Doode.Hij deedhet.—Het gebeurde in een minimum. Hij was dood.Eerst kwam de vrouw op de kamer, frisch van de wandeling. Ze keek naar ’t lichaam, liep gillend heen. De vader kwam ook, krijt-wit, bevend. Achter hem gluurden de dienstboden, in een groote begeerigheid om het lijk te zien.De dokter constateerde den dood.De kist werd besteld.Een kleine annonce kwam in de krant: ... „Tot onze innige droefheid overleed gisteren, na een korte ongesteldheid, onze”...Nieuwsgierigheid, meelijdend gekakel, vloekende kwaadaardigheid walmden door ’t stadje.Maar hij was dood.Op den begrafenisdag stond de rouwkoets voor de deur. De zwarte kast wiebelde tusschen de stoffige wielen. Slap hingen draperieën en franjes naast verzilverde doodskoppen. Als een zakkendrager, rond gebogen, dommelde de koetsier op den bok. De paarden knabbelden op de gebitten, trappelden saai onder de warme, drukkende dekken. Om de koets, voor de huisdeur krielden menschen, buren, voorbijgangers. Ziekelijke nieuwsgierigheidwas op de tronies. Ze verdrongen zich fluisterend. Ze keken met schuwheid naar de leege holte in de koets, waar de kist moest kommen. Dicht tot elkander schuivend, praatten ze. De een sprak kwaad over den dooie, de ander had het lijk gezien, beschreef de akeligheid van het verminkte hoofd. Aan de overzij hadden ze ’t over ’t aantal koetsen, dat rijk en arm allemaal motten sterven, over de weduwe, over de famielje. Een agent hield de ruimte voor de deur vrij.’t Duurde lang eer de kist kwam. In de brandende zon hing de menigte te braden op de stoep, opdringend, met de ongure nieuwsgierigheid van menschen, die graag met ’n dooie zien sollen.Maar nou kwam-die.Klots, klots. De dwarshouten worden in de koets gelegd. Boem. Een benauwde dreun. De kist glijdt in den wagen. Het zwarte kleed flapt over de houten wanden... ’n Beetje meer aftrekken Dirrèk...Dichter dringt het volk. ’t Wil ’n naakt hoekje van de kist zien. Nou praten ze zachies over de kransen, over de blommen.Allee! Hoert!De lijkwagen trekt ’n endje op. De eerste koets rolt voor. De nieuwsgierige massa duwt en dringt om de bloedverwanten te zien, te kijken wie of d’r nou ’t meest huilt, wie of d’r ’t bleekst is.... Dat sel de vader sijn... die met z’n geplakte hare... Nietes... Wellis... Nietes... Hou nou je bek... Is ’t gedaan van achteren?... Hou je poote thuis, lamstraal... Verrek nou...Langzaam sukkelt de stoet voort. Vóorop de dooie man. Achteraan de koetsen met netjes in ’t zwart, met witte dassen gekleede menschen. Als ’n zwarte slang, waggelt hij naar ’t open gat inden grond, naar ’t plekje omwoelde aarde, waar ze den dooie onder wat schoppen heetgebrand zand zullen verstoppen. De kinderen sjokken nog een eind mee. De voorbijgangers blijven staan, kijken om, tellen de koetsen, gaan verder. De tram stopt even. Achter de ruiten laten de burgerjufs ’n oogenblik d’r emmer met aardappelen of d’r handwerkje staan.Een uur later komen de koetsen voor het sterfhuis terug. Boven in de huiskamer, nemen ze gedempt-sprekend afscheid, loopen op de teenen op het Smyrnaasch.... „Hou je maar goed, meneer... Kom, niet ’t hoofd laten zakken... Sterkte mevrouw...”Buiten stappen ze weer in de koetsen, gaan naar huis, of slenteren in clubjes naar ’n café. Nou ’t lijk niet meer boven aarde staat, spreken ze vrijuit. Dikke oom kan geen medelijden hebben met iemand, die eerst zijn zaken in de war stuurt en er zichzelf dan kort en bondig uithelpt. Dà’s een lafheid, een gemeenheid, een verregaande karakterloosheid. Als je fatsoenlijk man ben, laat je je vrouw niet zoo berooid achter. De familie zal d’r natuurlijk weer voor moeten opdraaien. Natuurlijk de familie! Neef is mee naar ’t graf gegaanpour sauver les apparences. Inwendig vond-ie ’t beroerd om de laatsteeeran iemand te bewijzen, die zóó de familie in opspraak bracht. „Hij” had zijn zaken bijtijds dienen bloot te leggen. Ze zouen ’m dan geholpen hebben. Hij zou ’t zeker gedaan hebben. Maar zúlke krankzinnige uitersten! Nommer drie had allang gemerkt, dat er iets mis was. Hij vond den dooierondwegeen ploert.’t Was heel mooi, om van dooien niks dan goeds te zeggen. Dat ging zoover ’t voeten had. Hij hield er van „zijn meening te zeggen”. ’t Was een infamie! Waarom was „hij” niet failliet gegaan? Watstak d’r voor schande in? Zag je niet dagelijks de grootste huizen springen? Lag ’t niet voor de hand om weer van voren af aan te beginnen, met hulp van de familie? Hadden ze niet voor ’n fatsoenlijk accoordje kunnen zorgen? Nummer vier wou absoluut geen kwaad spreken, maar hij was toch positief door den dooieopgelichtdie hem nog geen twee maanden geleden een paar mille te leen had gevraagd. Nummer vijf zou „hem” een man vankarakterhebben gevonden,alshij had blijven leven. Daartoe was meer moed noodig dan zich dood te schieten, wat feitelijk elkeen kan.Op de Beurs was het nieuws den eersten dag rondgegaan. De crediteuren waren verontwaardigd. Cijfers, dikke, vette cijfers werden genoemd. Er was een algemeene verbittering. De solide beursmannen, die geld aan „hem” verloren hadden, waren kapot van zoo’n geval. Anderen die wat aan „hem” verdiend hadden, redeneerden en beweerden dat je van een zaak alles moet weten voor je aan ’t veroordeelen gaat. Hooggeboorde leegloopers liepen druk-gesticuleerend langs de pilaren. Ze wisten bijzonderheden. Er waren ook grappenmakers. Een had een woordspeling gemaakt op den naam van den dooie... Hahaha!... Wat? Nou, wat?... Nee, mis!.. Hahaha!.. Goeie, zeg... Flauwe bliksem!...De Beurs spoog het nieuws in de stad... Heb je gehoord van...? Van...? Wat zegje d’r van?... Leppend van d’r glaasjes, bij ’t geratel van dominosteenen, in aangenaam weelderige stemming, zaten ze gehokt, onderstellingen makend, sprekend over „zijn” privé-leven... Wie heeft d’r dubbel-zes?... Kom praat nou niet... Dibbels, jouw beurt... Maar dan begon d’r weer een. Ze waren ’t allemaal eens. Hoe kòn je van opinie verschillen? ’t Was nietalleen laf, ’t was onmanlijk om zóó je jonge vrouw achter te laten. Hij had behooren te bedenken, dat een man plichten heeft. Als jonggezel was-ie meester van z’n leven... Maar getrouwd en nog geen jaar getrouwd... Was ze niet ’n juffrouw ††† van d’r van?...Precies. D’r vader was resident in Indië geweest. „Hij” had een goed huwelijk an d’r gedaan. Ze hadden d’r hart te hoog gedragen. Overal nummer een. Als de zaken misloopen, mot je de tering naar de nering zetten. De vorige week waren ze nog in ’t Concertgebouw geweest. Vroolijk as ze waren! En nou ’n smerig bankroet. Een makkelijke manier om je van je schuldeischers af te maken. Een geluk dat d’r geen kinderen waren. Wablief? Geen kinderen? D’r most wel degelijk een op komst zijn... Wat ’n schooier toch! Wat ’n patser!’s Middags, an tafel, spraken ze d’r verder over. Eerst werd ’t zacht an de vrouwen verteld,schuddendie ’t hoofd. Dan, kwam de lust om méér te weten, werd er lief, meelijdend geredeneerd, een sinaasappeltje geschild en over de vrouw gepraat, dronken ze zoete thee en werden de toiletten, de „sjiek” van „haar” behandeld.Wat een luxe in dat huishouden!Wat een verspilling!Zoo’n vrouwmost’n man ruïneeren.Dat had je bij Indischen, die smeten altijd met geld. Daar was geen kruid voor gewassen.Maar wat een schrik, hè, wat een angst... om... zoo... je... man... dood... te vinden... Hè! Hè! Hè! ’t Was om te besterreven. Z’n heele kaak kapot!... Hè! Hou nou op alsjeblief met je angstige verhalen! Hè! Hè! Koos, wil je hebben da’k vannacht geen oog dicht doe!...Naaimugje.Bij de rood-lichtende lamp las ze. Ze was aan het derde hoofdstuk:Een stormachtige nacht.„Daar knalde een pistoolschot; de edele chevalier struikelde, en scheen op ’t punt om in de knieën te zinken—doch neen, hij vervolgde zijn weg, wankelend, als iemand, die beschonken is, maar toch snel genoeg om in de duisternis verdwenen te zijn, eer de man, dien hij had willen verderven, hem achterhalen kon...„Een wanhopige gil hield den vervolger terug in zijn loop: was dàt de stem zijner vrouw? O God, had hij haar getroffen! Haar, die hij ten koste van goed en bloed zou willen behoeden voor ongeluk en schande? Sidderend van zielsangst wankelde hij naar de plek waar de twee vrouwen zich bevonden.„Goddank!zijneJulia was ongedeerd. Bleek, bèvend, doch behouden stond zij daar, als een beeld, zoo roerloos. Céline lag bezwijmd aan hare voeten in ’t vochtige gras.„„Violet?” brengt de man met moeite uit. „Violet! hoe komt zij hier? Wie was die—die—andere, die man?”Zonder te antwoorden buigt...”Tik. Tik. Tik...Tien uur.„Jassus... Hoeveel bladzijden nog eer ’t hoofdstuk uit is... Nog vijf... Eerst uitlezen...”Wèer in de hurkend-liggende houding, gejaagd, las ze verder. Bij het slot: „Ga! Ik zal u straks alles verklaren!”—lei ze een draadje rooie wol in het boek, sloeg het dicht en nam het naaiwerk weer op.Het was muf in het atelier. Ze zat naar de ramen gekeerd, vlak bij de lamp, die aan een kant heel scherp het fijne gezichtje belichtte. Het zwarte haar stond in een wrong hoog-op. Ze had er een kleur van gekregen. Terwijl de vuil-bruine handjes rap aan ’t werk waren en de naald heen en weer vloog als een glinsterend motje, dacht ze aan Violet en Céline, aan den chevalier en den edelen man. Als ze nou hard doorpikte kon zij den zoom om half elf hebben gelegd, dan nog drie knoopsgaten, dan was ze d’r.—Wat je dat opwond! Je wer d’r koud en warm bij! Zullekeheerlikemense, die allemaal zulleke echte, zulleke heerlijke avonturen hadden. Wacht eventjes. Effen den zoom vouwen. Zoo. ’t Was toch mooi goed. As je ’t over je been streek was ’t zoo glanzig as zij. Nou verder. Wat ’n zonde dat’t nog niet af was. As ze eerst d’r taak had klaargemaakt, kon ze nou lekker in bed leggen lezen. Nou was ’t laat voor niks geworden, deeën d’r oogen pijn. Hoe zou ’t afloopen met Céline? Ze was pas an de 52stebladzij. Zou ze eventjes van achter kijken? Nee, jassus, schaap, werk nou door. Wat staken d’r oogen vanavond. Wacht, even betten. Zoo voelden ze frisscher.’t Was ’n lange zit, wat? De andere meissies hadden ’t veel pleizieriger. Die gingen om negen uur weg, hadden pret in de Kalverstraat, kwammen in de lucht en leien nou te slapen. Maar je kon d’r niks an doen. De een was zus, de ander zòo. Zezat toch wel lekkertjes, zoo in het warme atelier. As de andere meissies d’r waren, was ’t wàt lollig. Wat had die Lise zich angesteld vanmiddag. Achter den rug van de juffrouw had ze bakkussen getrokken om van om te vallen. ’t Was wel een grappige meid, maar ze stelde zich toch an as een mal dier as ’t Zondag was. Griet was ’n akelig spook. Wat ’n onuitstaanbaar dierage, om an de juffrouw te klikken dat ze d’r mouw dichtgenaaid hadden. Dat had je altijd bij rooien. Jassus, al elf uur! Wat die tijd toch vloog. As de juffrouw morgen kwam, zou ’t weer mis zijn. De knoopsgatenmostenaf. Sjiek kostuum. Zóó ’n Zondagsche jurk. Wat zou Lise ’n giftige oogen opzetten!Zondag was toch maar ’n dag om te zoenen. As je elken dag van ’s morgens negen tot ’s avonds tien zat te pikken, was ’t goddelijk as je Zondagmiddag tot acht uur uit mocht. De juffrouw was wel goed en vijftig cent zakgeld in de week met vrijen kost was goed betaald, maar je was toch blij as je in de lucht kwam. Nou had ze drie gulden gespaard. Lise, die een daalder verdiende, omdat ze zestien was, versnoepte alles. Die had altijd een toetje met zoetigheid. As je vriendin met d’r bleef, stopte ze altijd toe. Maar ze was zoo’n jongensgek. Ze maakte afspraakies. En de jongens deeën zoo gemeen. Jassus. Nou nog èèn knoopsgat. Hè, wat staken d’r oogen. Morgenavond kreeg ze d’r tien stuivers. Dan kon ze klaar zijn met „Céline’s beproeving”, zou ze „De gevloekte” huren, dat net zoo prachtig most wezen als „De bleeke gravin”.Met gezwollen oogen werkte ze door. Het licht was rooder geworden. Eindelijk lei ze ’t kostuum neer, zocht nog wat wol uit een pak van de groote stellage, dee de kast open en nam het bord met de boterhammen, dat de juffrouw voor d’r klaar hadgezet. Alweer boterhammenworst!... Dat zag je al uit de verte... Natuurlijk! Mààr tien cent het ons. Je mocht nog dank-ie zeggen as je d’r wat opkreeg. Zoo. Nou ging ze d’r nog éven voor zitten. Hè! Dat was nou jeheerlijksteuurtje. Vroeger at ze d’r boterhammen in bed. Maar dan lag je den heelen nacht op de kruimels.Nou was ’t hier omnietnaar bed te gaan. Waar was ze gebleven? O ja, bladzij 52. Een nieuw hoofdstuk:Kassia, de getrouwe en vertrouwde. Nou eerst een hap in de boterham...Smakkend enlangkauwend over elken hap, om maar te rekken, die heerlijke gezelligheid, om te eten terwijl je las en je niet gestoord kon worden, begon ze weer aan den roman, bleef doorlezen en pikte de kruimels van ’t bord.Tik. Tik. Tik. Tik...Was ’t al zóó laat? Precies. De klok ging precies. Buiten speelde ’t net. Nou gauw uitkleeden. Zoo. Nou de nachtpon. Nou d’r haar. Nou kon ze weer lezen.Terwijl zij het haar kamde, las ze door, hield op met kammen en verslond de regels. De kam lei naast het boek... Het was om den heelen nacht op te blijven...„En de vrij gebleven hand tastte onder ’t hoofdkussen, en haalde een blanken dunnen dolk te voorschijn, en nogmaals sprak Julia, met heesche, sissende stem: „Straffen zal ik—ze—en—mijzelve!” En bij elk woord daalde de scherpe dolk neer in de borst der oude vrouw, en toen de doodsangst deze kracht gaf om zich los te rukken, toen een gillend noodgeschrei de huisgenooten bijeen riep, toen daalde die dolk nogmaals neer; en de blanke hand stiet hem krachtig in de met juweelen en kanten versierdeborst,—juist dààr, waar de diamanten vlinder vonkelde...”Tik. Tik.Nee, nouzouze uitscheien. ’t Was, allemachtig, half twee.Ze dee de alkoofdeuren open, zette de lamp voorzichtig op een stoel bij het bed en kroop er in. Nou nog éventjes.... vijf minuten maar. Met dikke wallen onder de oogen las ze door. Het atelier met de stellages lag in het schemerdonker. Het volle licht viel op het bed, op het fletse, vermoeide gezichtje, op het zwarte haar, op de vuilbruine handjes, op het gele beduimelde boek.Maar nou kreeg ze tranen in d’r oogen....:„Gewond, voor ’t leven verminkt, doodziek, zag Céline hem weer; hèm, haar echtgenoot voor God, den vader van haar pasgeboren kind.”Hè, wat was dat miseràbel. Waarom most-ie nou doodgaan? Je kon d’r geregeld bij huilen. Wat brandde dat in je oogen op den laten avond. Zou ze nou niet uitscheien?.... Kwart voor tweeën! Maar vijf uur slaap.... Ja nóú was ze moe.Netjes lei ze het rooie wollen draadje in het boek, op bladzijde 169, draaide de lamp wat lager, blies er in, nog eens, trok het dek op, vouwde de handen en bad: „Lieve God, bewaar mij dezen nacht voor gevaren en onheilen....”Bloedspat.De dokter keek ernstig.„Niet zoo drukken,dokter!”„Doet het hier óók pijn?”„Ja, de heele arm... Hij gloeit verschrikkelijk.”„Wanneer heeft de hond u gebeten?”„Gister-middag. Hij speelde in den tuin. Toen-ie me zag, sprong-ie tegen me op.”„Was hij kwaad?”„Nee. Uitgelaten. Ik had er eerst niet op gelet. Toen ik begon te schrijven, zag ik eene kleine schram aan mijn hand. ’t Beest is nog jong. Hij heeft me dikwijls met zijn scherpe tanden de huid geschaafd.”„’t Ziet er leelijk uit.”„Zou hij hondsdolheid”...„Wel nee!... Waar is de hond?”„In de keuken.”„Roep hem eens.”„Hec! Hec!”„Koest! Niet zoo opspringen!”„’t Is een jong beest, nog geen zes maanden oud.”„Het dier lijkt volkomen gezond... Was hij niet kwaadaardig, weet u het zeker?”„Zeker, dokter.”„Zoo. Dit recept moet je dadelijk laten halen. Je wikkelt je warm in. Tegen den avond kom ik terug.”„Vanavond nóg eens?”„Ja. Laten we hopen, dat ’t dan wat beter is. Anders”...„Anders?”„... Zou ik den arm moeten afzetten!”„Ach dokter, doe dat niet. Moet hij zijn heele leven verminkt blijven!”„Rustig, mevrouwtje. Vanavond kom ik nog eens naar uw man kijken. Het ergste zal wel niet moeten gebeuren.”Zij liet hem uit.„Dokter... als ’t niet beter wordt, moet zijn arm dan”...„Ja mevrouw. Ik maak me werkelijk bezorgd over het geval.”„O dokter, dokter!”„Niet huilen, mevrouwtje.”„Hij kan toch niet dol”...„Nee, neen! Ik denk, dat de hond kort te voren van het een of ander vuil gegeten heeft... In elk geval heeft er bloedvergiftiging plaats gehad. Laat hem de poeders om de twee uur innemen.”„Dag dokter.”„Dag mevrouw.”* * *Tegen den avond werd hij onrustiger.„Richard blijf nou kalm liggen.”„Ik kan niet. Mijn arm brandt. Steek het licht op! Steek het licht op! Waarom laat je me in het donker liggen?”„Je droomt Richard... De lamp is opgestoken”...„Niet waar. Steek de lamp op! Waarom stook je hier zoo! ’t Is om te stikken, om te stikken! Schuif het raam op!”„Is ’t zoo goed?”„Steek de lamp op! Waarom loop je van me weg!”„Hier ben ik, vlak bij je bed.”„Dat ben jij niet... Jij bent ’t niet... Blijf van me af... Bijt me niet in mijn arm... Laat mijn arm los!”„Richard! Richard!”„Het is koud!... Heb jij ’t ook zoo koud? Geef me nog een deken... Ik klappertand van de kou... Ben jij daar Hec? Kom eens hier. Hec! Hec! Hec! Hec!”In de keuken begon de hond die zijn naam hoorde, te blaffen en met de pooten tegen de deur te krabben.„Hec! Hec!”„Laat den hond in de keuken, Richard!”„Nee, nee! Hij moet hier komen! Ik wil hem zien! Hec! Hec!”Haast huilend van angst, dee ze de deur open. De hond sprong jankend naar binnen naar het bed, lekte de vrije hand van den zieke.„Richard, ga nou slapen, blijf nou rustig.”„Wie ben jij?... Waar is mijn vrouw?... Wat moet jij hier?... Ga weg van mijn bed! Ga weg!”...„Doet je dat goed?”Zachtjes lei ze compressen op zijn voorhoofd. Hij kalmeerde wat.„Hoe is het met onzen zieke, mevrouw?”„Slecht dokter. Hij ijlt. Strakjes herkende hij me niet... Zijn arm is zoo vreeselijk geworden!”„Laat me maar eens zien.”Zij lichtte hem bij met de lamp.„’t Is erg... Nee, zet asjeblief de lamp neer. U beeft zoo. Gaat u liever zitten.”„Moet de arm”...„Nee mevrouw.”„Wat dan, wat dan!”„Den arm afzetten kan niet meer helpen, had niet kunnen helpen... U moet u voorbereiden.”„Maak me niet krankzinnig dokter!”„Voor zulk een acuut proces was geen remedie mevrouw”...„O God!”* * *Den volgenden morgen was het afgeloopen. Zoo’n paar jonggetrouwde mense!... Zoo’n beroerde hond... Dat heb je d’r van als je van die opvreters in huis neemt...* * *Ze had nog niet gehuild. Ze bleef angstig-kalm. Net toen Dirk wat zeggen wou van Richard, begon de hond in de keuken langgerekt te janken. Dirk werd bleek.„Dat vervloekte beest,” zei-die.Flauwtjes hoorden de vrouwen hoe hij het dier ranselde.„’k Heb ’m z’n portie gegeven!”En hij begon weer te troosten, sprak van den tijd toen Richard en hij samen op school waren geweest. Ida stootte hem onder tafel an. Hij stoorde er zich niet aan. Hij wou dat ze zou huilen, hij kon dat strakke, witte gezicht niet zien.„Kom je bij ons wat logeeren?”„We zullen elken dag naar zijn graf gaan.”Het hielp niets. Ze knikte maar.„Ik wou dat je nu meeging, je hebt toch geen reden om in het sterfhuis”...Weer huilde de hond in de keuken, langgerekt, afschuwelijk, met sleepende gillen.„Ik zal dat beest”...„Nee... ik zal bij hem gaan.”„Blijf jij hier.”„Nee hij gehoorzaamt meer als ik hem wat zeg.”Kalm, vreemd-bedaard, ging ze de gang in. Eerst naar Richard’s werkkamer. Ze zocht in zijn lessenaar, ging naar de keuken.De hond vloog uitgelaten op, lekte haar handen, sprong blaffend heen en weer.„Stil, Hec.”Uit de keukenkast nam ze het brood, sneed een dikke boterham, brokkelde die op een bord, deed er melk bij, zette het neer op den grond. Het beest lekte haar handen, begon gulzig te eten.Toen dee ze het.De slag was geweldig. Het leek of de keuken instortte. Een vieze, zoete walm hing over den grond.Dirk en Ida smeten de deur open. Op den keukenstoel, half versuft, zat ze, hield de revolver in de hand. De hond lag op den grond, met den kop in den schotel melk. Het bloed klotste uit z’n bek. De pooten rukten in doodsstuip. De oogen waren half open. Enkel wit. Enkel wit.Niemand sprak.Het dier bleef een, twee minuten met de pooten trekken. Langzaam werd het minder, waren er nog alleen korte huiveringen. Onder z’n kop begon het loome bloed te stollen. De kruitdamp hing laag bij den grond.„Kom nou mee.”Hij drong haar de keuken uit.In den leunstoel ging ze achterover liggen, deoogen dicht, zei alleen maar, ijzig-strak:... „Nou zal-die niet meer huilen.”„Wasch je hand kind,” zei Dirk: „er is een bloedspat op.”Ze dee de oogen wijd-open, keek naar het purper-vinnig spetje, keek er làng naar, zei bevend: ... „O, ik kan geen bloed zien,” en viel flauw.Amstel.Zondag. De Amstel ligt weken dicht.Het is koud.Baanvegers schreeuwen, tentebazen galmen.„Leg eres an! Leg eres an!”Het is vinnig koud.Veel volk is gestroomd bij de ronddraaiende slee. Den zwaren boom duwen de mannen, de slee vliegt met krassend gebrom in het rond. Honderden kijken toe hoe het gaat.Het is gruwelijk koud.Met d’r voeten op een stoof zit de vrouw van het tentje. Rood-paars is haar gezicht. Een zwarte, oude doek is om het hoofd geslagen. Bij elke ris rijders schokt haar mond open, schreeuwt ze krakend:—„Leg eres an!... Leg eres an!”Witte spiralen van damp zijn om haar hoofd.—„Wat koste de pollekabrokke, seg?”...„Twee omme cent”...Twee vuile vingers leggen een cent neer.Twee vuile vingers grijpen twee kleverige brokken.Twee vuile vingers stoppen een brok in een grooten tabaksmond.De vrouw schurkt ineen van de kou, giet een kom vol, drinkt, vertroetelend den kop in de beenige, paarse handen. Een gore baanveger met stoppelbaard komt in de tent:„Mie, geef mij d’r ’s ’n spatje”...„Wat seg-ie van soon kou”...„’k Voel me oore niet meer”...De roodpaarse vrouw grijpt onder haar stoel, onder het zwartduister van d’r rokken, kijkt voorzichtig-snel rond, neemt een glaasje van de tafel en schenkt den man met den stoppelbaard in. Met een vlugge wippert zet-ie het achter de kiezen, smakt met de tong, slaat met de armen heen en weer tegen de borst.De wind steekt op, stuift het stof van de baan. Bij het Badhuis, vroolijk omlijnd, is een zwarte woelige drukte. Binnen en buiten het café, met aangebonden schaatsen, zitten juffrouwen en heeren, dames met coquette hoeden, heeren met pelsmutsen en souspieds. De Jan’s draven heen en weer met cognac en bitter, likeurtjes en advocaat. Ze zijn warm, lekker-warm-ingepakt, warm van de beweging, de dames en heeren.Het begint te duisteren.De brug bij de Sarphatistraat steunt statig op de kolommen, die lijken te rusten op de ijs-stevigheid van ’t water.De lucht is betrokken, zwaar van sneeuw, grauw, triestig.De velden van ijs zijn bedekt met zwarte, snel-voortlijnende figuurtjes, donkere kabouters ijlend en vluchtend tusschen de randen van sneeuw. De tenten verschaduwen stil haar rieten, geel-doffe wanden. Vlaggen, rood-wit-en-blauw, rimpelen zacht, bits klapklepperend in den wind.Over het heele water gaat het stemmengejoel van drukke, bewegende menschen. Het is als een straat, een plein in feestdos bij avondschemering.Nu komt harder aanrukken de wind, gierend met stootjes en stuivend wilder de witte bevroren stof.„Een doossie lucifers... een cent maar... God zal je zegenen!...”Op de Hoogesluis, aangehurkt tegen de leuning der brug, zit een man op den harden, wreeden, geweldigen grond. Het eene been is afgestompt bij de heup, het andere gezond, stevig, ligt rechtuit op het trottoir. Het beenstompje is ingenaaid in pilow-broek. Vier dingen rusten op den grond, het beenstompje, het gezonde been en twee lange harde krukken. De eene kruk ligt dwars, dient voor zitplaats. De rug kromt aan tegen de ijzeren spijlen der leuning. Het hoofd is ruw met uitpuilende jukbeenderen, met grijze, fletse oogen. Om het middel gebonden een tasch met doosjes lucifers.Hier, op de Sluis, kun je goed zien de ronddraaiende slee, hooren de rinklende bel. Hier ook zie je prachtig den Amstel met de bruggen rechts, aan de overzij. Hier zie je het ijsveld, wit en donzig, de duizend menschfiguren, aansnellend, wègvluchtend. Hier zie je de trams, rommelend over de brug, die schor dreunt en bromt als de roestige wielen knarsig rondwentlen in de ijzeren voegen, en langs de steenen balustrade staan kijkers, die wijzen als een kraan in het rijden figuren op ’t ijs maakt.In het deftig Amstelhôtel worden de lichten ontstoken. D’electrische lichtjes glunderen sterk aan de kronen. Kellners, als heeren in gala, loopenbeweeglijk om de lange, groote tafel, die bloemstukken draagt en verborgen is onder witte, spierwitte kleeden. Ze dragen stapels servetten, de kellners, en ord’nen de tafel. Beneden de eetzaal, brandt licht ook. Het is alles te zien zoo. Hier rijen groote houten, blankgeschuurde tafels, dragende glimmende koperen pannen. Een kok, met een buik van beteeknis, ordent pasteitjes, een ander klutst met een lepel.Het wordt donkerder. Scherp lijnen de zware omtrekken van ’t Amstelhôtel in de sneeuw-zatte, triestige lucht. Hoog in ’t gebouw zijn de vensters verlicht, gele vierkanten in ’t donker der muren, lijkend als lichtende oogen van ’t slapend gebouw. De muren staan zwijgend en zwart, plomp overbuigend de lanen van sneeuw er om heen. Stevig en koud is het gebouw, log en solide als de ijzeren brug over het water, sterk en groot als de pijlers, die dragen het zware gevaarte.„God zal je zegenen!”De man op den grond met het stompje van been bibbert. Hij lijkt vastgevroren aan den grond, aan den grond van onbarmhartigheid, aan den grond, die ’s zomers verblakert in warmte van de zon, aan den grond, die het groen draagt, de bloemen en zaden, aan den grond van sneeuw en ijs, aan den grond van ellende, wanhoop en ruwheid. Hij zit stil tegen de leuning der brug met het gezonde been en het beenstompje en de krukken, stil op den bruuten, killen, massalen grond. Hij klappert de tanden en herhaalt monotoon tot de menschen, die hebben gereden en warm zijn... „God zal je zegenen.”Nu hebben ook de tramwagens lichtjes, rood, groen en geel. Nijdige stipjes van rood, groen en geel. De lantaarns op de brug beginnen te branden.Een man houdt er een lat bij. Plof! ’t Vlammetje vlamt in het huisje van glas. In de tentjes op ’t ijs is een roodrig geschemer. De huizen aan de overzij lichten vierkantend. Het Amstelhôtel staat statig en groot met heele vlakken van licht. Maar nòg is er daglicht. De lucht is dichter genaderd tot de daken der huizen. De lucht is vet, goorwit, afhangend, als een volgevreten buik. Dicht bij de daken lekken strepen van rood, diffuseerend zachtviolet, doezelend saam heel-even tot een purperen kwijning.Altijd nog rijden menschen beneden op ’t water, schuivend voorbij, zwartend in op elkander. Lange slangen slieren egaal door de volte. Krakend en snerpend raspen de schaatsen over het ijs.De man bij de brug, de man met de krukken en ’t stompje van been, trekt zich langzaam op aan de ijzeren spijlen. Eerst de kruk links, dan de kruk rechts. Hij strompelt voorzichtig, sleepend het levende been mee over den gladden bevroren grond. Stilletjes gaat hij zoo voort, pas voor pas, een, twee,—een, twee, verzettend de krukken, langs de verlichte ramen, langs de rijders, die dragen hun schaatsen, slaat links om en strompelt over de brug van Sarphati, waar de trams knoersig rijden met roode, gele en groene lichten.Nu raakt hij verloren in de drukte, in de volte der menschen.Op de plek, waar hij gezeten heeft, lijkt een adem van warmte te zijn gegaan, een warme menschen-adem tegen een koude ruit.Oudejaar.Nu zitten ze allen om de propere tafel. Vader, die van warmte houdt, zoo dicht mogelijk bij den open haard. Moeder vlak over hem. Klaar giegelt met Leentje. Marie zet de flesschen wijn bij het vuur.„Wat een jammer dat Jo d’r niet is,” zegt moeder.„Wees nou maar stil. Maak den jongen niet uit z’n humeur!”„Hij kan wel eens ’n avond buiten d’r,” plaagt Klaar.„Nest,” zegt hij, flauwtjes.„Zullen we met de tong of met de kippen beginnen?”„Natuurlijk met de tong,” zegt moeder.„Niet waar, met de kippen,” zegt vader.„Hoe kun je nou zoo strijen,” zegt moeder; „je eet toch eerst visch.”„Niet bij een souper,” zegt vader.„De kippen, de kippen, de kippen!” roepen Klaar en Leen, die ’tdolvinden zoo laat te soupeeren.„Neem jij d’r ook een om voor te snijden!”Dolf en vader beginnen tegelijk.„Dolf, haast je! Kijken wie ’t éérst klaar is!”„Nee,” zegt moeder: „Doe ’t langzaam Dolf. Niet zoo zagen op de gewrichten!... Hè, watknarsje!”„Laat ’m toch z’n gang gaan!”„Ik kan ’t nietzien!... Jemishandeltde kip. Je snijdt ze niet!”„Is ’t zoo goed?”Alle aandacht is bij de kluifjes. De meisjes lachen. Vader snijdtserieus, moeder pruttelt.„Nee, snij de derde nou niet an!”„Wees toch stil! Ze gaan wel op.”„Wat roekeloos, wat roekeloos!”Vader wordt boos:„Verstoor nou niet den avond, anders sta ik van tafel op!”„Niet kibbelen op Oudejaarsavond,” roepen Leen en Klaar tegelijk, en ze „pinken.”Marie stoot moeder onder tafel an.„Jehoeftme niet an te stooten,” bromt moeder nog. Maar ze zwijgt als vader, die altijd bang is dat er teweinigis, de derde kip voorsnijdt.„Dolf, wat zit je met ’n gezicht als een Isegrim!” zegt Klaar, die Dolf wil afleiden, terwijl ze ’t zelf jammer vindt dat Jo d’r niet is.„Je mag niet met zoo’n gezicht het nieuwe jaar ingaan,” roept Leentje.„Mot ik nou nog is zeggen, dat je hem met rust moet laten,” roept vader, met klem.„’k Zal morgen vroeg naar Jo gaan om te vragen hoe het is, terwijl jij uitslaapt,” zegt Marie, die zich ongerust maakt, omdat hij zulke kringen onder z’n oogen heeft.„Nee... dat hoeft niet,” zegt Dolf.„’t Zal wel zoo erg niet zijn,” zegt moeder.„’t Was niks, niks... Ze had zware hoofdpijn.”„Zet dan ’n ander gezicht!”„Héb ik niet gezegd”...„Ja, ja, vadertje!”De kip gaat rond. Leentje heeft aardappelen gebakken en appelmoes gemaakt.De vorken en messen tikken tegen de borden. Het licht schijnt gezellig op de zes menschen, op het witte tafelkleed, op het zilver, op de glazen wijn.„Veertien minuten voor twaalf,” zegt Klaar.„Veertien en een halve,” zegt Leentje.„Ik wil het nieuwe jaardronkeningaan,” ginnegapt Klaar.„Proost,” drinkt Leentje.„Eten jullie nou maar,” zegt vader, die’t heerlijk vindt dat ze zoo vroolijk zijn: „eten jullie nou maar, elke kip heeft geld gekost!”De vorken en messen rinkelen.Dolf houdt het kippepootje met de zilveren vork vast, snijdt met het blinkende mes. Hij kijkt even op, ziet ze allen vroolijk, gezellig, vader, moeder, Marie, Klaar, Leentje. Hij probeert te eten. Het gaat niet. ’t Kropt hem in de keel. Hij zou wel weg willen gaan, om ergens in ’t donker te huilen. Pas op... nou huilt-ie... Laten ze ’t in Godsnaam niet zien... Een hap en kauwen... De oogleden doen pijn zoo... Ze branden... Nou ziet-ie niks van z’n bord, van z’n zilveren vork, van het witte tafelkleed, van de rooie wijn... niks, niks, niks... Alleen wat sterren en stralen van het licht in de tranen, die hij wil inhouden... God! daar glijdt er een langs z’n neus... zachtjes... gloeiend-heet... Nou zullen ze ’t zien... Als-ie zich beweegt zullen ze ’t zien... Als-ie z’n neus snuit zullen z’m ankijken... Let d’r iemand op ’m?... Kijken ze ’m an?... Als z’m ankijken zien ze dat-ie huilt... Nou is de traan, die ééne, die heete, in z’n bord gevallen... Kijken z’m an?... Nee... Goddank, nee!... Klaar zegt iets... Ze lachen... Goed zoo... Nou heeft-ie meegelachen... Ze merken niks... ’t Is voorbij... Maar ze moeten nog niet met ’m spreken... De oogenvoelen nog nat... Ze voelen zoo rood... Nou zal-ie blijven kijken naar zijn bord, tot er wéér wat gezegd wordt...„Negen minuten voor twaalf!”„Kind wat drink jij!”„Ik wildronkenworden.”„Ma, Klaar wil dronken worden.”„Klaar pas op.... Z’ is koppig.”„Kan me niks schelen.”„O!.... ik heb ’m!”„Schei toch uit gekkinnen!”„Trek je mee an ’ttrouwbeen, Marie?”„Niet valsch doen, jij neemt ’t langste end!”„Je kunt ’t niet vasthouden, ’t is zoo vet.”„Hoera! Hoera! Ik heb ’t kortste!”„Leentje trouwt ’t eerst, pa!”„Heerlijk,heerlijk, ik trouw ’t eerst, jullie blijven ouwe vrijsters!”„Daar heb je ’t nou.... Kun je dan niet zien wat je doet?”„Nou ’t was maar een ongelukje.”„’t Heele tafelkleed bedorven!”„’t Gaat ’r toch uit met zout.”„Dolf geef ’t zout eens aan.”„Veel op doen, nog meer. Zoo. Laat nou maar stil drogen.”„Klaar zet jij je glas ook wat verder op, anders gebeurt ’t weer.”„Wil je nog een stuk, Dolf?”„Dank u.”„Kom neem nog ’n pootje.”„Dank u.”„Ze moeten op in ’t ouwe jaar.”„Nee ik neem liever een stukje tong.”„Heb ik niet gezegd, dat je gerust een had kunnen laten staan?”„’t Is morgen ook goed.”„Vier minuten voor twaalf!”„Pa, kijk eens op uw horloge!”„Ik heb de klok straks gelijk gezet.”„Leen, let jij op de klok, terwijl ik schoone borden geef.”„Haast je dan wat.”„Akelig spook, hou je nou niet of je dronken bent.”„Ik ben dronken,heusch.”„Pa kijk dat malle spook eens!”Lang, lang vroolijk-opklinkend gelach, zoo vroolijk als het schitteren van de zilveren vork, die in zijn hand rust.„Dolf, je bord.”„Dank u.”„Hoe vin-je ze?”„Prachtig.”„Heb je ooit zulke dikke tong gezien?”„Kolossaal.”„Ze sprong de mand uit.”„Moeder wou ze voor morgen bewaren om te koken.”„Nee, gebakken is ze lekkerder.”„Dolf, trek jij de witte wijn eens open.”„Voorzichtig, Dolf!... Niet zoo hard!... Pas op anders breekt de hals.”„Hè, wat een slag!”„Pas op, pas op, jongens... ’t is op slag van twaalf!”„Haast je dan Dolf, schenk de glazen in! Gauw dan wat, jongen!... Pas op!... Dat was d’r haast naast... Nou Marie nog”...„Stilte... Hou even jullie monden!”„Hoor je buiten de stoombooten?”„Wat een lawaai.”„Stil dan toch!”„Die klok deugt niet... hij wil niet slaan!”„Hè wat een schot! wat hebben die menschen er an om te schieten!”„Stil! Stil! Hoera!... Hij gaat slaan!”Zachtjes bromt de klok. Ze zitten allemaal stil.Tik...Tik...De meisjes zoenen vader en moeder. Vader staat met groote vochtige oogen en snuit z’n neus. Moeder dribbelt tegen als Klaar en Leentje haar tegelijk pakken.„Dolf... hartelijk gefeliciteerd!”...„Nog veel jaren... Hoera!... Dat glas is voor Jo!... Lang leven Dolf en Jo! Hoera!”„Dank je! Dank je!”„Meneer en mevrouw, wel gefeliciteerd.”—Da’s Anna, de keukenmeid.Ze is even boven gekomen, geeft ieder de rooie, groote hand.„Dank je Anna.”„Anna, een glas wijn?”„Asjeblief, mijnheer... Mijnheer Dolf, wèl gefeliciteerd en nog vele jaren voor u en uw meissie... Gut is de juffrouw d’r niet?”...„Anna, daar ga je”...„Gut, juffrouw Klaar wat heb-u ’n kleine oogies.”„Ze isdronkenAnna! Schei nou uit mal spook!”„Waar is Dolf gebleven.”„Dollèf!... Dollèf!... Waar zit je?”„Hé, waar is-ie zoo in eens naar toe gegaan?”„D’r scheelt ’m toch niks?”„Hij is achter. Moe is bij ’m.”Eventjes stilte.„Wat is d’r met Dolf, moe?”„Niks... Kom is even hier.”Vader gaat ook naar buiten. Ze fluisteren in de gang. De meisjes kijken verwonderd.„Wat is d’r met Dolf, vader?”„Niks, niks, niks.”„D’r is wel wat”...„Nee!... Blijf hier!... Blijf hier!”„Wàt is er dan? Wàt is er dan? U maakt ons ongerust!”„Z’n engagement is af”...„Af?”„Af??”„Af.”Poppenwinkel.Zaterdagmorgen bleven de luiken gesloten.Kennisgeving werd niet rondgebracht. Ze was dood. Ieder wist het. Dag aan dag had de dokterskoets voor de deur gewacht. De luiken waren dicht.Hij kwam niet thuis dien avond.Voor zoolang alshetduurde sliep hij bij zijn zuster. Hij was te klein behuisd. Vóór was de speelgoedwinkel, achter de huiskamer, waarin de alkoof stond. In de huiskamer hadden ze geleefd. Ze was groot genoeg geweest voor àlles. Nu er een lijk lag, was het huis te klein. Veel te klein.Zwager en zuster waren zulleke hartelijke mense.—Nou ie in z’n bed lag, begon-ie weer te huilen, omdat ze allemaal zoo hartelijk voor ’m waren.—Ze hadden koek laten halen bij de koffie en een sigaar met een goud ringetje.—Dirk had ’m voorgelezen van Van Maurik om ’m af te leien.—Ze wouen maar niet dat-ie in gedachten zat, zulleke goeie, beste mense!—Maar nou lag-ie dan toch...„Leg-ie al, Willem?”—riep Sien achter ’t houten beschot.„Ja-a-a!”„Leg-ie warrem?”„Ja-a-a!”„Wil je nog niet een deken?”„Nee... ik leg best”...„An niks denken, hoor Willem!”„Nee”...„Nou slaap lekker!”„Dank-ie!”„As-je ons noodig heb, heb-ie maar te kloppen!”„Ja-a-a!”„Nou dag!”Nou hoorde-ie hoe Sien en Dirrek an ’t klessen waren onder de dekens.—As Dirk sprak, was ’t zoo’n diep gebrom.—As Sien wat zei, leek ’t nog verder af.—Nou hadden ze ’t over ’m, over Bertha... Je kon ’t voelen.—Nou waren ze ’m an ’t beklagen... an ’t bekla-a-age...En hij begon weer te grienen uit meelij met zichzelf en om zooveel hártelikheid van die goeie mense.As z’m nou maar niet hoorden, daarnaast—’t stond zoo belabberd, as ze je hoorden huilen.—Maar ze praatten met elkaar.—Ze leien te praten in ’t donker, zooals-ie zoo dikkels met háár gedaan had.—Nou was ’t uit, al kon je ’t niet gelooven, al begreep je d’r niks van. Nou lag-ie alleen te kijken naar de rooie stip van z’n sigaar, die nog te branden lag op ’t zeepbakkie van de waschtafel, was zij óók alleen, alléén achter de tulle gordijnen van het glazen beschot, alléén in de alkoof, alléén met d’r dichte oogen in den speelgoedwinkel. Nou zag-ie ’t nog net zoo precies as of-ie d’r was—op de bovenste plank had je doozen met soldaatjes en boerderijen—op de tweede poppen—op de derde poppen—op de vierde poppen—van uitde alkoof zag je poppen, niks anders dan poppen.—’t Was altijd ’n kemiek gezicht, als boven de luiken licht op de poppen viel.—Wat waren d’r ’n boel weggegaan met Sinterklaas.—Nog nooit was d’r zoo’n jaar geweest.—Ze had d’r schik in gehad. Ze lei altijd in bed te luisteren, als-ie verkocht.—Ze had pleizier als ’t belletje van de deur ging.—Nog voor acht dagen, toen d’r zoo druk om de dure soorten geloopen werd, had-ie van achter de toonbank geroepen: „Wat doet ook weer de groote met de kap?”—en ze had geroepenc. d. f.—Ze wist alles van buiten.—Nou wist ze niks meer, lag ze met d’r dichte oogen onder het laken—God, God, God, as je d’r over dacht, wer-je krankzinnig—da-je elkaar zoo gesproken had, dat ’t zoo uit was...„Slaap-ie Willem?”Hij hield zich maar stil. Wat most-ie nou nog verder praten? Zoo zachies mogelijk snoot-ie z’n neus, om niet te laten merken dat-ie nog wakker lag.Maandag was de begrafenis.Dinsdag waren de luiken van het winkelraam.„Blijf nou nog ’n páár dagen bij ons slapen,” zei Sien.„Nee, nou slaap ik weer hier.”„Ze zellen toch niet bij je inbreken!”„Dat weet ik wel. Maar een paar dagen vroeger of later, wat geeft dat nou?... Ik doe jullie tòch last an met ’t eten.”„Last? Geen zier!”„Nee Sien, ik ga weer hier slapen!”„Kom dan in elk geval an.”„Goed.”Van tien tot twaalf was-ie bij ze. Ze hadden stilgezeten en gepraat over de dingen die in de krant stingen, toen hadden ze gedomineerd en een boterhammetje gegeten, toen was-ie naar huis gegaan. Ze wouen ’m houen, maar hijwouniet. ’t Most alles weer z’n geregelde gang gaan. Acht uur zou de schoonmaakster kommen. Die most geholpen worden.Kwart over twaalf was-ie in de achterkamer, stak de lamp an, kleedde zich uit. Nou lag-ie. Alléén. Maar je most d’r niet over denken. ’t Gaf nou toch niks meer. Raar was ’t bed met één kussen—as je d’r niet an gewend was. Zoo. Nou de lamp uit. De lamp uit?—Zou-ie de lamp uitblazen?—Natuurlijk. Dat dee-ie altijd.—Hij kon niet slapen mèt licht.—Puf! Puf!—Donker.—Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht... negen... tien... ellef... twaallef... Nou zou-ie tot honderd doortellen. Dat hielp... Maar dan most je an niks anders denken... Dertien... veertien... vijftien... zestien... Jazzus wees nou niet bang... Wat ’n flauwe kul!... Zeventien... achttien... negentien...—Daar sloeg ’t hallef een... Waar was-ie gebleven?... Veertien, vijftien, zestien... zeventien... achttien... negentien... twintig... Twéémaal gefloten, vlak voor de deur. Da-was de politie... Daar had je ’t toeteren ook... Nog een in de verte... Nog een... Wat je ’s nachts alles precies kon hooren... Nou was alles veilig... Ga nou slapen!... Waar was-ie gebleven?... Dertig... Een-en-dertig... Twee-en-dertig... Drie-en-dertig... An de cijfers denken, anders lukt ’t niet.. Vier èn dertig. Vijf èn dertig... ’tGingniet! ’t Ging niet! Omdraaien. Zoo zag-ie den winkel. Net of d’r licht was. Daar ha-je de boerinnen op de tweede plank, daar ha-je de dure, die scheef in de doozen leien.—As zoo’n pop nou spreken kon.—Kijken deeën ze.Kijken deeën ze as menschen.—Je zag zoo ’t wit van d’r oogen.—Wat ze toch niet na konden maken!—As je ze achterover hield, deeën ze d’r oogen toe.—Kijken deeën ze as menschen.—Een, twee, drie, vier, vijf, zes... langzaam ademhalen, dan kwam de slaap... zeven, acht, negen, tien... ellef... twaallef... dertien... Dàt was een muis... achter ’t behang... Wat de boerinnetjes glommen... Je kon zoo de kappen zien... Die zware, dikke riep pa en ma-ma, as je op de borst drukte. Je kon d’r an- en uitkleeën... Wat kèken ze allemaal... Net as menschen.—Die dikke boerin keek ’m geregeld an. Die stond scheef.—Kemiek je mòst d’r telkens naar kijken... D’r hielp niks an... As zoo’n pop nou zien kon... dan zág ze ’m... met z’n hoofd op ’t kussen, met z’n oogen open... Zou je nou slapen of niet?... Begin nou bij honderd... Honderd... Honderd èn een... Honderd èn twee... Wacht even. Je kan zoo niet slapen met die kijkende pop.Hij sprong ’t bed uit, liep het winkeltje in, draaide de boerin om.Maar meteen kreeg-ie zoo’n kou in z’n haren, zoo’n snijdende kou, zoo’n misselijke kou en stikte-die haast. Nou zag-ie zelf ’t bed, dat zoo wit was, alsof d’r ’n laken over lee. O God, wat... was... dat... allemaal... verschrikkelijk... terwijl... d’r... toch... niks... was.Langzaam, telkens met dat beverig-koue gevoel in z’n haren, alsof iemand d’r langzaam over streek, stak-ie de lamp weer aan, trok de dekens over het hoofd en ging weer tellen... Een... twee... drie... vier... vijf... zes... zeven... acht... negen.... tien... ellef...
Doode.Hij deedhet.—Het gebeurde in een minimum. Hij was dood.Eerst kwam de vrouw op de kamer, frisch van de wandeling. Ze keek naar ’t lichaam, liep gillend heen. De vader kwam ook, krijt-wit, bevend. Achter hem gluurden de dienstboden, in een groote begeerigheid om het lijk te zien.De dokter constateerde den dood.De kist werd besteld.Een kleine annonce kwam in de krant: ... „Tot onze innige droefheid overleed gisteren, na een korte ongesteldheid, onze”...Nieuwsgierigheid, meelijdend gekakel, vloekende kwaadaardigheid walmden door ’t stadje.Maar hij was dood.Op den begrafenisdag stond de rouwkoets voor de deur. De zwarte kast wiebelde tusschen de stoffige wielen. Slap hingen draperieën en franjes naast verzilverde doodskoppen. Als een zakkendrager, rond gebogen, dommelde de koetsier op den bok. De paarden knabbelden op de gebitten, trappelden saai onder de warme, drukkende dekken. Om de koets, voor de huisdeur krielden menschen, buren, voorbijgangers. Ziekelijke nieuwsgierigheidwas op de tronies. Ze verdrongen zich fluisterend. Ze keken met schuwheid naar de leege holte in de koets, waar de kist moest kommen. Dicht tot elkander schuivend, praatten ze. De een sprak kwaad over den dooie, de ander had het lijk gezien, beschreef de akeligheid van het verminkte hoofd. Aan de overzij hadden ze ’t over ’t aantal koetsen, dat rijk en arm allemaal motten sterven, over de weduwe, over de famielje. Een agent hield de ruimte voor de deur vrij.’t Duurde lang eer de kist kwam. In de brandende zon hing de menigte te braden op de stoep, opdringend, met de ongure nieuwsgierigheid van menschen, die graag met ’n dooie zien sollen.Maar nou kwam-die.Klots, klots. De dwarshouten worden in de koets gelegd. Boem. Een benauwde dreun. De kist glijdt in den wagen. Het zwarte kleed flapt over de houten wanden... ’n Beetje meer aftrekken Dirrèk...Dichter dringt het volk. ’t Wil ’n naakt hoekje van de kist zien. Nou praten ze zachies over de kransen, over de blommen.Allee! Hoert!De lijkwagen trekt ’n endje op. De eerste koets rolt voor. De nieuwsgierige massa duwt en dringt om de bloedverwanten te zien, te kijken wie of d’r nou ’t meest huilt, wie of d’r ’t bleekst is.... Dat sel de vader sijn... die met z’n geplakte hare... Nietes... Wellis... Nietes... Hou nou je bek... Is ’t gedaan van achteren?... Hou je poote thuis, lamstraal... Verrek nou...Langzaam sukkelt de stoet voort. Vóorop de dooie man. Achteraan de koetsen met netjes in ’t zwart, met witte dassen gekleede menschen. Als ’n zwarte slang, waggelt hij naar ’t open gat inden grond, naar ’t plekje omwoelde aarde, waar ze den dooie onder wat schoppen heetgebrand zand zullen verstoppen. De kinderen sjokken nog een eind mee. De voorbijgangers blijven staan, kijken om, tellen de koetsen, gaan verder. De tram stopt even. Achter de ruiten laten de burgerjufs ’n oogenblik d’r emmer met aardappelen of d’r handwerkje staan.Een uur later komen de koetsen voor het sterfhuis terug. Boven in de huiskamer, nemen ze gedempt-sprekend afscheid, loopen op de teenen op het Smyrnaasch.... „Hou je maar goed, meneer... Kom, niet ’t hoofd laten zakken... Sterkte mevrouw...”Buiten stappen ze weer in de koetsen, gaan naar huis, of slenteren in clubjes naar ’n café. Nou ’t lijk niet meer boven aarde staat, spreken ze vrijuit. Dikke oom kan geen medelijden hebben met iemand, die eerst zijn zaken in de war stuurt en er zichzelf dan kort en bondig uithelpt. Dà’s een lafheid, een gemeenheid, een verregaande karakterloosheid. Als je fatsoenlijk man ben, laat je je vrouw niet zoo berooid achter. De familie zal d’r natuurlijk weer voor moeten opdraaien. Natuurlijk de familie! Neef is mee naar ’t graf gegaanpour sauver les apparences. Inwendig vond-ie ’t beroerd om de laatsteeeran iemand te bewijzen, die zóó de familie in opspraak bracht. „Hij” had zijn zaken bijtijds dienen bloot te leggen. Ze zouen ’m dan geholpen hebben. Hij zou ’t zeker gedaan hebben. Maar zúlke krankzinnige uitersten! Nommer drie had allang gemerkt, dat er iets mis was. Hij vond den dooierondwegeen ploert.’t Was heel mooi, om van dooien niks dan goeds te zeggen. Dat ging zoover ’t voeten had. Hij hield er van „zijn meening te zeggen”. ’t Was een infamie! Waarom was „hij” niet failliet gegaan? Watstak d’r voor schande in? Zag je niet dagelijks de grootste huizen springen? Lag ’t niet voor de hand om weer van voren af aan te beginnen, met hulp van de familie? Hadden ze niet voor ’n fatsoenlijk accoordje kunnen zorgen? Nummer vier wou absoluut geen kwaad spreken, maar hij was toch positief door den dooieopgelichtdie hem nog geen twee maanden geleden een paar mille te leen had gevraagd. Nummer vijf zou „hem” een man vankarakterhebben gevonden,alshij had blijven leven. Daartoe was meer moed noodig dan zich dood te schieten, wat feitelijk elkeen kan.Op de Beurs was het nieuws den eersten dag rondgegaan. De crediteuren waren verontwaardigd. Cijfers, dikke, vette cijfers werden genoemd. Er was een algemeene verbittering. De solide beursmannen, die geld aan „hem” verloren hadden, waren kapot van zoo’n geval. Anderen die wat aan „hem” verdiend hadden, redeneerden en beweerden dat je van een zaak alles moet weten voor je aan ’t veroordeelen gaat. Hooggeboorde leegloopers liepen druk-gesticuleerend langs de pilaren. Ze wisten bijzonderheden. Er waren ook grappenmakers. Een had een woordspeling gemaakt op den naam van den dooie... Hahaha!... Wat? Nou, wat?... Nee, mis!.. Hahaha!.. Goeie, zeg... Flauwe bliksem!...De Beurs spoog het nieuws in de stad... Heb je gehoord van...? Van...? Wat zegje d’r van?... Leppend van d’r glaasjes, bij ’t geratel van dominosteenen, in aangenaam weelderige stemming, zaten ze gehokt, onderstellingen makend, sprekend over „zijn” privé-leven... Wie heeft d’r dubbel-zes?... Kom praat nou niet... Dibbels, jouw beurt... Maar dan begon d’r weer een. Ze waren ’t allemaal eens. Hoe kòn je van opinie verschillen? ’t Was nietalleen laf, ’t was onmanlijk om zóó je jonge vrouw achter te laten. Hij had behooren te bedenken, dat een man plichten heeft. Als jonggezel was-ie meester van z’n leven... Maar getrouwd en nog geen jaar getrouwd... Was ze niet ’n juffrouw ††† van d’r van?...Precies. D’r vader was resident in Indië geweest. „Hij” had een goed huwelijk an d’r gedaan. Ze hadden d’r hart te hoog gedragen. Overal nummer een. Als de zaken misloopen, mot je de tering naar de nering zetten. De vorige week waren ze nog in ’t Concertgebouw geweest. Vroolijk as ze waren! En nou ’n smerig bankroet. Een makkelijke manier om je van je schuldeischers af te maken. Een geluk dat d’r geen kinderen waren. Wablief? Geen kinderen? D’r most wel degelijk een op komst zijn... Wat ’n schooier toch! Wat ’n patser!’s Middags, an tafel, spraken ze d’r verder over. Eerst werd ’t zacht an de vrouwen verteld,schuddendie ’t hoofd. Dan, kwam de lust om méér te weten, werd er lief, meelijdend geredeneerd, een sinaasappeltje geschild en over de vrouw gepraat, dronken ze zoete thee en werden de toiletten, de „sjiek” van „haar” behandeld.Wat een luxe in dat huishouden!Wat een verspilling!Zoo’n vrouwmost’n man ruïneeren.Dat had je bij Indischen, die smeten altijd met geld. Daar was geen kruid voor gewassen.Maar wat een schrik, hè, wat een angst... om... zoo... je... man... dood... te vinden... Hè! Hè! Hè! ’t Was om te besterreven. Z’n heele kaak kapot!... Hè! Hou nou op alsjeblief met je angstige verhalen! Hè! Hè! Koos, wil je hebben da’k vannacht geen oog dicht doe!...
Hij deedhet.—Het gebeurde in een minimum. Hij was dood.
Eerst kwam de vrouw op de kamer, frisch van de wandeling. Ze keek naar ’t lichaam, liep gillend heen. De vader kwam ook, krijt-wit, bevend. Achter hem gluurden de dienstboden, in een groote begeerigheid om het lijk te zien.
De dokter constateerde den dood.
De kist werd besteld.
Een kleine annonce kwam in de krant: ... „Tot onze innige droefheid overleed gisteren, na een korte ongesteldheid, onze”...
Nieuwsgierigheid, meelijdend gekakel, vloekende kwaadaardigheid walmden door ’t stadje.
Maar hij was dood.
Op den begrafenisdag stond de rouwkoets voor de deur. De zwarte kast wiebelde tusschen de stoffige wielen. Slap hingen draperieën en franjes naast verzilverde doodskoppen. Als een zakkendrager, rond gebogen, dommelde de koetsier op den bok. De paarden knabbelden op de gebitten, trappelden saai onder de warme, drukkende dekken. Om de koets, voor de huisdeur krielden menschen, buren, voorbijgangers. Ziekelijke nieuwsgierigheidwas op de tronies. Ze verdrongen zich fluisterend. Ze keken met schuwheid naar de leege holte in de koets, waar de kist moest kommen. Dicht tot elkander schuivend, praatten ze. De een sprak kwaad over den dooie, de ander had het lijk gezien, beschreef de akeligheid van het verminkte hoofd. Aan de overzij hadden ze ’t over ’t aantal koetsen, dat rijk en arm allemaal motten sterven, over de weduwe, over de famielje. Een agent hield de ruimte voor de deur vrij.
’t Duurde lang eer de kist kwam. In de brandende zon hing de menigte te braden op de stoep, opdringend, met de ongure nieuwsgierigheid van menschen, die graag met ’n dooie zien sollen.
Maar nou kwam-die.
Klots, klots. De dwarshouten worden in de koets gelegd. Boem. Een benauwde dreun. De kist glijdt in den wagen. Het zwarte kleed flapt over de houten wanden... ’n Beetje meer aftrekken Dirrèk...
Dichter dringt het volk. ’t Wil ’n naakt hoekje van de kist zien. Nou praten ze zachies over de kransen, over de blommen.
Allee! Hoert!
De lijkwagen trekt ’n endje op. De eerste koets rolt voor. De nieuwsgierige massa duwt en dringt om de bloedverwanten te zien, te kijken wie of d’r nou ’t meest huilt, wie of d’r ’t bleekst is.
... Dat sel de vader sijn... die met z’n geplakte hare... Nietes... Wellis... Nietes... Hou nou je bek... Is ’t gedaan van achteren?... Hou je poote thuis, lamstraal... Verrek nou...
Langzaam sukkelt de stoet voort. Vóorop de dooie man. Achteraan de koetsen met netjes in ’t zwart, met witte dassen gekleede menschen. Als ’n zwarte slang, waggelt hij naar ’t open gat inden grond, naar ’t plekje omwoelde aarde, waar ze den dooie onder wat schoppen heetgebrand zand zullen verstoppen. De kinderen sjokken nog een eind mee. De voorbijgangers blijven staan, kijken om, tellen de koetsen, gaan verder. De tram stopt even. Achter de ruiten laten de burgerjufs ’n oogenblik d’r emmer met aardappelen of d’r handwerkje staan.
Een uur later komen de koetsen voor het sterfhuis terug. Boven in de huiskamer, nemen ze gedempt-sprekend afscheid, loopen op de teenen op het Smyrnaasch.
... „Hou je maar goed, meneer... Kom, niet ’t hoofd laten zakken... Sterkte mevrouw...”
Buiten stappen ze weer in de koetsen, gaan naar huis, of slenteren in clubjes naar ’n café. Nou ’t lijk niet meer boven aarde staat, spreken ze vrijuit. Dikke oom kan geen medelijden hebben met iemand, die eerst zijn zaken in de war stuurt en er zichzelf dan kort en bondig uithelpt. Dà’s een lafheid, een gemeenheid, een verregaande karakterloosheid. Als je fatsoenlijk man ben, laat je je vrouw niet zoo berooid achter. De familie zal d’r natuurlijk weer voor moeten opdraaien. Natuurlijk de familie! Neef is mee naar ’t graf gegaanpour sauver les apparences. Inwendig vond-ie ’t beroerd om de laatsteeeran iemand te bewijzen, die zóó de familie in opspraak bracht. „Hij” had zijn zaken bijtijds dienen bloot te leggen. Ze zouen ’m dan geholpen hebben. Hij zou ’t zeker gedaan hebben. Maar zúlke krankzinnige uitersten! Nommer drie had allang gemerkt, dat er iets mis was. Hij vond den dooierondwegeen ploert.
’t Was heel mooi, om van dooien niks dan goeds te zeggen. Dat ging zoover ’t voeten had. Hij hield er van „zijn meening te zeggen”. ’t Was een infamie! Waarom was „hij” niet failliet gegaan? Watstak d’r voor schande in? Zag je niet dagelijks de grootste huizen springen? Lag ’t niet voor de hand om weer van voren af aan te beginnen, met hulp van de familie? Hadden ze niet voor ’n fatsoenlijk accoordje kunnen zorgen? Nummer vier wou absoluut geen kwaad spreken, maar hij was toch positief door den dooieopgelichtdie hem nog geen twee maanden geleden een paar mille te leen had gevraagd. Nummer vijf zou „hem” een man vankarakterhebben gevonden,alshij had blijven leven. Daartoe was meer moed noodig dan zich dood te schieten, wat feitelijk elkeen kan.
Op de Beurs was het nieuws den eersten dag rondgegaan. De crediteuren waren verontwaardigd. Cijfers, dikke, vette cijfers werden genoemd. Er was een algemeene verbittering. De solide beursmannen, die geld aan „hem” verloren hadden, waren kapot van zoo’n geval. Anderen die wat aan „hem” verdiend hadden, redeneerden en beweerden dat je van een zaak alles moet weten voor je aan ’t veroordeelen gaat. Hooggeboorde leegloopers liepen druk-gesticuleerend langs de pilaren. Ze wisten bijzonderheden. Er waren ook grappenmakers. Een had een woordspeling gemaakt op den naam van den dooie... Hahaha!... Wat? Nou, wat?... Nee, mis!.. Hahaha!.. Goeie, zeg... Flauwe bliksem!...
De Beurs spoog het nieuws in de stad... Heb je gehoord van...? Van...? Wat zegje d’r van?... Leppend van d’r glaasjes, bij ’t geratel van dominosteenen, in aangenaam weelderige stemming, zaten ze gehokt, onderstellingen makend, sprekend over „zijn” privé-leven... Wie heeft d’r dubbel-zes?... Kom praat nou niet... Dibbels, jouw beurt... Maar dan begon d’r weer een. Ze waren ’t allemaal eens. Hoe kòn je van opinie verschillen? ’t Was nietalleen laf, ’t was onmanlijk om zóó je jonge vrouw achter te laten. Hij had behooren te bedenken, dat een man plichten heeft. Als jonggezel was-ie meester van z’n leven... Maar getrouwd en nog geen jaar getrouwd... Was ze niet ’n juffrouw ††† van d’r van?...
Precies. D’r vader was resident in Indië geweest. „Hij” had een goed huwelijk an d’r gedaan. Ze hadden d’r hart te hoog gedragen. Overal nummer een. Als de zaken misloopen, mot je de tering naar de nering zetten. De vorige week waren ze nog in ’t Concertgebouw geweest. Vroolijk as ze waren! En nou ’n smerig bankroet. Een makkelijke manier om je van je schuldeischers af te maken. Een geluk dat d’r geen kinderen waren. Wablief? Geen kinderen? D’r most wel degelijk een op komst zijn... Wat ’n schooier toch! Wat ’n patser!
’s Middags, an tafel, spraken ze d’r verder over. Eerst werd ’t zacht an de vrouwen verteld,schuddendie ’t hoofd. Dan, kwam de lust om méér te weten, werd er lief, meelijdend geredeneerd, een sinaasappeltje geschild en over de vrouw gepraat, dronken ze zoete thee en werden de toiletten, de „sjiek” van „haar” behandeld.
Wat een luxe in dat huishouden!
Wat een verspilling!
Zoo’n vrouwmost’n man ruïneeren.
Dat had je bij Indischen, die smeten altijd met geld. Daar was geen kruid voor gewassen.
Maar wat een schrik, hè, wat een angst... om... zoo... je... man... dood... te vinden... Hè! Hè! Hè! ’t Was om te besterreven. Z’n heele kaak kapot!... Hè! Hou nou op alsjeblief met je angstige verhalen! Hè! Hè! Koos, wil je hebben da’k vannacht geen oog dicht doe!...
Naaimugje.Bij de rood-lichtende lamp las ze. Ze was aan het derde hoofdstuk:Een stormachtige nacht.„Daar knalde een pistoolschot; de edele chevalier struikelde, en scheen op ’t punt om in de knieën te zinken—doch neen, hij vervolgde zijn weg, wankelend, als iemand, die beschonken is, maar toch snel genoeg om in de duisternis verdwenen te zijn, eer de man, dien hij had willen verderven, hem achterhalen kon...„Een wanhopige gil hield den vervolger terug in zijn loop: was dàt de stem zijner vrouw? O God, had hij haar getroffen! Haar, die hij ten koste van goed en bloed zou willen behoeden voor ongeluk en schande? Sidderend van zielsangst wankelde hij naar de plek waar de twee vrouwen zich bevonden.„Goddank!zijneJulia was ongedeerd. Bleek, bèvend, doch behouden stond zij daar, als een beeld, zoo roerloos. Céline lag bezwijmd aan hare voeten in ’t vochtige gras.„„Violet?” brengt de man met moeite uit. „Violet! hoe komt zij hier? Wie was die—die—andere, die man?”Zonder te antwoorden buigt...”Tik. Tik. Tik...Tien uur.„Jassus... Hoeveel bladzijden nog eer ’t hoofdstuk uit is... Nog vijf... Eerst uitlezen...”Wèer in de hurkend-liggende houding, gejaagd, las ze verder. Bij het slot: „Ga! Ik zal u straks alles verklaren!”—lei ze een draadje rooie wol in het boek, sloeg het dicht en nam het naaiwerk weer op.Het was muf in het atelier. Ze zat naar de ramen gekeerd, vlak bij de lamp, die aan een kant heel scherp het fijne gezichtje belichtte. Het zwarte haar stond in een wrong hoog-op. Ze had er een kleur van gekregen. Terwijl de vuil-bruine handjes rap aan ’t werk waren en de naald heen en weer vloog als een glinsterend motje, dacht ze aan Violet en Céline, aan den chevalier en den edelen man. Als ze nou hard doorpikte kon zij den zoom om half elf hebben gelegd, dan nog drie knoopsgaten, dan was ze d’r.—Wat je dat opwond! Je wer d’r koud en warm bij! Zullekeheerlikemense, die allemaal zulleke echte, zulleke heerlijke avonturen hadden. Wacht eventjes. Effen den zoom vouwen. Zoo. ’t Was toch mooi goed. As je ’t over je been streek was ’t zoo glanzig as zij. Nou verder. Wat ’n zonde dat’t nog niet af was. As ze eerst d’r taak had klaargemaakt, kon ze nou lekker in bed leggen lezen. Nou was ’t laat voor niks geworden, deeën d’r oogen pijn. Hoe zou ’t afloopen met Céline? Ze was pas an de 52stebladzij. Zou ze eventjes van achter kijken? Nee, jassus, schaap, werk nou door. Wat staken d’r oogen vanavond. Wacht, even betten. Zoo voelden ze frisscher.’t Was ’n lange zit, wat? De andere meissies hadden ’t veel pleizieriger. Die gingen om negen uur weg, hadden pret in de Kalverstraat, kwammen in de lucht en leien nou te slapen. Maar je kon d’r niks an doen. De een was zus, de ander zòo. Zezat toch wel lekkertjes, zoo in het warme atelier. As de andere meissies d’r waren, was ’t wàt lollig. Wat had die Lise zich angesteld vanmiddag. Achter den rug van de juffrouw had ze bakkussen getrokken om van om te vallen. ’t Was wel een grappige meid, maar ze stelde zich toch an as een mal dier as ’t Zondag was. Griet was ’n akelig spook. Wat ’n onuitstaanbaar dierage, om an de juffrouw te klikken dat ze d’r mouw dichtgenaaid hadden. Dat had je altijd bij rooien. Jassus, al elf uur! Wat die tijd toch vloog. As de juffrouw morgen kwam, zou ’t weer mis zijn. De knoopsgatenmostenaf. Sjiek kostuum. Zóó ’n Zondagsche jurk. Wat zou Lise ’n giftige oogen opzetten!Zondag was toch maar ’n dag om te zoenen. As je elken dag van ’s morgens negen tot ’s avonds tien zat te pikken, was ’t goddelijk as je Zondagmiddag tot acht uur uit mocht. De juffrouw was wel goed en vijftig cent zakgeld in de week met vrijen kost was goed betaald, maar je was toch blij as je in de lucht kwam. Nou had ze drie gulden gespaard. Lise, die een daalder verdiende, omdat ze zestien was, versnoepte alles. Die had altijd een toetje met zoetigheid. As je vriendin met d’r bleef, stopte ze altijd toe. Maar ze was zoo’n jongensgek. Ze maakte afspraakies. En de jongens deeën zoo gemeen. Jassus. Nou nog èèn knoopsgat. Hè, wat staken d’r oogen. Morgenavond kreeg ze d’r tien stuivers. Dan kon ze klaar zijn met „Céline’s beproeving”, zou ze „De gevloekte” huren, dat net zoo prachtig most wezen als „De bleeke gravin”.Met gezwollen oogen werkte ze door. Het licht was rooder geworden. Eindelijk lei ze ’t kostuum neer, zocht nog wat wol uit een pak van de groote stellage, dee de kast open en nam het bord met de boterhammen, dat de juffrouw voor d’r klaar hadgezet. Alweer boterhammenworst!... Dat zag je al uit de verte... Natuurlijk! Mààr tien cent het ons. Je mocht nog dank-ie zeggen as je d’r wat opkreeg. Zoo. Nou ging ze d’r nog éven voor zitten. Hè! Dat was nou jeheerlijksteuurtje. Vroeger at ze d’r boterhammen in bed. Maar dan lag je den heelen nacht op de kruimels.Nou was ’t hier omnietnaar bed te gaan. Waar was ze gebleven? O ja, bladzij 52. Een nieuw hoofdstuk:Kassia, de getrouwe en vertrouwde. Nou eerst een hap in de boterham...Smakkend enlangkauwend over elken hap, om maar te rekken, die heerlijke gezelligheid, om te eten terwijl je las en je niet gestoord kon worden, begon ze weer aan den roman, bleef doorlezen en pikte de kruimels van ’t bord.Tik. Tik. Tik. Tik...Was ’t al zóó laat? Precies. De klok ging precies. Buiten speelde ’t net. Nou gauw uitkleeden. Zoo. Nou de nachtpon. Nou d’r haar. Nou kon ze weer lezen.Terwijl zij het haar kamde, las ze door, hield op met kammen en verslond de regels. De kam lei naast het boek... Het was om den heelen nacht op te blijven...„En de vrij gebleven hand tastte onder ’t hoofdkussen, en haalde een blanken dunnen dolk te voorschijn, en nogmaals sprak Julia, met heesche, sissende stem: „Straffen zal ik—ze—en—mijzelve!” En bij elk woord daalde de scherpe dolk neer in de borst der oude vrouw, en toen de doodsangst deze kracht gaf om zich los te rukken, toen een gillend noodgeschrei de huisgenooten bijeen riep, toen daalde die dolk nogmaals neer; en de blanke hand stiet hem krachtig in de met juweelen en kanten versierdeborst,—juist dààr, waar de diamanten vlinder vonkelde...”Tik. Tik.Nee, nouzouze uitscheien. ’t Was, allemachtig, half twee.Ze dee de alkoofdeuren open, zette de lamp voorzichtig op een stoel bij het bed en kroop er in. Nou nog éventjes.... vijf minuten maar. Met dikke wallen onder de oogen las ze door. Het atelier met de stellages lag in het schemerdonker. Het volle licht viel op het bed, op het fletse, vermoeide gezichtje, op het zwarte haar, op de vuilbruine handjes, op het gele beduimelde boek.Maar nou kreeg ze tranen in d’r oogen....:„Gewond, voor ’t leven verminkt, doodziek, zag Céline hem weer; hèm, haar echtgenoot voor God, den vader van haar pasgeboren kind.”Hè, wat was dat miseràbel. Waarom most-ie nou doodgaan? Je kon d’r geregeld bij huilen. Wat brandde dat in je oogen op den laten avond. Zou ze nou niet uitscheien?.... Kwart voor tweeën! Maar vijf uur slaap.... Ja nóú was ze moe.Netjes lei ze het rooie wollen draadje in het boek, op bladzijde 169, draaide de lamp wat lager, blies er in, nog eens, trok het dek op, vouwde de handen en bad: „Lieve God, bewaar mij dezen nacht voor gevaren en onheilen....”
Bij de rood-lichtende lamp las ze. Ze was aan het derde hoofdstuk:Een stormachtige nacht.
„Daar knalde een pistoolschot; de edele chevalier struikelde, en scheen op ’t punt om in de knieën te zinken—doch neen, hij vervolgde zijn weg, wankelend, als iemand, die beschonken is, maar toch snel genoeg om in de duisternis verdwenen te zijn, eer de man, dien hij had willen verderven, hem achterhalen kon...„Een wanhopige gil hield den vervolger terug in zijn loop: was dàt de stem zijner vrouw? O God, had hij haar getroffen! Haar, die hij ten koste van goed en bloed zou willen behoeden voor ongeluk en schande? Sidderend van zielsangst wankelde hij naar de plek waar de twee vrouwen zich bevonden.„Goddank!zijneJulia was ongedeerd. Bleek, bèvend, doch behouden stond zij daar, als een beeld, zoo roerloos. Céline lag bezwijmd aan hare voeten in ’t vochtige gras.„„Violet?” brengt de man met moeite uit. „Violet! hoe komt zij hier? Wie was die—die—andere, die man?”Zonder te antwoorden buigt...”
„Daar knalde een pistoolschot; de edele chevalier struikelde, en scheen op ’t punt om in de knieën te zinken—doch neen, hij vervolgde zijn weg, wankelend, als iemand, die beschonken is, maar toch snel genoeg om in de duisternis verdwenen te zijn, eer de man, dien hij had willen verderven, hem achterhalen kon...
„Een wanhopige gil hield den vervolger terug in zijn loop: was dàt de stem zijner vrouw? O God, had hij haar getroffen! Haar, die hij ten koste van goed en bloed zou willen behoeden voor ongeluk en schande? Sidderend van zielsangst wankelde hij naar de plek waar de twee vrouwen zich bevonden.
„Goddank!zijneJulia was ongedeerd. Bleek, bèvend, doch behouden stond zij daar, als een beeld, zoo roerloos. Céline lag bezwijmd aan hare voeten in ’t vochtige gras.
„„Violet?” brengt de man met moeite uit. „Violet! hoe komt zij hier? Wie was die—die—andere, die man?”Zonder te antwoorden buigt...”
Tik. Tik. Tik...
Tien uur.
„Jassus... Hoeveel bladzijden nog eer ’t hoofdstuk uit is... Nog vijf... Eerst uitlezen...”
Wèer in de hurkend-liggende houding, gejaagd, las ze verder. Bij het slot: „Ga! Ik zal u straks alles verklaren!”—lei ze een draadje rooie wol in het boek, sloeg het dicht en nam het naaiwerk weer op.
Het was muf in het atelier. Ze zat naar de ramen gekeerd, vlak bij de lamp, die aan een kant heel scherp het fijne gezichtje belichtte. Het zwarte haar stond in een wrong hoog-op. Ze had er een kleur van gekregen. Terwijl de vuil-bruine handjes rap aan ’t werk waren en de naald heen en weer vloog als een glinsterend motje, dacht ze aan Violet en Céline, aan den chevalier en den edelen man. Als ze nou hard doorpikte kon zij den zoom om half elf hebben gelegd, dan nog drie knoopsgaten, dan was ze d’r.—Wat je dat opwond! Je wer d’r koud en warm bij! Zullekeheerlikemense, die allemaal zulleke echte, zulleke heerlijke avonturen hadden. Wacht eventjes. Effen den zoom vouwen. Zoo. ’t Was toch mooi goed. As je ’t over je been streek was ’t zoo glanzig as zij. Nou verder. Wat ’n zonde dat’t nog niet af was. As ze eerst d’r taak had klaargemaakt, kon ze nou lekker in bed leggen lezen. Nou was ’t laat voor niks geworden, deeën d’r oogen pijn. Hoe zou ’t afloopen met Céline? Ze was pas an de 52stebladzij. Zou ze eventjes van achter kijken? Nee, jassus, schaap, werk nou door. Wat staken d’r oogen vanavond. Wacht, even betten. Zoo voelden ze frisscher.
’t Was ’n lange zit, wat? De andere meissies hadden ’t veel pleizieriger. Die gingen om negen uur weg, hadden pret in de Kalverstraat, kwammen in de lucht en leien nou te slapen. Maar je kon d’r niks an doen. De een was zus, de ander zòo. Zezat toch wel lekkertjes, zoo in het warme atelier. As de andere meissies d’r waren, was ’t wàt lollig. Wat had die Lise zich angesteld vanmiddag. Achter den rug van de juffrouw had ze bakkussen getrokken om van om te vallen. ’t Was wel een grappige meid, maar ze stelde zich toch an as een mal dier as ’t Zondag was. Griet was ’n akelig spook. Wat ’n onuitstaanbaar dierage, om an de juffrouw te klikken dat ze d’r mouw dichtgenaaid hadden. Dat had je altijd bij rooien. Jassus, al elf uur! Wat die tijd toch vloog. As de juffrouw morgen kwam, zou ’t weer mis zijn. De knoopsgatenmostenaf. Sjiek kostuum. Zóó ’n Zondagsche jurk. Wat zou Lise ’n giftige oogen opzetten!
Zondag was toch maar ’n dag om te zoenen. As je elken dag van ’s morgens negen tot ’s avonds tien zat te pikken, was ’t goddelijk as je Zondagmiddag tot acht uur uit mocht. De juffrouw was wel goed en vijftig cent zakgeld in de week met vrijen kost was goed betaald, maar je was toch blij as je in de lucht kwam. Nou had ze drie gulden gespaard. Lise, die een daalder verdiende, omdat ze zestien was, versnoepte alles. Die had altijd een toetje met zoetigheid. As je vriendin met d’r bleef, stopte ze altijd toe. Maar ze was zoo’n jongensgek. Ze maakte afspraakies. En de jongens deeën zoo gemeen. Jassus. Nou nog èèn knoopsgat. Hè, wat staken d’r oogen. Morgenavond kreeg ze d’r tien stuivers. Dan kon ze klaar zijn met „Céline’s beproeving”, zou ze „De gevloekte” huren, dat net zoo prachtig most wezen als „De bleeke gravin”.
Met gezwollen oogen werkte ze door. Het licht was rooder geworden. Eindelijk lei ze ’t kostuum neer, zocht nog wat wol uit een pak van de groote stellage, dee de kast open en nam het bord met de boterhammen, dat de juffrouw voor d’r klaar hadgezet. Alweer boterhammenworst!... Dat zag je al uit de verte... Natuurlijk! Mààr tien cent het ons. Je mocht nog dank-ie zeggen as je d’r wat opkreeg. Zoo. Nou ging ze d’r nog éven voor zitten. Hè! Dat was nou jeheerlijksteuurtje. Vroeger at ze d’r boterhammen in bed. Maar dan lag je den heelen nacht op de kruimels.
Nou was ’t hier omnietnaar bed te gaan. Waar was ze gebleven? O ja, bladzij 52. Een nieuw hoofdstuk:Kassia, de getrouwe en vertrouwde. Nou eerst een hap in de boterham...
Smakkend enlangkauwend over elken hap, om maar te rekken, die heerlijke gezelligheid, om te eten terwijl je las en je niet gestoord kon worden, begon ze weer aan den roman, bleef doorlezen en pikte de kruimels van ’t bord.
Tik. Tik. Tik. Tik...
Was ’t al zóó laat? Precies. De klok ging precies. Buiten speelde ’t net. Nou gauw uitkleeden. Zoo. Nou de nachtpon. Nou d’r haar. Nou kon ze weer lezen.
Terwijl zij het haar kamde, las ze door, hield op met kammen en verslond de regels. De kam lei naast het boek... Het was om den heelen nacht op te blijven...
„En de vrij gebleven hand tastte onder ’t hoofdkussen, en haalde een blanken dunnen dolk te voorschijn, en nogmaals sprak Julia, met heesche, sissende stem: „Straffen zal ik—ze—en—mijzelve!” En bij elk woord daalde de scherpe dolk neer in de borst der oude vrouw, en toen de doodsangst deze kracht gaf om zich los te rukken, toen een gillend noodgeschrei de huisgenooten bijeen riep, toen daalde die dolk nogmaals neer; en de blanke hand stiet hem krachtig in de met juweelen en kanten versierdeborst,—juist dààr, waar de diamanten vlinder vonkelde...”
„En de vrij gebleven hand tastte onder ’t hoofdkussen, en haalde een blanken dunnen dolk te voorschijn, en nogmaals sprak Julia, met heesche, sissende stem: „Straffen zal ik—ze—en—mijzelve!” En bij elk woord daalde de scherpe dolk neer in de borst der oude vrouw, en toen de doodsangst deze kracht gaf om zich los te rukken, toen een gillend noodgeschrei de huisgenooten bijeen riep, toen daalde die dolk nogmaals neer; en de blanke hand stiet hem krachtig in de met juweelen en kanten versierdeborst,—juist dààr, waar de diamanten vlinder vonkelde...”
Tik. Tik.
Nee, nouzouze uitscheien. ’t Was, allemachtig, half twee.
Ze dee de alkoofdeuren open, zette de lamp voorzichtig op een stoel bij het bed en kroop er in. Nou nog éventjes.... vijf minuten maar. Met dikke wallen onder de oogen las ze door. Het atelier met de stellages lag in het schemerdonker. Het volle licht viel op het bed, op het fletse, vermoeide gezichtje, op het zwarte haar, op de vuilbruine handjes, op het gele beduimelde boek.
Maar nou kreeg ze tranen in d’r oogen....:
„Gewond, voor ’t leven verminkt, doodziek, zag Céline hem weer; hèm, haar echtgenoot voor God, den vader van haar pasgeboren kind.”
„Gewond, voor ’t leven verminkt, doodziek, zag Céline hem weer; hèm, haar echtgenoot voor God, den vader van haar pasgeboren kind.”
Hè, wat was dat miseràbel. Waarom most-ie nou doodgaan? Je kon d’r geregeld bij huilen. Wat brandde dat in je oogen op den laten avond. Zou ze nou niet uitscheien?.... Kwart voor tweeën! Maar vijf uur slaap.... Ja nóú was ze moe.
Netjes lei ze het rooie wollen draadje in het boek, op bladzijde 169, draaide de lamp wat lager, blies er in, nog eens, trok het dek op, vouwde de handen en bad: „Lieve God, bewaar mij dezen nacht voor gevaren en onheilen....”
Bloedspat.De dokter keek ernstig.„Niet zoo drukken,dokter!”„Doet het hier óók pijn?”„Ja, de heele arm... Hij gloeit verschrikkelijk.”„Wanneer heeft de hond u gebeten?”„Gister-middag. Hij speelde in den tuin. Toen-ie me zag, sprong-ie tegen me op.”„Was hij kwaad?”„Nee. Uitgelaten. Ik had er eerst niet op gelet. Toen ik begon te schrijven, zag ik eene kleine schram aan mijn hand. ’t Beest is nog jong. Hij heeft me dikwijls met zijn scherpe tanden de huid geschaafd.”„’t Ziet er leelijk uit.”„Zou hij hondsdolheid”...„Wel nee!... Waar is de hond?”„In de keuken.”„Roep hem eens.”„Hec! Hec!”„Koest! Niet zoo opspringen!”„’t Is een jong beest, nog geen zes maanden oud.”„Het dier lijkt volkomen gezond... Was hij niet kwaadaardig, weet u het zeker?”„Zeker, dokter.”„Zoo. Dit recept moet je dadelijk laten halen. Je wikkelt je warm in. Tegen den avond kom ik terug.”„Vanavond nóg eens?”„Ja. Laten we hopen, dat ’t dan wat beter is. Anders”...„Anders?”„... Zou ik den arm moeten afzetten!”„Ach dokter, doe dat niet. Moet hij zijn heele leven verminkt blijven!”„Rustig, mevrouwtje. Vanavond kom ik nog eens naar uw man kijken. Het ergste zal wel niet moeten gebeuren.”Zij liet hem uit.„Dokter... als ’t niet beter wordt, moet zijn arm dan”...„Ja mevrouw. Ik maak me werkelijk bezorgd over het geval.”„O dokter, dokter!”„Niet huilen, mevrouwtje.”„Hij kan toch niet dol”...„Nee, neen! Ik denk, dat de hond kort te voren van het een of ander vuil gegeten heeft... In elk geval heeft er bloedvergiftiging plaats gehad. Laat hem de poeders om de twee uur innemen.”„Dag dokter.”„Dag mevrouw.”* * *Tegen den avond werd hij onrustiger.„Richard blijf nou kalm liggen.”„Ik kan niet. Mijn arm brandt. Steek het licht op! Steek het licht op! Waarom laat je me in het donker liggen?”„Je droomt Richard... De lamp is opgestoken”...„Niet waar. Steek de lamp op! Waarom stook je hier zoo! ’t Is om te stikken, om te stikken! Schuif het raam op!”„Is ’t zoo goed?”„Steek de lamp op! Waarom loop je van me weg!”„Hier ben ik, vlak bij je bed.”„Dat ben jij niet... Jij bent ’t niet... Blijf van me af... Bijt me niet in mijn arm... Laat mijn arm los!”„Richard! Richard!”„Het is koud!... Heb jij ’t ook zoo koud? Geef me nog een deken... Ik klappertand van de kou... Ben jij daar Hec? Kom eens hier. Hec! Hec! Hec! Hec!”In de keuken begon de hond die zijn naam hoorde, te blaffen en met de pooten tegen de deur te krabben.„Hec! Hec!”„Laat den hond in de keuken, Richard!”„Nee, nee! Hij moet hier komen! Ik wil hem zien! Hec! Hec!”Haast huilend van angst, dee ze de deur open. De hond sprong jankend naar binnen naar het bed, lekte de vrije hand van den zieke.„Richard, ga nou slapen, blijf nou rustig.”„Wie ben jij?... Waar is mijn vrouw?... Wat moet jij hier?... Ga weg van mijn bed! Ga weg!”...„Doet je dat goed?”Zachtjes lei ze compressen op zijn voorhoofd. Hij kalmeerde wat.„Hoe is het met onzen zieke, mevrouw?”„Slecht dokter. Hij ijlt. Strakjes herkende hij me niet... Zijn arm is zoo vreeselijk geworden!”„Laat me maar eens zien.”Zij lichtte hem bij met de lamp.„’t Is erg... Nee, zet asjeblief de lamp neer. U beeft zoo. Gaat u liever zitten.”„Moet de arm”...„Nee mevrouw.”„Wat dan, wat dan!”„Den arm afzetten kan niet meer helpen, had niet kunnen helpen... U moet u voorbereiden.”„Maak me niet krankzinnig dokter!”„Voor zulk een acuut proces was geen remedie mevrouw”...„O God!”* * *Den volgenden morgen was het afgeloopen. Zoo’n paar jonggetrouwde mense!... Zoo’n beroerde hond... Dat heb je d’r van als je van die opvreters in huis neemt...* * *Ze had nog niet gehuild. Ze bleef angstig-kalm. Net toen Dirk wat zeggen wou van Richard, begon de hond in de keuken langgerekt te janken. Dirk werd bleek.„Dat vervloekte beest,” zei-die.Flauwtjes hoorden de vrouwen hoe hij het dier ranselde.„’k Heb ’m z’n portie gegeven!”En hij begon weer te troosten, sprak van den tijd toen Richard en hij samen op school waren geweest. Ida stootte hem onder tafel an. Hij stoorde er zich niet aan. Hij wou dat ze zou huilen, hij kon dat strakke, witte gezicht niet zien.„Kom je bij ons wat logeeren?”„We zullen elken dag naar zijn graf gaan.”Het hielp niets. Ze knikte maar.„Ik wou dat je nu meeging, je hebt toch geen reden om in het sterfhuis”...Weer huilde de hond in de keuken, langgerekt, afschuwelijk, met sleepende gillen.„Ik zal dat beest”...„Nee... ik zal bij hem gaan.”„Blijf jij hier.”„Nee hij gehoorzaamt meer als ik hem wat zeg.”Kalm, vreemd-bedaard, ging ze de gang in. Eerst naar Richard’s werkkamer. Ze zocht in zijn lessenaar, ging naar de keuken.De hond vloog uitgelaten op, lekte haar handen, sprong blaffend heen en weer.„Stil, Hec.”Uit de keukenkast nam ze het brood, sneed een dikke boterham, brokkelde die op een bord, deed er melk bij, zette het neer op den grond. Het beest lekte haar handen, begon gulzig te eten.Toen dee ze het.De slag was geweldig. Het leek of de keuken instortte. Een vieze, zoete walm hing over den grond.Dirk en Ida smeten de deur open. Op den keukenstoel, half versuft, zat ze, hield de revolver in de hand. De hond lag op den grond, met den kop in den schotel melk. Het bloed klotste uit z’n bek. De pooten rukten in doodsstuip. De oogen waren half open. Enkel wit. Enkel wit.Niemand sprak.Het dier bleef een, twee minuten met de pooten trekken. Langzaam werd het minder, waren er nog alleen korte huiveringen. Onder z’n kop begon het loome bloed te stollen. De kruitdamp hing laag bij den grond.„Kom nou mee.”Hij drong haar de keuken uit.In den leunstoel ging ze achterover liggen, deoogen dicht, zei alleen maar, ijzig-strak:... „Nou zal-die niet meer huilen.”„Wasch je hand kind,” zei Dirk: „er is een bloedspat op.”Ze dee de oogen wijd-open, keek naar het purper-vinnig spetje, keek er làng naar, zei bevend: ... „O, ik kan geen bloed zien,” en viel flauw.
De dokter keek ernstig.
„Niet zoo drukken,dokter!”
„Doet het hier óók pijn?”
„Ja, de heele arm... Hij gloeit verschrikkelijk.”
„Wanneer heeft de hond u gebeten?”
„Gister-middag. Hij speelde in den tuin. Toen-ie me zag, sprong-ie tegen me op.”
„Was hij kwaad?”
„Nee. Uitgelaten. Ik had er eerst niet op gelet. Toen ik begon te schrijven, zag ik eene kleine schram aan mijn hand. ’t Beest is nog jong. Hij heeft me dikwijls met zijn scherpe tanden de huid geschaafd.”
„’t Ziet er leelijk uit.”
„Zou hij hondsdolheid”...
„Wel nee!... Waar is de hond?”
„In de keuken.”
„Roep hem eens.”
„Hec! Hec!”
„Koest! Niet zoo opspringen!”
„’t Is een jong beest, nog geen zes maanden oud.”
„Het dier lijkt volkomen gezond... Was hij niet kwaadaardig, weet u het zeker?”
„Zeker, dokter.”
„Zoo. Dit recept moet je dadelijk laten halen. Je wikkelt je warm in. Tegen den avond kom ik terug.”
„Vanavond nóg eens?”
„Ja. Laten we hopen, dat ’t dan wat beter is. Anders”...
„Anders?”
„... Zou ik den arm moeten afzetten!”
„Ach dokter, doe dat niet. Moet hij zijn heele leven verminkt blijven!”
„Rustig, mevrouwtje. Vanavond kom ik nog eens naar uw man kijken. Het ergste zal wel niet moeten gebeuren.”
Zij liet hem uit.
„Dokter... als ’t niet beter wordt, moet zijn arm dan”...
„Ja mevrouw. Ik maak me werkelijk bezorgd over het geval.”
„O dokter, dokter!”
„Niet huilen, mevrouwtje.”
„Hij kan toch niet dol”...
„Nee, neen! Ik denk, dat de hond kort te voren van het een of ander vuil gegeten heeft... In elk geval heeft er bloedvergiftiging plaats gehad. Laat hem de poeders om de twee uur innemen.”
„Dag dokter.”
„Dag mevrouw.”
* * *
Tegen den avond werd hij onrustiger.
„Richard blijf nou kalm liggen.”
„Ik kan niet. Mijn arm brandt. Steek het licht op! Steek het licht op! Waarom laat je me in het donker liggen?”
„Je droomt Richard... De lamp is opgestoken”...
„Niet waar. Steek de lamp op! Waarom stook je hier zoo! ’t Is om te stikken, om te stikken! Schuif het raam op!”
„Is ’t zoo goed?”
„Steek de lamp op! Waarom loop je van me weg!”
„Hier ben ik, vlak bij je bed.”
„Dat ben jij niet... Jij bent ’t niet... Blijf van me af... Bijt me niet in mijn arm... Laat mijn arm los!”
„Richard! Richard!”
„Het is koud!... Heb jij ’t ook zoo koud? Geef me nog een deken... Ik klappertand van de kou... Ben jij daar Hec? Kom eens hier. Hec! Hec! Hec! Hec!”
In de keuken begon de hond die zijn naam hoorde, te blaffen en met de pooten tegen de deur te krabben.
„Hec! Hec!”
„Laat den hond in de keuken, Richard!”
„Nee, nee! Hij moet hier komen! Ik wil hem zien! Hec! Hec!”
Haast huilend van angst, dee ze de deur open. De hond sprong jankend naar binnen naar het bed, lekte de vrije hand van den zieke.
„Richard, ga nou slapen, blijf nou rustig.”
„Wie ben jij?... Waar is mijn vrouw?... Wat moet jij hier?... Ga weg van mijn bed! Ga weg!”...
„Doet je dat goed?”
Zachtjes lei ze compressen op zijn voorhoofd. Hij kalmeerde wat.
„Hoe is het met onzen zieke, mevrouw?”
„Slecht dokter. Hij ijlt. Strakjes herkende hij me niet... Zijn arm is zoo vreeselijk geworden!”
„Laat me maar eens zien.”
Zij lichtte hem bij met de lamp.
„’t Is erg... Nee, zet asjeblief de lamp neer. U beeft zoo. Gaat u liever zitten.”
„Moet de arm”...
„Nee mevrouw.”
„Wat dan, wat dan!”
„Den arm afzetten kan niet meer helpen, had niet kunnen helpen... U moet u voorbereiden.”
„Maak me niet krankzinnig dokter!”
„Voor zulk een acuut proces was geen remedie mevrouw”...
„O God!”
* * *
Den volgenden morgen was het afgeloopen. Zoo’n paar jonggetrouwde mense!... Zoo’n beroerde hond... Dat heb je d’r van als je van die opvreters in huis neemt...
* * *
Ze had nog niet gehuild. Ze bleef angstig-kalm. Net toen Dirk wat zeggen wou van Richard, begon de hond in de keuken langgerekt te janken. Dirk werd bleek.
„Dat vervloekte beest,” zei-die.
Flauwtjes hoorden de vrouwen hoe hij het dier ranselde.
„’k Heb ’m z’n portie gegeven!”
En hij begon weer te troosten, sprak van den tijd toen Richard en hij samen op school waren geweest. Ida stootte hem onder tafel an. Hij stoorde er zich niet aan. Hij wou dat ze zou huilen, hij kon dat strakke, witte gezicht niet zien.
„Kom je bij ons wat logeeren?”
„We zullen elken dag naar zijn graf gaan.”
Het hielp niets. Ze knikte maar.
„Ik wou dat je nu meeging, je hebt toch geen reden om in het sterfhuis”...
Weer huilde de hond in de keuken, langgerekt, afschuwelijk, met sleepende gillen.
„Ik zal dat beest”...
„Nee... ik zal bij hem gaan.”
„Blijf jij hier.”
„Nee hij gehoorzaamt meer als ik hem wat zeg.”
Kalm, vreemd-bedaard, ging ze de gang in. Eerst naar Richard’s werkkamer. Ze zocht in zijn lessenaar, ging naar de keuken.
De hond vloog uitgelaten op, lekte haar handen, sprong blaffend heen en weer.
„Stil, Hec.”
Uit de keukenkast nam ze het brood, sneed een dikke boterham, brokkelde die op een bord, deed er melk bij, zette het neer op den grond. Het beest lekte haar handen, begon gulzig te eten.
Toen dee ze het.
De slag was geweldig. Het leek of de keuken instortte. Een vieze, zoete walm hing over den grond.
Dirk en Ida smeten de deur open. Op den keukenstoel, half versuft, zat ze, hield de revolver in de hand. De hond lag op den grond, met den kop in den schotel melk. Het bloed klotste uit z’n bek. De pooten rukten in doodsstuip. De oogen waren half open. Enkel wit. Enkel wit.
Niemand sprak.
Het dier bleef een, twee minuten met de pooten trekken. Langzaam werd het minder, waren er nog alleen korte huiveringen. Onder z’n kop begon het loome bloed te stollen. De kruitdamp hing laag bij den grond.
„Kom nou mee.”
Hij drong haar de keuken uit.
In den leunstoel ging ze achterover liggen, deoogen dicht, zei alleen maar, ijzig-strak:... „Nou zal-die niet meer huilen.”
„Wasch je hand kind,” zei Dirk: „er is een bloedspat op.”
Ze dee de oogen wijd-open, keek naar het purper-vinnig spetje, keek er làng naar, zei bevend: ... „O, ik kan geen bloed zien,” en viel flauw.
Amstel.Zondag. De Amstel ligt weken dicht.Het is koud.Baanvegers schreeuwen, tentebazen galmen.„Leg eres an! Leg eres an!”Het is vinnig koud.Veel volk is gestroomd bij de ronddraaiende slee. Den zwaren boom duwen de mannen, de slee vliegt met krassend gebrom in het rond. Honderden kijken toe hoe het gaat.Het is gruwelijk koud.Met d’r voeten op een stoof zit de vrouw van het tentje. Rood-paars is haar gezicht. Een zwarte, oude doek is om het hoofd geslagen. Bij elke ris rijders schokt haar mond open, schreeuwt ze krakend:—„Leg eres an!... Leg eres an!”Witte spiralen van damp zijn om haar hoofd.—„Wat koste de pollekabrokke, seg?”...„Twee omme cent”...Twee vuile vingers leggen een cent neer.Twee vuile vingers grijpen twee kleverige brokken.Twee vuile vingers stoppen een brok in een grooten tabaksmond.De vrouw schurkt ineen van de kou, giet een kom vol, drinkt, vertroetelend den kop in de beenige, paarse handen. Een gore baanveger met stoppelbaard komt in de tent:„Mie, geef mij d’r ’s ’n spatje”...„Wat seg-ie van soon kou”...„’k Voel me oore niet meer”...De roodpaarse vrouw grijpt onder haar stoel, onder het zwartduister van d’r rokken, kijkt voorzichtig-snel rond, neemt een glaasje van de tafel en schenkt den man met den stoppelbaard in. Met een vlugge wippert zet-ie het achter de kiezen, smakt met de tong, slaat met de armen heen en weer tegen de borst.De wind steekt op, stuift het stof van de baan. Bij het Badhuis, vroolijk omlijnd, is een zwarte woelige drukte. Binnen en buiten het café, met aangebonden schaatsen, zitten juffrouwen en heeren, dames met coquette hoeden, heeren met pelsmutsen en souspieds. De Jan’s draven heen en weer met cognac en bitter, likeurtjes en advocaat. Ze zijn warm, lekker-warm-ingepakt, warm van de beweging, de dames en heeren.Het begint te duisteren.De brug bij de Sarphatistraat steunt statig op de kolommen, die lijken te rusten op de ijs-stevigheid van ’t water.De lucht is betrokken, zwaar van sneeuw, grauw, triestig.De velden van ijs zijn bedekt met zwarte, snel-voortlijnende figuurtjes, donkere kabouters ijlend en vluchtend tusschen de randen van sneeuw. De tenten verschaduwen stil haar rieten, geel-doffe wanden. Vlaggen, rood-wit-en-blauw, rimpelen zacht, bits klapklepperend in den wind.Over het heele water gaat het stemmengejoel van drukke, bewegende menschen. Het is als een straat, een plein in feestdos bij avondschemering.Nu komt harder aanrukken de wind, gierend met stootjes en stuivend wilder de witte bevroren stof.„Een doossie lucifers... een cent maar... God zal je zegenen!...”Op de Hoogesluis, aangehurkt tegen de leuning der brug, zit een man op den harden, wreeden, geweldigen grond. Het eene been is afgestompt bij de heup, het andere gezond, stevig, ligt rechtuit op het trottoir. Het beenstompje is ingenaaid in pilow-broek. Vier dingen rusten op den grond, het beenstompje, het gezonde been en twee lange harde krukken. De eene kruk ligt dwars, dient voor zitplaats. De rug kromt aan tegen de ijzeren spijlen der leuning. Het hoofd is ruw met uitpuilende jukbeenderen, met grijze, fletse oogen. Om het middel gebonden een tasch met doosjes lucifers.Hier, op de Sluis, kun je goed zien de ronddraaiende slee, hooren de rinklende bel. Hier ook zie je prachtig den Amstel met de bruggen rechts, aan de overzij. Hier zie je het ijsveld, wit en donzig, de duizend menschfiguren, aansnellend, wègvluchtend. Hier zie je de trams, rommelend over de brug, die schor dreunt en bromt als de roestige wielen knarsig rondwentlen in de ijzeren voegen, en langs de steenen balustrade staan kijkers, die wijzen als een kraan in het rijden figuren op ’t ijs maakt.In het deftig Amstelhôtel worden de lichten ontstoken. D’electrische lichtjes glunderen sterk aan de kronen. Kellners, als heeren in gala, loopenbeweeglijk om de lange, groote tafel, die bloemstukken draagt en verborgen is onder witte, spierwitte kleeden. Ze dragen stapels servetten, de kellners, en ord’nen de tafel. Beneden de eetzaal, brandt licht ook. Het is alles te zien zoo. Hier rijen groote houten, blankgeschuurde tafels, dragende glimmende koperen pannen. Een kok, met een buik van beteeknis, ordent pasteitjes, een ander klutst met een lepel.Het wordt donkerder. Scherp lijnen de zware omtrekken van ’t Amstelhôtel in de sneeuw-zatte, triestige lucht. Hoog in ’t gebouw zijn de vensters verlicht, gele vierkanten in ’t donker der muren, lijkend als lichtende oogen van ’t slapend gebouw. De muren staan zwijgend en zwart, plomp overbuigend de lanen van sneeuw er om heen. Stevig en koud is het gebouw, log en solide als de ijzeren brug over het water, sterk en groot als de pijlers, die dragen het zware gevaarte.„God zal je zegenen!”De man op den grond met het stompje van been bibbert. Hij lijkt vastgevroren aan den grond, aan den grond van onbarmhartigheid, aan den grond, die ’s zomers verblakert in warmte van de zon, aan den grond, die het groen draagt, de bloemen en zaden, aan den grond van sneeuw en ijs, aan den grond van ellende, wanhoop en ruwheid. Hij zit stil tegen de leuning der brug met het gezonde been en het beenstompje en de krukken, stil op den bruuten, killen, massalen grond. Hij klappert de tanden en herhaalt monotoon tot de menschen, die hebben gereden en warm zijn... „God zal je zegenen.”Nu hebben ook de tramwagens lichtjes, rood, groen en geel. Nijdige stipjes van rood, groen en geel. De lantaarns op de brug beginnen te branden.Een man houdt er een lat bij. Plof! ’t Vlammetje vlamt in het huisje van glas. In de tentjes op ’t ijs is een roodrig geschemer. De huizen aan de overzij lichten vierkantend. Het Amstelhôtel staat statig en groot met heele vlakken van licht. Maar nòg is er daglicht. De lucht is dichter genaderd tot de daken der huizen. De lucht is vet, goorwit, afhangend, als een volgevreten buik. Dicht bij de daken lekken strepen van rood, diffuseerend zachtviolet, doezelend saam heel-even tot een purperen kwijning.Altijd nog rijden menschen beneden op ’t water, schuivend voorbij, zwartend in op elkander. Lange slangen slieren egaal door de volte. Krakend en snerpend raspen de schaatsen over het ijs.De man bij de brug, de man met de krukken en ’t stompje van been, trekt zich langzaam op aan de ijzeren spijlen. Eerst de kruk links, dan de kruk rechts. Hij strompelt voorzichtig, sleepend het levende been mee over den gladden bevroren grond. Stilletjes gaat hij zoo voort, pas voor pas, een, twee,—een, twee, verzettend de krukken, langs de verlichte ramen, langs de rijders, die dragen hun schaatsen, slaat links om en strompelt over de brug van Sarphati, waar de trams knoersig rijden met roode, gele en groene lichten.Nu raakt hij verloren in de drukte, in de volte der menschen.Op de plek, waar hij gezeten heeft, lijkt een adem van warmte te zijn gegaan, een warme menschen-adem tegen een koude ruit.
Zondag. De Amstel ligt weken dicht.
Het is koud.
Baanvegers schreeuwen, tentebazen galmen.
„Leg eres an! Leg eres an!”
Het is vinnig koud.
Veel volk is gestroomd bij de ronddraaiende slee. Den zwaren boom duwen de mannen, de slee vliegt met krassend gebrom in het rond. Honderden kijken toe hoe het gaat.
Het is gruwelijk koud.
Met d’r voeten op een stoof zit de vrouw van het tentje. Rood-paars is haar gezicht. Een zwarte, oude doek is om het hoofd geslagen. Bij elke ris rijders schokt haar mond open, schreeuwt ze krakend:
—„Leg eres an!... Leg eres an!”
Witte spiralen van damp zijn om haar hoofd.
—„Wat koste de pollekabrokke, seg?”...
„Twee omme cent”...
Twee vuile vingers leggen een cent neer.
Twee vuile vingers grijpen twee kleverige brokken.
Twee vuile vingers stoppen een brok in een grooten tabaksmond.
De vrouw schurkt ineen van de kou, giet een kom vol, drinkt, vertroetelend den kop in de beenige, paarse handen. Een gore baanveger met stoppelbaard komt in de tent:
„Mie, geef mij d’r ’s ’n spatje”...
„Wat seg-ie van soon kou”...
„’k Voel me oore niet meer”...
De roodpaarse vrouw grijpt onder haar stoel, onder het zwartduister van d’r rokken, kijkt voorzichtig-snel rond, neemt een glaasje van de tafel en schenkt den man met den stoppelbaard in. Met een vlugge wippert zet-ie het achter de kiezen, smakt met de tong, slaat met de armen heen en weer tegen de borst.
De wind steekt op, stuift het stof van de baan. Bij het Badhuis, vroolijk omlijnd, is een zwarte woelige drukte. Binnen en buiten het café, met aangebonden schaatsen, zitten juffrouwen en heeren, dames met coquette hoeden, heeren met pelsmutsen en souspieds. De Jan’s draven heen en weer met cognac en bitter, likeurtjes en advocaat. Ze zijn warm, lekker-warm-ingepakt, warm van de beweging, de dames en heeren.
Het begint te duisteren.
De brug bij de Sarphatistraat steunt statig op de kolommen, die lijken te rusten op de ijs-stevigheid van ’t water.
De lucht is betrokken, zwaar van sneeuw, grauw, triestig.
De velden van ijs zijn bedekt met zwarte, snel-voortlijnende figuurtjes, donkere kabouters ijlend en vluchtend tusschen de randen van sneeuw. De tenten verschaduwen stil haar rieten, geel-doffe wanden. Vlaggen, rood-wit-en-blauw, rimpelen zacht, bits klapklepperend in den wind.
Over het heele water gaat het stemmengejoel van drukke, bewegende menschen. Het is als een straat, een plein in feestdos bij avondschemering.
Nu komt harder aanrukken de wind, gierend met stootjes en stuivend wilder de witte bevroren stof.
„Een doossie lucifers... een cent maar... God zal je zegenen!...”
Op de Hoogesluis, aangehurkt tegen de leuning der brug, zit een man op den harden, wreeden, geweldigen grond. Het eene been is afgestompt bij de heup, het andere gezond, stevig, ligt rechtuit op het trottoir. Het beenstompje is ingenaaid in pilow-broek. Vier dingen rusten op den grond, het beenstompje, het gezonde been en twee lange harde krukken. De eene kruk ligt dwars, dient voor zitplaats. De rug kromt aan tegen de ijzeren spijlen der leuning. Het hoofd is ruw met uitpuilende jukbeenderen, met grijze, fletse oogen. Om het middel gebonden een tasch met doosjes lucifers.
Hier, op de Sluis, kun je goed zien de ronddraaiende slee, hooren de rinklende bel. Hier ook zie je prachtig den Amstel met de bruggen rechts, aan de overzij. Hier zie je het ijsveld, wit en donzig, de duizend menschfiguren, aansnellend, wègvluchtend. Hier zie je de trams, rommelend over de brug, die schor dreunt en bromt als de roestige wielen knarsig rondwentlen in de ijzeren voegen, en langs de steenen balustrade staan kijkers, die wijzen als een kraan in het rijden figuren op ’t ijs maakt.
In het deftig Amstelhôtel worden de lichten ontstoken. D’electrische lichtjes glunderen sterk aan de kronen. Kellners, als heeren in gala, loopenbeweeglijk om de lange, groote tafel, die bloemstukken draagt en verborgen is onder witte, spierwitte kleeden. Ze dragen stapels servetten, de kellners, en ord’nen de tafel. Beneden de eetzaal, brandt licht ook. Het is alles te zien zoo. Hier rijen groote houten, blankgeschuurde tafels, dragende glimmende koperen pannen. Een kok, met een buik van beteeknis, ordent pasteitjes, een ander klutst met een lepel.
Het wordt donkerder. Scherp lijnen de zware omtrekken van ’t Amstelhôtel in de sneeuw-zatte, triestige lucht. Hoog in ’t gebouw zijn de vensters verlicht, gele vierkanten in ’t donker der muren, lijkend als lichtende oogen van ’t slapend gebouw. De muren staan zwijgend en zwart, plomp overbuigend de lanen van sneeuw er om heen. Stevig en koud is het gebouw, log en solide als de ijzeren brug over het water, sterk en groot als de pijlers, die dragen het zware gevaarte.
„God zal je zegenen!”
De man op den grond met het stompje van been bibbert. Hij lijkt vastgevroren aan den grond, aan den grond van onbarmhartigheid, aan den grond, die ’s zomers verblakert in warmte van de zon, aan den grond, die het groen draagt, de bloemen en zaden, aan den grond van sneeuw en ijs, aan den grond van ellende, wanhoop en ruwheid. Hij zit stil tegen de leuning der brug met het gezonde been en het beenstompje en de krukken, stil op den bruuten, killen, massalen grond. Hij klappert de tanden en herhaalt monotoon tot de menschen, die hebben gereden en warm zijn... „God zal je zegenen.”
Nu hebben ook de tramwagens lichtjes, rood, groen en geel. Nijdige stipjes van rood, groen en geel. De lantaarns op de brug beginnen te branden.Een man houdt er een lat bij. Plof! ’t Vlammetje vlamt in het huisje van glas. In de tentjes op ’t ijs is een roodrig geschemer. De huizen aan de overzij lichten vierkantend. Het Amstelhôtel staat statig en groot met heele vlakken van licht. Maar nòg is er daglicht. De lucht is dichter genaderd tot de daken der huizen. De lucht is vet, goorwit, afhangend, als een volgevreten buik. Dicht bij de daken lekken strepen van rood, diffuseerend zachtviolet, doezelend saam heel-even tot een purperen kwijning.
Altijd nog rijden menschen beneden op ’t water, schuivend voorbij, zwartend in op elkander. Lange slangen slieren egaal door de volte. Krakend en snerpend raspen de schaatsen over het ijs.
De man bij de brug, de man met de krukken en ’t stompje van been, trekt zich langzaam op aan de ijzeren spijlen. Eerst de kruk links, dan de kruk rechts. Hij strompelt voorzichtig, sleepend het levende been mee over den gladden bevroren grond. Stilletjes gaat hij zoo voort, pas voor pas, een, twee,—een, twee, verzettend de krukken, langs de verlichte ramen, langs de rijders, die dragen hun schaatsen, slaat links om en strompelt over de brug van Sarphati, waar de trams knoersig rijden met roode, gele en groene lichten.
Nu raakt hij verloren in de drukte, in de volte der menschen.
Op de plek, waar hij gezeten heeft, lijkt een adem van warmte te zijn gegaan, een warme menschen-adem tegen een koude ruit.
Oudejaar.Nu zitten ze allen om de propere tafel. Vader, die van warmte houdt, zoo dicht mogelijk bij den open haard. Moeder vlak over hem. Klaar giegelt met Leentje. Marie zet de flesschen wijn bij het vuur.„Wat een jammer dat Jo d’r niet is,” zegt moeder.„Wees nou maar stil. Maak den jongen niet uit z’n humeur!”„Hij kan wel eens ’n avond buiten d’r,” plaagt Klaar.„Nest,” zegt hij, flauwtjes.„Zullen we met de tong of met de kippen beginnen?”„Natuurlijk met de tong,” zegt moeder.„Niet waar, met de kippen,” zegt vader.„Hoe kun je nou zoo strijen,” zegt moeder; „je eet toch eerst visch.”„Niet bij een souper,” zegt vader.„De kippen, de kippen, de kippen!” roepen Klaar en Leen, die ’tdolvinden zoo laat te soupeeren.„Neem jij d’r ook een om voor te snijden!”Dolf en vader beginnen tegelijk.„Dolf, haast je! Kijken wie ’t éérst klaar is!”„Nee,” zegt moeder: „Doe ’t langzaam Dolf. Niet zoo zagen op de gewrichten!... Hè, watknarsje!”„Laat ’m toch z’n gang gaan!”„Ik kan ’t nietzien!... Jemishandeltde kip. Je snijdt ze niet!”„Is ’t zoo goed?”Alle aandacht is bij de kluifjes. De meisjes lachen. Vader snijdtserieus, moeder pruttelt.„Nee, snij de derde nou niet an!”„Wees toch stil! Ze gaan wel op.”„Wat roekeloos, wat roekeloos!”Vader wordt boos:„Verstoor nou niet den avond, anders sta ik van tafel op!”„Niet kibbelen op Oudejaarsavond,” roepen Leen en Klaar tegelijk, en ze „pinken.”Marie stoot moeder onder tafel an.„Jehoeftme niet an te stooten,” bromt moeder nog. Maar ze zwijgt als vader, die altijd bang is dat er teweinigis, de derde kip voorsnijdt.„Dolf, wat zit je met ’n gezicht als een Isegrim!” zegt Klaar, die Dolf wil afleiden, terwijl ze ’t zelf jammer vindt dat Jo d’r niet is.„Je mag niet met zoo’n gezicht het nieuwe jaar ingaan,” roept Leentje.„Mot ik nou nog is zeggen, dat je hem met rust moet laten,” roept vader, met klem.„’k Zal morgen vroeg naar Jo gaan om te vragen hoe het is, terwijl jij uitslaapt,” zegt Marie, die zich ongerust maakt, omdat hij zulke kringen onder z’n oogen heeft.„Nee... dat hoeft niet,” zegt Dolf.„’t Zal wel zoo erg niet zijn,” zegt moeder.„’t Was niks, niks... Ze had zware hoofdpijn.”„Zet dan ’n ander gezicht!”„Héb ik niet gezegd”...„Ja, ja, vadertje!”De kip gaat rond. Leentje heeft aardappelen gebakken en appelmoes gemaakt.De vorken en messen tikken tegen de borden. Het licht schijnt gezellig op de zes menschen, op het witte tafelkleed, op het zilver, op de glazen wijn.„Veertien minuten voor twaalf,” zegt Klaar.„Veertien en een halve,” zegt Leentje.„Ik wil het nieuwe jaardronkeningaan,” ginnegapt Klaar.„Proost,” drinkt Leentje.„Eten jullie nou maar,” zegt vader, die’t heerlijk vindt dat ze zoo vroolijk zijn: „eten jullie nou maar, elke kip heeft geld gekost!”De vorken en messen rinkelen.Dolf houdt het kippepootje met de zilveren vork vast, snijdt met het blinkende mes. Hij kijkt even op, ziet ze allen vroolijk, gezellig, vader, moeder, Marie, Klaar, Leentje. Hij probeert te eten. Het gaat niet. ’t Kropt hem in de keel. Hij zou wel weg willen gaan, om ergens in ’t donker te huilen. Pas op... nou huilt-ie... Laten ze ’t in Godsnaam niet zien... Een hap en kauwen... De oogleden doen pijn zoo... Ze branden... Nou ziet-ie niks van z’n bord, van z’n zilveren vork, van het witte tafelkleed, van de rooie wijn... niks, niks, niks... Alleen wat sterren en stralen van het licht in de tranen, die hij wil inhouden... God! daar glijdt er een langs z’n neus... zachtjes... gloeiend-heet... Nou zullen ze ’t zien... Als-ie zich beweegt zullen ze ’t zien... Als-ie z’n neus snuit zullen z’m ankijken... Let d’r iemand op ’m?... Kijken ze ’m an?... Als z’m ankijken zien ze dat-ie huilt... Nou is de traan, die ééne, die heete, in z’n bord gevallen... Kijken z’m an?... Nee... Goddank, nee!... Klaar zegt iets... Ze lachen... Goed zoo... Nou heeft-ie meegelachen... Ze merken niks... ’t Is voorbij... Maar ze moeten nog niet met ’m spreken... De oogenvoelen nog nat... Ze voelen zoo rood... Nou zal-ie blijven kijken naar zijn bord, tot er wéér wat gezegd wordt...„Negen minuten voor twaalf!”„Kind wat drink jij!”„Ik wildronkenworden.”„Ma, Klaar wil dronken worden.”„Klaar pas op.... Z’ is koppig.”„Kan me niks schelen.”„O!.... ik heb ’m!”„Schei toch uit gekkinnen!”„Trek je mee an ’ttrouwbeen, Marie?”„Niet valsch doen, jij neemt ’t langste end!”„Je kunt ’t niet vasthouden, ’t is zoo vet.”„Hoera! Hoera! Ik heb ’t kortste!”„Leentje trouwt ’t eerst, pa!”„Heerlijk,heerlijk, ik trouw ’t eerst, jullie blijven ouwe vrijsters!”„Daar heb je ’t nou.... Kun je dan niet zien wat je doet?”„Nou ’t was maar een ongelukje.”„’t Heele tafelkleed bedorven!”„’t Gaat ’r toch uit met zout.”„Dolf geef ’t zout eens aan.”„Veel op doen, nog meer. Zoo. Laat nou maar stil drogen.”„Klaar zet jij je glas ook wat verder op, anders gebeurt ’t weer.”„Wil je nog een stuk, Dolf?”„Dank u.”„Kom neem nog ’n pootje.”„Dank u.”„Ze moeten op in ’t ouwe jaar.”„Nee ik neem liever een stukje tong.”„Heb ik niet gezegd, dat je gerust een had kunnen laten staan?”„’t Is morgen ook goed.”„Vier minuten voor twaalf!”„Pa, kijk eens op uw horloge!”„Ik heb de klok straks gelijk gezet.”„Leen, let jij op de klok, terwijl ik schoone borden geef.”„Haast je dan wat.”„Akelig spook, hou je nou niet of je dronken bent.”„Ik ben dronken,heusch.”„Pa kijk dat malle spook eens!”Lang, lang vroolijk-opklinkend gelach, zoo vroolijk als het schitteren van de zilveren vork, die in zijn hand rust.„Dolf, je bord.”„Dank u.”„Hoe vin-je ze?”„Prachtig.”„Heb je ooit zulke dikke tong gezien?”„Kolossaal.”„Ze sprong de mand uit.”„Moeder wou ze voor morgen bewaren om te koken.”„Nee, gebakken is ze lekkerder.”„Dolf, trek jij de witte wijn eens open.”„Voorzichtig, Dolf!... Niet zoo hard!... Pas op anders breekt de hals.”„Hè, wat een slag!”„Pas op, pas op, jongens... ’t is op slag van twaalf!”„Haast je dan Dolf, schenk de glazen in! Gauw dan wat, jongen!... Pas op!... Dat was d’r haast naast... Nou Marie nog”...„Stilte... Hou even jullie monden!”„Hoor je buiten de stoombooten?”„Wat een lawaai.”„Stil dan toch!”„Die klok deugt niet... hij wil niet slaan!”„Hè wat een schot! wat hebben die menschen er an om te schieten!”„Stil! Stil! Hoera!... Hij gaat slaan!”Zachtjes bromt de klok. Ze zitten allemaal stil.Tik...Tik...De meisjes zoenen vader en moeder. Vader staat met groote vochtige oogen en snuit z’n neus. Moeder dribbelt tegen als Klaar en Leentje haar tegelijk pakken.„Dolf... hartelijk gefeliciteerd!”...„Nog veel jaren... Hoera!... Dat glas is voor Jo!... Lang leven Dolf en Jo! Hoera!”„Dank je! Dank je!”„Meneer en mevrouw, wel gefeliciteerd.”—Da’s Anna, de keukenmeid.Ze is even boven gekomen, geeft ieder de rooie, groote hand.„Dank je Anna.”„Anna, een glas wijn?”„Asjeblief, mijnheer... Mijnheer Dolf, wèl gefeliciteerd en nog vele jaren voor u en uw meissie... Gut is de juffrouw d’r niet?”...„Anna, daar ga je”...„Gut, juffrouw Klaar wat heb-u ’n kleine oogies.”„Ze isdronkenAnna! Schei nou uit mal spook!”„Waar is Dolf gebleven.”„Dollèf!... Dollèf!... Waar zit je?”„Hé, waar is-ie zoo in eens naar toe gegaan?”„D’r scheelt ’m toch niks?”„Hij is achter. Moe is bij ’m.”Eventjes stilte.„Wat is d’r met Dolf, moe?”„Niks... Kom is even hier.”Vader gaat ook naar buiten. Ze fluisteren in de gang. De meisjes kijken verwonderd.„Wat is d’r met Dolf, vader?”„Niks, niks, niks.”„D’r is wel wat”...„Nee!... Blijf hier!... Blijf hier!”„Wàt is er dan? Wàt is er dan? U maakt ons ongerust!”„Z’n engagement is af”...„Af?”„Af??”„Af.”
Nu zitten ze allen om de propere tafel. Vader, die van warmte houdt, zoo dicht mogelijk bij den open haard. Moeder vlak over hem. Klaar giegelt met Leentje. Marie zet de flesschen wijn bij het vuur.
„Wat een jammer dat Jo d’r niet is,” zegt moeder.
„Wees nou maar stil. Maak den jongen niet uit z’n humeur!”
„Hij kan wel eens ’n avond buiten d’r,” plaagt Klaar.
„Nest,” zegt hij, flauwtjes.
„Zullen we met de tong of met de kippen beginnen?”
„Natuurlijk met de tong,” zegt moeder.
„Niet waar, met de kippen,” zegt vader.
„Hoe kun je nou zoo strijen,” zegt moeder; „je eet toch eerst visch.”
„Niet bij een souper,” zegt vader.
„De kippen, de kippen, de kippen!” roepen Klaar en Leen, die ’tdolvinden zoo laat te soupeeren.
„Neem jij d’r ook een om voor te snijden!”
Dolf en vader beginnen tegelijk.
„Dolf, haast je! Kijken wie ’t éérst klaar is!”
„Nee,” zegt moeder: „Doe ’t langzaam Dolf. Niet zoo zagen op de gewrichten!... Hè, watknarsje!”
„Laat ’m toch z’n gang gaan!”
„Ik kan ’t nietzien!... Jemishandeltde kip. Je snijdt ze niet!”
„Is ’t zoo goed?”
Alle aandacht is bij de kluifjes. De meisjes lachen. Vader snijdtserieus, moeder pruttelt.
„Nee, snij de derde nou niet an!”
„Wees toch stil! Ze gaan wel op.”
„Wat roekeloos, wat roekeloos!”
Vader wordt boos:
„Verstoor nou niet den avond, anders sta ik van tafel op!”
„Niet kibbelen op Oudejaarsavond,” roepen Leen en Klaar tegelijk, en ze „pinken.”
Marie stoot moeder onder tafel an.
„Jehoeftme niet an te stooten,” bromt moeder nog. Maar ze zwijgt als vader, die altijd bang is dat er teweinigis, de derde kip voorsnijdt.
„Dolf, wat zit je met ’n gezicht als een Isegrim!” zegt Klaar, die Dolf wil afleiden, terwijl ze ’t zelf jammer vindt dat Jo d’r niet is.
„Je mag niet met zoo’n gezicht het nieuwe jaar ingaan,” roept Leentje.
„Mot ik nou nog is zeggen, dat je hem met rust moet laten,” roept vader, met klem.
„’k Zal morgen vroeg naar Jo gaan om te vragen hoe het is, terwijl jij uitslaapt,” zegt Marie, die zich ongerust maakt, omdat hij zulke kringen onder z’n oogen heeft.
„Nee... dat hoeft niet,” zegt Dolf.
„’t Zal wel zoo erg niet zijn,” zegt moeder.
„’t Was niks, niks... Ze had zware hoofdpijn.”
„Zet dan ’n ander gezicht!”
„Héb ik niet gezegd”...
„Ja, ja, vadertje!”
De kip gaat rond. Leentje heeft aardappelen gebakken en appelmoes gemaakt.
De vorken en messen tikken tegen de borden. Het licht schijnt gezellig op de zes menschen, op het witte tafelkleed, op het zilver, op de glazen wijn.
„Veertien minuten voor twaalf,” zegt Klaar.
„Veertien en een halve,” zegt Leentje.
„Ik wil het nieuwe jaardronkeningaan,” ginnegapt Klaar.
„Proost,” drinkt Leentje.
„Eten jullie nou maar,” zegt vader, die’t heerlijk vindt dat ze zoo vroolijk zijn: „eten jullie nou maar, elke kip heeft geld gekost!”
De vorken en messen rinkelen.
Dolf houdt het kippepootje met de zilveren vork vast, snijdt met het blinkende mes. Hij kijkt even op, ziet ze allen vroolijk, gezellig, vader, moeder, Marie, Klaar, Leentje. Hij probeert te eten. Het gaat niet. ’t Kropt hem in de keel. Hij zou wel weg willen gaan, om ergens in ’t donker te huilen. Pas op... nou huilt-ie... Laten ze ’t in Godsnaam niet zien... Een hap en kauwen... De oogleden doen pijn zoo... Ze branden... Nou ziet-ie niks van z’n bord, van z’n zilveren vork, van het witte tafelkleed, van de rooie wijn... niks, niks, niks... Alleen wat sterren en stralen van het licht in de tranen, die hij wil inhouden... God! daar glijdt er een langs z’n neus... zachtjes... gloeiend-heet... Nou zullen ze ’t zien... Als-ie zich beweegt zullen ze ’t zien... Als-ie z’n neus snuit zullen z’m ankijken... Let d’r iemand op ’m?... Kijken ze ’m an?... Als z’m ankijken zien ze dat-ie huilt... Nou is de traan, die ééne, die heete, in z’n bord gevallen... Kijken z’m an?... Nee... Goddank, nee!... Klaar zegt iets... Ze lachen... Goed zoo... Nou heeft-ie meegelachen... Ze merken niks... ’t Is voorbij... Maar ze moeten nog niet met ’m spreken... De oogenvoelen nog nat... Ze voelen zoo rood... Nou zal-ie blijven kijken naar zijn bord, tot er wéér wat gezegd wordt...
„Negen minuten voor twaalf!”
„Kind wat drink jij!”
„Ik wildronkenworden.”
„Ma, Klaar wil dronken worden.”
„Klaar pas op.... Z’ is koppig.”
„Kan me niks schelen.”
„O!.... ik heb ’m!”
„Schei toch uit gekkinnen!”
„Trek je mee an ’ttrouwbeen, Marie?”
„Niet valsch doen, jij neemt ’t langste end!”
„Je kunt ’t niet vasthouden, ’t is zoo vet.”
„Hoera! Hoera! Ik heb ’t kortste!”
„Leentje trouwt ’t eerst, pa!”
„Heerlijk,heerlijk, ik trouw ’t eerst, jullie blijven ouwe vrijsters!”
„Daar heb je ’t nou.... Kun je dan niet zien wat je doet?”
„Nou ’t was maar een ongelukje.”
„’t Heele tafelkleed bedorven!”
„’t Gaat ’r toch uit met zout.”
„Dolf geef ’t zout eens aan.”
„Veel op doen, nog meer. Zoo. Laat nou maar stil drogen.”
„Klaar zet jij je glas ook wat verder op, anders gebeurt ’t weer.”
„Wil je nog een stuk, Dolf?”
„Dank u.”
„Kom neem nog ’n pootje.”
„Dank u.”
„Ze moeten op in ’t ouwe jaar.”
„Nee ik neem liever een stukje tong.”
„Heb ik niet gezegd, dat je gerust een had kunnen laten staan?”
„’t Is morgen ook goed.”
„Vier minuten voor twaalf!”
„Pa, kijk eens op uw horloge!”
„Ik heb de klok straks gelijk gezet.”
„Leen, let jij op de klok, terwijl ik schoone borden geef.”
„Haast je dan wat.”
„Akelig spook, hou je nou niet of je dronken bent.”
„Ik ben dronken,heusch.”
„Pa kijk dat malle spook eens!”
Lang, lang vroolijk-opklinkend gelach, zoo vroolijk als het schitteren van de zilveren vork, die in zijn hand rust.
„Dolf, je bord.”
„Dank u.”
„Hoe vin-je ze?”
„Prachtig.”
„Heb je ooit zulke dikke tong gezien?”
„Kolossaal.”
„Ze sprong de mand uit.”
„Moeder wou ze voor morgen bewaren om te koken.”
„Nee, gebakken is ze lekkerder.”
„Dolf, trek jij de witte wijn eens open.”
„Voorzichtig, Dolf!... Niet zoo hard!... Pas op anders breekt de hals.”
„Hè, wat een slag!”
„Pas op, pas op, jongens... ’t is op slag van twaalf!”
„Haast je dan Dolf, schenk de glazen in! Gauw dan wat, jongen!... Pas op!... Dat was d’r haast naast... Nou Marie nog”...
„Stilte... Hou even jullie monden!”
„Hoor je buiten de stoombooten?”
„Wat een lawaai.”
„Stil dan toch!”
„Die klok deugt niet... hij wil niet slaan!”
„Hè wat een schot! wat hebben die menschen er an om te schieten!”
„Stil! Stil! Hoera!... Hij gaat slaan!”
Zachtjes bromt de klok. Ze zitten allemaal stil.
Tik...Tik...
De meisjes zoenen vader en moeder. Vader staat met groote vochtige oogen en snuit z’n neus. Moeder dribbelt tegen als Klaar en Leentje haar tegelijk pakken.
„Dolf... hartelijk gefeliciteerd!”...
„Nog veel jaren... Hoera!... Dat glas is voor Jo!... Lang leven Dolf en Jo! Hoera!”
„Dank je! Dank je!”
„Meneer en mevrouw, wel gefeliciteerd.”—Da’s Anna, de keukenmeid.
Ze is even boven gekomen, geeft ieder de rooie, groote hand.
„Dank je Anna.”
„Anna, een glas wijn?”
„Asjeblief, mijnheer... Mijnheer Dolf, wèl gefeliciteerd en nog vele jaren voor u en uw meissie... Gut is de juffrouw d’r niet?”...
„Anna, daar ga je”...
„Gut, juffrouw Klaar wat heb-u ’n kleine oogies.”
„Ze isdronkenAnna! Schei nou uit mal spook!”
„Waar is Dolf gebleven.”
„Dollèf!... Dollèf!... Waar zit je?”
„Hé, waar is-ie zoo in eens naar toe gegaan?”
„D’r scheelt ’m toch niks?”
„Hij is achter. Moe is bij ’m.”
Eventjes stilte.
„Wat is d’r met Dolf, moe?”
„Niks... Kom is even hier.”
Vader gaat ook naar buiten. Ze fluisteren in de gang. De meisjes kijken verwonderd.
„Wat is d’r met Dolf, vader?”
„Niks, niks, niks.”
„D’r is wel wat”...
„Nee!... Blijf hier!... Blijf hier!”
„Wàt is er dan? Wàt is er dan? U maakt ons ongerust!”
„Z’n engagement is af”...
„Af?”
„Af??”
„Af.”
Poppenwinkel.Zaterdagmorgen bleven de luiken gesloten.Kennisgeving werd niet rondgebracht. Ze was dood. Ieder wist het. Dag aan dag had de dokterskoets voor de deur gewacht. De luiken waren dicht.Hij kwam niet thuis dien avond.Voor zoolang alshetduurde sliep hij bij zijn zuster. Hij was te klein behuisd. Vóór was de speelgoedwinkel, achter de huiskamer, waarin de alkoof stond. In de huiskamer hadden ze geleefd. Ze was groot genoeg geweest voor àlles. Nu er een lijk lag, was het huis te klein. Veel te klein.Zwager en zuster waren zulleke hartelijke mense.—Nou ie in z’n bed lag, begon-ie weer te huilen, omdat ze allemaal zoo hartelijk voor ’m waren.—Ze hadden koek laten halen bij de koffie en een sigaar met een goud ringetje.—Dirk had ’m voorgelezen van Van Maurik om ’m af te leien.—Ze wouen maar niet dat-ie in gedachten zat, zulleke goeie, beste mense!—Maar nou lag-ie dan toch...„Leg-ie al, Willem?”—riep Sien achter ’t houten beschot.„Ja-a-a!”„Leg-ie warrem?”„Ja-a-a!”„Wil je nog niet een deken?”„Nee... ik leg best”...„An niks denken, hoor Willem!”„Nee”...„Nou slaap lekker!”„Dank-ie!”„As-je ons noodig heb, heb-ie maar te kloppen!”„Ja-a-a!”„Nou dag!”Nou hoorde-ie hoe Sien en Dirrek an ’t klessen waren onder de dekens.—As Dirk sprak, was ’t zoo’n diep gebrom.—As Sien wat zei, leek ’t nog verder af.—Nou hadden ze ’t over ’m, over Bertha... Je kon ’t voelen.—Nou waren ze ’m an ’t beklagen... an ’t bekla-a-age...En hij begon weer te grienen uit meelij met zichzelf en om zooveel hártelikheid van die goeie mense.As z’m nou maar niet hoorden, daarnaast—’t stond zoo belabberd, as ze je hoorden huilen.—Maar ze praatten met elkaar.—Ze leien te praten in ’t donker, zooals-ie zoo dikkels met háár gedaan had.—Nou was ’t uit, al kon je ’t niet gelooven, al begreep je d’r niks van. Nou lag-ie alleen te kijken naar de rooie stip van z’n sigaar, die nog te branden lag op ’t zeepbakkie van de waschtafel, was zij óók alleen, alléén achter de tulle gordijnen van het glazen beschot, alléén in de alkoof, alléén met d’r dichte oogen in den speelgoedwinkel. Nou zag-ie ’t nog net zoo precies as of-ie d’r was—op de bovenste plank had je doozen met soldaatjes en boerderijen—op de tweede poppen—op de derde poppen—op de vierde poppen—van uitde alkoof zag je poppen, niks anders dan poppen.—’t Was altijd ’n kemiek gezicht, als boven de luiken licht op de poppen viel.—Wat waren d’r ’n boel weggegaan met Sinterklaas.—Nog nooit was d’r zoo’n jaar geweest.—Ze had d’r schik in gehad. Ze lei altijd in bed te luisteren, als-ie verkocht.—Ze had pleizier als ’t belletje van de deur ging.—Nog voor acht dagen, toen d’r zoo druk om de dure soorten geloopen werd, had-ie van achter de toonbank geroepen: „Wat doet ook weer de groote met de kap?”—en ze had geroepenc. d. f.—Ze wist alles van buiten.—Nou wist ze niks meer, lag ze met d’r dichte oogen onder het laken—God, God, God, as je d’r over dacht, wer-je krankzinnig—da-je elkaar zoo gesproken had, dat ’t zoo uit was...„Slaap-ie Willem?”Hij hield zich maar stil. Wat most-ie nou nog verder praten? Zoo zachies mogelijk snoot-ie z’n neus, om niet te laten merken dat-ie nog wakker lag.Maandag was de begrafenis.Dinsdag waren de luiken van het winkelraam.„Blijf nou nog ’n páár dagen bij ons slapen,” zei Sien.„Nee, nou slaap ik weer hier.”„Ze zellen toch niet bij je inbreken!”„Dat weet ik wel. Maar een paar dagen vroeger of later, wat geeft dat nou?... Ik doe jullie tòch last an met ’t eten.”„Last? Geen zier!”„Nee Sien, ik ga weer hier slapen!”„Kom dan in elk geval an.”„Goed.”Van tien tot twaalf was-ie bij ze. Ze hadden stilgezeten en gepraat over de dingen die in de krant stingen, toen hadden ze gedomineerd en een boterhammetje gegeten, toen was-ie naar huis gegaan. Ze wouen ’m houen, maar hijwouniet. ’t Most alles weer z’n geregelde gang gaan. Acht uur zou de schoonmaakster kommen. Die most geholpen worden.Kwart over twaalf was-ie in de achterkamer, stak de lamp an, kleedde zich uit. Nou lag-ie. Alléén. Maar je most d’r niet over denken. ’t Gaf nou toch niks meer. Raar was ’t bed met één kussen—as je d’r niet an gewend was. Zoo. Nou de lamp uit. De lamp uit?—Zou-ie de lamp uitblazen?—Natuurlijk. Dat dee-ie altijd.—Hij kon niet slapen mèt licht.—Puf! Puf!—Donker.—Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht... negen... tien... ellef... twaallef... Nou zou-ie tot honderd doortellen. Dat hielp... Maar dan most je an niks anders denken... Dertien... veertien... vijftien... zestien... Jazzus wees nou niet bang... Wat ’n flauwe kul!... Zeventien... achttien... negentien...—Daar sloeg ’t hallef een... Waar was-ie gebleven?... Veertien, vijftien, zestien... zeventien... achttien... negentien... twintig... Twéémaal gefloten, vlak voor de deur. Da-was de politie... Daar had je ’t toeteren ook... Nog een in de verte... Nog een... Wat je ’s nachts alles precies kon hooren... Nou was alles veilig... Ga nou slapen!... Waar was-ie gebleven?... Dertig... Een-en-dertig... Twee-en-dertig... Drie-en-dertig... An de cijfers denken, anders lukt ’t niet.. Vier èn dertig. Vijf èn dertig... ’tGingniet! ’t Ging niet! Omdraaien. Zoo zag-ie den winkel. Net of d’r licht was. Daar ha-je de boerinnen op de tweede plank, daar ha-je de dure, die scheef in de doozen leien.—As zoo’n pop nou spreken kon.—Kijken deeën ze.Kijken deeën ze as menschen.—Je zag zoo ’t wit van d’r oogen.—Wat ze toch niet na konden maken!—As je ze achterover hield, deeën ze d’r oogen toe.—Kijken deeën ze as menschen.—Een, twee, drie, vier, vijf, zes... langzaam ademhalen, dan kwam de slaap... zeven, acht, negen, tien... ellef... twaallef... dertien... Dàt was een muis... achter ’t behang... Wat de boerinnetjes glommen... Je kon zoo de kappen zien... Die zware, dikke riep pa en ma-ma, as je op de borst drukte. Je kon d’r an- en uitkleeën... Wat kèken ze allemaal... Net as menschen.—Die dikke boerin keek ’m geregeld an. Die stond scheef.—Kemiek je mòst d’r telkens naar kijken... D’r hielp niks an... As zoo’n pop nou zien kon... dan zág ze ’m... met z’n hoofd op ’t kussen, met z’n oogen open... Zou je nou slapen of niet?... Begin nou bij honderd... Honderd... Honderd èn een... Honderd èn twee... Wacht even. Je kan zoo niet slapen met die kijkende pop.Hij sprong ’t bed uit, liep het winkeltje in, draaide de boerin om.Maar meteen kreeg-ie zoo’n kou in z’n haren, zoo’n snijdende kou, zoo’n misselijke kou en stikte-die haast. Nou zag-ie zelf ’t bed, dat zoo wit was, alsof d’r ’n laken over lee. O God, wat... was... dat... allemaal... verschrikkelijk... terwijl... d’r... toch... niks... was.Langzaam, telkens met dat beverig-koue gevoel in z’n haren, alsof iemand d’r langzaam over streek, stak-ie de lamp weer aan, trok de dekens over het hoofd en ging weer tellen... Een... twee... drie... vier... vijf... zes... zeven... acht... negen.... tien... ellef...
Zaterdagmorgen bleven de luiken gesloten.
Kennisgeving werd niet rondgebracht. Ze was dood. Ieder wist het. Dag aan dag had de dokterskoets voor de deur gewacht. De luiken waren dicht.
Hij kwam niet thuis dien avond.
Voor zoolang alshetduurde sliep hij bij zijn zuster. Hij was te klein behuisd. Vóór was de speelgoedwinkel, achter de huiskamer, waarin de alkoof stond. In de huiskamer hadden ze geleefd. Ze was groot genoeg geweest voor àlles. Nu er een lijk lag, was het huis te klein. Veel te klein.
Zwager en zuster waren zulleke hartelijke mense.—Nou ie in z’n bed lag, begon-ie weer te huilen, omdat ze allemaal zoo hartelijk voor ’m waren.—Ze hadden koek laten halen bij de koffie en een sigaar met een goud ringetje.—Dirk had ’m voorgelezen van Van Maurik om ’m af te leien.—Ze wouen maar niet dat-ie in gedachten zat, zulleke goeie, beste mense!—Maar nou lag-ie dan toch...
„Leg-ie al, Willem?”—riep Sien achter ’t houten beschot.
„Ja-a-a!”
„Leg-ie warrem?”
„Ja-a-a!”
„Wil je nog niet een deken?”
„Nee... ik leg best”...
„An niks denken, hoor Willem!”
„Nee”...
„Nou slaap lekker!”
„Dank-ie!”
„As-je ons noodig heb, heb-ie maar te kloppen!”
„Ja-a-a!”
„Nou dag!”
Nou hoorde-ie hoe Sien en Dirrek an ’t klessen waren onder de dekens.—As Dirk sprak, was ’t zoo’n diep gebrom.—As Sien wat zei, leek ’t nog verder af.—Nou hadden ze ’t over ’m, over Bertha... Je kon ’t voelen.—Nou waren ze ’m an ’t beklagen... an ’t bekla-a-age...
En hij begon weer te grienen uit meelij met zichzelf en om zooveel hártelikheid van die goeie mense.
As z’m nou maar niet hoorden, daarnaast—’t stond zoo belabberd, as ze je hoorden huilen.—Maar ze praatten met elkaar.—Ze leien te praten in ’t donker, zooals-ie zoo dikkels met háár gedaan had.—Nou was ’t uit, al kon je ’t niet gelooven, al begreep je d’r niks van. Nou lag-ie alleen te kijken naar de rooie stip van z’n sigaar, die nog te branden lag op ’t zeepbakkie van de waschtafel, was zij óók alleen, alléén achter de tulle gordijnen van het glazen beschot, alléén in de alkoof, alléén met d’r dichte oogen in den speelgoedwinkel. Nou zag-ie ’t nog net zoo precies as of-ie d’r was—op de bovenste plank had je doozen met soldaatjes en boerderijen—op de tweede poppen—op de derde poppen—op de vierde poppen—van uitde alkoof zag je poppen, niks anders dan poppen.—’t Was altijd ’n kemiek gezicht, als boven de luiken licht op de poppen viel.—Wat waren d’r ’n boel weggegaan met Sinterklaas.—Nog nooit was d’r zoo’n jaar geweest.—Ze had d’r schik in gehad. Ze lei altijd in bed te luisteren, als-ie verkocht.—Ze had pleizier als ’t belletje van de deur ging.—Nog voor acht dagen, toen d’r zoo druk om de dure soorten geloopen werd, had-ie van achter de toonbank geroepen: „Wat doet ook weer de groote met de kap?”—en ze had geroepenc. d. f.—Ze wist alles van buiten.—Nou wist ze niks meer, lag ze met d’r dichte oogen onder het laken—God, God, God, as je d’r over dacht, wer-je krankzinnig—da-je elkaar zoo gesproken had, dat ’t zoo uit was...
„Slaap-ie Willem?”
Hij hield zich maar stil. Wat most-ie nou nog verder praten? Zoo zachies mogelijk snoot-ie z’n neus, om niet te laten merken dat-ie nog wakker lag.
Maandag was de begrafenis.
Dinsdag waren de luiken van het winkelraam.
„Blijf nou nog ’n páár dagen bij ons slapen,” zei Sien.
„Nee, nou slaap ik weer hier.”
„Ze zellen toch niet bij je inbreken!”
„Dat weet ik wel. Maar een paar dagen vroeger of later, wat geeft dat nou?... Ik doe jullie tòch last an met ’t eten.”
„Last? Geen zier!”
„Nee Sien, ik ga weer hier slapen!”
„Kom dan in elk geval an.”
„Goed.”
Van tien tot twaalf was-ie bij ze. Ze hadden stilgezeten en gepraat over de dingen die in de krant stingen, toen hadden ze gedomineerd en een boterhammetje gegeten, toen was-ie naar huis gegaan. Ze wouen ’m houen, maar hijwouniet. ’t Most alles weer z’n geregelde gang gaan. Acht uur zou de schoonmaakster kommen. Die most geholpen worden.
Kwart over twaalf was-ie in de achterkamer, stak de lamp an, kleedde zich uit. Nou lag-ie. Alléén. Maar je most d’r niet over denken. ’t Gaf nou toch niks meer. Raar was ’t bed met één kussen—as je d’r niet an gewend was. Zoo. Nou de lamp uit. De lamp uit?—Zou-ie de lamp uitblazen?—Natuurlijk. Dat dee-ie altijd.—Hij kon niet slapen mèt licht.—Puf! Puf!—Donker.—Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht... negen... tien... ellef... twaallef... Nou zou-ie tot honderd doortellen. Dat hielp... Maar dan most je an niks anders denken... Dertien... veertien... vijftien... zestien... Jazzus wees nou niet bang... Wat ’n flauwe kul!... Zeventien... achttien... negentien...—Daar sloeg ’t hallef een... Waar was-ie gebleven?... Veertien, vijftien, zestien... zeventien... achttien... negentien... twintig... Twéémaal gefloten, vlak voor de deur. Da-was de politie... Daar had je ’t toeteren ook... Nog een in de verte... Nog een... Wat je ’s nachts alles precies kon hooren... Nou was alles veilig... Ga nou slapen!... Waar was-ie gebleven?... Dertig... Een-en-dertig... Twee-en-dertig... Drie-en-dertig... An de cijfers denken, anders lukt ’t niet.. Vier èn dertig. Vijf èn dertig... ’tGingniet! ’t Ging niet! Omdraaien. Zoo zag-ie den winkel. Net of d’r licht was. Daar ha-je de boerinnen op de tweede plank, daar ha-je de dure, die scheef in de doozen leien.—As zoo’n pop nou spreken kon.—Kijken deeën ze.Kijken deeën ze as menschen.—Je zag zoo ’t wit van d’r oogen.—Wat ze toch niet na konden maken!—As je ze achterover hield, deeën ze d’r oogen toe.—Kijken deeën ze as menschen.—Een, twee, drie, vier, vijf, zes... langzaam ademhalen, dan kwam de slaap... zeven, acht, negen, tien... ellef... twaallef... dertien... Dàt was een muis... achter ’t behang... Wat de boerinnetjes glommen... Je kon zoo de kappen zien... Die zware, dikke riep pa en ma-ma, as je op de borst drukte. Je kon d’r an- en uitkleeën... Wat kèken ze allemaal... Net as menschen.—Die dikke boerin keek ’m geregeld an. Die stond scheef.—Kemiek je mòst d’r telkens naar kijken... D’r hielp niks an... As zoo’n pop nou zien kon... dan zág ze ’m... met z’n hoofd op ’t kussen, met z’n oogen open... Zou je nou slapen of niet?... Begin nou bij honderd... Honderd... Honderd èn een... Honderd èn twee... Wacht even. Je kan zoo niet slapen met die kijkende pop.
Hij sprong ’t bed uit, liep het winkeltje in, draaide de boerin om.
Maar meteen kreeg-ie zoo’n kou in z’n haren, zoo’n snijdende kou, zoo’n misselijke kou en stikte-die haast. Nou zag-ie zelf ’t bed, dat zoo wit was, alsof d’r ’n laken over lee. O God, wat... was... dat... allemaal... verschrikkelijk... terwijl... d’r... toch... niks... was.
Langzaam, telkens met dat beverig-koue gevoel in z’n haren, alsof iemand d’r langzaam over streek, stak-ie de lamp weer aan, trok de dekens over het hoofd en ging weer tellen... Een... twee... drie... vier... vijf... zes... zeven... acht... negen.... tien... ellef...