[2]No, you are wrong. This is the plural of „doe”.
[2]No, you are wrong. This is the plural of „doe”.
O, zanger, gij, die gansch een volk behoort,Die zooveel jaren Holland’s hart vervulde,Wiens lied ons boeit, wiens zachte stem bekoort,Ik breng u hulde.Toen gij, al lang geleên, met moeder’s briefOns van de stulp op straat, ten kerker voerde,Toen kreeg heel Nederland den dichter lief,Die zóó ontroerde.Men was ontroerd — maar zonder luid gesnik,Men lachte soms — maar zonder luid geschater;De vluggen troft ge ’t eerste oogenblik,De tragen later.Maar heel ons brave volk hebt gij verblijdMet ’t lied des mariniers aan zijn beminde;Wie kent er niet d’ onsterfelijke meid,De goedgezinde?En d’ arme opoe dan, die niets meer zei,De meisjes van de H. B. S., de blonde,De vegetariërs, de schutterij,Het kind der zonde?En ’t meisje! ’t meisje, dat men nooit vergeet,De oude zwabber, bij zijn Catz, zijn krantje,Het scheepje — vader’s ongezegde leed,De broek van Jantje?Voor u is ook een mensch de bruggeman,Ouw’ Betje geeft u stof voor een ballade,Gij ziet zelfs ’t menschelijk’ in de juffrouw vanDe retirade!Gij hebt den stillen humor ons gebrachtWaardoor de doode dingen leven krijgen;Gij wist tezeggen, waar het moest, met kracht,En — teverzwijgen.Gij, die de ziel der natie hebt gevat,Die tot het hart te spreken weet — te fluisteren!O, peinzend dichter, zanger, zing nog wat,Wij zullen luisteren......
O, zanger, gij, die gansch een volk behoort,Die zooveel jaren Holland’s hart vervulde,Wiens lied ons boeit, wiens zachte stem bekoort,Ik breng u hulde.Toen gij, al lang geleên, met moeder’s briefOns van de stulp op straat, ten kerker voerde,Toen kreeg heel Nederland den dichter lief,Die zóó ontroerde.Men was ontroerd — maar zonder luid gesnik,Men lachte soms — maar zonder luid geschater;De vluggen troft ge ’t eerste oogenblik,De tragen later.Maar heel ons brave volk hebt gij verblijdMet ’t lied des mariniers aan zijn beminde;Wie kent er niet d’ onsterfelijke meid,De goedgezinde?En d’ arme opoe dan, die niets meer zei,De meisjes van de H. B. S., de blonde,De vegetariërs, de schutterij,Het kind der zonde?En ’t meisje! ’t meisje, dat men nooit vergeet,De oude zwabber, bij zijn Catz, zijn krantje,Het scheepje — vader’s ongezegde leed,De broek van Jantje?Voor u is ook een mensch de bruggeman,Ouw’ Betje geeft u stof voor een ballade,Gij ziet zelfs ’t menschelijk’ in de juffrouw vanDe retirade!Gij hebt den stillen humor ons gebrachtWaardoor de doode dingen leven krijgen;Gij wist tezeggen, waar het moest, met kracht,En — teverzwijgen.Gij, die de ziel der natie hebt gevat,Die tot het hart te spreken weet — te fluisteren!O, peinzend dichter, zanger, zing nog wat,Wij zullen luisteren......
O, zanger, gij, die gansch een volk behoort,Die zooveel jaren Holland’s hart vervulde,Wiens lied ons boeit, wiens zachte stem bekoort,Ik breng u hulde.
O, zanger, gij, die gansch een volk behoort,
Die zooveel jaren Holland’s hart vervulde,
Wiens lied ons boeit, wiens zachte stem bekoort,
Ik breng u hulde.
Toen gij, al lang geleên, met moeder’s briefOns van de stulp op straat, ten kerker voerde,Toen kreeg heel Nederland den dichter lief,Die zóó ontroerde.
Toen gij, al lang geleên, met moeder’s brief
Ons van de stulp op straat, ten kerker voerde,
Toen kreeg heel Nederland den dichter lief,
Die zóó ontroerde.
Men was ontroerd — maar zonder luid gesnik,Men lachte soms — maar zonder luid geschater;De vluggen troft ge ’t eerste oogenblik,De tragen later.
Men was ontroerd — maar zonder luid gesnik,
Men lachte soms — maar zonder luid geschater;
De vluggen troft ge ’t eerste oogenblik,
De tragen later.
Maar heel ons brave volk hebt gij verblijdMet ’t lied des mariniers aan zijn beminde;Wie kent er niet d’ onsterfelijke meid,De goedgezinde?
Maar heel ons brave volk hebt gij verblijd
Met ’t lied des mariniers aan zijn beminde;
Wie kent er niet d’ onsterfelijke meid,
De goedgezinde?
En d’ arme opoe dan, die niets meer zei,De meisjes van de H. B. S., de blonde,De vegetariërs, de schutterij,Het kind der zonde?
En d’ arme opoe dan, die niets meer zei,
De meisjes van de H. B. S., de blonde,
De vegetariërs, de schutterij,
Het kind der zonde?
En ’t meisje! ’t meisje, dat men nooit vergeet,De oude zwabber, bij zijn Catz, zijn krantje,Het scheepje — vader’s ongezegde leed,De broek van Jantje?
En ’t meisje! ’t meisje, dat men nooit vergeet,
De oude zwabber, bij zijn Catz, zijn krantje,
Het scheepje — vader’s ongezegde leed,
De broek van Jantje?
Voor u is ook een mensch de bruggeman,Ouw’ Betje geeft u stof voor een ballade,Gij ziet zelfs ’t menschelijk’ in de juffrouw vanDe retirade!
Voor u is ook een mensch de bruggeman,
Ouw’ Betje geeft u stof voor een ballade,
Gij ziet zelfs ’t menschelijk’ in de juffrouw van
De retirade!
Gij hebt den stillen humor ons gebrachtWaardoor de doode dingen leven krijgen;Gij wist tezeggen, waar het moest, met kracht,En — teverzwijgen.
Gij hebt den stillen humor ons gebracht
Waardoor de doode dingen leven krijgen;
Gij wist tezeggen, waar het moest, met kracht,
En — teverzwijgen.
Gij, die de ziel der natie hebt gevat,Die tot het hart te spreken weet — te fluisteren!O, peinzend dichter, zanger, zing nog wat,Wij zullen luisteren......
Gij, die de ziel der natie hebt gevat,
Die tot het hart te spreken weet — te fluisteren!
O, peinzend dichter, zanger, zing nog wat,
Wij zullen luisteren......
Open brief aan den Raad van Beheer van „Het Nederlandsch Tooneel”.
Open brief aan den Raad van Beheer van „Het Nederlandsch Tooneel”.
„Het hemelsche gerecht moog’ zich ten langen lesteOntfermen — ons bevrij’n van de benauwde veste!”
„Het hemelsche gerecht moog’ zich ten langen lesteOntfermen — ons bevrij’n van de benauwde veste!”
„Het hemelsche gerecht moog’ zich ten langen lesteOntfermen — ons bevrij’n van de benauwde veste!”
„Het hemelsche gerecht moog’ zich ten langen leste
Ontfermen — ons bevrij’n van de benauwde veste!”
’k Beken het eerlijk en oprecht, — dat is toch maar het beste —Ik heb het alweer afgelegd in de benauwde veste!Ach, ieder jaar probeer ’k het weer, maar ’t heeft me steeds berouwd,Ik denk niet, dat ik ’t ooit meer leer: de veste istebenauwd!Zoo zonder pauze, denk eens aan! Van acht uur af tot elven!Ja, toen het eindelijk was gedaan, toen viel ik van mezelven.Ik werd gelukkig bijgebracht met slemp, en met een soes,Maar ’k hoorde nog den heelen nacht dat stem-geroezemoes.O, had ik nu toch maar ’t geluk, — zoo zuchtte ik in m’n wanhoop —Dat ’k weg mocht! Neen. Dat zware stuk dat is nog maar ’n anloop.Het Nieuwjaars-stuk begint dan pas; en, o, die Nieuwjaars-wensch!Wie dien nog volgen kon, die was geen mensch, maar Oppermensch!We zijn te moe, we zijn te gaar, als ’t twaalf uur, of kwart voor, is,Voor Pieternel en Thomasvaer, voor Roosje en voor Kloris.Je voelt je overladen, dof, als na een lang menuMet veel te zware meelkost, of met veel te vette jus:Eerst erwtensoep („met”), stokvisch, bot, gehakt met capucijners,Dan varkenspoot, gestampte pot, kool, rookworst; dan wat fijners:Choc’ladepudding, rijstebrij, gort, griesmeel, zoete vla,En dan — er kan nog wel wat bij — spekpannekoeken na.Ja, Gijsbrecht en zijne trouwe schaar zijn eindeloos breedsprakig,Wijdloopig, dik, langdradig zwaar, loslippig en loskakig.En hun verhalen dreunen voort, zij buldren onvermoeid,Hun zinnen worden woord voor woord ter zale ingeloeid.Zelfs Rafael, zingend Godes lof, hoog boven wolk en winden,Is ongelooflijk lang van stof, en kan zijn eind niet vinden.Raad van Beheer! Schaf „Gijsbrecht” af! verhoor mijn bittre beê,Ai, laat hem liggen in zijn graf, zijn assche rust’ in vreê!Heb medelijden ’t volgend jaar! Mocht g’ u ten lange lesteOntfermen! O, verlos ons maar van de benauwde veste!
’k Beken het eerlijk en oprecht, — dat is toch maar het beste —Ik heb het alweer afgelegd in de benauwde veste!Ach, ieder jaar probeer ’k het weer, maar ’t heeft me steeds berouwd,Ik denk niet, dat ik ’t ooit meer leer: de veste istebenauwd!Zoo zonder pauze, denk eens aan! Van acht uur af tot elven!Ja, toen het eindelijk was gedaan, toen viel ik van mezelven.Ik werd gelukkig bijgebracht met slemp, en met een soes,Maar ’k hoorde nog den heelen nacht dat stem-geroezemoes.O, had ik nu toch maar ’t geluk, — zoo zuchtte ik in m’n wanhoop —Dat ’k weg mocht! Neen. Dat zware stuk dat is nog maar ’n anloop.Het Nieuwjaars-stuk begint dan pas; en, o, die Nieuwjaars-wensch!Wie dien nog volgen kon, die was geen mensch, maar Oppermensch!We zijn te moe, we zijn te gaar, als ’t twaalf uur, of kwart voor, is,Voor Pieternel en Thomasvaer, voor Roosje en voor Kloris.Je voelt je overladen, dof, als na een lang menuMet veel te zware meelkost, of met veel te vette jus:Eerst erwtensoep („met”), stokvisch, bot, gehakt met capucijners,Dan varkenspoot, gestampte pot, kool, rookworst; dan wat fijners:Choc’ladepudding, rijstebrij, gort, griesmeel, zoete vla,En dan — er kan nog wel wat bij — spekpannekoeken na.Ja, Gijsbrecht en zijne trouwe schaar zijn eindeloos breedsprakig,Wijdloopig, dik, langdradig zwaar, loslippig en loskakig.En hun verhalen dreunen voort, zij buldren onvermoeid,Hun zinnen worden woord voor woord ter zale ingeloeid.Zelfs Rafael, zingend Godes lof, hoog boven wolk en winden,Is ongelooflijk lang van stof, en kan zijn eind niet vinden.Raad van Beheer! Schaf „Gijsbrecht” af! verhoor mijn bittre beê,Ai, laat hem liggen in zijn graf, zijn assche rust’ in vreê!Heb medelijden ’t volgend jaar! Mocht g’ u ten lange lesteOntfermen! O, verlos ons maar van de benauwde veste!
’k Beken het eerlijk en oprecht, — dat is toch maar het beste —Ik heb het alweer afgelegd in de benauwde veste!Ach, ieder jaar probeer ’k het weer, maar ’t heeft me steeds berouwd,Ik denk niet, dat ik ’t ooit meer leer: de veste istebenauwd!Zoo zonder pauze, denk eens aan! Van acht uur af tot elven!Ja, toen het eindelijk was gedaan, toen viel ik van mezelven.Ik werd gelukkig bijgebracht met slemp, en met een soes,Maar ’k hoorde nog den heelen nacht dat stem-geroezemoes.O, had ik nu toch maar ’t geluk, — zoo zuchtte ik in m’n wanhoop —Dat ’k weg mocht! Neen. Dat zware stuk dat is nog maar ’n anloop.Het Nieuwjaars-stuk begint dan pas; en, o, die Nieuwjaars-wensch!Wie dien nog volgen kon, die was geen mensch, maar Oppermensch!We zijn te moe, we zijn te gaar, als ’t twaalf uur, of kwart voor, is,Voor Pieternel en Thomasvaer, voor Roosje en voor Kloris.Je voelt je overladen, dof, als na een lang menuMet veel te zware meelkost, of met veel te vette jus:Eerst erwtensoep („met”), stokvisch, bot, gehakt met capucijners,Dan varkenspoot, gestampte pot, kool, rookworst; dan wat fijners:Choc’ladepudding, rijstebrij, gort, griesmeel, zoete vla,En dan — er kan nog wel wat bij — spekpannekoeken na.Ja, Gijsbrecht en zijne trouwe schaar zijn eindeloos breedsprakig,Wijdloopig, dik, langdradig zwaar, loslippig en loskakig.En hun verhalen dreunen voort, zij buldren onvermoeid,Hun zinnen worden woord voor woord ter zale ingeloeid.Zelfs Rafael, zingend Godes lof, hoog boven wolk en winden,Is ongelooflijk lang van stof, en kan zijn eind niet vinden.Raad van Beheer! Schaf „Gijsbrecht” af! verhoor mijn bittre beê,Ai, laat hem liggen in zijn graf, zijn assche rust’ in vreê!Heb medelijden ’t volgend jaar! Mocht g’ u ten lange lesteOntfermen! O, verlos ons maar van de benauwde veste!
’k Beken het eerlijk en oprecht, — dat is toch maar het beste —
Ik heb het alweer afgelegd in de benauwde veste!
Ach, ieder jaar probeer ’k het weer, maar ’t heeft me steeds berouwd,
Ik denk niet, dat ik ’t ooit meer leer: de veste istebenauwd!
Zoo zonder pauze, denk eens aan! Van acht uur af tot elven!
Ja, toen het eindelijk was gedaan, toen viel ik van mezelven.
Ik werd gelukkig bijgebracht met slemp, en met een soes,
Maar ’k hoorde nog den heelen nacht dat stem-geroezemoes.
O, had ik nu toch maar ’t geluk, — zoo zuchtte ik in m’n wanhoop —
Dat ’k weg mocht! Neen. Dat zware stuk dat is nog maar ’n anloop.
Het Nieuwjaars-stuk begint dan pas; en, o, die Nieuwjaars-wensch!
Wie dien nog volgen kon, die was geen mensch, maar Oppermensch!
We zijn te moe, we zijn te gaar, als ’t twaalf uur, of kwart voor, is,
Voor Pieternel en Thomasvaer, voor Roosje en voor Kloris.
Je voelt je overladen, dof, als na een lang menu
Met veel te zware meelkost, of met veel te vette jus:
Eerst erwtensoep („met”), stokvisch, bot, gehakt met capucijners,
Dan varkenspoot, gestampte pot, kool, rookworst; dan wat fijners:
Choc’ladepudding, rijstebrij, gort, griesmeel, zoete vla,
En dan — er kan nog wel wat bij — spekpannekoeken na.
Ja, Gijsbrecht en zijne trouwe schaar zijn eindeloos breedsprakig,
Wijdloopig, dik, langdradig zwaar, loslippig en loskakig.
En hun verhalen dreunen voort, zij buldren onvermoeid,
Hun zinnen worden woord voor woord ter zale ingeloeid.
Zelfs Rafael, zingend Godes lof, hoog boven wolk en winden,
Is ongelooflijk lang van stof, en kan zijn eind niet vinden.
Raad van Beheer! Schaf „Gijsbrecht” af! verhoor mijn bittre beê,
Ai, laat hem liggen in zijn graf, zijn assche rust’ in vreê!
Heb medelijden ’t volgend jaar! Mocht g’ u ten lange leste
Ontfermen! O, verlos ons maar van de benauwde veste!
Gerijmd na het zien van zijn schilderij: „De Lupuslijder.”
Gerijmd na het zien van zijn schilderij: „De Lupuslijder.”
Neen, schilder, neen. Geef andre kunst.Keer om. Bewandel andre wegen.Gij hebt van God de gaaf gekregen,Uw werk zij waardig Godes gunst.O, weemoed! Hopelooze ellend’!Waar prooibelust de wreedste ziekteAls een harpije nederwiekte,Die ’s Hemels schoonste schepping schendt,Die ’t menschlijk lichaam schroeit en schrijnt,Die Godes beeld, en wondre scheppingAan dorring prijsgeeft, en verlepping,Waar lid op lid ontvleescht verdwijnt.Hier torst een Mensch in bitt’ren noodEen last te zwaar schier om te dragen,En snakt naar ’t einde van de dagen,En naar de weldaad van den dood.Is daar op onze lieflijke aardGeen schoonheid meer om af te malen?Geen gulden glans van zonnestralenOp bonten beemd en groenen gaard?Is daar geen blijde bloemenpracht,Geen steden-schijning, geheimzinnig,Geen grijze dorpskerk, vroom en innig.Geen zeeën-vreugde van smaragd?Neen, schilder. Staak uw droef bedrijf.Gij kunt ons edle blijheid geven;Maal ons ’t ontroerend schoone Leven,En spaar ons dit ontbindend lijf!
Neen, schilder, neen. Geef andre kunst.Keer om. Bewandel andre wegen.Gij hebt van God de gaaf gekregen,Uw werk zij waardig Godes gunst.O, weemoed! Hopelooze ellend’!Waar prooibelust de wreedste ziekteAls een harpije nederwiekte,Die ’s Hemels schoonste schepping schendt,Die ’t menschlijk lichaam schroeit en schrijnt,Die Godes beeld, en wondre scheppingAan dorring prijsgeeft, en verlepping,Waar lid op lid ontvleescht verdwijnt.Hier torst een Mensch in bitt’ren noodEen last te zwaar schier om te dragen,En snakt naar ’t einde van de dagen,En naar de weldaad van den dood.Is daar op onze lieflijke aardGeen schoonheid meer om af te malen?Geen gulden glans van zonnestralenOp bonten beemd en groenen gaard?Is daar geen blijde bloemenpracht,Geen steden-schijning, geheimzinnig,Geen grijze dorpskerk, vroom en innig.Geen zeeën-vreugde van smaragd?Neen, schilder. Staak uw droef bedrijf.Gij kunt ons edle blijheid geven;Maal ons ’t ontroerend schoone Leven,En spaar ons dit ontbindend lijf!
Neen, schilder, neen. Geef andre kunst.Keer om. Bewandel andre wegen.Gij hebt van God de gaaf gekregen,Uw werk zij waardig Godes gunst.
Neen, schilder, neen. Geef andre kunst.
Keer om. Bewandel andre wegen.
Gij hebt van God de gaaf gekregen,
Uw werk zij waardig Godes gunst.
O, weemoed! Hopelooze ellend’!Waar prooibelust de wreedste ziekteAls een harpije nederwiekte,Die ’s Hemels schoonste schepping schendt,
O, weemoed! Hopelooze ellend’!
Waar prooibelust de wreedste ziekte
Als een harpije nederwiekte,
Die ’s Hemels schoonste schepping schendt,
Die ’t menschlijk lichaam schroeit en schrijnt,Die Godes beeld, en wondre scheppingAan dorring prijsgeeft, en verlepping,Waar lid op lid ontvleescht verdwijnt.
Die ’t menschlijk lichaam schroeit en schrijnt,
Die Godes beeld, en wondre schepping
Aan dorring prijsgeeft, en verlepping,
Waar lid op lid ontvleescht verdwijnt.
Hier torst een Mensch in bitt’ren noodEen last te zwaar schier om te dragen,En snakt naar ’t einde van de dagen,En naar de weldaad van den dood.
Hier torst een Mensch in bitt’ren nood
Een last te zwaar schier om te dragen,
En snakt naar ’t einde van de dagen,
En naar de weldaad van den dood.
Is daar op onze lieflijke aardGeen schoonheid meer om af te malen?Geen gulden glans van zonnestralenOp bonten beemd en groenen gaard?
Is daar op onze lieflijke aard
Geen schoonheid meer om af te malen?
Geen gulden glans van zonnestralen
Op bonten beemd en groenen gaard?
Is daar geen blijde bloemenpracht,Geen steden-schijning, geheimzinnig,Geen grijze dorpskerk, vroom en innig.Geen zeeën-vreugde van smaragd?
Is daar geen blijde bloemenpracht,
Geen steden-schijning, geheimzinnig,
Geen grijze dorpskerk, vroom en innig.
Geen zeeën-vreugde van smaragd?
Neen, schilder. Staak uw droef bedrijf.Gij kunt ons edle blijheid geven;Maal ons ’t ontroerend schoone Leven,En spaar ons dit ontbindend lijf!
Neen, schilder. Staak uw droef bedrijf.
Gij kunt ons edle blijheid geven;
Maal ons ’t ontroerend schoone Leven,
En spaar ons dit ontbindend lijf!
Naschrift.Het bovenstaande Rijm was reeds afgedrukt, toen wij onze vergissing bemerkten. De bedoelde schilderij stelt geen lupuslijder voor. Het is het „Synthetisch portret van L. van Kuik.”
„K.V. Het Nederlandsen Tooneel. Directeur dr. Willem Royaards. Heden avondEen Mid-zomernachtsdroom. Met het oog op de aanwezigheid van den Amerikaanschen gezant en een groot deel van de Amerikaansche kolonie als gasten van den heer J. T. Cremer, avondtoilet beleefd verzocht.” —Adv. Hbl.
„K.V. Het Nederlandsen Tooneel. Directeur dr. Willem Royaards. Heden avondEen Mid-zomernachtsdroom. Met het oog op de aanwezigheid van den Amerikaanschen gezant en een groot deel van de Amerikaansche kolonie als gasten van den heer J. T. Cremer, avondtoilet beleefd verzocht.” —Adv. Hbl.
Wij kunnen ons niet kleeden;Me dunkt, dat staat wel vast,We zijn al heel tevreden,Als ’t maar zoo’n beetje past;Wien Neerlandsch Bloed door d’aadren vloeit, negeert zijn kleerekast.We dragen slechte pakken,En alle snit is zoek,De kraag dreigt af te zakken,De jas hangt als een doek,En dan geen vouw, maar dikke, bolle knieën in de broek.In ’t buitenland daar kun jeJe landgenoot direktHerkennen aan de plunje,Die ’t logge lijf bedekt,Iets, dat — ik zeg ’t er daadlijk bij — ons niet tot schande strekt.Een rokpak aan te trekkenMaakt ons een week ontstemd,Met onze dikke nekken,In ’t hooge boord geklemd,Verzetten w’ onshardnekkigtegen ’t stijve overhemd.En gaan we naar ’t theater,Al is ’t op ’t Leidsche Plein,Bij kunst van ’t eerste water,We kleeden ons niet fijn,Omdat w’ er in ons boezeroentje zoo genoeglijk zijn.Maar nu de hooge oomesVerschijnen, naar men weet,Nu heeft de Major Domus,Die Willem Royaards heet,Verordineerd: we moeten komen in ons statie-kleed!In ’t glorie-rijk Verleden,Toen was ’s lands wijs ’s lands eer,Het holle, Haagsche HedenErkent die leus niet meer,En voor een nette vreemdeling verkleeden w’ ons als heer.
Wij kunnen ons niet kleeden;Me dunkt, dat staat wel vast,We zijn al heel tevreden,Als ’t maar zoo’n beetje past;Wien Neerlandsch Bloed door d’aadren vloeit, negeert zijn kleerekast.We dragen slechte pakken,En alle snit is zoek,De kraag dreigt af te zakken,De jas hangt als een doek,En dan geen vouw, maar dikke, bolle knieën in de broek.In ’t buitenland daar kun jeJe landgenoot direktHerkennen aan de plunje,Die ’t logge lijf bedekt,Iets, dat — ik zeg ’t er daadlijk bij — ons niet tot schande strekt.Een rokpak aan te trekkenMaakt ons een week ontstemd,Met onze dikke nekken,In ’t hooge boord geklemd,Verzetten w’ onshardnekkigtegen ’t stijve overhemd.En gaan we naar ’t theater,Al is ’t op ’t Leidsche Plein,Bij kunst van ’t eerste water,We kleeden ons niet fijn,Omdat w’ er in ons boezeroentje zoo genoeglijk zijn.Maar nu de hooge oomesVerschijnen, naar men weet,Nu heeft de Major Domus,Die Willem Royaards heet,Verordineerd: we moeten komen in ons statie-kleed!In ’t glorie-rijk Verleden,Toen was ’s lands wijs ’s lands eer,Het holle, Haagsche HedenErkent die leus niet meer,En voor een nette vreemdeling verkleeden w’ ons als heer.
Wij kunnen ons niet kleeden;Me dunkt, dat staat wel vast,We zijn al heel tevreden,Als ’t maar zoo’n beetje past;Wien Neerlandsch Bloed door d’aadren vloeit, negeert zijn kleerekast.
Wij kunnen ons niet kleeden;
Me dunkt, dat staat wel vast,
We zijn al heel tevreden,
Als ’t maar zoo’n beetje past;
Wien Neerlandsch Bloed door d’aadren vloeit, negeert zijn kleerekast.
We dragen slechte pakken,En alle snit is zoek,De kraag dreigt af te zakken,De jas hangt als een doek,En dan geen vouw, maar dikke, bolle knieën in de broek.
We dragen slechte pakken,
En alle snit is zoek,
De kraag dreigt af te zakken,
De jas hangt als een doek,
En dan geen vouw, maar dikke, bolle knieën in de broek.
In ’t buitenland daar kun jeJe landgenoot direktHerkennen aan de plunje,Die ’t logge lijf bedekt,Iets, dat — ik zeg ’t er daadlijk bij — ons niet tot schande strekt.
In ’t buitenland daar kun je
Je landgenoot direkt
Herkennen aan de plunje,
Die ’t logge lijf bedekt,
Iets, dat — ik zeg ’t er daadlijk bij — ons niet tot schande strekt.
Een rokpak aan te trekkenMaakt ons een week ontstemd,Met onze dikke nekken,In ’t hooge boord geklemd,Verzetten w’ onshardnekkigtegen ’t stijve overhemd.
Een rokpak aan te trekken
Maakt ons een week ontstemd,
Met onze dikke nekken,
In ’t hooge boord geklemd,
Verzetten w’ onshardnekkigtegen ’t stijve overhemd.
En gaan we naar ’t theater,Al is ’t op ’t Leidsche Plein,Bij kunst van ’t eerste water,We kleeden ons niet fijn,Omdat w’ er in ons boezeroentje zoo genoeglijk zijn.
En gaan we naar ’t theater,
Al is ’t op ’t Leidsche Plein,
Bij kunst van ’t eerste water,
We kleeden ons niet fijn,
Omdat w’ er in ons boezeroentje zoo genoeglijk zijn.
Maar nu de hooge oomesVerschijnen, naar men weet,Nu heeft de Major Domus,Die Willem Royaards heet,Verordineerd: we moeten komen in ons statie-kleed!
Maar nu de hooge oomes
Verschijnen, naar men weet,
Nu heeft de Major Domus,
Die Willem Royaards heet,
Verordineerd: we moeten komen in ons statie-kleed!
In ’t glorie-rijk Verleden,Toen was ’s lands wijs ’s lands eer,Het holle, Haagsche HedenErkent die leus niet meer,En voor een nette vreemdeling verkleeden w’ ons als heer.
In ’t glorie-rijk Verleden,
Toen was ’s lands wijs ’s lands eer,
Het holle, Haagsche Heden
Erkent die leus niet meer,
En voor een nette vreemdeling verkleeden w’ ons als heer.
Gedicht bij het zien van Leo Gestel’s Symbolische klankfiguratie „De zwart-en-wit geknakte Gladiolenhaven”, Compositie in kleur.
Gedicht bij het zien van Leo Gestel’s Symbolische klankfiguratie „De zwart-en-wit geknakte Gladiolenhaven”, Compositie in kleur.
„Geen kunst kan meer zijn, dan preludium van de werk’lijkheid.”Philip Metman.
„Geen kunst kan meer zijn, dan preludium van de werk’lijkheid.”Philip Metman.
„Geen kunst kan meer zijn, dan preludium van de werk’lijkheid.”
Philip Metman.
Daar, waar de kleuring klaart, in ’t zeevert’ stralen,En nederop-waart laait in glavren gloed,Daar slinkt een schuchtre schijn, als bluschloos bloed,Wijl goud-visioenen door d’ ontscheemring dwalen.Zal steeds de purpren stem, die sidd’rend woedt,In barnend’ aemecht strak, schoor-prangend pralen?En wolkt mijn ziel in d’ almadijnen vloed,Door ’t lydolagd weerkaatst, in mid-nachts-dalen?Ik duchte ’t duister nauw, schoon d’ ucht-nacht daagt,Zoo leg ik ’t speurend oor aan ’t kleurterzet,Wen ’t mij heur boezem biedt, waar ’k smachtend nestel...Aanhoort dan ’t antwoord zacht, waar ’t zielsvuur vraagt:Wanneer j’ ’n woord begrijpt van dit sonnet,Dan snap je ook ’t fijne van de kunst van Gestel.
Daar, waar de kleuring klaart, in ’t zeevert’ stralen,En nederop-waart laait in glavren gloed,Daar slinkt een schuchtre schijn, als bluschloos bloed,Wijl goud-visioenen door d’ ontscheemring dwalen.Zal steeds de purpren stem, die sidd’rend woedt,In barnend’ aemecht strak, schoor-prangend pralen?En wolkt mijn ziel in d’ almadijnen vloed,Door ’t lydolagd weerkaatst, in mid-nachts-dalen?Ik duchte ’t duister nauw, schoon d’ ucht-nacht daagt,Zoo leg ik ’t speurend oor aan ’t kleurterzet,Wen ’t mij heur boezem biedt, waar ’k smachtend nestel...Aanhoort dan ’t antwoord zacht, waar ’t zielsvuur vraagt:Wanneer j’ ’n woord begrijpt van dit sonnet,Dan snap je ook ’t fijne van de kunst van Gestel.
Daar, waar de kleuring klaart, in ’t zeevert’ stralen,En nederop-waart laait in glavren gloed,Daar slinkt een schuchtre schijn, als bluschloos bloed,Wijl goud-visioenen door d’ ontscheemring dwalen.
Daar, waar de kleuring klaart, in ’t zeevert’ stralen,
En nederop-waart laait in glavren gloed,
Daar slinkt een schuchtre schijn, als bluschloos bloed,
Wijl goud-visioenen door d’ ontscheemring dwalen.
Zal steeds de purpren stem, die sidd’rend woedt,In barnend’ aemecht strak, schoor-prangend pralen?En wolkt mijn ziel in d’ almadijnen vloed,Door ’t lydolagd weerkaatst, in mid-nachts-dalen?
Zal steeds de purpren stem, die sidd’rend woedt,
In barnend’ aemecht strak, schoor-prangend pralen?
En wolkt mijn ziel in d’ almadijnen vloed,
Door ’t lydolagd weerkaatst, in mid-nachts-dalen?
Ik duchte ’t duister nauw, schoon d’ ucht-nacht daagt,Zoo leg ik ’t speurend oor aan ’t kleurterzet,Wen ’t mij heur boezem biedt, waar ’k smachtend nestel...
Ik duchte ’t duister nauw, schoon d’ ucht-nacht daagt,
Zoo leg ik ’t speurend oor aan ’t kleurterzet,
Wen ’t mij heur boezem biedt, waar ’k smachtend nestel...
Aanhoort dan ’t antwoord zacht, waar ’t zielsvuur vraagt:Wanneer j’ ’n woord begrijpt van dit sonnet,Dan snap je ook ’t fijne van de kunst van Gestel.
Aanhoort dan ’t antwoord zacht, waar ’t zielsvuur vraagt:
Wanneer j’ ’n woord begrijpt van dit sonnet,
Dan snap je ook ’t fijne van de kunst van Gestel.
Gerijmd na het zien van een beroemd product van vaderlandschen geest.
Gerijmd na het zien van een beroemd product van vaderlandschen geest.
Waarom zou je je vermoeien,En je kostbren tijd verknoeien,Om een geestig stuk te schrijven,Laat het ongeschreven blijven!Humor is volstrekt niet noodig,Geestigheid is overbodig.Onze goede vaderlandersZijn wat zwaar. Het is niet anders.Wil je ze genoegen schenken,Laat ze dan vooral niet denken.’t Grootst succes kun je behalen,’t Luidst applaus, de volste zalen,Lachen, juichen, stampen, klappen,Door de allerlaagste grappen.’k Zal je eens wat moppen zeggen,Waar je eer mee in kunt leggen.„Hou je ook zoo veel van paarde’,”Vraagt er een, „als ik, m’n waarde?”En dan laat je d’ ander zeggen,— Maar hij moet er „gijn” in leggen —„Ja, — ’k eet altijd paardebiefstuk!”Schrijf je zóó, dan krijg j’ ’n lief stuk.Als een eerste-klas actrice,Om den dooien dood geen Friesche!Maar een Amsterdamsche — eeneUit het volk, in merg en beene’,„Jeizus Kerrisstuss!” door de zaal schreeuwt,Giert men, tot de keel zich schraal schreeuwt.Zorg, dat haar gezicht van ’t zweet glimt,En, als zij dan op een stoel klimt,Als ze een tjitjak op den muur ziet,Is er geen gezicht, dat zuur ziet,Neen, dan davert het theaterVan een schallend schel geschater,Tot het gillen en het gierenAanzwelt tot een schetterig tieren,Balkend, schreeuwend, bulkend, loeiend,Tot een heescher huilen groeiend,Wild weerkaatst de ruimte vullend,En de kreten, brallend, brullend,Gansch ’t gebouw ten langen lesteKraken doen op al zijn veste’,En wanneer het stuk gedaan is,Er geen oog meer zonder traan is,Van het lachen en het proesten,Van het kuchen en het hoesten,En ze in gangen, op de trappen,Navertellen al die grappen,Gillende de straat in tollend,D’eene over d’andre rollend,Zich verstappend en verzwikkendHalf nog in den na-lach stikkend,En elkaar op d’armen tikkend,Met ’t genotene verkwikkend,Nog eens snaat-rend, nog eens snikkend,De voorbijgangers verschrikkend,Zenuwschokkerig stotterend, kikkend,Zich versprekend en verslikkend,Hoestend en aemechtig hikkend,Hijgend zich den baard aflikkend,Das en boordje of haar verschikkend,Dan weer stom van ’t lachen knikkend,Schuddend, mop-doortrokken blikkend......Als je ’t nu toch zóó kunt krijgen,(Dacht ik zoo eens bij mijn eigen,Bij ’t naar huis gaan, moet je weten,)Zonderietsdat geest mag heeten,Is ’t maar ’t best geen geest te geven,Heel laag bij den grond te zweven.En de pers vindt ’t aardig, prachtig,Amuseert zich allemachtig —Dat verzekert je recette,Daar mag j’ ook toch wel op lette’!(’t Zal een flinke bom geweest zijn!)... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...Zalig zij, die arm van geest zijn!
Waarom zou je je vermoeien,En je kostbren tijd verknoeien,Om een geestig stuk te schrijven,Laat het ongeschreven blijven!Humor is volstrekt niet noodig,Geestigheid is overbodig.Onze goede vaderlandersZijn wat zwaar. Het is niet anders.Wil je ze genoegen schenken,Laat ze dan vooral niet denken.’t Grootst succes kun je behalen,’t Luidst applaus, de volste zalen,Lachen, juichen, stampen, klappen,Door de allerlaagste grappen.’k Zal je eens wat moppen zeggen,Waar je eer mee in kunt leggen.„Hou je ook zoo veel van paarde’,”Vraagt er een, „als ik, m’n waarde?”En dan laat je d’ ander zeggen,— Maar hij moet er „gijn” in leggen —„Ja, — ’k eet altijd paardebiefstuk!”Schrijf je zóó, dan krijg j’ ’n lief stuk.Als een eerste-klas actrice,Om den dooien dood geen Friesche!Maar een Amsterdamsche — eeneUit het volk, in merg en beene’,„Jeizus Kerrisstuss!” door de zaal schreeuwt,Giert men, tot de keel zich schraal schreeuwt.Zorg, dat haar gezicht van ’t zweet glimt,En, als zij dan op een stoel klimt,Als ze een tjitjak op den muur ziet,Is er geen gezicht, dat zuur ziet,Neen, dan davert het theaterVan een schallend schel geschater,Tot het gillen en het gierenAanzwelt tot een schetterig tieren,Balkend, schreeuwend, bulkend, loeiend,Tot een heescher huilen groeiend,Wild weerkaatst de ruimte vullend,En de kreten, brallend, brullend,Gansch ’t gebouw ten langen lesteKraken doen op al zijn veste’,En wanneer het stuk gedaan is,Er geen oog meer zonder traan is,Van het lachen en het proesten,Van het kuchen en het hoesten,En ze in gangen, op de trappen,Navertellen al die grappen,Gillende de straat in tollend,D’eene over d’andre rollend,Zich verstappend en verzwikkendHalf nog in den na-lach stikkend,En elkaar op d’armen tikkend,Met ’t genotene verkwikkend,Nog eens snaat-rend, nog eens snikkend,De voorbijgangers verschrikkend,Zenuwschokkerig stotterend, kikkend,Zich versprekend en verslikkend,Hoestend en aemechtig hikkend,Hijgend zich den baard aflikkend,Das en boordje of haar verschikkend,Dan weer stom van ’t lachen knikkend,Schuddend, mop-doortrokken blikkend......Als je ’t nu toch zóó kunt krijgen,(Dacht ik zoo eens bij mijn eigen,Bij ’t naar huis gaan, moet je weten,)Zonderietsdat geest mag heeten,Is ’t maar ’t best geen geest te geven,Heel laag bij den grond te zweven.En de pers vindt ’t aardig, prachtig,Amuseert zich allemachtig —Dat verzekert je recette,Daar mag j’ ook toch wel op lette’!(’t Zal een flinke bom geweest zijn!)... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...Zalig zij, die arm van geest zijn!
Waarom zou je je vermoeien,En je kostbren tijd verknoeien,Om een geestig stuk te schrijven,Laat het ongeschreven blijven!Humor is volstrekt niet noodig,Geestigheid is overbodig.Onze goede vaderlandersZijn wat zwaar. Het is niet anders.Wil je ze genoegen schenken,Laat ze dan vooral niet denken.’t Grootst succes kun je behalen,’t Luidst applaus, de volste zalen,Lachen, juichen, stampen, klappen,Door de allerlaagste grappen.’k Zal je eens wat moppen zeggen,Waar je eer mee in kunt leggen.„Hou je ook zoo veel van paarde’,”Vraagt er een, „als ik, m’n waarde?”En dan laat je d’ ander zeggen,— Maar hij moet er „gijn” in leggen —„Ja, — ’k eet altijd paardebiefstuk!”Schrijf je zóó, dan krijg j’ ’n lief stuk.Als een eerste-klas actrice,Om den dooien dood geen Friesche!Maar een Amsterdamsche — eeneUit het volk, in merg en beene’,„Jeizus Kerrisstuss!” door de zaal schreeuwt,Giert men, tot de keel zich schraal schreeuwt.Zorg, dat haar gezicht van ’t zweet glimt,En, als zij dan op een stoel klimt,Als ze een tjitjak op den muur ziet,Is er geen gezicht, dat zuur ziet,Neen, dan davert het theaterVan een schallend schel geschater,Tot het gillen en het gierenAanzwelt tot een schetterig tieren,Balkend, schreeuwend, bulkend, loeiend,Tot een heescher huilen groeiend,Wild weerkaatst de ruimte vullend,En de kreten, brallend, brullend,Gansch ’t gebouw ten langen lesteKraken doen op al zijn veste’,En wanneer het stuk gedaan is,Er geen oog meer zonder traan is,Van het lachen en het proesten,Van het kuchen en het hoesten,En ze in gangen, op de trappen,Navertellen al die grappen,Gillende de straat in tollend,D’eene over d’andre rollend,Zich verstappend en verzwikkendHalf nog in den na-lach stikkend,En elkaar op d’armen tikkend,Met ’t genotene verkwikkend,Nog eens snaat-rend, nog eens snikkend,De voorbijgangers verschrikkend,Zenuwschokkerig stotterend, kikkend,Zich versprekend en verslikkend,Hoestend en aemechtig hikkend,Hijgend zich den baard aflikkend,Das en boordje of haar verschikkend,Dan weer stom van ’t lachen knikkend,Schuddend, mop-doortrokken blikkend......Als je ’t nu toch zóó kunt krijgen,(Dacht ik zoo eens bij mijn eigen,Bij ’t naar huis gaan, moet je weten,)Zonderietsdat geest mag heeten,Is ’t maar ’t best geen geest te geven,Heel laag bij den grond te zweven.En de pers vindt ’t aardig, prachtig,Amuseert zich allemachtig —Dat verzekert je recette,Daar mag j’ ook toch wel op lette’!(’t Zal een flinke bom geweest zijn!)... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...Zalig zij, die arm van geest zijn!
Waarom zou je je vermoeien,
En je kostbren tijd verknoeien,
Om een geestig stuk te schrijven,
Laat het ongeschreven blijven!
Humor is volstrekt niet noodig,
Geestigheid is overbodig.
Onze goede vaderlanders
Zijn wat zwaar. Het is niet anders.
Wil je ze genoegen schenken,
Laat ze dan vooral niet denken.
’t Grootst succes kun je behalen,
’t Luidst applaus, de volste zalen,
Lachen, juichen, stampen, klappen,
Door de allerlaagste grappen.
’k Zal je eens wat moppen zeggen,
Waar je eer mee in kunt leggen.
„Hou je ook zoo veel van paarde’,”
Vraagt er een, „als ik, m’n waarde?”
En dan laat je d’ ander zeggen,
— Maar hij moet er „gijn” in leggen —
„Ja, — ’k eet altijd paardebiefstuk!”
Schrijf je zóó, dan krijg j’ ’n lief stuk.
Als een eerste-klas actrice,
Om den dooien dood geen Friesche!
Maar een Amsterdamsche — eene
Uit het volk, in merg en beene’,
„Jeizus Kerrisstuss!” door de zaal schreeuwt,
Giert men, tot de keel zich schraal schreeuwt.
Zorg, dat haar gezicht van ’t zweet glimt,
En, als zij dan op een stoel klimt,
Als ze een tjitjak op den muur ziet,
Is er geen gezicht, dat zuur ziet,
Neen, dan davert het theater
Van een schallend schel geschater,
Tot het gillen en het gieren
Aanzwelt tot een schetterig tieren,
Balkend, schreeuwend, bulkend, loeiend,
Tot een heescher huilen groeiend,
Wild weerkaatst de ruimte vullend,
En de kreten, brallend, brullend,
Gansch ’t gebouw ten langen leste
Kraken doen op al zijn veste’,
En wanneer het stuk gedaan is,
Er geen oog meer zonder traan is,
Van het lachen en het proesten,
Van het kuchen en het hoesten,
En ze in gangen, op de trappen,
Navertellen al die grappen,
Gillende de straat in tollend,
D’eene over d’andre rollend,
Zich verstappend en verzwikkend
Half nog in den na-lach stikkend,
En elkaar op d’armen tikkend,
Met ’t genotene verkwikkend,
Nog eens snaat-rend, nog eens snikkend,
De voorbijgangers verschrikkend,
Zenuwschokkerig stotterend, kikkend,
Zich versprekend en verslikkend,
Hoestend en aemechtig hikkend,
Hijgend zich den baard aflikkend,
Das en boordje of haar verschikkend,
Dan weer stom van ’t lachen knikkend,
Schuddend, mop-doortrokken blikkend......
Als je ’t nu toch zóó kunt krijgen,
(Dacht ik zoo eens bij mijn eigen,
Bij ’t naar huis gaan, moet je weten,)
Zonderietsdat geest mag heeten,
Is ’t maar ’t best geen geest te geven,
Heel laag bij den grond te zweven.
En de pers vindt ’t aardig, prachtig,
Amuseert zich allemachtig —
Dat verzekert je recette,
Daar mag j’ ook toch wel op lette’!
(’t Zal een flinke bom geweest zijn!)
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
Zalig zij, die arm van geest zijn!
Leiddraad voor den jongen schrijver.
Leiddraad voor den jongen schrijver.
Wie in deze drukke dagenMet tooneelwerk wat wil slagen,Hoeft geen groote geest te zijn,Vol van humor, fel en fijn,Vol van beelden en gedachten,Vrucht van slapelooze nachten;Wil je goed succes verwachten,Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.Zooiets wil ’t publiek nu hooren,En het spitst onmiddlijk d’ ooren,Als zoo’n stumpert, dwaas en dom,Mal van gang, in ’t spreken krom,Grappig in het taalverknoeien,Klanken krijscht om te verfoeien;’k Zou me heusch maar niet vermoeien:Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.’t Kan je niet zoo heel veel schelen,Waar je ’t stuk precies laat spelen,Op de bergen, in het dal,In ’t kantoor of op het bal,In kasteelen of in vesten;Is ’t in onze wingewesten,Dat is zeker wel het beste,Maar, hoe ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.In de lang vervlogen jarenStroomden naar de bultenaren,Kreup’len, lam van lijf en leên,Dichte drommen hijgend heen,Laffe, lachbeluste drommen,Blij met blinden, stottraars, stommen,Geef ze nu degeestlijkkrommen:Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.Trek de menschen, pak ze, lok zeMet Shawiaansche paradoxe’,Geef op mise-en-scène acht,Zorg voor kleuren, teer en zacht,Zorg voor sierlijke gewaden,Duur, en toch niet overladen,Maar vooral, heusch, laat je raden,Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna int
Wie in deze drukke dagenMet tooneelwerk wat wil slagen,Hoeft geen groote geest te zijn,Vol van humor, fel en fijn,Vol van beelden en gedachten,Vrucht van slapelooze nachten;Wil je goed succes verwachten,Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.Zooiets wil ’t publiek nu hooren,En het spitst onmiddlijk d’ ooren,Als zoo’n stumpert, dwaas en dom,Mal van gang, in ’t spreken krom,Grappig in het taalverknoeien,Klanken krijscht om te verfoeien;’k Zou me heusch maar niet vermoeien:Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.’t Kan je niet zoo heel veel schelen,Waar je ’t stuk precies laat spelen,Op de bergen, in het dal,In ’t kantoor of op het bal,In kasteelen of in vesten;Is ’t in onze wingewesten,Dat is zeker wel het beste,Maar, hoe ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.In de lang vervlogen jarenStroomden naar de bultenaren,Kreup’len, lam van lijf en leên,Dichte drommen hijgend heen,Laffe, lachbeluste drommen,Blij met blinden, stottraars, stommen,Geef ze nu degeestlijkkrommen:Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.Trek de menschen, pak ze, lok zeMet Shawiaansche paradoxe’,Geef op mise-en-scène acht,Zorg voor kleuren, teer en zacht,Zorg voor sierlijke gewaden,Duur, en toch niet overladen,Maar vooral, heusch, laat je raden,Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna int
Wie in deze drukke dagenMet tooneelwerk wat wil slagen,Hoeft geen groote geest te zijn,Vol van humor, fel en fijn,Vol van beelden en gedachten,Vrucht van slapelooze nachten;Wil je goed succes verwachten,Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.
Wie in deze drukke dagen
Met tooneelwerk wat wil slagen,
Hoeft geen groote geest te zijn,
Vol van humor, fel en fijn,
Vol van beelden en gedachten,
Vrucht van slapelooze nachten;
Wil je goed succes verwachten,
Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —
Plak ’r ’n sinjo of nonna in.
Zooiets wil ’t publiek nu hooren,En het spitst onmiddlijk d’ ooren,Als zoo’n stumpert, dwaas en dom,Mal van gang, in ’t spreken krom,Grappig in het taalverknoeien,Klanken krijscht om te verfoeien;’k Zou me heusch maar niet vermoeien:Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.
Zooiets wil ’t publiek nu hooren,
En het spitst onmiddlijk d’ ooren,
Als zoo’n stumpert, dwaas en dom,
Mal van gang, in ’t spreken krom,
Grappig in het taalverknoeien,
Klanken krijscht om te verfoeien;
’k Zou me heusch maar niet vermoeien:
Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —
Plak ’r ’n sinjo of nonna in.
’t Kan je niet zoo heel veel schelen,Waar je ’t stuk precies laat spelen,Op de bergen, in het dal,In ’t kantoor of op het bal,In kasteelen of in vesten;Is ’t in onze wingewesten,Dat is zeker wel het beste,Maar, hoe ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.
’t Kan je niet zoo heel veel schelen,
Waar je ’t stuk precies laat spelen,
Op de bergen, in het dal,
In ’t kantoor of op het bal,
In kasteelen of in vesten;
Is ’t in onze wingewesten,
Dat is zeker wel het beste,
Maar, hoe ’t eind is, of ’t begin —
Plak ’r ’n sinjo of nonna in.
In de lang vervlogen jarenStroomden naar de bultenaren,Kreup’len, lam van lijf en leên,Dichte drommen hijgend heen,Laffe, lachbeluste drommen,Blij met blinden, stottraars, stommen,Geef ze nu degeestlijkkrommen:Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna in.
In de lang vervlogen jaren
Stroomden naar de bultenaren,
Kreup’len, lam van lijf en leên,
Dichte drommen hijgend heen,
Laffe, lachbeluste drommen,
Blij met blinden, stottraars, stommen,
Geef ze nu degeestlijkkrommen:
Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —
Plak ’r ’n sinjo of nonna in.
Trek de menschen, pak ze, lok zeMet Shawiaansche paradoxe’,Geef op mise-en-scène acht,Zorg voor kleuren, teer en zacht,Zorg voor sierlijke gewaden,Duur, en toch niet overladen,Maar vooral, heusch, laat je raden,Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —Plak ’r ’n sinjo of nonna int
Trek de menschen, pak ze, lok ze
Met Shawiaansche paradoxe’,
Geef op mise-en-scène acht,
Zorg voor kleuren, teer en zacht,
Zorg voor sierlijke gewaden,
Duur, en toch niet overladen,
Maar vooral, heusch, laat je raden,
Hoe ook ’t eind is, of ’t begin —
Plak ’r ’n sinjo of nonna int
Ik vlecht u, kunstnaar, gaarn de lauwren om de slapen,Maar dat gejubeljeer — daar wor’ ik zeeziek van......’t Tooneel was in één grooten bloementuin herschapen,Toen ’t doek weer opging. Ja, daar stond de groote man.Eerst trad Co Dit, Cor Dat, Jan Zoo-of-zoo naar voren,En las met luider stem de wenschen-op-papier,De telegrammen, voor — heel prettig om te hooren,Heel geestig soms, vooral het versje van Van Lier.Toen sprak de President van „’t Nut van ’t Algemeen”, asVertegenwoordiger van ’t plaatselijk intellect.Toen Jhr. Mr. X van Y tot Z — Maecenas,Hij torst’ een ruizekrans; zijn woordje was correct.En daarna — aangedaan, ze sprak maar niet heel veel dus —Kwam Truusj’ of Guusj’ en zei: „Ja, Koos, of Juul, of Rienk,Ik eer je, als artiest!” en gaf hem de tooneelkus,Het klapte dat het klonk, maar ’t smaakte wat naar schmink.En eindlijk d’ envelop. Hoeveel? Dat moet nog blijken,En ’t is voor menig jubelaar een toer geweest,Om te berekenen,hoedankbaar hij moest kijken —Want ’t valt soms lang niet mee, na d’ afloop van het feest.’t Is fijn, maar als men ’t wat eenvoudiger gedaan had,Zoo denkt de man misschien, te midden van ’t festijn,En als de tuin wat minder in den bloei gestaan had,Dan had de envelop wat zwaarder kunnen zijn......Enfin, hij krijgt het woord. Hij stamelt, in ontroering.Het isteveel, te veel. En juist indezestadHeeft hij — hij raakt in meen’ge plaats zoo in vervoering —Zijn heerlijkst’ oogenblikken voor zijn Kunst gehad.En is ’t een jublarès, dan wordt het wel héél knus, wantDan is de stemming zacht en teeder, en ’t publiek,Dat altijd „lief” is, krijgt tot slot de tooneel-kushand,En tranen biglen langs het rouge-électrique......Ik weet wat om den jubileum-stroom te stoppen:Zorgt, dat de kunstenaar beloond wordt zoo als ’t hoort,Dan worden we bevrijd van bloemen, enveloppen,Van de tooneelkus en ’t collegiale woord.
Ik vlecht u, kunstnaar, gaarn de lauwren om de slapen,Maar dat gejubeljeer — daar wor’ ik zeeziek van......’t Tooneel was in één grooten bloementuin herschapen,Toen ’t doek weer opging. Ja, daar stond de groote man.Eerst trad Co Dit, Cor Dat, Jan Zoo-of-zoo naar voren,En las met luider stem de wenschen-op-papier,De telegrammen, voor — heel prettig om te hooren,Heel geestig soms, vooral het versje van Van Lier.Toen sprak de President van „’t Nut van ’t Algemeen”, asVertegenwoordiger van ’t plaatselijk intellect.Toen Jhr. Mr. X van Y tot Z — Maecenas,Hij torst’ een ruizekrans; zijn woordje was correct.En daarna — aangedaan, ze sprak maar niet heel veel dus —Kwam Truusj’ of Guusj’ en zei: „Ja, Koos, of Juul, of Rienk,Ik eer je, als artiest!” en gaf hem de tooneelkus,Het klapte dat het klonk, maar ’t smaakte wat naar schmink.En eindlijk d’ envelop. Hoeveel? Dat moet nog blijken,En ’t is voor menig jubelaar een toer geweest,Om te berekenen,hoedankbaar hij moest kijken —Want ’t valt soms lang niet mee, na d’ afloop van het feest.’t Is fijn, maar als men ’t wat eenvoudiger gedaan had,Zoo denkt de man misschien, te midden van ’t festijn,En als de tuin wat minder in den bloei gestaan had,Dan had de envelop wat zwaarder kunnen zijn......Enfin, hij krijgt het woord. Hij stamelt, in ontroering.Het isteveel, te veel. En juist indezestadHeeft hij — hij raakt in meen’ge plaats zoo in vervoering —Zijn heerlijkst’ oogenblikken voor zijn Kunst gehad.En is ’t een jublarès, dan wordt het wel héél knus, wantDan is de stemming zacht en teeder, en ’t publiek,Dat altijd „lief” is, krijgt tot slot de tooneel-kushand,En tranen biglen langs het rouge-électrique......Ik weet wat om den jubileum-stroom te stoppen:Zorgt, dat de kunstenaar beloond wordt zoo als ’t hoort,Dan worden we bevrijd van bloemen, enveloppen,Van de tooneelkus en ’t collegiale woord.
Ik vlecht u, kunstnaar, gaarn de lauwren om de slapen,Maar dat gejubeljeer — daar wor’ ik zeeziek van......
Ik vlecht u, kunstnaar, gaarn de lauwren om de slapen,
Maar dat gejubeljeer — daar wor’ ik zeeziek van......
’t Tooneel was in één grooten bloementuin herschapen,Toen ’t doek weer opging. Ja, daar stond de groote man.Eerst trad Co Dit, Cor Dat, Jan Zoo-of-zoo naar voren,En las met luider stem de wenschen-op-papier,De telegrammen, voor — heel prettig om te hooren,Heel geestig soms, vooral het versje van Van Lier.Toen sprak de President van „’t Nut van ’t Algemeen”, asVertegenwoordiger van ’t plaatselijk intellect.Toen Jhr. Mr. X van Y tot Z — Maecenas,Hij torst’ een ruizekrans; zijn woordje was correct.En daarna — aangedaan, ze sprak maar niet heel veel dus —Kwam Truusj’ of Guusj’ en zei: „Ja, Koos, of Juul, of Rienk,Ik eer je, als artiest!” en gaf hem de tooneelkus,Het klapte dat het klonk, maar ’t smaakte wat naar schmink.En eindlijk d’ envelop. Hoeveel? Dat moet nog blijken,En ’t is voor menig jubelaar een toer geweest,Om te berekenen,hoedankbaar hij moest kijken —Want ’t valt soms lang niet mee, na d’ afloop van het feest.’t Is fijn, maar als men ’t wat eenvoudiger gedaan had,Zoo denkt de man misschien, te midden van ’t festijn,En als de tuin wat minder in den bloei gestaan had,Dan had de envelop wat zwaarder kunnen zijn......Enfin, hij krijgt het woord. Hij stamelt, in ontroering.Het isteveel, te veel. En juist indezestadHeeft hij — hij raakt in meen’ge plaats zoo in vervoering —Zijn heerlijkst’ oogenblikken voor zijn Kunst gehad.En is ’t een jublarès, dan wordt het wel héél knus, wantDan is de stemming zacht en teeder, en ’t publiek,Dat altijd „lief” is, krijgt tot slot de tooneel-kushand,En tranen biglen langs het rouge-électrique......
’t Tooneel was in één grooten bloementuin herschapen,
Toen ’t doek weer opging. Ja, daar stond de groote man.
Eerst trad Co Dit, Cor Dat, Jan Zoo-of-zoo naar voren,
En las met luider stem de wenschen-op-papier,
De telegrammen, voor — heel prettig om te hooren,
Heel geestig soms, vooral het versje van Van Lier.
Toen sprak de President van „’t Nut van ’t Algemeen”, as
Vertegenwoordiger van ’t plaatselijk intellect.
Toen Jhr. Mr. X van Y tot Z — Maecenas,
Hij torst’ een ruizekrans; zijn woordje was correct.
En daarna — aangedaan, ze sprak maar niet heel veel dus —
Kwam Truusj’ of Guusj’ en zei: „Ja, Koos, of Juul, of Rienk,
Ik eer je, als artiest!” en gaf hem de tooneelkus,
Het klapte dat het klonk, maar ’t smaakte wat naar schmink.
En eindlijk d’ envelop. Hoeveel? Dat moet nog blijken,
En ’t is voor menig jubelaar een toer geweest,
Om te berekenen,hoedankbaar hij moest kijken —
Want ’t valt soms lang niet mee, na d’ afloop van het feest.
’t Is fijn, maar als men ’t wat eenvoudiger gedaan had,
Zoo denkt de man misschien, te midden van ’t festijn,
En als de tuin wat minder in den bloei gestaan had,
Dan had de envelop wat zwaarder kunnen zijn......
Enfin, hij krijgt het woord. Hij stamelt, in ontroering.
Het isteveel, te veel. En juist indezestad
Heeft hij — hij raakt in meen’ge plaats zoo in vervoering —
Zijn heerlijkst’ oogenblikken voor zijn Kunst gehad.
En is ’t een jublarès, dan wordt het wel héél knus, want
Dan is de stemming zacht en teeder, en ’t publiek,
Dat altijd „lief” is, krijgt tot slot de tooneel-kushand,
En tranen biglen langs het rouge-électrique......
Ik weet wat om den jubileum-stroom te stoppen:Zorgt, dat de kunstenaar beloond wordt zoo als ’t hoort,Dan worden we bevrijd van bloemen, enveloppen,Van de tooneelkus en ’t collegiale woord.
Ik weet wat om den jubileum-stroom te stoppen:
Zorgt, dat de kunstenaar beloond wordt zoo als ’t hoort,
Dan worden we bevrijd van bloemen, enveloppen,
Van de tooneelkus en ’t collegiale woord.
„De heer X zong deze keer slecht. Mej. Y, die voor ’t eerst optrad, kunnen wij niet gelukwenschen met haar debuut. Van hem kunnen wij zeggen: hij kon wel, maar hij wou niet, van haar: zij wou wel, maar ze kon niet.” — Uit een recensie.
„De heer X zong deze keer slecht. Mej. Y, die voor ’t eerst optrad, kunnen wij niet gelukwenschen met haar debuut. Van hem kunnen wij zeggen: hij kon wel, maar hij wou niet, van haar: zij wou wel, maar ze kon niet.” — Uit een recensie.
De criticus is lomp en plat, aanmatigend en wreed.Hij is de man, die alles kent en kan, en alles weet.Hij is als Goliath zoo groot, als Davidje zoo dapper,En is een kunstenaar nóg zoo knap, hij ’s altijd één graad knapper.Alleen den twijfel kent hij niet. Hij schrijdt met vasten tred,En zwaait zijn lof, zijn blaam — vertrapt, of steekt de loftrompet.Zijn machtig woord kan beurtelings verstooten of beschermen;Zijn woordenboek bevat niet zulke weifelende termenAls „’k vind,” „ik meen,” „het schijnt me toe,” „als ik me niet vergis,”Hij kent alleen: „het is,” „het is,” „het is,” „HET IS”, „HET IS!”Hij hoont je, hij beleedigt je, verminkt je, of vermoordt je,Ter wille van een jeu de mots, of van een grappig woordje.Rap is zijn hand, gedwee zijn pen, gewillig het papier;Hij schrijft zijn vonnis in ’t café, zoo onder ’n glaasje bier.Soms is zijn naam bekend, omstraald door onverdienden luister,Soms is hij „men”. Dat ’s veiliger — dan steekt hij uit het duister.Hij heeft geen moeite met zijn oordeel; weet al hoe hij ’t vindt,Als hij maar half gekeken heeft. Hij komt, ziet, overwint.Hij is de schrik van elk artist, geen stervling is geduchter,En ik, onnoozle, vraag zoo wel eens, aarzelend en schuchter:Waaraan ontleent hij toch het recht om zich, met breed gebaar,Te stellen, hoog verheven, boven ieder kunstenaar,Of ’t Heyermans, of Noordewier, Piet van der Hem, of Musch is?’t Is doodeenvoudig: hij ’s zoo knap......omdathij criticus is!Hij hoeft het niet te toonen, te bewijzen door zijn werk,Hij zorgt juist, dat hij nooit iets doet. Dat maakt hem groot en sterk.Wel heeft hij dikwijls vroeger zelf getracht wat te presteeren,Maar lukte dat niet al te best, dan ging hij — critiseeren.In Holland — waar men voor „Bewaarschooljuf” examen doet —Is men onmidd’lijk „Criticus.” Daarvoor is ieder goed.Je hebt geen voorbereiding noodig, hoeft niet te studeeren,Je „schrijft je in,” en kunt direkt cum laude promoveeren.Terwijl de kunstnaar al zijn leven zoekt, en streeft, en kampt,Schenkt God de Heer den criticus de kennis met het ambt.Hij heeft het weer eens „goed gezegd”, voelt zich den kraan der kranen,En ergens in de eenzaamheid zit „hij” of „zij” — in tranen......O criticus, ik hoop, dat gij u niet gekrenkt gevoelt;Bedenk, dat ik niet u, maar uw collega heb bedoeld.
De criticus is lomp en plat, aanmatigend en wreed.Hij is de man, die alles kent en kan, en alles weet.Hij is als Goliath zoo groot, als Davidje zoo dapper,En is een kunstenaar nóg zoo knap, hij ’s altijd één graad knapper.Alleen den twijfel kent hij niet. Hij schrijdt met vasten tred,En zwaait zijn lof, zijn blaam — vertrapt, of steekt de loftrompet.Zijn machtig woord kan beurtelings verstooten of beschermen;Zijn woordenboek bevat niet zulke weifelende termenAls „’k vind,” „ik meen,” „het schijnt me toe,” „als ik me niet vergis,”Hij kent alleen: „het is,” „het is,” „het is,” „HET IS”, „HET IS!”Hij hoont je, hij beleedigt je, verminkt je, of vermoordt je,Ter wille van een jeu de mots, of van een grappig woordje.Rap is zijn hand, gedwee zijn pen, gewillig het papier;Hij schrijft zijn vonnis in ’t café, zoo onder ’n glaasje bier.Soms is zijn naam bekend, omstraald door onverdienden luister,Soms is hij „men”. Dat ’s veiliger — dan steekt hij uit het duister.Hij heeft geen moeite met zijn oordeel; weet al hoe hij ’t vindt,Als hij maar half gekeken heeft. Hij komt, ziet, overwint.Hij is de schrik van elk artist, geen stervling is geduchter,En ik, onnoozle, vraag zoo wel eens, aarzelend en schuchter:Waaraan ontleent hij toch het recht om zich, met breed gebaar,Te stellen, hoog verheven, boven ieder kunstenaar,Of ’t Heyermans, of Noordewier, Piet van der Hem, of Musch is?’t Is doodeenvoudig: hij ’s zoo knap......omdathij criticus is!Hij hoeft het niet te toonen, te bewijzen door zijn werk,Hij zorgt juist, dat hij nooit iets doet. Dat maakt hem groot en sterk.Wel heeft hij dikwijls vroeger zelf getracht wat te presteeren,Maar lukte dat niet al te best, dan ging hij — critiseeren.In Holland — waar men voor „Bewaarschooljuf” examen doet —Is men onmidd’lijk „Criticus.” Daarvoor is ieder goed.Je hebt geen voorbereiding noodig, hoeft niet te studeeren,Je „schrijft je in,” en kunt direkt cum laude promoveeren.Terwijl de kunstnaar al zijn leven zoekt, en streeft, en kampt,Schenkt God de Heer den criticus de kennis met het ambt.Hij heeft het weer eens „goed gezegd”, voelt zich den kraan der kranen,En ergens in de eenzaamheid zit „hij” of „zij” — in tranen......O criticus, ik hoop, dat gij u niet gekrenkt gevoelt;Bedenk, dat ik niet u, maar uw collega heb bedoeld.
De criticus is lomp en plat, aanmatigend en wreed.Hij is de man, die alles kent en kan, en alles weet.Hij is als Goliath zoo groot, als Davidje zoo dapper,En is een kunstenaar nóg zoo knap, hij ’s altijd één graad knapper.Alleen den twijfel kent hij niet. Hij schrijdt met vasten tred,En zwaait zijn lof, zijn blaam — vertrapt, of steekt de loftrompet.Zijn machtig woord kan beurtelings verstooten of beschermen;Zijn woordenboek bevat niet zulke weifelende termenAls „’k vind,” „ik meen,” „het schijnt me toe,” „als ik me niet vergis,”Hij kent alleen: „het is,” „het is,” „het is,” „HET IS”, „HET IS!”Hij hoont je, hij beleedigt je, verminkt je, of vermoordt je,Ter wille van een jeu de mots, of van een grappig woordje.Rap is zijn hand, gedwee zijn pen, gewillig het papier;Hij schrijft zijn vonnis in ’t café, zoo onder ’n glaasje bier.Soms is zijn naam bekend, omstraald door onverdienden luister,Soms is hij „men”. Dat ’s veiliger — dan steekt hij uit het duister.
De criticus is lomp en plat, aanmatigend en wreed.
Hij is de man, die alles kent en kan, en alles weet.
Hij is als Goliath zoo groot, als Davidje zoo dapper,
En is een kunstenaar nóg zoo knap, hij ’s altijd één graad knapper.
Alleen den twijfel kent hij niet. Hij schrijdt met vasten tred,
En zwaait zijn lof, zijn blaam — vertrapt, of steekt de loftrompet.
Zijn machtig woord kan beurtelings verstooten of beschermen;
Zijn woordenboek bevat niet zulke weifelende termen
Als „’k vind,” „ik meen,” „het schijnt me toe,” „als ik me niet vergis,”
Hij kent alleen: „het is,” „het is,” „het is,” „HET IS”, „HET IS!”
Hij hoont je, hij beleedigt je, verminkt je, of vermoordt je,
Ter wille van een jeu de mots, of van een grappig woordje.
Rap is zijn hand, gedwee zijn pen, gewillig het papier;
Hij schrijft zijn vonnis in ’t café, zoo onder ’n glaasje bier.
Soms is zijn naam bekend, omstraald door onverdienden luister,
Soms is hij „men”. Dat ’s veiliger — dan steekt hij uit het duister.
Hij heeft geen moeite met zijn oordeel; weet al hoe hij ’t vindt,Als hij maar half gekeken heeft. Hij komt, ziet, overwint.Hij is de schrik van elk artist, geen stervling is geduchter,En ik, onnoozle, vraag zoo wel eens, aarzelend en schuchter:Waaraan ontleent hij toch het recht om zich, met breed gebaar,Te stellen, hoog verheven, boven ieder kunstenaar,Of ’t Heyermans, of Noordewier, Piet van der Hem, of Musch is?’t Is doodeenvoudig: hij ’s zoo knap......omdathij criticus is!Hij hoeft het niet te toonen, te bewijzen door zijn werk,Hij zorgt juist, dat hij nooit iets doet. Dat maakt hem groot en sterk.Wel heeft hij dikwijls vroeger zelf getracht wat te presteeren,Maar lukte dat niet al te best, dan ging hij — critiseeren.In Holland — waar men voor „Bewaarschooljuf” examen doet —Is men onmidd’lijk „Criticus.” Daarvoor is ieder goed.Je hebt geen voorbereiding noodig, hoeft niet te studeeren,Je „schrijft je in,” en kunt direkt cum laude promoveeren.Terwijl de kunstnaar al zijn leven zoekt, en streeft, en kampt,Schenkt God de Heer den criticus de kennis met het ambt.Hij heeft het weer eens „goed gezegd”, voelt zich den kraan der kranen,En ergens in de eenzaamheid zit „hij” of „zij” — in tranen......
Hij heeft geen moeite met zijn oordeel; weet al hoe hij ’t vindt,
Als hij maar half gekeken heeft. Hij komt, ziet, overwint.
Hij is de schrik van elk artist, geen stervling is geduchter,
En ik, onnoozle, vraag zoo wel eens, aarzelend en schuchter:
Waaraan ontleent hij toch het recht om zich, met breed gebaar,
Te stellen, hoog verheven, boven ieder kunstenaar,
Of ’t Heyermans, of Noordewier, Piet van der Hem, of Musch is?
’t Is doodeenvoudig: hij ’s zoo knap......omdathij criticus is!
Hij hoeft het niet te toonen, te bewijzen door zijn werk,
Hij zorgt juist, dat hij nooit iets doet. Dat maakt hem groot en sterk.
Wel heeft hij dikwijls vroeger zelf getracht wat te presteeren,
Maar lukte dat niet al te best, dan ging hij — critiseeren.
In Holland — waar men voor „Bewaarschooljuf” examen doet —
Is men onmidd’lijk „Criticus.” Daarvoor is ieder goed.
Je hebt geen voorbereiding noodig, hoeft niet te studeeren,
Je „schrijft je in,” en kunt direkt cum laude promoveeren.
Terwijl de kunstnaar al zijn leven zoekt, en streeft, en kampt,
Schenkt God de Heer den criticus de kennis met het ambt.
Hij heeft het weer eens „goed gezegd”, voelt zich den kraan der kranen,
En ergens in de eenzaamheid zit „hij” of „zij” — in tranen......
O criticus, ik hoop, dat gij u niet gekrenkt gevoelt;Bedenk, dat ik niet u, maar uw collega heb bedoeld.
O criticus, ik hoop, dat gij u niet gekrenkt gevoelt;
Bedenk, dat ik niet u, maar uw collega heb bedoeld.
Een rijke oom, nog wars van ’t sterven,Een oud en zieklijk man,Bezat een schaar begeerige erven,(Toekomstigeerven, dan).Hij had geen vrouw en ook geen kindren,En, onder ons gezegd,Opdat zijn geld niet zou vermindren,Had hij ’t secuur belegd.Zijn neven, nichten, achterneven,En -nichten, enz.Behandelden hem allen evenEerbiedig. Zooals ’t hoort.Zij waren soms haast al te vrindlijk,Ze liepe’ ’m achterna,Zelfs d’ allerkleinsten, nauwlijks zindlijk,Die lachte’ ’m toe: „Da-da!”Wanneer ze hem ten eten vroegen,Of op een theepartij,Was ’t of z’ ’m op de handen droegen,Zoo hartlijk waren zij.Hij kreeg de heerlijkste gerechten,En koffie toe, met room;En allen schenen ze te vechtenOm d’ eereplaats: naast oom.Wanneer hij iets stond te betoogen,Zeer met zichzelf voldaan,Dan hoorden ze ’m met stralende oogenEn vol bewondring aan.En als hij aardigheden tapte,Gewoonlijk lang bekend,Geen, die niet lachte, gierde en klapte,Al dikwijls vóór het end.Hun angst was, dat hij nog zou trouwen,Zooiets gebeurt wel meer;Enfin, hij heeft zich goed gehouwen,Hij bleef een eenig heer.Ten slotte is hij dan bezweken,Zijn erven weenden luid,Maar troostten zich met zijn kopeken.Nu is ’t verhaaltje uit.........................................Dit vaers bevat geen nieuwe dingen,Maar daarom niet geklaagd;Wat dichters van de Liefde zingen,Is net zoo afgezaagd.
Een rijke oom, nog wars van ’t sterven,Een oud en zieklijk man,Bezat een schaar begeerige erven,(Toekomstigeerven, dan).Hij had geen vrouw en ook geen kindren,En, onder ons gezegd,Opdat zijn geld niet zou vermindren,Had hij ’t secuur belegd.Zijn neven, nichten, achterneven,En -nichten, enz.Behandelden hem allen evenEerbiedig. Zooals ’t hoort.Zij waren soms haast al te vrindlijk,Ze liepe’ ’m achterna,Zelfs d’ allerkleinsten, nauwlijks zindlijk,Die lachte’ ’m toe: „Da-da!”Wanneer ze hem ten eten vroegen,Of op een theepartij,Was ’t of z’ ’m op de handen droegen,Zoo hartlijk waren zij.Hij kreeg de heerlijkste gerechten,En koffie toe, met room;En allen schenen ze te vechtenOm d’ eereplaats: naast oom.Wanneer hij iets stond te betoogen,Zeer met zichzelf voldaan,Dan hoorden ze ’m met stralende oogenEn vol bewondring aan.En als hij aardigheden tapte,Gewoonlijk lang bekend,Geen, die niet lachte, gierde en klapte,Al dikwijls vóór het end.Hun angst was, dat hij nog zou trouwen,Zooiets gebeurt wel meer;Enfin, hij heeft zich goed gehouwen,Hij bleef een eenig heer.Ten slotte is hij dan bezweken,Zijn erven weenden luid,Maar troostten zich met zijn kopeken.Nu is ’t verhaaltje uit.........................................Dit vaers bevat geen nieuwe dingen,Maar daarom niet geklaagd;Wat dichters van de Liefde zingen,Is net zoo afgezaagd.
Een rijke oom, nog wars van ’t sterven,Een oud en zieklijk man,Bezat een schaar begeerige erven,(Toekomstigeerven, dan).
Een rijke oom, nog wars van ’t sterven,
Een oud en zieklijk man,
Bezat een schaar begeerige erven,
(Toekomstigeerven, dan).
Hij had geen vrouw en ook geen kindren,En, onder ons gezegd,Opdat zijn geld niet zou vermindren,Had hij ’t secuur belegd.
Hij had geen vrouw en ook geen kindren,
En, onder ons gezegd,
Opdat zijn geld niet zou vermindren,
Had hij ’t secuur belegd.
Zijn neven, nichten, achterneven,En -nichten, enz.Behandelden hem allen evenEerbiedig. Zooals ’t hoort.
Zijn neven, nichten, achterneven,
En -nichten, enz.
Behandelden hem allen even
Eerbiedig. Zooals ’t hoort.
Zij waren soms haast al te vrindlijk,Ze liepe’ ’m achterna,Zelfs d’ allerkleinsten, nauwlijks zindlijk,Die lachte’ ’m toe: „Da-da!”
Zij waren soms haast al te vrindlijk,
Ze liepe’ ’m achterna,
Zelfs d’ allerkleinsten, nauwlijks zindlijk,
Die lachte’ ’m toe: „Da-da!”
Wanneer ze hem ten eten vroegen,Of op een theepartij,Was ’t of z’ ’m op de handen droegen,Zoo hartlijk waren zij.
Wanneer ze hem ten eten vroegen,
Of op een theepartij,
Was ’t of z’ ’m op de handen droegen,
Zoo hartlijk waren zij.
Hij kreeg de heerlijkste gerechten,En koffie toe, met room;En allen schenen ze te vechtenOm d’ eereplaats: naast oom.
Hij kreeg de heerlijkste gerechten,
En koffie toe, met room;
En allen schenen ze te vechten
Om d’ eereplaats: naast oom.
Wanneer hij iets stond te betoogen,Zeer met zichzelf voldaan,Dan hoorden ze ’m met stralende oogenEn vol bewondring aan.
Wanneer hij iets stond te betoogen,
Zeer met zichzelf voldaan,
Dan hoorden ze ’m met stralende oogen
En vol bewondring aan.
En als hij aardigheden tapte,Gewoonlijk lang bekend,Geen, die niet lachte, gierde en klapte,Al dikwijls vóór het end.
En als hij aardigheden tapte,
Gewoonlijk lang bekend,
Geen, die niet lachte, gierde en klapte,
Al dikwijls vóór het end.
Hun angst was, dat hij nog zou trouwen,Zooiets gebeurt wel meer;Enfin, hij heeft zich goed gehouwen,Hij bleef een eenig heer.
Hun angst was, dat hij nog zou trouwen,
Zooiets gebeurt wel meer;
Enfin, hij heeft zich goed gehouwen,
Hij bleef een eenig heer.
Ten slotte is hij dan bezweken,Zijn erven weenden luid,Maar troostten zich met zijn kopeken.Nu is ’t verhaaltje uit.........................................
Ten slotte is hij dan bezweken,
Zijn erven weenden luid,
Maar troostten zich met zijn kopeken.
Nu is ’t verhaaltje uit.
........................................
Dit vaers bevat geen nieuwe dingen,Maar daarom niet geklaagd;Wat dichters van de Liefde zingen,Is net zoo afgezaagd.
Dit vaers bevat geen nieuwe dingen,
Maar daarom niet geklaagd;
Wat dichters van de Liefde zingen,
Is net zoo afgezaagd.
Van Eeden gewaagt met lof van een sonnet van Adwaita, waarin deze dichter zijn virtuositeit in het rijmen toont, door slechts twee rijmklanken voor een geheel sonnet te gebruiken.Ik zwicht voor de verleiding om ’t nog mooier te doen.
Van Eeden gewaagt met lof van een sonnet van Adwaita, waarin deze dichter zijn virtuositeit in het rijmen toont, door slechts twee rijmklanken voor een geheel sonnet te gebruiken.
Ik zwicht voor de verleiding om ’t nog mooier te doen.
Zoo ’k ooiteen zuiver klinkdicht hebgeschreven,Nog nooitheb ’k zooveel rijms door ’t werkgeweven;’t Gedicht,dat ’k heden bied, breek’ bouderbaan......Ik zwicht,de muze maant — ai! laat mijgaan......Vermooithet rijmen niet des menschenleven?’t Ontdooitde lagen ijs, die ’t hartomgeven,’t Verlichtden looden last van onsbestaan,En ’t stichteen schutse tegen ’s wereldswaan.Getooidmet lauw’ren, dool ’k door Tempe’sdreven;Bestrooidmet bloemen, blij het hoofdgeheven,Verricht’k mijn taak, geleid door Phoebus’vaan.Gekooid,gekerkerd zij wie ’t durftweerstreven!Ontplooiden wapp’rend blijv’ mijn dundoekzweven......(Een zucht)Mijn plichtvoor deze week is weergedaan!
Zoo ’k ooiteen zuiver klinkdicht hebgeschreven,
Zoo ’k ooit
een zuiver klinkdicht heb
geschreven,
Nog nooitheb ’k zooveel rijms door ’t werkgeweven;
Nog nooit
heb ’k zooveel rijms door ’t werk
geweven;
’t Gedicht,dat ’k heden bied, breek’ bouderbaan......
’t Gedicht,
dat ’k heden bied, breek’ bouder
baan......
Ik zwicht,de muze maant — ai! laat mijgaan......
Ik zwicht,
de muze maant — ai! laat mij
gaan......
Vermooithet rijmen niet des menschenleven?
Vermooit
het rijmen niet des menschen
leven?
’t Ontdooitde lagen ijs, die ’t hartomgeven,
’t Ontdooit
de lagen ijs, die ’t hart
omgeven,
’t Verlichtden looden last van onsbestaan,
’t Verlicht
den looden last van ons
bestaan,
En ’t stichteen schutse tegen ’s wereldswaan.
En ’t sticht
een schutse tegen ’s werelds
waan.
Getooidmet lauw’ren, dool ’k door Tempe’sdreven;
Getooid
met lauw’ren, dool ’k door Tempe’s
dreven;
Bestrooidmet bloemen, blij het hoofdgeheven,
Bestrooid
met bloemen, blij het hoofd
geheven,
Verricht’k mijn taak, geleid door Phoebus’vaan.
Verricht
’k mijn taak, geleid door Phoebus’
vaan.
Gekooid,gekerkerd zij wie ’t durftweerstreven!
Gekooid,
gekerkerd zij wie ’t durft
weerstreven!
Ontplooiden wapp’rend blijv’ mijn dundoekzweven......
Ontplooid
en wapp’rend blijv’ mijn dundoek
zweven......
(Een zucht)
(Een zucht)
Mijn plichtvoor deze week is weergedaan!
Mijn plicht
voor deze week is weer
gedaan!
(De Oplossing.)
(De Oplossing.)
Het wond’re landschap blaakt in goud’ne zon,Wij doolden saam in wond’re goud-gedachten,Wen wond’re bloemen goud’ne vreugde lachten,Gedrenkt in ’t wond’re vocht van goud’ne bron.Toen was ’t, dat ’t wond’re goud-geneucht begon,Haar wondre woorden goud’ne boodschap brachtenVan ’t wondere geluk en ’t goud’ne smachten,Als ’t wond’re goud niet goud’ner glanzen kon.Vanwaar dat goud in gansch ons wond’re wezen?Van goud’ne stemme ’t wondere geluid,Goud-klinkend boven wond’re stilten uit?Als ’t goud’ne dak op ’t wond’re huis verrezen?Die wond’re gloed uit liefde’s goud’ne vier?....Zij was de dochter van een juwelier.
Het wond’re landschap blaakt in goud’ne zon,Wij doolden saam in wond’re goud-gedachten,Wen wond’re bloemen goud’ne vreugde lachten,Gedrenkt in ’t wond’re vocht van goud’ne bron.Toen was ’t, dat ’t wond’re goud-geneucht begon,Haar wondre woorden goud’ne boodschap brachtenVan ’t wondere geluk en ’t goud’ne smachten,Als ’t wond’re goud niet goud’ner glanzen kon.Vanwaar dat goud in gansch ons wond’re wezen?Van goud’ne stemme ’t wondere geluid,Goud-klinkend boven wond’re stilten uit?Als ’t goud’ne dak op ’t wond’re huis verrezen?Die wond’re gloed uit liefde’s goud’ne vier?....Zij was de dochter van een juwelier.
Het wond’re landschap blaakt in goud’ne zon,Wij doolden saam in wond’re goud-gedachten,Wen wond’re bloemen goud’ne vreugde lachten,Gedrenkt in ’t wond’re vocht van goud’ne bron.
Het wond’re landschap blaakt in goud’ne zon,
Wij doolden saam in wond’re goud-gedachten,
Wen wond’re bloemen goud’ne vreugde lachten,
Gedrenkt in ’t wond’re vocht van goud’ne bron.
Toen was ’t, dat ’t wond’re goud-geneucht begon,Haar wondre woorden goud’ne boodschap brachtenVan ’t wondere geluk en ’t goud’ne smachten,Als ’t wond’re goud niet goud’ner glanzen kon.
Toen was ’t, dat ’t wond’re goud-geneucht begon,
Haar wondre woorden goud’ne boodschap brachten
Van ’t wondere geluk en ’t goud’ne smachten,
Als ’t wond’re goud niet goud’ner glanzen kon.
Vanwaar dat goud in gansch ons wond’re wezen?Van goud’ne stemme ’t wondere geluid,Goud-klinkend boven wond’re stilten uit?Als ’t goud’ne dak op ’t wond’re huis verrezen?Die wond’re gloed uit liefde’s goud’ne vier?....
Vanwaar dat goud in gansch ons wond’re wezen?
Van goud’ne stemme ’t wondere geluid,
Goud-klinkend boven wond’re stilten uit?
Als ’t goud’ne dak op ’t wond’re huis verrezen?
Die wond’re gloed uit liefde’s goud’ne vier?....
Zij was de dochter van een juwelier.
Zij was de dochter van een juwelier.
Raad van Charivarius aan Couperus-vereersters, die niet weten, wat ze hem met St. Nicolaas zullen sturen.
Raad van Charivarius aan Couperus-vereersters, die niet weten, wat ze hem met St. Nicolaas zullen sturen.
Koopt een aantal mooie dassen,Zacht van stof, van kleuren teer,Sokken, die er goed bij passen;Damessokken voor een heer,Vert malade, bleu turquoise,Cuiss’ de nymph’, vieil or, ardoise,Caca du dauphin, vieux rose,Fraise écrasée, en zoo meer.Zoekt een fijn, exquis odeurtje,Van Piver of van Pineaud:Peau d’Espagne’s weezoet geurtje,Chrysanthème de Tokio,Héliotrope of Azuré-e.Kiss me quick, Brise embaumé-e,Chèvrefeuille, Giroflé-e,Jockey club, Duchesse, of zoo.Jolimousse, Lait d’Amandes,Vélivole, Foin coupé,Espéris, Duvet, Lavande,Aubépine, Rose thé,Lariette, Floramye,Guy nouveau, Cuir de Russie,Chypre, Senteur des Prairies —Doet het hier voorloopig mee.Koopt de rozigste robijnen,Diamanten, schitter-schel,Adular of cornalynen,Paarlen, jaspis of spinel,Amber, onyx, chrysolieten,Labradoren, oxinieten,Emerald of cordirieten,(Doet het maar — hij draagt ze wel!)Koopt de kostbre kwartskarbonkel,De pyroop in purpren pracht,Of verkiest gij ’t fel gefonkelVan sapphieren — of smaragd?Amethyst, beryl, granaten,Bezoar, zirkoon, agaten......(’k Ken geen steenen meer op-aten,Maar dat heb ’k te laat bedacht.)Al die goede gaven pak jeIn een wollig watten-waas,Of een zeegroen zijden zakje,Geel-gevoerd met gulden gaas,Bindt het met satijnen linten,In die zachte rose tinten,Die Couperus zoo bemint, enStuurt hem dàt met Sinterklaas!
Koopt een aantal mooie dassen,Zacht van stof, van kleuren teer,Sokken, die er goed bij passen;Damessokken voor een heer,Vert malade, bleu turquoise,Cuiss’ de nymph’, vieil or, ardoise,Caca du dauphin, vieux rose,Fraise écrasée, en zoo meer.Zoekt een fijn, exquis odeurtje,Van Piver of van Pineaud:Peau d’Espagne’s weezoet geurtje,Chrysanthème de Tokio,Héliotrope of Azuré-e.Kiss me quick, Brise embaumé-e,Chèvrefeuille, Giroflé-e,Jockey club, Duchesse, of zoo.Jolimousse, Lait d’Amandes,Vélivole, Foin coupé,Espéris, Duvet, Lavande,Aubépine, Rose thé,Lariette, Floramye,Guy nouveau, Cuir de Russie,Chypre, Senteur des Prairies —Doet het hier voorloopig mee.Koopt de rozigste robijnen,Diamanten, schitter-schel,Adular of cornalynen,Paarlen, jaspis of spinel,Amber, onyx, chrysolieten,Labradoren, oxinieten,Emerald of cordirieten,(Doet het maar — hij draagt ze wel!)Koopt de kostbre kwartskarbonkel,De pyroop in purpren pracht,Of verkiest gij ’t fel gefonkelVan sapphieren — of smaragd?Amethyst, beryl, granaten,Bezoar, zirkoon, agaten......(’k Ken geen steenen meer op-aten,Maar dat heb ’k te laat bedacht.)Al die goede gaven pak jeIn een wollig watten-waas,Of een zeegroen zijden zakje,Geel-gevoerd met gulden gaas,Bindt het met satijnen linten,In die zachte rose tinten,Die Couperus zoo bemint, enStuurt hem dàt met Sinterklaas!
Koopt een aantal mooie dassen,Zacht van stof, van kleuren teer,Sokken, die er goed bij passen;Damessokken voor een heer,Vert malade, bleu turquoise,Cuiss’ de nymph’, vieil or, ardoise,Caca du dauphin, vieux rose,Fraise écrasée, en zoo meer.
Koopt een aantal mooie dassen,
Zacht van stof, van kleuren teer,
Sokken, die er goed bij passen;
Damessokken voor een heer,
Vert malade, bleu turquoise,
Cuiss’ de nymph’, vieil or, ardoise,
Caca du dauphin, vieux rose,
Fraise écrasée, en zoo meer.
Zoekt een fijn, exquis odeurtje,Van Piver of van Pineaud:Peau d’Espagne’s weezoet geurtje,Chrysanthème de Tokio,Héliotrope of Azuré-e.Kiss me quick, Brise embaumé-e,Chèvrefeuille, Giroflé-e,Jockey club, Duchesse, of zoo.
Zoekt een fijn, exquis odeurtje,
Van Piver of van Pineaud:
Peau d’Espagne’s weezoet geurtje,
Chrysanthème de Tokio,
Héliotrope of Azuré-e.
Kiss me quick, Brise embaumé-e,
Chèvrefeuille, Giroflé-e,
Jockey club, Duchesse, of zoo.
Jolimousse, Lait d’Amandes,Vélivole, Foin coupé,Espéris, Duvet, Lavande,Aubépine, Rose thé,Lariette, Floramye,Guy nouveau, Cuir de Russie,Chypre, Senteur des Prairies —Doet het hier voorloopig mee.
Jolimousse, Lait d’Amandes,
Vélivole, Foin coupé,
Espéris, Duvet, Lavande,
Aubépine, Rose thé,
Lariette, Floramye,
Guy nouveau, Cuir de Russie,
Chypre, Senteur des Prairies —
Doet het hier voorloopig mee.
Koopt de rozigste robijnen,Diamanten, schitter-schel,Adular of cornalynen,Paarlen, jaspis of spinel,Amber, onyx, chrysolieten,Labradoren, oxinieten,Emerald of cordirieten,(Doet het maar — hij draagt ze wel!)
Koopt de rozigste robijnen,
Diamanten, schitter-schel,
Adular of cornalynen,
Paarlen, jaspis of spinel,
Amber, onyx, chrysolieten,
Labradoren, oxinieten,
Emerald of cordirieten,
(Doet het maar — hij draagt ze wel!)
Koopt de kostbre kwartskarbonkel,De pyroop in purpren pracht,Of verkiest gij ’t fel gefonkelVan sapphieren — of smaragd?Amethyst, beryl, granaten,Bezoar, zirkoon, agaten......(’k Ken geen steenen meer op-aten,Maar dat heb ’k te laat bedacht.)
Koopt de kostbre kwartskarbonkel,
De pyroop in purpren pracht,
Of verkiest gij ’t fel gefonkel
Van sapphieren — of smaragd?
Amethyst, beryl, granaten,
Bezoar, zirkoon, agaten......
(’k Ken geen steenen meer op-aten,
Maar dat heb ’k te laat bedacht.)
Al die goede gaven pak jeIn een wollig watten-waas,Of een zeegroen zijden zakje,Geel-gevoerd met gulden gaas,Bindt het met satijnen linten,In die zachte rose tinten,Die Couperus zoo bemint, enStuurt hem dàt met Sinterklaas!
Al die goede gaven pak je
In een wollig watten-waas,
Of een zeegroen zijden zakje,
Geel-gevoerd met gulden gaas,
Bindt het met satijnen linten,
In die zachte rose tinten,
Die Couperus zoo bemint, en
Stuurt hem dàt met Sinterklaas!
César Gezelle zingt:
César Gezelle zingt:
„’k Zie schapen, witgewold,’k Zie rid- en runders draven......”
„’k Zie schapen, witgewold,’k Zie rid- en runders draven......”
„’k Zie schapen, witgewold,’k Zie rid- en runders draven......”
„’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven......”
Wij gaan voort:
Wij gaan voort:
’k Zie schapen witgewold,’k Zie rid- en runders draven,’k Zie vo- en vlegels zichAan wa- en bitter laven.Al is de stad ook volVan stu- en decadente’Die speel- en alcoholVerkiezen boven lente,U, boe- en kippen-ren,U, lust- en korensc-hoven,U, var- en vlinderken,U stel ik ver daarboven!In ’t mooie voorjaarsweer,Gaan bloe- en ramen open,’k Zie ieder met een bloem,Zelfs schoo- met anjers loopen.’k Zie ei- en beuken staan,En dreu- en andre musschen,Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan,’k Zie kro- en meisjes kussen.En mensch en kunstenaarsZij dragen en zij etenVeel flam- en waterbaars,Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten.Geen pneu- slechts harmonie:De tweedracht wijkt voor vrede,De ru- voor poëzie,Juicht kin- en ouders mede!Want len- en warmte is daar,Mijn geest stijgt op, naar boven,’k Wil nat- en morgenuurMet vul- en lippen loven!
’k Zie schapen witgewold,’k Zie rid- en runders draven,’k Zie vo- en vlegels zichAan wa- en bitter laven.Al is de stad ook volVan stu- en decadente’Die speel- en alcoholVerkiezen boven lente,U, boe- en kippen-ren,U, lust- en korensc-hoven,U, var- en vlinderken,U stel ik ver daarboven!In ’t mooie voorjaarsweer,Gaan bloe- en ramen open,’k Zie ieder met een bloem,Zelfs schoo- met anjers loopen.’k Zie ei- en beuken staan,En dreu- en andre musschen,Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan,’k Zie kro- en meisjes kussen.En mensch en kunstenaarsZij dragen en zij etenVeel flam- en waterbaars,Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten.Geen pneu- slechts harmonie:De tweedracht wijkt voor vrede,De ru- voor poëzie,Juicht kin- en ouders mede!Want len- en warmte is daar,Mijn geest stijgt op, naar boven,’k Wil nat- en morgenuurMet vul- en lippen loven!
’k Zie schapen witgewold,’k Zie rid- en runders draven,’k Zie vo- en vlegels zichAan wa- en bitter laven.Al is de stad ook volVan stu- en decadente’Die speel- en alcoholVerkiezen boven lente,U, boe- en kippen-ren,U, lust- en korensc-hoven,U, var- en vlinderken,U stel ik ver daarboven!In ’t mooie voorjaarsweer,Gaan bloe- en ramen open,’k Zie ieder met een bloem,Zelfs schoo- met anjers loopen.’k Zie ei- en beuken staan,En dreu- en andre musschen,Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan,’k Zie kro- en meisjes kussen.En mensch en kunstenaarsZij dragen en zij etenVeel flam- en waterbaars,Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten.Geen pneu- slechts harmonie:De tweedracht wijkt voor vrede,De ru- voor poëzie,Juicht kin- en ouders mede!Want len- en warmte is daar,Mijn geest stijgt op, naar boven,’k Wil nat- en morgenuurMet vul- en lippen loven!
’k Zie schapen witgewold,
’k Zie rid- en runders draven,
’k Zie vo- en vlegels zich
Aan wa- en bitter laven.
Al is de stad ook vol
Van stu- en decadente’
Die speel- en alcohol
Verkiezen boven lente,
U, boe- en kippen-ren,
U, lust- en korensc-hoven,
U, var- en vlinderken,
U stel ik ver daarboven!
In ’t mooie voorjaarsweer,
Gaan bloe- en ramen open,
’k Zie ieder met een bloem,
Zelfs schoo- met anjers loopen.
’k Zie ei- en beuken staan,
En dreu- en andre musschen,
Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan,
’k Zie kro- en meisjes kussen.
En mensch en kunstenaars
Zij dragen en zij eten
Veel flam- en waterbaars,
Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten.
Geen pneu- slechts harmonie:
De tweedracht wijkt voor vrede,
De ru- voor poëzie,
Juicht kin- en ouders mede!
Want len- en warmte is daar,
Mijn geest stijgt op, naar boven,
’k Wil nat- en morgenuur
Met vul- en lippen loven!
FlirtZeurt.VrouwWou.ManDan:„Graag?” —„VraagPa!” —„Ja”.Pa,Ma:„Ja”.Ha!EchtSlecht:DrieKindren,DieHindren.Tweel-ing:HeelDing!ElkMelk:Dorst!Borst.MeerKindrenRijk:ZeerHinder-lijk.DanManVroegKroeg.„’k BlijfLaat”.’t WijfKwaad.’t Wijf, ’tKijft;ManLater:KanWaterOpKop.ZietHaarBoos,VliedtNaarSoos.HijPraatZijSlaat,Bijt,Smijt,MistVaak;Is ’tRaak,DanHard,ManSmart.ZijVloekt.HijZoekt(Laf!)Vond,Vlonder:Af-GrondOnder.Zegt:(Slecht!)„GaMee!Ja?”„Nee”.„Nou,Kom!”Vrouw(Dom!)„Goed”.Doet.„GaVoor”.„Ja,Hoor”Gil......Stort!Stil......Vort........................HijBlij!
FlirtZeurt.VrouwWou.ManDan:„Graag?” —„VraagPa!” —„Ja”.Pa,Ma:„Ja”.Ha!EchtSlecht:DrieKindren,DieHindren.Tweel-ing:HeelDing!ElkMelk:Dorst!Borst.MeerKindrenRijk:ZeerHinder-lijk.DanManVroegKroeg.„’k BlijfLaat”.’t WijfKwaad.’t Wijf, ’tKijft;ManLater:KanWaterOpKop.ZietHaarBoos,VliedtNaarSoos.HijPraatZijSlaat,Bijt,Smijt,MistVaak;Is ’tRaak,DanHard,ManSmart.ZijVloekt.HijZoekt(Laf!)Vond,Vlonder:Af-GrondOnder.Zegt:(Slecht!)„GaMee!Ja?”„Nee”.„Nou,Kom!”Vrouw(Dom!)„Goed”.Doet.„GaVoor”.„Ja,Hoor”Gil......Stort!Stil......Vort........................HijBlij!
FlirtZeurt.VrouwWou.ManDan:„Graag?” —„VraagPa!” —„Ja”.Pa,Ma:„Ja”.Ha!EchtSlecht:DrieKindren,DieHindren.Tweel-ing:HeelDing!ElkMelk:Dorst!Borst.MeerKindrenRijk:ZeerHinder-lijk.DanManVroegKroeg.„’k BlijfLaat”.’t WijfKwaad.’t Wijf, ’tKijft;ManLater:KanWaterOpKop.ZietHaarBoos,VliedtNaarSoos.HijPraatZijSlaat,Bijt,Smijt,MistVaak;Is ’tRaak,DanHard,ManSmart.ZijVloekt.HijZoekt(Laf!)Vond,Vlonder:Af-GrondOnder.Zegt:(Slecht!)„GaMee!Ja?”„Nee”.„Nou,Kom!”Vrouw(Dom!)„Goed”.Doet.„GaVoor”.„Ja,Hoor”Gil......Stort!Stil......Vort........................HijBlij!
Flirt
Zeurt.
Vrouw
Wou.
Man
Dan:
„Graag?” —
„Vraag
Pa!” —
„Ja”.
Pa,
Ma:
„Ja”.
Ha!
Echt
Slecht:
Drie
Kindren,
Die
Hindren.
Tweel-
ing:
Heel
Ding!
Elk
Melk:
Dorst!
Borst.
Meer
Kindren
Rijk:
Zeer
Hinder-
lijk.
Dan
Man
Vroeg
Kroeg.„
’k Blijf
Laat”.
’t Wijf
Kwaad.
’t Wijf, ’t
Kijft;
Man
Later:
Kan
Water
Op
Kop.
Ziet
Haar
Boos,
Vliedt
Naar
Soos.
Hij
Praat
Zij
Slaat,
Bijt,
Smijt,
Mist
Vaak;
Is ’t
Raak,
Dan
Hard,
Man
Smart.
Zij
Vloekt.
Hij
Zoekt
(Laf!)
Vond,
Vlonder:
Af-
Grond
Onder.
Zegt:
(Slecht!)
„Ga
Mee!
Ja?”
„Nee”.
„Nou,
Kom!”
Vrouw
(Dom!)
„Goed”.
Doet.
„Ga
Voor”.
„Ja,
Hoor”
Gil......
Stort!
Stil......
Vort......
......
......
......
Hij
Blij!
Charivarius mag zich niet vermoeien. Toen hij dezer dagen ter verpoozingGorter’s „Mei”, weer eens doorbladerde, viel zijn oog op de volgende regels:
Charivarius mag zich niet vermoeien. Toen hij dezer dagen ter verpoozingGorter’s „Mei”, weer eens doorbladerde, viel zijn oog op de volgende regels:
„...Van ijs in zee, een oud gebaard man, dieStond op, bokaal ter hand, en uit verschie...”
„...Van ijs in zee, een oud gebaard man, dieStond op, bokaal ter hand, en uit verschie...”
„...Van ijs in zee, een oud gebaard man, dieStond op, bokaal ter hand, en uit verschie...”
„...Van ijs in zee, een oud gebaard man, die
Stond op, bokaal ter hand, en uit verschie...”
Het hier toegepaste systeem vereenvoudigt den zwaren arbeid van het rijmen aanmerkelijk; men heeft niet angstvallig te zoeken naar een woord dat in zijn geheel rijmt; licht vindt men er een waarvan een enkele letter past; de overige laat men weg, en het rijm is klaar. Dit ishetrijm-systeem voor rustbehoevenden. Naar deze methode vervaardigd, vloeide hem de volgendeBalladeals ’t ware van zelf uit de vulpen:
Het hier toegepaste systeem vereenvoudigt den zwaren arbeid van het rijmen aanmerkelijk; men heeft niet angstvallig te zoeken naar een woord dat in zijn geheel rijmt; licht vindt men er een waarvan een enkele letter past; de overige laat men weg, en het rijm is klaar. Dit ishetrijm-systeem voor rustbehoevenden. Naar deze methode vervaardigd, vloeide hem de volgendeBalladeals ’t ware van zelf uit de vulpen:
(Vrij naar Schiller)
Er leefd’ in overouden tijdIn ’t land van Granada,Zijn vorst in trouwen dienst gewijd,Een wakkre ridderkna.De koning had den jonker lief,En jacht, en sport, en spelWerd bloot voor ’s gunstelinge geriefTen Hove ingestel.Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak,Door bode en klokgelui,Genood tot ’t griezelig kijkvermaakRondom den leeuwenkui.Eens op een dag zijn maagd en borst,En ridders, rij aan rij,Verzameld bij den ouden vorst,In ’t lustpark van ’t palei;Rondom den diepen leeuwenkuil,Die dreigend gaapt benee:Hier’t jolig juichen —daar’t gehuilVan tijger en van lee.Men oogt ’t gestoei van ’t woest gebroedMet grage blikken na;En d’ oude vorst schertst welgemoed:„’t Is beter hier, dan da!”De jonge ridder zit naast háár —De jonkvrouw, trotsch van zin,Maar ’t schoonste van de maagdenschaar,En fel van hem bemin.Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor;Hij schijnt wat schuw, wat bleu;Dan vat hij moed, en als-maar-door,Ruischt zijn verliefd gekeu.Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij:„Mint gij mij waarlijk zoo?Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!”Dan roept z’ op luiden too:„Wie uwer mint mij sterk genoeg,Dat hij uit louter minDeez’ zijden handschoen, dien ik droeg,Mij weerbrengt van daargin?”Mèt werpt zij fluks den handschoen af;Men mompelt: „Wee!” — „Wat nu?” —— „Wie waagt zich in dit levend graf?...”Het denkbeeld is afschu.Zij ziet haar fellen minnaar aanMet hoonend killen lach:Kies — d’ arme heeft den blik verstaan —Mijn liefd’ — of mijn verach!Daar ziet de schare, stom van schrik,Vervuld van ’t naadrend wee,Hoe hij met somber-strakken blikZich naar den kuil begee.Snel daalt hij in de diepte neer......Loopt op de beesten toe......En — brengt den handschoen veilig weer,Met gruwbre heldenmoe.Nu groet den Ridder OnversaagdEen donderend hoera!Maar hij — hij werpt der snoode maagdDen handschoen......in ’t gela!„Aanvaard,” zoo spreekt hij, „slechte vrouw,Mijn declaratie zóó!Ikwasverliefd op je, maar nou —Wat mij betreft — val doo!”
Er leefd’ in overouden tijdIn ’t land van Granada,Zijn vorst in trouwen dienst gewijd,Een wakkre ridderkna.De koning had den jonker lief,En jacht, en sport, en spelWerd bloot voor ’s gunstelinge geriefTen Hove ingestel.Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak,Door bode en klokgelui,Genood tot ’t griezelig kijkvermaakRondom den leeuwenkui.Eens op een dag zijn maagd en borst,En ridders, rij aan rij,Verzameld bij den ouden vorst,In ’t lustpark van ’t palei;Rondom den diepen leeuwenkuil,Die dreigend gaapt benee:Hier’t jolig juichen —daar’t gehuilVan tijger en van lee.Men oogt ’t gestoei van ’t woest gebroedMet grage blikken na;En d’ oude vorst schertst welgemoed:„’t Is beter hier, dan da!”De jonge ridder zit naast háár —De jonkvrouw, trotsch van zin,Maar ’t schoonste van de maagdenschaar,En fel van hem bemin.Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor;Hij schijnt wat schuw, wat bleu;Dan vat hij moed, en als-maar-door,Ruischt zijn verliefd gekeu.Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij:„Mint gij mij waarlijk zoo?Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!”Dan roept z’ op luiden too:„Wie uwer mint mij sterk genoeg,Dat hij uit louter minDeez’ zijden handschoen, dien ik droeg,Mij weerbrengt van daargin?”Mèt werpt zij fluks den handschoen af;Men mompelt: „Wee!” — „Wat nu?” —— „Wie waagt zich in dit levend graf?...”Het denkbeeld is afschu.Zij ziet haar fellen minnaar aanMet hoonend killen lach:Kies — d’ arme heeft den blik verstaan —Mijn liefd’ — of mijn verach!Daar ziet de schare, stom van schrik,Vervuld van ’t naadrend wee,Hoe hij met somber-strakken blikZich naar den kuil begee.Snel daalt hij in de diepte neer......Loopt op de beesten toe......En — brengt den handschoen veilig weer,Met gruwbre heldenmoe.Nu groet den Ridder OnversaagdEen donderend hoera!Maar hij — hij werpt der snoode maagdDen handschoen......in ’t gela!„Aanvaard,” zoo spreekt hij, „slechte vrouw,Mijn declaratie zóó!Ikwasverliefd op je, maar nou —Wat mij betreft — val doo!”
Er leefd’ in overouden tijdIn ’t land van Granada,Zijn vorst in trouwen dienst gewijd,Een wakkre ridderkna.
Er leefd’ in overouden tijd
In ’t land van Granada,
Zijn vorst in trouwen dienst gewijd,
Een wakkre ridderkna.
De koning had den jonker lief,En jacht, en sport, en spelWerd bloot voor ’s gunstelinge geriefTen Hove ingestel.
De koning had den jonker lief,
En jacht, en sport, en spel
Werd bloot voor ’s gunstelinge gerief
Ten Hove ingestel.
Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak,Door bode en klokgelui,Genood tot ’t griezelig kijkvermaakRondom den leeuwenkui.
Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak,
Door bode en klokgelui,
Genood tot ’t griezelig kijkvermaak
Rondom den leeuwenkui.
Eens op een dag zijn maagd en borst,En ridders, rij aan rij,Verzameld bij den ouden vorst,In ’t lustpark van ’t palei;
Eens op een dag zijn maagd en borst,
En ridders, rij aan rij,
Verzameld bij den ouden vorst,
In ’t lustpark van ’t palei;
Rondom den diepen leeuwenkuil,Die dreigend gaapt benee:Hier’t jolig juichen —daar’t gehuilVan tijger en van lee.
Rondom den diepen leeuwenkuil,
Die dreigend gaapt benee:
Hier’t jolig juichen —daar’t gehuil
Van tijger en van lee.
Men oogt ’t gestoei van ’t woest gebroedMet grage blikken na;En d’ oude vorst schertst welgemoed:„’t Is beter hier, dan da!”
Men oogt ’t gestoei van ’t woest gebroed
Met grage blikken na;
En d’ oude vorst schertst welgemoed:
„’t Is beter hier, dan da!”
De jonge ridder zit naast háár —De jonkvrouw, trotsch van zin,Maar ’t schoonste van de maagdenschaar,En fel van hem bemin.
De jonge ridder zit naast háár —
De jonkvrouw, trotsch van zin,
Maar ’t schoonste van de maagdenschaar,
En fel van hem bemin.
Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor;Hij schijnt wat schuw, wat bleu;Dan vat hij moed, en als-maar-door,Ruischt zijn verliefd gekeu.
Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor;
Hij schijnt wat schuw, wat bleu;
Dan vat hij moed, en als-maar-door,
Ruischt zijn verliefd gekeu.
Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij:„Mint gij mij waarlijk zoo?Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!”Dan roept z’ op luiden too:
Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij:
„Mint gij mij waarlijk zoo?
Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!”
Dan roept z’ op luiden too:
„Wie uwer mint mij sterk genoeg,Dat hij uit louter minDeez’ zijden handschoen, dien ik droeg,Mij weerbrengt van daargin?”
„Wie uwer mint mij sterk genoeg,
Dat hij uit louter min
Deez’ zijden handschoen, dien ik droeg,
Mij weerbrengt van daargin?”
Mèt werpt zij fluks den handschoen af;Men mompelt: „Wee!” — „Wat nu?” —— „Wie waagt zich in dit levend graf?...”Het denkbeeld is afschu.
Mèt werpt zij fluks den handschoen af;
Men mompelt: „Wee!” — „Wat nu?” —
— „Wie waagt zich in dit levend graf?...”
Het denkbeeld is afschu.
Zij ziet haar fellen minnaar aanMet hoonend killen lach:Kies — d’ arme heeft den blik verstaan —Mijn liefd’ — of mijn verach!
Zij ziet haar fellen minnaar aan
Met hoonend killen lach:
Kies — d’ arme heeft den blik verstaan —
Mijn liefd’ — of mijn verach!
Daar ziet de schare, stom van schrik,Vervuld van ’t naadrend wee,Hoe hij met somber-strakken blikZich naar den kuil begee.
Daar ziet de schare, stom van schrik,
Vervuld van ’t naadrend wee,
Hoe hij met somber-strakken blik
Zich naar den kuil begee.
Snel daalt hij in de diepte neer......Loopt op de beesten toe......En — brengt den handschoen veilig weer,Met gruwbre heldenmoe.
Snel daalt hij in de diepte neer......
Loopt op de beesten toe......
En — brengt den handschoen veilig weer,
Met gruwbre heldenmoe.
Nu groet den Ridder OnversaagdEen donderend hoera!Maar hij — hij werpt der snoode maagdDen handschoen......in ’t gela!
Nu groet den Ridder Onversaagd
Een donderend hoera!
Maar hij — hij werpt der snoode maagd
Den handschoen......in ’t gela!
„Aanvaard,” zoo spreekt hij, „slechte vrouw,Mijn declaratie zóó!Ikwasverliefd op je, maar nou —Wat mij betreft — val doo!”
„Aanvaard,” zoo spreekt hij, „slechte vrouw,
Mijn declaratie zóó!
Ikwasverliefd op je, maar nou —
Wat mij betreft — val doo!”