Hammerstein

***

***

De zon van nieuw geluk bestraalde weer paltsgraaf Siegfried en zijn engelachtige vrouw. Met dubbele teederheid schonk de paltsgraaf zijn liefde aan de trouwe gemalin en zijn bloeiend knaapje. In het bosch, waar de hinde hem het spoor naar het hol gewezen had, liet hij, uit dankbaarheid aan God, een kerk bouwen. Dikwijls ging de vrome paltsgravin in dit godshuis bidden en prees Gods goedheid, die haar tranen in vreugde had doen veranderen.

Op een dag werd haar omhulsel onder groote droefheid weggedragen en in deze kerk bijgezet. Nog heden staat de oude Vrouwenkerk te Laach in de "Mayenfelder Au", nog heden laat men den bezoeker het grafteeken, den toren, waarin zij smachtte, het rotshol, waarin zij leed, zien, en er is niemand in het Rijnland, die de deugdzame gemalin van paltsgraaf Siegfried, de heilige Genoveva niet kent.

Boven Rheinbrohl staan op den somberen Grauwackenfels de duizendjaar oude, vervallen ruïnes van de rijksvesting Hammerstein. Een der eerste bezitters wasWolf van Hammerstein,een trouw onderdaan van keizer Hendrik den Vierde, wiens kroon door eigen schuld en die van anderen met doornen omwonden was. Op den onvergetelijken boetetocht naar Canossa heeft graaf Hammerstein hem vergezeld, doch door de gebreken van den naderenden ouderdom heeft hij daarna zijn burcht niet gaarne meer verlaten. Slechts uit de verte drong het trompetgeschal der wereld tot hem door.

Zes dochters waren uit het huwelijk van den heer Wolf van Hammerstein met zijn sedert jaren ontslapen echtgenoote geboren, liefelijke jonkvrouwen, die voor den bejaarden vader groote vereering koesterden. Hun kinderliefde viel echter bij den ruwen krijgsman in verkeerde aarde. Dat hem geen zoon beschoren was,kwelde hem zeer. Gaarne had hij voor een stamhouder het halve dozijn meisjes gegeven. Dit bleef de zes jonkvrouwen niet verborgen, en door groote liefde en toewijding trachtten zij den norschen vader met zijn lot te verzoenen.

Op een avond, terwijl buiten de wind als een krassende raaf om den burcht gierde, zat ridder Wolf, door jicht geplaagd, binnen aan den warmen haard en was niettegenstaande de vrouwelijke opmerkzaamheden in een slecht humeur. Evenals schuwe duiven keken de sierlijke meisjes naar den vertoornden ouden heer.

Daar dient de slotbewaker in het late uur nog twee gasten aan. Zij zijn in ridderlijke wapenmantels gehuld. Niettegenstaande zijn podagra verheft de gastvrije burchtheer zich van zijn zetel. In het verwarmde vertrek treden bibberend van koude twee vermoeide reizigers, die om een onderkomen voor den nacht smeeken.

Bij den klank der stem van den eenen vreemdeling heeft de ridder zich luisterend opgericht, en toen deze het vizier ophief en den mantel terugsloeg, is Wolf van Hammerstein eerbiedig op de knieën aan zijn voeten neergevallen, heeft zijn beide handen gegrepen, zijn gebaarde lippen daarop gedrukt en uitgeroepen: "Hendrik, mijn Heer en Koning!"

De keizer heeft vervolgens zijn voormaligenstrijdmakker met trillende stem medegedeeld, dat hij vluchtende was voor hem, die hem den koningsmantel van de schouders en de kroon van het hoofd gerukt had. En toen de ridder bevende van opwinding vroeg, wie deze eeren goddelooze booswicht was, fluisterde de keizer met gebogen hoofd op klankloozen toon: "Mijn zoon!" Hij bedekte het gelaat met de handen. Onbeweeglijk als een marmeren beeld stond de ridder daar, terwijl hij, als door een bliksemstraal, die in zijn ziel viel, tot inzicht werd gebracht.

Teeder voelde hij zich door de armen zijner dochters omvat, en toen hij de handen naar hen uitstrekte, als wilde hij door de teederheid van een oogenblik al het onrecht van vele jaren vergoeden, voelde hij tranen daarop neerdruppelen. De keizer sprak diep geroerd tot den ridder:

"Benijdenswaardige wapenbroeder, de trouwe harten van je dochters kloppen voor je tot over je graf en geen verdorven zoon, die je dood niet kan afwachten, jaagt je eens met grijze haren van je geboortegrond! Wee mij, die morgen met de weinige getrouwen, die mij gebleven zijn tegen mijn eigen bloed ten strijde moet trekken."

Terwijl de ongelukkige koning tegen middernacht in de gezellig ingerichte kamer in een onrustigen slaap viel, overlaadde de diepbewogen burchtheer zijn dochters met ongekende liefkoozingen. Hij heeft God vergeving gevraagd voor den wrok, die in vroeger dagen bij hem opgekomen was, omdat hij geen zoon had.

end_of_chapter.jpg

Onder het stadje Brohl verheft zich op een rotsachtige hoogte, waar vroeger reeds een Romeinsch slot gestaan heeft, de twintig meter hooge, vierhoekige wachttoren, als laatste overblijfsel van den burcht Rheineck. De sage, die aan den eenzamen toren verbonden is, vertelt ons een vroolijk verhaal van een ridder, een bisschop, een jonkvrouw en den wijn van Aszmannshausen. De ridder heette Kunz van Schwalbach en was een vermetele bandiet, die vooral het vuistrecht in de omstreken van de Ahr met veel ijver en niet minder gevolg uitoefende. Zijn gemalin, die wellicht een goeden invloed op hem had kunnen uitoefenen, rustte reeds sedert jaren in de burchtkapel. Een bevallig meisje, een vroeg wees geworden kind van een broeder van den heer Kunz, Adelgonde genaamd, bestuurde sedert dien tijd de huishouding op Rheineck.

Destijds was de vrome, maar ook strenge heer Anselmus bisschop van Keulen. Daar hijhooge belasting en tollen hief, waren de burgers van Keulen zeer vertoornd op hem, en toen hij weer een nieuwe belasting invoerde, was een hevig oproer hiervan het gevolg, zoodat Anselm gedwongen werd, met eenige getrouwen ijlings zijn residentie te verlaten. Naar aanleiding van hun bedeesde vraag "waarheen?" herinnerde de heer Anselm zich den burcht Rheineck, die tot het aartsbisdom behoorde en die den Schwalbachers voor langen tijd ter leen gegeven was. Daarheen wilde de aartsbisschop in ballingschap gaan, totdat zijn verdwaalde schaapjes hem weer terug zouden roepen.

"Ridder Kunz, de oom van mijn zedige pupil is wel is waar een groote schelm," meende de vrome heer. "Hij bidt weinig en rooft veel. Daarbij wordt hij verdacht de brutale bandiet te zijn, die in den herfst van ons aartsbisdom de lading wijn weggekaapt heeft. Aszmannshäuser was het," zeide de heer Anselm bij zich zelf, terwijl hij met gefronste wenkbrauwen naar de kielvoren van zijn scheepje keek.

Bij den heer Kunz, die zich in stilte te goed deed aan het heerlijke druivensap van den geurigen Aszmannshäuser, trad jonker Jörg, de hoofdman zijner lansknechten, binnen en berichtte, dat er beneden een schip met de Keulsche bisschopsvlag voor anker lag. Vertoornd rees de ridder van zijn eikenhouten stoel op, en minutenlang kwelde hem zijn kwaad geweten. Toen echter zegevierde zijn luchthartigheid en met vroolijke onderwerping beval hij den heer uit het heilige Keulen naar behooren te ontvangen. Den heer Anselm en zijn gevolg viel dus een waardige ontvangst ten deel. Door ridderlijke gastvrijheid moest de hoogeerwaarde leenheer en edele voogd van jonkvrouw Adelgonde zooveel mogelijk voor het geleden onrecht schadeloos gesteld worden.

Naarmate het later werd, verbeterde de stemming van den aanzittenden gast. Nadat de aartsbisschop reeds de noodige hoeveelheid van het edele vocht, dat zijn gastheer hem bood, met verstand geproefd had, vroeg hij terloops: "ridder Kunz hebt ge niet tot besluit een beker Aszmannshäuser, want sedert jaren gebruik ik dit vocht als een goed bekomende slaapdrank." En ridder Kunz moest toen met oprecht leedwezen bekennen, terwijl zijn oogen als die van een vroom schaap flikkerden, dat zijn kelder wel Walporzheimer, Ingelheimer, maar helaas geen druppel Aszmannshäuser bevatte, aangezien die, zooals iedereen wist, van het domein van den aartsbisschop was.

De heer Anselm scheen er zich in geschiktte hebben, dat hij zijn lievelings- en slaapdrank op Rheineck missen moest. Maar op een avond ging hij, door een plotseling invallende gedachte gedreven, langs verschillende afgelegen trappen en gangen naar den kelder van den burcht. Wat voor waarde had het woord van een Kunz? Geen cent. Wat eigen overtuiging? Misschien een scheepslading Aszmannshäuser. Aldus bij zich zelf redeneerend, ging de heer Anselm tastende langs de muren — en hield op eens een schoon gelokt vrouwenhoofd in de uitgestrekte handen.

Daar een onderdrukte angstkreet door de lange gang weerklonk, fluisterde vader Anselmus geruststellende woorden en drukte een bemoedigenden kus op twee nabijzijnde vrouwenlippen. Vervolgens trok hij de beschaamde Adelgonde bij het flikkerende licht aan het einde van den trap.

Hoog blozend biechtte de jonkvrouw den voogd, dat ze jonker Jörg zeer genegen was, en dat ze hier nog zedig een nachtgroet met hem gewisseld had.

"De smaak van den jonker is goed," bevestigde de geestelijke voogd. (Nog heviger bloosde Adelgonde.) "Je Jörg laat zich den Aszmannshäuser goed smaken! Hm, zeg eens, waar ligt het vat? Je bent verbaasd over mijn alwetendheid, kind? Je mond heeft je verraden: toen ik hem zooeven toevallig in donker aanraakte — hierbij hief vader Anselm de oogen vroom hemelwaarts — bemerkte ik een aroma zoo fijn, als slechts de Aszmannshäuser bezit en de mond van je ridder heeft dat op jou overgebracht."

De jonkrouw was zoo verlegen, dat ze gaarne door den grond had willen zinken. Bereidwillig toonde ze haar voogd het groote vat, dat in den uitersten hoek van den kelder verborgen was. Hoe lang hij daar vertoefd heeft, zullen we maar wijselijk verzwijgen. Den volgenden morgen had de mis van den heer Anselm niet plaats. Tegen den middag verschenen afgevaardigden van de burgers van Keulen, die hun aartsbisschop namens de stad vergeving vroegen voor het plaats gehad hebbende oproer en opnieuw den trouweed aflegden voor de gezamenlijke onderdanen. Genadig besloot Anselmus tot onmiddellijken terugkeer. Bij het afscheid nam hij nogmaals het woord en zei onomwonden met een strakke gelaatsuitdrukking:

"Zooals mij juist medegedeeld wordt, beweert elke geestelijke en leek in Keulen, dat hij, die in den herfst de wijnlading, toebehoorende aan het stift, op goddelooze wijze gestolen heeft, niemand anders dan de eigen leenman van het bisdom, Kunz van Schwalbach op Rheineck is!"

De heer Kunz hield zijn onschuld vol en betuigde zijn onderdanige trouw, maar de aartsbisschop stond op de voorloopige inbeslagneming en beval den ridder zich binnenkort met den notaris en getuigen naar het college te Keulen te begeven en zich te zuiveren van de verdenking van den kerkroof. Vervolgens liet hij het kolossale vat verzegelen en vervoeren en keerde toen met zijn onderhoorigen huiswaarts.

Onderwijl stiet de heer van Schwalbach ontelbare vloeken uit. Jonker Jörg troostte hem en ridder Kunz beloofde zijn vertrouweling met vele ridderlijke eeden, dat, zoo hij in Keulen het leven er af bracht, zijn bevallige nicht de vrouw van den jonker zou worden. In opgewonden stemming vernam Adelgonde dit van ridder Jörg.

***

***

In de strafzaal te Keulen zaten twaalf waardige heeren op het gestoelte. Adelgonde, die er voor zorgde den verschuldigden eerbied tusschen oom en voogd te verdeelen, bood den heeren volgens den wensch van den heer Anselm twaalf zilveren bekers van den betwistenwijn aan. Terwijl hij een beroep deed op hun kennis en onomkoopbaarheid, gebood de bisschop het twaalftal hun oordeel mede te deelen of het vat Moselblümchen. Affentaler, of Aszmannshäuser inhield.

Bedenkelijk brachten de rechters de bekers aan de lippen, namen een slokje, vertrokken de mondhoeken, proefden nogmaals en schudden allemaal het hoofd over dezen allerakeligsten drank. Eenparig verklaarden zij, dat deze zure wijn geen Aszmannshäuser was. Boetvaardig stond de heer Anselm daar, zegevierend ridder Kunz en opgetogen jonkvrouw Adelgonde en jonker Jörg.

Eenige weken daarna werd er op Rheineck een vroolijk bruiloftsfeest gevierd. Toen ridder Jörg met zijn jonge gemalin op de feestelijk opgetuigde paarden het slot verlaten had, om Adelgonde in den vaderlijken burcht binnen te leiden, zat de geestelijke voogd, die zich verwaardigd had, het paar te trouwen, eendrachtig met den heer van Rheineck bij de blinkende kan. En in verhoogde feeststemming drong de bisschop er bij den ridder op aan, hem te bekennen, hoe hij het klaargespeeld had, den verzegelden Aszmannshäuser in dezen ellendigen zuren wijn te veranderen. Daarvoor zou hij hem meedeelen, hoe hij destijds in den kelder van den burchtden Aszmannshäuser ontdekt had. Lachend wenkte de heer Kunz zijn schenker, deze bracht fluks een wijnkan, schonk de heeren drinkers hiervan in, en opnieuw dronk de heer Anselmus zijn lievelings- en slaapdrank.

Plechtig verklaarde hij: "ridder Kunz, dit is de wijn, welks ligging Adelgonde haar voogd gehoorzaam verried."

Toen dreunde de vuist van Kunz op de eikenhouten tafel, zoodat de kannen rammelden, en hij voer hevig uit tegen de valschheid van zulk een slang. Maar de bisschop wees hem op zijn goddeloozen toorn, aangezien het vrome kind slechts gehoor gegeven had aan den geestelijken aandrang. Hoofdschuddend sloeg de heer Kunz de handen in elkaar.

"Een vroom kind, dat uw geleerde rechters de proefbekers met absint en azijn vulde."

Een tijdlang zweeg Anselmus, vervolgens schudde hij zijn eerwaardig hoofd. Dan lachten beiden, de ridder en de bisschop. Maar toen de ridder den bisschop de helft van het vat als avonddrank, die bevorderlijk voor den slaap was, aanbood, reikte de heer Anselmus hem zijn hand als leenheer, waarbij de heer Kunz vrijwillig de belofte aflegde, in het vervolg alles, behalve den bisschoppelijken Aszmannshäuser te rooven.

Keizer Karel de Groote werd door een menigte sterke helden omgeven. De eerste dezer paladijnen was de neef van den koning der Franken, Ronald van Angers. Geen naam, die in den slag of bij het tournooi meer uitblonk, dan de zijne. Hij werd door het zwakkere geslacht vereerd, door zijn vrienden bewonderd en door zijn vijanden geacht. Zijn ridderlijke geest verzette zich tegen het weelderige genotvolle leven. Het voortdurende verblijf aan het keizerlijke hof bevredigde hem niet, en zoo wendde hij zich tot zijn keizerlijken oom met verzoek hem toe te staan een reis naar het machtige Frankische rijk te ondernemen, dat hem tot nu toe onbekend was gebleven. Daar hij zich zijn jeugdige kracht bewust was, verlangde hij naar ridderlijke avonturen en gevaren. Karel de Groote zag den dapperen krijgsheld met weemoed van zijn hof vertrekken; ongaarne voldeed hij aan zijn verzoek.

En zoo verliet dus de ridderlijke held, slechts vergezeld door eenige getrouwe schildknapen, bij het aanbreken van den dag het keizerlijk paleis aan de Seine, en sloeg de richting naar het Oosten in; de Vogezen waren het eerste doel van zijn tocht. Op den burcht Niedeck bij Haslach nam hij eerst zijn intrek en vervolgens bij Attich, hertog in den Elzas.

Steeds verder trok Roland, en toen hij op een avond de helling van het Vogezenwoud afreed, begroette hem uit de verte het glinsterende water van den Rijn. Breed wierpen de ontboeide golven zich links en rechts over de bedding van den stroom, de vlakte meedoogenloos bespoelend. Weinig bekoorlijkheid bezat de rivier hier in zijn grenzenlooze woestheid. Maar de ridder wist, dat het schouwspel spoedig veranderen zou. Hij trok Rijnafwaarts, waar de groote bergreuzen den ruischenden stroom omsluiten. Zegevierend staat hun voet in den vloed, slechts zelden wijken ze eenigszins ter zijde en laten een smalle strook land vrij, nauwelijks breed genoeg, om reizigers en voertuigen te laten passeeren. Op hun hoogten prijken trotsche koninklijke burchten, die den voorbijganger beneden den roem van voorname geslachten verkondigen. Dit alles zag Roland op zijn vroolijken Rijntocht. Hij bezocht menigesagenrijke en herinneringsvolle plaats, de steile Loreleirots, waar 's nachts de waternimf zong, het vriendelijke plaatsje, waar St. Goar geleefd en gewerkt heeft, ten tijde van Childeberts den Merowinger (deze wonderlijke heilige zond kortelings den keizerlijken oom van Roland een dichten nevel na, omdat keizer Karel de Groote op zijn tocht van Ingelheim naar Koblenz verzuimd had zijn knie voor de heilige kapel te buigen, zoodat hij genoodzaakt werd in het vrije veld te overnachten), en ook de Mayenfelder Au bij Andernach, waar Genoveva, de deugdzame gemalin van paltsgraaf Siegfried geleefd heeft.

13_lager.jpg[Illustratie:Siegfried schleppt einen Bären ins LagerNach einer Lithographie von Peter Cornelius]

En nu kwam Roland aan de plaats, waar de vloed, aan het einde van het Rijndal gekomen, omringd wordt door trachietreuzen, waarvan de toppen met geweldige burchten gekroond zijn, evenals de zeven gekroonde paladijnen, die in lateren tijd den heiligen persoon van den Duitschen keizer vol wijding omringden. Een boschrijk eiland verheft zich hier uit den zacht blauwen vloed. De gouden avondzon schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, links de liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd heeft, de muren van een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad. Zwijgend stond de ridder stil. Zijn blik rustte bewonderend op het prachtige landschap. Onrustig stampte de hoef van het paard op den grond, bezorgd keek de getrouwe schildknaap naar den steeds donkerder wordenden hemel. Bedeesd herinnerde hij zijn heer er aan, dat het tijd werd, nachtlogies te zoeken.

"Daar boven zou ik het gaarne vragen," antwoordde Roland, terwijl hij voor het eerst zeldzaam week gestemd werd. Hij gebood zijn schildknaap den schipper, die juist zijn bootje voor de nachtelijke vangst losmaakte, den naam van het slot te vragen.

De vesting behoorde aan de Drachenburgers, graaf Heribert woonde daar op het oogenblik. Zoo luidde het antwoord, en vreugde straalde uit Rolands oogen. Velegroeten en boodschappenwaren hem door ridderlijke vrienden aan den Bovenrijn en elders aan den ouden graaf op de Drachenburg opgedragen. Roland talmde niet langer met zijn besluit. Weldra voer een boot door den donkeren vloed.

Middelerwijl was het nacht geworden. De schitterende maan lichtte hen door den donkeren boschweg. Zeer vriendelijk heette graaf Heribert, een statig ridder op gevorderden leeftijd, den ridderlijken neef van zijn keizerlijken heer welkom op zijn burcht. Totdat het twaalf uur sloeg, voerden ze in het gezellige vertrek van den slotheer een onderhoudend gesprek.

Den volgenden morgen stelde graaf Heribert zijn dochtertje Hildegonda aan den ridder voor. Vol bewondering hing Rolands oog aan de lieftallige jonkvrouw. Tot nu toe had vrouwelijke lieftalligheid geen diepen indruk op hem gemaakt. Naar wapenroem en heldenwaagstukken, naar spel en strijd had zijn ziel steeds gedorst, nu echter had de tooverstaf der liefde den vermetelen strijder opeens aangeraakt. Hij, die gevreesde tegenstanders onversaagd in de oogen gezien had, boog het onvervaarde hoofd in meisjesachtige schuchterheid voor de betoovering van Hildegonda. Maar ook zij stond, het gelaat met een purperen blos overtogen, voor den gevierden held, wiens naam een goeden klank aan den Boven- en Benedenrijn had.

De oude ridder verbrak onmerkbaar de gedrukte stemming. Met een schertsend woord sneed hij het gesprek der verlegen jongelieden af en geleidde den gast door de hooge vertrekken van het slot.

Roland bleef langer op de gastvrije Drachenburg, dan hij ooit op eenig ander slot vertoefd had. Met sterke banden werd hij op den verrukkelijken burcht gehouden. De liefde ontvlamde in zijn hart en ook in Hildegonda's reine ziel wierp zij haar verterend vuur, en op een dag — de schemering spon reeds zilveren draden over de met linden beschaduwde bank — liet zij hand in hand, oog in oog en mond op mond rusten en omzweefde juichend, als een zegevierende koningin, hen, die ze verbonden had.

Gaarne vertrouwde graaf Heribert zijn allerliefst dochtertje aan den gevierden paladijn toe. In het vooruitzicht van een vroolijke toekomst maakte hij den verlovingstijd van zijn eenig kind zoo aangenaam mogelijk. Een burcht zou op de rots tegenover de Drachenburg verrijzen. Als een trotsche wachttoren zou de toekomstige Rolandsburg van de steile rots in het prachtige Zevengebergte neerzien. Reeds stegen haar muren omhoog en dagelijks stonden de verloofden op de platform van de Drachenburg en keken naar den overkant, waar vlijtige werklieden timmerden en metselaars hamerden, en de mooie Hildegonda smeedde schoone plannen voor de toekomstige woning, waar ze den aanavonturen gewenden ridder en held door trouwe liefde boeien wilde.

Op een dag echter verscheen er een bode op de Drachenburg, gezeten op een met schuim overdekt paard. De afgevaardigde kwam van het keizerlijke Worms en berichtte, dat de oom van den ridder, de keizer, tot de kruistochten tegen de ongeloovigen achter de Pyreneeën besloten was. Karel wenschte den beproefden paladijn onder zijn legeraanvoerders te zien optreden. Zwijgend ontving Roland de boodschap van den hoogen gebieder. Hij keek naar Hildegonda, die met doodsbleek gelaat naast hem stond, en een hevige smart kwam over hem. Maar hij moest zijn plicht nakomen. Hij zegt den koningsbode in het keizerlijke leger aan te kondigen, dat hij over drie dagen verschijnen zal. Met somber gelaat wendt hij zich af. Hildegonda werpt zich snikkend aan zijn borst.

Verwoed streden in Iberië het kruis en de halve maan om de heerschappij. Hevige gevechten werden geleverd, veel bloed werd door de christenen en de ongeloovigen vergoten. Bloedige overwinningen behaalden de moedige paladijnen van den koning der Franken, hetdapperste echter streed Roland. Zijn zwaard baande den keizer den zegetocht, het dekte het leger van den keizer, toen het zegevierend in het onbekende vijandelijke land trok. Het was in Ronceval, in dat dal, dat naderhand zoovele dichters in het Duitsche en Waalsche land bezongen hebben. Gescheiden van het hoofdleger, trekt Rolands dappere achterhoede, tegen het vallen van den avond, langs den boschweg. Daar klinkt plotseling woest geschreeuw van de hoogten, verwoed vallen de laffe Mooren het troepje Franken aan. Met heldenmoed vechten zij. Gelijk een koningsarend vliegt Rolands strijdros Brilliador nu hier, dan daar heen, en menige schedel der Saracenen wordt door zijn machtig zwaard Durando gespleten. Maar de overmacht overwon de dapperheid. Steeds kleiner wordt de schaar der Franken, en nu wordt ook Roland door een lanssteek van een reusachtigen Moor getroffen. Over hem heen woedt de woeste strijd. Toen de nacht treurig zijn donkeren mantel over het slagveld uitspreidde, hadden de ongeloovigen hun afschuwelijk werk volbracht. De Franken waren verslagen. Slechts eenigen waren aan den dood ontkomen.

Waar is Roland klonk de angstige vraag. Hij was niet onder de geredden. Waar is Roland? vroeg Karel de Groote ontsteld aan devermoeide boden. Door het geheele rijk weerklonk het antwoord: Roland de held viel in den strijd tegen de Saracenen. Overal verwekte deze treurige tijding oprechte droefheid.

Ook aan den Rijn werd zij vernomen. Op een dag verschenen er koningsboden op de Drachenburg, die de treurige boodschap overbrachten en tevens de deelneming van den keizer betuigden. Smartelijk zuchtte de oude Heribert, terwijl hij de oogen met de hand bedekte. Hildegonda stiet een vreeselijken gil uit. Hartverscheurend was haar verdriet. Voor het beeld van de Moeder Gods lag ze snikkend op de knieën en smeekte om bijstand in haar groote smart. Dagenlang sloot ze zich in haar kamertje op, en zelfs de woorden van troost, die de vader haar bood, vermochten het ontzettende leed niet te verzachten.

Nadat er weken verstreken waren, trad het bleeke meisje, op een dag het vertrek van den ridder binnen, kalmer dan voorheen.Een bovenaardsche glanslag over haar ernstige trekken. En toen de vader de knielende naar zich toe trok, deelde zij hem het besluit mede, dat in haar zwaarbeproefde ziel gerijpt was. Smartelijk hebben de oogen van graaf Heribert haar aangezien. Vervolgens heeft hij een kus op haar rein voorhoofd gedrukt.

Toen is de dag aangebroken, waarop de klokken beneden op het eiland Nonnenwerth plechtig luidden. Voor het altaar knielde gesluierd een nieuwe novice, de lieftallige dochter van graaf Heribert. In de heilige stilte van het klooster zocht zij den vrede, dien zij in den vaderlijken burcht niet vond. Met een laatsten snik had ze den naam van den geliefde uit het hart verbannen, de vlammen van de treurende liefde uitgedoofd, en nu moest haar ziel vervuld zijn van het heilige vuur van reine godsvereering. Te vergeefs hoopte de geknakte vader, dat de ongewone eenzaamheid van het klooster het besluit van de geliefde dochter aan het wankelen zou brengen en zij aan het einde van het proefjaar in zijn armen terug zou keeren. Integendeel; de godsvruchtige jonkvrouw smeekte den bisschop, die aan het geslacht van den vader verwant was, de goedheid te hebben haar geen proefjaar op te leggen en haar reeds na korten tijd toe te staan, de onherroepelijke belofte voor Hem af te leggen, aan wien ze haar leven gewijd had. Haar vurige wensch werd vervuld. Toen er een maand verstreken was, vielen de gouden lokken van Hildegonda's hoofd en door een heilige belofte verbond de lieftallige dochter van den heer van de Drachenburg zich voor eeuwig aan den almachtigen God.

Maanden waren er sedert dien tijd verstreken. De lente was voorbij en de schooven stonden reeds op de velden. Op de plaats, waar de vloed, aan het einde van het Rijndal gekomen, door zeven trachietreuzen met door burchten gekroonde hoofden omringd wordt, houdt de ridder met zijn gevolg stil. Het is nog niet lang geleden, dat hij ver in het Zuiden, waar de Iberische zon het dal van Ronceval bestraalt, in een armoedige herdershut ziek gelegen heeft. Daarheen had de trouwe schildknaap zijn meester, die door een lans van een Moor in de borst getroffen was, gesleept. Hier had de dappere held en legeraanvoerder weken- en maandenlang op het ziekbed gelegen en met den dood geworsteld, totdat zijn krachtige natuur de overwinning behaalde. Roland herstelde door de liefdevolle verpleging, terwijl hij in het Frankenland als een doode betreurd werd. Nu was hij teruggesneld naar de plaats, waarheen hij met geweld getrokken werd. Een boschrijk eiland verheft zich groetend uit den lichtblauwen vloed. De gouden avondzon schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, links de liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd had, de muren van een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad.

Zwijgend staat de ridder stil. Zijn blik rust bewonderend op het prachtige landschap, evenals maanden geleden, wordt hij week gestemd.

"Hildegonda" fluistert Roland en ziet op naar den met sterren bezaaiden hemel.

Evenals destijds vaart wederom een schip door de donkere water. Op den boschweg, die naar de Drachenburg leidt, schrijdt Roland, door zijn schildknaap vergezeld.

Met doodsbleek gelaat staart de oude slotbewaker naar de late gasten. Hij maakt een kruis en ijlt in het vertrek van zijn heer. Daar wankelt een manlijke gestalte, door ouderdom en verdriet gebogen. De ridder snelt hem tegemoet. "Roland" klinkt het als een steunen van de verbleekte lippen van den burchtheer. Zwijgend houdt de late bezoeker den snikkenden ouden heer in de armen gesloten. Toen Roland maanden geleden wegging, vond zijn verdriet geen tranen, nu vloeiden zij rijkelijk over zijn door smart ingezonken wangen.

Roland maakt zich uit de omarming van den ridder los.

"Waar is zij? (Gillend uit hij deze vraag.) Dood?"

Vreeselijk treurig ziet graaf Heribert hem aan.

"Hildegonda, de bruid van den voor dood gehouden Roland, werd de bruid des hemels."

Bij het hooren van deze woorden steunde de held luid en verborg vol smart het hoofd in de handen.

Tegen het aanbreken van den dag heeft hij den burcht verlaten, gelijk een koningseik, die door den bliksem getroffen is. In den tegenover gelegen burcht op den rotswand, die door de hoopvolle liefde in de lente opgebouwd werd, heeft hij zijn intrek genomen, en daar heeft hij de wapenrusting voor altijd afgelegd. Uitgedoofd waren de sterren in zijn borst, gestorven de begeerte naar roem. Dag aan dag heeft hij daar boven gezeten en zwijgend naar het groene eiland in den Rijn gestaard, waar de non Hildegonda elken morgen in den kloostertuin tusschen de bloemen wandelde. Soms scheen het hem, alsof ze zich groetend boog en dan werd het bleeke gelaat van den ridder door het avondrood van het vroeger stralende geluk opgeklaard.

Daarna werd hem ook dit geluk ontnomen. Op een dag bleef de geliefde uit, en toen klonk het doodsklokje klagend op het stille eiland. Hij ziet daar beneden een lijkkist naar het kerkhof dragen en hoort de treurzangen en gebeden der nonnen. Hij ziet ze allen, slechts eene ontbreekt. En de held bedekt het gelaat met de handen. Hij weet nu, wie ze daar grafwaarts dragen.

De herfst kwam en verdorde bladeren woeien over het graf van de non Hildegonda. Nog altijd zat Roland daar boven en tuurde elken morgen naar het kerkhof op het eiland. En zoo werd hij op een dag door zijn schildknaap levenloos gevonden, het gebroken oog op de plaats gericht, waar de verlorene geliefde sliep.

Nog vele eeuwen versierde de trotsche Rolandsvesting den berg, die nog steeds Rolandseck heet. Dan viel ook zij in puin evenals de grootsche Drachenburg, waarvan de toren nog steeds omhoog steekt. Een halve eeuw geleden viel op een stormachtigen winternacht de laatste boog van de Rolandsvesting in puin, maar door prijzenswaardige piëteit is zij weer opgebouwd, en evenals voorheen prijkt de Rolandsboog op de steile rots, op het schoonste punt van het heerlijke Rijndal, ten einde de tegenwoordige geslachten aan de trouwe liefde uit den riddertijd te herinneren.

Een verrukkelijk plekje aarde is het liefelijke Honnef, dat zich als een mooi, schuw kind aan de voeten van den ouden, beschuttenden Drachenfels aan den Rijnstroom uitstrekt. Alsof het in een schelp ligt, wordt het door den reusachtigen rug van den berg voor den ijzigen adem van den Boreas beschut. Daardoor is de wind in dat dal minder scherp, zoodat het plaatsje den naam van "het Duitsche Nizza" gekregen heeft. Als de bezoeker van den Drachenfels, door de ondergaande zon tot terugkeer gedrongen, door het dal van Honnef afdaalt, teneinde de wachtende boot te bereiken, dan klinkt hem van alle kanten het schoone gezang der nachtegalen tegen. Talrijker, dan ergens in de omgeving zijn deze minnezangers hier bijeen; reeds sedert vele jaren is dit zoo, en de sage deelt ons de oorzaak hiervan mede.

Zeer lang geleden zongen ze op een andere plaats. Het was in de Eifel, in het bosch van de abdij Himmerode. Daar klonk, evenals thansin het dal bij Honnef in den stillen zomernacht hun verrukkelijk gezang. Ook tot de ernstige monniken, die in de kruisgangen en kloostertuin in vrome overdenking rondliepen, drong het door. Zelfs de vrome boetelingen, die zich in hun kerkers kastijdden vernamen het. En in hun prevelende gebeden vermengde zich verlokkend het verleidelijke gezang der nachtegalen. Toen zijn in menig monnikshart, dat reeds lang afstand van het wereldsche genot gedaan had, schuw en beschaamd herinneringen opgewekt en in menig oor der vrome broeders hebben zij 'over heerlijke, zondige dingen gefluisterd.

Daarop is de heilige Bernhard op een dag in de abdij Himmerode gekomen en heeft in de harten der broeders gelezen. Groote droefheid overviel hem, toen hij bemerkte, dat uit menige heilige ziel de goddelijke vrede verdwenen was. De oorzaak hiervan bleef hem niet verborgen. Vervuld van heilige geestdrift trad de godsdienaar in het bosch, dat het klooster omringde en hief met toornig gebaar de hand op tegen de gevederde zangers van het woud. "Verwijder u van hier! Gij zijt ons tot ergernis!"

Dreigend had de heilige man dit uitgeroepen en ziet, in de twijgen ontstond een hevig rumoer, een groote zwerm nachtegalen vloog uitde struiken. Nog eenmaal weerklonk het verleidelijke gezang door het woud, daarna stoven zij schuw klappend met de vleugels weg.

In het dal bij Honnef hebben ze zich neergelaten en geen banvloek heeft ze sedert dien tijd daar vandaan verdreven. Zij, die daar in gepeins verzonken alleen wandelen of met hun beiden babbelend door het dal van Honnef gaan, zijn niet, evenals St. Bernhard, afkeerig van de wereldsche vreugde; evenmin als zij, die met glinsterende oogen en een teringachtigen blos op de wangen door den tuin van het sanatorium Hohenhonnef wandelen. Deze en gene hoort den verlokkenden klank van de nachtegalen, nu eens klagend, dan overmoedig. En iedereen legt hem op zijn manier uit.

end_of_chapter.jpg

Als de reiziger de schoon gelegen Muzenstad Bonn verlaten heeft en per stoomboot den Rijn opvaart, aanschouwt hij spoedig aan zijn linkerhand de schilderachtige toppen van het Zevengebergte. De steile kruin van den voorsten berg wordt thans nog versierd door den toren en de muren van een oud ridderslot. Van dezen toren met den griezeligen naam, waar men in den zomer voortdurend vroolijk gezang en klinken van bokalen hoort, vertelt het volk een aandoenlijke sage.

In de eerste eeuwen na de geboorte van den Verlosser namen de Germanen op den linker Rijnoever gewillig de leer van het kruis aan, zooals de heilige Maternus, een discipel van den Volksapostel, uit Gallië hun die mededeelde. Reeds sedert langen tijd hadden de vrome christelijke zendelingen getracht, de christenleer bij de heidensche stammen van Midden-Germanië te doen doordringen, doch zonder gevolg.

14_sarge.jpg[Illustratie:Am Sarge Kaiser Heinrich IV.Nach dem Gemälde von L. RosenfelderZur Sage von der Burg Hammerstein]

Zij hielden aan hun heidendom vast en wilden de christelijke priesters uit het vreemde rijk niet in hun landstreken toelaten. Reeds vroeger had dit rijk gepantserde legioenen, onder aanvoering van listige bevelhebbers in de vrije landen gezonden.

Destijds moet er een vreeselijke draak in een hol (nog thans "Drachenloch" genaamd) gehuisd hebben, een draak met een afschuwelijke gestalte, die dagelijks zijn rotshol verliet en in de bosschen van het dal verschrikkelijk te keer ging, terwijl hij menschen en dieren op vreeselijke wijze bedreigde. Menschelijke krachten waren onmachtig tegen dat monster en daar men meende, dat zich een vertoornde godheid in den slangachtigen salamander verborg, bewees men hem goddelijke eer en offerde hem bereidwillig misdadigers en gevangenen.

Een ruwe heidensche stam woonde aan den voet van den berg. Dikwijls ondernamen de strijdlustige mannen verwoestende rooftochten aan den linker Rijnoever. Zij staken alles in brand en vermoordden de christelijke broeders. Op een nacht waren ze wederom naar de andere zijde getrokken en maakten in een verwoeden strijd met de overvallenen vele goederen en gevangenen buit. Onder de laatsten bevond zich een jonkvrouw van buitengewone schoonheid. Twee legeraanvoerders, door haar bevalligheid bekoord, verlangden haar te bezitten. De oudste heette Horsrik, hij was een beroemd hoofdman en gevreesd strijder, krachtig als een beer en woest als een tijger, de jongste, Rinbold was minder ruw, doch even dapper.

Huiverend wendde de lieftallige jonkvrouw zich af, toen ze de beide vorsten met vlammende oogen om haar bezit vechten zag. Mannen, overmoedig geworden door de behaalde overwinning, omringen hen. Toch stellen zij nog meer belang in den strijd der aanvoerders, om de gevangen christin, dan in hun eigen verworven buit. De toornige woorden der beide tegenstanders vinden een echo in de harten der omstanders. Als Horsrik, de gevreesde strijder de jonkvrouw voor zich eischt, wordt hij door de omringende mannen aangemoedigd, maar als Rinbold, de jeugdige trotsche legeraanvoerder haar begeert, wordt hij veel meer door de omstanders toegejuicht. Somber staart de andere voor zich uit, terwijl zijn vuist dreigend de strijdkolf omklemd houdt. Daar gaat de kring der omringende mannen uiteen. Tusschen de strijders treedt, met een ernstige uitdrukking op het gelaat, de opperpriester, een grijsaardmet zilveren haren en harde trekken. Luid weerklinkt de toornige stem van den grijsaard:

"Vervloekt zij deze twist om het bezit van een andersgeloovige. De christin zal geen tweedracht zaaien tusschen de edelsten van onzen stam. De dochter van hen, die wij haten zal u geen van beiden toebehooren. De stichteres van dezen onzaligen twist zal den draak geofferd worden. Ter eere van Wodan, dien zij en de haren miskennen, zal zij bij zonsopgang gewijd worden." De mannen juichten dit plan toe, vooral Horsrik. Met opgeheven hoofd staat de jonkvrouw daar. Smartelijk en vol bewondering rust het oog van Rinbold, de trotsche jeugdige legeraanvoerder op het engelachtige gelaat der jonkvrouw.

Den volgenden dag in alle vroegte, nog voordat de godin van den dag haar stralend hoofd van het purperen kussen in het Oosten ophief, werd het levendig in het dal. Door het woud, dat nog in schemering gehuld was, besteeg een opgewonden stoet de hoogte. Vooraan schreed de priester, in het midden, bleek, maar kalm, de gevangene. Zwijgend had zij het ter wille van den Heer toegelaten, dat de beenige hand van den opperpriester den offerband omhaar voorhoofd wond en gewijde bloemen in haar loshangend haar vlocht. Menige medelijdende blik uit het volk trof heimelijk het standvastige meisje, ook de blauwe oogen van den jeugdigen, trotschen legeraanvoerder hadden zich smartelijk vertrokken bij den aanblik van de aan den dood gewijde jonkvrouw.

Het vooruitspringende gedeelte der rots was bereikt, dat reeds dikwijls door onschuldig menschenbloed bezoedeld was. Zwijgend wonden de dweepzieke priesters touwen om haar teeder lichaam en bonden haar aan den heiligen, aan Wodan gewijden boom, die den rand van den afgrond beschaduwde. Geen klacht kwam over de bleeke lippen der christin, geen traan blonk er in haar oogen, die verrukt naar het morgenrood aan den hemel opzagen. De volksmenigte ging uit elkaar en verspreidde zich; zwijgend en angstig bleven de heidenen in de verte wachten op hetgeen komen zou.

De eerste zonnestralen wierpen hun schijnsel over den berg. Zij schitterden in de bloemenkroon, die de jonkvrouw in het haar droeg en speelden op haar verheerlijkt gelaat, dat ze met een stralenkrans van licht en glans omgaven. De jonge christin verwachtte den dood evenals een verloofde haar bruigom. Haar lippen bewogen zich zacht als in een gebed.

Daar hoorde men in de diepte dof rumoer; de draak kwam snuivend uit zijn hol en stoof over den landweg. Hij ontdekt het offer op de plaats, die zijn bloeddorst kent. Hoogop kromt zich zijn met schubben bedekt lichaam, dat op ver uitgestrekte van scherpe nagels voorziene pooten rust; gruwelijk slaat hij met zijn slangachtigen staart en laat in zijn afschuwelijk gapenden muil zijn doodend gebit zien. Blazend komt het ondier aangekropen, terwijl het begeerig de tong heen en weer beweegt. Uit de bloederige oogen stralen helsche vlammen.

Doodsangst overvalt de jonkvrouw bij den aanblik van dezen afschuwelijken salamander. Sidderend trekt zij een schitterend gouden kruis, dat zij op de borst draagt, te voorschijn en strekt dit afwerend naar den draak uit, terwijl een angstige hulpkreet tot God haar lippen ontsnapt. En, o wonder! Terwijl hij zich hoog, als door den bliksem getroffen, opricht, treedt de draak terug en stort achterwaarts over puntige rotssteenen in de diepte. Onder brullend gehuil en het donderend rumoer van vallende rotsblokken verdween het ondier in de woeste golven van den vloed. Een algemeene gil klonk van de lippen der ter zijde wachtende heidenen. Verbazing en schrik stond op alle gezichten te lezen. Vol berusting, met droomerig geslotenoogleden stond de jonkvrouw daar en bad zacht tot Hem, die haar gered had. Daar werd zij van de touwen, die haar vastgebonden hielden, bevrijd, en twee krachtige armen omvatten haar en droegen haar in den kring der verbaasde toeschouwers. Zij hief de oogen op en zag den jongsten der beide legeraanvoerders; zijn ruwe krijgsmanshand vatte de hare. Als voor een hemelsche verschijning boog de jongeling zijn knie en raakte met de lippen de witte vingeren aan. Luide zegenkreten klonken den ridder tegen.

De bejaarde priester trad naar voren en vol verwachting zweeg het volk. Hij vroeg de christin plechtig, wie haar van den wissen dood gered had, en wie de God was, die de zijnen zoo zichtbaar hielp. En zegevierend glinsterden de van gelukstralende oogen der jonkvrouw.

"Dit beeld van Christus heeft den draak verpletterd en mij gered," riep zij zegevierend uit. "In hem rust het heil der wereld en de welvaart der volkeren!"

Met schuwen eerbied beschouwde de bejaarde priester het kruis van Christus.

"Dat het spoedig uw geest moge verlichten evenals van al deze lieden," sprak de jonkvrouw ernstig. "Het zal u grootere wonderen openbaren dan dit, want onze God is groot."

Men geleidde de jonkvrouw met de overige gevangenen weer naar haar vaderland. Zij keerde spoedig terug, vergezeld van een christelijken priester. De stem van het geloof en der onschuld richtte wonderen uit in de harten der heidenen. Bij duizenden tegelijk begeerden zij den doop. De oude priester en Rinbold waren de eersten, die hun hoofd voor de nieuwe leer bogen. Vreugde heerschte er onder den stam, toen de jonkvrouw den jeugdigen legeraanvoerder de hand voor het leven reikte. Een christelijke tempel werd in het dal opgericht en bovenop de rots verrees een trotsche burcht voor de jonggehuwden. Wel tien eeuwen bloeiden het machtige geslacht der Drachenburgers in de omstreken van den Rijn.


Back to IndexNext