schrijf ’k maar gauw.Ik heet Giesbertha Klomp, maar och, zegtumaar Gijsje,Zoo familiaar.Me dunkt, ik ben net iets voor u: ik ben een meisjeVan vijftig jaar.
Geachte Heer, ik las daarnet uw advertentie:
U zoekt een vrouw.
’k Meen dat ’k hier de vervulling van een dierbren wensch zie,
Dus schrijf ’k maar gauw.
Ik heet Giesbertha Klomp, maar och, zegtumaar Gijsje,
Zoo familiaar.
Me dunkt, ik ben net iets voor u: ik ben een meisje
Van vijftig jaar.
Hierbij gaat mijn portret — voor u alleen, mijn hartje,Inspres besteld!Bij Bosman in de Kalverstraat; drie voor een kwartje;Het is géén geld.Ik plak nu zelf van goudpapier een prachtig lijs’je,’t Is bijna klaar;Dat stuur ’k u d’ andre week — voor ’t snoetje van uw meisjeVan vijftig jaar.
Hierbij gaat mijn portret — voor u alleen, mijn hartje,
Inspres besteld!
Bij Bosman in de Kalverstraat; drie voor een kwartje;
Het is géén geld.
Ik plak nu zelf van goudpapier een prachtig lijs’je,
’t Is bijna klaar;
Dat stuur ’k u d’ andre week — voor ’t snoetje van uw meisje
Van vijftig jaar.
Ik weeg tweehonderd pond (ik heb me laten wegen)Schoon aan de haak.’k Heb net gelukkig mijn gebit terug gekregen:’t Was in de maak.’k Heb beeldig blonde haren — met ’n enkel grijsje,Zoo hier en daar,Ze zeggen, dat dat snoezig staat zoo in een meisjeVan vijftig jaar.
Ik weeg tweehonderd pond (ik heb me laten wegen)
Schoon aan de haak.
’k Heb net gelukkig mijn gebit terug gekregen:
’t Was in de maak.
’k Heb beeldig blonde haren — met ’n enkel grijsje,
Zoo hier en daar,
Ze zeggen, dat dat snoezig staat zoo in een meisje
Van vijftig jaar.
’k Ben weeuw. ’k Heb van m’n eerste man een flinke jongen.Daar woon ’k bij in.Hij ’s ook getrouwd. Er wordt den ganschen dag gezongenIn ons gezin.Zijn vrouwtje speelt: U houdt toch van een vroolijk wijsjeIn huis, nietwaar?Ik neurie heel lief mee, al ben ik al een meisjeVan vijftig jaar.
’k Ben weeuw. ’k Heb van m’n eerste man een flinke jongen.
Daar woon ’k bij in.
Hij ’s ook getrouwd. Er wordt den ganschen dag gezongen
In ons gezin.
Zijn vrouwtje speelt: U houdt toch van een vroolijk wijsje
In huis, nietwaar?
Ik neurie heel lief mee, al ben ik al een meisje
Van vijftig jaar.
De kindren zijn gezond en lief. Het zijn er zeven —Dat zeg ’k maar vast.Die brengen vroolijkheid in ons gezin, en leven,En heel geen last.Ja, Pietje krijgt van meester elken dag een prijsje,Dus — geen bezwaar!’k Zou ’t ronduit zeggen, want ik ben een eerlijk meisjeVan vijftig jaar.
De kindren zijn gezond en lief. Het zijn er zeven —
Dat zeg ’k maar vast.
Die brengen vroolijkheid in ons gezin, en leven,
En heel geen last.
Ja, Pietje krijgt van meester elken dag een prijsje,
Dus — geen bezwaar!
’k Zou ’t ronduit zeggen, want ik ben een eerlijk meisje
Van vijftig jaar.
Wij hebb’ ’n zieken hond, met zoo’n gezellig luchtjeVan oude kaas;Hij is heel waaksch, en bromt, of blaft bij ’t minst geruchtje;Dat wil de baas.Dan nog drie poesen, een kanarie en een sijsje,Lief met mekaar,En allemaal zóó gehecht aan uw aanstaande meisjeVan vijftig jaar!
Wij hebb’ ’n zieken hond, met zoo’n gezellig luchtje
Van oude kaas;
Hij is heel waaksch, en bromt, of blaft bij ’t minst geruchtje;
Dat wil de baas.
Dan nog drie poesen, een kanarie en een sijsje,
Lief met mekaar,
En allemaal zóó gehecht aan uw aanstaande meisje
Van vijftig jaar!
’k Ben net als u; ’k houd niets van zoo’n aanstell’rig juffie —Da’s niks voor mijn!Zoo’n lekkerbekkig poppetje, zoo’n groozig nuffie,Verwend en fijn,Die zanikt om een kipj’, een duifje, of patrijsje,Of caviaar —Da’s niks gedaan voor u. U zoekt eenhuislijkmeisjeVan vijftig jaar.
’k Ben net als u; ’k houd niets van zoo’n aanstell’rig juffie —
Da’s niks voor mijn!
Zoo’n lekkerbekkig poppetje, zoo’n groozig nuffie,
Verwend en fijn,
Die zanikt om een kipj’, een duifje, of patrijsje,
Of caviaar —
Da’s niks gedaan voor u. U zoekt eenhuislijkmeisje
Van vijftig jaar.
Bij ons is ’t heel eenvoudig, maar toch altijd volop:Gestampte pot,Of stokvisch of zoo iets, daar zijn we allemaal dol op,Gebakken bot,Of spek, of bloemkool met wat worst of een saucijsje,Goed vet en gaar,Da’smijgenoeg —ikben toch zoo’n eenvoudig meisjeVan vijftig jaar!
Bij ons is ’t heel eenvoudig, maar toch altijd volop:
Gestampte pot,
Of stokvisch of zoo iets, daar zijn we allemaal dol op,
Gebakken bot,
Of spek, of bloemkool met wat worst of een saucijsje,
Goed vet en gaar,
Da’smijgenoeg —ikben toch zoo’n eenvoudig meisje
Van vijftig jaar!
Een pasgestorven nicht vermaakte mij haar spullen:Een overvloed!Zoodat ’k mijn heele linnenkast heb kunnen vullenMet ondergoed.We maken in het binnenland ons huwlijksreisje;Het is wel naar,Maar ’t buitenland is nu niet veilig voor een meisjeVan vijftig jaar.
Een pasgestorven nicht vermaakte mij haar spullen:
Een overvloed!
Zoodat ’k mijn heele linnenkast heb kunnen vullen
Met ondergoed.
We maken in het binnenland ons huwlijksreisje;
Het is wel naar,
Maar ’t buitenland is nu niet veilig voor een meisje
Van vijftig jaar.
We kijken ’s uit na ’n prijsvermindering of daling,Nietwaar, Mijnheer?Of koopen nog wat meubeltjes op afbetaling,Da doe ’k wel meer.Zoo maakt gij onze woning tot een klein paleisje,Gij, toovenaar!En...... koningin in dat paleis — dat wordt uw meisjeVan vijftig jaar!
We kijken ’s uit na ’n prijsvermindering of daling,
Nietwaar, Mijnheer?
Of koopen nog wat meubeltjes op afbetaling,
Da doe ’k wel meer.
Zoo maakt gij onze woning tot een klein paleisje,
Gij, toovenaar!
En...... koningin in dat paleis — dat wordt uw meisje
Van vijftig jaar!
Zóó wordt dan werklijkheid wat ’k schier onmooglijk waande,Door Gods genâ!’k Verzoek u dus beleefd: antwoord per ommegaande,En antwoord...... JA!!Zóó wordt tot ingang van een wereldsch paradijsjeHet bruidsaltaar,Waar gij uw hart en hand schenkt aan uw smachtend meisjeVan vijftig jaar!
Zóó wordt dan werklijkheid wat ’k schier onmooglijk waande,
Door Gods genâ!
’k Verzoek u dus beleefd: antwoord per ommegaande,
En antwoord...... JA!!
Zóó wordt tot ingang van een wereldsch paradijsje
Het bruidsaltaar,
Waar gij uw hart en hand schenkt aan uw smachtend meisje
Van vijftig jaar!