Tristan geeft eene proeve van zijne zangkunst.Tristan geeft eene proeve van zijne zangkunst.Nu brak er een schoone tijd aan voor den jongen held. Slechts zelden gingen zijne gedachten terug naar zijn geboorteland, het verleden was als een gesloten boek voor hem, maar van het heden, het wonderschoone heden, genoot hij met volle teugen. Weldra gevoelde hij zich geheel thuis aan het schitterende hof, waar hij aller lieveling was en waar de koning hem slechts zelden uit zijne nabijheid duldde.Eens op een avond was het gansche hof bijeen verzameld om te luisteren naar de liederen van een vreemden zanger, die van ver over de zee gekomen was. Onder zijne liederen was dat van Graaf Gurun en zijne geliefde, wie de verraders het hart haars minnaars te eten gaven en die van smart en kommer omkwam. Tristan luisterde met de anderen samen, hij was geheel verzonken in de weemoedige tonen van het lied, maar toen de zanger zweeg, sprong hij overeind en riep met luider stem: “Bravo, meester! Gij hebt goed gezongen: uwe stem klinkt helder en krachtig, en weet op waardige wijze het lot der helden te bezingen. Ook de tonen uwer harp zijn rein en edel. Gij hebt de oude zangwijzen goed bewaard en ze geen geweld aangedaan”.De zanger verbaasde zich over dit kundig oordeel; wat kon zoo’n jonge knaap van zang en snarenspel weten? Nieuwsgierig vroeg hij Tristan of deze wellicht ook een lied ten beste kon geven. Zonder aarzelen greep Tristan de harp. Hij zong en zijne stem was van zulk eene innige schoonheid, dat de harten van alle aanwezigen tot in ’t diepst geroerd werden. Zij, die zóó zingen kunnen, zijn een zegen der menschheid; de schoonste droomen uit verleden en toekomst tooveren zij ons voor den geest, de gestalten van dierbare afgestorvenen doen zij in onze ziel herleven en de harten der toehoorders doen zij opengaan om visioenen van teedere schoonheid binnen te laten. Toen Tristan ophield met zingen, greep Koning Mark hem bij de hand; zijne oogen stonden vol tranen en zijne stem beefde toen hij sprak: “Kind,van nu af aan moogt gij mij nooit meer verlaten. God heeft u hierheen gezonden om eene ledige plaats in mijn huis te vullen en mijn hart, dat somber en treurig was, tot nieuwen levensmoed op te wekken. Van nu af aan zal er weer licht en vroolijkheid aan mijn hof heerschen.”De koning hield woord; van dien dag af moest Tristan steeds in zijne nabijheid zijn, op de jacht, zoowel als in huis en de eenzaam levende man hechtte zich met al de kracht zijner natuur aan den blonden knaap, dien hij liefhad als zijn eigen zoon.Zoo groeide Tristan op tot een kloeken jongeling, den trots van het gansche hof. Toen hij den leeftijd van negentien jaren bereikt had, gebeurde het, dat zijn pleegvader Rohand op zijne omzwervingen aan het hof van koning Mark kwam. Hem was ter oore gekomen bij monde van de beide pelgrims, die Tristan den weg hadden gewezen en die Rohand toevalligerwijze in Denemarken had ontmoet, dat zijn dierbare pleegzoon zich te Tintagel bevond, waar hij door den koning in dienst was genomen.De lange jaren van zwerven en trekken hadden hunne sporen nagelaten op het lichaam van den trouwen Rohand; de doorgestane ontberingen hadden zijne leden stram en zijne haren grijs gemaakt en niemand zou in den verwaarloosd uitzienden vreemdeling, die toegang vroeg tot het kasteel, den fieren, kloeken man van weleer hebben herkend. Het was dan ook slechts met moeite, dat hij de wachters wist te overreden, hem door te laten, maar toen hij zeide, de brenger te zijn van eene tijding, welke Tristan genoegen zou doen, en hij hun bovendien eene ruime gift in de hand drukte, openden zij, hoewel aarzelend, de poort en lieten hem binnen.Het liep juist tegen het uur van het middagmaal en in de groote zaal van het kasteel heerschte de gewone bedrijvigheid, welke daaraan voorafgaat. Juist schikten de gasten zich aan tafel, toen Rohand ongemerkt door eene zijdeur het vertrek binnentrad. Vol spanning zwierf zijn blik door de zaal en ziet—ginds! aan de linkerzijde van den grooten koning zelf, zat hij, dien hij zocht:veranderd en tot jongeling gerijpt, maar met al de schoonheid en minzaamheid, die hem reeds als kind kenmerkten. Verrukt hingen de oogen van den trouwen dienaar aan de gestalte van zijn pleegzoon; hij raakte maar niet uitgekeken. Wat was hij groot geworden en krachtig, hoe fier en vrijmoedig zag hij om zich heen en wat scheen hij zich thuis te gevoelen onder deze hooggeplaatste edellieden! Trouwens, rijk en machtig konden zij zijn, de trotsche hovelingen, geen van hen kon wedijveren met Tristan in schoonheid en adeldom van houding en gelaat! Toen de brave Rohand zich dit vol trots en vreugde had bekend, drong het plotseling tot hem door, hoezeer hij zelf, in zijne eenvoudige kleedij, welke bovendien door de reis was bevlekt en bestoven, moest afsteken bij de rijk gekleede ridders van het hof en eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat hij wellicht beter deed, heen te gaan, om Tristan de noodzakelijkheid te besparen, zich over hem te moeten schamen. Na een laatsten blik op zijn lieveling geworpen te hebben, wendde hij zich om, ten einde het vertrek te verlaten, toen Tristan plotseling zijne richting uitkeek. Een oogenblik staarde hij zijn pleegvader aan, zonder hem te herkennen, toen drong een straal van blijde verrassing uit zijne oogen en met den uitroep: “Vader!” sprong hij overeind, liep op Rohand toe en omhelsde hem hartelijk. Daarna trok hij hem met beide handen naar de plaats, vanwaar koning Mark in stomme verbazing dit wederzien had gadeslagen en riep met juichende stem: “Sire, dit is mijn vader, die uit verre landen is gekomen om mij te zoeken. Mag ik hem uit Uw naam hier welkom heeten?”Tranen van vreugdevolle ontroering kwamen Rohand in de oogen. Dit was zijn eigen, dierbare pleegzoon, dien hij wedergevonden had en die temidden van de pracht en praal zijner nieuwe omgeving den eenvoud van zijn kinderlijk gemoed had weten te bewaren. Hoe zegende hij dit oogenblik, dat hem ruimschoots alle gevaren en ontberingen vergoedde, welke hij om zijnentwil doorstaan had.Koning Mark heette den verren gast hartelijk welkom aanzijn hof; hij liet hem zelfs eene plaats aan zijne zijde inruimen en bediende hem met gulle hand van de spijzen, die voor hem werden aangedragen. Na afloop van den maaltijd begaf het gezelschap zich naar een aangrenzend vertrek, waar de vorst zijn gast verzocht, om verslag uit te brengen over zijn wedervaren. Nu was het oogenblik gekomen, dat Rohand zoo lang verbeid had; de trouwe dienaar zag om zich heen in den kring van aandachtig luisterende toehoorders, haalde diep adem en begon: “Sire, het moge u bevreemden, dat ik zoo langen tijd van huis en haard ben weggebleven om dezen, mijn zoon te zoeken, vooral waar thuis nog drie andere zonen mijne vaderzorgen behoeven, maar meer nog zal het u bevreemden, wanneer ik u vertel, dat hij, voor wien ik mij al deze moeite en last hebt getroost, niet eens mijn zoon, maar feitelijk een vreemde voor mij is!” Toen hij deze woorden gesproken had, sprong Tristan, die zich aan zijne voeten had neergezet, ontsteld op en riep uit: “Vader, weet gij wel, wat gij daar zegt? Ben ik uw zoon niet? Wie zou ik anders zijn en waarom hebt ge mij dat nooit eerder gezegd?” Maar Rohand legde bedarend zijne hand op het blondgelokte hoofd van den opgewonden knaap en sprak: “Dat zal ik u zeggen, mijn kind, maar vóór ik verder ga, dient gij te weten, dat geen vader zijn zoon meer lief kan hebben dan ik u doe en dat gij eene plaats inneemt in mijn hart naast die van mijne eigen kinderen.” Daarna wendde hij zich opnieuw tot koning Mark en vervolgde: “Wat ik u nu ga vertellen, Heer koning, is van grooter belang voor u, dan gij kunt vermoeden, en reeds vooraf moet ik u om vergeving vragen, wanneer ik mogelijk eene pijnlijke snaar bij u aanroer. Zooals ik u reeds zeide, is Tristan nòch mijn zoon, nòch mijn bloedverwant, maar hij werd mij toevertrouwd door mijn gestorven meester: Rivalin van Ermonie.” Op het hooren van dien naam rees Mark als door een pijl getroffen omhoog uit zijn zetel, zijn voorhoofd trok samen in diepe rimpels en zijne oogen schoten dreigende vonken, maar nog eer hij den mond tot spreken kon openen, ging Rohand haastig voort: “Zwijg, Sire! want de woorden,die ge wilt zeggen, zouden de nagedachtenis van een dapper en edel man ten onrechte beleedigen. Ik weet, dat de naam van Rivalin bij u pijnlijke herinneringen opwekt, maar wat gij vreest, is niet waar. De moeder van Tristan was inderdaad uwe zuster Blanchefleur, maar zij was ook de voor God en de menschen wettig erkende echtgenoote van mijn gestorven heer.”Deze woorden maakten diepen indruk en vooral op den koning hadden zij eene geweldige uitwerking. Hij kon het zich bijna niet indenken, dat zijne bittere schaamte, over wat zijne zuster gedaan had, van allen grond ontbloot was geweest. Toen hij echter den ring zag, dien Blanchefleur aan Rohand had toevertrouwd, verdween de laatste schaduw van twijfel uit zijn ziel en luid jubelend sloot hij Tristan in de armen. Nu eerst besefte hij, waarom hij reeds bij den eersten aanblik zulk eene warme genegenheid voor den knaap had opgevat, het was de stem des bloeds, die gesproken had.Wat Tristan betreft, ook hij kon aanvankelijk niet begrijpen, wat Rohand’s woorden voor hem beduidden. Zijn eerste gevoel was er een van smart, toen hij vernam, dat hij geen vader of moeder in de wereld bezat en dat hij, dien hij als een vader liefhad, feitelijk een vreemde voor hem was. Maar toen hij alle bijzonderheden over zijne geboorte vernomen had, verdwenen die gevoelens allengs uit zijn binnenste om plaats te maken voor eene innige dankbaarheid jegens den man, die hem zoo trouw en liefderijk had verzorgd. Ook zegende hij het toeval, dat hem naar Tintagel had gevoerd en hem in staat had gesteld om de genegenheid te winnen van den eenigen bloedverwant, dien hij op aarde bezat. Diep geroerd viel hij op de knieën voor de beide mannen, die hem zoo dierbaar waren: den machtigen koning en den eenvoudigen edelman, maar koning Mark deed hem opstaan en zeide met plechtige stem: “Van nu af aan beschouw ik u als mijn eigen zoon, want niet alleen om uws zelfs wil, maar ook terwille van haar, die gestorven is, zal ik u voortaan liefhebben. Als mijn zoon zult gij aan mijn hof verkeeren en na mijn dood zult gij heer worden over mijne bezittingen, dat zweer ik bij al wat mij heilig is!”De koning hield woord; reeds den volgenden dag maakte hij in eene plechtige bijeenkomst van al zijne vazallen bekend, dat hij Tristan aanwees als zijn wettigen erfgenaam en geen was er onder de aanwezigen, die hem die onderscheiding misgunde.De eerste gunst, die de jonge held zijn koninklijken oom verzocht, was om heen te mogen gaan naar zijn eigen land om zich aldaar op hertog Morgan te kunnen wreken voor den dood van zijn vader. Gaarne gaf Mark hiervoor zijne toestemming, want ook hij wenschte niets liever dan den man, die de oorzaak was geweest van den dood zijner dierbare zuster, zijne gerechte straf te zien ondergaan. Weinige dagen daarna vertrok Tristan in gezelschap van den trouwen Rohand naar Ermonie, waar al ras de waarheid omtrent zijne afkomst onder het volk bekend werd. Van alle zijden ontving hij bewijzen van trouw en aanhankelijkheid en toen men vernam, dat hij besloten was om den dood zijns vaders met geweld van wapenen te wreken, stroomden van alle zijden aanhangers toe, die zich bereid verklaarden, hem in zijn pogen bij te staan.Tegen een opstand, die zich zóózeer in de gunst van het gansche volk mocht verheugen, vermochten de huurlingen van Hertog Morgan niets uit te richten. Na een korten, maar hevigen strijd, waarin Tristan den hertog eene doodelijke wond wist toe te brengen, gaven zij zich gewonnen. Rivalin’s dood was gewroken en onder het gejuich der bevolking hield Tristan zijne blijde intocht in de stad zijner vaderen. Het was echter zijn plan niet om langen tijd daar te blijven, zijn hart trok hem naar de bergen van Cornwallis, waar hij in den dienst van zijn oom zich meer zou kunnen onderscheiden dan in het kleine Ermonie. Daarom vaardigde hij een besluit uit, waarin hij het bestuur over zijn graafschap opdroeg aan den oudsten van Rohand’s zonen, hijzelf echter scheepte zich met eenige getrouwen, waaronder ook zijn dienaar Gouvernail, dien hij na al die jaren gezond en wel had teruggevonden, in, om naar Cornwallis terug te keeren.Ridder te paard.Van Tristan’s strijd tegen den Ierschen Morholt.Toen Tristan in het kasteel van Tintagel terugkeerde, werd hij verbaasd door de sombere gezichten, die hij overal om zich heen zag. Uit de vertrekken der vrouwen drong onderdrukt gesnik tot hem door en de ridders schoolden in groepjes bijeen en spraken met gedempte stem onder elkander. Toen Tristan naar de oorzaak vroeg van deze droeve stemming, deelde men hem mede, dat de gevreesde Iersche krijger, Morholt, in het land gekomen was, om in naam zijns konings eene schatting te eischen, bestaande uit driehonderd knapen en meisjes, aan te wijzen uit de nakomelingschap der edelsten uit den lande. Op zijn verder vragen vernam hij, dat het betalen der jaarlijksche schatting dagteekende uit den tijd, toen Cornwallis, door binnenlandsche twisten verzwakt, niet opgewassen bleek tegen den machtigen koning van Ierland, wiens harde voorwaarden het daarom moest aanvaarden. Zoo werd het arme, geteisterde land eene schatting afgedwongen, welke het eerste van elke vier jaren bestaan zou uit driehonderd ponden koper, het tweede uit driehonderd ponden zilver en het derde uit hetzelfde gewicht aan goud. Het vierdejaar echter, en dit was wel het vreeselijkst van alles, moest de schatting bestaan uit driehonderd jongelingen en meisjes uit de edelste families van Cornwallis, die als knechten en dienstmaagden naar Ierland gevoerd werden.Reeds eenige malen was die zware schatting betaald geworden en onder bitter geween had men de hoop van het vaderland in ballingschap zien gaan, maar toen het rijk onder het bestuur van koning Mark allengs machtiger werd, begon men meer en meer het vernederende van een dergelijken eisch in te zien en elk jaar werd het gemor en geklaag, waaronder men de gevraagde som bijeenbracht, luider. Toen nu eenige jaren tevoren het oogenblik gekomen was, waarop de levende schatting moest worden uitbetaald, hadden de edelen uit het rijk rondweg geweigerd om hunne zonen en dochteren af te staan en op hoogen toon had men de Iersche boodschappers teruggezonden naar hun land. Drie jaren achtereen had de koning van Ierland zijn harden eisch herhaald, drie jaren achtereen had koning Mark, hoe bevreesd hij ook inwendig zijn mocht voor de gevolgen, geweigerd dien eisch in te willigen en nu was Morholt gekomen, om ten laatsten male de verplichte schatting op te eischen. Werd die niet betaald, dan zou de koning van Ierland een machtig leger zenden om zijnen bedreigingen kracht bij te zetten. Wat dit zeggen wilde, wisten de bewoners van Cornwallis slechts al te wel. Trouwens de ouden van dagen konden hen, die den ernst van een dergelijk dwangbevel niet inzagen, nog voldoende inlichten omtrent de gruwelen van een Ierschen inval, zooals zij dien in hunne jeugd hadden meegemaakt. Maar wat dan te doen? moest men dan de keur der jongelingschap, de bloem der jonge maagden goedschiks overleveren aan een vreeselijk lot? In spanning wachtte men de komst van den gevreesden Morholt af. Deze was de broeder der Iersche koningin, wijd en zijd geducht en gevreesd om de kracht zijner vuisten en het ruwe, bijkans dierlijk geweld, waarmede hij in den strijd zijn tegenstander wist aan te vallen.Met eene uitdrukking van hoon op het gelaat was hij het paleisvan koning Mark binnengetreden; spot en minachting spraken uit den toon, waarop hij den edelen toeriep: “Indien er één is onder ulieden, die uw land van dezen smaad wil bevrijden, ben ik bereid jegens hem in het perk te treden. Mocht hij in den strijd overwinnen, dan zijt gij voor altijd van uwe verplichtingen ontslagen. Indien het lot te mijnen gunste beslist, zoo is het niet meer dan billijk, dat uwe kinderen tot knechten worden. Maar ik zie het al, geen uwer waagt het den strijd met mij aan te binden!” en luid schalde zijn spotlach door de zaal.Bevend van woede en toorn had Tristan naar de woorden van Morholt geluisterd. Nu sprong hij overeind en riep met trillende stem den edelen toe: “Schaamt u, gij lafaards! Een dier doet nog meer om het leven zijner jongen te redden, dan gij doet om uwe kinderen datgene te besparen, wat nog erger is dan de dood!” Toen liep hij op Morholt toe, slingerde hem zijn handschoen in het gelaat en riep: “Ik zal met u strijden voor de eer van mijn land, en het behoud mijner vrienden en stamgenooten. Noem slechts plaats en uur!”Morholt nam lachend den handschoen van den grond op en sprak: “Wat wil die knaap van mij? Moet ik soms een houten zwaard gebruiken, wanneer ik met hem vecht?” Maar niettegenstaande zijne snoevende minachting moest Morholt Tristan’s uitdaging wel aannemen en zoo werden dag en uur van den strijd bepaald. Het gevecht zou plaats vinden op een eilandje, dat niet ver van Tintagel op eenigen afstand van de kust was gelegen. Reeds vroeg in den morgen van den vastgestelden dag had zich eene groote menigte aan het strand verzameld, die getuige wilde zijn van dezen spannenden strijd, welke over het wel en wee van het vaderland zou beslissen. Tegen den middag kwam Morholt, op een zwart ros gezeten, uit de richting der stad aanrijden. Onder de dreigende blikken der toeschouwers nam hij met zijn paard plaats in een bootje, dat hij met eenige krachtige slagen naar het eiland roeide; daar aangeland, meerde hij zijn vaartuig vast aan een steiger, steeg aanwal en wachtte, te paard gezeten, de verdere gebeurtenissen af.Korten tijd daarna verscheen Tristan op het strand, onder het daverend gejuich der menigte. Zijne gestalte was gehuld in een stalen harnas, dat blonk als zilver, het vizier van zijn helm was opgeslagen en met vriendelijk lachend gelaat dankte hij voor de hem betoonde hulde. Zijne vrienden verdrongen zich om zijn sneeuwwitten schimmel en wedijverden met elkander in het geven van goeden raad en heilwenschen. Op dezelfde wijze als Morholt bereikte hij het eiland, maar toen hij aan land was gestapt, stiet hij met den voet het vaartuig, waarin hij gekomen was, van den oever af, zoodat het met den stroom naar zee dreef. Op Morholt’s vraag, waarom hij dit deed, gaf hij ten antwoord: “Één van ons beiden zal dit eiland niet levend verlaten en voor hem, die terugkeert, is één vaartuig voldoende.”Kort daarop begon de strijd, die vele uren duurde. Zij, die vanaf het strand in angstige spanning naar het eiland tuurden, om den loop van het gevecht te kunnen volgen, zagen, hoe de krijgskansen steeds wisselden. Wat Morholt boven zijn tegenstander voor had, waren zijne meerdere kracht en zijne jarenlange ervaring in het vechten. Tristan daarentegen won het van hem in behendigheid en vlugheid van beweging. Daar trof Morholt’s zwaard den jongen held diep in de linkerzijde; één oogenblik scheen het, of hij den strijd zou moeten opgeven, zóó fel brandend was de pijn, maar dadelijk herstelde hij zich weer. Morholt had echter zijne aarzeling bemerkt en zijn zwaard terughoudend riep hij uit: “Houd op, knaap, eer het te laat is. Wat maalt gij om die menschen daar ginds op het strand? Uw moed en behendigheid bevallen mij en ik wensch niet langer uw dood. Weet dan, dat de punt van mijn zwaard in gif gedrenkt is en dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen dan mijne zuster, koningin Isolde. Daarom leg uwe wapens neer en ga met mij naar Ierland, waar gij genezing zult vinden en waar men u gelegenheid zal verschaffen, u roem en eer te verwerven!”Tristan luisterde echter nauwelijks naar zijne woorden. Woedendsprong hij op Morholt toe, terwijl hij uitriep: “Mijne eer en de vrijheid van mijn land zijn mij meer waard dan mijn leven. Ik heb ze beide in mijne hand en zal ze verdedigen tot mijn laatsten ademtocht!” Met vernieuwde onstuimigheid drong hij op zijn tegenstander in en slechts weinige oogenblikken later gelukte het hem, met een krachtigen zwaardslag Morholt’s schedel te doorklieven. Met een doffen slag stortte de reus op den grond. Tristan steeg van zijn paard en trok met moeite zijn wapen uit de gapende wond. Zóó diep was het lemmer van het zwaard in het been doorgedrongen, dat een splinter van het staal in den schedel bleef steken.Toen Tristan zich overtuigd had, dat Morholt inderdaad niet meer tot de levenden behoorde, begaf hij zich aan boord van diens vaartuig en roeide naar de kust. Zij, die daar stonden en den vorm van het vaartuig herkenden, sloegen de handen in elkaar en begonnen luide te weeklagen, want zij meenden niet anders, of Tristan was in den strijd gevallen. Wie beschrijft dus hunne vreugde, toen de geliefde held uit het vaartuig aan den wal sprong, ongedeerd naar het scheen, want de vreugde der overwinning deed hem voor het oogenblik de pijn vergeten, die hem in de zijde brandde. Met fieren tred trad hij op de kleine groep van Morholt’s metgezellen toe en riep, zóó luid, dat alle omstanders het hooren konden: “Gaat heen naar uw land en breng uw vorst als schatting, hem, dien ge op gindsch eiland zult vinden. Zeg hem, dat, zoo de aard dier schatting hem bevalt, hij slechts nieuwe boodschappers behoeft te zenden, om er nog meer van te ontvangen.”Van bange voorgevoelens vervuld, roeiden Morholt’s vrienden naar het eiland, waar zij het lijk van hun makker vonden. Zij wikkelden het doode lichaam in fijn linnen doeken en voerden het met zich mee naar Ierland. Groot was aldaar de rouw bij het vernemen der smartelijke tijding. De trotsche koning van Ierland beet zich op de lippen van woede en schaamte, maar hij zond geen nieuwe boodschappers naar Cornwallis. De koningin echter en hare dochter, de schoone Isolde, stortten bittere tranen overhet ontzielde lichaam; zij wieschen en balsemden het en hulden het in een kostbaar doodskleed. Zoo ontdekten zij ook de stalen zwaardpunt, die in de wonde was blijven steken. Zorgvuldig legden zij het kostbare bewijsstuk ter zijde en zij zwoeren een duren eed, dat hij, aan wien het toebehoorde, zijne straf niet zou ontgaan.Degene, tegen wien deze bedreigingen geuit werden, lag intusschen weg te kwijnen op zijne legerstede in een der zijvleugels van het paleis van koning Mark. Onder het oorverdoovend gejubel der saamgepakte menigte had Tristan de terugreis naar Tintagel ondernomen. Van alle kanten drongen de menschen op hem aan om hem te danken voor hetgeen hij voor hen en hun land gedaan had. Vreemde ridders drukten hem de hand, schoone edelvrouwen vielen hem te voet en stamelden hun dank onder snikken en tranen, jonge meisjes strooiden bloemen op zijn pad en allen huldigden hem als den held van den dag. Voor den hoofdingang van zijn paleis stond koning Mark en toen Tristan hem naderde, strekte hij beide armen naar den jongeling uit en drukte hem aan zijn hart, te zeer ontroerd, om een woord uit te brengen.Maar nu was het ook met Tristan’s krachten gedaan; met een kreet van pijn drukte hij zijne hand in de zijde en zonk bewusteloos ineen.Van alle kanten snelde men toe, om hem te helpen en met de grootste omzichtigheid droeg men hem naar een koel en rustig vertrek, waarheen de koning weldra de bekwaamste geneesheeren liet ontbieden om zijne wonden te onderzoeken. Maar niettegenstaande al hun pogen, kon geen van hen er in slagen, hem de zoo vurig begeerde genezing te brengen. Alle middelen faalden; dieper en dieper woekerde het gif in zijn bloed; zijn lichaam nam eene onheilspellende, donkere kleur aan en uit zijne wonden kwam eene vreeselijke lucht, die het den omstanders onmogelijk maakte om langeren tijd in het vertrek te vertoeven. Zoo gingen de weken voorbij; de geneesheeren schudden hunne wijze hoofden en mompelden Latijnsche namen, maar het angstig smeeken van koning Mark beantwoordden zij slechts met een weifelend schouderophalenen Tristan lag onder dit alles onrustig woelend terneer en voelde, hoe de koorts in zijne aderen brandde en zijne krachten verteerde.Door alle koortsvisioenen heen, die zijn brein benevelden hoorde hij de stem van Morholt, die hem toeriep: “Weet dan, dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen, dan mijne zuster, koningin Isolde.” Inderdaad, dit scheen maar al te waar te zijn, want hij voelde, dat zijne krachten met den dag afnamen en dat de beroemde geneesmiddelen, die men hem toediende, niets vermochten tegen het sloopend gif, dat hem verschroeide als een inwendig vuur. Hoe zou hij dan nog op genezing kunnen hopen, hij, die zich nooit in Ierland zou kunnen vertoonen, zonder zeker te zijn, dat men hem als den moordenaar van den broeder der koningin, een vreeselijken dood zou doen sterven? En hoe zou hij trouwens hulp mogen verwachten van haar, wier naasten bloedverwant hij om het leven gebracht had?Eens op een morgen, toen eene tijdelijke opklaring van zijn brein hem het denken mogelijk maakte, lag hij te peinzen over zijn toestand. Of het kwam, dat het afnemen der koorts hem nieuwe hoop gaf, of doordat de zonnestralen, welke door het venster vielen, hem er aan herinnerden, hoe schoon de wereld daarbuiten was,—hoe het ook zij, zijn heele wezen kwam in opstand tegen den naderenden dood en met inspanning van al zijne denkvermogens zon hij op een middel, dat hem, trots alle in den weg staande moeilijkheden, de zoo vurig gewenschte genezing zou doen verkrijgen.Langzaam rijpte toen in zijne hersenen het plan, dat, hoe gevaarlijk ook, hem althans eene kans op redding bood. Na overleg gepleegd te nebben met koning Mark liet Tristan zich op een mooien zomermorgen aan boord dragen van een vaartuig, waarop zich niemand anders bevond dan Gouvernail en de noodige bemanning, die geheel uit vertrouwde dienaren bestond. Van al zijne schatten en kostbaarheden nam hij niets met zich mede dan zijne harp en zoo begon hij zijn gevaarvollen tocht onder dezegewenschen van zijn vorst. Daar hij vreesde, dat de mare van zijne komst Ierland zou bereiken, nog vóór hij zelve daar kwam, bewaarde hij een diep stilzwijgen over het doel zijner reis en aan vrienden en belangstellenden deed hij voorkomen als ging hij naar Salerno, om daar de hulp van een beroemd heelmeester in te roepen. Niemand dan koning Mark vermoedde waar hij werkelijk heenging.Vele dagen duurde de tocht, want de wind was ongunstig en dreef het schip uit zijn koers. Tristan lag op dek, rustend op zijden kussens en wanneer zijne pijnen het hem toelieten, speelde hij op zijne harp de oude, lang vergeten wijzen uit zijn vaderland. Zacht en droomerig klonken de tonen van het instrument over het wijde watervlak en vergleden in de onmetelijke ruimte. Zoo naderde het schip de groene kustlijn van Ierland, waar voor Tristan de redding, maar ook het gevaar schuilde.Vroeg in den morgen waren eenige visschers buiten de haven van Dublin bezig hunne netten uit te werpen, toen hun oor plotseling getroffen werd door de klanken van een zoetvloeiend lied, die uit zee tot hen kwamen aandrijven. Verbaasd zagen zij om zich heen. Vanwaar kwam die stem, die zoo schoon en innig wist te zingen, dat men ernaar luisteren moest of men wilde of niet? Toen bemerkten zij op eenigen afstand een vreemd vaartuig, dat anders van bouw was dan de hunne. Fluks roeiden zij er heen en daar, op het dek, uitgestrekt op een bed van kussens, ontwaarden zij den zanger, een jongen man, wiens fijne, edele gelaatstrekken door de pijn verwrongen waren en den grauwen doodstint reeds schenen te hebben aangenomen. Nochtans gleden zijne vingers over de snaren en ontlokten daaraan tonen van zulk eene roerende schoonheid, dat zelfs de ruwe harten der visschers er door geboeid werden. Nieuwsgierig vroegen zij naar naam en herkomst van den vreemden zanger en deze, die op een dergelijk verhoor was voorbereid, vertelde hun, dat hij Tantris heette en dat hij, op weg naar Spanje, door zeeroovers was overrompeld, die zijn schip hadden geplunderd en hemzelf eene gevaarlijke wonde haddentoegebracht. Op zijne wedervraag, waar hij zich thans wel bevinden mocht, antwoordden de visschers hem, dat gindsche stad Dublin was, de hoofdstad van het machtige Iersche rijk. Getroffen door het lijdend voorkomen van den jongen vreemdeling boden zij hem gastvrijheid in hunne eenvoudige woning aan, welk aanbod gretig door hem werd aanvaard.Al spoedig verspreidde zich het gerucht door het land van den jongen zanger, die lag weg te kwijnen aan eene doodelijke wonde, doch wiens zang en harpspel zóó schoon waren, dat een ieder, die ze hoorde, onder de betoovering kwam. Ook roemde men den vreemdeling om zijne hoffelijke, vriendelijke manieren en de kalmte en geestkracht, waarmede hij zijn vreeselijk lijden droeg. Tot in het koninklijk paleis drongen deze geruchten door en de jonge prinses Isolde bad en smeekte hare moeder om den vreemdeling aan het hof te ontbieden en hem op te dragen, haar in de kunst van het harpspelen te onderrichten. Zoo gebeurde het en toen de koningin den schoonen jongeling zag, die ondanks zijne onduldbare pijnen toch zijne kalmte en levensmoed wist te bewaren, besloot zij al hare krachten aan te wenden, om hem van zijne kwaal te genezen. Met eigen hand bereidde zij toen eenige geneesmiddelen, volgens een geheim en oud recept, dat zij nog van hare moeder had medegekregen; zij wiesch zijne wonden met eene zuiverende vloeistof, die het gif uit het bloed wist te trekken en ziet, binnen weinige dagen was er reeds eene verandering ten goede merkbaar in het voorkomen van den zieke. Zijne oogen werden helderder, zijne gelaatstint werd weer gezond en de pijnen namen af in hevigheid. Vóór er drie weken verstreken waren, was Tristan geheel genezen en gedreven door innige dankbaarheid jegens haar, die hem het leven gered had, wijdde hij zich geheel aan zijne nieuwe taak, om de jeugdige prinses te onderwijzen in alles, wat de edelvrouwen van zijn land zoo hoog deed uitsteken boven hare tijdgenooten. Hij leerde haar schoone liederen zingen en die op de harp begeleiden; ook onderrichtte hij haar in het zeggen van verzen en het onderhoudend vertellenvan oude sagen en legenden. Daarbij zag hij nauwkeurig toe, dat houding, gelaatsuitdrukking en stembuiging alle in overeenstemming waren met den inhoud van het verhaalde. Ook toonde hij Isolde, hoe in zijn land de vrouwen met hoofsche nijgingen en vriendelijk handgebaar den vreemdeling begroetten, die in hare woning binnentrad, hoe zij met sierlijken zwaai den langen sleep van haar rijkleed over den schouder wierpen, zoodra zij van het paard gestegen waren en hoe zij, voor het vuur gezeten, eene slip van haren hoofddoek gebruikten, om zich tegen de hitte der vlammen te beschutten. Al deze dingen maakte Isolde zich eigen en haar ouders verheugden zich, wanneer zij zagen, hoe hunne dochter dagelijks toenam in gratie van houding en manieren. Isolde zelf zag hoog op tegen haren leermeester en bewonderde hem als een toonbeeld van beschaving en ridderlijkheid. Ook hij voelde zich getroffen door het lieftallig wezen der jonge prinses, maar zijn hart was nog vrij van alle gedachten aan liefde en vrouwengunst, dus leefden deze beide jonge lieden gelukkig en tevreden bij en met elkander voort, zonder aan andere dingen te denken dan aan de fraaie klanken van een lied of de schoonheid van een zomermorgen aan het strand van Dublin.Toen de maanden verliepen en Tristan weer geheel hersteld was, begon hij terug te verlangen naar zijn vaderland, waar zijn oom in bange onzekerheid zijne terugkomst verbeidde.Al werd hij door gevoelens van dankbaarheid aan het Iersche hof gebonden, zijn plicht riep hem terug naar Cornwallis en bovendien, hij verkeerde steeds in angst, of de metgezellen van Morholt hem ook zouden herkennen. Daarom begaf hij zich eens op een dag naar koningin Isolde en vroeg haar verlof, om naar zijn land terug te keeren. “Mijne vrienden en bloedverwanten”, zoo zeide hij, “verkeeren steeds in onzekerheid omtrent mijn lot, daar zij sedert mijn vertrek niets meer van mij vernomen hebben. Het wordt tijd voor mij, om tot hen terug te keeren. Nooit echter zal ik vergeten, wat gij voor mij gedaan hebt en mijn leven lang zal ik uw getrouwe dienaar blijven, over wien gij vrijelijkzult kunnen beschikken, waar en wanneer u dit goed dunkt.”Na eenig beraad gaf de koningin hare toestemming tot zijn vertrek; het viel haar niet gemakkelijk, om Tristan te laten gaan, want zij was hem gaan liefhebben als haar eigen zoon, zoowel ter wille van hemzelf, als ter wille van dat, wat hij voor haar kind gedaan had.Korten tijd daarna stak het vaartuig, waarin Tristan gekomen was, weer in zee en landde, na eene voorspoedige reis, in de haven van Tintagel.De blijdschap van koning Mark, toen hij zijn geliefden neef gezond en krachtig terugzag, kende geene grenzen en ook Tristan’s vrienden en bekenden verheugden zich hartelijk over zijn veiligen terugkeer. Zij konden hunne oogen bijna niet gelooven toen zij hem, dien zij doodelijk krank en lijdend hadden zien vertrekken, nu zoo frisch en gezond terugzagen en er waren er onder de ridders, die iets mompelden van tooverij en booze geesten. Dit gerucht verspreidde zich allengs en vond gretigen ingang bij hen, die sinds langen tijd naijverig waren op Tristan’s roem en op de gunsten, die koning Mark hem betoonde. Het was duidelijk, zoo zeiden zij, dat er hoogere machten in het spel waren geweest, die tot Tristan’s genezing hadden bijgedragen. Hoe zou het ook anders mogelijk zijn, dat men in Ierland hem niet herkend had en dat hij koningin Isolde had weten te bewegen, om hem te genezen, hem, dien zij toch meer dan alle menschen op aarde moest haten. Nu eerst zag men, welk een gevaarlijk mensch deze Tristan was en hoe hij met den Booze in nauwe gemeenschap stond! Trouwens, was hij niet ook in andere opzichten een geheimzinnig wezen, was er wel één, die de waarheid wist omtrent zijne afkomst en de wijze, waarop hij in het land gekomen was?Zoo praatten en stookten de jaloersche baronnen en ontzagen zich zelfs niet om in Tristan’s tegenwoordigheid bedekte toespelingen te maken op de verdachte omstandigheden, waaronder hij aan het hof gekomen was en de slimme wijze, waarop hij zich in de gunsten des konings had weten te dringen. Tristan voeldemaar al te duidelijk de vijandige stemming, die hem omringde, maar hij stoorde er zich weinig aan en ging kalm zijns weegs, overtuigd van zijn goed recht.Naarmate de weken verliepen en onze held weer geheel zijne vroegere plaats aan het hof had ingenomen, groeiden de nijd en afgunst van de baronnen en konden zij zich hoe langer hoe minder vereenigen met het feit, dat Tristan eens hun heer en vorst zou zijn. Wat, deze vreemdeling, deze bastaard, zou hun koning worden en regeeren over het schoone land van Cornwallis? Waarom konden zij geen rechtmatigen erfgenaam van den troon hebben? het was immers de plicht van ieder vorst om daarvoor te zorgen! Nog was het niet te laat, koning Mark was weliswaar niet jong meer, maar toch nog niet te oud om een huwelijk aan te gaan en dat er geen prinses te vinden zou zijn, die den troon met hem wilde deelen, dat kon men toch niet aannemen! Op grond van deze overwegingen begaven zij zich naar koning Mark en verzochten hem, ter wille van zijn volk en zijn land, uit te zien naar eene jonge bruid, die hem een erfgenaam voor den troon zou schenken. De koning hoorde hen met verbazing aan en sprak: “Wat wilt gij van mij? Weet ge dan niet, dat Tristan, het kind mijner gestorven zuster, mijn erfgenaam zal zijn en kunt gij u een wijzer en dapperder koning wenschen dan hij zijn zal?” Maar de baronnen lieten niet af. Tristan, zoo beweerden zij, was en bleef een vreemdeling en wanneer hij na ’s konings dood den troon wilde bestijgen, zouden diens verre bloedverwanten hem het recht daartoe betwisten, waardoor het rijk ten prooi zou vallen aan binnenlandsche twisten en oorlogen. Wanneer daarentegen de koning een huwelijk wilde aangaan, was de erfopvolging verzekerd en zou het land de rust blijven genieten, welke noodig was voor zijn verderen bloei en welvaart. Aanvankelijk bleef de koning doof voor hunne inblazingen. Zijn eens gegeven woord wilde hij niet breken en geene vrouw zou de plaats aan zijne zijde innemen, zoolang Tristan aan het hof verkeerde. Maar ook deze begon te bemerken, wat de baronnen wenschten en liever danvoort te leven onder dien druk van haat en afgunst, wenschte hij afstand te doen van alle rechten, die zijn oom hem had geschonken. Daarom begaf hij zich naar den koning en smeekte hem, de eischen zijner baronnen in te willigen, daar hij zich anders genoodzaakt zou zien, het hof te verlaten en als een arm, maar vrij man de wereld in te trekken. Koning Mark zag, dat hem niets anders overbleef, dan toe te geven, maar hij nam zich voor, zijne eischen zoo zwaar mogelijk te maken, opdat hij nog eene kans zou hebben, zijne vrijheid te behouden en Tristan de plaats te geven, die dezen volgens zijne koninklijke belofte toekwam.Hij riep dus zijne baronnen in plechtige vergadering bijeen en sprak: “Na rijp beraad ben ik besloten, om, ingevolge uw verlangen, een huwelijk aan te gaan. Er is echter slechts ééne enkele prinses, die ik tot vrouw begeer en zij en geene andere zal den troon van Cornwallis met mij deelen. Luistert! Toen ik vanmorgen vroeg te peinzen lag, vlogen twee zwaluwen door het open venster van mijn slaapvertrek naar binnen. In hunne snavels droegen zij een lang, goudblond vrouwenhaar, dat glinsterde in de morgenzon. Toen zij boven mijn rustbed gekomen waren, lieten zij plotseling het haar vallen, dat neerdwarrelde op mijne legerstede. Voorzichtig nam ik het op om het te bekijken en terwijl ik dit deed, schoot mij plotseling te binnen, hoe Tristan steeds de lange, gouden haren van prinses Isolde van Ierland geprezen had. Sindsdien heb ik haar beeld niet meer uit mijne gedachten kunnen verbannen en begon ik het brengen van het vrouwenhaar door de zwaluwen als eene aanduiding te beschouwen, dat zij en niemand anders dan zij, mijne gemalin moest worden.” Hier zweeg de koning en zag triomfantelijk rond. Hoe zouden de baronnen aan zijn verlangen kunnen voldoen, om eene prinses uit een hem vijandig rijk voor zijne hand te winnen? Het was immers onmogelijk dat de koning van Ierland ooit de hand zijner dochter zou schenken aan den man, die de indirecte oorzaak was geweest van Morholts dood. Welnu, de baronnen zouden, wanneer hij slechts voet bij stuk hield, ten slotte wel het onmogelijke van hun plan inzien ende troon zou, bij gebrek aan een rechtstreekschen erfgenaam, vanzelf aan Tristan vervallen. Inderdaad zagen de edellieden elkander eenigszins bedrukt en teleurgesteld aan, want zij begrepen, dat het bijna onmogelijk zou zijn, om de hand van prinses Isolde voor hun vorst te winnen. Zij poogden Mark het onredelijke van zijn verlangen onder het oog te brengen; zij wezen op de vijandschap tusschen de beide landen en prezen de schoonheid en lieftalligheid van andere prinsessen. Alles tevergeefs! Koning Mark bleef bij zijn eisch: Isolde van Ierland moest zijne vrouw worden, of hij zou tot zijn dood toe ongehuwd blijven en Tristan zou hem opvolgen. Wanhopig zagen de baronnen elkander aan en menige booze blik trof Tristan, dien men als de oorzaak van ’s konings koppigheid beschouwde. Zeker was hij het, die Mark een dergelijk voorstel aan de hand had gedaan, om daardoor zijne eigen rechten op den troon verzekerd te zien. Zoodra Tristan zich van dit nieuwe blijk van wantrouwen bewust werd, was zijn besluit genomen en temidden der pijnlijke stilte die op eene hernieuwde weigering des konings gevolgd was, riep hij uit: “Lafaards zijt ge, om eene taak onuitvoerbaar te beschouwen, nog eer gij uwe krachten daaraan beproefd hebt. Ik zelve Sire, zal u Isolde van Ierland brengen, of het moest mij mijn leven kosten. Geef mij slechts twintig edelen mede om uw aanzoek te ondersteunen. Bovendien zal ik honderd ridders kiezen, die mij in den nood terzijde zullen staan en tezamen zullen wij de prinses voor u veroveren, al moesten we haar aan de klauwen van een draak ontrukken!” De baronnen kregen den schrik over deze overmoedige woorden en beefden bij de gedachte, dat zij Tristan op zijn gevaarlijken tocht zouden moeten vergezellen. Andermaal wendden zij zich smeekend tot hun vorst en verzochten hem eene andere keuze te doen, maar nog vóór hij antwoorden kon, riep Tristan uit: “Er is slechts ééne vrouw ter wereld, die waard is om de gemalin van koning Mark te worden en dat is prinses Isolde met de gouden haren! Haar wil ik voor hem zien te veroveren of in het pogen den dood vinden!”In allerijl rustte Tristan nu een schip uit, dat hij belaadde met allerhande kostbare waren, zooals vreemde kooplieden gewoon zijn, van hunne reizen mede te brengen. Vergezeld van het vastgestelde aantal edelen en ridders zette hij koers naar Ierland en weldra dook de hem bekende kustlijn aan den horizon op. Toen zij de landingsplaats van Dublin naderden, gaf hij zijnen reisgenooten bevel, zich in het ruim van het schip te begeven en aldaar verborgen de verdere gebeurtenissen af te wachten. Hij zelf, zoo zeide hij, was van plan, om in de stad te gaan en te zien, wat hij doen kon. Wanneer hij na verloop van drie weken niet terug was gekomen, raadde hij zijne metgezellen aan, terug te keeren naar hun land en eene andere bruid voor koning Mark te zoeken. Zij konden dan aannemen, dat hij zijn leven in de onderneming gelaten had.Aan het strand van Dublin heerschte intusschen onder de samengestroomde menigte groote nieuwsgierigheid aangaande het vreemde vaartuig, dat op eenigen afstand buiten de haven voor anker was gaan liggen. Ook de maarschalk, in wiens handen het bestuur over de stad berustte, kwam met zijne dienaren naar den waterkant, om te onderzoeken, wie wel de eigenaar van het schip kon zijn en met welke bedoelingen hij gekomen was.Tristan naderde de aanlegplaats in een klein bootje. Over zijne wapenrusting droeg hij een langen koopmansmantel en eene ruig wollen muts bedekte zijne blonde haren. Toen hij den voet aan wal zette drong het volk naderbij en bij het zien van zijne uitheemsche kleedij, gingen er scheldwoorden en uitroepen van spot onder de menigte omhoog. Tristan stoorde zich echter niet aan de vijandige houding der bevolking; met kalmen tred ging hij op den maarschalk toe en sprak: “Heer maarschalk, wat beduiden die dreigende uitroepen en gebaren? Toen ik hierheen voer, waar ik zoo vele jaren achtereen mijne kostbare koopwaar van de hand heb gedaan, was ik niet op eene dergelijke ontvangst voorbereid. Wanneer men mij echter liever ziet vertrekken, zoo zeg mij dit ronduit; ik keer dan terug naar mijn schip en zal trachten in een gastvrijer oord dan dit eene afzetplaats voormijne waren te vinden. Vergun mij echter u dezen beker aan te bieden, dien ik voor u uit het Frankenland, waar mijne geboorteplaats is, heb medegebracht”. Daarbij bood hij den maarschalk een zwaar gouden beker aan. Deze nam vol vreugde de kostbare gift in ontvangst en sprak vriendelijk: “Duid het den menschen niet ten kwade, wat ik u bidden mag, dat zij u minder vriendelijk bejegenen, dan gij verwacht hadt. De reden daarvan is, dat ons een groot leed is wedervaren. De broeder onzer geliefde vorstin, een dapper en edel ridder, is in den vreemde op sluwe wijze ten val gebracht en sindsdien verdenkt men iederen vreemdeling van booze plannen te onzen opzichte. Het land, waar Morholt zijn dood vond, was Cornwallis en zoo gij uit Frankenland herwaarts zijt gekomen, zal u hier geen leed geschieden; integendeel, men zal uwe waren koopen als voorheen, indien zij even schoon en kostbaar zijn als deze beker”.Zoodoende kon Tristan vrijelijk de stad betreden, waar prinses Isolde woonde, en behoefde hij slechts eene gunstige gelegenheid af te wachten om haar te naderen.Deze gelegenheid deed zich spoedig voor. In de bosschen bij Dublin huisde een vreeselijk monster: een draak, die mensch en dier bedreigde, die boom en struik verzengde met het vuur, dat hij spuwde, en wiens wandaden hem tot schrik der gansche bevolking maakten. Steeds dichter waagde het ondier zich bij de muren der stad, steeds talrijker werden zijne slachtoffers, tot eens op een dag de koning, die ten einde raad was, op plechtige wijze liet bekend maken, dat hij hem, die den draak wist te dooden, zijne dochter Isolde tot vrouw zou geven.Van heinde en ver kwamen nu de ridders opdagen, die, aangelokt door den hoogen prijs, het waagstuk wilden beproeven, maar geen hunner slaagde erin, het ondier te dooden en velen verloren in den strijd het leven. Ook Tristan was de belofte des konings ter oore gekomen en hij besloot op zijne beurt eene kans te wagen, om zoodoende de hand der schoone prinses voor zijn oom te winnen.
Tristan geeft eene proeve van zijne zangkunst.Tristan geeft eene proeve van zijne zangkunst.Nu brak er een schoone tijd aan voor den jongen held. Slechts zelden gingen zijne gedachten terug naar zijn geboorteland, het verleden was als een gesloten boek voor hem, maar van het heden, het wonderschoone heden, genoot hij met volle teugen. Weldra gevoelde hij zich geheel thuis aan het schitterende hof, waar hij aller lieveling was en waar de koning hem slechts zelden uit zijne nabijheid duldde.Eens op een avond was het gansche hof bijeen verzameld om te luisteren naar de liederen van een vreemden zanger, die van ver over de zee gekomen was. Onder zijne liederen was dat van Graaf Gurun en zijne geliefde, wie de verraders het hart haars minnaars te eten gaven en die van smart en kommer omkwam. Tristan luisterde met de anderen samen, hij was geheel verzonken in de weemoedige tonen van het lied, maar toen de zanger zweeg, sprong hij overeind en riep met luider stem: “Bravo, meester! Gij hebt goed gezongen: uwe stem klinkt helder en krachtig, en weet op waardige wijze het lot der helden te bezingen. Ook de tonen uwer harp zijn rein en edel. Gij hebt de oude zangwijzen goed bewaard en ze geen geweld aangedaan”.De zanger verbaasde zich over dit kundig oordeel; wat kon zoo’n jonge knaap van zang en snarenspel weten? Nieuwsgierig vroeg hij Tristan of deze wellicht ook een lied ten beste kon geven. Zonder aarzelen greep Tristan de harp. Hij zong en zijne stem was van zulk eene innige schoonheid, dat de harten van alle aanwezigen tot in ’t diepst geroerd werden. Zij, die zóó zingen kunnen, zijn een zegen der menschheid; de schoonste droomen uit verleden en toekomst tooveren zij ons voor den geest, de gestalten van dierbare afgestorvenen doen zij in onze ziel herleven en de harten der toehoorders doen zij opengaan om visioenen van teedere schoonheid binnen te laten. Toen Tristan ophield met zingen, greep Koning Mark hem bij de hand; zijne oogen stonden vol tranen en zijne stem beefde toen hij sprak: “Kind,van nu af aan moogt gij mij nooit meer verlaten. God heeft u hierheen gezonden om eene ledige plaats in mijn huis te vullen en mijn hart, dat somber en treurig was, tot nieuwen levensmoed op te wekken. Van nu af aan zal er weer licht en vroolijkheid aan mijn hof heerschen.”De koning hield woord; van dien dag af moest Tristan steeds in zijne nabijheid zijn, op de jacht, zoowel als in huis en de eenzaam levende man hechtte zich met al de kracht zijner natuur aan den blonden knaap, dien hij liefhad als zijn eigen zoon.Zoo groeide Tristan op tot een kloeken jongeling, den trots van het gansche hof. Toen hij den leeftijd van negentien jaren bereikt had, gebeurde het, dat zijn pleegvader Rohand op zijne omzwervingen aan het hof van koning Mark kwam. Hem was ter oore gekomen bij monde van de beide pelgrims, die Tristan den weg hadden gewezen en die Rohand toevalligerwijze in Denemarken had ontmoet, dat zijn dierbare pleegzoon zich te Tintagel bevond, waar hij door den koning in dienst was genomen.De lange jaren van zwerven en trekken hadden hunne sporen nagelaten op het lichaam van den trouwen Rohand; de doorgestane ontberingen hadden zijne leden stram en zijne haren grijs gemaakt en niemand zou in den verwaarloosd uitzienden vreemdeling, die toegang vroeg tot het kasteel, den fieren, kloeken man van weleer hebben herkend. Het was dan ook slechts met moeite, dat hij de wachters wist te overreden, hem door te laten, maar toen hij zeide, de brenger te zijn van eene tijding, welke Tristan genoegen zou doen, en hij hun bovendien eene ruime gift in de hand drukte, openden zij, hoewel aarzelend, de poort en lieten hem binnen.Het liep juist tegen het uur van het middagmaal en in de groote zaal van het kasteel heerschte de gewone bedrijvigheid, welke daaraan voorafgaat. Juist schikten de gasten zich aan tafel, toen Rohand ongemerkt door eene zijdeur het vertrek binnentrad. Vol spanning zwierf zijn blik door de zaal en ziet—ginds! aan de linkerzijde van den grooten koning zelf, zat hij, dien hij zocht:veranderd en tot jongeling gerijpt, maar met al de schoonheid en minzaamheid, die hem reeds als kind kenmerkten. Verrukt hingen de oogen van den trouwen dienaar aan de gestalte van zijn pleegzoon; hij raakte maar niet uitgekeken. Wat was hij groot geworden en krachtig, hoe fier en vrijmoedig zag hij om zich heen en wat scheen hij zich thuis te gevoelen onder deze hooggeplaatste edellieden! Trouwens, rijk en machtig konden zij zijn, de trotsche hovelingen, geen van hen kon wedijveren met Tristan in schoonheid en adeldom van houding en gelaat! Toen de brave Rohand zich dit vol trots en vreugde had bekend, drong het plotseling tot hem door, hoezeer hij zelf, in zijne eenvoudige kleedij, welke bovendien door de reis was bevlekt en bestoven, moest afsteken bij de rijk gekleede ridders van het hof en eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat hij wellicht beter deed, heen te gaan, om Tristan de noodzakelijkheid te besparen, zich over hem te moeten schamen. Na een laatsten blik op zijn lieveling geworpen te hebben, wendde hij zich om, ten einde het vertrek te verlaten, toen Tristan plotseling zijne richting uitkeek. Een oogenblik staarde hij zijn pleegvader aan, zonder hem te herkennen, toen drong een straal van blijde verrassing uit zijne oogen en met den uitroep: “Vader!” sprong hij overeind, liep op Rohand toe en omhelsde hem hartelijk. Daarna trok hij hem met beide handen naar de plaats, vanwaar koning Mark in stomme verbazing dit wederzien had gadeslagen en riep met juichende stem: “Sire, dit is mijn vader, die uit verre landen is gekomen om mij te zoeken. Mag ik hem uit Uw naam hier welkom heeten?”Tranen van vreugdevolle ontroering kwamen Rohand in de oogen. Dit was zijn eigen, dierbare pleegzoon, dien hij wedergevonden had en die temidden van de pracht en praal zijner nieuwe omgeving den eenvoud van zijn kinderlijk gemoed had weten te bewaren. Hoe zegende hij dit oogenblik, dat hem ruimschoots alle gevaren en ontberingen vergoedde, welke hij om zijnentwil doorstaan had.Koning Mark heette den verren gast hartelijk welkom aanzijn hof; hij liet hem zelfs eene plaats aan zijne zijde inruimen en bediende hem met gulle hand van de spijzen, die voor hem werden aangedragen. Na afloop van den maaltijd begaf het gezelschap zich naar een aangrenzend vertrek, waar de vorst zijn gast verzocht, om verslag uit te brengen over zijn wedervaren. Nu was het oogenblik gekomen, dat Rohand zoo lang verbeid had; de trouwe dienaar zag om zich heen in den kring van aandachtig luisterende toehoorders, haalde diep adem en begon: “Sire, het moge u bevreemden, dat ik zoo langen tijd van huis en haard ben weggebleven om dezen, mijn zoon te zoeken, vooral waar thuis nog drie andere zonen mijne vaderzorgen behoeven, maar meer nog zal het u bevreemden, wanneer ik u vertel, dat hij, voor wien ik mij al deze moeite en last hebt getroost, niet eens mijn zoon, maar feitelijk een vreemde voor mij is!” Toen hij deze woorden gesproken had, sprong Tristan, die zich aan zijne voeten had neergezet, ontsteld op en riep uit: “Vader, weet gij wel, wat gij daar zegt? Ben ik uw zoon niet? Wie zou ik anders zijn en waarom hebt ge mij dat nooit eerder gezegd?” Maar Rohand legde bedarend zijne hand op het blondgelokte hoofd van den opgewonden knaap en sprak: “Dat zal ik u zeggen, mijn kind, maar vóór ik verder ga, dient gij te weten, dat geen vader zijn zoon meer lief kan hebben dan ik u doe en dat gij eene plaats inneemt in mijn hart naast die van mijne eigen kinderen.” Daarna wendde hij zich opnieuw tot koning Mark en vervolgde: “Wat ik u nu ga vertellen, Heer koning, is van grooter belang voor u, dan gij kunt vermoeden, en reeds vooraf moet ik u om vergeving vragen, wanneer ik mogelijk eene pijnlijke snaar bij u aanroer. Zooals ik u reeds zeide, is Tristan nòch mijn zoon, nòch mijn bloedverwant, maar hij werd mij toevertrouwd door mijn gestorven meester: Rivalin van Ermonie.” Op het hooren van dien naam rees Mark als door een pijl getroffen omhoog uit zijn zetel, zijn voorhoofd trok samen in diepe rimpels en zijne oogen schoten dreigende vonken, maar nog eer hij den mond tot spreken kon openen, ging Rohand haastig voort: “Zwijg, Sire! want de woorden,die ge wilt zeggen, zouden de nagedachtenis van een dapper en edel man ten onrechte beleedigen. Ik weet, dat de naam van Rivalin bij u pijnlijke herinneringen opwekt, maar wat gij vreest, is niet waar. De moeder van Tristan was inderdaad uwe zuster Blanchefleur, maar zij was ook de voor God en de menschen wettig erkende echtgenoote van mijn gestorven heer.”Deze woorden maakten diepen indruk en vooral op den koning hadden zij eene geweldige uitwerking. Hij kon het zich bijna niet indenken, dat zijne bittere schaamte, over wat zijne zuster gedaan had, van allen grond ontbloot was geweest. Toen hij echter den ring zag, dien Blanchefleur aan Rohand had toevertrouwd, verdween de laatste schaduw van twijfel uit zijn ziel en luid jubelend sloot hij Tristan in de armen. Nu eerst besefte hij, waarom hij reeds bij den eersten aanblik zulk eene warme genegenheid voor den knaap had opgevat, het was de stem des bloeds, die gesproken had.Wat Tristan betreft, ook hij kon aanvankelijk niet begrijpen, wat Rohand’s woorden voor hem beduidden. Zijn eerste gevoel was er een van smart, toen hij vernam, dat hij geen vader of moeder in de wereld bezat en dat hij, dien hij als een vader liefhad, feitelijk een vreemde voor hem was. Maar toen hij alle bijzonderheden over zijne geboorte vernomen had, verdwenen die gevoelens allengs uit zijn binnenste om plaats te maken voor eene innige dankbaarheid jegens den man, die hem zoo trouw en liefderijk had verzorgd. Ook zegende hij het toeval, dat hem naar Tintagel had gevoerd en hem in staat had gesteld om de genegenheid te winnen van den eenigen bloedverwant, dien hij op aarde bezat. Diep geroerd viel hij op de knieën voor de beide mannen, die hem zoo dierbaar waren: den machtigen koning en den eenvoudigen edelman, maar koning Mark deed hem opstaan en zeide met plechtige stem: “Van nu af aan beschouw ik u als mijn eigen zoon, want niet alleen om uws zelfs wil, maar ook terwille van haar, die gestorven is, zal ik u voortaan liefhebben. Als mijn zoon zult gij aan mijn hof verkeeren en na mijn dood zult gij heer worden over mijne bezittingen, dat zweer ik bij al wat mij heilig is!”De koning hield woord; reeds den volgenden dag maakte hij in eene plechtige bijeenkomst van al zijne vazallen bekend, dat hij Tristan aanwees als zijn wettigen erfgenaam en geen was er onder de aanwezigen, die hem die onderscheiding misgunde.De eerste gunst, die de jonge held zijn koninklijken oom verzocht, was om heen te mogen gaan naar zijn eigen land om zich aldaar op hertog Morgan te kunnen wreken voor den dood van zijn vader. Gaarne gaf Mark hiervoor zijne toestemming, want ook hij wenschte niets liever dan den man, die de oorzaak was geweest van den dood zijner dierbare zuster, zijne gerechte straf te zien ondergaan. Weinige dagen daarna vertrok Tristan in gezelschap van den trouwen Rohand naar Ermonie, waar al ras de waarheid omtrent zijne afkomst onder het volk bekend werd. Van alle zijden ontving hij bewijzen van trouw en aanhankelijkheid en toen men vernam, dat hij besloten was om den dood zijns vaders met geweld van wapenen te wreken, stroomden van alle zijden aanhangers toe, die zich bereid verklaarden, hem in zijn pogen bij te staan.Tegen een opstand, die zich zóózeer in de gunst van het gansche volk mocht verheugen, vermochten de huurlingen van Hertog Morgan niets uit te richten. Na een korten, maar hevigen strijd, waarin Tristan den hertog eene doodelijke wond wist toe te brengen, gaven zij zich gewonnen. Rivalin’s dood was gewroken en onder het gejuich der bevolking hield Tristan zijne blijde intocht in de stad zijner vaderen. Het was echter zijn plan niet om langen tijd daar te blijven, zijn hart trok hem naar de bergen van Cornwallis, waar hij in den dienst van zijn oom zich meer zou kunnen onderscheiden dan in het kleine Ermonie. Daarom vaardigde hij een besluit uit, waarin hij het bestuur over zijn graafschap opdroeg aan den oudsten van Rohand’s zonen, hijzelf echter scheepte zich met eenige getrouwen, waaronder ook zijn dienaar Gouvernail, dien hij na al die jaren gezond en wel had teruggevonden, in, om naar Cornwallis terug te keeren.Ridder te paard.Van Tristan’s strijd tegen den Ierschen Morholt.Toen Tristan in het kasteel van Tintagel terugkeerde, werd hij verbaasd door de sombere gezichten, die hij overal om zich heen zag. Uit de vertrekken der vrouwen drong onderdrukt gesnik tot hem door en de ridders schoolden in groepjes bijeen en spraken met gedempte stem onder elkander. Toen Tristan naar de oorzaak vroeg van deze droeve stemming, deelde men hem mede, dat de gevreesde Iersche krijger, Morholt, in het land gekomen was, om in naam zijns konings eene schatting te eischen, bestaande uit driehonderd knapen en meisjes, aan te wijzen uit de nakomelingschap der edelsten uit den lande. Op zijn verder vragen vernam hij, dat het betalen der jaarlijksche schatting dagteekende uit den tijd, toen Cornwallis, door binnenlandsche twisten verzwakt, niet opgewassen bleek tegen den machtigen koning van Ierland, wiens harde voorwaarden het daarom moest aanvaarden. Zoo werd het arme, geteisterde land eene schatting afgedwongen, welke het eerste van elke vier jaren bestaan zou uit driehonderd ponden koper, het tweede uit driehonderd ponden zilver en het derde uit hetzelfde gewicht aan goud. Het vierdejaar echter, en dit was wel het vreeselijkst van alles, moest de schatting bestaan uit driehonderd jongelingen en meisjes uit de edelste families van Cornwallis, die als knechten en dienstmaagden naar Ierland gevoerd werden.Reeds eenige malen was die zware schatting betaald geworden en onder bitter geween had men de hoop van het vaderland in ballingschap zien gaan, maar toen het rijk onder het bestuur van koning Mark allengs machtiger werd, begon men meer en meer het vernederende van een dergelijken eisch in te zien en elk jaar werd het gemor en geklaag, waaronder men de gevraagde som bijeenbracht, luider. Toen nu eenige jaren tevoren het oogenblik gekomen was, waarop de levende schatting moest worden uitbetaald, hadden de edelen uit het rijk rondweg geweigerd om hunne zonen en dochteren af te staan en op hoogen toon had men de Iersche boodschappers teruggezonden naar hun land. Drie jaren achtereen had de koning van Ierland zijn harden eisch herhaald, drie jaren achtereen had koning Mark, hoe bevreesd hij ook inwendig zijn mocht voor de gevolgen, geweigerd dien eisch in te willigen en nu was Morholt gekomen, om ten laatsten male de verplichte schatting op te eischen. Werd die niet betaald, dan zou de koning van Ierland een machtig leger zenden om zijnen bedreigingen kracht bij te zetten. Wat dit zeggen wilde, wisten de bewoners van Cornwallis slechts al te wel. Trouwens de ouden van dagen konden hen, die den ernst van een dergelijk dwangbevel niet inzagen, nog voldoende inlichten omtrent de gruwelen van een Ierschen inval, zooals zij dien in hunne jeugd hadden meegemaakt. Maar wat dan te doen? moest men dan de keur der jongelingschap, de bloem der jonge maagden goedschiks overleveren aan een vreeselijk lot? In spanning wachtte men de komst van den gevreesden Morholt af. Deze was de broeder der Iersche koningin, wijd en zijd geducht en gevreesd om de kracht zijner vuisten en het ruwe, bijkans dierlijk geweld, waarmede hij in den strijd zijn tegenstander wist aan te vallen.Met eene uitdrukking van hoon op het gelaat was hij het paleisvan koning Mark binnengetreden; spot en minachting spraken uit den toon, waarop hij den edelen toeriep: “Indien er één is onder ulieden, die uw land van dezen smaad wil bevrijden, ben ik bereid jegens hem in het perk te treden. Mocht hij in den strijd overwinnen, dan zijt gij voor altijd van uwe verplichtingen ontslagen. Indien het lot te mijnen gunste beslist, zoo is het niet meer dan billijk, dat uwe kinderen tot knechten worden. Maar ik zie het al, geen uwer waagt het den strijd met mij aan te binden!” en luid schalde zijn spotlach door de zaal.Bevend van woede en toorn had Tristan naar de woorden van Morholt geluisterd. Nu sprong hij overeind en riep met trillende stem den edelen toe: “Schaamt u, gij lafaards! Een dier doet nog meer om het leven zijner jongen te redden, dan gij doet om uwe kinderen datgene te besparen, wat nog erger is dan de dood!” Toen liep hij op Morholt toe, slingerde hem zijn handschoen in het gelaat en riep: “Ik zal met u strijden voor de eer van mijn land, en het behoud mijner vrienden en stamgenooten. Noem slechts plaats en uur!”Morholt nam lachend den handschoen van den grond op en sprak: “Wat wil die knaap van mij? Moet ik soms een houten zwaard gebruiken, wanneer ik met hem vecht?” Maar niettegenstaande zijne snoevende minachting moest Morholt Tristan’s uitdaging wel aannemen en zoo werden dag en uur van den strijd bepaald. Het gevecht zou plaats vinden op een eilandje, dat niet ver van Tintagel op eenigen afstand van de kust was gelegen. Reeds vroeg in den morgen van den vastgestelden dag had zich eene groote menigte aan het strand verzameld, die getuige wilde zijn van dezen spannenden strijd, welke over het wel en wee van het vaderland zou beslissen. Tegen den middag kwam Morholt, op een zwart ros gezeten, uit de richting der stad aanrijden. Onder de dreigende blikken der toeschouwers nam hij met zijn paard plaats in een bootje, dat hij met eenige krachtige slagen naar het eiland roeide; daar aangeland, meerde hij zijn vaartuig vast aan een steiger, steeg aanwal en wachtte, te paard gezeten, de verdere gebeurtenissen af.Korten tijd daarna verscheen Tristan op het strand, onder het daverend gejuich der menigte. Zijne gestalte was gehuld in een stalen harnas, dat blonk als zilver, het vizier van zijn helm was opgeslagen en met vriendelijk lachend gelaat dankte hij voor de hem betoonde hulde. Zijne vrienden verdrongen zich om zijn sneeuwwitten schimmel en wedijverden met elkander in het geven van goeden raad en heilwenschen. Op dezelfde wijze als Morholt bereikte hij het eiland, maar toen hij aan land was gestapt, stiet hij met den voet het vaartuig, waarin hij gekomen was, van den oever af, zoodat het met den stroom naar zee dreef. Op Morholt’s vraag, waarom hij dit deed, gaf hij ten antwoord: “Één van ons beiden zal dit eiland niet levend verlaten en voor hem, die terugkeert, is één vaartuig voldoende.”Kort daarop begon de strijd, die vele uren duurde. Zij, die vanaf het strand in angstige spanning naar het eiland tuurden, om den loop van het gevecht te kunnen volgen, zagen, hoe de krijgskansen steeds wisselden. Wat Morholt boven zijn tegenstander voor had, waren zijne meerdere kracht en zijne jarenlange ervaring in het vechten. Tristan daarentegen won het van hem in behendigheid en vlugheid van beweging. Daar trof Morholt’s zwaard den jongen held diep in de linkerzijde; één oogenblik scheen het, of hij den strijd zou moeten opgeven, zóó fel brandend was de pijn, maar dadelijk herstelde hij zich weer. Morholt had echter zijne aarzeling bemerkt en zijn zwaard terughoudend riep hij uit: “Houd op, knaap, eer het te laat is. Wat maalt gij om die menschen daar ginds op het strand? Uw moed en behendigheid bevallen mij en ik wensch niet langer uw dood. Weet dan, dat de punt van mijn zwaard in gif gedrenkt is en dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen dan mijne zuster, koningin Isolde. Daarom leg uwe wapens neer en ga met mij naar Ierland, waar gij genezing zult vinden en waar men u gelegenheid zal verschaffen, u roem en eer te verwerven!”Tristan luisterde echter nauwelijks naar zijne woorden. Woedendsprong hij op Morholt toe, terwijl hij uitriep: “Mijne eer en de vrijheid van mijn land zijn mij meer waard dan mijn leven. Ik heb ze beide in mijne hand en zal ze verdedigen tot mijn laatsten ademtocht!” Met vernieuwde onstuimigheid drong hij op zijn tegenstander in en slechts weinige oogenblikken later gelukte het hem, met een krachtigen zwaardslag Morholt’s schedel te doorklieven. Met een doffen slag stortte de reus op den grond. Tristan steeg van zijn paard en trok met moeite zijn wapen uit de gapende wond. Zóó diep was het lemmer van het zwaard in het been doorgedrongen, dat een splinter van het staal in den schedel bleef steken.Toen Tristan zich overtuigd had, dat Morholt inderdaad niet meer tot de levenden behoorde, begaf hij zich aan boord van diens vaartuig en roeide naar de kust. Zij, die daar stonden en den vorm van het vaartuig herkenden, sloegen de handen in elkaar en begonnen luide te weeklagen, want zij meenden niet anders, of Tristan was in den strijd gevallen. Wie beschrijft dus hunne vreugde, toen de geliefde held uit het vaartuig aan den wal sprong, ongedeerd naar het scheen, want de vreugde der overwinning deed hem voor het oogenblik de pijn vergeten, die hem in de zijde brandde. Met fieren tred trad hij op de kleine groep van Morholt’s metgezellen toe en riep, zóó luid, dat alle omstanders het hooren konden: “Gaat heen naar uw land en breng uw vorst als schatting, hem, dien ge op gindsch eiland zult vinden. Zeg hem, dat, zoo de aard dier schatting hem bevalt, hij slechts nieuwe boodschappers behoeft te zenden, om er nog meer van te ontvangen.”Van bange voorgevoelens vervuld, roeiden Morholt’s vrienden naar het eiland, waar zij het lijk van hun makker vonden. Zij wikkelden het doode lichaam in fijn linnen doeken en voerden het met zich mee naar Ierland. Groot was aldaar de rouw bij het vernemen der smartelijke tijding. De trotsche koning van Ierland beet zich op de lippen van woede en schaamte, maar hij zond geen nieuwe boodschappers naar Cornwallis. De koningin echter en hare dochter, de schoone Isolde, stortten bittere tranen overhet ontzielde lichaam; zij wieschen en balsemden het en hulden het in een kostbaar doodskleed. Zoo ontdekten zij ook de stalen zwaardpunt, die in de wonde was blijven steken. Zorgvuldig legden zij het kostbare bewijsstuk ter zijde en zij zwoeren een duren eed, dat hij, aan wien het toebehoorde, zijne straf niet zou ontgaan.Degene, tegen wien deze bedreigingen geuit werden, lag intusschen weg te kwijnen op zijne legerstede in een der zijvleugels van het paleis van koning Mark. Onder het oorverdoovend gejubel der saamgepakte menigte had Tristan de terugreis naar Tintagel ondernomen. Van alle kanten drongen de menschen op hem aan om hem te danken voor hetgeen hij voor hen en hun land gedaan had. Vreemde ridders drukten hem de hand, schoone edelvrouwen vielen hem te voet en stamelden hun dank onder snikken en tranen, jonge meisjes strooiden bloemen op zijn pad en allen huldigden hem als den held van den dag. Voor den hoofdingang van zijn paleis stond koning Mark en toen Tristan hem naderde, strekte hij beide armen naar den jongeling uit en drukte hem aan zijn hart, te zeer ontroerd, om een woord uit te brengen.Maar nu was het ook met Tristan’s krachten gedaan; met een kreet van pijn drukte hij zijne hand in de zijde en zonk bewusteloos ineen.Van alle kanten snelde men toe, om hem te helpen en met de grootste omzichtigheid droeg men hem naar een koel en rustig vertrek, waarheen de koning weldra de bekwaamste geneesheeren liet ontbieden om zijne wonden te onderzoeken. Maar niettegenstaande al hun pogen, kon geen van hen er in slagen, hem de zoo vurig begeerde genezing te brengen. Alle middelen faalden; dieper en dieper woekerde het gif in zijn bloed; zijn lichaam nam eene onheilspellende, donkere kleur aan en uit zijne wonden kwam eene vreeselijke lucht, die het den omstanders onmogelijk maakte om langeren tijd in het vertrek te vertoeven. Zoo gingen de weken voorbij; de geneesheeren schudden hunne wijze hoofden en mompelden Latijnsche namen, maar het angstig smeeken van koning Mark beantwoordden zij slechts met een weifelend schouderophalenen Tristan lag onder dit alles onrustig woelend terneer en voelde, hoe de koorts in zijne aderen brandde en zijne krachten verteerde.Door alle koortsvisioenen heen, die zijn brein benevelden hoorde hij de stem van Morholt, die hem toeriep: “Weet dan, dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen, dan mijne zuster, koningin Isolde.” Inderdaad, dit scheen maar al te waar te zijn, want hij voelde, dat zijne krachten met den dag afnamen en dat de beroemde geneesmiddelen, die men hem toediende, niets vermochten tegen het sloopend gif, dat hem verschroeide als een inwendig vuur. Hoe zou hij dan nog op genezing kunnen hopen, hij, die zich nooit in Ierland zou kunnen vertoonen, zonder zeker te zijn, dat men hem als den moordenaar van den broeder der koningin, een vreeselijken dood zou doen sterven? En hoe zou hij trouwens hulp mogen verwachten van haar, wier naasten bloedverwant hij om het leven gebracht had?Eens op een morgen, toen eene tijdelijke opklaring van zijn brein hem het denken mogelijk maakte, lag hij te peinzen over zijn toestand. Of het kwam, dat het afnemen der koorts hem nieuwe hoop gaf, of doordat de zonnestralen, welke door het venster vielen, hem er aan herinnerden, hoe schoon de wereld daarbuiten was,—hoe het ook zij, zijn heele wezen kwam in opstand tegen den naderenden dood en met inspanning van al zijne denkvermogens zon hij op een middel, dat hem, trots alle in den weg staande moeilijkheden, de zoo vurig gewenschte genezing zou doen verkrijgen.Langzaam rijpte toen in zijne hersenen het plan, dat, hoe gevaarlijk ook, hem althans eene kans op redding bood. Na overleg gepleegd te nebben met koning Mark liet Tristan zich op een mooien zomermorgen aan boord dragen van een vaartuig, waarop zich niemand anders bevond dan Gouvernail en de noodige bemanning, die geheel uit vertrouwde dienaren bestond. Van al zijne schatten en kostbaarheden nam hij niets met zich mede dan zijne harp en zoo begon hij zijn gevaarvollen tocht onder dezegewenschen van zijn vorst. Daar hij vreesde, dat de mare van zijne komst Ierland zou bereiken, nog vóór hij zelve daar kwam, bewaarde hij een diep stilzwijgen over het doel zijner reis en aan vrienden en belangstellenden deed hij voorkomen als ging hij naar Salerno, om daar de hulp van een beroemd heelmeester in te roepen. Niemand dan koning Mark vermoedde waar hij werkelijk heenging.Vele dagen duurde de tocht, want de wind was ongunstig en dreef het schip uit zijn koers. Tristan lag op dek, rustend op zijden kussens en wanneer zijne pijnen het hem toelieten, speelde hij op zijne harp de oude, lang vergeten wijzen uit zijn vaderland. Zacht en droomerig klonken de tonen van het instrument over het wijde watervlak en vergleden in de onmetelijke ruimte. Zoo naderde het schip de groene kustlijn van Ierland, waar voor Tristan de redding, maar ook het gevaar schuilde.Vroeg in den morgen waren eenige visschers buiten de haven van Dublin bezig hunne netten uit te werpen, toen hun oor plotseling getroffen werd door de klanken van een zoetvloeiend lied, die uit zee tot hen kwamen aandrijven. Verbaasd zagen zij om zich heen. Vanwaar kwam die stem, die zoo schoon en innig wist te zingen, dat men ernaar luisteren moest of men wilde of niet? Toen bemerkten zij op eenigen afstand een vreemd vaartuig, dat anders van bouw was dan de hunne. Fluks roeiden zij er heen en daar, op het dek, uitgestrekt op een bed van kussens, ontwaarden zij den zanger, een jongen man, wiens fijne, edele gelaatstrekken door de pijn verwrongen waren en den grauwen doodstint reeds schenen te hebben aangenomen. Nochtans gleden zijne vingers over de snaren en ontlokten daaraan tonen van zulk eene roerende schoonheid, dat zelfs de ruwe harten der visschers er door geboeid werden. Nieuwsgierig vroegen zij naar naam en herkomst van den vreemden zanger en deze, die op een dergelijk verhoor was voorbereid, vertelde hun, dat hij Tantris heette en dat hij, op weg naar Spanje, door zeeroovers was overrompeld, die zijn schip hadden geplunderd en hemzelf eene gevaarlijke wonde haddentoegebracht. Op zijne wedervraag, waar hij zich thans wel bevinden mocht, antwoordden de visschers hem, dat gindsche stad Dublin was, de hoofdstad van het machtige Iersche rijk. Getroffen door het lijdend voorkomen van den jongen vreemdeling boden zij hem gastvrijheid in hunne eenvoudige woning aan, welk aanbod gretig door hem werd aanvaard.Al spoedig verspreidde zich het gerucht door het land van den jongen zanger, die lag weg te kwijnen aan eene doodelijke wonde, doch wiens zang en harpspel zóó schoon waren, dat een ieder, die ze hoorde, onder de betoovering kwam. Ook roemde men den vreemdeling om zijne hoffelijke, vriendelijke manieren en de kalmte en geestkracht, waarmede hij zijn vreeselijk lijden droeg. Tot in het koninklijk paleis drongen deze geruchten door en de jonge prinses Isolde bad en smeekte hare moeder om den vreemdeling aan het hof te ontbieden en hem op te dragen, haar in de kunst van het harpspelen te onderrichten. Zoo gebeurde het en toen de koningin den schoonen jongeling zag, die ondanks zijne onduldbare pijnen toch zijne kalmte en levensmoed wist te bewaren, besloot zij al hare krachten aan te wenden, om hem van zijne kwaal te genezen. Met eigen hand bereidde zij toen eenige geneesmiddelen, volgens een geheim en oud recept, dat zij nog van hare moeder had medegekregen; zij wiesch zijne wonden met eene zuiverende vloeistof, die het gif uit het bloed wist te trekken en ziet, binnen weinige dagen was er reeds eene verandering ten goede merkbaar in het voorkomen van den zieke. Zijne oogen werden helderder, zijne gelaatstint werd weer gezond en de pijnen namen af in hevigheid. Vóór er drie weken verstreken waren, was Tristan geheel genezen en gedreven door innige dankbaarheid jegens haar, die hem het leven gered had, wijdde hij zich geheel aan zijne nieuwe taak, om de jeugdige prinses te onderwijzen in alles, wat de edelvrouwen van zijn land zoo hoog deed uitsteken boven hare tijdgenooten. Hij leerde haar schoone liederen zingen en die op de harp begeleiden; ook onderrichtte hij haar in het zeggen van verzen en het onderhoudend vertellenvan oude sagen en legenden. Daarbij zag hij nauwkeurig toe, dat houding, gelaatsuitdrukking en stembuiging alle in overeenstemming waren met den inhoud van het verhaalde. Ook toonde hij Isolde, hoe in zijn land de vrouwen met hoofsche nijgingen en vriendelijk handgebaar den vreemdeling begroetten, die in hare woning binnentrad, hoe zij met sierlijken zwaai den langen sleep van haar rijkleed over den schouder wierpen, zoodra zij van het paard gestegen waren en hoe zij, voor het vuur gezeten, eene slip van haren hoofddoek gebruikten, om zich tegen de hitte der vlammen te beschutten. Al deze dingen maakte Isolde zich eigen en haar ouders verheugden zich, wanneer zij zagen, hoe hunne dochter dagelijks toenam in gratie van houding en manieren. Isolde zelf zag hoog op tegen haren leermeester en bewonderde hem als een toonbeeld van beschaving en ridderlijkheid. Ook hij voelde zich getroffen door het lieftallig wezen der jonge prinses, maar zijn hart was nog vrij van alle gedachten aan liefde en vrouwengunst, dus leefden deze beide jonge lieden gelukkig en tevreden bij en met elkander voort, zonder aan andere dingen te denken dan aan de fraaie klanken van een lied of de schoonheid van een zomermorgen aan het strand van Dublin.Toen de maanden verliepen en Tristan weer geheel hersteld was, begon hij terug te verlangen naar zijn vaderland, waar zijn oom in bange onzekerheid zijne terugkomst verbeidde.Al werd hij door gevoelens van dankbaarheid aan het Iersche hof gebonden, zijn plicht riep hem terug naar Cornwallis en bovendien, hij verkeerde steeds in angst, of de metgezellen van Morholt hem ook zouden herkennen. Daarom begaf hij zich eens op een dag naar koningin Isolde en vroeg haar verlof, om naar zijn land terug te keeren. “Mijne vrienden en bloedverwanten”, zoo zeide hij, “verkeeren steeds in onzekerheid omtrent mijn lot, daar zij sedert mijn vertrek niets meer van mij vernomen hebben. Het wordt tijd voor mij, om tot hen terug te keeren. Nooit echter zal ik vergeten, wat gij voor mij gedaan hebt en mijn leven lang zal ik uw getrouwe dienaar blijven, over wien gij vrijelijkzult kunnen beschikken, waar en wanneer u dit goed dunkt.”Na eenig beraad gaf de koningin hare toestemming tot zijn vertrek; het viel haar niet gemakkelijk, om Tristan te laten gaan, want zij was hem gaan liefhebben als haar eigen zoon, zoowel ter wille van hemzelf, als ter wille van dat, wat hij voor haar kind gedaan had.Korten tijd daarna stak het vaartuig, waarin Tristan gekomen was, weer in zee en landde, na eene voorspoedige reis, in de haven van Tintagel.De blijdschap van koning Mark, toen hij zijn geliefden neef gezond en krachtig terugzag, kende geene grenzen en ook Tristan’s vrienden en bekenden verheugden zich hartelijk over zijn veiligen terugkeer. Zij konden hunne oogen bijna niet gelooven toen zij hem, dien zij doodelijk krank en lijdend hadden zien vertrekken, nu zoo frisch en gezond terugzagen en er waren er onder de ridders, die iets mompelden van tooverij en booze geesten. Dit gerucht verspreidde zich allengs en vond gretigen ingang bij hen, die sinds langen tijd naijverig waren op Tristan’s roem en op de gunsten, die koning Mark hem betoonde. Het was duidelijk, zoo zeiden zij, dat er hoogere machten in het spel waren geweest, die tot Tristan’s genezing hadden bijgedragen. Hoe zou het ook anders mogelijk zijn, dat men in Ierland hem niet herkend had en dat hij koningin Isolde had weten te bewegen, om hem te genezen, hem, dien zij toch meer dan alle menschen op aarde moest haten. Nu eerst zag men, welk een gevaarlijk mensch deze Tristan was en hoe hij met den Booze in nauwe gemeenschap stond! Trouwens, was hij niet ook in andere opzichten een geheimzinnig wezen, was er wel één, die de waarheid wist omtrent zijne afkomst en de wijze, waarop hij in het land gekomen was?Zoo praatten en stookten de jaloersche baronnen en ontzagen zich zelfs niet om in Tristan’s tegenwoordigheid bedekte toespelingen te maken op de verdachte omstandigheden, waaronder hij aan het hof gekomen was en de slimme wijze, waarop hij zich in de gunsten des konings had weten te dringen. Tristan voeldemaar al te duidelijk de vijandige stemming, die hem omringde, maar hij stoorde er zich weinig aan en ging kalm zijns weegs, overtuigd van zijn goed recht.Naarmate de weken verliepen en onze held weer geheel zijne vroegere plaats aan het hof had ingenomen, groeiden de nijd en afgunst van de baronnen en konden zij zich hoe langer hoe minder vereenigen met het feit, dat Tristan eens hun heer en vorst zou zijn. Wat, deze vreemdeling, deze bastaard, zou hun koning worden en regeeren over het schoone land van Cornwallis? Waarom konden zij geen rechtmatigen erfgenaam van den troon hebben? het was immers de plicht van ieder vorst om daarvoor te zorgen! Nog was het niet te laat, koning Mark was weliswaar niet jong meer, maar toch nog niet te oud om een huwelijk aan te gaan en dat er geen prinses te vinden zou zijn, die den troon met hem wilde deelen, dat kon men toch niet aannemen! Op grond van deze overwegingen begaven zij zich naar koning Mark en verzochten hem, ter wille van zijn volk en zijn land, uit te zien naar eene jonge bruid, die hem een erfgenaam voor den troon zou schenken. De koning hoorde hen met verbazing aan en sprak: “Wat wilt gij van mij? Weet ge dan niet, dat Tristan, het kind mijner gestorven zuster, mijn erfgenaam zal zijn en kunt gij u een wijzer en dapperder koning wenschen dan hij zijn zal?” Maar de baronnen lieten niet af. Tristan, zoo beweerden zij, was en bleef een vreemdeling en wanneer hij na ’s konings dood den troon wilde bestijgen, zouden diens verre bloedverwanten hem het recht daartoe betwisten, waardoor het rijk ten prooi zou vallen aan binnenlandsche twisten en oorlogen. Wanneer daarentegen de koning een huwelijk wilde aangaan, was de erfopvolging verzekerd en zou het land de rust blijven genieten, welke noodig was voor zijn verderen bloei en welvaart. Aanvankelijk bleef de koning doof voor hunne inblazingen. Zijn eens gegeven woord wilde hij niet breken en geene vrouw zou de plaats aan zijne zijde innemen, zoolang Tristan aan het hof verkeerde. Maar ook deze begon te bemerken, wat de baronnen wenschten en liever danvoort te leven onder dien druk van haat en afgunst, wenschte hij afstand te doen van alle rechten, die zijn oom hem had geschonken. Daarom begaf hij zich naar den koning en smeekte hem, de eischen zijner baronnen in te willigen, daar hij zich anders genoodzaakt zou zien, het hof te verlaten en als een arm, maar vrij man de wereld in te trekken. Koning Mark zag, dat hem niets anders overbleef, dan toe te geven, maar hij nam zich voor, zijne eischen zoo zwaar mogelijk te maken, opdat hij nog eene kans zou hebben, zijne vrijheid te behouden en Tristan de plaats te geven, die dezen volgens zijne koninklijke belofte toekwam.Hij riep dus zijne baronnen in plechtige vergadering bijeen en sprak: “Na rijp beraad ben ik besloten, om, ingevolge uw verlangen, een huwelijk aan te gaan. Er is echter slechts ééne enkele prinses, die ik tot vrouw begeer en zij en geene andere zal den troon van Cornwallis met mij deelen. Luistert! Toen ik vanmorgen vroeg te peinzen lag, vlogen twee zwaluwen door het open venster van mijn slaapvertrek naar binnen. In hunne snavels droegen zij een lang, goudblond vrouwenhaar, dat glinsterde in de morgenzon. Toen zij boven mijn rustbed gekomen waren, lieten zij plotseling het haar vallen, dat neerdwarrelde op mijne legerstede. Voorzichtig nam ik het op om het te bekijken en terwijl ik dit deed, schoot mij plotseling te binnen, hoe Tristan steeds de lange, gouden haren van prinses Isolde van Ierland geprezen had. Sindsdien heb ik haar beeld niet meer uit mijne gedachten kunnen verbannen en begon ik het brengen van het vrouwenhaar door de zwaluwen als eene aanduiding te beschouwen, dat zij en niemand anders dan zij, mijne gemalin moest worden.” Hier zweeg de koning en zag triomfantelijk rond. Hoe zouden de baronnen aan zijn verlangen kunnen voldoen, om eene prinses uit een hem vijandig rijk voor zijne hand te winnen? Het was immers onmogelijk dat de koning van Ierland ooit de hand zijner dochter zou schenken aan den man, die de indirecte oorzaak was geweest van Morholts dood. Welnu, de baronnen zouden, wanneer hij slechts voet bij stuk hield, ten slotte wel het onmogelijke van hun plan inzien ende troon zou, bij gebrek aan een rechtstreekschen erfgenaam, vanzelf aan Tristan vervallen. Inderdaad zagen de edellieden elkander eenigszins bedrukt en teleurgesteld aan, want zij begrepen, dat het bijna onmogelijk zou zijn, om de hand van prinses Isolde voor hun vorst te winnen. Zij poogden Mark het onredelijke van zijn verlangen onder het oog te brengen; zij wezen op de vijandschap tusschen de beide landen en prezen de schoonheid en lieftalligheid van andere prinsessen. Alles tevergeefs! Koning Mark bleef bij zijn eisch: Isolde van Ierland moest zijne vrouw worden, of hij zou tot zijn dood toe ongehuwd blijven en Tristan zou hem opvolgen. Wanhopig zagen de baronnen elkander aan en menige booze blik trof Tristan, dien men als de oorzaak van ’s konings koppigheid beschouwde. Zeker was hij het, die Mark een dergelijk voorstel aan de hand had gedaan, om daardoor zijne eigen rechten op den troon verzekerd te zien. Zoodra Tristan zich van dit nieuwe blijk van wantrouwen bewust werd, was zijn besluit genomen en temidden der pijnlijke stilte die op eene hernieuwde weigering des konings gevolgd was, riep hij uit: “Lafaards zijt ge, om eene taak onuitvoerbaar te beschouwen, nog eer gij uwe krachten daaraan beproefd hebt. Ik zelve Sire, zal u Isolde van Ierland brengen, of het moest mij mijn leven kosten. Geef mij slechts twintig edelen mede om uw aanzoek te ondersteunen. Bovendien zal ik honderd ridders kiezen, die mij in den nood terzijde zullen staan en tezamen zullen wij de prinses voor u veroveren, al moesten we haar aan de klauwen van een draak ontrukken!” De baronnen kregen den schrik over deze overmoedige woorden en beefden bij de gedachte, dat zij Tristan op zijn gevaarlijken tocht zouden moeten vergezellen. Andermaal wendden zij zich smeekend tot hun vorst en verzochten hem eene andere keuze te doen, maar nog vóór hij antwoorden kon, riep Tristan uit: “Er is slechts ééne vrouw ter wereld, die waard is om de gemalin van koning Mark te worden en dat is prinses Isolde met de gouden haren! Haar wil ik voor hem zien te veroveren of in het pogen den dood vinden!”In allerijl rustte Tristan nu een schip uit, dat hij belaadde met allerhande kostbare waren, zooals vreemde kooplieden gewoon zijn, van hunne reizen mede te brengen. Vergezeld van het vastgestelde aantal edelen en ridders zette hij koers naar Ierland en weldra dook de hem bekende kustlijn aan den horizon op. Toen zij de landingsplaats van Dublin naderden, gaf hij zijnen reisgenooten bevel, zich in het ruim van het schip te begeven en aldaar verborgen de verdere gebeurtenissen af te wachten. Hij zelf, zoo zeide hij, was van plan, om in de stad te gaan en te zien, wat hij doen kon. Wanneer hij na verloop van drie weken niet terug was gekomen, raadde hij zijne metgezellen aan, terug te keeren naar hun land en eene andere bruid voor koning Mark te zoeken. Zij konden dan aannemen, dat hij zijn leven in de onderneming gelaten had.Aan het strand van Dublin heerschte intusschen onder de samengestroomde menigte groote nieuwsgierigheid aangaande het vreemde vaartuig, dat op eenigen afstand buiten de haven voor anker was gaan liggen. Ook de maarschalk, in wiens handen het bestuur over de stad berustte, kwam met zijne dienaren naar den waterkant, om te onderzoeken, wie wel de eigenaar van het schip kon zijn en met welke bedoelingen hij gekomen was.Tristan naderde de aanlegplaats in een klein bootje. Over zijne wapenrusting droeg hij een langen koopmansmantel en eene ruig wollen muts bedekte zijne blonde haren. Toen hij den voet aan wal zette drong het volk naderbij en bij het zien van zijne uitheemsche kleedij, gingen er scheldwoorden en uitroepen van spot onder de menigte omhoog. Tristan stoorde zich echter niet aan de vijandige houding der bevolking; met kalmen tred ging hij op den maarschalk toe en sprak: “Heer maarschalk, wat beduiden die dreigende uitroepen en gebaren? Toen ik hierheen voer, waar ik zoo vele jaren achtereen mijne kostbare koopwaar van de hand heb gedaan, was ik niet op eene dergelijke ontvangst voorbereid. Wanneer men mij echter liever ziet vertrekken, zoo zeg mij dit ronduit; ik keer dan terug naar mijn schip en zal trachten in een gastvrijer oord dan dit eene afzetplaats voormijne waren te vinden. Vergun mij echter u dezen beker aan te bieden, dien ik voor u uit het Frankenland, waar mijne geboorteplaats is, heb medegebracht”. Daarbij bood hij den maarschalk een zwaar gouden beker aan. Deze nam vol vreugde de kostbare gift in ontvangst en sprak vriendelijk: “Duid het den menschen niet ten kwade, wat ik u bidden mag, dat zij u minder vriendelijk bejegenen, dan gij verwacht hadt. De reden daarvan is, dat ons een groot leed is wedervaren. De broeder onzer geliefde vorstin, een dapper en edel ridder, is in den vreemde op sluwe wijze ten val gebracht en sindsdien verdenkt men iederen vreemdeling van booze plannen te onzen opzichte. Het land, waar Morholt zijn dood vond, was Cornwallis en zoo gij uit Frankenland herwaarts zijt gekomen, zal u hier geen leed geschieden; integendeel, men zal uwe waren koopen als voorheen, indien zij even schoon en kostbaar zijn als deze beker”.Zoodoende kon Tristan vrijelijk de stad betreden, waar prinses Isolde woonde, en behoefde hij slechts eene gunstige gelegenheid af te wachten om haar te naderen.Deze gelegenheid deed zich spoedig voor. In de bosschen bij Dublin huisde een vreeselijk monster: een draak, die mensch en dier bedreigde, die boom en struik verzengde met het vuur, dat hij spuwde, en wiens wandaden hem tot schrik der gansche bevolking maakten. Steeds dichter waagde het ondier zich bij de muren der stad, steeds talrijker werden zijne slachtoffers, tot eens op een dag de koning, die ten einde raad was, op plechtige wijze liet bekend maken, dat hij hem, die den draak wist te dooden, zijne dochter Isolde tot vrouw zou geven.Van heinde en ver kwamen nu de ridders opdagen, die, aangelokt door den hoogen prijs, het waagstuk wilden beproeven, maar geen hunner slaagde erin, het ondier te dooden en velen verloren in den strijd het leven. Ook Tristan was de belofte des konings ter oore gekomen en hij besloot op zijne beurt eene kans te wagen, om zoodoende de hand der schoone prinses voor zijn oom te winnen.
Tristan geeft eene proeve van zijne zangkunst.Tristan geeft eene proeve van zijne zangkunst.
Tristan geeft eene proeve van zijne zangkunst.
Nu brak er een schoone tijd aan voor den jongen held. Slechts zelden gingen zijne gedachten terug naar zijn geboorteland, het verleden was als een gesloten boek voor hem, maar van het heden, het wonderschoone heden, genoot hij met volle teugen. Weldra gevoelde hij zich geheel thuis aan het schitterende hof, waar hij aller lieveling was en waar de koning hem slechts zelden uit zijne nabijheid duldde.
Eens op een avond was het gansche hof bijeen verzameld om te luisteren naar de liederen van een vreemden zanger, die van ver over de zee gekomen was. Onder zijne liederen was dat van Graaf Gurun en zijne geliefde, wie de verraders het hart haars minnaars te eten gaven en die van smart en kommer omkwam. Tristan luisterde met de anderen samen, hij was geheel verzonken in de weemoedige tonen van het lied, maar toen de zanger zweeg, sprong hij overeind en riep met luider stem: “Bravo, meester! Gij hebt goed gezongen: uwe stem klinkt helder en krachtig, en weet op waardige wijze het lot der helden te bezingen. Ook de tonen uwer harp zijn rein en edel. Gij hebt de oude zangwijzen goed bewaard en ze geen geweld aangedaan”.
De zanger verbaasde zich over dit kundig oordeel; wat kon zoo’n jonge knaap van zang en snarenspel weten? Nieuwsgierig vroeg hij Tristan of deze wellicht ook een lied ten beste kon geven. Zonder aarzelen greep Tristan de harp. Hij zong en zijne stem was van zulk eene innige schoonheid, dat de harten van alle aanwezigen tot in ’t diepst geroerd werden. Zij, die zóó zingen kunnen, zijn een zegen der menschheid; de schoonste droomen uit verleden en toekomst tooveren zij ons voor den geest, de gestalten van dierbare afgestorvenen doen zij in onze ziel herleven en de harten der toehoorders doen zij opengaan om visioenen van teedere schoonheid binnen te laten. Toen Tristan ophield met zingen, greep Koning Mark hem bij de hand; zijne oogen stonden vol tranen en zijne stem beefde toen hij sprak: “Kind,van nu af aan moogt gij mij nooit meer verlaten. God heeft u hierheen gezonden om eene ledige plaats in mijn huis te vullen en mijn hart, dat somber en treurig was, tot nieuwen levensmoed op te wekken. Van nu af aan zal er weer licht en vroolijkheid aan mijn hof heerschen.”
De koning hield woord; van dien dag af moest Tristan steeds in zijne nabijheid zijn, op de jacht, zoowel als in huis en de eenzaam levende man hechtte zich met al de kracht zijner natuur aan den blonden knaap, dien hij liefhad als zijn eigen zoon.
Zoo groeide Tristan op tot een kloeken jongeling, den trots van het gansche hof. Toen hij den leeftijd van negentien jaren bereikt had, gebeurde het, dat zijn pleegvader Rohand op zijne omzwervingen aan het hof van koning Mark kwam. Hem was ter oore gekomen bij monde van de beide pelgrims, die Tristan den weg hadden gewezen en die Rohand toevalligerwijze in Denemarken had ontmoet, dat zijn dierbare pleegzoon zich te Tintagel bevond, waar hij door den koning in dienst was genomen.
De lange jaren van zwerven en trekken hadden hunne sporen nagelaten op het lichaam van den trouwen Rohand; de doorgestane ontberingen hadden zijne leden stram en zijne haren grijs gemaakt en niemand zou in den verwaarloosd uitzienden vreemdeling, die toegang vroeg tot het kasteel, den fieren, kloeken man van weleer hebben herkend. Het was dan ook slechts met moeite, dat hij de wachters wist te overreden, hem door te laten, maar toen hij zeide, de brenger te zijn van eene tijding, welke Tristan genoegen zou doen, en hij hun bovendien eene ruime gift in de hand drukte, openden zij, hoewel aarzelend, de poort en lieten hem binnen.
Het liep juist tegen het uur van het middagmaal en in de groote zaal van het kasteel heerschte de gewone bedrijvigheid, welke daaraan voorafgaat. Juist schikten de gasten zich aan tafel, toen Rohand ongemerkt door eene zijdeur het vertrek binnentrad. Vol spanning zwierf zijn blik door de zaal en ziet—ginds! aan de linkerzijde van den grooten koning zelf, zat hij, dien hij zocht:veranderd en tot jongeling gerijpt, maar met al de schoonheid en minzaamheid, die hem reeds als kind kenmerkten. Verrukt hingen de oogen van den trouwen dienaar aan de gestalte van zijn pleegzoon; hij raakte maar niet uitgekeken. Wat was hij groot geworden en krachtig, hoe fier en vrijmoedig zag hij om zich heen en wat scheen hij zich thuis te gevoelen onder deze hooggeplaatste edellieden! Trouwens, rijk en machtig konden zij zijn, de trotsche hovelingen, geen van hen kon wedijveren met Tristan in schoonheid en adeldom van houding en gelaat! Toen de brave Rohand zich dit vol trots en vreugde had bekend, drong het plotseling tot hem door, hoezeer hij zelf, in zijne eenvoudige kleedij, welke bovendien door de reis was bevlekt en bestoven, moest afsteken bij de rijk gekleede ridders van het hof en eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat hij wellicht beter deed, heen te gaan, om Tristan de noodzakelijkheid te besparen, zich over hem te moeten schamen. Na een laatsten blik op zijn lieveling geworpen te hebben, wendde hij zich om, ten einde het vertrek te verlaten, toen Tristan plotseling zijne richting uitkeek. Een oogenblik staarde hij zijn pleegvader aan, zonder hem te herkennen, toen drong een straal van blijde verrassing uit zijne oogen en met den uitroep: “Vader!” sprong hij overeind, liep op Rohand toe en omhelsde hem hartelijk. Daarna trok hij hem met beide handen naar de plaats, vanwaar koning Mark in stomme verbazing dit wederzien had gadeslagen en riep met juichende stem: “Sire, dit is mijn vader, die uit verre landen is gekomen om mij te zoeken. Mag ik hem uit Uw naam hier welkom heeten?”
Tranen van vreugdevolle ontroering kwamen Rohand in de oogen. Dit was zijn eigen, dierbare pleegzoon, dien hij wedergevonden had en die temidden van de pracht en praal zijner nieuwe omgeving den eenvoud van zijn kinderlijk gemoed had weten te bewaren. Hoe zegende hij dit oogenblik, dat hem ruimschoots alle gevaren en ontberingen vergoedde, welke hij om zijnentwil doorstaan had.
Koning Mark heette den verren gast hartelijk welkom aanzijn hof; hij liet hem zelfs eene plaats aan zijne zijde inruimen en bediende hem met gulle hand van de spijzen, die voor hem werden aangedragen. Na afloop van den maaltijd begaf het gezelschap zich naar een aangrenzend vertrek, waar de vorst zijn gast verzocht, om verslag uit te brengen over zijn wedervaren. Nu was het oogenblik gekomen, dat Rohand zoo lang verbeid had; de trouwe dienaar zag om zich heen in den kring van aandachtig luisterende toehoorders, haalde diep adem en begon: “Sire, het moge u bevreemden, dat ik zoo langen tijd van huis en haard ben weggebleven om dezen, mijn zoon te zoeken, vooral waar thuis nog drie andere zonen mijne vaderzorgen behoeven, maar meer nog zal het u bevreemden, wanneer ik u vertel, dat hij, voor wien ik mij al deze moeite en last hebt getroost, niet eens mijn zoon, maar feitelijk een vreemde voor mij is!” Toen hij deze woorden gesproken had, sprong Tristan, die zich aan zijne voeten had neergezet, ontsteld op en riep uit: “Vader, weet gij wel, wat gij daar zegt? Ben ik uw zoon niet? Wie zou ik anders zijn en waarom hebt ge mij dat nooit eerder gezegd?” Maar Rohand legde bedarend zijne hand op het blondgelokte hoofd van den opgewonden knaap en sprak: “Dat zal ik u zeggen, mijn kind, maar vóór ik verder ga, dient gij te weten, dat geen vader zijn zoon meer lief kan hebben dan ik u doe en dat gij eene plaats inneemt in mijn hart naast die van mijne eigen kinderen.” Daarna wendde hij zich opnieuw tot koning Mark en vervolgde: “Wat ik u nu ga vertellen, Heer koning, is van grooter belang voor u, dan gij kunt vermoeden, en reeds vooraf moet ik u om vergeving vragen, wanneer ik mogelijk eene pijnlijke snaar bij u aanroer. Zooals ik u reeds zeide, is Tristan nòch mijn zoon, nòch mijn bloedverwant, maar hij werd mij toevertrouwd door mijn gestorven meester: Rivalin van Ermonie.” Op het hooren van dien naam rees Mark als door een pijl getroffen omhoog uit zijn zetel, zijn voorhoofd trok samen in diepe rimpels en zijne oogen schoten dreigende vonken, maar nog eer hij den mond tot spreken kon openen, ging Rohand haastig voort: “Zwijg, Sire! want de woorden,die ge wilt zeggen, zouden de nagedachtenis van een dapper en edel man ten onrechte beleedigen. Ik weet, dat de naam van Rivalin bij u pijnlijke herinneringen opwekt, maar wat gij vreest, is niet waar. De moeder van Tristan was inderdaad uwe zuster Blanchefleur, maar zij was ook de voor God en de menschen wettig erkende echtgenoote van mijn gestorven heer.”
Deze woorden maakten diepen indruk en vooral op den koning hadden zij eene geweldige uitwerking. Hij kon het zich bijna niet indenken, dat zijne bittere schaamte, over wat zijne zuster gedaan had, van allen grond ontbloot was geweest. Toen hij echter den ring zag, dien Blanchefleur aan Rohand had toevertrouwd, verdween de laatste schaduw van twijfel uit zijn ziel en luid jubelend sloot hij Tristan in de armen. Nu eerst besefte hij, waarom hij reeds bij den eersten aanblik zulk eene warme genegenheid voor den knaap had opgevat, het was de stem des bloeds, die gesproken had.
Wat Tristan betreft, ook hij kon aanvankelijk niet begrijpen, wat Rohand’s woorden voor hem beduidden. Zijn eerste gevoel was er een van smart, toen hij vernam, dat hij geen vader of moeder in de wereld bezat en dat hij, dien hij als een vader liefhad, feitelijk een vreemde voor hem was. Maar toen hij alle bijzonderheden over zijne geboorte vernomen had, verdwenen die gevoelens allengs uit zijn binnenste om plaats te maken voor eene innige dankbaarheid jegens den man, die hem zoo trouw en liefderijk had verzorgd. Ook zegende hij het toeval, dat hem naar Tintagel had gevoerd en hem in staat had gesteld om de genegenheid te winnen van den eenigen bloedverwant, dien hij op aarde bezat. Diep geroerd viel hij op de knieën voor de beide mannen, die hem zoo dierbaar waren: den machtigen koning en den eenvoudigen edelman, maar koning Mark deed hem opstaan en zeide met plechtige stem: “Van nu af aan beschouw ik u als mijn eigen zoon, want niet alleen om uws zelfs wil, maar ook terwille van haar, die gestorven is, zal ik u voortaan liefhebben. Als mijn zoon zult gij aan mijn hof verkeeren en na mijn dood zult gij heer worden over mijne bezittingen, dat zweer ik bij al wat mij heilig is!”
De koning hield woord; reeds den volgenden dag maakte hij in eene plechtige bijeenkomst van al zijne vazallen bekend, dat hij Tristan aanwees als zijn wettigen erfgenaam en geen was er onder de aanwezigen, die hem die onderscheiding misgunde.
De eerste gunst, die de jonge held zijn koninklijken oom verzocht, was om heen te mogen gaan naar zijn eigen land om zich aldaar op hertog Morgan te kunnen wreken voor den dood van zijn vader. Gaarne gaf Mark hiervoor zijne toestemming, want ook hij wenschte niets liever dan den man, die de oorzaak was geweest van den dood zijner dierbare zuster, zijne gerechte straf te zien ondergaan. Weinige dagen daarna vertrok Tristan in gezelschap van den trouwen Rohand naar Ermonie, waar al ras de waarheid omtrent zijne afkomst onder het volk bekend werd. Van alle zijden ontving hij bewijzen van trouw en aanhankelijkheid en toen men vernam, dat hij besloten was om den dood zijns vaders met geweld van wapenen te wreken, stroomden van alle zijden aanhangers toe, die zich bereid verklaarden, hem in zijn pogen bij te staan.
Tegen een opstand, die zich zóózeer in de gunst van het gansche volk mocht verheugen, vermochten de huurlingen van Hertog Morgan niets uit te richten. Na een korten, maar hevigen strijd, waarin Tristan den hertog eene doodelijke wond wist toe te brengen, gaven zij zich gewonnen. Rivalin’s dood was gewroken en onder het gejuich der bevolking hield Tristan zijne blijde intocht in de stad zijner vaderen. Het was echter zijn plan niet om langen tijd daar te blijven, zijn hart trok hem naar de bergen van Cornwallis, waar hij in den dienst van zijn oom zich meer zou kunnen onderscheiden dan in het kleine Ermonie. Daarom vaardigde hij een besluit uit, waarin hij het bestuur over zijn graafschap opdroeg aan den oudsten van Rohand’s zonen, hijzelf echter scheepte zich met eenige getrouwen, waaronder ook zijn dienaar Gouvernail, dien hij na al die jaren gezond en wel had teruggevonden, in, om naar Cornwallis terug te keeren.
Ridder te paard.
Van Tristan’s strijd tegen den Ierschen Morholt.Toen Tristan in het kasteel van Tintagel terugkeerde, werd hij verbaasd door de sombere gezichten, die hij overal om zich heen zag. Uit de vertrekken der vrouwen drong onderdrukt gesnik tot hem door en de ridders schoolden in groepjes bijeen en spraken met gedempte stem onder elkander. Toen Tristan naar de oorzaak vroeg van deze droeve stemming, deelde men hem mede, dat de gevreesde Iersche krijger, Morholt, in het land gekomen was, om in naam zijns konings eene schatting te eischen, bestaande uit driehonderd knapen en meisjes, aan te wijzen uit de nakomelingschap der edelsten uit den lande. Op zijn verder vragen vernam hij, dat het betalen der jaarlijksche schatting dagteekende uit den tijd, toen Cornwallis, door binnenlandsche twisten verzwakt, niet opgewassen bleek tegen den machtigen koning van Ierland, wiens harde voorwaarden het daarom moest aanvaarden. Zoo werd het arme, geteisterde land eene schatting afgedwongen, welke het eerste van elke vier jaren bestaan zou uit driehonderd ponden koper, het tweede uit driehonderd ponden zilver en het derde uit hetzelfde gewicht aan goud. Het vierdejaar echter, en dit was wel het vreeselijkst van alles, moest de schatting bestaan uit driehonderd jongelingen en meisjes uit de edelste families van Cornwallis, die als knechten en dienstmaagden naar Ierland gevoerd werden.
Reeds eenige malen was die zware schatting betaald geworden en onder bitter geween had men de hoop van het vaderland in ballingschap zien gaan, maar toen het rijk onder het bestuur van koning Mark allengs machtiger werd, begon men meer en meer het vernederende van een dergelijken eisch in te zien en elk jaar werd het gemor en geklaag, waaronder men de gevraagde som bijeenbracht, luider. Toen nu eenige jaren tevoren het oogenblik gekomen was, waarop de levende schatting moest worden uitbetaald, hadden de edelen uit het rijk rondweg geweigerd om hunne zonen en dochteren af te staan en op hoogen toon had men de Iersche boodschappers teruggezonden naar hun land. Drie jaren achtereen had de koning van Ierland zijn harden eisch herhaald, drie jaren achtereen had koning Mark, hoe bevreesd hij ook inwendig zijn mocht voor de gevolgen, geweigerd dien eisch in te willigen en nu was Morholt gekomen, om ten laatsten male de verplichte schatting op te eischen. Werd die niet betaald, dan zou de koning van Ierland een machtig leger zenden om zijnen bedreigingen kracht bij te zetten. Wat dit zeggen wilde, wisten de bewoners van Cornwallis slechts al te wel. Trouwens de ouden van dagen konden hen, die den ernst van een dergelijk dwangbevel niet inzagen, nog voldoende inlichten omtrent de gruwelen van een Ierschen inval, zooals zij dien in hunne jeugd hadden meegemaakt. Maar wat dan te doen? moest men dan de keur der jongelingschap, de bloem der jonge maagden goedschiks overleveren aan een vreeselijk lot? In spanning wachtte men de komst van den gevreesden Morholt af. Deze was de broeder der Iersche koningin, wijd en zijd geducht en gevreesd om de kracht zijner vuisten en het ruwe, bijkans dierlijk geweld, waarmede hij in den strijd zijn tegenstander wist aan te vallen.
Met eene uitdrukking van hoon op het gelaat was hij het paleisvan koning Mark binnengetreden; spot en minachting spraken uit den toon, waarop hij den edelen toeriep: “Indien er één is onder ulieden, die uw land van dezen smaad wil bevrijden, ben ik bereid jegens hem in het perk te treden. Mocht hij in den strijd overwinnen, dan zijt gij voor altijd van uwe verplichtingen ontslagen. Indien het lot te mijnen gunste beslist, zoo is het niet meer dan billijk, dat uwe kinderen tot knechten worden. Maar ik zie het al, geen uwer waagt het den strijd met mij aan te binden!” en luid schalde zijn spotlach door de zaal.
Bevend van woede en toorn had Tristan naar de woorden van Morholt geluisterd. Nu sprong hij overeind en riep met trillende stem den edelen toe: “Schaamt u, gij lafaards! Een dier doet nog meer om het leven zijner jongen te redden, dan gij doet om uwe kinderen datgene te besparen, wat nog erger is dan de dood!” Toen liep hij op Morholt toe, slingerde hem zijn handschoen in het gelaat en riep: “Ik zal met u strijden voor de eer van mijn land, en het behoud mijner vrienden en stamgenooten. Noem slechts plaats en uur!”
Morholt nam lachend den handschoen van den grond op en sprak: “Wat wil die knaap van mij? Moet ik soms een houten zwaard gebruiken, wanneer ik met hem vecht?” Maar niettegenstaande zijne snoevende minachting moest Morholt Tristan’s uitdaging wel aannemen en zoo werden dag en uur van den strijd bepaald. Het gevecht zou plaats vinden op een eilandje, dat niet ver van Tintagel op eenigen afstand van de kust was gelegen. Reeds vroeg in den morgen van den vastgestelden dag had zich eene groote menigte aan het strand verzameld, die getuige wilde zijn van dezen spannenden strijd, welke over het wel en wee van het vaderland zou beslissen. Tegen den middag kwam Morholt, op een zwart ros gezeten, uit de richting der stad aanrijden. Onder de dreigende blikken der toeschouwers nam hij met zijn paard plaats in een bootje, dat hij met eenige krachtige slagen naar het eiland roeide; daar aangeland, meerde hij zijn vaartuig vast aan een steiger, steeg aanwal en wachtte, te paard gezeten, de verdere gebeurtenissen af.
Korten tijd daarna verscheen Tristan op het strand, onder het daverend gejuich der menigte. Zijne gestalte was gehuld in een stalen harnas, dat blonk als zilver, het vizier van zijn helm was opgeslagen en met vriendelijk lachend gelaat dankte hij voor de hem betoonde hulde. Zijne vrienden verdrongen zich om zijn sneeuwwitten schimmel en wedijverden met elkander in het geven van goeden raad en heilwenschen. Op dezelfde wijze als Morholt bereikte hij het eiland, maar toen hij aan land was gestapt, stiet hij met den voet het vaartuig, waarin hij gekomen was, van den oever af, zoodat het met den stroom naar zee dreef. Op Morholt’s vraag, waarom hij dit deed, gaf hij ten antwoord: “Één van ons beiden zal dit eiland niet levend verlaten en voor hem, die terugkeert, is één vaartuig voldoende.”
Kort daarop begon de strijd, die vele uren duurde. Zij, die vanaf het strand in angstige spanning naar het eiland tuurden, om den loop van het gevecht te kunnen volgen, zagen, hoe de krijgskansen steeds wisselden. Wat Morholt boven zijn tegenstander voor had, waren zijne meerdere kracht en zijne jarenlange ervaring in het vechten. Tristan daarentegen won het van hem in behendigheid en vlugheid van beweging. Daar trof Morholt’s zwaard den jongen held diep in de linkerzijde; één oogenblik scheen het, of hij den strijd zou moeten opgeven, zóó fel brandend was de pijn, maar dadelijk herstelde hij zich weer. Morholt had echter zijne aarzeling bemerkt en zijn zwaard terughoudend riep hij uit: “Houd op, knaap, eer het te laat is. Wat maalt gij om die menschen daar ginds op het strand? Uw moed en behendigheid bevallen mij en ik wensch niet langer uw dood. Weet dan, dat de punt van mijn zwaard in gif gedrenkt is en dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen dan mijne zuster, koningin Isolde. Daarom leg uwe wapens neer en ga met mij naar Ierland, waar gij genezing zult vinden en waar men u gelegenheid zal verschaffen, u roem en eer te verwerven!”
Tristan luisterde echter nauwelijks naar zijne woorden. Woedendsprong hij op Morholt toe, terwijl hij uitriep: “Mijne eer en de vrijheid van mijn land zijn mij meer waard dan mijn leven. Ik heb ze beide in mijne hand en zal ze verdedigen tot mijn laatsten ademtocht!” Met vernieuwde onstuimigheid drong hij op zijn tegenstander in en slechts weinige oogenblikken later gelukte het hem, met een krachtigen zwaardslag Morholt’s schedel te doorklieven. Met een doffen slag stortte de reus op den grond. Tristan steeg van zijn paard en trok met moeite zijn wapen uit de gapende wond. Zóó diep was het lemmer van het zwaard in het been doorgedrongen, dat een splinter van het staal in den schedel bleef steken.
Toen Tristan zich overtuigd had, dat Morholt inderdaad niet meer tot de levenden behoorde, begaf hij zich aan boord van diens vaartuig en roeide naar de kust. Zij, die daar stonden en den vorm van het vaartuig herkenden, sloegen de handen in elkaar en begonnen luide te weeklagen, want zij meenden niet anders, of Tristan was in den strijd gevallen. Wie beschrijft dus hunne vreugde, toen de geliefde held uit het vaartuig aan den wal sprong, ongedeerd naar het scheen, want de vreugde der overwinning deed hem voor het oogenblik de pijn vergeten, die hem in de zijde brandde. Met fieren tred trad hij op de kleine groep van Morholt’s metgezellen toe en riep, zóó luid, dat alle omstanders het hooren konden: “Gaat heen naar uw land en breng uw vorst als schatting, hem, dien ge op gindsch eiland zult vinden. Zeg hem, dat, zoo de aard dier schatting hem bevalt, hij slechts nieuwe boodschappers behoeft te zenden, om er nog meer van te ontvangen.”
Van bange voorgevoelens vervuld, roeiden Morholt’s vrienden naar het eiland, waar zij het lijk van hun makker vonden. Zij wikkelden het doode lichaam in fijn linnen doeken en voerden het met zich mee naar Ierland. Groot was aldaar de rouw bij het vernemen der smartelijke tijding. De trotsche koning van Ierland beet zich op de lippen van woede en schaamte, maar hij zond geen nieuwe boodschappers naar Cornwallis. De koningin echter en hare dochter, de schoone Isolde, stortten bittere tranen overhet ontzielde lichaam; zij wieschen en balsemden het en hulden het in een kostbaar doodskleed. Zoo ontdekten zij ook de stalen zwaardpunt, die in de wonde was blijven steken. Zorgvuldig legden zij het kostbare bewijsstuk ter zijde en zij zwoeren een duren eed, dat hij, aan wien het toebehoorde, zijne straf niet zou ontgaan.
Degene, tegen wien deze bedreigingen geuit werden, lag intusschen weg te kwijnen op zijne legerstede in een der zijvleugels van het paleis van koning Mark. Onder het oorverdoovend gejubel der saamgepakte menigte had Tristan de terugreis naar Tintagel ondernomen. Van alle kanten drongen de menschen op hem aan om hem te danken voor hetgeen hij voor hen en hun land gedaan had. Vreemde ridders drukten hem de hand, schoone edelvrouwen vielen hem te voet en stamelden hun dank onder snikken en tranen, jonge meisjes strooiden bloemen op zijn pad en allen huldigden hem als den held van den dag. Voor den hoofdingang van zijn paleis stond koning Mark en toen Tristan hem naderde, strekte hij beide armen naar den jongeling uit en drukte hem aan zijn hart, te zeer ontroerd, om een woord uit te brengen.
Maar nu was het ook met Tristan’s krachten gedaan; met een kreet van pijn drukte hij zijne hand in de zijde en zonk bewusteloos ineen.
Van alle kanten snelde men toe, om hem te helpen en met de grootste omzichtigheid droeg men hem naar een koel en rustig vertrek, waarheen de koning weldra de bekwaamste geneesheeren liet ontbieden om zijne wonden te onderzoeken. Maar niettegenstaande al hun pogen, kon geen van hen er in slagen, hem de zoo vurig begeerde genezing te brengen. Alle middelen faalden; dieper en dieper woekerde het gif in zijn bloed; zijn lichaam nam eene onheilspellende, donkere kleur aan en uit zijne wonden kwam eene vreeselijke lucht, die het den omstanders onmogelijk maakte om langeren tijd in het vertrek te vertoeven. Zoo gingen de weken voorbij; de geneesheeren schudden hunne wijze hoofden en mompelden Latijnsche namen, maar het angstig smeeken van koning Mark beantwoordden zij slechts met een weifelend schouderophalenen Tristan lag onder dit alles onrustig woelend terneer en voelde, hoe de koorts in zijne aderen brandde en zijne krachten verteerde.
Door alle koortsvisioenen heen, die zijn brein benevelden hoorde hij de stem van Morholt, die hem toeriep: “Weet dan, dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen, dan mijne zuster, koningin Isolde.” Inderdaad, dit scheen maar al te waar te zijn, want hij voelde, dat zijne krachten met den dag afnamen en dat de beroemde geneesmiddelen, die men hem toediende, niets vermochten tegen het sloopend gif, dat hem verschroeide als een inwendig vuur. Hoe zou hij dan nog op genezing kunnen hopen, hij, die zich nooit in Ierland zou kunnen vertoonen, zonder zeker te zijn, dat men hem als den moordenaar van den broeder der koningin, een vreeselijken dood zou doen sterven? En hoe zou hij trouwens hulp mogen verwachten van haar, wier naasten bloedverwant hij om het leven gebracht had?
Eens op een morgen, toen eene tijdelijke opklaring van zijn brein hem het denken mogelijk maakte, lag hij te peinzen over zijn toestand. Of het kwam, dat het afnemen der koorts hem nieuwe hoop gaf, of doordat de zonnestralen, welke door het venster vielen, hem er aan herinnerden, hoe schoon de wereld daarbuiten was,—hoe het ook zij, zijn heele wezen kwam in opstand tegen den naderenden dood en met inspanning van al zijne denkvermogens zon hij op een middel, dat hem, trots alle in den weg staande moeilijkheden, de zoo vurig gewenschte genezing zou doen verkrijgen.
Langzaam rijpte toen in zijne hersenen het plan, dat, hoe gevaarlijk ook, hem althans eene kans op redding bood. Na overleg gepleegd te nebben met koning Mark liet Tristan zich op een mooien zomermorgen aan boord dragen van een vaartuig, waarop zich niemand anders bevond dan Gouvernail en de noodige bemanning, die geheel uit vertrouwde dienaren bestond. Van al zijne schatten en kostbaarheden nam hij niets met zich mede dan zijne harp en zoo begon hij zijn gevaarvollen tocht onder dezegewenschen van zijn vorst. Daar hij vreesde, dat de mare van zijne komst Ierland zou bereiken, nog vóór hij zelve daar kwam, bewaarde hij een diep stilzwijgen over het doel zijner reis en aan vrienden en belangstellenden deed hij voorkomen als ging hij naar Salerno, om daar de hulp van een beroemd heelmeester in te roepen. Niemand dan koning Mark vermoedde waar hij werkelijk heenging.
Vele dagen duurde de tocht, want de wind was ongunstig en dreef het schip uit zijn koers. Tristan lag op dek, rustend op zijden kussens en wanneer zijne pijnen het hem toelieten, speelde hij op zijne harp de oude, lang vergeten wijzen uit zijn vaderland. Zacht en droomerig klonken de tonen van het instrument over het wijde watervlak en vergleden in de onmetelijke ruimte. Zoo naderde het schip de groene kustlijn van Ierland, waar voor Tristan de redding, maar ook het gevaar schuilde.
Vroeg in den morgen waren eenige visschers buiten de haven van Dublin bezig hunne netten uit te werpen, toen hun oor plotseling getroffen werd door de klanken van een zoetvloeiend lied, die uit zee tot hen kwamen aandrijven. Verbaasd zagen zij om zich heen. Vanwaar kwam die stem, die zoo schoon en innig wist te zingen, dat men ernaar luisteren moest of men wilde of niet? Toen bemerkten zij op eenigen afstand een vreemd vaartuig, dat anders van bouw was dan de hunne. Fluks roeiden zij er heen en daar, op het dek, uitgestrekt op een bed van kussens, ontwaarden zij den zanger, een jongen man, wiens fijne, edele gelaatstrekken door de pijn verwrongen waren en den grauwen doodstint reeds schenen te hebben aangenomen. Nochtans gleden zijne vingers over de snaren en ontlokten daaraan tonen van zulk eene roerende schoonheid, dat zelfs de ruwe harten der visschers er door geboeid werden. Nieuwsgierig vroegen zij naar naam en herkomst van den vreemden zanger en deze, die op een dergelijk verhoor was voorbereid, vertelde hun, dat hij Tantris heette en dat hij, op weg naar Spanje, door zeeroovers was overrompeld, die zijn schip hadden geplunderd en hemzelf eene gevaarlijke wonde haddentoegebracht. Op zijne wedervraag, waar hij zich thans wel bevinden mocht, antwoordden de visschers hem, dat gindsche stad Dublin was, de hoofdstad van het machtige Iersche rijk. Getroffen door het lijdend voorkomen van den jongen vreemdeling boden zij hem gastvrijheid in hunne eenvoudige woning aan, welk aanbod gretig door hem werd aanvaard.
Al spoedig verspreidde zich het gerucht door het land van den jongen zanger, die lag weg te kwijnen aan eene doodelijke wonde, doch wiens zang en harpspel zóó schoon waren, dat een ieder, die ze hoorde, onder de betoovering kwam. Ook roemde men den vreemdeling om zijne hoffelijke, vriendelijke manieren en de kalmte en geestkracht, waarmede hij zijn vreeselijk lijden droeg. Tot in het koninklijk paleis drongen deze geruchten door en de jonge prinses Isolde bad en smeekte hare moeder om den vreemdeling aan het hof te ontbieden en hem op te dragen, haar in de kunst van het harpspelen te onderrichten. Zoo gebeurde het en toen de koningin den schoonen jongeling zag, die ondanks zijne onduldbare pijnen toch zijne kalmte en levensmoed wist te bewaren, besloot zij al hare krachten aan te wenden, om hem van zijne kwaal te genezen. Met eigen hand bereidde zij toen eenige geneesmiddelen, volgens een geheim en oud recept, dat zij nog van hare moeder had medegekregen; zij wiesch zijne wonden met eene zuiverende vloeistof, die het gif uit het bloed wist te trekken en ziet, binnen weinige dagen was er reeds eene verandering ten goede merkbaar in het voorkomen van den zieke. Zijne oogen werden helderder, zijne gelaatstint werd weer gezond en de pijnen namen af in hevigheid. Vóór er drie weken verstreken waren, was Tristan geheel genezen en gedreven door innige dankbaarheid jegens haar, die hem het leven gered had, wijdde hij zich geheel aan zijne nieuwe taak, om de jeugdige prinses te onderwijzen in alles, wat de edelvrouwen van zijn land zoo hoog deed uitsteken boven hare tijdgenooten. Hij leerde haar schoone liederen zingen en die op de harp begeleiden; ook onderrichtte hij haar in het zeggen van verzen en het onderhoudend vertellenvan oude sagen en legenden. Daarbij zag hij nauwkeurig toe, dat houding, gelaatsuitdrukking en stembuiging alle in overeenstemming waren met den inhoud van het verhaalde. Ook toonde hij Isolde, hoe in zijn land de vrouwen met hoofsche nijgingen en vriendelijk handgebaar den vreemdeling begroetten, die in hare woning binnentrad, hoe zij met sierlijken zwaai den langen sleep van haar rijkleed over den schouder wierpen, zoodra zij van het paard gestegen waren en hoe zij, voor het vuur gezeten, eene slip van haren hoofddoek gebruikten, om zich tegen de hitte der vlammen te beschutten. Al deze dingen maakte Isolde zich eigen en haar ouders verheugden zich, wanneer zij zagen, hoe hunne dochter dagelijks toenam in gratie van houding en manieren. Isolde zelf zag hoog op tegen haren leermeester en bewonderde hem als een toonbeeld van beschaving en ridderlijkheid. Ook hij voelde zich getroffen door het lieftallig wezen der jonge prinses, maar zijn hart was nog vrij van alle gedachten aan liefde en vrouwengunst, dus leefden deze beide jonge lieden gelukkig en tevreden bij en met elkander voort, zonder aan andere dingen te denken dan aan de fraaie klanken van een lied of de schoonheid van een zomermorgen aan het strand van Dublin.
Toen de maanden verliepen en Tristan weer geheel hersteld was, begon hij terug te verlangen naar zijn vaderland, waar zijn oom in bange onzekerheid zijne terugkomst verbeidde.
Al werd hij door gevoelens van dankbaarheid aan het Iersche hof gebonden, zijn plicht riep hem terug naar Cornwallis en bovendien, hij verkeerde steeds in angst, of de metgezellen van Morholt hem ook zouden herkennen. Daarom begaf hij zich eens op een dag naar koningin Isolde en vroeg haar verlof, om naar zijn land terug te keeren. “Mijne vrienden en bloedverwanten”, zoo zeide hij, “verkeeren steeds in onzekerheid omtrent mijn lot, daar zij sedert mijn vertrek niets meer van mij vernomen hebben. Het wordt tijd voor mij, om tot hen terug te keeren. Nooit echter zal ik vergeten, wat gij voor mij gedaan hebt en mijn leven lang zal ik uw getrouwe dienaar blijven, over wien gij vrijelijkzult kunnen beschikken, waar en wanneer u dit goed dunkt.”
Na eenig beraad gaf de koningin hare toestemming tot zijn vertrek; het viel haar niet gemakkelijk, om Tristan te laten gaan, want zij was hem gaan liefhebben als haar eigen zoon, zoowel ter wille van hemzelf, als ter wille van dat, wat hij voor haar kind gedaan had.
Korten tijd daarna stak het vaartuig, waarin Tristan gekomen was, weer in zee en landde, na eene voorspoedige reis, in de haven van Tintagel.
De blijdschap van koning Mark, toen hij zijn geliefden neef gezond en krachtig terugzag, kende geene grenzen en ook Tristan’s vrienden en bekenden verheugden zich hartelijk over zijn veiligen terugkeer. Zij konden hunne oogen bijna niet gelooven toen zij hem, dien zij doodelijk krank en lijdend hadden zien vertrekken, nu zoo frisch en gezond terugzagen en er waren er onder de ridders, die iets mompelden van tooverij en booze geesten. Dit gerucht verspreidde zich allengs en vond gretigen ingang bij hen, die sinds langen tijd naijverig waren op Tristan’s roem en op de gunsten, die koning Mark hem betoonde. Het was duidelijk, zoo zeiden zij, dat er hoogere machten in het spel waren geweest, die tot Tristan’s genezing hadden bijgedragen. Hoe zou het ook anders mogelijk zijn, dat men in Ierland hem niet herkend had en dat hij koningin Isolde had weten te bewegen, om hem te genezen, hem, dien zij toch meer dan alle menschen op aarde moest haten. Nu eerst zag men, welk een gevaarlijk mensch deze Tristan was en hoe hij met den Booze in nauwe gemeenschap stond! Trouwens, was hij niet ook in andere opzichten een geheimzinnig wezen, was er wel één, die de waarheid wist omtrent zijne afkomst en de wijze, waarop hij in het land gekomen was?
Zoo praatten en stookten de jaloersche baronnen en ontzagen zich zelfs niet om in Tristan’s tegenwoordigheid bedekte toespelingen te maken op de verdachte omstandigheden, waaronder hij aan het hof gekomen was en de slimme wijze, waarop hij zich in de gunsten des konings had weten te dringen. Tristan voeldemaar al te duidelijk de vijandige stemming, die hem omringde, maar hij stoorde er zich weinig aan en ging kalm zijns weegs, overtuigd van zijn goed recht.
Naarmate de weken verliepen en onze held weer geheel zijne vroegere plaats aan het hof had ingenomen, groeiden de nijd en afgunst van de baronnen en konden zij zich hoe langer hoe minder vereenigen met het feit, dat Tristan eens hun heer en vorst zou zijn. Wat, deze vreemdeling, deze bastaard, zou hun koning worden en regeeren over het schoone land van Cornwallis? Waarom konden zij geen rechtmatigen erfgenaam van den troon hebben? het was immers de plicht van ieder vorst om daarvoor te zorgen! Nog was het niet te laat, koning Mark was weliswaar niet jong meer, maar toch nog niet te oud om een huwelijk aan te gaan en dat er geen prinses te vinden zou zijn, die den troon met hem wilde deelen, dat kon men toch niet aannemen! Op grond van deze overwegingen begaven zij zich naar koning Mark en verzochten hem, ter wille van zijn volk en zijn land, uit te zien naar eene jonge bruid, die hem een erfgenaam voor den troon zou schenken. De koning hoorde hen met verbazing aan en sprak: “Wat wilt gij van mij? Weet ge dan niet, dat Tristan, het kind mijner gestorven zuster, mijn erfgenaam zal zijn en kunt gij u een wijzer en dapperder koning wenschen dan hij zijn zal?” Maar de baronnen lieten niet af. Tristan, zoo beweerden zij, was en bleef een vreemdeling en wanneer hij na ’s konings dood den troon wilde bestijgen, zouden diens verre bloedverwanten hem het recht daartoe betwisten, waardoor het rijk ten prooi zou vallen aan binnenlandsche twisten en oorlogen. Wanneer daarentegen de koning een huwelijk wilde aangaan, was de erfopvolging verzekerd en zou het land de rust blijven genieten, welke noodig was voor zijn verderen bloei en welvaart. Aanvankelijk bleef de koning doof voor hunne inblazingen. Zijn eens gegeven woord wilde hij niet breken en geene vrouw zou de plaats aan zijne zijde innemen, zoolang Tristan aan het hof verkeerde. Maar ook deze begon te bemerken, wat de baronnen wenschten en liever danvoort te leven onder dien druk van haat en afgunst, wenschte hij afstand te doen van alle rechten, die zijn oom hem had geschonken. Daarom begaf hij zich naar den koning en smeekte hem, de eischen zijner baronnen in te willigen, daar hij zich anders genoodzaakt zou zien, het hof te verlaten en als een arm, maar vrij man de wereld in te trekken. Koning Mark zag, dat hem niets anders overbleef, dan toe te geven, maar hij nam zich voor, zijne eischen zoo zwaar mogelijk te maken, opdat hij nog eene kans zou hebben, zijne vrijheid te behouden en Tristan de plaats te geven, die dezen volgens zijne koninklijke belofte toekwam.
Hij riep dus zijne baronnen in plechtige vergadering bijeen en sprak: “Na rijp beraad ben ik besloten, om, ingevolge uw verlangen, een huwelijk aan te gaan. Er is echter slechts ééne enkele prinses, die ik tot vrouw begeer en zij en geene andere zal den troon van Cornwallis met mij deelen. Luistert! Toen ik vanmorgen vroeg te peinzen lag, vlogen twee zwaluwen door het open venster van mijn slaapvertrek naar binnen. In hunne snavels droegen zij een lang, goudblond vrouwenhaar, dat glinsterde in de morgenzon. Toen zij boven mijn rustbed gekomen waren, lieten zij plotseling het haar vallen, dat neerdwarrelde op mijne legerstede. Voorzichtig nam ik het op om het te bekijken en terwijl ik dit deed, schoot mij plotseling te binnen, hoe Tristan steeds de lange, gouden haren van prinses Isolde van Ierland geprezen had. Sindsdien heb ik haar beeld niet meer uit mijne gedachten kunnen verbannen en begon ik het brengen van het vrouwenhaar door de zwaluwen als eene aanduiding te beschouwen, dat zij en niemand anders dan zij, mijne gemalin moest worden.” Hier zweeg de koning en zag triomfantelijk rond. Hoe zouden de baronnen aan zijn verlangen kunnen voldoen, om eene prinses uit een hem vijandig rijk voor zijne hand te winnen? Het was immers onmogelijk dat de koning van Ierland ooit de hand zijner dochter zou schenken aan den man, die de indirecte oorzaak was geweest van Morholts dood. Welnu, de baronnen zouden, wanneer hij slechts voet bij stuk hield, ten slotte wel het onmogelijke van hun plan inzien ende troon zou, bij gebrek aan een rechtstreekschen erfgenaam, vanzelf aan Tristan vervallen. Inderdaad zagen de edellieden elkander eenigszins bedrukt en teleurgesteld aan, want zij begrepen, dat het bijna onmogelijk zou zijn, om de hand van prinses Isolde voor hun vorst te winnen. Zij poogden Mark het onredelijke van zijn verlangen onder het oog te brengen; zij wezen op de vijandschap tusschen de beide landen en prezen de schoonheid en lieftalligheid van andere prinsessen. Alles tevergeefs! Koning Mark bleef bij zijn eisch: Isolde van Ierland moest zijne vrouw worden, of hij zou tot zijn dood toe ongehuwd blijven en Tristan zou hem opvolgen. Wanhopig zagen de baronnen elkander aan en menige booze blik trof Tristan, dien men als de oorzaak van ’s konings koppigheid beschouwde. Zeker was hij het, die Mark een dergelijk voorstel aan de hand had gedaan, om daardoor zijne eigen rechten op den troon verzekerd te zien. Zoodra Tristan zich van dit nieuwe blijk van wantrouwen bewust werd, was zijn besluit genomen en temidden der pijnlijke stilte die op eene hernieuwde weigering des konings gevolgd was, riep hij uit: “Lafaards zijt ge, om eene taak onuitvoerbaar te beschouwen, nog eer gij uwe krachten daaraan beproefd hebt. Ik zelve Sire, zal u Isolde van Ierland brengen, of het moest mij mijn leven kosten. Geef mij slechts twintig edelen mede om uw aanzoek te ondersteunen. Bovendien zal ik honderd ridders kiezen, die mij in den nood terzijde zullen staan en tezamen zullen wij de prinses voor u veroveren, al moesten we haar aan de klauwen van een draak ontrukken!” De baronnen kregen den schrik over deze overmoedige woorden en beefden bij de gedachte, dat zij Tristan op zijn gevaarlijken tocht zouden moeten vergezellen. Andermaal wendden zij zich smeekend tot hun vorst en verzochten hem eene andere keuze te doen, maar nog vóór hij antwoorden kon, riep Tristan uit: “Er is slechts ééne vrouw ter wereld, die waard is om de gemalin van koning Mark te worden en dat is prinses Isolde met de gouden haren! Haar wil ik voor hem zien te veroveren of in het pogen den dood vinden!”
In allerijl rustte Tristan nu een schip uit, dat hij belaadde met allerhande kostbare waren, zooals vreemde kooplieden gewoon zijn, van hunne reizen mede te brengen. Vergezeld van het vastgestelde aantal edelen en ridders zette hij koers naar Ierland en weldra dook de hem bekende kustlijn aan den horizon op. Toen zij de landingsplaats van Dublin naderden, gaf hij zijnen reisgenooten bevel, zich in het ruim van het schip te begeven en aldaar verborgen de verdere gebeurtenissen af te wachten. Hij zelf, zoo zeide hij, was van plan, om in de stad te gaan en te zien, wat hij doen kon. Wanneer hij na verloop van drie weken niet terug was gekomen, raadde hij zijne metgezellen aan, terug te keeren naar hun land en eene andere bruid voor koning Mark te zoeken. Zij konden dan aannemen, dat hij zijn leven in de onderneming gelaten had.
Aan het strand van Dublin heerschte intusschen onder de samengestroomde menigte groote nieuwsgierigheid aangaande het vreemde vaartuig, dat op eenigen afstand buiten de haven voor anker was gaan liggen. Ook de maarschalk, in wiens handen het bestuur over de stad berustte, kwam met zijne dienaren naar den waterkant, om te onderzoeken, wie wel de eigenaar van het schip kon zijn en met welke bedoelingen hij gekomen was.
Tristan naderde de aanlegplaats in een klein bootje. Over zijne wapenrusting droeg hij een langen koopmansmantel en eene ruig wollen muts bedekte zijne blonde haren. Toen hij den voet aan wal zette drong het volk naderbij en bij het zien van zijne uitheemsche kleedij, gingen er scheldwoorden en uitroepen van spot onder de menigte omhoog. Tristan stoorde zich echter niet aan de vijandige houding der bevolking; met kalmen tred ging hij op den maarschalk toe en sprak: “Heer maarschalk, wat beduiden die dreigende uitroepen en gebaren? Toen ik hierheen voer, waar ik zoo vele jaren achtereen mijne kostbare koopwaar van de hand heb gedaan, was ik niet op eene dergelijke ontvangst voorbereid. Wanneer men mij echter liever ziet vertrekken, zoo zeg mij dit ronduit; ik keer dan terug naar mijn schip en zal trachten in een gastvrijer oord dan dit eene afzetplaats voormijne waren te vinden. Vergun mij echter u dezen beker aan te bieden, dien ik voor u uit het Frankenland, waar mijne geboorteplaats is, heb medegebracht”. Daarbij bood hij den maarschalk een zwaar gouden beker aan. Deze nam vol vreugde de kostbare gift in ontvangst en sprak vriendelijk: “Duid het den menschen niet ten kwade, wat ik u bidden mag, dat zij u minder vriendelijk bejegenen, dan gij verwacht hadt. De reden daarvan is, dat ons een groot leed is wedervaren. De broeder onzer geliefde vorstin, een dapper en edel ridder, is in den vreemde op sluwe wijze ten val gebracht en sindsdien verdenkt men iederen vreemdeling van booze plannen te onzen opzichte. Het land, waar Morholt zijn dood vond, was Cornwallis en zoo gij uit Frankenland herwaarts zijt gekomen, zal u hier geen leed geschieden; integendeel, men zal uwe waren koopen als voorheen, indien zij even schoon en kostbaar zijn als deze beker”.
Zoodoende kon Tristan vrijelijk de stad betreden, waar prinses Isolde woonde, en behoefde hij slechts eene gunstige gelegenheid af te wachten om haar te naderen.
Deze gelegenheid deed zich spoedig voor. In de bosschen bij Dublin huisde een vreeselijk monster: een draak, die mensch en dier bedreigde, die boom en struik verzengde met het vuur, dat hij spuwde, en wiens wandaden hem tot schrik der gansche bevolking maakten. Steeds dichter waagde het ondier zich bij de muren der stad, steeds talrijker werden zijne slachtoffers, tot eens op een dag de koning, die ten einde raad was, op plechtige wijze liet bekend maken, dat hij hem, die den draak wist te dooden, zijne dochter Isolde tot vrouw zou geven.
Van heinde en ver kwamen nu de ridders opdagen, die, aangelokt door den hoogen prijs, het waagstuk wilden beproeven, maar geen hunner slaagde erin, het ondier te dooden en velen verloren in den strijd het leven. Ook Tristan was de belofte des konings ter oore gekomen en hij besloot op zijne beurt eene kans te wagen, om zoodoende de hand der schoone prinses voor zijn oom te winnen.