Rouw.Op den dag, dat hij aarzelend over het huwelijk sprak, zei ze ruw-weg nee. Hij drong aan, drong aan, maar ze werd driftig. Hij zweeg, blij dat ze ’t nou eenmaal wist, vast besloten, om er op terug te komen. Een week later, voorzichtig, vroeg hij nòg eens, zachtjes:„Nou moeder.... Ben je tot àndere gedachten gekommen?”Het donkere Joden-vrouwtje verroerde zich niet. Ze zat met de handen gevouwen alsof ze niet gehoord had.„Ben je tot andere gedachten gekommen, moeder?”....Ze bleef in dat stugge zwijgen, liet het hoofd achterover gaan in den leunstoel, knipte de oogleden dicht.„Ben je niet lekker?” vroeg-ie, omdat ze zoo stil bleef en hij nou pas oplette, dat ze zoo geel-bruin en gerimpeld en oud was bij het licht van de lamp.Ze schudde ’t hoofd.„Geef.... dan antwoord.”Ze dee de oogen open, keek hem aan, boog het lijf driftig voorover en snauwde:„Je trouwt die meid niet!”„Die meid.... Diemeid.... Ik wou dat je je wat matigde.”„Ik zeg maar meid, om niks ergers te zeggen”....„Wil je d’r niet kalm over praten?”„Nee. D’r is genog over gepraat.”„D’r isnietover gepraat. Je ben an ’t schelden gegaan, toen ik d’r over sprak.”„Dat hèb ik, dat hèb ik.... dat doe ik nog.... Jij gooit me met vuil, als je zóó’n slet”....„Moeder!”....„Zou je vader mij genomen hebben, as d’r maar zóó veel op me te zeggen was geweest”...„Vader ging zijn weg”...„Je bent gek, gek, gek!”„Win je nou niet op... Ja, ik ben gek, krankzinnig op die vrouw... Ik ken d’r negen maanden en in dien tijd heeft ze zich gedragen, om je hoed voor af te nemen... Mot ’t nou zoo zwaar wegen als iemand lichtzinnig was... Denk daar eens over na... Stel je in ’t geval dat je eigen dochter”...„Anna was te fatsoenlijk!”„Zooals je ’t nemen wil—d’een trouwt ’n man om geld—d’ander uit liefde.—Ik zou liever m’n tong afbijten!”...„Bijt je tong liever af vóór je ’n slet”...„Moeder!”... „Voor je ’n slet trouwt! Wou je hebben dat ik d’r ontving in mijn huis, dat ik d’r zoende als me eigen kind, dat ik d’r liet anzitten an mijn tafel?”„Bij God, moeder!”„Denk an de geboden... Spreek den naam van den Eeuwige niet ijdellijk uit... Denk an de geboden... Eer uw vader en moeder, opdat uwe dagen verlengd worden!”„Ja, ja, dat weet ik, dat weet ik... Die klets!Ik zal nemen de vrouw, waarvan ik hou, de vrouw, aan wie ik wat goeds kan doen, die ik oprichten kan uit d’r verval, de vrouw die nog onbedorven is, al beschouwen jullie dat ànders, de vrouw van wie ik hou, hou, hou, de vrouw die voor mij geen fatsoen, geen onfatsoen heeft, omdat ik van d’r hou, die niet slecht kan zijn, omdat ik van d’r hou, die geen verleden heeft, omdat ik van d’r hou!... En als je ooit liefde gekend heb... dan begrijp je dat, dan voel je dat en dan hou je niet tegen, wat toch niet tegen te houen is!...”„Joozep, Joozep... herinner je de Vrijdag-avonden, als je vader zat in z’n leunstoel... als ’t witte tafelkleed op de tafel lei... en de kaarsen brandden...”... „Huil nou niet moedertje. Je begrijpt zoo weinig, zoo niks van de dingen van ’t leven, zooals wij dat doen!... Er kan toch geen schande in zijn, een vrouw tot je huisvrouw te nemen, als je houdt van elkander! Is dat niet àlles voor ’t huwelijk? Wat heb je meer noodig? Als je dat niet begrijpen kunt, omdat je zoo heel anders bent opgegroeid, omdat je zoo streng, zoo raar bent in je gedachten over fatsoen... zeg dan ja... voor den vorm... ontvang d’r niet... beschouw d’r as een vreemde... tot je anders heb leeren denken!... Want ik trouw d’r, zoo waar ik het leven heb!”„Dan hoeven wij niet verder te praten.”„Waarom doe je dat harde... mij te plaatsen tusschen jou... en haar?”„Omdat ik eerbaar ben... en niet wil worden nagewezen om mijn schoondochter!”„Geef je toestemming... het is zoo vreemd om te breken met jullie... Over zes maanden... ’n jaar... spreekt niemand er over.”„Nee, nee, nooit!”„Denk d’r wel over, moeder... we gaan voor goed van elkaar.”„Zooas je wilt! Zooas je wilt! Kinderen zijn d’r nou eenmaal, om ondankbaar te zijn... om alles te vergeten... Hier in de kamer, waar het portret staat van je vader, waar zijntefille1leit, waar die gewoond en geleefd heeft as eerlijk, fatsoendelijk man, ontvang ik geen schoondochter, die zal kleuren as ze voor me staat... ik zou niet meer naar zijn graf durven... Later zul je me op je knieën danken, dat ik je teruggehouen heb, dat ik je gewaarschouwd heb, je niet te vergooien!”„Dan zie je me voor ’t laatst!”„Ik wil geen hand van je!”„Geef me je hand... Je weet nooit wat gebeuren kan”...„Nee.”* * *Het was een korte ceremonie.Ze reden van ’t Stadhuis terug. Het rijtuig rolde snel, gevolgd door twee andere met getuigen. Met haar hand in de zijne, onnoodig-opgewekt, uit zenuwachtigheid, zat hij in de trouwkoets.„Wat is er?” vroeg ze ongerust, toen hij op eens, half-verschrikt uit het portier keek.„Niks, niks.”„D’r isiets!”„Wel nee.”„Je verbergt iets, Jo.”„Ach wel nee, wel nee.”„Heb je... je moeder gezien?”„Nee kind, d’r is niks!”„Geef me jewoord!”„Gekkinnetje... vertrouw je me al niet op den trouwdag?”„We zijn toch ’t huis van je moeder voorbijgerejen?”„Ja.”„Was ’r wat te zien?”„Vraag nou niet...”„Ikwil’t weten”...„De gordijnen waren neergelaten”...„Anders niks?”„Nee.”„Op jewoord?”„Guus, Guus, da’s tweemaal!”„Ik kan ’t niet helpen, maar ik ben zoo ongerust!”„Ben ik er dan niet?”* * *In de woning van den vriend stond een koud déjeuner klaar.De bruid was even boven.Bij het raam stond-ie.„Joseph, wat kijk je triestig!”„Heb je gezien, Herman, dat de gordijnen neergelaten waren?”„Ja”...„Waarom dee ze dat?... D’r kan toch geen... ongeluk gebeurd zijn?”„Nee.”„Hoe weet je dat?”„Omdat ik van morgen bij haar was.”„Jij?”„Ja... op ’t laatste oogenblik wilde ik nog probeeren”...„Dank je!”„Ze wou niet.”„Dat dacht ik wel.”„Je zuster Anna was d’r ook en heeft staan huilen om d’r over te halen.—Ze was niet te bewegen.—Nou heeft ze iets... leelijks gedaan”...„Wat dan?”„Het zal je hinderen om ’t te hooren”...„Later hoor ik ’t tòch... Zeg ’t maar ronduit!”„Ze zei... as-die om elf uur trouwt, ga ik om elf uursjiwwe-zitten”2.„Heeft ze... dàt... gezegd?”...„En gedaan... Ze zei: nou is-ie dood voor me. Achter de gordijnen zat zesjiwwe.”1Gebedenboek.2Sjiwwe-zitten: het gaan zitten op den grond geschiedt in treurdagen als vader, moeder of kind gestorven is.Kliniek.„Toen zei d’r een... je mot tot honderd telle... ze keke me allemaal an... Kind ik was zoo verlege... Toen begon ik een, twee, drie, vier... en toen heb ik geschreeuwd tot ik sliep... Gek hè?”...„Hebbe ze je opengesneje, terwijl je sliep?”... „Da-weet ik niet... Ik lag weer hier toen ik wakker werd... en toen was ik zoo ziek as een hond... en toenstakmijn been, maar ze hadde ’t vastgebonde... en je kon d’r niks an merreke.”... „Heb-ie dan niks gevoeld?”... „Niks... Kan je merreke da ze je snije as je slaapt?”... „Da-weet ik niet”...... „Mot jij ook gesneje worre?”... „De zuster zegt van nee.”... „Wat scheel jij dan?”... „De rhumatiek is me naar binne geslage.”„Doet dat pijn?”„Nou hoor! Me hart klopt soms verschrikkelijk... en dan krijg ik ’t zoo benauwd”...„Ze dachte eerst da’k dood zou gaan.”„Was jij d’r bang voor?”„Ikke?... Nee... Je legt hier wàt lekker... Jezou d’r voor je plezier komme... Heb jij van-morgen ook sjokola gehad?”...„Nee, pap.”Ze lagen nog te praten in de groote ziekenzaal van het Binnengasthuis, toen de pleegzuster kwam.„Riekje, je moet even mee naar de kliniek.”„Wordt ze nou ook gesneje?”„Nee, domme meid, Riekje wordt niet gesnejen.”De zuster wikkelde Riekje in een wollen deken, nam d’r in de armen, droeg d’r weg.„Da-àg!” riep Toos.„Da-àg!”...In de gang, angstig, benauwd—vroeg ze nog eens: „Zuster, ze zelle me toch geen pijn doen”...—„Nee, Riekje, wees maar niet bang.”De deur van de kliniek ging open. Zuster lei d’r voorzichtig in een bed en ging heen. Onrustig keek Riekje rond, verlegen bij het gezicht van zooveel menschen. Een heer met gouden bril, kaal hoofd en grijze bakkebaarden, een heer die vriendelijk keek, kwam bij het bed zitten. Die kende ze.Da-was de profester. Maar de andere twee die bij d’r bed zatte en al die heere in de rondte... die d’r ankeke... zoue ze d’r ook gaan snije... maar ze zag nergens messe... en de profester keek zoo vriendelijk.„Doe nou even je jakje uit, kind.”Hij hielp haar en tikte zachtjes op d’r wangen.... „Wees nou maar niet bang... We zullen je geen pijn doen”...Professor schoof het hemd naar beneden... „Niet bang zijn kindje”...„Wor ik nouheuschniet gesneje?”„Wel nee, malle meid... Zoo blijf nou rustig liggen... Wil u beginnen te vragen, mijnheer?”Aarzelend, ’t zelf nog vreemd vindend, begon de student.„Hoe is je naam?”„Rika Bosch”...„Hoe oud ben je?”„Veertien in December...”„Leven je vader en moeder nog?”„Vader is dood”...„Waaran is-ie gestorven?”„Weet ik niet”...„Is je moeder gezond?”... „Ze was gister verkouën”...Het doezelig November-licht scheen rustig in de kliniek-zaal. Sterk-verlicht stond het ijzeren bed met het meisje, omringd door de studenten. Alleen de stemmen van den vragenden student, het kind, soms die van den professor klonken.De roodgloeiende kachel pruttelde, een voet werd verschoven, een blaadje papier ritselde, een harde, puntige pen kraste op een boek. Op een der drie lange, bruine tafels glimmerden kantige schamplichten van instrumenten, kolven en flesschen. Geen geluid kwam van de binnenplaats.Waswit lag zij in het bed. Het zwarte haar was netjes weggestreken onder het witte mutsje. De muts was strak-witter dan het gezicht, dat al zijn jeugdige volheid had. Blauwe aders waren als stroeve vegen in het wit van den hals. Ze lag als een marmeren beeldje met blauwe marmer-aren. Maar er was een benauwend leven in haar. De oogen, glanzig en wonderlijk groot, keken met sterke uitstraling van leven naar den student, naar den professor, naar de anderen. De dunne, scherp-witte neusvleugels bewogen snel, snèl, zonder ophouden. Ze had dood kunnen zijn als de oogen niet zoo brandendvan leven geweest waren, als de witte dunne, doorzichtige neusvleugels niet zoo koortsig hadden bewogen.Ze lag marmer-mat, wassig bleek op het ijzeren bedje. Toen hij even ophield met vragen,lachte ze flauwtjes om een afbeelding an den wand, om een man met zoo’n kemieken buik... Wat ’n gekke plaat... zoo’n rare man... En ze zag een student, die zat te schrijven... Wat leek-ie op Joopi... Net zulleke dikke koone... ...Net zulleke kemieke ooge... ze most effen lache nou ze an ’m dacht... ze zag ’m nog zitte op ’t stoepie bij de Munt... toen die de suikerboontjes uit z’n broekzak haalde... en ze wel stroop leeke... zoo nat as ze geworden ware...... „O God, profester... niet snijje!”...„Nee, nee, kindje.”Ze hield de oogen niet af van de instrumenten, stootend ademhalend... Hadde ze Toos niet in d’r been gesneje...De professor begon te ausculteeren. Hij luisterde overal met de stethoscoop en zei dingen in ’n vreemde taal... Waarom spraken ze nou Frans?... Waarom klopte ze d’r op d’r borst... Je kon je lache haast niet houen... Net of-ie tegen ’n doos klopte... Wat ’n mensch toch raar gemaakt was... dat je zoo hol was van binne... Je zou zwere dat d’r iemand in ’t donker op de deur klopte... Wat ’n mooie gouwe bril had-ie... Wat had-ie warreme vingers... nee maar Gompie!... nou teekende profester met ’n potlood op d’r bloote lijf... ’t leek wel ’n suikerhart... ze werd d’r warrem van... ze zweette op d’r voorhoofd... Nou keke ze allemaal naar d’r, de heere op de stoele... ze keke naar wat profester teekende... Wat werd ze nou moe... en dat ’t hier zoobenauwd was... zoo warrem... maar ze sneje d’r lekker niet... zesnejed’r niet zoo as Toos...De lichtblauwe oogleden hingen zwaar over de oogen. Er was een groote rust in de kamer. De scherpe, puntige pen kraste, de stemmen klonken soms gonzend, de kachel pruttelde. De studenten schreven haastig of keken naar het waswitte kind in het bed. Ze hield haar handen gevouwen, het hoofd lei iets op zij. Korte ademgeluidjes kwamen uit den kleinen drogen mond. Het bed met de witte lakens, de verfomfaaide dekens, stond scherp in zijn harde lijnen in den kring van de mannen.Het wit van de lakens, de marmeren witheid van het kind waren omvat in de donkere vlakken der kleeren, waarin het robuste vleesch van handen en gezichten kwam kleuren. Half gebogen met een grijze pluiming der bakkebaarden boven de ronding van rug zat de professor, met een geringde hand op de dekens.Nou werd ze weer wa-beter... ’t Was toch wel gezellig zoo... dat ware nou allemaal dokters... die kwamme leere van den profester die alles wist... nou maar die bleeke zag d’r ook niet voordeelig uit... Wat had die zwarte bij ’t raam ’n neus... ’t leek wel niks... mot zoo’n groote man nog leere... nou breek me klomp... most ze nog lang blijve... Ze kreeg zoo’n slaap... Kemiek as je zoo lui lag... moeder had net de wasch vandaag... en morgen dat groote kantoor op de Heeregracht... wat brandde die kachel... daar kreeg je ’t benauwd van... Was ’t nou weer om te stoke?... Slape zou ze toch maar niet... as je slape ging sneje ze jeopeom je van binnen te kijke... zoo as met Toos d’r been...„Exitus letalis1staat te wachten... Tijd niet te bepalen”...Wat of profester nou weer zei... Joopie kon ook Frans parrelevinke... Maar nou was ’t gedaan. Profester kleedde d’r an en de zuster kwam binnen. Ze was in éens klaar wakker, nou ze heen mocht, bij Toos. Zuster droeg haar weg in de wollen deken. Toos lee al te kijken.„Wat be jij ’n tijd weggebleve!”...Riek bleef even ademhappen van benauwdheid onder de dekens. Toen zei ze met oogen gróot-open: „Ze hebbe me lekker niet...gesneje”...1De dood.Avondverhaaltje.„Hen, pas toch op!”„Ja, Pop.”„Niet zoo voorover buigen!”„Nee, maak je niet ongerust.”Ze hield hem toch maar stevig vast bij zijn bretels, terwijl ze angstig achterover leunde.Eindelijk was ’t er.„Was dat ’t laatste?” riep Hen tot den kruier, die nog an ’t zoeken was in den wagen.„Ja, meneer.”„Kom nou van ’t raam weg, Hen!”„Ja kindje.”In zijn hemdsmouwen droeg hij de mand naar achter.Nu kwam de kruier binnen, die het raam weer in orde bracht. Pop was niet eerder gerust vóor het ijzeren gewicht aan het koord hing.„Zoo’n raam er uit, vind ik het verschrikkelijkst van een verhuizerij.”„Je bent een zottinnetje.”„’k Heb geen gerust oogenblik gehad toen jij er bij stond.”De kamer was vol met stoelen, pakken, kisten, schilderijen en rommel.Pop zat op een kist, wind aanblazend met haar voorschoot. Hen lag moe, met een paar vuile vegen op z’n gezicht in den eenigen vrijen leunstoel.„Goddank, we zijn over.”„Goddank.”„Als ’t een beetje had tegengeloopen, hadden we op straat gestaan.”„Jouw schuld.”„Maar Hen!”„Jouw schuld... Als je zwart op wit genomen had” ...„Nee, begin nou niet nóg eens!”Ze waren elkander al aan ’t afzoenen.„Laat me nou los, anders kunnen we vannacht op den grond slapen!”... „Binnen!”Het was de bewoner van het benedenhuis.„Ben u heelemaal klaar, meneer?”„Ja, ’t laatste stuk dat geheschen moest worden is binnen.”„Dan zal ik mijn spion weer uitsteken.”„Doe u ’t gerust. U wordt vriendelijk bedankt.”„Slaap u hier vannacht?”„Mijn vrouw hoopt met de alkoof klaar te zijn tegen den avond.”„Zoo, zoo! Anders in lang niet bewoond geweest.”„Da’streurig,” zei Hen, met een opkomen van z’n ouden spot tegenover het babbelziek manneke. Pop kneep hem zenuwachtig in z’n arm. Als Hen zoo begon,wistze dat ze zou gaan proesten, met van diebenauwdepiepgilletjes.„U is zeker niet bang uitgevallen?”„Bang?”Pop kneep hem weer in z’n arm.„Bijgeloovig bedoel ik. Niemand wou deze etaazie betrekken.”„Och kom! Spoken?”„Nee ’n moord!”„O God, Hen, hoor je dat?”„Als je nu denkt, meneer, mij een pleizier te doen, door mijn vrouw bang te maken met malle praatjes”...„Malle praatjes, meneer? Malle praatjes? Zie je me voor een praatjesmaker aan? Kijk dan maar eens op den vloer van de alkoof... daar moet je het bloed nóg” ...„Meneer ik verzoek je heen te gaan of je mond te houden!”„Bonjour meneer!” zei de buurman, nijdig.Pop zat bleek op de kist.„Geloof dien onzin toch niet, Pop!”„Hij heeft me zoozenuwachtiggemaakt.”„Malligheid! Kom, ga aan het werk, kindje!”„Kijk dan eerst in de alkoof.”„Daar dan.”Hij trok de alkoofdeuren open. Er was niets te zien in het donker. Een voor een lichtte hij de stoffige planken op, waarop het springveeren matras zou komen te rusten.„O God... Hen!”„Wat zegt dat nou, een vlek?”„Je kuntziendat het bloed geweest is!”„Kan de verver niet een pot verf hebben laten vallen?”„Nee Hen, nee!... ’t Isbloed! O God,Hen, ik ganooitslapen in die alkoof!”„Wees toch verstandig! Hoe kun je zoo kinderachtig zijn! Probeer eerst of het er niet uit te boenen is.”„Datdurfik niet.”„Geef mij dan een emmer met water.”Ze ging naar de keuken, kwam terug met water, soda, zeep en een borstel.Hen begon geweldig in de alkoof te schrobben.„Hier heb je nog wat.”„Mosterd?”„O, Hen, da’sprachtigtegen vlekken.”„Onzin!”„Gebruik het nou! Toe!”Een kwartier lang boende hij met soda, zeep en mosterd. Hij zweette ervan.„Nou?”„Ja ’t is weg.”„Zie je nou wel dat ’t geen bloed is, dat ’t bangmakerij was?”„Maar als er nou toch ’n moord... O, wat vind ik ’t hiereng”...„Help nou maar uitpakken.”„Zul jeheuschde eerste week ’s avonds niet uitgaan?”„Nee, heusch niet.”Ze boende de stoffige alkoofplanken, die Hen een voor een er weer in lei. De beschotten zeemde en zeepte ze af. Hen sjouwde met het groote springveeren matras, dat precies moest passen, omdat hij de maat had genomen met een touwtje, toen hij de woning gezien had.Het bed zakte nauwkeurig in de opening. Pop maakte het op, terwijl Hen z’n handen waschte in de keuken.„Pop,ben je klaar?”„Ja!”„Vooruit dan! Ik heb honger.”Ze dee haar mantel om. Ze zouden voor een of twee dagen in een restaurant eten tot de boel klaar was.„’k Ben blij dat we zoover op orde zijn.”„Ik ook.”„Als jij nou het zeil spijkert en de gordijnenophangt, als we thuiskomen, staan we morgen niet in zoo’n rommel op.”„Goed, Pop.”Tegen acht uur kwamen ze terug, vroolijk en lachend. Hen was zoomalgeweest om een flesch wijn te bestellen. ’t Was eenvreeselijkeuitgaaf, maar ze vond het dol-gezellig, net een diner bij rijkelui.De lamp brandde. Hen lag als een behanger op den grond om het zeil te spijkeren.„Gooi mijn papieren vooral niet door de war.”„Wat zeg je?”„Gooi mijn” ...„Maar Hen ben je nougek! Neem die spijkers uit je mond... als je er een inslikt is het te laat.”„De behangers doen het ook.”„Praat nou niet! Praat nou niet! Toe doe ze er uit!”Hij lei het natte hoopje spijkers naast zich en gilde van ’t lachen toen ze met haar stoffigen wijsvinger in z’n mond voelde om te zien of hij ze erallemaaluit gedaan had.Zingend, opgewekt hing ze een paar portretten op, pakte de kist met boeken uit, speldde prenten tegen het behangsel en hing een snoezigebabyvan vloeipapier aan de lamp.’t Begon er gezellig uit te zien. Toen ze geen kleinigheden meer uit te pakken vond, ging ze naast hem op den grond zitten om hem de spijkertjes an te geven.„Klop toch zoo hard niet, Hen. Je slaat al de koppen door het zeil heen.”„Dat doe ik met opzet.”„Waarom?”„Dan valt de kalk van het plafond, beneden.”„Hè, jazzus, nou doe je me weer an die moord denken!”„Zoo snuitje!”„Nee, schei uit met dat zoenen, akeligheid!”Het zeil was klaar. Nu stond hij op een keukenstoel en hing de gordijnen op.„Ze zijn te kort, Hen.”„Da’s niks. Dat kun je van buiten niet zien.”„Wat een gezellige kamer, als-ie angekleed is, hè?”„Zoo, nou doe ik niks meer.”Ze zaten samen bij de tafel. Pop had koffie gezet. Hen las de krant, die hij aan een kiosk gekocht had.Doodmoe leunde ze tegen hem aan. Van ’s morgens zes uur waren ze in de weer geweest. Maar ze wou hem niet storen. De heele krant las hij uit. Soms las hij iets voor en luisterde ze slaperig.„Hen!”„Ja.”„Hen!”„Ja, kind.”„Ik val om.”„Ja, snoetje.”Hij wond z’n horloge op. Dat washetsignaal.„Heb je de deur goed gesloten, Hen?”„Ja.”„Op het nachtslot?”„Nee. Bijonsbreken ze niet in.”„Toe, doe het, Hen. ’t Is hier nog zoo vreemd.”Hij ging. Ze hoorde hem beneden. Zou ze nou? Eventjes? Eventjes maar? ... Nee, Hen zou kwaad worden... Nou, maar éventjes....Ze trok de alkoofdeuren open, streek zenuwachtig-snel ’n lucifer af, lichtte onder het bed. De lucifer ging uit. Nóg een, gauw.... O God!...„Wat kijk je daar?... Pop, je bentwerkelijkkinderachtig!”... „Ze is weer opgekomen! Ze is d’r weer! ’t Is bloed, bloed!”„Kom, wees nou kalm.”„Nee, nee, nee! Voor geen goud slaap ik daar.”„Ik ben toch bij je!”„Voor geen goud!”„’k Zal zelf is kijken.”Hij bukte, keek met de lamp onder het bed.„Je hebt gelijk.”En zij keken elkander an, zonder spreken, met ’t gevoel dat ze niet meer alleen in de kamer waren.Engagement.Toen ze nu geleefd had vijf-en-twintig jaar, kwam er een zeer groote gebeurtenis in haar leven.Er geschiedde niets anders dan dat de schel overging, dat zuster Riek van haar borduurwerk opvloog, de trap àf bonsde, boven kwam met een brief, de rhumatieke moeder het couvert openscheurde én Jo een paar zoenen gaf.Jo prikte zich bijna in de hand bij het borduren. Er moest wel iets heel krankzinnigs in den brief staan, als moeder an ’t zoenen ging.„O Jo, o Jo, wat ’n nieuws! Riek! Riek, wat ’n nieuws!” ...„Wàt dan toch,” zei Jo nieuwsgierig.„Hij vraagt om je hand!”„Wie?”„Wie zou je nou denken, zeg? Mensch, doe nou niet zoo verwonderd?”Jo had den brief al te pakken. Riek las over haar schouder mee.Jo las stil door. Riek begon na het eerste velletje als een idioot te dansen door de kamer, brullend: „We gaan allemaal mee naar Indië, we gaan allemaal mee!”„Nou, wat zeg je d’r van?”Jo zat ineengehurkt, het borduurwerk slap-neerhangend in haar schoot. De strengen rood, groen, geel hingen als dikke haren over haar bruine japon.„Laat d’r even denken,” zei Riek.„Wat heit ze te denken!” knorde moeder nijdig, „wat heit ze te denken, hè? Denk je dat d’r ooit ’n tweede om d’r komt?”„Mót ik naar Indië gaan als ik ’m neem?”... „Als je ’m neemt... Dènk-ie daar dan nog over?”„Hij is zoo ... leelik.”„Niet waar,” zei Riek: „als-ie lacht heit-ie wat ’n mooie tanden.”„Al had-ie geen tand in z’n mond, zou-die ’n partij voor je wezen! Over een paar jaar is-ie controleur of azzistent, over twintig komt-ie met ’n rijkeluispensioen terug. Wou je liever je heele leven borduren? Kijk maar is naar de kringen onder je oogen!”„Ik had d’r heelemaal geen idee in dat-ie me vragen zou” ...„Hij zal toch wel wat tegen je gezeid hebben, toen-ie nog hier was?”„Nee... Hij keek me nooit an... Hij sprak altijd met Riek.”„Dat heit je ouwe ’m anders gelapt. Zit nou niet zoo stil en geef asem! Ga dadelijk met Riek naar ’t telegraafkantoor en telegrafeer ’m „ja” zooas-ie gevraagd heeft.”„’t Heeft zoo’n haast niet. ’t Kan morgen ook gebeuren!”„Nee! Ben je heelemaal getikt, zeg? Je gaat nóú!”„Ik ben nog jong genoeg... Ik heb zoo’n haast niet te maken.”„Je zèl, zeg ik, versta je!”„Wie trouwt d’r, jij of ik?”„Je bent ’n mispunt! Je bent ’n niksnut! Zel je gaan telegrafeeren?”„Nee, morgen! Ik wil d’r over slapen.”„Vandaag zèl je, zèl je!”Ze keven in tegen elkander met scherpe, driftige stemmen, krakeelden tot het donker werd in het heete, benauwde kamertje.Ze lag in het alkoof naast Riek. Achter het houten beschot hoorde ze moeder kreunen, die in het keukentje sliep. Het wekkertje, dat om zes uur moest afloopen, tikte kwaadaardig. Het was benauwd in de kamer, benauwd van het stoken, benauwd van de lamp, die den heelen avond gebrand had. De gordijnen waren neergelaten. Het licht van een gaslantaarn scheen aan tegen de witte stof, teekende het kruis af, waarin de ruiten gevat stonden.Ze lag met de oogen wijd-open, zóo dof en moe van de ruzie, dat ze niet denken kon.Het wekkertje hinderde schrikkelijk. Ze dorst den slinger niet tegenhouen, omdat ze op moest voor het werk van „Tesselschade”.Aan de andere zijde van het beschot kreunde moeder, die het rhumatieke lichaam wilde omdraaien, sterker.„Lekker,” dacht ze. Ze had ’r pleizier in. Maar toen ’t kreunen harder werd, kreeg ze meelij, kwam ’t bed uit, liep met de bloote voeten over het zeil, de gang door, de keuken in en hielp het dikkertje.„Ga maar weg! Laat me met rust! Jullie vermoorden me, beesten, jullie vermoorden me!”Ze liep weer terug, tastte, tastte verkeerd, stootteden voet tegen den dorpel. De nagel snee in haar voet. Ze kreeg de tranen in haar oogen van pijn, ging zitten, trok het been op, nam den voet in de handen, beet zich op de lippen. In die houding begon ze te huilen, niet omdat ze zich gestooten had—dat dee wel pijn—dat was minder—om de ellende van ’t leven—om die man die d’r gevraagd had—om de ruzie van vanavond—om al de beroerdigheid—om ’t béést d’rnaast... Ze liet zich afglijen van den stoel, lag met het hoofd op d’r rokken en kousen.Ze snikte niet lang.Ze wàs weer in dat doffe gevoel van straks, in de benauwende spanning van het heete kamertje. Ze kreeg wèèr dat gevoel van vroeger, als ze te lang gewerkt had—dat gevoel van nooit meer veerkracht te zullen hebben, nooit meer frissche buitenlucht te zullen inademen, nooit meer te zullen komen tot de kracht om te stoeien als in ver geleefde dagen. Ze voelde de wereld als haar kamer. De wereld was een warme verstikkende kleine ruimte. Zij was eralleenin, alleen en òp. Ze was òp en wachtte niets meer.Wat zou d’r gebeuren in... in... Indië. Ze zou varen over de groote zee... lekker... luchtig... frisch... zooas ze eens gevaren had naar Marken..., maar ze zou varen met dat altijd-blijvend zwarte loome gevoel... Ze zou dààr wonen, zooas ze hier gewoond had... met hem... met hem... Hij zou liggen waar Riek nou lei... Zij zou wakker worden, met de oogen wijd-open... ’t zou even warm, heet, drukkend zijn... ze zou zich den voet stooten... en liggen met het hoofd op de natgehuilde kousen... terwijl hij met z’n rooien snor te slapen lag naast d’r.Ze verlei het hoofd, keek naar de zwakverlichtegordijnen met de zwarte, doezelige kruizen. Op straat hoorde ze iemand voorbijgaan. Stap voor stap. Nou bonsde z’n voet tegen het ijzeren raster van de waterleiding voor de deur. Nou ging-ie den hoek om, was het weer stil.Was het niet om het even, waar je te huilen lag op je kousen?Was het niet om het even, of je leven voor je stond als een braking van zwart, in de stad hier... of dáár... in de binnenlanden?Maar hier droomde je soms nog van een geluk, van een iets dat niet te zeggen, niet te bepraten is ... hier hield je vast an een wonder, een teeken van God... hier droomde je van geheimzinnige dingen, als de zon in je kamer scheen en de musschen kruimels van ’t kozijn pikten...Zou ’t leven daar nét zoo zijn... zoo dof, zoo verstikkend, zoo andrijvend als een plompe mist, zoo benauwend als een kleine heete kamer met een rhumatieke moeder...Zei ’t iets in ’t leven, als je je verkocht an ’n man, an ’n vreemde vent, als dat leven nou toch eenmaalzoowas, als ’t je liet dóódgaan op je stoel, terwijl de musschen van ’t kozijn naar de daken en van de daken in de lucht vlogen...Wat kon ’t haar schelen... wàt kon ’t haar schelen... morgen zou ze de zakdoeken af borduren..., als ze moeder gewreven had..., zou ze stokvisch gaan koopen bij Fuente in de van Wou..., waar ze altijd augurkies uit de vaten snoepte..., zou ze telegrafeeren naar Semarang... waar of dat lag... en wat of dat kostte... as ze nou maar genoeg geld bij „Tesselschade” kreeg voor de stokvisch en ’t telegram... en dan zou ze de kamer ’n goeie beurt geven... met al dat stoken en niet luchten voor ’t ouwe mensch... werd de boel zoo vies om niet ante raken... dan zou ze de brander van de lamp ook ’s goed doorblazen... al de gaatjes waren verstopt... en ze zouen samen ’t kleed voor elven uitslaan... laatst had ze haast ’n bekeuring gekregen... de stokvisch most lang weeken... anders kwam-ie hard op tafel en d’r most nog mosterd wezen... nee anders niks...Haast was ze ingedut.Ze schrikte op door Riek, die snurkte.Het was niet om uit te houen van de warmte. Zachtjes schoof ze het raam op—heel klein kiertje, ademde de scherpe avondlucht, keek met droge oogen naar de omtrekken der bladerlooze boomen, naar de donkere wolken, die voorbij de maan dreven. De maan was geheel bedekt, begon zich los te werken uit de sponzen van zwart. Een wit wolkentipje kwam al verzilverd uit.Ze wou ’m er uit zien komen. Maar hij kwam niet. Alleen wat wolkenrandjes stonden gekleurd alsof in de verte zilverbrand was.Den volgenden morgen lag moeder nog te bed, toen ze terugkwamen. Riek frisch van de wandeling. Jo met kringen onder de oogen.Moeder stak het hoofd uit de alkoof.„Wat heit ’t gekost?”„Twee en twintig gulden, twee en zestig cent”...„Watte?”„Zes woorden, elk van drie gulden zeven en zeventig cent.”...„’t Is godbeterme ’n geld! Had je dan zes woorden noodig?”„Natuurlijk...Wolters—Indisch-ambtenaar—Semarang—ja—Jo.”„Ha-je danIndischniet weg kenne laten, stommert? Affijn. Laat ik je een zoen geven om je te felisisteeren.”Kamerhoek.Even keek hij nog naar den lichtenden hemel, stak den sleutel in het slot, veegde de voeten langzaam op de vloermat, ging de voortreedjes op en opende de kamerdeur. Met het blonde, pluimende haar, dat een groote kuif leek, zat ze bij ’t licht. De gasarm hing laag, tot op de tafel. De koffie gaf stootende schokjes boven het olielicht. Er was een aangename warmte, alles sloeg hem gezellig tegen. Het was zijn vriendelijk, gelukkig thuis.Ze lei het wollen kinderrokje neer dat ze bezig was te breien, stond op, sloeg de armen om zijn hals, zoende hem op zijn mond, op zijn oogen.„Ben je ereindelijk?”„Eindelijk?”„’t Is over twaalf.”„Wel nee.”„Heb je veel te doen gehad?”„Nee—ik ben opgehouen.”„Ben je niet goed?”„’n Beetje moe.”„Ga dan gauw zitten—hier zijn je toffels—Trek je je boord niet uit?”„Zeker kind.”„Wat ben je koel, van avond.”„Hannaatje, doe nou weer geen ontdekkingen! Waar is de chamberloek?”„Trek je vest ook uit. Je zult het te warm krijgen.”„Dank je, wijfje.”Met de muilen an en warm in zijn chamberloek, zat hij in den leuningstoel.„Is er nieuws?”„Niets.”„Heb je de krant?”„Hier.”Ze schonk een kopje koffie in, lei zijn pijp op tafel, scharrelde rond voor het aschbakje, en lucifers, en voor water op de koffie, plukte wat roode draadjes weg van het tafelkleed en ging over hem zitten, rustig, ijverig hakend aan het wollen rokje en maar niet babbelend omdat hij dan niet lezen kon. Over den gekartelden rand van de krant, zag ze zijn voorhoofd, de inplanting der krullende haren en twee roode oortipjes. Er kwam zoo een volkomen gelukkige rust over haar.Ze wist dat hij er nu was, dat-ie over haar zat, dat de kleine kamer gevuld was van een niet uit te spreken iets, dat zij ’t zoo altijd zou willen houen—de kamerrust, het witte tafelkleed met de stille ruitjes, het koffieservies, het gasvlammetje en hem in zijn stoel, zoo dicht bij haar, zoo vertrouwelijk dichtbij, met zijn knie tegen haar aan en z’n voorhoofd boven de krant.„Jannie”...„Ja kind”...„Er is weer een haartje gegroeid op je oor”...„Gekke meid”...„Wil ik ’t even afknippen?”...Ze vroeg ’t zoo kinderlijk-mal, met zoo iets in-gelukkigs in haar stem, dat hij lachend knikte.„Blijf maar zitten... Zit je nagelschaartje in jevest... Nee blijf nou zitten... Ik heb ’t al... Jannie wat een dikkert!... ’t Lijkt d’r wel een uit je snor... Kijk eens!”Ze lag op haar knieën, hield het haartje tegen het licht.... „Jannie wat ben je vreemd!... Is er iets gebeurd”...„Nee, nee, nee, kind... Sta nou op.”„Is de krant nog niet uit?”„Nee.”„Lees dan strakjes verder!... Laat me even zoo zitten.”Ze bleef met het blonde, pluimende haar tegen hem aangeleund. Zacht wolde het tegen zijn kin. Hij moest haar toch even zoenen.„Prik je niet aan de haarspelden.”„Nee, snoetje.”Hij vouwde de handen tegen haar achterhoofd, streelde haar zacht en ging zoo kijken in de gasvlam, die in den melkwitten ballon te wuiven stond als een veer.„Jannie wat ben je stil.”„Ik ben niet stil, kind. Ik zit te denken.”„Waaran denk je?”„An niks.”„Ik geloof je niet. Er is iets gebeurd.”„Wees nou niet kinderachtig, vrouwtje... Er is niets, er is niets gebeurd... Laat me nou even rustig zitten.”Ze zweeg, aanduwend het blonde hoofd tegen zijn borst. Hij hoorde precies de rustige ademgeluidjes, keek in de kleine gasvlam, die nu weer leek een vlinder met onrustige, gele, vleugels.—Kwam het dan weer terug.—Was het niet te begraven in de gezonde, eerlijke oogen van een vrouw—niet te vergeten in den kring van geluk, die in alle woningen is.—Was het niet weggekustdoor twee zoenende jonge lippen, zoo lang, zoo ontzettend lang.—De een had gesproken van melancholie—een ander van te weinig lichaamsbeweging—Frits had het woordWeltschmerzgebruikt.—Wat zei dat?—Hadden zij hem ooit geholpen.—Was hij ze niet ontloopen, om dan maar weggehurkt te zitten in een koffiehuis, waar hij ’t niet uithouen kon, waar de menschen hem drukten en het gepraat hem gehinderd had.—Dat waren de zwarte jaren geweest.—Die waren weg, lang weg, vergeten èn gehaat.—Kwamen ze nou terug, terug, terug...Was hij straks niet opgewekt naar huis gegaan—waarom was hij in ééns zoo anders geworden—had hij de menschen gezien als schimmen, met een bewegen van armen, beenen, lijven in duistere lange straten, waarin tramrails als slangen leien, waarin geelverlichte vakken van huizen stonden—waarom had hij zoo plots de sterkte van zijn eigen leven voelen wegschemeren tot die ouwe, vreeselijke lusteloosheid—waarom zoo vreemd-onverwacht, midden in zijn geluk, had hij de stad gezien als een klein ding, met muren, schrikkelijk veel gore, roode muren,—waarom had hij zoo ruw, scherp de gedachte gehad... de krankzinnige... vermoeiende gedachte... dat... het... toch... zoo... vreemd... was.... dat.... alle ruggegraten.... stonden... rechtstandig op... de ronde aarde... Had hij dat ergens gelezen... Waar? Waar?—Kon hij zichzelf dan nietdwingentot gezellig, vergetend leven van een man die werkt en thuis zijn toffels aantrekt, zijn chamberloek, gelukkig is bij het kraakwitte tafelkleed, bij de pruttelende koffie... bij... bij... zijn vrouw.—Maar had hij—wanneer was het geweest—gister-eergisternacht, toen hij wakker werd in de donkere kamer, niet verschrikt geluisterd naar haar ademhalen... haar wangen bevoeld... omte weten dat zij er was... haar wakker gemaakt om met haar te... praten...„Jannie”...Hij schrikte op.„Wàt is er?”„Er is niets, niets. Wat ben je toch kinderachtig.”„Ikvoeldat er iets is. Waarom heb je zoo lang—met zulke groote oogen in het gas gekeken?”„Ach, malle meid!”„Jannie toe!”„Dáár, ben je nou tevreden?”„Nee, ikwilniet gezoend worden, als je geheimen voor me hebt!”„Er is heusch niks!”... „Ik heb je oogen nog nooit zoo groot gezien.”„Je bent dwaas... Kom haak het rokje nou af.”Ze geloofde hem niet. Was er iets op het kantoor gebeurd? Een onaangenaamheid. Ze werd ongerust.„Jannie is er heusch, heusch niets gebeurd... op kantoor?”„Nee snoetje.”„Geef me een zoen.”Met de handen om zijn hals geslagen, drukte ze zich tegen hem an. Hij boog z’n hoofd wat neer. Vaag voelde ze dat ze hem troosten moest.„Hartje... vrouwtje... snuitje... wijfje”...O, ’t was dan toch niets, als hij d’r zóo zoende.Maar toen ze opkeek, zag ze ’t weer—zijn oogen, zijngrooteoogen, die over haar hoofd heen keken naar een hoek van de kamer. Angstig, hokkend van schrik draaide ze zich om, met éen ruk.„Waar kijk je naar?” vroeg ze rauw.„Hè, wat ben je nou opgewonden! Ik keek naar niks!... Je doe me schrikken.”„Jij mij ook,” zei ze, terwijl ze begon te huilen, zacht als een kind.Gemengd bericht.De agent ligt languit op den grond, werpt een dreg uit. Telkens groote aandacht als het touw binnengehaald wordt.„Hij heit ’m!... Hij heit ’m!”Maar een groote mand hangt aan een punt van de dreg.„Je vangt bot,” lacht d’r een.„Hou je smoel!” schreeuwt een slager: „mot je d’r mee spotten, als zoo’n stumper verzuipt!”„Ga liever naar je kroeg, beroerling,” zegt een vrouw, kwaadaardig, „heb jij een wurm, zeg! ’t Zal jou je zorg zijn als je heele familie verzuipt!”Er komt weer stilte.De agent haalt voorzichtig het touw op. Het is nou het half vergane kreng van een hond. Een zwarte slijkpoel kringt om het rottend beest.„Durft d’r nou niemand in te springen!” schreeuwt een heer.„Je bent hier vlak bij ’n koker!” roept een der mannen in ’t bootje: „D’r is ’n zuiging dat je geen vin kan uitslaan!”De agent gooit de haken weer uit. Drie-, viermaal haalt-ie op. Alleen slijk en stinkende gasbellen. Het water wordt zwart-bruin gekleurd.„Springt d’r dan in, Gerrit, met een touw om je lijf!”„Hoera! Hoera!”...Gerrit heeft zijn jas en zijn schoenen uitgetrokken. Even staat-ie met het touw om zijn middel op den rand van het bootje. Dan floep. Breede, nijdige kringen cirkelen om de plek waar hij verdwenen is. Groote spattende stankbellen borrelen op.„Vieren! Meer vieren!” schreeuwen ze van den walkant.Gerrit komt boven, proestend en hijgend. Modder hangt om zijn haar.Niks.Hij wordt in het bootje getrokken. Een ander man springt in ’t modderwater. Stilte van oprechte belangstelling is over de menigte. De man blijft lang onder, verschijnt spuwend en snuivend, maar met leege handen.„Jezus, Jezus!” huilt de vrouw naast den slagersknecht: „Zoo’n engel van ’n kind!”„Ken je de mense?” vraagt de slager.„’t Is de jongen van Arie op den hoek! Een engel van ’n jongen!”„Weete de mense d’r van?”„Ze zijn gewaarschouwd... De man is uit. De vrouw leit van d’r zelve.”Plomp. Gerrit is weer te water. De gracht is goorzwart gekleurd. Alle modder en vuiligheid wordt opgewerkt.„Het-ie ’m?Het-ie ’m?”Nee hij heeft ’m niet. Vuurrood van inspanning komt-ie boven.Zijn hemd plakt op z’n bibberend lichaam. De groote vereelte hand wrijft het water uit de oogen.„Hij zal in den koker gezogen zijn,” roepen ze uit het bootje.„Kan niet!” schreeuwt de agent, „d’r is roosterwerk voor!”„Dreg dan wat meer bij den koker!”„Hou je toch stil mense! Met al je gekles komt ’t kind d’r niet uit!”„De agent heit gelijk! Nou douw zoo niet! Bè-jij bedonderd!”Plomp. De andere is nòg eens te water.„Verdik-me wat heit-ie ’n aasem!”„Nou kan je zien wat ’n stinkwater ’t is...”„Je mot je boot wat verhale!”„Daar heb je ’m!”De man duikt op. Geen kind. Het volk begint te dringen.Behoedzaam blijft de agent dreggen. Aan de overzij van het water staan evenveel menschen. Het water ligt als een vijandige doodensloot tusschen de hagen van levende menschen. De modderkluiten schuimen op, drijven in het zonlicht als zwarte verstikkingen. In het bootje zitten de twee verkleumde, klappertandende mannen. Nog eens zal Gerrit het probeeren. De slijmrige modderkringen sluiten boven zijn hoofd. De menigte dringt hoe langer hoe sterker. Jongens zijn in de boomen geklauterd. Uit de ramen der woningen hangen vrouwen in witte jakken, boven rekken met drogend goed.„Heit-ie’m?”„Heit-ie’m!!!”„Hij heit ’m!”„Hoeraa!”„Verlies ’m niet!”„Voorzichtig, Gerrit!”„Hij is in de boot!”„An wal brengen! Gauw an de wal.”„Jezus, wat ziet het schaap blauw!”Nu hebben ze ook Gerrit binnengehaald. Ze boomenhet bootje naar den wal. De agent pakt de dooie handjes aan. De slagersknecht de dooie voetjes.„Laat ’m los! Op zij mense! Op zij mense! Op zij!”Een kleine open ruimte streept door de dringende menigte. De agent draagt het slijkerig, zwarte lichaampje op de armen. Modder druipt langs zijn uniformjas. Achter hem aan joelt het volk. Vrouwen die er niets mee te maken hebben, loopen te huilen. De klompen klotsen op de keien.„Op zij mense! Op zij dan, godverdomme!”In een herberg wordt het kind binnengedragen. De deuren gaan dicht. De gordijnen worden neergelaten. Door de kieren kijken ze naar binnen.„Ze hebben ’m uitgekleed!”„Zijn tong hangt uit z’n mond!”„Ze wrijven z’n voeten.”„De agent haalt z’n armen op en neer...”„Die heit ’t meer bij de hand gehad!”„Op zij mense!... Maak dan plaats! Daar heb-ie de dokter”...Een paar nemen de petten af. Een jonge dokter met rood puntbaardje wordt binnengelaten. De deuren vallen dicht. Een tweede agent komt.„Kom mense loop nou deur! Wat heb je d’r an om hier te staan kijke. Deurloope! Deurloope! Oprijje jij daar! Je weet wel, dat je hier niet mag blijven staan!”Maar in groote groepen hokt het volk rondom de herberg.Een man komt aanrennen. Hij heeft een dik rood gezicht, draagt een wit wambuis. Opgewonden tikt hij tegen de ruiten der deur. Hij fluistert met den herbergier. De deur gaat open. De deur gaat dicht. Even ziet het volk een wit, klein lichaam.„Da’s de vader!”„Ach Jezus!”„Wat ’n verschrikking!”„Was dat de vader?”Een kwartier blijft alles zoo. De agent buiten wandelt op en neer. Binnen is het stil. Dan gaan de deuren open. De man met het witte wambuis rood, strak, komt er uit. Niemand durft vragen. De agent draagt een pakje, ingewikkeld in een laken.„Op zij mense!”...Achter hem de dokter.„Is-ie dood?”„Ja mense.”„Ach God! Ach God!”Een heele menigte loopt mee met den agent, het grachtje af, een zijstraat in, nog een zijstraat en dan op den hoek.
Rouw.Op den dag, dat hij aarzelend over het huwelijk sprak, zei ze ruw-weg nee. Hij drong aan, drong aan, maar ze werd driftig. Hij zweeg, blij dat ze ’t nou eenmaal wist, vast besloten, om er op terug te komen. Een week later, voorzichtig, vroeg hij nòg eens, zachtjes:„Nou moeder.... Ben je tot àndere gedachten gekommen?”Het donkere Joden-vrouwtje verroerde zich niet. Ze zat met de handen gevouwen alsof ze niet gehoord had.„Ben je tot andere gedachten gekommen, moeder?”....Ze bleef in dat stugge zwijgen, liet het hoofd achterover gaan in den leunstoel, knipte de oogleden dicht.„Ben je niet lekker?” vroeg-ie, omdat ze zoo stil bleef en hij nou pas oplette, dat ze zoo geel-bruin en gerimpeld en oud was bij het licht van de lamp.Ze schudde ’t hoofd.„Geef.... dan antwoord.”Ze dee de oogen open, keek hem aan, boog het lijf driftig voorover en snauwde:„Je trouwt die meid niet!”„Die meid.... Diemeid.... Ik wou dat je je wat matigde.”„Ik zeg maar meid, om niks ergers te zeggen”....„Wil je d’r niet kalm over praten?”„Nee. D’r is genog over gepraat.”„D’r isnietover gepraat. Je ben an ’t schelden gegaan, toen ik d’r over sprak.”„Dat hèb ik, dat hèb ik.... dat doe ik nog.... Jij gooit me met vuil, als je zóó’n slet”....„Moeder!”....„Zou je vader mij genomen hebben, as d’r maar zóó veel op me te zeggen was geweest”...„Vader ging zijn weg”...„Je bent gek, gek, gek!”„Win je nou niet op... Ja, ik ben gek, krankzinnig op die vrouw... Ik ken d’r negen maanden en in dien tijd heeft ze zich gedragen, om je hoed voor af te nemen... Mot ’t nou zoo zwaar wegen als iemand lichtzinnig was... Denk daar eens over na... Stel je in ’t geval dat je eigen dochter”...„Anna was te fatsoenlijk!”„Zooals je ’t nemen wil—d’een trouwt ’n man om geld—d’ander uit liefde.—Ik zou liever m’n tong afbijten!”...„Bijt je tong liever af vóór je ’n slet”...„Moeder!”... „Voor je ’n slet trouwt! Wou je hebben dat ik d’r ontving in mijn huis, dat ik d’r zoende als me eigen kind, dat ik d’r liet anzitten an mijn tafel?”„Bij God, moeder!”„Denk an de geboden... Spreek den naam van den Eeuwige niet ijdellijk uit... Denk an de geboden... Eer uw vader en moeder, opdat uwe dagen verlengd worden!”„Ja, ja, dat weet ik, dat weet ik... Die klets!Ik zal nemen de vrouw, waarvan ik hou, de vrouw, aan wie ik wat goeds kan doen, die ik oprichten kan uit d’r verval, de vrouw die nog onbedorven is, al beschouwen jullie dat ànders, de vrouw van wie ik hou, hou, hou, de vrouw die voor mij geen fatsoen, geen onfatsoen heeft, omdat ik van d’r hou, die niet slecht kan zijn, omdat ik van d’r hou, die geen verleden heeft, omdat ik van d’r hou!... En als je ooit liefde gekend heb... dan begrijp je dat, dan voel je dat en dan hou je niet tegen, wat toch niet tegen te houen is!...”„Joozep, Joozep... herinner je de Vrijdag-avonden, als je vader zat in z’n leunstoel... als ’t witte tafelkleed op de tafel lei... en de kaarsen brandden...”... „Huil nou niet moedertje. Je begrijpt zoo weinig, zoo niks van de dingen van ’t leven, zooals wij dat doen!... Er kan toch geen schande in zijn, een vrouw tot je huisvrouw te nemen, als je houdt van elkander! Is dat niet àlles voor ’t huwelijk? Wat heb je meer noodig? Als je dat niet begrijpen kunt, omdat je zoo heel anders bent opgegroeid, omdat je zoo streng, zoo raar bent in je gedachten over fatsoen... zeg dan ja... voor den vorm... ontvang d’r niet... beschouw d’r as een vreemde... tot je anders heb leeren denken!... Want ik trouw d’r, zoo waar ik het leven heb!”„Dan hoeven wij niet verder te praten.”„Waarom doe je dat harde... mij te plaatsen tusschen jou... en haar?”„Omdat ik eerbaar ben... en niet wil worden nagewezen om mijn schoondochter!”„Geef je toestemming... het is zoo vreemd om te breken met jullie... Over zes maanden... ’n jaar... spreekt niemand er over.”„Nee, nee, nooit!”„Denk d’r wel over, moeder... we gaan voor goed van elkaar.”„Zooas je wilt! Zooas je wilt! Kinderen zijn d’r nou eenmaal, om ondankbaar te zijn... om alles te vergeten... Hier in de kamer, waar het portret staat van je vader, waar zijntefille1leit, waar die gewoond en geleefd heeft as eerlijk, fatsoendelijk man, ontvang ik geen schoondochter, die zal kleuren as ze voor me staat... ik zou niet meer naar zijn graf durven... Later zul je me op je knieën danken, dat ik je teruggehouen heb, dat ik je gewaarschouwd heb, je niet te vergooien!”„Dan zie je me voor ’t laatst!”„Ik wil geen hand van je!”„Geef me je hand... Je weet nooit wat gebeuren kan”...„Nee.”* * *Het was een korte ceremonie.Ze reden van ’t Stadhuis terug. Het rijtuig rolde snel, gevolgd door twee andere met getuigen. Met haar hand in de zijne, onnoodig-opgewekt, uit zenuwachtigheid, zat hij in de trouwkoets.„Wat is er?” vroeg ze ongerust, toen hij op eens, half-verschrikt uit het portier keek.„Niks, niks.”„D’r isiets!”„Wel nee.”„Je verbergt iets, Jo.”„Ach wel nee, wel nee.”„Heb je... je moeder gezien?”„Nee kind, d’r is niks!”„Geef me jewoord!”„Gekkinnetje... vertrouw je me al niet op den trouwdag?”„We zijn toch ’t huis van je moeder voorbijgerejen?”„Ja.”„Was ’r wat te zien?”„Vraag nou niet...”„Ikwil’t weten”...„De gordijnen waren neergelaten”...„Anders niks?”„Nee.”„Op jewoord?”„Guus, Guus, da’s tweemaal!”„Ik kan ’t niet helpen, maar ik ben zoo ongerust!”„Ben ik er dan niet?”* * *In de woning van den vriend stond een koud déjeuner klaar.De bruid was even boven.Bij het raam stond-ie.„Joseph, wat kijk je triestig!”„Heb je gezien, Herman, dat de gordijnen neergelaten waren?”„Ja”...„Waarom dee ze dat?... D’r kan toch geen... ongeluk gebeurd zijn?”„Nee.”„Hoe weet je dat?”„Omdat ik van morgen bij haar was.”„Jij?”„Ja... op ’t laatste oogenblik wilde ik nog probeeren”...„Dank je!”„Ze wou niet.”„Dat dacht ik wel.”„Je zuster Anna was d’r ook en heeft staan huilen om d’r over te halen.—Ze was niet te bewegen.—Nou heeft ze iets... leelijks gedaan”...„Wat dan?”„Het zal je hinderen om ’t te hooren”...„Later hoor ik ’t tòch... Zeg ’t maar ronduit!”„Ze zei... as-die om elf uur trouwt, ga ik om elf uursjiwwe-zitten”2.„Heeft ze... dàt... gezegd?”...„En gedaan... Ze zei: nou is-ie dood voor me. Achter de gordijnen zat zesjiwwe.”1Gebedenboek.2Sjiwwe-zitten: het gaan zitten op den grond geschiedt in treurdagen als vader, moeder of kind gestorven is.
Op den dag, dat hij aarzelend over het huwelijk sprak, zei ze ruw-weg nee. Hij drong aan, drong aan, maar ze werd driftig. Hij zweeg, blij dat ze ’t nou eenmaal wist, vast besloten, om er op terug te komen. Een week later, voorzichtig, vroeg hij nòg eens, zachtjes:
„Nou moeder.... Ben je tot àndere gedachten gekommen?”
Het donkere Joden-vrouwtje verroerde zich niet. Ze zat met de handen gevouwen alsof ze niet gehoord had.
„Ben je tot andere gedachten gekommen, moeder?”....
Ze bleef in dat stugge zwijgen, liet het hoofd achterover gaan in den leunstoel, knipte de oogleden dicht.
„Ben je niet lekker?” vroeg-ie, omdat ze zoo stil bleef en hij nou pas oplette, dat ze zoo geel-bruin en gerimpeld en oud was bij het licht van de lamp.
Ze schudde ’t hoofd.
„Geef.... dan antwoord.”
Ze dee de oogen open, keek hem aan, boog het lijf driftig voorover en snauwde:
„Je trouwt die meid niet!”
„Die meid.... Diemeid.... Ik wou dat je je wat matigde.”
„Ik zeg maar meid, om niks ergers te zeggen”....
„Wil je d’r niet kalm over praten?”
„Nee. D’r is genog over gepraat.”
„D’r isnietover gepraat. Je ben an ’t schelden gegaan, toen ik d’r over sprak.”
„Dat hèb ik, dat hèb ik.... dat doe ik nog.... Jij gooit me met vuil, als je zóó’n slet”....
„Moeder!”....
„Zou je vader mij genomen hebben, as d’r maar zóó veel op me te zeggen was geweest”...
„Vader ging zijn weg”...
„Je bent gek, gek, gek!”
„Win je nou niet op... Ja, ik ben gek, krankzinnig op die vrouw... Ik ken d’r negen maanden en in dien tijd heeft ze zich gedragen, om je hoed voor af te nemen... Mot ’t nou zoo zwaar wegen als iemand lichtzinnig was... Denk daar eens over na... Stel je in ’t geval dat je eigen dochter”...
„Anna was te fatsoenlijk!”
„Zooals je ’t nemen wil—d’een trouwt ’n man om geld—d’ander uit liefde.—Ik zou liever m’n tong afbijten!”...
„Bijt je tong liever af vóór je ’n slet”...
„Moeder!”
... „Voor je ’n slet trouwt! Wou je hebben dat ik d’r ontving in mijn huis, dat ik d’r zoende als me eigen kind, dat ik d’r liet anzitten an mijn tafel?”
„Bij God, moeder!”
„Denk an de geboden... Spreek den naam van den Eeuwige niet ijdellijk uit... Denk an de geboden... Eer uw vader en moeder, opdat uwe dagen verlengd worden!”
„Ja, ja, dat weet ik, dat weet ik... Die klets!Ik zal nemen de vrouw, waarvan ik hou, de vrouw, aan wie ik wat goeds kan doen, die ik oprichten kan uit d’r verval, de vrouw die nog onbedorven is, al beschouwen jullie dat ànders, de vrouw van wie ik hou, hou, hou, de vrouw die voor mij geen fatsoen, geen onfatsoen heeft, omdat ik van d’r hou, die niet slecht kan zijn, omdat ik van d’r hou, die geen verleden heeft, omdat ik van d’r hou!... En als je ooit liefde gekend heb... dan begrijp je dat, dan voel je dat en dan hou je niet tegen, wat toch niet tegen te houen is!...”
„Joozep, Joozep... herinner je de Vrijdag-avonden, als je vader zat in z’n leunstoel... als ’t witte tafelkleed op de tafel lei... en de kaarsen brandden...”
... „Huil nou niet moedertje. Je begrijpt zoo weinig, zoo niks van de dingen van ’t leven, zooals wij dat doen!... Er kan toch geen schande in zijn, een vrouw tot je huisvrouw te nemen, als je houdt van elkander! Is dat niet àlles voor ’t huwelijk? Wat heb je meer noodig? Als je dat niet begrijpen kunt, omdat je zoo heel anders bent opgegroeid, omdat je zoo streng, zoo raar bent in je gedachten over fatsoen... zeg dan ja... voor den vorm... ontvang d’r niet... beschouw d’r as een vreemde... tot je anders heb leeren denken!... Want ik trouw d’r, zoo waar ik het leven heb!”
„Dan hoeven wij niet verder te praten.”
„Waarom doe je dat harde... mij te plaatsen tusschen jou... en haar?”
„Omdat ik eerbaar ben... en niet wil worden nagewezen om mijn schoondochter!”
„Geef je toestemming... het is zoo vreemd om te breken met jullie... Over zes maanden... ’n jaar... spreekt niemand er over.”
„Nee, nee, nooit!”
„Denk d’r wel over, moeder... we gaan voor goed van elkaar.”
„Zooas je wilt! Zooas je wilt! Kinderen zijn d’r nou eenmaal, om ondankbaar te zijn... om alles te vergeten... Hier in de kamer, waar het portret staat van je vader, waar zijntefille1leit, waar die gewoond en geleefd heeft as eerlijk, fatsoendelijk man, ontvang ik geen schoondochter, die zal kleuren as ze voor me staat... ik zou niet meer naar zijn graf durven... Later zul je me op je knieën danken, dat ik je teruggehouen heb, dat ik je gewaarschouwd heb, je niet te vergooien!”
„Dan zie je me voor ’t laatst!”
„Ik wil geen hand van je!”
„Geef me je hand... Je weet nooit wat gebeuren kan”...
„Nee.”
* * *
Het was een korte ceremonie.
Ze reden van ’t Stadhuis terug. Het rijtuig rolde snel, gevolgd door twee andere met getuigen. Met haar hand in de zijne, onnoodig-opgewekt, uit zenuwachtigheid, zat hij in de trouwkoets.
„Wat is er?” vroeg ze ongerust, toen hij op eens, half-verschrikt uit het portier keek.
„Niks, niks.”
„D’r isiets!”
„Wel nee.”
„Je verbergt iets, Jo.”
„Ach wel nee, wel nee.”
„Heb je... je moeder gezien?”
„Nee kind, d’r is niks!”
„Geef me jewoord!”
„Gekkinnetje... vertrouw je me al niet op den trouwdag?”
„We zijn toch ’t huis van je moeder voorbijgerejen?”
„Ja.”
„Was ’r wat te zien?”
„Vraag nou niet...”
„Ikwil’t weten”...
„De gordijnen waren neergelaten”...
„Anders niks?”
„Nee.”
„Op jewoord?”
„Guus, Guus, da’s tweemaal!”
„Ik kan ’t niet helpen, maar ik ben zoo ongerust!”
„Ben ik er dan niet?”
* * *
In de woning van den vriend stond een koud déjeuner klaar.
De bruid was even boven.
Bij het raam stond-ie.
„Joseph, wat kijk je triestig!”
„Heb je gezien, Herman, dat de gordijnen neergelaten waren?”
„Ja”...
„Waarom dee ze dat?... D’r kan toch geen... ongeluk gebeurd zijn?”
„Nee.”
„Hoe weet je dat?”
„Omdat ik van morgen bij haar was.”
„Jij?”
„Ja... op ’t laatste oogenblik wilde ik nog probeeren”...
„Dank je!”
„Ze wou niet.”
„Dat dacht ik wel.”
„Je zuster Anna was d’r ook en heeft staan huilen om d’r over te halen.—Ze was niet te bewegen.—Nou heeft ze iets... leelijks gedaan”...
„Wat dan?”
„Het zal je hinderen om ’t te hooren”...
„Later hoor ik ’t tòch... Zeg ’t maar ronduit!”
„Ze zei... as-die om elf uur trouwt, ga ik om elf uursjiwwe-zitten”2.
„Heeft ze... dàt... gezegd?”...
„En gedaan... Ze zei: nou is-ie dood voor me. Achter de gordijnen zat zesjiwwe.”
1Gebedenboek.2Sjiwwe-zitten: het gaan zitten op den grond geschiedt in treurdagen als vader, moeder of kind gestorven is.
1Gebedenboek.
2Sjiwwe-zitten: het gaan zitten op den grond geschiedt in treurdagen als vader, moeder of kind gestorven is.
Kliniek.„Toen zei d’r een... je mot tot honderd telle... ze keke me allemaal an... Kind ik was zoo verlege... Toen begon ik een, twee, drie, vier... en toen heb ik geschreeuwd tot ik sliep... Gek hè?”...„Hebbe ze je opengesneje, terwijl je sliep?”... „Da-weet ik niet... Ik lag weer hier toen ik wakker werd... en toen was ik zoo ziek as een hond... en toenstakmijn been, maar ze hadde ’t vastgebonde... en je kon d’r niks an merreke.”... „Heb-ie dan niks gevoeld?”... „Niks... Kan je merreke da ze je snije as je slaapt?”... „Da-weet ik niet”...... „Mot jij ook gesneje worre?”... „De zuster zegt van nee.”... „Wat scheel jij dan?”... „De rhumatiek is me naar binne geslage.”„Doet dat pijn?”„Nou hoor! Me hart klopt soms verschrikkelijk... en dan krijg ik ’t zoo benauwd”...„Ze dachte eerst da’k dood zou gaan.”„Was jij d’r bang voor?”„Ikke?... Nee... Je legt hier wàt lekker... Jezou d’r voor je plezier komme... Heb jij van-morgen ook sjokola gehad?”...„Nee, pap.”Ze lagen nog te praten in de groote ziekenzaal van het Binnengasthuis, toen de pleegzuster kwam.„Riekje, je moet even mee naar de kliniek.”„Wordt ze nou ook gesneje?”„Nee, domme meid, Riekje wordt niet gesnejen.”De zuster wikkelde Riekje in een wollen deken, nam d’r in de armen, droeg d’r weg.„Da-àg!” riep Toos.„Da-àg!”...In de gang, angstig, benauwd—vroeg ze nog eens: „Zuster, ze zelle me toch geen pijn doen”...—„Nee, Riekje, wees maar niet bang.”De deur van de kliniek ging open. Zuster lei d’r voorzichtig in een bed en ging heen. Onrustig keek Riekje rond, verlegen bij het gezicht van zooveel menschen. Een heer met gouden bril, kaal hoofd en grijze bakkebaarden, een heer die vriendelijk keek, kwam bij het bed zitten. Die kende ze.Da-was de profester. Maar de andere twee die bij d’r bed zatte en al die heere in de rondte... die d’r ankeke... zoue ze d’r ook gaan snije... maar ze zag nergens messe... en de profester keek zoo vriendelijk.„Doe nou even je jakje uit, kind.”Hij hielp haar en tikte zachtjes op d’r wangen.... „Wees nou maar niet bang... We zullen je geen pijn doen”...Professor schoof het hemd naar beneden... „Niet bang zijn kindje”...„Wor ik nouheuschniet gesneje?”„Wel nee, malle meid... Zoo blijf nou rustig liggen... Wil u beginnen te vragen, mijnheer?”Aarzelend, ’t zelf nog vreemd vindend, begon de student.„Hoe is je naam?”„Rika Bosch”...„Hoe oud ben je?”„Veertien in December...”„Leven je vader en moeder nog?”„Vader is dood”...„Waaran is-ie gestorven?”„Weet ik niet”...„Is je moeder gezond?”... „Ze was gister verkouën”...Het doezelig November-licht scheen rustig in de kliniek-zaal. Sterk-verlicht stond het ijzeren bed met het meisje, omringd door de studenten. Alleen de stemmen van den vragenden student, het kind, soms die van den professor klonken.De roodgloeiende kachel pruttelde, een voet werd verschoven, een blaadje papier ritselde, een harde, puntige pen kraste op een boek. Op een der drie lange, bruine tafels glimmerden kantige schamplichten van instrumenten, kolven en flesschen. Geen geluid kwam van de binnenplaats.Waswit lag zij in het bed. Het zwarte haar was netjes weggestreken onder het witte mutsje. De muts was strak-witter dan het gezicht, dat al zijn jeugdige volheid had. Blauwe aders waren als stroeve vegen in het wit van den hals. Ze lag als een marmeren beeldje met blauwe marmer-aren. Maar er was een benauwend leven in haar. De oogen, glanzig en wonderlijk groot, keken met sterke uitstraling van leven naar den student, naar den professor, naar de anderen. De dunne, scherp-witte neusvleugels bewogen snel, snèl, zonder ophouden. Ze had dood kunnen zijn als de oogen niet zoo brandendvan leven geweest waren, als de witte dunne, doorzichtige neusvleugels niet zoo koortsig hadden bewogen.Ze lag marmer-mat, wassig bleek op het ijzeren bedje. Toen hij even ophield met vragen,lachte ze flauwtjes om een afbeelding an den wand, om een man met zoo’n kemieken buik... Wat ’n gekke plaat... zoo’n rare man... En ze zag een student, die zat te schrijven... Wat leek-ie op Joopi... Net zulleke dikke koone... ...Net zulleke kemieke ooge... ze most effen lache nou ze an ’m dacht... ze zag ’m nog zitte op ’t stoepie bij de Munt... toen die de suikerboontjes uit z’n broekzak haalde... en ze wel stroop leeke... zoo nat as ze geworden ware...... „O God, profester... niet snijje!”...„Nee, nee, kindje.”Ze hield de oogen niet af van de instrumenten, stootend ademhalend... Hadde ze Toos niet in d’r been gesneje...De professor begon te ausculteeren. Hij luisterde overal met de stethoscoop en zei dingen in ’n vreemde taal... Waarom spraken ze nou Frans?... Waarom klopte ze d’r op d’r borst... Je kon je lache haast niet houen... Net of-ie tegen ’n doos klopte... Wat ’n mensch toch raar gemaakt was... dat je zoo hol was van binne... Je zou zwere dat d’r iemand in ’t donker op de deur klopte... Wat ’n mooie gouwe bril had-ie... Wat had-ie warreme vingers... nee maar Gompie!... nou teekende profester met ’n potlood op d’r bloote lijf... ’t leek wel ’n suikerhart... ze werd d’r warrem van... ze zweette op d’r voorhoofd... Nou keke ze allemaal naar d’r, de heere op de stoele... ze keke naar wat profester teekende... Wat werd ze nou moe... en dat ’t hier zoobenauwd was... zoo warrem... maar ze sneje d’r lekker niet... zesnejed’r niet zoo as Toos...De lichtblauwe oogleden hingen zwaar over de oogen. Er was een groote rust in de kamer. De scherpe, puntige pen kraste, de stemmen klonken soms gonzend, de kachel pruttelde. De studenten schreven haastig of keken naar het waswitte kind in het bed. Ze hield haar handen gevouwen, het hoofd lei iets op zij. Korte ademgeluidjes kwamen uit den kleinen drogen mond. Het bed met de witte lakens, de verfomfaaide dekens, stond scherp in zijn harde lijnen in den kring van de mannen.Het wit van de lakens, de marmeren witheid van het kind waren omvat in de donkere vlakken der kleeren, waarin het robuste vleesch van handen en gezichten kwam kleuren. Half gebogen met een grijze pluiming der bakkebaarden boven de ronding van rug zat de professor, met een geringde hand op de dekens.Nou werd ze weer wa-beter... ’t Was toch wel gezellig zoo... dat ware nou allemaal dokters... die kwamme leere van den profester die alles wist... nou maar die bleeke zag d’r ook niet voordeelig uit... Wat had die zwarte bij ’t raam ’n neus... ’t leek wel niks... mot zoo’n groote man nog leere... nou breek me klomp... most ze nog lang blijve... Ze kreeg zoo’n slaap... Kemiek as je zoo lui lag... moeder had net de wasch vandaag... en morgen dat groote kantoor op de Heeregracht... wat brandde die kachel... daar kreeg je ’t benauwd van... Was ’t nou weer om te stoke?... Slape zou ze toch maar niet... as je slape ging sneje ze jeopeom je van binnen te kijke... zoo as met Toos d’r been...„Exitus letalis1staat te wachten... Tijd niet te bepalen”...Wat of profester nou weer zei... Joopie kon ook Frans parrelevinke... Maar nou was ’t gedaan. Profester kleedde d’r an en de zuster kwam binnen. Ze was in éens klaar wakker, nou ze heen mocht, bij Toos. Zuster droeg haar weg in de wollen deken. Toos lee al te kijken.„Wat be jij ’n tijd weggebleve!”...Riek bleef even ademhappen van benauwdheid onder de dekens. Toen zei ze met oogen gróot-open: „Ze hebbe me lekker niet...gesneje”...1De dood.
„Toen zei d’r een... je mot tot honderd telle... ze keke me allemaal an... Kind ik was zoo verlege... Toen begon ik een, twee, drie, vier... en toen heb ik geschreeuwd tot ik sliep... Gek hè?”...
„Hebbe ze je opengesneje, terwijl je sliep?”
... „Da-weet ik niet... Ik lag weer hier toen ik wakker werd... en toen was ik zoo ziek as een hond... en toenstakmijn been, maar ze hadde ’t vastgebonde... en je kon d’r niks an merreke.”
... „Heb-ie dan niks gevoeld?”
... „Niks... Kan je merreke da ze je snije as je slaapt?”
... „Da-weet ik niet”...
... „Mot jij ook gesneje worre?”
... „De zuster zegt van nee.”
... „Wat scheel jij dan?”
... „De rhumatiek is me naar binne geslage.”
„Doet dat pijn?”
„Nou hoor! Me hart klopt soms verschrikkelijk... en dan krijg ik ’t zoo benauwd”...
„Ze dachte eerst da’k dood zou gaan.”
„Was jij d’r bang voor?”
„Ikke?... Nee... Je legt hier wàt lekker... Jezou d’r voor je plezier komme... Heb jij van-morgen ook sjokola gehad?”...
„Nee, pap.”
Ze lagen nog te praten in de groote ziekenzaal van het Binnengasthuis, toen de pleegzuster kwam.
„Riekje, je moet even mee naar de kliniek.”
„Wordt ze nou ook gesneje?”
„Nee, domme meid, Riekje wordt niet gesnejen.”
De zuster wikkelde Riekje in een wollen deken, nam d’r in de armen, droeg d’r weg.
„Da-àg!” riep Toos.
„Da-àg!”...
In de gang, angstig, benauwd—vroeg ze nog eens: „Zuster, ze zelle me toch geen pijn doen”...—
„Nee, Riekje, wees maar niet bang.”
De deur van de kliniek ging open. Zuster lei d’r voorzichtig in een bed en ging heen. Onrustig keek Riekje rond, verlegen bij het gezicht van zooveel menschen. Een heer met gouden bril, kaal hoofd en grijze bakkebaarden, een heer die vriendelijk keek, kwam bij het bed zitten. Die kende ze.
Da-was de profester. Maar de andere twee die bij d’r bed zatte en al die heere in de rondte... die d’r ankeke... zoue ze d’r ook gaan snije... maar ze zag nergens messe... en de profester keek zoo vriendelijk.
„Doe nou even je jakje uit, kind.”
Hij hielp haar en tikte zachtjes op d’r wangen.
... „Wees nou maar niet bang... We zullen je geen pijn doen”...
Professor schoof het hemd naar beneden... „Niet bang zijn kindje”...
„Wor ik nouheuschniet gesneje?”
„Wel nee, malle meid... Zoo blijf nou rustig liggen... Wil u beginnen te vragen, mijnheer?”
Aarzelend, ’t zelf nog vreemd vindend, begon de student.
„Hoe is je naam?”
„Rika Bosch”...
„Hoe oud ben je?”
„Veertien in December...”
„Leven je vader en moeder nog?”
„Vader is dood”...
„Waaran is-ie gestorven?”
„Weet ik niet”...
„Is je moeder gezond?”
... „Ze was gister verkouën”...
Het doezelig November-licht scheen rustig in de kliniek-zaal. Sterk-verlicht stond het ijzeren bed met het meisje, omringd door de studenten. Alleen de stemmen van den vragenden student, het kind, soms die van den professor klonken.
De roodgloeiende kachel pruttelde, een voet werd verschoven, een blaadje papier ritselde, een harde, puntige pen kraste op een boek. Op een der drie lange, bruine tafels glimmerden kantige schamplichten van instrumenten, kolven en flesschen. Geen geluid kwam van de binnenplaats.
Waswit lag zij in het bed. Het zwarte haar was netjes weggestreken onder het witte mutsje. De muts was strak-witter dan het gezicht, dat al zijn jeugdige volheid had. Blauwe aders waren als stroeve vegen in het wit van den hals. Ze lag als een marmeren beeldje met blauwe marmer-aren. Maar er was een benauwend leven in haar. De oogen, glanzig en wonderlijk groot, keken met sterke uitstraling van leven naar den student, naar den professor, naar de anderen. De dunne, scherp-witte neusvleugels bewogen snel, snèl, zonder ophouden. Ze had dood kunnen zijn als de oogen niet zoo brandendvan leven geweest waren, als de witte dunne, doorzichtige neusvleugels niet zoo koortsig hadden bewogen.
Ze lag marmer-mat, wassig bleek op het ijzeren bedje. Toen hij even ophield met vragen,lachte ze flauwtjes om een afbeelding an den wand, om een man met zoo’n kemieken buik... Wat ’n gekke plaat... zoo’n rare man... En ze zag een student, die zat te schrijven... Wat leek-ie op Joopi... Net zulleke dikke koone... ...Net zulleke kemieke ooge... ze most effen lache nou ze an ’m dacht... ze zag ’m nog zitte op ’t stoepie bij de Munt... toen die de suikerboontjes uit z’n broekzak haalde... en ze wel stroop leeke... zoo nat as ze geworden ware...
... „O God, profester... niet snijje!”...
„Nee, nee, kindje.”
Ze hield de oogen niet af van de instrumenten, stootend ademhalend... Hadde ze Toos niet in d’r been gesneje...
De professor begon te ausculteeren. Hij luisterde overal met de stethoscoop en zei dingen in ’n vreemde taal... Waarom spraken ze nou Frans?... Waarom klopte ze d’r op d’r borst... Je kon je lache haast niet houen... Net of-ie tegen ’n doos klopte... Wat ’n mensch toch raar gemaakt was... dat je zoo hol was van binne... Je zou zwere dat d’r iemand in ’t donker op de deur klopte... Wat ’n mooie gouwe bril had-ie... Wat had-ie warreme vingers... nee maar Gompie!... nou teekende profester met ’n potlood op d’r bloote lijf... ’t leek wel ’n suikerhart... ze werd d’r warrem van... ze zweette op d’r voorhoofd... Nou keke ze allemaal naar d’r, de heere op de stoele... ze keke naar wat profester teekende... Wat werd ze nou moe... en dat ’t hier zoobenauwd was... zoo warrem... maar ze sneje d’r lekker niet... zesnejed’r niet zoo as Toos...
De lichtblauwe oogleden hingen zwaar over de oogen. Er was een groote rust in de kamer. De scherpe, puntige pen kraste, de stemmen klonken soms gonzend, de kachel pruttelde. De studenten schreven haastig of keken naar het waswitte kind in het bed. Ze hield haar handen gevouwen, het hoofd lei iets op zij. Korte ademgeluidjes kwamen uit den kleinen drogen mond. Het bed met de witte lakens, de verfomfaaide dekens, stond scherp in zijn harde lijnen in den kring van de mannen.
Het wit van de lakens, de marmeren witheid van het kind waren omvat in de donkere vlakken der kleeren, waarin het robuste vleesch van handen en gezichten kwam kleuren. Half gebogen met een grijze pluiming der bakkebaarden boven de ronding van rug zat de professor, met een geringde hand op de dekens.
Nou werd ze weer wa-beter... ’t Was toch wel gezellig zoo... dat ware nou allemaal dokters... die kwamme leere van den profester die alles wist... nou maar die bleeke zag d’r ook niet voordeelig uit... Wat had die zwarte bij ’t raam ’n neus... ’t leek wel niks... mot zoo’n groote man nog leere... nou breek me klomp... most ze nog lang blijve... Ze kreeg zoo’n slaap... Kemiek as je zoo lui lag... moeder had net de wasch vandaag... en morgen dat groote kantoor op de Heeregracht... wat brandde die kachel... daar kreeg je ’t benauwd van... Was ’t nou weer om te stoke?... Slape zou ze toch maar niet... as je slape ging sneje ze jeopeom je van binnen te kijke... zoo as met Toos d’r been...
„Exitus letalis1staat te wachten... Tijd niet te bepalen”...
Wat of profester nou weer zei... Joopie kon ook Frans parrelevinke... Maar nou was ’t gedaan. Profester kleedde d’r an en de zuster kwam binnen. Ze was in éens klaar wakker, nou ze heen mocht, bij Toos. Zuster droeg haar weg in de wollen deken. Toos lee al te kijken.
„Wat be jij ’n tijd weggebleve!”...
Riek bleef even ademhappen van benauwdheid onder de dekens. Toen zei ze met oogen gróot-open: „Ze hebbe me lekker niet...gesneje”...
1De dood.
1De dood.
Avondverhaaltje.„Hen, pas toch op!”„Ja, Pop.”„Niet zoo voorover buigen!”„Nee, maak je niet ongerust.”Ze hield hem toch maar stevig vast bij zijn bretels, terwijl ze angstig achterover leunde.Eindelijk was ’t er.„Was dat ’t laatste?” riep Hen tot den kruier, die nog an ’t zoeken was in den wagen.„Ja, meneer.”„Kom nou van ’t raam weg, Hen!”„Ja kindje.”In zijn hemdsmouwen droeg hij de mand naar achter.Nu kwam de kruier binnen, die het raam weer in orde bracht. Pop was niet eerder gerust vóor het ijzeren gewicht aan het koord hing.„Zoo’n raam er uit, vind ik het verschrikkelijkst van een verhuizerij.”„Je bent een zottinnetje.”„’k Heb geen gerust oogenblik gehad toen jij er bij stond.”De kamer was vol met stoelen, pakken, kisten, schilderijen en rommel.Pop zat op een kist, wind aanblazend met haar voorschoot. Hen lag moe, met een paar vuile vegen op z’n gezicht in den eenigen vrijen leunstoel.„Goddank, we zijn over.”„Goddank.”„Als ’t een beetje had tegengeloopen, hadden we op straat gestaan.”„Jouw schuld.”„Maar Hen!”„Jouw schuld... Als je zwart op wit genomen had” ...„Nee, begin nou niet nóg eens!”Ze waren elkander al aan ’t afzoenen.„Laat me nou los, anders kunnen we vannacht op den grond slapen!”... „Binnen!”Het was de bewoner van het benedenhuis.„Ben u heelemaal klaar, meneer?”„Ja, ’t laatste stuk dat geheschen moest worden is binnen.”„Dan zal ik mijn spion weer uitsteken.”„Doe u ’t gerust. U wordt vriendelijk bedankt.”„Slaap u hier vannacht?”„Mijn vrouw hoopt met de alkoof klaar te zijn tegen den avond.”„Zoo, zoo! Anders in lang niet bewoond geweest.”„Da’streurig,” zei Hen, met een opkomen van z’n ouden spot tegenover het babbelziek manneke. Pop kneep hem zenuwachtig in z’n arm. Als Hen zoo begon,wistze dat ze zou gaan proesten, met van diebenauwdepiepgilletjes.„U is zeker niet bang uitgevallen?”„Bang?”Pop kneep hem weer in z’n arm.„Bijgeloovig bedoel ik. Niemand wou deze etaazie betrekken.”„Och kom! Spoken?”„Nee ’n moord!”„O God, Hen, hoor je dat?”„Als je nu denkt, meneer, mij een pleizier te doen, door mijn vrouw bang te maken met malle praatjes”...„Malle praatjes, meneer? Malle praatjes? Zie je me voor een praatjesmaker aan? Kijk dan maar eens op den vloer van de alkoof... daar moet je het bloed nóg” ...„Meneer ik verzoek je heen te gaan of je mond te houden!”„Bonjour meneer!” zei de buurman, nijdig.Pop zat bleek op de kist.„Geloof dien onzin toch niet, Pop!”„Hij heeft me zoozenuwachtiggemaakt.”„Malligheid! Kom, ga aan het werk, kindje!”„Kijk dan eerst in de alkoof.”„Daar dan.”Hij trok de alkoofdeuren open. Er was niets te zien in het donker. Een voor een lichtte hij de stoffige planken op, waarop het springveeren matras zou komen te rusten.„O God... Hen!”„Wat zegt dat nou, een vlek?”„Je kuntziendat het bloed geweest is!”„Kan de verver niet een pot verf hebben laten vallen?”„Nee Hen, nee!... ’t Isbloed! O God,Hen, ik ganooitslapen in die alkoof!”„Wees toch verstandig! Hoe kun je zoo kinderachtig zijn! Probeer eerst of het er niet uit te boenen is.”„Datdurfik niet.”„Geef mij dan een emmer met water.”Ze ging naar de keuken, kwam terug met water, soda, zeep en een borstel.Hen begon geweldig in de alkoof te schrobben.„Hier heb je nog wat.”„Mosterd?”„O, Hen, da’sprachtigtegen vlekken.”„Onzin!”„Gebruik het nou! Toe!”Een kwartier lang boende hij met soda, zeep en mosterd. Hij zweette ervan.„Nou?”„Ja ’t is weg.”„Zie je nou wel dat ’t geen bloed is, dat ’t bangmakerij was?”„Maar als er nou toch ’n moord... O, wat vind ik ’t hiereng”...„Help nou maar uitpakken.”„Zul jeheuschde eerste week ’s avonds niet uitgaan?”„Nee, heusch niet.”Ze boende de stoffige alkoofplanken, die Hen een voor een er weer in lei. De beschotten zeemde en zeepte ze af. Hen sjouwde met het groote springveeren matras, dat precies moest passen, omdat hij de maat had genomen met een touwtje, toen hij de woning gezien had.Het bed zakte nauwkeurig in de opening. Pop maakte het op, terwijl Hen z’n handen waschte in de keuken.„Pop,ben je klaar?”„Ja!”„Vooruit dan! Ik heb honger.”Ze dee haar mantel om. Ze zouden voor een of twee dagen in een restaurant eten tot de boel klaar was.„’k Ben blij dat we zoover op orde zijn.”„Ik ook.”„Als jij nou het zeil spijkert en de gordijnenophangt, als we thuiskomen, staan we morgen niet in zoo’n rommel op.”„Goed, Pop.”Tegen acht uur kwamen ze terug, vroolijk en lachend. Hen was zoomalgeweest om een flesch wijn te bestellen. ’t Was eenvreeselijkeuitgaaf, maar ze vond het dol-gezellig, net een diner bij rijkelui.De lamp brandde. Hen lag als een behanger op den grond om het zeil te spijkeren.„Gooi mijn papieren vooral niet door de war.”„Wat zeg je?”„Gooi mijn” ...„Maar Hen ben je nougek! Neem die spijkers uit je mond... als je er een inslikt is het te laat.”„De behangers doen het ook.”„Praat nou niet! Praat nou niet! Toe doe ze er uit!”Hij lei het natte hoopje spijkers naast zich en gilde van ’t lachen toen ze met haar stoffigen wijsvinger in z’n mond voelde om te zien of hij ze erallemaaluit gedaan had.Zingend, opgewekt hing ze een paar portretten op, pakte de kist met boeken uit, speldde prenten tegen het behangsel en hing een snoezigebabyvan vloeipapier aan de lamp.’t Begon er gezellig uit te zien. Toen ze geen kleinigheden meer uit te pakken vond, ging ze naast hem op den grond zitten om hem de spijkertjes an te geven.„Klop toch zoo hard niet, Hen. Je slaat al de koppen door het zeil heen.”„Dat doe ik met opzet.”„Waarom?”„Dan valt de kalk van het plafond, beneden.”„Hè, jazzus, nou doe je me weer an die moord denken!”„Zoo snuitje!”„Nee, schei uit met dat zoenen, akeligheid!”Het zeil was klaar. Nu stond hij op een keukenstoel en hing de gordijnen op.„Ze zijn te kort, Hen.”„Da’s niks. Dat kun je van buiten niet zien.”„Wat een gezellige kamer, als-ie angekleed is, hè?”„Zoo, nou doe ik niks meer.”Ze zaten samen bij de tafel. Pop had koffie gezet. Hen las de krant, die hij aan een kiosk gekocht had.Doodmoe leunde ze tegen hem aan. Van ’s morgens zes uur waren ze in de weer geweest. Maar ze wou hem niet storen. De heele krant las hij uit. Soms las hij iets voor en luisterde ze slaperig.„Hen!”„Ja.”„Hen!”„Ja, kind.”„Ik val om.”„Ja, snoetje.”Hij wond z’n horloge op. Dat washetsignaal.„Heb je de deur goed gesloten, Hen?”„Ja.”„Op het nachtslot?”„Nee. Bijonsbreken ze niet in.”„Toe, doe het, Hen. ’t Is hier nog zoo vreemd.”Hij ging. Ze hoorde hem beneden. Zou ze nou? Eventjes? Eventjes maar? ... Nee, Hen zou kwaad worden... Nou, maar éventjes....Ze trok de alkoofdeuren open, streek zenuwachtig-snel ’n lucifer af, lichtte onder het bed. De lucifer ging uit. Nóg een, gauw.... O God!...„Wat kijk je daar?... Pop, je bentwerkelijkkinderachtig!”... „Ze is weer opgekomen! Ze is d’r weer! ’t Is bloed, bloed!”„Kom, wees nou kalm.”„Nee, nee, nee! Voor geen goud slaap ik daar.”„Ik ben toch bij je!”„Voor geen goud!”„’k Zal zelf is kijken.”Hij bukte, keek met de lamp onder het bed.„Je hebt gelijk.”En zij keken elkander an, zonder spreken, met ’t gevoel dat ze niet meer alleen in de kamer waren.
„Hen, pas toch op!”
„Ja, Pop.”
„Niet zoo voorover buigen!”
„Nee, maak je niet ongerust.”
Ze hield hem toch maar stevig vast bij zijn bretels, terwijl ze angstig achterover leunde.
Eindelijk was ’t er.
„Was dat ’t laatste?” riep Hen tot den kruier, die nog an ’t zoeken was in den wagen.
„Ja, meneer.”
„Kom nou van ’t raam weg, Hen!”
„Ja kindje.”
In zijn hemdsmouwen droeg hij de mand naar achter.
Nu kwam de kruier binnen, die het raam weer in orde bracht. Pop was niet eerder gerust vóor het ijzeren gewicht aan het koord hing.
„Zoo’n raam er uit, vind ik het verschrikkelijkst van een verhuizerij.”
„Je bent een zottinnetje.”
„’k Heb geen gerust oogenblik gehad toen jij er bij stond.”
De kamer was vol met stoelen, pakken, kisten, schilderijen en rommel.
Pop zat op een kist, wind aanblazend met haar voorschoot. Hen lag moe, met een paar vuile vegen op z’n gezicht in den eenigen vrijen leunstoel.
„Goddank, we zijn over.”
„Goddank.”
„Als ’t een beetje had tegengeloopen, hadden we op straat gestaan.”
„Jouw schuld.”
„Maar Hen!”
„Jouw schuld... Als je zwart op wit genomen had” ...
„Nee, begin nou niet nóg eens!”
Ze waren elkander al aan ’t afzoenen.
„Laat me nou los, anders kunnen we vannacht op den grond slapen!”
... „Binnen!”
Het was de bewoner van het benedenhuis.
„Ben u heelemaal klaar, meneer?”
„Ja, ’t laatste stuk dat geheschen moest worden is binnen.”
„Dan zal ik mijn spion weer uitsteken.”
„Doe u ’t gerust. U wordt vriendelijk bedankt.”
„Slaap u hier vannacht?”
„Mijn vrouw hoopt met de alkoof klaar te zijn tegen den avond.”
„Zoo, zoo! Anders in lang niet bewoond geweest.”
„Da’streurig,” zei Hen, met een opkomen van z’n ouden spot tegenover het babbelziek manneke. Pop kneep hem zenuwachtig in z’n arm. Als Hen zoo begon,wistze dat ze zou gaan proesten, met van diebenauwdepiepgilletjes.
„U is zeker niet bang uitgevallen?”
„Bang?”
Pop kneep hem weer in z’n arm.
„Bijgeloovig bedoel ik. Niemand wou deze etaazie betrekken.”
„Och kom! Spoken?”
„Nee ’n moord!”
„O God, Hen, hoor je dat?”
„Als je nu denkt, meneer, mij een pleizier te doen, door mijn vrouw bang te maken met malle praatjes”...
„Malle praatjes, meneer? Malle praatjes? Zie je me voor een praatjesmaker aan? Kijk dan maar eens op den vloer van de alkoof... daar moet je het bloed nóg” ...
„Meneer ik verzoek je heen te gaan of je mond te houden!”
„Bonjour meneer!” zei de buurman, nijdig.
Pop zat bleek op de kist.
„Geloof dien onzin toch niet, Pop!”
„Hij heeft me zoozenuwachtiggemaakt.”
„Malligheid! Kom, ga aan het werk, kindje!”
„Kijk dan eerst in de alkoof.”
„Daar dan.”
Hij trok de alkoofdeuren open. Er was niets te zien in het donker. Een voor een lichtte hij de stoffige planken op, waarop het springveeren matras zou komen te rusten.
„O God... Hen!”
„Wat zegt dat nou, een vlek?”
„Je kuntziendat het bloed geweest is!”
„Kan de verver niet een pot verf hebben laten vallen?”
„Nee Hen, nee!... ’t Isbloed! O God,Hen, ik ganooitslapen in die alkoof!”
„Wees toch verstandig! Hoe kun je zoo kinderachtig zijn! Probeer eerst of het er niet uit te boenen is.”
„Datdurfik niet.”
„Geef mij dan een emmer met water.”
Ze ging naar de keuken, kwam terug met water, soda, zeep en een borstel.
Hen begon geweldig in de alkoof te schrobben.
„Hier heb je nog wat.”
„Mosterd?”
„O, Hen, da’sprachtigtegen vlekken.”
„Onzin!”
„Gebruik het nou! Toe!”
Een kwartier lang boende hij met soda, zeep en mosterd. Hij zweette ervan.
„Nou?”
„Ja ’t is weg.”
„Zie je nou wel dat ’t geen bloed is, dat ’t bangmakerij was?”
„Maar als er nou toch ’n moord... O, wat vind ik ’t hiereng”...
„Help nou maar uitpakken.”
„Zul jeheuschde eerste week ’s avonds niet uitgaan?”
„Nee, heusch niet.”
Ze boende de stoffige alkoofplanken, die Hen een voor een er weer in lei. De beschotten zeemde en zeepte ze af. Hen sjouwde met het groote springveeren matras, dat precies moest passen, omdat hij de maat had genomen met een touwtje, toen hij de woning gezien had.
Het bed zakte nauwkeurig in de opening. Pop maakte het op, terwijl Hen z’n handen waschte in de keuken.
„Pop,ben je klaar?”
„Ja!”
„Vooruit dan! Ik heb honger.”
Ze dee haar mantel om. Ze zouden voor een of twee dagen in een restaurant eten tot de boel klaar was.
„’k Ben blij dat we zoover op orde zijn.”
„Ik ook.”
„Als jij nou het zeil spijkert en de gordijnenophangt, als we thuiskomen, staan we morgen niet in zoo’n rommel op.”
„Goed, Pop.”
Tegen acht uur kwamen ze terug, vroolijk en lachend. Hen was zoomalgeweest om een flesch wijn te bestellen. ’t Was eenvreeselijkeuitgaaf, maar ze vond het dol-gezellig, net een diner bij rijkelui.
De lamp brandde. Hen lag als een behanger op den grond om het zeil te spijkeren.
„Gooi mijn papieren vooral niet door de war.”
„Wat zeg je?”
„Gooi mijn” ...
„Maar Hen ben je nougek! Neem die spijkers uit je mond... als je er een inslikt is het te laat.”
„De behangers doen het ook.”
„Praat nou niet! Praat nou niet! Toe doe ze er uit!”
Hij lei het natte hoopje spijkers naast zich en gilde van ’t lachen toen ze met haar stoffigen wijsvinger in z’n mond voelde om te zien of hij ze erallemaaluit gedaan had.
Zingend, opgewekt hing ze een paar portretten op, pakte de kist met boeken uit, speldde prenten tegen het behangsel en hing een snoezigebabyvan vloeipapier aan de lamp.
’t Begon er gezellig uit te zien. Toen ze geen kleinigheden meer uit te pakken vond, ging ze naast hem op den grond zitten om hem de spijkertjes an te geven.
„Klop toch zoo hard niet, Hen. Je slaat al de koppen door het zeil heen.”
„Dat doe ik met opzet.”
„Waarom?”
„Dan valt de kalk van het plafond, beneden.”
„Hè, jazzus, nou doe je me weer an die moord denken!”
„Zoo snuitje!”
„Nee, schei uit met dat zoenen, akeligheid!”
Het zeil was klaar. Nu stond hij op een keukenstoel en hing de gordijnen op.
„Ze zijn te kort, Hen.”
„Da’s niks. Dat kun je van buiten niet zien.”
„Wat een gezellige kamer, als-ie angekleed is, hè?”
„Zoo, nou doe ik niks meer.”
Ze zaten samen bij de tafel. Pop had koffie gezet. Hen las de krant, die hij aan een kiosk gekocht had.
Doodmoe leunde ze tegen hem aan. Van ’s morgens zes uur waren ze in de weer geweest. Maar ze wou hem niet storen. De heele krant las hij uit. Soms las hij iets voor en luisterde ze slaperig.
„Hen!”
„Ja.”
„Hen!”
„Ja, kind.”
„Ik val om.”
„Ja, snoetje.”
Hij wond z’n horloge op. Dat washetsignaal.
„Heb je de deur goed gesloten, Hen?”
„Ja.”
„Op het nachtslot?”
„Nee. Bijonsbreken ze niet in.”
„Toe, doe het, Hen. ’t Is hier nog zoo vreemd.”
Hij ging. Ze hoorde hem beneden. Zou ze nou? Eventjes? Eventjes maar? ... Nee, Hen zou kwaad worden... Nou, maar éventjes....
Ze trok de alkoofdeuren open, streek zenuwachtig-snel ’n lucifer af, lichtte onder het bed. De lucifer ging uit. Nóg een, gauw.
... O God!...
„Wat kijk je daar?... Pop, je bentwerkelijkkinderachtig!”
... „Ze is weer opgekomen! Ze is d’r weer! ’t Is bloed, bloed!”
„Kom, wees nou kalm.”
„Nee, nee, nee! Voor geen goud slaap ik daar.”
„Ik ben toch bij je!”
„Voor geen goud!”
„’k Zal zelf is kijken.”
Hij bukte, keek met de lamp onder het bed.
„Je hebt gelijk.”
En zij keken elkander an, zonder spreken, met ’t gevoel dat ze niet meer alleen in de kamer waren.
Engagement.Toen ze nu geleefd had vijf-en-twintig jaar, kwam er een zeer groote gebeurtenis in haar leven.Er geschiedde niets anders dan dat de schel overging, dat zuster Riek van haar borduurwerk opvloog, de trap àf bonsde, boven kwam met een brief, de rhumatieke moeder het couvert openscheurde én Jo een paar zoenen gaf.Jo prikte zich bijna in de hand bij het borduren. Er moest wel iets heel krankzinnigs in den brief staan, als moeder an ’t zoenen ging.„O Jo, o Jo, wat ’n nieuws! Riek! Riek, wat ’n nieuws!” ...„Wàt dan toch,” zei Jo nieuwsgierig.„Hij vraagt om je hand!”„Wie?”„Wie zou je nou denken, zeg? Mensch, doe nou niet zoo verwonderd?”Jo had den brief al te pakken. Riek las over haar schouder mee.Jo las stil door. Riek begon na het eerste velletje als een idioot te dansen door de kamer, brullend: „We gaan allemaal mee naar Indië, we gaan allemaal mee!”„Nou, wat zeg je d’r van?”Jo zat ineengehurkt, het borduurwerk slap-neerhangend in haar schoot. De strengen rood, groen, geel hingen als dikke haren over haar bruine japon.„Laat d’r even denken,” zei Riek.„Wat heit ze te denken!” knorde moeder nijdig, „wat heit ze te denken, hè? Denk je dat d’r ooit ’n tweede om d’r komt?”„Mót ik naar Indië gaan als ik ’m neem?”... „Als je ’m neemt... Dènk-ie daar dan nog over?”„Hij is zoo ... leelik.”„Niet waar,” zei Riek: „als-ie lacht heit-ie wat ’n mooie tanden.”„Al had-ie geen tand in z’n mond, zou-die ’n partij voor je wezen! Over een paar jaar is-ie controleur of azzistent, over twintig komt-ie met ’n rijkeluispensioen terug. Wou je liever je heele leven borduren? Kijk maar is naar de kringen onder je oogen!”„Ik had d’r heelemaal geen idee in dat-ie me vragen zou” ...„Hij zal toch wel wat tegen je gezeid hebben, toen-ie nog hier was?”„Nee... Hij keek me nooit an... Hij sprak altijd met Riek.”„Dat heit je ouwe ’m anders gelapt. Zit nou niet zoo stil en geef asem! Ga dadelijk met Riek naar ’t telegraafkantoor en telegrafeer ’m „ja” zooas-ie gevraagd heeft.”„’t Heeft zoo’n haast niet. ’t Kan morgen ook gebeuren!”„Nee! Ben je heelemaal getikt, zeg? Je gaat nóú!”„Ik ben nog jong genoeg... Ik heb zoo’n haast niet te maken.”„Je zèl, zeg ik, versta je!”„Wie trouwt d’r, jij of ik?”„Je bent ’n mispunt! Je bent ’n niksnut! Zel je gaan telegrafeeren?”„Nee, morgen! Ik wil d’r over slapen.”„Vandaag zèl je, zèl je!”Ze keven in tegen elkander met scherpe, driftige stemmen, krakeelden tot het donker werd in het heete, benauwde kamertje.Ze lag in het alkoof naast Riek. Achter het houten beschot hoorde ze moeder kreunen, die in het keukentje sliep. Het wekkertje, dat om zes uur moest afloopen, tikte kwaadaardig. Het was benauwd in de kamer, benauwd van het stoken, benauwd van de lamp, die den heelen avond gebrand had. De gordijnen waren neergelaten. Het licht van een gaslantaarn scheen aan tegen de witte stof, teekende het kruis af, waarin de ruiten gevat stonden.Ze lag met de oogen wijd-open, zóo dof en moe van de ruzie, dat ze niet denken kon.Het wekkertje hinderde schrikkelijk. Ze dorst den slinger niet tegenhouen, omdat ze op moest voor het werk van „Tesselschade”.Aan de andere zijde van het beschot kreunde moeder, die het rhumatieke lichaam wilde omdraaien, sterker.„Lekker,” dacht ze. Ze had ’r pleizier in. Maar toen ’t kreunen harder werd, kreeg ze meelij, kwam ’t bed uit, liep met de bloote voeten over het zeil, de gang door, de keuken in en hielp het dikkertje.„Ga maar weg! Laat me met rust! Jullie vermoorden me, beesten, jullie vermoorden me!”Ze liep weer terug, tastte, tastte verkeerd, stootteden voet tegen den dorpel. De nagel snee in haar voet. Ze kreeg de tranen in haar oogen van pijn, ging zitten, trok het been op, nam den voet in de handen, beet zich op de lippen. In die houding begon ze te huilen, niet omdat ze zich gestooten had—dat dee wel pijn—dat was minder—om de ellende van ’t leven—om die man die d’r gevraagd had—om de ruzie van vanavond—om al de beroerdigheid—om ’t béést d’rnaast... Ze liet zich afglijen van den stoel, lag met het hoofd op d’r rokken en kousen.Ze snikte niet lang.Ze wàs weer in dat doffe gevoel van straks, in de benauwende spanning van het heete kamertje. Ze kreeg wèèr dat gevoel van vroeger, als ze te lang gewerkt had—dat gevoel van nooit meer veerkracht te zullen hebben, nooit meer frissche buitenlucht te zullen inademen, nooit meer te zullen komen tot de kracht om te stoeien als in ver geleefde dagen. Ze voelde de wereld als haar kamer. De wereld was een warme verstikkende kleine ruimte. Zij was eralleenin, alleen en òp. Ze was òp en wachtte niets meer.Wat zou d’r gebeuren in... in... Indië. Ze zou varen over de groote zee... lekker... luchtig... frisch... zooas ze eens gevaren had naar Marken..., maar ze zou varen met dat altijd-blijvend zwarte loome gevoel... Ze zou dààr wonen, zooas ze hier gewoond had... met hem... met hem... Hij zou liggen waar Riek nou lei... Zij zou wakker worden, met de oogen wijd-open... ’t zou even warm, heet, drukkend zijn... ze zou zich den voet stooten... en liggen met het hoofd op de natgehuilde kousen... terwijl hij met z’n rooien snor te slapen lag naast d’r.Ze verlei het hoofd, keek naar de zwakverlichtegordijnen met de zwarte, doezelige kruizen. Op straat hoorde ze iemand voorbijgaan. Stap voor stap. Nou bonsde z’n voet tegen het ijzeren raster van de waterleiding voor de deur. Nou ging-ie den hoek om, was het weer stil.Was het niet om het even, waar je te huilen lag op je kousen?Was het niet om het even, of je leven voor je stond als een braking van zwart, in de stad hier... of dáár... in de binnenlanden?Maar hier droomde je soms nog van een geluk, van een iets dat niet te zeggen, niet te bepraten is ... hier hield je vast an een wonder, een teeken van God... hier droomde je van geheimzinnige dingen, als de zon in je kamer scheen en de musschen kruimels van ’t kozijn pikten...Zou ’t leven daar nét zoo zijn... zoo dof, zoo verstikkend, zoo andrijvend als een plompe mist, zoo benauwend als een kleine heete kamer met een rhumatieke moeder...Zei ’t iets in ’t leven, als je je verkocht an ’n man, an ’n vreemde vent, als dat leven nou toch eenmaalzoowas, als ’t je liet dóódgaan op je stoel, terwijl de musschen van ’t kozijn naar de daken en van de daken in de lucht vlogen...Wat kon ’t haar schelen... wàt kon ’t haar schelen... morgen zou ze de zakdoeken af borduren..., als ze moeder gewreven had..., zou ze stokvisch gaan koopen bij Fuente in de van Wou..., waar ze altijd augurkies uit de vaten snoepte..., zou ze telegrafeeren naar Semarang... waar of dat lag... en wat of dat kostte... as ze nou maar genoeg geld bij „Tesselschade” kreeg voor de stokvisch en ’t telegram... en dan zou ze de kamer ’n goeie beurt geven... met al dat stoken en niet luchten voor ’t ouwe mensch... werd de boel zoo vies om niet ante raken... dan zou ze de brander van de lamp ook ’s goed doorblazen... al de gaatjes waren verstopt... en ze zouen samen ’t kleed voor elven uitslaan... laatst had ze haast ’n bekeuring gekregen... de stokvisch most lang weeken... anders kwam-ie hard op tafel en d’r most nog mosterd wezen... nee anders niks...Haast was ze ingedut.Ze schrikte op door Riek, die snurkte.Het was niet om uit te houen van de warmte. Zachtjes schoof ze het raam op—heel klein kiertje, ademde de scherpe avondlucht, keek met droge oogen naar de omtrekken der bladerlooze boomen, naar de donkere wolken, die voorbij de maan dreven. De maan was geheel bedekt, begon zich los te werken uit de sponzen van zwart. Een wit wolkentipje kwam al verzilverd uit.Ze wou ’m er uit zien komen. Maar hij kwam niet. Alleen wat wolkenrandjes stonden gekleurd alsof in de verte zilverbrand was.Den volgenden morgen lag moeder nog te bed, toen ze terugkwamen. Riek frisch van de wandeling. Jo met kringen onder de oogen.Moeder stak het hoofd uit de alkoof.„Wat heit ’t gekost?”„Twee en twintig gulden, twee en zestig cent”...„Watte?”„Zes woorden, elk van drie gulden zeven en zeventig cent.”...„’t Is godbeterme ’n geld! Had je dan zes woorden noodig?”„Natuurlijk...Wolters—Indisch-ambtenaar—Semarang—ja—Jo.”„Ha-je danIndischniet weg kenne laten, stommert? Affijn. Laat ik je een zoen geven om je te felisisteeren.”
Toen ze nu geleefd had vijf-en-twintig jaar, kwam er een zeer groote gebeurtenis in haar leven.
Er geschiedde niets anders dan dat de schel overging, dat zuster Riek van haar borduurwerk opvloog, de trap àf bonsde, boven kwam met een brief, de rhumatieke moeder het couvert openscheurde én Jo een paar zoenen gaf.
Jo prikte zich bijna in de hand bij het borduren. Er moest wel iets heel krankzinnigs in den brief staan, als moeder an ’t zoenen ging.
„O Jo, o Jo, wat ’n nieuws! Riek! Riek, wat ’n nieuws!” ...
„Wàt dan toch,” zei Jo nieuwsgierig.
„Hij vraagt om je hand!”
„Wie?”
„Wie zou je nou denken, zeg? Mensch, doe nou niet zoo verwonderd?”
Jo had den brief al te pakken. Riek las over haar schouder mee.
Jo las stil door. Riek begon na het eerste velletje als een idioot te dansen door de kamer, brullend: „We gaan allemaal mee naar Indië, we gaan allemaal mee!”
„Nou, wat zeg je d’r van?”
Jo zat ineengehurkt, het borduurwerk slap-neerhangend in haar schoot. De strengen rood, groen, geel hingen als dikke haren over haar bruine japon.
„Laat d’r even denken,” zei Riek.
„Wat heit ze te denken!” knorde moeder nijdig, „wat heit ze te denken, hè? Denk je dat d’r ooit ’n tweede om d’r komt?”
„Mót ik naar Indië gaan als ik ’m neem?”
... „Als je ’m neemt... Dènk-ie daar dan nog over?”
„Hij is zoo ... leelik.”
„Niet waar,” zei Riek: „als-ie lacht heit-ie wat ’n mooie tanden.”
„Al had-ie geen tand in z’n mond, zou-die ’n partij voor je wezen! Over een paar jaar is-ie controleur of azzistent, over twintig komt-ie met ’n rijkeluispensioen terug. Wou je liever je heele leven borduren? Kijk maar is naar de kringen onder je oogen!”
„Ik had d’r heelemaal geen idee in dat-ie me vragen zou” ...
„Hij zal toch wel wat tegen je gezeid hebben, toen-ie nog hier was?”
„Nee... Hij keek me nooit an... Hij sprak altijd met Riek.”
„Dat heit je ouwe ’m anders gelapt. Zit nou niet zoo stil en geef asem! Ga dadelijk met Riek naar ’t telegraafkantoor en telegrafeer ’m „ja” zooas-ie gevraagd heeft.”
„’t Heeft zoo’n haast niet. ’t Kan morgen ook gebeuren!”
„Nee! Ben je heelemaal getikt, zeg? Je gaat nóú!”
„Ik ben nog jong genoeg... Ik heb zoo’n haast niet te maken.”
„Je zèl, zeg ik, versta je!”
„Wie trouwt d’r, jij of ik?”
„Je bent ’n mispunt! Je bent ’n niksnut! Zel je gaan telegrafeeren?”
„Nee, morgen! Ik wil d’r over slapen.”
„Vandaag zèl je, zèl je!”
Ze keven in tegen elkander met scherpe, driftige stemmen, krakeelden tot het donker werd in het heete, benauwde kamertje.
Ze lag in het alkoof naast Riek. Achter het houten beschot hoorde ze moeder kreunen, die in het keukentje sliep. Het wekkertje, dat om zes uur moest afloopen, tikte kwaadaardig. Het was benauwd in de kamer, benauwd van het stoken, benauwd van de lamp, die den heelen avond gebrand had. De gordijnen waren neergelaten. Het licht van een gaslantaarn scheen aan tegen de witte stof, teekende het kruis af, waarin de ruiten gevat stonden.
Ze lag met de oogen wijd-open, zóo dof en moe van de ruzie, dat ze niet denken kon.
Het wekkertje hinderde schrikkelijk. Ze dorst den slinger niet tegenhouen, omdat ze op moest voor het werk van „Tesselschade”.
Aan de andere zijde van het beschot kreunde moeder, die het rhumatieke lichaam wilde omdraaien, sterker.
„Lekker,” dacht ze. Ze had ’r pleizier in. Maar toen ’t kreunen harder werd, kreeg ze meelij, kwam ’t bed uit, liep met de bloote voeten over het zeil, de gang door, de keuken in en hielp het dikkertje.
„Ga maar weg! Laat me met rust! Jullie vermoorden me, beesten, jullie vermoorden me!”
Ze liep weer terug, tastte, tastte verkeerd, stootteden voet tegen den dorpel. De nagel snee in haar voet. Ze kreeg de tranen in haar oogen van pijn, ging zitten, trok het been op, nam den voet in de handen, beet zich op de lippen. In die houding begon ze te huilen, niet omdat ze zich gestooten had—dat dee wel pijn—dat was minder—om de ellende van ’t leven—om die man die d’r gevraagd had—om de ruzie van vanavond—om al de beroerdigheid—om ’t béést d’rnaast... Ze liet zich afglijen van den stoel, lag met het hoofd op d’r rokken en kousen.
Ze snikte niet lang.
Ze wàs weer in dat doffe gevoel van straks, in de benauwende spanning van het heete kamertje. Ze kreeg wèèr dat gevoel van vroeger, als ze te lang gewerkt had—dat gevoel van nooit meer veerkracht te zullen hebben, nooit meer frissche buitenlucht te zullen inademen, nooit meer te zullen komen tot de kracht om te stoeien als in ver geleefde dagen. Ze voelde de wereld als haar kamer. De wereld was een warme verstikkende kleine ruimte. Zij was eralleenin, alleen en òp. Ze was òp en wachtte niets meer.
Wat zou d’r gebeuren in... in... Indië. Ze zou varen over de groote zee... lekker... luchtig... frisch... zooas ze eens gevaren had naar Marken..., maar ze zou varen met dat altijd-blijvend zwarte loome gevoel... Ze zou dààr wonen, zooas ze hier gewoond had... met hem... met hem... Hij zou liggen waar Riek nou lei... Zij zou wakker worden, met de oogen wijd-open... ’t zou even warm, heet, drukkend zijn... ze zou zich den voet stooten... en liggen met het hoofd op de natgehuilde kousen... terwijl hij met z’n rooien snor te slapen lag naast d’r.
Ze verlei het hoofd, keek naar de zwakverlichtegordijnen met de zwarte, doezelige kruizen. Op straat hoorde ze iemand voorbijgaan. Stap voor stap. Nou bonsde z’n voet tegen het ijzeren raster van de waterleiding voor de deur. Nou ging-ie den hoek om, was het weer stil.
Was het niet om het even, waar je te huilen lag op je kousen?
Was het niet om het even, of je leven voor je stond als een braking van zwart, in de stad hier... of dáár... in de binnenlanden?
Maar hier droomde je soms nog van een geluk, van een iets dat niet te zeggen, niet te bepraten is ... hier hield je vast an een wonder, een teeken van God... hier droomde je van geheimzinnige dingen, als de zon in je kamer scheen en de musschen kruimels van ’t kozijn pikten...
Zou ’t leven daar nét zoo zijn... zoo dof, zoo verstikkend, zoo andrijvend als een plompe mist, zoo benauwend als een kleine heete kamer met een rhumatieke moeder...
Zei ’t iets in ’t leven, als je je verkocht an ’n man, an ’n vreemde vent, als dat leven nou toch eenmaalzoowas, als ’t je liet dóódgaan op je stoel, terwijl de musschen van ’t kozijn naar de daken en van de daken in de lucht vlogen...
Wat kon ’t haar schelen... wàt kon ’t haar schelen... morgen zou ze de zakdoeken af borduren..., als ze moeder gewreven had..., zou ze stokvisch gaan koopen bij Fuente in de van Wou..., waar ze altijd augurkies uit de vaten snoepte..., zou ze telegrafeeren naar Semarang... waar of dat lag... en wat of dat kostte... as ze nou maar genoeg geld bij „Tesselschade” kreeg voor de stokvisch en ’t telegram... en dan zou ze de kamer ’n goeie beurt geven... met al dat stoken en niet luchten voor ’t ouwe mensch... werd de boel zoo vies om niet ante raken... dan zou ze de brander van de lamp ook ’s goed doorblazen... al de gaatjes waren verstopt... en ze zouen samen ’t kleed voor elven uitslaan... laatst had ze haast ’n bekeuring gekregen... de stokvisch most lang weeken... anders kwam-ie hard op tafel en d’r most nog mosterd wezen... nee anders niks...
Haast was ze ingedut.
Ze schrikte op door Riek, die snurkte.
Het was niet om uit te houen van de warmte. Zachtjes schoof ze het raam op—heel klein kiertje, ademde de scherpe avondlucht, keek met droge oogen naar de omtrekken der bladerlooze boomen, naar de donkere wolken, die voorbij de maan dreven. De maan was geheel bedekt, begon zich los te werken uit de sponzen van zwart. Een wit wolkentipje kwam al verzilverd uit.
Ze wou ’m er uit zien komen. Maar hij kwam niet. Alleen wat wolkenrandjes stonden gekleurd alsof in de verte zilverbrand was.
Den volgenden morgen lag moeder nog te bed, toen ze terugkwamen. Riek frisch van de wandeling. Jo met kringen onder de oogen.
Moeder stak het hoofd uit de alkoof.
„Wat heit ’t gekost?”
„Twee en twintig gulden, twee en zestig cent”...
„Watte?”
„Zes woorden, elk van drie gulden zeven en zeventig cent.”...
„’t Is godbeterme ’n geld! Had je dan zes woorden noodig?”
„Natuurlijk...Wolters—Indisch-ambtenaar—Semarang—ja—Jo.”
„Ha-je danIndischniet weg kenne laten, stommert? Affijn. Laat ik je een zoen geven om je te felisisteeren.”
Kamerhoek.Even keek hij nog naar den lichtenden hemel, stak den sleutel in het slot, veegde de voeten langzaam op de vloermat, ging de voortreedjes op en opende de kamerdeur. Met het blonde, pluimende haar, dat een groote kuif leek, zat ze bij ’t licht. De gasarm hing laag, tot op de tafel. De koffie gaf stootende schokjes boven het olielicht. Er was een aangename warmte, alles sloeg hem gezellig tegen. Het was zijn vriendelijk, gelukkig thuis.Ze lei het wollen kinderrokje neer dat ze bezig was te breien, stond op, sloeg de armen om zijn hals, zoende hem op zijn mond, op zijn oogen.„Ben je ereindelijk?”„Eindelijk?”„’t Is over twaalf.”„Wel nee.”„Heb je veel te doen gehad?”„Nee—ik ben opgehouen.”„Ben je niet goed?”„’n Beetje moe.”„Ga dan gauw zitten—hier zijn je toffels—Trek je je boord niet uit?”„Zeker kind.”„Wat ben je koel, van avond.”„Hannaatje, doe nou weer geen ontdekkingen! Waar is de chamberloek?”„Trek je vest ook uit. Je zult het te warm krijgen.”„Dank je, wijfje.”Met de muilen an en warm in zijn chamberloek, zat hij in den leuningstoel.„Is er nieuws?”„Niets.”„Heb je de krant?”„Hier.”Ze schonk een kopje koffie in, lei zijn pijp op tafel, scharrelde rond voor het aschbakje, en lucifers, en voor water op de koffie, plukte wat roode draadjes weg van het tafelkleed en ging over hem zitten, rustig, ijverig hakend aan het wollen rokje en maar niet babbelend omdat hij dan niet lezen kon. Over den gekartelden rand van de krant, zag ze zijn voorhoofd, de inplanting der krullende haren en twee roode oortipjes. Er kwam zoo een volkomen gelukkige rust over haar.Ze wist dat hij er nu was, dat-ie over haar zat, dat de kleine kamer gevuld was van een niet uit te spreken iets, dat zij ’t zoo altijd zou willen houen—de kamerrust, het witte tafelkleed met de stille ruitjes, het koffieservies, het gasvlammetje en hem in zijn stoel, zoo dicht bij haar, zoo vertrouwelijk dichtbij, met zijn knie tegen haar aan en z’n voorhoofd boven de krant.„Jannie”...„Ja kind”...„Er is weer een haartje gegroeid op je oor”...„Gekke meid”...„Wil ik ’t even afknippen?”...Ze vroeg ’t zoo kinderlijk-mal, met zoo iets in-gelukkigs in haar stem, dat hij lachend knikte.„Blijf maar zitten... Zit je nagelschaartje in jevest... Nee blijf nou zitten... Ik heb ’t al... Jannie wat een dikkert!... ’t Lijkt d’r wel een uit je snor... Kijk eens!”Ze lag op haar knieën, hield het haartje tegen het licht.... „Jannie wat ben je vreemd!... Is er iets gebeurd”...„Nee, nee, nee, kind... Sta nou op.”„Is de krant nog niet uit?”„Nee.”„Lees dan strakjes verder!... Laat me even zoo zitten.”Ze bleef met het blonde, pluimende haar tegen hem aangeleund. Zacht wolde het tegen zijn kin. Hij moest haar toch even zoenen.„Prik je niet aan de haarspelden.”„Nee, snoetje.”Hij vouwde de handen tegen haar achterhoofd, streelde haar zacht en ging zoo kijken in de gasvlam, die in den melkwitten ballon te wuiven stond als een veer.„Jannie wat ben je stil.”„Ik ben niet stil, kind. Ik zit te denken.”„Waaran denk je?”„An niks.”„Ik geloof je niet. Er is iets gebeurd.”„Wees nou niet kinderachtig, vrouwtje... Er is niets, er is niets gebeurd... Laat me nou even rustig zitten.”Ze zweeg, aanduwend het blonde hoofd tegen zijn borst. Hij hoorde precies de rustige ademgeluidjes, keek in de kleine gasvlam, die nu weer leek een vlinder met onrustige, gele, vleugels.—Kwam het dan weer terug.—Was het niet te begraven in de gezonde, eerlijke oogen van een vrouw—niet te vergeten in den kring van geluk, die in alle woningen is.—Was het niet weggekustdoor twee zoenende jonge lippen, zoo lang, zoo ontzettend lang.—De een had gesproken van melancholie—een ander van te weinig lichaamsbeweging—Frits had het woordWeltschmerzgebruikt.—Wat zei dat?—Hadden zij hem ooit geholpen.—Was hij ze niet ontloopen, om dan maar weggehurkt te zitten in een koffiehuis, waar hij ’t niet uithouen kon, waar de menschen hem drukten en het gepraat hem gehinderd had.—Dat waren de zwarte jaren geweest.—Die waren weg, lang weg, vergeten èn gehaat.—Kwamen ze nou terug, terug, terug...Was hij straks niet opgewekt naar huis gegaan—waarom was hij in ééns zoo anders geworden—had hij de menschen gezien als schimmen, met een bewegen van armen, beenen, lijven in duistere lange straten, waarin tramrails als slangen leien, waarin geelverlichte vakken van huizen stonden—waarom had hij zoo plots de sterkte van zijn eigen leven voelen wegschemeren tot die ouwe, vreeselijke lusteloosheid—waarom zoo vreemd-onverwacht, midden in zijn geluk, had hij de stad gezien als een klein ding, met muren, schrikkelijk veel gore, roode muren,—waarom had hij zoo ruw, scherp de gedachte gehad... de krankzinnige... vermoeiende gedachte... dat... het... toch... zoo... vreemd... was.... dat.... alle ruggegraten.... stonden... rechtstandig op... de ronde aarde... Had hij dat ergens gelezen... Waar? Waar?—Kon hij zichzelf dan nietdwingentot gezellig, vergetend leven van een man die werkt en thuis zijn toffels aantrekt, zijn chamberloek, gelukkig is bij het kraakwitte tafelkleed, bij de pruttelende koffie... bij... bij... zijn vrouw.—Maar had hij—wanneer was het geweest—gister-eergisternacht, toen hij wakker werd in de donkere kamer, niet verschrikt geluisterd naar haar ademhalen... haar wangen bevoeld... omte weten dat zij er was... haar wakker gemaakt om met haar te... praten...„Jannie”...Hij schrikte op.„Wàt is er?”„Er is niets, niets. Wat ben je toch kinderachtig.”„Ikvoeldat er iets is. Waarom heb je zoo lang—met zulke groote oogen in het gas gekeken?”„Ach, malle meid!”„Jannie toe!”„Dáár, ben je nou tevreden?”„Nee, ikwilniet gezoend worden, als je geheimen voor me hebt!”„Er is heusch niks!”... „Ik heb je oogen nog nooit zoo groot gezien.”„Je bent dwaas... Kom haak het rokje nou af.”Ze geloofde hem niet. Was er iets op het kantoor gebeurd? Een onaangenaamheid. Ze werd ongerust.„Jannie is er heusch, heusch niets gebeurd... op kantoor?”„Nee snoetje.”„Geef me een zoen.”Met de handen om zijn hals geslagen, drukte ze zich tegen hem an. Hij boog z’n hoofd wat neer. Vaag voelde ze dat ze hem troosten moest.„Hartje... vrouwtje... snuitje... wijfje”...O, ’t was dan toch niets, als hij d’r zóo zoende.Maar toen ze opkeek, zag ze ’t weer—zijn oogen, zijngrooteoogen, die over haar hoofd heen keken naar een hoek van de kamer. Angstig, hokkend van schrik draaide ze zich om, met éen ruk.„Waar kijk je naar?” vroeg ze rauw.„Hè, wat ben je nou opgewonden! Ik keek naar niks!... Je doe me schrikken.”„Jij mij ook,” zei ze, terwijl ze begon te huilen, zacht als een kind.
Even keek hij nog naar den lichtenden hemel, stak den sleutel in het slot, veegde de voeten langzaam op de vloermat, ging de voortreedjes op en opende de kamerdeur. Met het blonde, pluimende haar, dat een groote kuif leek, zat ze bij ’t licht. De gasarm hing laag, tot op de tafel. De koffie gaf stootende schokjes boven het olielicht. Er was een aangename warmte, alles sloeg hem gezellig tegen. Het was zijn vriendelijk, gelukkig thuis.
Ze lei het wollen kinderrokje neer dat ze bezig was te breien, stond op, sloeg de armen om zijn hals, zoende hem op zijn mond, op zijn oogen.
„Ben je ereindelijk?”
„Eindelijk?”
„’t Is over twaalf.”
„Wel nee.”
„Heb je veel te doen gehad?”
„Nee—ik ben opgehouen.”
„Ben je niet goed?”
„’n Beetje moe.”
„Ga dan gauw zitten—hier zijn je toffels—Trek je je boord niet uit?”
„Zeker kind.”
„Wat ben je koel, van avond.”
„Hannaatje, doe nou weer geen ontdekkingen! Waar is de chamberloek?”
„Trek je vest ook uit. Je zult het te warm krijgen.”
„Dank je, wijfje.”
Met de muilen an en warm in zijn chamberloek, zat hij in den leuningstoel.
„Is er nieuws?”
„Niets.”
„Heb je de krant?”
„Hier.”
Ze schonk een kopje koffie in, lei zijn pijp op tafel, scharrelde rond voor het aschbakje, en lucifers, en voor water op de koffie, plukte wat roode draadjes weg van het tafelkleed en ging over hem zitten, rustig, ijverig hakend aan het wollen rokje en maar niet babbelend omdat hij dan niet lezen kon. Over den gekartelden rand van de krant, zag ze zijn voorhoofd, de inplanting der krullende haren en twee roode oortipjes. Er kwam zoo een volkomen gelukkige rust over haar.
Ze wist dat hij er nu was, dat-ie over haar zat, dat de kleine kamer gevuld was van een niet uit te spreken iets, dat zij ’t zoo altijd zou willen houen—de kamerrust, het witte tafelkleed met de stille ruitjes, het koffieservies, het gasvlammetje en hem in zijn stoel, zoo dicht bij haar, zoo vertrouwelijk dichtbij, met zijn knie tegen haar aan en z’n voorhoofd boven de krant.
„Jannie”...
„Ja kind”...
„Er is weer een haartje gegroeid op je oor”...
„Gekke meid”...
„Wil ik ’t even afknippen?”...
Ze vroeg ’t zoo kinderlijk-mal, met zoo iets in-gelukkigs in haar stem, dat hij lachend knikte.
„Blijf maar zitten... Zit je nagelschaartje in jevest... Nee blijf nou zitten... Ik heb ’t al... Jannie wat een dikkert!... ’t Lijkt d’r wel een uit je snor... Kijk eens!”
Ze lag op haar knieën, hield het haartje tegen het licht.
... „Jannie wat ben je vreemd!... Is er iets gebeurd”...
„Nee, nee, nee, kind... Sta nou op.”
„Is de krant nog niet uit?”
„Nee.”
„Lees dan strakjes verder!... Laat me even zoo zitten.”
Ze bleef met het blonde, pluimende haar tegen hem aangeleund. Zacht wolde het tegen zijn kin. Hij moest haar toch even zoenen.
„Prik je niet aan de haarspelden.”
„Nee, snoetje.”
Hij vouwde de handen tegen haar achterhoofd, streelde haar zacht en ging zoo kijken in de gasvlam, die in den melkwitten ballon te wuiven stond als een veer.
„Jannie wat ben je stil.”
„Ik ben niet stil, kind. Ik zit te denken.”
„Waaran denk je?”
„An niks.”
„Ik geloof je niet. Er is iets gebeurd.”
„Wees nou niet kinderachtig, vrouwtje... Er is niets, er is niets gebeurd... Laat me nou even rustig zitten.”
Ze zweeg, aanduwend het blonde hoofd tegen zijn borst. Hij hoorde precies de rustige ademgeluidjes, keek in de kleine gasvlam, die nu weer leek een vlinder met onrustige, gele, vleugels.
—Kwam het dan weer terug.—Was het niet te begraven in de gezonde, eerlijke oogen van een vrouw—niet te vergeten in den kring van geluk, die in alle woningen is.—Was het niet weggekustdoor twee zoenende jonge lippen, zoo lang, zoo ontzettend lang.—De een had gesproken van melancholie—een ander van te weinig lichaamsbeweging—Frits had het woordWeltschmerzgebruikt.—Wat zei dat?—Hadden zij hem ooit geholpen.—Was hij ze niet ontloopen, om dan maar weggehurkt te zitten in een koffiehuis, waar hij ’t niet uithouen kon, waar de menschen hem drukten en het gepraat hem gehinderd had.—Dat waren de zwarte jaren geweest.—Die waren weg, lang weg, vergeten èn gehaat.—Kwamen ze nou terug, terug, terug...
Was hij straks niet opgewekt naar huis gegaan—waarom was hij in ééns zoo anders geworden—had hij de menschen gezien als schimmen, met een bewegen van armen, beenen, lijven in duistere lange straten, waarin tramrails als slangen leien, waarin geelverlichte vakken van huizen stonden—waarom had hij zoo plots de sterkte van zijn eigen leven voelen wegschemeren tot die ouwe, vreeselijke lusteloosheid—waarom zoo vreemd-onverwacht, midden in zijn geluk, had hij de stad gezien als een klein ding, met muren, schrikkelijk veel gore, roode muren,—waarom had hij zoo ruw, scherp de gedachte gehad... de krankzinnige... vermoeiende gedachte... dat... het... toch... zoo... vreemd... was.... dat.... alle ruggegraten.... stonden... rechtstandig op... de ronde aarde... Had hij dat ergens gelezen... Waar? Waar?—Kon hij zichzelf dan nietdwingentot gezellig, vergetend leven van een man die werkt en thuis zijn toffels aantrekt, zijn chamberloek, gelukkig is bij het kraakwitte tafelkleed, bij de pruttelende koffie... bij... bij... zijn vrouw.—Maar had hij—wanneer was het geweest—gister-eergisternacht, toen hij wakker werd in de donkere kamer, niet verschrikt geluisterd naar haar ademhalen... haar wangen bevoeld... omte weten dat zij er was... haar wakker gemaakt om met haar te... praten...
„Jannie”...
Hij schrikte op.
„Wàt is er?”
„Er is niets, niets. Wat ben je toch kinderachtig.”
„Ikvoeldat er iets is. Waarom heb je zoo lang—met zulke groote oogen in het gas gekeken?”
„Ach, malle meid!”
„Jannie toe!”
„Dáár, ben je nou tevreden?”
„Nee, ikwilniet gezoend worden, als je geheimen voor me hebt!”
„Er is heusch niks!”
... „Ik heb je oogen nog nooit zoo groot gezien.”
„Je bent dwaas... Kom haak het rokje nou af.”
Ze geloofde hem niet. Was er iets op het kantoor gebeurd? Een onaangenaamheid. Ze werd ongerust.
„Jannie is er heusch, heusch niets gebeurd... op kantoor?”
„Nee snoetje.”
„Geef me een zoen.”
Met de handen om zijn hals geslagen, drukte ze zich tegen hem an. Hij boog z’n hoofd wat neer. Vaag voelde ze dat ze hem troosten moest.
„Hartje... vrouwtje... snuitje... wijfje”...
O, ’t was dan toch niets, als hij d’r zóo zoende.
Maar toen ze opkeek, zag ze ’t weer—zijn oogen, zijngrooteoogen, die over haar hoofd heen keken naar een hoek van de kamer. Angstig, hokkend van schrik draaide ze zich om, met éen ruk.
„Waar kijk je naar?” vroeg ze rauw.
„Hè, wat ben je nou opgewonden! Ik keek naar niks!... Je doe me schrikken.”
„Jij mij ook,” zei ze, terwijl ze begon te huilen, zacht als een kind.
Gemengd bericht.De agent ligt languit op den grond, werpt een dreg uit. Telkens groote aandacht als het touw binnengehaald wordt.„Hij heit ’m!... Hij heit ’m!”Maar een groote mand hangt aan een punt van de dreg.„Je vangt bot,” lacht d’r een.„Hou je smoel!” schreeuwt een slager: „mot je d’r mee spotten, als zoo’n stumper verzuipt!”„Ga liever naar je kroeg, beroerling,” zegt een vrouw, kwaadaardig, „heb jij een wurm, zeg! ’t Zal jou je zorg zijn als je heele familie verzuipt!”Er komt weer stilte.De agent haalt voorzichtig het touw op. Het is nou het half vergane kreng van een hond. Een zwarte slijkpoel kringt om het rottend beest.„Durft d’r nou niemand in te springen!” schreeuwt een heer.„Je bent hier vlak bij ’n koker!” roept een der mannen in ’t bootje: „D’r is ’n zuiging dat je geen vin kan uitslaan!”De agent gooit de haken weer uit. Drie-, viermaal haalt-ie op. Alleen slijk en stinkende gasbellen. Het water wordt zwart-bruin gekleurd.„Springt d’r dan in, Gerrit, met een touw om je lijf!”„Hoera! Hoera!”...Gerrit heeft zijn jas en zijn schoenen uitgetrokken. Even staat-ie met het touw om zijn middel op den rand van het bootje. Dan floep. Breede, nijdige kringen cirkelen om de plek waar hij verdwenen is. Groote spattende stankbellen borrelen op.„Vieren! Meer vieren!” schreeuwen ze van den walkant.Gerrit komt boven, proestend en hijgend. Modder hangt om zijn haar.Niks.Hij wordt in het bootje getrokken. Een ander man springt in ’t modderwater. Stilte van oprechte belangstelling is over de menigte. De man blijft lang onder, verschijnt spuwend en snuivend, maar met leege handen.„Jezus, Jezus!” huilt de vrouw naast den slagersknecht: „Zoo’n engel van ’n kind!”„Ken je de mense?” vraagt de slager.„’t Is de jongen van Arie op den hoek! Een engel van ’n jongen!”„Weete de mense d’r van?”„Ze zijn gewaarschouwd... De man is uit. De vrouw leit van d’r zelve.”Plomp. Gerrit is weer te water. De gracht is goorzwart gekleurd. Alle modder en vuiligheid wordt opgewerkt.„Het-ie ’m?Het-ie ’m?”Nee hij heeft ’m niet. Vuurrood van inspanning komt-ie boven.Zijn hemd plakt op z’n bibberend lichaam. De groote vereelte hand wrijft het water uit de oogen.„Hij zal in den koker gezogen zijn,” roepen ze uit het bootje.„Kan niet!” schreeuwt de agent, „d’r is roosterwerk voor!”„Dreg dan wat meer bij den koker!”„Hou je toch stil mense! Met al je gekles komt ’t kind d’r niet uit!”„De agent heit gelijk! Nou douw zoo niet! Bè-jij bedonderd!”Plomp. De andere is nòg eens te water.„Verdik-me wat heit-ie ’n aasem!”„Nou kan je zien wat ’n stinkwater ’t is...”„Je mot je boot wat verhale!”„Daar heb je ’m!”De man duikt op. Geen kind. Het volk begint te dringen.Behoedzaam blijft de agent dreggen. Aan de overzij van het water staan evenveel menschen. Het water ligt als een vijandige doodensloot tusschen de hagen van levende menschen. De modderkluiten schuimen op, drijven in het zonlicht als zwarte verstikkingen. In het bootje zitten de twee verkleumde, klappertandende mannen. Nog eens zal Gerrit het probeeren. De slijmrige modderkringen sluiten boven zijn hoofd. De menigte dringt hoe langer hoe sterker. Jongens zijn in de boomen geklauterd. Uit de ramen der woningen hangen vrouwen in witte jakken, boven rekken met drogend goed.„Heit-ie’m?”„Heit-ie’m!!!”„Hij heit ’m!”„Hoeraa!”„Verlies ’m niet!”„Voorzichtig, Gerrit!”„Hij is in de boot!”„An wal brengen! Gauw an de wal.”„Jezus, wat ziet het schaap blauw!”Nu hebben ze ook Gerrit binnengehaald. Ze boomenhet bootje naar den wal. De agent pakt de dooie handjes aan. De slagersknecht de dooie voetjes.„Laat ’m los! Op zij mense! Op zij mense! Op zij!”Een kleine open ruimte streept door de dringende menigte. De agent draagt het slijkerig, zwarte lichaampje op de armen. Modder druipt langs zijn uniformjas. Achter hem aan joelt het volk. Vrouwen die er niets mee te maken hebben, loopen te huilen. De klompen klotsen op de keien.„Op zij mense! Op zij dan, godverdomme!”In een herberg wordt het kind binnengedragen. De deuren gaan dicht. De gordijnen worden neergelaten. Door de kieren kijken ze naar binnen.„Ze hebben ’m uitgekleed!”„Zijn tong hangt uit z’n mond!”„Ze wrijven z’n voeten.”„De agent haalt z’n armen op en neer...”„Die heit ’t meer bij de hand gehad!”„Op zij mense!... Maak dan plaats! Daar heb-ie de dokter”...Een paar nemen de petten af. Een jonge dokter met rood puntbaardje wordt binnengelaten. De deuren vallen dicht. Een tweede agent komt.„Kom mense loop nou deur! Wat heb je d’r an om hier te staan kijke. Deurloope! Deurloope! Oprijje jij daar! Je weet wel, dat je hier niet mag blijven staan!”Maar in groote groepen hokt het volk rondom de herberg.Een man komt aanrennen. Hij heeft een dik rood gezicht, draagt een wit wambuis. Opgewonden tikt hij tegen de ruiten der deur. Hij fluistert met den herbergier. De deur gaat open. De deur gaat dicht. Even ziet het volk een wit, klein lichaam.„Da’s de vader!”„Ach Jezus!”„Wat ’n verschrikking!”„Was dat de vader?”Een kwartier blijft alles zoo. De agent buiten wandelt op en neer. Binnen is het stil. Dan gaan de deuren open. De man met het witte wambuis rood, strak, komt er uit. Niemand durft vragen. De agent draagt een pakje, ingewikkeld in een laken.„Op zij mense!”...Achter hem de dokter.„Is-ie dood?”„Ja mense.”„Ach God! Ach God!”Een heele menigte loopt mee met den agent, het grachtje af, een zijstraat in, nog een zijstraat en dan op den hoek.
De agent ligt languit op den grond, werpt een dreg uit. Telkens groote aandacht als het touw binnengehaald wordt.
„Hij heit ’m!... Hij heit ’m!”
Maar een groote mand hangt aan een punt van de dreg.
„Je vangt bot,” lacht d’r een.
„Hou je smoel!” schreeuwt een slager: „mot je d’r mee spotten, als zoo’n stumper verzuipt!”
„Ga liever naar je kroeg, beroerling,” zegt een vrouw, kwaadaardig, „heb jij een wurm, zeg! ’t Zal jou je zorg zijn als je heele familie verzuipt!”
Er komt weer stilte.
De agent haalt voorzichtig het touw op. Het is nou het half vergane kreng van een hond. Een zwarte slijkpoel kringt om het rottend beest.
„Durft d’r nou niemand in te springen!” schreeuwt een heer.
„Je bent hier vlak bij ’n koker!” roept een der mannen in ’t bootje: „D’r is ’n zuiging dat je geen vin kan uitslaan!”
De agent gooit de haken weer uit. Drie-, viermaal haalt-ie op. Alleen slijk en stinkende gasbellen. Het water wordt zwart-bruin gekleurd.
„Springt d’r dan in, Gerrit, met een touw om je lijf!”
„Hoera! Hoera!”...
Gerrit heeft zijn jas en zijn schoenen uitgetrokken. Even staat-ie met het touw om zijn middel op den rand van het bootje. Dan floep. Breede, nijdige kringen cirkelen om de plek waar hij verdwenen is. Groote spattende stankbellen borrelen op.
„Vieren! Meer vieren!” schreeuwen ze van den walkant.
Gerrit komt boven, proestend en hijgend. Modder hangt om zijn haar.
Niks.
Hij wordt in het bootje getrokken. Een ander man springt in ’t modderwater. Stilte van oprechte belangstelling is over de menigte. De man blijft lang onder, verschijnt spuwend en snuivend, maar met leege handen.
„Jezus, Jezus!” huilt de vrouw naast den slagersknecht: „Zoo’n engel van ’n kind!”
„Ken je de mense?” vraagt de slager.
„’t Is de jongen van Arie op den hoek! Een engel van ’n jongen!”
„Weete de mense d’r van?”
„Ze zijn gewaarschouwd... De man is uit. De vrouw leit van d’r zelve.”
Plomp. Gerrit is weer te water. De gracht is goorzwart gekleurd. Alle modder en vuiligheid wordt opgewerkt.
„Het-ie ’m?Het-ie ’m?”
Nee hij heeft ’m niet. Vuurrood van inspanning komt-ie boven.Zijn hemd plakt op z’n bibberend lichaam. De groote vereelte hand wrijft het water uit de oogen.
„Hij zal in den koker gezogen zijn,” roepen ze uit het bootje.
„Kan niet!” schreeuwt de agent, „d’r is roosterwerk voor!”
„Dreg dan wat meer bij den koker!”
„Hou je toch stil mense! Met al je gekles komt ’t kind d’r niet uit!”
„De agent heit gelijk! Nou douw zoo niet! Bè-jij bedonderd!”
Plomp. De andere is nòg eens te water.
„Verdik-me wat heit-ie ’n aasem!”
„Nou kan je zien wat ’n stinkwater ’t is...”
„Je mot je boot wat verhale!”
„Daar heb je ’m!”
De man duikt op. Geen kind. Het volk begint te dringen.
Behoedzaam blijft de agent dreggen. Aan de overzij van het water staan evenveel menschen. Het water ligt als een vijandige doodensloot tusschen de hagen van levende menschen. De modderkluiten schuimen op, drijven in het zonlicht als zwarte verstikkingen. In het bootje zitten de twee verkleumde, klappertandende mannen. Nog eens zal Gerrit het probeeren. De slijmrige modderkringen sluiten boven zijn hoofd. De menigte dringt hoe langer hoe sterker. Jongens zijn in de boomen geklauterd. Uit de ramen der woningen hangen vrouwen in witte jakken, boven rekken met drogend goed.
„Heit-ie’m?”
„Heit-ie’m!!!”
„Hij heit ’m!”
„Hoeraa!”
„Verlies ’m niet!”
„Voorzichtig, Gerrit!”
„Hij is in de boot!”
„An wal brengen! Gauw an de wal.”
„Jezus, wat ziet het schaap blauw!”
Nu hebben ze ook Gerrit binnengehaald. Ze boomenhet bootje naar den wal. De agent pakt de dooie handjes aan. De slagersknecht de dooie voetjes.
„Laat ’m los! Op zij mense! Op zij mense! Op zij!”
Een kleine open ruimte streept door de dringende menigte. De agent draagt het slijkerig, zwarte lichaampje op de armen. Modder druipt langs zijn uniformjas. Achter hem aan joelt het volk. Vrouwen die er niets mee te maken hebben, loopen te huilen. De klompen klotsen op de keien.
„Op zij mense! Op zij dan, godverdomme!”
In een herberg wordt het kind binnengedragen. De deuren gaan dicht. De gordijnen worden neergelaten. Door de kieren kijken ze naar binnen.
„Ze hebben ’m uitgekleed!”
„Zijn tong hangt uit z’n mond!”
„Ze wrijven z’n voeten.”
„De agent haalt z’n armen op en neer...”
„Die heit ’t meer bij de hand gehad!”
„Op zij mense!... Maak dan plaats! Daar heb-ie de dokter”...
Een paar nemen de petten af. Een jonge dokter met rood puntbaardje wordt binnengelaten. De deuren vallen dicht. Een tweede agent komt.
„Kom mense loop nou deur! Wat heb je d’r an om hier te staan kijke. Deurloope! Deurloope! Oprijje jij daar! Je weet wel, dat je hier niet mag blijven staan!”
Maar in groote groepen hokt het volk rondom de herberg.
Een man komt aanrennen. Hij heeft een dik rood gezicht, draagt een wit wambuis. Opgewonden tikt hij tegen de ruiten der deur. Hij fluistert met den herbergier. De deur gaat open. De deur gaat dicht. Even ziet het volk een wit, klein lichaam.
„Da’s de vader!”
„Ach Jezus!”
„Wat ’n verschrikking!”
„Was dat de vader?”
Een kwartier blijft alles zoo. De agent buiten wandelt op en neer. Binnen is het stil. Dan gaan de deuren open. De man met het witte wambuis rood, strak, komt er uit. Niemand durft vragen. De agent draagt een pakje, ingewikkeld in een laken.
„Op zij mense!”...
Achter hem de dokter.
„Is-ie dood?”
„Ja mense.”
„Ach God! Ach God!”
Een heele menigte loopt mee met den agent, het grachtje af, een zijstraat in, nog een zijstraat en dan op den hoek.