II.

II.Wij beklommen het steile pad, dat naar het dorp Islay voert, en kwamen bij den engelschen consul. De echtgenoote en de dochters van dien ambtenaar, ongerust over zijn lang wegblijven, ontvingen hem met hartelijke uitroepingen van verrassing en vreugde. Daarop noodigden die dames ons vriendelijk uit, dien dag in den schoot der familie door te brengen en aan den maaltijd deel te nemen; maar, daar ik begeerig was, mij zoo spoedig mogelijk op weg te begeven, sloeg ik die uitnoodiging af. Mijne reismakkers, die, te oordeelen naar de blikken, die zij elkander toewierpen, zeer gaarne aan de uitnoodiging gevolg zouden hebben gegeven, durfden nu, op mijn voorbeeld, niet anders dan evenzeer bedanken. De vriendelijke dames, die ons volstrekt niet nuchter wilden laten vertrekken, haastten zich nu om de noodigesandwicheste bereiden, dieons welhaast door een bediende werden gepresenteerd. Wij besproeiden die gebakjes met een glas Champagnewijn, van Exeter afkomstig, waar eene zeer gerenommeerde fabriek van dien wijn bestaat. Na afloop van dienluncheonzette de oudste dochter van den consul, eene mooie lieve blondine, met den dichterlijken naam van Stella, zich aan de piano, en speelde, om de eigenliefde der gasten van haar vader te streelen, de cantate vanManco Ccapac. Al de notabelen waren opgetogen en klapten in de handen. Het air moest nog eens herhaald worden, en nu begon een hunner daarbij de woorden te zingen, waarbij de anderen weldra invielen. Dit volkslied, dat in Europa zoo goed als onbekend, maar in Peru zeer geliefd is, en waarvan, naar men zegt, de woorden en de muziek vervaardigd zijn door een kerkedienaar van denSagrariovan Ayacucho, bestaat uit achttien koupletten, waarvan elk veertien versregels telt. De zwaarmoedige, klagende wijs der muziek stemt volkomen overeen met den inhoud van het gedicht, dat hoofdzakelijk eene weemoedige klacht bevat over de verdwenen heerlijkheid van de kinderen der Zon. De uitvoering van dit stuk duurde omstreeks vijf kwartier; maar niemand viel die tijd te lang. Doch, daar de zangers tusschen elk kouplet een hartelijken dronk wijdden aan de nagedachtenis van den man, die Peru uit de barbaarschheid getogen had, begon mij de vrees te bekruipen dat zij, in hunne toomelooze geestdrift, als het lied ten einde was, wellicht eene quadrille zouden gaan dansen: want als deze lieden eenmaal aan den gang zijn, weten zij van geen ophouden. Daarom maakte ik aanstonds gebruik van de oogenblikkelijke stilte, die op het uitgalmen van den laatsten regel volgde, om op te staan en afscheid van den consul en zijne familie te nemen. Nu waren mijn makkers wel gedwongen, een einde aan de zaak te maken. Zij namen hunne hoeden, groetten met een zeer knorrig gezicht, en volgden mij, blijkbaar zeer ontevreden omdat zij een dag, die zoo prettig beloofde te zijn, dus op eenmaal moesten afbreken.Indiaansche vrouwen uit Peru.Indiaansche vrouwen uit Peru.Onze muildieren stonden reeds gereed. Ieder zocht zijn eigen dier uit, en zette zich in den zadel. De muilezeldrijvers en de mozos (jongens) plaatsten zich aan het hoofd van den trein, en wij verlieten de woning van den consul, onder de luide begroetingen en heilwenschen der familie, onder handdrukken en wuiven van zakdoeken. Het zal toen omstreeks twaalf uur zijn geweest. De zon brandde op het gloeiende zand. Ieder brokje en korreltje mica, een spiegel van Archimedes gelijk, zond ons een verblindenden lichtstraal in het gelaat. De drie rijen houten huizen, met strooien of rietendaken gedekt, die de drie straten van Islay vormen, lagen weldra achter ons. Op den top des heuvels gekomen, hadden wij aan onze rechterhand de kerk van het dorp, niet veel meer dan eene loods, die gedurende drie vierde van het jaar gesloten is en den vleermuizen tot woning dient; aan onze linkerhand zagen wij een reeks perken, door ruwe steenen omsloten en met houten kruisen versierd; aanvankelijk dacht ik, dat het kerkhoven waren, maar weldra vernam ik, dat ik niets dan perken voor de muilezels voor mij zag. Kort daarop daalden wij langs de oostelijke helling van de loma af, en bevonden ons nu op een weg, waarvoor menschen en dieren om het zeerst beducht zijn. Deze weg, niet ongelijk aan het diepe wagenspoor van een reusachtige kar, ter hoogte van een voet bedekt met een steenachtige vulkanische asch, waarin millioenen luizen wriemelen en krioelen, draagt den weidschen naam van de.Quebrada van Islay. Quebrada—vallei—het zij zoo; maar, dewijl de zware hooge heuvelen, die deze kloof ter wederzijde omzoomen, de frissche zeewinden volkomen afkeeren, heerscht hier een temperatuur, het best met die van een kalkoven te vergelijken. Nauwelijks waren wij dan ook in deze diepte afgedaald, of de adem scheen onze longen te begeven, en wij begonnen op onrustbarende wijze te hijgen, en naar lucht te snakken.Vastenavond te Arequipa.Vastenavond te Arequipa.Twee uren lang trokken wij door deze Quebrada, allen achter elkander rijdende en in somber zwijgen verzonken: een gevolg deels van het woeste, akelige voorkomen der streek, deels van de vrees om het afschuwelijke stof in te ademen, door de hoeven onzermuildieren opgejaagd. Te midden dier algemeene lusteloosheid, gaven de mozos alleen nog teekenen van leven, door hun schreeuwen en roepen om de achterblijvende muilezels aan te sporen.Weldra bespeurden wij, aan sommige onmiskenbare teekenen, dat onze foltering haar einde naderde. De heuvels, die ter wederzijde de kloof ommuurden, begonnen minder hoog te worden, weken steeds verder uit elkander, en werden in het eind door nederige hoogten vervangen. De zeewind kon weder tot ons doordringen; de bodem verhief zich; de weg bestond nu uit eene opeenvolging van steile glooiingen, die wij moesten bestijgen. Naar het zeggen der muilezeldrijvers, naderden wij eene plek,Olivargenaamd: eene soort van natuurlijke grensscheiding tusschen de Quebrada en de Pampa, tusschen het dal en de vlakte, tusschen het gebied van de asch en dat van het zand. De armoedige flora, vertegenwoordigd door welriekende heliotropen, door dwergachtige kromgetrokken olijfboomen en ettelijke sobere gramineën, poogde vergeefs, onder haar vuil-grauw stoffig masker, onze aandacht te trekken; zij zag er zoo pover en ellendig uit, dat wij haar nauwelijks een blik waardig keurden.De weg, die nog steeds stijgende bleef, bracht ons, na veelvuldige kronkelingen, op een klein onregelmatig plateau, van waar men den ganschen omtrek overzag. Midden op die vlakte stond eene ajoupa van gescheurde matten, aan palen bevestigd. Onder deze soort van tent zaten en lagen eenige vrouwen, in lompen gehuld, en eenige moedernaakte kinderen, te midden van potten, kruiken en aardewerk. Een lage tafel, waarop gebraden visschen, gemalen piment, en die soort van eetbaar zeegras, waaraan de Indianen den naam geven vancocha-yuyu, deed ons deze ajoupa kennen als een dier restauraties in de open lucht, in Peru zoo wel bekend. Deze spijzen, met eene dikke laag vulkanische asch overstrooid, zagen er niet zeer aptijtelijk uit; maar onze muilezeldrijvers bekommerden zich niet over zulk eene kleinigheid. Aanstonds lieten zij zich door de vrouwen eene dubbele portie van die stoffige lekkernijen voorzetten, benevens een kruik chicha. Daar het de gewoonte is, eer men de pampa ingaat, hier eenige oogenblikken op te houden, om de muildieren te laten uitrusten, stapten ook wij af, terwijl onze drijvers hun ontbijt gebruikten; mijne makkers sloegen vuur, en staken hunne sigaren aan. Ik liet hen rustig hunne rookwolken uitblazen, en begaf mij naar den rand van het plateau, zeventienhonderd el boven de zee gelegen, om de streek te overzien, die wij zoo pas waren doorgetrokken, en waar ik hoogst waarschijnlijk nimmer meer den voet zetten zou.De gansche omliggende streek, van den voet van het plateau tot den oceaan, was eentonig grijs van kleur, dooraderd van onregelmatige geelbruine strepen. De tallooze heuvels, die de oppervlakte bedekken, geleken, van deze hoogte en uit de verte gezien, op die eigenaardige phlyctenen, blazen of verheffingen van den grond, die in den omtrek der vulkanen zoo veelvuldig voorkomen. Van het noorden tot het zuiden strekte zich de donkere lijn uit der lomas of zoutheuvelen, die tusschen den 23° en der 10° deze kust omzoomen; hunne hellingen en kruinen vertoonden hier en daar een geelachtigen tint, die straks, na de eerste nevels van den zomer,—vruchtbaar makende dampen, die des nachts ontstaan en omstreeks elf uur in den morgen zich weder oplossen;—in vroolijk groen zou veranderen; door de ongemeene helderheid der lucht waren alle bijzonderheden van dit wijde landschap, tot op grooten afstand, duidelijk kenbaar. Zuidwaarts vertoonde zich als een zwarte streep, scheiding makende tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel: dat was kaap Coles en de rotsen van het dal van Tambo, welks rivier, des zomers droog, des winters, als de wateren zwellen, met hare modderige golven ontzaglijke steenblokken medevoert, van de bergen afgescheurd. Iets meer nabij, ontwaarde ik de vlakke kusten van Mejillones en Cocotea, met hare koraalbanken, haar lagen van guano, en hare sombere heuvels met de talloozehuacas(graven), waar duizende mummies hun eeuwigen slaap slapen. Elke plek, waarheen ik mijne blikken wendde, herinnerde mij eene of andere ontdekking, een of ander avontuur. Hier had ik eenige weken vertoefd, in gezelschap van Llipis-Indianen uit de groote woestijn van Atacana, levende van zeegras, van alikruiken en watermeloenen: alles wat deze streek oplevert. Daar was ik, van den top der duinen, als machteloos toeschouwer, getuige geweest van de schipbreuk van de amerikaansche brik deSusquehannah. Verder verhief zich, als een kegelvormig eiland, te midden van het vlotzand, de heuvel der Aymaras met zijn knekelhuis, dagteekenende uit den tijd vóór de spaansche verovering, waar ik zulke merkwaardige phrenologische exemplaren had gevonden. Nog verder, meer ten zuiden, de buitengronden van Arenal, met hunne voorraadschuren van visch-guano, tot dusverre nog onbekend, en waarop ik de aandacht der geleerden had pogen te vestigen. Daaromheen gaapten de met asch en slakken gevulde kraters van overoude, uitgebluschte vulkanen, die zich, in voorhistorische tijdperken, aan deze kust verhieven, en die noch kapitein Frézier in 1713, noch Humboldt en Bonpland in 1804, noch d’ Orbigny in 1836, hadden opgemerkt.Oostwaarts droeg het landschap een eenigszins gewijzigd karakter. Een zandwoestijn, geheel bezaaid met plompe, ronde cerros (heuvelen), allen sterk naar het westen overhellende, sloot hier als een muur den gezichteinder. Die cerros, van blokken zandsteen en vulkanische rotsen gevormd, die—wie kan gissen voor hoe vele eeuwenreeksen?—door de wateren der zee, in haar terugtocht van het oosten naar het westen, waren medegevoerd, op elkander geworpen, zaamgeperst:—deze cerros hadden mij menigmaal in de gelegenheid gesteld, de vervorming der gesteenten van nabij te bestudeeren. Aan hun voet, in de nabijheid van een of andere kleine beek, groeiden dwergachtige, armoedige olijven, kokos- en vijgeboomen, meer grauw dan groen, en alleen kenbaar door de schaduw, die zij afwierpen.Een onbeschrijfelijke weemoed vervulde de ziel, bij den aanblik van deze landstreek, dor tot naaktheid toe, uitgedroogd tot in het gebeente, en nog heden,zoowel door de gesteldheid van den bodem als door de gedaante der bergen, de duidelijke sporen vertoonende van de geduchte worsteling der twee elementen, die haar beurtelings hadden geteisterd en verwoest. De overoude en eeuwigdurende strijd van den draak met de hydra, van het vuur met het water, was in onuitwischbare trekken overal gegriffeld op deze sombere aarde, wonderlijk geteekend met bruine, rosse, grauwe strepen, en toch, ondanks de zee van licht, die de brandende middagzon daarover uitgoot, zoo onbeschrijfelijk doodsch en koud. Te midden van deze doffe, stoffige, toonlooze kleuren, die een geoloog zeker zou hebben bewonderd, maar waarvan een schilder haastig de oogen zou hebben afgewend, werd de blik onwederstaanbaar aangetrokken door de warme, heldere, lichtvolle, vroolijke kleuren van den azuren hemel en den azuren oceaan. Juist toen ik mij omkeerde, om der wijde zee mijn laatsten afscheidsgroet toe te wuiven, bespeurde ik op haar helderen spiegel twee donkere, nauwelijks merkbare stippen. De een was een schip, haastig zuidwaarts stevenende,—waarschijnlijk dat van onzen vriend den kapitein;—waarvan de zeilen, op dien afstand, er uitzagen als een vlok dons, door den wind medegevoerd; de andere stip was een stoomboot, die naar het noorden koers zette, en een ter nauwernood zichtbaren draad van rook achterliet.De muilezeldrijvers hadden hun ontbijt geëindigd, en waren nu bezig onderling het geld bijeen te brengen om de gemaakte vertering te betalen, waarmede nog een geruime tijd verloren ging. Wij zetten ons weder in den zadel, en sloegen den weg in naar de pampa van Islay: eene zandzee van twintig mijlen breed en zestig mijlen lang, en waarvan de nu eens onbeweeglijke, dan weder vluchtige golven, zeer veel gelijkenis vertoonen met de baren der zee, wier wateren vroeger deze streek moeten hebben overdekt. Ten einde de vlakte in schuine richting over te steken, hadden wij ons noordoostwaarts gewend, en den vrijen teugel gelaten aan onze muilezels, die konden gaan zoo als zij wilden, want het kwam er boven alles op aan, hunne krachten te sparen. De aardige dieren maakten van die schoone gelegenheid gebruik om aanstonds het gelid te verbreken, en achter elkander te gaan loopen, wat de muilezels dadelijk gaan doen, zoodra zij aan hun eigen zin worden overgelaten. Zoodra zij dat gedaan hadden, begon iedere ezel luid te hinniken, wierp zijn ooren achterover, rekte zijn hals uit, en zette zich in zachten draf achter zijn voorman. De drijvers hieven een weemoedig gezang aan.De tocht door deze woestijn is niet zonder gevaren. De zeewind, die voortdurend over dit beweeglijk zand heenstrijkt, brengt telkens allerlei veranderingen te weeg. Binnen weinige uren vormen zich spleten en diepten, verheffen zich duinen en dammen, om straks weder te verdwijnen, verstrooid te worden en ginds op nieuw te ontstaan. Om zich op hun tocht door deze bedriegelijke streek van den rechten weg te vergewissen, richten de stuurlieden van de pampa zich des daags naar de zon, en des nachts naar de sterren: veilige gidsen, die nooit iemand misleiden. Behalve de sterren en de hemellichamen, zijn daar nog, om hun den weg te wijzen, de geraamten van dieren, die op de reis door de vlakte van uitputting bezweken zijn. Deze sombere merken, waarop de drijvers nauwkeurig acht geven, wijzen door hunne ligging rechts of links, door hunne nabijheid of hunne verwijdering aan, in hoe ver de karavaan den rechten weg volgt. Ook wordt de verschijning van zulk een teeken altijd met zekere blijdschap begroet, ondanks het gevoel van afgrijzen, met medelijden vermengd, dat u bij dit gezicht onwillekeurig aangrijpt. Ik spreek hier natuurlijk van de beschaafde, gevoelige reizigers, die bij de zaak geen rechtstreeksch belang hebben; want de muilezeldrijvers, schraapzuchtig en koud van gemoed, gevoelen bij den aanblik dier beenderen geheel iets anders: zij denken daarbij aan het verloren kapitaal, en maken zich veeleer kwaad dan dat zij medelijden zouden gevoelen.Wij waren reeds sedert eenigen tijd op weg, onze blikken over de onmetelijke pampa latende dwalen, en niets ontdekkende dat naar een geraamte geleek, toen een der oudearrieros, die aan de spits der karavaan liep, eensklaps luide uitriep: “De beenderen! ziedaar de beenderen!” Aller oogen richtten zich dadelijk naar de aangewezen plek; en aan het uiteinde der vlakte, zuidwaarts, zagen wij nu eene helder witte streep, niet ongelijk aan de aderen van salpeter of zeezout, die in deze streken zeer dikwijls voorkomen. Op raad van onzen gids, die beweerde dat wij de richting dezer geraamten moesten volgen, sloegen wij rechts af en trokken daarheen.Deze beenderen, in kleine hoopen opeen gestapeld, in eene lange lijn, die zich aan den horizon verloor, waren meer of minder uitgebleekt, meer of minder gepolijst, naar gelang van den tijd, die er verloopen was sedert den dood der schepselen, aan wie zij eens behoord hadden. Aan zekere regelmatigheid in hunne schikking meende ik de hand des menschen te herkennen; hoewel onze drijvers, aan wie ik deze opmerking maakte, beweerden dat alleen de wind dit alzoo gebouwd had. Toen ik hun echter sommige paarde- en muildierkoppen wees, in welker oorholten eene schendige hand een paar beenderen, bij wijze van horens, gestoken had; en sommige andere schedels, uit wier neusgaten ribben te voorschijn kwamen, die snuiten of slagtanden moesten verbeelden;—begonnen de mozos van den troep luidkeels te lachen: waaruit ik besloot dat zij, of althans hunne kameraden, waarschijnlijk in dronkenschap, deze ontwijding der dooden gepleegd hadden.Naar mate wij verder kwamen, werden de oudere beenderen meer en meer met nieuwe vermengd, tot zij eindelijk daar geheel onder verdwenen. Sommige beenderen waren nog met een zwartachtig vleesch en verdorde zenuwen bekleed; geheel ongeschonden geraamten deden u onwillekeurig denken aan het paard van den dood in de Apocalypsis; enkelen waren nog met de huid bekleed. Onder die strak gespannen huid huisden gansche troepen van gallinasos (Percnopteros Urubu), de gewone bewoners dezer wildernissen. Even als de rat van La Fontaine zich in de hollandsche kaas eene woning maakt, zoo hadden ook deze afschuwelijke dieren, na het vleesch hunner prooi geheel verslondente hebben, zich in het uitgeholde geraamte genesteld. Het gerucht der voorbijtrekkende karavaan deed hen, een voor een, uit deze akelige schuilplaatsen te voorschijn komen; zij zagen ons aan met hunne doffe ziellooze oogen, en trokken zich weder terug, zoodra wij voorbij waren. De nieuwsgierigsten of de hongerigsten zetten zich op een schedel of eene uitstekende ribbe, als op een tak, en bespiedden met een schuinschen blik onze muilezels, gereed zich dadelijk te werpen op het ongelukkige dier, dat onderweg bezwijken mocht. Maar hunne hoop werd niet vervuld: onze muildieren, al lieten zij staart en ooren hangen, vervolgden rustig hun weg, tot groote voldoening der arrieros, van wie wij ze gehuurd hadden.De dag liep verder zonder buitengewone ontmoetingen ten einde; na ons den schedel en den nek geroosterd te hebben, zonk de zon eindelijk achter ons onder de kimmen. Nauwelijks was zij verdwenen, of een zachte, liefelijke koelte, van de Cordilleras afgedaald, suisde over de vlakte. In den beginne ademden wij met volle teugen dien verkwikkenden zephyr in; maar na verloop van een uur, was die suizende koelte een scherpe, snijdende wind geworden, en wij waren gedwongen, een wollen mantel om te slaan over den wit katoenen poncho. Wij trokken zoo voort tot tien uur, te midden der duisternis, die echter door het heldere schijnsel der starren tot schemering werd. Eensklaps zagen wij, op korten afstand voor ons, eene donkere zwarte massa verrijzen. Wij herkenden den Tampu of de karavanseraï der pampa. Onze muildieren, die insgelijks den tampu herkenden, rekten hunne halzen uit, en stonden uit eigen beweging stil op den drempel van dit gastvrij verblijf, waar de reizigers gewoonlijk halt houden, meer om hunne beesten te laten uitrusten, dan om zelven adem te scheppen.Peons.Peons.Die tampu, door de Quechuas tegenwoordig oneigenlijk Tambo genoemd, bestaat uit eene zeer lange en zeer lage houten woning, met een planken dak, en in verscheidene kompartimenten verdeeld; het met mica vermengde zand der woestijn dient tot vloer; en daar dit zand door tallooze legioenen mikroskopische, maar zeer bloeddorstige luizen bewoond is, vindt de reiziger, op dit zachte bed, schier geen enkel oogenblik de zoo zeer begeerde rust. Tegenover dit ongerief staat het voordeel, dat de tampu juist in het midden der woestijn staat, halverwege het dorp Islay en de stad Arequipa, drieduizend-negen-honderd-zeventien voet boven den Stillen Oceaan.Wij waren uitermate vermoeid, lieten de zorg voor de muildieren aan de mozos over, en haastten ons, de herberg binnen te treden, waar een diepe stilte heerschte. Eene opening zonder deur, in den houten wand aangebracht, gaf toegang tot een zaal, waar het stikdonker was; al tastende langs de muren gaande, riepen wij overluid, om de bewoners der herberg van onze komst te verwittigen. Eindelijk antwoordde ons de herbergier, door ons roepen gewekt: maar nog steeds verscheen er geen licht. Op zijne vragen antwoordden wij met de kreten: “Vuur! water!” De man verscheen een oogenblik daarna, in de eene hand een flesch dragende, in wier hals eene brandende vetkaars stak; in de andere hand een emmer met water en een beker, waarom wij bijkans vochten. Nadat onze brandende dorst gelescht was, vroegen wij, of er hier niet het een of ander te krijgen was, waarmede wij onzen honger konden stillen: want de sandwiches van den consul waren sinds lang vergeten. Wij kregen ten antwoord, dat er in den tambu nog maar zes kippen voorhanden waren, wel is waar levend, maar die op een wenk van ons, dadelijk konden geslacht worden. Wij haastten ons, dien wenk op de meest ondubbelzinnige wijs te geven; de herbergier boog, vroeg een uur uitstel om zijne vrouw te wekken, vuur te maken, de kippen te dooden, te plukken en ze ons voor te zetten, toebereid met rijst en piment. Zijn verzoek werd ingewilligd.Na verloop van een uur verscheen inderdaad de herbergier, een terrine dragende, waarin te midden van een plas helder vocht, eenige kleine stukken gevogelte dreven; wij kregen ieder een houten lepel, zetten ons in een kring om den dampenden schotel, en weerden ons dapper. De herbergier, bescheiden in de schaduw teruggetrokken, sloeg ons aandachtig gade; zijn gevoelvan eigenwaarde moest wel gestreeld worden door onze ongeveinsde ingenomenheid met zijn kookkunst. Toen de terrine tot den bodem ledig was, wierpen wij er onze lepels in, en vroegen de rekening. De herbergier had die reeds, terwijl wij aten, met een stuk krijt op een plank geschreven, en reikte ons die nu met vriendelijk gebaar over. Deze rekening was van den volgenden inhoud:Vel-agu4. 16—Chup-suma60.80. Daar wij hier niets van begrepen, begonnen wij te lachen; maar de kastelein gaf ons de verklaring van deze geheimzinnige teekens: en wij lachten niet meer. Het stukje smerige vetkaars in de flesch werd ons aangerekend voor vier realen; de emmer water voor twee piasters; de kippensoep kostte zeven-en-een-halve piaster: de geheele zeer eenvoudige maaltijd kwam ons op niet minder dan vijftig francs te staan.Jonge dame van Arequipa.Jonge dame van Arequipa.Een Europeaan, nog onbekend met de landsgebruiken, zou natuurlijk over gruwelijke afzetterij geschreeuwd hebben; maar onze vrienden, in het land geboren en opgevoed, en ik, die er sedert eenige jaren gevestigd was, wij beschouwden de zaak uit een ander oogpunt, en betaalden, zonder een woord tegen te spreken, maar ook zonder een fooi te geven. De kastelein scheen zich over dit moedwillig verzuim niet te ergeren; hij stak het geld in zijn zak, en ging heen, met achterlating van zijne terrine.Inmiddels waren onze bedienden buiten den tampu ingeslapen en lagen rustig op den grond uitgestrekt, terwijl de muildieren, wien het aan voedsel en water ontbrak, hinnikten en trappelden. Wij maakten de slapers wakker, en lieten de muildieren zadelen, ten einde onmiddellijk onze reis te vervolgen: want, ter wille onzer dieren, verdiende een nachtelijke tocht door de pampa de voorkeur: zij hadden dan niet te lijden van de hitte en konden dus beter honger, dorst en vermoeienis verdragen.Den tampu verlatende, wendden wij ons oostwaarts; de wind blies niet meer van de Cordilleras, maar de lucht was koel en scherp; onze muildieren, door de rust en de frissche temperatuur versterkt, toonden zich met de beste voornemens bezield, waarvan wij aanstonds gebruik maakten om een fiksch eind vooruit te komen. Omstreeks vijf uur begon een zilverachtige schemerschijn den hemel te kleuren; de sterren verbleekten; het werd dag. Weldra verlichtten enkele oranjekleurige stralen den effen bodem van de pampa; straks vertoonde zich de zonneschijf, en zond ons den vollen gloed harer verblindende stralen vlak in het gezicht. Wij waren verplicht, met gebogen hoofde en zooveel mogelijk in elkaar gedoken, voort te rijden: eene zeer onaangename positie. Eerst om acht uur was de zon zoo hoog boven de kimmen gerezen, dat wij weder ongehinderd konden opzien. De met sneeuw gekroonde toppen der Andes verhieven zich voor ons; de bergketen werd in tweeën gedeeld door eene reeks lagere cerros of heuvelen, die de pampa aan de oostzijde begrensden. Wij reden nu achter elkander over smalle, bochtige, moeilijke paden, die langs den voet dezer heuvelen loopen; de dorre streek leverde maar enkele planten op, en voorts grauwe hagedissen en scharen van tortelduiven. Die tortelduiven zijn, met de ratten, vlooien en luizen, een van de geesels dezer streek; niet alleen verwoesten zij de maïs- en korenakkers, maar zij vervullen ook de lucht met haar onophoudelijk klagelijk gekir.Koopman in aardewerk.Koopman in aardewerk.De rit door de cerros kostte ons ongeveer twee uur, waarbij wij veel van de hitte en de stof te lijden hadden; maar wij werden voor al die onaangenaamheden ruimschoots schadeloos gesteld door het prachtig panorama, dat zich voor ons ontvouwde, toen wij den laatsten cerro waren overgetrokken. Voor onze voeten lag de vallei van Arequipa, eene twee mijlen breede kloof van ongeveer vijfhonderd voet diepte, bedekt met een groen tapeet van verschillende kleurschakeeringen; dorpen, hoeven, landhuizen kwamen helder uit op dien donkeren grond; twee rivierkens stuwden in breede kronkeling hare wateren door de vallei, om eindelijk samente vloeien. De oostelijke horizon was begrensd door de westelijke Andes, wier schitterende sneeuwtoppen den hemel schenen te torschen. Twee sierras, aan de hoofdketen verbonden, verhieven zich vlak tegenover ons; de eene, ter rechterhand, Pichu-Pichu geheeten, was getand als eene zaag; de andere, aan de linkerhand, Chachani genoemd, verhief hare loodrechte wanden als een reuzenmuur. Een vlakte van omstreeks twintig mijlen in omtrek scheidde de twee gevaarten. Uit het midden van dit plateau verhief zich, in indrukwekkende majesteit, de Misti, een der schoonst gevormde vulkanen, die de keten der Andes bezit.De vallei van Arequipa werd in het begin van de dertiende eeuw ontdekt door den vierden Inca Mayta-Capac, die, op het voetspoor van zijn voorgangers, van Cuzco was uitgegaan om de grenzen des rijks uit te breiden, en de nog onafhankelijke stammen van het gebergte en de kust tot de dienst van den Zonnegod te bekeeren. Na de Aymaras van de vlakte van Tiahuanacu in Bolivia onderworpen te hebben, was hij de dubbele keten der Andes, boven de bronnen van den Apurimac, overgetrokken, en had het andere gedeelte van het volk der Aymaras, die in de omstreken van Parihuanacocha woonden, onderworpen. Van dezen tocht terugkeerende, en langs den voet der Cordilleras voorttrekkende, had hij bij toeval de vallei van Arequipa ontdekt, destijds nog onbewoond, en waaraan hij den naam gaf van Coripuna—de goudvlakte—naar een thans uitgebranden vulkaan, op de grensscheiding der provinciën Cailloma en Arequipa.De helling der vallei, van de sierra van Characato, waar zij aanvangt, tot aan de kusten van den oceaan, bedraagt niet minder dan zevenduizend-honderd-dertien voet. In verband hiermede heerscht in den plantengroei de grootste afwisseling, gelijken tred houdende met het verschil in temperatuur. De vallei levert achtervolgens tarwe, rogge en koren, als de gematigde luchtstreken; dan maïs, vijgen en rozijnen, olijven en granaten, als zuidelijk Europa: en eindelijk bananen en suikerriet, als de tropische landen. De reiziger, die uitgeput en hijgend naar zijn adem, bezwijkende van de hitte en met stof overdekt, den zoom der cerros bereikt, en eensklaps deze weelderig groene vallei voor zich ziet, begroet in haar een beloofd land, een dier ouadies van Arabië, waar eindelijk de woestijn een grenspaal vindt; bij dien aanblik voelt hij zijn kracht en moed herleven, terwijl zijne oogen, door de weerkaatsing der zonnestralen op het zand verblind, met wellust op deze zachte groene tinten rusten.Deze prachtige vallei, zoo merkwaardig in meer dan een opzicht, zoo schilderachtig schoon, heeft intusschen zeer weinig wat den natuuronderzoeker boeien kan. Haar flora en haar fauna, in den omtrek van Arequipa, hebben bitter weinig te beteekenen, en de lijst der planten en dieren, aan deze streek eigen, is al zeer spoedig opgemaakt. Daar ik hier niet in de eerste plaats voor natuurkundigen schrijf, behoef ik over de voortbrengselen van het planten- of dierenrijk in de vallei van Arequipa dan ook niet verder uit te wijden.

II.Wij beklommen het steile pad, dat naar het dorp Islay voert, en kwamen bij den engelschen consul. De echtgenoote en de dochters van dien ambtenaar, ongerust over zijn lang wegblijven, ontvingen hem met hartelijke uitroepingen van verrassing en vreugde. Daarop noodigden die dames ons vriendelijk uit, dien dag in den schoot der familie door te brengen en aan den maaltijd deel te nemen; maar, daar ik begeerig was, mij zoo spoedig mogelijk op weg te begeven, sloeg ik die uitnoodiging af. Mijne reismakkers, die, te oordeelen naar de blikken, die zij elkander toewierpen, zeer gaarne aan de uitnoodiging gevolg zouden hebben gegeven, durfden nu, op mijn voorbeeld, niet anders dan evenzeer bedanken. De vriendelijke dames, die ons volstrekt niet nuchter wilden laten vertrekken, haastten zich nu om de noodigesandwicheste bereiden, dieons welhaast door een bediende werden gepresenteerd. Wij besproeiden die gebakjes met een glas Champagnewijn, van Exeter afkomstig, waar eene zeer gerenommeerde fabriek van dien wijn bestaat. Na afloop van dienluncheonzette de oudste dochter van den consul, eene mooie lieve blondine, met den dichterlijken naam van Stella, zich aan de piano, en speelde, om de eigenliefde der gasten van haar vader te streelen, de cantate vanManco Ccapac. Al de notabelen waren opgetogen en klapten in de handen. Het air moest nog eens herhaald worden, en nu begon een hunner daarbij de woorden te zingen, waarbij de anderen weldra invielen. Dit volkslied, dat in Europa zoo goed als onbekend, maar in Peru zeer geliefd is, en waarvan, naar men zegt, de woorden en de muziek vervaardigd zijn door een kerkedienaar van denSagrariovan Ayacucho, bestaat uit achttien koupletten, waarvan elk veertien versregels telt. De zwaarmoedige, klagende wijs der muziek stemt volkomen overeen met den inhoud van het gedicht, dat hoofdzakelijk eene weemoedige klacht bevat over de verdwenen heerlijkheid van de kinderen der Zon. De uitvoering van dit stuk duurde omstreeks vijf kwartier; maar niemand viel die tijd te lang. Doch, daar de zangers tusschen elk kouplet een hartelijken dronk wijdden aan de nagedachtenis van den man, die Peru uit de barbaarschheid getogen had, begon mij de vrees te bekruipen dat zij, in hunne toomelooze geestdrift, als het lied ten einde was, wellicht eene quadrille zouden gaan dansen: want als deze lieden eenmaal aan den gang zijn, weten zij van geen ophouden. Daarom maakte ik aanstonds gebruik van de oogenblikkelijke stilte, die op het uitgalmen van den laatsten regel volgde, om op te staan en afscheid van den consul en zijne familie te nemen. Nu waren mijn makkers wel gedwongen, een einde aan de zaak te maken. Zij namen hunne hoeden, groetten met een zeer knorrig gezicht, en volgden mij, blijkbaar zeer ontevreden omdat zij een dag, die zoo prettig beloofde te zijn, dus op eenmaal moesten afbreken.Indiaansche vrouwen uit Peru.Indiaansche vrouwen uit Peru.Onze muildieren stonden reeds gereed. Ieder zocht zijn eigen dier uit, en zette zich in den zadel. De muilezeldrijvers en de mozos (jongens) plaatsten zich aan het hoofd van den trein, en wij verlieten de woning van den consul, onder de luide begroetingen en heilwenschen der familie, onder handdrukken en wuiven van zakdoeken. Het zal toen omstreeks twaalf uur zijn geweest. De zon brandde op het gloeiende zand. Ieder brokje en korreltje mica, een spiegel van Archimedes gelijk, zond ons een verblindenden lichtstraal in het gelaat. De drie rijen houten huizen, met strooien of rietendaken gedekt, die de drie straten van Islay vormen, lagen weldra achter ons. Op den top des heuvels gekomen, hadden wij aan onze rechterhand de kerk van het dorp, niet veel meer dan eene loods, die gedurende drie vierde van het jaar gesloten is en den vleermuizen tot woning dient; aan onze linkerhand zagen wij een reeks perken, door ruwe steenen omsloten en met houten kruisen versierd; aanvankelijk dacht ik, dat het kerkhoven waren, maar weldra vernam ik, dat ik niets dan perken voor de muilezels voor mij zag. Kort daarop daalden wij langs de oostelijke helling van de loma af, en bevonden ons nu op een weg, waarvoor menschen en dieren om het zeerst beducht zijn. Deze weg, niet ongelijk aan het diepe wagenspoor van een reusachtige kar, ter hoogte van een voet bedekt met een steenachtige vulkanische asch, waarin millioenen luizen wriemelen en krioelen, draagt den weidschen naam van de.Quebrada van Islay. Quebrada—vallei—het zij zoo; maar, dewijl de zware hooge heuvelen, die deze kloof ter wederzijde omzoomen, de frissche zeewinden volkomen afkeeren, heerscht hier een temperatuur, het best met die van een kalkoven te vergelijken. Nauwelijks waren wij dan ook in deze diepte afgedaald, of de adem scheen onze longen te begeven, en wij begonnen op onrustbarende wijze te hijgen, en naar lucht te snakken.Vastenavond te Arequipa.Vastenavond te Arequipa.Twee uren lang trokken wij door deze Quebrada, allen achter elkander rijdende en in somber zwijgen verzonken: een gevolg deels van het woeste, akelige voorkomen der streek, deels van de vrees om het afschuwelijke stof in te ademen, door de hoeven onzermuildieren opgejaagd. Te midden dier algemeene lusteloosheid, gaven de mozos alleen nog teekenen van leven, door hun schreeuwen en roepen om de achterblijvende muilezels aan te sporen.Weldra bespeurden wij, aan sommige onmiskenbare teekenen, dat onze foltering haar einde naderde. De heuvels, die ter wederzijde de kloof ommuurden, begonnen minder hoog te worden, weken steeds verder uit elkander, en werden in het eind door nederige hoogten vervangen. De zeewind kon weder tot ons doordringen; de bodem verhief zich; de weg bestond nu uit eene opeenvolging van steile glooiingen, die wij moesten bestijgen. Naar het zeggen der muilezeldrijvers, naderden wij eene plek,Olivargenaamd: eene soort van natuurlijke grensscheiding tusschen de Quebrada en de Pampa, tusschen het dal en de vlakte, tusschen het gebied van de asch en dat van het zand. De armoedige flora, vertegenwoordigd door welriekende heliotropen, door dwergachtige kromgetrokken olijfboomen en ettelijke sobere gramineën, poogde vergeefs, onder haar vuil-grauw stoffig masker, onze aandacht te trekken; zij zag er zoo pover en ellendig uit, dat wij haar nauwelijks een blik waardig keurden.De weg, die nog steeds stijgende bleef, bracht ons, na veelvuldige kronkelingen, op een klein onregelmatig plateau, van waar men den ganschen omtrek overzag. Midden op die vlakte stond eene ajoupa van gescheurde matten, aan palen bevestigd. Onder deze soort van tent zaten en lagen eenige vrouwen, in lompen gehuld, en eenige moedernaakte kinderen, te midden van potten, kruiken en aardewerk. Een lage tafel, waarop gebraden visschen, gemalen piment, en die soort van eetbaar zeegras, waaraan de Indianen den naam geven vancocha-yuyu, deed ons deze ajoupa kennen als een dier restauraties in de open lucht, in Peru zoo wel bekend. Deze spijzen, met eene dikke laag vulkanische asch overstrooid, zagen er niet zeer aptijtelijk uit; maar onze muilezeldrijvers bekommerden zich niet over zulk eene kleinigheid. Aanstonds lieten zij zich door de vrouwen eene dubbele portie van die stoffige lekkernijen voorzetten, benevens een kruik chicha. Daar het de gewoonte is, eer men de pampa ingaat, hier eenige oogenblikken op te houden, om de muildieren te laten uitrusten, stapten ook wij af, terwijl onze drijvers hun ontbijt gebruikten; mijne makkers sloegen vuur, en staken hunne sigaren aan. Ik liet hen rustig hunne rookwolken uitblazen, en begaf mij naar den rand van het plateau, zeventienhonderd el boven de zee gelegen, om de streek te overzien, die wij zoo pas waren doorgetrokken, en waar ik hoogst waarschijnlijk nimmer meer den voet zetten zou.De gansche omliggende streek, van den voet van het plateau tot den oceaan, was eentonig grijs van kleur, dooraderd van onregelmatige geelbruine strepen. De tallooze heuvels, die de oppervlakte bedekken, geleken, van deze hoogte en uit de verte gezien, op die eigenaardige phlyctenen, blazen of verheffingen van den grond, die in den omtrek der vulkanen zoo veelvuldig voorkomen. Van het noorden tot het zuiden strekte zich de donkere lijn uit der lomas of zoutheuvelen, die tusschen den 23° en der 10° deze kust omzoomen; hunne hellingen en kruinen vertoonden hier en daar een geelachtigen tint, die straks, na de eerste nevels van den zomer,—vruchtbaar makende dampen, die des nachts ontstaan en omstreeks elf uur in den morgen zich weder oplossen;—in vroolijk groen zou veranderen; door de ongemeene helderheid der lucht waren alle bijzonderheden van dit wijde landschap, tot op grooten afstand, duidelijk kenbaar. Zuidwaarts vertoonde zich als een zwarte streep, scheiding makende tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel: dat was kaap Coles en de rotsen van het dal van Tambo, welks rivier, des zomers droog, des winters, als de wateren zwellen, met hare modderige golven ontzaglijke steenblokken medevoert, van de bergen afgescheurd. Iets meer nabij, ontwaarde ik de vlakke kusten van Mejillones en Cocotea, met hare koraalbanken, haar lagen van guano, en hare sombere heuvels met de talloozehuacas(graven), waar duizende mummies hun eeuwigen slaap slapen. Elke plek, waarheen ik mijne blikken wendde, herinnerde mij eene of andere ontdekking, een of ander avontuur. Hier had ik eenige weken vertoefd, in gezelschap van Llipis-Indianen uit de groote woestijn van Atacana, levende van zeegras, van alikruiken en watermeloenen: alles wat deze streek oplevert. Daar was ik, van den top der duinen, als machteloos toeschouwer, getuige geweest van de schipbreuk van de amerikaansche brik deSusquehannah. Verder verhief zich, als een kegelvormig eiland, te midden van het vlotzand, de heuvel der Aymaras met zijn knekelhuis, dagteekenende uit den tijd vóór de spaansche verovering, waar ik zulke merkwaardige phrenologische exemplaren had gevonden. Nog verder, meer ten zuiden, de buitengronden van Arenal, met hunne voorraadschuren van visch-guano, tot dusverre nog onbekend, en waarop ik de aandacht der geleerden had pogen te vestigen. Daaromheen gaapten de met asch en slakken gevulde kraters van overoude, uitgebluschte vulkanen, die zich, in voorhistorische tijdperken, aan deze kust verhieven, en die noch kapitein Frézier in 1713, noch Humboldt en Bonpland in 1804, noch d’ Orbigny in 1836, hadden opgemerkt.Oostwaarts droeg het landschap een eenigszins gewijzigd karakter. Een zandwoestijn, geheel bezaaid met plompe, ronde cerros (heuvelen), allen sterk naar het westen overhellende, sloot hier als een muur den gezichteinder. Die cerros, van blokken zandsteen en vulkanische rotsen gevormd, die—wie kan gissen voor hoe vele eeuwenreeksen?—door de wateren der zee, in haar terugtocht van het oosten naar het westen, waren medegevoerd, op elkander geworpen, zaamgeperst:—deze cerros hadden mij menigmaal in de gelegenheid gesteld, de vervorming der gesteenten van nabij te bestudeeren. Aan hun voet, in de nabijheid van een of andere kleine beek, groeiden dwergachtige, armoedige olijven, kokos- en vijgeboomen, meer grauw dan groen, en alleen kenbaar door de schaduw, die zij afwierpen.Een onbeschrijfelijke weemoed vervulde de ziel, bij den aanblik van deze landstreek, dor tot naaktheid toe, uitgedroogd tot in het gebeente, en nog heden,zoowel door de gesteldheid van den bodem als door de gedaante der bergen, de duidelijke sporen vertoonende van de geduchte worsteling der twee elementen, die haar beurtelings hadden geteisterd en verwoest. De overoude en eeuwigdurende strijd van den draak met de hydra, van het vuur met het water, was in onuitwischbare trekken overal gegriffeld op deze sombere aarde, wonderlijk geteekend met bruine, rosse, grauwe strepen, en toch, ondanks de zee van licht, die de brandende middagzon daarover uitgoot, zoo onbeschrijfelijk doodsch en koud. Te midden van deze doffe, stoffige, toonlooze kleuren, die een geoloog zeker zou hebben bewonderd, maar waarvan een schilder haastig de oogen zou hebben afgewend, werd de blik onwederstaanbaar aangetrokken door de warme, heldere, lichtvolle, vroolijke kleuren van den azuren hemel en den azuren oceaan. Juist toen ik mij omkeerde, om der wijde zee mijn laatsten afscheidsgroet toe te wuiven, bespeurde ik op haar helderen spiegel twee donkere, nauwelijks merkbare stippen. De een was een schip, haastig zuidwaarts stevenende,—waarschijnlijk dat van onzen vriend den kapitein;—waarvan de zeilen, op dien afstand, er uitzagen als een vlok dons, door den wind medegevoerd; de andere stip was een stoomboot, die naar het noorden koers zette, en een ter nauwernood zichtbaren draad van rook achterliet.De muilezeldrijvers hadden hun ontbijt geëindigd, en waren nu bezig onderling het geld bijeen te brengen om de gemaakte vertering te betalen, waarmede nog een geruime tijd verloren ging. Wij zetten ons weder in den zadel, en sloegen den weg in naar de pampa van Islay: eene zandzee van twintig mijlen breed en zestig mijlen lang, en waarvan de nu eens onbeweeglijke, dan weder vluchtige golven, zeer veel gelijkenis vertoonen met de baren der zee, wier wateren vroeger deze streek moeten hebben overdekt. Ten einde de vlakte in schuine richting over te steken, hadden wij ons noordoostwaarts gewend, en den vrijen teugel gelaten aan onze muilezels, die konden gaan zoo als zij wilden, want het kwam er boven alles op aan, hunne krachten te sparen. De aardige dieren maakten van die schoone gelegenheid gebruik om aanstonds het gelid te verbreken, en achter elkander te gaan loopen, wat de muilezels dadelijk gaan doen, zoodra zij aan hun eigen zin worden overgelaten. Zoodra zij dat gedaan hadden, begon iedere ezel luid te hinniken, wierp zijn ooren achterover, rekte zijn hals uit, en zette zich in zachten draf achter zijn voorman. De drijvers hieven een weemoedig gezang aan.De tocht door deze woestijn is niet zonder gevaren. De zeewind, die voortdurend over dit beweeglijk zand heenstrijkt, brengt telkens allerlei veranderingen te weeg. Binnen weinige uren vormen zich spleten en diepten, verheffen zich duinen en dammen, om straks weder te verdwijnen, verstrooid te worden en ginds op nieuw te ontstaan. Om zich op hun tocht door deze bedriegelijke streek van den rechten weg te vergewissen, richten de stuurlieden van de pampa zich des daags naar de zon, en des nachts naar de sterren: veilige gidsen, die nooit iemand misleiden. Behalve de sterren en de hemellichamen, zijn daar nog, om hun den weg te wijzen, de geraamten van dieren, die op de reis door de vlakte van uitputting bezweken zijn. Deze sombere merken, waarop de drijvers nauwkeurig acht geven, wijzen door hunne ligging rechts of links, door hunne nabijheid of hunne verwijdering aan, in hoe ver de karavaan den rechten weg volgt. Ook wordt de verschijning van zulk een teeken altijd met zekere blijdschap begroet, ondanks het gevoel van afgrijzen, met medelijden vermengd, dat u bij dit gezicht onwillekeurig aangrijpt. Ik spreek hier natuurlijk van de beschaafde, gevoelige reizigers, die bij de zaak geen rechtstreeksch belang hebben; want de muilezeldrijvers, schraapzuchtig en koud van gemoed, gevoelen bij den aanblik dier beenderen geheel iets anders: zij denken daarbij aan het verloren kapitaal, en maken zich veeleer kwaad dan dat zij medelijden zouden gevoelen.Wij waren reeds sedert eenigen tijd op weg, onze blikken over de onmetelijke pampa latende dwalen, en niets ontdekkende dat naar een geraamte geleek, toen een der oudearrieros, die aan de spits der karavaan liep, eensklaps luide uitriep: “De beenderen! ziedaar de beenderen!” Aller oogen richtten zich dadelijk naar de aangewezen plek; en aan het uiteinde der vlakte, zuidwaarts, zagen wij nu eene helder witte streep, niet ongelijk aan de aderen van salpeter of zeezout, die in deze streken zeer dikwijls voorkomen. Op raad van onzen gids, die beweerde dat wij de richting dezer geraamten moesten volgen, sloegen wij rechts af en trokken daarheen.Deze beenderen, in kleine hoopen opeen gestapeld, in eene lange lijn, die zich aan den horizon verloor, waren meer of minder uitgebleekt, meer of minder gepolijst, naar gelang van den tijd, die er verloopen was sedert den dood der schepselen, aan wie zij eens behoord hadden. Aan zekere regelmatigheid in hunne schikking meende ik de hand des menschen te herkennen; hoewel onze drijvers, aan wie ik deze opmerking maakte, beweerden dat alleen de wind dit alzoo gebouwd had. Toen ik hun echter sommige paarde- en muildierkoppen wees, in welker oorholten eene schendige hand een paar beenderen, bij wijze van horens, gestoken had; en sommige andere schedels, uit wier neusgaten ribben te voorschijn kwamen, die snuiten of slagtanden moesten verbeelden;—begonnen de mozos van den troep luidkeels te lachen: waaruit ik besloot dat zij, of althans hunne kameraden, waarschijnlijk in dronkenschap, deze ontwijding der dooden gepleegd hadden.Naar mate wij verder kwamen, werden de oudere beenderen meer en meer met nieuwe vermengd, tot zij eindelijk daar geheel onder verdwenen. Sommige beenderen waren nog met een zwartachtig vleesch en verdorde zenuwen bekleed; geheel ongeschonden geraamten deden u onwillekeurig denken aan het paard van den dood in de Apocalypsis; enkelen waren nog met de huid bekleed. Onder die strak gespannen huid huisden gansche troepen van gallinasos (Percnopteros Urubu), de gewone bewoners dezer wildernissen. Even als de rat van La Fontaine zich in de hollandsche kaas eene woning maakt, zoo hadden ook deze afschuwelijke dieren, na het vleesch hunner prooi geheel verslondente hebben, zich in het uitgeholde geraamte genesteld. Het gerucht der voorbijtrekkende karavaan deed hen, een voor een, uit deze akelige schuilplaatsen te voorschijn komen; zij zagen ons aan met hunne doffe ziellooze oogen, en trokken zich weder terug, zoodra wij voorbij waren. De nieuwsgierigsten of de hongerigsten zetten zich op een schedel of eene uitstekende ribbe, als op een tak, en bespiedden met een schuinschen blik onze muilezels, gereed zich dadelijk te werpen op het ongelukkige dier, dat onderweg bezwijken mocht. Maar hunne hoop werd niet vervuld: onze muildieren, al lieten zij staart en ooren hangen, vervolgden rustig hun weg, tot groote voldoening der arrieros, van wie wij ze gehuurd hadden.De dag liep verder zonder buitengewone ontmoetingen ten einde; na ons den schedel en den nek geroosterd te hebben, zonk de zon eindelijk achter ons onder de kimmen. Nauwelijks was zij verdwenen, of een zachte, liefelijke koelte, van de Cordilleras afgedaald, suisde over de vlakte. In den beginne ademden wij met volle teugen dien verkwikkenden zephyr in; maar na verloop van een uur, was die suizende koelte een scherpe, snijdende wind geworden, en wij waren gedwongen, een wollen mantel om te slaan over den wit katoenen poncho. Wij trokken zoo voort tot tien uur, te midden der duisternis, die echter door het heldere schijnsel der starren tot schemering werd. Eensklaps zagen wij, op korten afstand voor ons, eene donkere zwarte massa verrijzen. Wij herkenden den Tampu of de karavanseraï der pampa. Onze muildieren, die insgelijks den tampu herkenden, rekten hunne halzen uit, en stonden uit eigen beweging stil op den drempel van dit gastvrij verblijf, waar de reizigers gewoonlijk halt houden, meer om hunne beesten te laten uitrusten, dan om zelven adem te scheppen.Peons.Peons.Die tampu, door de Quechuas tegenwoordig oneigenlijk Tambo genoemd, bestaat uit eene zeer lange en zeer lage houten woning, met een planken dak, en in verscheidene kompartimenten verdeeld; het met mica vermengde zand der woestijn dient tot vloer; en daar dit zand door tallooze legioenen mikroskopische, maar zeer bloeddorstige luizen bewoond is, vindt de reiziger, op dit zachte bed, schier geen enkel oogenblik de zoo zeer begeerde rust. Tegenover dit ongerief staat het voordeel, dat de tampu juist in het midden der woestijn staat, halverwege het dorp Islay en de stad Arequipa, drieduizend-negen-honderd-zeventien voet boven den Stillen Oceaan.Wij waren uitermate vermoeid, lieten de zorg voor de muildieren aan de mozos over, en haastten ons, de herberg binnen te treden, waar een diepe stilte heerschte. Eene opening zonder deur, in den houten wand aangebracht, gaf toegang tot een zaal, waar het stikdonker was; al tastende langs de muren gaande, riepen wij overluid, om de bewoners der herberg van onze komst te verwittigen. Eindelijk antwoordde ons de herbergier, door ons roepen gewekt: maar nog steeds verscheen er geen licht. Op zijne vragen antwoordden wij met de kreten: “Vuur! water!” De man verscheen een oogenblik daarna, in de eene hand een flesch dragende, in wier hals eene brandende vetkaars stak; in de andere hand een emmer met water en een beker, waarom wij bijkans vochten. Nadat onze brandende dorst gelescht was, vroegen wij, of er hier niet het een of ander te krijgen was, waarmede wij onzen honger konden stillen: want de sandwiches van den consul waren sinds lang vergeten. Wij kregen ten antwoord, dat er in den tambu nog maar zes kippen voorhanden waren, wel is waar levend, maar die op een wenk van ons, dadelijk konden geslacht worden. Wij haastten ons, dien wenk op de meest ondubbelzinnige wijs te geven; de herbergier boog, vroeg een uur uitstel om zijne vrouw te wekken, vuur te maken, de kippen te dooden, te plukken en ze ons voor te zetten, toebereid met rijst en piment. Zijn verzoek werd ingewilligd.Na verloop van een uur verscheen inderdaad de herbergier, een terrine dragende, waarin te midden van een plas helder vocht, eenige kleine stukken gevogelte dreven; wij kregen ieder een houten lepel, zetten ons in een kring om den dampenden schotel, en weerden ons dapper. De herbergier, bescheiden in de schaduw teruggetrokken, sloeg ons aandachtig gade; zijn gevoelvan eigenwaarde moest wel gestreeld worden door onze ongeveinsde ingenomenheid met zijn kookkunst. Toen de terrine tot den bodem ledig was, wierpen wij er onze lepels in, en vroegen de rekening. De herbergier had die reeds, terwijl wij aten, met een stuk krijt op een plank geschreven, en reikte ons die nu met vriendelijk gebaar over. Deze rekening was van den volgenden inhoud:Vel-agu4. 16—Chup-suma60.80. Daar wij hier niets van begrepen, begonnen wij te lachen; maar de kastelein gaf ons de verklaring van deze geheimzinnige teekens: en wij lachten niet meer. Het stukje smerige vetkaars in de flesch werd ons aangerekend voor vier realen; de emmer water voor twee piasters; de kippensoep kostte zeven-en-een-halve piaster: de geheele zeer eenvoudige maaltijd kwam ons op niet minder dan vijftig francs te staan.Jonge dame van Arequipa.Jonge dame van Arequipa.Een Europeaan, nog onbekend met de landsgebruiken, zou natuurlijk over gruwelijke afzetterij geschreeuwd hebben; maar onze vrienden, in het land geboren en opgevoed, en ik, die er sedert eenige jaren gevestigd was, wij beschouwden de zaak uit een ander oogpunt, en betaalden, zonder een woord tegen te spreken, maar ook zonder een fooi te geven. De kastelein scheen zich over dit moedwillig verzuim niet te ergeren; hij stak het geld in zijn zak, en ging heen, met achterlating van zijne terrine.Inmiddels waren onze bedienden buiten den tampu ingeslapen en lagen rustig op den grond uitgestrekt, terwijl de muildieren, wien het aan voedsel en water ontbrak, hinnikten en trappelden. Wij maakten de slapers wakker, en lieten de muildieren zadelen, ten einde onmiddellijk onze reis te vervolgen: want, ter wille onzer dieren, verdiende een nachtelijke tocht door de pampa de voorkeur: zij hadden dan niet te lijden van de hitte en konden dus beter honger, dorst en vermoeienis verdragen.Den tampu verlatende, wendden wij ons oostwaarts; de wind blies niet meer van de Cordilleras, maar de lucht was koel en scherp; onze muildieren, door de rust en de frissche temperatuur versterkt, toonden zich met de beste voornemens bezield, waarvan wij aanstonds gebruik maakten om een fiksch eind vooruit te komen. Omstreeks vijf uur begon een zilverachtige schemerschijn den hemel te kleuren; de sterren verbleekten; het werd dag. Weldra verlichtten enkele oranjekleurige stralen den effen bodem van de pampa; straks vertoonde zich de zonneschijf, en zond ons den vollen gloed harer verblindende stralen vlak in het gezicht. Wij waren verplicht, met gebogen hoofde en zooveel mogelijk in elkaar gedoken, voort te rijden: eene zeer onaangename positie. Eerst om acht uur was de zon zoo hoog boven de kimmen gerezen, dat wij weder ongehinderd konden opzien. De met sneeuw gekroonde toppen der Andes verhieven zich voor ons; de bergketen werd in tweeën gedeeld door eene reeks lagere cerros of heuvelen, die de pampa aan de oostzijde begrensden. Wij reden nu achter elkander over smalle, bochtige, moeilijke paden, die langs den voet dezer heuvelen loopen; de dorre streek leverde maar enkele planten op, en voorts grauwe hagedissen en scharen van tortelduiven. Die tortelduiven zijn, met de ratten, vlooien en luizen, een van de geesels dezer streek; niet alleen verwoesten zij de maïs- en korenakkers, maar zij vervullen ook de lucht met haar onophoudelijk klagelijk gekir.Koopman in aardewerk.Koopman in aardewerk.De rit door de cerros kostte ons ongeveer twee uur, waarbij wij veel van de hitte en de stof te lijden hadden; maar wij werden voor al die onaangenaamheden ruimschoots schadeloos gesteld door het prachtig panorama, dat zich voor ons ontvouwde, toen wij den laatsten cerro waren overgetrokken. Voor onze voeten lag de vallei van Arequipa, eene twee mijlen breede kloof van ongeveer vijfhonderd voet diepte, bedekt met een groen tapeet van verschillende kleurschakeeringen; dorpen, hoeven, landhuizen kwamen helder uit op dien donkeren grond; twee rivierkens stuwden in breede kronkeling hare wateren door de vallei, om eindelijk samente vloeien. De oostelijke horizon was begrensd door de westelijke Andes, wier schitterende sneeuwtoppen den hemel schenen te torschen. Twee sierras, aan de hoofdketen verbonden, verhieven zich vlak tegenover ons; de eene, ter rechterhand, Pichu-Pichu geheeten, was getand als eene zaag; de andere, aan de linkerhand, Chachani genoemd, verhief hare loodrechte wanden als een reuzenmuur. Een vlakte van omstreeks twintig mijlen in omtrek scheidde de twee gevaarten. Uit het midden van dit plateau verhief zich, in indrukwekkende majesteit, de Misti, een der schoonst gevormde vulkanen, die de keten der Andes bezit.De vallei van Arequipa werd in het begin van de dertiende eeuw ontdekt door den vierden Inca Mayta-Capac, die, op het voetspoor van zijn voorgangers, van Cuzco was uitgegaan om de grenzen des rijks uit te breiden, en de nog onafhankelijke stammen van het gebergte en de kust tot de dienst van den Zonnegod te bekeeren. Na de Aymaras van de vlakte van Tiahuanacu in Bolivia onderworpen te hebben, was hij de dubbele keten der Andes, boven de bronnen van den Apurimac, overgetrokken, en had het andere gedeelte van het volk der Aymaras, die in de omstreken van Parihuanacocha woonden, onderworpen. Van dezen tocht terugkeerende, en langs den voet der Cordilleras voorttrekkende, had hij bij toeval de vallei van Arequipa ontdekt, destijds nog onbewoond, en waaraan hij den naam gaf van Coripuna—de goudvlakte—naar een thans uitgebranden vulkaan, op de grensscheiding der provinciën Cailloma en Arequipa.De helling der vallei, van de sierra van Characato, waar zij aanvangt, tot aan de kusten van den oceaan, bedraagt niet minder dan zevenduizend-honderd-dertien voet. In verband hiermede heerscht in den plantengroei de grootste afwisseling, gelijken tred houdende met het verschil in temperatuur. De vallei levert achtervolgens tarwe, rogge en koren, als de gematigde luchtstreken; dan maïs, vijgen en rozijnen, olijven en granaten, als zuidelijk Europa: en eindelijk bananen en suikerriet, als de tropische landen. De reiziger, die uitgeput en hijgend naar zijn adem, bezwijkende van de hitte en met stof overdekt, den zoom der cerros bereikt, en eensklaps deze weelderig groene vallei voor zich ziet, begroet in haar een beloofd land, een dier ouadies van Arabië, waar eindelijk de woestijn een grenspaal vindt; bij dien aanblik voelt hij zijn kracht en moed herleven, terwijl zijne oogen, door de weerkaatsing der zonnestralen op het zand verblind, met wellust op deze zachte groene tinten rusten.Deze prachtige vallei, zoo merkwaardig in meer dan een opzicht, zoo schilderachtig schoon, heeft intusschen zeer weinig wat den natuuronderzoeker boeien kan. Haar flora en haar fauna, in den omtrek van Arequipa, hebben bitter weinig te beteekenen, en de lijst der planten en dieren, aan deze streek eigen, is al zeer spoedig opgemaakt. Daar ik hier niet in de eerste plaats voor natuurkundigen schrijf, behoef ik over de voortbrengselen van het planten- of dierenrijk in de vallei van Arequipa dan ook niet verder uit te wijden.

II.Wij beklommen het steile pad, dat naar het dorp Islay voert, en kwamen bij den engelschen consul. De echtgenoote en de dochters van dien ambtenaar, ongerust over zijn lang wegblijven, ontvingen hem met hartelijke uitroepingen van verrassing en vreugde. Daarop noodigden die dames ons vriendelijk uit, dien dag in den schoot der familie door te brengen en aan den maaltijd deel te nemen; maar, daar ik begeerig was, mij zoo spoedig mogelijk op weg te begeven, sloeg ik die uitnoodiging af. Mijne reismakkers, die, te oordeelen naar de blikken, die zij elkander toewierpen, zeer gaarne aan de uitnoodiging gevolg zouden hebben gegeven, durfden nu, op mijn voorbeeld, niet anders dan evenzeer bedanken. De vriendelijke dames, die ons volstrekt niet nuchter wilden laten vertrekken, haastten zich nu om de noodigesandwicheste bereiden, dieons welhaast door een bediende werden gepresenteerd. Wij besproeiden die gebakjes met een glas Champagnewijn, van Exeter afkomstig, waar eene zeer gerenommeerde fabriek van dien wijn bestaat. Na afloop van dienluncheonzette de oudste dochter van den consul, eene mooie lieve blondine, met den dichterlijken naam van Stella, zich aan de piano, en speelde, om de eigenliefde der gasten van haar vader te streelen, de cantate vanManco Ccapac. Al de notabelen waren opgetogen en klapten in de handen. Het air moest nog eens herhaald worden, en nu begon een hunner daarbij de woorden te zingen, waarbij de anderen weldra invielen. Dit volkslied, dat in Europa zoo goed als onbekend, maar in Peru zeer geliefd is, en waarvan, naar men zegt, de woorden en de muziek vervaardigd zijn door een kerkedienaar van denSagrariovan Ayacucho, bestaat uit achttien koupletten, waarvan elk veertien versregels telt. De zwaarmoedige, klagende wijs der muziek stemt volkomen overeen met den inhoud van het gedicht, dat hoofdzakelijk eene weemoedige klacht bevat over de verdwenen heerlijkheid van de kinderen der Zon. De uitvoering van dit stuk duurde omstreeks vijf kwartier; maar niemand viel die tijd te lang. Doch, daar de zangers tusschen elk kouplet een hartelijken dronk wijdden aan de nagedachtenis van den man, die Peru uit de barbaarschheid getogen had, begon mij de vrees te bekruipen dat zij, in hunne toomelooze geestdrift, als het lied ten einde was, wellicht eene quadrille zouden gaan dansen: want als deze lieden eenmaal aan den gang zijn, weten zij van geen ophouden. Daarom maakte ik aanstonds gebruik van de oogenblikkelijke stilte, die op het uitgalmen van den laatsten regel volgde, om op te staan en afscheid van den consul en zijne familie te nemen. Nu waren mijn makkers wel gedwongen, een einde aan de zaak te maken. Zij namen hunne hoeden, groetten met een zeer knorrig gezicht, en volgden mij, blijkbaar zeer ontevreden omdat zij een dag, die zoo prettig beloofde te zijn, dus op eenmaal moesten afbreken.Indiaansche vrouwen uit Peru.Indiaansche vrouwen uit Peru.Onze muildieren stonden reeds gereed. Ieder zocht zijn eigen dier uit, en zette zich in den zadel. De muilezeldrijvers en de mozos (jongens) plaatsten zich aan het hoofd van den trein, en wij verlieten de woning van den consul, onder de luide begroetingen en heilwenschen der familie, onder handdrukken en wuiven van zakdoeken. Het zal toen omstreeks twaalf uur zijn geweest. De zon brandde op het gloeiende zand. Ieder brokje en korreltje mica, een spiegel van Archimedes gelijk, zond ons een verblindenden lichtstraal in het gelaat. De drie rijen houten huizen, met strooien of rietendaken gedekt, die de drie straten van Islay vormen, lagen weldra achter ons. Op den top des heuvels gekomen, hadden wij aan onze rechterhand de kerk van het dorp, niet veel meer dan eene loods, die gedurende drie vierde van het jaar gesloten is en den vleermuizen tot woning dient; aan onze linkerhand zagen wij een reeks perken, door ruwe steenen omsloten en met houten kruisen versierd; aanvankelijk dacht ik, dat het kerkhoven waren, maar weldra vernam ik, dat ik niets dan perken voor de muilezels voor mij zag. Kort daarop daalden wij langs de oostelijke helling van de loma af, en bevonden ons nu op een weg, waarvoor menschen en dieren om het zeerst beducht zijn. Deze weg, niet ongelijk aan het diepe wagenspoor van een reusachtige kar, ter hoogte van een voet bedekt met een steenachtige vulkanische asch, waarin millioenen luizen wriemelen en krioelen, draagt den weidschen naam van de.Quebrada van Islay. Quebrada—vallei—het zij zoo; maar, dewijl de zware hooge heuvelen, die deze kloof ter wederzijde omzoomen, de frissche zeewinden volkomen afkeeren, heerscht hier een temperatuur, het best met die van een kalkoven te vergelijken. Nauwelijks waren wij dan ook in deze diepte afgedaald, of de adem scheen onze longen te begeven, en wij begonnen op onrustbarende wijze te hijgen, en naar lucht te snakken.Vastenavond te Arequipa.Vastenavond te Arequipa.Twee uren lang trokken wij door deze Quebrada, allen achter elkander rijdende en in somber zwijgen verzonken: een gevolg deels van het woeste, akelige voorkomen der streek, deels van de vrees om het afschuwelijke stof in te ademen, door de hoeven onzermuildieren opgejaagd. Te midden dier algemeene lusteloosheid, gaven de mozos alleen nog teekenen van leven, door hun schreeuwen en roepen om de achterblijvende muilezels aan te sporen.Weldra bespeurden wij, aan sommige onmiskenbare teekenen, dat onze foltering haar einde naderde. De heuvels, die ter wederzijde de kloof ommuurden, begonnen minder hoog te worden, weken steeds verder uit elkander, en werden in het eind door nederige hoogten vervangen. De zeewind kon weder tot ons doordringen; de bodem verhief zich; de weg bestond nu uit eene opeenvolging van steile glooiingen, die wij moesten bestijgen. Naar het zeggen der muilezeldrijvers, naderden wij eene plek,Olivargenaamd: eene soort van natuurlijke grensscheiding tusschen de Quebrada en de Pampa, tusschen het dal en de vlakte, tusschen het gebied van de asch en dat van het zand. De armoedige flora, vertegenwoordigd door welriekende heliotropen, door dwergachtige kromgetrokken olijfboomen en ettelijke sobere gramineën, poogde vergeefs, onder haar vuil-grauw stoffig masker, onze aandacht te trekken; zij zag er zoo pover en ellendig uit, dat wij haar nauwelijks een blik waardig keurden.De weg, die nog steeds stijgende bleef, bracht ons, na veelvuldige kronkelingen, op een klein onregelmatig plateau, van waar men den ganschen omtrek overzag. Midden op die vlakte stond eene ajoupa van gescheurde matten, aan palen bevestigd. Onder deze soort van tent zaten en lagen eenige vrouwen, in lompen gehuld, en eenige moedernaakte kinderen, te midden van potten, kruiken en aardewerk. Een lage tafel, waarop gebraden visschen, gemalen piment, en die soort van eetbaar zeegras, waaraan de Indianen den naam geven vancocha-yuyu, deed ons deze ajoupa kennen als een dier restauraties in de open lucht, in Peru zoo wel bekend. Deze spijzen, met eene dikke laag vulkanische asch overstrooid, zagen er niet zeer aptijtelijk uit; maar onze muilezeldrijvers bekommerden zich niet over zulk eene kleinigheid. Aanstonds lieten zij zich door de vrouwen eene dubbele portie van die stoffige lekkernijen voorzetten, benevens een kruik chicha. Daar het de gewoonte is, eer men de pampa ingaat, hier eenige oogenblikken op te houden, om de muildieren te laten uitrusten, stapten ook wij af, terwijl onze drijvers hun ontbijt gebruikten; mijne makkers sloegen vuur, en staken hunne sigaren aan. Ik liet hen rustig hunne rookwolken uitblazen, en begaf mij naar den rand van het plateau, zeventienhonderd el boven de zee gelegen, om de streek te overzien, die wij zoo pas waren doorgetrokken, en waar ik hoogst waarschijnlijk nimmer meer den voet zetten zou.De gansche omliggende streek, van den voet van het plateau tot den oceaan, was eentonig grijs van kleur, dooraderd van onregelmatige geelbruine strepen. De tallooze heuvels, die de oppervlakte bedekken, geleken, van deze hoogte en uit de verte gezien, op die eigenaardige phlyctenen, blazen of verheffingen van den grond, die in den omtrek der vulkanen zoo veelvuldig voorkomen. Van het noorden tot het zuiden strekte zich de donkere lijn uit der lomas of zoutheuvelen, die tusschen den 23° en der 10° deze kust omzoomen; hunne hellingen en kruinen vertoonden hier en daar een geelachtigen tint, die straks, na de eerste nevels van den zomer,—vruchtbaar makende dampen, die des nachts ontstaan en omstreeks elf uur in den morgen zich weder oplossen;—in vroolijk groen zou veranderen; door de ongemeene helderheid der lucht waren alle bijzonderheden van dit wijde landschap, tot op grooten afstand, duidelijk kenbaar. Zuidwaarts vertoonde zich als een zwarte streep, scheiding makende tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel: dat was kaap Coles en de rotsen van het dal van Tambo, welks rivier, des zomers droog, des winters, als de wateren zwellen, met hare modderige golven ontzaglijke steenblokken medevoert, van de bergen afgescheurd. Iets meer nabij, ontwaarde ik de vlakke kusten van Mejillones en Cocotea, met hare koraalbanken, haar lagen van guano, en hare sombere heuvels met de talloozehuacas(graven), waar duizende mummies hun eeuwigen slaap slapen. Elke plek, waarheen ik mijne blikken wendde, herinnerde mij eene of andere ontdekking, een of ander avontuur. Hier had ik eenige weken vertoefd, in gezelschap van Llipis-Indianen uit de groote woestijn van Atacana, levende van zeegras, van alikruiken en watermeloenen: alles wat deze streek oplevert. Daar was ik, van den top der duinen, als machteloos toeschouwer, getuige geweest van de schipbreuk van de amerikaansche brik deSusquehannah. Verder verhief zich, als een kegelvormig eiland, te midden van het vlotzand, de heuvel der Aymaras met zijn knekelhuis, dagteekenende uit den tijd vóór de spaansche verovering, waar ik zulke merkwaardige phrenologische exemplaren had gevonden. Nog verder, meer ten zuiden, de buitengronden van Arenal, met hunne voorraadschuren van visch-guano, tot dusverre nog onbekend, en waarop ik de aandacht der geleerden had pogen te vestigen. Daaromheen gaapten de met asch en slakken gevulde kraters van overoude, uitgebluschte vulkanen, die zich, in voorhistorische tijdperken, aan deze kust verhieven, en die noch kapitein Frézier in 1713, noch Humboldt en Bonpland in 1804, noch d’ Orbigny in 1836, hadden opgemerkt.Oostwaarts droeg het landschap een eenigszins gewijzigd karakter. Een zandwoestijn, geheel bezaaid met plompe, ronde cerros (heuvelen), allen sterk naar het westen overhellende, sloot hier als een muur den gezichteinder. Die cerros, van blokken zandsteen en vulkanische rotsen gevormd, die—wie kan gissen voor hoe vele eeuwenreeksen?—door de wateren der zee, in haar terugtocht van het oosten naar het westen, waren medegevoerd, op elkander geworpen, zaamgeperst:—deze cerros hadden mij menigmaal in de gelegenheid gesteld, de vervorming der gesteenten van nabij te bestudeeren. Aan hun voet, in de nabijheid van een of andere kleine beek, groeiden dwergachtige, armoedige olijven, kokos- en vijgeboomen, meer grauw dan groen, en alleen kenbaar door de schaduw, die zij afwierpen.Een onbeschrijfelijke weemoed vervulde de ziel, bij den aanblik van deze landstreek, dor tot naaktheid toe, uitgedroogd tot in het gebeente, en nog heden,zoowel door de gesteldheid van den bodem als door de gedaante der bergen, de duidelijke sporen vertoonende van de geduchte worsteling der twee elementen, die haar beurtelings hadden geteisterd en verwoest. De overoude en eeuwigdurende strijd van den draak met de hydra, van het vuur met het water, was in onuitwischbare trekken overal gegriffeld op deze sombere aarde, wonderlijk geteekend met bruine, rosse, grauwe strepen, en toch, ondanks de zee van licht, die de brandende middagzon daarover uitgoot, zoo onbeschrijfelijk doodsch en koud. Te midden van deze doffe, stoffige, toonlooze kleuren, die een geoloog zeker zou hebben bewonderd, maar waarvan een schilder haastig de oogen zou hebben afgewend, werd de blik onwederstaanbaar aangetrokken door de warme, heldere, lichtvolle, vroolijke kleuren van den azuren hemel en den azuren oceaan. Juist toen ik mij omkeerde, om der wijde zee mijn laatsten afscheidsgroet toe te wuiven, bespeurde ik op haar helderen spiegel twee donkere, nauwelijks merkbare stippen. De een was een schip, haastig zuidwaarts stevenende,—waarschijnlijk dat van onzen vriend den kapitein;—waarvan de zeilen, op dien afstand, er uitzagen als een vlok dons, door den wind medegevoerd; de andere stip was een stoomboot, die naar het noorden koers zette, en een ter nauwernood zichtbaren draad van rook achterliet.De muilezeldrijvers hadden hun ontbijt geëindigd, en waren nu bezig onderling het geld bijeen te brengen om de gemaakte vertering te betalen, waarmede nog een geruime tijd verloren ging. Wij zetten ons weder in den zadel, en sloegen den weg in naar de pampa van Islay: eene zandzee van twintig mijlen breed en zestig mijlen lang, en waarvan de nu eens onbeweeglijke, dan weder vluchtige golven, zeer veel gelijkenis vertoonen met de baren der zee, wier wateren vroeger deze streek moeten hebben overdekt. Ten einde de vlakte in schuine richting over te steken, hadden wij ons noordoostwaarts gewend, en den vrijen teugel gelaten aan onze muilezels, die konden gaan zoo als zij wilden, want het kwam er boven alles op aan, hunne krachten te sparen. De aardige dieren maakten van die schoone gelegenheid gebruik om aanstonds het gelid te verbreken, en achter elkander te gaan loopen, wat de muilezels dadelijk gaan doen, zoodra zij aan hun eigen zin worden overgelaten. Zoodra zij dat gedaan hadden, begon iedere ezel luid te hinniken, wierp zijn ooren achterover, rekte zijn hals uit, en zette zich in zachten draf achter zijn voorman. De drijvers hieven een weemoedig gezang aan.De tocht door deze woestijn is niet zonder gevaren. De zeewind, die voortdurend over dit beweeglijk zand heenstrijkt, brengt telkens allerlei veranderingen te weeg. Binnen weinige uren vormen zich spleten en diepten, verheffen zich duinen en dammen, om straks weder te verdwijnen, verstrooid te worden en ginds op nieuw te ontstaan. Om zich op hun tocht door deze bedriegelijke streek van den rechten weg te vergewissen, richten de stuurlieden van de pampa zich des daags naar de zon, en des nachts naar de sterren: veilige gidsen, die nooit iemand misleiden. Behalve de sterren en de hemellichamen, zijn daar nog, om hun den weg te wijzen, de geraamten van dieren, die op de reis door de vlakte van uitputting bezweken zijn. Deze sombere merken, waarop de drijvers nauwkeurig acht geven, wijzen door hunne ligging rechts of links, door hunne nabijheid of hunne verwijdering aan, in hoe ver de karavaan den rechten weg volgt. Ook wordt de verschijning van zulk een teeken altijd met zekere blijdschap begroet, ondanks het gevoel van afgrijzen, met medelijden vermengd, dat u bij dit gezicht onwillekeurig aangrijpt. Ik spreek hier natuurlijk van de beschaafde, gevoelige reizigers, die bij de zaak geen rechtstreeksch belang hebben; want de muilezeldrijvers, schraapzuchtig en koud van gemoed, gevoelen bij den aanblik dier beenderen geheel iets anders: zij denken daarbij aan het verloren kapitaal, en maken zich veeleer kwaad dan dat zij medelijden zouden gevoelen.Wij waren reeds sedert eenigen tijd op weg, onze blikken over de onmetelijke pampa latende dwalen, en niets ontdekkende dat naar een geraamte geleek, toen een der oudearrieros, die aan de spits der karavaan liep, eensklaps luide uitriep: “De beenderen! ziedaar de beenderen!” Aller oogen richtten zich dadelijk naar de aangewezen plek; en aan het uiteinde der vlakte, zuidwaarts, zagen wij nu eene helder witte streep, niet ongelijk aan de aderen van salpeter of zeezout, die in deze streken zeer dikwijls voorkomen. Op raad van onzen gids, die beweerde dat wij de richting dezer geraamten moesten volgen, sloegen wij rechts af en trokken daarheen.Deze beenderen, in kleine hoopen opeen gestapeld, in eene lange lijn, die zich aan den horizon verloor, waren meer of minder uitgebleekt, meer of minder gepolijst, naar gelang van den tijd, die er verloopen was sedert den dood der schepselen, aan wie zij eens behoord hadden. Aan zekere regelmatigheid in hunne schikking meende ik de hand des menschen te herkennen; hoewel onze drijvers, aan wie ik deze opmerking maakte, beweerden dat alleen de wind dit alzoo gebouwd had. Toen ik hun echter sommige paarde- en muildierkoppen wees, in welker oorholten eene schendige hand een paar beenderen, bij wijze van horens, gestoken had; en sommige andere schedels, uit wier neusgaten ribben te voorschijn kwamen, die snuiten of slagtanden moesten verbeelden;—begonnen de mozos van den troep luidkeels te lachen: waaruit ik besloot dat zij, of althans hunne kameraden, waarschijnlijk in dronkenschap, deze ontwijding der dooden gepleegd hadden.Naar mate wij verder kwamen, werden de oudere beenderen meer en meer met nieuwe vermengd, tot zij eindelijk daar geheel onder verdwenen. Sommige beenderen waren nog met een zwartachtig vleesch en verdorde zenuwen bekleed; geheel ongeschonden geraamten deden u onwillekeurig denken aan het paard van den dood in de Apocalypsis; enkelen waren nog met de huid bekleed. Onder die strak gespannen huid huisden gansche troepen van gallinasos (Percnopteros Urubu), de gewone bewoners dezer wildernissen. Even als de rat van La Fontaine zich in de hollandsche kaas eene woning maakt, zoo hadden ook deze afschuwelijke dieren, na het vleesch hunner prooi geheel verslondente hebben, zich in het uitgeholde geraamte genesteld. Het gerucht der voorbijtrekkende karavaan deed hen, een voor een, uit deze akelige schuilplaatsen te voorschijn komen; zij zagen ons aan met hunne doffe ziellooze oogen, en trokken zich weder terug, zoodra wij voorbij waren. De nieuwsgierigsten of de hongerigsten zetten zich op een schedel of eene uitstekende ribbe, als op een tak, en bespiedden met een schuinschen blik onze muilezels, gereed zich dadelijk te werpen op het ongelukkige dier, dat onderweg bezwijken mocht. Maar hunne hoop werd niet vervuld: onze muildieren, al lieten zij staart en ooren hangen, vervolgden rustig hun weg, tot groote voldoening der arrieros, van wie wij ze gehuurd hadden.De dag liep verder zonder buitengewone ontmoetingen ten einde; na ons den schedel en den nek geroosterd te hebben, zonk de zon eindelijk achter ons onder de kimmen. Nauwelijks was zij verdwenen, of een zachte, liefelijke koelte, van de Cordilleras afgedaald, suisde over de vlakte. In den beginne ademden wij met volle teugen dien verkwikkenden zephyr in; maar na verloop van een uur, was die suizende koelte een scherpe, snijdende wind geworden, en wij waren gedwongen, een wollen mantel om te slaan over den wit katoenen poncho. Wij trokken zoo voort tot tien uur, te midden der duisternis, die echter door het heldere schijnsel der starren tot schemering werd. Eensklaps zagen wij, op korten afstand voor ons, eene donkere zwarte massa verrijzen. Wij herkenden den Tampu of de karavanseraï der pampa. Onze muildieren, die insgelijks den tampu herkenden, rekten hunne halzen uit, en stonden uit eigen beweging stil op den drempel van dit gastvrij verblijf, waar de reizigers gewoonlijk halt houden, meer om hunne beesten te laten uitrusten, dan om zelven adem te scheppen.Peons.Peons.Die tampu, door de Quechuas tegenwoordig oneigenlijk Tambo genoemd, bestaat uit eene zeer lange en zeer lage houten woning, met een planken dak, en in verscheidene kompartimenten verdeeld; het met mica vermengde zand der woestijn dient tot vloer; en daar dit zand door tallooze legioenen mikroskopische, maar zeer bloeddorstige luizen bewoond is, vindt de reiziger, op dit zachte bed, schier geen enkel oogenblik de zoo zeer begeerde rust. Tegenover dit ongerief staat het voordeel, dat de tampu juist in het midden der woestijn staat, halverwege het dorp Islay en de stad Arequipa, drieduizend-negen-honderd-zeventien voet boven den Stillen Oceaan.Wij waren uitermate vermoeid, lieten de zorg voor de muildieren aan de mozos over, en haastten ons, de herberg binnen te treden, waar een diepe stilte heerschte. Eene opening zonder deur, in den houten wand aangebracht, gaf toegang tot een zaal, waar het stikdonker was; al tastende langs de muren gaande, riepen wij overluid, om de bewoners der herberg van onze komst te verwittigen. Eindelijk antwoordde ons de herbergier, door ons roepen gewekt: maar nog steeds verscheen er geen licht. Op zijne vragen antwoordden wij met de kreten: “Vuur! water!” De man verscheen een oogenblik daarna, in de eene hand een flesch dragende, in wier hals eene brandende vetkaars stak; in de andere hand een emmer met water en een beker, waarom wij bijkans vochten. Nadat onze brandende dorst gelescht was, vroegen wij, of er hier niet het een of ander te krijgen was, waarmede wij onzen honger konden stillen: want de sandwiches van den consul waren sinds lang vergeten. Wij kregen ten antwoord, dat er in den tambu nog maar zes kippen voorhanden waren, wel is waar levend, maar die op een wenk van ons, dadelijk konden geslacht worden. Wij haastten ons, dien wenk op de meest ondubbelzinnige wijs te geven; de herbergier boog, vroeg een uur uitstel om zijne vrouw te wekken, vuur te maken, de kippen te dooden, te plukken en ze ons voor te zetten, toebereid met rijst en piment. Zijn verzoek werd ingewilligd.Na verloop van een uur verscheen inderdaad de herbergier, een terrine dragende, waarin te midden van een plas helder vocht, eenige kleine stukken gevogelte dreven; wij kregen ieder een houten lepel, zetten ons in een kring om den dampenden schotel, en weerden ons dapper. De herbergier, bescheiden in de schaduw teruggetrokken, sloeg ons aandachtig gade; zijn gevoelvan eigenwaarde moest wel gestreeld worden door onze ongeveinsde ingenomenheid met zijn kookkunst. Toen de terrine tot den bodem ledig was, wierpen wij er onze lepels in, en vroegen de rekening. De herbergier had die reeds, terwijl wij aten, met een stuk krijt op een plank geschreven, en reikte ons die nu met vriendelijk gebaar over. Deze rekening was van den volgenden inhoud:Vel-agu4. 16—Chup-suma60.80. Daar wij hier niets van begrepen, begonnen wij te lachen; maar de kastelein gaf ons de verklaring van deze geheimzinnige teekens: en wij lachten niet meer. Het stukje smerige vetkaars in de flesch werd ons aangerekend voor vier realen; de emmer water voor twee piasters; de kippensoep kostte zeven-en-een-halve piaster: de geheele zeer eenvoudige maaltijd kwam ons op niet minder dan vijftig francs te staan.Jonge dame van Arequipa.Jonge dame van Arequipa.Een Europeaan, nog onbekend met de landsgebruiken, zou natuurlijk over gruwelijke afzetterij geschreeuwd hebben; maar onze vrienden, in het land geboren en opgevoed, en ik, die er sedert eenige jaren gevestigd was, wij beschouwden de zaak uit een ander oogpunt, en betaalden, zonder een woord tegen te spreken, maar ook zonder een fooi te geven. De kastelein scheen zich over dit moedwillig verzuim niet te ergeren; hij stak het geld in zijn zak, en ging heen, met achterlating van zijne terrine.Inmiddels waren onze bedienden buiten den tampu ingeslapen en lagen rustig op den grond uitgestrekt, terwijl de muildieren, wien het aan voedsel en water ontbrak, hinnikten en trappelden. Wij maakten de slapers wakker, en lieten de muildieren zadelen, ten einde onmiddellijk onze reis te vervolgen: want, ter wille onzer dieren, verdiende een nachtelijke tocht door de pampa de voorkeur: zij hadden dan niet te lijden van de hitte en konden dus beter honger, dorst en vermoeienis verdragen.Den tampu verlatende, wendden wij ons oostwaarts; de wind blies niet meer van de Cordilleras, maar de lucht was koel en scherp; onze muildieren, door de rust en de frissche temperatuur versterkt, toonden zich met de beste voornemens bezield, waarvan wij aanstonds gebruik maakten om een fiksch eind vooruit te komen. Omstreeks vijf uur begon een zilverachtige schemerschijn den hemel te kleuren; de sterren verbleekten; het werd dag. Weldra verlichtten enkele oranjekleurige stralen den effen bodem van de pampa; straks vertoonde zich de zonneschijf, en zond ons den vollen gloed harer verblindende stralen vlak in het gezicht. Wij waren verplicht, met gebogen hoofde en zooveel mogelijk in elkaar gedoken, voort te rijden: eene zeer onaangename positie. Eerst om acht uur was de zon zoo hoog boven de kimmen gerezen, dat wij weder ongehinderd konden opzien. De met sneeuw gekroonde toppen der Andes verhieven zich voor ons; de bergketen werd in tweeën gedeeld door eene reeks lagere cerros of heuvelen, die de pampa aan de oostzijde begrensden. Wij reden nu achter elkander over smalle, bochtige, moeilijke paden, die langs den voet dezer heuvelen loopen; de dorre streek leverde maar enkele planten op, en voorts grauwe hagedissen en scharen van tortelduiven. Die tortelduiven zijn, met de ratten, vlooien en luizen, een van de geesels dezer streek; niet alleen verwoesten zij de maïs- en korenakkers, maar zij vervullen ook de lucht met haar onophoudelijk klagelijk gekir.Koopman in aardewerk.Koopman in aardewerk.De rit door de cerros kostte ons ongeveer twee uur, waarbij wij veel van de hitte en de stof te lijden hadden; maar wij werden voor al die onaangenaamheden ruimschoots schadeloos gesteld door het prachtig panorama, dat zich voor ons ontvouwde, toen wij den laatsten cerro waren overgetrokken. Voor onze voeten lag de vallei van Arequipa, eene twee mijlen breede kloof van ongeveer vijfhonderd voet diepte, bedekt met een groen tapeet van verschillende kleurschakeeringen; dorpen, hoeven, landhuizen kwamen helder uit op dien donkeren grond; twee rivierkens stuwden in breede kronkeling hare wateren door de vallei, om eindelijk samente vloeien. De oostelijke horizon was begrensd door de westelijke Andes, wier schitterende sneeuwtoppen den hemel schenen te torschen. Twee sierras, aan de hoofdketen verbonden, verhieven zich vlak tegenover ons; de eene, ter rechterhand, Pichu-Pichu geheeten, was getand als eene zaag; de andere, aan de linkerhand, Chachani genoemd, verhief hare loodrechte wanden als een reuzenmuur. Een vlakte van omstreeks twintig mijlen in omtrek scheidde de twee gevaarten. Uit het midden van dit plateau verhief zich, in indrukwekkende majesteit, de Misti, een der schoonst gevormde vulkanen, die de keten der Andes bezit.De vallei van Arequipa werd in het begin van de dertiende eeuw ontdekt door den vierden Inca Mayta-Capac, die, op het voetspoor van zijn voorgangers, van Cuzco was uitgegaan om de grenzen des rijks uit te breiden, en de nog onafhankelijke stammen van het gebergte en de kust tot de dienst van den Zonnegod te bekeeren. Na de Aymaras van de vlakte van Tiahuanacu in Bolivia onderworpen te hebben, was hij de dubbele keten der Andes, boven de bronnen van den Apurimac, overgetrokken, en had het andere gedeelte van het volk der Aymaras, die in de omstreken van Parihuanacocha woonden, onderworpen. Van dezen tocht terugkeerende, en langs den voet der Cordilleras voorttrekkende, had hij bij toeval de vallei van Arequipa ontdekt, destijds nog onbewoond, en waaraan hij den naam gaf van Coripuna—de goudvlakte—naar een thans uitgebranden vulkaan, op de grensscheiding der provinciën Cailloma en Arequipa.De helling der vallei, van de sierra van Characato, waar zij aanvangt, tot aan de kusten van den oceaan, bedraagt niet minder dan zevenduizend-honderd-dertien voet. In verband hiermede heerscht in den plantengroei de grootste afwisseling, gelijken tred houdende met het verschil in temperatuur. De vallei levert achtervolgens tarwe, rogge en koren, als de gematigde luchtstreken; dan maïs, vijgen en rozijnen, olijven en granaten, als zuidelijk Europa: en eindelijk bananen en suikerriet, als de tropische landen. De reiziger, die uitgeput en hijgend naar zijn adem, bezwijkende van de hitte en met stof overdekt, den zoom der cerros bereikt, en eensklaps deze weelderig groene vallei voor zich ziet, begroet in haar een beloofd land, een dier ouadies van Arabië, waar eindelijk de woestijn een grenspaal vindt; bij dien aanblik voelt hij zijn kracht en moed herleven, terwijl zijne oogen, door de weerkaatsing der zonnestralen op het zand verblind, met wellust op deze zachte groene tinten rusten.Deze prachtige vallei, zoo merkwaardig in meer dan een opzicht, zoo schilderachtig schoon, heeft intusschen zeer weinig wat den natuuronderzoeker boeien kan. Haar flora en haar fauna, in den omtrek van Arequipa, hebben bitter weinig te beteekenen, en de lijst der planten en dieren, aan deze streek eigen, is al zeer spoedig opgemaakt. Daar ik hier niet in de eerste plaats voor natuurkundigen schrijf, behoef ik over de voortbrengselen van het planten- of dierenrijk in de vallei van Arequipa dan ook niet verder uit te wijden.

II.Wij beklommen het steile pad, dat naar het dorp Islay voert, en kwamen bij den engelschen consul. De echtgenoote en de dochters van dien ambtenaar, ongerust over zijn lang wegblijven, ontvingen hem met hartelijke uitroepingen van verrassing en vreugde. Daarop noodigden die dames ons vriendelijk uit, dien dag in den schoot der familie door te brengen en aan den maaltijd deel te nemen; maar, daar ik begeerig was, mij zoo spoedig mogelijk op weg te begeven, sloeg ik die uitnoodiging af. Mijne reismakkers, die, te oordeelen naar de blikken, die zij elkander toewierpen, zeer gaarne aan de uitnoodiging gevolg zouden hebben gegeven, durfden nu, op mijn voorbeeld, niet anders dan evenzeer bedanken. De vriendelijke dames, die ons volstrekt niet nuchter wilden laten vertrekken, haastten zich nu om de noodigesandwicheste bereiden, dieons welhaast door een bediende werden gepresenteerd. Wij besproeiden die gebakjes met een glas Champagnewijn, van Exeter afkomstig, waar eene zeer gerenommeerde fabriek van dien wijn bestaat. Na afloop van dienluncheonzette de oudste dochter van den consul, eene mooie lieve blondine, met den dichterlijken naam van Stella, zich aan de piano, en speelde, om de eigenliefde der gasten van haar vader te streelen, de cantate vanManco Ccapac. Al de notabelen waren opgetogen en klapten in de handen. Het air moest nog eens herhaald worden, en nu begon een hunner daarbij de woorden te zingen, waarbij de anderen weldra invielen. Dit volkslied, dat in Europa zoo goed als onbekend, maar in Peru zeer geliefd is, en waarvan, naar men zegt, de woorden en de muziek vervaardigd zijn door een kerkedienaar van denSagrariovan Ayacucho, bestaat uit achttien koupletten, waarvan elk veertien versregels telt. De zwaarmoedige, klagende wijs der muziek stemt volkomen overeen met den inhoud van het gedicht, dat hoofdzakelijk eene weemoedige klacht bevat over de verdwenen heerlijkheid van de kinderen der Zon. De uitvoering van dit stuk duurde omstreeks vijf kwartier; maar niemand viel die tijd te lang. Doch, daar de zangers tusschen elk kouplet een hartelijken dronk wijdden aan de nagedachtenis van den man, die Peru uit de barbaarschheid getogen had, begon mij de vrees te bekruipen dat zij, in hunne toomelooze geestdrift, als het lied ten einde was, wellicht eene quadrille zouden gaan dansen: want als deze lieden eenmaal aan den gang zijn, weten zij van geen ophouden. Daarom maakte ik aanstonds gebruik van de oogenblikkelijke stilte, die op het uitgalmen van den laatsten regel volgde, om op te staan en afscheid van den consul en zijne familie te nemen. Nu waren mijn makkers wel gedwongen, een einde aan de zaak te maken. Zij namen hunne hoeden, groetten met een zeer knorrig gezicht, en volgden mij, blijkbaar zeer ontevreden omdat zij een dag, die zoo prettig beloofde te zijn, dus op eenmaal moesten afbreken.Indiaansche vrouwen uit Peru.Indiaansche vrouwen uit Peru.Onze muildieren stonden reeds gereed. Ieder zocht zijn eigen dier uit, en zette zich in den zadel. De muilezeldrijvers en de mozos (jongens) plaatsten zich aan het hoofd van den trein, en wij verlieten de woning van den consul, onder de luide begroetingen en heilwenschen der familie, onder handdrukken en wuiven van zakdoeken. Het zal toen omstreeks twaalf uur zijn geweest. De zon brandde op het gloeiende zand. Ieder brokje en korreltje mica, een spiegel van Archimedes gelijk, zond ons een verblindenden lichtstraal in het gelaat. De drie rijen houten huizen, met strooien of rietendaken gedekt, die de drie straten van Islay vormen, lagen weldra achter ons. Op den top des heuvels gekomen, hadden wij aan onze rechterhand de kerk van het dorp, niet veel meer dan eene loods, die gedurende drie vierde van het jaar gesloten is en den vleermuizen tot woning dient; aan onze linkerhand zagen wij een reeks perken, door ruwe steenen omsloten en met houten kruisen versierd; aanvankelijk dacht ik, dat het kerkhoven waren, maar weldra vernam ik, dat ik niets dan perken voor de muilezels voor mij zag. Kort daarop daalden wij langs de oostelijke helling van de loma af, en bevonden ons nu op een weg, waarvoor menschen en dieren om het zeerst beducht zijn. Deze weg, niet ongelijk aan het diepe wagenspoor van een reusachtige kar, ter hoogte van een voet bedekt met een steenachtige vulkanische asch, waarin millioenen luizen wriemelen en krioelen, draagt den weidschen naam van de.Quebrada van Islay. Quebrada—vallei—het zij zoo; maar, dewijl de zware hooge heuvelen, die deze kloof ter wederzijde omzoomen, de frissche zeewinden volkomen afkeeren, heerscht hier een temperatuur, het best met die van een kalkoven te vergelijken. Nauwelijks waren wij dan ook in deze diepte afgedaald, of de adem scheen onze longen te begeven, en wij begonnen op onrustbarende wijze te hijgen, en naar lucht te snakken.Vastenavond te Arequipa.Vastenavond te Arequipa.Twee uren lang trokken wij door deze Quebrada, allen achter elkander rijdende en in somber zwijgen verzonken: een gevolg deels van het woeste, akelige voorkomen der streek, deels van de vrees om het afschuwelijke stof in te ademen, door de hoeven onzermuildieren opgejaagd. Te midden dier algemeene lusteloosheid, gaven de mozos alleen nog teekenen van leven, door hun schreeuwen en roepen om de achterblijvende muilezels aan te sporen.Weldra bespeurden wij, aan sommige onmiskenbare teekenen, dat onze foltering haar einde naderde. De heuvels, die ter wederzijde de kloof ommuurden, begonnen minder hoog te worden, weken steeds verder uit elkander, en werden in het eind door nederige hoogten vervangen. De zeewind kon weder tot ons doordringen; de bodem verhief zich; de weg bestond nu uit eene opeenvolging van steile glooiingen, die wij moesten bestijgen. Naar het zeggen der muilezeldrijvers, naderden wij eene plek,Olivargenaamd: eene soort van natuurlijke grensscheiding tusschen de Quebrada en de Pampa, tusschen het dal en de vlakte, tusschen het gebied van de asch en dat van het zand. De armoedige flora, vertegenwoordigd door welriekende heliotropen, door dwergachtige kromgetrokken olijfboomen en ettelijke sobere gramineën, poogde vergeefs, onder haar vuil-grauw stoffig masker, onze aandacht te trekken; zij zag er zoo pover en ellendig uit, dat wij haar nauwelijks een blik waardig keurden.De weg, die nog steeds stijgende bleef, bracht ons, na veelvuldige kronkelingen, op een klein onregelmatig plateau, van waar men den ganschen omtrek overzag. Midden op die vlakte stond eene ajoupa van gescheurde matten, aan palen bevestigd. Onder deze soort van tent zaten en lagen eenige vrouwen, in lompen gehuld, en eenige moedernaakte kinderen, te midden van potten, kruiken en aardewerk. Een lage tafel, waarop gebraden visschen, gemalen piment, en die soort van eetbaar zeegras, waaraan de Indianen den naam geven vancocha-yuyu, deed ons deze ajoupa kennen als een dier restauraties in de open lucht, in Peru zoo wel bekend. Deze spijzen, met eene dikke laag vulkanische asch overstrooid, zagen er niet zeer aptijtelijk uit; maar onze muilezeldrijvers bekommerden zich niet over zulk eene kleinigheid. Aanstonds lieten zij zich door de vrouwen eene dubbele portie van die stoffige lekkernijen voorzetten, benevens een kruik chicha. Daar het de gewoonte is, eer men de pampa ingaat, hier eenige oogenblikken op te houden, om de muildieren te laten uitrusten, stapten ook wij af, terwijl onze drijvers hun ontbijt gebruikten; mijne makkers sloegen vuur, en staken hunne sigaren aan. Ik liet hen rustig hunne rookwolken uitblazen, en begaf mij naar den rand van het plateau, zeventienhonderd el boven de zee gelegen, om de streek te overzien, die wij zoo pas waren doorgetrokken, en waar ik hoogst waarschijnlijk nimmer meer den voet zetten zou.De gansche omliggende streek, van den voet van het plateau tot den oceaan, was eentonig grijs van kleur, dooraderd van onregelmatige geelbruine strepen. De tallooze heuvels, die de oppervlakte bedekken, geleken, van deze hoogte en uit de verte gezien, op die eigenaardige phlyctenen, blazen of verheffingen van den grond, die in den omtrek der vulkanen zoo veelvuldig voorkomen. Van het noorden tot het zuiden strekte zich de donkere lijn uit der lomas of zoutheuvelen, die tusschen den 23° en der 10° deze kust omzoomen; hunne hellingen en kruinen vertoonden hier en daar een geelachtigen tint, die straks, na de eerste nevels van den zomer,—vruchtbaar makende dampen, die des nachts ontstaan en omstreeks elf uur in den morgen zich weder oplossen;—in vroolijk groen zou veranderen; door de ongemeene helderheid der lucht waren alle bijzonderheden van dit wijde landschap, tot op grooten afstand, duidelijk kenbaar. Zuidwaarts vertoonde zich als een zwarte streep, scheiding makende tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel: dat was kaap Coles en de rotsen van het dal van Tambo, welks rivier, des zomers droog, des winters, als de wateren zwellen, met hare modderige golven ontzaglijke steenblokken medevoert, van de bergen afgescheurd. Iets meer nabij, ontwaarde ik de vlakke kusten van Mejillones en Cocotea, met hare koraalbanken, haar lagen van guano, en hare sombere heuvels met de talloozehuacas(graven), waar duizende mummies hun eeuwigen slaap slapen. Elke plek, waarheen ik mijne blikken wendde, herinnerde mij eene of andere ontdekking, een of ander avontuur. Hier had ik eenige weken vertoefd, in gezelschap van Llipis-Indianen uit de groote woestijn van Atacana, levende van zeegras, van alikruiken en watermeloenen: alles wat deze streek oplevert. Daar was ik, van den top der duinen, als machteloos toeschouwer, getuige geweest van de schipbreuk van de amerikaansche brik deSusquehannah. Verder verhief zich, als een kegelvormig eiland, te midden van het vlotzand, de heuvel der Aymaras met zijn knekelhuis, dagteekenende uit den tijd vóór de spaansche verovering, waar ik zulke merkwaardige phrenologische exemplaren had gevonden. Nog verder, meer ten zuiden, de buitengronden van Arenal, met hunne voorraadschuren van visch-guano, tot dusverre nog onbekend, en waarop ik de aandacht der geleerden had pogen te vestigen. Daaromheen gaapten de met asch en slakken gevulde kraters van overoude, uitgebluschte vulkanen, die zich, in voorhistorische tijdperken, aan deze kust verhieven, en die noch kapitein Frézier in 1713, noch Humboldt en Bonpland in 1804, noch d’ Orbigny in 1836, hadden opgemerkt.Oostwaarts droeg het landschap een eenigszins gewijzigd karakter. Een zandwoestijn, geheel bezaaid met plompe, ronde cerros (heuvelen), allen sterk naar het westen overhellende, sloot hier als een muur den gezichteinder. Die cerros, van blokken zandsteen en vulkanische rotsen gevormd, die—wie kan gissen voor hoe vele eeuwenreeksen?—door de wateren der zee, in haar terugtocht van het oosten naar het westen, waren medegevoerd, op elkander geworpen, zaamgeperst:—deze cerros hadden mij menigmaal in de gelegenheid gesteld, de vervorming der gesteenten van nabij te bestudeeren. Aan hun voet, in de nabijheid van een of andere kleine beek, groeiden dwergachtige, armoedige olijven, kokos- en vijgeboomen, meer grauw dan groen, en alleen kenbaar door de schaduw, die zij afwierpen.Een onbeschrijfelijke weemoed vervulde de ziel, bij den aanblik van deze landstreek, dor tot naaktheid toe, uitgedroogd tot in het gebeente, en nog heden,zoowel door de gesteldheid van den bodem als door de gedaante der bergen, de duidelijke sporen vertoonende van de geduchte worsteling der twee elementen, die haar beurtelings hadden geteisterd en verwoest. De overoude en eeuwigdurende strijd van den draak met de hydra, van het vuur met het water, was in onuitwischbare trekken overal gegriffeld op deze sombere aarde, wonderlijk geteekend met bruine, rosse, grauwe strepen, en toch, ondanks de zee van licht, die de brandende middagzon daarover uitgoot, zoo onbeschrijfelijk doodsch en koud. Te midden van deze doffe, stoffige, toonlooze kleuren, die een geoloog zeker zou hebben bewonderd, maar waarvan een schilder haastig de oogen zou hebben afgewend, werd de blik onwederstaanbaar aangetrokken door de warme, heldere, lichtvolle, vroolijke kleuren van den azuren hemel en den azuren oceaan. Juist toen ik mij omkeerde, om der wijde zee mijn laatsten afscheidsgroet toe te wuiven, bespeurde ik op haar helderen spiegel twee donkere, nauwelijks merkbare stippen. De een was een schip, haastig zuidwaarts stevenende,—waarschijnlijk dat van onzen vriend den kapitein;—waarvan de zeilen, op dien afstand, er uitzagen als een vlok dons, door den wind medegevoerd; de andere stip was een stoomboot, die naar het noorden koers zette, en een ter nauwernood zichtbaren draad van rook achterliet.De muilezeldrijvers hadden hun ontbijt geëindigd, en waren nu bezig onderling het geld bijeen te brengen om de gemaakte vertering te betalen, waarmede nog een geruime tijd verloren ging. Wij zetten ons weder in den zadel, en sloegen den weg in naar de pampa van Islay: eene zandzee van twintig mijlen breed en zestig mijlen lang, en waarvan de nu eens onbeweeglijke, dan weder vluchtige golven, zeer veel gelijkenis vertoonen met de baren der zee, wier wateren vroeger deze streek moeten hebben overdekt. Ten einde de vlakte in schuine richting over te steken, hadden wij ons noordoostwaarts gewend, en den vrijen teugel gelaten aan onze muilezels, die konden gaan zoo als zij wilden, want het kwam er boven alles op aan, hunne krachten te sparen. De aardige dieren maakten van die schoone gelegenheid gebruik om aanstonds het gelid te verbreken, en achter elkander te gaan loopen, wat de muilezels dadelijk gaan doen, zoodra zij aan hun eigen zin worden overgelaten. Zoodra zij dat gedaan hadden, begon iedere ezel luid te hinniken, wierp zijn ooren achterover, rekte zijn hals uit, en zette zich in zachten draf achter zijn voorman. De drijvers hieven een weemoedig gezang aan.De tocht door deze woestijn is niet zonder gevaren. De zeewind, die voortdurend over dit beweeglijk zand heenstrijkt, brengt telkens allerlei veranderingen te weeg. Binnen weinige uren vormen zich spleten en diepten, verheffen zich duinen en dammen, om straks weder te verdwijnen, verstrooid te worden en ginds op nieuw te ontstaan. Om zich op hun tocht door deze bedriegelijke streek van den rechten weg te vergewissen, richten de stuurlieden van de pampa zich des daags naar de zon, en des nachts naar de sterren: veilige gidsen, die nooit iemand misleiden. Behalve de sterren en de hemellichamen, zijn daar nog, om hun den weg te wijzen, de geraamten van dieren, die op de reis door de vlakte van uitputting bezweken zijn. Deze sombere merken, waarop de drijvers nauwkeurig acht geven, wijzen door hunne ligging rechts of links, door hunne nabijheid of hunne verwijdering aan, in hoe ver de karavaan den rechten weg volgt. Ook wordt de verschijning van zulk een teeken altijd met zekere blijdschap begroet, ondanks het gevoel van afgrijzen, met medelijden vermengd, dat u bij dit gezicht onwillekeurig aangrijpt. Ik spreek hier natuurlijk van de beschaafde, gevoelige reizigers, die bij de zaak geen rechtstreeksch belang hebben; want de muilezeldrijvers, schraapzuchtig en koud van gemoed, gevoelen bij den aanblik dier beenderen geheel iets anders: zij denken daarbij aan het verloren kapitaal, en maken zich veeleer kwaad dan dat zij medelijden zouden gevoelen.Wij waren reeds sedert eenigen tijd op weg, onze blikken over de onmetelijke pampa latende dwalen, en niets ontdekkende dat naar een geraamte geleek, toen een der oudearrieros, die aan de spits der karavaan liep, eensklaps luide uitriep: “De beenderen! ziedaar de beenderen!” Aller oogen richtten zich dadelijk naar de aangewezen plek; en aan het uiteinde der vlakte, zuidwaarts, zagen wij nu eene helder witte streep, niet ongelijk aan de aderen van salpeter of zeezout, die in deze streken zeer dikwijls voorkomen. Op raad van onzen gids, die beweerde dat wij de richting dezer geraamten moesten volgen, sloegen wij rechts af en trokken daarheen.Deze beenderen, in kleine hoopen opeen gestapeld, in eene lange lijn, die zich aan den horizon verloor, waren meer of minder uitgebleekt, meer of minder gepolijst, naar gelang van den tijd, die er verloopen was sedert den dood der schepselen, aan wie zij eens behoord hadden. Aan zekere regelmatigheid in hunne schikking meende ik de hand des menschen te herkennen; hoewel onze drijvers, aan wie ik deze opmerking maakte, beweerden dat alleen de wind dit alzoo gebouwd had. Toen ik hun echter sommige paarde- en muildierkoppen wees, in welker oorholten eene schendige hand een paar beenderen, bij wijze van horens, gestoken had; en sommige andere schedels, uit wier neusgaten ribben te voorschijn kwamen, die snuiten of slagtanden moesten verbeelden;—begonnen de mozos van den troep luidkeels te lachen: waaruit ik besloot dat zij, of althans hunne kameraden, waarschijnlijk in dronkenschap, deze ontwijding der dooden gepleegd hadden.Naar mate wij verder kwamen, werden de oudere beenderen meer en meer met nieuwe vermengd, tot zij eindelijk daar geheel onder verdwenen. Sommige beenderen waren nog met een zwartachtig vleesch en verdorde zenuwen bekleed; geheel ongeschonden geraamten deden u onwillekeurig denken aan het paard van den dood in de Apocalypsis; enkelen waren nog met de huid bekleed. Onder die strak gespannen huid huisden gansche troepen van gallinasos (Percnopteros Urubu), de gewone bewoners dezer wildernissen. Even als de rat van La Fontaine zich in de hollandsche kaas eene woning maakt, zoo hadden ook deze afschuwelijke dieren, na het vleesch hunner prooi geheel verslondente hebben, zich in het uitgeholde geraamte genesteld. Het gerucht der voorbijtrekkende karavaan deed hen, een voor een, uit deze akelige schuilplaatsen te voorschijn komen; zij zagen ons aan met hunne doffe ziellooze oogen, en trokken zich weder terug, zoodra wij voorbij waren. De nieuwsgierigsten of de hongerigsten zetten zich op een schedel of eene uitstekende ribbe, als op een tak, en bespiedden met een schuinschen blik onze muilezels, gereed zich dadelijk te werpen op het ongelukkige dier, dat onderweg bezwijken mocht. Maar hunne hoop werd niet vervuld: onze muildieren, al lieten zij staart en ooren hangen, vervolgden rustig hun weg, tot groote voldoening der arrieros, van wie wij ze gehuurd hadden.De dag liep verder zonder buitengewone ontmoetingen ten einde; na ons den schedel en den nek geroosterd te hebben, zonk de zon eindelijk achter ons onder de kimmen. Nauwelijks was zij verdwenen, of een zachte, liefelijke koelte, van de Cordilleras afgedaald, suisde over de vlakte. In den beginne ademden wij met volle teugen dien verkwikkenden zephyr in; maar na verloop van een uur, was die suizende koelte een scherpe, snijdende wind geworden, en wij waren gedwongen, een wollen mantel om te slaan over den wit katoenen poncho. Wij trokken zoo voort tot tien uur, te midden der duisternis, die echter door het heldere schijnsel der starren tot schemering werd. Eensklaps zagen wij, op korten afstand voor ons, eene donkere zwarte massa verrijzen. Wij herkenden den Tampu of de karavanseraï der pampa. Onze muildieren, die insgelijks den tampu herkenden, rekten hunne halzen uit, en stonden uit eigen beweging stil op den drempel van dit gastvrij verblijf, waar de reizigers gewoonlijk halt houden, meer om hunne beesten te laten uitrusten, dan om zelven adem te scheppen.Peons.Peons.Die tampu, door de Quechuas tegenwoordig oneigenlijk Tambo genoemd, bestaat uit eene zeer lange en zeer lage houten woning, met een planken dak, en in verscheidene kompartimenten verdeeld; het met mica vermengde zand der woestijn dient tot vloer; en daar dit zand door tallooze legioenen mikroskopische, maar zeer bloeddorstige luizen bewoond is, vindt de reiziger, op dit zachte bed, schier geen enkel oogenblik de zoo zeer begeerde rust. Tegenover dit ongerief staat het voordeel, dat de tampu juist in het midden der woestijn staat, halverwege het dorp Islay en de stad Arequipa, drieduizend-negen-honderd-zeventien voet boven den Stillen Oceaan.Wij waren uitermate vermoeid, lieten de zorg voor de muildieren aan de mozos over, en haastten ons, de herberg binnen te treden, waar een diepe stilte heerschte. Eene opening zonder deur, in den houten wand aangebracht, gaf toegang tot een zaal, waar het stikdonker was; al tastende langs de muren gaande, riepen wij overluid, om de bewoners der herberg van onze komst te verwittigen. Eindelijk antwoordde ons de herbergier, door ons roepen gewekt: maar nog steeds verscheen er geen licht. Op zijne vragen antwoordden wij met de kreten: “Vuur! water!” De man verscheen een oogenblik daarna, in de eene hand een flesch dragende, in wier hals eene brandende vetkaars stak; in de andere hand een emmer met water en een beker, waarom wij bijkans vochten. Nadat onze brandende dorst gelescht was, vroegen wij, of er hier niet het een of ander te krijgen was, waarmede wij onzen honger konden stillen: want de sandwiches van den consul waren sinds lang vergeten. Wij kregen ten antwoord, dat er in den tambu nog maar zes kippen voorhanden waren, wel is waar levend, maar die op een wenk van ons, dadelijk konden geslacht worden. Wij haastten ons, dien wenk op de meest ondubbelzinnige wijs te geven; de herbergier boog, vroeg een uur uitstel om zijne vrouw te wekken, vuur te maken, de kippen te dooden, te plukken en ze ons voor te zetten, toebereid met rijst en piment. Zijn verzoek werd ingewilligd.Na verloop van een uur verscheen inderdaad de herbergier, een terrine dragende, waarin te midden van een plas helder vocht, eenige kleine stukken gevogelte dreven; wij kregen ieder een houten lepel, zetten ons in een kring om den dampenden schotel, en weerden ons dapper. De herbergier, bescheiden in de schaduw teruggetrokken, sloeg ons aandachtig gade; zijn gevoelvan eigenwaarde moest wel gestreeld worden door onze ongeveinsde ingenomenheid met zijn kookkunst. Toen de terrine tot den bodem ledig was, wierpen wij er onze lepels in, en vroegen de rekening. De herbergier had die reeds, terwijl wij aten, met een stuk krijt op een plank geschreven, en reikte ons die nu met vriendelijk gebaar over. Deze rekening was van den volgenden inhoud:Vel-agu4. 16—Chup-suma60.80. Daar wij hier niets van begrepen, begonnen wij te lachen; maar de kastelein gaf ons de verklaring van deze geheimzinnige teekens: en wij lachten niet meer. Het stukje smerige vetkaars in de flesch werd ons aangerekend voor vier realen; de emmer water voor twee piasters; de kippensoep kostte zeven-en-een-halve piaster: de geheele zeer eenvoudige maaltijd kwam ons op niet minder dan vijftig francs te staan.Jonge dame van Arequipa.Jonge dame van Arequipa.Een Europeaan, nog onbekend met de landsgebruiken, zou natuurlijk over gruwelijke afzetterij geschreeuwd hebben; maar onze vrienden, in het land geboren en opgevoed, en ik, die er sedert eenige jaren gevestigd was, wij beschouwden de zaak uit een ander oogpunt, en betaalden, zonder een woord tegen te spreken, maar ook zonder een fooi te geven. De kastelein scheen zich over dit moedwillig verzuim niet te ergeren; hij stak het geld in zijn zak, en ging heen, met achterlating van zijne terrine.Inmiddels waren onze bedienden buiten den tampu ingeslapen en lagen rustig op den grond uitgestrekt, terwijl de muildieren, wien het aan voedsel en water ontbrak, hinnikten en trappelden. Wij maakten de slapers wakker, en lieten de muildieren zadelen, ten einde onmiddellijk onze reis te vervolgen: want, ter wille onzer dieren, verdiende een nachtelijke tocht door de pampa de voorkeur: zij hadden dan niet te lijden van de hitte en konden dus beter honger, dorst en vermoeienis verdragen.Den tampu verlatende, wendden wij ons oostwaarts; de wind blies niet meer van de Cordilleras, maar de lucht was koel en scherp; onze muildieren, door de rust en de frissche temperatuur versterkt, toonden zich met de beste voornemens bezield, waarvan wij aanstonds gebruik maakten om een fiksch eind vooruit te komen. Omstreeks vijf uur begon een zilverachtige schemerschijn den hemel te kleuren; de sterren verbleekten; het werd dag. Weldra verlichtten enkele oranjekleurige stralen den effen bodem van de pampa; straks vertoonde zich de zonneschijf, en zond ons den vollen gloed harer verblindende stralen vlak in het gezicht. Wij waren verplicht, met gebogen hoofde en zooveel mogelijk in elkaar gedoken, voort te rijden: eene zeer onaangename positie. Eerst om acht uur was de zon zoo hoog boven de kimmen gerezen, dat wij weder ongehinderd konden opzien. De met sneeuw gekroonde toppen der Andes verhieven zich voor ons; de bergketen werd in tweeën gedeeld door eene reeks lagere cerros of heuvelen, die de pampa aan de oostzijde begrensden. Wij reden nu achter elkander over smalle, bochtige, moeilijke paden, die langs den voet dezer heuvelen loopen; de dorre streek leverde maar enkele planten op, en voorts grauwe hagedissen en scharen van tortelduiven. Die tortelduiven zijn, met de ratten, vlooien en luizen, een van de geesels dezer streek; niet alleen verwoesten zij de maïs- en korenakkers, maar zij vervullen ook de lucht met haar onophoudelijk klagelijk gekir.Koopman in aardewerk.Koopman in aardewerk.De rit door de cerros kostte ons ongeveer twee uur, waarbij wij veel van de hitte en de stof te lijden hadden; maar wij werden voor al die onaangenaamheden ruimschoots schadeloos gesteld door het prachtig panorama, dat zich voor ons ontvouwde, toen wij den laatsten cerro waren overgetrokken. Voor onze voeten lag de vallei van Arequipa, eene twee mijlen breede kloof van ongeveer vijfhonderd voet diepte, bedekt met een groen tapeet van verschillende kleurschakeeringen; dorpen, hoeven, landhuizen kwamen helder uit op dien donkeren grond; twee rivierkens stuwden in breede kronkeling hare wateren door de vallei, om eindelijk samente vloeien. De oostelijke horizon was begrensd door de westelijke Andes, wier schitterende sneeuwtoppen den hemel schenen te torschen. Twee sierras, aan de hoofdketen verbonden, verhieven zich vlak tegenover ons; de eene, ter rechterhand, Pichu-Pichu geheeten, was getand als eene zaag; de andere, aan de linkerhand, Chachani genoemd, verhief hare loodrechte wanden als een reuzenmuur. Een vlakte van omstreeks twintig mijlen in omtrek scheidde de twee gevaarten. Uit het midden van dit plateau verhief zich, in indrukwekkende majesteit, de Misti, een der schoonst gevormde vulkanen, die de keten der Andes bezit.De vallei van Arequipa werd in het begin van de dertiende eeuw ontdekt door den vierden Inca Mayta-Capac, die, op het voetspoor van zijn voorgangers, van Cuzco was uitgegaan om de grenzen des rijks uit te breiden, en de nog onafhankelijke stammen van het gebergte en de kust tot de dienst van den Zonnegod te bekeeren. Na de Aymaras van de vlakte van Tiahuanacu in Bolivia onderworpen te hebben, was hij de dubbele keten der Andes, boven de bronnen van den Apurimac, overgetrokken, en had het andere gedeelte van het volk der Aymaras, die in de omstreken van Parihuanacocha woonden, onderworpen. Van dezen tocht terugkeerende, en langs den voet der Cordilleras voorttrekkende, had hij bij toeval de vallei van Arequipa ontdekt, destijds nog onbewoond, en waaraan hij den naam gaf van Coripuna—de goudvlakte—naar een thans uitgebranden vulkaan, op de grensscheiding der provinciën Cailloma en Arequipa.De helling der vallei, van de sierra van Characato, waar zij aanvangt, tot aan de kusten van den oceaan, bedraagt niet minder dan zevenduizend-honderd-dertien voet. In verband hiermede heerscht in den plantengroei de grootste afwisseling, gelijken tred houdende met het verschil in temperatuur. De vallei levert achtervolgens tarwe, rogge en koren, als de gematigde luchtstreken; dan maïs, vijgen en rozijnen, olijven en granaten, als zuidelijk Europa: en eindelijk bananen en suikerriet, als de tropische landen. De reiziger, die uitgeput en hijgend naar zijn adem, bezwijkende van de hitte en met stof overdekt, den zoom der cerros bereikt, en eensklaps deze weelderig groene vallei voor zich ziet, begroet in haar een beloofd land, een dier ouadies van Arabië, waar eindelijk de woestijn een grenspaal vindt; bij dien aanblik voelt hij zijn kracht en moed herleven, terwijl zijne oogen, door de weerkaatsing der zonnestralen op het zand verblind, met wellust op deze zachte groene tinten rusten.Deze prachtige vallei, zoo merkwaardig in meer dan een opzicht, zoo schilderachtig schoon, heeft intusschen zeer weinig wat den natuuronderzoeker boeien kan. Haar flora en haar fauna, in den omtrek van Arequipa, hebben bitter weinig te beteekenen, en de lijst der planten en dieren, aan deze streek eigen, is al zeer spoedig opgemaakt. Daar ik hier niet in de eerste plaats voor natuurkundigen schrijf, behoef ik over de voortbrengselen van het planten- of dierenrijk in de vallei van Arequipa dan ook niet verder uit te wijden.

II.

Wij beklommen het steile pad, dat naar het dorp Islay voert, en kwamen bij den engelschen consul. De echtgenoote en de dochters van dien ambtenaar, ongerust over zijn lang wegblijven, ontvingen hem met hartelijke uitroepingen van verrassing en vreugde. Daarop noodigden die dames ons vriendelijk uit, dien dag in den schoot der familie door te brengen en aan den maaltijd deel te nemen; maar, daar ik begeerig was, mij zoo spoedig mogelijk op weg te begeven, sloeg ik die uitnoodiging af. Mijne reismakkers, die, te oordeelen naar de blikken, die zij elkander toewierpen, zeer gaarne aan de uitnoodiging gevolg zouden hebben gegeven, durfden nu, op mijn voorbeeld, niet anders dan evenzeer bedanken. De vriendelijke dames, die ons volstrekt niet nuchter wilden laten vertrekken, haastten zich nu om de noodigesandwicheste bereiden, dieons welhaast door een bediende werden gepresenteerd. Wij besproeiden die gebakjes met een glas Champagnewijn, van Exeter afkomstig, waar eene zeer gerenommeerde fabriek van dien wijn bestaat. Na afloop van dienluncheonzette de oudste dochter van den consul, eene mooie lieve blondine, met den dichterlijken naam van Stella, zich aan de piano, en speelde, om de eigenliefde der gasten van haar vader te streelen, de cantate vanManco Ccapac. Al de notabelen waren opgetogen en klapten in de handen. Het air moest nog eens herhaald worden, en nu begon een hunner daarbij de woorden te zingen, waarbij de anderen weldra invielen. Dit volkslied, dat in Europa zoo goed als onbekend, maar in Peru zeer geliefd is, en waarvan, naar men zegt, de woorden en de muziek vervaardigd zijn door een kerkedienaar van denSagrariovan Ayacucho, bestaat uit achttien koupletten, waarvan elk veertien versregels telt. De zwaarmoedige, klagende wijs der muziek stemt volkomen overeen met den inhoud van het gedicht, dat hoofdzakelijk eene weemoedige klacht bevat over de verdwenen heerlijkheid van de kinderen der Zon. De uitvoering van dit stuk duurde omstreeks vijf kwartier; maar niemand viel die tijd te lang. Doch, daar de zangers tusschen elk kouplet een hartelijken dronk wijdden aan de nagedachtenis van den man, die Peru uit de barbaarschheid getogen had, begon mij de vrees te bekruipen dat zij, in hunne toomelooze geestdrift, als het lied ten einde was, wellicht eene quadrille zouden gaan dansen: want als deze lieden eenmaal aan den gang zijn, weten zij van geen ophouden. Daarom maakte ik aanstonds gebruik van de oogenblikkelijke stilte, die op het uitgalmen van den laatsten regel volgde, om op te staan en afscheid van den consul en zijne familie te nemen. Nu waren mijn makkers wel gedwongen, een einde aan de zaak te maken. Zij namen hunne hoeden, groetten met een zeer knorrig gezicht, en volgden mij, blijkbaar zeer ontevreden omdat zij een dag, die zoo prettig beloofde te zijn, dus op eenmaal moesten afbreken.Indiaansche vrouwen uit Peru.Indiaansche vrouwen uit Peru.Onze muildieren stonden reeds gereed. Ieder zocht zijn eigen dier uit, en zette zich in den zadel. De muilezeldrijvers en de mozos (jongens) plaatsten zich aan het hoofd van den trein, en wij verlieten de woning van den consul, onder de luide begroetingen en heilwenschen der familie, onder handdrukken en wuiven van zakdoeken. Het zal toen omstreeks twaalf uur zijn geweest. De zon brandde op het gloeiende zand. Ieder brokje en korreltje mica, een spiegel van Archimedes gelijk, zond ons een verblindenden lichtstraal in het gelaat. De drie rijen houten huizen, met strooien of rietendaken gedekt, die de drie straten van Islay vormen, lagen weldra achter ons. Op den top des heuvels gekomen, hadden wij aan onze rechterhand de kerk van het dorp, niet veel meer dan eene loods, die gedurende drie vierde van het jaar gesloten is en den vleermuizen tot woning dient; aan onze linkerhand zagen wij een reeks perken, door ruwe steenen omsloten en met houten kruisen versierd; aanvankelijk dacht ik, dat het kerkhoven waren, maar weldra vernam ik, dat ik niets dan perken voor de muilezels voor mij zag. Kort daarop daalden wij langs de oostelijke helling van de loma af, en bevonden ons nu op een weg, waarvoor menschen en dieren om het zeerst beducht zijn. Deze weg, niet ongelijk aan het diepe wagenspoor van een reusachtige kar, ter hoogte van een voet bedekt met een steenachtige vulkanische asch, waarin millioenen luizen wriemelen en krioelen, draagt den weidschen naam van de.Quebrada van Islay. Quebrada—vallei—het zij zoo; maar, dewijl de zware hooge heuvelen, die deze kloof ter wederzijde omzoomen, de frissche zeewinden volkomen afkeeren, heerscht hier een temperatuur, het best met die van een kalkoven te vergelijken. Nauwelijks waren wij dan ook in deze diepte afgedaald, of de adem scheen onze longen te begeven, en wij begonnen op onrustbarende wijze te hijgen, en naar lucht te snakken.Vastenavond te Arequipa.Vastenavond te Arequipa.Twee uren lang trokken wij door deze Quebrada, allen achter elkander rijdende en in somber zwijgen verzonken: een gevolg deels van het woeste, akelige voorkomen der streek, deels van de vrees om het afschuwelijke stof in te ademen, door de hoeven onzermuildieren opgejaagd. Te midden dier algemeene lusteloosheid, gaven de mozos alleen nog teekenen van leven, door hun schreeuwen en roepen om de achterblijvende muilezels aan te sporen.Weldra bespeurden wij, aan sommige onmiskenbare teekenen, dat onze foltering haar einde naderde. De heuvels, die ter wederzijde de kloof ommuurden, begonnen minder hoog te worden, weken steeds verder uit elkander, en werden in het eind door nederige hoogten vervangen. De zeewind kon weder tot ons doordringen; de bodem verhief zich; de weg bestond nu uit eene opeenvolging van steile glooiingen, die wij moesten bestijgen. Naar het zeggen der muilezeldrijvers, naderden wij eene plek,Olivargenaamd: eene soort van natuurlijke grensscheiding tusschen de Quebrada en de Pampa, tusschen het dal en de vlakte, tusschen het gebied van de asch en dat van het zand. De armoedige flora, vertegenwoordigd door welriekende heliotropen, door dwergachtige kromgetrokken olijfboomen en ettelijke sobere gramineën, poogde vergeefs, onder haar vuil-grauw stoffig masker, onze aandacht te trekken; zij zag er zoo pover en ellendig uit, dat wij haar nauwelijks een blik waardig keurden.De weg, die nog steeds stijgende bleef, bracht ons, na veelvuldige kronkelingen, op een klein onregelmatig plateau, van waar men den ganschen omtrek overzag. Midden op die vlakte stond eene ajoupa van gescheurde matten, aan palen bevestigd. Onder deze soort van tent zaten en lagen eenige vrouwen, in lompen gehuld, en eenige moedernaakte kinderen, te midden van potten, kruiken en aardewerk. Een lage tafel, waarop gebraden visschen, gemalen piment, en die soort van eetbaar zeegras, waaraan de Indianen den naam geven vancocha-yuyu, deed ons deze ajoupa kennen als een dier restauraties in de open lucht, in Peru zoo wel bekend. Deze spijzen, met eene dikke laag vulkanische asch overstrooid, zagen er niet zeer aptijtelijk uit; maar onze muilezeldrijvers bekommerden zich niet over zulk eene kleinigheid. Aanstonds lieten zij zich door de vrouwen eene dubbele portie van die stoffige lekkernijen voorzetten, benevens een kruik chicha. Daar het de gewoonte is, eer men de pampa ingaat, hier eenige oogenblikken op te houden, om de muildieren te laten uitrusten, stapten ook wij af, terwijl onze drijvers hun ontbijt gebruikten; mijne makkers sloegen vuur, en staken hunne sigaren aan. Ik liet hen rustig hunne rookwolken uitblazen, en begaf mij naar den rand van het plateau, zeventienhonderd el boven de zee gelegen, om de streek te overzien, die wij zoo pas waren doorgetrokken, en waar ik hoogst waarschijnlijk nimmer meer den voet zetten zou.De gansche omliggende streek, van den voet van het plateau tot den oceaan, was eentonig grijs van kleur, dooraderd van onregelmatige geelbruine strepen. De tallooze heuvels, die de oppervlakte bedekken, geleken, van deze hoogte en uit de verte gezien, op die eigenaardige phlyctenen, blazen of verheffingen van den grond, die in den omtrek der vulkanen zoo veelvuldig voorkomen. Van het noorden tot het zuiden strekte zich de donkere lijn uit der lomas of zoutheuvelen, die tusschen den 23° en der 10° deze kust omzoomen; hunne hellingen en kruinen vertoonden hier en daar een geelachtigen tint, die straks, na de eerste nevels van den zomer,—vruchtbaar makende dampen, die des nachts ontstaan en omstreeks elf uur in den morgen zich weder oplossen;—in vroolijk groen zou veranderen; door de ongemeene helderheid der lucht waren alle bijzonderheden van dit wijde landschap, tot op grooten afstand, duidelijk kenbaar. Zuidwaarts vertoonde zich als een zwarte streep, scheiding makende tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel: dat was kaap Coles en de rotsen van het dal van Tambo, welks rivier, des zomers droog, des winters, als de wateren zwellen, met hare modderige golven ontzaglijke steenblokken medevoert, van de bergen afgescheurd. Iets meer nabij, ontwaarde ik de vlakke kusten van Mejillones en Cocotea, met hare koraalbanken, haar lagen van guano, en hare sombere heuvels met de talloozehuacas(graven), waar duizende mummies hun eeuwigen slaap slapen. Elke plek, waarheen ik mijne blikken wendde, herinnerde mij eene of andere ontdekking, een of ander avontuur. Hier had ik eenige weken vertoefd, in gezelschap van Llipis-Indianen uit de groote woestijn van Atacana, levende van zeegras, van alikruiken en watermeloenen: alles wat deze streek oplevert. Daar was ik, van den top der duinen, als machteloos toeschouwer, getuige geweest van de schipbreuk van de amerikaansche brik deSusquehannah. Verder verhief zich, als een kegelvormig eiland, te midden van het vlotzand, de heuvel der Aymaras met zijn knekelhuis, dagteekenende uit den tijd vóór de spaansche verovering, waar ik zulke merkwaardige phrenologische exemplaren had gevonden. Nog verder, meer ten zuiden, de buitengronden van Arenal, met hunne voorraadschuren van visch-guano, tot dusverre nog onbekend, en waarop ik de aandacht der geleerden had pogen te vestigen. Daaromheen gaapten de met asch en slakken gevulde kraters van overoude, uitgebluschte vulkanen, die zich, in voorhistorische tijdperken, aan deze kust verhieven, en die noch kapitein Frézier in 1713, noch Humboldt en Bonpland in 1804, noch d’ Orbigny in 1836, hadden opgemerkt.Oostwaarts droeg het landschap een eenigszins gewijzigd karakter. Een zandwoestijn, geheel bezaaid met plompe, ronde cerros (heuvelen), allen sterk naar het westen overhellende, sloot hier als een muur den gezichteinder. Die cerros, van blokken zandsteen en vulkanische rotsen gevormd, die—wie kan gissen voor hoe vele eeuwenreeksen?—door de wateren der zee, in haar terugtocht van het oosten naar het westen, waren medegevoerd, op elkander geworpen, zaamgeperst:—deze cerros hadden mij menigmaal in de gelegenheid gesteld, de vervorming der gesteenten van nabij te bestudeeren. Aan hun voet, in de nabijheid van een of andere kleine beek, groeiden dwergachtige, armoedige olijven, kokos- en vijgeboomen, meer grauw dan groen, en alleen kenbaar door de schaduw, die zij afwierpen.Een onbeschrijfelijke weemoed vervulde de ziel, bij den aanblik van deze landstreek, dor tot naaktheid toe, uitgedroogd tot in het gebeente, en nog heden,zoowel door de gesteldheid van den bodem als door de gedaante der bergen, de duidelijke sporen vertoonende van de geduchte worsteling der twee elementen, die haar beurtelings hadden geteisterd en verwoest. De overoude en eeuwigdurende strijd van den draak met de hydra, van het vuur met het water, was in onuitwischbare trekken overal gegriffeld op deze sombere aarde, wonderlijk geteekend met bruine, rosse, grauwe strepen, en toch, ondanks de zee van licht, die de brandende middagzon daarover uitgoot, zoo onbeschrijfelijk doodsch en koud. Te midden van deze doffe, stoffige, toonlooze kleuren, die een geoloog zeker zou hebben bewonderd, maar waarvan een schilder haastig de oogen zou hebben afgewend, werd de blik onwederstaanbaar aangetrokken door de warme, heldere, lichtvolle, vroolijke kleuren van den azuren hemel en den azuren oceaan. Juist toen ik mij omkeerde, om der wijde zee mijn laatsten afscheidsgroet toe te wuiven, bespeurde ik op haar helderen spiegel twee donkere, nauwelijks merkbare stippen. De een was een schip, haastig zuidwaarts stevenende,—waarschijnlijk dat van onzen vriend den kapitein;—waarvan de zeilen, op dien afstand, er uitzagen als een vlok dons, door den wind medegevoerd; de andere stip was een stoomboot, die naar het noorden koers zette, en een ter nauwernood zichtbaren draad van rook achterliet.De muilezeldrijvers hadden hun ontbijt geëindigd, en waren nu bezig onderling het geld bijeen te brengen om de gemaakte vertering te betalen, waarmede nog een geruime tijd verloren ging. Wij zetten ons weder in den zadel, en sloegen den weg in naar de pampa van Islay: eene zandzee van twintig mijlen breed en zestig mijlen lang, en waarvan de nu eens onbeweeglijke, dan weder vluchtige golven, zeer veel gelijkenis vertoonen met de baren der zee, wier wateren vroeger deze streek moeten hebben overdekt. Ten einde de vlakte in schuine richting over te steken, hadden wij ons noordoostwaarts gewend, en den vrijen teugel gelaten aan onze muilezels, die konden gaan zoo als zij wilden, want het kwam er boven alles op aan, hunne krachten te sparen. De aardige dieren maakten van die schoone gelegenheid gebruik om aanstonds het gelid te verbreken, en achter elkander te gaan loopen, wat de muilezels dadelijk gaan doen, zoodra zij aan hun eigen zin worden overgelaten. Zoodra zij dat gedaan hadden, begon iedere ezel luid te hinniken, wierp zijn ooren achterover, rekte zijn hals uit, en zette zich in zachten draf achter zijn voorman. De drijvers hieven een weemoedig gezang aan.De tocht door deze woestijn is niet zonder gevaren. De zeewind, die voortdurend over dit beweeglijk zand heenstrijkt, brengt telkens allerlei veranderingen te weeg. Binnen weinige uren vormen zich spleten en diepten, verheffen zich duinen en dammen, om straks weder te verdwijnen, verstrooid te worden en ginds op nieuw te ontstaan. Om zich op hun tocht door deze bedriegelijke streek van den rechten weg te vergewissen, richten de stuurlieden van de pampa zich des daags naar de zon, en des nachts naar de sterren: veilige gidsen, die nooit iemand misleiden. Behalve de sterren en de hemellichamen, zijn daar nog, om hun den weg te wijzen, de geraamten van dieren, die op de reis door de vlakte van uitputting bezweken zijn. Deze sombere merken, waarop de drijvers nauwkeurig acht geven, wijzen door hunne ligging rechts of links, door hunne nabijheid of hunne verwijdering aan, in hoe ver de karavaan den rechten weg volgt. Ook wordt de verschijning van zulk een teeken altijd met zekere blijdschap begroet, ondanks het gevoel van afgrijzen, met medelijden vermengd, dat u bij dit gezicht onwillekeurig aangrijpt. Ik spreek hier natuurlijk van de beschaafde, gevoelige reizigers, die bij de zaak geen rechtstreeksch belang hebben; want de muilezeldrijvers, schraapzuchtig en koud van gemoed, gevoelen bij den aanblik dier beenderen geheel iets anders: zij denken daarbij aan het verloren kapitaal, en maken zich veeleer kwaad dan dat zij medelijden zouden gevoelen.Wij waren reeds sedert eenigen tijd op weg, onze blikken over de onmetelijke pampa latende dwalen, en niets ontdekkende dat naar een geraamte geleek, toen een der oudearrieros, die aan de spits der karavaan liep, eensklaps luide uitriep: “De beenderen! ziedaar de beenderen!” Aller oogen richtten zich dadelijk naar de aangewezen plek; en aan het uiteinde der vlakte, zuidwaarts, zagen wij nu eene helder witte streep, niet ongelijk aan de aderen van salpeter of zeezout, die in deze streken zeer dikwijls voorkomen. Op raad van onzen gids, die beweerde dat wij de richting dezer geraamten moesten volgen, sloegen wij rechts af en trokken daarheen.Deze beenderen, in kleine hoopen opeen gestapeld, in eene lange lijn, die zich aan den horizon verloor, waren meer of minder uitgebleekt, meer of minder gepolijst, naar gelang van den tijd, die er verloopen was sedert den dood der schepselen, aan wie zij eens behoord hadden. Aan zekere regelmatigheid in hunne schikking meende ik de hand des menschen te herkennen; hoewel onze drijvers, aan wie ik deze opmerking maakte, beweerden dat alleen de wind dit alzoo gebouwd had. Toen ik hun echter sommige paarde- en muildierkoppen wees, in welker oorholten eene schendige hand een paar beenderen, bij wijze van horens, gestoken had; en sommige andere schedels, uit wier neusgaten ribben te voorschijn kwamen, die snuiten of slagtanden moesten verbeelden;—begonnen de mozos van den troep luidkeels te lachen: waaruit ik besloot dat zij, of althans hunne kameraden, waarschijnlijk in dronkenschap, deze ontwijding der dooden gepleegd hadden.Naar mate wij verder kwamen, werden de oudere beenderen meer en meer met nieuwe vermengd, tot zij eindelijk daar geheel onder verdwenen. Sommige beenderen waren nog met een zwartachtig vleesch en verdorde zenuwen bekleed; geheel ongeschonden geraamten deden u onwillekeurig denken aan het paard van den dood in de Apocalypsis; enkelen waren nog met de huid bekleed. Onder die strak gespannen huid huisden gansche troepen van gallinasos (Percnopteros Urubu), de gewone bewoners dezer wildernissen. Even als de rat van La Fontaine zich in de hollandsche kaas eene woning maakt, zoo hadden ook deze afschuwelijke dieren, na het vleesch hunner prooi geheel verslondente hebben, zich in het uitgeholde geraamte genesteld. Het gerucht der voorbijtrekkende karavaan deed hen, een voor een, uit deze akelige schuilplaatsen te voorschijn komen; zij zagen ons aan met hunne doffe ziellooze oogen, en trokken zich weder terug, zoodra wij voorbij waren. De nieuwsgierigsten of de hongerigsten zetten zich op een schedel of eene uitstekende ribbe, als op een tak, en bespiedden met een schuinschen blik onze muilezels, gereed zich dadelijk te werpen op het ongelukkige dier, dat onderweg bezwijken mocht. Maar hunne hoop werd niet vervuld: onze muildieren, al lieten zij staart en ooren hangen, vervolgden rustig hun weg, tot groote voldoening der arrieros, van wie wij ze gehuurd hadden.De dag liep verder zonder buitengewone ontmoetingen ten einde; na ons den schedel en den nek geroosterd te hebben, zonk de zon eindelijk achter ons onder de kimmen. Nauwelijks was zij verdwenen, of een zachte, liefelijke koelte, van de Cordilleras afgedaald, suisde over de vlakte. In den beginne ademden wij met volle teugen dien verkwikkenden zephyr in; maar na verloop van een uur, was die suizende koelte een scherpe, snijdende wind geworden, en wij waren gedwongen, een wollen mantel om te slaan over den wit katoenen poncho. Wij trokken zoo voort tot tien uur, te midden der duisternis, die echter door het heldere schijnsel der starren tot schemering werd. Eensklaps zagen wij, op korten afstand voor ons, eene donkere zwarte massa verrijzen. Wij herkenden den Tampu of de karavanseraï der pampa. Onze muildieren, die insgelijks den tampu herkenden, rekten hunne halzen uit, en stonden uit eigen beweging stil op den drempel van dit gastvrij verblijf, waar de reizigers gewoonlijk halt houden, meer om hunne beesten te laten uitrusten, dan om zelven adem te scheppen.Peons.Peons.Die tampu, door de Quechuas tegenwoordig oneigenlijk Tambo genoemd, bestaat uit eene zeer lange en zeer lage houten woning, met een planken dak, en in verscheidene kompartimenten verdeeld; het met mica vermengde zand der woestijn dient tot vloer; en daar dit zand door tallooze legioenen mikroskopische, maar zeer bloeddorstige luizen bewoond is, vindt de reiziger, op dit zachte bed, schier geen enkel oogenblik de zoo zeer begeerde rust. Tegenover dit ongerief staat het voordeel, dat de tampu juist in het midden der woestijn staat, halverwege het dorp Islay en de stad Arequipa, drieduizend-negen-honderd-zeventien voet boven den Stillen Oceaan.Wij waren uitermate vermoeid, lieten de zorg voor de muildieren aan de mozos over, en haastten ons, de herberg binnen te treden, waar een diepe stilte heerschte. Eene opening zonder deur, in den houten wand aangebracht, gaf toegang tot een zaal, waar het stikdonker was; al tastende langs de muren gaande, riepen wij overluid, om de bewoners der herberg van onze komst te verwittigen. Eindelijk antwoordde ons de herbergier, door ons roepen gewekt: maar nog steeds verscheen er geen licht. Op zijne vragen antwoordden wij met de kreten: “Vuur! water!” De man verscheen een oogenblik daarna, in de eene hand een flesch dragende, in wier hals eene brandende vetkaars stak; in de andere hand een emmer met water en een beker, waarom wij bijkans vochten. Nadat onze brandende dorst gelescht was, vroegen wij, of er hier niet het een of ander te krijgen was, waarmede wij onzen honger konden stillen: want de sandwiches van den consul waren sinds lang vergeten. Wij kregen ten antwoord, dat er in den tambu nog maar zes kippen voorhanden waren, wel is waar levend, maar die op een wenk van ons, dadelijk konden geslacht worden. Wij haastten ons, dien wenk op de meest ondubbelzinnige wijs te geven; de herbergier boog, vroeg een uur uitstel om zijne vrouw te wekken, vuur te maken, de kippen te dooden, te plukken en ze ons voor te zetten, toebereid met rijst en piment. Zijn verzoek werd ingewilligd.Na verloop van een uur verscheen inderdaad de herbergier, een terrine dragende, waarin te midden van een plas helder vocht, eenige kleine stukken gevogelte dreven; wij kregen ieder een houten lepel, zetten ons in een kring om den dampenden schotel, en weerden ons dapper. De herbergier, bescheiden in de schaduw teruggetrokken, sloeg ons aandachtig gade; zijn gevoelvan eigenwaarde moest wel gestreeld worden door onze ongeveinsde ingenomenheid met zijn kookkunst. Toen de terrine tot den bodem ledig was, wierpen wij er onze lepels in, en vroegen de rekening. De herbergier had die reeds, terwijl wij aten, met een stuk krijt op een plank geschreven, en reikte ons die nu met vriendelijk gebaar over. Deze rekening was van den volgenden inhoud:Vel-agu4. 16—Chup-suma60.80. Daar wij hier niets van begrepen, begonnen wij te lachen; maar de kastelein gaf ons de verklaring van deze geheimzinnige teekens: en wij lachten niet meer. Het stukje smerige vetkaars in de flesch werd ons aangerekend voor vier realen; de emmer water voor twee piasters; de kippensoep kostte zeven-en-een-halve piaster: de geheele zeer eenvoudige maaltijd kwam ons op niet minder dan vijftig francs te staan.Jonge dame van Arequipa.Jonge dame van Arequipa.Een Europeaan, nog onbekend met de landsgebruiken, zou natuurlijk over gruwelijke afzetterij geschreeuwd hebben; maar onze vrienden, in het land geboren en opgevoed, en ik, die er sedert eenige jaren gevestigd was, wij beschouwden de zaak uit een ander oogpunt, en betaalden, zonder een woord tegen te spreken, maar ook zonder een fooi te geven. De kastelein scheen zich over dit moedwillig verzuim niet te ergeren; hij stak het geld in zijn zak, en ging heen, met achterlating van zijne terrine.Inmiddels waren onze bedienden buiten den tampu ingeslapen en lagen rustig op den grond uitgestrekt, terwijl de muildieren, wien het aan voedsel en water ontbrak, hinnikten en trappelden. Wij maakten de slapers wakker, en lieten de muildieren zadelen, ten einde onmiddellijk onze reis te vervolgen: want, ter wille onzer dieren, verdiende een nachtelijke tocht door de pampa de voorkeur: zij hadden dan niet te lijden van de hitte en konden dus beter honger, dorst en vermoeienis verdragen.Den tampu verlatende, wendden wij ons oostwaarts; de wind blies niet meer van de Cordilleras, maar de lucht was koel en scherp; onze muildieren, door de rust en de frissche temperatuur versterkt, toonden zich met de beste voornemens bezield, waarvan wij aanstonds gebruik maakten om een fiksch eind vooruit te komen. Omstreeks vijf uur begon een zilverachtige schemerschijn den hemel te kleuren; de sterren verbleekten; het werd dag. Weldra verlichtten enkele oranjekleurige stralen den effen bodem van de pampa; straks vertoonde zich de zonneschijf, en zond ons den vollen gloed harer verblindende stralen vlak in het gezicht. Wij waren verplicht, met gebogen hoofde en zooveel mogelijk in elkaar gedoken, voort te rijden: eene zeer onaangename positie. Eerst om acht uur was de zon zoo hoog boven de kimmen gerezen, dat wij weder ongehinderd konden opzien. De met sneeuw gekroonde toppen der Andes verhieven zich voor ons; de bergketen werd in tweeën gedeeld door eene reeks lagere cerros of heuvelen, die de pampa aan de oostzijde begrensden. Wij reden nu achter elkander over smalle, bochtige, moeilijke paden, die langs den voet dezer heuvelen loopen; de dorre streek leverde maar enkele planten op, en voorts grauwe hagedissen en scharen van tortelduiven. Die tortelduiven zijn, met de ratten, vlooien en luizen, een van de geesels dezer streek; niet alleen verwoesten zij de maïs- en korenakkers, maar zij vervullen ook de lucht met haar onophoudelijk klagelijk gekir.Koopman in aardewerk.Koopman in aardewerk.De rit door de cerros kostte ons ongeveer twee uur, waarbij wij veel van de hitte en de stof te lijden hadden; maar wij werden voor al die onaangenaamheden ruimschoots schadeloos gesteld door het prachtig panorama, dat zich voor ons ontvouwde, toen wij den laatsten cerro waren overgetrokken. Voor onze voeten lag de vallei van Arequipa, eene twee mijlen breede kloof van ongeveer vijfhonderd voet diepte, bedekt met een groen tapeet van verschillende kleurschakeeringen; dorpen, hoeven, landhuizen kwamen helder uit op dien donkeren grond; twee rivierkens stuwden in breede kronkeling hare wateren door de vallei, om eindelijk samente vloeien. De oostelijke horizon was begrensd door de westelijke Andes, wier schitterende sneeuwtoppen den hemel schenen te torschen. Twee sierras, aan de hoofdketen verbonden, verhieven zich vlak tegenover ons; de eene, ter rechterhand, Pichu-Pichu geheeten, was getand als eene zaag; de andere, aan de linkerhand, Chachani genoemd, verhief hare loodrechte wanden als een reuzenmuur. Een vlakte van omstreeks twintig mijlen in omtrek scheidde de twee gevaarten. Uit het midden van dit plateau verhief zich, in indrukwekkende majesteit, de Misti, een der schoonst gevormde vulkanen, die de keten der Andes bezit.De vallei van Arequipa werd in het begin van de dertiende eeuw ontdekt door den vierden Inca Mayta-Capac, die, op het voetspoor van zijn voorgangers, van Cuzco was uitgegaan om de grenzen des rijks uit te breiden, en de nog onafhankelijke stammen van het gebergte en de kust tot de dienst van den Zonnegod te bekeeren. Na de Aymaras van de vlakte van Tiahuanacu in Bolivia onderworpen te hebben, was hij de dubbele keten der Andes, boven de bronnen van den Apurimac, overgetrokken, en had het andere gedeelte van het volk der Aymaras, die in de omstreken van Parihuanacocha woonden, onderworpen. Van dezen tocht terugkeerende, en langs den voet der Cordilleras voorttrekkende, had hij bij toeval de vallei van Arequipa ontdekt, destijds nog onbewoond, en waaraan hij den naam gaf van Coripuna—de goudvlakte—naar een thans uitgebranden vulkaan, op de grensscheiding der provinciën Cailloma en Arequipa.De helling der vallei, van de sierra van Characato, waar zij aanvangt, tot aan de kusten van den oceaan, bedraagt niet minder dan zevenduizend-honderd-dertien voet. In verband hiermede heerscht in den plantengroei de grootste afwisseling, gelijken tred houdende met het verschil in temperatuur. De vallei levert achtervolgens tarwe, rogge en koren, als de gematigde luchtstreken; dan maïs, vijgen en rozijnen, olijven en granaten, als zuidelijk Europa: en eindelijk bananen en suikerriet, als de tropische landen. De reiziger, die uitgeput en hijgend naar zijn adem, bezwijkende van de hitte en met stof overdekt, den zoom der cerros bereikt, en eensklaps deze weelderig groene vallei voor zich ziet, begroet in haar een beloofd land, een dier ouadies van Arabië, waar eindelijk de woestijn een grenspaal vindt; bij dien aanblik voelt hij zijn kracht en moed herleven, terwijl zijne oogen, door de weerkaatsing der zonnestralen op het zand verblind, met wellust op deze zachte groene tinten rusten.Deze prachtige vallei, zoo merkwaardig in meer dan een opzicht, zoo schilderachtig schoon, heeft intusschen zeer weinig wat den natuuronderzoeker boeien kan. Haar flora en haar fauna, in den omtrek van Arequipa, hebben bitter weinig te beteekenen, en de lijst der planten en dieren, aan deze streek eigen, is al zeer spoedig opgemaakt. Daar ik hier niet in de eerste plaats voor natuurkundigen schrijf, behoef ik over de voortbrengselen van het planten- of dierenrijk in de vallei van Arequipa dan ook niet verder uit te wijden.

Wij beklommen het steile pad, dat naar het dorp Islay voert, en kwamen bij den engelschen consul. De echtgenoote en de dochters van dien ambtenaar, ongerust over zijn lang wegblijven, ontvingen hem met hartelijke uitroepingen van verrassing en vreugde. Daarop noodigden die dames ons vriendelijk uit, dien dag in den schoot der familie door te brengen en aan den maaltijd deel te nemen; maar, daar ik begeerig was, mij zoo spoedig mogelijk op weg te begeven, sloeg ik die uitnoodiging af. Mijne reismakkers, die, te oordeelen naar de blikken, die zij elkander toewierpen, zeer gaarne aan de uitnoodiging gevolg zouden hebben gegeven, durfden nu, op mijn voorbeeld, niet anders dan evenzeer bedanken. De vriendelijke dames, die ons volstrekt niet nuchter wilden laten vertrekken, haastten zich nu om de noodigesandwicheste bereiden, dieons welhaast door een bediende werden gepresenteerd. Wij besproeiden die gebakjes met een glas Champagnewijn, van Exeter afkomstig, waar eene zeer gerenommeerde fabriek van dien wijn bestaat. Na afloop van dienluncheonzette de oudste dochter van den consul, eene mooie lieve blondine, met den dichterlijken naam van Stella, zich aan de piano, en speelde, om de eigenliefde der gasten van haar vader te streelen, de cantate vanManco Ccapac. Al de notabelen waren opgetogen en klapten in de handen. Het air moest nog eens herhaald worden, en nu begon een hunner daarbij de woorden te zingen, waarbij de anderen weldra invielen. Dit volkslied, dat in Europa zoo goed als onbekend, maar in Peru zeer geliefd is, en waarvan, naar men zegt, de woorden en de muziek vervaardigd zijn door een kerkedienaar van denSagrariovan Ayacucho, bestaat uit achttien koupletten, waarvan elk veertien versregels telt. De zwaarmoedige, klagende wijs der muziek stemt volkomen overeen met den inhoud van het gedicht, dat hoofdzakelijk eene weemoedige klacht bevat over de verdwenen heerlijkheid van de kinderen der Zon. De uitvoering van dit stuk duurde omstreeks vijf kwartier; maar niemand viel die tijd te lang. Doch, daar de zangers tusschen elk kouplet een hartelijken dronk wijdden aan de nagedachtenis van den man, die Peru uit de barbaarschheid getogen had, begon mij de vrees te bekruipen dat zij, in hunne toomelooze geestdrift, als het lied ten einde was, wellicht eene quadrille zouden gaan dansen: want als deze lieden eenmaal aan den gang zijn, weten zij van geen ophouden. Daarom maakte ik aanstonds gebruik van de oogenblikkelijke stilte, die op het uitgalmen van den laatsten regel volgde, om op te staan en afscheid van den consul en zijne familie te nemen. Nu waren mijn makkers wel gedwongen, een einde aan de zaak te maken. Zij namen hunne hoeden, groetten met een zeer knorrig gezicht, en volgden mij, blijkbaar zeer ontevreden omdat zij een dag, die zoo prettig beloofde te zijn, dus op eenmaal moesten afbreken.

Indiaansche vrouwen uit Peru.Indiaansche vrouwen uit Peru.

Indiaansche vrouwen uit Peru.

Onze muildieren stonden reeds gereed. Ieder zocht zijn eigen dier uit, en zette zich in den zadel. De muilezeldrijvers en de mozos (jongens) plaatsten zich aan het hoofd van den trein, en wij verlieten de woning van den consul, onder de luide begroetingen en heilwenschen der familie, onder handdrukken en wuiven van zakdoeken. Het zal toen omstreeks twaalf uur zijn geweest. De zon brandde op het gloeiende zand. Ieder brokje en korreltje mica, een spiegel van Archimedes gelijk, zond ons een verblindenden lichtstraal in het gelaat. De drie rijen houten huizen, met strooien of rietendaken gedekt, die de drie straten van Islay vormen, lagen weldra achter ons. Op den top des heuvels gekomen, hadden wij aan onze rechterhand de kerk van het dorp, niet veel meer dan eene loods, die gedurende drie vierde van het jaar gesloten is en den vleermuizen tot woning dient; aan onze linkerhand zagen wij een reeks perken, door ruwe steenen omsloten en met houten kruisen versierd; aanvankelijk dacht ik, dat het kerkhoven waren, maar weldra vernam ik, dat ik niets dan perken voor de muilezels voor mij zag. Kort daarop daalden wij langs de oostelijke helling van de loma af, en bevonden ons nu op een weg, waarvoor menschen en dieren om het zeerst beducht zijn. Deze weg, niet ongelijk aan het diepe wagenspoor van een reusachtige kar, ter hoogte van een voet bedekt met een steenachtige vulkanische asch, waarin millioenen luizen wriemelen en krioelen, draagt den weidschen naam van de.Quebrada van Islay. Quebrada—vallei—het zij zoo; maar, dewijl de zware hooge heuvelen, die deze kloof ter wederzijde omzoomen, de frissche zeewinden volkomen afkeeren, heerscht hier een temperatuur, het best met die van een kalkoven te vergelijken. Nauwelijks waren wij dan ook in deze diepte afgedaald, of de adem scheen onze longen te begeven, en wij begonnen op onrustbarende wijze te hijgen, en naar lucht te snakken.

Vastenavond te Arequipa.Vastenavond te Arequipa.

Vastenavond te Arequipa.

Twee uren lang trokken wij door deze Quebrada, allen achter elkander rijdende en in somber zwijgen verzonken: een gevolg deels van het woeste, akelige voorkomen der streek, deels van de vrees om het afschuwelijke stof in te ademen, door de hoeven onzermuildieren opgejaagd. Te midden dier algemeene lusteloosheid, gaven de mozos alleen nog teekenen van leven, door hun schreeuwen en roepen om de achterblijvende muilezels aan te sporen.

Weldra bespeurden wij, aan sommige onmiskenbare teekenen, dat onze foltering haar einde naderde. De heuvels, die ter wederzijde de kloof ommuurden, begonnen minder hoog te worden, weken steeds verder uit elkander, en werden in het eind door nederige hoogten vervangen. De zeewind kon weder tot ons doordringen; de bodem verhief zich; de weg bestond nu uit eene opeenvolging van steile glooiingen, die wij moesten bestijgen. Naar het zeggen der muilezeldrijvers, naderden wij eene plek,Olivargenaamd: eene soort van natuurlijke grensscheiding tusschen de Quebrada en de Pampa, tusschen het dal en de vlakte, tusschen het gebied van de asch en dat van het zand. De armoedige flora, vertegenwoordigd door welriekende heliotropen, door dwergachtige kromgetrokken olijfboomen en ettelijke sobere gramineën, poogde vergeefs, onder haar vuil-grauw stoffig masker, onze aandacht te trekken; zij zag er zoo pover en ellendig uit, dat wij haar nauwelijks een blik waardig keurden.

De weg, die nog steeds stijgende bleef, bracht ons, na veelvuldige kronkelingen, op een klein onregelmatig plateau, van waar men den ganschen omtrek overzag. Midden op die vlakte stond eene ajoupa van gescheurde matten, aan palen bevestigd. Onder deze soort van tent zaten en lagen eenige vrouwen, in lompen gehuld, en eenige moedernaakte kinderen, te midden van potten, kruiken en aardewerk. Een lage tafel, waarop gebraden visschen, gemalen piment, en die soort van eetbaar zeegras, waaraan de Indianen den naam geven vancocha-yuyu, deed ons deze ajoupa kennen als een dier restauraties in de open lucht, in Peru zoo wel bekend. Deze spijzen, met eene dikke laag vulkanische asch overstrooid, zagen er niet zeer aptijtelijk uit; maar onze muilezeldrijvers bekommerden zich niet over zulk eene kleinigheid. Aanstonds lieten zij zich door de vrouwen eene dubbele portie van die stoffige lekkernijen voorzetten, benevens een kruik chicha. Daar het de gewoonte is, eer men de pampa ingaat, hier eenige oogenblikken op te houden, om de muildieren te laten uitrusten, stapten ook wij af, terwijl onze drijvers hun ontbijt gebruikten; mijne makkers sloegen vuur, en staken hunne sigaren aan. Ik liet hen rustig hunne rookwolken uitblazen, en begaf mij naar den rand van het plateau, zeventienhonderd el boven de zee gelegen, om de streek te overzien, die wij zoo pas waren doorgetrokken, en waar ik hoogst waarschijnlijk nimmer meer den voet zetten zou.

De gansche omliggende streek, van den voet van het plateau tot den oceaan, was eentonig grijs van kleur, dooraderd van onregelmatige geelbruine strepen. De tallooze heuvels, die de oppervlakte bedekken, geleken, van deze hoogte en uit de verte gezien, op die eigenaardige phlyctenen, blazen of verheffingen van den grond, die in den omtrek der vulkanen zoo veelvuldig voorkomen. Van het noorden tot het zuiden strekte zich de donkere lijn uit der lomas of zoutheuvelen, die tusschen den 23° en der 10° deze kust omzoomen; hunne hellingen en kruinen vertoonden hier en daar een geelachtigen tint, die straks, na de eerste nevels van den zomer,—vruchtbaar makende dampen, die des nachts ontstaan en omstreeks elf uur in den morgen zich weder oplossen;—in vroolijk groen zou veranderen; door de ongemeene helderheid der lucht waren alle bijzonderheden van dit wijde landschap, tot op grooten afstand, duidelijk kenbaar. Zuidwaarts vertoonde zich als een zwarte streep, scheiding makende tusschen de blauwe zee en den blauwen hemel: dat was kaap Coles en de rotsen van het dal van Tambo, welks rivier, des zomers droog, des winters, als de wateren zwellen, met hare modderige golven ontzaglijke steenblokken medevoert, van de bergen afgescheurd. Iets meer nabij, ontwaarde ik de vlakke kusten van Mejillones en Cocotea, met hare koraalbanken, haar lagen van guano, en hare sombere heuvels met de talloozehuacas(graven), waar duizende mummies hun eeuwigen slaap slapen. Elke plek, waarheen ik mijne blikken wendde, herinnerde mij eene of andere ontdekking, een of ander avontuur. Hier had ik eenige weken vertoefd, in gezelschap van Llipis-Indianen uit de groote woestijn van Atacana, levende van zeegras, van alikruiken en watermeloenen: alles wat deze streek oplevert. Daar was ik, van den top der duinen, als machteloos toeschouwer, getuige geweest van de schipbreuk van de amerikaansche brik deSusquehannah. Verder verhief zich, als een kegelvormig eiland, te midden van het vlotzand, de heuvel der Aymaras met zijn knekelhuis, dagteekenende uit den tijd vóór de spaansche verovering, waar ik zulke merkwaardige phrenologische exemplaren had gevonden. Nog verder, meer ten zuiden, de buitengronden van Arenal, met hunne voorraadschuren van visch-guano, tot dusverre nog onbekend, en waarop ik de aandacht der geleerden had pogen te vestigen. Daaromheen gaapten de met asch en slakken gevulde kraters van overoude, uitgebluschte vulkanen, die zich, in voorhistorische tijdperken, aan deze kust verhieven, en die noch kapitein Frézier in 1713, noch Humboldt en Bonpland in 1804, noch d’ Orbigny in 1836, hadden opgemerkt.

Oostwaarts droeg het landschap een eenigszins gewijzigd karakter. Een zandwoestijn, geheel bezaaid met plompe, ronde cerros (heuvelen), allen sterk naar het westen overhellende, sloot hier als een muur den gezichteinder. Die cerros, van blokken zandsteen en vulkanische rotsen gevormd, die—wie kan gissen voor hoe vele eeuwenreeksen?—door de wateren der zee, in haar terugtocht van het oosten naar het westen, waren medegevoerd, op elkander geworpen, zaamgeperst:—deze cerros hadden mij menigmaal in de gelegenheid gesteld, de vervorming der gesteenten van nabij te bestudeeren. Aan hun voet, in de nabijheid van een of andere kleine beek, groeiden dwergachtige, armoedige olijven, kokos- en vijgeboomen, meer grauw dan groen, en alleen kenbaar door de schaduw, die zij afwierpen.

Een onbeschrijfelijke weemoed vervulde de ziel, bij den aanblik van deze landstreek, dor tot naaktheid toe, uitgedroogd tot in het gebeente, en nog heden,zoowel door de gesteldheid van den bodem als door de gedaante der bergen, de duidelijke sporen vertoonende van de geduchte worsteling der twee elementen, die haar beurtelings hadden geteisterd en verwoest. De overoude en eeuwigdurende strijd van den draak met de hydra, van het vuur met het water, was in onuitwischbare trekken overal gegriffeld op deze sombere aarde, wonderlijk geteekend met bruine, rosse, grauwe strepen, en toch, ondanks de zee van licht, die de brandende middagzon daarover uitgoot, zoo onbeschrijfelijk doodsch en koud. Te midden van deze doffe, stoffige, toonlooze kleuren, die een geoloog zeker zou hebben bewonderd, maar waarvan een schilder haastig de oogen zou hebben afgewend, werd de blik onwederstaanbaar aangetrokken door de warme, heldere, lichtvolle, vroolijke kleuren van den azuren hemel en den azuren oceaan. Juist toen ik mij omkeerde, om der wijde zee mijn laatsten afscheidsgroet toe te wuiven, bespeurde ik op haar helderen spiegel twee donkere, nauwelijks merkbare stippen. De een was een schip, haastig zuidwaarts stevenende,—waarschijnlijk dat van onzen vriend den kapitein;—waarvan de zeilen, op dien afstand, er uitzagen als een vlok dons, door den wind medegevoerd; de andere stip was een stoomboot, die naar het noorden koers zette, en een ter nauwernood zichtbaren draad van rook achterliet.

De muilezeldrijvers hadden hun ontbijt geëindigd, en waren nu bezig onderling het geld bijeen te brengen om de gemaakte vertering te betalen, waarmede nog een geruime tijd verloren ging. Wij zetten ons weder in den zadel, en sloegen den weg in naar de pampa van Islay: eene zandzee van twintig mijlen breed en zestig mijlen lang, en waarvan de nu eens onbeweeglijke, dan weder vluchtige golven, zeer veel gelijkenis vertoonen met de baren der zee, wier wateren vroeger deze streek moeten hebben overdekt. Ten einde de vlakte in schuine richting over te steken, hadden wij ons noordoostwaarts gewend, en den vrijen teugel gelaten aan onze muilezels, die konden gaan zoo als zij wilden, want het kwam er boven alles op aan, hunne krachten te sparen. De aardige dieren maakten van die schoone gelegenheid gebruik om aanstonds het gelid te verbreken, en achter elkander te gaan loopen, wat de muilezels dadelijk gaan doen, zoodra zij aan hun eigen zin worden overgelaten. Zoodra zij dat gedaan hadden, begon iedere ezel luid te hinniken, wierp zijn ooren achterover, rekte zijn hals uit, en zette zich in zachten draf achter zijn voorman. De drijvers hieven een weemoedig gezang aan.

De tocht door deze woestijn is niet zonder gevaren. De zeewind, die voortdurend over dit beweeglijk zand heenstrijkt, brengt telkens allerlei veranderingen te weeg. Binnen weinige uren vormen zich spleten en diepten, verheffen zich duinen en dammen, om straks weder te verdwijnen, verstrooid te worden en ginds op nieuw te ontstaan. Om zich op hun tocht door deze bedriegelijke streek van den rechten weg te vergewissen, richten de stuurlieden van de pampa zich des daags naar de zon, en des nachts naar de sterren: veilige gidsen, die nooit iemand misleiden. Behalve de sterren en de hemellichamen, zijn daar nog, om hun den weg te wijzen, de geraamten van dieren, die op de reis door de vlakte van uitputting bezweken zijn. Deze sombere merken, waarop de drijvers nauwkeurig acht geven, wijzen door hunne ligging rechts of links, door hunne nabijheid of hunne verwijdering aan, in hoe ver de karavaan den rechten weg volgt. Ook wordt de verschijning van zulk een teeken altijd met zekere blijdschap begroet, ondanks het gevoel van afgrijzen, met medelijden vermengd, dat u bij dit gezicht onwillekeurig aangrijpt. Ik spreek hier natuurlijk van de beschaafde, gevoelige reizigers, die bij de zaak geen rechtstreeksch belang hebben; want de muilezeldrijvers, schraapzuchtig en koud van gemoed, gevoelen bij den aanblik dier beenderen geheel iets anders: zij denken daarbij aan het verloren kapitaal, en maken zich veeleer kwaad dan dat zij medelijden zouden gevoelen.

Wij waren reeds sedert eenigen tijd op weg, onze blikken over de onmetelijke pampa latende dwalen, en niets ontdekkende dat naar een geraamte geleek, toen een der oudearrieros, die aan de spits der karavaan liep, eensklaps luide uitriep: “De beenderen! ziedaar de beenderen!” Aller oogen richtten zich dadelijk naar de aangewezen plek; en aan het uiteinde der vlakte, zuidwaarts, zagen wij nu eene helder witte streep, niet ongelijk aan de aderen van salpeter of zeezout, die in deze streken zeer dikwijls voorkomen. Op raad van onzen gids, die beweerde dat wij de richting dezer geraamten moesten volgen, sloegen wij rechts af en trokken daarheen.

Deze beenderen, in kleine hoopen opeen gestapeld, in eene lange lijn, die zich aan den horizon verloor, waren meer of minder uitgebleekt, meer of minder gepolijst, naar gelang van den tijd, die er verloopen was sedert den dood der schepselen, aan wie zij eens behoord hadden. Aan zekere regelmatigheid in hunne schikking meende ik de hand des menschen te herkennen; hoewel onze drijvers, aan wie ik deze opmerking maakte, beweerden dat alleen de wind dit alzoo gebouwd had. Toen ik hun echter sommige paarde- en muildierkoppen wees, in welker oorholten eene schendige hand een paar beenderen, bij wijze van horens, gestoken had; en sommige andere schedels, uit wier neusgaten ribben te voorschijn kwamen, die snuiten of slagtanden moesten verbeelden;—begonnen de mozos van den troep luidkeels te lachen: waaruit ik besloot dat zij, of althans hunne kameraden, waarschijnlijk in dronkenschap, deze ontwijding der dooden gepleegd hadden.

Naar mate wij verder kwamen, werden de oudere beenderen meer en meer met nieuwe vermengd, tot zij eindelijk daar geheel onder verdwenen. Sommige beenderen waren nog met een zwartachtig vleesch en verdorde zenuwen bekleed; geheel ongeschonden geraamten deden u onwillekeurig denken aan het paard van den dood in de Apocalypsis; enkelen waren nog met de huid bekleed. Onder die strak gespannen huid huisden gansche troepen van gallinasos (Percnopteros Urubu), de gewone bewoners dezer wildernissen. Even als de rat van La Fontaine zich in de hollandsche kaas eene woning maakt, zoo hadden ook deze afschuwelijke dieren, na het vleesch hunner prooi geheel verslondente hebben, zich in het uitgeholde geraamte genesteld. Het gerucht der voorbijtrekkende karavaan deed hen, een voor een, uit deze akelige schuilplaatsen te voorschijn komen; zij zagen ons aan met hunne doffe ziellooze oogen, en trokken zich weder terug, zoodra wij voorbij waren. De nieuwsgierigsten of de hongerigsten zetten zich op een schedel of eene uitstekende ribbe, als op een tak, en bespiedden met een schuinschen blik onze muilezels, gereed zich dadelijk te werpen op het ongelukkige dier, dat onderweg bezwijken mocht. Maar hunne hoop werd niet vervuld: onze muildieren, al lieten zij staart en ooren hangen, vervolgden rustig hun weg, tot groote voldoening der arrieros, van wie wij ze gehuurd hadden.

De dag liep verder zonder buitengewone ontmoetingen ten einde; na ons den schedel en den nek geroosterd te hebben, zonk de zon eindelijk achter ons onder de kimmen. Nauwelijks was zij verdwenen, of een zachte, liefelijke koelte, van de Cordilleras afgedaald, suisde over de vlakte. In den beginne ademden wij met volle teugen dien verkwikkenden zephyr in; maar na verloop van een uur, was die suizende koelte een scherpe, snijdende wind geworden, en wij waren gedwongen, een wollen mantel om te slaan over den wit katoenen poncho. Wij trokken zoo voort tot tien uur, te midden der duisternis, die echter door het heldere schijnsel der starren tot schemering werd. Eensklaps zagen wij, op korten afstand voor ons, eene donkere zwarte massa verrijzen. Wij herkenden den Tampu of de karavanseraï der pampa. Onze muildieren, die insgelijks den tampu herkenden, rekten hunne halzen uit, en stonden uit eigen beweging stil op den drempel van dit gastvrij verblijf, waar de reizigers gewoonlijk halt houden, meer om hunne beesten te laten uitrusten, dan om zelven adem te scheppen.

Peons.Peons.

Peons.

Die tampu, door de Quechuas tegenwoordig oneigenlijk Tambo genoemd, bestaat uit eene zeer lange en zeer lage houten woning, met een planken dak, en in verscheidene kompartimenten verdeeld; het met mica vermengde zand der woestijn dient tot vloer; en daar dit zand door tallooze legioenen mikroskopische, maar zeer bloeddorstige luizen bewoond is, vindt de reiziger, op dit zachte bed, schier geen enkel oogenblik de zoo zeer begeerde rust. Tegenover dit ongerief staat het voordeel, dat de tampu juist in het midden der woestijn staat, halverwege het dorp Islay en de stad Arequipa, drieduizend-negen-honderd-zeventien voet boven den Stillen Oceaan.

Wij waren uitermate vermoeid, lieten de zorg voor de muildieren aan de mozos over, en haastten ons, de herberg binnen te treden, waar een diepe stilte heerschte. Eene opening zonder deur, in den houten wand aangebracht, gaf toegang tot een zaal, waar het stikdonker was; al tastende langs de muren gaande, riepen wij overluid, om de bewoners der herberg van onze komst te verwittigen. Eindelijk antwoordde ons de herbergier, door ons roepen gewekt: maar nog steeds verscheen er geen licht. Op zijne vragen antwoordden wij met de kreten: “Vuur! water!” De man verscheen een oogenblik daarna, in de eene hand een flesch dragende, in wier hals eene brandende vetkaars stak; in de andere hand een emmer met water en een beker, waarom wij bijkans vochten. Nadat onze brandende dorst gelescht was, vroegen wij, of er hier niet het een of ander te krijgen was, waarmede wij onzen honger konden stillen: want de sandwiches van den consul waren sinds lang vergeten. Wij kregen ten antwoord, dat er in den tambu nog maar zes kippen voorhanden waren, wel is waar levend, maar die op een wenk van ons, dadelijk konden geslacht worden. Wij haastten ons, dien wenk op de meest ondubbelzinnige wijs te geven; de herbergier boog, vroeg een uur uitstel om zijne vrouw te wekken, vuur te maken, de kippen te dooden, te plukken en ze ons voor te zetten, toebereid met rijst en piment. Zijn verzoek werd ingewilligd.

Na verloop van een uur verscheen inderdaad de herbergier, een terrine dragende, waarin te midden van een plas helder vocht, eenige kleine stukken gevogelte dreven; wij kregen ieder een houten lepel, zetten ons in een kring om den dampenden schotel, en weerden ons dapper. De herbergier, bescheiden in de schaduw teruggetrokken, sloeg ons aandachtig gade; zijn gevoelvan eigenwaarde moest wel gestreeld worden door onze ongeveinsde ingenomenheid met zijn kookkunst. Toen de terrine tot den bodem ledig was, wierpen wij er onze lepels in, en vroegen de rekening. De herbergier had die reeds, terwijl wij aten, met een stuk krijt op een plank geschreven, en reikte ons die nu met vriendelijk gebaar over. Deze rekening was van den volgenden inhoud:Vel-agu4. 16—Chup-suma60.80. Daar wij hier niets van begrepen, begonnen wij te lachen; maar de kastelein gaf ons de verklaring van deze geheimzinnige teekens: en wij lachten niet meer. Het stukje smerige vetkaars in de flesch werd ons aangerekend voor vier realen; de emmer water voor twee piasters; de kippensoep kostte zeven-en-een-halve piaster: de geheele zeer eenvoudige maaltijd kwam ons op niet minder dan vijftig francs te staan.

Jonge dame van Arequipa.Jonge dame van Arequipa.

Jonge dame van Arequipa.

Een Europeaan, nog onbekend met de landsgebruiken, zou natuurlijk over gruwelijke afzetterij geschreeuwd hebben; maar onze vrienden, in het land geboren en opgevoed, en ik, die er sedert eenige jaren gevestigd was, wij beschouwden de zaak uit een ander oogpunt, en betaalden, zonder een woord tegen te spreken, maar ook zonder een fooi te geven. De kastelein scheen zich over dit moedwillig verzuim niet te ergeren; hij stak het geld in zijn zak, en ging heen, met achterlating van zijne terrine.

Inmiddels waren onze bedienden buiten den tampu ingeslapen en lagen rustig op den grond uitgestrekt, terwijl de muildieren, wien het aan voedsel en water ontbrak, hinnikten en trappelden. Wij maakten de slapers wakker, en lieten de muildieren zadelen, ten einde onmiddellijk onze reis te vervolgen: want, ter wille onzer dieren, verdiende een nachtelijke tocht door de pampa de voorkeur: zij hadden dan niet te lijden van de hitte en konden dus beter honger, dorst en vermoeienis verdragen.

Den tampu verlatende, wendden wij ons oostwaarts; de wind blies niet meer van de Cordilleras, maar de lucht was koel en scherp; onze muildieren, door de rust en de frissche temperatuur versterkt, toonden zich met de beste voornemens bezield, waarvan wij aanstonds gebruik maakten om een fiksch eind vooruit te komen. Omstreeks vijf uur begon een zilverachtige schemerschijn den hemel te kleuren; de sterren verbleekten; het werd dag. Weldra verlichtten enkele oranjekleurige stralen den effen bodem van de pampa; straks vertoonde zich de zonneschijf, en zond ons den vollen gloed harer verblindende stralen vlak in het gezicht. Wij waren verplicht, met gebogen hoofde en zooveel mogelijk in elkaar gedoken, voort te rijden: eene zeer onaangename positie. Eerst om acht uur was de zon zoo hoog boven de kimmen gerezen, dat wij weder ongehinderd konden opzien. De met sneeuw gekroonde toppen der Andes verhieven zich voor ons; de bergketen werd in tweeën gedeeld door eene reeks lagere cerros of heuvelen, die de pampa aan de oostzijde begrensden. Wij reden nu achter elkander over smalle, bochtige, moeilijke paden, die langs den voet dezer heuvelen loopen; de dorre streek leverde maar enkele planten op, en voorts grauwe hagedissen en scharen van tortelduiven. Die tortelduiven zijn, met de ratten, vlooien en luizen, een van de geesels dezer streek; niet alleen verwoesten zij de maïs- en korenakkers, maar zij vervullen ook de lucht met haar onophoudelijk klagelijk gekir.

Koopman in aardewerk.Koopman in aardewerk.

Koopman in aardewerk.

De rit door de cerros kostte ons ongeveer twee uur, waarbij wij veel van de hitte en de stof te lijden hadden; maar wij werden voor al die onaangenaamheden ruimschoots schadeloos gesteld door het prachtig panorama, dat zich voor ons ontvouwde, toen wij den laatsten cerro waren overgetrokken. Voor onze voeten lag de vallei van Arequipa, eene twee mijlen breede kloof van ongeveer vijfhonderd voet diepte, bedekt met een groen tapeet van verschillende kleurschakeeringen; dorpen, hoeven, landhuizen kwamen helder uit op dien donkeren grond; twee rivierkens stuwden in breede kronkeling hare wateren door de vallei, om eindelijk samente vloeien. De oostelijke horizon was begrensd door de westelijke Andes, wier schitterende sneeuwtoppen den hemel schenen te torschen. Twee sierras, aan de hoofdketen verbonden, verhieven zich vlak tegenover ons; de eene, ter rechterhand, Pichu-Pichu geheeten, was getand als eene zaag; de andere, aan de linkerhand, Chachani genoemd, verhief hare loodrechte wanden als een reuzenmuur. Een vlakte van omstreeks twintig mijlen in omtrek scheidde de twee gevaarten. Uit het midden van dit plateau verhief zich, in indrukwekkende majesteit, de Misti, een der schoonst gevormde vulkanen, die de keten der Andes bezit.

De vallei van Arequipa werd in het begin van de dertiende eeuw ontdekt door den vierden Inca Mayta-Capac, die, op het voetspoor van zijn voorgangers, van Cuzco was uitgegaan om de grenzen des rijks uit te breiden, en de nog onafhankelijke stammen van het gebergte en de kust tot de dienst van den Zonnegod te bekeeren. Na de Aymaras van de vlakte van Tiahuanacu in Bolivia onderworpen te hebben, was hij de dubbele keten der Andes, boven de bronnen van den Apurimac, overgetrokken, en had het andere gedeelte van het volk der Aymaras, die in de omstreken van Parihuanacocha woonden, onderworpen. Van dezen tocht terugkeerende, en langs den voet der Cordilleras voorttrekkende, had hij bij toeval de vallei van Arequipa ontdekt, destijds nog onbewoond, en waaraan hij den naam gaf van Coripuna—de goudvlakte—naar een thans uitgebranden vulkaan, op de grensscheiding der provinciën Cailloma en Arequipa.

De helling der vallei, van de sierra van Characato, waar zij aanvangt, tot aan de kusten van den oceaan, bedraagt niet minder dan zevenduizend-honderd-dertien voet. In verband hiermede heerscht in den plantengroei de grootste afwisseling, gelijken tred houdende met het verschil in temperatuur. De vallei levert achtervolgens tarwe, rogge en koren, als de gematigde luchtstreken; dan maïs, vijgen en rozijnen, olijven en granaten, als zuidelijk Europa: en eindelijk bananen en suikerriet, als de tropische landen. De reiziger, die uitgeput en hijgend naar zijn adem, bezwijkende van de hitte en met stof overdekt, den zoom der cerros bereikt, en eensklaps deze weelderig groene vallei voor zich ziet, begroet in haar een beloofd land, een dier ouadies van Arabië, waar eindelijk de woestijn een grenspaal vindt; bij dien aanblik voelt hij zijn kracht en moed herleven, terwijl zijne oogen, door de weerkaatsing der zonnestralen op het zand verblind, met wellust op deze zachte groene tinten rusten.

Deze prachtige vallei, zoo merkwaardig in meer dan een opzicht, zoo schilderachtig schoon, heeft intusschen zeer weinig wat den natuuronderzoeker boeien kan. Haar flora en haar fauna, in den omtrek van Arequipa, hebben bitter weinig te beteekenen, en de lijst der planten en dieren, aan deze streek eigen, is al zeer spoedig opgemaakt. Daar ik hier niet in de eerste plaats voor natuurkundigen schrijf, behoef ik over de voortbrengselen van het planten- of dierenrijk in de vallei van Arequipa dan ook niet verder uit te wijden.


Back to IndexNext