DE JODEN: Wee! Wee!
SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.
HERODES (hij zinkt neêr op zijn zetel): Laat men haar geven wat zij vraagt! Wel is zij de dochter harer moeder! (De eerste soldaat nadert. Herodias haalt van den vinger van den Tetrarch den ring des doods en geeft hem aan den soldaat die hem onmiddellijk aan den beul brengt. De beul ziet ontsteld.) Wie heeft mijn ring genomen? Daar was een ring aan mijn rechterhand. Wie heeft mijn wijn gedronken? Er was wijn in mijn beker. Hij was vol wijn. Iemand heeft er van gedronken. O, ik ben zeker dat er iemand een ongeluk gaat overkomen. (De beult daalt af in den waterput.) Wee, waarom heb ik mijn woord gegeven? Koningen moeten nimmer hun woord geven. Als zij het niet houden, is het vreeselijk. Als zij het houden, is het ook vreeselijk.
HERODIAS: In mijn oogen heeft mijn dochter wel gedaan.
SALOME (buigt zich over den waterput en luistert): Er is geen gerucht. Ik hoor niets. Waarom schreeuwtdeze mensch het niet uit? O, als iemand mij zocht te dooden, zoû ik schreeuwen, ik zoû het niet dulden ... Sla toe, sla toe, Naäman. Sla toe, zeg ik u ... Neen, ik hoor niets. Het is afgrijselijk stil. Ah, daar is iets op den grond gevallen. Ik heb iets hooren vallen. Het was het zwaard van den beul. Hij is bevreesd, de slaaf! Hij heeft zijn zwaard laten vallen. Hij durft hem niet dooden. Hij is een lafaard, de slaaf! Ik zal soldaten sturen. (Zij ziet den page van Herodias en wendt zich tot hem.) Kom hier. Gij waart de vriend van hem die gestorven is, niet-waar? Welnu, daar zijn nog geen dooden genoeg. Zeg den soldaten dat zij afdalen en mij brengen wat ik vraag, wat de Tetrarch mij beloofd heeft, wat mij toebehoort. (De page deinst terug. Zij richt zich tot de soldaten.) Komt hier, soldaten. Daalt af in den put en brengt mij het hoofd van dezen mensch. (De soldaten deinzen terug.) Tetrarch, Tetrarch, geef bevel aan uwe soldaten mij het hoofd van Jokanaän te brengen. (Een geweldige zwarte arm, de arm van den beul, steekt op uit den put, op zilveren schotel, het hoofd van Jokanaän. Salome vat het aan. Herodes verbergt zijn gelaat achter zijn mantel. Herodias glimlacht en wuift zich koelte toe. De Nazareërs knielen neder en beginnen te bidden.) Ah, gij hebt mij niet willen toestaan uwen mond te kussen, Jokanaän. Zie, ik zal hem nu kussen. Ik zal er in bijten met mijne tanden zooals men bijt in een rijpe vrucht. Ja, ik zal uwen mond kussen, Jokanaän. Ik heb het u gezegd, niet-waar? Ik heb het u gezegd. Zie, ik zal hem nu kussen ... Maar waarom ziet gij mij niet aan, Jokanaän? Uw oogen die zoo schrikkelijk waren, die zoo vol waren van toorn en minachting, zijn gesloten. Open uw oogen! Hef uw oogleden op, Jokanaän. Waarom ziet gij mij niet aan? Zijt gij bevreesd voor mij, Jokanaän, dat gij mij niet wilt aanzien? .... En uw tongdie was als een roode slang die gift slingert, beweegt zich niet meer, zij zegt nu niets, Jokanaän, de roode adder die zijn venijn over mij spuwde. Het is wonderlijk, niet-waar? Hoe komt het dat de roode adder niet meer beweegt?... Gij hebt mij niet gewild, Jokanaän. Gij hebt mij verworpen. Gij hebt schandelijke dingen tot mij gezegd. Gij hebt mij behandeld als een boel, als een lichtekooi, mij Salome, de dochter van Herodias, de Prinses van Judaia. Zie nu, Jokanaän, ik leef nog, maar gij zijt dood, en uw hoofd behoort mij toe. Ik kan ermeê doen wat ik wil. Ik kan het aan de honden voorwerpen en aan de vogelen des hemels. Wat de honden overlaten, zullen de vogelen des hemels eten ... O, Jokanaän, Jokanaän, gij zijt de eenige man dien ik heb bemind. Al de overige mannen vervullen mij met afkeer. Maar gij waart schoon. Uw lichaam was als een ivoren zuil op een voetstuk van zilver. Het was een tuin vol duiven en zilveren leliën. Het was een zilveren toren behangen met schilden van ivoor. Niets ter wereld was zoo blank als uw lichaam. Niets ter wereld was zoo zwart als uwe haren. In de gansche wereld was er niets zoo rood als uw mond. Uw stem was een wierookvat dat vreemde geuren verspreidde, en als ik u aanzag, hoorde ik wonderbare muziek! O, waarom hebt gij mij niet aangezien, Jokanaän? Achter uwe handen en uwe vervloekingen hebt gij uw gelaat verborgen. Gij hebt op uw oogen den blinddoek gelegd van hem die zijnen God wil zien. Welnu, gij hebt uwen God gezien, Jokanaän, maar mij, mij ... hebt gij nimmer gezien. Als gij mij gezien hadt, zoudt gij mij bemind hebben. Ik heb u gezien, Jokanaän, en ik heb u bemind. O, hoezeer heb ik u bemind! Ik bemin u nog, Jokanaän. Ik bemin slechts u ... Ik dorst naar uwe schoonheid. Ik honger naar uw lichaam. En geen wijn en geen vruchten kunnen mijn begeerte bevredigen. Wat zalik nu doen, Jokanaän? Noch de stroomen noch de groote wateren kunnen mijn hartstocht blusschen. Ik was een prinses, en gij hebt mij versmaad. Ik was een maagd, en gij hebt mijn maagdom van mij genomen. Ik was kuisch, en gij hebt mijne aderen gevuld met vuur ... O, o, waarom hebt gij mij niet aangezien, Jokanaän? Als gij mij hadt aangezien, zoudt gij mij bemind hebben. Ik weet dat gij mij zoudt bemind hebben, en de geheimenis der liefde is grooter dan de geheimenis van den dood. Liefde alleen is waard dat men haar aanzie.
HERODES: Zij is verfoeielijk, uw dochter, zij is allerverfoeielijkst. Wat zij gedaan heeft, is bepaald een zwaar misdrijf. Ik weet zeker dat het een misdrijf is tegen een onbekenden God.
HERODIAS: Ik keur goed wat mijn dochter gedaan heeft. En nu wil ik hier blijven.
HERODES (staat op): Ha, hoor de vrouw die gehuwd is in bloedschande! Kom meê! Ik wil niet hier blijven. Kom meê, zeg ik u. Ik ben zeker dat er een ongeluk gaat gebeuren. Manasse, Issaschar, Ozias, dooft de fakkels uit. Ik wil de dingen niet aanzien. Ik wil niet dat de dingen mij aanzien. Bluscht de fakkels uit! Verbergt de maan! Verbergt de sterren! Laten wij ons in ons paleis verschuilen, Herodias. Ik begin bevreesd te worden.
(De slaven blusschen de fakkels uit. De sterren verdwijnen. Een groote zwarte wolk glijdt voor de maan en bedekt haar volkomen. Het tooneel wordt zeer donker. De Tetrarch begint de trap te bestijgen.)
DE STEM VAN SALOME: Ah, ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen mond gekust. Daar was een wrange smaak op uwe lippen. Was het de smaak van bloed? ... Maar misschien was het de smaak der liefde. Men zegt dat liefde een wrangensmaak heeft ... Maar wat zoû dat? Wat zoû dat? Ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen mond gekust.
(Een maanstraal valt op Salome en belicht haar fel.)
HERODES (wendt zich om en ziet Salome): Doodt die vrouw! (De soldaten snellen toe en verpletteren onder hunne schilden Salome, dochter van Herodias, prinses van Judaia.)
EINDE
SIMONE (komt op):Zoo traag, vrouw-lief? Verdient bij zijn tehuiskomstUw heer geen rapper welkom? Neem mijn mantel.Dit pak eerst. Ja, 't is zwaar. 'k Heb niets verkocht,Dan aan den kardinaal z'n zoon een pelsDien hij wil dragen, en hij hoopt eerlang,Wanneer zijn vader sterft... Maar wie is dit?Ik zie, ge hebt bezoek. Vast een verwantDie, uit den vreemde pas weêrom, ons huisVerraste en vond geen gastheer op den dorpel.'k Vraag u vergiffnis, mijn verwant. Een huisZonder den gastheer is maar een leêg dingEn loos van eer; een beker zonder wijn,Een scheê die door geen lemmet wordt gestijfd,Een zonverweeûwde tuin en zonder bloemen.Nog eens, wil verontschuldgen, lieve neef.BIANCA:Hij is geen neef van ons en geen verwant.SIMONE:Geen neef, en geen verwant? Gij laat mij schrikken.Wie is het dan die met zoo hoofsche gunstZich wel verwaardt ons gastvrijheid te aanvaarden?GUIDO:Mijn naam is Guido Bardi.SIMONE:Hoe! De zoon vanFirenze's hoogen heer wiens duistre torens,Als schaadwen door de zilvren maan omdwaald,Ik elken avond uit mijn venstren zie?Heer Guido Bardi, gij zijt welkom hier,En nog eens welkom. 'k Hoop, mijn brave vrouw,Die wel niet mooi voor 't oog is, maar heel braaf,Heeft u niet met haar dom gesnap verveeld,Als vrouwen anders zijn gewoon.GUIDO:Mevrouwe,Wier schoonheid als een lamp de sterren bluschtEn al de stralen rooft uit Luna's koker,Heeft mij verwelkomd met zoo zoete hoofschheidDat ik, als 't haar en uw behagen is,Nog vaak uw needrig huis bezoeken zal.En als uw zaken u naar buiten roepen,Zal 'k bij haar zitten en haar droefheid troosten,Dat zij niet al te zeer u missen mag.Dat's afgesproken, vriend Simone?SIMONE:Heer,Gij doet mij zoo hooge eer aan dat mijn tongAls die eens slaafs gebonden niet kan uiten't Woord dat zij wilde. Toch, u niet te dankenWare al te lomp van mij. En dus ik dank uUit mijn harts diepten... Zulke dingen zijn het,Die een staat samenvoegen, als een prinsZoo hoog geboren en wel opgebrachtDe scheiding van 't partijdig lot vergeetEn naar een eerzaam burgers eerzaam huisKomt als een eerzaam vriend ... En toch, mijn Heer,'k Ben te vrijpostig, vrees 'k. Een andren avond,Hopen wij, zult gij als een vriend hier komen—Vanavond komt gij om mijn waar te koopen.Niet-waar? Wat gij begeert, fluweel of zijde,Ik twijfel niet of 'k heb iets keurigs veil,Dat uw keus winnen kan. 't Is waar, 't is laat.Maar arme koopluî zwoegen dag en nachtVoor schaamle winst. De tollen zijn zoo hoog,En iedre stad heft weêr haar eigen tol,Leerjongens zijnniets waard, zelfs vrouwen missenVerstand en takt, al heeft Bianca hierMe een rijken klant gebracht vanavond. 't Is zoo,Niet-waar, Bianca? Maar 'k verdoe mijn tijd.Waar is mijn pak? Hoort gij? Waar is mijn pak?Maak 't open, vrouw-lief. Maak de koorden los.Kniel liever op den grond. Zóo gaat het beter.Neen, dat is 't niet, het andre. Gauw wat, gauw wat!Wij mogen onze koopers niet doen wachten:Dat maakt hen ongeduldig. Ja, dat is het.Geef het eens hier. Voorzichtig. 't Is héel kostbaar.Vat het voorzichtig aan... Nu, edel Heer,Met uw verlof, 'k heb hier Luccaansch damast,Een weefsel van puur zilver, en de rozenZoo knap gewerkt dat ze enkel geur behoevenOm 't prat zintuig te paaien. Voel eens, Heer.Is het niet dun als water, sterk als staal?De rozen dan? Zijn zij niet mooi geweven?De heuvelen die meest de roos verwennen,Te Bellosguardo en te Fiesole,Strooien in lentes schoot niet zulke kelken;Of doen zij 't al, hun bloem verwelkt en sterft.Dat 's 't lot van alle teêr en mooi dat danstIn wind en regen. De Natuur voert zelfKrijg met haar eigen lieflijkheid en moordtHaar kindren als Medea. Neen maar, Heer,Kijk nog eens nader. Hier in dit damastIs 't altijd zomer, en geen winters tandZal ooit dees bloemen knauwen. Iedere elBetaalde ik met een goudstuk. Goed rood goud,De vrucht van zuinge zorg.GUIDO:Brave Simone,Vermoei u niet. Ik ben meer dan voldaan.'k Zend morgen u mijn dienaar die u uitteltDen dubblen prijs.SIMONE:Mijn edelmoedge Prins!Ik kus uw handen. Nu bedenk ik mij:Een andren schat nog houdt mijn huis verborgen,Dien gij zien moet. Het is een gala-kleed:De stof geschoren Venetiaansch fluweel,Granaatappels 't patroon, iedere pitIs uit één paarl, de kraag is louter parelsDicht als in zomeravondstraat de muggen,En blanker dan de manen die des morgensGekken door traliën zien. Een keur-robijnGloedt op den haak gelijk een vuren kool.Zijn Heiligheid bezit niet zulk een steen,En Indië kan zijn tweelingbroêr niet toonen.De gesp zelf is een allerzeldzaamst kunststuk,Met schooner werk bekoorde nooit CelliniGrooten Lorenzo. Nu moet gij hem dragen.Niemand in stad hier is hem waardiger.Hij zal u goed staan. Aan den éenen kantJaagt slank, in gouden sprongen, een gehoorndeSatyr een nymf van zilver. Aan den andrenStaat Stilte, en in haar hand beurt ze een kristal:Zij is zoo klein en smal als nietige aarDie siddert als een vogel overstrijkt,Toch met zoo'n kunst gesneden dat men denkt,Zij poost in 't aadmen, ze aêmt.—Waardge Bianca,Zoû niet dit edel en meest kostbaar kleedHeer Guido's jeugd goed staan? ... Zeg ook een woord:U kan hij vast niets weigren, of de prijs alEens prinsen losgeld zij. En in de winstDeelt gij gelijk met mij.BIANCA:Ben 'k uw leerjongen?Dat ik om uw fluweelen kleed zoû kwanslen?GUIDO:Schoone Bianca, wees gerust: ik koopZijn kleed en alles wat de eerzame koopmanNog meer kwijt wil. Een prins betaalt zijn losgeld,En een geluk is 't als een hoog heer valtIn zulk een eedlen vijands blanke handen.SIMONE:Ik sta beschaamd. Maar, dus de koop gaat door?De koop gaat door, niet? Vijftig duizend kronenIs nauwlijks eigen geld. Maar gij, Heer, geeftSlechts veertig duizend. Is die som te hoog?Noem dan uw prijs. Het is eenmaal mijn grilOm u te zien in dit geweven wonder,Omkranst door de edelvrouwen van het hof,Als een bloem tusschen bloemen... 'k Hoor, Heer, datDie hooge dames zoo op u vermald zijnDat zij zich om uw Hoogheids gunst verdringenAls vliegen waar gij gaat. Ook praat men vanHeeren met horens die zij kranig dragen,Een zonderlinge modegril ...GUIDO:Simone,Uw roekelooze tong roept om den breidel.En dan vergeet gij 't bijzijn van Mevrouw hierWier teedere ooren zeker niet gestemd zijnOp zoo platte muziek.SIMONE:'t Is waar, 'k vergat het.Het zal niet meer gebeuren. Maar gij koopt dus,Mijn goede Heer, het gala-kleed. Niet-waar?Maar veertig duizend kronen. 'n BagatelVoor iemand die Giovanni Bardi's erf is.GUIDO:Regel dat morgen met mijn rentmeesterAntonio Costi. 'k Zal hem bij u sturen.En honderd duizend kronen zult gij hebbenAls dat u dienen kan.SIMONE:Wat! Honderd duizend!Versta 'k goed? Honderd duizend? Op mijn woord,Dat maakt voor eeuwig en in ieder opzichtMe uw schuldenaar. Voorwaar, van nu af isMijn huis en alles wat mijn huis bevat,Van u en niemand anders. Honderd duizend?Mijn hoofd loopt om. Ik zal veel rijker zijnDan de andre koopluî samen. Ik zal koopenLandrijen, gaarden, tuinen. Elk getouwZal mijn zijn van Milaan tot in SiciliëEn mijn de paarlen die Arabiës zeeënBergen in stille grotten ... Eedle Prins,Deze avond luidt voorgoed mijn liefde in, dieZoo groot zal blijken dat wat gij me ook vraagt,U niet geweigerd wordt.GUIDO:En als 'k eens vroegOm blanke Bianca hier?SIMONE:Gij spreekt in scherts, Heer.Zij is zoo groot een prins als u niet waardig.Ze is enkel goed voor huishoudwerk en spinnen.Niet-waar, vrouw-lief? Het is zoo. Zie maar hier.Uw rokken wacht u. Zet u neêr en spin.Eenvrouw moet altijd bezig zijn in huis,Want leedge handen maken 't hart lichtzinnig.Ga zitten, zeg ik.BIANCA:Wat moet 'k spinnen?SIMONE:SpinEen kleed en verf het purper, dat VerdrietMag dragen tot haar troost—een sprei met franjenWaaronder een onwelkom zuigelingOnbemerkt kreunen kan—een keurig lakenKostlijk doorgeurd met reukig kruid, waarin menEen dood man wikklen kan ... Spin wat gij wilt:Mij goed.BIANCA:De brosse draad is afgeknapt,Het loome wiel is 't eindloos draaien moede,Het loomer rokken is zijn kluwen zat;Vanavond spin ik niet.SIMONE:Zooals gij wilt,Maar morgen zult gij spinnen: elke dagVindt u voortaan aan 't wiel. Zoo vond TarquiniusLucretia. Mooglijk wachtte zoo LucretiaTarquinius. Wie zal 't zeggen? Vreemde dingenVerneem 'k van meenge huisvrouw ... Doch, mijn Heer,Wat nieuws van buiten? 'k Hoor vandaag in PisaDat enkle koopluî daar uit EngelandHun wollewaar goedkooper wilden slijtenDan wet en recht toestaat, en om gehoorDe Signoria drongen. Is dit reedlijk?Hoort de éene koopman d'ander te verslinden?De vreemdling die in ons land hier zijn brood vindt,Door afgedwongen voorrecht of door list onsTe brengen om ons winst?GUIDO:Moet ik me afgevenMet koopluî en hun winst? Gij wilt dat ikGa twisten voor u met de Signoria?En 't kleed draag, waarin gij van dwazen kooptVoor nog onnoozler klanten? Vriend Simone,Wol inslaan en verkoopen is uw ambt.Mijn geest speurt ander wild.BIANCA:Mijn eedle Heer,Vergeef mijn goeden man hier, bid ik u.Zijn ziel staat altijd op de markt, zijn hartKlopt enkel voor den beursprijs van de wol.Toch is hij braaf voor zijn gewone doen.
SIMONE (komt op):Zoo traag, vrouw-lief? Verdient bij zijn tehuiskomstUw heer geen rapper welkom? Neem mijn mantel.Dit pak eerst. Ja, 't is zwaar. 'k Heb niets verkocht,Dan aan den kardinaal z'n zoon een pelsDien hij wil dragen, en hij hoopt eerlang,Wanneer zijn vader sterft... Maar wie is dit?Ik zie, ge hebt bezoek. Vast een verwantDie, uit den vreemde pas weêrom, ons huisVerraste en vond geen gastheer op den dorpel.'k Vraag u vergiffnis, mijn verwant. Een huisZonder den gastheer is maar een leêg dingEn loos van eer; een beker zonder wijn,Een scheê die door geen lemmet wordt gestijfd,Een zonverweeûwde tuin en zonder bloemen.Nog eens, wil verontschuldgen, lieve neef.
BIANCA:Hij is geen neef van ons en geen verwant.
SIMONE:Geen neef, en geen verwant? Gij laat mij schrikken.Wie is het dan die met zoo hoofsche gunstZich wel verwaardt ons gastvrijheid te aanvaarden?
GUIDO:Mijn naam is Guido Bardi.
SIMONE:Hoe! De zoon vanFirenze's hoogen heer wiens duistre torens,Als schaadwen door de zilvren maan omdwaald,Ik elken avond uit mijn venstren zie?Heer Guido Bardi, gij zijt welkom hier,En nog eens welkom. 'k Hoop, mijn brave vrouw,Die wel niet mooi voor 't oog is, maar heel braaf,Heeft u niet met haar dom gesnap verveeld,Als vrouwen anders zijn gewoon.
GUIDO:Mevrouwe,Wier schoonheid als een lamp de sterren bluschtEn al de stralen rooft uit Luna's koker,Heeft mij verwelkomd met zoo zoete hoofschheidDat ik, als 't haar en uw behagen is,Nog vaak uw needrig huis bezoeken zal.En als uw zaken u naar buiten roepen,Zal 'k bij haar zitten en haar droefheid troosten,Dat zij niet al te zeer u missen mag.Dat's afgesproken, vriend Simone?
SIMONE:Heer,Gij doet mij zoo hooge eer aan dat mijn tongAls die eens slaafs gebonden niet kan uiten't Woord dat zij wilde. Toch, u niet te dankenWare al te lomp van mij. En dus ik dank uUit mijn harts diepten... Zulke dingen zijn het,Die een staat samenvoegen, als een prinsZoo hoog geboren en wel opgebrachtDe scheiding van 't partijdig lot vergeetEn naar een eerzaam burgers eerzaam huisKomt als een eerzaam vriend ... En toch, mijn Heer,'k Ben te vrijpostig, vrees 'k. Een andren avond,Hopen wij, zult gij als een vriend hier komen—Vanavond komt gij om mijn waar te koopen.Niet-waar? Wat gij begeert, fluweel of zijde,Ik twijfel niet of 'k heb iets keurigs veil,Dat uw keus winnen kan. 't Is waar, 't is laat.Maar arme koopluî zwoegen dag en nachtVoor schaamle winst. De tollen zijn zoo hoog,En iedre stad heft weêr haar eigen tol,Leerjongens zijnniets waard, zelfs vrouwen missenVerstand en takt, al heeft Bianca hierMe een rijken klant gebracht vanavond. 't Is zoo,Niet-waar, Bianca? Maar 'k verdoe mijn tijd.Waar is mijn pak? Hoort gij? Waar is mijn pak?Maak 't open, vrouw-lief. Maak de koorden los.Kniel liever op den grond. Zóo gaat het beter.Neen, dat is 't niet, het andre. Gauw wat, gauw wat!Wij mogen onze koopers niet doen wachten:Dat maakt hen ongeduldig. Ja, dat is het.Geef het eens hier. Voorzichtig. 't Is héel kostbaar.Vat het voorzichtig aan... Nu, edel Heer,Met uw verlof, 'k heb hier Luccaansch damast,Een weefsel van puur zilver, en de rozenZoo knap gewerkt dat ze enkel geur behoevenOm 't prat zintuig te paaien. Voel eens, Heer.Is het niet dun als water, sterk als staal?De rozen dan? Zijn zij niet mooi geweven?De heuvelen die meest de roos verwennen,Te Bellosguardo en te Fiesole,Strooien in lentes schoot niet zulke kelken;Of doen zij 't al, hun bloem verwelkt en sterft.Dat 's 't lot van alle teêr en mooi dat danstIn wind en regen. De Natuur voert zelfKrijg met haar eigen lieflijkheid en moordtHaar kindren als Medea. Neen maar, Heer,Kijk nog eens nader. Hier in dit damastIs 't altijd zomer, en geen winters tandZal ooit dees bloemen knauwen. Iedere elBetaalde ik met een goudstuk. Goed rood goud,De vrucht van zuinge zorg.
GUIDO:Brave Simone,Vermoei u niet. Ik ben meer dan voldaan.'k Zend morgen u mijn dienaar die u uitteltDen dubblen prijs.
SIMONE:Mijn edelmoedge Prins!Ik kus uw handen. Nu bedenk ik mij:Een andren schat nog houdt mijn huis verborgen,Dien gij zien moet. Het is een gala-kleed:De stof geschoren Venetiaansch fluweel,Granaatappels 't patroon, iedere pitIs uit één paarl, de kraag is louter parelsDicht als in zomeravondstraat de muggen,En blanker dan de manen die des morgensGekken door traliën zien. Een keur-robijnGloedt op den haak gelijk een vuren kool.Zijn Heiligheid bezit niet zulk een steen,En Indië kan zijn tweelingbroêr niet toonen.De gesp zelf is een allerzeldzaamst kunststuk,Met schooner werk bekoorde nooit CelliniGrooten Lorenzo. Nu moet gij hem dragen.Niemand in stad hier is hem waardiger.Hij zal u goed staan. Aan den éenen kantJaagt slank, in gouden sprongen, een gehoorndeSatyr een nymf van zilver. Aan den andrenStaat Stilte, en in haar hand beurt ze een kristal:Zij is zoo klein en smal als nietige aarDie siddert als een vogel overstrijkt,Toch met zoo'n kunst gesneden dat men denkt,Zij poost in 't aadmen, ze aêmt.—Waardge Bianca,Zoû niet dit edel en meest kostbaar kleedHeer Guido's jeugd goed staan? ... Zeg ook een woord:U kan hij vast niets weigren, of de prijs alEens prinsen losgeld zij. En in de winstDeelt gij gelijk met mij.
BIANCA:Ben 'k uw leerjongen?Dat ik om uw fluweelen kleed zoû kwanslen?
GUIDO:Schoone Bianca, wees gerust: ik koopZijn kleed en alles wat de eerzame koopmanNog meer kwijt wil. Een prins betaalt zijn losgeld,En een geluk is 't als een hoog heer valtIn zulk een eedlen vijands blanke handen.
SIMONE:Ik sta beschaamd. Maar, dus de koop gaat door?De koop gaat door, niet? Vijftig duizend kronenIs nauwlijks eigen geld. Maar gij, Heer, geeftSlechts veertig duizend. Is die som te hoog?Noem dan uw prijs. Het is eenmaal mijn grilOm u te zien in dit geweven wonder,Omkranst door de edelvrouwen van het hof,Als een bloem tusschen bloemen... 'k Hoor, Heer, datDie hooge dames zoo op u vermald zijnDat zij zich om uw Hoogheids gunst verdringenAls vliegen waar gij gaat. Ook praat men vanHeeren met horens die zij kranig dragen,Een zonderlinge modegril ...
GUIDO:Simone,Uw roekelooze tong roept om den breidel.En dan vergeet gij 't bijzijn van Mevrouw hierWier teedere ooren zeker niet gestemd zijnOp zoo platte muziek.
SIMONE:'t Is waar, 'k vergat het.Het zal niet meer gebeuren. Maar gij koopt dus,Mijn goede Heer, het gala-kleed. Niet-waar?Maar veertig duizend kronen. 'n BagatelVoor iemand die Giovanni Bardi's erf is.
GUIDO:Regel dat morgen met mijn rentmeesterAntonio Costi. 'k Zal hem bij u sturen.En honderd duizend kronen zult gij hebbenAls dat u dienen kan.
SIMONE:Wat! Honderd duizend!Versta 'k goed? Honderd duizend? Op mijn woord,Dat maakt voor eeuwig en in ieder opzichtMe uw schuldenaar. Voorwaar, van nu af isMijn huis en alles wat mijn huis bevat,Van u en niemand anders. Honderd duizend?Mijn hoofd loopt om. Ik zal veel rijker zijnDan de andre koopluî samen. Ik zal koopenLandrijen, gaarden, tuinen. Elk getouwZal mijn zijn van Milaan tot in SiciliëEn mijn de paarlen die Arabiës zeeënBergen in stille grotten ... Eedle Prins,Deze avond luidt voorgoed mijn liefde in, dieZoo groot zal blijken dat wat gij me ook vraagt,U niet geweigerd wordt.
GUIDO:En als 'k eens vroegOm blanke Bianca hier?
SIMONE:Gij spreekt in scherts, Heer.Zij is zoo groot een prins als u niet waardig.Ze is enkel goed voor huishoudwerk en spinnen.Niet-waar, vrouw-lief? Het is zoo. Zie maar hier.Uw rokken wacht u. Zet u neêr en spin.Eenvrouw moet altijd bezig zijn in huis,Want leedge handen maken 't hart lichtzinnig.Ga zitten, zeg ik.
BIANCA:Wat moet 'k spinnen?
SIMONE:SpinEen kleed en verf het purper, dat VerdrietMag dragen tot haar troost—een sprei met franjenWaaronder een onwelkom zuigelingOnbemerkt kreunen kan—een keurig lakenKostlijk doorgeurd met reukig kruid, waarin menEen dood man wikklen kan ... Spin wat gij wilt:Mij goed.
BIANCA:De brosse draad is afgeknapt,Het loome wiel is 't eindloos draaien moede,Het loomer rokken is zijn kluwen zat;Vanavond spin ik niet.
SIMONE:Zooals gij wilt,Maar morgen zult gij spinnen: elke dagVindt u voortaan aan 't wiel. Zoo vond TarquiniusLucretia. Mooglijk wachtte zoo LucretiaTarquinius. Wie zal 't zeggen? Vreemde dingenVerneem 'k van meenge huisvrouw ... Doch, mijn Heer,Wat nieuws van buiten? 'k Hoor vandaag in PisaDat enkle koopluî daar uit EngelandHun wollewaar goedkooper wilden slijtenDan wet en recht toestaat, en om gehoorDe Signoria drongen. Is dit reedlijk?Hoort de éene koopman d'ander te verslinden?De vreemdling die in ons land hier zijn brood vindt,Door afgedwongen voorrecht of door list onsTe brengen om ons winst?
GUIDO:Moet ik me afgevenMet koopluî en hun winst? Gij wilt dat ikGa twisten voor u met de Signoria?En 't kleed draag, waarin gij van dwazen kooptVoor nog onnoozler klanten? Vriend Simone,Wol inslaan en verkoopen is uw ambt.Mijn geest speurt ander wild.
BIANCA:Mijn eedle Heer,Vergeef mijn goeden man hier, bid ik u.Zijn ziel staat altijd op de markt, zijn hartKlopt enkel voor den beursprijs van de wol.Toch is hij braaf voor zijn gewone doen.
(tot Simone:)
En gij, hebt gij geen schaamte? Een hooge prinsKomt hier aan huis, en met misplaatste boudheidVerveelt ge en ergert hem. Vraag hem vergeving.SIMONE:Dat doe 'k ootmoedig. Praten wij vanavondVan andre dingen! 'k Hoor, Zijn HeiligheidSchreef aan den Franschen koning met verzoekOm over 't sneeuwen schild der Alpen hierEen vreê te komen stichten, die zal wezenErger dan broederkrijg en bloedigerDan burgerroof en binnenlandsche veeten.GUIDO:Bah! wie maalt om dien Franschen koning nog,Die nimmer komt en altijd praat van komen?Wat gaat dat mij aan? Ik weet andre dingenBelangrijker en dichter bij, Simone.BIANCA:Gij put 't geduld van onzen hoogen gast uit.Wat raakt ons Frankrijks koning? EvenveelAls uw koopluî uit England met hun wol.. . . . . . . . . . . . . . . . . . .
En gij, hebt gij geen schaamte? Een hooge prinsKomt hier aan huis, en met misplaatste boudheidVerveelt ge en ergert hem. Vraag hem vergeving.
SIMONE:Dat doe 'k ootmoedig. Praten wij vanavondVan andre dingen! 'k Hoor, Zijn HeiligheidSchreef aan den Franschen koning met verzoekOm over 't sneeuwen schild der Alpen hierEen vreê te komen stichten, die zal wezenErger dan broederkrijg en bloedigerDan burgerroof en binnenlandsche veeten.
GUIDO:Bah! wie maalt om dien Franschen koning nog,Die nimmer komt en altijd praat van komen?Wat gaat dat mij aan? Ik weet andre dingenBelangrijker en dichter bij, Simone.
BIANCA:Gij put 't geduld van onzen hoogen gast uit.Wat raakt ons Frankrijks koning? EvenveelAls uw koopluî uit England met hun wol.. . . . . . . . . . . . . . . . . . .
SIMONE:O staat het zóo? Is heel dees machtge wereldVerengd binnen de grenzen dezer kamerMet maar drie poovre zielen voor bewoners?Ja, daar zijn oogenblikken dat 't heelal,Als 't doek in kuip van onbedreven verver,Tot een handbreed ineenkrimpt, mooglijk is 'tNu zulk een uur! Goed, laat het zoo'n uur zijn!Laat dit gering vertrek het hoog tooneel zijn,Waar koon'ngen sterven en ons schamel levenDe inzet wordt waarom God speelt... Ik weet zelf nietWaarom 'k zoo spreek. De rit heeft me uitgeput.En driemaal struikelde mijn paard, een teekenDat niemand goeds voorspelt.... Eilacy, Heer,Welk een armzaalge koop is 's menschen leven,En op wat rommelmarkt verkoopt men ons!Als wij geboren worden, weent ons moeder,Maar om ons dood weent niemand. Neen, niet een.
SIMONE:O staat het zóo? Is heel dees machtge wereldVerengd binnen de grenzen dezer kamerMet maar drie poovre zielen voor bewoners?Ja, daar zijn oogenblikken dat 't heelal,Als 't doek in kuip van onbedreven verver,Tot een handbreed ineenkrimpt, mooglijk is 'tNu zulk een uur! Goed, laat het zoo'n uur zijn!Laat dit gering vertrek het hoog tooneel zijn,Waar koon'ngen sterven en ons schamel levenDe inzet wordt waarom God speelt... Ik weet zelf nietWaarom 'k zoo spreek. De rit heeft me uitgeput.En driemaal struikelde mijn paard, een teekenDat niemand goeds voorspelt.... Eilacy, Heer,Welk een armzaalge koop is 's menschen leven,En op wat rommelmarkt verkoopt men ons!Als wij geboren worden, weent ons moeder,Maar om ons dood weent niemand. Neen, niet een.
(Hij gaat naar den achtergrond.)
BIANCA:Hoe praat de man als een gemeene kramer!Ik haat hem, ziel en lijf. Haar bloedloos zegelDrukte hem lafheid op 't gelaat. Zijn handenBeven verlamd en bleeker dan het blad vanPeppels in voorjaarswind; een leedge woordstroomGudst uit zijn dwazen stotterenden mondAls water uit een leibuis.GUIDO:Lieve Bianca,Hij is uw aandacht noch de mijne waard.De man is niets dan een heel brave schurkVol mooie frasen over levens koopwaar,Die duurst verkoopt wat hij goedkoopst moet achten,Een windrig schreeuwer in een weerld van woorden,Nooit heb 'k zoo'n welbespraakten zot gezien.BIANCA:'k Wou dat de dood hem haalde waar hij staat!SIMONE (keert zich om):Wie noemt daar „Dood”? Dood heeft hier niets te maken.Wat zaken heeft Dood in zoo'n vroolijk huisAls dit waar hij alleen een vrouw, een man,Een vriend tezaam vindt? Laat Dood gaan naar huizenWaar echtbreuk en gemeenheid toegaan, waarDe vrouw, haar kuischheid en haar man en heerMoede, 't gordijn wegschuift voor 't huwlijksbedEn in bezoedelde en onteerde lakensVerboden lusten pleegt. Ja, wel klinkt 't vreemd,Toch gaat het zoo. Gij kent de wereld niet.Daarvoor leeft gij te eerbaar en te afgezonderd.Ik ken haar goed. Ik wou dat 't niet zoo was.Maar wijsheid komt met winters. Mijn haar grijst,Geen jeugd warmt meer mijn koude lijf ... Maar basta.Vanavond is het woord aan Vreugd, en waarlijk,'k Zoû willen vroolijk zijn als past een gastheerDie zulk een hoogen ongedachten gastOp hem vindt wachten... Doch wat 's dit, mijn Heer?Gij bracht uw luit meê om voor ons te spelen?Ja, speel wat, lieve Prins. Ben ik vrijpostig,—Vergeef, maar speel.GUIDO:Vanavond speel ik niet.Een andren keer, Simone. (tot Bianca:) Gij en ikTezamen, en geen luistraars dan de sterrenOf de jaloerscher maan.SIMONE:Toch toch, mijn Heer!Ik smeek u, speel iets. Want ik hoor vertellenDat door het enkel tokklen eener snaar,Door ademtocht die zucht langs holle rietenOf blaast door koelen mond van vaardig bronsZij die die kunst verstaan, onze arme zielenVerlossen uit haar kerker. Ook verneem ik:Zoo vreemde toover schuilt in dit hol speeltuigDat onschuld wijnloof vlecht in hare harenEn wulpsch wordt als bacchante. Maar 'k dwaal af.Ik weet, uw luit is kuisch. En daarom speel:Verruk met zoete melodie mijne ooren;Mijn ziel is in een kerker, en haar waanzinVraagt medicijn. Help mij verzoeken, Bianca.BIANCA:Wees niet bevreesd: ons welbeminde gastZal zelf zijn plaats en uur weten te kiezen;Nu is 't dat uur niet. Gij ontstemt hem slechtsMet uw lomp dringen.GUIDO:Eerzame Simone,Een andren keer. Vanavond ben 'k tevredenMet de zachte muziek van Bianca's stem,Die, als zij spreekt, de te verliefde luchtBekoort en aardes wanklen kring rondomHaar schoonheid vastlegt.SIMONE:Vlei haar niet. Zij heeftHaar deugden als de meeste vrouwen, maarSchoonheid is een kleinood dat zij niet draagt.Misschien is het ook beter. Waarde Heer,Als gij geen wijzen uit uw luit wilt lokkenOm mijn ziels sombere onrust te bezweren,Dan drinken we toch saam? Daar staat uw glas nog.Krijg mij een stoel, Bianca. Sluit de luiken.Zet er den grooten bout voor. 'k Wil niet hebbenDat de nieuwsgierge wereld ons genoegenBeloenschen zoû. En nu, mijn Heer, drink onsEen toost uit boordevollen beker toe....Wat is hier deze vlek op 't laken? 't ZietZoo purper als een wond in Christus' zijde.'t Is niets dan wijn? 'k Heb wel eens hooren zeggen:Waar wijn vergoten wordt, wordt bloed vergoten,—Maar dat's een dwaas verhaal. Mijn Heer, ik hoop,Mijn wijn is naar uw smaak. De druif van NapelsIs vurig als zijn bergen. Ons ToscaneKweekt een onschuldger sap.GUIDO:Mij mondt het goed,Brave Simone, en 'k wil met uw verlofOp schoone Bianca drinken wen haar lippenEerst langs den kelk als roode rozeblârenGlijdend den dronk verzoeten. Proef, Bianca.
BIANCA:Hoe praat de man als een gemeene kramer!Ik haat hem, ziel en lijf. Haar bloedloos zegelDrukte hem lafheid op 't gelaat. Zijn handenBeven verlamd en bleeker dan het blad vanPeppels in voorjaarswind; een leedge woordstroomGudst uit zijn dwazen stotterenden mondAls water uit een leibuis.
GUIDO:Lieve Bianca,Hij is uw aandacht noch de mijne waard.De man is niets dan een heel brave schurkVol mooie frasen over levens koopwaar,Die duurst verkoopt wat hij goedkoopst moet achten,Een windrig schreeuwer in een weerld van woorden,Nooit heb 'k zoo'n welbespraakten zot gezien.
BIANCA:'k Wou dat de dood hem haalde waar hij staat!
SIMONE (keert zich om):Wie noemt daar „Dood”? Dood heeft hier niets te maken.Wat zaken heeft Dood in zoo'n vroolijk huisAls dit waar hij alleen een vrouw, een man,Een vriend tezaam vindt? Laat Dood gaan naar huizenWaar echtbreuk en gemeenheid toegaan, waarDe vrouw, haar kuischheid en haar man en heerMoede, 't gordijn wegschuift voor 't huwlijksbedEn in bezoedelde en onteerde lakensVerboden lusten pleegt. Ja, wel klinkt 't vreemd,Toch gaat het zoo. Gij kent de wereld niet.Daarvoor leeft gij te eerbaar en te afgezonderd.Ik ken haar goed. Ik wou dat 't niet zoo was.Maar wijsheid komt met winters. Mijn haar grijst,Geen jeugd warmt meer mijn koude lijf ... Maar basta.Vanavond is het woord aan Vreugd, en waarlijk,'k Zoû willen vroolijk zijn als past een gastheerDie zulk een hoogen ongedachten gastOp hem vindt wachten... Doch wat 's dit, mijn Heer?Gij bracht uw luit meê om voor ons te spelen?Ja, speel wat, lieve Prins. Ben ik vrijpostig,—Vergeef, maar speel.
GUIDO:Vanavond speel ik niet.Een andren keer, Simone. (tot Bianca:) Gij en ikTezamen, en geen luistraars dan de sterrenOf de jaloerscher maan.
SIMONE:Toch toch, mijn Heer!Ik smeek u, speel iets. Want ik hoor vertellenDat door het enkel tokklen eener snaar,Door ademtocht die zucht langs holle rietenOf blaast door koelen mond van vaardig bronsZij die die kunst verstaan, onze arme zielenVerlossen uit haar kerker. Ook verneem ik:Zoo vreemde toover schuilt in dit hol speeltuigDat onschuld wijnloof vlecht in hare harenEn wulpsch wordt als bacchante. Maar 'k dwaal af.Ik weet, uw luit is kuisch. En daarom speel:Verruk met zoete melodie mijne ooren;Mijn ziel is in een kerker, en haar waanzinVraagt medicijn. Help mij verzoeken, Bianca.
BIANCA:Wees niet bevreesd: ons welbeminde gastZal zelf zijn plaats en uur weten te kiezen;Nu is 't dat uur niet. Gij ontstemt hem slechtsMet uw lomp dringen.
GUIDO:Eerzame Simone,Een andren keer. Vanavond ben 'k tevredenMet de zachte muziek van Bianca's stem,Die, als zij spreekt, de te verliefde luchtBekoort en aardes wanklen kring rondomHaar schoonheid vastlegt.
SIMONE:Vlei haar niet. Zij heeftHaar deugden als de meeste vrouwen, maarSchoonheid is een kleinood dat zij niet draagt.Misschien is het ook beter. Waarde Heer,Als gij geen wijzen uit uw luit wilt lokkenOm mijn ziels sombere onrust te bezweren,Dan drinken we toch saam? Daar staat uw glas nog.Krijg mij een stoel, Bianca. Sluit de luiken.Zet er den grooten bout voor. 'k Wil niet hebbenDat de nieuwsgierge wereld ons genoegenBeloenschen zoû. En nu, mijn Heer, drink onsEen toost uit boordevollen beker toe....Wat is hier deze vlek op 't laken? 't ZietZoo purper als een wond in Christus' zijde.'t Is niets dan wijn? 'k Heb wel eens hooren zeggen:Waar wijn vergoten wordt, wordt bloed vergoten,—Maar dat's een dwaas verhaal. Mijn Heer, ik hoop,Mijn wijn is naar uw smaak. De druif van NapelsIs vurig als zijn bergen. Ons ToscaneKweekt een onschuldger sap.
GUIDO:Mij mondt het goed,Brave Simone, en 'k wil met uw verlofOp schoone Bianca drinken wen haar lippenEerst langs den kelk als roode rozeblârenGlijdend den dronk verzoeten. Proef, Bianca.
(Bianca drinkt.)
O al de honing saam van Hybla's bijenWaar' bitter bij dees teug!—Waarde Simone,Gij neemt geen deel aan 't feest.SIMONE:'t Is vreemd, Heer, 'k kanVanavond met u eten niet of drinken.Een booze luim, een koortsigheid van 't bloed,Dat anders toch bedaard is, een gedachteDie als een adder rustloos ommekruipt,Als een krankzinnge sluipt van cel naar cel,Vergalt mijn smaak en zet mijn lust tot spijsEn drank in walging om. (Hij gaat terzijde.)GUIDO:Lieve Bianca,Dees kramer maakt mij met zijn praatjes wreevlig.Ik moet vanhier. Maar morgen kom ik weêr.Zeg mij hoe laat.BIANCA:Kom met den vroegsten daagraadTot ik u weêrzie, is mijn leven ijdel.GUIDO:Laat neêr den middernacht van uwe haren,In uwer oogen sterren laat mij zienMijn beeltnis als in spiegels. Lieve Bianca,Zij 't slechts een schaduw, o bewaar mij daar,En kijk naar niets dat niet verzinnebeeldtEenge gelijkenis van me. Ik ben naijvrigOp al wat uw gezicht verlust.BIANCA:Uw beeld—O wees gerust—blijft altijd bij mij. Lieve,Liefde verkeert de meest gewone dingenIn teekenen van zoete erinnering.Maar kom vóor met zijn schellen zang de leeuwrikEen wereld wekt van droomers. 'k Zal u wachtenOp het balkon,...GUIDO:En langs scharlaken ladderWier zijden sporten zijn bestikt met paarlen,Daal, blanken voet na blanken voet, als sneeuwOp rozenboom, tot me af.BIANCA:Zooals gij wenscht.Uw eigen ben 'k in liefde of dood, gij weet het.GUIDO:Simone, 't wordt mijn tijd. Ik ga naar huis.SIMONE:Zoo gauw? Waarom? Nog luidde van de DomkerkNiet middernacht. Slaapdronken in hun torensLiggen de wachten, die de bleeke maanPlagen met holle horens. Blijf nog wat.'k Vrees dat we u hier niet zullen wederzien.En die vrees maakt mijn simpel hart bedroefd.GUIDO:Wees niet bezorgd, Simone. Meest standvastigZal 'k blijken in mijn vriendschap. Maar vanavondGa 'k naar mijn eigen huis, en dat terstond.Tot morgen, Bianca.SIMONE:Goed. Uw wensch is wet.'k Had nog wat langer met u willen praten,Mijn nieuwe vriend, mijn eerbiedwaarde gast,Maar dat gaat niet naar 't schijnt. Daar komt nog bij,'k Twijfel niet of uw vader wacht op u,Hunkrend naar stem of voetstap. Als 'k het goed heb,Zijt gij zijn eenig kind? Hij heeft geen ander.Gij zijt de sier en pijler van zijn huis,Zijn éene bloem in tuin van louter onkruid.Uw vaders neven zijn zijn minnaars niet.Zoo gaat het praatje in stad hier. 'k Wou maar zeggen:Zij zijn afgunstig op uw erfenis,Hun gretige oogen schelen naar uw wijngaardAls Achab keek naar Naboths vetten akker.Maar dat is enkel 't praatje van een stadWaar 't vrouwvolk te veel klapt. Goênacht, mijn Heer.Haal een pijnfakkel, Bianca. De oude trapIs vol met gaten, en de inhaalge maanWordt, als een giergaard, karig met haar stralen,En bindt voor haar gezicht een tulen maskerAls lichtekooi die uitgaat om een armeZiel te verstrikken. Wacht, ik zal u krijgenUw zwaard en mantel. Laat mij, goede Heer,Het is niet meer dan plicht dat'k u bedien,Die mij den armen burger zooveel eer deedt,Mijn wijn dronkt en mijn brood braakt en voor onsEen lieve huisvriend werdt. Mijn vrouw en ikZullen nog vaak dees schoonen nacht bepratenEn zijn groote uitkomst. Kijk, wat kostlijk zwaard!Ferrarisch staal, zoo lenig als een slang,En zeker doodlijker. Met zoo'n zwaard hoeftMen in 't gedrang des levens niets te vreezen.Nooit heb ik zoo'n fijn lemmet aangeraakt.Ook ik bezit een zwaard. 't Is nu wat roestig.Ons, vredemannen, leert men needrigheidEn vele lasten op ons schouders dragenEn niet te morren tegen werelds onrechtEn onrechtmaatge krenkingen verduren.Dat leeren we en wij vinden bij ons lijdenVoordeel als de geduldge Jood... Toch, 'k weet nogHoe eens een roover op den weg naar PaduaMijn pakpaard nemen wilde, ik liet hem achterMet afgesneden keel. Ik kan verdragenBlaam, smaad in 't openbaar, velerlei schande,Vlijmenden hoon en open schimp, maar hijDie van mij iets wil dieven wat het mijne is,Zij 't nog zoo waardeloos, het aarden bordWaarvan 'k mijn honger stil—wee hem, hij waagtBij 't stelen ziel en lijf, en sterven doet hijVoor 't klein vergrijp. Uit wat vreemd leem zijn wijMenschen gemaakt!GUIDO:Hoe komt gij zoo te spreken?SIMONE:Ik ben benieuwd, Heer Guido, of mijn zwaardBeter gehard is dan dit staal van u.Lijkt u de proef? Of is mijn stand te laagVoor u om uw rapier met 't mijn te kruisen,In scherts of ernst?GUIDO:Niets zoû mij beter lijkenDan met naakt lemmet over u te staanIn scherts of ernst. Geef mij mijn eigen zwaard.Haal 't uwe. Dees nacht zal het pleit beslechtenOf van den prins of van den koopman 't zwaardBeter gehard is. Was dat niet uw zeggen?Haal slechts uw eigen zwaard. Wat draalt gij, man?SIMONE:Mijn Heer, van al de hofflijke genadenDie gij geregend hebt op mijn dor huis,Is dit de hoogste... Bianca, haal mijn zwaard.Schuif bank en tafel weg. Wij moeten hebbenEen open kring voor onzen wapenkamp.Bianca zal wel den fakkel willen houdenOpdat niet wat als scherts bedoeld is, ernst wordt.BIANCA (tot Guido): O dood hem, dood hem!SIMONE:Houd den fakkel, Bianca.
O al de honing saam van Hybla's bijenWaar' bitter bij dees teug!—Waarde Simone,Gij neemt geen deel aan 't feest.
SIMONE:'t Is vreemd, Heer, 'k kanVanavond met u eten niet of drinken.Een booze luim, een koortsigheid van 't bloed,Dat anders toch bedaard is, een gedachteDie als een adder rustloos ommekruipt,Als een krankzinnge sluipt van cel naar cel,Vergalt mijn smaak en zet mijn lust tot spijsEn drank in walging om. (Hij gaat terzijde.)
GUIDO:Lieve Bianca,Dees kramer maakt mij met zijn praatjes wreevlig.Ik moet vanhier. Maar morgen kom ik weêr.Zeg mij hoe laat.
BIANCA:Kom met den vroegsten daagraadTot ik u weêrzie, is mijn leven ijdel.
GUIDO:Laat neêr den middernacht van uwe haren,In uwer oogen sterren laat mij zienMijn beeltnis als in spiegels. Lieve Bianca,Zij 't slechts een schaduw, o bewaar mij daar,En kijk naar niets dat niet verzinnebeeldtEenge gelijkenis van me. Ik ben naijvrigOp al wat uw gezicht verlust.
BIANCA:Uw beeld—O wees gerust—blijft altijd bij mij. Lieve,Liefde verkeert de meest gewone dingenIn teekenen van zoete erinnering.Maar kom vóor met zijn schellen zang de leeuwrikEen wereld wekt van droomers. 'k Zal u wachtenOp het balkon,...
GUIDO:En langs scharlaken ladderWier zijden sporten zijn bestikt met paarlen,Daal, blanken voet na blanken voet, als sneeuwOp rozenboom, tot me af.
BIANCA:Zooals gij wenscht.Uw eigen ben 'k in liefde of dood, gij weet het.
GUIDO:Simone, 't wordt mijn tijd. Ik ga naar huis.
SIMONE:Zoo gauw? Waarom? Nog luidde van de DomkerkNiet middernacht. Slaapdronken in hun torensLiggen de wachten, die de bleeke maanPlagen met holle horens. Blijf nog wat.'k Vrees dat we u hier niet zullen wederzien.En die vrees maakt mijn simpel hart bedroefd.
GUIDO:Wees niet bezorgd, Simone. Meest standvastigZal 'k blijken in mijn vriendschap. Maar vanavondGa 'k naar mijn eigen huis, en dat terstond.Tot morgen, Bianca.
SIMONE:Goed. Uw wensch is wet.'k Had nog wat langer met u willen praten,Mijn nieuwe vriend, mijn eerbiedwaarde gast,Maar dat gaat niet naar 't schijnt. Daar komt nog bij,'k Twijfel niet of uw vader wacht op u,Hunkrend naar stem of voetstap. Als 'k het goed heb,Zijt gij zijn eenig kind? Hij heeft geen ander.Gij zijt de sier en pijler van zijn huis,Zijn éene bloem in tuin van louter onkruid.Uw vaders neven zijn zijn minnaars niet.Zoo gaat het praatje in stad hier. 'k Wou maar zeggen:Zij zijn afgunstig op uw erfenis,Hun gretige oogen schelen naar uw wijngaardAls Achab keek naar Naboths vetten akker.Maar dat is enkel 't praatje van een stadWaar 't vrouwvolk te veel klapt. Goênacht, mijn Heer.Haal een pijnfakkel, Bianca. De oude trapIs vol met gaten, en de inhaalge maanWordt, als een giergaard, karig met haar stralen,En bindt voor haar gezicht een tulen maskerAls lichtekooi die uitgaat om een armeZiel te verstrikken. Wacht, ik zal u krijgenUw zwaard en mantel. Laat mij, goede Heer,Het is niet meer dan plicht dat'k u bedien,Die mij den armen burger zooveel eer deedt,Mijn wijn dronkt en mijn brood braakt en voor onsEen lieve huisvriend werdt. Mijn vrouw en ikZullen nog vaak dees schoonen nacht bepratenEn zijn groote uitkomst. Kijk, wat kostlijk zwaard!Ferrarisch staal, zoo lenig als een slang,En zeker doodlijker. Met zoo'n zwaard hoeftMen in 't gedrang des levens niets te vreezen.Nooit heb ik zoo'n fijn lemmet aangeraakt.Ook ik bezit een zwaard. 't Is nu wat roestig.Ons, vredemannen, leert men needrigheidEn vele lasten op ons schouders dragenEn niet te morren tegen werelds onrechtEn onrechtmaatge krenkingen verduren.Dat leeren we en wij vinden bij ons lijdenVoordeel als de geduldge Jood... Toch, 'k weet nogHoe eens een roover op den weg naar PaduaMijn pakpaard nemen wilde, ik liet hem achterMet afgesneden keel. Ik kan verdragenBlaam, smaad in 't openbaar, velerlei schande,Vlijmenden hoon en open schimp, maar hijDie van mij iets wil dieven wat het mijne is,Zij 't nog zoo waardeloos, het aarden bordWaarvan 'k mijn honger stil—wee hem, hij waagtBij 't stelen ziel en lijf, en sterven doet hijVoor 't klein vergrijp. Uit wat vreemd leem zijn wijMenschen gemaakt!
GUIDO:Hoe komt gij zoo te spreken?
SIMONE:Ik ben benieuwd, Heer Guido, of mijn zwaardBeter gehard is dan dit staal van u.Lijkt u de proef? Of is mijn stand te laagVoor u om uw rapier met 't mijn te kruisen,In scherts of ernst?
GUIDO:Niets zoû mij beter lijkenDan met naakt lemmet over u te staanIn scherts of ernst. Geef mij mijn eigen zwaard.Haal 't uwe. Dees nacht zal het pleit beslechtenOf van den prins of van den koopman 't zwaardBeter gehard is. Was dat niet uw zeggen?Haal slechts uw eigen zwaard. Wat draalt gij, man?
SIMONE:Mijn Heer, van al de hofflijke genadenDie gij geregend hebt op mijn dor huis,Is dit de hoogste... Bianca, haal mijn zwaard.Schuif bank en tafel weg. Wij moeten hebbenEen open kring voor onzen wapenkamp.Bianca zal wel den fakkel willen houdenOpdat niet wat als scherts bedoeld is, ernst wordt.
BIANCA (tot Guido): O dood hem, dood hem!
SIMONE:Houd den fakkel, Bianca.
(Zij beginnen te vechten.)
In stand! Let op! Aha! Gij dacht zoo-waar—?
In stand! Let op! Aha! Gij dacht zoo-waar—?
(Hij wordt gewond door Guido.)
Een schram, niets meer. Het licht scheen in mijn oogen.Kijk niet bedrukt, Bianca. Het is niets.Uw man bloedt. Het is niets. Krijg een stuk linnenEn bind het rond mijn arm. Neen, niet zoo stijf.Een beetje losser, vrouw-lief. En ik bid u,Wees niet ontdaan. Neen, haal het er weêr af.Wat let het of ik bloed? (Hij rukt het verband af.)Van voor af aan!
Een schram, niets meer. Het licht scheen in mijn oogen.Kijk niet bedrukt, Bianca. Het is niets.Uw man bloedt. Het is niets. Krijg een stuk linnenEn bind het rond mijn arm. Neen, niet zoo stijf.Een beetje losser, vrouw-lief. En ik bid u,Wees niet ontdaan. Neen, haal het er weêr af.Wat let het of ik bloed? (Hij rukt het verband af.)Van voor af aan!
(Simone ontwapent Guido.)
Mijn eedle Heer, gij ziet dat ik gelijk had.Mijn zwaard is fijner staal, beter gehard.En nu dolk tegen dolk.BIANCA (tot Guido):O dood hem, dood hem!SIMONE:Blusch uit den fakkel, Bianca.
Mijn eedle Heer, gij ziet dat ik gelijk had.Mijn zwaard is fijner staal, beter gehard.En nu dolk tegen dolk.
BIANCA (tot Guido):O dood hem, dood hem!
SIMONE:Blusch uit den fakkel, Bianca.
(Bianca bluscht den fakkel uit.)
Nu, mijn Heer,Nu tot den dood van éen van ons, of beiden,Of misschien alle drie. (Zij vechten.) Ziedaar en daar!Ha! duivel, heb ik je eindlijk in mijn greep?
Nu, mijn Heer,Nu tot den dood van éen van ons, of beiden,Of misschien alle drie. (Zij vechten.) Ziedaar en daar!Ha! duivel, heb ik je eindlijk in mijn greep?
(Simone overweldigt Guido en drukt hem neêr op de tafel.)
GUIDO:Dwaas, doe uw wurgersvingers van mijn keel.Ik ben mijn vaders eenge zoon. De staatHeeft maar éen erfgenaam. En 't valsche FrankrijkWacht op 't uitsterven van mijn vaders lijnOm de stad te overvallen.SIMONE:Zwijg! Uw vaderKan kinderloos alleen gelukkger zijn.Wat den staat aangaat, 'k denk, Firenze kanAls loods aan 't stuur geen echtbreker gebruiken.Gij zoudt haar leliën smetten.GUIDO:Weg uw handen!Weg uw verdoemde handen. Laat los, zeg ik.SIMONE:Neen, in zoo'n handge schroef zijt gij gevangenDat niets meer u kan redden, en uw levenTezaamgedrongen in éen stip van schande,Eindt met die schande, en allerschandelijkst.GUIDO:O laat me een priester hebben vóor ik sterf!SIMONE:Waarvoor wil jij een priester? Biecht je zondenAan God dien je vanavond nog zult zienEn dan nooit meer. Biecht Hem je zonden, dieIs meest rechtvaardig in meêdoogenloosheidEn meest meêdoogend in rechtvaardigheid.GUIDO:O help mij, lieve Bianca, help mij, Bianca,Gij weet dat ik geen kwaad bedreven heb.SIMONE:Is daar nog leven in die leugenlippen?Sterf als een hond met slappe tong! Sterf! Sterf!De stomme Arno zal straks uw lijk ontvangenEn spoelt onopgemerkt het weg naar zee.GUIDO:Heer Jezus, neem mijn arme ziel tot u!SIMONE:Amen. En nu komt de andere aan de beurt.
GUIDO:Dwaas, doe uw wurgersvingers van mijn keel.Ik ben mijn vaders eenge zoon. De staatHeeft maar éen erfgenaam. En 't valsche FrankrijkWacht op 't uitsterven van mijn vaders lijnOm de stad te overvallen.
SIMONE:Zwijg! Uw vaderKan kinderloos alleen gelukkger zijn.Wat den staat aangaat, 'k denk, Firenze kanAls loods aan 't stuur geen echtbreker gebruiken.Gij zoudt haar leliën smetten.
GUIDO:Weg uw handen!Weg uw verdoemde handen. Laat los, zeg ik.
SIMONE:Neen, in zoo'n handge schroef zijt gij gevangenDat niets meer u kan redden, en uw levenTezaamgedrongen in éen stip van schande,Eindt met die schande, en allerschandelijkst.
GUIDO:O laat me een priester hebben vóor ik sterf!
SIMONE:Waarvoor wil jij een priester? Biecht je zondenAan God dien je vanavond nog zult zienEn dan nooit meer. Biecht Hem je zonden, dieIs meest rechtvaardig in meêdoogenloosheidEn meest meêdoogend in rechtvaardigheid.
GUIDO:O help mij, lieve Bianca, help mij, Bianca,Gij weet dat ik geen kwaad bedreven heb.
SIMONE:Is daar nog leven in die leugenlippen?Sterf als een hond met slappe tong! Sterf! Sterf!De stomme Arno zal straks uw lijk ontvangenEn spoelt onopgemerkt het weg naar zee.
GUIDO:Heer Jezus, neem mijn arme ziel tot u!
SIMONE:Amen. En nu komt de andere aan de beurt.
(Guido sterft. Simone rijst op en ziet om naar Bianca. Zij komt op hem toe met wijdopen armen als verdwaasd.)