Grietje.

Grietje.Op een avond was een dolle herrie in een danshuis. Met een tenor van een opera-gezelschap en met Lou, waren we er in een bui van nieuwsgierigheid binnengegaan. Van buiten klonk lawaai en getier. De portier schreeuwde: „Entree! Entree!” De zaal was van een pijpen-la-ige lengte, niet hoog, niet breed. De wanden waren artistiek versierd. Maar een „beschrijving” geef ik niet. Die dingen lijken alle op elkander.Het was een „dansgelegenheid.” Vier duffe, gore muzikanten toeterden er op los. Werklieden, studentikooze kantoorklerkjes en „onnoozele” boertjes zaten met de dames der gelegenheid om tafeltjes en het rookmengelmoes van pijpen, sigaren en sigaretjes walmde in de ruimte. In het open vak dansten de paren. Een dronken oude burgerjuffer, die hier in haar dronkenheid verzeild was, schotste heen en weer met een kellner. Een kantoorklerk met verwijfd gezichtje huppelde parmantig met een breedheupige, opgedirkte vrouw. Een werkman plompte met de voeten als een bakker die rogge trapt.We keken toe en werden bediend. De warmte was ondragelijk, de consumptie onbruikbaar.Er volgde een wals. De paren draaiden rond, dicht naast elkander. De mannen dansten gebogen, met den rug gekromd tot een stompen hoek. De vrouwen leken te hangen aan de halzen der mannen, opgeveerd van den grond zonder inspanning. De gezichten gloeiden, roodverhit van lollige pret en drank. De walm van tabak streepte in grillige rooklijnen om de hoofden.Bij het buffet stonden ’n paar broekjes den cour te maken aan een gefaneerde buffetjuf.Het was een „echte” herrie, een geschetter van trompetten, een groc-lachen bij tafeltjes, een gezwier van donkere lichamen in de belichting der gasvlammen.Rechts, bij het buffet, met nòg een meisje zat ze. Ze had, als al de dames der gelegenheid, een wit voorschootje voor. Ze waren er met haar twaalven, de meesten jong, allen „kellnerin” en dansvoorwerp voor bezoekers, die er een „consumptie” voor over hadden.Ze was mooi gevormd, heel jong, met een bleek-ernstig gezichtje. De donkere oogen stonden daarin groot en stil, vreemd aan de herrieachtige benauwdheid van het danslokaal. Die groote, vreemde, mooie oogen in dat smal bakkesje deden me kijken telkens naar den hoek van het buffet. Het resultaat was, dat na eenige oogenblikken Grietje bij ons kwam. Zooals net en fatsoenlijk is, werd haar wat gepresenteerd. Ze ging zitten en we praatten. Ook vlak bij, blééf het moeë kijken, het gedrukte, het apathische, onveranderd. Voorbij ons tafeltje zwartten de paren, wind aanwuivend. Voorbij ons tafeltje wapperden de opwaaiende rokken, dreunden de wiebelende mansbeenen. Voorbij ons tafeltje gierlachte van dronkenheid de oude dronken burgerjuffrouw met den grijnzenden kellner.„Scheelt er wat an?”De vraag ging als een lamlendigheid bij de vieze opgewondenheid.„Mij?... Niks.”„Je ben zoo stil.”„Ik, wel nee.”De boel werd luidruchtiger. De dronken vrouwen sleurden, schreeuwend, ’t uitkrijschend van lachen een der muzikanten rond. Ze drongen hem van de beenen, droegen hem voort, brullend en schaterend, terwijl de kleine, magere, molmen man, die de bleekte en uitdroging had van een teringlijder, trapte en spartelde om uit de armen der uitgelaten wijven los te komen. De rookers en drinkers en de andere vrouwen aan de tafeltjes schreeuwden daar tusschen door, joelend en dol, dierlijk en dronken. Toen begon de dans weer, verwilderd, heet, lijf tegen lijf, paar tegen paar.Grietje zat stil.Maar met heel-zacht praten, met een stem van vertrouwelijkheid, kreeg ik het er uit, langzaam, stotterend, aanstijgend tot ingehouden woede.„O, God, mijnheer... Ik wou dat ik d’r uit was!... Het is een hel... Ik kan d’r niet tegen... Ik ben nòg ziek van het drinken van gister... As mijn zuster dát wist...”„Zou je er uit willen?”„Als ik maar kón, als ik maar kón!”„Zou je willen werken, als je een betrekking kon krijgen?”„Wie wil mij nóú nog hebben?”„Denk dáar maar niet over. Zou je weer kunnen werken?”„Graag. Als ik er maar uit kom!”„’k Zal is rondkijken.”Twee avonden later. ’k Heb een „humaan” mensch gesproken. Hij wou Grietje wel. Goed. Ik het danshuis binnen. ’t Is er leeg. Ik ga zitten, bestel. Grietje komt bij mij. Ik offreer een glas, zooals net en fatsoenlijk is. Ze ziet even bleek, met hetzelfde Madonnaprofiel, met dezelfde groote, stille oogen.„Ik heb wat.”„Wat bedoelt u?”„Ik heb een betrekking.”Ze kijkt me an, verbluft.„Een betrekking?”„Weet je niet meer, waar we eergister over gesproken hebben?”„Eergister?.... O, ja.... Toen was ik niet erg lekker, hè?”„Ja. Je kunt er uit.”„Er uit?”„Uit den rommel.”„O.”„Je lijkt d’r niet véel zin in te hebben.”„Nou dat zeg ik niet... Wat voor een betrekking?”„Werkmeid bij goeie menschen.”„Mot ik nat werk ook doen?”„Dat denk ik wel.”„Mot ik schrobben en plassen?”„Ja, dát weet ik zoo precies niet. Ik geloof het wel. Wat zou dat?”„Nee hoor. Neem me niet kwalijk, maar dáár heb ik geen idee in.”„Maar schaap, denk nou eens even na.”„Ik heb nagedacht en d’r ook over gesproken met een kennis van me, die advocaat is. Blijf jij d’r maar gerust in, heeft-ie gezegd, jij komt altijd op je voeten terecht.”„O.”„Nat werk... Nee!... Dan blijf ik liever hier.”Ik spreek er niet verder over, drink van het glaasje slechte cognac om me een houding te geven.Grietje drinkt ook, kijkt met de groote, moeë oogen voor zich uit.„Krijg ik ook een glaassie?”Dat is de vriendin, die een stoel bijschuift.„Dank je.”„Nou geef mijn nou ook ’n glaassie.”„Dank je.”Het wordt levendig. Een gezelschap buitenlieden, wantrouwig en nieuwsgierig komt binnen.„Grietje!” roept de buffetjuf.De buitenlui zitten aan een van Grietje’s „tafeltjes.”Ik stap op.„Weet je ’t wèl... Griet?”„Ach zanik nou niet langer!... ’k Was eergister vet!”„Wat wou-die?” vraagt de vriendin.Grietje fluistert.De vriendin kijkt me vijandig an en zegt snerpend-kwaadaardig:„Jezus, wat ’n brave Hendrik! Jij lijkt wel van de middernachtzending, zeg!”Schim.Er hangt een laars uit en voor het linkerraam is een bordje aangebracht:LAARZENMAKERIJ.Achter dat bordje zit hij.Zijn haar warrelt slordig om zijn hoofd. Het gezicht is vaal, geelachtig, van de hoekige ingevallenheid van een teringlijder, met vreemde verdoffing der oogen, met harde sneden van neus naar mondhoeken. O, dat gezicht. Dat gele, verdorde, vermoeide gezicht boven het gore boezeroen, boven het leeren voorschoot, dat vleeschlooze gezicht, altijd in dezelfde richting gedwongen, altijd met de oogen in één lijn naar de beenige handen, die bewegen om zwarte laarzen van menschen.Ik heb den laarzenmaker in zijn pothuis nog nooit anders gezien dan in dezelfde gebogen houding, den rug krom, het mager lijf zwemmend in de luchtvolheid van het boezeroen, het hoofd kijkend naar de rustelooze handen.Zoo’n man lijkt niet van het leven te zijn.Maar hijiser van.Hij is heuschelijk en echt van „het” leven, hij met zijn verkromd lichaam, met zijn dorgeel hoofd, met zijn beenige, harde, vuile, eeltige vingers.Hij is van het leven in zijn pothuis, zooals er véél anderen van leven zijn.Ik weet niet wanneer hij rust. Hij lijkt nooit te rusten. Maar hij rust. Een menschelijk lichaam is zoo gemaakt, dat het niet vier-en-twintig uur uit, vier-en-twintig uur in kan werken door den dwang der maag. Dus rust ook de man in het pothuis, slaapt, droomt en zit dan weer op naast zijn bordje „Laarzenmakerij”. Wànneer hij rust weet ik niet. Als ik ’s middags voorbij ga, is hij voor het raam, gebogen, werkend. Zijn handen zijn vastgegroeid aan de laars. De hamer klopt. Hij werkt. Als ik tegen zes uur ga eten, is hij nog altijd op zijn plaats, kijkt niet op, werkt. Als ik ’s nachts één uur, half twee naar huis ga, brandt er licht in het pothuis, zie ik een zwarte schaduw gebogen achter het gordijntje, gaan de zwarte schaduwarmen machinaal op en neer.Als ik héél laat thuis kom, wat soms gebeurt met nachtwerk, en tegen vier uur voorbij wandel om te gaan slapen, is het pothuis al geopend en begint de man van het pothuis zijn dag. Hij lijkt nooit te rusten. Maar hij rust. Hij rust hoogstens drie of vier uur in de vier-en-twintig uur en zit de overige twintig op zijn kruk, met het lijf gebogen, den rug gekromd en met de verdofte oogen naar beneden kijkend.Hij is getrouwd.De vrouw is een zware gezonde vrouw, breed van boven, breed beneden.Een vijfde kind is op de komst. Ze staat net te praten met de kruideniersvrouw. Op de stoep babbelen ze, gesticuleeren, de twee gezonde, dikke, logge vrouwen. De vrouw van den laarzenmakervertelt. De vrouw van den kruidenier grinnikt. Dan sjokt de vrouw van den laarzenmaker naar het pothuis, waar de man zit te werken. Ze is plomp en leelijk en vuil. De twee oudste joggies van vijf en zes jaar, loopen verwaarloosd en smerig, met ongewasschen en vuile bakkesjes en verhavende kleeren.„Meneer hier zijnen de laarzen.”Dat is de loopjongen, lang en mager.„Goed.”„’t Is een gulden voor hakken en halve zolen.”„Heb je van tien gulden terug?”Malle lach: „’k Wou da’k zoo rijk was.”„Vraag dan an je baas.”„Me baas is net zoo rijk als ik.”„Kom dan vanavond even langs.”„Wil ik niet even gaan wisselen an de overzij?”„Nee jongen... ’k moet toch dadelijk zelf de deur uit.”„Best meneer.”Tegen den avond. Er wordt gebeld.„Meneer, hier ben ik.”„Wat is er?”„U hebt vanmorgen gezegd...”„O, ja... wacht even.”Falkland rommelt in zijn portemonnaie en vindt twee kwartjes.„Hier jongen, heb je twee kwartjes.”„’t Is ’n gulden meneer.”„Jawel, maar ’k kan ’t niet anders passen. Kom morgen om het restant, hoor je?”Den volgenden morgen. De jongen is er weer. Het is een lam gevoel om twee kwartjes schuld te hebben bij een armen stakkert. Falkland laat bellen en een uur later wandelt hij de stad in, leent van ’n vriend ’n riks, komt terug en loopt aan bij het pothuis.De laarzenmaker is bezig houten pennen in een zool te hameren. Even tikt hij tegen z’n vuile pet.„Hoeveel krijg je nog van me?”„Tien stuivers, meneer.”„Asjeblief.”„Dank u vriendelijk.”In het zwarte hokje waar hij aan ’t werk is, wurmen twee halfnaakte kinderen. Het eene solt met een ouden schoen, het andere kauwt op een onherkenbaar voorwerp. Van achter walmt dik-warme lucht van vettig eten.„Gaat ’t druk met het werk?”„Kan beter. De huur is zoo zwaar en de winkels rippareeren tegenwoordig zelf.”„Zit je dikwijls ’s nachts op?”„Nou zoo wat geregeld... D’r gaat tijd heen met dat lapwerk, hoor!”„Ga je dan nóóit uit?”„Nooit meneer.”„’s Zondags?”„Slaap ik.”„Blijf je daar gezond bij?”„Lekker als kip, meneer.”Lekker als kip. Dichtbij is zijn hoofd, oud, geel, verworden.Van nacht thuiskomend, was er wéer licht in het pothuis. Het gordijntje was neer. Boven het zwarte vlak van het bordje was de silhouet van den werkenden man. De heele straat lag in rust. Hier en daar was een venster verlicht, maar nergens een silhouet. Ik ben blijven staan, kijkend naar den gebogen vorm van het lijf, naar den arm die op en neer ging, naar het hoofd, dat er zoo bizar uitzag met zijn pluimingen van haar er om heen.Ik ben blijven staan met dat ouwe gevoel van het mysterieuze: hij daarbinnen werkend, denkendover dingen, niet wetend van mij, ik buiten én kijkend naar z’n angstige schaduw.Want dit is een schaduw, een schaduw van angst.De heele buurt is rustig. De hemel is zwart, zonder sterren. Op hun bedden liggen de menschen. De kinderen zijn vroeg onder de wol gestopt. Al de dikke, gezonde kleuters, die den heelen dag geravot hebben, liggen. De dikke kruideniersvrouw ligt. De schoenmakersvrouw ligt. Alles slaapt. En in die stilte van uitrustende menschen, in de stille straat onder den donkeren hemel, staat het scherp verlichte raam, dat een geheimzinnig gat van ander leven lijkt in de donkerte der muren, staat het gele transparent met de zwarte, scherpe schaduw van den man, staat het raam met den zwarten vorm, als een òndeelbaar geheel.Dit is een schaduw van angst.Het kàn niet anders.De man er achter is oud, geel, verdord, gedood door het leven dat hem vermoord heeft, láng voor het oogenblik, waarin menschen van dood praten.Ik geloof dat ik op zoo’n moment in de straat, niet zou durven tikken tegen de ruit van het pothuis.Bal in een stal.Eén draaimolen met diklijvige, hoekige, vetpootige mummie-paarden, walmende olielampen en ’n jakkerend draaiorgel—, één koekkraam, één tent met kouwe oliebollen, eieren en zuur, ’n schiettent, waar kapotte pijpen an touwtjes bengelen, maar vooralhetbal, hetgrootebal, het nette bal,het bal, het bal in den stal.Over den donkeren weg zigzaggen ze met d’r meiden in bruine Zondagsjurken.Buiten zijn ze nog druk, klotsen met vierkante voeten in plassen, schreeuwen met vierkanter monden... „Hup falderiere... hup faldera... Heisse, heisse, heisse hop sa-a-a-sa!...” Dan dringt een andere bende op, lijmend en galmend: „Maar de boertjies hebbe ’t gewonne, hiep, hiep hoera!” Ze stormen tegen elkander op, warmlijvig, overzat, trappend met de plompe beenen met ’n lol, ’n lol, ’n lol!Voor de deuren van den stal worden ze bedaarder.Daar is ’t bal, het bal,het bal.Daar mot je je fatsoen bewaren. De postbode danst ’r èn de onderwijzer èn de dochter van de onderwijzeres, èn de groote kruijenier èn de telegrafist.Je zou den stal haast niet herkennen, zoo netjes is die. De karren en rijtuigen zijn weg, de stalboomen zijn weg. D’r ligt zelfs geen bruinigheid op den grond. Alleen de vaste lange ruif, de leege ruif, met z’n netwerk van lijnschaduwen langs den wand, is d’r nog, onder vlaggedoek. Sparregroen woelt om de spinten. Aan de dwarsbalken hangen lampions, die komiékerig lichten in de vaalschemering van ’t toeloopende dak, aan de middelste schommelt zachtjes ’n ijzeren lamp, walmerig spitsend in de krinkelende tabakswolken.Waar anders het vuil, de bruinigheden en het stroo, angeveegd ligt op een hoop, staat ’t buffet met flesschies limonade en flesschies bier. Links is een lange bank met een lange plank. Voor de deuren, waarachter de paarden zijn gestald, staat op twee schragen een planken stellage met de muzikanten.Waar de stellage lichtelijk doorzwiept zit de dikste, de violist, ’n buikmensch met vette koonen, hambeenen en ’n zwarte stoppelsnor.’t Magere contrabasje in eenverfomfaaidpakje, heeft aan weerszijden van z’n bas, die roem-roemt, roem-roemt, een voet in stevige, beijzerde slijkschoenen. Z’n fletse, verdronken hoofdje met ’n boschduvel van verwarde varkenshaartjes kijkt glazerig over de groote, touwachtige snaren. Roem-roem roem-roem... De arm schokt, beukt den strijkstok heen en weer... roem-roem, roem-roem.De pistonnist controleert de deur—, of d’r geen mense zonder betaling wegloopen. Als-ie blaast heeft-ie ’n effen, geel gezicht. Als ie niet blaast puilen de jukbeenderen uit. ’t Blazen flatteert ’m.Nummer vier is natuurlijk de pianist. Met z’n rug zit-ie naar ’t publiek, maar z’n lange nek permitteert ’m te spelen en de zaal te zien. Z’n haar is kortgeschoren. Z’n gezicht is gemeen-rood, gemeen-verlept, z’n oogen staan bloederig, branderig-groot van drank.De dikkert, de violist, is de baas. Die tikt met z’n strijkstok ’t begin aan en zet de melodie snerpend in. Het basje beheerscht den boel. De boeren hooren niks van de muziek. Ze dansen op het roem-roem, roem-roem, op de twee tonen van ’t basje. Die geven de maat an. Die doen zoo lekker dansen.„Wals heire!”—, brult de pistonnist.’t Basje geeft ’n stomp tegen z’n bas om stilte te krijgen.„Wals heire!”Roem-roem-roem-roem.’t Orkest martelt den deun vanSei nicht böseen ’n veldartillerist zet den dans in.Z’n roode pluimpje dobbert op z’n schuinhangende muts. Z’n rooie vleeschhand plakt om ’t uitzwiepend corset van ’n boerenmeissie van zestien jaar met ’n mopsneus en goudgeel, loshangend wolhaar. D’r rokken gieren straks weg. D’r rooie kousen spillen in d’r bottines.Roem-roem-roem-roem.Vlak daarachter walst de groenteboer met de dienstmeid van den grooten kruijenier. Wonderlijk eerbiedig houdt-ie d’r op ’n afstand. Hij danst in hemdsmouwen. An de ellebogen zijn nieuwe stukkies ingezet. Z’n handen liggen teederlijk gespreid op de schouderbladen van de meid.Op ’t groen en wit pompadour van d’r japon plakken de groote, dikke, bruin-zwarte vingerstompen, waarvan de nagels in vleeschelijke verwording zijn. Zij kijkt neer naar zijn stalen horlogeketting, waaraan ’n hondenmedalje bengelt. Hij kijkt naar den zwarten kam in d’r blonde haarknot. Z’n vest zitstrak gespannen om z’n pootig bovenlijf. De schouderbladen wippen op in de voering, het blauwe hemd riggelt boven de pantalon, die in het zitvlak een versch ingelegd pilow stuk heeft. Hij danst meteerbied. De hééle armslengte is tusschen hen. Roem-roem-roem-roem-roem.De passen zijn groot en zwaar, met trappen om ’n tijger van kant te maken. Zij neemt ze vrouwelijk met zachte sleepjes van de zwarte pantoffels over ’t zand op de planken.Roem-roem-roem-roem-roem.Haast worden ze op de hielen getrapt door een derde paar. ’n Logge boerenjongen met de dochter van de schooljuffrouw. Op z’n rooie, verbruinde, jukbeenderen gezicht hangt ’n grijze pet. ’n Groote, zwarte, versabbelde sigaar dampt in z’n hoofd. Hij is in boezeroen, dat klappert en bult om z’n lompe lichaam. Z’n broek is van verschoten fluweel. Z’n schoenen heeft-ie uitgetrokken.De dochter van de schooljuffrouw kijkt twee hoofden boven hem uit. Ze is lang, mager, met reuzenhanden, ’n spits, vinnig neusje en ’n grooten mond met gele tanden. Roem-roem-roem-roem. Elegant houdt de boer z’n eenen boezeroen-arm om haar magere taille. Den anderen heeft-ie kunstig naar achter gebogen, met de palm van zijn hand naar buiten en de hare er in.Roem-roem-roem-roem.Weer ’n boerenjongen met ’n boerenmeid. Die houen elkaar weer bij de schouders. ’n Stompje sigaar priemt tusschen zijn knoedelvingers op haar rug. De gezichten zijn roodzweetend, moe van ’t dansen en drinken.De heupen schokken zinnelijk bij elken hoek. Roem-roem-roem-roem. En dan neemt-ie opeens ’n zet, in ’n rechte lijn, zij achteruit heupend, alsof zeangstig wegdribbelt—hij, toeloopend met slofpasjes, d’r dringend naar een hoek, maar dan weer in ’n draai verder, zweetend, vermoeid, met ’t sigarenstompje priemend tusschen de vingers.Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.Nou draaien d’r twee vrouwen, ’n dikke, paarse met boerenkap, gouden ijzers en uitzwellende heupen en ’n bleek meisje met groote bruine oogen, die probeert in de maat te blijven.Bons. Ze worden aangeschokt, weggebuffeld door ’n boer op fluweelen toffels. Stevig heeft-ie z’n boerenmeid vast. Pootig trapt-ie met z’n hielen en slaat ze aan tegen z’n broek. In z’n eene hand walmt een inbrandende sigaar. Zij schobbert verhit mee. D’r geelbruine, gepolijste haar is hoog opgenomen. Groote koperen knoppen glimmen in d’r rooie ooren. Zijn zweetende zwartachtige hand pleistert op haar witte jakje, dat er in rimpels en plooien onder fletst. De zware baleinen van d’r corset steken uit en ’t vergulden kruisje aan de koperen ketting bengelt en hupt aan d’r hals.Achter staan d’r twee stil, die óp zijn. Da’s ’n rijke met ’n nieuwe meerschuimen pijp. Mollig wrijft z’n knuisthand om de dikke taille van de vrouw.En dan komt d’r weer ’n veldartillerist met kort geschoren rood haar en ’n verdikten neus.Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.Een aangeschoten boer cancaneert in z’n eentje. Eerst wiebelt-ie naar de muzikanten en blert: „Hier... hebbie... nou... die kleine Jan... van Amsterdam... die... nà-àkend op... die wereld... kwam”...Dan krijgt-ie op eens ’n bezeten ingeving, kijkt met de oogen vèr-weg, in ’t vage, staat stil, klapt in de handen en doet ’n balleteuse na. Z’n oogen verstarren, levenloos, ’t lichaam wringt zich in bochtenen met de groote handen beweegt-ie sierlijk de denkbeeldige tullen rokken. Z’n plompe voeten gooit-ie op, in de hoogte, buigt in, staat weer op en probeert op z’n teenen te loopen. Roem-roem-roem-roem.Eventjes ’n paniek. ’n Papieren lampion vliegt in brand. De stukjes gloeiend papier dwarrelen weg in de zwarte schaduwen van ’t dak.Roem-roem-roem-roem.Tegen den wand, onder de ruif, zitten de kijkers, aangedrukt tegen elkaar, de hoofden in één richting van belangstelling. Eerst ’n kind met ’n omslagdoek, bleek onder de roodte van den doek. Dan ’t hoofd van ’n jongen boer, met ruwe boersche trekken. ’n Pauweveer steekt in z’n hoed. Z’n boord is weggesmolten. Z’n lippen zuigen op ’n verpruimd eindje sigaar.Dan ’n beenige rooie kop, onder ’n grijze klep-pet, lacherig toegedraaid naar ’n vrouwengezicht onder ’n bruinen hoed met blauwe blommetjes. Een glas limonade lept naar d’r rooie, dikke lippen. Dan weer een infanterist, bedaard rookend. Dan weer een boerenmeid.Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.„Hopfalderiere, hopfaldera!”Twee komen d’r binnen hossen, twee mannen, die aan ’t walsen slaan, bonkend tegen paren. D’r sigaren spatten tegen de japonnen. Vonken dwarrelen mee in de draaiing.Roem-roem-roem-roem.De lijven schokken, de beenen trappen. ’t Zand op den grond sist en kraakt. Roem-roem-roem-roem.Even uit. De muziek zwijgt. De paren staan stil, puffend en zweetend.Maar het basje beukt weer tegen ’t lichaam van z’n bas.„Stilte! stilte!”De pistonnist schreeuwt schor in den grijzen walm: „Nou nog een dubbelde Duitsche polleka toe, voor je centen! Vasthouen! Vasthouen! Kom maatje! Kom nou! Even goed je dubbeltje! Kom jongelui, vooruit!”De viool snerpt de melodie weer in.De piano piengelt.Het basje zaagt en sjouwt.Roem-roem-roem-roem. Tidididi-dididididididi! Roem-roem.De veldwachter komt eens kijken aan de deur, neemt z’n pruim uit z’n mond en drinkt ’n glaassie bier.’n Joden koopmannetje, met bruinen ringbaard, krommen neus, listig zwarte oogjes, vent langs de zitplaatsen.De boer, die gezongen heeft van „Hier... hebbie... nou die kleine Jan”—, kijkt naar het plankje met chocolade-tabletten en amandelen, dat de koopman voor z’n buik draagt.„Wat hé-jij daar in je klauwen?” snauwt-ie met al de brutale, logge zekerheid van ’n sterken boer met ’n mes-op-zak.„De khoopman heit van alles,” lacht het joodje, zachtjes, verlegen, bang voor ruzie.„Wat kost dàt. Nee dàt, hengst!”„Mhaar tien centen.”„Tien centen? Tien centen! Ga je weg, hengst!”En dan sluipt ’t joodje angstig verder.Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.De veldwachter pruimt en kijkt gemoedelijk toe.De rokken zwiepen om de beenen, de voeten klotsen, de sigaren lichten, de walm spiraalt op.Tididi-dideredi... Roem-roem.Buiten blerren ze „Hupfalderiere!... Hupfaldera! Heise! Heise! Heise! Hopsaaaaasa!” en ze schreeuwenvan de boertjes die ’t gewonnen hebben en dan weer „Heise, heise, heise, hopsasa!”—en in de groote schaduwen van ’t stille dak, aan de groote binten schemeren de lampions en walmt de schommelende lamp.Roem-roem-roem-roem. Tiderididi.Mintenee.Een uur nadat ze gekomen waren stierf hij, zonder ze te herkennen.Zachtjes dee zij de alkoofdeur dicht, ging zitten huilen in den doorzeten leunstoel.„Loop nou zoo niet heen en weer. Je maakt me zenuwachtig!... Hoor je me niet!”„Jouw, jouw schuld.”„Wàt mijn schuld? Wat, wat, wàt?”„Dat weet je wel. Jij wou niet buigen.”„Nee.”„Nou zijn we nét te laat gekomen!”„Waar is dat schepsel gebleven?”„Ze is weggegaan.”„Dat béést, dat schaamtelooze”...„Stil wat.”„Woonde ze bij ’m in?”„Ja.”„Ze kan toch niet terugkomen?”„Dat zal ze wel niet.”„Heb je met d’r gesproken?”„Eventjes.”„Wat zei ze tegen je?”„Niks.”„Niks?”„Ze huilde.”„Heb je d’r gezegd, dat ze d’r boeltje most pakken?”„Nee.”„Waarom niet?”„Ik had meelij met d’r. Je had d’r moeten zien... Zoo bleek. Zulleke gezwollen oogen.”„Kan me niks schelen. Jullie bent allemaal ’t zelfde.”„Spreek wat zachies Marie... Denk an Jan”...„An Jan... An Jan... mijn arme jongen!”„Laat de alkoofdeuren dicht, kind... D’r valt niks meer an te veranderen”...„Mijn arme jongen... Dat-ie me niet herkend heeft!... ik ben toch z’n moeder!”„Goed zoo. Huil maar is uit”...„Als-ie niet dat mensch ontmoet had”...„Zachies wat”...... „Zouen we d’r eerder van geweten hebben, had ik ’m kunnen oppassen.... had jij ’m kunnen oppassen!... Wie heeft getelegrafeerd?”... „Zij.”... „Zij?”... „Ja.”... „Had ze ’t niet eerder kunnen doen?”... „Ze dorst niet.”... „Waarom niet?”... „Omdat... Laat ik je ’t maar liever niet zeggen, Marie.”„Wat was d’r dan... Maak me niet ongeruster.”... „Omdat... omdat Jan ’t niet wou.”... „Wouhijons niet meer zien.”... „Nee.”... „Dat beest, dat schèpsel!”... „Zachies, zachies!”„Heeft zij je dat gezegd?”„Ja.”„Dan heeft ze je voorgelogen... Dat kàn-die d’r niet gezegd hebben... Zou-die z’n eigen ouwers”...„Ze heeft me nièt voorgelogen.”„Hield-ie dan zóóveel van d’r?”„Kind, kind... ik heb je zoo dikwijls gezegd.”„Hou je mond! ’k Wil niks weten... smijt dien hoed uit de kamer!”„Marie, Marie!”„’k Wil niks van die vrouw zien.”„Laat ’m liggen, kind... Denk an Jan die”...„Mijn arme jongen, mijn eenige jongen!.. Dat-ie zoo vroeg sterven most!... Waarom is d’r ’n God op de wereld... als jonge menschen zoo weggehaald worden!”... „Dàt maakt me niet ongelukkig. Ik heb berouw dat ik naar jou geluisterd heb... Wat dee je me op te stoken... Nou is alles te laat.”„Berouw? Berouw? Had jij willen hebben dat-ie die meid, zoo’n van de straat opgeraapt schepsel getrouwd had?”„Waarom niet, waarom niet!”„Ben je krankzinnig geworden!”... „Nee niet krankzinnig!... Wat heb jij nou bereikt?... Nou hebben ze tòch samen gewoond, samen geleefd als man en vrouw... En zijn wij als vreemden hier gekomen... net te laat... net te laat”...„In Godsnaam.... beter dàt dan zoo’n gemeen schepsel tot je schoondochter.”„Maar hijhieldvan d’r!.... Wat doe je?.... Wat doe je?.... Laat dat staan, Marie!.... Verander niks an de kamer.... Jan ligt d’r.... Foei!”„Heerlijk! Lekker! In duizend stukken! Zoo! Zoo! Zoo!.... Ik wil geen portretten van dat schepsel hier zien!”„Daar staat ’r nog een op den schoorsteen.... Op zijn schrijftafel staat er nòg een.... Nee blijf ’r af! Ik wil niet dat je het verscheurt!”„Laat me mijn gang gaan!”„Nee! Blijf’r af!.... Kom toch even tot jezelf!.... Het heele portret staat in gedroogde rozen.... Voel je niet hoeveel Jan van d’r gehouen moet hebben”........ „Drie portretten.... van zoo’n leelijk schepsel.... Kijk die oogen is.... en dat gemeene lachen!.... Zet ze dan weg, als je niet wil dat ik ze verscheur!”„Spreek wat zachies.... Denk toch dat je kind dood is”....„Mijn arme, arme jongen.... Als ik d’r geweest was zou-ie ’n goeie oppassing gehad hebben.... zou ik ’m beter gemaakt hebben.... Zoo’n slordig schepsel.... Overal slingert d’r goed.... Daar ligt ’n doos met poudre-de-riz.... Ze poederde zich! Ze poederde zich, zie je dat?.... Daar, onder den stoel, dààr, staan d’r muilen.... ’n Fijne madam!.... chevreau-leer met goud, met hooge hakken!.... Heb je mij ooit zulke dingen zien dragen?.... Hier heb je weer haarspelden.... Wat is dat?.... Nee maar kijk nou is.... Ze verfde zich.... Lippenverf.... Zoo’n gemeen”........ „Zachies wat”........ „Spreek jij maar zachies, als je ziet waaran onze arme jongen zich vergooid heeft.... Heb je nog meer bewijzen noodig?.... Kijk is in die kast.... Wat ’n sjiek.... allemaal van ons geld.... Ze mot direct d’r boeltje pakken, versta je? Ik wil die dingen geen minuut langer in huis hebben!.... Geplunderd heeft ze’m! Geplunderd! Zoo’n gelukzoekster! Zoo’n vies schepsel!”„Marie zou je ’r nog is an willen denken dat in de alkoof”....„Dood is-ie! Dood!.... Geen woord heeft-ie meer voor ons over gehad! Z’n eigen moeder! Z’n eigen vader! Waarom ben ik niet dood gegaan!”....„Ga nou naar het hotel terug, kind.... Het rijtuig wacht.... Je kunt hier niks meer doen. Hier is je mantel”....„Nee! Ik ga niet alléen.... Je mot meegaan!”„Ga vast vooruit. Ik wil alles sluiten—nog ’t een en ander regelen.”„Dat mensch is nog hier.... Je wil met d’r praten.”„Nee. Ze is weg.”„Mijn arme jongen! Mijn beste Jan!.... Vergeef ’t me! Ik ben slecht voor je geweest! Ik meende ’t zoo goed.... Mijn lieveling!”„Doe de alkoof nou dicht. Wat geeft het of je hem nog langer ziet.... Zal ik je naar ’t rijtuig brengen?”Dicht viel de huisdeur. Het rijtuig ratelde lawaaimakend weg. Op zijn teenen liep hij naar een deur, achter in de gang.„Juf.... frouw”....Ze opende al.„Mijn vrouw is weg, juf... frouw”...Zonder te antwoorden, liep ze hem voorbij, de kamer in, naar de alkoof en begon den dooie te zoenen.„Laat ’m liggen... wees u bedaard... juf... frouw”...Stil lag ze met het hoofd in de kussens.Ze leek wel dood.„Ga u liever zitten... u mot u niet zoo opwinden... juf... frouw”...Ze bewoog niet.„’t Is toch beter... júf... frouw... dat u heengaat... U kunt toch niet hier blijven. Het huis mot gesloten worden... Kan ik u soms helpen? Hoort u me niet, juffrouw?... Juf... frouw!”...„Ik hoor ’t.”„... Wil u soms wat goed meenemen, voorloopig?... Morgen of overmorgen zal ik u alles zenden... als u mij uw adres opgeeft”...... „Mijn adres... O ja... Ik mot hier weg.”„Kan ik u soms helpen?”„Dank u. Ik heb alles.”„Gaat u nou van het bed weg... juf... frouw”...„Ja.”„Wil u soms wat drinken?”„Nee... Waar is mijn hoed?”„De hoed... Waar is de hoed?... O, hier op den grond... Asjeblief juffrouw.”„Dank u.”„Heb u geen mantel?.... ’t Is frisch buiten.”„Nee. ’t Is zoo goed.”„Doet u nou de alkoofdeuren dicht, juf... frouw.”„Ja... Zie ik ’m nou voor ’t laatst?”... „Ja... juf... frouw... U begrijpt dat ’t moeilijk is... om u... als hij begraven wordt”...„Ja... Is-hij kalm gestorven?”„Hij heeft ons niet herkend... Zoen ’m niet meer... ’t Is niet goed dooien te zoenen, juffrouw.”„Goeien avond, meneer.”„Dag juffrouw... An welk adres motten de kleeren...?”„Dat weet ik niet.”... „Wat gaat u nou voortaan beginnen, juffrouw?”„Dat weet ik niet... Goeien avond, meneer.”„Goeien avond, juffrouw.”Zusters.Lentemorgen.Warm scheen de zon door de loovers.Het veld lag groen, luw-getint, met een stippeling van geel. Niets dan groen en gele hoofdjes van bloemen. Het zonlicht deinde er zachtjes over.In de verte, uitgebeten in de heldere lucht, de dorpstoren, priemend omhoog met de puntigheid van een naald.In de verte óók het vriendelijk lichten van zon, overal zon, warme zon.In loovers tjilpten vogels. Het was een geklinkklank van kleine, nazwevende geluidjes, een schel, warm voorjaarsfluiten, dat wegstierf boven de boomen, maar onder de kruinen bleef als een geur van jeugd.*   *   *Over den grintweg gingen ze.Zwijgend.Het hel-wit zomerkleedje met de roode linten kleurde uitgelaten van levendigheid tegen het grijs van den weg, in de mulle schaduw der boomen. Onder den breeden stroohoed wuifde het haar, dansend op den lentewind.Ze draaide een bloem in de handen. Den stengel had ze stuk geknepen.Donker liep hij naast haar. Zijn rotting veerde aan tegen de grintsteentjes, die voortstoven als raketten.*   *   *„Lize”...„Nee... Nee... Zeg niks meer.”„’k Wou”...„Nee, nee, Frans.”„Begrijp je dan niet”...„Ik bid je... hou op!”Hij zweeg.Stil gingen ze naast elkaar.De steentjes wreven en kraakten, eentonig, zangerig-knarsend onder de voeten.Een zwerm vinken joelde lawaaiend in ’t gras.Ze vochten om iets, om een worm.Anders stilte.Anders de gouden warme koestering van de zon op de dingen.*   *   *In het dorp, flauwtjes, klepte de klok. Rustige galmpjes kwamen gedragen.„... Lize”...„... Ja”...„Ik moet ’t toch zeggen.”Vuurrood werd ze. De bloem in haar vingers verplette tot sap. Ze bleef staan.„... Frans”...„... Het mág gemeen zijn”...„... Frans”...„... Vervloekt!... Dan verbréék ik het engagement!”„... Frans”...„... Je maakt ons allebei ongelukkig,allebei, versta je!”„... Luister nou nóg eens, Frans... Voor het láátst... Ikwildie dingen niet hooren... Hoe kùn je zoo zijn!... Denk je dan heelemaal niet aan haar?... Heb je gister niet gezien, toen ze opzat, hoe bleek ze was... hoe blauw onder de oogen... Had je dan liever gehad dat ze dòòd was gegaan? Als je ’t engagement verbreekt, dan... dan... Durf jij de gevolgen... Doe ’t niet, Frans!... Ik bid het je!... Ik smeek het je!”...Hij keek haar aan in extase.„Zeg me één ding... maar eerlijk... Nee je moet me in de oogen kijken... Zeg me... Je houd van mij óók, Lize!”„Nee.”„Da’s niet waar!”„Ik heb nóóit van je gehouen.”„Nooit?”„Nee... En ik zal ’t nóóit doen.”Hij wist dat ze loog.Zij voelde dat-ie haar niet geloofde.*   *   *Nauwer werd de weg, die door het bosch kronkelde.Telkens kroop voor hun voeten een lijn van licht, die door de blaren boorde en over den grond streepte.Ze liepen langzaam in de stilte, kijkend naar dingen die zij niet zagen.Even door de nauwte van het pad raakten ze elkanders handen.Ze schrikten.Omdat ’t zoo stil was, zoo eenzaam, zoo vreemd,zoo drukkend, begon zij weer te spreken, hokkend van angst.„Ben je boos, Frans?”„Boos?... Och”...„Wat is ’t hier stil.”„Ja.”„Vreeselek stil”...„Ja”...„Waarom zeg je niks?”Weer raakten de handen.„God... martel me niet.”*   *   *Nu liep ze voor hem.Naast elkaar gaan konden ze niet meer.In zinnelijke bewondering keek hij naar het meisje, naar ’t nekje met krullende donsharen, naar de soepele lijnen van ’t lichaam, naar de voetjes in de kleine schoentjes, met ’t witte der kous even-nog-te-zien.Hij had haar in z’n armen willen nemen, hartstochtelijk.Ze waren hier alleen.Heel alleen.Maar ze keek om, angstig omdat hij zoo stil was.Toen begon hij te praten, druk, opgewonden, over allerlei dingen, waarnaar zij niet luisterde.Zij antwoordde lachend zonder dat hij ’t hoorde.Ze durfden niet ophouen.*   *   *Bij de greppel werd breeder het pad.Er stroomde water in, niet veel.Gister was ze nog droog.Aarzelend stond zij stil.„Wil ik je dragen?”...„Nee.”„Wil je dan weer terug?”„Nee.”In eens, zonder verder te vragen, tilde hij haar op, droeg haar hoog in de armen en stapte door ’t water.Dicht was haar hoofd bij ’t zijne.Dicht was zijn mond bij den hare. Ze zag zijn snorhaartjes, vlàk-bij.Ze voelden elkaars adem, kort, warm, snel.„Frans!”...Oogen als van ’n aangeschoten hert keken ’m aan.Hij beefde.Hij zoende haar niet.Aan de overzij gleed zij uit z’n armen.Zwijgend gingen ze verder.Alleen in de stilte.Links lag het dorp met zijn dol-vroolijk gegloei van roode daken in het effen groen.Tamme rook-spiraaltjes verwasemden in de heldere lucht.De kerktoren was grooter geworden.De haan op den toren stond te stralen als een gouden pauw.De dorpsstraat slingerde witjes, rustig, glad.*   *   *Bij de huisdeur, in een rieten stoel, zat ze in ’t zonnetje.Ze kleurde van genoegen.„Hebben jullie al zóó vroeg gewandeld?”„Ja.”„Hebben jullie... ruzie gehad?”„Nee”...„Welnee”...Lize zoende haar, ging het huis in.Op haar kamer gekomen, bleef ze wat drentelen voor het raam, keek door een kier van de neerhangende jaloezie en zag ze.Toen wierp zij haar parasol en haar handschoenen op ’t bed, zakte er stil bij neer en begon te huilen.Beneden klonken de stemmen.Op haar knieën liggend, de vuist ballend, snikte ze schor, hard-op, heesch...„... Was je maar dood gegaan... Jij!... Jij!”...Van twee ongetrouwde meisjes en een hond.Wies en Mies liepen met Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.Wies was een dikkert. Ze had een kort, slobberig lijfje. Ze had een hoofd en twee voeten. Dit laatste is zeker niet bijzonder. Maar bij Wies was juisthetbijzondere aan het hoofd en de voeten. Het hoofd was dik en paars. De kleine oogjes probeerden listigjes over de bolle paarse koonen heen te gluren. Als brokken deeg, die tegen haar gezicht waren aangekwakt, stonden de koonen, dadelijk gezwollen rondom het stompneusje, gezwollen onder de oogen en nog altijd gezwollen bij de ooren. De twee lijvige, paarse pompoenkoonen werden dus het eerst gezien. Eigenlijk was het hoofd alléén paarse koon, met een neusbobbertje er in, met krentenstipjes er boven en een vleezige mondgleuf er onder. Wies—Mies zei Wiesje. Zij hield meer van Wies,—Wies had groene tandjes. In de dagen van haar jeugd had zij op aanraden van Mies, die een paardengebit had, een tandenborstel gekocht en haar tanden één ochtend met asch gepoetst, maar toen ’t bloeden ging, had zij besloten alles te laten zooals natuur ’t geschapen had.Wies had niet alleen een hoofd, zij had twéévoeten. Ze liet ze altijd zien. Wat ze er aan had wist ze alleen zelf. Bij voorkeur droeg ze een bovenrok, die te kort was. De voeten schommelden er onder uit, groot en log, stevig en zwaar. Mannenvoeten. Aan dit maagdelijk lichaam waren mannenvoeten. Sommigen zeggen mansvoeten. Mannenvoeten gaat er mee door. Wies had eksteroogen. ’t Valt natuurlijk niet met zékerheid te zeggen. Je zou er de voeten voorin naturamoeten zien, maar aan haar wijze van loopen, aan het trapganzig neerklotsen der mannen- of mansvoeten, kon je toch merken dat de manslaarzen niet gemakkelijk zaten. Wies hield niet van hakken. ’t Is een vreemd geval, toch moet ge Falkland op zijn woord gelooven, wanneer hij het feit constateert. Dan nog,—bijna zou ik daarenboven geschreven hebben, wat een verouderde en te superlatieve uitdrukking is—stonden Wiesje’s teenen in Wiesje’s manslaarzen weerbarstig omhoog, gelijk een platgetrapte grashalm, die zich begint op te richten.Wies was dus, kort en bondig herhaald, slobberig-dik,—ze droeg geen corset—, met vette, paarse pompoenkoonen, neusbobbertje, krentenoogjes en een paar robuste, haklooze manvoeten, die zich aan den teenkant van de aarde verwijderden.Mies was mager. Ge zult vermoeden dat Falkland hier een fantastisch contrast maakt, maar nog eens op zijn woord, Mieswásmager. Ze was àkelig mager. Te oordeelen naar haar gelaat, mocht verondersteld worden dat ze veel zichtbare ribben bezat. Ze was van een magerte, die pijnlijk schokte naast het weelderig vet van Wies. Ze was mager en réég zich. Ze droeg een zwart schoudermanteltje, dat om haar schouders bengelde als een natte theedoek, die an ’n lijn te drogen hangt.Mies was bleek, vaalbleek. In haar bleeke gezicht puilden de jukbeenderen, gelijk bleeke klonten op geklonterde amandelvla. Ze had een mageren, gepletten, Griekschen neus en nu ja—al is ’t niet aesthetisch—zachtzinnige randjes rood onder de oogen. Mies was lichtschuw. Ze liep met d’r bleeke, vale, magere gezicht gebogen en vreemd, idioterig lachend, omdat ze ’t volle licht niet velen kon. Als ze lachte liet ze d’r tanden zien. Ze had een paardengebit, een groot, sterk, regelmatig, geel paardengebit. Lachte ze bijzonder lichtschuw, dan kwam óók ’t bloedloos tandvleesch te zien.Molly was het hondje.Het hondje van Mies, ofschoon hij ook luisterde naar Wies. Ik spreek daar van „hij”. Dat is minder juist. Molly was een teefje. Om verwarring te voorkomen, zal ik haar tijdelijk mannelijk maken. Molly was een bastaard. Dat wil zeggen: hij was niet bepaald hazewind en niet bepaald fox en niet bepaald taks. Hij had van elk wat. De herediteit der vermenging drukte zwaar op zijn kop en zijn pooten. Meer was van hem niet te zien. Mies pakte hem in een hondendekje als ze ging wandelen, een snoezig dekje van blauw laken met gele randen en roode bandjes.Ongeveer, luidens deze zeer onmachtige beschrijving, liepen Wies, Mies en Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.Molly vooruit, snuffelend tusschen het gras en matig dikwijls zenuwachtig neerzakkend op de gespreide achterpooten.„Is-die nou eindelijk zindelijk?”—vroeg Wies.„Hij doet niks meer,” giegelde Mies.„Is-die beter waakzaam?”„Nou!... as d’r iemand voorbij ’t raam loopt, blaft-ie wel vijf minuten.”„Da’s wàt ’n rustig idée voor je ’s nachts.”„Vroeger keek ik altijd onder me bed, om te zien of d’r geen man lag.”„Verbeel je ’s nachts... ’n inbreker”...„... Of ’n moordenaar”...„Mollie—Mollie—Mollie-ie-ie!”„Wat heeft-ie nou!”„O lieve God!... D’r zit ’m ’n hond na!”Mies en Wies stonden stil. De wind waaide d’r rokken strak-weg.Molly werd achtervolgd door een bruinharigen, leelijken, beslijkten straathond, die met beminnelijke welwillendheid, niet te opdringerig, integendeel met iets gentleman-achtigs in zijn gedragingen, haar—zegge Molly’s—achterpooten en staart liep te beruiken. Molly, beangstigd door die toch wel wat onvoegzame gemeenzaamheid, draaide zich eerst om met vertoon van nijdige, witte tandjes, maar de straatvlegel nam er geen notitie van en draaide mee, al naarmate Molly draaide. Kittig vluchtte Molly over een plank, over een sloot en liep aan de andere zij van ’t water Wies en Mies te gemoet met den straathondà la suite.„Mollie-Mollie-ie-ie-ie!” riep Mies.„Wil je weg gaan, vuil beest!” riep Wies, die met haar parapluie hevige bewegingen verrichtte.Goedig keek de vreemde naar de ongetrouwde meisjes aan de overzij, naar Wies’ pompoenkoonen en Mies’ paardengebit, bleef éven wijsgeerig op een afstand zitten, maar hernieuwde daarna zijn eerbiedige hofmakerij.„Kischt! Kischt! Kischt!”„Mollie-Mollie-Mollie-ie-ie!”„Wil je weggaan, smeerpoes!”„Kischt! Kischt!”Molly nam intusschen een verdedigende houdingaan, bromde en knorde als een tijger. In kringetjes sloop de bruinharige rond haar, schoot plotseling ongeduldig toe, pakte Molly in haar blauwe pakje en gromde op zijn beurt.„Kischt! Kischt!”„O Mollietje! Engeltje! Schatje!”...Molly deed wat menschelijk te begrijpen is: ze liet zich vallen, plaste met de van heriditeit getuigende pootjes in de lucht en begon een langgerekt, erbarmelijk gejank.„Wacht! Ik zal jou krijgen!”Op den weg lag een oude schoen. Wies pakte ’m beet, voorzichtig, bij een onbeschimmeld plekje, mikte en wierp ’t instrument naar de overzij op ’t weiland.Lobbesachtig, met eenige verbazing, wát of die twee juffrouwen met zijn zaken te maken hadden, keek de vieze op.„Kischt! Kischt!”De schoen had hem niet geraakt. Voorzichtig, maar vastberaden ging hij voort met de beruiking van het hondendekje, dat hij belangrijk scheen te vinden, terwijl Molly, bibberend, met ingehouden najankertjes, zich niet langer tegen de kennismaking verzette.„Durf jij over de plank?”„Ik?... Nee”...„Ikke ook niet”...„Daar ligt een steen.”Weer mikte Wies.Raak!De viezerik jankte nijdig en schoot een end ’t weiland in.„Mollie! Mollie-tje!”„Psst! Pischt! Pischt!”Daar kwam die, holde over de plank, rende naarWies en Mies en sprong met z’n beslijkte pooten tegen Mies’ gespikkeld pakje.„Ach schatje, wat zie je d’r uit!”„Kijk ’t kleedje van het engeltje is toegetakeld zijn!”„... ’t Is heelemaal bedorven... Ja, je bentmijnschatje...mijnHabbelebabs... mijn pief-piefie... Kom nou maar mee an ’t kettinkie... Nou zullen ze je geen kwaad meer doen.... die vieze leelijkers!”...Wies en Mies waren ontdaan.Maar nou zakte ’t weer en wandelden ze verder langs den Amstel,—het slobberig dikkertje met de paarse pompoenkoonen, ’t neusbobbertje, de haklooze manvoeten en de magere bleeke, lichtschuwe met ’t paardengebit.Aan ’t kettinkje sjokte de hond, achter de ongetrouwde meisjes.

Grietje.Op een avond was een dolle herrie in een danshuis. Met een tenor van een opera-gezelschap en met Lou, waren we er in een bui van nieuwsgierigheid binnengegaan. Van buiten klonk lawaai en getier. De portier schreeuwde: „Entree! Entree!” De zaal was van een pijpen-la-ige lengte, niet hoog, niet breed. De wanden waren artistiek versierd. Maar een „beschrijving” geef ik niet. Die dingen lijken alle op elkander.Het was een „dansgelegenheid.” Vier duffe, gore muzikanten toeterden er op los. Werklieden, studentikooze kantoorklerkjes en „onnoozele” boertjes zaten met de dames der gelegenheid om tafeltjes en het rookmengelmoes van pijpen, sigaren en sigaretjes walmde in de ruimte. In het open vak dansten de paren. Een dronken oude burgerjuffer, die hier in haar dronkenheid verzeild was, schotste heen en weer met een kellner. Een kantoorklerk met verwijfd gezichtje huppelde parmantig met een breedheupige, opgedirkte vrouw. Een werkman plompte met de voeten als een bakker die rogge trapt.We keken toe en werden bediend. De warmte was ondragelijk, de consumptie onbruikbaar.Er volgde een wals. De paren draaiden rond, dicht naast elkander. De mannen dansten gebogen, met den rug gekromd tot een stompen hoek. De vrouwen leken te hangen aan de halzen der mannen, opgeveerd van den grond zonder inspanning. De gezichten gloeiden, roodverhit van lollige pret en drank. De walm van tabak streepte in grillige rooklijnen om de hoofden.Bij het buffet stonden ’n paar broekjes den cour te maken aan een gefaneerde buffetjuf.Het was een „echte” herrie, een geschetter van trompetten, een groc-lachen bij tafeltjes, een gezwier van donkere lichamen in de belichting der gasvlammen.Rechts, bij het buffet, met nòg een meisje zat ze. Ze had, als al de dames der gelegenheid, een wit voorschootje voor. Ze waren er met haar twaalven, de meesten jong, allen „kellnerin” en dansvoorwerp voor bezoekers, die er een „consumptie” voor over hadden.Ze was mooi gevormd, heel jong, met een bleek-ernstig gezichtje. De donkere oogen stonden daarin groot en stil, vreemd aan de herrieachtige benauwdheid van het danslokaal. Die groote, vreemde, mooie oogen in dat smal bakkesje deden me kijken telkens naar den hoek van het buffet. Het resultaat was, dat na eenige oogenblikken Grietje bij ons kwam. Zooals net en fatsoenlijk is, werd haar wat gepresenteerd. Ze ging zitten en we praatten. Ook vlak bij, blééf het moeë kijken, het gedrukte, het apathische, onveranderd. Voorbij ons tafeltje zwartten de paren, wind aanwuivend. Voorbij ons tafeltje wapperden de opwaaiende rokken, dreunden de wiebelende mansbeenen. Voorbij ons tafeltje gierlachte van dronkenheid de oude dronken burgerjuffrouw met den grijnzenden kellner.„Scheelt er wat an?”De vraag ging als een lamlendigheid bij de vieze opgewondenheid.„Mij?... Niks.”„Je ben zoo stil.”„Ik, wel nee.”De boel werd luidruchtiger. De dronken vrouwen sleurden, schreeuwend, ’t uitkrijschend van lachen een der muzikanten rond. Ze drongen hem van de beenen, droegen hem voort, brullend en schaterend, terwijl de kleine, magere, molmen man, die de bleekte en uitdroging had van een teringlijder, trapte en spartelde om uit de armen der uitgelaten wijven los te komen. De rookers en drinkers en de andere vrouwen aan de tafeltjes schreeuwden daar tusschen door, joelend en dol, dierlijk en dronken. Toen begon de dans weer, verwilderd, heet, lijf tegen lijf, paar tegen paar.Grietje zat stil.Maar met heel-zacht praten, met een stem van vertrouwelijkheid, kreeg ik het er uit, langzaam, stotterend, aanstijgend tot ingehouden woede.„O, God, mijnheer... Ik wou dat ik d’r uit was!... Het is een hel... Ik kan d’r niet tegen... Ik ben nòg ziek van het drinken van gister... As mijn zuster dát wist...”„Zou je er uit willen?”„Als ik maar kón, als ik maar kón!”„Zou je willen werken, als je een betrekking kon krijgen?”„Wie wil mij nóú nog hebben?”„Denk dáar maar niet over. Zou je weer kunnen werken?”„Graag. Als ik er maar uit kom!”„’k Zal is rondkijken.”Twee avonden later. ’k Heb een „humaan” mensch gesproken. Hij wou Grietje wel. Goed. Ik het danshuis binnen. ’t Is er leeg. Ik ga zitten, bestel. Grietje komt bij mij. Ik offreer een glas, zooals net en fatsoenlijk is. Ze ziet even bleek, met hetzelfde Madonnaprofiel, met dezelfde groote, stille oogen.„Ik heb wat.”„Wat bedoelt u?”„Ik heb een betrekking.”Ze kijkt me an, verbluft.„Een betrekking?”„Weet je niet meer, waar we eergister over gesproken hebben?”„Eergister?.... O, ja.... Toen was ik niet erg lekker, hè?”„Ja. Je kunt er uit.”„Er uit?”„Uit den rommel.”„O.”„Je lijkt d’r niet véel zin in te hebben.”„Nou dat zeg ik niet... Wat voor een betrekking?”„Werkmeid bij goeie menschen.”„Mot ik nat werk ook doen?”„Dat denk ik wel.”„Mot ik schrobben en plassen?”„Ja, dát weet ik zoo precies niet. Ik geloof het wel. Wat zou dat?”„Nee hoor. Neem me niet kwalijk, maar dáár heb ik geen idee in.”„Maar schaap, denk nou eens even na.”„Ik heb nagedacht en d’r ook over gesproken met een kennis van me, die advocaat is. Blijf jij d’r maar gerust in, heeft-ie gezegd, jij komt altijd op je voeten terecht.”„O.”„Nat werk... Nee!... Dan blijf ik liever hier.”Ik spreek er niet verder over, drink van het glaasje slechte cognac om me een houding te geven.Grietje drinkt ook, kijkt met de groote, moeë oogen voor zich uit.„Krijg ik ook een glaassie?”Dat is de vriendin, die een stoel bijschuift.„Dank je.”„Nou geef mijn nou ook ’n glaassie.”„Dank je.”Het wordt levendig. Een gezelschap buitenlieden, wantrouwig en nieuwsgierig komt binnen.„Grietje!” roept de buffetjuf.De buitenlui zitten aan een van Grietje’s „tafeltjes.”Ik stap op.„Weet je ’t wèl... Griet?”„Ach zanik nou niet langer!... ’k Was eergister vet!”„Wat wou-die?” vraagt de vriendin.Grietje fluistert.De vriendin kijkt me vijandig an en zegt snerpend-kwaadaardig:„Jezus, wat ’n brave Hendrik! Jij lijkt wel van de middernachtzending, zeg!”

Op een avond was een dolle herrie in een danshuis. Met een tenor van een opera-gezelschap en met Lou, waren we er in een bui van nieuwsgierigheid binnengegaan. Van buiten klonk lawaai en getier. De portier schreeuwde: „Entree! Entree!” De zaal was van een pijpen-la-ige lengte, niet hoog, niet breed. De wanden waren artistiek versierd. Maar een „beschrijving” geef ik niet. Die dingen lijken alle op elkander.

Het was een „dansgelegenheid.” Vier duffe, gore muzikanten toeterden er op los. Werklieden, studentikooze kantoorklerkjes en „onnoozele” boertjes zaten met de dames der gelegenheid om tafeltjes en het rookmengelmoes van pijpen, sigaren en sigaretjes walmde in de ruimte. In het open vak dansten de paren. Een dronken oude burgerjuffer, die hier in haar dronkenheid verzeild was, schotste heen en weer met een kellner. Een kantoorklerk met verwijfd gezichtje huppelde parmantig met een breedheupige, opgedirkte vrouw. Een werkman plompte met de voeten als een bakker die rogge trapt.

We keken toe en werden bediend. De warmte was ondragelijk, de consumptie onbruikbaar.

Er volgde een wals. De paren draaiden rond, dicht naast elkander. De mannen dansten gebogen, met den rug gekromd tot een stompen hoek. De vrouwen leken te hangen aan de halzen der mannen, opgeveerd van den grond zonder inspanning. De gezichten gloeiden, roodverhit van lollige pret en drank. De walm van tabak streepte in grillige rooklijnen om de hoofden.

Bij het buffet stonden ’n paar broekjes den cour te maken aan een gefaneerde buffetjuf.

Het was een „echte” herrie, een geschetter van trompetten, een groc-lachen bij tafeltjes, een gezwier van donkere lichamen in de belichting der gasvlammen.

Rechts, bij het buffet, met nòg een meisje zat ze. Ze had, als al de dames der gelegenheid, een wit voorschootje voor. Ze waren er met haar twaalven, de meesten jong, allen „kellnerin” en dansvoorwerp voor bezoekers, die er een „consumptie” voor over hadden.

Ze was mooi gevormd, heel jong, met een bleek-ernstig gezichtje. De donkere oogen stonden daarin groot en stil, vreemd aan de herrieachtige benauwdheid van het danslokaal. Die groote, vreemde, mooie oogen in dat smal bakkesje deden me kijken telkens naar den hoek van het buffet. Het resultaat was, dat na eenige oogenblikken Grietje bij ons kwam. Zooals net en fatsoenlijk is, werd haar wat gepresenteerd. Ze ging zitten en we praatten. Ook vlak bij, blééf het moeë kijken, het gedrukte, het apathische, onveranderd. Voorbij ons tafeltje zwartten de paren, wind aanwuivend. Voorbij ons tafeltje wapperden de opwaaiende rokken, dreunden de wiebelende mansbeenen. Voorbij ons tafeltje gierlachte van dronkenheid de oude dronken burgerjuffrouw met den grijnzenden kellner.

„Scheelt er wat an?”

De vraag ging als een lamlendigheid bij de vieze opgewondenheid.

„Mij?... Niks.”

„Je ben zoo stil.”

„Ik, wel nee.”

De boel werd luidruchtiger. De dronken vrouwen sleurden, schreeuwend, ’t uitkrijschend van lachen een der muzikanten rond. Ze drongen hem van de beenen, droegen hem voort, brullend en schaterend, terwijl de kleine, magere, molmen man, die de bleekte en uitdroging had van een teringlijder, trapte en spartelde om uit de armen der uitgelaten wijven los te komen. De rookers en drinkers en de andere vrouwen aan de tafeltjes schreeuwden daar tusschen door, joelend en dol, dierlijk en dronken. Toen begon de dans weer, verwilderd, heet, lijf tegen lijf, paar tegen paar.

Grietje zat stil.

Maar met heel-zacht praten, met een stem van vertrouwelijkheid, kreeg ik het er uit, langzaam, stotterend, aanstijgend tot ingehouden woede.

„O, God, mijnheer... Ik wou dat ik d’r uit was!... Het is een hel... Ik kan d’r niet tegen... Ik ben nòg ziek van het drinken van gister... As mijn zuster dát wist...”

„Zou je er uit willen?”

„Als ik maar kón, als ik maar kón!”

„Zou je willen werken, als je een betrekking kon krijgen?”

„Wie wil mij nóú nog hebben?”

„Denk dáar maar niet over. Zou je weer kunnen werken?”

„Graag. Als ik er maar uit kom!”

„’k Zal is rondkijken.”

Twee avonden later. ’k Heb een „humaan” mensch gesproken. Hij wou Grietje wel. Goed. Ik het danshuis binnen. ’t Is er leeg. Ik ga zitten, bestel. Grietje komt bij mij. Ik offreer een glas, zooals net en fatsoenlijk is. Ze ziet even bleek, met hetzelfde Madonnaprofiel, met dezelfde groote, stille oogen.

„Ik heb wat.”

„Wat bedoelt u?”

„Ik heb een betrekking.”

Ze kijkt me an, verbluft.

„Een betrekking?”

„Weet je niet meer, waar we eergister over gesproken hebben?”

„Eergister?.... O, ja.... Toen was ik niet erg lekker, hè?”

„Ja. Je kunt er uit.”

„Er uit?”

„Uit den rommel.”

„O.”

„Je lijkt d’r niet véel zin in te hebben.”

„Nou dat zeg ik niet... Wat voor een betrekking?”

„Werkmeid bij goeie menschen.”

„Mot ik nat werk ook doen?”

„Dat denk ik wel.”

„Mot ik schrobben en plassen?”

„Ja, dát weet ik zoo precies niet. Ik geloof het wel. Wat zou dat?”

„Nee hoor. Neem me niet kwalijk, maar dáár heb ik geen idee in.”

„Maar schaap, denk nou eens even na.”

„Ik heb nagedacht en d’r ook over gesproken met een kennis van me, die advocaat is. Blijf jij d’r maar gerust in, heeft-ie gezegd, jij komt altijd op je voeten terecht.”

„O.”

„Nat werk... Nee!... Dan blijf ik liever hier.”

Ik spreek er niet verder over, drink van het glaasje slechte cognac om me een houding te geven.

Grietje drinkt ook, kijkt met de groote, moeë oogen voor zich uit.

„Krijg ik ook een glaassie?”

Dat is de vriendin, die een stoel bijschuift.

„Dank je.”

„Nou geef mijn nou ook ’n glaassie.”

„Dank je.”

Het wordt levendig. Een gezelschap buitenlieden, wantrouwig en nieuwsgierig komt binnen.

„Grietje!” roept de buffetjuf.

De buitenlui zitten aan een van Grietje’s „tafeltjes.”

Ik stap op.

„Weet je ’t wèl... Griet?”

„Ach zanik nou niet langer!... ’k Was eergister vet!”

„Wat wou-die?” vraagt de vriendin.

Grietje fluistert.

De vriendin kijkt me vijandig an en zegt snerpend-kwaadaardig:

„Jezus, wat ’n brave Hendrik! Jij lijkt wel van de middernachtzending, zeg!”

Schim.Er hangt een laars uit en voor het linkerraam is een bordje aangebracht:LAARZENMAKERIJ.Achter dat bordje zit hij.Zijn haar warrelt slordig om zijn hoofd. Het gezicht is vaal, geelachtig, van de hoekige ingevallenheid van een teringlijder, met vreemde verdoffing der oogen, met harde sneden van neus naar mondhoeken. O, dat gezicht. Dat gele, verdorde, vermoeide gezicht boven het gore boezeroen, boven het leeren voorschoot, dat vleeschlooze gezicht, altijd in dezelfde richting gedwongen, altijd met de oogen in één lijn naar de beenige handen, die bewegen om zwarte laarzen van menschen.Ik heb den laarzenmaker in zijn pothuis nog nooit anders gezien dan in dezelfde gebogen houding, den rug krom, het mager lijf zwemmend in de luchtvolheid van het boezeroen, het hoofd kijkend naar de rustelooze handen.Zoo’n man lijkt niet van het leven te zijn.Maar hijiser van.Hij is heuschelijk en echt van „het” leven, hij met zijn verkromd lichaam, met zijn dorgeel hoofd, met zijn beenige, harde, vuile, eeltige vingers.Hij is van het leven in zijn pothuis, zooals er véél anderen van leven zijn.Ik weet niet wanneer hij rust. Hij lijkt nooit te rusten. Maar hij rust. Een menschelijk lichaam is zoo gemaakt, dat het niet vier-en-twintig uur uit, vier-en-twintig uur in kan werken door den dwang der maag. Dus rust ook de man in het pothuis, slaapt, droomt en zit dan weer op naast zijn bordje „Laarzenmakerij”. Wànneer hij rust weet ik niet. Als ik ’s middags voorbij ga, is hij voor het raam, gebogen, werkend. Zijn handen zijn vastgegroeid aan de laars. De hamer klopt. Hij werkt. Als ik tegen zes uur ga eten, is hij nog altijd op zijn plaats, kijkt niet op, werkt. Als ik ’s nachts één uur, half twee naar huis ga, brandt er licht in het pothuis, zie ik een zwarte schaduw gebogen achter het gordijntje, gaan de zwarte schaduwarmen machinaal op en neer.Als ik héél laat thuis kom, wat soms gebeurt met nachtwerk, en tegen vier uur voorbij wandel om te gaan slapen, is het pothuis al geopend en begint de man van het pothuis zijn dag. Hij lijkt nooit te rusten. Maar hij rust. Hij rust hoogstens drie of vier uur in de vier-en-twintig uur en zit de overige twintig op zijn kruk, met het lijf gebogen, den rug gekromd en met de verdofte oogen naar beneden kijkend.Hij is getrouwd.De vrouw is een zware gezonde vrouw, breed van boven, breed beneden.Een vijfde kind is op de komst. Ze staat net te praten met de kruideniersvrouw. Op de stoep babbelen ze, gesticuleeren, de twee gezonde, dikke, logge vrouwen. De vrouw van den laarzenmakervertelt. De vrouw van den kruidenier grinnikt. Dan sjokt de vrouw van den laarzenmaker naar het pothuis, waar de man zit te werken. Ze is plomp en leelijk en vuil. De twee oudste joggies van vijf en zes jaar, loopen verwaarloosd en smerig, met ongewasschen en vuile bakkesjes en verhavende kleeren.„Meneer hier zijnen de laarzen.”Dat is de loopjongen, lang en mager.„Goed.”„’t Is een gulden voor hakken en halve zolen.”„Heb je van tien gulden terug?”Malle lach: „’k Wou da’k zoo rijk was.”„Vraag dan an je baas.”„Me baas is net zoo rijk als ik.”„Kom dan vanavond even langs.”„Wil ik niet even gaan wisselen an de overzij?”„Nee jongen... ’k moet toch dadelijk zelf de deur uit.”„Best meneer.”Tegen den avond. Er wordt gebeld.„Meneer, hier ben ik.”„Wat is er?”„U hebt vanmorgen gezegd...”„O, ja... wacht even.”Falkland rommelt in zijn portemonnaie en vindt twee kwartjes.„Hier jongen, heb je twee kwartjes.”„’t Is ’n gulden meneer.”„Jawel, maar ’k kan ’t niet anders passen. Kom morgen om het restant, hoor je?”Den volgenden morgen. De jongen is er weer. Het is een lam gevoel om twee kwartjes schuld te hebben bij een armen stakkert. Falkland laat bellen en een uur later wandelt hij de stad in, leent van ’n vriend ’n riks, komt terug en loopt aan bij het pothuis.De laarzenmaker is bezig houten pennen in een zool te hameren. Even tikt hij tegen z’n vuile pet.„Hoeveel krijg je nog van me?”„Tien stuivers, meneer.”„Asjeblief.”„Dank u vriendelijk.”In het zwarte hokje waar hij aan ’t werk is, wurmen twee halfnaakte kinderen. Het eene solt met een ouden schoen, het andere kauwt op een onherkenbaar voorwerp. Van achter walmt dik-warme lucht van vettig eten.„Gaat ’t druk met het werk?”„Kan beter. De huur is zoo zwaar en de winkels rippareeren tegenwoordig zelf.”„Zit je dikwijls ’s nachts op?”„Nou zoo wat geregeld... D’r gaat tijd heen met dat lapwerk, hoor!”„Ga je dan nóóit uit?”„Nooit meneer.”„’s Zondags?”„Slaap ik.”„Blijf je daar gezond bij?”„Lekker als kip, meneer.”Lekker als kip. Dichtbij is zijn hoofd, oud, geel, verworden.Van nacht thuiskomend, was er wéer licht in het pothuis. Het gordijntje was neer. Boven het zwarte vlak van het bordje was de silhouet van den werkenden man. De heele straat lag in rust. Hier en daar was een venster verlicht, maar nergens een silhouet. Ik ben blijven staan, kijkend naar den gebogen vorm van het lijf, naar den arm die op en neer ging, naar het hoofd, dat er zoo bizar uitzag met zijn pluimingen van haar er om heen.Ik ben blijven staan met dat ouwe gevoel van het mysterieuze: hij daarbinnen werkend, denkendover dingen, niet wetend van mij, ik buiten én kijkend naar z’n angstige schaduw.Want dit is een schaduw, een schaduw van angst.De heele buurt is rustig. De hemel is zwart, zonder sterren. Op hun bedden liggen de menschen. De kinderen zijn vroeg onder de wol gestopt. Al de dikke, gezonde kleuters, die den heelen dag geravot hebben, liggen. De dikke kruideniersvrouw ligt. De schoenmakersvrouw ligt. Alles slaapt. En in die stilte van uitrustende menschen, in de stille straat onder den donkeren hemel, staat het scherp verlichte raam, dat een geheimzinnig gat van ander leven lijkt in de donkerte der muren, staat het gele transparent met de zwarte, scherpe schaduw van den man, staat het raam met den zwarten vorm, als een òndeelbaar geheel.Dit is een schaduw van angst.Het kàn niet anders.De man er achter is oud, geel, verdord, gedood door het leven dat hem vermoord heeft, láng voor het oogenblik, waarin menschen van dood praten.Ik geloof dat ik op zoo’n moment in de straat, niet zou durven tikken tegen de ruit van het pothuis.

Er hangt een laars uit en voor het linkerraam is een bordje aangebracht:

LAARZENMAKERIJ.

LAARZENMAKERIJ.

Achter dat bordje zit hij.

Zijn haar warrelt slordig om zijn hoofd. Het gezicht is vaal, geelachtig, van de hoekige ingevallenheid van een teringlijder, met vreemde verdoffing der oogen, met harde sneden van neus naar mondhoeken. O, dat gezicht. Dat gele, verdorde, vermoeide gezicht boven het gore boezeroen, boven het leeren voorschoot, dat vleeschlooze gezicht, altijd in dezelfde richting gedwongen, altijd met de oogen in één lijn naar de beenige handen, die bewegen om zwarte laarzen van menschen.

Ik heb den laarzenmaker in zijn pothuis nog nooit anders gezien dan in dezelfde gebogen houding, den rug krom, het mager lijf zwemmend in de luchtvolheid van het boezeroen, het hoofd kijkend naar de rustelooze handen.

Zoo’n man lijkt niet van het leven te zijn.

Maar hijiser van.

Hij is heuschelijk en echt van „het” leven, hij met zijn verkromd lichaam, met zijn dorgeel hoofd, met zijn beenige, harde, vuile, eeltige vingers.

Hij is van het leven in zijn pothuis, zooals er véél anderen van leven zijn.

Ik weet niet wanneer hij rust. Hij lijkt nooit te rusten. Maar hij rust. Een menschelijk lichaam is zoo gemaakt, dat het niet vier-en-twintig uur uit, vier-en-twintig uur in kan werken door den dwang der maag. Dus rust ook de man in het pothuis, slaapt, droomt en zit dan weer op naast zijn bordje „Laarzenmakerij”. Wànneer hij rust weet ik niet. Als ik ’s middags voorbij ga, is hij voor het raam, gebogen, werkend. Zijn handen zijn vastgegroeid aan de laars. De hamer klopt. Hij werkt. Als ik tegen zes uur ga eten, is hij nog altijd op zijn plaats, kijkt niet op, werkt. Als ik ’s nachts één uur, half twee naar huis ga, brandt er licht in het pothuis, zie ik een zwarte schaduw gebogen achter het gordijntje, gaan de zwarte schaduwarmen machinaal op en neer.

Als ik héél laat thuis kom, wat soms gebeurt met nachtwerk, en tegen vier uur voorbij wandel om te gaan slapen, is het pothuis al geopend en begint de man van het pothuis zijn dag. Hij lijkt nooit te rusten. Maar hij rust. Hij rust hoogstens drie of vier uur in de vier-en-twintig uur en zit de overige twintig op zijn kruk, met het lijf gebogen, den rug gekromd en met de verdofte oogen naar beneden kijkend.

Hij is getrouwd.

De vrouw is een zware gezonde vrouw, breed van boven, breed beneden.

Een vijfde kind is op de komst. Ze staat net te praten met de kruideniersvrouw. Op de stoep babbelen ze, gesticuleeren, de twee gezonde, dikke, logge vrouwen. De vrouw van den laarzenmakervertelt. De vrouw van den kruidenier grinnikt. Dan sjokt de vrouw van den laarzenmaker naar het pothuis, waar de man zit te werken. Ze is plomp en leelijk en vuil. De twee oudste joggies van vijf en zes jaar, loopen verwaarloosd en smerig, met ongewasschen en vuile bakkesjes en verhavende kleeren.

„Meneer hier zijnen de laarzen.”

Dat is de loopjongen, lang en mager.

„Goed.”

„’t Is een gulden voor hakken en halve zolen.”

„Heb je van tien gulden terug?”

Malle lach: „’k Wou da’k zoo rijk was.”

„Vraag dan an je baas.”

„Me baas is net zoo rijk als ik.”

„Kom dan vanavond even langs.”

„Wil ik niet even gaan wisselen an de overzij?”

„Nee jongen... ’k moet toch dadelijk zelf de deur uit.”

„Best meneer.”

Tegen den avond. Er wordt gebeld.

„Meneer, hier ben ik.”

„Wat is er?”

„U hebt vanmorgen gezegd...”

„O, ja... wacht even.”

Falkland rommelt in zijn portemonnaie en vindt twee kwartjes.

„Hier jongen, heb je twee kwartjes.”

„’t Is ’n gulden meneer.”

„Jawel, maar ’k kan ’t niet anders passen. Kom morgen om het restant, hoor je?”

Den volgenden morgen. De jongen is er weer. Het is een lam gevoel om twee kwartjes schuld te hebben bij een armen stakkert. Falkland laat bellen en een uur later wandelt hij de stad in, leent van ’n vriend ’n riks, komt terug en loopt aan bij het pothuis.

De laarzenmaker is bezig houten pennen in een zool te hameren. Even tikt hij tegen z’n vuile pet.

„Hoeveel krijg je nog van me?”

„Tien stuivers, meneer.”

„Asjeblief.”

„Dank u vriendelijk.”

In het zwarte hokje waar hij aan ’t werk is, wurmen twee halfnaakte kinderen. Het eene solt met een ouden schoen, het andere kauwt op een onherkenbaar voorwerp. Van achter walmt dik-warme lucht van vettig eten.

„Gaat ’t druk met het werk?”

„Kan beter. De huur is zoo zwaar en de winkels rippareeren tegenwoordig zelf.”

„Zit je dikwijls ’s nachts op?”

„Nou zoo wat geregeld... D’r gaat tijd heen met dat lapwerk, hoor!”

„Ga je dan nóóit uit?”

„Nooit meneer.”

„’s Zondags?”

„Slaap ik.”

„Blijf je daar gezond bij?”

„Lekker als kip, meneer.”

Lekker als kip. Dichtbij is zijn hoofd, oud, geel, verworden.

Van nacht thuiskomend, was er wéer licht in het pothuis. Het gordijntje was neer. Boven het zwarte vlak van het bordje was de silhouet van den werkenden man. De heele straat lag in rust. Hier en daar was een venster verlicht, maar nergens een silhouet. Ik ben blijven staan, kijkend naar den gebogen vorm van het lijf, naar den arm die op en neer ging, naar het hoofd, dat er zoo bizar uitzag met zijn pluimingen van haar er om heen.

Ik ben blijven staan met dat ouwe gevoel van het mysterieuze: hij daarbinnen werkend, denkendover dingen, niet wetend van mij, ik buiten én kijkend naar z’n angstige schaduw.

Want dit is een schaduw, een schaduw van angst.

De heele buurt is rustig. De hemel is zwart, zonder sterren. Op hun bedden liggen de menschen. De kinderen zijn vroeg onder de wol gestopt. Al de dikke, gezonde kleuters, die den heelen dag geravot hebben, liggen. De dikke kruideniersvrouw ligt. De schoenmakersvrouw ligt. Alles slaapt. En in die stilte van uitrustende menschen, in de stille straat onder den donkeren hemel, staat het scherp verlichte raam, dat een geheimzinnig gat van ander leven lijkt in de donkerte der muren, staat het gele transparent met de zwarte, scherpe schaduw van den man, staat het raam met den zwarten vorm, als een òndeelbaar geheel.

Dit is een schaduw van angst.

Het kàn niet anders.

De man er achter is oud, geel, verdord, gedood door het leven dat hem vermoord heeft, láng voor het oogenblik, waarin menschen van dood praten.

Ik geloof dat ik op zoo’n moment in de straat, niet zou durven tikken tegen de ruit van het pothuis.

Bal in een stal.Eén draaimolen met diklijvige, hoekige, vetpootige mummie-paarden, walmende olielampen en ’n jakkerend draaiorgel—, één koekkraam, één tent met kouwe oliebollen, eieren en zuur, ’n schiettent, waar kapotte pijpen an touwtjes bengelen, maar vooralhetbal, hetgrootebal, het nette bal,het bal, het bal in den stal.Over den donkeren weg zigzaggen ze met d’r meiden in bruine Zondagsjurken.Buiten zijn ze nog druk, klotsen met vierkante voeten in plassen, schreeuwen met vierkanter monden... „Hup falderiere... hup faldera... Heisse, heisse, heisse hop sa-a-a-sa!...” Dan dringt een andere bende op, lijmend en galmend: „Maar de boertjies hebbe ’t gewonne, hiep, hiep hoera!” Ze stormen tegen elkander op, warmlijvig, overzat, trappend met de plompe beenen met ’n lol, ’n lol, ’n lol!Voor de deuren van den stal worden ze bedaarder.Daar is ’t bal, het bal,het bal.Daar mot je je fatsoen bewaren. De postbode danst ’r èn de onderwijzer èn de dochter van de onderwijzeres, èn de groote kruijenier èn de telegrafist.Je zou den stal haast niet herkennen, zoo netjes is die. De karren en rijtuigen zijn weg, de stalboomen zijn weg. D’r ligt zelfs geen bruinigheid op den grond. Alleen de vaste lange ruif, de leege ruif, met z’n netwerk van lijnschaduwen langs den wand, is d’r nog, onder vlaggedoek. Sparregroen woelt om de spinten. Aan de dwarsbalken hangen lampions, die komiékerig lichten in de vaalschemering van ’t toeloopende dak, aan de middelste schommelt zachtjes ’n ijzeren lamp, walmerig spitsend in de krinkelende tabakswolken.Waar anders het vuil, de bruinigheden en het stroo, angeveegd ligt op een hoop, staat ’t buffet met flesschies limonade en flesschies bier. Links is een lange bank met een lange plank. Voor de deuren, waarachter de paarden zijn gestald, staat op twee schragen een planken stellage met de muzikanten.Waar de stellage lichtelijk doorzwiept zit de dikste, de violist, ’n buikmensch met vette koonen, hambeenen en ’n zwarte stoppelsnor.’t Magere contrabasje in eenverfomfaaidpakje, heeft aan weerszijden van z’n bas, die roem-roemt, roem-roemt, een voet in stevige, beijzerde slijkschoenen. Z’n fletse, verdronken hoofdje met ’n boschduvel van verwarde varkenshaartjes kijkt glazerig over de groote, touwachtige snaren. Roem-roem roem-roem... De arm schokt, beukt den strijkstok heen en weer... roem-roem, roem-roem.De pistonnist controleert de deur—, of d’r geen mense zonder betaling wegloopen. Als-ie blaast heeft-ie ’n effen, geel gezicht. Als ie niet blaast puilen de jukbeenderen uit. ’t Blazen flatteert ’m.Nummer vier is natuurlijk de pianist. Met z’n rug zit-ie naar ’t publiek, maar z’n lange nek permitteert ’m te spelen en de zaal te zien. Z’n haar is kortgeschoren. Z’n gezicht is gemeen-rood, gemeen-verlept, z’n oogen staan bloederig, branderig-groot van drank.De dikkert, de violist, is de baas. Die tikt met z’n strijkstok ’t begin aan en zet de melodie snerpend in. Het basje beheerscht den boel. De boeren hooren niks van de muziek. Ze dansen op het roem-roem, roem-roem, op de twee tonen van ’t basje. Die geven de maat an. Die doen zoo lekker dansen.„Wals heire!”—, brult de pistonnist.’t Basje geeft ’n stomp tegen z’n bas om stilte te krijgen.„Wals heire!”Roem-roem-roem-roem.’t Orkest martelt den deun vanSei nicht böseen ’n veldartillerist zet den dans in.Z’n roode pluimpje dobbert op z’n schuinhangende muts. Z’n rooie vleeschhand plakt om ’t uitzwiepend corset van ’n boerenmeissie van zestien jaar met ’n mopsneus en goudgeel, loshangend wolhaar. D’r rokken gieren straks weg. D’r rooie kousen spillen in d’r bottines.Roem-roem-roem-roem.Vlak daarachter walst de groenteboer met de dienstmeid van den grooten kruijenier. Wonderlijk eerbiedig houdt-ie d’r op ’n afstand. Hij danst in hemdsmouwen. An de ellebogen zijn nieuwe stukkies ingezet. Z’n handen liggen teederlijk gespreid op de schouderbladen van de meid.Op ’t groen en wit pompadour van d’r japon plakken de groote, dikke, bruin-zwarte vingerstompen, waarvan de nagels in vleeschelijke verwording zijn. Zij kijkt neer naar zijn stalen horlogeketting, waaraan ’n hondenmedalje bengelt. Hij kijkt naar den zwarten kam in d’r blonde haarknot. Z’n vest zitstrak gespannen om z’n pootig bovenlijf. De schouderbladen wippen op in de voering, het blauwe hemd riggelt boven de pantalon, die in het zitvlak een versch ingelegd pilow stuk heeft. Hij danst meteerbied. De hééle armslengte is tusschen hen. Roem-roem-roem-roem-roem.De passen zijn groot en zwaar, met trappen om ’n tijger van kant te maken. Zij neemt ze vrouwelijk met zachte sleepjes van de zwarte pantoffels over ’t zand op de planken.Roem-roem-roem-roem-roem.Haast worden ze op de hielen getrapt door een derde paar. ’n Logge boerenjongen met de dochter van de schooljuffrouw. Op z’n rooie, verbruinde, jukbeenderen gezicht hangt ’n grijze pet. ’n Groote, zwarte, versabbelde sigaar dampt in z’n hoofd. Hij is in boezeroen, dat klappert en bult om z’n lompe lichaam. Z’n broek is van verschoten fluweel. Z’n schoenen heeft-ie uitgetrokken.De dochter van de schooljuffrouw kijkt twee hoofden boven hem uit. Ze is lang, mager, met reuzenhanden, ’n spits, vinnig neusje en ’n grooten mond met gele tanden. Roem-roem-roem-roem. Elegant houdt de boer z’n eenen boezeroen-arm om haar magere taille. Den anderen heeft-ie kunstig naar achter gebogen, met de palm van zijn hand naar buiten en de hare er in.Roem-roem-roem-roem.Weer ’n boerenjongen met ’n boerenmeid. Die houen elkaar weer bij de schouders. ’n Stompje sigaar priemt tusschen zijn knoedelvingers op haar rug. De gezichten zijn roodzweetend, moe van ’t dansen en drinken.De heupen schokken zinnelijk bij elken hoek. Roem-roem-roem-roem. En dan neemt-ie opeens ’n zet, in ’n rechte lijn, zij achteruit heupend, alsof zeangstig wegdribbelt—hij, toeloopend met slofpasjes, d’r dringend naar een hoek, maar dan weer in ’n draai verder, zweetend, vermoeid, met ’t sigarenstompje priemend tusschen de vingers.Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.Nou draaien d’r twee vrouwen, ’n dikke, paarse met boerenkap, gouden ijzers en uitzwellende heupen en ’n bleek meisje met groote bruine oogen, die probeert in de maat te blijven.Bons. Ze worden aangeschokt, weggebuffeld door ’n boer op fluweelen toffels. Stevig heeft-ie z’n boerenmeid vast. Pootig trapt-ie met z’n hielen en slaat ze aan tegen z’n broek. In z’n eene hand walmt een inbrandende sigaar. Zij schobbert verhit mee. D’r geelbruine, gepolijste haar is hoog opgenomen. Groote koperen knoppen glimmen in d’r rooie ooren. Zijn zweetende zwartachtige hand pleistert op haar witte jakje, dat er in rimpels en plooien onder fletst. De zware baleinen van d’r corset steken uit en ’t vergulden kruisje aan de koperen ketting bengelt en hupt aan d’r hals.Achter staan d’r twee stil, die óp zijn. Da’s ’n rijke met ’n nieuwe meerschuimen pijp. Mollig wrijft z’n knuisthand om de dikke taille van de vrouw.En dan komt d’r weer ’n veldartillerist met kort geschoren rood haar en ’n verdikten neus.Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.Een aangeschoten boer cancaneert in z’n eentje. Eerst wiebelt-ie naar de muzikanten en blert: „Hier... hebbie... nou... die kleine Jan... van Amsterdam... die... nà-àkend op... die wereld... kwam”...Dan krijgt-ie op eens ’n bezeten ingeving, kijkt met de oogen vèr-weg, in ’t vage, staat stil, klapt in de handen en doet ’n balleteuse na. Z’n oogen verstarren, levenloos, ’t lichaam wringt zich in bochtenen met de groote handen beweegt-ie sierlijk de denkbeeldige tullen rokken. Z’n plompe voeten gooit-ie op, in de hoogte, buigt in, staat weer op en probeert op z’n teenen te loopen. Roem-roem-roem-roem.Eventjes ’n paniek. ’n Papieren lampion vliegt in brand. De stukjes gloeiend papier dwarrelen weg in de zwarte schaduwen van ’t dak.Roem-roem-roem-roem.Tegen den wand, onder de ruif, zitten de kijkers, aangedrukt tegen elkaar, de hoofden in één richting van belangstelling. Eerst ’n kind met ’n omslagdoek, bleek onder de roodte van den doek. Dan ’t hoofd van ’n jongen boer, met ruwe boersche trekken. ’n Pauweveer steekt in z’n hoed. Z’n boord is weggesmolten. Z’n lippen zuigen op ’n verpruimd eindje sigaar.Dan ’n beenige rooie kop, onder ’n grijze klep-pet, lacherig toegedraaid naar ’n vrouwengezicht onder ’n bruinen hoed met blauwe blommetjes. Een glas limonade lept naar d’r rooie, dikke lippen. Dan weer een infanterist, bedaard rookend. Dan weer een boerenmeid.Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.„Hopfalderiere, hopfaldera!”Twee komen d’r binnen hossen, twee mannen, die aan ’t walsen slaan, bonkend tegen paren. D’r sigaren spatten tegen de japonnen. Vonken dwarrelen mee in de draaiing.Roem-roem-roem-roem.De lijven schokken, de beenen trappen. ’t Zand op den grond sist en kraakt. Roem-roem-roem-roem.Even uit. De muziek zwijgt. De paren staan stil, puffend en zweetend.Maar het basje beukt weer tegen ’t lichaam van z’n bas.„Stilte! stilte!”De pistonnist schreeuwt schor in den grijzen walm: „Nou nog een dubbelde Duitsche polleka toe, voor je centen! Vasthouen! Vasthouen! Kom maatje! Kom nou! Even goed je dubbeltje! Kom jongelui, vooruit!”De viool snerpt de melodie weer in.De piano piengelt.Het basje zaagt en sjouwt.Roem-roem-roem-roem. Tidididi-dididididididi! Roem-roem.De veldwachter komt eens kijken aan de deur, neemt z’n pruim uit z’n mond en drinkt ’n glaassie bier.’n Joden koopmannetje, met bruinen ringbaard, krommen neus, listig zwarte oogjes, vent langs de zitplaatsen.De boer, die gezongen heeft van „Hier... hebbie... nou die kleine Jan”—, kijkt naar het plankje met chocolade-tabletten en amandelen, dat de koopman voor z’n buik draagt.„Wat hé-jij daar in je klauwen?” snauwt-ie met al de brutale, logge zekerheid van ’n sterken boer met ’n mes-op-zak.„De khoopman heit van alles,” lacht het joodje, zachtjes, verlegen, bang voor ruzie.„Wat kost dàt. Nee dàt, hengst!”„Mhaar tien centen.”„Tien centen? Tien centen! Ga je weg, hengst!”En dan sluipt ’t joodje angstig verder.Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.De veldwachter pruimt en kijkt gemoedelijk toe.De rokken zwiepen om de beenen, de voeten klotsen, de sigaren lichten, de walm spiraalt op.Tididi-dideredi... Roem-roem.Buiten blerren ze „Hupfalderiere!... Hupfaldera! Heise! Heise! Heise! Hopsaaaaasa!” en ze schreeuwenvan de boertjes die ’t gewonnen hebben en dan weer „Heise, heise, heise, hopsasa!”—en in de groote schaduwen van ’t stille dak, aan de groote binten schemeren de lampions en walmt de schommelende lamp.Roem-roem-roem-roem. Tiderididi.

Eén draaimolen met diklijvige, hoekige, vetpootige mummie-paarden, walmende olielampen en ’n jakkerend draaiorgel—, één koekkraam, één tent met kouwe oliebollen, eieren en zuur, ’n schiettent, waar kapotte pijpen an touwtjes bengelen, maar vooralhetbal, hetgrootebal, het nette bal,het bal, het bal in den stal.

Over den donkeren weg zigzaggen ze met d’r meiden in bruine Zondagsjurken.

Buiten zijn ze nog druk, klotsen met vierkante voeten in plassen, schreeuwen met vierkanter monden... „Hup falderiere... hup faldera... Heisse, heisse, heisse hop sa-a-a-sa!...” Dan dringt een andere bende op, lijmend en galmend: „Maar de boertjies hebbe ’t gewonne, hiep, hiep hoera!” Ze stormen tegen elkander op, warmlijvig, overzat, trappend met de plompe beenen met ’n lol, ’n lol, ’n lol!

Voor de deuren van den stal worden ze bedaarder.

Daar is ’t bal, het bal,het bal.

Daar mot je je fatsoen bewaren. De postbode danst ’r èn de onderwijzer èn de dochter van de onderwijzeres, èn de groote kruijenier èn de telegrafist.

Je zou den stal haast niet herkennen, zoo netjes is die. De karren en rijtuigen zijn weg, de stalboomen zijn weg. D’r ligt zelfs geen bruinigheid op den grond. Alleen de vaste lange ruif, de leege ruif, met z’n netwerk van lijnschaduwen langs den wand, is d’r nog, onder vlaggedoek. Sparregroen woelt om de spinten. Aan de dwarsbalken hangen lampions, die komiékerig lichten in de vaalschemering van ’t toeloopende dak, aan de middelste schommelt zachtjes ’n ijzeren lamp, walmerig spitsend in de krinkelende tabakswolken.

Waar anders het vuil, de bruinigheden en het stroo, angeveegd ligt op een hoop, staat ’t buffet met flesschies limonade en flesschies bier. Links is een lange bank met een lange plank. Voor de deuren, waarachter de paarden zijn gestald, staat op twee schragen een planken stellage met de muzikanten.

Waar de stellage lichtelijk doorzwiept zit de dikste, de violist, ’n buikmensch met vette koonen, hambeenen en ’n zwarte stoppelsnor.

’t Magere contrabasje in eenverfomfaaidpakje, heeft aan weerszijden van z’n bas, die roem-roemt, roem-roemt, een voet in stevige, beijzerde slijkschoenen. Z’n fletse, verdronken hoofdje met ’n boschduvel van verwarde varkenshaartjes kijkt glazerig over de groote, touwachtige snaren. Roem-roem roem-roem... De arm schokt, beukt den strijkstok heen en weer... roem-roem, roem-roem.

De pistonnist controleert de deur—, of d’r geen mense zonder betaling wegloopen. Als-ie blaast heeft-ie ’n effen, geel gezicht. Als ie niet blaast puilen de jukbeenderen uit. ’t Blazen flatteert ’m.

Nummer vier is natuurlijk de pianist. Met z’n rug zit-ie naar ’t publiek, maar z’n lange nek permitteert ’m te spelen en de zaal te zien. Z’n haar is kortgeschoren. Z’n gezicht is gemeen-rood, gemeen-verlept, z’n oogen staan bloederig, branderig-groot van drank.

De dikkert, de violist, is de baas. Die tikt met z’n strijkstok ’t begin aan en zet de melodie snerpend in. Het basje beheerscht den boel. De boeren hooren niks van de muziek. Ze dansen op het roem-roem, roem-roem, op de twee tonen van ’t basje. Die geven de maat an. Die doen zoo lekker dansen.

„Wals heire!”—, brult de pistonnist.

’t Basje geeft ’n stomp tegen z’n bas om stilte te krijgen.

„Wals heire!”

Roem-roem-roem-roem.

’t Orkest martelt den deun vanSei nicht böseen ’n veldartillerist zet den dans in.

Z’n roode pluimpje dobbert op z’n schuinhangende muts. Z’n rooie vleeschhand plakt om ’t uitzwiepend corset van ’n boerenmeissie van zestien jaar met ’n mopsneus en goudgeel, loshangend wolhaar. D’r rokken gieren straks weg. D’r rooie kousen spillen in d’r bottines.

Roem-roem-roem-roem.

Vlak daarachter walst de groenteboer met de dienstmeid van den grooten kruijenier. Wonderlijk eerbiedig houdt-ie d’r op ’n afstand. Hij danst in hemdsmouwen. An de ellebogen zijn nieuwe stukkies ingezet. Z’n handen liggen teederlijk gespreid op de schouderbladen van de meid.

Op ’t groen en wit pompadour van d’r japon plakken de groote, dikke, bruin-zwarte vingerstompen, waarvan de nagels in vleeschelijke verwording zijn. Zij kijkt neer naar zijn stalen horlogeketting, waaraan ’n hondenmedalje bengelt. Hij kijkt naar den zwarten kam in d’r blonde haarknot. Z’n vest zitstrak gespannen om z’n pootig bovenlijf. De schouderbladen wippen op in de voering, het blauwe hemd riggelt boven de pantalon, die in het zitvlak een versch ingelegd pilow stuk heeft. Hij danst meteerbied. De hééle armslengte is tusschen hen. Roem-roem-roem-roem-roem.

De passen zijn groot en zwaar, met trappen om ’n tijger van kant te maken. Zij neemt ze vrouwelijk met zachte sleepjes van de zwarte pantoffels over ’t zand op de planken.

Roem-roem-roem-roem-roem.

Haast worden ze op de hielen getrapt door een derde paar. ’n Logge boerenjongen met de dochter van de schooljuffrouw. Op z’n rooie, verbruinde, jukbeenderen gezicht hangt ’n grijze pet. ’n Groote, zwarte, versabbelde sigaar dampt in z’n hoofd. Hij is in boezeroen, dat klappert en bult om z’n lompe lichaam. Z’n broek is van verschoten fluweel. Z’n schoenen heeft-ie uitgetrokken.

De dochter van de schooljuffrouw kijkt twee hoofden boven hem uit. Ze is lang, mager, met reuzenhanden, ’n spits, vinnig neusje en ’n grooten mond met gele tanden. Roem-roem-roem-roem. Elegant houdt de boer z’n eenen boezeroen-arm om haar magere taille. Den anderen heeft-ie kunstig naar achter gebogen, met de palm van zijn hand naar buiten en de hare er in.

Roem-roem-roem-roem.

Weer ’n boerenjongen met ’n boerenmeid. Die houen elkaar weer bij de schouders. ’n Stompje sigaar priemt tusschen zijn knoedelvingers op haar rug. De gezichten zijn roodzweetend, moe van ’t dansen en drinken.

De heupen schokken zinnelijk bij elken hoek. Roem-roem-roem-roem. En dan neemt-ie opeens ’n zet, in ’n rechte lijn, zij achteruit heupend, alsof zeangstig wegdribbelt—hij, toeloopend met slofpasjes, d’r dringend naar een hoek, maar dan weer in ’n draai verder, zweetend, vermoeid, met ’t sigarenstompje priemend tusschen de vingers.

Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.

Nou draaien d’r twee vrouwen, ’n dikke, paarse met boerenkap, gouden ijzers en uitzwellende heupen en ’n bleek meisje met groote bruine oogen, die probeert in de maat te blijven.

Bons. Ze worden aangeschokt, weggebuffeld door ’n boer op fluweelen toffels. Stevig heeft-ie z’n boerenmeid vast. Pootig trapt-ie met z’n hielen en slaat ze aan tegen z’n broek. In z’n eene hand walmt een inbrandende sigaar. Zij schobbert verhit mee. D’r geelbruine, gepolijste haar is hoog opgenomen. Groote koperen knoppen glimmen in d’r rooie ooren. Zijn zweetende zwartachtige hand pleistert op haar witte jakje, dat er in rimpels en plooien onder fletst. De zware baleinen van d’r corset steken uit en ’t vergulden kruisje aan de koperen ketting bengelt en hupt aan d’r hals.

Achter staan d’r twee stil, die óp zijn. Da’s ’n rijke met ’n nieuwe meerschuimen pijp. Mollig wrijft z’n knuisthand om de dikke taille van de vrouw.

En dan komt d’r weer ’n veldartillerist met kort geschoren rood haar en ’n verdikten neus.

Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.

Een aangeschoten boer cancaneert in z’n eentje. Eerst wiebelt-ie naar de muzikanten en blert: „Hier... hebbie... nou... die kleine Jan... van Amsterdam... die... nà-àkend op... die wereld... kwam”...

Dan krijgt-ie op eens ’n bezeten ingeving, kijkt met de oogen vèr-weg, in ’t vage, staat stil, klapt in de handen en doet ’n balleteuse na. Z’n oogen verstarren, levenloos, ’t lichaam wringt zich in bochtenen met de groote handen beweegt-ie sierlijk de denkbeeldige tullen rokken. Z’n plompe voeten gooit-ie op, in de hoogte, buigt in, staat weer op en probeert op z’n teenen te loopen. Roem-roem-roem-roem.

Eventjes ’n paniek. ’n Papieren lampion vliegt in brand. De stukjes gloeiend papier dwarrelen weg in de zwarte schaduwen van ’t dak.

Roem-roem-roem-roem.

Tegen den wand, onder de ruif, zitten de kijkers, aangedrukt tegen elkaar, de hoofden in één richting van belangstelling. Eerst ’n kind met ’n omslagdoek, bleek onder de roodte van den doek. Dan ’t hoofd van ’n jongen boer, met ruwe boersche trekken. ’n Pauweveer steekt in z’n hoed. Z’n boord is weggesmolten. Z’n lippen zuigen op ’n verpruimd eindje sigaar.

Dan ’n beenige rooie kop, onder ’n grijze klep-pet, lacherig toegedraaid naar ’n vrouwengezicht onder ’n bruinen hoed met blauwe blommetjes. Een glas limonade lept naar d’r rooie, dikke lippen. Dan weer een infanterist, bedaard rookend. Dan weer een boerenmeid.

Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.

„Hopfalderiere, hopfaldera!”

Twee komen d’r binnen hossen, twee mannen, die aan ’t walsen slaan, bonkend tegen paren. D’r sigaren spatten tegen de japonnen. Vonken dwarrelen mee in de draaiing.

Roem-roem-roem-roem.

De lijven schokken, de beenen trappen. ’t Zand op den grond sist en kraakt. Roem-roem-roem-roem.

Even uit. De muziek zwijgt. De paren staan stil, puffend en zweetend.

Maar het basje beukt weer tegen ’t lichaam van z’n bas.

„Stilte! stilte!”

De pistonnist schreeuwt schor in den grijzen walm: „Nou nog een dubbelde Duitsche polleka toe, voor je centen! Vasthouen! Vasthouen! Kom maatje! Kom nou! Even goed je dubbeltje! Kom jongelui, vooruit!”

De viool snerpt de melodie weer in.

De piano piengelt.

Het basje zaagt en sjouwt.

Roem-roem-roem-roem. Tidididi-dididididididi! Roem-roem.

De veldwachter komt eens kijken aan de deur, neemt z’n pruim uit z’n mond en drinkt ’n glaassie bier.

’n Joden koopmannetje, met bruinen ringbaard, krommen neus, listig zwarte oogjes, vent langs de zitplaatsen.

De boer, die gezongen heeft van „Hier... hebbie... nou die kleine Jan”—, kijkt naar het plankje met chocolade-tabletten en amandelen, dat de koopman voor z’n buik draagt.

„Wat hé-jij daar in je klauwen?” snauwt-ie met al de brutale, logge zekerheid van ’n sterken boer met ’n mes-op-zak.

„De khoopman heit van alles,” lacht het joodje, zachtjes, verlegen, bang voor ruzie.

„Wat kost dàt. Nee dàt, hengst!”

„Mhaar tien centen.”

„Tien centen? Tien centen! Ga je weg, hengst!”

En dan sluipt ’t joodje angstig verder.

Roem-roem-roem-roem. Roem-roem.

De veldwachter pruimt en kijkt gemoedelijk toe.

De rokken zwiepen om de beenen, de voeten klotsen, de sigaren lichten, de walm spiraalt op.

Tididi-dideredi... Roem-roem.

Buiten blerren ze „Hupfalderiere!... Hupfaldera! Heise! Heise! Heise! Hopsaaaaasa!” en ze schreeuwenvan de boertjes die ’t gewonnen hebben en dan weer „Heise, heise, heise, hopsasa!”—en in de groote schaduwen van ’t stille dak, aan de groote binten schemeren de lampions en walmt de schommelende lamp.

Roem-roem-roem-roem. Tiderididi.

Mintenee.Een uur nadat ze gekomen waren stierf hij, zonder ze te herkennen.Zachtjes dee zij de alkoofdeur dicht, ging zitten huilen in den doorzeten leunstoel.„Loop nou zoo niet heen en weer. Je maakt me zenuwachtig!... Hoor je me niet!”„Jouw, jouw schuld.”„Wàt mijn schuld? Wat, wat, wàt?”„Dat weet je wel. Jij wou niet buigen.”„Nee.”„Nou zijn we nét te laat gekomen!”„Waar is dat schepsel gebleven?”„Ze is weggegaan.”„Dat béést, dat schaamtelooze”...„Stil wat.”„Woonde ze bij ’m in?”„Ja.”„Ze kan toch niet terugkomen?”„Dat zal ze wel niet.”„Heb je met d’r gesproken?”„Eventjes.”„Wat zei ze tegen je?”„Niks.”„Niks?”„Ze huilde.”„Heb je d’r gezegd, dat ze d’r boeltje most pakken?”„Nee.”„Waarom niet?”„Ik had meelij met d’r. Je had d’r moeten zien... Zoo bleek. Zulleke gezwollen oogen.”„Kan me niks schelen. Jullie bent allemaal ’t zelfde.”„Spreek wat zachies Marie... Denk an Jan”...„An Jan... An Jan... mijn arme jongen!”„Laat de alkoofdeuren dicht, kind... D’r valt niks meer an te veranderen”...„Mijn arme jongen... Dat-ie me niet herkend heeft!... ik ben toch z’n moeder!”„Goed zoo. Huil maar is uit”...„Als-ie niet dat mensch ontmoet had”...„Zachies wat”...... „Zouen we d’r eerder van geweten hebben, had ik ’m kunnen oppassen.... had jij ’m kunnen oppassen!... Wie heeft getelegrafeerd?”... „Zij.”... „Zij?”... „Ja.”... „Had ze ’t niet eerder kunnen doen?”... „Ze dorst niet.”... „Waarom niet?”... „Omdat... Laat ik je ’t maar liever niet zeggen, Marie.”„Wat was d’r dan... Maak me niet ongeruster.”... „Omdat... omdat Jan ’t niet wou.”... „Wouhijons niet meer zien.”... „Nee.”... „Dat beest, dat schèpsel!”... „Zachies, zachies!”„Heeft zij je dat gezegd?”„Ja.”„Dan heeft ze je voorgelogen... Dat kàn-die d’r niet gezegd hebben... Zou-die z’n eigen ouwers”...„Ze heeft me nièt voorgelogen.”„Hield-ie dan zóóveel van d’r?”„Kind, kind... ik heb je zoo dikwijls gezegd.”„Hou je mond! ’k Wil niks weten... smijt dien hoed uit de kamer!”„Marie, Marie!”„’k Wil niks van die vrouw zien.”„Laat ’m liggen, kind... Denk an Jan die”...„Mijn arme jongen, mijn eenige jongen!.. Dat-ie zoo vroeg sterven most!... Waarom is d’r ’n God op de wereld... als jonge menschen zoo weggehaald worden!”... „Dàt maakt me niet ongelukkig. Ik heb berouw dat ik naar jou geluisterd heb... Wat dee je me op te stoken... Nou is alles te laat.”„Berouw? Berouw? Had jij willen hebben dat-ie die meid, zoo’n van de straat opgeraapt schepsel getrouwd had?”„Waarom niet, waarom niet!”„Ben je krankzinnig geworden!”... „Nee niet krankzinnig!... Wat heb jij nou bereikt?... Nou hebben ze tòch samen gewoond, samen geleefd als man en vrouw... En zijn wij als vreemden hier gekomen... net te laat... net te laat”...„In Godsnaam.... beter dàt dan zoo’n gemeen schepsel tot je schoondochter.”„Maar hijhieldvan d’r!.... Wat doe je?.... Wat doe je?.... Laat dat staan, Marie!.... Verander niks an de kamer.... Jan ligt d’r.... Foei!”„Heerlijk! Lekker! In duizend stukken! Zoo! Zoo! Zoo!.... Ik wil geen portretten van dat schepsel hier zien!”„Daar staat ’r nog een op den schoorsteen.... Op zijn schrijftafel staat er nòg een.... Nee blijf ’r af! Ik wil niet dat je het verscheurt!”„Laat me mijn gang gaan!”„Nee! Blijf’r af!.... Kom toch even tot jezelf!.... Het heele portret staat in gedroogde rozen.... Voel je niet hoeveel Jan van d’r gehouen moet hebben”........ „Drie portretten.... van zoo’n leelijk schepsel.... Kijk die oogen is.... en dat gemeene lachen!.... Zet ze dan weg, als je niet wil dat ik ze verscheur!”„Spreek wat zachies.... Denk toch dat je kind dood is”....„Mijn arme, arme jongen.... Als ik d’r geweest was zou-ie ’n goeie oppassing gehad hebben.... zou ik ’m beter gemaakt hebben.... Zoo’n slordig schepsel.... Overal slingert d’r goed.... Daar ligt ’n doos met poudre-de-riz.... Ze poederde zich! Ze poederde zich, zie je dat?.... Daar, onder den stoel, dààr, staan d’r muilen.... ’n Fijne madam!.... chevreau-leer met goud, met hooge hakken!.... Heb je mij ooit zulke dingen zien dragen?.... Hier heb je weer haarspelden.... Wat is dat?.... Nee maar kijk nou is.... Ze verfde zich.... Lippenverf.... Zoo’n gemeen”........ „Zachies wat”........ „Spreek jij maar zachies, als je ziet waaran onze arme jongen zich vergooid heeft.... Heb je nog meer bewijzen noodig?.... Kijk is in die kast.... Wat ’n sjiek.... allemaal van ons geld.... Ze mot direct d’r boeltje pakken, versta je? Ik wil die dingen geen minuut langer in huis hebben!.... Geplunderd heeft ze’m! Geplunderd! Zoo’n gelukzoekster! Zoo’n vies schepsel!”„Marie zou je ’r nog is an willen denken dat in de alkoof”....„Dood is-ie! Dood!.... Geen woord heeft-ie meer voor ons over gehad! Z’n eigen moeder! Z’n eigen vader! Waarom ben ik niet dood gegaan!”....„Ga nou naar het hotel terug, kind.... Het rijtuig wacht.... Je kunt hier niks meer doen. Hier is je mantel”....„Nee! Ik ga niet alléen.... Je mot meegaan!”„Ga vast vooruit. Ik wil alles sluiten—nog ’t een en ander regelen.”„Dat mensch is nog hier.... Je wil met d’r praten.”„Nee. Ze is weg.”„Mijn arme jongen! Mijn beste Jan!.... Vergeef ’t me! Ik ben slecht voor je geweest! Ik meende ’t zoo goed.... Mijn lieveling!”„Doe de alkoof nou dicht. Wat geeft het of je hem nog langer ziet.... Zal ik je naar ’t rijtuig brengen?”Dicht viel de huisdeur. Het rijtuig ratelde lawaaimakend weg. Op zijn teenen liep hij naar een deur, achter in de gang.„Juf.... frouw”....Ze opende al.„Mijn vrouw is weg, juf... frouw”...Zonder te antwoorden, liep ze hem voorbij, de kamer in, naar de alkoof en begon den dooie te zoenen.„Laat ’m liggen... wees u bedaard... juf... frouw”...Stil lag ze met het hoofd in de kussens.Ze leek wel dood.„Ga u liever zitten... u mot u niet zoo opwinden... juf... frouw”...Ze bewoog niet.„’t Is toch beter... júf... frouw... dat u heengaat... U kunt toch niet hier blijven. Het huis mot gesloten worden... Kan ik u soms helpen? Hoort u me niet, juffrouw?... Juf... frouw!”...„Ik hoor ’t.”„... Wil u soms wat goed meenemen, voorloopig?... Morgen of overmorgen zal ik u alles zenden... als u mij uw adres opgeeft”...... „Mijn adres... O ja... Ik mot hier weg.”„Kan ik u soms helpen?”„Dank u. Ik heb alles.”„Gaat u nou van het bed weg... juf... frouw”...„Ja.”„Wil u soms wat drinken?”„Nee... Waar is mijn hoed?”„De hoed... Waar is de hoed?... O, hier op den grond... Asjeblief juffrouw.”„Dank u.”„Heb u geen mantel?.... ’t Is frisch buiten.”„Nee. ’t Is zoo goed.”„Doet u nou de alkoofdeuren dicht, juf... frouw.”„Ja... Zie ik ’m nou voor ’t laatst?”... „Ja... juf... frouw... U begrijpt dat ’t moeilijk is... om u... als hij begraven wordt”...„Ja... Is-hij kalm gestorven?”„Hij heeft ons niet herkend... Zoen ’m niet meer... ’t Is niet goed dooien te zoenen, juffrouw.”„Goeien avond, meneer.”„Dag juffrouw... An welk adres motten de kleeren...?”„Dat weet ik niet.”... „Wat gaat u nou voortaan beginnen, juffrouw?”„Dat weet ik niet... Goeien avond, meneer.”„Goeien avond, juffrouw.”

Een uur nadat ze gekomen waren stierf hij, zonder ze te herkennen.

Zachtjes dee zij de alkoofdeur dicht, ging zitten huilen in den doorzeten leunstoel.

„Loop nou zoo niet heen en weer. Je maakt me zenuwachtig!... Hoor je me niet!”

„Jouw, jouw schuld.”

„Wàt mijn schuld? Wat, wat, wàt?”

„Dat weet je wel. Jij wou niet buigen.”

„Nee.”

„Nou zijn we nét te laat gekomen!”

„Waar is dat schepsel gebleven?”

„Ze is weggegaan.”

„Dat béést, dat schaamtelooze”...

„Stil wat.”

„Woonde ze bij ’m in?”

„Ja.”

„Ze kan toch niet terugkomen?”

„Dat zal ze wel niet.”

„Heb je met d’r gesproken?”

„Eventjes.”

„Wat zei ze tegen je?”

„Niks.”

„Niks?”

„Ze huilde.”

„Heb je d’r gezegd, dat ze d’r boeltje most pakken?”

„Nee.”

„Waarom niet?”

„Ik had meelij met d’r. Je had d’r moeten zien... Zoo bleek. Zulleke gezwollen oogen.”

„Kan me niks schelen. Jullie bent allemaal ’t zelfde.”

„Spreek wat zachies Marie... Denk an Jan”...

„An Jan... An Jan... mijn arme jongen!”

„Laat de alkoofdeuren dicht, kind... D’r valt niks meer an te veranderen”...

„Mijn arme jongen... Dat-ie me niet herkend heeft!... ik ben toch z’n moeder!”

„Goed zoo. Huil maar is uit”...

„Als-ie niet dat mensch ontmoet had”...

„Zachies wat”...

... „Zouen we d’r eerder van geweten hebben, had ik ’m kunnen oppassen.... had jij ’m kunnen oppassen!... Wie heeft getelegrafeerd?”

... „Zij.”

... „Zij?”

... „Ja.”

... „Had ze ’t niet eerder kunnen doen?”

... „Ze dorst niet.”

... „Waarom niet?”

... „Omdat... Laat ik je ’t maar liever niet zeggen, Marie.”

„Wat was d’r dan... Maak me niet ongeruster.”

... „Omdat... omdat Jan ’t niet wou.”

... „Wouhijons niet meer zien.”

... „Nee.”

... „Dat beest, dat schèpsel!”

... „Zachies, zachies!”

„Heeft zij je dat gezegd?”

„Ja.”

„Dan heeft ze je voorgelogen... Dat kàn-die d’r niet gezegd hebben... Zou-die z’n eigen ouwers”...

„Ze heeft me nièt voorgelogen.”

„Hield-ie dan zóóveel van d’r?”

„Kind, kind... ik heb je zoo dikwijls gezegd.”

„Hou je mond! ’k Wil niks weten... smijt dien hoed uit de kamer!”

„Marie, Marie!”

„’k Wil niks van die vrouw zien.”

„Laat ’m liggen, kind... Denk an Jan die”...

„Mijn arme jongen, mijn eenige jongen!.. Dat-ie zoo vroeg sterven most!... Waarom is d’r ’n God op de wereld... als jonge menschen zoo weggehaald worden!”

... „Dàt maakt me niet ongelukkig. Ik heb berouw dat ik naar jou geluisterd heb... Wat dee je me op te stoken... Nou is alles te laat.”

„Berouw? Berouw? Had jij willen hebben dat-ie die meid, zoo’n van de straat opgeraapt schepsel getrouwd had?”

„Waarom niet, waarom niet!”

„Ben je krankzinnig geworden!”

... „Nee niet krankzinnig!... Wat heb jij nou bereikt?... Nou hebben ze tòch samen gewoond, samen geleefd als man en vrouw... En zijn wij als vreemden hier gekomen... net te laat... net te laat”...

„In Godsnaam.... beter dàt dan zoo’n gemeen schepsel tot je schoondochter.”

„Maar hijhieldvan d’r!.... Wat doe je?.... Wat doe je?.... Laat dat staan, Marie!.... Verander niks an de kamer.... Jan ligt d’r.... Foei!”

„Heerlijk! Lekker! In duizend stukken! Zoo! Zoo! Zoo!.... Ik wil geen portretten van dat schepsel hier zien!”

„Daar staat ’r nog een op den schoorsteen.... Op zijn schrijftafel staat er nòg een.... Nee blijf ’r af! Ik wil niet dat je het verscheurt!”

„Laat me mijn gang gaan!”

„Nee! Blijf’r af!.... Kom toch even tot jezelf!.... Het heele portret staat in gedroogde rozen.... Voel je niet hoeveel Jan van d’r gehouen moet hebben”....

.... „Drie portretten.... van zoo’n leelijk schepsel.... Kijk die oogen is.... en dat gemeene lachen!.... Zet ze dan weg, als je niet wil dat ik ze verscheur!”

„Spreek wat zachies.... Denk toch dat je kind dood is”....

„Mijn arme, arme jongen.... Als ik d’r geweest was zou-ie ’n goeie oppassing gehad hebben.... zou ik ’m beter gemaakt hebben.... Zoo’n slordig schepsel.... Overal slingert d’r goed.... Daar ligt ’n doos met poudre-de-riz.... Ze poederde zich! Ze poederde zich, zie je dat?.... Daar, onder den stoel, dààr, staan d’r muilen.... ’n Fijne madam!.... chevreau-leer met goud, met hooge hakken!.... Heb je mij ooit zulke dingen zien dragen?.... Hier heb je weer haarspelden.... Wat is dat?.... Nee maar kijk nou is.... Ze verfde zich.... Lippenverf.... Zoo’n gemeen”....

.... „Zachies wat”....

.... „Spreek jij maar zachies, als je ziet waaran onze arme jongen zich vergooid heeft.... Heb je nog meer bewijzen noodig?.... Kijk is in die kast.... Wat ’n sjiek.... allemaal van ons geld.... Ze mot direct d’r boeltje pakken, versta je? Ik wil die dingen geen minuut langer in huis hebben!.... Geplunderd heeft ze’m! Geplunderd! Zoo’n gelukzoekster! Zoo’n vies schepsel!”

„Marie zou je ’r nog is an willen denken dat in de alkoof”....

„Dood is-ie! Dood!.... Geen woord heeft-ie meer voor ons over gehad! Z’n eigen moeder! Z’n eigen vader! Waarom ben ik niet dood gegaan!”....

„Ga nou naar het hotel terug, kind.... Het rijtuig wacht.... Je kunt hier niks meer doen. Hier is je mantel”....

„Nee! Ik ga niet alléen.... Je mot meegaan!”

„Ga vast vooruit. Ik wil alles sluiten—nog ’t een en ander regelen.”

„Dat mensch is nog hier.... Je wil met d’r praten.”

„Nee. Ze is weg.”

„Mijn arme jongen! Mijn beste Jan!.... Vergeef ’t me! Ik ben slecht voor je geweest! Ik meende ’t zoo goed.... Mijn lieveling!”

„Doe de alkoof nou dicht. Wat geeft het of je hem nog langer ziet.... Zal ik je naar ’t rijtuig brengen?”

Dicht viel de huisdeur. Het rijtuig ratelde lawaaimakend weg. Op zijn teenen liep hij naar een deur, achter in de gang.

„Juf.... frouw”....

Ze opende al.

„Mijn vrouw is weg, juf... frouw”...

Zonder te antwoorden, liep ze hem voorbij, de kamer in, naar de alkoof en begon den dooie te zoenen.

„Laat ’m liggen... wees u bedaard... juf... frouw”...

Stil lag ze met het hoofd in de kussens.

Ze leek wel dood.

„Ga u liever zitten... u mot u niet zoo opwinden... juf... frouw”...

Ze bewoog niet.

„’t Is toch beter... júf... frouw... dat u heengaat... U kunt toch niet hier blijven. Het huis mot gesloten worden... Kan ik u soms helpen? Hoort u me niet, juffrouw?... Juf... frouw!”...

„Ik hoor ’t.”

„... Wil u soms wat goed meenemen, voorloopig?... Morgen of overmorgen zal ik u alles zenden... als u mij uw adres opgeeft”...

... „Mijn adres... O ja... Ik mot hier weg.”

„Kan ik u soms helpen?”

„Dank u. Ik heb alles.”

„Gaat u nou van het bed weg... juf... frouw”...

„Ja.”

„Wil u soms wat drinken?”

„Nee... Waar is mijn hoed?”

„De hoed... Waar is de hoed?... O, hier op den grond... Asjeblief juffrouw.”

„Dank u.”

„Heb u geen mantel?.... ’t Is frisch buiten.”

„Nee. ’t Is zoo goed.”

„Doet u nou de alkoofdeuren dicht, juf... frouw.”

„Ja... Zie ik ’m nou voor ’t laatst?”

... „Ja... juf... frouw... U begrijpt dat ’t moeilijk is... om u... als hij begraven wordt”...

„Ja... Is-hij kalm gestorven?”

„Hij heeft ons niet herkend... Zoen ’m niet meer... ’t Is niet goed dooien te zoenen, juffrouw.”

„Goeien avond, meneer.”

„Dag juffrouw... An welk adres motten de kleeren...?”

„Dat weet ik niet.”

... „Wat gaat u nou voortaan beginnen, juffrouw?”

„Dat weet ik niet... Goeien avond, meneer.”

„Goeien avond, juffrouw.”

Zusters.Lentemorgen.Warm scheen de zon door de loovers.Het veld lag groen, luw-getint, met een stippeling van geel. Niets dan groen en gele hoofdjes van bloemen. Het zonlicht deinde er zachtjes over.In de verte, uitgebeten in de heldere lucht, de dorpstoren, priemend omhoog met de puntigheid van een naald.In de verte óók het vriendelijk lichten van zon, overal zon, warme zon.In loovers tjilpten vogels. Het was een geklinkklank van kleine, nazwevende geluidjes, een schel, warm voorjaarsfluiten, dat wegstierf boven de boomen, maar onder de kruinen bleef als een geur van jeugd.*   *   *Over den grintweg gingen ze.Zwijgend.Het hel-wit zomerkleedje met de roode linten kleurde uitgelaten van levendigheid tegen het grijs van den weg, in de mulle schaduw der boomen. Onder den breeden stroohoed wuifde het haar, dansend op den lentewind.Ze draaide een bloem in de handen. Den stengel had ze stuk geknepen.Donker liep hij naast haar. Zijn rotting veerde aan tegen de grintsteentjes, die voortstoven als raketten.*   *   *„Lize”...„Nee... Nee... Zeg niks meer.”„’k Wou”...„Nee, nee, Frans.”„Begrijp je dan niet”...„Ik bid je... hou op!”Hij zweeg.Stil gingen ze naast elkaar.De steentjes wreven en kraakten, eentonig, zangerig-knarsend onder de voeten.Een zwerm vinken joelde lawaaiend in ’t gras.Ze vochten om iets, om een worm.Anders stilte.Anders de gouden warme koestering van de zon op de dingen.*   *   *In het dorp, flauwtjes, klepte de klok. Rustige galmpjes kwamen gedragen.„... Lize”...„... Ja”...„Ik moet ’t toch zeggen.”Vuurrood werd ze. De bloem in haar vingers verplette tot sap. Ze bleef staan.„... Frans”...„... Het mág gemeen zijn”...„... Frans”...„... Vervloekt!... Dan verbréék ik het engagement!”„... Frans”...„... Je maakt ons allebei ongelukkig,allebei, versta je!”„... Luister nou nóg eens, Frans... Voor het láátst... Ikwildie dingen niet hooren... Hoe kùn je zoo zijn!... Denk je dan heelemaal niet aan haar?... Heb je gister niet gezien, toen ze opzat, hoe bleek ze was... hoe blauw onder de oogen... Had je dan liever gehad dat ze dòòd was gegaan? Als je ’t engagement verbreekt, dan... dan... Durf jij de gevolgen... Doe ’t niet, Frans!... Ik bid het je!... Ik smeek het je!”...Hij keek haar aan in extase.„Zeg me één ding... maar eerlijk... Nee je moet me in de oogen kijken... Zeg me... Je houd van mij óók, Lize!”„Nee.”„Da’s niet waar!”„Ik heb nóóit van je gehouen.”„Nooit?”„Nee... En ik zal ’t nóóit doen.”Hij wist dat ze loog.Zij voelde dat-ie haar niet geloofde.*   *   *Nauwer werd de weg, die door het bosch kronkelde.Telkens kroop voor hun voeten een lijn van licht, die door de blaren boorde en over den grond streepte.Ze liepen langzaam in de stilte, kijkend naar dingen die zij niet zagen.Even door de nauwte van het pad raakten ze elkanders handen.Ze schrikten.Omdat ’t zoo stil was, zoo eenzaam, zoo vreemd,zoo drukkend, begon zij weer te spreken, hokkend van angst.„Ben je boos, Frans?”„Boos?... Och”...„Wat is ’t hier stil.”„Ja.”„Vreeselek stil”...„Ja”...„Waarom zeg je niks?”Weer raakten de handen.„God... martel me niet.”*   *   *Nu liep ze voor hem.Naast elkaar gaan konden ze niet meer.In zinnelijke bewondering keek hij naar het meisje, naar ’t nekje met krullende donsharen, naar de soepele lijnen van ’t lichaam, naar de voetjes in de kleine schoentjes, met ’t witte der kous even-nog-te-zien.Hij had haar in z’n armen willen nemen, hartstochtelijk.Ze waren hier alleen.Heel alleen.Maar ze keek om, angstig omdat hij zoo stil was.Toen begon hij te praten, druk, opgewonden, over allerlei dingen, waarnaar zij niet luisterde.Zij antwoordde lachend zonder dat hij ’t hoorde.Ze durfden niet ophouen.*   *   *Bij de greppel werd breeder het pad.Er stroomde water in, niet veel.Gister was ze nog droog.Aarzelend stond zij stil.„Wil ik je dragen?”...„Nee.”„Wil je dan weer terug?”„Nee.”In eens, zonder verder te vragen, tilde hij haar op, droeg haar hoog in de armen en stapte door ’t water.Dicht was haar hoofd bij ’t zijne.Dicht was zijn mond bij den hare. Ze zag zijn snorhaartjes, vlàk-bij.Ze voelden elkaars adem, kort, warm, snel.„Frans!”...Oogen als van ’n aangeschoten hert keken ’m aan.Hij beefde.Hij zoende haar niet.Aan de overzij gleed zij uit z’n armen.Zwijgend gingen ze verder.Alleen in de stilte.Links lag het dorp met zijn dol-vroolijk gegloei van roode daken in het effen groen.Tamme rook-spiraaltjes verwasemden in de heldere lucht.De kerktoren was grooter geworden.De haan op den toren stond te stralen als een gouden pauw.De dorpsstraat slingerde witjes, rustig, glad.*   *   *Bij de huisdeur, in een rieten stoel, zat ze in ’t zonnetje.Ze kleurde van genoegen.„Hebben jullie al zóó vroeg gewandeld?”„Ja.”„Hebben jullie... ruzie gehad?”„Nee”...„Welnee”...Lize zoende haar, ging het huis in.Op haar kamer gekomen, bleef ze wat drentelen voor het raam, keek door een kier van de neerhangende jaloezie en zag ze.Toen wierp zij haar parasol en haar handschoenen op ’t bed, zakte er stil bij neer en begon te huilen.Beneden klonken de stemmen.Op haar knieën liggend, de vuist ballend, snikte ze schor, hard-op, heesch...„... Was je maar dood gegaan... Jij!... Jij!”...

Lentemorgen.

Warm scheen de zon door de loovers.

Het veld lag groen, luw-getint, met een stippeling van geel. Niets dan groen en gele hoofdjes van bloemen. Het zonlicht deinde er zachtjes over.

In de verte, uitgebeten in de heldere lucht, de dorpstoren, priemend omhoog met de puntigheid van een naald.

In de verte óók het vriendelijk lichten van zon, overal zon, warme zon.

In loovers tjilpten vogels. Het was een geklinkklank van kleine, nazwevende geluidjes, een schel, warm voorjaarsfluiten, dat wegstierf boven de boomen, maar onder de kruinen bleef als een geur van jeugd.

*   *   *

Over den grintweg gingen ze.

Zwijgend.

Het hel-wit zomerkleedje met de roode linten kleurde uitgelaten van levendigheid tegen het grijs van den weg, in de mulle schaduw der boomen. Onder den breeden stroohoed wuifde het haar, dansend op den lentewind.

Ze draaide een bloem in de handen. Den stengel had ze stuk geknepen.

Donker liep hij naast haar. Zijn rotting veerde aan tegen de grintsteentjes, die voortstoven als raketten.

*   *   *

„Lize”...

„Nee... Nee... Zeg niks meer.”

„’k Wou”...

„Nee, nee, Frans.”

„Begrijp je dan niet”...

„Ik bid je... hou op!”

Hij zweeg.

Stil gingen ze naast elkaar.

De steentjes wreven en kraakten, eentonig, zangerig-knarsend onder de voeten.

Een zwerm vinken joelde lawaaiend in ’t gras.

Ze vochten om iets, om een worm.

Anders stilte.

Anders de gouden warme koestering van de zon op de dingen.

*   *   *

In het dorp, flauwtjes, klepte de klok. Rustige galmpjes kwamen gedragen.

„... Lize”...

„... Ja”...

„Ik moet ’t toch zeggen.”

Vuurrood werd ze. De bloem in haar vingers verplette tot sap. Ze bleef staan.

„... Frans”...

„... Het mág gemeen zijn”...

„... Frans”...

„... Vervloekt!... Dan verbréék ik het engagement!”

„... Frans”...

„... Je maakt ons allebei ongelukkig,allebei, versta je!”

„... Luister nou nóg eens, Frans... Voor het láátst... Ikwildie dingen niet hooren... Hoe kùn je zoo zijn!... Denk je dan heelemaal niet aan haar?... Heb je gister niet gezien, toen ze opzat, hoe bleek ze was... hoe blauw onder de oogen... Had je dan liever gehad dat ze dòòd was gegaan? Als je ’t engagement verbreekt, dan... dan... Durf jij de gevolgen... Doe ’t niet, Frans!... Ik bid het je!... Ik smeek het je!”...

Hij keek haar aan in extase.

„Zeg me één ding... maar eerlijk... Nee je moet me in de oogen kijken... Zeg me... Je houd van mij óók, Lize!”

„Nee.”

„Da’s niet waar!”

„Ik heb nóóit van je gehouen.”

„Nooit?”

„Nee... En ik zal ’t nóóit doen.”

Hij wist dat ze loog.

Zij voelde dat-ie haar niet geloofde.

*   *   *

Nauwer werd de weg, die door het bosch kronkelde.

Telkens kroop voor hun voeten een lijn van licht, die door de blaren boorde en over den grond streepte.

Ze liepen langzaam in de stilte, kijkend naar dingen die zij niet zagen.

Even door de nauwte van het pad raakten ze elkanders handen.

Ze schrikten.

Omdat ’t zoo stil was, zoo eenzaam, zoo vreemd,zoo drukkend, begon zij weer te spreken, hokkend van angst.

„Ben je boos, Frans?”

„Boos?... Och”...

„Wat is ’t hier stil.”

„Ja.”

„Vreeselek stil”...

„Ja”...

„Waarom zeg je niks?”

Weer raakten de handen.

„God... martel me niet.”

*   *   *

Nu liep ze voor hem.

Naast elkaar gaan konden ze niet meer.

In zinnelijke bewondering keek hij naar het meisje, naar ’t nekje met krullende donsharen, naar de soepele lijnen van ’t lichaam, naar de voetjes in de kleine schoentjes, met ’t witte der kous even-nog-te-zien.

Hij had haar in z’n armen willen nemen, hartstochtelijk.

Ze waren hier alleen.

Heel alleen.

Maar ze keek om, angstig omdat hij zoo stil was.

Toen begon hij te praten, druk, opgewonden, over allerlei dingen, waarnaar zij niet luisterde.

Zij antwoordde lachend zonder dat hij ’t hoorde.

Ze durfden niet ophouen.

*   *   *

Bij de greppel werd breeder het pad.

Er stroomde water in, niet veel.

Gister was ze nog droog.

Aarzelend stond zij stil.

„Wil ik je dragen?”...

„Nee.”

„Wil je dan weer terug?”

„Nee.”

In eens, zonder verder te vragen, tilde hij haar op, droeg haar hoog in de armen en stapte door ’t water.

Dicht was haar hoofd bij ’t zijne.

Dicht was zijn mond bij den hare. Ze zag zijn snorhaartjes, vlàk-bij.

Ze voelden elkaars adem, kort, warm, snel.

„Frans!”...

Oogen als van ’n aangeschoten hert keken ’m aan.

Hij beefde.

Hij zoende haar niet.

Aan de overzij gleed zij uit z’n armen.

Zwijgend gingen ze verder.

Alleen in de stilte.

Links lag het dorp met zijn dol-vroolijk gegloei van roode daken in het effen groen.

Tamme rook-spiraaltjes verwasemden in de heldere lucht.

De kerktoren was grooter geworden.

De haan op den toren stond te stralen als een gouden pauw.

De dorpsstraat slingerde witjes, rustig, glad.

*   *   *

Bij de huisdeur, in een rieten stoel, zat ze in ’t zonnetje.

Ze kleurde van genoegen.

„Hebben jullie al zóó vroeg gewandeld?”

„Ja.”

„Hebben jullie... ruzie gehad?”

„Nee”...

„Welnee”...

Lize zoende haar, ging het huis in.

Op haar kamer gekomen, bleef ze wat drentelen voor het raam, keek door een kier van de neerhangende jaloezie en zag ze.

Toen wierp zij haar parasol en haar handschoenen op ’t bed, zakte er stil bij neer en begon te huilen.

Beneden klonken de stemmen.

Op haar knieën liggend, de vuist ballend, snikte ze schor, hard-op, heesch...

„... Was je maar dood gegaan... Jij!... Jij!”...

Van twee ongetrouwde meisjes en een hond.Wies en Mies liepen met Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.Wies was een dikkert. Ze had een kort, slobberig lijfje. Ze had een hoofd en twee voeten. Dit laatste is zeker niet bijzonder. Maar bij Wies was juisthetbijzondere aan het hoofd en de voeten. Het hoofd was dik en paars. De kleine oogjes probeerden listigjes over de bolle paarse koonen heen te gluren. Als brokken deeg, die tegen haar gezicht waren aangekwakt, stonden de koonen, dadelijk gezwollen rondom het stompneusje, gezwollen onder de oogen en nog altijd gezwollen bij de ooren. De twee lijvige, paarse pompoenkoonen werden dus het eerst gezien. Eigenlijk was het hoofd alléén paarse koon, met een neusbobbertje er in, met krentenstipjes er boven en een vleezige mondgleuf er onder. Wies—Mies zei Wiesje. Zij hield meer van Wies,—Wies had groene tandjes. In de dagen van haar jeugd had zij op aanraden van Mies, die een paardengebit had, een tandenborstel gekocht en haar tanden één ochtend met asch gepoetst, maar toen ’t bloeden ging, had zij besloten alles te laten zooals natuur ’t geschapen had.Wies had niet alleen een hoofd, zij had twéévoeten. Ze liet ze altijd zien. Wat ze er aan had wist ze alleen zelf. Bij voorkeur droeg ze een bovenrok, die te kort was. De voeten schommelden er onder uit, groot en log, stevig en zwaar. Mannenvoeten. Aan dit maagdelijk lichaam waren mannenvoeten. Sommigen zeggen mansvoeten. Mannenvoeten gaat er mee door. Wies had eksteroogen. ’t Valt natuurlijk niet met zékerheid te zeggen. Je zou er de voeten voorin naturamoeten zien, maar aan haar wijze van loopen, aan het trapganzig neerklotsen der mannen- of mansvoeten, kon je toch merken dat de manslaarzen niet gemakkelijk zaten. Wies hield niet van hakken. ’t Is een vreemd geval, toch moet ge Falkland op zijn woord gelooven, wanneer hij het feit constateert. Dan nog,—bijna zou ik daarenboven geschreven hebben, wat een verouderde en te superlatieve uitdrukking is—stonden Wiesje’s teenen in Wiesje’s manslaarzen weerbarstig omhoog, gelijk een platgetrapte grashalm, die zich begint op te richten.Wies was dus, kort en bondig herhaald, slobberig-dik,—ze droeg geen corset—, met vette, paarse pompoenkoonen, neusbobbertje, krentenoogjes en een paar robuste, haklooze manvoeten, die zich aan den teenkant van de aarde verwijderden.Mies was mager. Ge zult vermoeden dat Falkland hier een fantastisch contrast maakt, maar nog eens op zijn woord, Mieswásmager. Ze was àkelig mager. Te oordeelen naar haar gelaat, mocht verondersteld worden dat ze veel zichtbare ribben bezat. Ze was van een magerte, die pijnlijk schokte naast het weelderig vet van Wies. Ze was mager en réég zich. Ze droeg een zwart schoudermanteltje, dat om haar schouders bengelde als een natte theedoek, die an ’n lijn te drogen hangt.Mies was bleek, vaalbleek. In haar bleeke gezicht puilden de jukbeenderen, gelijk bleeke klonten op geklonterde amandelvla. Ze had een mageren, gepletten, Griekschen neus en nu ja—al is ’t niet aesthetisch—zachtzinnige randjes rood onder de oogen. Mies was lichtschuw. Ze liep met d’r bleeke, vale, magere gezicht gebogen en vreemd, idioterig lachend, omdat ze ’t volle licht niet velen kon. Als ze lachte liet ze d’r tanden zien. Ze had een paardengebit, een groot, sterk, regelmatig, geel paardengebit. Lachte ze bijzonder lichtschuw, dan kwam óók ’t bloedloos tandvleesch te zien.Molly was het hondje.Het hondje van Mies, ofschoon hij ook luisterde naar Wies. Ik spreek daar van „hij”. Dat is minder juist. Molly was een teefje. Om verwarring te voorkomen, zal ik haar tijdelijk mannelijk maken. Molly was een bastaard. Dat wil zeggen: hij was niet bepaald hazewind en niet bepaald fox en niet bepaald taks. Hij had van elk wat. De herediteit der vermenging drukte zwaar op zijn kop en zijn pooten. Meer was van hem niet te zien. Mies pakte hem in een hondendekje als ze ging wandelen, een snoezig dekje van blauw laken met gele randen en roode bandjes.Ongeveer, luidens deze zeer onmachtige beschrijving, liepen Wies, Mies en Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.Molly vooruit, snuffelend tusschen het gras en matig dikwijls zenuwachtig neerzakkend op de gespreide achterpooten.„Is-die nou eindelijk zindelijk?”—vroeg Wies.„Hij doet niks meer,” giegelde Mies.„Is-die beter waakzaam?”„Nou!... as d’r iemand voorbij ’t raam loopt, blaft-ie wel vijf minuten.”„Da’s wàt ’n rustig idée voor je ’s nachts.”„Vroeger keek ik altijd onder me bed, om te zien of d’r geen man lag.”„Verbeel je ’s nachts... ’n inbreker”...„... Of ’n moordenaar”...„Mollie—Mollie—Mollie-ie-ie!”„Wat heeft-ie nou!”„O lieve God!... D’r zit ’m ’n hond na!”Mies en Wies stonden stil. De wind waaide d’r rokken strak-weg.Molly werd achtervolgd door een bruinharigen, leelijken, beslijkten straathond, die met beminnelijke welwillendheid, niet te opdringerig, integendeel met iets gentleman-achtigs in zijn gedragingen, haar—zegge Molly’s—achterpooten en staart liep te beruiken. Molly, beangstigd door die toch wel wat onvoegzame gemeenzaamheid, draaide zich eerst om met vertoon van nijdige, witte tandjes, maar de straatvlegel nam er geen notitie van en draaide mee, al naarmate Molly draaide. Kittig vluchtte Molly over een plank, over een sloot en liep aan de andere zij van ’t water Wies en Mies te gemoet met den straathondà la suite.„Mollie-Mollie-ie-ie-ie!” riep Mies.„Wil je weg gaan, vuil beest!” riep Wies, die met haar parapluie hevige bewegingen verrichtte.Goedig keek de vreemde naar de ongetrouwde meisjes aan de overzij, naar Wies’ pompoenkoonen en Mies’ paardengebit, bleef éven wijsgeerig op een afstand zitten, maar hernieuwde daarna zijn eerbiedige hofmakerij.„Kischt! Kischt! Kischt!”„Mollie-Mollie-Mollie-ie-ie!”„Wil je weggaan, smeerpoes!”„Kischt! Kischt!”Molly nam intusschen een verdedigende houdingaan, bromde en knorde als een tijger. In kringetjes sloop de bruinharige rond haar, schoot plotseling ongeduldig toe, pakte Molly in haar blauwe pakje en gromde op zijn beurt.„Kischt! Kischt!”„O Mollietje! Engeltje! Schatje!”...Molly deed wat menschelijk te begrijpen is: ze liet zich vallen, plaste met de van heriditeit getuigende pootjes in de lucht en begon een langgerekt, erbarmelijk gejank.„Wacht! Ik zal jou krijgen!”Op den weg lag een oude schoen. Wies pakte ’m beet, voorzichtig, bij een onbeschimmeld plekje, mikte en wierp ’t instrument naar de overzij op ’t weiland.Lobbesachtig, met eenige verbazing, wát of die twee juffrouwen met zijn zaken te maken hadden, keek de vieze op.„Kischt! Kischt!”De schoen had hem niet geraakt. Voorzichtig, maar vastberaden ging hij voort met de beruiking van het hondendekje, dat hij belangrijk scheen te vinden, terwijl Molly, bibberend, met ingehouden najankertjes, zich niet langer tegen de kennismaking verzette.„Durf jij over de plank?”„Ik?... Nee”...„Ikke ook niet”...„Daar ligt een steen.”Weer mikte Wies.Raak!De viezerik jankte nijdig en schoot een end ’t weiland in.„Mollie! Mollie-tje!”„Psst! Pischt! Pischt!”Daar kwam die, holde over de plank, rende naarWies en Mies en sprong met z’n beslijkte pooten tegen Mies’ gespikkeld pakje.„Ach schatje, wat zie je d’r uit!”„Kijk ’t kleedje van het engeltje is toegetakeld zijn!”„... ’t Is heelemaal bedorven... Ja, je bentmijnschatje...mijnHabbelebabs... mijn pief-piefie... Kom nou maar mee an ’t kettinkie... Nou zullen ze je geen kwaad meer doen.... die vieze leelijkers!”...Wies en Mies waren ontdaan.Maar nou zakte ’t weer en wandelden ze verder langs den Amstel,—het slobberig dikkertje met de paarse pompoenkoonen, ’t neusbobbertje, de haklooze manvoeten en de magere bleeke, lichtschuwe met ’t paardengebit.Aan ’t kettinkje sjokte de hond, achter de ongetrouwde meisjes.

Wies en Mies liepen met Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.

Wies was een dikkert. Ze had een kort, slobberig lijfje. Ze had een hoofd en twee voeten. Dit laatste is zeker niet bijzonder. Maar bij Wies was juisthetbijzondere aan het hoofd en de voeten. Het hoofd was dik en paars. De kleine oogjes probeerden listigjes over de bolle paarse koonen heen te gluren. Als brokken deeg, die tegen haar gezicht waren aangekwakt, stonden de koonen, dadelijk gezwollen rondom het stompneusje, gezwollen onder de oogen en nog altijd gezwollen bij de ooren. De twee lijvige, paarse pompoenkoonen werden dus het eerst gezien. Eigenlijk was het hoofd alléén paarse koon, met een neusbobbertje er in, met krentenstipjes er boven en een vleezige mondgleuf er onder. Wies—Mies zei Wiesje. Zij hield meer van Wies,—Wies had groene tandjes. In de dagen van haar jeugd had zij op aanraden van Mies, die een paardengebit had, een tandenborstel gekocht en haar tanden één ochtend met asch gepoetst, maar toen ’t bloeden ging, had zij besloten alles te laten zooals natuur ’t geschapen had.

Wies had niet alleen een hoofd, zij had twéévoeten. Ze liet ze altijd zien. Wat ze er aan had wist ze alleen zelf. Bij voorkeur droeg ze een bovenrok, die te kort was. De voeten schommelden er onder uit, groot en log, stevig en zwaar. Mannenvoeten. Aan dit maagdelijk lichaam waren mannenvoeten. Sommigen zeggen mansvoeten. Mannenvoeten gaat er mee door. Wies had eksteroogen. ’t Valt natuurlijk niet met zékerheid te zeggen. Je zou er de voeten voorin naturamoeten zien, maar aan haar wijze van loopen, aan het trapganzig neerklotsen der mannen- of mansvoeten, kon je toch merken dat de manslaarzen niet gemakkelijk zaten. Wies hield niet van hakken. ’t Is een vreemd geval, toch moet ge Falkland op zijn woord gelooven, wanneer hij het feit constateert. Dan nog,—bijna zou ik daarenboven geschreven hebben, wat een verouderde en te superlatieve uitdrukking is—stonden Wiesje’s teenen in Wiesje’s manslaarzen weerbarstig omhoog, gelijk een platgetrapte grashalm, die zich begint op te richten.

Wies was dus, kort en bondig herhaald, slobberig-dik,—ze droeg geen corset—, met vette, paarse pompoenkoonen, neusbobbertje, krentenoogjes en een paar robuste, haklooze manvoeten, die zich aan den teenkant van de aarde verwijderden.

Mies was mager. Ge zult vermoeden dat Falkland hier een fantastisch contrast maakt, maar nog eens op zijn woord, Mieswásmager. Ze was àkelig mager. Te oordeelen naar haar gelaat, mocht verondersteld worden dat ze veel zichtbare ribben bezat. Ze was van een magerte, die pijnlijk schokte naast het weelderig vet van Wies. Ze was mager en réég zich. Ze droeg een zwart schoudermanteltje, dat om haar schouders bengelde als een natte theedoek, die an ’n lijn te drogen hangt.

Mies was bleek, vaalbleek. In haar bleeke gezicht puilden de jukbeenderen, gelijk bleeke klonten op geklonterde amandelvla. Ze had een mageren, gepletten, Griekschen neus en nu ja—al is ’t niet aesthetisch—zachtzinnige randjes rood onder de oogen. Mies was lichtschuw. Ze liep met d’r bleeke, vale, magere gezicht gebogen en vreemd, idioterig lachend, omdat ze ’t volle licht niet velen kon. Als ze lachte liet ze d’r tanden zien. Ze had een paardengebit, een groot, sterk, regelmatig, geel paardengebit. Lachte ze bijzonder lichtschuw, dan kwam óók ’t bloedloos tandvleesch te zien.

Molly was het hondje.

Het hondje van Mies, ofschoon hij ook luisterde naar Wies. Ik spreek daar van „hij”. Dat is minder juist. Molly was een teefje. Om verwarring te voorkomen, zal ik haar tijdelijk mannelijk maken. Molly was een bastaard. Dat wil zeggen: hij was niet bepaald hazewind en niet bepaald fox en niet bepaald taks. Hij had van elk wat. De herediteit der vermenging drukte zwaar op zijn kop en zijn pooten. Meer was van hem niet te zien. Mies pakte hem in een hondendekje als ze ging wandelen, een snoezig dekje van blauw laken met gele randen en roode bandjes.

Ongeveer, luidens deze zeer onmachtige beschrijving, liepen Wies, Mies en Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.

Molly vooruit, snuffelend tusschen het gras en matig dikwijls zenuwachtig neerzakkend op de gespreide achterpooten.

„Is-die nou eindelijk zindelijk?”—vroeg Wies.

„Hij doet niks meer,” giegelde Mies.

„Is-die beter waakzaam?”

„Nou!... as d’r iemand voorbij ’t raam loopt, blaft-ie wel vijf minuten.”

„Da’s wàt ’n rustig idée voor je ’s nachts.”

„Vroeger keek ik altijd onder me bed, om te zien of d’r geen man lag.”

„Verbeel je ’s nachts... ’n inbreker”...

„... Of ’n moordenaar”...

„Mollie—Mollie—Mollie-ie-ie!”

„Wat heeft-ie nou!”

„O lieve God!... D’r zit ’m ’n hond na!”

Mies en Wies stonden stil. De wind waaide d’r rokken strak-weg.

Molly werd achtervolgd door een bruinharigen, leelijken, beslijkten straathond, die met beminnelijke welwillendheid, niet te opdringerig, integendeel met iets gentleman-achtigs in zijn gedragingen, haar—zegge Molly’s—achterpooten en staart liep te beruiken. Molly, beangstigd door die toch wel wat onvoegzame gemeenzaamheid, draaide zich eerst om met vertoon van nijdige, witte tandjes, maar de straatvlegel nam er geen notitie van en draaide mee, al naarmate Molly draaide. Kittig vluchtte Molly over een plank, over een sloot en liep aan de andere zij van ’t water Wies en Mies te gemoet met den straathondà la suite.

„Mollie-Mollie-ie-ie-ie!” riep Mies.

„Wil je weg gaan, vuil beest!” riep Wies, die met haar parapluie hevige bewegingen verrichtte.

Goedig keek de vreemde naar de ongetrouwde meisjes aan de overzij, naar Wies’ pompoenkoonen en Mies’ paardengebit, bleef éven wijsgeerig op een afstand zitten, maar hernieuwde daarna zijn eerbiedige hofmakerij.

„Kischt! Kischt! Kischt!”

„Mollie-Mollie-Mollie-ie-ie!”

„Wil je weggaan, smeerpoes!”

„Kischt! Kischt!”

Molly nam intusschen een verdedigende houdingaan, bromde en knorde als een tijger. In kringetjes sloop de bruinharige rond haar, schoot plotseling ongeduldig toe, pakte Molly in haar blauwe pakje en gromde op zijn beurt.

„Kischt! Kischt!”

„O Mollietje! Engeltje! Schatje!”...

Molly deed wat menschelijk te begrijpen is: ze liet zich vallen, plaste met de van heriditeit getuigende pootjes in de lucht en begon een langgerekt, erbarmelijk gejank.

„Wacht! Ik zal jou krijgen!”

Op den weg lag een oude schoen. Wies pakte ’m beet, voorzichtig, bij een onbeschimmeld plekje, mikte en wierp ’t instrument naar de overzij op ’t weiland.

Lobbesachtig, met eenige verbazing, wát of die twee juffrouwen met zijn zaken te maken hadden, keek de vieze op.

„Kischt! Kischt!”

De schoen had hem niet geraakt. Voorzichtig, maar vastberaden ging hij voort met de beruiking van het hondendekje, dat hij belangrijk scheen te vinden, terwijl Molly, bibberend, met ingehouden najankertjes, zich niet langer tegen de kennismaking verzette.

„Durf jij over de plank?”

„Ik?... Nee”...

„Ikke ook niet”...

„Daar ligt een steen.”

Weer mikte Wies.

Raak!

De viezerik jankte nijdig en schoot een end ’t weiland in.

„Mollie! Mollie-tje!”

„Psst! Pischt! Pischt!”

Daar kwam die, holde over de plank, rende naarWies en Mies en sprong met z’n beslijkte pooten tegen Mies’ gespikkeld pakje.

„Ach schatje, wat zie je d’r uit!”

„Kijk ’t kleedje van het engeltje is toegetakeld zijn!”

„... ’t Is heelemaal bedorven... Ja, je bentmijnschatje...mijnHabbelebabs... mijn pief-piefie... Kom nou maar mee an ’t kettinkie... Nou zullen ze je geen kwaad meer doen.... die vieze leelijkers!”...

Wies en Mies waren ontdaan.

Maar nou zakte ’t weer en wandelden ze verder langs den Amstel,—het slobberig dikkertje met de paarse pompoenkoonen, ’t neusbobbertje, de haklooze manvoeten en de magere bleeke, lichtschuwe met ’t paardengebit.

Aan ’t kettinkje sjokte de hond, achter de ongetrouwde meisjes.


Back to IndexNext