Chapter 14

De draak uit de bosschen bij Dublin.De draak uit de bosschen bij Dublin.Op een vroegen morgen liet hij in alle stilte zijn paard zadelen en begaf zich op weg in de richting van het woud, waar de draak zich ophield. Even buiten de stad gekomen, ontmoette hij drie ruiters, die hem in suizende vaart voorbijjoegen, onder het roepen van: “De draak, Heer! de draak!” Toen hij hun vroeg: “Waar is de draak?” wezen zij met den vinger achterwaarts en riepen: “Hij volgt ons op de hielen”; het volgend oogenblik waren zij in eene wolk van stof verdwenen.Behoedzaam om zich heen speurend, vervolgde Tristan zijn weg en het duurde niet lang, of hij ontmoette hem, dien hij zocht. Het monster was inderdaad vreeselijk om aan te zien en een minder stoutmoedig man dan Tristan zou bij zijn aanblik de moed in de schoenen zijn gezonken; onze held echter reed onversaagd op den draak toe en het gevecht begon. Het was een zware strijd, waarin Tristan al zijne kracht en behendigheid noodig had, om niet het onderspit te moeten delven. Het bloed stroomde hem uit de gapende wonden, welke het ondier hem met zijne klauwen geslagen had, en bovendien kon hij nauwelijks ademhalen door den heeten, verstikkenden adem, dien de draak hem in het gelaat blies. Zijn paard zonk doodelijk gewond ter aarde, waarop hij te voet, gedekt door zijn schild, den ongelijken strijd voortzette. Eindelijk gelukte het hem met eene behendige zwenking van zijn arm, zijne lange speer zóó diep in den muil van het monster te stooten, dat de punt tot bijna in het hart doordrong. Onder een vreeselijk gebrul rende de draak in de richting van zijn hol, de grond besproeiend met een verzengenden vuurregen en een spoor van donker bloed achterlatend. Tristan vervolgde hem zoover zijne uitgeputte krachten hem dit toelieten en bracht hem steeds nieuwe wonden toe. Vóór zijn hol gekomen, wendde het monster zich om tot een laatsten, wanhopigen kamp, maar uitgeput door bloedverlies kon hij niet lang meer weerstand bieden en weldra bracht Tristan hem den doodsteek toe. Vreeselijk was het gerochel, waarmede de draak ineenzonk; het vuur, dat uit zijn opengesperden muil kwam, spatte uiteen tot een regen van vonken en de luchtwerd verpest door den vreeselijken stank van het gif, dat hem uit de keel vloeide. Tristan echter greep met vaste hand de tong van het monster, die hem uit den bek hing en sneed die af om haar als bewijsstuk mede te nemen. Daarna verzamelde hij zijne laatste krachten en begaf zich met wankelende schreden in de richting van een beekje, dat hij niet ver van de plaats des gevechts hoorde klateren, om zijn brandenden dorst te lesschen. Toen hij echter, daar aangekomen, zich voorover wilde buigen om te drinken, werd hij zoodanig bedwelmd door de giftige dampen, die door de tong, welke hij in zijn zak geborgen had, werden uitgewasemd, dat hij zijn bewustzijn verloor en als levenloos in het struikgewas ter zijde van de beek, neerviel.Terwijl hij daar zoo lag, had zich een ander ridder in de nabijheid van den draak gewaagd. Dit was Agavin met de Roode Haren, de drost van koning Gumurun, een dwaas en ijdel man. Sinds langen tijd beminde hij prinses Isolde in stilte en poogde door het dragen van fraaie kleederen en glinsterende edelsteenen hare aandacht te trekken. Wanneer zij hem dan spottend vroeg, om medelijden te hebben met de arme vrouwen en meisjes, wien hij door zijne schoonheid het hart ontstal, meende hij, dat zij in ernst sprak en verheugde zich over den indruk, dien hij op haar gemaakt had. Toch waagde hij het niet, haar zijne liefde te bekennen en wachtte, tot er zich eene gunstige gelegenheid zou voordoen, om te spreken. Toen nu koning Gumurun wijd en zijd liet bekend maken, dat hij den ridder, die den draak om het leven zou brengen, de hand zijner dochter Isolde tot belooning zou geven, besloot Agavin terstond, eene kans te wagen, om dien hoogen prijs te veroveren.Verscheidene malen had hij zich reeds buiten de stad gewaagd, maar wanneer hij dan in de verte het monster hoorde brullen, ontzonk hem telkenmale alle moed en haastte hij zich, binnen de veilige muren der stad terug te keeren.Ook dezen morgen had hij na eene nieuwe poging het hazenpad gekozen en bevond zich onder de drie vluchtende ridders, die Tristan op zijn weg was tegengekomen. Toen hij zag, dat devreemde ridder hunne raadgevingen om met hen terug te keeren, in den wind sloeg en zich toch in het gevaar waagde, besloot hij, door nieuwsgierigheid gedreven, op veiligen afstand den uitslag van het gevecht af te wachten. Hij twijfelde er geen oogenblik aan, of Tristan zou in den strijd tegen het monster den dood vinden en wie weet, welk voordeel er dan nog voor hem uit deze onderneming te behalen zou zijn. Zoo sloop hij, bevend van angst, langs den zoom van het woud, waaruit de afschuwelijke kreten van het monster tot hem doordrongen en hem met vrees en ontsteltenis vervulden. Na eenigen tijd verstomde het gebrul en Agavin besloot zich, van de juiste oorzaak hiervan te overtuigen. Al zijn moed bijeenzamelend, besteeg hij zijn paard en reed het bosch in, naar alle kanten spiedend, of soms gevaar dreigde. Plotseling hield hij met heftigen ruk de teugels in. Daar vóór hem op den grond lag het monster, dat hij zocht, met zijne vreeselijke klauwen uitgestrekt op den woudbodem en zijne vurige oogen wijd opengesperd. Zonder zich te overtuigen, of de draak levend of dood was, sprong Agavin ijlings uit het zadel en rende de struiken in, waar hij sidderend over lijf en leden den verderen loop der gebeurtenissen afwachtte. Maar tegen zijne verwachting in, bleef alles rustig: geen monster baande zich een weg door het struikgewas, om hem te zoeken en de stilte van het woud bleef onverstoord. Met kloppend hart waagde Agavin zich opnieuw in de nabijheid van het gevreesde ondier en eerst toen hij zag, dat zijn paard ongedeerd was gebleven en kalm aan het grazen was, begreep hij, dat de draak werkelijk dood was. Voorzichtig boog hij zich over hem heen en beschouwde hem vol afschuw; daar ontdekte hij het half verkoolde lichaam van Tristan’s paard en diens schild, dat hij na afloop van den strijd ter zijde geworpen had. Een glans van boosaardig genoegen gleed over Agavin’s gelaat, toen zijn zoeken naar het lichaam van den dapperen vreemdeling tevergeefsch bleek te zijn. Het leed geen twijfel, of het monster had hem met huid en haar verslonden, zooals het zoo velen vóór hem had gedaan en de belooning voorzijne wakkere daad zou hij nooit deelachtig worden. Plotseling schoot hem iets te binnen. Waarom kon hij zich niet de verdienste toeëigenen den draak gedood te hebben en daardoor zijn hartewensch in vervulling zien gaan? Wie zou ooit kunnen bewijzen, dat niet hij, maar de onbekende, die zich zoo roekeloos in het gevaar begeven had, het stoute feit had volbracht? Nogmaals keek hij behoedzaam om zich heen, om zich te overtuigen, dat geen ander getuige was geweest van zijne ontdekking, maar nergens kon hij een spoor van menschelijk leven ontdekken; toen bezag hij vol vreugde het monster aan zijne voeten, dat hem de verwezenlijking zijner stoutste droomen brengen zou. Daarop overlegde hij snel, hoe hij zijn plan het best ten uitvoer kon brengen. Met een enkelen zwaardslag sloeg hij den draak den kop af; toen besteeg hij zijn paard en reed terug naar de stad, iedereen, dien hij op zijn weg ontmoette, toeroepend: “Gaat heen naar het bosch en ziet, wat daar is geschied! Met het zwaard, dat ik hier in de hand draag, heb ik het land bevrijd van het monster, dat de omgeving onveilig maakte. Voortaan kunnen de burgers van Dublin zich veilig buiten de stad begeven, want de draak, die hunne levens bedreigde, is dood, gevallen door mijne hand! Daarvoor wacht mij de schoonste belooning, die men zich denken kan: de hand van prinses Isolde!”Als een loopend vuur verbreidde zich de mare, dat Agavin met de Roode Haren den draak had gedood en weldra drong het bericht ook door binnen de muren van het vorstelijk paleis. Toen Isolde vernam, wie het stoute stuk had volbracht, lachte zij eerst luide, en verklaarde, dat dit de beste grap was, die zij in langen tijd gehoord had! Toen men haar echter vertelde, dat er eenige burgers met eene kar uit de stad waren gereden om den kop van den draak te halen en dat Agavin een onderhoud met den koning had verzocht, betrok haar gezicht en toornig riep zij uit: “Wil men mij dan werkelijk wijs maken, dat een man als Agavin, die bekend staat als de grootste lafaard van het land, een dergelijk feit zou hebben bedreven? Nooit zal ik gelooven, dat hij inderdaadden draak overwonnen heeft, het is een valstrik, dien hij ons spant om mij tot zijne vrouw te maken. Dit zal hem echter nooit gelukken; liever dan zijne echtgenoote te worden, zou ik mij zelve van het leven berooven!”Daarop begaf zij zich naar hare moeder, koningin Isolde en smeekte haar om mede te gaan naar de plaats des gevechts, ten einde te trachten de oplossing van het raadsel te vinden. De koningin stemde hierin toe en den volgenden morgen begaven de beiden zich in alle vroegte op weg, slechts vergezeld door Brangwaine, Isolde’s vertrouwde dienares. Toen zij bij de plaats van den strijd gekomen waren, vonden zij daar het lijk van Tristan’s paard en zijn schild, dat, hoewel deerlijk gehavend, toch nog sporen vertoonde van zijne vroegere pracht. Verheugd nam Isolde het op van den grond en riep uit: “Ziet gij nu wel, dat mijne vermoedens juist waren? Niemand anders dan de ridder, wien dit schild toebehoort, heeft het ondier gedood. Laat ons trachten, hem te vinden, hij kan niet ver van hier zijn.”De drie vrouwen doorzochten nu ijverig den ganschen omtrek en na eenigen tijd ontdekte Isolde het lichaam van Tristan, half verborgen tusschen het struikgewas aan den oever van het beekje. Met een kreet van vreugde, die hare gezellinnen naar de plaats deed snellen, waar zij zich bevond, bukte zij zich over hem heen en nauwelijks had zij zijn gelaat gezien, of zij riep verwonderd uit: “Dit is niemand anders dan Tantris, de speelman, die mij eenige jaren geleden in het harpspelen onderwees. Hoe komt hij plotseling hier en dan in zoo’n toestand?” Behoedzaam tilden de vrouwen hem op en droegen hem naar den waterkant, daargekomen, maakten zij zijne wapenrusting en kleederen los en wieschen zijne wonden met het heldere bronwater. Spoedig werd hunne moeite beloond en sloeg Tristan de oogen op. Toen hij het schoone gelaat van Isolde over zich heen gebogen zag, scheen het hem toe als een droom, waaruit hij spoedig zou ontwaken. Maar neen, daar hoorde hij hare stem, die hem Tantris noemde en hem vroeg, hoe hij hier gekomen was en of inderdaad hij hetwas, die den draak gedood had. Opnieuw moest hij een leugen verzinnen, die zijne aanwezigheid in Ierland verklaarbaar zou maken en zoo sprak hij. “Ja, schoone prinses, ik ben het, de speelman Tantris, dien uwe moeder jaren geleden uit het doodsgevaar redde. Sinds ik u vaarwel zegde, heb ik verre reizen gedaan en vreemde landen bezocht. Overal roemde men mijne kunst, maar toch voelde ik, hoe men mij beschouwde als een dwaas, die de vreugden en smarten des levens bezingt zonder dat hij ze zelf doorleefd heeft, wiens liederen den trots om eene volbrachte krijgsmansdaad beschrijven, zonder dat hij dien ooit zijn lichaam heeft voelen doorgloeien en wiens roemrijkste wapenfeit bestaat in eene schermutseling met een landlooper of struikroover, die het hem op zijne tochten lastig maakt. Daarom besloot ik om mijzelven roem en naam te verwerven en toen ik dus hoorde van den draak, die de omgeving hier onveilig maakte, en vernam, welken hoogen prijs koning Gumurun op zijn hoofd had gesteld, was mijn besluit genomen en reisde ik hierheen om mijne kans te wagen. Hoe ik hierin slaagde, is u reeds bekend en ook, hoe ik zonder uwe hulp, wellicht den dood gevonden zou hebben. Ten tweeden male hebt ge mij het leven gered!”Toen hij deze woorden gesproken had, viel Tristan uitgeput achterover en verloor opnieuw zijn bewustzijn. Koningin Isolde echter, zond ijlings Brangwaine terug naar Dublin om hulp te halen en nog vóór het dagelijksche leven in de stad begonnen was, had men Tristan in alle stilte het koninklijk paleis binnengedragen en hem in de vertrekken der koningin op eene zachte legerstede neergevlijd. Daar genoot hij eene uitmuntende verpleging onder de persoonlijke zorgen van de koningin en de jonge prinses, die zich beijverden, om hem van dienst te zijn. Door hare toewijding en de heilzame middelen, welke zij hem toedienden, herstelde hij spoedig van zijne wonden en werd weldra weer geheel de oude. Intusschen had Agavin bij den koning aanzoek gedaan om Isolde’s hand en daarbij den kop van den draak overgelegd als bewijsstuk, dat hij inderdaad het recht had, de schoone prinseste huwen. De koning gevoelde weinig lust om zijne dochter af te staan aan een man, die steeds het mikpunt was van aller hoon en spotternij; ook twijfelde hij in zijn hart aan de waarheid van Agavin’s woorden. Daar hij echter geen bewijzen tegen hem had, moest hij wel in zijn verzoek toestemmen, wilde hij zijn gegeven woord gestand doen. Hij besloot daarom een dag vast te stellen, waarop Agavin zijn aanzoek in alle plechtigheid en in tegenwoordigheid van het geheele hof zou herhalen. Had de koning vóór dien tijd niets naders omtrent de ware toedracht der zaak vernomen, dan moest men aannemen, dat Agavin werkelijk den draak had gedood en dan zou ook Isolde’s vader zijne belofte getrouw blijven en hem zijne dochter tot vrouw geven.Toen Isolde hoorde, wat er geschieden zou, liep zij vol schrik naar Tristan om zijn raad in te winnen; deze echter glimlachte fijntjes en sprak: “Wees niet bezorgd, schoone prinses! Ik beloof u hierbij plechtig, dat een edeler man dan deze ijdele dwaas, uw echtgenoot zal worden. Vertrouw slechts op mij!”Isolde zag hem peinzend aan. Vanwaar toch dat fiere zelfbewustzijn in dien eenvoudigen speelman? Zou men niet denken, dat hij van edele geboorte was, wanneer men hem hoorde spreken en zingen? Zijne beschaafde, zachte stem, zijn edele bouw en fiere gelaatsuitdrukking, alles scheen er op te wijzen, dat hij slechts voorgaf een eenvoudig muzikant te zijn. Wie weet, was hij niet een koningszoon, die, gedreven door een luim of gril, met zijne harp door het land trok uit zucht naar avontuur! De romantische verbeelding van het jonge meisje werd geprikkeld door de schoonheid en hoffelijkheid van den jongen vreemdeling en vaak onderzocht zij zijne wapenen en kleederen, of zij niet een kenteeken kon ontdekken, dat haar eenig licht omtrent zijne afkomst kon verschaffen.Wanneer Tristan haar aldus bezig zag, kon hij een glimlach niet onderdrukken en deze versterkte Isolde in hare overtuiging, dat hij iets voor haar verborgen hield. Eens op een dag, dat zij bij Tristan’s legerstede was gezeten en hij haar opnieuw verteldhad, hoe hij den draak had gedood, nam zij spelend het zwaard op, dat naast zijn bed hing, trok het uit de scheede en liet de zonnestralen in het glinsterend staal weerkaatsen. Haar oog werd getroffen door den edelen vorm van het wapen en langzaam gleed haar blik langs het blinkend lemmer, tot hij rusten bleef op eene kerf onderaan bij het gevest. Hoe vreemd, dat een prachtig zwaard als dit zóó geschonden was, waar had zij dien vorm van keep toch meer gezien? Plotseling schoot haar iets te binnen en snel opspringend liep zij naar een hoek van het vertrek, waar zij in een fraai houten kistje den metaalsplinter bewaarde, welken men in Morholt’s schedel gevonden had. In een oogwenk had zij dien in het zwaard gevoegd en ziet, hij paste volkomen! Een oogenblik scheen het, of haar hart stilstond, toen begon het te bonzen en te kloppen van woede en schrik. Hare moeder en zij hadden dus Tristan, den moordenaar van haar dierbaren oom, met zoo veel zorg verpleegd. Tantris, de speelman, was Tristan—Tantris—Tristan! zoo flitste het door haar brein, klonk dat niet als een raadsel, een eenvoudig spelletje, waarmede men kinderen zoet houdt en waardoor zij beiden om den tuin waren geleid? Stikkend bijna van woede en schaamte liep zij met het zwaard in de opgeheven hand op Tristan toe, terwijl zij uitriep: “Laffe moordenaar, die ons door listig woordenspel wildet misleiden! Thans weet ik, wie gij zijt en dit zweer ik u, gij zult uwe gerechte straf niet ontgaan! Hetzelfde zwaard, waarmede gij Morholt den doodslag toebracht, zal ook uw dood zijn!” Dreigend zwaaide zij het wapen boven zijn hoofd. Tristan echter zag haar onverschrokken in de oogen en antwoordde kalm: “Sla toe, schoone Isolde, maar bedenk, dat hij, dien gij doodt, uw gast is, die zich vol vertrouwen in uw huis gewaagd heeft en dat hij geene andere zonde bedreven heeft, dan dat hij in een eerlijken strijd, waartoe hij bovendien door Morholt was uitgedaagd, zijn tegenstander heeft verslagen! Wilt gij nochtans uw wraakzuchtig voornemen ten uitvoer brengen, zoo ben ik bereid te sterven. Mocht ge ooit wroeging over deze daad gevoelen, zoo zult gij in de armen vanAgavin al ras het onrecht vergeten, dat gij uw gast hebt aangedaan!” Deze laatste woorden misten hun doel niet! Weenend sloeg de jonge prinses de handen voor het gelaat en verliet haastig het vertrek.Isolde ontdekt de kerf in het zwaard van Tristan.Isolde ontdekt de kerf in het zwaard van Tristan.Tristan echter begaf zich naar koning Gumurun en bekende hem openlijk zijn naam en afkomst. Daarbij deelde hij den vorst het doel zijner komst mede en verzocht hem eerbiedig om de hand zijner dochter voor zijn oom, koning Mark van Cornwallis. In levendige termen schilderde hij hem af, welke voordeelige gevolgen deze verbintenis voor het gansche rijk zou medebrengen en welke hulde en eerbetoon prinses Isolde in het rijk van haren toekomstigen gemaal te wachten stonden. Zijne woorden hadden de gewenschte uitwerking; weldra stemde Gumurun toe in het vereerend aanzoek, dat vrede en vriendschap zou brengen tusschen Ierland en Cornwallis. In aller ijl begaf Tristan zich nu aan boord van zijn schip, waar men zich reeds hevig ongerust begon te maken over zijne afwezigheid en gebood den baronnen zich in hunne fraaiste kleederen aan land te begeven en de koffers met bruidsgeschenken, welke voor Isolde bestemd waren, met zich mede te brengen.Inmiddels was de dag aangebroken, waarop Agavin met de Roode Haren in tegenwoordigheid der gansche hofhouding zijne aanspraken op de hand van prinses Isolde zou bewijzen en haar openlijk als zijne bruid zou opeischen.De groote troonzaal van het paleis was gevuld met eene dichte menigte, die in druk gepraat de kansen van den drost besprak. Plotseling viel eene diepe stilte onder de verzamelden en aller oogen richtten zich naar de deur, door welke de honderd ridders en de twintig edelen uit Cornwallis in plechtigen optocht de zaal binnentraden.Vol bewondering staarden de aanwezigen naar de schitterende uitrusting en de fiere houding der vreemdelingen en verbaasd vroeg men elkander af, vanwaar deze ridders gekomen waren. Tristan’s volgelingen namen zwijgend plaats ter rechterzijde vanden troon. Weldra verschenen ook koning Gumurun met zijne gemalin en de jonge prinses, die bleek en angstig om zich heen zag. Nadat de herauten tot stilte hadden gemaand, stond Agavin met de Roode Haren, die ter linkerzijde van den troon was gezeten, op van zijn zetel en begon in snoevende bewoordingen verslag uit te brengen van de wijze, waarop hij den draak had omgebracht. Met druk stemgeluid en heftig handgebaar poogde hij zijne hoorders van de waarheid zijner woorden te overtuigen en toen hij ophield met spreken en als laatste bewijsstuk den kop van den draak aan de voeten des konings neerlegde, zag hij triomfantelijk rond als om de aanwezigen te tarten, het verhaalde te logenstraffen.In de diepe stilte, die op zijne woorden volgde, viel met donderend geluid Tristan’s stem, die uitriep: “Sire, ik beschuldig dezen man voor God en u allen van leugen en bedrog! Niet hij heeft den draak gedood, maar ik! Niet hij heeft daarom recht op de hand der prinses, maar ik! Wanneer gij zulks eischt, wil ik mijne bewering met kracht van wapenen staven!”De drost was onwillekeurig achteruitgedeinsd bij het vernemen dezer beschuldiging, en toen Tristan zweeg en hem verwachtend aanzag, poogde hij tevergeefs eenig zelfvertrouwen uit zijne stem te doen klinken, toen hij antwoordde: “Wat behoeft men door wapenen te bewijzen, wat door de feiten reeds zonneklaar is aangetoond? Heb ik niet den kop van den draak meegebracht als getuigenis voor wat ik deed en blijkt hieruit niet reeds voldoende, dat ik inderdaad het monster gedood heb?”Maar Tristan lachte spottend en sprak luide:“Den kop hebt ge het doode monster afgeslagen en dien hierheengebracht, maar zeg mij, waarde drost, waar hebt gij de tong gelaten? Vergis ik mij niet, dan hebt gij die in de haast vergeten!” Fluks snelden de dienaren van den vorst toe en braken den bek van het ondier open en inderdaad, de tong was afgesneden! Tristan haalde haar zegevierend uit zijn zak te voorschijn en riep: “Ziehier, edele heeren! Is het u nu voldoende gebleken, hoe deze leugenaar u trachtte te misleiden? Zoo niet, dan zal ik hem opandere wijze dwingen zijne valschheid te bekennen!” Met deze woorden greep hij naar zijn zwaard en snelde op Agavin toe, deze echter week verschrikt terug en onder het daverend hoongelach van alle aanwezigen verliet hij ijlings door eene zijdeur het vertrek.Van alle kanten verdrong men zich nu om Tristan, om hem met zijne heldendaad geluk te wenschen en met luider stem verzochten de ridders hem om zich aan hen bekend te maken.Tristan trad eenige schreden terug, om zich ruimte te verschaffen, hief het hoofd fier omhoog en sprak, zóó luid dat allen het hooren konden: “Mijn naam is Tristan van Ermonie!”Een oogenblik was het doodstil in de groote zaal, toen scheen het of er eene trilling door de menigte ging en een verward geroep van stemmen brak los. “Weg met den moordenaar! Slaat hem dood! Gedenk Morholt!” Zoo klonk het van alle kanten en dreigend drongen de Ieren op Tristan toe. De ridders en baronnen uit diens gevolg schaarden zich beschermend om hem heen, maar Tristan zelf verloor geen oogenblik zijne kalmte. Rustig trad hij voor den koning en herhaalde zijne woorden.Toen zagen de Iersche ridders tot hunne groote verbazing, hoe koning Gumurun zich vooroverboog en Tristan den vredeskus gaf. Het roepen bedaarde om plaats te maken voor een toornig gemompel, maar koning Gumurun verhief zich van zijn zetel en riep uit: “Van nu af aan zij er vrede tusschen de rijken van Cornwallis en Ierland. De oude veeten en grieven worden begraven en tot teeken der algeheele verzoening vertrouw ik mijne eenige dochter toe aan dezen ridder, opdat hij haar met zich voere naar zijn land, waar zij de bruid zal worden van zijn heer en meester, koning Mark.”Deze oplossing scheen allen te bevallen, luide toejuichingen barstten los en onder de jubelkreten der aanwezigen legde koning Gumurun de hand van prinses Isolde in die van Tristan als plechtig teeken harer verloving met koning Mark.Middeleeuws zeilschip.Hoe Tristan en Isolde aan boord van het vaartuig, dat hen naar Cornwallis zou brengen, den liefdesdrank dronken.Toen nu de dag naderde, waarop Isolde zich aan boord van het schip zou begeven, dat haar naar Cornwallis moest brengen, begaf de koningin, hare moeder, zich naar buiten op de heuvelen rondom de stad en verzamelde daar kruiden tot het bereiden van een liefdesdrank. In haar hart twijfelde zij eraan, of de bejaarde koning er in zou slagen de liefde zijner jonge bruid voor zich te winnen en daarom nam zij al hare kunde en wijsheid in het zoeken van kruiden te baat om de harten dier beiden tot elkander te brengen. Onder het prevelen van tooverspreuken en innige gebeden voor het welzijn en het geluk harer dochter, kookte zij die kruiden tot een drank, welke de kracht bezat, om de harten van hen, die hem dronken, in liefdegloed te doen ontvlammen en door onverbreekbare banden levenslang aan elkaar te snoeren. Toen de drank gereed was, goot zij het kostbare vocht in eene aarden kruik en beval Brangwaine, die hare jonge meesteres naar haar nieuwe vaderland zou vergezellen, den inhoud daarvan over twee bekers te verdeelen en die Isolde en haar echtgenoot op hunnen huwelijksavond ten dronk te reiken. Zij droeg Brangwaine op, de uiterste voorzichtigheid er mede te betrachten, opdat de drank niet in verkeerde handen zou geraken en wees haar op de noodlottige gevolgen, die ontstaan konden, wanneer dit onverhoopt gebeurde.Het afscheid was genomen en het vaartuig met prinses Isolde aan boord stevende langzaam de haven uit, de open zee tegemoet. Vroolijk klonk het gezang der zeelieden en in opgewekte stemming zaten de ridders van koning Mark bijeen. Het doel hunner reis was bereikt! Wat geen hunner had durven droomen was geschied: de schoone prinses met de blonde haren zou de gemalin van koning Mark worden en daarmede was niet alleen de toekomstvan hun rijk verzekerd, maar waren tegelijk ook de aanspraken van Tristan op den troon nietig verklaard. Deze laatste stond zwijgend tegen den mast geleund en tuurde in het blauwe verschiet. In zijne gedachten doorleefde hij opnieuw het afscheidstooneel tusschen Isolde en hare ouders en vrienden. Hij zag, hoe de jonge prinses zich onder bittere tranen vastklemde aan hare moeder en haar smeekte, om in Ierland te mogen blijven, bij allen, die ze liefhad, in plaats van te moeten gaan naar het vreemde land, waar zij niemand kende en waar zij de vrouw zou moeten worden van dien vreemden koning, dien zij nooit te voren gezien had. Maar hare smeekbeden waren vergeefsch geweest. Met zachten drang had de koningin zich los gemaakt uit hare armen en had tot haar gesproken van de hooge plichten, welke haar in haar nieuwe vaderland wachtten. Zij had hare dochter erop gewezen, hoe zij daar het leven van haren toekomstigen gemaal met haar zonnigen lach zou weten op te vroolijken, hoe zij gehuldigd zou worden als vorstin over een machtig en groot land en hoe door haar toedoen een hechte band zou ontstaan tusschen Ierland en Cornwallis, die beide rijken ten goede zou komen.Nog zag Tristan in zijne verbeelding, hoe de jonge prinses op het oogenblik, dat de ankers gelicht werden en de boot zich langzaam van de kade verwijderde, zich over de verschansing had heengebogen en met uitgestrekte armen om hare moeder had geroepen, hoe zij eindelijk, half bezwijmd in de armen harer trouwe dienares was gevallen en hoe deze haar weggedragen had naar de rijkversierde tent, die te haren behoeve op het dek van het vaartuig was opgeslagen. Sindsdien had Tristan haar niet meer gezien, maar het hartroerend afscheid had de vreugde over het welslagen van zijn tocht vergald en steeds weer vroeg hij zich af, of hij geen onrecht beging door dit jonge meisje in de armen van koning Mark te voeren.De eerste uren na het vertrek was de reis voorspoedig, maar allengs ging de wind liggen en moesten de zeelieden de riemen ter hand nemen, wilde men het schip in beweging houden. Dehitte was drukkend; fel brandden de zonnestralen op het dek en boven Isolde’s tent hing de koninklijke standaard slap terneer. Op het middaguur werd de warmte zóó ondragelijk, dat er bevel werd gegeven, het roeien te staken en de uitgeputte zeelieden strekten zich op het dek uit, om te rusten. Onbeweeglijk lag het schip op de blauwe zee; de edellieden en ridders waren meerendeels ingeslapen, alleen Tristan waakte. De gordijnen voor Isolde’s tent waren teruggeslagen en door de opening was de gestalte der jonge prinses zichtbaar, uitgestrekt op eene lage rustbank.Tristan naderde de tent en boog zich eerbiedig voor haar neder. Belangstellend vroeg hij, hoe zij het maakte en trachtte met haar in gesprek te raken; na eenige moeite gelukte hem dit en wist hij haar zelfs zoover te krijgen, dat zij hem eenige vragen stelde over het leven en de gebruiken in haar nieuwe vaderland. Zoo spraken zij eenigen tijd met elkander, tot Isolde, dorstig geworden door de hitte, hem vroeg, haar een teug wijn te brengen. Tristan begaf zich naar de plek, waar de wijn bewaard werd, maar ziet, deze was tot den laatsten droppel door de dorstige zeelieden opgedronken. Wat nu te doen? Hij kon de prinses toch geen beker water aanbieden? Aarzelend zag hij om zich heen, daar ontdekte zijn oog in een hoek eene kleine aarden kruik hij nam haar op, goot den inhoud in een zilveren drinkbeker en tot zijne verbazing was het wijn, diep donkerroode wijn, waaruit een zoete geur omhoogsteeg.Tristan en Isolde drinken den liefdesdrank.Tristan en Isolde drinken den liefdesdrank.Vol vreugde bood hij den beker aan Isolde, deze nam hem gretig aan, zette hem aan den mond en dronk eruit met lange teugen, daarop bood zij hem op hoffelijke wijze aan Tristan en beduidde hem, den beker te ledigen. Deze voldeed aan haar verlangen, maar nauwelijks was het vocht hem door de keel gevloeid of eene vreemde, zoete bedwelming scheen over hem te komen. Langzaam dronk hij verder en terwijl hij dit deed scheen het of zijne oogen met onweerstaanbare kracht naar Isolde werden getrokken. Of—was dit inderdaad Isolde? dit jongemeisje met de vochtig glanzende oogen, die hem aanzagen, zóó vreemd—zóó innig, als nog nooit eene vrouw hem aangezien had? Haar mond was half geopend, haar adem kwam snel en hijgend. Waarom zag ze hem zoo aan, waarom strekte zij hare handen uit, als om steun te zoeken? Zou zij, evenals hij, dien onweerstaanbaren drang in zich gevoelen, die hem naar haar toe dreef, die hem woorden en klanken deed stamelen van liefde en innigheid, die hem deed hunkeren om haar in zijne armen te nemen en haar te kussen: hare oogen, hare blonde haren en hare roode lippen? Een oogenblik zagen de beiden elkander aan: toen klonk het zacht “Isolde!” en daarna “Tristan!” en Tristan hield de bruid van koning Mark in zijne armen.Een luide kreet wekte hen uit hun zoeten droom. Met opgeheven handen stond Brangwaine voor hen: “Meesteresse, wat hebt gij gedaan!” riep zij in vertwijfeling; “gij hebt van den tooverdrank gedronken, die u en uwen gemaal door eeuwige liefde te zamen moest binden en ziet, wat nu geschied is!” Van nu af aan klopt uw hart slechts voor dezen vreemdeling en nooit zal koning Mark erin slagen, uwe liefde te winnen! Mijne arme meesteres, het is de dood, dien gij beiden uit dezen beker gedronken hebt!Tristan en Isolde zagen elkander aan, toen sprak de eerste plechtig: “Indien het waar is, wat ge zegt, zoo zou ik liever duizend dooden sterven, dan voort te leven zonder den troost dezer liefde!” en opnieuw drukte hij Isolde aan zijn hart.Jammerend en de handen wringend van wroeging en smart verliet Brangwaine de tent. Tevergeefs zon zij op middelen, om de dreigende ramp te voorkomen, de liefdesdrank had zijne uitwerking niet gemist.Toen de avond viel en de schemering daalde over het breede watervlak, toen alle geluid aan boord verstomd was en slechts het kabbelen der golfjes tegen de kiel van het schip de stilte verbrak, waren de gordijnen van Isolde’s tent gesloten. De standaard van koning Mark hing slap en mistroostig omlaag en voor de tent hurkte eene eenzame gedaante: Brangwaine, die met angst enwanhoop in het hart waakte over het eerste samenzijn der twee gelieven.Na eene voorspoedige reis naderde het schip de rotsen van Cornwallis. Groote vreugde heerschte onder de baronnen, die van den koning eene vorstelijke belooning verwachtten voor het welslagen hunner onderneming en de gevaren, waaraan zij zich om zijnentwille hadden blootgesteld. Onder opgewekten kout bracht men den tijd door, die nog verloopen moest, eer men voet aan wal kon zetten, lach en scherts weerklonken aan alle kanten.In hare tent zat Isolde en liet zich door hare dienaressen tooien en sieren voor de eerste ontmoeting met haren bruidegom. Zij kleedden haar in een ruim, loshangend gewaad van glinsterende zijde, zij vlochten haar paarlen en robijnen door het blonde haar en voortdurend spraken zij haar van den luister en pracht van Mark’s hofhouding en de schitterende feesten, waarmede hij zijn huwelijk dacht te vieren. Nooit nog waren er zulke toebereidselen gemaakt als voor deze gelegenheid, nooit nog waren er zulke festijnen aan het hof gehouden als die, waarmede koning Mark zijne jonge bruid zou huldigen.Maar zij, die de hoofdpersoon moest wezen op deze feesten, zag er bleek en bedrukt uit; op de opgewonden verhalen harer vrouwen antwoordde zij met een matten glimlach en eerst toen Tristan liet vragen of zij gereed was, daar men de kust naderde, scheen zij uit hare verdooving te ontwaken. Met een gebiedend gebaar zond zij hare dienaressen heen, met uitzondering van Brangwaine, die zij verzocht te blijven. Toen zij beiden alleen waren, stond zij haastig op, greep hare trouwe vriendin bij den arm en fluisterde haar toe: “Brangwaine, ik moet u om een dienst verzoeken, die moeilijker en zwaarder te volbrengen is, dan eenige dienst, dien ge mij ooit bewezen hebt. Nochtans moet ik er u om vragen. Zult ge mij dien dienst weigeren?” “Vrouwe”, antwoordde Brangwaine, “indien het in mijn vermogen is, u te helpen, dan zal ik het doen, meer kan ik niet beloven!” “Nu,luister dan”, sprak Isolde; “gij en gij alleen weet, wat er is geschied, gij weet dat mijn lichaam en ziel Tristan toebehooren en dat de gedachte aan een anderen echtgenoot mij doet rillen van vrees en afkeer. Niettemin zal koning Mark mij tot zijne vrouw maken. Om die afschuwelijke gebeurtenis te verhinderen moet gij mij helpen. Wanneer de gasten den koning en mij naar het bruidsvertrek hebben geleid en de lichten gedoofd zijn, moet gij mijne plaats aan de zijde des konings innemen, in het duister zal hij uw gelaat niet herkennen en eer de dag aanbreekt, zal ik u aflossen. Spreek, wilt gij dit voor mij doen?”Langen tijd hield Brangwaine het hoofd gebogen; zij voerde een vreeselijken strijd in haar binnenste, maar eindelijk hief zij het gelaat omhoog, haar oogen stonden vol tranen en een trek van pijn groefde zich om haar mond, toch klonk hare stem vast en kalm, toen zij zeide: “Ik zal doen, wat gij mij vraagt.” Daarop vlood zij heen uit vrees, zich niet langer te kunnen beheerschen.Aan den steiger, die met groen en bloemen was versierd, wachtte een uitgelezen gezelschap de aankomst der boot af. Vooraan stond koning Mark, den gouden kroon op het hoofd en tuurde in onrustige spanning naar het schip. Toen Isolde den voet aan land zette ging er een gemompel van bewondering door de verzamelde menigte, want de jonge prinses was schoon als de morgenstond. De zon verlichtte haar gouden haren en speelde om hare lieflijke gestalte en toen zij op den koning toetrad was het, of er iets van het warme licht, dat haar omstraalde, in zijn eenzaam hart drong.Tristan zelf voerde Isolde aan zijne hand en bracht haar naar zijn oom; toen zij voor den koning genaderd waren, sprak hij met luider stem: “Sire, ingevolge uwe bevelen breng ik u prinses Isolde van Ierland, die gij als uwe bruid hebt uitverkoren.” Daarna liet hij de hand der prinses los, boog en verdween onder de menigte.Met grooten luister en praal werd het bruiloftsfeest gevierd en alle gasten waren het er over eens, dat men nooit schooner enbevalliger bruid gezien had dan Isolde met de Gouden Haren. Wel vond men haar wat bleek en stil, maar men schreef dit toe aan de vermoeienissen der reis en den indruk, dien haar nieuwe staat en de vreemde omgeving op haar maakten.Toen de nacht zijne donkere sluiers over de aarde spreidde, werden de lichten in het paleis gedoofd en geleidde men, volgens aloud gebruik, de jonggehuwden naar het rijk versierde slaapvertrek. Spoedig daarna had de verwisseling plaats. In het korte oogenblik, dat Mark zijne jonge vrouw alleen liet, sloop deze heen, om plaats te maken voor Brangwaine en zij, die bevend in zijne armen lag, was niet Isolde met de Gouden Haren, maar hare trouwe dienares.Vreugde en zonneschijn hadden aan het hof van koning Mark hunne intrede gedaan met de komst van diens jonge gemalin. Een nieuw, jong leven vulde de groote zalen van het paleis met blij geluid; zang en snarenspel weerklonken in den stillen slottuin.Koning Mark was innig gelukkig met zijne schoone vrouw; zijne oogen straalden blij, zijn gang was veerkrachtig en fier en telkens weer zegende hij de ingeving, die hem had doen toestemmen in den eisch der baronnen, om zich eene bruid te zoeken. Ook Isolde was gelukkig; haar echtgenoot liet haar uit kiesche bescheidenheid volle vrijheid en zoo wist zij elken dag eenige oogenblikken te vinden om met haren geliefde samen te zijn. Die oogenblikken waren haar eigenlijk leven; den overigen tijd leefde zij als in een droom, doorproevend de zaligheid van het doorleefde en reikhalzend uitziend naar eene volgende samenkomst. De menschen om haar heen hoorde en zag zij slechts vaag, zóó zeer waren hare gedachten vervuld van wat zij daar binnen in haar hart voor schoons en heerlijks verborgen hield, maar zij had voor elk een vriendelijk woord en een droomerige, lieve glimlach speelde steeds om haar mond.En Tristan?—voor hem, den man, die zich niet geheel kon overgeven aan de bedwelmende bekoring van den hartstocht, washet leven eene foltering. Gedreven door een gevoel van schuld tegenover zijn koning, die hem steeds met liefde had omringd, streed hij in zijn binnenste een voortdurenden strijd tegen de alles overheerschende macht der liefde. Slechts in de uren van samenzijn met Isolde kon hij voor een oogenblik de kwellingen van schaamte en wroeging vergeten, die hem het bestaan ondragelijk maakten.Zoo ging het leven aan het hof eenigen tijd voort en allengs werden de beide gelieven stoutmoediger in het beramen hunner plannen. Niet slechts in de bosschen en tuinen om het paleis, maar ook in het slot zelf kwamen zij samen en overmoedig geworden door het welslagen van hun pogen, begonnen zij langzamerhand de noodige voorzichtigheid uit het oog te verliezen. Het spreekt dus van zelf, dat hunne verhouding niet langer een geheim kon blijven voor hunne omgeving. Hier en daar geraakten de booze lastertongen in beweging en naijverige hovelingen bespiedden hunne gangen en zonnen op verraad. Tot dezen behoorde Meriadoc, een der ridders van koning Mark.Sinds langen tijd was hij jaloersch op Tristan, wien hij diens hooge plaats aan het hof misgunde en nu hij vermoedde, dat er eene schuldige verhouding tusschen hem en de koningin bestond, was al zijn denken en doen er op gericht, om bewijzen te verkrijgen, waarmede hij den nietsvermoedenden koning zou kunnen overtuigen. Het duurde niet lang, of hij verkreeg de zoo zeer gewenschte zekerheid. Om Tristan’s handelingen nauwkeuriger te kunnen bespieden had hij, onder voorwendsel van groote vriendschap voor hem te gevoelen, hem verzocht om zijn slaapvertrek met hem te mogen deelen en zoo sliepen de beide ridders thans te zamen in een der zijgebouwen van het paleis. Eens op een nacht ontwaakte Meriadoc door een kouden tocht, die hem langs het gelaat streek en vond tot zijne verbazing de buitendeur van het vertrek openstaan. Onmiddellijk tastte hij naar het bed van Tristan en wat hij vermoedde, bleek juist te zijn: het was onbeslapen. Haastig schoot Meriadoc eenige kleedingstukken aan en begaf zich naar buiten. Het was October en dien nacht was de eerstesneeuw gevallen. Bij het schijnsel der maan bespeurde hij een spoor van versche voetstappen, dat in de richting van het slot leidde. Voorzichtig voegde Meriadoc zijne schreden naar die van zijn voorganger en ziet, bij de omheining gekomen, welke de vertrekken des konings omringde, bemerkte hij, hoe iemand zich door het wegnemen van eene plank toegang had verschaft tot het afgesloten gedeelte. Door de opening heen zag hij, dat de voetsporen rechtstreeks voerden tot de vensters der koninklijke vertrekken. Nu was geen twijfel meer mogelijk; met eene boosaardige grijns op het gelaat zocht Meriadoc zijne legerstede weer op en besloot den volgenden morgen den koning over het gebeurde in te lichten.Door listige toespelingen en sluwe aanduidingen wist hij den argwaan van koning Mark op te wekken en deelde hem ten slotte zijne vreeselijke vermoedens omtrent de koningin en Tristan mede.In hevige verontwaardiging wees de vorst de aantijging van de hand en het scheelde niet veel, of hij had den valschen lasteraar in zijne blinde woede terneergeveld. Maar deze gaf den strijd niet op. In geveinsden ootmoed boog hij zich voor zijn vorst en smeekte hem om vergiffenis; hij zwoer hem, slechts de eer van zijn meester voor oogen te hebben bij het indienen zijner aanklacht en wendde voor alleen gedreven te worden door heilige verontwaardiging over het schandelijk bedrog en de grievende beleediging, zijn heer aangedaan. Zijne woorden bleven niet zonder uitwerking op het gemoed van den koning en al wierp hij elke verdenking van zijne jonge vrouw verre van zich af, toch begon hij haar onwillekeurig nauwer gade te slaan in haar doen en laten. Wanneer zij met hare vrouwen bij het haardvuur zat te spinnen en zij Tristan riep, om haar een lied voor te zingen, zwierven de blikken van den vorst onrustig heen en weer tusschen de beide jonge menschen, die zoo vroolijk met elkander praatten en schertsten. Onwilllekeurig trachtte hij in hunne woorden en gebaren eene geheime beteekenis te zoeken en luisterde hijscherper toe, wanneer zij hunne stemmen tot een zacht gefluister lieten dalen. Wanneer hij hen dan bijeen zag, beiden zoo jong en schoon en zijn blik viel toevallig op een der lange wandspiegels, waarin hij zijn eigen beeld weerkaatst zag, gleed er soms een bittere glimlach over ’s konings gelaat en eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat het geen wonder zou zijn, indien Isolde het gezelschap van een jong en schoon ridder als Tristan verkoos boven het zijne.Zoo werd het gemoed van koning Mark gepijnigd door vrees en twijfel en weldra kende hij nog slechts één wensch: zekerheid te hebben, ook al ontnam die hem zijne laatste hoop op geluk. Om die zekerheid te verkrijgen verzon hij eene list. Eens op een avond zeide hij tot Isolde: “Liefste, sedert langen tijd rust op mij de verplichting om een pelgrimstocht te ondernemen naar verre streken. Ik wil dien tocht niet langer uitstellen, maar er is één ding, dat mij ervan terughoudt: in wiens zorg zal ik u hier achterlaten? Spreek, aan welken van mijne ridders zou ik u het best kunnen toevertrouwen?” Een glans van vreugde kwam in Isolde’s oogen en zij antwoordde zonder aarzelen: “Aan wien beter dan aan Tristan, Heer? Onder zijne hoede zal mij geen kwaad geschieden!” De koning wendde zich zwijgend af, het was hem of eene ijskoude hand zich op zijn hart legde en er alle warmte uit verdreef, nu had hij immers zekerheid aangaande de gevoelens zijner vrouw? Deze echter snelde naar Brangwaine en deelde haar vol blijdschap mede, dat de koning voor langeren tijd op reis dacht te gaan en haar verzocht had, een beschermer te kiezen, die zijne plaats gedurende zijne afwezigheid zou innemen. “Wien hebt gij gekozen?” vroeg Brangwaine en hare meesteres antwoordde lachend” Wien anders dan Tristan!” Maar Brangwaine schudde het hoofd en wees haar op het onvoorzichtige harer woorden, die den koning, zoo hij wellicht eenigen argwaan koesterde, op het spoor harer gevoelens zouden kunnen brengen. Op haar aanraden zeide Isolde den volgenden morgen tot haren gemaal: “Heer, den ganschen nacht hebben mij uwe woorden van gisterenavondin de ooren geklonken en ik begin te gelooven, dat het u ernst was, met hetgeen ge zeidet. Aanvankelijk meende ik, dat ge slechts schertsen wildet en daarom heb ik u ook in scherts geantwoord.” Een straal van hoop verlichtte het gelaat van koning Mark. “Wat wilt ge dan?” vroeg hij. “Hebt ge niet Tristan, mijn neef, uitgekozen, om hier te blijven en u te behoeden tegen mogelijk gevaar?” “Zwijg over dien man!” riep Isolde met fonkelende oogen, “meent ge werkelijk, dat ik hem, den moordenaar van mijn oom, tot mijn beschermer zou kiezen? Ik weet, weliswaar, dat hij mij met smeekende oogen en vleiende woorden achtervolgt, maar dat is slechts uit angst voor mijne wraak. Neen, indien hij niet uw neef was, zou ik niet rusten, vóór hij zijne gerechte straf had ondergaan.”Het hart van koning Mark was gerust; zou eene vrouw zóó spreken over hem, dien zij liefhad? Hij schold Meriadoc uit voor verrader en dreigde hem met de vreeselijkste straffen, indien hij zijne beschuldiging durfde herhalen.Deze liet wijselijk eenigen tijd voorbijgaan, alvorens hij opnieuw met zijne verdachtmakingen bij den koning aankwam en ditmaal ging hij nog omzichtiger te werk, zoodat hij den vorst als ’t ware zelf op het denkbeeld deed komen, om zijne gemalin nogmaals op de proef te stellen.“Vrouwe”, zoo sprak hij tot Isolde, “eenigen tijd geleden hebt ge mij gezegd, welk een haat gij mijn neef Tristan toedraagt. Nu ben ik tot het besluit gekomen, dat ik hem liever naar zijn land wil terugzenden, dan dat zijn aanblik u hier eene dagelijksche kwelling is. Daarom wil ik hem vóór mijn vertrek van hier sturen, zoodat hij u gedurende mijne afwezigheid geen overlast kan aandoen”. Isolde ontstelde hevig, toen zij deze woorden hoorde en riep terstond: “Neen, edele Heer! dat moogt gij niet doen. Tristan is uw zusters zoon en heeft nooit eenig kwaad jegens u misdreven, integendeel, hij heeft u altijd trouw en eerlijk gediend. Wat deert het u, of ik hem niet lijden mag? Om mijnentwil moogt gij geene onrechtvaardige daad begaan en bovendien zal ik mij wellicht inden loop der jaren met hem verzoenen, daar ik wel inzie, dat hij een dapper ridder is!”Opnieuw zaaiden hare woorden wantrouwen in het hart des konings en treurig verliet hij het vertrek. Toen Isolde Brangwaine deelgenoote maakte van wat haar bedreigde, wees deze laatste haar ten tweede male op het gevaar van zich aldus bloot te geven en haren raad volgend, sprak Isolde dienzelfden avond tot haren gemaal: “Heer, indien gij werkelijk meent, dat gij, zonder Tristan onrecht aan te doen, hem naar zijn land kunt doen terugkeeren, zoo zou mij niets aangenamer zijn. Zoolang gij hier blijft, is het mij mogelijk zijne tegenwoordigheid te dulden, maar wanneer gij vertrekt, zal de ergernis van hem dagelijks te moeten zien, mij het leven ondragelijk maken. Het beste zou zijn, wanneer gij hier zoudt kunnen blijven of mij met u medenemen.”Ook ditmaal wist zij de stem van twijfel in het hart van haren echtgenoot tot zwijgen te brengen; vol verrukking klemde koning Mark haar aan zijne borst en zwoer, haar nimmer te zullen verlaten.Zoo waren dus rust en kalmte wedergekeerd in ’s konings gemoed, maar de verraders rustten niet en waren er steeds op bedacht, om nieuwe bewijzen van de schuld der koningin te ontdekken. Ter bereiking van dit doel had Meriadoc een dwerg, Melot genaamd, in zijn dienst genomen, die bekend stond om zijne groote geslepenheid. Hij had hem opgedragen, scherp toe te zien op de gangen van de koningin en Tristan. Weldra was ook Melot zeker van hun beider schuld, al was het hem tot nu toe onmogelijk gebleken, hen op heeterdaad te betrappen. In zijne verdenking versterkt door Melot’s aanwijzingen begaf Meriadoc zich met eenigen zijner vrienden naar den vorst en eischte op hoogen toon, dat de koning, ter wille van zijn goeden naam en dien van het gansche rijk, Tristan van het hof zou verbannen. Aanvankelijk weigerde Mark om aan hun verzoek te voldoen, maar ten slotte moest hij wel toegeven. Hij begaf zich dus naar Tristan en zeide tot hem: “Booze tongen spreken kwaad van uwe verhouding tot de koningin. Al geloof ik zelf, dat het slechts vuigelaster is, wat zij zeggen, toch moet men ook den schijn van het kwade vermijden. Daarom verzoek ik u niet langer de vorstin in hare vertrekken te bezoeken en u voor eenigen tijd van het hof te verwijderen.”Tristan boog het hoofd en ging heen, maar toen hij de ophaalbrug over reed om het kasteel te verlaten, scheen eene plotselinge loomheid in armen en beenen hem het voortgaan te beletten. Hij kwam niet verder dan het marktplein der stad Tintagel, daar huurde hij een woonvertrek en bracht zijn tijd door in droef gepeins over het lot der geliefde.

De draak uit de bosschen bij Dublin.De draak uit de bosschen bij Dublin.Op een vroegen morgen liet hij in alle stilte zijn paard zadelen en begaf zich op weg in de richting van het woud, waar de draak zich ophield. Even buiten de stad gekomen, ontmoette hij drie ruiters, die hem in suizende vaart voorbijjoegen, onder het roepen van: “De draak, Heer! de draak!” Toen hij hun vroeg: “Waar is de draak?” wezen zij met den vinger achterwaarts en riepen: “Hij volgt ons op de hielen”; het volgend oogenblik waren zij in eene wolk van stof verdwenen.Behoedzaam om zich heen speurend, vervolgde Tristan zijn weg en het duurde niet lang, of hij ontmoette hem, dien hij zocht. Het monster was inderdaad vreeselijk om aan te zien en een minder stoutmoedig man dan Tristan zou bij zijn aanblik de moed in de schoenen zijn gezonken; onze held echter reed onversaagd op den draak toe en het gevecht begon. Het was een zware strijd, waarin Tristan al zijne kracht en behendigheid noodig had, om niet het onderspit te moeten delven. Het bloed stroomde hem uit de gapende wonden, welke het ondier hem met zijne klauwen geslagen had, en bovendien kon hij nauwelijks ademhalen door den heeten, verstikkenden adem, dien de draak hem in het gelaat blies. Zijn paard zonk doodelijk gewond ter aarde, waarop hij te voet, gedekt door zijn schild, den ongelijken strijd voortzette. Eindelijk gelukte het hem met eene behendige zwenking van zijn arm, zijne lange speer zóó diep in den muil van het monster te stooten, dat de punt tot bijna in het hart doordrong. Onder een vreeselijk gebrul rende de draak in de richting van zijn hol, de grond besproeiend met een verzengenden vuurregen en een spoor van donker bloed achterlatend. Tristan vervolgde hem zoover zijne uitgeputte krachten hem dit toelieten en bracht hem steeds nieuwe wonden toe. Vóór zijn hol gekomen, wendde het monster zich om tot een laatsten, wanhopigen kamp, maar uitgeput door bloedverlies kon hij niet lang meer weerstand bieden en weldra bracht Tristan hem den doodsteek toe. Vreeselijk was het gerochel, waarmede de draak ineenzonk; het vuur, dat uit zijn opengesperden muil kwam, spatte uiteen tot een regen van vonken en de luchtwerd verpest door den vreeselijken stank van het gif, dat hem uit de keel vloeide. Tristan echter greep met vaste hand de tong van het monster, die hem uit den bek hing en sneed die af om haar als bewijsstuk mede te nemen. Daarna verzamelde hij zijne laatste krachten en begaf zich met wankelende schreden in de richting van een beekje, dat hij niet ver van de plaats des gevechts hoorde klateren, om zijn brandenden dorst te lesschen. Toen hij echter, daar aangekomen, zich voorover wilde buigen om te drinken, werd hij zoodanig bedwelmd door de giftige dampen, die door de tong, welke hij in zijn zak geborgen had, werden uitgewasemd, dat hij zijn bewustzijn verloor en als levenloos in het struikgewas ter zijde van de beek, neerviel.Terwijl hij daar zoo lag, had zich een ander ridder in de nabijheid van den draak gewaagd. Dit was Agavin met de Roode Haren, de drost van koning Gumurun, een dwaas en ijdel man. Sinds langen tijd beminde hij prinses Isolde in stilte en poogde door het dragen van fraaie kleederen en glinsterende edelsteenen hare aandacht te trekken. Wanneer zij hem dan spottend vroeg, om medelijden te hebben met de arme vrouwen en meisjes, wien hij door zijne schoonheid het hart ontstal, meende hij, dat zij in ernst sprak en verheugde zich over den indruk, dien hij op haar gemaakt had. Toch waagde hij het niet, haar zijne liefde te bekennen en wachtte, tot er zich eene gunstige gelegenheid zou voordoen, om te spreken. Toen nu koning Gumurun wijd en zijd liet bekend maken, dat hij den ridder, die den draak om het leven zou brengen, de hand zijner dochter Isolde tot belooning zou geven, besloot Agavin terstond, eene kans te wagen, om dien hoogen prijs te veroveren.Verscheidene malen had hij zich reeds buiten de stad gewaagd, maar wanneer hij dan in de verte het monster hoorde brullen, ontzonk hem telkenmale alle moed en haastte hij zich, binnen de veilige muren der stad terug te keeren.Ook dezen morgen had hij na eene nieuwe poging het hazenpad gekozen en bevond zich onder de drie vluchtende ridders, die Tristan op zijn weg was tegengekomen. Toen hij zag, dat devreemde ridder hunne raadgevingen om met hen terug te keeren, in den wind sloeg en zich toch in het gevaar waagde, besloot hij, door nieuwsgierigheid gedreven, op veiligen afstand den uitslag van het gevecht af te wachten. Hij twijfelde er geen oogenblik aan, of Tristan zou in den strijd tegen het monster den dood vinden en wie weet, welk voordeel er dan nog voor hem uit deze onderneming te behalen zou zijn. Zoo sloop hij, bevend van angst, langs den zoom van het woud, waaruit de afschuwelijke kreten van het monster tot hem doordrongen en hem met vrees en ontsteltenis vervulden. Na eenigen tijd verstomde het gebrul en Agavin besloot zich, van de juiste oorzaak hiervan te overtuigen. Al zijn moed bijeenzamelend, besteeg hij zijn paard en reed het bosch in, naar alle kanten spiedend, of soms gevaar dreigde. Plotseling hield hij met heftigen ruk de teugels in. Daar vóór hem op den grond lag het monster, dat hij zocht, met zijne vreeselijke klauwen uitgestrekt op den woudbodem en zijne vurige oogen wijd opengesperd. Zonder zich te overtuigen, of de draak levend of dood was, sprong Agavin ijlings uit het zadel en rende de struiken in, waar hij sidderend over lijf en leden den verderen loop der gebeurtenissen afwachtte. Maar tegen zijne verwachting in, bleef alles rustig: geen monster baande zich een weg door het struikgewas, om hem te zoeken en de stilte van het woud bleef onverstoord. Met kloppend hart waagde Agavin zich opnieuw in de nabijheid van het gevreesde ondier en eerst toen hij zag, dat zijn paard ongedeerd was gebleven en kalm aan het grazen was, begreep hij, dat de draak werkelijk dood was. Voorzichtig boog hij zich over hem heen en beschouwde hem vol afschuw; daar ontdekte hij het half verkoolde lichaam van Tristan’s paard en diens schild, dat hij na afloop van den strijd ter zijde geworpen had. Een glans van boosaardig genoegen gleed over Agavin’s gelaat, toen zijn zoeken naar het lichaam van den dapperen vreemdeling tevergeefsch bleek te zijn. Het leed geen twijfel, of het monster had hem met huid en haar verslonden, zooals het zoo velen vóór hem had gedaan en de belooning voorzijne wakkere daad zou hij nooit deelachtig worden. Plotseling schoot hem iets te binnen. Waarom kon hij zich niet de verdienste toeëigenen den draak gedood te hebben en daardoor zijn hartewensch in vervulling zien gaan? Wie zou ooit kunnen bewijzen, dat niet hij, maar de onbekende, die zich zoo roekeloos in het gevaar begeven had, het stoute feit had volbracht? Nogmaals keek hij behoedzaam om zich heen, om zich te overtuigen, dat geen ander getuige was geweest van zijne ontdekking, maar nergens kon hij een spoor van menschelijk leven ontdekken; toen bezag hij vol vreugde het monster aan zijne voeten, dat hem de verwezenlijking zijner stoutste droomen brengen zou. Daarop overlegde hij snel, hoe hij zijn plan het best ten uitvoer kon brengen. Met een enkelen zwaardslag sloeg hij den draak den kop af; toen besteeg hij zijn paard en reed terug naar de stad, iedereen, dien hij op zijn weg ontmoette, toeroepend: “Gaat heen naar het bosch en ziet, wat daar is geschied! Met het zwaard, dat ik hier in de hand draag, heb ik het land bevrijd van het monster, dat de omgeving onveilig maakte. Voortaan kunnen de burgers van Dublin zich veilig buiten de stad begeven, want de draak, die hunne levens bedreigde, is dood, gevallen door mijne hand! Daarvoor wacht mij de schoonste belooning, die men zich denken kan: de hand van prinses Isolde!”Als een loopend vuur verbreidde zich de mare, dat Agavin met de Roode Haren den draak had gedood en weldra drong het bericht ook door binnen de muren van het vorstelijk paleis. Toen Isolde vernam, wie het stoute stuk had volbracht, lachte zij eerst luide, en verklaarde, dat dit de beste grap was, die zij in langen tijd gehoord had! Toen men haar echter vertelde, dat er eenige burgers met eene kar uit de stad waren gereden om den kop van den draak te halen en dat Agavin een onderhoud met den koning had verzocht, betrok haar gezicht en toornig riep zij uit: “Wil men mij dan werkelijk wijs maken, dat een man als Agavin, die bekend staat als de grootste lafaard van het land, een dergelijk feit zou hebben bedreven? Nooit zal ik gelooven, dat hij inderdaadden draak overwonnen heeft, het is een valstrik, dien hij ons spant om mij tot zijne vrouw te maken. Dit zal hem echter nooit gelukken; liever dan zijne echtgenoote te worden, zou ik mij zelve van het leven berooven!”Daarop begaf zij zich naar hare moeder, koningin Isolde en smeekte haar om mede te gaan naar de plaats des gevechts, ten einde te trachten de oplossing van het raadsel te vinden. De koningin stemde hierin toe en den volgenden morgen begaven de beiden zich in alle vroegte op weg, slechts vergezeld door Brangwaine, Isolde’s vertrouwde dienares. Toen zij bij de plaats van den strijd gekomen waren, vonden zij daar het lijk van Tristan’s paard en zijn schild, dat, hoewel deerlijk gehavend, toch nog sporen vertoonde van zijne vroegere pracht. Verheugd nam Isolde het op van den grond en riep uit: “Ziet gij nu wel, dat mijne vermoedens juist waren? Niemand anders dan de ridder, wien dit schild toebehoort, heeft het ondier gedood. Laat ons trachten, hem te vinden, hij kan niet ver van hier zijn.”De drie vrouwen doorzochten nu ijverig den ganschen omtrek en na eenigen tijd ontdekte Isolde het lichaam van Tristan, half verborgen tusschen het struikgewas aan den oever van het beekje. Met een kreet van vreugde, die hare gezellinnen naar de plaats deed snellen, waar zij zich bevond, bukte zij zich over hem heen en nauwelijks had zij zijn gelaat gezien, of zij riep verwonderd uit: “Dit is niemand anders dan Tantris, de speelman, die mij eenige jaren geleden in het harpspelen onderwees. Hoe komt hij plotseling hier en dan in zoo’n toestand?” Behoedzaam tilden de vrouwen hem op en droegen hem naar den waterkant, daargekomen, maakten zij zijne wapenrusting en kleederen los en wieschen zijne wonden met het heldere bronwater. Spoedig werd hunne moeite beloond en sloeg Tristan de oogen op. Toen hij het schoone gelaat van Isolde over zich heen gebogen zag, scheen het hem toe als een droom, waaruit hij spoedig zou ontwaken. Maar neen, daar hoorde hij hare stem, die hem Tantris noemde en hem vroeg, hoe hij hier gekomen was en of inderdaad hij hetwas, die den draak gedood had. Opnieuw moest hij een leugen verzinnen, die zijne aanwezigheid in Ierland verklaarbaar zou maken en zoo sprak hij. “Ja, schoone prinses, ik ben het, de speelman Tantris, dien uwe moeder jaren geleden uit het doodsgevaar redde. Sinds ik u vaarwel zegde, heb ik verre reizen gedaan en vreemde landen bezocht. Overal roemde men mijne kunst, maar toch voelde ik, hoe men mij beschouwde als een dwaas, die de vreugden en smarten des levens bezingt zonder dat hij ze zelf doorleefd heeft, wiens liederen den trots om eene volbrachte krijgsmansdaad beschrijven, zonder dat hij dien ooit zijn lichaam heeft voelen doorgloeien en wiens roemrijkste wapenfeit bestaat in eene schermutseling met een landlooper of struikroover, die het hem op zijne tochten lastig maakt. Daarom besloot ik om mijzelven roem en naam te verwerven en toen ik dus hoorde van den draak, die de omgeving hier onveilig maakte, en vernam, welken hoogen prijs koning Gumurun op zijn hoofd had gesteld, was mijn besluit genomen en reisde ik hierheen om mijne kans te wagen. Hoe ik hierin slaagde, is u reeds bekend en ook, hoe ik zonder uwe hulp, wellicht den dood gevonden zou hebben. Ten tweeden male hebt ge mij het leven gered!”Toen hij deze woorden gesproken had, viel Tristan uitgeput achterover en verloor opnieuw zijn bewustzijn. Koningin Isolde echter, zond ijlings Brangwaine terug naar Dublin om hulp te halen en nog vóór het dagelijksche leven in de stad begonnen was, had men Tristan in alle stilte het koninklijk paleis binnengedragen en hem in de vertrekken der koningin op eene zachte legerstede neergevlijd. Daar genoot hij eene uitmuntende verpleging onder de persoonlijke zorgen van de koningin en de jonge prinses, die zich beijverden, om hem van dienst te zijn. Door hare toewijding en de heilzame middelen, welke zij hem toedienden, herstelde hij spoedig van zijne wonden en werd weldra weer geheel de oude. Intusschen had Agavin bij den koning aanzoek gedaan om Isolde’s hand en daarbij den kop van den draak overgelegd als bewijsstuk, dat hij inderdaad het recht had, de schoone prinseste huwen. De koning gevoelde weinig lust om zijne dochter af te staan aan een man, die steeds het mikpunt was van aller hoon en spotternij; ook twijfelde hij in zijn hart aan de waarheid van Agavin’s woorden. Daar hij echter geen bewijzen tegen hem had, moest hij wel in zijn verzoek toestemmen, wilde hij zijn gegeven woord gestand doen. Hij besloot daarom een dag vast te stellen, waarop Agavin zijn aanzoek in alle plechtigheid en in tegenwoordigheid van het geheele hof zou herhalen. Had de koning vóór dien tijd niets naders omtrent de ware toedracht der zaak vernomen, dan moest men aannemen, dat Agavin werkelijk den draak had gedood en dan zou ook Isolde’s vader zijne belofte getrouw blijven en hem zijne dochter tot vrouw geven.Toen Isolde hoorde, wat er geschieden zou, liep zij vol schrik naar Tristan om zijn raad in te winnen; deze echter glimlachte fijntjes en sprak: “Wees niet bezorgd, schoone prinses! Ik beloof u hierbij plechtig, dat een edeler man dan deze ijdele dwaas, uw echtgenoot zal worden. Vertrouw slechts op mij!”Isolde zag hem peinzend aan. Vanwaar toch dat fiere zelfbewustzijn in dien eenvoudigen speelman? Zou men niet denken, dat hij van edele geboorte was, wanneer men hem hoorde spreken en zingen? Zijne beschaafde, zachte stem, zijn edele bouw en fiere gelaatsuitdrukking, alles scheen er op te wijzen, dat hij slechts voorgaf een eenvoudig muzikant te zijn. Wie weet, was hij niet een koningszoon, die, gedreven door een luim of gril, met zijne harp door het land trok uit zucht naar avontuur! De romantische verbeelding van het jonge meisje werd geprikkeld door de schoonheid en hoffelijkheid van den jongen vreemdeling en vaak onderzocht zij zijne wapenen en kleederen, of zij niet een kenteeken kon ontdekken, dat haar eenig licht omtrent zijne afkomst kon verschaffen.Wanneer Tristan haar aldus bezig zag, kon hij een glimlach niet onderdrukken en deze versterkte Isolde in hare overtuiging, dat hij iets voor haar verborgen hield. Eens op een dag, dat zij bij Tristan’s legerstede was gezeten en hij haar opnieuw verteldhad, hoe hij den draak had gedood, nam zij spelend het zwaard op, dat naast zijn bed hing, trok het uit de scheede en liet de zonnestralen in het glinsterend staal weerkaatsen. Haar oog werd getroffen door den edelen vorm van het wapen en langzaam gleed haar blik langs het blinkend lemmer, tot hij rusten bleef op eene kerf onderaan bij het gevest. Hoe vreemd, dat een prachtig zwaard als dit zóó geschonden was, waar had zij dien vorm van keep toch meer gezien? Plotseling schoot haar iets te binnen en snel opspringend liep zij naar een hoek van het vertrek, waar zij in een fraai houten kistje den metaalsplinter bewaarde, welken men in Morholt’s schedel gevonden had. In een oogwenk had zij dien in het zwaard gevoegd en ziet, hij paste volkomen! Een oogenblik scheen het, of haar hart stilstond, toen begon het te bonzen en te kloppen van woede en schrik. Hare moeder en zij hadden dus Tristan, den moordenaar van haar dierbaren oom, met zoo veel zorg verpleegd. Tantris, de speelman, was Tristan—Tantris—Tristan! zoo flitste het door haar brein, klonk dat niet als een raadsel, een eenvoudig spelletje, waarmede men kinderen zoet houdt en waardoor zij beiden om den tuin waren geleid? Stikkend bijna van woede en schaamte liep zij met het zwaard in de opgeheven hand op Tristan toe, terwijl zij uitriep: “Laffe moordenaar, die ons door listig woordenspel wildet misleiden! Thans weet ik, wie gij zijt en dit zweer ik u, gij zult uwe gerechte straf niet ontgaan! Hetzelfde zwaard, waarmede gij Morholt den doodslag toebracht, zal ook uw dood zijn!” Dreigend zwaaide zij het wapen boven zijn hoofd. Tristan echter zag haar onverschrokken in de oogen en antwoordde kalm: “Sla toe, schoone Isolde, maar bedenk, dat hij, dien gij doodt, uw gast is, die zich vol vertrouwen in uw huis gewaagd heeft en dat hij geene andere zonde bedreven heeft, dan dat hij in een eerlijken strijd, waartoe hij bovendien door Morholt was uitgedaagd, zijn tegenstander heeft verslagen! Wilt gij nochtans uw wraakzuchtig voornemen ten uitvoer brengen, zoo ben ik bereid te sterven. Mocht ge ooit wroeging over deze daad gevoelen, zoo zult gij in de armen vanAgavin al ras het onrecht vergeten, dat gij uw gast hebt aangedaan!” Deze laatste woorden misten hun doel niet! Weenend sloeg de jonge prinses de handen voor het gelaat en verliet haastig het vertrek.Isolde ontdekt de kerf in het zwaard van Tristan.Isolde ontdekt de kerf in het zwaard van Tristan.Tristan echter begaf zich naar koning Gumurun en bekende hem openlijk zijn naam en afkomst. Daarbij deelde hij den vorst het doel zijner komst mede en verzocht hem eerbiedig om de hand zijner dochter voor zijn oom, koning Mark van Cornwallis. In levendige termen schilderde hij hem af, welke voordeelige gevolgen deze verbintenis voor het gansche rijk zou medebrengen en welke hulde en eerbetoon prinses Isolde in het rijk van haren toekomstigen gemaal te wachten stonden. Zijne woorden hadden de gewenschte uitwerking; weldra stemde Gumurun toe in het vereerend aanzoek, dat vrede en vriendschap zou brengen tusschen Ierland en Cornwallis. In aller ijl begaf Tristan zich nu aan boord van zijn schip, waar men zich reeds hevig ongerust begon te maken over zijne afwezigheid en gebood den baronnen zich in hunne fraaiste kleederen aan land te begeven en de koffers met bruidsgeschenken, welke voor Isolde bestemd waren, met zich mede te brengen.Inmiddels was de dag aangebroken, waarop Agavin met de Roode Haren in tegenwoordigheid der gansche hofhouding zijne aanspraken op de hand van prinses Isolde zou bewijzen en haar openlijk als zijne bruid zou opeischen.De groote troonzaal van het paleis was gevuld met eene dichte menigte, die in druk gepraat de kansen van den drost besprak. Plotseling viel eene diepe stilte onder de verzamelden en aller oogen richtten zich naar de deur, door welke de honderd ridders en de twintig edelen uit Cornwallis in plechtigen optocht de zaal binnentraden.Vol bewondering staarden de aanwezigen naar de schitterende uitrusting en de fiere houding der vreemdelingen en verbaasd vroeg men elkander af, vanwaar deze ridders gekomen waren. Tristan’s volgelingen namen zwijgend plaats ter rechterzijde vanden troon. Weldra verschenen ook koning Gumurun met zijne gemalin en de jonge prinses, die bleek en angstig om zich heen zag. Nadat de herauten tot stilte hadden gemaand, stond Agavin met de Roode Haren, die ter linkerzijde van den troon was gezeten, op van zijn zetel en begon in snoevende bewoordingen verslag uit te brengen van de wijze, waarop hij den draak had omgebracht. Met druk stemgeluid en heftig handgebaar poogde hij zijne hoorders van de waarheid zijner woorden te overtuigen en toen hij ophield met spreken en als laatste bewijsstuk den kop van den draak aan de voeten des konings neerlegde, zag hij triomfantelijk rond als om de aanwezigen te tarten, het verhaalde te logenstraffen.In de diepe stilte, die op zijne woorden volgde, viel met donderend geluid Tristan’s stem, die uitriep: “Sire, ik beschuldig dezen man voor God en u allen van leugen en bedrog! Niet hij heeft den draak gedood, maar ik! Niet hij heeft daarom recht op de hand der prinses, maar ik! Wanneer gij zulks eischt, wil ik mijne bewering met kracht van wapenen staven!”De drost was onwillekeurig achteruitgedeinsd bij het vernemen dezer beschuldiging, en toen Tristan zweeg en hem verwachtend aanzag, poogde hij tevergeefs eenig zelfvertrouwen uit zijne stem te doen klinken, toen hij antwoordde: “Wat behoeft men door wapenen te bewijzen, wat door de feiten reeds zonneklaar is aangetoond? Heb ik niet den kop van den draak meegebracht als getuigenis voor wat ik deed en blijkt hieruit niet reeds voldoende, dat ik inderdaad het monster gedood heb?”Maar Tristan lachte spottend en sprak luide:“Den kop hebt ge het doode monster afgeslagen en dien hierheengebracht, maar zeg mij, waarde drost, waar hebt gij de tong gelaten? Vergis ik mij niet, dan hebt gij die in de haast vergeten!” Fluks snelden de dienaren van den vorst toe en braken den bek van het ondier open en inderdaad, de tong was afgesneden! Tristan haalde haar zegevierend uit zijn zak te voorschijn en riep: “Ziehier, edele heeren! Is het u nu voldoende gebleken, hoe deze leugenaar u trachtte te misleiden? Zoo niet, dan zal ik hem opandere wijze dwingen zijne valschheid te bekennen!” Met deze woorden greep hij naar zijn zwaard en snelde op Agavin toe, deze echter week verschrikt terug en onder het daverend hoongelach van alle aanwezigen verliet hij ijlings door eene zijdeur het vertrek.Van alle kanten verdrong men zich nu om Tristan, om hem met zijne heldendaad geluk te wenschen en met luider stem verzochten de ridders hem om zich aan hen bekend te maken.Tristan trad eenige schreden terug, om zich ruimte te verschaffen, hief het hoofd fier omhoog en sprak, zóó luid dat allen het hooren konden: “Mijn naam is Tristan van Ermonie!”Een oogenblik was het doodstil in de groote zaal, toen scheen het of er eene trilling door de menigte ging en een verward geroep van stemmen brak los. “Weg met den moordenaar! Slaat hem dood! Gedenk Morholt!” Zoo klonk het van alle kanten en dreigend drongen de Ieren op Tristan toe. De ridders en baronnen uit diens gevolg schaarden zich beschermend om hem heen, maar Tristan zelf verloor geen oogenblik zijne kalmte. Rustig trad hij voor den koning en herhaalde zijne woorden.Toen zagen de Iersche ridders tot hunne groote verbazing, hoe koning Gumurun zich vooroverboog en Tristan den vredeskus gaf. Het roepen bedaarde om plaats te maken voor een toornig gemompel, maar koning Gumurun verhief zich van zijn zetel en riep uit: “Van nu af aan zij er vrede tusschen de rijken van Cornwallis en Ierland. De oude veeten en grieven worden begraven en tot teeken der algeheele verzoening vertrouw ik mijne eenige dochter toe aan dezen ridder, opdat hij haar met zich voere naar zijn land, waar zij de bruid zal worden van zijn heer en meester, koning Mark.”Deze oplossing scheen allen te bevallen, luide toejuichingen barstten los en onder de jubelkreten der aanwezigen legde koning Gumurun de hand van prinses Isolde in die van Tristan als plechtig teeken harer verloving met koning Mark.Middeleeuws zeilschip.Hoe Tristan en Isolde aan boord van het vaartuig, dat hen naar Cornwallis zou brengen, den liefdesdrank dronken.Toen nu de dag naderde, waarop Isolde zich aan boord van het schip zou begeven, dat haar naar Cornwallis moest brengen, begaf de koningin, hare moeder, zich naar buiten op de heuvelen rondom de stad en verzamelde daar kruiden tot het bereiden van een liefdesdrank. In haar hart twijfelde zij eraan, of de bejaarde koning er in zou slagen de liefde zijner jonge bruid voor zich te winnen en daarom nam zij al hare kunde en wijsheid in het zoeken van kruiden te baat om de harten dier beiden tot elkander te brengen. Onder het prevelen van tooverspreuken en innige gebeden voor het welzijn en het geluk harer dochter, kookte zij die kruiden tot een drank, welke de kracht bezat, om de harten van hen, die hem dronken, in liefdegloed te doen ontvlammen en door onverbreekbare banden levenslang aan elkaar te snoeren. Toen de drank gereed was, goot zij het kostbare vocht in eene aarden kruik en beval Brangwaine, die hare jonge meesteres naar haar nieuwe vaderland zou vergezellen, den inhoud daarvan over twee bekers te verdeelen en die Isolde en haar echtgenoot op hunnen huwelijksavond ten dronk te reiken. Zij droeg Brangwaine op, de uiterste voorzichtigheid er mede te betrachten, opdat de drank niet in verkeerde handen zou geraken en wees haar op de noodlottige gevolgen, die ontstaan konden, wanneer dit onverhoopt gebeurde.Het afscheid was genomen en het vaartuig met prinses Isolde aan boord stevende langzaam de haven uit, de open zee tegemoet. Vroolijk klonk het gezang der zeelieden en in opgewekte stemming zaten de ridders van koning Mark bijeen. Het doel hunner reis was bereikt! Wat geen hunner had durven droomen was geschied: de schoone prinses met de blonde haren zou de gemalin van koning Mark worden en daarmede was niet alleen de toekomstvan hun rijk verzekerd, maar waren tegelijk ook de aanspraken van Tristan op den troon nietig verklaard. Deze laatste stond zwijgend tegen den mast geleund en tuurde in het blauwe verschiet. In zijne gedachten doorleefde hij opnieuw het afscheidstooneel tusschen Isolde en hare ouders en vrienden. Hij zag, hoe de jonge prinses zich onder bittere tranen vastklemde aan hare moeder en haar smeekte, om in Ierland te mogen blijven, bij allen, die ze liefhad, in plaats van te moeten gaan naar het vreemde land, waar zij niemand kende en waar zij de vrouw zou moeten worden van dien vreemden koning, dien zij nooit te voren gezien had. Maar hare smeekbeden waren vergeefsch geweest. Met zachten drang had de koningin zich los gemaakt uit hare armen en had tot haar gesproken van de hooge plichten, welke haar in haar nieuwe vaderland wachtten. Zij had hare dochter erop gewezen, hoe zij daar het leven van haren toekomstigen gemaal met haar zonnigen lach zou weten op te vroolijken, hoe zij gehuldigd zou worden als vorstin over een machtig en groot land en hoe door haar toedoen een hechte band zou ontstaan tusschen Ierland en Cornwallis, die beide rijken ten goede zou komen.Nog zag Tristan in zijne verbeelding, hoe de jonge prinses op het oogenblik, dat de ankers gelicht werden en de boot zich langzaam van de kade verwijderde, zich over de verschansing had heengebogen en met uitgestrekte armen om hare moeder had geroepen, hoe zij eindelijk, half bezwijmd in de armen harer trouwe dienares was gevallen en hoe deze haar weggedragen had naar de rijkversierde tent, die te haren behoeve op het dek van het vaartuig was opgeslagen. Sindsdien had Tristan haar niet meer gezien, maar het hartroerend afscheid had de vreugde over het welslagen van zijn tocht vergald en steeds weer vroeg hij zich af, of hij geen onrecht beging door dit jonge meisje in de armen van koning Mark te voeren.De eerste uren na het vertrek was de reis voorspoedig, maar allengs ging de wind liggen en moesten de zeelieden de riemen ter hand nemen, wilde men het schip in beweging houden. Dehitte was drukkend; fel brandden de zonnestralen op het dek en boven Isolde’s tent hing de koninklijke standaard slap terneer. Op het middaguur werd de warmte zóó ondragelijk, dat er bevel werd gegeven, het roeien te staken en de uitgeputte zeelieden strekten zich op het dek uit, om te rusten. Onbeweeglijk lag het schip op de blauwe zee; de edellieden en ridders waren meerendeels ingeslapen, alleen Tristan waakte. De gordijnen voor Isolde’s tent waren teruggeslagen en door de opening was de gestalte der jonge prinses zichtbaar, uitgestrekt op eene lage rustbank.Tristan naderde de tent en boog zich eerbiedig voor haar neder. Belangstellend vroeg hij, hoe zij het maakte en trachtte met haar in gesprek te raken; na eenige moeite gelukte hem dit en wist hij haar zelfs zoover te krijgen, dat zij hem eenige vragen stelde over het leven en de gebruiken in haar nieuwe vaderland. Zoo spraken zij eenigen tijd met elkander, tot Isolde, dorstig geworden door de hitte, hem vroeg, haar een teug wijn te brengen. Tristan begaf zich naar de plek, waar de wijn bewaard werd, maar ziet, deze was tot den laatsten droppel door de dorstige zeelieden opgedronken. Wat nu te doen? Hij kon de prinses toch geen beker water aanbieden? Aarzelend zag hij om zich heen, daar ontdekte zijn oog in een hoek eene kleine aarden kruik hij nam haar op, goot den inhoud in een zilveren drinkbeker en tot zijne verbazing was het wijn, diep donkerroode wijn, waaruit een zoete geur omhoogsteeg.Tristan en Isolde drinken den liefdesdrank.Tristan en Isolde drinken den liefdesdrank.Vol vreugde bood hij den beker aan Isolde, deze nam hem gretig aan, zette hem aan den mond en dronk eruit met lange teugen, daarop bood zij hem op hoffelijke wijze aan Tristan en beduidde hem, den beker te ledigen. Deze voldeed aan haar verlangen, maar nauwelijks was het vocht hem door de keel gevloeid of eene vreemde, zoete bedwelming scheen over hem te komen. Langzaam dronk hij verder en terwijl hij dit deed scheen het of zijne oogen met onweerstaanbare kracht naar Isolde werden getrokken. Of—was dit inderdaad Isolde? dit jongemeisje met de vochtig glanzende oogen, die hem aanzagen, zóó vreemd—zóó innig, als nog nooit eene vrouw hem aangezien had? Haar mond was half geopend, haar adem kwam snel en hijgend. Waarom zag ze hem zoo aan, waarom strekte zij hare handen uit, als om steun te zoeken? Zou zij, evenals hij, dien onweerstaanbaren drang in zich gevoelen, die hem naar haar toe dreef, die hem woorden en klanken deed stamelen van liefde en innigheid, die hem deed hunkeren om haar in zijne armen te nemen en haar te kussen: hare oogen, hare blonde haren en hare roode lippen? Een oogenblik zagen de beiden elkander aan: toen klonk het zacht “Isolde!” en daarna “Tristan!” en Tristan hield de bruid van koning Mark in zijne armen.Een luide kreet wekte hen uit hun zoeten droom. Met opgeheven handen stond Brangwaine voor hen: “Meesteresse, wat hebt gij gedaan!” riep zij in vertwijfeling; “gij hebt van den tooverdrank gedronken, die u en uwen gemaal door eeuwige liefde te zamen moest binden en ziet, wat nu geschied is!” Van nu af aan klopt uw hart slechts voor dezen vreemdeling en nooit zal koning Mark erin slagen, uwe liefde te winnen! Mijne arme meesteres, het is de dood, dien gij beiden uit dezen beker gedronken hebt!Tristan en Isolde zagen elkander aan, toen sprak de eerste plechtig: “Indien het waar is, wat ge zegt, zoo zou ik liever duizend dooden sterven, dan voort te leven zonder den troost dezer liefde!” en opnieuw drukte hij Isolde aan zijn hart.Jammerend en de handen wringend van wroeging en smart verliet Brangwaine de tent. Tevergeefs zon zij op middelen, om de dreigende ramp te voorkomen, de liefdesdrank had zijne uitwerking niet gemist.Toen de avond viel en de schemering daalde over het breede watervlak, toen alle geluid aan boord verstomd was en slechts het kabbelen der golfjes tegen de kiel van het schip de stilte verbrak, waren de gordijnen van Isolde’s tent gesloten. De standaard van koning Mark hing slap en mistroostig omlaag en voor de tent hurkte eene eenzame gedaante: Brangwaine, die met angst enwanhoop in het hart waakte over het eerste samenzijn der twee gelieven.Na eene voorspoedige reis naderde het schip de rotsen van Cornwallis. Groote vreugde heerschte onder de baronnen, die van den koning eene vorstelijke belooning verwachtten voor het welslagen hunner onderneming en de gevaren, waaraan zij zich om zijnentwille hadden blootgesteld. Onder opgewekten kout bracht men den tijd door, die nog verloopen moest, eer men voet aan wal kon zetten, lach en scherts weerklonken aan alle kanten.In hare tent zat Isolde en liet zich door hare dienaressen tooien en sieren voor de eerste ontmoeting met haren bruidegom. Zij kleedden haar in een ruim, loshangend gewaad van glinsterende zijde, zij vlochten haar paarlen en robijnen door het blonde haar en voortdurend spraken zij haar van den luister en pracht van Mark’s hofhouding en de schitterende feesten, waarmede hij zijn huwelijk dacht te vieren. Nooit nog waren er zulke toebereidselen gemaakt als voor deze gelegenheid, nooit nog waren er zulke festijnen aan het hof gehouden als die, waarmede koning Mark zijne jonge bruid zou huldigen.Maar zij, die de hoofdpersoon moest wezen op deze feesten, zag er bleek en bedrukt uit; op de opgewonden verhalen harer vrouwen antwoordde zij met een matten glimlach en eerst toen Tristan liet vragen of zij gereed was, daar men de kust naderde, scheen zij uit hare verdooving te ontwaken. Met een gebiedend gebaar zond zij hare dienaressen heen, met uitzondering van Brangwaine, die zij verzocht te blijven. Toen zij beiden alleen waren, stond zij haastig op, greep hare trouwe vriendin bij den arm en fluisterde haar toe: “Brangwaine, ik moet u om een dienst verzoeken, die moeilijker en zwaarder te volbrengen is, dan eenige dienst, dien ge mij ooit bewezen hebt. Nochtans moet ik er u om vragen. Zult ge mij dien dienst weigeren?” “Vrouwe”, antwoordde Brangwaine, “indien het in mijn vermogen is, u te helpen, dan zal ik het doen, meer kan ik niet beloven!” “Nu,luister dan”, sprak Isolde; “gij en gij alleen weet, wat er is geschied, gij weet dat mijn lichaam en ziel Tristan toebehooren en dat de gedachte aan een anderen echtgenoot mij doet rillen van vrees en afkeer. Niettemin zal koning Mark mij tot zijne vrouw maken. Om die afschuwelijke gebeurtenis te verhinderen moet gij mij helpen. Wanneer de gasten den koning en mij naar het bruidsvertrek hebben geleid en de lichten gedoofd zijn, moet gij mijne plaats aan de zijde des konings innemen, in het duister zal hij uw gelaat niet herkennen en eer de dag aanbreekt, zal ik u aflossen. Spreek, wilt gij dit voor mij doen?”Langen tijd hield Brangwaine het hoofd gebogen; zij voerde een vreeselijken strijd in haar binnenste, maar eindelijk hief zij het gelaat omhoog, haar oogen stonden vol tranen en een trek van pijn groefde zich om haar mond, toch klonk hare stem vast en kalm, toen zij zeide: “Ik zal doen, wat gij mij vraagt.” Daarop vlood zij heen uit vrees, zich niet langer te kunnen beheerschen.Aan den steiger, die met groen en bloemen was versierd, wachtte een uitgelezen gezelschap de aankomst der boot af. Vooraan stond koning Mark, den gouden kroon op het hoofd en tuurde in onrustige spanning naar het schip. Toen Isolde den voet aan land zette ging er een gemompel van bewondering door de verzamelde menigte, want de jonge prinses was schoon als de morgenstond. De zon verlichtte haar gouden haren en speelde om hare lieflijke gestalte en toen zij op den koning toetrad was het, of er iets van het warme licht, dat haar omstraalde, in zijn eenzaam hart drong.Tristan zelf voerde Isolde aan zijne hand en bracht haar naar zijn oom; toen zij voor den koning genaderd waren, sprak hij met luider stem: “Sire, ingevolge uwe bevelen breng ik u prinses Isolde van Ierland, die gij als uwe bruid hebt uitverkoren.” Daarna liet hij de hand der prinses los, boog en verdween onder de menigte.Met grooten luister en praal werd het bruiloftsfeest gevierd en alle gasten waren het er over eens, dat men nooit schooner enbevalliger bruid gezien had dan Isolde met de Gouden Haren. Wel vond men haar wat bleek en stil, maar men schreef dit toe aan de vermoeienissen der reis en den indruk, dien haar nieuwe staat en de vreemde omgeving op haar maakten.Toen de nacht zijne donkere sluiers over de aarde spreidde, werden de lichten in het paleis gedoofd en geleidde men, volgens aloud gebruik, de jonggehuwden naar het rijk versierde slaapvertrek. Spoedig daarna had de verwisseling plaats. In het korte oogenblik, dat Mark zijne jonge vrouw alleen liet, sloop deze heen, om plaats te maken voor Brangwaine en zij, die bevend in zijne armen lag, was niet Isolde met de Gouden Haren, maar hare trouwe dienares.Vreugde en zonneschijn hadden aan het hof van koning Mark hunne intrede gedaan met de komst van diens jonge gemalin. Een nieuw, jong leven vulde de groote zalen van het paleis met blij geluid; zang en snarenspel weerklonken in den stillen slottuin.Koning Mark was innig gelukkig met zijne schoone vrouw; zijne oogen straalden blij, zijn gang was veerkrachtig en fier en telkens weer zegende hij de ingeving, die hem had doen toestemmen in den eisch der baronnen, om zich eene bruid te zoeken. Ook Isolde was gelukkig; haar echtgenoot liet haar uit kiesche bescheidenheid volle vrijheid en zoo wist zij elken dag eenige oogenblikken te vinden om met haren geliefde samen te zijn. Die oogenblikken waren haar eigenlijk leven; den overigen tijd leefde zij als in een droom, doorproevend de zaligheid van het doorleefde en reikhalzend uitziend naar eene volgende samenkomst. De menschen om haar heen hoorde en zag zij slechts vaag, zóó zeer waren hare gedachten vervuld van wat zij daar binnen in haar hart voor schoons en heerlijks verborgen hield, maar zij had voor elk een vriendelijk woord en een droomerige, lieve glimlach speelde steeds om haar mond.En Tristan?—voor hem, den man, die zich niet geheel kon overgeven aan de bedwelmende bekoring van den hartstocht, washet leven eene foltering. Gedreven door een gevoel van schuld tegenover zijn koning, die hem steeds met liefde had omringd, streed hij in zijn binnenste een voortdurenden strijd tegen de alles overheerschende macht der liefde. Slechts in de uren van samenzijn met Isolde kon hij voor een oogenblik de kwellingen van schaamte en wroeging vergeten, die hem het bestaan ondragelijk maakten.Zoo ging het leven aan het hof eenigen tijd voort en allengs werden de beide gelieven stoutmoediger in het beramen hunner plannen. Niet slechts in de bosschen en tuinen om het paleis, maar ook in het slot zelf kwamen zij samen en overmoedig geworden door het welslagen van hun pogen, begonnen zij langzamerhand de noodige voorzichtigheid uit het oog te verliezen. Het spreekt dus van zelf, dat hunne verhouding niet langer een geheim kon blijven voor hunne omgeving. Hier en daar geraakten de booze lastertongen in beweging en naijverige hovelingen bespiedden hunne gangen en zonnen op verraad. Tot dezen behoorde Meriadoc, een der ridders van koning Mark.Sinds langen tijd was hij jaloersch op Tristan, wien hij diens hooge plaats aan het hof misgunde en nu hij vermoedde, dat er eene schuldige verhouding tusschen hem en de koningin bestond, was al zijn denken en doen er op gericht, om bewijzen te verkrijgen, waarmede hij den nietsvermoedenden koning zou kunnen overtuigen. Het duurde niet lang, of hij verkreeg de zoo zeer gewenschte zekerheid. Om Tristan’s handelingen nauwkeuriger te kunnen bespieden had hij, onder voorwendsel van groote vriendschap voor hem te gevoelen, hem verzocht om zijn slaapvertrek met hem te mogen deelen en zoo sliepen de beide ridders thans te zamen in een der zijgebouwen van het paleis. Eens op een nacht ontwaakte Meriadoc door een kouden tocht, die hem langs het gelaat streek en vond tot zijne verbazing de buitendeur van het vertrek openstaan. Onmiddellijk tastte hij naar het bed van Tristan en wat hij vermoedde, bleek juist te zijn: het was onbeslapen. Haastig schoot Meriadoc eenige kleedingstukken aan en begaf zich naar buiten. Het was October en dien nacht was de eerstesneeuw gevallen. Bij het schijnsel der maan bespeurde hij een spoor van versche voetstappen, dat in de richting van het slot leidde. Voorzichtig voegde Meriadoc zijne schreden naar die van zijn voorganger en ziet, bij de omheining gekomen, welke de vertrekken des konings omringde, bemerkte hij, hoe iemand zich door het wegnemen van eene plank toegang had verschaft tot het afgesloten gedeelte. Door de opening heen zag hij, dat de voetsporen rechtstreeks voerden tot de vensters der koninklijke vertrekken. Nu was geen twijfel meer mogelijk; met eene boosaardige grijns op het gelaat zocht Meriadoc zijne legerstede weer op en besloot den volgenden morgen den koning over het gebeurde in te lichten.Door listige toespelingen en sluwe aanduidingen wist hij den argwaan van koning Mark op te wekken en deelde hem ten slotte zijne vreeselijke vermoedens omtrent de koningin en Tristan mede.In hevige verontwaardiging wees de vorst de aantijging van de hand en het scheelde niet veel, of hij had den valschen lasteraar in zijne blinde woede terneergeveld. Maar deze gaf den strijd niet op. In geveinsden ootmoed boog hij zich voor zijn vorst en smeekte hem om vergiffenis; hij zwoer hem, slechts de eer van zijn meester voor oogen te hebben bij het indienen zijner aanklacht en wendde voor alleen gedreven te worden door heilige verontwaardiging over het schandelijk bedrog en de grievende beleediging, zijn heer aangedaan. Zijne woorden bleven niet zonder uitwerking op het gemoed van den koning en al wierp hij elke verdenking van zijne jonge vrouw verre van zich af, toch begon hij haar onwillekeurig nauwer gade te slaan in haar doen en laten. Wanneer zij met hare vrouwen bij het haardvuur zat te spinnen en zij Tristan riep, om haar een lied voor te zingen, zwierven de blikken van den vorst onrustig heen en weer tusschen de beide jonge menschen, die zoo vroolijk met elkander praatten en schertsten. Onwilllekeurig trachtte hij in hunne woorden en gebaren eene geheime beteekenis te zoeken en luisterde hijscherper toe, wanneer zij hunne stemmen tot een zacht gefluister lieten dalen. Wanneer hij hen dan bijeen zag, beiden zoo jong en schoon en zijn blik viel toevallig op een der lange wandspiegels, waarin hij zijn eigen beeld weerkaatst zag, gleed er soms een bittere glimlach over ’s konings gelaat en eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat het geen wonder zou zijn, indien Isolde het gezelschap van een jong en schoon ridder als Tristan verkoos boven het zijne.Zoo werd het gemoed van koning Mark gepijnigd door vrees en twijfel en weldra kende hij nog slechts één wensch: zekerheid te hebben, ook al ontnam die hem zijne laatste hoop op geluk. Om die zekerheid te verkrijgen verzon hij eene list. Eens op een avond zeide hij tot Isolde: “Liefste, sedert langen tijd rust op mij de verplichting om een pelgrimstocht te ondernemen naar verre streken. Ik wil dien tocht niet langer uitstellen, maar er is één ding, dat mij ervan terughoudt: in wiens zorg zal ik u hier achterlaten? Spreek, aan welken van mijne ridders zou ik u het best kunnen toevertrouwen?” Een glans van vreugde kwam in Isolde’s oogen en zij antwoordde zonder aarzelen: “Aan wien beter dan aan Tristan, Heer? Onder zijne hoede zal mij geen kwaad geschieden!” De koning wendde zich zwijgend af, het was hem of eene ijskoude hand zich op zijn hart legde en er alle warmte uit verdreef, nu had hij immers zekerheid aangaande de gevoelens zijner vrouw? Deze echter snelde naar Brangwaine en deelde haar vol blijdschap mede, dat de koning voor langeren tijd op reis dacht te gaan en haar verzocht had, een beschermer te kiezen, die zijne plaats gedurende zijne afwezigheid zou innemen. “Wien hebt gij gekozen?” vroeg Brangwaine en hare meesteres antwoordde lachend” Wien anders dan Tristan!” Maar Brangwaine schudde het hoofd en wees haar op het onvoorzichtige harer woorden, die den koning, zoo hij wellicht eenigen argwaan koesterde, op het spoor harer gevoelens zouden kunnen brengen. Op haar aanraden zeide Isolde den volgenden morgen tot haren gemaal: “Heer, den ganschen nacht hebben mij uwe woorden van gisterenavondin de ooren geklonken en ik begin te gelooven, dat het u ernst was, met hetgeen ge zeidet. Aanvankelijk meende ik, dat ge slechts schertsen wildet en daarom heb ik u ook in scherts geantwoord.” Een straal van hoop verlichtte het gelaat van koning Mark. “Wat wilt ge dan?” vroeg hij. “Hebt ge niet Tristan, mijn neef, uitgekozen, om hier te blijven en u te behoeden tegen mogelijk gevaar?” “Zwijg over dien man!” riep Isolde met fonkelende oogen, “meent ge werkelijk, dat ik hem, den moordenaar van mijn oom, tot mijn beschermer zou kiezen? Ik weet, weliswaar, dat hij mij met smeekende oogen en vleiende woorden achtervolgt, maar dat is slechts uit angst voor mijne wraak. Neen, indien hij niet uw neef was, zou ik niet rusten, vóór hij zijne gerechte straf had ondergaan.”Het hart van koning Mark was gerust; zou eene vrouw zóó spreken over hem, dien zij liefhad? Hij schold Meriadoc uit voor verrader en dreigde hem met de vreeselijkste straffen, indien hij zijne beschuldiging durfde herhalen.Deze liet wijselijk eenigen tijd voorbijgaan, alvorens hij opnieuw met zijne verdachtmakingen bij den koning aankwam en ditmaal ging hij nog omzichtiger te werk, zoodat hij den vorst als ’t ware zelf op het denkbeeld deed komen, om zijne gemalin nogmaals op de proef te stellen.“Vrouwe”, zoo sprak hij tot Isolde, “eenigen tijd geleden hebt ge mij gezegd, welk een haat gij mijn neef Tristan toedraagt. Nu ben ik tot het besluit gekomen, dat ik hem liever naar zijn land wil terugzenden, dan dat zijn aanblik u hier eene dagelijksche kwelling is. Daarom wil ik hem vóór mijn vertrek van hier sturen, zoodat hij u gedurende mijne afwezigheid geen overlast kan aandoen”. Isolde ontstelde hevig, toen zij deze woorden hoorde en riep terstond: “Neen, edele Heer! dat moogt gij niet doen. Tristan is uw zusters zoon en heeft nooit eenig kwaad jegens u misdreven, integendeel, hij heeft u altijd trouw en eerlijk gediend. Wat deert het u, of ik hem niet lijden mag? Om mijnentwil moogt gij geene onrechtvaardige daad begaan en bovendien zal ik mij wellicht inden loop der jaren met hem verzoenen, daar ik wel inzie, dat hij een dapper ridder is!”Opnieuw zaaiden hare woorden wantrouwen in het hart des konings en treurig verliet hij het vertrek. Toen Isolde Brangwaine deelgenoote maakte van wat haar bedreigde, wees deze laatste haar ten tweede male op het gevaar van zich aldus bloot te geven en haren raad volgend, sprak Isolde dienzelfden avond tot haren gemaal: “Heer, indien gij werkelijk meent, dat gij, zonder Tristan onrecht aan te doen, hem naar zijn land kunt doen terugkeeren, zoo zou mij niets aangenamer zijn. Zoolang gij hier blijft, is het mij mogelijk zijne tegenwoordigheid te dulden, maar wanneer gij vertrekt, zal de ergernis van hem dagelijks te moeten zien, mij het leven ondragelijk maken. Het beste zou zijn, wanneer gij hier zoudt kunnen blijven of mij met u medenemen.”Ook ditmaal wist zij de stem van twijfel in het hart van haren echtgenoot tot zwijgen te brengen; vol verrukking klemde koning Mark haar aan zijne borst en zwoer, haar nimmer te zullen verlaten.Zoo waren dus rust en kalmte wedergekeerd in ’s konings gemoed, maar de verraders rustten niet en waren er steeds op bedacht, om nieuwe bewijzen van de schuld der koningin te ontdekken. Ter bereiking van dit doel had Meriadoc een dwerg, Melot genaamd, in zijn dienst genomen, die bekend stond om zijne groote geslepenheid. Hij had hem opgedragen, scherp toe te zien op de gangen van de koningin en Tristan. Weldra was ook Melot zeker van hun beider schuld, al was het hem tot nu toe onmogelijk gebleken, hen op heeterdaad te betrappen. In zijne verdenking versterkt door Melot’s aanwijzingen begaf Meriadoc zich met eenigen zijner vrienden naar den vorst en eischte op hoogen toon, dat de koning, ter wille van zijn goeden naam en dien van het gansche rijk, Tristan van het hof zou verbannen. Aanvankelijk weigerde Mark om aan hun verzoek te voldoen, maar ten slotte moest hij wel toegeven. Hij begaf zich dus naar Tristan en zeide tot hem: “Booze tongen spreken kwaad van uwe verhouding tot de koningin. Al geloof ik zelf, dat het slechts vuigelaster is, wat zij zeggen, toch moet men ook den schijn van het kwade vermijden. Daarom verzoek ik u niet langer de vorstin in hare vertrekken te bezoeken en u voor eenigen tijd van het hof te verwijderen.”Tristan boog het hoofd en ging heen, maar toen hij de ophaalbrug over reed om het kasteel te verlaten, scheen eene plotselinge loomheid in armen en beenen hem het voortgaan te beletten. Hij kwam niet verder dan het marktplein der stad Tintagel, daar huurde hij een woonvertrek en bracht zijn tijd door in droef gepeins over het lot der geliefde.

De draak uit de bosschen bij Dublin.De draak uit de bosschen bij Dublin.

De draak uit de bosschen bij Dublin.

Op een vroegen morgen liet hij in alle stilte zijn paard zadelen en begaf zich op weg in de richting van het woud, waar de draak zich ophield. Even buiten de stad gekomen, ontmoette hij drie ruiters, die hem in suizende vaart voorbijjoegen, onder het roepen van: “De draak, Heer! de draak!” Toen hij hun vroeg: “Waar is de draak?” wezen zij met den vinger achterwaarts en riepen: “Hij volgt ons op de hielen”; het volgend oogenblik waren zij in eene wolk van stof verdwenen.

Behoedzaam om zich heen speurend, vervolgde Tristan zijn weg en het duurde niet lang, of hij ontmoette hem, dien hij zocht. Het monster was inderdaad vreeselijk om aan te zien en een minder stoutmoedig man dan Tristan zou bij zijn aanblik de moed in de schoenen zijn gezonken; onze held echter reed onversaagd op den draak toe en het gevecht begon. Het was een zware strijd, waarin Tristan al zijne kracht en behendigheid noodig had, om niet het onderspit te moeten delven. Het bloed stroomde hem uit de gapende wonden, welke het ondier hem met zijne klauwen geslagen had, en bovendien kon hij nauwelijks ademhalen door den heeten, verstikkenden adem, dien de draak hem in het gelaat blies. Zijn paard zonk doodelijk gewond ter aarde, waarop hij te voet, gedekt door zijn schild, den ongelijken strijd voortzette. Eindelijk gelukte het hem met eene behendige zwenking van zijn arm, zijne lange speer zóó diep in den muil van het monster te stooten, dat de punt tot bijna in het hart doordrong. Onder een vreeselijk gebrul rende de draak in de richting van zijn hol, de grond besproeiend met een verzengenden vuurregen en een spoor van donker bloed achterlatend. Tristan vervolgde hem zoover zijne uitgeputte krachten hem dit toelieten en bracht hem steeds nieuwe wonden toe. Vóór zijn hol gekomen, wendde het monster zich om tot een laatsten, wanhopigen kamp, maar uitgeput door bloedverlies kon hij niet lang meer weerstand bieden en weldra bracht Tristan hem den doodsteek toe. Vreeselijk was het gerochel, waarmede de draak ineenzonk; het vuur, dat uit zijn opengesperden muil kwam, spatte uiteen tot een regen van vonken en de luchtwerd verpest door den vreeselijken stank van het gif, dat hem uit de keel vloeide. Tristan echter greep met vaste hand de tong van het monster, die hem uit den bek hing en sneed die af om haar als bewijsstuk mede te nemen. Daarna verzamelde hij zijne laatste krachten en begaf zich met wankelende schreden in de richting van een beekje, dat hij niet ver van de plaats des gevechts hoorde klateren, om zijn brandenden dorst te lesschen. Toen hij echter, daar aangekomen, zich voorover wilde buigen om te drinken, werd hij zoodanig bedwelmd door de giftige dampen, die door de tong, welke hij in zijn zak geborgen had, werden uitgewasemd, dat hij zijn bewustzijn verloor en als levenloos in het struikgewas ter zijde van de beek, neerviel.

Terwijl hij daar zoo lag, had zich een ander ridder in de nabijheid van den draak gewaagd. Dit was Agavin met de Roode Haren, de drost van koning Gumurun, een dwaas en ijdel man. Sinds langen tijd beminde hij prinses Isolde in stilte en poogde door het dragen van fraaie kleederen en glinsterende edelsteenen hare aandacht te trekken. Wanneer zij hem dan spottend vroeg, om medelijden te hebben met de arme vrouwen en meisjes, wien hij door zijne schoonheid het hart ontstal, meende hij, dat zij in ernst sprak en verheugde zich over den indruk, dien hij op haar gemaakt had. Toch waagde hij het niet, haar zijne liefde te bekennen en wachtte, tot er zich eene gunstige gelegenheid zou voordoen, om te spreken. Toen nu koning Gumurun wijd en zijd liet bekend maken, dat hij den ridder, die den draak om het leven zou brengen, de hand zijner dochter Isolde tot belooning zou geven, besloot Agavin terstond, eene kans te wagen, om dien hoogen prijs te veroveren.

Verscheidene malen had hij zich reeds buiten de stad gewaagd, maar wanneer hij dan in de verte het monster hoorde brullen, ontzonk hem telkenmale alle moed en haastte hij zich, binnen de veilige muren der stad terug te keeren.

Ook dezen morgen had hij na eene nieuwe poging het hazenpad gekozen en bevond zich onder de drie vluchtende ridders, die Tristan op zijn weg was tegengekomen. Toen hij zag, dat devreemde ridder hunne raadgevingen om met hen terug te keeren, in den wind sloeg en zich toch in het gevaar waagde, besloot hij, door nieuwsgierigheid gedreven, op veiligen afstand den uitslag van het gevecht af te wachten. Hij twijfelde er geen oogenblik aan, of Tristan zou in den strijd tegen het monster den dood vinden en wie weet, welk voordeel er dan nog voor hem uit deze onderneming te behalen zou zijn. Zoo sloop hij, bevend van angst, langs den zoom van het woud, waaruit de afschuwelijke kreten van het monster tot hem doordrongen en hem met vrees en ontsteltenis vervulden. Na eenigen tijd verstomde het gebrul en Agavin besloot zich, van de juiste oorzaak hiervan te overtuigen. Al zijn moed bijeenzamelend, besteeg hij zijn paard en reed het bosch in, naar alle kanten spiedend, of soms gevaar dreigde. Plotseling hield hij met heftigen ruk de teugels in. Daar vóór hem op den grond lag het monster, dat hij zocht, met zijne vreeselijke klauwen uitgestrekt op den woudbodem en zijne vurige oogen wijd opengesperd. Zonder zich te overtuigen, of de draak levend of dood was, sprong Agavin ijlings uit het zadel en rende de struiken in, waar hij sidderend over lijf en leden den verderen loop der gebeurtenissen afwachtte. Maar tegen zijne verwachting in, bleef alles rustig: geen monster baande zich een weg door het struikgewas, om hem te zoeken en de stilte van het woud bleef onverstoord. Met kloppend hart waagde Agavin zich opnieuw in de nabijheid van het gevreesde ondier en eerst toen hij zag, dat zijn paard ongedeerd was gebleven en kalm aan het grazen was, begreep hij, dat de draak werkelijk dood was. Voorzichtig boog hij zich over hem heen en beschouwde hem vol afschuw; daar ontdekte hij het half verkoolde lichaam van Tristan’s paard en diens schild, dat hij na afloop van den strijd ter zijde geworpen had. Een glans van boosaardig genoegen gleed over Agavin’s gelaat, toen zijn zoeken naar het lichaam van den dapperen vreemdeling tevergeefsch bleek te zijn. Het leed geen twijfel, of het monster had hem met huid en haar verslonden, zooals het zoo velen vóór hem had gedaan en de belooning voorzijne wakkere daad zou hij nooit deelachtig worden. Plotseling schoot hem iets te binnen. Waarom kon hij zich niet de verdienste toeëigenen den draak gedood te hebben en daardoor zijn hartewensch in vervulling zien gaan? Wie zou ooit kunnen bewijzen, dat niet hij, maar de onbekende, die zich zoo roekeloos in het gevaar begeven had, het stoute feit had volbracht? Nogmaals keek hij behoedzaam om zich heen, om zich te overtuigen, dat geen ander getuige was geweest van zijne ontdekking, maar nergens kon hij een spoor van menschelijk leven ontdekken; toen bezag hij vol vreugde het monster aan zijne voeten, dat hem de verwezenlijking zijner stoutste droomen brengen zou. Daarop overlegde hij snel, hoe hij zijn plan het best ten uitvoer kon brengen. Met een enkelen zwaardslag sloeg hij den draak den kop af; toen besteeg hij zijn paard en reed terug naar de stad, iedereen, dien hij op zijn weg ontmoette, toeroepend: “Gaat heen naar het bosch en ziet, wat daar is geschied! Met het zwaard, dat ik hier in de hand draag, heb ik het land bevrijd van het monster, dat de omgeving onveilig maakte. Voortaan kunnen de burgers van Dublin zich veilig buiten de stad begeven, want de draak, die hunne levens bedreigde, is dood, gevallen door mijne hand! Daarvoor wacht mij de schoonste belooning, die men zich denken kan: de hand van prinses Isolde!”

Als een loopend vuur verbreidde zich de mare, dat Agavin met de Roode Haren den draak had gedood en weldra drong het bericht ook door binnen de muren van het vorstelijk paleis. Toen Isolde vernam, wie het stoute stuk had volbracht, lachte zij eerst luide, en verklaarde, dat dit de beste grap was, die zij in langen tijd gehoord had! Toen men haar echter vertelde, dat er eenige burgers met eene kar uit de stad waren gereden om den kop van den draak te halen en dat Agavin een onderhoud met den koning had verzocht, betrok haar gezicht en toornig riep zij uit: “Wil men mij dan werkelijk wijs maken, dat een man als Agavin, die bekend staat als de grootste lafaard van het land, een dergelijk feit zou hebben bedreven? Nooit zal ik gelooven, dat hij inderdaadden draak overwonnen heeft, het is een valstrik, dien hij ons spant om mij tot zijne vrouw te maken. Dit zal hem echter nooit gelukken; liever dan zijne echtgenoote te worden, zou ik mij zelve van het leven berooven!”

Daarop begaf zij zich naar hare moeder, koningin Isolde en smeekte haar om mede te gaan naar de plaats des gevechts, ten einde te trachten de oplossing van het raadsel te vinden. De koningin stemde hierin toe en den volgenden morgen begaven de beiden zich in alle vroegte op weg, slechts vergezeld door Brangwaine, Isolde’s vertrouwde dienares. Toen zij bij de plaats van den strijd gekomen waren, vonden zij daar het lijk van Tristan’s paard en zijn schild, dat, hoewel deerlijk gehavend, toch nog sporen vertoonde van zijne vroegere pracht. Verheugd nam Isolde het op van den grond en riep uit: “Ziet gij nu wel, dat mijne vermoedens juist waren? Niemand anders dan de ridder, wien dit schild toebehoort, heeft het ondier gedood. Laat ons trachten, hem te vinden, hij kan niet ver van hier zijn.”

De drie vrouwen doorzochten nu ijverig den ganschen omtrek en na eenigen tijd ontdekte Isolde het lichaam van Tristan, half verborgen tusschen het struikgewas aan den oever van het beekje. Met een kreet van vreugde, die hare gezellinnen naar de plaats deed snellen, waar zij zich bevond, bukte zij zich over hem heen en nauwelijks had zij zijn gelaat gezien, of zij riep verwonderd uit: “Dit is niemand anders dan Tantris, de speelman, die mij eenige jaren geleden in het harpspelen onderwees. Hoe komt hij plotseling hier en dan in zoo’n toestand?” Behoedzaam tilden de vrouwen hem op en droegen hem naar den waterkant, daargekomen, maakten zij zijne wapenrusting en kleederen los en wieschen zijne wonden met het heldere bronwater. Spoedig werd hunne moeite beloond en sloeg Tristan de oogen op. Toen hij het schoone gelaat van Isolde over zich heen gebogen zag, scheen het hem toe als een droom, waaruit hij spoedig zou ontwaken. Maar neen, daar hoorde hij hare stem, die hem Tantris noemde en hem vroeg, hoe hij hier gekomen was en of inderdaad hij hetwas, die den draak gedood had. Opnieuw moest hij een leugen verzinnen, die zijne aanwezigheid in Ierland verklaarbaar zou maken en zoo sprak hij. “Ja, schoone prinses, ik ben het, de speelman Tantris, dien uwe moeder jaren geleden uit het doodsgevaar redde. Sinds ik u vaarwel zegde, heb ik verre reizen gedaan en vreemde landen bezocht. Overal roemde men mijne kunst, maar toch voelde ik, hoe men mij beschouwde als een dwaas, die de vreugden en smarten des levens bezingt zonder dat hij ze zelf doorleefd heeft, wiens liederen den trots om eene volbrachte krijgsmansdaad beschrijven, zonder dat hij dien ooit zijn lichaam heeft voelen doorgloeien en wiens roemrijkste wapenfeit bestaat in eene schermutseling met een landlooper of struikroover, die het hem op zijne tochten lastig maakt. Daarom besloot ik om mijzelven roem en naam te verwerven en toen ik dus hoorde van den draak, die de omgeving hier onveilig maakte, en vernam, welken hoogen prijs koning Gumurun op zijn hoofd had gesteld, was mijn besluit genomen en reisde ik hierheen om mijne kans te wagen. Hoe ik hierin slaagde, is u reeds bekend en ook, hoe ik zonder uwe hulp, wellicht den dood gevonden zou hebben. Ten tweeden male hebt ge mij het leven gered!”

Toen hij deze woorden gesproken had, viel Tristan uitgeput achterover en verloor opnieuw zijn bewustzijn. Koningin Isolde echter, zond ijlings Brangwaine terug naar Dublin om hulp te halen en nog vóór het dagelijksche leven in de stad begonnen was, had men Tristan in alle stilte het koninklijk paleis binnengedragen en hem in de vertrekken der koningin op eene zachte legerstede neergevlijd. Daar genoot hij eene uitmuntende verpleging onder de persoonlijke zorgen van de koningin en de jonge prinses, die zich beijverden, om hem van dienst te zijn. Door hare toewijding en de heilzame middelen, welke zij hem toedienden, herstelde hij spoedig van zijne wonden en werd weldra weer geheel de oude. Intusschen had Agavin bij den koning aanzoek gedaan om Isolde’s hand en daarbij den kop van den draak overgelegd als bewijsstuk, dat hij inderdaad het recht had, de schoone prinseste huwen. De koning gevoelde weinig lust om zijne dochter af te staan aan een man, die steeds het mikpunt was van aller hoon en spotternij; ook twijfelde hij in zijn hart aan de waarheid van Agavin’s woorden. Daar hij echter geen bewijzen tegen hem had, moest hij wel in zijn verzoek toestemmen, wilde hij zijn gegeven woord gestand doen. Hij besloot daarom een dag vast te stellen, waarop Agavin zijn aanzoek in alle plechtigheid en in tegenwoordigheid van het geheele hof zou herhalen. Had de koning vóór dien tijd niets naders omtrent de ware toedracht der zaak vernomen, dan moest men aannemen, dat Agavin werkelijk den draak had gedood en dan zou ook Isolde’s vader zijne belofte getrouw blijven en hem zijne dochter tot vrouw geven.

Toen Isolde hoorde, wat er geschieden zou, liep zij vol schrik naar Tristan om zijn raad in te winnen; deze echter glimlachte fijntjes en sprak: “Wees niet bezorgd, schoone prinses! Ik beloof u hierbij plechtig, dat een edeler man dan deze ijdele dwaas, uw echtgenoot zal worden. Vertrouw slechts op mij!”

Isolde zag hem peinzend aan. Vanwaar toch dat fiere zelfbewustzijn in dien eenvoudigen speelman? Zou men niet denken, dat hij van edele geboorte was, wanneer men hem hoorde spreken en zingen? Zijne beschaafde, zachte stem, zijn edele bouw en fiere gelaatsuitdrukking, alles scheen er op te wijzen, dat hij slechts voorgaf een eenvoudig muzikant te zijn. Wie weet, was hij niet een koningszoon, die, gedreven door een luim of gril, met zijne harp door het land trok uit zucht naar avontuur! De romantische verbeelding van het jonge meisje werd geprikkeld door de schoonheid en hoffelijkheid van den jongen vreemdeling en vaak onderzocht zij zijne wapenen en kleederen, of zij niet een kenteeken kon ontdekken, dat haar eenig licht omtrent zijne afkomst kon verschaffen.

Wanneer Tristan haar aldus bezig zag, kon hij een glimlach niet onderdrukken en deze versterkte Isolde in hare overtuiging, dat hij iets voor haar verborgen hield. Eens op een dag, dat zij bij Tristan’s legerstede was gezeten en hij haar opnieuw verteldhad, hoe hij den draak had gedood, nam zij spelend het zwaard op, dat naast zijn bed hing, trok het uit de scheede en liet de zonnestralen in het glinsterend staal weerkaatsen. Haar oog werd getroffen door den edelen vorm van het wapen en langzaam gleed haar blik langs het blinkend lemmer, tot hij rusten bleef op eene kerf onderaan bij het gevest. Hoe vreemd, dat een prachtig zwaard als dit zóó geschonden was, waar had zij dien vorm van keep toch meer gezien? Plotseling schoot haar iets te binnen en snel opspringend liep zij naar een hoek van het vertrek, waar zij in een fraai houten kistje den metaalsplinter bewaarde, welken men in Morholt’s schedel gevonden had. In een oogwenk had zij dien in het zwaard gevoegd en ziet, hij paste volkomen! Een oogenblik scheen het, of haar hart stilstond, toen begon het te bonzen en te kloppen van woede en schrik. Hare moeder en zij hadden dus Tristan, den moordenaar van haar dierbaren oom, met zoo veel zorg verpleegd. Tantris, de speelman, was Tristan—Tantris—Tristan! zoo flitste het door haar brein, klonk dat niet als een raadsel, een eenvoudig spelletje, waarmede men kinderen zoet houdt en waardoor zij beiden om den tuin waren geleid? Stikkend bijna van woede en schaamte liep zij met het zwaard in de opgeheven hand op Tristan toe, terwijl zij uitriep: “Laffe moordenaar, die ons door listig woordenspel wildet misleiden! Thans weet ik, wie gij zijt en dit zweer ik u, gij zult uwe gerechte straf niet ontgaan! Hetzelfde zwaard, waarmede gij Morholt den doodslag toebracht, zal ook uw dood zijn!” Dreigend zwaaide zij het wapen boven zijn hoofd. Tristan echter zag haar onverschrokken in de oogen en antwoordde kalm: “Sla toe, schoone Isolde, maar bedenk, dat hij, dien gij doodt, uw gast is, die zich vol vertrouwen in uw huis gewaagd heeft en dat hij geene andere zonde bedreven heeft, dan dat hij in een eerlijken strijd, waartoe hij bovendien door Morholt was uitgedaagd, zijn tegenstander heeft verslagen! Wilt gij nochtans uw wraakzuchtig voornemen ten uitvoer brengen, zoo ben ik bereid te sterven. Mocht ge ooit wroeging over deze daad gevoelen, zoo zult gij in de armen vanAgavin al ras het onrecht vergeten, dat gij uw gast hebt aangedaan!” Deze laatste woorden misten hun doel niet! Weenend sloeg de jonge prinses de handen voor het gelaat en verliet haastig het vertrek.

Isolde ontdekt de kerf in het zwaard van Tristan.Isolde ontdekt de kerf in het zwaard van Tristan.

Isolde ontdekt de kerf in het zwaard van Tristan.

Tristan echter begaf zich naar koning Gumurun en bekende hem openlijk zijn naam en afkomst. Daarbij deelde hij den vorst het doel zijner komst mede en verzocht hem eerbiedig om de hand zijner dochter voor zijn oom, koning Mark van Cornwallis. In levendige termen schilderde hij hem af, welke voordeelige gevolgen deze verbintenis voor het gansche rijk zou medebrengen en welke hulde en eerbetoon prinses Isolde in het rijk van haren toekomstigen gemaal te wachten stonden. Zijne woorden hadden de gewenschte uitwerking; weldra stemde Gumurun toe in het vereerend aanzoek, dat vrede en vriendschap zou brengen tusschen Ierland en Cornwallis. In aller ijl begaf Tristan zich nu aan boord van zijn schip, waar men zich reeds hevig ongerust begon te maken over zijne afwezigheid en gebood den baronnen zich in hunne fraaiste kleederen aan land te begeven en de koffers met bruidsgeschenken, welke voor Isolde bestemd waren, met zich mede te brengen.

Inmiddels was de dag aangebroken, waarop Agavin met de Roode Haren in tegenwoordigheid der gansche hofhouding zijne aanspraken op de hand van prinses Isolde zou bewijzen en haar openlijk als zijne bruid zou opeischen.

De groote troonzaal van het paleis was gevuld met eene dichte menigte, die in druk gepraat de kansen van den drost besprak. Plotseling viel eene diepe stilte onder de verzamelden en aller oogen richtten zich naar de deur, door welke de honderd ridders en de twintig edelen uit Cornwallis in plechtigen optocht de zaal binnentraden.

Vol bewondering staarden de aanwezigen naar de schitterende uitrusting en de fiere houding der vreemdelingen en verbaasd vroeg men elkander af, vanwaar deze ridders gekomen waren. Tristan’s volgelingen namen zwijgend plaats ter rechterzijde vanden troon. Weldra verschenen ook koning Gumurun met zijne gemalin en de jonge prinses, die bleek en angstig om zich heen zag. Nadat de herauten tot stilte hadden gemaand, stond Agavin met de Roode Haren, die ter linkerzijde van den troon was gezeten, op van zijn zetel en begon in snoevende bewoordingen verslag uit te brengen van de wijze, waarop hij den draak had omgebracht. Met druk stemgeluid en heftig handgebaar poogde hij zijne hoorders van de waarheid zijner woorden te overtuigen en toen hij ophield met spreken en als laatste bewijsstuk den kop van den draak aan de voeten des konings neerlegde, zag hij triomfantelijk rond als om de aanwezigen te tarten, het verhaalde te logenstraffen.

In de diepe stilte, die op zijne woorden volgde, viel met donderend geluid Tristan’s stem, die uitriep: “Sire, ik beschuldig dezen man voor God en u allen van leugen en bedrog! Niet hij heeft den draak gedood, maar ik! Niet hij heeft daarom recht op de hand der prinses, maar ik! Wanneer gij zulks eischt, wil ik mijne bewering met kracht van wapenen staven!”

De drost was onwillekeurig achteruitgedeinsd bij het vernemen dezer beschuldiging, en toen Tristan zweeg en hem verwachtend aanzag, poogde hij tevergeefs eenig zelfvertrouwen uit zijne stem te doen klinken, toen hij antwoordde: “Wat behoeft men door wapenen te bewijzen, wat door de feiten reeds zonneklaar is aangetoond? Heb ik niet den kop van den draak meegebracht als getuigenis voor wat ik deed en blijkt hieruit niet reeds voldoende, dat ik inderdaad het monster gedood heb?”

Maar Tristan lachte spottend en sprak luide:

“Den kop hebt ge het doode monster afgeslagen en dien hierheengebracht, maar zeg mij, waarde drost, waar hebt gij de tong gelaten? Vergis ik mij niet, dan hebt gij die in de haast vergeten!” Fluks snelden de dienaren van den vorst toe en braken den bek van het ondier open en inderdaad, de tong was afgesneden! Tristan haalde haar zegevierend uit zijn zak te voorschijn en riep: “Ziehier, edele heeren! Is het u nu voldoende gebleken, hoe deze leugenaar u trachtte te misleiden? Zoo niet, dan zal ik hem opandere wijze dwingen zijne valschheid te bekennen!” Met deze woorden greep hij naar zijn zwaard en snelde op Agavin toe, deze echter week verschrikt terug en onder het daverend hoongelach van alle aanwezigen verliet hij ijlings door eene zijdeur het vertrek.

Van alle kanten verdrong men zich nu om Tristan, om hem met zijne heldendaad geluk te wenschen en met luider stem verzochten de ridders hem om zich aan hen bekend te maken.

Tristan trad eenige schreden terug, om zich ruimte te verschaffen, hief het hoofd fier omhoog en sprak, zóó luid dat allen het hooren konden: “Mijn naam is Tristan van Ermonie!”

Een oogenblik was het doodstil in de groote zaal, toen scheen het of er eene trilling door de menigte ging en een verward geroep van stemmen brak los. “Weg met den moordenaar! Slaat hem dood! Gedenk Morholt!” Zoo klonk het van alle kanten en dreigend drongen de Ieren op Tristan toe. De ridders en baronnen uit diens gevolg schaarden zich beschermend om hem heen, maar Tristan zelf verloor geen oogenblik zijne kalmte. Rustig trad hij voor den koning en herhaalde zijne woorden.

Toen zagen de Iersche ridders tot hunne groote verbazing, hoe koning Gumurun zich vooroverboog en Tristan den vredeskus gaf. Het roepen bedaarde om plaats te maken voor een toornig gemompel, maar koning Gumurun verhief zich van zijn zetel en riep uit: “Van nu af aan zij er vrede tusschen de rijken van Cornwallis en Ierland. De oude veeten en grieven worden begraven en tot teeken der algeheele verzoening vertrouw ik mijne eenige dochter toe aan dezen ridder, opdat hij haar met zich voere naar zijn land, waar zij de bruid zal worden van zijn heer en meester, koning Mark.”

Deze oplossing scheen allen te bevallen, luide toejuichingen barstten los en onder de jubelkreten der aanwezigen legde koning Gumurun de hand van prinses Isolde in die van Tristan als plechtig teeken harer verloving met koning Mark.

Middeleeuws zeilschip.

Hoe Tristan en Isolde aan boord van het vaartuig, dat hen naar Cornwallis zou brengen, den liefdesdrank dronken.Toen nu de dag naderde, waarop Isolde zich aan boord van het schip zou begeven, dat haar naar Cornwallis moest brengen, begaf de koningin, hare moeder, zich naar buiten op de heuvelen rondom de stad en verzamelde daar kruiden tot het bereiden van een liefdesdrank. In haar hart twijfelde zij eraan, of de bejaarde koning er in zou slagen de liefde zijner jonge bruid voor zich te winnen en daarom nam zij al hare kunde en wijsheid in het zoeken van kruiden te baat om de harten dier beiden tot elkander te brengen. Onder het prevelen van tooverspreuken en innige gebeden voor het welzijn en het geluk harer dochter, kookte zij die kruiden tot een drank, welke de kracht bezat, om de harten van hen, die hem dronken, in liefdegloed te doen ontvlammen en door onverbreekbare banden levenslang aan elkaar te snoeren. Toen de drank gereed was, goot zij het kostbare vocht in eene aarden kruik en beval Brangwaine, die hare jonge meesteres naar haar nieuwe vaderland zou vergezellen, den inhoud daarvan over twee bekers te verdeelen en die Isolde en haar echtgenoot op hunnen huwelijksavond ten dronk te reiken. Zij droeg Brangwaine op, de uiterste voorzichtigheid er mede te betrachten, opdat de drank niet in verkeerde handen zou geraken en wees haar op de noodlottige gevolgen, die ontstaan konden, wanneer dit onverhoopt gebeurde.

Het afscheid was genomen en het vaartuig met prinses Isolde aan boord stevende langzaam de haven uit, de open zee tegemoet. Vroolijk klonk het gezang der zeelieden en in opgewekte stemming zaten de ridders van koning Mark bijeen. Het doel hunner reis was bereikt! Wat geen hunner had durven droomen was geschied: de schoone prinses met de blonde haren zou de gemalin van koning Mark worden en daarmede was niet alleen de toekomstvan hun rijk verzekerd, maar waren tegelijk ook de aanspraken van Tristan op den troon nietig verklaard. Deze laatste stond zwijgend tegen den mast geleund en tuurde in het blauwe verschiet. In zijne gedachten doorleefde hij opnieuw het afscheidstooneel tusschen Isolde en hare ouders en vrienden. Hij zag, hoe de jonge prinses zich onder bittere tranen vastklemde aan hare moeder en haar smeekte, om in Ierland te mogen blijven, bij allen, die ze liefhad, in plaats van te moeten gaan naar het vreemde land, waar zij niemand kende en waar zij de vrouw zou moeten worden van dien vreemden koning, dien zij nooit te voren gezien had. Maar hare smeekbeden waren vergeefsch geweest. Met zachten drang had de koningin zich los gemaakt uit hare armen en had tot haar gesproken van de hooge plichten, welke haar in haar nieuwe vaderland wachtten. Zij had hare dochter erop gewezen, hoe zij daar het leven van haren toekomstigen gemaal met haar zonnigen lach zou weten op te vroolijken, hoe zij gehuldigd zou worden als vorstin over een machtig en groot land en hoe door haar toedoen een hechte band zou ontstaan tusschen Ierland en Cornwallis, die beide rijken ten goede zou komen.

Nog zag Tristan in zijne verbeelding, hoe de jonge prinses op het oogenblik, dat de ankers gelicht werden en de boot zich langzaam van de kade verwijderde, zich over de verschansing had heengebogen en met uitgestrekte armen om hare moeder had geroepen, hoe zij eindelijk, half bezwijmd in de armen harer trouwe dienares was gevallen en hoe deze haar weggedragen had naar de rijkversierde tent, die te haren behoeve op het dek van het vaartuig was opgeslagen. Sindsdien had Tristan haar niet meer gezien, maar het hartroerend afscheid had de vreugde over het welslagen van zijn tocht vergald en steeds weer vroeg hij zich af, of hij geen onrecht beging door dit jonge meisje in de armen van koning Mark te voeren.

De eerste uren na het vertrek was de reis voorspoedig, maar allengs ging de wind liggen en moesten de zeelieden de riemen ter hand nemen, wilde men het schip in beweging houden. Dehitte was drukkend; fel brandden de zonnestralen op het dek en boven Isolde’s tent hing de koninklijke standaard slap terneer. Op het middaguur werd de warmte zóó ondragelijk, dat er bevel werd gegeven, het roeien te staken en de uitgeputte zeelieden strekten zich op het dek uit, om te rusten. Onbeweeglijk lag het schip op de blauwe zee; de edellieden en ridders waren meerendeels ingeslapen, alleen Tristan waakte. De gordijnen voor Isolde’s tent waren teruggeslagen en door de opening was de gestalte der jonge prinses zichtbaar, uitgestrekt op eene lage rustbank.

Tristan naderde de tent en boog zich eerbiedig voor haar neder. Belangstellend vroeg hij, hoe zij het maakte en trachtte met haar in gesprek te raken; na eenige moeite gelukte hem dit en wist hij haar zelfs zoover te krijgen, dat zij hem eenige vragen stelde over het leven en de gebruiken in haar nieuwe vaderland. Zoo spraken zij eenigen tijd met elkander, tot Isolde, dorstig geworden door de hitte, hem vroeg, haar een teug wijn te brengen. Tristan begaf zich naar de plek, waar de wijn bewaard werd, maar ziet, deze was tot den laatsten droppel door de dorstige zeelieden opgedronken. Wat nu te doen? Hij kon de prinses toch geen beker water aanbieden? Aarzelend zag hij om zich heen, daar ontdekte zijn oog in een hoek eene kleine aarden kruik hij nam haar op, goot den inhoud in een zilveren drinkbeker en tot zijne verbazing was het wijn, diep donkerroode wijn, waaruit een zoete geur omhoogsteeg.

Tristan en Isolde drinken den liefdesdrank.Tristan en Isolde drinken den liefdesdrank.

Tristan en Isolde drinken den liefdesdrank.

Vol vreugde bood hij den beker aan Isolde, deze nam hem gretig aan, zette hem aan den mond en dronk eruit met lange teugen, daarop bood zij hem op hoffelijke wijze aan Tristan en beduidde hem, den beker te ledigen. Deze voldeed aan haar verlangen, maar nauwelijks was het vocht hem door de keel gevloeid of eene vreemde, zoete bedwelming scheen over hem te komen. Langzaam dronk hij verder en terwijl hij dit deed scheen het of zijne oogen met onweerstaanbare kracht naar Isolde werden getrokken. Of—was dit inderdaad Isolde? dit jongemeisje met de vochtig glanzende oogen, die hem aanzagen, zóó vreemd—zóó innig, als nog nooit eene vrouw hem aangezien had? Haar mond was half geopend, haar adem kwam snel en hijgend. Waarom zag ze hem zoo aan, waarom strekte zij hare handen uit, als om steun te zoeken? Zou zij, evenals hij, dien onweerstaanbaren drang in zich gevoelen, die hem naar haar toe dreef, die hem woorden en klanken deed stamelen van liefde en innigheid, die hem deed hunkeren om haar in zijne armen te nemen en haar te kussen: hare oogen, hare blonde haren en hare roode lippen? Een oogenblik zagen de beiden elkander aan: toen klonk het zacht “Isolde!” en daarna “Tristan!” en Tristan hield de bruid van koning Mark in zijne armen.

Een luide kreet wekte hen uit hun zoeten droom. Met opgeheven handen stond Brangwaine voor hen: “Meesteresse, wat hebt gij gedaan!” riep zij in vertwijfeling; “gij hebt van den tooverdrank gedronken, die u en uwen gemaal door eeuwige liefde te zamen moest binden en ziet, wat nu geschied is!” Van nu af aan klopt uw hart slechts voor dezen vreemdeling en nooit zal koning Mark erin slagen, uwe liefde te winnen! Mijne arme meesteres, het is de dood, dien gij beiden uit dezen beker gedronken hebt!

Tristan en Isolde zagen elkander aan, toen sprak de eerste plechtig: “Indien het waar is, wat ge zegt, zoo zou ik liever duizend dooden sterven, dan voort te leven zonder den troost dezer liefde!” en opnieuw drukte hij Isolde aan zijn hart.

Jammerend en de handen wringend van wroeging en smart verliet Brangwaine de tent. Tevergeefs zon zij op middelen, om de dreigende ramp te voorkomen, de liefdesdrank had zijne uitwerking niet gemist.

Toen de avond viel en de schemering daalde over het breede watervlak, toen alle geluid aan boord verstomd was en slechts het kabbelen der golfjes tegen de kiel van het schip de stilte verbrak, waren de gordijnen van Isolde’s tent gesloten. De standaard van koning Mark hing slap en mistroostig omlaag en voor de tent hurkte eene eenzame gedaante: Brangwaine, die met angst enwanhoop in het hart waakte over het eerste samenzijn der twee gelieven.

Na eene voorspoedige reis naderde het schip de rotsen van Cornwallis. Groote vreugde heerschte onder de baronnen, die van den koning eene vorstelijke belooning verwachtten voor het welslagen hunner onderneming en de gevaren, waaraan zij zich om zijnentwille hadden blootgesteld. Onder opgewekten kout bracht men den tijd door, die nog verloopen moest, eer men voet aan wal kon zetten, lach en scherts weerklonken aan alle kanten.

In hare tent zat Isolde en liet zich door hare dienaressen tooien en sieren voor de eerste ontmoeting met haren bruidegom. Zij kleedden haar in een ruim, loshangend gewaad van glinsterende zijde, zij vlochten haar paarlen en robijnen door het blonde haar en voortdurend spraken zij haar van den luister en pracht van Mark’s hofhouding en de schitterende feesten, waarmede hij zijn huwelijk dacht te vieren. Nooit nog waren er zulke toebereidselen gemaakt als voor deze gelegenheid, nooit nog waren er zulke festijnen aan het hof gehouden als die, waarmede koning Mark zijne jonge bruid zou huldigen.

Maar zij, die de hoofdpersoon moest wezen op deze feesten, zag er bleek en bedrukt uit; op de opgewonden verhalen harer vrouwen antwoordde zij met een matten glimlach en eerst toen Tristan liet vragen of zij gereed was, daar men de kust naderde, scheen zij uit hare verdooving te ontwaken. Met een gebiedend gebaar zond zij hare dienaressen heen, met uitzondering van Brangwaine, die zij verzocht te blijven. Toen zij beiden alleen waren, stond zij haastig op, greep hare trouwe vriendin bij den arm en fluisterde haar toe: “Brangwaine, ik moet u om een dienst verzoeken, die moeilijker en zwaarder te volbrengen is, dan eenige dienst, dien ge mij ooit bewezen hebt. Nochtans moet ik er u om vragen. Zult ge mij dien dienst weigeren?” “Vrouwe”, antwoordde Brangwaine, “indien het in mijn vermogen is, u te helpen, dan zal ik het doen, meer kan ik niet beloven!” “Nu,luister dan”, sprak Isolde; “gij en gij alleen weet, wat er is geschied, gij weet dat mijn lichaam en ziel Tristan toebehooren en dat de gedachte aan een anderen echtgenoot mij doet rillen van vrees en afkeer. Niettemin zal koning Mark mij tot zijne vrouw maken. Om die afschuwelijke gebeurtenis te verhinderen moet gij mij helpen. Wanneer de gasten den koning en mij naar het bruidsvertrek hebben geleid en de lichten gedoofd zijn, moet gij mijne plaats aan de zijde des konings innemen, in het duister zal hij uw gelaat niet herkennen en eer de dag aanbreekt, zal ik u aflossen. Spreek, wilt gij dit voor mij doen?”

Langen tijd hield Brangwaine het hoofd gebogen; zij voerde een vreeselijken strijd in haar binnenste, maar eindelijk hief zij het gelaat omhoog, haar oogen stonden vol tranen en een trek van pijn groefde zich om haar mond, toch klonk hare stem vast en kalm, toen zij zeide: “Ik zal doen, wat gij mij vraagt.” Daarop vlood zij heen uit vrees, zich niet langer te kunnen beheerschen.

Aan den steiger, die met groen en bloemen was versierd, wachtte een uitgelezen gezelschap de aankomst der boot af. Vooraan stond koning Mark, den gouden kroon op het hoofd en tuurde in onrustige spanning naar het schip. Toen Isolde den voet aan land zette ging er een gemompel van bewondering door de verzamelde menigte, want de jonge prinses was schoon als de morgenstond. De zon verlichtte haar gouden haren en speelde om hare lieflijke gestalte en toen zij op den koning toetrad was het, of er iets van het warme licht, dat haar omstraalde, in zijn eenzaam hart drong.

Tristan zelf voerde Isolde aan zijne hand en bracht haar naar zijn oom; toen zij voor den koning genaderd waren, sprak hij met luider stem: “Sire, ingevolge uwe bevelen breng ik u prinses Isolde van Ierland, die gij als uwe bruid hebt uitverkoren.” Daarna liet hij de hand der prinses los, boog en verdween onder de menigte.

Met grooten luister en praal werd het bruiloftsfeest gevierd en alle gasten waren het er over eens, dat men nooit schooner enbevalliger bruid gezien had dan Isolde met de Gouden Haren. Wel vond men haar wat bleek en stil, maar men schreef dit toe aan de vermoeienissen der reis en den indruk, dien haar nieuwe staat en de vreemde omgeving op haar maakten.

Toen de nacht zijne donkere sluiers over de aarde spreidde, werden de lichten in het paleis gedoofd en geleidde men, volgens aloud gebruik, de jonggehuwden naar het rijk versierde slaapvertrek. Spoedig daarna had de verwisseling plaats. In het korte oogenblik, dat Mark zijne jonge vrouw alleen liet, sloop deze heen, om plaats te maken voor Brangwaine en zij, die bevend in zijne armen lag, was niet Isolde met de Gouden Haren, maar hare trouwe dienares.

Vreugde en zonneschijn hadden aan het hof van koning Mark hunne intrede gedaan met de komst van diens jonge gemalin. Een nieuw, jong leven vulde de groote zalen van het paleis met blij geluid; zang en snarenspel weerklonken in den stillen slottuin.

Koning Mark was innig gelukkig met zijne schoone vrouw; zijne oogen straalden blij, zijn gang was veerkrachtig en fier en telkens weer zegende hij de ingeving, die hem had doen toestemmen in den eisch der baronnen, om zich eene bruid te zoeken. Ook Isolde was gelukkig; haar echtgenoot liet haar uit kiesche bescheidenheid volle vrijheid en zoo wist zij elken dag eenige oogenblikken te vinden om met haren geliefde samen te zijn. Die oogenblikken waren haar eigenlijk leven; den overigen tijd leefde zij als in een droom, doorproevend de zaligheid van het doorleefde en reikhalzend uitziend naar eene volgende samenkomst. De menschen om haar heen hoorde en zag zij slechts vaag, zóó zeer waren hare gedachten vervuld van wat zij daar binnen in haar hart voor schoons en heerlijks verborgen hield, maar zij had voor elk een vriendelijk woord en een droomerige, lieve glimlach speelde steeds om haar mond.

En Tristan?—voor hem, den man, die zich niet geheel kon overgeven aan de bedwelmende bekoring van den hartstocht, washet leven eene foltering. Gedreven door een gevoel van schuld tegenover zijn koning, die hem steeds met liefde had omringd, streed hij in zijn binnenste een voortdurenden strijd tegen de alles overheerschende macht der liefde. Slechts in de uren van samenzijn met Isolde kon hij voor een oogenblik de kwellingen van schaamte en wroeging vergeten, die hem het bestaan ondragelijk maakten.

Zoo ging het leven aan het hof eenigen tijd voort en allengs werden de beide gelieven stoutmoediger in het beramen hunner plannen. Niet slechts in de bosschen en tuinen om het paleis, maar ook in het slot zelf kwamen zij samen en overmoedig geworden door het welslagen van hun pogen, begonnen zij langzamerhand de noodige voorzichtigheid uit het oog te verliezen. Het spreekt dus van zelf, dat hunne verhouding niet langer een geheim kon blijven voor hunne omgeving. Hier en daar geraakten de booze lastertongen in beweging en naijverige hovelingen bespiedden hunne gangen en zonnen op verraad. Tot dezen behoorde Meriadoc, een der ridders van koning Mark.

Sinds langen tijd was hij jaloersch op Tristan, wien hij diens hooge plaats aan het hof misgunde en nu hij vermoedde, dat er eene schuldige verhouding tusschen hem en de koningin bestond, was al zijn denken en doen er op gericht, om bewijzen te verkrijgen, waarmede hij den nietsvermoedenden koning zou kunnen overtuigen. Het duurde niet lang, of hij verkreeg de zoo zeer gewenschte zekerheid. Om Tristan’s handelingen nauwkeuriger te kunnen bespieden had hij, onder voorwendsel van groote vriendschap voor hem te gevoelen, hem verzocht om zijn slaapvertrek met hem te mogen deelen en zoo sliepen de beide ridders thans te zamen in een der zijgebouwen van het paleis. Eens op een nacht ontwaakte Meriadoc door een kouden tocht, die hem langs het gelaat streek en vond tot zijne verbazing de buitendeur van het vertrek openstaan. Onmiddellijk tastte hij naar het bed van Tristan en wat hij vermoedde, bleek juist te zijn: het was onbeslapen. Haastig schoot Meriadoc eenige kleedingstukken aan en begaf zich naar buiten. Het was October en dien nacht was de eerstesneeuw gevallen. Bij het schijnsel der maan bespeurde hij een spoor van versche voetstappen, dat in de richting van het slot leidde. Voorzichtig voegde Meriadoc zijne schreden naar die van zijn voorganger en ziet, bij de omheining gekomen, welke de vertrekken des konings omringde, bemerkte hij, hoe iemand zich door het wegnemen van eene plank toegang had verschaft tot het afgesloten gedeelte. Door de opening heen zag hij, dat de voetsporen rechtstreeks voerden tot de vensters der koninklijke vertrekken. Nu was geen twijfel meer mogelijk; met eene boosaardige grijns op het gelaat zocht Meriadoc zijne legerstede weer op en besloot den volgenden morgen den koning over het gebeurde in te lichten.

Door listige toespelingen en sluwe aanduidingen wist hij den argwaan van koning Mark op te wekken en deelde hem ten slotte zijne vreeselijke vermoedens omtrent de koningin en Tristan mede.

In hevige verontwaardiging wees de vorst de aantijging van de hand en het scheelde niet veel, of hij had den valschen lasteraar in zijne blinde woede terneergeveld. Maar deze gaf den strijd niet op. In geveinsden ootmoed boog hij zich voor zijn vorst en smeekte hem om vergiffenis; hij zwoer hem, slechts de eer van zijn meester voor oogen te hebben bij het indienen zijner aanklacht en wendde voor alleen gedreven te worden door heilige verontwaardiging over het schandelijk bedrog en de grievende beleediging, zijn heer aangedaan. Zijne woorden bleven niet zonder uitwerking op het gemoed van den koning en al wierp hij elke verdenking van zijne jonge vrouw verre van zich af, toch begon hij haar onwillekeurig nauwer gade te slaan in haar doen en laten. Wanneer zij met hare vrouwen bij het haardvuur zat te spinnen en zij Tristan riep, om haar een lied voor te zingen, zwierven de blikken van den vorst onrustig heen en weer tusschen de beide jonge menschen, die zoo vroolijk met elkander praatten en schertsten. Onwilllekeurig trachtte hij in hunne woorden en gebaren eene geheime beteekenis te zoeken en luisterde hijscherper toe, wanneer zij hunne stemmen tot een zacht gefluister lieten dalen. Wanneer hij hen dan bijeen zag, beiden zoo jong en schoon en zijn blik viel toevallig op een der lange wandspiegels, waarin hij zijn eigen beeld weerkaatst zag, gleed er soms een bittere glimlach over ’s konings gelaat en eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat het geen wonder zou zijn, indien Isolde het gezelschap van een jong en schoon ridder als Tristan verkoos boven het zijne.

Zoo werd het gemoed van koning Mark gepijnigd door vrees en twijfel en weldra kende hij nog slechts één wensch: zekerheid te hebben, ook al ontnam die hem zijne laatste hoop op geluk. Om die zekerheid te verkrijgen verzon hij eene list. Eens op een avond zeide hij tot Isolde: “Liefste, sedert langen tijd rust op mij de verplichting om een pelgrimstocht te ondernemen naar verre streken. Ik wil dien tocht niet langer uitstellen, maar er is één ding, dat mij ervan terughoudt: in wiens zorg zal ik u hier achterlaten? Spreek, aan welken van mijne ridders zou ik u het best kunnen toevertrouwen?” Een glans van vreugde kwam in Isolde’s oogen en zij antwoordde zonder aarzelen: “Aan wien beter dan aan Tristan, Heer? Onder zijne hoede zal mij geen kwaad geschieden!” De koning wendde zich zwijgend af, het was hem of eene ijskoude hand zich op zijn hart legde en er alle warmte uit verdreef, nu had hij immers zekerheid aangaande de gevoelens zijner vrouw? Deze echter snelde naar Brangwaine en deelde haar vol blijdschap mede, dat de koning voor langeren tijd op reis dacht te gaan en haar verzocht had, een beschermer te kiezen, die zijne plaats gedurende zijne afwezigheid zou innemen. “Wien hebt gij gekozen?” vroeg Brangwaine en hare meesteres antwoordde lachend” Wien anders dan Tristan!” Maar Brangwaine schudde het hoofd en wees haar op het onvoorzichtige harer woorden, die den koning, zoo hij wellicht eenigen argwaan koesterde, op het spoor harer gevoelens zouden kunnen brengen. Op haar aanraden zeide Isolde den volgenden morgen tot haren gemaal: “Heer, den ganschen nacht hebben mij uwe woorden van gisterenavondin de ooren geklonken en ik begin te gelooven, dat het u ernst was, met hetgeen ge zeidet. Aanvankelijk meende ik, dat ge slechts schertsen wildet en daarom heb ik u ook in scherts geantwoord.” Een straal van hoop verlichtte het gelaat van koning Mark. “Wat wilt ge dan?” vroeg hij. “Hebt ge niet Tristan, mijn neef, uitgekozen, om hier te blijven en u te behoeden tegen mogelijk gevaar?” “Zwijg over dien man!” riep Isolde met fonkelende oogen, “meent ge werkelijk, dat ik hem, den moordenaar van mijn oom, tot mijn beschermer zou kiezen? Ik weet, weliswaar, dat hij mij met smeekende oogen en vleiende woorden achtervolgt, maar dat is slechts uit angst voor mijne wraak. Neen, indien hij niet uw neef was, zou ik niet rusten, vóór hij zijne gerechte straf had ondergaan.”

Het hart van koning Mark was gerust; zou eene vrouw zóó spreken over hem, dien zij liefhad? Hij schold Meriadoc uit voor verrader en dreigde hem met de vreeselijkste straffen, indien hij zijne beschuldiging durfde herhalen.

Deze liet wijselijk eenigen tijd voorbijgaan, alvorens hij opnieuw met zijne verdachtmakingen bij den koning aankwam en ditmaal ging hij nog omzichtiger te werk, zoodat hij den vorst als ’t ware zelf op het denkbeeld deed komen, om zijne gemalin nogmaals op de proef te stellen.

“Vrouwe”, zoo sprak hij tot Isolde, “eenigen tijd geleden hebt ge mij gezegd, welk een haat gij mijn neef Tristan toedraagt. Nu ben ik tot het besluit gekomen, dat ik hem liever naar zijn land wil terugzenden, dan dat zijn aanblik u hier eene dagelijksche kwelling is. Daarom wil ik hem vóór mijn vertrek van hier sturen, zoodat hij u gedurende mijne afwezigheid geen overlast kan aandoen”. Isolde ontstelde hevig, toen zij deze woorden hoorde en riep terstond: “Neen, edele Heer! dat moogt gij niet doen. Tristan is uw zusters zoon en heeft nooit eenig kwaad jegens u misdreven, integendeel, hij heeft u altijd trouw en eerlijk gediend. Wat deert het u, of ik hem niet lijden mag? Om mijnentwil moogt gij geene onrechtvaardige daad begaan en bovendien zal ik mij wellicht inden loop der jaren met hem verzoenen, daar ik wel inzie, dat hij een dapper ridder is!”

Opnieuw zaaiden hare woorden wantrouwen in het hart des konings en treurig verliet hij het vertrek. Toen Isolde Brangwaine deelgenoote maakte van wat haar bedreigde, wees deze laatste haar ten tweede male op het gevaar van zich aldus bloot te geven en haren raad volgend, sprak Isolde dienzelfden avond tot haren gemaal: “Heer, indien gij werkelijk meent, dat gij, zonder Tristan onrecht aan te doen, hem naar zijn land kunt doen terugkeeren, zoo zou mij niets aangenamer zijn. Zoolang gij hier blijft, is het mij mogelijk zijne tegenwoordigheid te dulden, maar wanneer gij vertrekt, zal de ergernis van hem dagelijks te moeten zien, mij het leven ondragelijk maken. Het beste zou zijn, wanneer gij hier zoudt kunnen blijven of mij met u medenemen.”

Ook ditmaal wist zij de stem van twijfel in het hart van haren echtgenoot tot zwijgen te brengen; vol verrukking klemde koning Mark haar aan zijne borst en zwoer, haar nimmer te zullen verlaten.

Zoo waren dus rust en kalmte wedergekeerd in ’s konings gemoed, maar de verraders rustten niet en waren er steeds op bedacht, om nieuwe bewijzen van de schuld der koningin te ontdekken. Ter bereiking van dit doel had Meriadoc een dwerg, Melot genaamd, in zijn dienst genomen, die bekend stond om zijne groote geslepenheid. Hij had hem opgedragen, scherp toe te zien op de gangen van de koningin en Tristan. Weldra was ook Melot zeker van hun beider schuld, al was het hem tot nu toe onmogelijk gebleken, hen op heeterdaad te betrappen. In zijne verdenking versterkt door Melot’s aanwijzingen begaf Meriadoc zich met eenigen zijner vrienden naar den vorst en eischte op hoogen toon, dat de koning, ter wille van zijn goeden naam en dien van het gansche rijk, Tristan van het hof zou verbannen. Aanvankelijk weigerde Mark om aan hun verzoek te voldoen, maar ten slotte moest hij wel toegeven. Hij begaf zich dus naar Tristan en zeide tot hem: “Booze tongen spreken kwaad van uwe verhouding tot de koningin. Al geloof ik zelf, dat het slechts vuigelaster is, wat zij zeggen, toch moet men ook den schijn van het kwade vermijden. Daarom verzoek ik u niet langer de vorstin in hare vertrekken te bezoeken en u voor eenigen tijd van het hof te verwijderen.”

Tristan boog het hoofd en ging heen, maar toen hij de ophaalbrug over reed om het kasteel te verlaten, scheen eene plotselinge loomheid in armen en beenen hem het voortgaan te beletten. Hij kwam niet verder dan het marktplein der stad Tintagel, daar huurde hij een woonvertrek en bracht zijn tijd door in droef gepeins over het lot der geliefde.


Back to IndexNext