III.Een smal en steil pad voerde ons naar de vallei, aan den linkeroever van den Tampu, een der beide riviertjes, die haar besproeien, en dien wij, nabij het gehucht Ocongate, doorwaadden. Tot dusver had de gesteldheid van het terrein ons gedwongen, achter elkander te gaan; maar nu konden wij weder naast elkaar rijden op een breeden, goed geëffenden weg, ter wederzijde omzoomd door akkers en plantages en woningen van Indianen. Vooreerst behoefden wij nu voor geen honger of dorst meer te vreezen, noch voor een zonnesteek, noch voor vlotzand; en deze zekerheid oefende een zeer gunstigen invloed uit op de stemming onzer makkers, die steeds vroolijker werden. Ook de muilezeldrijvers lieten zich niet onbetuigd, en hieven luidkeels een beurtgezang aan, waarbij nu en dan de muildieren zelven uit al hun macht accompagneerden. Zoo bereikten wij het gehucht Sachaca, uit een vijftiental krotten of liever holen in de trachietrots, die den weg afsluit, bestaande. Naar de legende verhaalt, zou Sachaca, bij helderen maneschijn, het vereenigingspunt zijn der toovenaars, derbrujasenduendesvan den omtrek. Om aan deze nachtelijke samenkomsten een einde te maken, hebben de bewoners van Sachaca te vergeefs de hulp ingeroepen van de vermaardste duivelbanners, en boven de deuren hunner woningen kruisen en gewijde hulsttakjes geplaatst: niets baatte; de toovenaars hebben de kruisen verbrand om hun pot te koken, de hulsttakken in bezems veranderd; en ondanks de krachtigste bezweringen het veld behouden. Tegenwoordig is Sachaca een vermaledijde plek; als de vrouwen dit gehucht zien, maken zij het teeken des kruises; en geen man, tenzij hij te veel gedronken heeft, zou na middernacht hier over den weg durven gaan.Daar het nu elf uur in den morgen was, en de toovenaars zich, even als de uilen, overdag schuil houden, hielden onze muilezeldrijvers zonder aarzelen te Sachaca stil, om een kruik chicha te drinken, dat hier, naar men zegt, in voortreffelijke kwaliteit gebrouwen wordt. Onze vrienden, die zich van de waarheid van dit gerucht wilden overtuigen, lieten zich ook eenige glazen geven, en poogden mij evenzeer over te halen dien beroemden drank eens te proeven. Ik weigerde echter: niet zoo zeer uit afkeer voor dit vocht, waaraan ik in ieder geval de voorkeur geef boven bedorven water; maar omdat ik vreesde dat het bier van Sachaca, onder zoo booze invloeden gebrouwen, mij betooveren zou, en mij voor altijd zou terughouden in een streek, die ik den volgenden morgen wenschte te verlaten.De streek tusschen Sachaca en Yanahuara, ongeveer een mijl van elkander verwijderd, is allerbekoorlijkst. De maïs- klaver- en aardappelvelden; de akkers met goudgeel koren; de heldere beekjes met prachtige wilgen omzoomd; de witte, blauwe en lichtrood geschilderde huizen: dit alles vormde een geheel, dat het oog aangenaam aandeed. Hier en daar ziet ge een prieel van blonde pompoenen, waarboven een wimpel met de peruaansche kleuren wappert: een teeken, waaraan ge aanstonds de buitenherberg herkent,want de herbergen in de stad hebben geen ander uithangbord dan een bos stroo. Daar zijn eenige mannen en vrouwen, met sepia-kleurige aangezichten, met lange, loshangende haren en kakelbonte kleeding, bijeen: zij tokkelen een guitaar met drie snaren, zij blazen op een gespleten riet, zij dansen, huppelen en springen, onder luid gelach en geschreeuw, gesnap en gejoel, tot zij eindelijk gaan slapen met het hoofd in de schaduw en de voeten in de zon: groepen, waaraan een genre-schilder zijn hart zou ophalen.Even voorbij Yanahuara worden de huizen ter wederzijde van den weg steeds talrijker; de herbergen vermenigvuldigen zich, en hare witte en roode wimpels fladderen in de lucht als de vleugelen van flamingos. Troepen lamas, met gedroogde vijgen, piment, houtskool of zout beladen, banen zich een weg dwars door konvooien van ezels en muildieren. Indianen, mannen en vrouwen, loopen heen en weder, voortdurend babbelende. Hoe verder ge komt, hoe dichter de menigte wordt, hoe luider het geraas, en daar boven uit hoort ge nu en dan een verwijderd klokkenspel, dat aan het geheel iets feestelijks geeft. Alles kondigt de nabijheid van eene groote stad aan. Ge slaat een hoek om: en eensklaps ligt daar voor u, badende in licht en glans, de stad Arequipa, aan den voet van den vulkaan Misti, en als met een diadeem van sneeuwbergen gekroond. Het panorama is betooverend, en kan de vergelijking met de meest beroemde stadsgezichten doorstaan.Van de smerige voorstad la Recoleta, waar dechicha-stokerijendag en nacht doorwerken, daalden wij af naar een brug met zes bogen, die naar de eigenlijke stad voert. Deze brug is meer dan honderd voeten boven de bedding van het riviertje de Chile verheven, de tweelingzuster van den Tampu, die langs Ocongate vloeit. Tijdens het smelten der sneeuw tot een geweldigen stroom aangewassen, is de Chile gedurende het overige van het jaar niets meer dan een zeer ordinaire beek, waar de waschvrouwen der stad, al zingende en kakelende, het vuile linnen komen spoelen. Iederen dag, van drie tot zes uren, kunt ge hier op de brug een aantalaficionadosvinden, die, onder voorwendsel van eene wandeling te doen, naar de brug kuieren, daar over de leuning gaan hangen en naar beneden kijken. Drie uren achtereen staan zij daar, meer of minder geestige aardigheden wisselende, en voor tijdkorting kringetjes in het water spuwende. Toen wij de brug overtrokken, was er echter geen mensch te zien; evenmin vertoonde zich eene enkele waschvrouw aan de oevers der rivier. Trouwens, hierin was niets vreemds: de klokken der stad sloegen juist twaalf uur; en op dat uur, als de zon begint te branden, houden de burgers hunne siesta in hunne woningen, en de waschvrouwen, haar linnen en zeep verlatende, gaan in de herberg een glas chicha drinken.De eerste straat, als men van de brug komt, heet decalle del Puente: een lange, smalle steeg, waar ieder huis een winkel is. Zwarte olijven, kaas, gesmolten boter in den vorm van worsten, gerookte visch, varkensvleesch, fijn gehakte salade, en in het vet drijvende koeken, zijn hier in volstrekt kunstelooze wanorde voor de blikken der voorbijgangers uitgestald. Dikke zakken met wijn en tafia gevuld, maken daartusschen eene deftige figuur. De geuren, die u uit deze winkels tegenkomen, doen een Europeaan bijna walgen, maar zijn een uitlokkend genot voor den inboorling, die door de natuur met een zeldzamen eetlust is begaafd, en met een maag, die potscherven zou kunnen verteren.Decalle del Puenteverlatende, reden wij in vollen draf deplaza Mayorvan Arequipa op, van waar in verschillende richtingen straten uitgaan. Ieder onzer moest nu eene andere richting volgen, om zijne eigene woning te bereiken; wij stonden eensklaps stil, beseffende dat het uur van scheiden eindelijk gekomen was. Mijne vrienden drukten mij de hand en omhelsden mij, meer of minder hartelijk, naar mate van de innigheid der betrekking tusschen ons. “Zult gij stellig schrijven?—Ja, zeker zal ik schrijven.”—Dit waren de laatste woorden, die wij wisselden. Een kwartier later zat ik in mijne woning, in de straat Huayna-Marca.Mijn waarde, hoog geschatte lezer, ik mag u niet uitnoodigen, in mijn salon te komen;—want ik houd er inderdaad een salon op na, met een gewelfdezoldering, waarin twee tamelijk groote gaten om licht en lucht door te laten; voorts met granieten muren van drie voet dik, licht paars geverwd, en een vloer van scherpe, witte, zwarte en blauwe steentjes;—maar die salon, anders in zijn soort merkwaardig genoeg, ligt thans geheel overhoop. De meubelen verdwijnen onder pakken en balen; de vloer staat vol kisten en koffers; alles is overdekt met een laag stof, en de spinnen, gebruik makende van mijne afwezigheid, hebben hare webben tegen de muren uitgespannen. Daar ik den lezer geen stoel kan aanbieden, en hem toch ook niet tot mijn vertrek buiten kan laten staan, is het maar het best, dat wij samen eene wandeling door de stad gaan doen, waarbij ik hem het een en ander van Arequipa kan vertellen.Wij hebben gezien dat Arequipa zijne stichting te danken heeft aan den Inca Mayta-Capac. Twee eeuwen lang werd Arequipa, toen niet meer dan een dorp, bestuurd door curacas of caciquen, die door den regeerenden Inca werden benoemd. Den 5 Juli van het jaar 1536, werd dit indiaansche dorp verwoest door Pedro Anzurez de Campo Redondo, een der vele avonturiers, die met Pizarro naar Amerika waren getogen: hij werd de stichter der nieuwe stad.Sedert dien tijd werd Arequipa achtmaal gedeeltelijk en driemaal geheel door de aardbevingen verwoest; het veranderde tweemaal van plaats. Aan deze onheilen had evenwel de Misti, aan welks voet de stad gelegen is, geen schuld; zij werden veroorzaakt door de geweldige uitbarstingen van den vulkaan Huayna-Putina, in de vallei van Moquehua, dien sommige aardrijkskundigen, doch zeer ten onrechte, naar de vallei Coripuna verplaatsen.De tegenwoordige stad, vrij onregelmatig van vorm, beslaat eene oppervlakte van ongeveer vier-en-twintigduizend vierkante ellen. Zij is in vijf wijken verdeeld, die weder in vijf-en-tachtig buurten of cuadras zijn gesplitst, en te zamen tweeduizend-vier-en zestig huizen tellen, met eene bevolking van ongeveer zeventienduizendzielen. Er zijn niet minder dan negenhonderd-acht-en-twintig herbergen: een cijfer, dat op het eerste gezicht zeer hoog schijnt, maar toch niet zoo bovenmatig is, als men bedenkt, welken hevigen dorst deze menschen, die op een vulkaan geboren worden en leven, wel voortdurend lijden moeten. De wijken Santo-Domingo, San-Francisco, la Merced, San-Agustin en Miraflores, hebben ieder hare eigene kerk en een mannenklooster; bovendien zijn er nog drie vrouwenkloosters, een begijnhof, en een huis voor geestelijke oefeningen, waar, in de heilige week, de dames van Arequipa boete komen doen en zich zelven tuchtigen.De koninklijke koerier.De koninklijke koerier.De kerken en kloosters zijn juist niet opmerkelijk door hunne architectuur: trouwens, men moest op de aardbevingen bedacht zijn. De muren bestaan slechts voor de helft uit gehouwen steen; al het overige is houtwerk, kalk of leem. De kloosters vormen altijd een meer of minder regelmatig vierkant, met een rechthoekigen binnenhof, waarop de cellen uitkomen. De kerken hebben onveranderlijk de gedaante van een oud latijnsch kruis; de meesten hebben maar een schip, zonder zijbeuken; het tonronde gewelf, hoogstens twaalf tot vijftien el hoog, rust somwijlen op bogen of op gladde muren van zeven of acht voet dikte. Uit een architectonisch oogpunt zijn deze kerken van binnen ongetwijfeld wat naakt; maar dit wordt meer dan vergoed door de versiering van den voorgevel, waarbij de bouwmeester, nu niet meer gebonden door de zorg voor de hechtheid van zijn gebouw, aan zijne fantasie den vrijen teugel heeft gelaten, en de grilligste figuren, krullen en bloemen, vazen en zuiltjes, naalden en pyramiden, zonder veel besef van kunst of schoonheid, met kwistige hand heeft aangebracht. Al die dingen, die ge eer voor het werk van een kunstdraaier dan van een beeldhouwer zoudt aanzien, zijn met witkalk bestreken; en in rechte lijn op de uitstekende lijsten geplaatst, doen zij u inderdaad denken aan ivoren schaakstukken.Maar zoo het dezen monumenten aan kunst en stijl ontbreekt, niet aan kwistige overlading van rijkdommen: altaren en beelden bezwijken schier onder de vracht van het goud, het zilver, de edelgesteenten, de kostbaarste stoffen. De Christusbeelden zijn getooid met jurken van engelsche kant, en met kronen vanacacia triacanthos, waarvan iedere doorn een smaragd is van vijf duim lengte; zij zijn met diamanten nagels aan het kruis gehecht, en stralen van robijnen moeten het uit de wonden vloeiende bloed verbeelden. De Madonnas, wier aantal nog grooter is, dragen wijde hoepelrokken en mantels van fluweel, van brokaat, van satijn;toquesmet struisvederen, tulbanden met diamantenaigretten, halssnoeren van parelen, diamanten oorhangers, ringen aan al hare vingers; en bovendien nog horloges met kettingen, prachtige armbanden enbroches, kanten zakdoeken en met goud ingelegde waaiers. Ookmet dezen opschik heeft de kunst niet veel uit te staan, evenmin als de goede smaak.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.De kerken van Arequipa, herhaalde malen verwoest en weder herbouwd, hebben nu zoo wat twee-en-een-halve eeuw gestaan. Alleen de kathedraal, die de eene zijde van de plaza Mayor inneemt, is jonger: zij is eerst voor een tiental jaren gebouwd, ter vervanging van de oude kerk, die in 1849 is afgebrand. De tegenwoordige hoofdkerk is een gebouw van ongeveer twee-honderd voeten in het vierkant, versierd met twee houten torens, die in stompe pyramiden uitloopen. Acht zware, ionisch-romeinsche kolommen en een aantal gekoppelde zuiltjes versieren den voorgevel; aan de beide uiteinden van het gebouw, dat ruim van vensters voorzien is en misschien eene hoogte van vijftig voet bereikt, bevinden zich twee zware vooruitspringende portieken. Die massieve vierkante massa, met smettelooze witkalk overpleisterd en met gom van cactus netjes glimmend gemaakt, komt wonderbaar krachtig uit tegen het diepe blauw van den bijna altijd wolkeloozen hemel.Toch blijven wij het gemis betreuren der oude kathedraal, wier grijze tint zoo wel overeenstemde met de fantastische ornamentatie, waarin de kunstenaar al den onuitputtelijken rijkdom van het grilligste vernuft had ten toon gespreid. En behalve de schatten, in hare sakristie opgestapeld, bevatte deze kerk nog een onwaardeerbaren schat in hare galerij der portretten van al de bisschoppen, bestaande uit negentien schilderijen met prachtige lijsten, die allen in den brand van 1849 zijn ondergegaan. Al de eerwaarde mannen, die sedert het jaar 1614 den herdersstaf over Arequipa hadden gevoerd, namen, naar chronologische orde, hunne plaats in deze verzameling in. Hunne beeldtenissen, ten voeten uit door inlandschekunstenaars geschilderd, hadden iets zeer eigenaardigs: de schilder, die het tweede portret had vervaardigd, had niet beter weten te doen dan zoo getrouw mogelijk het werk van zijn voorganger, den vervaardiger van het eerste portret, te kopiëeren, en dit voorbeeld was door alle latere kunstenaars gevolgd. Het resultaat was geweest, dat men een reeks portretten had gekregen, tot in de kleinste bijzonderheden zoo volkomen op elkander gelijkende, dat men bijkans waande slechts één portret te zien, negentien malen door spiegels weerkaatst! Als ik mij die kostbare collectie van negentien bisschoppen herinner, allen in leuningstoelen met vergulde griffioenen gezeten, op dezelfde wijze gedrapeerd, op dezelfde manier belicht, met hetzelfde boek in de hand, en allen met hetzelfde gezicht naar hetzelfde punt kijkende:—ja, dan kan het mij innig smarten, dat in de groote steden der peruaansche republiek de brandweer nog zoo veel te wenschen overlaat!Na de kerken komen de kloosters: plompe, smakelooze gebouwen, zonder eenige architectonische waarde hoegenaamd, en die zich alleen door een steenen kruis boven den hoofdingang, van de gewone huizen onderscheiden. Maar die naaktheid en dorheid is geen teeken van armoede; integendeel, al die kloosters zijn rijk en genieten zeer aanzienlijke inkomsten uit hunne goederen en pachthoeven. Bovendien bezitten zij meest allen groote schatten aan kostbare ornamenten, kerksieraden en edelgesteenten; terwijl ieder klooster ook een archief en eene bibliotheek heeft, waarin zeer dikwijls uiterst merkwaardige en kostbare zaken gevonden worden. Maar deze laatste schatten liggen ongebruikt: de bibliotheek is vuil en slecht onderhouden, want de monniken hebben geen tijd om zich daarmede te bemoeien. Het is ook zeer moeilijk, toegang tot die bibliotheken te verkrijgen; zonder zeer veel vermogende aanbeveling, wordt het niemand vergund, daar onderzoekingen in het werk te stellen. Daarentegen is de toegang tot den kloosterhof voor ieder geopend: van des morgens zes tot des avonds zes uur, kan men daar ongestoord gaan wandelen, lezen of zijn sigaar rooken.De kloosterlingen staan in Peru zeer hoog in aanzien. Nog altijd is daar de monnik de raadsman en vertrouweling van mannen en vrouwen, de vriend des huizes, de onmisbare gast bij alle feesten. Zijn kleed boezemt in het minst geen sombere of droefgeestige gedachten in; hij zelf maakt zich het leven dan ook zoo aangenaam mogelijk, neemt deel aan maaltijden en partijen, en overal is zijne verschijning het teeken van verhoogde vroolijkheid. De monnik is volkomen vrij in zijne bewegingen en gaat waarheen hij wil; even als de lieden van de wereld, van wie hij zich door niets dan alleen zijn kostuum onderscheidt, houdt hij receptiën; zijn cel is in een salon herschapen, waar chocolade, likeuren en taartjes gepresenteerd worden, en waar het gesprek over allerlei onderwerpen, over politiek en litteratuur, over kunst en godsdienst, loopt.In de vrouwenkloosters is de regel veel strenger; de nonnen mogen nooit, onder geen enkel voorwendsel, den drempel overschrijden van het klooster, waar zij de gelofte hebben afgelegd. Zelfs mag, in geval van ziekte, geen geneesheer haar bezoeken, dan met uitdrukkelijke vergunning van den bisschop. De eenige man, die in het klooster geduld wordt, is de tuinman. Toch lijden deze zusters geen al te treurig leven. Haar cel is een smaakvol ingericht vertrek, meer of minder rijk gemeubeld, naar gelang van het vermogen der familie, voor wier rekening al deze kosten komen. Iedere non heeft hare eigene bibliotheek, haar vogels, haar guitaar, haar eigen tuintje met fraaie en zeldzame bloemen, en in den regel ook haar hartsvriendin, die in al hare geheimen deelt, de vertrouwelinge van hare innigste gedachten. Zulk eene vriendschap, in het klooster geboren, heeft somwijlen al de teederheid, al de diepte, maar ook wel eens al het vuur en al den hartstocht eener wezenlijke liefde.Zoo deze geestelijke zusters zelven niet uit mogen gaan, is het haar wel vergund, haar bloedverwanten en vrienden van beiderlei kunne, in het klooster te ontvangen en zelfs te dejeuneeren te vragen. De maaltijd wordt dan gehouden in de spreekkamer: eene ruime, gewelfde zaal, met traliedeuren in de wanden; en de tafel wordt zoo dicht bij eene dier deuren geschoven, dat de non, achter het traliewerk gezeten, hare gasten kan zien en zich met hen onderhouden. Het gesprek loopt doorgaans over de gebeurtenissen en praatjes van den dag; over liefdes-avonturen, over huwelijken, geboorten, sterfgevallen en dergelijken, en in den regel gaat het er tamelijk vroolijk en luidruchtig toe.In een land, waar banket- en suikerbakkers nog onbekend zijn, hebben de vrouwenkloosters en vrouwenvereenigingen het monopolie van taartjes, gebak en suikergoed, dat op geen feest ontbreken mag, en waarvan dan ook de bestellingen voortdurend haar gang gaan. De zusters geven zich alle moeite om haar klanten tevreden te stellen en haar klandisie uit te breiden: en dat nog minder uit zucht tot winst, dan wel om elkander wederkeerig een vlieg af te vangen: want een feit is het, dat er tusschen de vrouwenkloosters een zeer groote jaloezie bestaat, die zich op allerlei wijzen openbaart. Ieder klooster heeft zijne eigene specialiteit van lekkernij, gebak of suikergoed, waarvoor het beroemd is. De bestellingen worden echter niet gedaan aan het klooster of de congregatie in haar geheel, maar aan deze of die zuster in het bijzonder, die, als zij de bestelde gebakjes laat bezorgen, daar tevens de rekening bijvoegt.Het feest van den beschermheilige van het klooster wordt door de nonnen met een muziekale mis en met een vuurwerk gevierd, dat, naar de zonderlinge gewoonte des lands, des morgens tusschen elf en twaalf uur wordt afgestoken. Bovendien houden zij, op sommige kerkelijke feesten, een maskerade, met begeleiding van zang en dans. Dit geschiedt onder anderen op Kerstmis. Op een tooneel wordt de geboorte des Heeren voorgesteld, door middel van geschilderde dekoratiën en papieren poppen; daarvoor plaatsen zich de nonnen, in twee groepen, die der herders en die der herderinnen, gesplitst; met begeleiding van guitaar en accordeon, voeren zij dan een beurtzang en een soort van quadrille uit. De nonnen, die de rol van herders moeten spelen, vragen, reeds dagen vooruit, aan hare mannelijkeverwanten en vrienden, hunne beste kleederen te leen, om die voor haar figuur geschikt te maken en met galons, linten en andere ornamenten op te tooien. Haar kostuum is wel niet pastoraal, noch ook zeer bijbelsch; maar op de archeologie of de uitwendige getrouwheid komt het ook niet aan.De kloosterregel, die den toegang tot de vrouwenkloosters, met uitzondering van hetlocutorio, de spreekkamer, aan het publiek ontzegt, wordt in tijden van oproer of omwenteling niet zoo streng gehandhaafd. In zulke dagen, die hier gansch geene zeldzaamheid zijn, vindt de vrouwelijke aristokratie der stad eene veilige wijkplaats in die kloosters, wier deuren dan voor haar wijd openstaan. Iedere eenigszins aanzienlijke familie spoedt zich daarheen, en brengt daar het goud- en zilverwerk, de edelgesteenten, en wat zij verder kostbaars bezitten mag en voor medenemen vatbaar is, in veiligheid. Het bijna verlaten huis wordt dan toevertrouwd aan de hoede van een vader of echtgenoot, die zich zoo goed mogelijk in staat van tegenweer stelt. Het is wel gebeurd, dat vrouwen, na een maand in het klooster te hebben vertoefd, het leven in dien gezelligen, beschaafden, rustigen kring zoo aangenaam vonden, zich daar zoo gelukkig gevoelden, dat zij zelfs weigerden naar de echtelijke woning terug te keeren.Nu wij met de kerken en kloosters afgehandeld hebben, willen wij vluchtig de stad doorwandelen, niet in de hoop monumenten te zullen vinden, want die bezit Arequipa niet, maar om een indruk te ontvangen van haar doorgaand voorkomen. Over het algemeen zijn de straten breed, goed geplaveid en rechtlijnig, voorzien van voetpaden en doorsneden van granieten gooten (acequias), waardoor beekjes van de Cordilleras met vroolijk gemurmel haar water naar de rivier voeren. De huizen gelijken allen op elkander. Zij zijn allen van steen, somwijlen van zandsteen gebouwd, met tonrond gewelf en met groote vensteropeningen, die door ijzeren tralies en binnenblinden, met zink beslagen, tegen inbraak van dieven en de kogels der opstandelingen worden beschermd. De breede gewelfde hoofdingang met zijne dubbele deur, rijkelijk met ijzeren nagels, krullen en andere versierselen beslagen, heeft iets monumentaals; twee rijtuigen kunnen hier met gemak naast elkander inrijden. De huizen hebben in den regel geen verdieping; hoogstens, in enkele gevallen, eene enkele bovenverdieping, die dan meestal onbewoond is en uitkomt op een plomp balkon, een soort van houten kast, donker rood of groen geverwd, die met losse blinden kan gesloten worden.Deze woningen hebben twee binnenplaatsen achter elkander, met kiezel geplaveid en omzoomd door breede voetpaden (veredas); de muren van de eerste binnenplaats zijn wit gepleisterd en somwijlen versierd met zeer eenvoudige tegeltjes, waarop onmogelijke landschappen, zeegevechten of tafereelen uit het Lijden zeer kunsteloos zijn voorgesteld. De receptiekamers en de slaapkamers van het gezin bevinden zich ter wederzijde van deze binnenplaats. In de meeste slaapkamers staat het bed in een breede nis van vier tot zes voet diep; een voorzorgsmaatregel tegen aardbevingen. Deze vertrekken hebben geen vensters, maar massieve dubbele deuren, van een traliewerk voorzien, waardoor licht en lucht binnen stroomt. Achter de beide binnenplaatsen is een tuin, die wederom begrensd wordt door een zeer ruim, meestal met zerken geplaveid vertrek, dat tot eetzaal dient.Pracht en weelde moet ge in deze woningen niet zoeken. Uitgezonderd in enkele huizen van vreemde kooplieden en van zeer aanzienlijke inwoners, waar althans de staatsievertrekken met papieren behangsels prijken, zijn de muren overal met kalk gewit en versierd met allerlei wonderlijke figuren, met roode of gele verf geteekend. De weinige meubelen, die ge hier vindt, zijn van tweeërlei soort: de meubelen in spaanschen stijl, die er uitzien of zij met een bijl uit een blok hout zijn gehouwen, wit of hemelsblauw geschilderd, bezaaid met rozen en madeliefjes en opgeluisterd door vergulde randen; en de meubelen in den dusgenoemden klassieken stijl van het keizerrijk: mahoniehouten kanape’s met stierenkoppen en drakenklauwen; stoelen waarvan de leuning de gedaante van een lier vertoont, gekroond met een helm of een wapentrofee; alles overtrokken met grijze of lichtbruine stof met groote rozen en bloemen.Het huiselijk leven der bewoners van Arequipa bepaalt zich, voor de vrouwen, tot gesprekken over de politiek van den dag, en voorts tot breedvoerige beschouwingen over al de nieuwtjes en praatjes van de stad, die haar trouw worden overgebracht door de cholas en chinas, negerinnen en kamermeisjes, die tot het altijd vrij talrijke dienstbodenpersoneel behooren. Sommige dames borduren, maken fijne gebakjes en sorbets klaar, of spelen op de guitaar; maar de meesten brengen de week door met begeerig uit zien naar den zondag: vooreerst om naar de mis te gaan, hetgeen altijd eene zeer aangename afleiding voor de vrouwen is; en ten anderen omdat op dien dag het plaatselijk gebruik haar vergunt, de vensters harer kamer aan straat te openen, en, op tapijten neergezeten, naar de voorbijgangers te kijken. Over het algemeen leggen de dames weinig bezoeken af; zij laten hare boodschappen overbrengen door haar kameniers, die ook nu en dan met het bezorgen van bloemen, vruchten en soortgelijke geschenken worden belast. Alleen bij zeer feestelijke gelegenheden verschijnen de dames op partijtjes.De fransche mode heerscht ook hier, maar met eenige wijzigingen, die doorgaans niet als verbeteringen kunnen worden beschouwd; bovendien zijn de dames van Arequipa steeds een zeker aantal jaren ten achteren. Maar ook zonder dat, zou de fransche kleeding haar slecht voegen: haar geheele bouw en gang passen niet bij de wonderlijke, zoo hemelsbreed van de natuur afwijkende uitmonstering eenerParisienne: jammer slechts, dat de peruaansche dames, als zoo vele anderen, niet genoeg gezond verstand en goeden smaak schijnen te bezitten om dat te begrijpen. Des zondags als zij naar de kerk gaan, zijn zij geheel in het zwart gekleed: zij dragen dan een zwart zijden japon en een mantille van dezelfde stof, met fluweel of kant versierd, die over het hoofd wordt geworpen. Deze kleeding, die zij van haar Spaansche voorouders hebbenovergenomen, staat haar allerliefst: maar zoodra de dames weer thuis zijn, haasten zij zich, haar smakeloos bonten opschik weder aan te trekken. Daar het gebruik van stoelen en banken in de kerken van Peru onbekend is, laten de dames zich een kussen of tapijt nadragen, waarop zij knielen. Die recht gedistingeerd wil zijn, houdt er een kleinen Indiaan, van zes tot tien of twaalf jaar op na, om dat tapijt te dragen. Zulk een indiaansche jongen is het meest welkome geschenk, dat een heer aan eene dame maken kan. Die kinderen worden voor een kleinigheid van hunne ouders in de Sierra-Nevada gekocht, en naar Arequipa gezonden; in de woning opgenomen, worden zij daar vertroeteld en op alle mogelijke manieren geliefkoosd, als waren zij schoothondjes of merkwaardige aapjes. Zij blijven de lievelingen en de pages der dames, tot zij te groot zijn geworden om die dubbele rol met schik te kunnen vervullen; dan worden zij naar de keuken gezonden en bij het korps der gewone bedienden ingelijfd. Somwijlen blijven zij hun leven lang in het huis; meestal echter verlaten zij het als zij volwassen zijn geworden, en zoeken elders een goed heenkomen.De heeren zijn te Arequipa tamelijk uithuizig: zij hebben ook zoo veel te doen. Hunne voornaamste bezigheid is, van het eene huis naar het andere te gaan, over politiek te praten, een oneindig aantal sigaren te rooken, nu en dan een partijtje te dobbelen; voorts siesta te houden, paard te rijden, den galant te spelen, en te droomen van de schitterende toekomst, die de republiek wacht.Een peruaansch soldaat.Een peruaansch soldaat.Maar, uit deze wijze van hun tijd te besteden moet ge niet afleiden, dat het dezen heeren aan verstand of aan kennis ontbreekt. In geenen deele! Zij hebben allen veel geleerd, indien al niet veel onthouden; theologie, rechtsgeleerdheid, burgerlijk en kanoniek recht, genees- en heelkunde—zij hebben dat alles bestudeerd, even als Faust. Deze heeren, schijnbaar met zulke nietigheden bezig, hebben in het openbaar stellingen verdedigd, en zich een diploma vandoctor-bachillerveroverd. Bovendien verstaan zij allen de kunst van verzen maken en zijn sterk inbouts-rimés,ex-tempore’s, koupletjes en strofen van allerlei aard, die zij zoo voor de vuist dichten. Indien zij zich dus voor studie of geestelijke genietingen onverschillig toonen, dan moet ge niet denken dat dit uit onwetendheid geschiedt; maar dit is veeleer een gevolg van zekere instinktieve philosophie, en vooral van die aanbiddelijke traagheid, die zij van hunne vaderen hebben overgeërfd en als een kostbaren schat bewaren. Elk denkbeeld van verandering of vooruitgang, dat hun zalige rust zou kunnen storen, is hun ondragelijk. De zedelijke en physieke werkzaamheid van den Europeaan is voor hen een even verwonderlijk verschijnsel, als het tikken van een horloge voor een wilde, dat zij niet begrijpen en ook zich niet pogen te verklaren.De wetenschappelijke inrichtingen en scholen zijn zeer talrijk te Arequipa. De medische fakulteit kan wedijveren met die van Chuquisaca in Bolivia. De universiteit van Sint-Augustinus, de twee akademiën en het College der Onafhankelijkheid, door den maarschalk Gutierrez de la Tuente gesticht, zijn allerwege beroemd. De openbare bibliotheek werd in 1821 opgericht en dankt haar ontstaan aan de ijverige pogingen van den heer Evaristo Gomez Sanchez. Zij bezit tegenwoordig negentienhonderd-vijf-en-negentig boeken, handelende over theologie en rechtsgeleerdheid, de kaart van Peru op bevel van den bevrijden Simon Bolivar vervaardigd, den Atlas van den heer de Vaugondy, hydograaf van Z. M. Lodewijk XV, een album vankarikaturenvan Gravarni, twee meteoorsteenen, een hemelglobe, een bibliothekaris en een portier. Bovendien zijn er twee drukkerijen, die ieder een dagblad in klein formaat uitgeven; een hospitaal, een vondelingenhuis en een armeninrichting.De plaza Mayor is het hart der stad. Dit plein, waarvan de noordzijde geheel door de kathedraal wordt ingenomen, wordt aan de andere zijden omgeven door open galerijen, waaronder katoenen en wollen stoffen, linten en allerlei artikelen in de open lucht zijn uitgestald. Op het midden van het plein prijkt een bronzen fontein, met drie bekkens boven elkander. Dit monument, dat vrij wel op een haspel gelijkt, wordt gekroond door een beeld van de Faam of zoo iets, wanhopend mager en in zoo stijf mogelijke houding. Deze allegorie blaast op een trompet en staart onafgewend naar de straat San Francisco.Op dit plein, waar de openbare vermakelijkheden, de revolutionnairepronunciamentosen de openbare terechtstellingen plaats grijpen, wordt ook dagelijks, van des morgens vijf tot twaalf uur, een groentenmarkt gehouden. De inlandsche bevolking, die dan hier van alle kanten uit de stad en den omtrek samenkomt, vertoontslechts twee verschillende typen. De eerste is die van den Indiaan van de kust der Stille-zee, met zijn rond gelaat, zijn platten neus, zijn dikke lippen, zijn kleine, schuine oogen; de andere is die van den Quechua, met zijn ovaal gelaat, zijne uitstekende wangbeenderen, zijn arendsneus, zijne schuine maar wijdgeopende oogen, zijn lang zacht gitzwart hair. Uit de vermenging en kruising dier twee rassen van de kust en van het gebergte zijn mettertijd een zeker aantal schakeeringen ontstaan, wier voornaamste kenmerk eene afschuwelijke leelijkheid is. De voorsteden worden voornamelijk bewoond door deze mestiezen en door de kleine burgerij, die daar handel drijft in dranken, vruchten en soortgelijke artikelen van dagelijksch gebruik.Eene indiaansche chulpa. (Bladz. 78.)Eene indiaanschechulpa. (Bladz. 78.)Ik gaf u vroeger eene beknopte beschrijving van een buitenherberg: ik mag u thans die van een herberg in de stad niet onthouden. Deze etablissementen, die alleen door Indianen encholosvan beiderlei kunne worden bezocht, zijn donkere, vuile, rookerige hokken, die alleen door de deur licht en lucht ontvangen, vol potten en kruiken van verschillende grootte en vormen; terwijl de grond bedekt is met vuil stroo, afval van groenten, beenderen en uitwerpselen van dieren, waarin kippen en indiaansche varkentjes naar hartelust rondscharrelen. Daar in deze herbergen noch stoelen noch banken te vinden zijn, gaan de klanten eenvoudig op den grond zitten, in de eene hand een schotel met fijn gemalen piment, om den dorst te prikkelen, en in de andere een pot metchicha, het uit maïs gebrouwen bier, waarvan het gebruik in 1043 in Peru werd ingevoerd door de Keizerin Mama Ocllo Huacco (letterlijk Moeder-Broeihen) de zuster en echtgenoote van den eersten Inca Manco-Capac.—Terwijl dit publiek babbelt en lacht, eet en drinkt, wordt in een hoek van de herberg weer nieuwe chicha bereid. Dit geschiedt op zeer eenvoudige en weinig kostbare wijze: eene zekere hoeveelheid gepeldemaïswordt uitgestort in een kuil van zes voet in het vierkant en een voet diep; vervolgens met een weinig water begoten, en met planken toegedekt, waarop eenige zware steenen worden gelegd; na verloop van acht dagen hebben de warmte en de vochtigheid het graan aan het gisten gebracht. Deze gegiste mais, die nu den naam van gunapo draagt, wordt uit den kuil genomen en in de zon gelegd om te drogen; is zij goed droog, dan wordt zij naar den molen gezonden, waar het zaad verbrijzeld, maar niet fijn gemalen wordt. Van den molen keert het zaad dan terug naar de chicheria, waar het in groote, met water gevulde potten een geheelen dag lang gekookt wordt. Des avonds gieten de vrouwen het drabbige vocht in een soort van groven vaatdoek, dien zij goed uitwringen; dan blijft het den nacht overstaan om af te koelen, en kan reeds den volgenden dag gedronken worden. Dit bier is een ware volksdrank, die door alle klassen gebruiktwordt, ook door de aristokratie, die hoewel zij in het openbaar dien drank versmaadt, zich daaraan toch in stilte te goed doet.Arequipa, door sommige moderne reizigers nog altijd eene bloeiende stad genoemd, met levendigen handel en uitgebreide industrie, beroemd wegens de vroolijkheid, het vernuft en den opgewekten zin harer bewoners—vertoont, het valt niet te loochenen, in dat opzicht niet meer dan de schaduw van haar vroegere heerlijkheid. De politieke omwentelingen en de vele faillissementen en financiëele tegenspoeden hebben de stad langzamerhand van haar rijkdom en welvaart beroofd, en ook een zeer noodlottigen invloed uitgeoefend op dien vroolijken frisschen zin, dien tintelenden levenslust, waardoor hare burgers zich weleer onderscheidden. Deze stad, die langen tijd, wat schittering en pracht en weelde aangaat, kon wedijveren met Lima, de stad der Koningen, is nu niet meer dan een kapel, ingesloten in de doodsche pop, hopend wachtende op de herschepping, die de toekomst haar wellicht brengen zal. Hare vroolijke schitterende feesten bestaan nog maar alleen in de herinnering: met de armoede is de zuinigheid gekomen. Slechts bij enkele gelegenheden vertoont Arequipa zich nog, voor eenige oogenblikken, in haar ouden glans, en wordt het geld met handenvol weggeworpen, ook al treurt men den volgenden dag om het verlies.Zulk eene jaarlijks wederkeerende gelegenheid biedt met name de Dingsdag voor de Vasten, de Vastenavond. Bij de feesten van dien dag spelen de eieren een hoofdrol: in die mate zelfs dat ijverige statistici hebben uitgerekend—en wat rekenen statistici al niet uit?—dat er dan in Arequipa voor meer dan achthonderdduizend francs aan eieren verdaan wordt: een cijfer, dat te meer verbazing wekt, als men bedenkt dat hier alleen van eierschalen sprake is, waaruit het wit en de dooier sinds lang zijn verdwenen. Van die schalen weten dus de vrouwenkloosters en ook vele huismoeders uitstekend partij te trekken. Zij verzamelen, het gansche jaar door, de schalen der eieren, die in de spaansch-amerikaansche keuken in zulke kolossale hoeveelheden worden gebruikt, en die dan, juist met het oog op deze latere bestemming, niet stuk geslagen, maar slechts aan het eene einde even gebroken worden. In de week, die aan het karnaval vooraf gaat, worden die opgegaarde eierschalen klaar gemaakt, waarmede drie vrouwen zich onledig houden. De eene heeft een kom met water bij zich, waarin zij gutte-gom, indigo of vermiljoen oplost; de tweede vult de eieren met die kleurstof; de derde eindelijk stopt de opening in de schaal dicht met een vierkant lapje, met eene vloeibare was besmeerd, die dadelijk hecht. Zoo klaar gemaakt, worden die eierschalen voor een cuartillo en zelfs voor een halven reaal per stuk, aan alle hoeken der straten verkocht.Nauwelijks licht de morgen van den lang verwachten Dingsdag aan, of allen, heeren en dames, kleeden zich van het hoofd tot de voeten in het wit; dan loopen zij, die het eerst bij de hand zijn, naar de nog slapende huisgenooten, om dezen hun morgengroet te brengen:—voor ditmaal hierin bestaande, dat drie of vier eieren van verschillende kleur op het gelaat van den slaper worden stuk geslagen, en hij vervolgens met meel wordt bestrooid. De aldus gewekte haast zich op zijn beurt zijn wit pak aan te schieten, wapent zich ook met eieren en meel, en tracht zich nu op ieder te wreken over de hem aangedane mishandeling.De gansche ochtend gaat daarmede voorbij. De heeren en dames in den salon, de bedienden in de keuken, gooien elkander om het hardst met eieren, en bepoederen elkaar met meel; niemand wordt bij dit spel verschoond.Die gedenkwaardige dag is bijna de eenige in het jaar, waarop de balkons der huizen geopend worden. Ten twaalf uur wordt op ieder balkon eene gansche batterij van spuiten geplaatst, en de bewoners der belendende huizen bespuiten elkaar, en werpen elkander met eieren en met papieren zakjes met meel gevuld. Inmiddels wordt het op straat steeds drukker: het volk en de burgerij kunnen het in de huizen niet langer uithouden, en stroomen de straat op, gewapend met parapluien om zich te beveiligen tegen de stortbaden van de balkons; met begeleiding van muziek en onder het uitgalmen van allerlei liederen, trekken gansche troepen, opgewonden door den drank, de straten door, zich aanstellende als bezetenen.Tegen drie uur worden een aantal oude, afgeleefde, blinde, kreupele, half lamme paarden van de Pampilla, een woestijn ten noorden van de stad, aangevoerd en op de plaza Mayor publiek verkocht. De prijs van zoo’n paard verschilt van vijf tot twaalf francs, naar gelang van den waarschijnlijken levensduur. In een oogwenk vormen zich nu ruiterbenden, die de balkons gaan belegeren, van waar het heftigst op de menigte gespoten is. Ieder ruiter neemt aan zijn arm een mandje met eieren, dat door vlugge jongens telkens weer gevuld wordt: en nu begint een geregeld gevecht tusschen de ruiters en de dames, die zich op het balkon geposteerd hebben. De ruiters werpen met eieren; de dames, met spuiten, gieters en kannen gewapend, antwoorden met stroomen min of meer helder water. Soms duurt zulk een gevecht langer dan een uur, eer een van de beide partijen het opgeeft, al druipen de mannen ook van het water, en al zijn de dames ook ontoonbaar van de eieren en het meel. Eindelijk komt een met kracht geworpen ei op het oog of den boezem van een der dames te recht, die, luid gillende, in de armen harer zusters nedervalt: dan gaat er uit de groep der ruiters een luid gejubel op; maar de dames, nu door dit verlies verbitterd, beginnen met bloempotten, scherven en met alles te werpen, wat zij grijpen en vangen kunnen, tot de mannen de wijk nemen, om elders hetzelfde spel te gaan hervatten. Dit dolle tooneel duurt zoo lang, tot de klok voor hetAngelusgeluid wordt: dan gaan allen naar huis, waar evenwel het feest wordt voortgezet tot het aanbreken van den volgenden morgen.
III.Een smal en steil pad voerde ons naar de vallei, aan den linkeroever van den Tampu, een der beide riviertjes, die haar besproeien, en dien wij, nabij het gehucht Ocongate, doorwaadden. Tot dusver had de gesteldheid van het terrein ons gedwongen, achter elkander te gaan; maar nu konden wij weder naast elkaar rijden op een breeden, goed geëffenden weg, ter wederzijde omzoomd door akkers en plantages en woningen van Indianen. Vooreerst behoefden wij nu voor geen honger of dorst meer te vreezen, noch voor een zonnesteek, noch voor vlotzand; en deze zekerheid oefende een zeer gunstigen invloed uit op de stemming onzer makkers, die steeds vroolijker werden. Ook de muilezeldrijvers lieten zich niet onbetuigd, en hieven luidkeels een beurtgezang aan, waarbij nu en dan de muildieren zelven uit al hun macht accompagneerden. Zoo bereikten wij het gehucht Sachaca, uit een vijftiental krotten of liever holen in de trachietrots, die den weg afsluit, bestaande. Naar de legende verhaalt, zou Sachaca, bij helderen maneschijn, het vereenigingspunt zijn der toovenaars, derbrujasenduendesvan den omtrek. Om aan deze nachtelijke samenkomsten een einde te maken, hebben de bewoners van Sachaca te vergeefs de hulp ingeroepen van de vermaardste duivelbanners, en boven de deuren hunner woningen kruisen en gewijde hulsttakjes geplaatst: niets baatte; de toovenaars hebben de kruisen verbrand om hun pot te koken, de hulsttakken in bezems veranderd; en ondanks de krachtigste bezweringen het veld behouden. Tegenwoordig is Sachaca een vermaledijde plek; als de vrouwen dit gehucht zien, maken zij het teeken des kruises; en geen man, tenzij hij te veel gedronken heeft, zou na middernacht hier over den weg durven gaan.Daar het nu elf uur in den morgen was, en de toovenaars zich, even als de uilen, overdag schuil houden, hielden onze muilezeldrijvers zonder aarzelen te Sachaca stil, om een kruik chicha te drinken, dat hier, naar men zegt, in voortreffelijke kwaliteit gebrouwen wordt. Onze vrienden, die zich van de waarheid van dit gerucht wilden overtuigen, lieten zich ook eenige glazen geven, en poogden mij evenzeer over te halen dien beroemden drank eens te proeven. Ik weigerde echter: niet zoo zeer uit afkeer voor dit vocht, waaraan ik in ieder geval de voorkeur geef boven bedorven water; maar omdat ik vreesde dat het bier van Sachaca, onder zoo booze invloeden gebrouwen, mij betooveren zou, en mij voor altijd zou terughouden in een streek, die ik den volgenden morgen wenschte te verlaten.De streek tusschen Sachaca en Yanahuara, ongeveer een mijl van elkander verwijderd, is allerbekoorlijkst. De maïs- klaver- en aardappelvelden; de akkers met goudgeel koren; de heldere beekjes met prachtige wilgen omzoomd; de witte, blauwe en lichtrood geschilderde huizen: dit alles vormde een geheel, dat het oog aangenaam aandeed. Hier en daar ziet ge een prieel van blonde pompoenen, waarboven een wimpel met de peruaansche kleuren wappert: een teeken, waaraan ge aanstonds de buitenherberg herkent,want de herbergen in de stad hebben geen ander uithangbord dan een bos stroo. Daar zijn eenige mannen en vrouwen, met sepia-kleurige aangezichten, met lange, loshangende haren en kakelbonte kleeding, bijeen: zij tokkelen een guitaar met drie snaren, zij blazen op een gespleten riet, zij dansen, huppelen en springen, onder luid gelach en geschreeuw, gesnap en gejoel, tot zij eindelijk gaan slapen met het hoofd in de schaduw en de voeten in de zon: groepen, waaraan een genre-schilder zijn hart zou ophalen.Even voorbij Yanahuara worden de huizen ter wederzijde van den weg steeds talrijker; de herbergen vermenigvuldigen zich, en hare witte en roode wimpels fladderen in de lucht als de vleugelen van flamingos. Troepen lamas, met gedroogde vijgen, piment, houtskool of zout beladen, banen zich een weg dwars door konvooien van ezels en muildieren. Indianen, mannen en vrouwen, loopen heen en weder, voortdurend babbelende. Hoe verder ge komt, hoe dichter de menigte wordt, hoe luider het geraas, en daar boven uit hoort ge nu en dan een verwijderd klokkenspel, dat aan het geheel iets feestelijks geeft. Alles kondigt de nabijheid van eene groote stad aan. Ge slaat een hoek om: en eensklaps ligt daar voor u, badende in licht en glans, de stad Arequipa, aan den voet van den vulkaan Misti, en als met een diadeem van sneeuwbergen gekroond. Het panorama is betooverend, en kan de vergelijking met de meest beroemde stadsgezichten doorstaan.Van de smerige voorstad la Recoleta, waar dechicha-stokerijendag en nacht doorwerken, daalden wij af naar een brug met zes bogen, die naar de eigenlijke stad voert. Deze brug is meer dan honderd voeten boven de bedding van het riviertje de Chile verheven, de tweelingzuster van den Tampu, die langs Ocongate vloeit. Tijdens het smelten der sneeuw tot een geweldigen stroom aangewassen, is de Chile gedurende het overige van het jaar niets meer dan een zeer ordinaire beek, waar de waschvrouwen der stad, al zingende en kakelende, het vuile linnen komen spoelen. Iederen dag, van drie tot zes uren, kunt ge hier op de brug een aantalaficionadosvinden, die, onder voorwendsel van eene wandeling te doen, naar de brug kuieren, daar over de leuning gaan hangen en naar beneden kijken. Drie uren achtereen staan zij daar, meer of minder geestige aardigheden wisselende, en voor tijdkorting kringetjes in het water spuwende. Toen wij de brug overtrokken, was er echter geen mensch te zien; evenmin vertoonde zich eene enkele waschvrouw aan de oevers der rivier. Trouwens, hierin was niets vreemds: de klokken der stad sloegen juist twaalf uur; en op dat uur, als de zon begint te branden, houden de burgers hunne siesta in hunne woningen, en de waschvrouwen, haar linnen en zeep verlatende, gaan in de herberg een glas chicha drinken.De eerste straat, als men van de brug komt, heet decalle del Puente: een lange, smalle steeg, waar ieder huis een winkel is. Zwarte olijven, kaas, gesmolten boter in den vorm van worsten, gerookte visch, varkensvleesch, fijn gehakte salade, en in het vet drijvende koeken, zijn hier in volstrekt kunstelooze wanorde voor de blikken der voorbijgangers uitgestald. Dikke zakken met wijn en tafia gevuld, maken daartusschen eene deftige figuur. De geuren, die u uit deze winkels tegenkomen, doen een Europeaan bijna walgen, maar zijn een uitlokkend genot voor den inboorling, die door de natuur met een zeldzamen eetlust is begaafd, en met een maag, die potscherven zou kunnen verteren.Decalle del Puenteverlatende, reden wij in vollen draf deplaza Mayorvan Arequipa op, van waar in verschillende richtingen straten uitgaan. Ieder onzer moest nu eene andere richting volgen, om zijne eigene woning te bereiken; wij stonden eensklaps stil, beseffende dat het uur van scheiden eindelijk gekomen was. Mijne vrienden drukten mij de hand en omhelsden mij, meer of minder hartelijk, naar mate van de innigheid der betrekking tusschen ons. “Zult gij stellig schrijven?—Ja, zeker zal ik schrijven.”—Dit waren de laatste woorden, die wij wisselden. Een kwartier later zat ik in mijne woning, in de straat Huayna-Marca.Mijn waarde, hoog geschatte lezer, ik mag u niet uitnoodigen, in mijn salon te komen;—want ik houd er inderdaad een salon op na, met een gewelfdezoldering, waarin twee tamelijk groote gaten om licht en lucht door te laten; voorts met granieten muren van drie voet dik, licht paars geverwd, en een vloer van scherpe, witte, zwarte en blauwe steentjes;—maar die salon, anders in zijn soort merkwaardig genoeg, ligt thans geheel overhoop. De meubelen verdwijnen onder pakken en balen; de vloer staat vol kisten en koffers; alles is overdekt met een laag stof, en de spinnen, gebruik makende van mijne afwezigheid, hebben hare webben tegen de muren uitgespannen. Daar ik den lezer geen stoel kan aanbieden, en hem toch ook niet tot mijn vertrek buiten kan laten staan, is het maar het best, dat wij samen eene wandeling door de stad gaan doen, waarbij ik hem het een en ander van Arequipa kan vertellen.Wij hebben gezien dat Arequipa zijne stichting te danken heeft aan den Inca Mayta-Capac. Twee eeuwen lang werd Arequipa, toen niet meer dan een dorp, bestuurd door curacas of caciquen, die door den regeerenden Inca werden benoemd. Den 5 Juli van het jaar 1536, werd dit indiaansche dorp verwoest door Pedro Anzurez de Campo Redondo, een der vele avonturiers, die met Pizarro naar Amerika waren getogen: hij werd de stichter der nieuwe stad.Sedert dien tijd werd Arequipa achtmaal gedeeltelijk en driemaal geheel door de aardbevingen verwoest; het veranderde tweemaal van plaats. Aan deze onheilen had evenwel de Misti, aan welks voet de stad gelegen is, geen schuld; zij werden veroorzaakt door de geweldige uitbarstingen van den vulkaan Huayna-Putina, in de vallei van Moquehua, dien sommige aardrijkskundigen, doch zeer ten onrechte, naar de vallei Coripuna verplaatsen.De tegenwoordige stad, vrij onregelmatig van vorm, beslaat eene oppervlakte van ongeveer vier-en-twintigduizend vierkante ellen. Zij is in vijf wijken verdeeld, die weder in vijf-en-tachtig buurten of cuadras zijn gesplitst, en te zamen tweeduizend-vier-en zestig huizen tellen, met eene bevolking van ongeveer zeventienduizendzielen. Er zijn niet minder dan negenhonderd-acht-en-twintig herbergen: een cijfer, dat op het eerste gezicht zeer hoog schijnt, maar toch niet zoo bovenmatig is, als men bedenkt, welken hevigen dorst deze menschen, die op een vulkaan geboren worden en leven, wel voortdurend lijden moeten. De wijken Santo-Domingo, San-Francisco, la Merced, San-Agustin en Miraflores, hebben ieder hare eigene kerk en een mannenklooster; bovendien zijn er nog drie vrouwenkloosters, een begijnhof, en een huis voor geestelijke oefeningen, waar, in de heilige week, de dames van Arequipa boete komen doen en zich zelven tuchtigen.De koninklijke koerier.De koninklijke koerier.De kerken en kloosters zijn juist niet opmerkelijk door hunne architectuur: trouwens, men moest op de aardbevingen bedacht zijn. De muren bestaan slechts voor de helft uit gehouwen steen; al het overige is houtwerk, kalk of leem. De kloosters vormen altijd een meer of minder regelmatig vierkant, met een rechthoekigen binnenhof, waarop de cellen uitkomen. De kerken hebben onveranderlijk de gedaante van een oud latijnsch kruis; de meesten hebben maar een schip, zonder zijbeuken; het tonronde gewelf, hoogstens twaalf tot vijftien el hoog, rust somwijlen op bogen of op gladde muren van zeven of acht voet dikte. Uit een architectonisch oogpunt zijn deze kerken van binnen ongetwijfeld wat naakt; maar dit wordt meer dan vergoed door de versiering van den voorgevel, waarbij de bouwmeester, nu niet meer gebonden door de zorg voor de hechtheid van zijn gebouw, aan zijne fantasie den vrijen teugel heeft gelaten, en de grilligste figuren, krullen en bloemen, vazen en zuiltjes, naalden en pyramiden, zonder veel besef van kunst of schoonheid, met kwistige hand heeft aangebracht. Al die dingen, die ge eer voor het werk van een kunstdraaier dan van een beeldhouwer zoudt aanzien, zijn met witkalk bestreken; en in rechte lijn op de uitstekende lijsten geplaatst, doen zij u inderdaad denken aan ivoren schaakstukken.Maar zoo het dezen monumenten aan kunst en stijl ontbreekt, niet aan kwistige overlading van rijkdommen: altaren en beelden bezwijken schier onder de vracht van het goud, het zilver, de edelgesteenten, de kostbaarste stoffen. De Christusbeelden zijn getooid met jurken van engelsche kant, en met kronen vanacacia triacanthos, waarvan iedere doorn een smaragd is van vijf duim lengte; zij zijn met diamanten nagels aan het kruis gehecht, en stralen van robijnen moeten het uit de wonden vloeiende bloed verbeelden. De Madonnas, wier aantal nog grooter is, dragen wijde hoepelrokken en mantels van fluweel, van brokaat, van satijn;toquesmet struisvederen, tulbanden met diamantenaigretten, halssnoeren van parelen, diamanten oorhangers, ringen aan al hare vingers; en bovendien nog horloges met kettingen, prachtige armbanden enbroches, kanten zakdoeken en met goud ingelegde waaiers. Ookmet dezen opschik heeft de kunst niet veel uit te staan, evenmin als de goede smaak.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.De kerken van Arequipa, herhaalde malen verwoest en weder herbouwd, hebben nu zoo wat twee-en-een-halve eeuw gestaan. Alleen de kathedraal, die de eene zijde van de plaza Mayor inneemt, is jonger: zij is eerst voor een tiental jaren gebouwd, ter vervanging van de oude kerk, die in 1849 is afgebrand. De tegenwoordige hoofdkerk is een gebouw van ongeveer twee-honderd voeten in het vierkant, versierd met twee houten torens, die in stompe pyramiden uitloopen. Acht zware, ionisch-romeinsche kolommen en een aantal gekoppelde zuiltjes versieren den voorgevel; aan de beide uiteinden van het gebouw, dat ruim van vensters voorzien is en misschien eene hoogte van vijftig voet bereikt, bevinden zich twee zware vooruitspringende portieken. Die massieve vierkante massa, met smettelooze witkalk overpleisterd en met gom van cactus netjes glimmend gemaakt, komt wonderbaar krachtig uit tegen het diepe blauw van den bijna altijd wolkeloozen hemel.Toch blijven wij het gemis betreuren der oude kathedraal, wier grijze tint zoo wel overeenstemde met de fantastische ornamentatie, waarin de kunstenaar al den onuitputtelijken rijkdom van het grilligste vernuft had ten toon gespreid. En behalve de schatten, in hare sakristie opgestapeld, bevatte deze kerk nog een onwaardeerbaren schat in hare galerij der portretten van al de bisschoppen, bestaande uit negentien schilderijen met prachtige lijsten, die allen in den brand van 1849 zijn ondergegaan. Al de eerwaarde mannen, die sedert het jaar 1614 den herdersstaf over Arequipa hadden gevoerd, namen, naar chronologische orde, hunne plaats in deze verzameling in. Hunne beeldtenissen, ten voeten uit door inlandschekunstenaars geschilderd, hadden iets zeer eigenaardigs: de schilder, die het tweede portret had vervaardigd, had niet beter weten te doen dan zoo getrouw mogelijk het werk van zijn voorganger, den vervaardiger van het eerste portret, te kopiëeren, en dit voorbeeld was door alle latere kunstenaars gevolgd. Het resultaat was geweest, dat men een reeks portretten had gekregen, tot in de kleinste bijzonderheden zoo volkomen op elkander gelijkende, dat men bijkans waande slechts één portret te zien, negentien malen door spiegels weerkaatst! Als ik mij die kostbare collectie van negentien bisschoppen herinner, allen in leuningstoelen met vergulde griffioenen gezeten, op dezelfde wijze gedrapeerd, op dezelfde manier belicht, met hetzelfde boek in de hand, en allen met hetzelfde gezicht naar hetzelfde punt kijkende:—ja, dan kan het mij innig smarten, dat in de groote steden der peruaansche republiek de brandweer nog zoo veel te wenschen overlaat!Na de kerken komen de kloosters: plompe, smakelooze gebouwen, zonder eenige architectonische waarde hoegenaamd, en die zich alleen door een steenen kruis boven den hoofdingang, van de gewone huizen onderscheiden. Maar die naaktheid en dorheid is geen teeken van armoede; integendeel, al die kloosters zijn rijk en genieten zeer aanzienlijke inkomsten uit hunne goederen en pachthoeven. Bovendien bezitten zij meest allen groote schatten aan kostbare ornamenten, kerksieraden en edelgesteenten; terwijl ieder klooster ook een archief en eene bibliotheek heeft, waarin zeer dikwijls uiterst merkwaardige en kostbare zaken gevonden worden. Maar deze laatste schatten liggen ongebruikt: de bibliotheek is vuil en slecht onderhouden, want de monniken hebben geen tijd om zich daarmede te bemoeien. Het is ook zeer moeilijk, toegang tot die bibliotheken te verkrijgen; zonder zeer veel vermogende aanbeveling, wordt het niemand vergund, daar onderzoekingen in het werk te stellen. Daarentegen is de toegang tot den kloosterhof voor ieder geopend: van des morgens zes tot des avonds zes uur, kan men daar ongestoord gaan wandelen, lezen of zijn sigaar rooken.De kloosterlingen staan in Peru zeer hoog in aanzien. Nog altijd is daar de monnik de raadsman en vertrouweling van mannen en vrouwen, de vriend des huizes, de onmisbare gast bij alle feesten. Zijn kleed boezemt in het minst geen sombere of droefgeestige gedachten in; hij zelf maakt zich het leven dan ook zoo aangenaam mogelijk, neemt deel aan maaltijden en partijen, en overal is zijne verschijning het teeken van verhoogde vroolijkheid. De monnik is volkomen vrij in zijne bewegingen en gaat waarheen hij wil; even als de lieden van de wereld, van wie hij zich door niets dan alleen zijn kostuum onderscheidt, houdt hij receptiën; zijn cel is in een salon herschapen, waar chocolade, likeuren en taartjes gepresenteerd worden, en waar het gesprek over allerlei onderwerpen, over politiek en litteratuur, over kunst en godsdienst, loopt.In de vrouwenkloosters is de regel veel strenger; de nonnen mogen nooit, onder geen enkel voorwendsel, den drempel overschrijden van het klooster, waar zij de gelofte hebben afgelegd. Zelfs mag, in geval van ziekte, geen geneesheer haar bezoeken, dan met uitdrukkelijke vergunning van den bisschop. De eenige man, die in het klooster geduld wordt, is de tuinman. Toch lijden deze zusters geen al te treurig leven. Haar cel is een smaakvol ingericht vertrek, meer of minder rijk gemeubeld, naar gelang van het vermogen der familie, voor wier rekening al deze kosten komen. Iedere non heeft hare eigene bibliotheek, haar vogels, haar guitaar, haar eigen tuintje met fraaie en zeldzame bloemen, en in den regel ook haar hartsvriendin, die in al hare geheimen deelt, de vertrouwelinge van hare innigste gedachten. Zulk eene vriendschap, in het klooster geboren, heeft somwijlen al de teederheid, al de diepte, maar ook wel eens al het vuur en al den hartstocht eener wezenlijke liefde.Zoo deze geestelijke zusters zelven niet uit mogen gaan, is het haar wel vergund, haar bloedverwanten en vrienden van beiderlei kunne, in het klooster te ontvangen en zelfs te dejeuneeren te vragen. De maaltijd wordt dan gehouden in de spreekkamer: eene ruime, gewelfde zaal, met traliedeuren in de wanden; en de tafel wordt zoo dicht bij eene dier deuren geschoven, dat de non, achter het traliewerk gezeten, hare gasten kan zien en zich met hen onderhouden. Het gesprek loopt doorgaans over de gebeurtenissen en praatjes van den dag; over liefdes-avonturen, over huwelijken, geboorten, sterfgevallen en dergelijken, en in den regel gaat het er tamelijk vroolijk en luidruchtig toe.In een land, waar banket- en suikerbakkers nog onbekend zijn, hebben de vrouwenkloosters en vrouwenvereenigingen het monopolie van taartjes, gebak en suikergoed, dat op geen feest ontbreken mag, en waarvan dan ook de bestellingen voortdurend haar gang gaan. De zusters geven zich alle moeite om haar klanten tevreden te stellen en haar klandisie uit te breiden: en dat nog minder uit zucht tot winst, dan wel om elkander wederkeerig een vlieg af te vangen: want een feit is het, dat er tusschen de vrouwenkloosters een zeer groote jaloezie bestaat, die zich op allerlei wijzen openbaart. Ieder klooster heeft zijne eigene specialiteit van lekkernij, gebak of suikergoed, waarvoor het beroemd is. De bestellingen worden echter niet gedaan aan het klooster of de congregatie in haar geheel, maar aan deze of die zuster in het bijzonder, die, als zij de bestelde gebakjes laat bezorgen, daar tevens de rekening bijvoegt.Het feest van den beschermheilige van het klooster wordt door de nonnen met een muziekale mis en met een vuurwerk gevierd, dat, naar de zonderlinge gewoonte des lands, des morgens tusschen elf en twaalf uur wordt afgestoken. Bovendien houden zij, op sommige kerkelijke feesten, een maskerade, met begeleiding van zang en dans. Dit geschiedt onder anderen op Kerstmis. Op een tooneel wordt de geboorte des Heeren voorgesteld, door middel van geschilderde dekoratiën en papieren poppen; daarvoor plaatsen zich de nonnen, in twee groepen, die der herders en die der herderinnen, gesplitst; met begeleiding van guitaar en accordeon, voeren zij dan een beurtzang en een soort van quadrille uit. De nonnen, die de rol van herders moeten spelen, vragen, reeds dagen vooruit, aan hare mannelijkeverwanten en vrienden, hunne beste kleederen te leen, om die voor haar figuur geschikt te maken en met galons, linten en andere ornamenten op te tooien. Haar kostuum is wel niet pastoraal, noch ook zeer bijbelsch; maar op de archeologie of de uitwendige getrouwheid komt het ook niet aan.De kloosterregel, die den toegang tot de vrouwenkloosters, met uitzondering van hetlocutorio, de spreekkamer, aan het publiek ontzegt, wordt in tijden van oproer of omwenteling niet zoo streng gehandhaafd. In zulke dagen, die hier gansch geene zeldzaamheid zijn, vindt de vrouwelijke aristokratie der stad eene veilige wijkplaats in die kloosters, wier deuren dan voor haar wijd openstaan. Iedere eenigszins aanzienlijke familie spoedt zich daarheen, en brengt daar het goud- en zilverwerk, de edelgesteenten, en wat zij verder kostbaars bezitten mag en voor medenemen vatbaar is, in veiligheid. Het bijna verlaten huis wordt dan toevertrouwd aan de hoede van een vader of echtgenoot, die zich zoo goed mogelijk in staat van tegenweer stelt. Het is wel gebeurd, dat vrouwen, na een maand in het klooster te hebben vertoefd, het leven in dien gezelligen, beschaafden, rustigen kring zoo aangenaam vonden, zich daar zoo gelukkig gevoelden, dat zij zelfs weigerden naar de echtelijke woning terug te keeren.Nu wij met de kerken en kloosters afgehandeld hebben, willen wij vluchtig de stad doorwandelen, niet in de hoop monumenten te zullen vinden, want die bezit Arequipa niet, maar om een indruk te ontvangen van haar doorgaand voorkomen. Over het algemeen zijn de straten breed, goed geplaveid en rechtlijnig, voorzien van voetpaden en doorsneden van granieten gooten (acequias), waardoor beekjes van de Cordilleras met vroolijk gemurmel haar water naar de rivier voeren. De huizen gelijken allen op elkander. Zij zijn allen van steen, somwijlen van zandsteen gebouwd, met tonrond gewelf en met groote vensteropeningen, die door ijzeren tralies en binnenblinden, met zink beslagen, tegen inbraak van dieven en de kogels der opstandelingen worden beschermd. De breede gewelfde hoofdingang met zijne dubbele deur, rijkelijk met ijzeren nagels, krullen en andere versierselen beslagen, heeft iets monumentaals; twee rijtuigen kunnen hier met gemak naast elkander inrijden. De huizen hebben in den regel geen verdieping; hoogstens, in enkele gevallen, eene enkele bovenverdieping, die dan meestal onbewoond is en uitkomt op een plomp balkon, een soort van houten kast, donker rood of groen geverwd, die met losse blinden kan gesloten worden.Deze woningen hebben twee binnenplaatsen achter elkander, met kiezel geplaveid en omzoomd door breede voetpaden (veredas); de muren van de eerste binnenplaats zijn wit gepleisterd en somwijlen versierd met zeer eenvoudige tegeltjes, waarop onmogelijke landschappen, zeegevechten of tafereelen uit het Lijden zeer kunsteloos zijn voorgesteld. De receptiekamers en de slaapkamers van het gezin bevinden zich ter wederzijde van deze binnenplaats. In de meeste slaapkamers staat het bed in een breede nis van vier tot zes voet diep; een voorzorgsmaatregel tegen aardbevingen. Deze vertrekken hebben geen vensters, maar massieve dubbele deuren, van een traliewerk voorzien, waardoor licht en lucht binnen stroomt. Achter de beide binnenplaatsen is een tuin, die wederom begrensd wordt door een zeer ruim, meestal met zerken geplaveid vertrek, dat tot eetzaal dient.Pracht en weelde moet ge in deze woningen niet zoeken. Uitgezonderd in enkele huizen van vreemde kooplieden en van zeer aanzienlijke inwoners, waar althans de staatsievertrekken met papieren behangsels prijken, zijn de muren overal met kalk gewit en versierd met allerlei wonderlijke figuren, met roode of gele verf geteekend. De weinige meubelen, die ge hier vindt, zijn van tweeërlei soort: de meubelen in spaanschen stijl, die er uitzien of zij met een bijl uit een blok hout zijn gehouwen, wit of hemelsblauw geschilderd, bezaaid met rozen en madeliefjes en opgeluisterd door vergulde randen; en de meubelen in den dusgenoemden klassieken stijl van het keizerrijk: mahoniehouten kanape’s met stierenkoppen en drakenklauwen; stoelen waarvan de leuning de gedaante van een lier vertoont, gekroond met een helm of een wapentrofee; alles overtrokken met grijze of lichtbruine stof met groote rozen en bloemen.Het huiselijk leven der bewoners van Arequipa bepaalt zich, voor de vrouwen, tot gesprekken over de politiek van den dag, en voorts tot breedvoerige beschouwingen over al de nieuwtjes en praatjes van de stad, die haar trouw worden overgebracht door de cholas en chinas, negerinnen en kamermeisjes, die tot het altijd vrij talrijke dienstbodenpersoneel behooren. Sommige dames borduren, maken fijne gebakjes en sorbets klaar, of spelen op de guitaar; maar de meesten brengen de week door met begeerig uit zien naar den zondag: vooreerst om naar de mis te gaan, hetgeen altijd eene zeer aangename afleiding voor de vrouwen is; en ten anderen omdat op dien dag het plaatselijk gebruik haar vergunt, de vensters harer kamer aan straat te openen, en, op tapijten neergezeten, naar de voorbijgangers te kijken. Over het algemeen leggen de dames weinig bezoeken af; zij laten hare boodschappen overbrengen door haar kameniers, die ook nu en dan met het bezorgen van bloemen, vruchten en soortgelijke geschenken worden belast. Alleen bij zeer feestelijke gelegenheden verschijnen de dames op partijtjes.De fransche mode heerscht ook hier, maar met eenige wijzigingen, die doorgaans niet als verbeteringen kunnen worden beschouwd; bovendien zijn de dames van Arequipa steeds een zeker aantal jaren ten achteren. Maar ook zonder dat, zou de fransche kleeding haar slecht voegen: haar geheele bouw en gang passen niet bij de wonderlijke, zoo hemelsbreed van de natuur afwijkende uitmonstering eenerParisienne: jammer slechts, dat de peruaansche dames, als zoo vele anderen, niet genoeg gezond verstand en goeden smaak schijnen te bezitten om dat te begrijpen. Des zondags als zij naar de kerk gaan, zijn zij geheel in het zwart gekleed: zij dragen dan een zwart zijden japon en een mantille van dezelfde stof, met fluweel of kant versierd, die over het hoofd wordt geworpen. Deze kleeding, die zij van haar Spaansche voorouders hebbenovergenomen, staat haar allerliefst: maar zoodra de dames weer thuis zijn, haasten zij zich, haar smakeloos bonten opschik weder aan te trekken. Daar het gebruik van stoelen en banken in de kerken van Peru onbekend is, laten de dames zich een kussen of tapijt nadragen, waarop zij knielen. Die recht gedistingeerd wil zijn, houdt er een kleinen Indiaan, van zes tot tien of twaalf jaar op na, om dat tapijt te dragen. Zulk een indiaansche jongen is het meest welkome geschenk, dat een heer aan eene dame maken kan. Die kinderen worden voor een kleinigheid van hunne ouders in de Sierra-Nevada gekocht, en naar Arequipa gezonden; in de woning opgenomen, worden zij daar vertroeteld en op alle mogelijke manieren geliefkoosd, als waren zij schoothondjes of merkwaardige aapjes. Zij blijven de lievelingen en de pages der dames, tot zij te groot zijn geworden om die dubbele rol met schik te kunnen vervullen; dan worden zij naar de keuken gezonden en bij het korps der gewone bedienden ingelijfd. Somwijlen blijven zij hun leven lang in het huis; meestal echter verlaten zij het als zij volwassen zijn geworden, en zoeken elders een goed heenkomen.De heeren zijn te Arequipa tamelijk uithuizig: zij hebben ook zoo veel te doen. Hunne voornaamste bezigheid is, van het eene huis naar het andere te gaan, over politiek te praten, een oneindig aantal sigaren te rooken, nu en dan een partijtje te dobbelen; voorts siesta te houden, paard te rijden, den galant te spelen, en te droomen van de schitterende toekomst, die de republiek wacht.Een peruaansch soldaat.Een peruaansch soldaat.Maar, uit deze wijze van hun tijd te besteden moet ge niet afleiden, dat het dezen heeren aan verstand of aan kennis ontbreekt. In geenen deele! Zij hebben allen veel geleerd, indien al niet veel onthouden; theologie, rechtsgeleerdheid, burgerlijk en kanoniek recht, genees- en heelkunde—zij hebben dat alles bestudeerd, even als Faust. Deze heeren, schijnbaar met zulke nietigheden bezig, hebben in het openbaar stellingen verdedigd, en zich een diploma vandoctor-bachillerveroverd. Bovendien verstaan zij allen de kunst van verzen maken en zijn sterk inbouts-rimés,ex-tempore’s, koupletjes en strofen van allerlei aard, die zij zoo voor de vuist dichten. Indien zij zich dus voor studie of geestelijke genietingen onverschillig toonen, dan moet ge niet denken dat dit uit onwetendheid geschiedt; maar dit is veeleer een gevolg van zekere instinktieve philosophie, en vooral van die aanbiddelijke traagheid, die zij van hunne vaderen hebben overgeërfd en als een kostbaren schat bewaren. Elk denkbeeld van verandering of vooruitgang, dat hun zalige rust zou kunnen storen, is hun ondragelijk. De zedelijke en physieke werkzaamheid van den Europeaan is voor hen een even verwonderlijk verschijnsel, als het tikken van een horloge voor een wilde, dat zij niet begrijpen en ook zich niet pogen te verklaren.De wetenschappelijke inrichtingen en scholen zijn zeer talrijk te Arequipa. De medische fakulteit kan wedijveren met die van Chuquisaca in Bolivia. De universiteit van Sint-Augustinus, de twee akademiën en het College der Onafhankelijkheid, door den maarschalk Gutierrez de la Tuente gesticht, zijn allerwege beroemd. De openbare bibliotheek werd in 1821 opgericht en dankt haar ontstaan aan de ijverige pogingen van den heer Evaristo Gomez Sanchez. Zij bezit tegenwoordig negentienhonderd-vijf-en-negentig boeken, handelende over theologie en rechtsgeleerdheid, de kaart van Peru op bevel van den bevrijden Simon Bolivar vervaardigd, den Atlas van den heer de Vaugondy, hydograaf van Z. M. Lodewijk XV, een album vankarikaturenvan Gravarni, twee meteoorsteenen, een hemelglobe, een bibliothekaris en een portier. Bovendien zijn er twee drukkerijen, die ieder een dagblad in klein formaat uitgeven; een hospitaal, een vondelingenhuis en een armeninrichting.De plaza Mayor is het hart der stad. Dit plein, waarvan de noordzijde geheel door de kathedraal wordt ingenomen, wordt aan de andere zijden omgeven door open galerijen, waaronder katoenen en wollen stoffen, linten en allerlei artikelen in de open lucht zijn uitgestald. Op het midden van het plein prijkt een bronzen fontein, met drie bekkens boven elkander. Dit monument, dat vrij wel op een haspel gelijkt, wordt gekroond door een beeld van de Faam of zoo iets, wanhopend mager en in zoo stijf mogelijke houding. Deze allegorie blaast op een trompet en staart onafgewend naar de straat San Francisco.Op dit plein, waar de openbare vermakelijkheden, de revolutionnairepronunciamentosen de openbare terechtstellingen plaats grijpen, wordt ook dagelijks, van des morgens vijf tot twaalf uur, een groentenmarkt gehouden. De inlandsche bevolking, die dan hier van alle kanten uit de stad en den omtrek samenkomt, vertoontslechts twee verschillende typen. De eerste is die van den Indiaan van de kust der Stille-zee, met zijn rond gelaat, zijn platten neus, zijn dikke lippen, zijn kleine, schuine oogen; de andere is die van den Quechua, met zijn ovaal gelaat, zijne uitstekende wangbeenderen, zijn arendsneus, zijne schuine maar wijdgeopende oogen, zijn lang zacht gitzwart hair. Uit de vermenging en kruising dier twee rassen van de kust en van het gebergte zijn mettertijd een zeker aantal schakeeringen ontstaan, wier voornaamste kenmerk eene afschuwelijke leelijkheid is. De voorsteden worden voornamelijk bewoond door deze mestiezen en door de kleine burgerij, die daar handel drijft in dranken, vruchten en soortgelijke artikelen van dagelijksch gebruik.Eene indiaansche chulpa. (Bladz. 78.)Eene indiaanschechulpa. (Bladz. 78.)Ik gaf u vroeger eene beknopte beschrijving van een buitenherberg: ik mag u thans die van een herberg in de stad niet onthouden. Deze etablissementen, die alleen door Indianen encholosvan beiderlei kunne worden bezocht, zijn donkere, vuile, rookerige hokken, die alleen door de deur licht en lucht ontvangen, vol potten en kruiken van verschillende grootte en vormen; terwijl de grond bedekt is met vuil stroo, afval van groenten, beenderen en uitwerpselen van dieren, waarin kippen en indiaansche varkentjes naar hartelust rondscharrelen. Daar in deze herbergen noch stoelen noch banken te vinden zijn, gaan de klanten eenvoudig op den grond zitten, in de eene hand een schotel met fijn gemalen piment, om den dorst te prikkelen, en in de andere een pot metchicha, het uit maïs gebrouwen bier, waarvan het gebruik in 1043 in Peru werd ingevoerd door de Keizerin Mama Ocllo Huacco (letterlijk Moeder-Broeihen) de zuster en echtgenoote van den eersten Inca Manco-Capac.—Terwijl dit publiek babbelt en lacht, eet en drinkt, wordt in een hoek van de herberg weer nieuwe chicha bereid. Dit geschiedt op zeer eenvoudige en weinig kostbare wijze: eene zekere hoeveelheid gepeldemaïswordt uitgestort in een kuil van zes voet in het vierkant en een voet diep; vervolgens met een weinig water begoten, en met planken toegedekt, waarop eenige zware steenen worden gelegd; na verloop van acht dagen hebben de warmte en de vochtigheid het graan aan het gisten gebracht. Deze gegiste mais, die nu den naam van gunapo draagt, wordt uit den kuil genomen en in de zon gelegd om te drogen; is zij goed droog, dan wordt zij naar den molen gezonden, waar het zaad verbrijzeld, maar niet fijn gemalen wordt. Van den molen keert het zaad dan terug naar de chicheria, waar het in groote, met water gevulde potten een geheelen dag lang gekookt wordt. Des avonds gieten de vrouwen het drabbige vocht in een soort van groven vaatdoek, dien zij goed uitwringen; dan blijft het den nacht overstaan om af te koelen, en kan reeds den volgenden dag gedronken worden. Dit bier is een ware volksdrank, die door alle klassen gebruiktwordt, ook door de aristokratie, die hoewel zij in het openbaar dien drank versmaadt, zich daaraan toch in stilte te goed doet.Arequipa, door sommige moderne reizigers nog altijd eene bloeiende stad genoemd, met levendigen handel en uitgebreide industrie, beroemd wegens de vroolijkheid, het vernuft en den opgewekten zin harer bewoners—vertoont, het valt niet te loochenen, in dat opzicht niet meer dan de schaduw van haar vroegere heerlijkheid. De politieke omwentelingen en de vele faillissementen en financiëele tegenspoeden hebben de stad langzamerhand van haar rijkdom en welvaart beroofd, en ook een zeer noodlottigen invloed uitgeoefend op dien vroolijken frisschen zin, dien tintelenden levenslust, waardoor hare burgers zich weleer onderscheidden. Deze stad, die langen tijd, wat schittering en pracht en weelde aangaat, kon wedijveren met Lima, de stad der Koningen, is nu niet meer dan een kapel, ingesloten in de doodsche pop, hopend wachtende op de herschepping, die de toekomst haar wellicht brengen zal. Hare vroolijke schitterende feesten bestaan nog maar alleen in de herinnering: met de armoede is de zuinigheid gekomen. Slechts bij enkele gelegenheden vertoont Arequipa zich nog, voor eenige oogenblikken, in haar ouden glans, en wordt het geld met handenvol weggeworpen, ook al treurt men den volgenden dag om het verlies.Zulk eene jaarlijks wederkeerende gelegenheid biedt met name de Dingsdag voor de Vasten, de Vastenavond. Bij de feesten van dien dag spelen de eieren een hoofdrol: in die mate zelfs dat ijverige statistici hebben uitgerekend—en wat rekenen statistici al niet uit?—dat er dan in Arequipa voor meer dan achthonderdduizend francs aan eieren verdaan wordt: een cijfer, dat te meer verbazing wekt, als men bedenkt dat hier alleen van eierschalen sprake is, waaruit het wit en de dooier sinds lang zijn verdwenen. Van die schalen weten dus de vrouwenkloosters en ook vele huismoeders uitstekend partij te trekken. Zij verzamelen, het gansche jaar door, de schalen der eieren, die in de spaansch-amerikaansche keuken in zulke kolossale hoeveelheden worden gebruikt, en die dan, juist met het oog op deze latere bestemming, niet stuk geslagen, maar slechts aan het eene einde even gebroken worden. In de week, die aan het karnaval vooraf gaat, worden die opgegaarde eierschalen klaar gemaakt, waarmede drie vrouwen zich onledig houden. De eene heeft een kom met water bij zich, waarin zij gutte-gom, indigo of vermiljoen oplost; de tweede vult de eieren met die kleurstof; de derde eindelijk stopt de opening in de schaal dicht met een vierkant lapje, met eene vloeibare was besmeerd, die dadelijk hecht. Zoo klaar gemaakt, worden die eierschalen voor een cuartillo en zelfs voor een halven reaal per stuk, aan alle hoeken der straten verkocht.Nauwelijks licht de morgen van den lang verwachten Dingsdag aan, of allen, heeren en dames, kleeden zich van het hoofd tot de voeten in het wit; dan loopen zij, die het eerst bij de hand zijn, naar de nog slapende huisgenooten, om dezen hun morgengroet te brengen:—voor ditmaal hierin bestaande, dat drie of vier eieren van verschillende kleur op het gelaat van den slaper worden stuk geslagen, en hij vervolgens met meel wordt bestrooid. De aldus gewekte haast zich op zijn beurt zijn wit pak aan te schieten, wapent zich ook met eieren en meel, en tracht zich nu op ieder te wreken over de hem aangedane mishandeling.De gansche ochtend gaat daarmede voorbij. De heeren en dames in den salon, de bedienden in de keuken, gooien elkander om het hardst met eieren, en bepoederen elkaar met meel; niemand wordt bij dit spel verschoond.Die gedenkwaardige dag is bijna de eenige in het jaar, waarop de balkons der huizen geopend worden. Ten twaalf uur wordt op ieder balkon eene gansche batterij van spuiten geplaatst, en de bewoners der belendende huizen bespuiten elkaar, en werpen elkander met eieren en met papieren zakjes met meel gevuld. Inmiddels wordt het op straat steeds drukker: het volk en de burgerij kunnen het in de huizen niet langer uithouden, en stroomen de straat op, gewapend met parapluien om zich te beveiligen tegen de stortbaden van de balkons; met begeleiding van muziek en onder het uitgalmen van allerlei liederen, trekken gansche troepen, opgewonden door den drank, de straten door, zich aanstellende als bezetenen.Tegen drie uur worden een aantal oude, afgeleefde, blinde, kreupele, half lamme paarden van de Pampilla, een woestijn ten noorden van de stad, aangevoerd en op de plaza Mayor publiek verkocht. De prijs van zoo’n paard verschilt van vijf tot twaalf francs, naar gelang van den waarschijnlijken levensduur. In een oogwenk vormen zich nu ruiterbenden, die de balkons gaan belegeren, van waar het heftigst op de menigte gespoten is. Ieder ruiter neemt aan zijn arm een mandje met eieren, dat door vlugge jongens telkens weer gevuld wordt: en nu begint een geregeld gevecht tusschen de ruiters en de dames, die zich op het balkon geposteerd hebben. De ruiters werpen met eieren; de dames, met spuiten, gieters en kannen gewapend, antwoorden met stroomen min of meer helder water. Soms duurt zulk een gevecht langer dan een uur, eer een van de beide partijen het opgeeft, al druipen de mannen ook van het water, en al zijn de dames ook ontoonbaar van de eieren en het meel. Eindelijk komt een met kracht geworpen ei op het oog of den boezem van een der dames te recht, die, luid gillende, in de armen harer zusters nedervalt: dan gaat er uit de groep der ruiters een luid gejubel op; maar de dames, nu door dit verlies verbitterd, beginnen met bloempotten, scherven en met alles te werpen, wat zij grijpen en vangen kunnen, tot de mannen de wijk nemen, om elders hetzelfde spel te gaan hervatten. Dit dolle tooneel duurt zoo lang, tot de klok voor hetAngelusgeluid wordt: dan gaan allen naar huis, waar evenwel het feest wordt voortgezet tot het aanbreken van den volgenden morgen.
III.Een smal en steil pad voerde ons naar de vallei, aan den linkeroever van den Tampu, een der beide riviertjes, die haar besproeien, en dien wij, nabij het gehucht Ocongate, doorwaadden. Tot dusver had de gesteldheid van het terrein ons gedwongen, achter elkander te gaan; maar nu konden wij weder naast elkaar rijden op een breeden, goed geëffenden weg, ter wederzijde omzoomd door akkers en plantages en woningen van Indianen. Vooreerst behoefden wij nu voor geen honger of dorst meer te vreezen, noch voor een zonnesteek, noch voor vlotzand; en deze zekerheid oefende een zeer gunstigen invloed uit op de stemming onzer makkers, die steeds vroolijker werden. Ook de muilezeldrijvers lieten zich niet onbetuigd, en hieven luidkeels een beurtgezang aan, waarbij nu en dan de muildieren zelven uit al hun macht accompagneerden. Zoo bereikten wij het gehucht Sachaca, uit een vijftiental krotten of liever holen in de trachietrots, die den weg afsluit, bestaande. Naar de legende verhaalt, zou Sachaca, bij helderen maneschijn, het vereenigingspunt zijn der toovenaars, derbrujasenduendesvan den omtrek. Om aan deze nachtelijke samenkomsten een einde te maken, hebben de bewoners van Sachaca te vergeefs de hulp ingeroepen van de vermaardste duivelbanners, en boven de deuren hunner woningen kruisen en gewijde hulsttakjes geplaatst: niets baatte; de toovenaars hebben de kruisen verbrand om hun pot te koken, de hulsttakken in bezems veranderd; en ondanks de krachtigste bezweringen het veld behouden. Tegenwoordig is Sachaca een vermaledijde plek; als de vrouwen dit gehucht zien, maken zij het teeken des kruises; en geen man, tenzij hij te veel gedronken heeft, zou na middernacht hier over den weg durven gaan.Daar het nu elf uur in den morgen was, en de toovenaars zich, even als de uilen, overdag schuil houden, hielden onze muilezeldrijvers zonder aarzelen te Sachaca stil, om een kruik chicha te drinken, dat hier, naar men zegt, in voortreffelijke kwaliteit gebrouwen wordt. Onze vrienden, die zich van de waarheid van dit gerucht wilden overtuigen, lieten zich ook eenige glazen geven, en poogden mij evenzeer over te halen dien beroemden drank eens te proeven. Ik weigerde echter: niet zoo zeer uit afkeer voor dit vocht, waaraan ik in ieder geval de voorkeur geef boven bedorven water; maar omdat ik vreesde dat het bier van Sachaca, onder zoo booze invloeden gebrouwen, mij betooveren zou, en mij voor altijd zou terughouden in een streek, die ik den volgenden morgen wenschte te verlaten.De streek tusschen Sachaca en Yanahuara, ongeveer een mijl van elkander verwijderd, is allerbekoorlijkst. De maïs- klaver- en aardappelvelden; de akkers met goudgeel koren; de heldere beekjes met prachtige wilgen omzoomd; de witte, blauwe en lichtrood geschilderde huizen: dit alles vormde een geheel, dat het oog aangenaam aandeed. Hier en daar ziet ge een prieel van blonde pompoenen, waarboven een wimpel met de peruaansche kleuren wappert: een teeken, waaraan ge aanstonds de buitenherberg herkent,want de herbergen in de stad hebben geen ander uithangbord dan een bos stroo. Daar zijn eenige mannen en vrouwen, met sepia-kleurige aangezichten, met lange, loshangende haren en kakelbonte kleeding, bijeen: zij tokkelen een guitaar met drie snaren, zij blazen op een gespleten riet, zij dansen, huppelen en springen, onder luid gelach en geschreeuw, gesnap en gejoel, tot zij eindelijk gaan slapen met het hoofd in de schaduw en de voeten in de zon: groepen, waaraan een genre-schilder zijn hart zou ophalen.Even voorbij Yanahuara worden de huizen ter wederzijde van den weg steeds talrijker; de herbergen vermenigvuldigen zich, en hare witte en roode wimpels fladderen in de lucht als de vleugelen van flamingos. Troepen lamas, met gedroogde vijgen, piment, houtskool of zout beladen, banen zich een weg dwars door konvooien van ezels en muildieren. Indianen, mannen en vrouwen, loopen heen en weder, voortdurend babbelende. Hoe verder ge komt, hoe dichter de menigte wordt, hoe luider het geraas, en daar boven uit hoort ge nu en dan een verwijderd klokkenspel, dat aan het geheel iets feestelijks geeft. Alles kondigt de nabijheid van eene groote stad aan. Ge slaat een hoek om: en eensklaps ligt daar voor u, badende in licht en glans, de stad Arequipa, aan den voet van den vulkaan Misti, en als met een diadeem van sneeuwbergen gekroond. Het panorama is betooverend, en kan de vergelijking met de meest beroemde stadsgezichten doorstaan.Van de smerige voorstad la Recoleta, waar dechicha-stokerijendag en nacht doorwerken, daalden wij af naar een brug met zes bogen, die naar de eigenlijke stad voert. Deze brug is meer dan honderd voeten boven de bedding van het riviertje de Chile verheven, de tweelingzuster van den Tampu, die langs Ocongate vloeit. Tijdens het smelten der sneeuw tot een geweldigen stroom aangewassen, is de Chile gedurende het overige van het jaar niets meer dan een zeer ordinaire beek, waar de waschvrouwen der stad, al zingende en kakelende, het vuile linnen komen spoelen. Iederen dag, van drie tot zes uren, kunt ge hier op de brug een aantalaficionadosvinden, die, onder voorwendsel van eene wandeling te doen, naar de brug kuieren, daar over de leuning gaan hangen en naar beneden kijken. Drie uren achtereen staan zij daar, meer of minder geestige aardigheden wisselende, en voor tijdkorting kringetjes in het water spuwende. Toen wij de brug overtrokken, was er echter geen mensch te zien; evenmin vertoonde zich eene enkele waschvrouw aan de oevers der rivier. Trouwens, hierin was niets vreemds: de klokken der stad sloegen juist twaalf uur; en op dat uur, als de zon begint te branden, houden de burgers hunne siesta in hunne woningen, en de waschvrouwen, haar linnen en zeep verlatende, gaan in de herberg een glas chicha drinken.De eerste straat, als men van de brug komt, heet decalle del Puente: een lange, smalle steeg, waar ieder huis een winkel is. Zwarte olijven, kaas, gesmolten boter in den vorm van worsten, gerookte visch, varkensvleesch, fijn gehakte salade, en in het vet drijvende koeken, zijn hier in volstrekt kunstelooze wanorde voor de blikken der voorbijgangers uitgestald. Dikke zakken met wijn en tafia gevuld, maken daartusschen eene deftige figuur. De geuren, die u uit deze winkels tegenkomen, doen een Europeaan bijna walgen, maar zijn een uitlokkend genot voor den inboorling, die door de natuur met een zeldzamen eetlust is begaafd, en met een maag, die potscherven zou kunnen verteren.Decalle del Puenteverlatende, reden wij in vollen draf deplaza Mayorvan Arequipa op, van waar in verschillende richtingen straten uitgaan. Ieder onzer moest nu eene andere richting volgen, om zijne eigene woning te bereiken; wij stonden eensklaps stil, beseffende dat het uur van scheiden eindelijk gekomen was. Mijne vrienden drukten mij de hand en omhelsden mij, meer of minder hartelijk, naar mate van de innigheid der betrekking tusschen ons. “Zult gij stellig schrijven?—Ja, zeker zal ik schrijven.”—Dit waren de laatste woorden, die wij wisselden. Een kwartier later zat ik in mijne woning, in de straat Huayna-Marca.Mijn waarde, hoog geschatte lezer, ik mag u niet uitnoodigen, in mijn salon te komen;—want ik houd er inderdaad een salon op na, met een gewelfdezoldering, waarin twee tamelijk groote gaten om licht en lucht door te laten; voorts met granieten muren van drie voet dik, licht paars geverwd, en een vloer van scherpe, witte, zwarte en blauwe steentjes;—maar die salon, anders in zijn soort merkwaardig genoeg, ligt thans geheel overhoop. De meubelen verdwijnen onder pakken en balen; de vloer staat vol kisten en koffers; alles is overdekt met een laag stof, en de spinnen, gebruik makende van mijne afwezigheid, hebben hare webben tegen de muren uitgespannen. Daar ik den lezer geen stoel kan aanbieden, en hem toch ook niet tot mijn vertrek buiten kan laten staan, is het maar het best, dat wij samen eene wandeling door de stad gaan doen, waarbij ik hem het een en ander van Arequipa kan vertellen.Wij hebben gezien dat Arequipa zijne stichting te danken heeft aan den Inca Mayta-Capac. Twee eeuwen lang werd Arequipa, toen niet meer dan een dorp, bestuurd door curacas of caciquen, die door den regeerenden Inca werden benoemd. Den 5 Juli van het jaar 1536, werd dit indiaansche dorp verwoest door Pedro Anzurez de Campo Redondo, een der vele avonturiers, die met Pizarro naar Amerika waren getogen: hij werd de stichter der nieuwe stad.Sedert dien tijd werd Arequipa achtmaal gedeeltelijk en driemaal geheel door de aardbevingen verwoest; het veranderde tweemaal van plaats. Aan deze onheilen had evenwel de Misti, aan welks voet de stad gelegen is, geen schuld; zij werden veroorzaakt door de geweldige uitbarstingen van den vulkaan Huayna-Putina, in de vallei van Moquehua, dien sommige aardrijkskundigen, doch zeer ten onrechte, naar de vallei Coripuna verplaatsen.De tegenwoordige stad, vrij onregelmatig van vorm, beslaat eene oppervlakte van ongeveer vier-en-twintigduizend vierkante ellen. Zij is in vijf wijken verdeeld, die weder in vijf-en-tachtig buurten of cuadras zijn gesplitst, en te zamen tweeduizend-vier-en zestig huizen tellen, met eene bevolking van ongeveer zeventienduizendzielen. Er zijn niet minder dan negenhonderd-acht-en-twintig herbergen: een cijfer, dat op het eerste gezicht zeer hoog schijnt, maar toch niet zoo bovenmatig is, als men bedenkt, welken hevigen dorst deze menschen, die op een vulkaan geboren worden en leven, wel voortdurend lijden moeten. De wijken Santo-Domingo, San-Francisco, la Merced, San-Agustin en Miraflores, hebben ieder hare eigene kerk en een mannenklooster; bovendien zijn er nog drie vrouwenkloosters, een begijnhof, en een huis voor geestelijke oefeningen, waar, in de heilige week, de dames van Arequipa boete komen doen en zich zelven tuchtigen.De koninklijke koerier.De koninklijke koerier.De kerken en kloosters zijn juist niet opmerkelijk door hunne architectuur: trouwens, men moest op de aardbevingen bedacht zijn. De muren bestaan slechts voor de helft uit gehouwen steen; al het overige is houtwerk, kalk of leem. De kloosters vormen altijd een meer of minder regelmatig vierkant, met een rechthoekigen binnenhof, waarop de cellen uitkomen. De kerken hebben onveranderlijk de gedaante van een oud latijnsch kruis; de meesten hebben maar een schip, zonder zijbeuken; het tonronde gewelf, hoogstens twaalf tot vijftien el hoog, rust somwijlen op bogen of op gladde muren van zeven of acht voet dikte. Uit een architectonisch oogpunt zijn deze kerken van binnen ongetwijfeld wat naakt; maar dit wordt meer dan vergoed door de versiering van den voorgevel, waarbij de bouwmeester, nu niet meer gebonden door de zorg voor de hechtheid van zijn gebouw, aan zijne fantasie den vrijen teugel heeft gelaten, en de grilligste figuren, krullen en bloemen, vazen en zuiltjes, naalden en pyramiden, zonder veel besef van kunst of schoonheid, met kwistige hand heeft aangebracht. Al die dingen, die ge eer voor het werk van een kunstdraaier dan van een beeldhouwer zoudt aanzien, zijn met witkalk bestreken; en in rechte lijn op de uitstekende lijsten geplaatst, doen zij u inderdaad denken aan ivoren schaakstukken.Maar zoo het dezen monumenten aan kunst en stijl ontbreekt, niet aan kwistige overlading van rijkdommen: altaren en beelden bezwijken schier onder de vracht van het goud, het zilver, de edelgesteenten, de kostbaarste stoffen. De Christusbeelden zijn getooid met jurken van engelsche kant, en met kronen vanacacia triacanthos, waarvan iedere doorn een smaragd is van vijf duim lengte; zij zijn met diamanten nagels aan het kruis gehecht, en stralen van robijnen moeten het uit de wonden vloeiende bloed verbeelden. De Madonnas, wier aantal nog grooter is, dragen wijde hoepelrokken en mantels van fluweel, van brokaat, van satijn;toquesmet struisvederen, tulbanden met diamantenaigretten, halssnoeren van parelen, diamanten oorhangers, ringen aan al hare vingers; en bovendien nog horloges met kettingen, prachtige armbanden enbroches, kanten zakdoeken en met goud ingelegde waaiers. Ookmet dezen opschik heeft de kunst niet veel uit te staan, evenmin als de goede smaak.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.De kerken van Arequipa, herhaalde malen verwoest en weder herbouwd, hebben nu zoo wat twee-en-een-halve eeuw gestaan. Alleen de kathedraal, die de eene zijde van de plaza Mayor inneemt, is jonger: zij is eerst voor een tiental jaren gebouwd, ter vervanging van de oude kerk, die in 1849 is afgebrand. De tegenwoordige hoofdkerk is een gebouw van ongeveer twee-honderd voeten in het vierkant, versierd met twee houten torens, die in stompe pyramiden uitloopen. Acht zware, ionisch-romeinsche kolommen en een aantal gekoppelde zuiltjes versieren den voorgevel; aan de beide uiteinden van het gebouw, dat ruim van vensters voorzien is en misschien eene hoogte van vijftig voet bereikt, bevinden zich twee zware vooruitspringende portieken. Die massieve vierkante massa, met smettelooze witkalk overpleisterd en met gom van cactus netjes glimmend gemaakt, komt wonderbaar krachtig uit tegen het diepe blauw van den bijna altijd wolkeloozen hemel.Toch blijven wij het gemis betreuren der oude kathedraal, wier grijze tint zoo wel overeenstemde met de fantastische ornamentatie, waarin de kunstenaar al den onuitputtelijken rijkdom van het grilligste vernuft had ten toon gespreid. En behalve de schatten, in hare sakristie opgestapeld, bevatte deze kerk nog een onwaardeerbaren schat in hare galerij der portretten van al de bisschoppen, bestaande uit negentien schilderijen met prachtige lijsten, die allen in den brand van 1849 zijn ondergegaan. Al de eerwaarde mannen, die sedert het jaar 1614 den herdersstaf over Arequipa hadden gevoerd, namen, naar chronologische orde, hunne plaats in deze verzameling in. Hunne beeldtenissen, ten voeten uit door inlandschekunstenaars geschilderd, hadden iets zeer eigenaardigs: de schilder, die het tweede portret had vervaardigd, had niet beter weten te doen dan zoo getrouw mogelijk het werk van zijn voorganger, den vervaardiger van het eerste portret, te kopiëeren, en dit voorbeeld was door alle latere kunstenaars gevolgd. Het resultaat was geweest, dat men een reeks portretten had gekregen, tot in de kleinste bijzonderheden zoo volkomen op elkander gelijkende, dat men bijkans waande slechts één portret te zien, negentien malen door spiegels weerkaatst! Als ik mij die kostbare collectie van negentien bisschoppen herinner, allen in leuningstoelen met vergulde griffioenen gezeten, op dezelfde wijze gedrapeerd, op dezelfde manier belicht, met hetzelfde boek in de hand, en allen met hetzelfde gezicht naar hetzelfde punt kijkende:—ja, dan kan het mij innig smarten, dat in de groote steden der peruaansche republiek de brandweer nog zoo veel te wenschen overlaat!Na de kerken komen de kloosters: plompe, smakelooze gebouwen, zonder eenige architectonische waarde hoegenaamd, en die zich alleen door een steenen kruis boven den hoofdingang, van de gewone huizen onderscheiden. Maar die naaktheid en dorheid is geen teeken van armoede; integendeel, al die kloosters zijn rijk en genieten zeer aanzienlijke inkomsten uit hunne goederen en pachthoeven. Bovendien bezitten zij meest allen groote schatten aan kostbare ornamenten, kerksieraden en edelgesteenten; terwijl ieder klooster ook een archief en eene bibliotheek heeft, waarin zeer dikwijls uiterst merkwaardige en kostbare zaken gevonden worden. Maar deze laatste schatten liggen ongebruikt: de bibliotheek is vuil en slecht onderhouden, want de monniken hebben geen tijd om zich daarmede te bemoeien. Het is ook zeer moeilijk, toegang tot die bibliotheken te verkrijgen; zonder zeer veel vermogende aanbeveling, wordt het niemand vergund, daar onderzoekingen in het werk te stellen. Daarentegen is de toegang tot den kloosterhof voor ieder geopend: van des morgens zes tot des avonds zes uur, kan men daar ongestoord gaan wandelen, lezen of zijn sigaar rooken.De kloosterlingen staan in Peru zeer hoog in aanzien. Nog altijd is daar de monnik de raadsman en vertrouweling van mannen en vrouwen, de vriend des huizes, de onmisbare gast bij alle feesten. Zijn kleed boezemt in het minst geen sombere of droefgeestige gedachten in; hij zelf maakt zich het leven dan ook zoo aangenaam mogelijk, neemt deel aan maaltijden en partijen, en overal is zijne verschijning het teeken van verhoogde vroolijkheid. De monnik is volkomen vrij in zijne bewegingen en gaat waarheen hij wil; even als de lieden van de wereld, van wie hij zich door niets dan alleen zijn kostuum onderscheidt, houdt hij receptiën; zijn cel is in een salon herschapen, waar chocolade, likeuren en taartjes gepresenteerd worden, en waar het gesprek over allerlei onderwerpen, over politiek en litteratuur, over kunst en godsdienst, loopt.In de vrouwenkloosters is de regel veel strenger; de nonnen mogen nooit, onder geen enkel voorwendsel, den drempel overschrijden van het klooster, waar zij de gelofte hebben afgelegd. Zelfs mag, in geval van ziekte, geen geneesheer haar bezoeken, dan met uitdrukkelijke vergunning van den bisschop. De eenige man, die in het klooster geduld wordt, is de tuinman. Toch lijden deze zusters geen al te treurig leven. Haar cel is een smaakvol ingericht vertrek, meer of minder rijk gemeubeld, naar gelang van het vermogen der familie, voor wier rekening al deze kosten komen. Iedere non heeft hare eigene bibliotheek, haar vogels, haar guitaar, haar eigen tuintje met fraaie en zeldzame bloemen, en in den regel ook haar hartsvriendin, die in al hare geheimen deelt, de vertrouwelinge van hare innigste gedachten. Zulk eene vriendschap, in het klooster geboren, heeft somwijlen al de teederheid, al de diepte, maar ook wel eens al het vuur en al den hartstocht eener wezenlijke liefde.Zoo deze geestelijke zusters zelven niet uit mogen gaan, is het haar wel vergund, haar bloedverwanten en vrienden van beiderlei kunne, in het klooster te ontvangen en zelfs te dejeuneeren te vragen. De maaltijd wordt dan gehouden in de spreekkamer: eene ruime, gewelfde zaal, met traliedeuren in de wanden; en de tafel wordt zoo dicht bij eene dier deuren geschoven, dat de non, achter het traliewerk gezeten, hare gasten kan zien en zich met hen onderhouden. Het gesprek loopt doorgaans over de gebeurtenissen en praatjes van den dag; over liefdes-avonturen, over huwelijken, geboorten, sterfgevallen en dergelijken, en in den regel gaat het er tamelijk vroolijk en luidruchtig toe.In een land, waar banket- en suikerbakkers nog onbekend zijn, hebben de vrouwenkloosters en vrouwenvereenigingen het monopolie van taartjes, gebak en suikergoed, dat op geen feest ontbreken mag, en waarvan dan ook de bestellingen voortdurend haar gang gaan. De zusters geven zich alle moeite om haar klanten tevreden te stellen en haar klandisie uit te breiden: en dat nog minder uit zucht tot winst, dan wel om elkander wederkeerig een vlieg af te vangen: want een feit is het, dat er tusschen de vrouwenkloosters een zeer groote jaloezie bestaat, die zich op allerlei wijzen openbaart. Ieder klooster heeft zijne eigene specialiteit van lekkernij, gebak of suikergoed, waarvoor het beroemd is. De bestellingen worden echter niet gedaan aan het klooster of de congregatie in haar geheel, maar aan deze of die zuster in het bijzonder, die, als zij de bestelde gebakjes laat bezorgen, daar tevens de rekening bijvoegt.Het feest van den beschermheilige van het klooster wordt door de nonnen met een muziekale mis en met een vuurwerk gevierd, dat, naar de zonderlinge gewoonte des lands, des morgens tusschen elf en twaalf uur wordt afgestoken. Bovendien houden zij, op sommige kerkelijke feesten, een maskerade, met begeleiding van zang en dans. Dit geschiedt onder anderen op Kerstmis. Op een tooneel wordt de geboorte des Heeren voorgesteld, door middel van geschilderde dekoratiën en papieren poppen; daarvoor plaatsen zich de nonnen, in twee groepen, die der herders en die der herderinnen, gesplitst; met begeleiding van guitaar en accordeon, voeren zij dan een beurtzang en een soort van quadrille uit. De nonnen, die de rol van herders moeten spelen, vragen, reeds dagen vooruit, aan hare mannelijkeverwanten en vrienden, hunne beste kleederen te leen, om die voor haar figuur geschikt te maken en met galons, linten en andere ornamenten op te tooien. Haar kostuum is wel niet pastoraal, noch ook zeer bijbelsch; maar op de archeologie of de uitwendige getrouwheid komt het ook niet aan.De kloosterregel, die den toegang tot de vrouwenkloosters, met uitzondering van hetlocutorio, de spreekkamer, aan het publiek ontzegt, wordt in tijden van oproer of omwenteling niet zoo streng gehandhaafd. In zulke dagen, die hier gansch geene zeldzaamheid zijn, vindt de vrouwelijke aristokratie der stad eene veilige wijkplaats in die kloosters, wier deuren dan voor haar wijd openstaan. Iedere eenigszins aanzienlijke familie spoedt zich daarheen, en brengt daar het goud- en zilverwerk, de edelgesteenten, en wat zij verder kostbaars bezitten mag en voor medenemen vatbaar is, in veiligheid. Het bijna verlaten huis wordt dan toevertrouwd aan de hoede van een vader of echtgenoot, die zich zoo goed mogelijk in staat van tegenweer stelt. Het is wel gebeurd, dat vrouwen, na een maand in het klooster te hebben vertoefd, het leven in dien gezelligen, beschaafden, rustigen kring zoo aangenaam vonden, zich daar zoo gelukkig gevoelden, dat zij zelfs weigerden naar de echtelijke woning terug te keeren.Nu wij met de kerken en kloosters afgehandeld hebben, willen wij vluchtig de stad doorwandelen, niet in de hoop monumenten te zullen vinden, want die bezit Arequipa niet, maar om een indruk te ontvangen van haar doorgaand voorkomen. Over het algemeen zijn de straten breed, goed geplaveid en rechtlijnig, voorzien van voetpaden en doorsneden van granieten gooten (acequias), waardoor beekjes van de Cordilleras met vroolijk gemurmel haar water naar de rivier voeren. De huizen gelijken allen op elkander. Zij zijn allen van steen, somwijlen van zandsteen gebouwd, met tonrond gewelf en met groote vensteropeningen, die door ijzeren tralies en binnenblinden, met zink beslagen, tegen inbraak van dieven en de kogels der opstandelingen worden beschermd. De breede gewelfde hoofdingang met zijne dubbele deur, rijkelijk met ijzeren nagels, krullen en andere versierselen beslagen, heeft iets monumentaals; twee rijtuigen kunnen hier met gemak naast elkander inrijden. De huizen hebben in den regel geen verdieping; hoogstens, in enkele gevallen, eene enkele bovenverdieping, die dan meestal onbewoond is en uitkomt op een plomp balkon, een soort van houten kast, donker rood of groen geverwd, die met losse blinden kan gesloten worden.Deze woningen hebben twee binnenplaatsen achter elkander, met kiezel geplaveid en omzoomd door breede voetpaden (veredas); de muren van de eerste binnenplaats zijn wit gepleisterd en somwijlen versierd met zeer eenvoudige tegeltjes, waarop onmogelijke landschappen, zeegevechten of tafereelen uit het Lijden zeer kunsteloos zijn voorgesteld. De receptiekamers en de slaapkamers van het gezin bevinden zich ter wederzijde van deze binnenplaats. In de meeste slaapkamers staat het bed in een breede nis van vier tot zes voet diep; een voorzorgsmaatregel tegen aardbevingen. Deze vertrekken hebben geen vensters, maar massieve dubbele deuren, van een traliewerk voorzien, waardoor licht en lucht binnen stroomt. Achter de beide binnenplaatsen is een tuin, die wederom begrensd wordt door een zeer ruim, meestal met zerken geplaveid vertrek, dat tot eetzaal dient.Pracht en weelde moet ge in deze woningen niet zoeken. Uitgezonderd in enkele huizen van vreemde kooplieden en van zeer aanzienlijke inwoners, waar althans de staatsievertrekken met papieren behangsels prijken, zijn de muren overal met kalk gewit en versierd met allerlei wonderlijke figuren, met roode of gele verf geteekend. De weinige meubelen, die ge hier vindt, zijn van tweeërlei soort: de meubelen in spaanschen stijl, die er uitzien of zij met een bijl uit een blok hout zijn gehouwen, wit of hemelsblauw geschilderd, bezaaid met rozen en madeliefjes en opgeluisterd door vergulde randen; en de meubelen in den dusgenoemden klassieken stijl van het keizerrijk: mahoniehouten kanape’s met stierenkoppen en drakenklauwen; stoelen waarvan de leuning de gedaante van een lier vertoont, gekroond met een helm of een wapentrofee; alles overtrokken met grijze of lichtbruine stof met groote rozen en bloemen.Het huiselijk leven der bewoners van Arequipa bepaalt zich, voor de vrouwen, tot gesprekken over de politiek van den dag, en voorts tot breedvoerige beschouwingen over al de nieuwtjes en praatjes van de stad, die haar trouw worden overgebracht door de cholas en chinas, negerinnen en kamermeisjes, die tot het altijd vrij talrijke dienstbodenpersoneel behooren. Sommige dames borduren, maken fijne gebakjes en sorbets klaar, of spelen op de guitaar; maar de meesten brengen de week door met begeerig uit zien naar den zondag: vooreerst om naar de mis te gaan, hetgeen altijd eene zeer aangename afleiding voor de vrouwen is; en ten anderen omdat op dien dag het plaatselijk gebruik haar vergunt, de vensters harer kamer aan straat te openen, en, op tapijten neergezeten, naar de voorbijgangers te kijken. Over het algemeen leggen de dames weinig bezoeken af; zij laten hare boodschappen overbrengen door haar kameniers, die ook nu en dan met het bezorgen van bloemen, vruchten en soortgelijke geschenken worden belast. Alleen bij zeer feestelijke gelegenheden verschijnen de dames op partijtjes.De fransche mode heerscht ook hier, maar met eenige wijzigingen, die doorgaans niet als verbeteringen kunnen worden beschouwd; bovendien zijn de dames van Arequipa steeds een zeker aantal jaren ten achteren. Maar ook zonder dat, zou de fransche kleeding haar slecht voegen: haar geheele bouw en gang passen niet bij de wonderlijke, zoo hemelsbreed van de natuur afwijkende uitmonstering eenerParisienne: jammer slechts, dat de peruaansche dames, als zoo vele anderen, niet genoeg gezond verstand en goeden smaak schijnen te bezitten om dat te begrijpen. Des zondags als zij naar de kerk gaan, zijn zij geheel in het zwart gekleed: zij dragen dan een zwart zijden japon en een mantille van dezelfde stof, met fluweel of kant versierd, die over het hoofd wordt geworpen. Deze kleeding, die zij van haar Spaansche voorouders hebbenovergenomen, staat haar allerliefst: maar zoodra de dames weer thuis zijn, haasten zij zich, haar smakeloos bonten opschik weder aan te trekken. Daar het gebruik van stoelen en banken in de kerken van Peru onbekend is, laten de dames zich een kussen of tapijt nadragen, waarop zij knielen. Die recht gedistingeerd wil zijn, houdt er een kleinen Indiaan, van zes tot tien of twaalf jaar op na, om dat tapijt te dragen. Zulk een indiaansche jongen is het meest welkome geschenk, dat een heer aan eene dame maken kan. Die kinderen worden voor een kleinigheid van hunne ouders in de Sierra-Nevada gekocht, en naar Arequipa gezonden; in de woning opgenomen, worden zij daar vertroeteld en op alle mogelijke manieren geliefkoosd, als waren zij schoothondjes of merkwaardige aapjes. Zij blijven de lievelingen en de pages der dames, tot zij te groot zijn geworden om die dubbele rol met schik te kunnen vervullen; dan worden zij naar de keuken gezonden en bij het korps der gewone bedienden ingelijfd. Somwijlen blijven zij hun leven lang in het huis; meestal echter verlaten zij het als zij volwassen zijn geworden, en zoeken elders een goed heenkomen.De heeren zijn te Arequipa tamelijk uithuizig: zij hebben ook zoo veel te doen. Hunne voornaamste bezigheid is, van het eene huis naar het andere te gaan, over politiek te praten, een oneindig aantal sigaren te rooken, nu en dan een partijtje te dobbelen; voorts siesta te houden, paard te rijden, den galant te spelen, en te droomen van de schitterende toekomst, die de republiek wacht.Een peruaansch soldaat.Een peruaansch soldaat.Maar, uit deze wijze van hun tijd te besteden moet ge niet afleiden, dat het dezen heeren aan verstand of aan kennis ontbreekt. In geenen deele! Zij hebben allen veel geleerd, indien al niet veel onthouden; theologie, rechtsgeleerdheid, burgerlijk en kanoniek recht, genees- en heelkunde—zij hebben dat alles bestudeerd, even als Faust. Deze heeren, schijnbaar met zulke nietigheden bezig, hebben in het openbaar stellingen verdedigd, en zich een diploma vandoctor-bachillerveroverd. Bovendien verstaan zij allen de kunst van verzen maken en zijn sterk inbouts-rimés,ex-tempore’s, koupletjes en strofen van allerlei aard, die zij zoo voor de vuist dichten. Indien zij zich dus voor studie of geestelijke genietingen onverschillig toonen, dan moet ge niet denken dat dit uit onwetendheid geschiedt; maar dit is veeleer een gevolg van zekere instinktieve philosophie, en vooral van die aanbiddelijke traagheid, die zij van hunne vaderen hebben overgeërfd en als een kostbaren schat bewaren. Elk denkbeeld van verandering of vooruitgang, dat hun zalige rust zou kunnen storen, is hun ondragelijk. De zedelijke en physieke werkzaamheid van den Europeaan is voor hen een even verwonderlijk verschijnsel, als het tikken van een horloge voor een wilde, dat zij niet begrijpen en ook zich niet pogen te verklaren.De wetenschappelijke inrichtingen en scholen zijn zeer talrijk te Arequipa. De medische fakulteit kan wedijveren met die van Chuquisaca in Bolivia. De universiteit van Sint-Augustinus, de twee akademiën en het College der Onafhankelijkheid, door den maarschalk Gutierrez de la Tuente gesticht, zijn allerwege beroemd. De openbare bibliotheek werd in 1821 opgericht en dankt haar ontstaan aan de ijverige pogingen van den heer Evaristo Gomez Sanchez. Zij bezit tegenwoordig negentienhonderd-vijf-en-negentig boeken, handelende over theologie en rechtsgeleerdheid, de kaart van Peru op bevel van den bevrijden Simon Bolivar vervaardigd, den Atlas van den heer de Vaugondy, hydograaf van Z. M. Lodewijk XV, een album vankarikaturenvan Gravarni, twee meteoorsteenen, een hemelglobe, een bibliothekaris en een portier. Bovendien zijn er twee drukkerijen, die ieder een dagblad in klein formaat uitgeven; een hospitaal, een vondelingenhuis en een armeninrichting.De plaza Mayor is het hart der stad. Dit plein, waarvan de noordzijde geheel door de kathedraal wordt ingenomen, wordt aan de andere zijden omgeven door open galerijen, waaronder katoenen en wollen stoffen, linten en allerlei artikelen in de open lucht zijn uitgestald. Op het midden van het plein prijkt een bronzen fontein, met drie bekkens boven elkander. Dit monument, dat vrij wel op een haspel gelijkt, wordt gekroond door een beeld van de Faam of zoo iets, wanhopend mager en in zoo stijf mogelijke houding. Deze allegorie blaast op een trompet en staart onafgewend naar de straat San Francisco.Op dit plein, waar de openbare vermakelijkheden, de revolutionnairepronunciamentosen de openbare terechtstellingen plaats grijpen, wordt ook dagelijks, van des morgens vijf tot twaalf uur, een groentenmarkt gehouden. De inlandsche bevolking, die dan hier van alle kanten uit de stad en den omtrek samenkomt, vertoontslechts twee verschillende typen. De eerste is die van den Indiaan van de kust der Stille-zee, met zijn rond gelaat, zijn platten neus, zijn dikke lippen, zijn kleine, schuine oogen; de andere is die van den Quechua, met zijn ovaal gelaat, zijne uitstekende wangbeenderen, zijn arendsneus, zijne schuine maar wijdgeopende oogen, zijn lang zacht gitzwart hair. Uit de vermenging en kruising dier twee rassen van de kust en van het gebergte zijn mettertijd een zeker aantal schakeeringen ontstaan, wier voornaamste kenmerk eene afschuwelijke leelijkheid is. De voorsteden worden voornamelijk bewoond door deze mestiezen en door de kleine burgerij, die daar handel drijft in dranken, vruchten en soortgelijke artikelen van dagelijksch gebruik.Eene indiaansche chulpa. (Bladz. 78.)Eene indiaanschechulpa. (Bladz. 78.)Ik gaf u vroeger eene beknopte beschrijving van een buitenherberg: ik mag u thans die van een herberg in de stad niet onthouden. Deze etablissementen, die alleen door Indianen encholosvan beiderlei kunne worden bezocht, zijn donkere, vuile, rookerige hokken, die alleen door de deur licht en lucht ontvangen, vol potten en kruiken van verschillende grootte en vormen; terwijl de grond bedekt is met vuil stroo, afval van groenten, beenderen en uitwerpselen van dieren, waarin kippen en indiaansche varkentjes naar hartelust rondscharrelen. Daar in deze herbergen noch stoelen noch banken te vinden zijn, gaan de klanten eenvoudig op den grond zitten, in de eene hand een schotel met fijn gemalen piment, om den dorst te prikkelen, en in de andere een pot metchicha, het uit maïs gebrouwen bier, waarvan het gebruik in 1043 in Peru werd ingevoerd door de Keizerin Mama Ocllo Huacco (letterlijk Moeder-Broeihen) de zuster en echtgenoote van den eersten Inca Manco-Capac.—Terwijl dit publiek babbelt en lacht, eet en drinkt, wordt in een hoek van de herberg weer nieuwe chicha bereid. Dit geschiedt op zeer eenvoudige en weinig kostbare wijze: eene zekere hoeveelheid gepeldemaïswordt uitgestort in een kuil van zes voet in het vierkant en een voet diep; vervolgens met een weinig water begoten, en met planken toegedekt, waarop eenige zware steenen worden gelegd; na verloop van acht dagen hebben de warmte en de vochtigheid het graan aan het gisten gebracht. Deze gegiste mais, die nu den naam van gunapo draagt, wordt uit den kuil genomen en in de zon gelegd om te drogen; is zij goed droog, dan wordt zij naar den molen gezonden, waar het zaad verbrijzeld, maar niet fijn gemalen wordt. Van den molen keert het zaad dan terug naar de chicheria, waar het in groote, met water gevulde potten een geheelen dag lang gekookt wordt. Des avonds gieten de vrouwen het drabbige vocht in een soort van groven vaatdoek, dien zij goed uitwringen; dan blijft het den nacht overstaan om af te koelen, en kan reeds den volgenden dag gedronken worden. Dit bier is een ware volksdrank, die door alle klassen gebruiktwordt, ook door de aristokratie, die hoewel zij in het openbaar dien drank versmaadt, zich daaraan toch in stilte te goed doet.Arequipa, door sommige moderne reizigers nog altijd eene bloeiende stad genoemd, met levendigen handel en uitgebreide industrie, beroemd wegens de vroolijkheid, het vernuft en den opgewekten zin harer bewoners—vertoont, het valt niet te loochenen, in dat opzicht niet meer dan de schaduw van haar vroegere heerlijkheid. De politieke omwentelingen en de vele faillissementen en financiëele tegenspoeden hebben de stad langzamerhand van haar rijkdom en welvaart beroofd, en ook een zeer noodlottigen invloed uitgeoefend op dien vroolijken frisschen zin, dien tintelenden levenslust, waardoor hare burgers zich weleer onderscheidden. Deze stad, die langen tijd, wat schittering en pracht en weelde aangaat, kon wedijveren met Lima, de stad der Koningen, is nu niet meer dan een kapel, ingesloten in de doodsche pop, hopend wachtende op de herschepping, die de toekomst haar wellicht brengen zal. Hare vroolijke schitterende feesten bestaan nog maar alleen in de herinnering: met de armoede is de zuinigheid gekomen. Slechts bij enkele gelegenheden vertoont Arequipa zich nog, voor eenige oogenblikken, in haar ouden glans, en wordt het geld met handenvol weggeworpen, ook al treurt men den volgenden dag om het verlies.Zulk eene jaarlijks wederkeerende gelegenheid biedt met name de Dingsdag voor de Vasten, de Vastenavond. Bij de feesten van dien dag spelen de eieren een hoofdrol: in die mate zelfs dat ijverige statistici hebben uitgerekend—en wat rekenen statistici al niet uit?—dat er dan in Arequipa voor meer dan achthonderdduizend francs aan eieren verdaan wordt: een cijfer, dat te meer verbazing wekt, als men bedenkt dat hier alleen van eierschalen sprake is, waaruit het wit en de dooier sinds lang zijn verdwenen. Van die schalen weten dus de vrouwenkloosters en ook vele huismoeders uitstekend partij te trekken. Zij verzamelen, het gansche jaar door, de schalen der eieren, die in de spaansch-amerikaansche keuken in zulke kolossale hoeveelheden worden gebruikt, en die dan, juist met het oog op deze latere bestemming, niet stuk geslagen, maar slechts aan het eene einde even gebroken worden. In de week, die aan het karnaval vooraf gaat, worden die opgegaarde eierschalen klaar gemaakt, waarmede drie vrouwen zich onledig houden. De eene heeft een kom met water bij zich, waarin zij gutte-gom, indigo of vermiljoen oplost; de tweede vult de eieren met die kleurstof; de derde eindelijk stopt de opening in de schaal dicht met een vierkant lapje, met eene vloeibare was besmeerd, die dadelijk hecht. Zoo klaar gemaakt, worden die eierschalen voor een cuartillo en zelfs voor een halven reaal per stuk, aan alle hoeken der straten verkocht.Nauwelijks licht de morgen van den lang verwachten Dingsdag aan, of allen, heeren en dames, kleeden zich van het hoofd tot de voeten in het wit; dan loopen zij, die het eerst bij de hand zijn, naar de nog slapende huisgenooten, om dezen hun morgengroet te brengen:—voor ditmaal hierin bestaande, dat drie of vier eieren van verschillende kleur op het gelaat van den slaper worden stuk geslagen, en hij vervolgens met meel wordt bestrooid. De aldus gewekte haast zich op zijn beurt zijn wit pak aan te schieten, wapent zich ook met eieren en meel, en tracht zich nu op ieder te wreken over de hem aangedane mishandeling.De gansche ochtend gaat daarmede voorbij. De heeren en dames in den salon, de bedienden in de keuken, gooien elkander om het hardst met eieren, en bepoederen elkaar met meel; niemand wordt bij dit spel verschoond.Die gedenkwaardige dag is bijna de eenige in het jaar, waarop de balkons der huizen geopend worden. Ten twaalf uur wordt op ieder balkon eene gansche batterij van spuiten geplaatst, en de bewoners der belendende huizen bespuiten elkaar, en werpen elkander met eieren en met papieren zakjes met meel gevuld. Inmiddels wordt het op straat steeds drukker: het volk en de burgerij kunnen het in de huizen niet langer uithouden, en stroomen de straat op, gewapend met parapluien om zich te beveiligen tegen de stortbaden van de balkons; met begeleiding van muziek en onder het uitgalmen van allerlei liederen, trekken gansche troepen, opgewonden door den drank, de straten door, zich aanstellende als bezetenen.Tegen drie uur worden een aantal oude, afgeleefde, blinde, kreupele, half lamme paarden van de Pampilla, een woestijn ten noorden van de stad, aangevoerd en op de plaza Mayor publiek verkocht. De prijs van zoo’n paard verschilt van vijf tot twaalf francs, naar gelang van den waarschijnlijken levensduur. In een oogwenk vormen zich nu ruiterbenden, die de balkons gaan belegeren, van waar het heftigst op de menigte gespoten is. Ieder ruiter neemt aan zijn arm een mandje met eieren, dat door vlugge jongens telkens weer gevuld wordt: en nu begint een geregeld gevecht tusschen de ruiters en de dames, die zich op het balkon geposteerd hebben. De ruiters werpen met eieren; de dames, met spuiten, gieters en kannen gewapend, antwoorden met stroomen min of meer helder water. Soms duurt zulk een gevecht langer dan een uur, eer een van de beide partijen het opgeeft, al druipen de mannen ook van het water, en al zijn de dames ook ontoonbaar van de eieren en het meel. Eindelijk komt een met kracht geworpen ei op het oog of den boezem van een der dames te recht, die, luid gillende, in de armen harer zusters nedervalt: dan gaat er uit de groep der ruiters een luid gejubel op; maar de dames, nu door dit verlies verbitterd, beginnen met bloempotten, scherven en met alles te werpen, wat zij grijpen en vangen kunnen, tot de mannen de wijk nemen, om elders hetzelfde spel te gaan hervatten. Dit dolle tooneel duurt zoo lang, tot de klok voor hetAngelusgeluid wordt: dan gaan allen naar huis, waar evenwel het feest wordt voortgezet tot het aanbreken van den volgenden morgen.
III.Een smal en steil pad voerde ons naar de vallei, aan den linkeroever van den Tampu, een der beide riviertjes, die haar besproeien, en dien wij, nabij het gehucht Ocongate, doorwaadden. Tot dusver had de gesteldheid van het terrein ons gedwongen, achter elkander te gaan; maar nu konden wij weder naast elkaar rijden op een breeden, goed geëffenden weg, ter wederzijde omzoomd door akkers en plantages en woningen van Indianen. Vooreerst behoefden wij nu voor geen honger of dorst meer te vreezen, noch voor een zonnesteek, noch voor vlotzand; en deze zekerheid oefende een zeer gunstigen invloed uit op de stemming onzer makkers, die steeds vroolijker werden. Ook de muilezeldrijvers lieten zich niet onbetuigd, en hieven luidkeels een beurtgezang aan, waarbij nu en dan de muildieren zelven uit al hun macht accompagneerden. Zoo bereikten wij het gehucht Sachaca, uit een vijftiental krotten of liever holen in de trachietrots, die den weg afsluit, bestaande. Naar de legende verhaalt, zou Sachaca, bij helderen maneschijn, het vereenigingspunt zijn der toovenaars, derbrujasenduendesvan den omtrek. Om aan deze nachtelijke samenkomsten een einde te maken, hebben de bewoners van Sachaca te vergeefs de hulp ingeroepen van de vermaardste duivelbanners, en boven de deuren hunner woningen kruisen en gewijde hulsttakjes geplaatst: niets baatte; de toovenaars hebben de kruisen verbrand om hun pot te koken, de hulsttakken in bezems veranderd; en ondanks de krachtigste bezweringen het veld behouden. Tegenwoordig is Sachaca een vermaledijde plek; als de vrouwen dit gehucht zien, maken zij het teeken des kruises; en geen man, tenzij hij te veel gedronken heeft, zou na middernacht hier over den weg durven gaan.Daar het nu elf uur in den morgen was, en de toovenaars zich, even als de uilen, overdag schuil houden, hielden onze muilezeldrijvers zonder aarzelen te Sachaca stil, om een kruik chicha te drinken, dat hier, naar men zegt, in voortreffelijke kwaliteit gebrouwen wordt. Onze vrienden, die zich van de waarheid van dit gerucht wilden overtuigen, lieten zich ook eenige glazen geven, en poogden mij evenzeer over te halen dien beroemden drank eens te proeven. Ik weigerde echter: niet zoo zeer uit afkeer voor dit vocht, waaraan ik in ieder geval de voorkeur geef boven bedorven water; maar omdat ik vreesde dat het bier van Sachaca, onder zoo booze invloeden gebrouwen, mij betooveren zou, en mij voor altijd zou terughouden in een streek, die ik den volgenden morgen wenschte te verlaten.De streek tusschen Sachaca en Yanahuara, ongeveer een mijl van elkander verwijderd, is allerbekoorlijkst. De maïs- klaver- en aardappelvelden; de akkers met goudgeel koren; de heldere beekjes met prachtige wilgen omzoomd; de witte, blauwe en lichtrood geschilderde huizen: dit alles vormde een geheel, dat het oog aangenaam aandeed. Hier en daar ziet ge een prieel van blonde pompoenen, waarboven een wimpel met de peruaansche kleuren wappert: een teeken, waaraan ge aanstonds de buitenherberg herkent,want de herbergen in de stad hebben geen ander uithangbord dan een bos stroo. Daar zijn eenige mannen en vrouwen, met sepia-kleurige aangezichten, met lange, loshangende haren en kakelbonte kleeding, bijeen: zij tokkelen een guitaar met drie snaren, zij blazen op een gespleten riet, zij dansen, huppelen en springen, onder luid gelach en geschreeuw, gesnap en gejoel, tot zij eindelijk gaan slapen met het hoofd in de schaduw en de voeten in de zon: groepen, waaraan een genre-schilder zijn hart zou ophalen.Even voorbij Yanahuara worden de huizen ter wederzijde van den weg steeds talrijker; de herbergen vermenigvuldigen zich, en hare witte en roode wimpels fladderen in de lucht als de vleugelen van flamingos. Troepen lamas, met gedroogde vijgen, piment, houtskool of zout beladen, banen zich een weg dwars door konvooien van ezels en muildieren. Indianen, mannen en vrouwen, loopen heen en weder, voortdurend babbelende. Hoe verder ge komt, hoe dichter de menigte wordt, hoe luider het geraas, en daar boven uit hoort ge nu en dan een verwijderd klokkenspel, dat aan het geheel iets feestelijks geeft. Alles kondigt de nabijheid van eene groote stad aan. Ge slaat een hoek om: en eensklaps ligt daar voor u, badende in licht en glans, de stad Arequipa, aan den voet van den vulkaan Misti, en als met een diadeem van sneeuwbergen gekroond. Het panorama is betooverend, en kan de vergelijking met de meest beroemde stadsgezichten doorstaan.Van de smerige voorstad la Recoleta, waar dechicha-stokerijendag en nacht doorwerken, daalden wij af naar een brug met zes bogen, die naar de eigenlijke stad voert. Deze brug is meer dan honderd voeten boven de bedding van het riviertje de Chile verheven, de tweelingzuster van den Tampu, die langs Ocongate vloeit. Tijdens het smelten der sneeuw tot een geweldigen stroom aangewassen, is de Chile gedurende het overige van het jaar niets meer dan een zeer ordinaire beek, waar de waschvrouwen der stad, al zingende en kakelende, het vuile linnen komen spoelen. Iederen dag, van drie tot zes uren, kunt ge hier op de brug een aantalaficionadosvinden, die, onder voorwendsel van eene wandeling te doen, naar de brug kuieren, daar over de leuning gaan hangen en naar beneden kijken. Drie uren achtereen staan zij daar, meer of minder geestige aardigheden wisselende, en voor tijdkorting kringetjes in het water spuwende. Toen wij de brug overtrokken, was er echter geen mensch te zien; evenmin vertoonde zich eene enkele waschvrouw aan de oevers der rivier. Trouwens, hierin was niets vreemds: de klokken der stad sloegen juist twaalf uur; en op dat uur, als de zon begint te branden, houden de burgers hunne siesta in hunne woningen, en de waschvrouwen, haar linnen en zeep verlatende, gaan in de herberg een glas chicha drinken.De eerste straat, als men van de brug komt, heet decalle del Puente: een lange, smalle steeg, waar ieder huis een winkel is. Zwarte olijven, kaas, gesmolten boter in den vorm van worsten, gerookte visch, varkensvleesch, fijn gehakte salade, en in het vet drijvende koeken, zijn hier in volstrekt kunstelooze wanorde voor de blikken der voorbijgangers uitgestald. Dikke zakken met wijn en tafia gevuld, maken daartusschen eene deftige figuur. De geuren, die u uit deze winkels tegenkomen, doen een Europeaan bijna walgen, maar zijn een uitlokkend genot voor den inboorling, die door de natuur met een zeldzamen eetlust is begaafd, en met een maag, die potscherven zou kunnen verteren.Decalle del Puenteverlatende, reden wij in vollen draf deplaza Mayorvan Arequipa op, van waar in verschillende richtingen straten uitgaan. Ieder onzer moest nu eene andere richting volgen, om zijne eigene woning te bereiken; wij stonden eensklaps stil, beseffende dat het uur van scheiden eindelijk gekomen was. Mijne vrienden drukten mij de hand en omhelsden mij, meer of minder hartelijk, naar mate van de innigheid der betrekking tusschen ons. “Zult gij stellig schrijven?—Ja, zeker zal ik schrijven.”—Dit waren de laatste woorden, die wij wisselden. Een kwartier later zat ik in mijne woning, in de straat Huayna-Marca.Mijn waarde, hoog geschatte lezer, ik mag u niet uitnoodigen, in mijn salon te komen;—want ik houd er inderdaad een salon op na, met een gewelfdezoldering, waarin twee tamelijk groote gaten om licht en lucht door te laten; voorts met granieten muren van drie voet dik, licht paars geverwd, en een vloer van scherpe, witte, zwarte en blauwe steentjes;—maar die salon, anders in zijn soort merkwaardig genoeg, ligt thans geheel overhoop. De meubelen verdwijnen onder pakken en balen; de vloer staat vol kisten en koffers; alles is overdekt met een laag stof, en de spinnen, gebruik makende van mijne afwezigheid, hebben hare webben tegen de muren uitgespannen. Daar ik den lezer geen stoel kan aanbieden, en hem toch ook niet tot mijn vertrek buiten kan laten staan, is het maar het best, dat wij samen eene wandeling door de stad gaan doen, waarbij ik hem het een en ander van Arequipa kan vertellen.Wij hebben gezien dat Arequipa zijne stichting te danken heeft aan den Inca Mayta-Capac. Twee eeuwen lang werd Arequipa, toen niet meer dan een dorp, bestuurd door curacas of caciquen, die door den regeerenden Inca werden benoemd. Den 5 Juli van het jaar 1536, werd dit indiaansche dorp verwoest door Pedro Anzurez de Campo Redondo, een der vele avonturiers, die met Pizarro naar Amerika waren getogen: hij werd de stichter der nieuwe stad.Sedert dien tijd werd Arequipa achtmaal gedeeltelijk en driemaal geheel door de aardbevingen verwoest; het veranderde tweemaal van plaats. Aan deze onheilen had evenwel de Misti, aan welks voet de stad gelegen is, geen schuld; zij werden veroorzaakt door de geweldige uitbarstingen van den vulkaan Huayna-Putina, in de vallei van Moquehua, dien sommige aardrijkskundigen, doch zeer ten onrechte, naar de vallei Coripuna verplaatsen.De tegenwoordige stad, vrij onregelmatig van vorm, beslaat eene oppervlakte van ongeveer vier-en-twintigduizend vierkante ellen. Zij is in vijf wijken verdeeld, die weder in vijf-en-tachtig buurten of cuadras zijn gesplitst, en te zamen tweeduizend-vier-en zestig huizen tellen, met eene bevolking van ongeveer zeventienduizendzielen. Er zijn niet minder dan negenhonderd-acht-en-twintig herbergen: een cijfer, dat op het eerste gezicht zeer hoog schijnt, maar toch niet zoo bovenmatig is, als men bedenkt, welken hevigen dorst deze menschen, die op een vulkaan geboren worden en leven, wel voortdurend lijden moeten. De wijken Santo-Domingo, San-Francisco, la Merced, San-Agustin en Miraflores, hebben ieder hare eigene kerk en een mannenklooster; bovendien zijn er nog drie vrouwenkloosters, een begijnhof, en een huis voor geestelijke oefeningen, waar, in de heilige week, de dames van Arequipa boete komen doen en zich zelven tuchtigen.De koninklijke koerier.De koninklijke koerier.De kerken en kloosters zijn juist niet opmerkelijk door hunne architectuur: trouwens, men moest op de aardbevingen bedacht zijn. De muren bestaan slechts voor de helft uit gehouwen steen; al het overige is houtwerk, kalk of leem. De kloosters vormen altijd een meer of minder regelmatig vierkant, met een rechthoekigen binnenhof, waarop de cellen uitkomen. De kerken hebben onveranderlijk de gedaante van een oud latijnsch kruis; de meesten hebben maar een schip, zonder zijbeuken; het tonronde gewelf, hoogstens twaalf tot vijftien el hoog, rust somwijlen op bogen of op gladde muren van zeven of acht voet dikte. Uit een architectonisch oogpunt zijn deze kerken van binnen ongetwijfeld wat naakt; maar dit wordt meer dan vergoed door de versiering van den voorgevel, waarbij de bouwmeester, nu niet meer gebonden door de zorg voor de hechtheid van zijn gebouw, aan zijne fantasie den vrijen teugel heeft gelaten, en de grilligste figuren, krullen en bloemen, vazen en zuiltjes, naalden en pyramiden, zonder veel besef van kunst of schoonheid, met kwistige hand heeft aangebracht. Al die dingen, die ge eer voor het werk van een kunstdraaier dan van een beeldhouwer zoudt aanzien, zijn met witkalk bestreken; en in rechte lijn op de uitstekende lijsten geplaatst, doen zij u inderdaad denken aan ivoren schaakstukken.Maar zoo het dezen monumenten aan kunst en stijl ontbreekt, niet aan kwistige overlading van rijkdommen: altaren en beelden bezwijken schier onder de vracht van het goud, het zilver, de edelgesteenten, de kostbaarste stoffen. De Christusbeelden zijn getooid met jurken van engelsche kant, en met kronen vanacacia triacanthos, waarvan iedere doorn een smaragd is van vijf duim lengte; zij zijn met diamanten nagels aan het kruis gehecht, en stralen van robijnen moeten het uit de wonden vloeiende bloed verbeelden. De Madonnas, wier aantal nog grooter is, dragen wijde hoepelrokken en mantels van fluweel, van brokaat, van satijn;toquesmet struisvederen, tulbanden met diamantenaigretten, halssnoeren van parelen, diamanten oorhangers, ringen aan al hare vingers; en bovendien nog horloges met kettingen, prachtige armbanden enbroches, kanten zakdoeken en met goud ingelegde waaiers. Ookmet dezen opschik heeft de kunst niet veel uit te staan, evenmin als de goede smaak.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.De kerken van Arequipa, herhaalde malen verwoest en weder herbouwd, hebben nu zoo wat twee-en-een-halve eeuw gestaan. Alleen de kathedraal, die de eene zijde van de plaza Mayor inneemt, is jonger: zij is eerst voor een tiental jaren gebouwd, ter vervanging van de oude kerk, die in 1849 is afgebrand. De tegenwoordige hoofdkerk is een gebouw van ongeveer twee-honderd voeten in het vierkant, versierd met twee houten torens, die in stompe pyramiden uitloopen. Acht zware, ionisch-romeinsche kolommen en een aantal gekoppelde zuiltjes versieren den voorgevel; aan de beide uiteinden van het gebouw, dat ruim van vensters voorzien is en misschien eene hoogte van vijftig voet bereikt, bevinden zich twee zware vooruitspringende portieken. Die massieve vierkante massa, met smettelooze witkalk overpleisterd en met gom van cactus netjes glimmend gemaakt, komt wonderbaar krachtig uit tegen het diepe blauw van den bijna altijd wolkeloozen hemel.Toch blijven wij het gemis betreuren der oude kathedraal, wier grijze tint zoo wel overeenstemde met de fantastische ornamentatie, waarin de kunstenaar al den onuitputtelijken rijkdom van het grilligste vernuft had ten toon gespreid. En behalve de schatten, in hare sakristie opgestapeld, bevatte deze kerk nog een onwaardeerbaren schat in hare galerij der portretten van al de bisschoppen, bestaande uit negentien schilderijen met prachtige lijsten, die allen in den brand van 1849 zijn ondergegaan. Al de eerwaarde mannen, die sedert het jaar 1614 den herdersstaf over Arequipa hadden gevoerd, namen, naar chronologische orde, hunne plaats in deze verzameling in. Hunne beeldtenissen, ten voeten uit door inlandschekunstenaars geschilderd, hadden iets zeer eigenaardigs: de schilder, die het tweede portret had vervaardigd, had niet beter weten te doen dan zoo getrouw mogelijk het werk van zijn voorganger, den vervaardiger van het eerste portret, te kopiëeren, en dit voorbeeld was door alle latere kunstenaars gevolgd. Het resultaat was geweest, dat men een reeks portretten had gekregen, tot in de kleinste bijzonderheden zoo volkomen op elkander gelijkende, dat men bijkans waande slechts één portret te zien, negentien malen door spiegels weerkaatst! Als ik mij die kostbare collectie van negentien bisschoppen herinner, allen in leuningstoelen met vergulde griffioenen gezeten, op dezelfde wijze gedrapeerd, op dezelfde manier belicht, met hetzelfde boek in de hand, en allen met hetzelfde gezicht naar hetzelfde punt kijkende:—ja, dan kan het mij innig smarten, dat in de groote steden der peruaansche republiek de brandweer nog zoo veel te wenschen overlaat!Na de kerken komen de kloosters: plompe, smakelooze gebouwen, zonder eenige architectonische waarde hoegenaamd, en die zich alleen door een steenen kruis boven den hoofdingang, van de gewone huizen onderscheiden. Maar die naaktheid en dorheid is geen teeken van armoede; integendeel, al die kloosters zijn rijk en genieten zeer aanzienlijke inkomsten uit hunne goederen en pachthoeven. Bovendien bezitten zij meest allen groote schatten aan kostbare ornamenten, kerksieraden en edelgesteenten; terwijl ieder klooster ook een archief en eene bibliotheek heeft, waarin zeer dikwijls uiterst merkwaardige en kostbare zaken gevonden worden. Maar deze laatste schatten liggen ongebruikt: de bibliotheek is vuil en slecht onderhouden, want de monniken hebben geen tijd om zich daarmede te bemoeien. Het is ook zeer moeilijk, toegang tot die bibliotheken te verkrijgen; zonder zeer veel vermogende aanbeveling, wordt het niemand vergund, daar onderzoekingen in het werk te stellen. Daarentegen is de toegang tot den kloosterhof voor ieder geopend: van des morgens zes tot des avonds zes uur, kan men daar ongestoord gaan wandelen, lezen of zijn sigaar rooken.De kloosterlingen staan in Peru zeer hoog in aanzien. Nog altijd is daar de monnik de raadsman en vertrouweling van mannen en vrouwen, de vriend des huizes, de onmisbare gast bij alle feesten. Zijn kleed boezemt in het minst geen sombere of droefgeestige gedachten in; hij zelf maakt zich het leven dan ook zoo aangenaam mogelijk, neemt deel aan maaltijden en partijen, en overal is zijne verschijning het teeken van verhoogde vroolijkheid. De monnik is volkomen vrij in zijne bewegingen en gaat waarheen hij wil; even als de lieden van de wereld, van wie hij zich door niets dan alleen zijn kostuum onderscheidt, houdt hij receptiën; zijn cel is in een salon herschapen, waar chocolade, likeuren en taartjes gepresenteerd worden, en waar het gesprek over allerlei onderwerpen, over politiek en litteratuur, over kunst en godsdienst, loopt.In de vrouwenkloosters is de regel veel strenger; de nonnen mogen nooit, onder geen enkel voorwendsel, den drempel overschrijden van het klooster, waar zij de gelofte hebben afgelegd. Zelfs mag, in geval van ziekte, geen geneesheer haar bezoeken, dan met uitdrukkelijke vergunning van den bisschop. De eenige man, die in het klooster geduld wordt, is de tuinman. Toch lijden deze zusters geen al te treurig leven. Haar cel is een smaakvol ingericht vertrek, meer of minder rijk gemeubeld, naar gelang van het vermogen der familie, voor wier rekening al deze kosten komen. Iedere non heeft hare eigene bibliotheek, haar vogels, haar guitaar, haar eigen tuintje met fraaie en zeldzame bloemen, en in den regel ook haar hartsvriendin, die in al hare geheimen deelt, de vertrouwelinge van hare innigste gedachten. Zulk eene vriendschap, in het klooster geboren, heeft somwijlen al de teederheid, al de diepte, maar ook wel eens al het vuur en al den hartstocht eener wezenlijke liefde.Zoo deze geestelijke zusters zelven niet uit mogen gaan, is het haar wel vergund, haar bloedverwanten en vrienden van beiderlei kunne, in het klooster te ontvangen en zelfs te dejeuneeren te vragen. De maaltijd wordt dan gehouden in de spreekkamer: eene ruime, gewelfde zaal, met traliedeuren in de wanden; en de tafel wordt zoo dicht bij eene dier deuren geschoven, dat de non, achter het traliewerk gezeten, hare gasten kan zien en zich met hen onderhouden. Het gesprek loopt doorgaans over de gebeurtenissen en praatjes van den dag; over liefdes-avonturen, over huwelijken, geboorten, sterfgevallen en dergelijken, en in den regel gaat het er tamelijk vroolijk en luidruchtig toe.In een land, waar banket- en suikerbakkers nog onbekend zijn, hebben de vrouwenkloosters en vrouwenvereenigingen het monopolie van taartjes, gebak en suikergoed, dat op geen feest ontbreken mag, en waarvan dan ook de bestellingen voortdurend haar gang gaan. De zusters geven zich alle moeite om haar klanten tevreden te stellen en haar klandisie uit te breiden: en dat nog minder uit zucht tot winst, dan wel om elkander wederkeerig een vlieg af te vangen: want een feit is het, dat er tusschen de vrouwenkloosters een zeer groote jaloezie bestaat, die zich op allerlei wijzen openbaart. Ieder klooster heeft zijne eigene specialiteit van lekkernij, gebak of suikergoed, waarvoor het beroemd is. De bestellingen worden echter niet gedaan aan het klooster of de congregatie in haar geheel, maar aan deze of die zuster in het bijzonder, die, als zij de bestelde gebakjes laat bezorgen, daar tevens de rekening bijvoegt.Het feest van den beschermheilige van het klooster wordt door de nonnen met een muziekale mis en met een vuurwerk gevierd, dat, naar de zonderlinge gewoonte des lands, des morgens tusschen elf en twaalf uur wordt afgestoken. Bovendien houden zij, op sommige kerkelijke feesten, een maskerade, met begeleiding van zang en dans. Dit geschiedt onder anderen op Kerstmis. Op een tooneel wordt de geboorte des Heeren voorgesteld, door middel van geschilderde dekoratiën en papieren poppen; daarvoor plaatsen zich de nonnen, in twee groepen, die der herders en die der herderinnen, gesplitst; met begeleiding van guitaar en accordeon, voeren zij dan een beurtzang en een soort van quadrille uit. De nonnen, die de rol van herders moeten spelen, vragen, reeds dagen vooruit, aan hare mannelijkeverwanten en vrienden, hunne beste kleederen te leen, om die voor haar figuur geschikt te maken en met galons, linten en andere ornamenten op te tooien. Haar kostuum is wel niet pastoraal, noch ook zeer bijbelsch; maar op de archeologie of de uitwendige getrouwheid komt het ook niet aan.De kloosterregel, die den toegang tot de vrouwenkloosters, met uitzondering van hetlocutorio, de spreekkamer, aan het publiek ontzegt, wordt in tijden van oproer of omwenteling niet zoo streng gehandhaafd. In zulke dagen, die hier gansch geene zeldzaamheid zijn, vindt de vrouwelijke aristokratie der stad eene veilige wijkplaats in die kloosters, wier deuren dan voor haar wijd openstaan. Iedere eenigszins aanzienlijke familie spoedt zich daarheen, en brengt daar het goud- en zilverwerk, de edelgesteenten, en wat zij verder kostbaars bezitten mag en voor medenemen vatbaar is, in veiligheid. Het bijna verlaten huis wordt dan toevertrouwd aan de hoede van een vader of echtgenoot, die zich zoo goed mogelijk in staat van tegenweer stelt. Het is wel gebeurd, dat vrouwen, na een maand in het klooster te hebben vertoefd, het leven in dien gezelligen, beschaafden, rustigen kring zoo aangenaam vonden, zich daar zoo gelukkig gevoelden, dat zij zelfs weigerden naar de echtelijke woning terug te keeren.Nu wij met de kerken en kloosters afgehandeld hebben, willen wij vluchtig de stad doorwandelen, niet in de hoop monumenten te zullen vinden, want die bezit Arequipa niet, maar om een indruk te ontvangen van haar doorgaand voorkomen. Over het algemeen zijn de straten breed, goed geplaveid en rechtlijnig, voorzien van voetpaden en doorsneden van granieten gooten (acequias), waardoor beekjes van de Cordilleras met vroolijk gemurmel haar water naar de rivier voeren. De huizen gelijken allen op elkander. Zij zijn allen van steen, somwijlen van zandsteen gebouwd, met tonrond gewelf en met groote vensteropeningen, die door ijzeren tralies en binnenblinden, met zink beslagen, tegen inbraak van dieven en de kogels der opstandelingen worden beschermd. De breede gewelfde hoofdingang met zijne dubbele deur, rijkelijk met ijzeren nagels, krullen en andere versierselen beslagen, heeft iets monumentaals; twee rijtuigen kunnen hier met gemak naast elkander inrijden. De huizen hebben in den regel geen verdieping; hoogstens, in enkele gevallen, eene enkele bovenverdieping, die dan meestal onbewoond is en uitkomt op een plomp balkon, een soort van houten kast, donker rood of groen geverwd, die met losse blinden kan gesloten worden.Deze woningen hebben twee binnenplaatsen achter elkander, met kiezel geplaveid en omzoomd door breede voetpaden (veredas); de muren van de eerste binnenplaats zijn wit gepleisterd en somwijlen versierd met zeer eenvoudige tegeltjes, waarop onmogelijke landschappen, zeegevechten of tafereelen uit het Lijden zeer kunsteloos zijn voorgesteld. De receptiekamers en de slaapkamers van het gezin bevinden zich ter wederzijde van deze binnenplaats. In de meeste slaapkamers staat het bed in een breede nis van vier tot zes voet diep; een voorzorgsmaatregel tegen aardbevingen. Deze vertrekken hebben geen vensters, maar massieve dubbele deuren, van een traliewerk voorzien, waardoor licht en lucht binnen stroomt. Achter de beide binnenplaatsen is een tuin, die wederom begrensd wordt door een zeer ruim, meestal met zerken geplaveid vertrek, dat tot eetzaal dient.Pracht en weelde moet ge in deze woningen niet zoeken. Uitgezonderd in enkele huizen van vreemde kooplieden en van zeer aanzienlijke inwoners, waar althans de staatsievertrekken met papieren behangsels prijken, zijn de muren overal met kalk gewit en versierd met allerlei wonderlijke figuren, met roode of gele verf geteekend. De weinige meubelen, die ge hier vindt, zijn van tweeërlei soort: de meubelen in spaanschen stijl, die er uitzien of zij met een bijl uit een blok hout zijn gehouwen, wit of hemelsblauw geschilderd, bezaaid met rozen en madeliefjes en opgeluisterd door vergulde randen; en de meubelen in den dusgenoemden klassieken stijl van het keizerrijk: mahoniehouten kanape’s met stierenkoppen en drakenklauwen; stoelen waarvan de leuning de gedaante van een lier vertoont, gekroond met een helm of een wapentrofee; alles overtrokken met grijze of lichtbruine stof met groote rozen en bloemen.Het huiselijk leven der bewoners van Arequipa bepaalt zich, voor de vrouwen, tot gesprekken over de politiek van den dag, en voorts tot breedvoerige beschouwingen over al de nieuwtjes en praatjes van de stad, die haar trouw worden overgebracht door de cholas en chinas, negerinnen en kamermeisjes, die tot het altijd vrij talrijke dienstbodenpersoneel behooren. Sommige dames borduren, maken fijne gebakjes en sorbets klaar, of spelen op de guitaar; maar de meesten brengen de week door met begeerig uit zien naar den zondag: vooreerst om naar de mis te gaan, hetgeen altijd eene zeer aangename afleiding voor de vrouwen is; en ten anderen omdat op dien dag het plaatselijk gebruik haar vergunt, de vensters harer kamer aan straat te openen, en, op tapijten neergezeten, naar de voorbijgangers te kijken. Over het algemeen leggen de dames weinig bezoeken af; zij laten hare boodschappen overbrengen door haar kameniers, die ook nu en dan met het bezorgen van bloemen, vruchten en soortgelijke geschenken worden belast. Alleen bij zeer feestelijke gelegenheden verschijnen de dames op partijtjes.De fransche mode heerscht ook hier, maar met eenige wijzigingen, die doorgaans niet als verbeteringen kunnen worden beschouwd; bovendien zijn de dames van Arequipa steeds een zeker aantal jaren ten achteren. Maar ook zonder dat, zou de fransche kleeding haar slecht voegen: haar geheele bouw en gang passen niet bij de wonderlijke, zoo hemelsbreed van de natuur afwijkende uitmonstering eenerParisienne: jammer slechts, dat de peruaansche dames, als zoo vele anderen, niet genoeg gezond verstand en goeden smaak schijnen te bezitten om dat te begrijpen. Des zondags als zij naar de kerk gaan, zijn zij geheel in het zwart gekleed: zij dragen dan een zwart zijden japon en een mantille van dezelfde stof, met fluweel of kant versierd, die over het hoofd wordt geworpen. Deze kleeding, die zij van haar Spaansche voorouders hebbenovergenomen, staat haar allerliefst: maar zoodra de dames weer thuis zijn, haasten zij zich, haar smakeloos bonten opschik weder aan te trekken. Daar het gebruik van stoelen en banken in de kerken van Peru onbekend is, laten de dames zich een kussen of tapijt nadragen, waarop zij knielen. Die recht gedistingeerd wil zijn, houdt er een kleinen Indiaan, van zes tot tien of twaalf jaar op na, om dat tapijt te dragen. Zulk een indiaansche jongen is het meest welkome geschenk, dat een heer aan eene dame maken kan. Die kinderen worden voor een kleinigheid van hunne ouders in de Sierra-Nevada gekocht, en naar Arequipa gezonden; in de woning opgenomen, worden zij daar vertroeteld en op alle mogelijke manieren geliefkoosd, als waren zij schoothondjes of merkwaardige aapjes. Zij blijven de lievelingen en de pages der dames, tot zij te groot zijn geworden om die dubbele rol met schik te kunnen vervullen; dan worden zij naar de keuken gezonden en bij het korps der gewone bedienden ingelijfd. Somwijlen blijven zij hun leven lang in het huis; meestal echter verlaten zij het als zij volwassen zijn geworden, en zoeken elders een goed heenkomen.De heeren zijn te Arequipa tamelijk uithuizig: zij hebben ook zoo veel te doen. Hunne voornaamste bezigheid is, van het eene huis naar het andere te gaan, over politiek te praten, een oneindig aantal sigaren te rooken, nu en dan een partijtje te dobbelen; voorts siesta te houden, paard te rijden, den galant te spelen, en te droomen van de schitterende toekomst, die de republiek wacht.Een peruaansch soldaat.Een peruaansch soldaat.Maar, uit deze wijze van hun tijd te besteden moet ge niet afleiden, dat het dezen heeren aan verstand of aan kennis ontbreekt. In geenen deele! Zij hebben allen veel geleerd, indien al niet veel onthouden; theologie, rechtsgeleerdheid, burgerlijk en kanoniek recht, genees- en heelkunde—zij hebben dat alles bestudeerd, even als Faust. Deze heeren, schijnbaar met zulke nietigheden bezig, hebben in het openbaar stellingen verdedigd, en zich een diploma vandoctor-bachillerveroverd. Bovendien verstaan zij allen de kunst van verzen maken en zijn sterk inbouts-rimés,ex-tempore’s, koupletjes en strofen van allerlei aard, die zij zoo voor de vuist dichten. Indien zij zich dus voor studie of geestelijke genietingen onverschillig toonen, dan moet ge niet denken dat dit uit onwetendheid geschiedt; maar dit is veeleer een gevolg van zekere instinktieve philosophie, en vooral van die aanbiddelijke traagheid, die zij van hunne vaderen hebben overgeërfd en als een kostbaren schat bewaren. Elk denkbeeld van verandering of vooruitgang, dat hun zalige rust zou kunnen storen, is hun ondragelijk. De zedelijke en physieke werkzaamheid van den Europeaan is voor hen een even verwonderlijk verschijnsel, als het tikken van een horloge voor een wilde, dat zij niet begrijpen en ook zich niet pogen te verklaren.De wetenschappelijke inrichtingen en scholen zijn zeer talrijk te Arequipa. De medische fakulteit kan wedijveren met die van Chuquisaca in Bolivia. De universiteit van Sint-Augustinus, de twee akademiën en het College der Onafhankelijkheid, door den maarschalk Gutierrez de la Tuente gesticht, zijn allerwege beroemd. De openbare bibliotheek werd in 1821 opgericht en dankt haar ontstaan aan de ijverige pogingen van den heer Evaristo Gomez Sanchez. Zij bezit tegenwoordig negentienhonderd-vijf-en-negentig boeken, handelende over theologie en rechtsgeleerdheid, de kaart van Peru op bevel van den bevrijden Simon Bolivar vervaardigd, den Atlas van den heer de Vaugondy, hydograaf van Z. M. Lodewijk XV, een album vankarikaturenvan Gravarni, twee meteoorsteenen, een hemelglobe, een bibliothekaris en een portier. Bovendien zijn er twee drukkerijen, die ieder een dagblad in klein formaat uitgeven; een hospitaal, een vondelingenhuis en een armeninrichting.De plaza Mayor is het hart der stad. Dit plein, waarvan de noordzijde geheel door de kathedraal wordt ingenomen, wordt aan de andere zijden omgeven door open galerijen, waaronder katoenen en wollen stoffen, linten en allerlei artikelen in de open lucht zijn uitgestald. Op het midden van het plein prijkt een bronzen fontein, met drie bekkens boven elkander. Dit monument, dat vrij wel op een haspel gelijkt, wordt gekroond door een beeld van de Faam of zoo iets, wanhopend mager en in zoo stijf mogelijke houding. Deze allegorie blaast op een trompet en staart onafgewend naar de straat San Francisco.Op dit plein, waar de openbare vermakelijkheden, de revolutionnairepronunciamentosen de openbare terechtstellingen plaats grijpen, wordt ook dagelijks, van des morgens vijf tot twaalf uur, een groentenmarkt gehouden. De inlandsche bevolking, die dan hier van alle kanten uit de stad en den omtrek samenkomt, vertoontslechts twee verschillende typen. De eerste is die van den Indiaan van de kust der Stille-zee, met zijn rond gelaat, zijn platten neus, zijn dikke lippen, zijn kleine, schuine oogen; de andere is die van den Quechua, met zijn ovaal gelaat, zijne uitstekende wangbeenderen, zijn arendsneus, zijne schuine maar wijdgeopende oogen, zijn lang zacht gitzwart hair. Uit de vermenging en kruising dier twee rassen van de kust en van het gebergte zijn mettertijd een zeker aantal schakeeringen ontstaan, wier voornaamste kenmerk eene afschuwelijke leelijkheid is. De voorsteden worden voornamelijk bewoond door deze mestiezen en door de kleine burgerij, die daar handel drijft in dranken, vruchten en soortgelijke artikelen van dagelijksch gebruik.Eene indiaansche chulpa. (Bladz. 78.)Eene indiaanschechulpa. (Bladz. 78.)Ik gaf u vroeger eene beknopte beschrijving van een buitenherberg: ik mag u thans die van een herberg in de stad niet onthouden. Deze etablissementen, die alleen door Indianen encholosvan beiderlei kunne worden bezocht, zijn donkere, vuile, rookerige hokken, die alleen door de deur licht en lucht ontvangen, vol potten en kruiken van verschillende grootte en vormen; terwijl de grond bedekt is met vuil stroo, afval van groenten, beenderen en uitwerpselen van dieren, waarin kippen en indiaansche varkentjes naar hartelust rondscharrelen. Daar in deze herbergen noch stoelen noch banken te vinden zijn, gaan de klanten eenvoudig op den grond zitten, in de eene hand een schotel met fijn gemalen piment, om den dorst te prikkelen, en in de andere een pot metchicha, het uit maïs gebrouwen bier, waarvan het gebruik in 1043 in Peru werd ingevoerd door de Keizerin Mama Ocllo Huacco (letterlijk Moeder-Broeihen) de zuster en echtgenoote van den eersten Inca Manco-Capac.—Terwijl dit publiek babbelt en lacht, eet en drinkt, wordt in een hoek van de herberg weer nieuwe chicha bereid. Dit geschiedt op zeer eenvoudige en weinig kostbare wijze: eene zekere hoeveelheid gepeldemaïswordt uitgestort in een kuil van zes voet in het vierkant en een voet diep; vervolgens met een weinig water begoten, en met planken toegedekt, waarop eenige zware steenen worden gelegd; na verloop van acht dagen hebben de warmte en de vochtigheid het graan aan het gisten gebracht. Deze gegiste mais, die nu den naam van gunapo draagt, wordt uit den kuil genomen en in de zon gelegd om te drogen; is zij goed droog, dan wordt zij naar den molen gezonden, waar het zaad verbrijzeld, maar niet fijn gemalen wordt. Van den molen keert het zaad dan terug naar de chicheria, waar het in groote, met water gevulde potten een geheelen dag lang gekookt wordt. Des avonds gieten de vrouwen het drabbige vocht in een soort van groven vaatdoek, dien zij goed uitwringen; dan blijft het den nacht overstaan om af te koelen, en kan reeds den volgenden dag gedronken worden. Dit bier is een ware volksdrank, die door alle klassen gebruiktwordt, ook door de aristokratie, die hoewel zij in het openbaar dien drank versmaadt, zich daaraan toch in stilte te goed doet.Arequipa, door sommige moderne reizigers nog altijd eene bloeiende stad genoemd, met levendigen handel en uitgebreide industrie, beroemd wegens de vroolijkheid, het vernuft en den opgewekten zin harer bewoners—vertoont, het valt niet te loochenen, in dat opzicht niet meer dan de schaduw van haar vroegere heerlijkheid. De politieke omwentelingen en de vele faillissementen en financiëele tegenspoeden hebben de stad langzamerhand van haar rijkdom en welvaart beroofd, en ook een zeer noodlottigen invloed uitgeoefend op dien vroolijken frisschen zin, dien tintelenden levenslust, waardoor hare burgers zich weleer onderscheidden. Deze stad, die langen tijd, wat schittering en pracht en weelde aangaat, kon wedijveren met Lima, de stad der Koningen, is nu niet meer dan een kapel, ingesloten in de doodsche pop, hopend wachtende op de herschepping, die de toekomst haar wellicht brengen zal. Hare vroolijke schitterende feesten bestaan nog maar alleen in de herinnering: met de armoede is de zuinigheid gekomen. Slechts bij enkele gelegenheden vertoont Arequipa zich nog, voor eenige oogenblikken, in haar ouden glans, en wordt het geld met handenvol weggeworpen, ook al treurt men den volgenden dag om het verlies.Zulk eene jaarlijks wederkeerende gelegenheid biedt met name de Dingsdag voor de Vasten, de Vastenavond. Bij de feesten van dien dag spelen de eieren een hoofdrol: in die mate zelfs dat ijverige statistici hebben uitgerekend—en wat rekenen statistici al niet uit?—dat er dan in Arequipa voor meer dan achthonderdduizend francs aan eieren verdaan wordt: een cijfer, dat te meer verbazing wekt, als men bedenkt dat hier alleen van eierschalen sprake is, waaruit het wit en de dooier sinds lang zijn verdwenen. Van die schalen weten dus de vrouwenkloosters en ook vele huismoeders uitstekend partij te trekken. Zij verzamelen, het gansche jaar door, de schalen der eieren, die in de spaansch-amerikaansche keuken in zulke kolossale hoeveelheden worden gebruikt, en die dan, juist met het oog op deze latere bestemming, niet stuk geslagen, maar slechts aan het eene einde even gebroken worden. In de week, die aan het karnaval vooraf gaat, worden die opgegaarde eierschalen klaar gemaakt, waarmede drie vrouwen zich onledig houden. De eene heeft een kom met water bij zich, waarin zij gutte-gom, indigo of vermiljoen oplost; de tweede vult de eieren met die kleurstof; de derde eindelijk stopt de opening in de schaal dicht met een vierkant lapje, met eene vloeibare was besmeerd, die dadelijk hecht. Zoo klaar gemaakt, worden die eierschalen voor een cuartillo en zelfs voor een halven reaal per stuk, aan alle hoeken der straten verkocht.Nauwelijks licht de morgen van den lang verwachten Dingsdag aan, of allen, heeren en dames, kleeden zich van het hoofd tot de voeten in het wit; dan loopen zij, die het eerst bij de hand zijn, naar de nog slapende huisgenooten, om dezen hun morgengroet te brengen:—voor ditmaal hierin bestaande, dat drie of vier eieren van verschillende kleur op het gelaat van den slaper worden stuk geslagen, en hij vervolgens met meel wordt bestrooid. De aldus gewekte haast zich op zijn beurt zijn wit pak aan te schieten, wapent zich ook met eieren en meel, en tracht zich nu op ieder te wreken over de hem aangedane mishandeling.De gansche ochtend gaat daarmede voorbij. De heeren en dames in den salon, de bedienden in de keuken, gooien elkander om het hardst met eieren, en bepoederen elkaar met meel; niemand wordt bij dit spel verschoond.Die gedenkwaardige dag is bijna de eenige in het jaar, waarop de balkons der huizen geopend worden. Ten twaalf uur wordt op ieder balkon eene gansche batterij van spuiten geplaatst, en de bewoners der belendende huizen bespuiten elkaar, en werpen elkander met eieren en met papieren zakjes met meel gevuld. Inmiddels wordt het op straat steeds drukker: het volk en de burgerij kunnen het in de huizen niet langer uithouden, en stroomen de straat op, gewapend met parapluien om zich te beveiligen tegen de stortbaden van de balkons; met begeleiding van muziek en onder het uitgalmen van allerlei liederen, trekken gansche troepen, opgewonden door den drank, de straten door, zich aanstellende als bezetenen.Tegen drie uur worden een aantal oude, afgeleefde, blinde, kreupele, half lamme paarden van de Pampilla, een woestijn ten noorden van de stad, aangevoerd en op de plaza Mayor publiek verkocht. De prijs van zoo’n paard verschilt van vijf tot twaalf francs, naar gelang van den waarschijnlijken levensduur. In een oogwenk vormen zich nu ruiterbenden, die de balkons gaan belegeren, van waar het heftigst op de menigte gespoten is. Ieder ruiter neemt aan zijn arm een mandje met eieren, dat door vlugge jongens telkens weer gevuld wordt: en nu begint een geregeld gevecht tusschen de ruiters en de dames, die zich op het balkon geposteerd hebben. De ruiters werpen met eieren; de dames, met spuiten, gieters en kannen gewapend, antwoorden met stroomen min of meer helder water. Soms duurt zulk een gevecht langer dan een uur, eer een van de beide partijen het opgeeft, al druipen de mannen ook van het water, en al zijn de dames ook ontoonbaar van de eieren en het meel. Eindelijk komt een met kracht geworpen ei op het oog of den boezem van een der dames te recht, die, luid gillende, in de armen harer zusters nedervalt: dan gaat er uit de groep der ruiters een luid gejubel op; maar de dames, nu door dit verlies verbitterd, beginnen met bloempotten, scherven en met alles te werpen, wat zij grijpen en vangen kunnen, tot de mannen de wijk nemen, om elders hetzelfde spel te gaan hervatten. Dit dolle tooneel duurt zoo lang, tot de klok voor hetAngelusgeluid wordt: dan gaan allen naar huis, waar evenwel het feest wordt voortgezet tot het aanbreken van den volgenden morgen.
III.
Een smal en steil pad voerde ons naar de vallei, aan den linkeroever van den Tampu, een der beide riviertjes, die haar besproeien, en dien wij, nabij het gehucht Ocongate, doorwaadden. Tot dusver had de gesteldheid van het terrein ons gedwongen, achter elkander te gaan; maar nu konden wij weder naast elkaar rijden op een breeden, goed geëffenden weg, ter wederzijde omzoomd door akkers en plantages en woningen van Indianen. Vooreerst behoefden wij nu voor geen honger of dorst meer te vreezen, noch voor een zonnesteek, noch voor vlotzand; en deze zekerheid oefende een zeer gunstigen invloed uit op de stemming onzer makkers, die steeds vroolijker werden. Ook de muilezeldrijvers lieten zich niet onbetuigd, en hieven luidkeels een beurtgezang aan, waarbij nu en dan de muildieren zelven uit al hun macht accompagneerden. Zoo bereikten wij het gehucht Sachaca, uit een vijftiental krotten of liever holen in de trachietrots, die den weg afsluit, bestaande. Naar de legende verhaalt, zou Sachaca, bij helderen maneschijn, het vereenigingspunt zijn der toovenaars, derbrujasenduendesvan den omtrek. Om aan deze nachtelijke samenkomsten een einde te maken, hebben de bewoners van Sachaca te vergeefs de hulp ingeroepen van de vermaardste duivelbanners, en boven de deuren hunner woningen kruisen en gewijde hulsttakjes geplaatst: niets baatte; de toovenaars hebben de kruisen verbrand om hun pot te koken, de hulsttakken in bezems veranderd; en ondanks de krachtigste bezweringen het veld behouden. Tegenwoordig is Sachaca een vermaledijde plek; als de vrouwen dit gehucht zien, maken zij het teeken des kruises; en geen man, tenzij hij te veel gedronken heeft, zou na middernacht hier over den weg durven gaan.Daar het nu elf uur in den morgen was, en de toovenaars zich, even als de uilen, overdag schuil houden, hielden onze muilezeldrijvers zonder aarzelen te Sachaca stil, om een kruik chicha te drinken, dat hier, naar men zegt, in voortreffelijke kwaliteit gebrouwen wordt. Onze vrienden, die zich van de waarheid van dit gerucht wilden overtuigen, lieten zich ook eenige glazen geven, en poogden mij evenzeer over te halen dien beroemden drank eens te proeven. Ik weigerde echter: niet zoo zeer uit afkeer voor dit vocht, waaraan ik in ieder geval de voorkeur geef boven bedorven water; maar omdat ik vreesde dat het bier van Sachaca, onder zoo booze invloeden gebrouwen, mij betooveren zou, en mij voor altijd zou terughouden in een streek, die ik den volgenden morgen wenschte te verlaten.De streek tusschen Sachaca en Yanahuara, ongeveer een mijl van elkander verwijderd, is allerbekoorlijkst. De maïs- klaver- en aardappelvelden; de akkers met goudgeel koren; de heldere beekjes met prachtige wilgen omzoomd; de witte, blauwe en lichtrood geschilderde huizen: dit alles vormde een geheel, dat het oog aangenaam aandeed. Hier en daar ziet ge een prieel van blonde pompoenen, waarboven een wimpel met de peruaansche kleuren wappert: een teeken, waaraan ge aanstonds de buitenherberg herkent,want de herbergen in de stad hebben geen ander uithangbord dan een bos stroo. Daar zijn eenige mannen en vrouwen, met sepia-kleurige aangezichten, met lange, loshangende haren en kakelbonte kleeding, bijeen: zij tokkelen een guitaar met drie snaren, zij blazen op een gespleten riet, zij dansen, huppelen en springen, onder luid gelach en geschreeuw, gesnap en gejoel, tot zij eindelijk gaan slapen met het hoofd in de schaduw en de voeten in de zon: groepen, waaraan een genre-schilder zijn hart zou ophalen.Even voorbij Yanahuara worden de huizen ter wederzijde van den weg steeds talrijker; de herbergen vermenigvuldigen zich, en hare witte en roode wimpels fladderen in de lucht als de vleugelen van flamingos. Troepen lamas, met gedroogde vijgen, piment, houtskool of zout beladen, banen zich een weg dwars door konvooien van ezels en muildieren. Indianen, mannen en vrouwen, loopen heen en weder, voortdurend babbelende. Hoe verder ge komt, hoe dichter de menigte wordt, hoe luider het geraas, en daar boven uit hoort ge nu en dan een verwijderd klokkenspel, dat aan het geheel iets feestelijks geeft. Alles kondigt de nabijheid van eene groote stad aan. Ge slaat een hoek om: en eensklaps ligt daar voor u, badende in licht en glans, de stad Arequipa, aan den voet van den vulkaan Misti, en als met een diadeem van sneeuwbergen gekroond. Het panorama is betooverend, en kan de vergelijking met de meest beroemde stadsgezichten doorstaan.Van de smerige voorstad la Recoleta, waar dechicha-stokerijendag en nacht doorwerken, daalden wij af naar een brug met zes bogen, die naar de eigenlijke stad voert. Deze brug is meer dan honderd voeten boven de bedding van het riviertje de Chile verheven, de tweelingzuster van den Tampu, die langs Ocongate vloeit. Tijdens het smelten der sneeuw tot een geweldigen stroom aangewassen, is de Chile gedurende het overige van het jaar niets meer dan een zeer ordinaire beek, waar de waschvrouwen der stad, al zingende en kakelende, het vuile linnen komen spoelen. Iederen dag, van drie tot zes uren, kunt ge hier op de brug een aantalaficionadosvinden, die, onder voorwendsel van eene wandeling te doen, naar de brug kuieren, daar over de leuning gaan hangen en naar beneden kijken. Drie uren achtereen staan zij daar, meer of minder geestige aardigheden wisselende, en voor tijdkorting kringetjes in het water spuwende. Toen wij de brug overtrokken, was er echter geen mensch te zien; evenmin vertoonde zich eene enkele waschvrouw aan de oevers der rivier. Trouwens, hierin was niets vreemds: de klokken der stad sloegen juist twaalf uur; en op dat uur, als de zon begint te branden, houden de burgers hunne siesta in hunne woningen, en de waschvrouwen, haar linnen en zeep verlatende, gaan in de herberg een glas chicha drinken.De eerste straat, als men van de brug komt, heet decalle del Puente: een lange, smalle steeg, waar ieder huis een winkel is. Zwarte olijven, kaas, gesmolten boter in den vorm van worsten, gerookte visch, varkensvleesch, fijn gehakte salade, en in het vet drijvende koeken, zijn hier in volstrekt kunstelooze wanorde voor de blikken der voorbijgangers uitgestald. Dikke zakken met wijn en tafia gevuld, maken daartusschen eene deftige figuur. De geuren, die u uit deze winkels tegenkomen, doen een Europeaan bijna walgen, maar zijn een uitlokkend genot voor den inboorling, die door de natuur met een zeldzamen eetlust is begaafd, en met een maag, die potscherven zou kunnen verteren.Decalle del Puenteverlatende, reden wij in vollen draf deplaza Mayorvan Arequipa op, van waar in verschillende richtingen straten uitgaan. Ieder onzer moest nu eene andere richting volgen, om zijne eigene woning te bereiken; wij stonden eensklaps stil, beseffende dat het uur van scheiden eindelijk gekomen was. Mijne vrienden drukten mij de hand en omhelsden mij, meer of minder hartelijk, naar mate van de innigheid der betrekking tusschen ons. “Zult gij stellig schrijven?—Ja, zeker zal ik schrijven.”—Dit waren de laatste woorden, die wij wisselden. Een kwartier later zat ik in mijne woning, in de straat Huayna-Marca.Mijn waarde, hoog geschatte lezer, ik mag u niet uitnoodigen, in mijn salon te komen;—want ik houd er inderdaad een salon op na, met een gewelfdezoldering, waarin twee tamelijk groote gaten om licht en lucht door te laten; voorts met granieten muren van drie voet dik, licht paars geverwd, en een vloer van scherpe, witte, zwarte en blauwe steentjes;—maar die salon, anders in zijn soort merkwaardig genoeg, ligt thans geheel overhoop. De meubelen verdwijnen onder pakken en balen; de vloer staat vol kisten en koffers; alles is overdekt met een laag stof, en de spinnen, gebruik makende van mijne afwezigheid, hebben hare webben tegen de muren uitgespannen. Daar ik den lezer geen stoel kan aanbieden, en hem toch ook niet tot mijn vertrek buiten kan laten staan, is het maar het best, dat wij samen eene wandeling door de stad gaan doen, waarbij ik hem het een en ander van Arequipa kan vertellen.Wij hebben gezien dat Arequipa zijne stichting te danken heeft aan den Inca Mayta-Capac. Twee eeuwen lang werd Arequipa, toen niet meer dan een dorp, bestuurd door curacas of caciquen, die door den regeerenden Inca werden benoemd. Den 5 Juli van het jaar 1536, werd dit indiaansche dorp verwoest door Pedro Anzurez de Campo Redondo, een der vele avonturiers, die met Pizarro naar Amerika waren getogen: hij werd de stichter der nieuwe stad.Sedert dien tijd werd Arequipa achtmaal gedeeltelijk en driemaal geheel door de aardbevingen verwoest; het veranderde tweemaal van plaats. Aan deze onheilen had evenwel de Misti, aan welks voet de stad gelegen is, geen schuld; zij werden veroorzaakt door de geweldige uitbarstingen van den vulkaan Huayna-Putina, in de vallei van Moquehua, dien sommige aardrijkskundigen, doch zeer ten onrechte, naar de vallei Coripuna verplaatsen.De tegenwoordige stad, vrij onregelmatig van vorm, beslaat eene oppervlakte van ongeveer vier-en-twintigduizend vierkante ellen. Zij is in vijf wijken verdeeld, die weder in vijf-en-tachtig buurten of cuadras zijn gesplitst, en te zamen tweeduizend-vier-en zestig huizen tellen, met eene bevolking van ongeveer zeventienduizendzielen. Er zijn niet minder dan negenhonderd-acht-en-twintig herbergen: een cijfer, dat op het eerste gezicht zeer hoog schijnt, maar toch niet zoo bovenmatig is, als men bedenkt, welken hevigen dorst deze menschen, die op een vulkaan geboren worden en leven, wel voortdurend lijden moeten. De wijken Santo-Domingo, San-Francisco, la Merced, San-Agustin en Miraflores, hebben ieder hare eigene kerk en een mannenklooster; bovendien zijn er nog drie vrouwenkloosters, een begijnhof, en een huis voor geestelijke oefeningen, waar, in de heilige week, de dames van Arequipa boete komen doen en zich zelven tuchtigen.De koninklijke koerier.De koninklijke koerier.De kerken en kloosters zijn juist niet opmerkelijk door hunne architectuur: trouwens, men moest op de aardbevingen bedacht zijn. De muren bestaan slechts voor de helft uit gehouwen steen; al het overige is houtwerk, kalk of leem. De kloosters vormen altijd een meer of minder regelmatig vierkant, met een rechthoekigen binnenhof, waarop de cellen uitkomen. De kerken hebben onveranderlijk de gedaante van een oud latijnsch kruis; de meesten hebben maar een schip, zonder zijbeuken; het tonronde gewelf, hoogstens twaalf tot vijftien el hoog, rust somwijlen op bogen of op gladde muren van zeven of acht voet dikte. Uit een architectonisch oogpunt zijn deze kerken van binnen ongetwijfeld wat naakt; maar dit wordt meer dan vergoed door de versiering van den voorgevel, waarbij de bouwmeester, nu niet meer gebonden door de zorg voor de hechtheid van zijn gebouw, aan zijne fantasie den vrijen teugel heeft gelaten, en de grilligste figuren, krullen en bloemen, vazen en zuiltjes, naalden en pyramiden, zonder veel besef van kunst of schoonheid, met kwistige hand heeft aangebracht. Al die dingen, die ge eer voor het werk van een kunstdraaier dan van een beeldhouwer zoudt aanzien, zijn met witkalk bestreken; en in rechte lijn op de uitstekende lijsten geplaatst, doen zij u inderdaad denken aan ivoren schaakstukken.Maar zoo het dezen monumenten aan kunst en stijl ontbreekt, niet aan kwistige overlading van rijkdommen: altaren en beelden bezwijken schier onder de vracht van het goud, het zilver, de edelgesteenten, de kostbaarste stoffen. De Christusbeelden zijn getooid met jurken van engelsche kant, en met kronen vanacacia triacanthos, waarvan iedere doorn een smaragd is van vijf duim lengte; zij zijn met diamanten nagels aan het kruis gehecht, en stralen van robijnen moeten het uit de wonden vloeiende bloed verbeelden. De Madonnas, wier aantal nog grooter is, dragen wijde hoepelrokken en mantels van fluweel, van brokaat, van satijn;toquesmet struisvederen, tulbanden met diamantenaigretten, halssnoeren van parelen, diamanten oorhangers, ringen aan al hare vingers; en bovendien nog horloges met kettingen, prachtige armbanden enbroches, kanten zakdoeken en met goud ingelegde waaiers. Ookmet dezen opschik heeft de kunst niet veel uit te staan, evenmin als de goede smaak.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.De kerken van Arequipa, herhaalde malen verwoest en weder herbouwd, hebben nu zoo wat twee-en-een-halve eeuw gestaan. Alleen de kathedraal, die de eene zijde van de plaza Mayor inneemt, is jonger: zij is eerst voor een tiental jaren gebouwd, ter vervanging van de oude kerk, die in 1849 is afgebrand. De tegenwoordige hoofdkerk is een gebouw van ongeveer twee-honderd voeten in het vierkant, versierd met twee houten torens, die in stompe pyramiden uitloopen. Acht zware, ionisch-romeinsche kolommen en een aantal gekoppelde zuiltjes versieren den voorgevel; aan de beide uiteinden van het gebouw, dat ruim van vensters voorzien is en misschien eene hoogte van vijftig voet bereikt, bevinden zich twee zware vooruitspringende portieken. Die massieve vierkante massa, met smettelooze witkalk overpleisterd en met gom van cactus netjes glimmend gemaakt, komt wonderbaar krachtig uit tegen het diepe blauw van den bijna altijd wolkeloozen hemel.Toch blijven wij het gemis betreuren der oude kathedraal, wier grijze tint zoo wel overeenstemde met de fantastische ornamentatie, waarin de kunstenaar al den onuitputtelijken rijkdom van het grilligste vernuft had ten toon gespreid. En behalve de schatten, in hare sakristie opgestapeld, bevatte deze kerk nog een onwaardeerbaren schat in hare galerij der portretten van al de bisschoppen, bestaande uit negentien schilderijen met prachtige lijsten, die allen in den brand van 1849 zijn ondergegaan. Al de eerwaarde mannen, die sedert het jaar 1614 den herdersstaf over Arequipa hadden gevoerd, namen, naar chronologische orde, hunne plaats in deze verzameling in. Hunne beeldtenissen, ten voeten uit door inlandschekunstenaars geschilderd, hadden iets zeer eigenaardigs: de schilder, die het tweede portret had vervaardigd, had niet beter weten te doen dan zoo getrouw mogelijk het werk van zijn voorganger, den vervaardiger van het eerste portret, te kopiëeren, en dit voorbeeld was door alle latere kunstenaars gevolgd. Het resultaat was geweest, dat men een reeks portretten had gekregen, tot in de kleinste bijzonderheden zoo volkomen op elkander gelijkende, dat men bijkans waande slechts één portret te zien, negentien malen door spiegels weerkaatst! Als ik mij die kostbare collectie van negentien bisschoppen herinner, allen in leuningstoelen met vergulde griffioenen gezeten, op dezelfde wijze gedrapeerd, op dezelfde manier belicht, met hetzelfde boek in de hand, en allen met hetzelfde gezicht naar hetzelfde punt kijkende:—ja, dan kan het mij innig smarten, dat in de groote steden der peruaansche republiek de brandweer nog zoo veel te wenschen overlaat!Na de kerken komen de kloosters: plompe, smakelooze gebouwen, zonder eenige architectonische waarde hoegenaamd, en die zich alleen door een steenen kruis boven den hoofdingang, van de gewone huizen onderscheiden. Maar die naaktheid en dorheid is geen teeken van armoede; integendeel, al die kloosters zijn rijk en genieten zeer aanzienlijke inkomsten uit hunne goederen en pachthoeven. Bovendien bezitten zij meest allen groote schatten aan kostbare ornamenten, kerksieraden en edelgesteenten; terwijl ieder klooster ook een archief en eene bibliotheek heeft, waarin zeer dikwijls uiterst merkwaardige en kostbare zaken gevonden worden. Maar deze laatste schatten liggen ongebruikt: de bibliotheek is vuil en slecht onderhouden, want de monniken hebben geen tijd om zich daarmede te bemoeien. Het is ook zeer moeilijk, toegang tot die bibliotheken te verkrijgen; zonder zeer veel vermogende aanbeveling, wordt het niemand vergund, daar onderzoekingen in het werk te stellen. Daarentegen is de toegang tot den kloosterhof voor ieder geopend: van des morgens zes tot des avonds zes uur, kan men daar ongestoord gaan wandelen, lezen of zijn sigaar rooken.De kloosterlingen staan in Peru zeer hoog in aanzien. Nog altijd is daar de monnik de raadsman en vertrouweling van mannen en vrouwen, de vriend des huizes, de onmisbare gast bij alle feesten. Zijn kleed boezemt in het minst geen sombere of droefgeestige gedachten in; hij zelf maakt zich het leven dan ook zoo aangenaam mogelijk, neemt deel aan maaltijden en partijen, en overal is zijne verschijning het teeken van verhoogde vroolijkheid. De monnik is volkomen vrij in zijne bewegingen en gaat waarheen hij wil; even als de lieden van de wereld, van wie hij zich door niets dan alleen zijn kostuum onderscheidt, houdt hij receptiën; zijn cel is in een salon herschapen, waar chocolade, likeuren en taartjes gepresenteerd worden, en waar het gesprek over allerlei onderwerpen, over politiek en litteratuur, over kunst en godsdienst, loopt.In de vrouwenkloosters is de regel veel strenger; de nonnen mogen nooit, onder geen enkel voorwendsel, den drempel overschrijden van het klooster, waar zij de gelofte hebben afgelegd. Zelfs mag, in geval van ziekte, geen geneesheer haar bezoeken, dan met uitdrukkelijke vergunning van den bisschop. De eenige man, die in het klooster geduld wordt, is de tuinman. Toch lijden deze zusters geen al te treurig leven. Haar cel is een smaakvol ingericht vertrek, meer of minder rijk gemeubeld, naar gelang van het vermogen der familie, voor wier rekening al deze kosten komen. Iedere non heeft hare eigene bibliotheek, haar vogels, haar guitaar, haar eigen tuintje met fraaie en zeldzame bloemen, en in den regel ook haar hartsvriendin, die in al hare geheimen deelt, de vertrouwelinge van hare innigste gedachten. Zulk eene vriendschap, in het klooster geboren, heeft somwijlen al de teederheid, al de diepte, maar ook wel eens al het vuur en al den hartstocht eener wezenlijke liefde.Zoo deze geestelijke zusters zelven niet uit mogen gaan, is het haar wel vergund, haar bloedverwanten en vrienden van beiderlei kunne, in het klooster te ontvangen en zelfs te dejeuneeren te vragen. De maaltijd wordt dan gehouden in de spreekkamer: eene ruime, gewelfde zaal, met traliedeuren in de wanden; en de tafel wordt zoo dicht bij eene dier deuren geschoven, dat de non, achter het traliewerk gezeten, hare gasten kan zien en zich met hen onderhouden. Het gesprek loopt doorgaans over de gebeurtenissen en praatjes van den dag; over liefdes-avonturen, over huwelijken, geboorten, sterfgevallen en dergelijken, en in den regel gaat het er tamelijk vroolijk en luidruchtig toe.In een land, waar banket- en suikerbakkers nog onbekend zijn, hebben de vrouwenkloosters en vrouwenvereenigingen het monopolie van taartjes, gebak en suikergoed, dat op geen feest ontbreken mag, en waarvan dan ook de bestellingen voortdurend haar gang gaan. De zusters geven zich alle moeite om haar klanten tevreden te stellen en haar klandisie uit te breiden: en dat nog minder uit zucht tot winst, dan wel om elkander wederkeerig een vlieg af te vangen: want een feit is het, dat er tusschen de vrouwenkloosters een zeer groote jaloezie bestaat, die zich op allerlei wijzen openbaart. Ieder klooster heeft zijne eigene specialiteit van lekkernij, gebak of suikergoed, waarvoor het beroemd is. De bestellingen worden echter niet gedaan aan het klooster of de congregatie in haar geheel, maar aan deze of die zuster in het bijzonder, die, als zij de bestelde gebakjes laat bezorgen, daar tevens de rekening bijvoegt.Het feest van den beschermheilige van het klooster wordt door de nonnen met een muziekale mis en met een vuurwerk gevierd, dat, naar de zonderlinge gewoonte des lands, des morgens tusschen elf en twaalf uur wordt afgestoken. Bovendien houden zij, op sommige kerkelijke feesten, een maskerade, met begeleiding van zang en dans. Dit geschiedt onder anderen op Kerstmis. Op een tooneel wordt de geboorte des Heeren voorgesteld, door middel van geschilderde dekoratiën en papieren poppen; daarvoor plaatsen zich de nonnen, in twee groepen, die der herders en die der herderinnen, gesplitst; met begeleiding van guitaar en accordeon, voeren zij dan een beurtzang en een soort van quadrille uit. De nonnen, die de rol van herders moeten spelen, vragen, reeds dagen vooruit, aan hare mannelijkeverwanten en vrienden, hunne beste kleederen te leen, om die voor haar figuur geschikt te maken en met galons, linten en andere ornamenten op te tooien. Haar kostuum is wel niet pastoraal, noch ook zeer bijbelsch; maar op de archeologie of de uitwendige getrouwheid komt het ook niet aan.De kloosterregel, die den toegang tot de vrouwenkloosters, met uitzondering van hetlocutorio, de spreekkamer, aan het publiek ontzegt, wordt in tijden van oproer of omwenteling niet zoo streng gehandhaafd. In zulke dagen, die hier gansch geene zeldzaamheid zijn, vindt de vrouwelijke aristokratie der stad eene veilige wijkplaats in die kloosters, wier deuren dan voor haar wijd openstaan. Iedere eenigszins aanzienlijke familie spoedt zich daarheen, en brengt daar het goud- en zilverwerk, de edelgesteenten, en wat zij verder kostbaars bezitten mag en voor medenemen vatbaar is, in veiligheid. Het bijna verlaten huis wordt dan toevertrouwd aan de hoede van een vader of echtgenoot, die zich zoo goed mogelijk in staat van tegenweer stelt. Het is wel gebeurd, dat vrouwen, na een maand in het klooster te hebben vertoefd, het leven in dien gezelligen, beschaafden, rustigen kring zoo aangenaam vonden, zich daar zoo gelukkig gevoelden, dat zij zelfs weigerden naar de echtelijke woning terug te keeren.Nu wij met de kerken en kloosters afgehandeld hebben, willen wij vluchtig de stad doorwandelen, niet in de hoop monumenten te zullen vinden, want die bezit Arequipa niet, maar om een indruk te ontvangen van haar doorgaand voorkomen. Over het algemeen zijn de straten breed, goed geplaveid en rechtlijnig, voorzien van voetpaden en doorsneden van granieten gooten (acequias), waardoor beekjes van de Cordilleras met vroolijk gemurmel haar water naar de rivier voeren. De huizen gelijken allen op elkander. Zij zijn allen van steen, somwijlen van zandsteen gebouwd, met tonrond gewelf en met groote vensteropeningen, die door ijzeren tralies en binnenblinden, met zink beslagen, tegen inbraak van dieven en de kogels der opstandelingen worden beschermd. De breede gewelfde hoofdingang met zijne dubbele deur, rijkelijk met ijzeren nagels, krullen en andere versierselen beslagen, heeft iets monumentaals; twee rijtuigen kunnen hier met gemak naast elkander inrijden. De huizen hebben in den regel geen verdieping; hoogstens, in enkele gevallen, eene enkele bovenverdieping, die dan meestal onbewoond is en uitkomt op een plomp balkon, een soort van houten kast, donker rood of groen geverwd, die met losse blinden kan gesloten worden.Deze woningen hebben twee binnenplaatsen achter elkander, met kiezel geplaveid en omzoomd door breede voetpaden (veredas); de muren van de eerste binnenplaats zijn wit gepleisterd en somwijlen versierd met zeer eenvoudige tegeltjes, waarop onmogelijke landschappen, zeegevechten of tafereelen uit het Lijden zeer kunsteloos zijn voorgesteld. De receptiekamers en de slaapkamers van het gezin bevinden zich ter wederzijde van deze binnenplaats. In de meeste slaapkamers staat het bed in een breede nis van vier tot zes voet diep; een voorzorgsmaatregel tegen aardbevingen. Deze vertrekken hebben geen vensters, maar massieve dubbele deuren, van een traliewerk voorzien, waardoor licht en lucht binnen stroomt. Achter de beide binnenplaatsen is een tuin, die wederom begrensd wordt door een zeer ruim, meestal met zerken geplaveid vertrek, dat tot eetzaal dient.Pracht en weelde moet ge in deze woningen niet zoeken. Uitgezonderd in enkele huizen van vreemde kooplieden en van zeer aanzienlijke inwoners, waar althans de staatsievertrekken met papieren behangsels prijken, zijn de muren overal met kalk gewit en versierd met allerlei wonderlijke figuren, met roode of gele verf geteekend. De weinige meubelen, die ge hier vindt, zijn van tweeërlei soort: de meubelen in spaanschen stijl, die er uitzien of zij met een bijl uit een blok hout zijn gehouwen, wit of hemelsblauw geschilderd, bezaaid met rozen en madeliefjes en opgeluisterd door vergulde randen; en de meubelen in den dusgenoemden klassieken stijl van het keizerrijk: mahoniehouten kanape’s met stierenkoppen en drakenklauwen; stoelen waarvan de leuning de gedaante van een lier vertoont, gekroond met een helm of een wapentrofee; alles overtrokken met grijze of lichtbruine stof met groote rozen en bloemen.Het huiselijk leven der bewoners van Arequipa bepaalt zich, voor de vrouwen, tot gesprekken over de politiek van den dag, en voorts tot breedvoerige beschouwingen over al de nieuwtjes en praatjes van de stad, die haar trouw worden overgebracht door de cholas en chinas, negerinnen en kamermeisjes, die tot het altijd vrij talrijke dienstbodenpersoneel behooren. Sommige dames borduren, maken fijne gebakjes en sorbets klaar, of spelen op de guitaar; maar de meesten brengen de week door met begeerig uit zien naar den zondag: vooreerst om naar de mis te gaan, hetgeen altijd eene zeer aangename afleiding voor de vrouwen is; en ten anderen omdat op dien dag het plaatselijk gebruik haar vergunt, de vensters harer kamer aan straat te openen, en, op tapijten neergezeten, naar de voorbijgangers te kijken. Over het algemeen leggen de dames weinig bezoeken af; zij laten hare boodschappen overbrengen door haar kameniers, die ook nu en dan met het bezorgen van bloemen, vruchten en soortgelijke geschenken worden belast. Alleen bij zeer feestelijke gelegenheden verschijnen de dames op partijtjes.De fransche mode heerscht ook hier, maar met eenige wijzigingen, die doorgaans niet als verbeteringen kunnen worden beschouwd; bovendien zijn de dames van Arequipa steeds een zeker aantal jaren ten achteren. Maar ook zonder dat, zou de fransche kleeding haar slecht voegen: haar geheele bouw en gang passen niet bij de wonderlijke, zoo hemelsbreed van de natuur afwijkende uitmonstering eenerParisienne: jammer slechts, dat de peruaansche dames, als zoo vele anderen, niet genoeg gezond verstand en goeden smaak schijnen te bezitten om dat te begrijpen. Des zondags als zij naar de kerk gaan, zijn zij geheel in het zwart gekleed: zij dragen dan een zwart zijden japon en een mantille van dezelfde stof, met fluweel of kant versierd, die over het hoofd wordt geworpen. Deze kleeding, die zij van haar Spaansche voorouders hebbenovergenomen, staat haar allerliefst: maar zoodra de dames weer thuis zijn, haasten zij zich, haar smakeloos bonten opschik weder aan te trekken. Daar het gebruik van stoelen en banken in de kerken van Peru onbekend is, laten de dames zich een kussen of tapijt nadragen, waarop zij knielen. Die recht gedistingeerd wil zijn, houdt er een kleinen Indiaan, van zes tot tien of twaalf jaar op na, om dat tapijt te dragen. Zulk een indiaansche jongen is het meest welkome geschenk, dat een heer aan eene dame maken kan. Die kinderen worden voor een kleinigheid van hunne ouders in de Sierra-Nevada gekocht, en naar Arequipa gezonden; in de woning opgenomen, worden zij daar vertroeteld en op alle mogelijke manieren geliefkoosd, als waren zij schoothondjes of merkwaardige aapjes. Zij blijven de lievelingen en de pages der dames, tot zij te groot zijn geworden om die dubbele rol met schik te kunnen vervullen; dan worden zij naar de keuken gezonden en bij het korps der gewone bedienden ingelijfd. Somwijlen blijven zij hun leven lang in het huis; meestal echter verlaten zij het als zij volwassen zijn geworden, en zoeken elders een goed heenkomen.De heeren zijn te Arequipa tamelijk uithuizig: zij hebben ook zoo veel te doen. Hunne voornaamste bezigheid is, van het eene huis naar het andere te gaan, over politiek te praten, een oneindig aantal sigaren te rooken, nu en dan een partijtje te dobbelen; voorts siesta te houden, paard te rijden, den galant te spelen, en te droomen van de schitterende toekomst, die de republiek wacht.Een peruaansch soldaat.Een peruaansch soldaat.Maar, uit deze wijze van hun tijd te besteden moet ge niet afleiden, dat het dezen heeren aan verstand of aan kennis ontbreekt. In geenen deele! Zij hebben allen veel geleerd, indien al niet veel onthouden; theologie, rechtsgeleerdheid, burgerlijk en kanoniek recht, genees- en heelkunde—zij hebben dat alles bestudeerd, even als Faust. Deze heeren, schijnbaar met zulke nietigheden bezig, hebben in het openbaar stellingen verdedigd, en zich een diploma vandoctor-bachillerveroverd. Bovendien verstaan zij allen de kunst van verzen maken en zijn sterk inbouts-rimés,ex-tempore’s, koupletjes en strofen van allerlei aard, die zij zoo voor de vuist dichten. Indien zij zich dus voor studie of geestelijke genietingen onverschillig toonen, dan moet ge niet denken dat dit uit onwetendheid geschiedt; maar dit is veeleer een gevolg van zekere instinktieve philosophie, en vooral van die aanbiddelijke traagheid, die zij van hunne vaderen hebben overgeërfd en als een kostbaren schat bewaren. Elk denkbeeld van verandering of vooruitgang, dat hun zalige rust zou kunnen storen, is hun ondragelijk. De zedelijke en physieke werkzaamheid van den Europeaan is voor hen een even verwonderlijk verschijnsel, als het tikken van een horloge voor een wilde, dat zij niet begrijpen en ook zich niet pogen te verklaren.De wetenschappelijke inrichtingen en scholen zijn zeer talrijk te Arequipa. De medische fakulteit kan wedijveren met die van Chuquisaca in Bolivia. De universiteit van Sint-Augustinus, de twee akademiën en het College der Onafhankelijkheid, door den maarschalk Gutierrez de la Tuente gesticht, zijn allerwege beroemd. De openbare bibliotheek werd in 1821 opgericht en dankt haar ontstaan aan de ijverige pogingen van den heer Evaristo Gomez Sanchez. Zij bezit tegenwoordig negentienhonderd-vijf-en-negentig boeken, handelende over theologie en rechtsgeleerdheid, de kaart van Peru op bevel van den bevrijden Simon Bolivar vervaardigd, den Atlas van den heer de Vaugondy, hydograaf van Z. M. Lodewijk XV, een album vankarikaturenvan Gravarni, twee meteoorsteenen, een hemelglobe, een bibliothekaris en een portier. Bovendien zijn er twee drukkerijen, die ieder een dagblad in klein formaat uitgeven; een hospitaal, een vondelingenhuis en een armeninrichting.De plaza Mayor is het hart der stad. Dit plein, waarvan de noordzijde geheel door de kathedraal wordt ingenomen, wordt aan de andere zijden omgeven door open galerijen, waaronder katoenen en wollen stoffen, linten en allerlei artikelen in de open lucht zijn uitgestald. Op het midden van het plein prijkt een bronzen fontein, met drie bekkens boven elkander. Dit monument, dat vrij wel op een haspel gelijkt, wordt gekroond door een beeld van de Faam of zoo iets, wanhopend mager en in zoo stijf mogelijke houding. Deze allegorie blaast op een trompet en staart onafgewend naar de straat San Francisco.Op dit plein, waar de openbare vermakelijkheden, de revolutionnairepronunciamentosen de openbare terechtstellingen plaats grijpen, wordt ook dagelijks, van des morgens vijf tot twaalf uur, een groentenmarkt gehouden. De inlandsche bevolking, die dan hier van alle kanten uit de stad en den omtrek samenkomt, vertoontslechts twee verschillende typen. De eerste is die van den Indiaan van de kust der Stille-zee, met zijn rond gelaat, zijn platten neus, zijn dikke lippen, zijn kleine, schuine oogen; de andere is die van den Quechua, met zijn ovaal gelaat, zijne uitstekende wangbeenderen, zijn arendsneus, zijne schuine maar wijdgeopende oogen, zijn lang zacht gitzwart hair. Uit de vermenging en kruising dier twee rassen van de kust en van het gebergte zijn mettertijd een zeker aantal schakeeringen ontstaan, wier voornaamste kenmerk eene afschuwelijke leelijkheid is. De voorsteden worden voornamelijk bewoond door deze mestiezen en door de kleine burgerij, die daar handel drijft in dranken, vruchten en soortgelijke artikelen van dagelijksch gebruik.Eene indiaansche chulpa. (Bladz. 78.)Eene indiaanschechulpa. (Bladz. 78.)Ik gaf u vroeger eene beknopte beschrijving van een buitenherberg: ik mag u thans die van een herberg in de stad niet onthouden. Deze etablissementen, die alleen door Indianen encholosvan beiderlei kunne worden bezocht, zijn donkere, vuile, rookerige hokken, die alleen door de deur licht en lucht ontvangen, vol potten en kruiken van verschillende grootte en vormen; terwijl de grond bedekt is met vuil stroo, afval van groenten, beenderen en uitwerpselen van dieren, waarin kippen en indiaansche varkentjes naar hartelust rondscharrelen. Daar in deze herbergen noch stoelen noch banken te vinden zijn, gaan de klanten eenvoudig op den grond zitten, in de eene hand een schotel met fijn gemalen piment, om den dorst te prikkelen, en in de andere een pot metchicha, het uit maïs gebrouwen bier, waarvan het gebruik in 1043 in Peru werd ingevoerd door de Keizerin Mama Ocllo Huacco (letterlijk Moeder-Broeihen) de zuster en echtgenoote van den eersten Inca Manco-Capac.—Terwijl dit publiek babbelt en lacht, eet en drinkt, wordt in een hoek van de herberg weer nieuwe chicha bereid. Dit geschiedt op zeer eenvoudige en weinig kostbare wijze: eene zekere hoeveelheid gepeldemaïswordt uitgestort in een kuil van zes voet in het vierkant en een voet diep; vervolgens met een weinig water begoten, en met planken toegedekt, waarop eenige zware steenen worden gelegd; na verloop van acht dagen hebben de warmte en de vochtigheid het graan aan het gisten gebracht. Deze gegiste mais, die nu den naam van gunapo draagt, wordt uit den kuil genomen en in de zon gelegd om te drogen; is zij goed droog, dan wordt zij naar den molen gezonden, waar het zaad verbrijzeld, maar niet fijn gemalen wordt. Van den molen keert het zaad dan terug naar de chicheria, waar het in groote, met water gevulde potten een geheelen dag lang gekookt wordt. Des avonds gieten de vrouwen het drabbige vocht in een soort van groven vaatdoek, dien zij goed uitwringen; dan blijft het den nacht overstaan om af te koelen, en kan reeds den volgenden dag gedronken worden. Dit bier is een ware volksdrank, die door alle klassen gebruiktwordt, ook door de aristokratie, die hoewel zij in het openbaar dien drank versmaadt, zich daaraan toch in stilte te goed doet.Arequipa, door sommige moderne reizigers nog altijd eene bloeiende stad genoemd, met levendigen handel en uitgebreide industrie, beroemd wegens de vroolijkheid, het vernuft en den opgewekten zin harer bewoners—vertoont, het valt niet te loochenen, in dat opzicht niet meer dan de schaduw van haar vroegere heerlijkheid. De politieke omwentelingen en de vele faillissementen en financiëele tegenspoeden hebben de stad langzamerhand van haar rijkdom en welvaart beroofd, en ook een zeer noodlottigen invloed uitgeoefend op dien vroolijken frisschen zin, dien tintelenden levenslust, waardoor hare burgers zich weleer onderscheidden. Deze stad, die langen tijd, wat schittering en pracht en weelde aangaat, kon wedijveren met Lima, de stad der Koningen, is nu niet meer dan een kapel, ingesloten in de doodsche pop, hopend wachtende op de herschepping, die de toekomst haar wellicht brengen zal. Hare vroolijke schitterende feesten bestaan nog maar alleen in de herinnering: met de armoede is de zuinigheid gekomen. Slechts bij enkele gelegenheden vertoont Arequipa zich nog, voor eenige oogenblikken, in haar ouden glans, en wordt het geld met handenvol weggeworpen, ook al treurt men den volgenden dag om het verlies.Zulk eene jaarlijks wederkeerende gelegenheid biedt met name de Dingsdag voor de Vasten, de Vastenavond. Bij de feesten van dien dag spelen de eieren een hoofdrol: in die mate zelfs dat ijverige statistici hebben uitgerekend—en wat rekenen statistici al niet uit?—dat er dan in Arequipa voor meer dan achthonderdduizend francs aan eieren verdaan wordt: een cijfer, dat te meer verbazing wekt, als men bedenkt dat hier alleen van eierschalen sprake is, waaruit het wit en de dooier sinds lang zijn verdwenen. Van die schalen weten dus de vrouwenkloosters en ook vele huismoeders uitstekend partij te trekken. Zij verzamelen, het gansche jaar door, de schalen der eieren, die in de spaansch-amerikaansche keuken in zulke kolossale hoeveelheden worden gebruikt, en die dan, juist met het oog op deze latere bestemming, niet stuk geslagen, maar slechts aan het eene einde even gebroken worden. In de week, die aan het karnaval vooraf gaat, worden die opgegaarde eierschalen klaar gemaakt, waarmede drie vrouwen zich onledig houden. De eene heeft een kom met water bij zich, waarin zij gutte-gom, indigo of vermiljoen oplost; de tweede vult de eieren met die kleurstof; de derde eindelijk stopt de opening in de schaal dicht met een vierkant lapje, met eene vloeibare was besmeerd, die dadelijk hecht. Zoo klaar gemaakt, worden die eierschalen voor een cuartillo en zelfs voor een halven reaal per stuk, aan alle hoeken der straten verkocht.Nauwelijks licht de morgen van den lang verwachten Dingsdag aan, of allen, heeren en dames, kleeden zich van het hoofd tot de voeten in het wit; dan loopen zij, die het eerst bij de hand zijn, naar de nog slapende huisgenooten, om dezen hun morgengroet te brengen:—voor ditmaal hierin bestaande, dat drie of vier eieren van verschillende kleur op het gelaat van den slaper worden stuk geslagen, en hij vervolgens met meel wordt bestrooid. De aldus gewekte haast zich op zijn beurt zijn wit pak aan te schieten, wapent zich ook met eieren en meel, en tracht zich nu op ieder te wreken over de hem aangedane mishandeling.De gansche ochtend gaat daarmede voorbij. De heeren en dames in den salon, de bedienden in de keuken, gooien elkander om het hardst met eieren, en bepoederen elkaar met meel; niemand wordt bij dit spel verschoond.Die gedenkwaardige dag is bijna de eenige in het jaar, waarop de balkons der huizen geopend worden. Ten twaalf uur wordt op ieder balkon eene gansche batterij van spuiten geplaatst, en de bewoners der belendende huizen bespuiten elkaar, en werpen elkander met eieren en met papieren zakjes met meel gevuld. Inmiddels wordt het op straat steeds drukker: het volk en de burgerij kunnen het in de huizen niet langer uithouden, en stroomen de straat op, gewapend met parapluien om zich te beveiligen tegen de stortbaden van de balkons; met begeleiding van muziek en onder het uitgalmen van allerlei liederen, trekken gansche troepen, opgewonden door den drank, de straten door, zich aanstellende als bezetenen.Tegen drie uur worden een aantal oude, afgeleefde, blinde, kreupele, half lamme paarden van de Pampilla, een woestijn ten noorden van de stad, aangevoerd en op de plaza Mayor publiek verkocht. De prijs van zoo’n paard verschilt van vijf tot twaalf francs, naar gelang van den waarschijnlijken levensduur. In een oogwenk vormen zich nu ruiterbenden, die de balkons gaan belegeren, van waar het heftigst op de menigte gespoten is. Ieder ruiter neemt aan zijn arm een mandje met eieren, dat door vlugge jongens telkens weer gevuld wordt: en nu begint een geregeld gevecht tusschen de ruiters en de dames, die zich op het balkon geposteerd hebben. De ruiters werpen met eieren; de dames, met spuiten, gieters en kannen gewapend, antwoorden met stroomen min of meer helder water. Soms duurt zulk een gevecht langer dan een uur, eer een van de beide partijen het opgeeft, al druipen de mannen ook van het water, en al zijn de dames ook ontoonbaar van de eieren en het meel. Eindelijk komt een met kracht geworpen ei op het oog of den boezem van een der dames te recht, die, luid gillende, in de armen harer zusters nedervalt: dan gaat er uit de groep der ruiters een luid gejubel op; maar de dames, nu door dit verlies verbitterd, beginnen met bloempotten, scherven en met alles te werpen, wat zij grijpen en vangen kunnen, tot de mannen de wijk nemen, om elders hetzelfde spel te gaan hervatten. Dit dolle tooneel duurt zoo lang, tot de klok voor hetAngelusgeluid wordt: dan gaan allen naar huis, waar evenwel het feest wordt voortgezet tot het aanbreken van den volgenden morgen.
Een smal en steil pad voerde ons naar de vallei, aan den linkeroever van den Tampu, een der beide riviertjes, die haar besproeien, en dien wij, nabij het gehucht Ocongate, doorwaadden. Tot dusver had de gesteldheid van het terrein ons gedwongen, achter elkander te gaan; maar nu konden wij weder naast elkaar rijden op een breeden, goed geëffenden weg, ter wederzijde omzoomd door akkers en plantages en woningen van Indianen. Vooreerst behoefden wij nu voor geen honger of dorst meer te vreezen, noch voor een zonnesteek, noch voor vlotzand; en deze zekerheid oefende een zeer gunstigen invloed uit op de stemming onzer makkers, die steeds vroolijker werden. Ook de muilezeldrijvers lieten zich niet onbetuigd, en hieven luidkeels een beurtgezang aan, waarbij nu en dan de muildieren zelven uit al hun macht accompagneerden. Zoo bereikten wij het gehucht Sachaca, uit een vijftiental krotten of liever holen in de trachietrots, die den weg afsluit, bestaande. Naar de legende verhaalt, zou Sachaca, bij helderen maneschijn, het vereenigingspunt zijn der toovenaars, derbrujasenduendesvan den omtrek. Om aan deze nachtelijke samenkomsten een einde te maken, hebben de bewoners van Sachaca te vergeefs de hulp ingeroepen van de vermaardste duivelbanners, en boven de deuren hunner woningen kruisen en gewijde hulsttakjes geplaatst: niets baatte; de toovenaars hebben de kruisen verbrand om hun pot te koken, de hulsttakken in bezems veranderd; en ondanks de krachtigste bezweringen het veld behouden. Tegenwoordig is Sachaca een vermaledijde plek; als de vrouwen dit gehucht zien, maken zij het teeken des kruises; en geen man, tenzij hij te veel gedronken heeft, zou na middernacht hier over den weg durven gaan.
Daar het nu elf uur in den morgen was, en de toovenaars zich, even als de uilen, overdag schuil houden, hielden onze muilezeldrijvers zonder aarzelen te Sachaca stil, om een kruik chicha te drinken, dat hier, naar men zegt, in voortreffelijke kwaliteit gebrouwen wordt. Onze vrienden, die zich van de waarheid van dit gerucht wilden overtuigen, lieten zich ook eenige glazen geven, en poogden mij evenzeer over te halen dien beroemden drank eens te proeven. Ik weigerde echter: niet zoo zeer uit afkeer voor dit vocht, waaraan ik in ieder geval de voorkeur geef boven bedorven water; maar omdat ik vreesde dat het bier van Sachaca, onder zoo booze invloeden gebrouwen, mij betooveren zou, en mij voor altijd zou terughouden in een streek, die ik den volgenden morgen wenschte te verlaten.
De streek tusschen Sachaca en Yanahuara, ongeveer een mijl van elkander verwijderd, is allerbekoorlijkst. De maïs- klaver- en aardappelvelden; de akkers met goudgeel koren; de heldere beekjes met prachtige wilgen omzoomd; de witte, blauwe en lichtrood geschilderde huizen: dit alles vormde een geheel, dat het oog aangenaam aandeed. Hier en daar ziet ge een prieel van blonde pompoenen, waarboven een wimpel met de peruaansche kleuren wappert: een teeken, waaraan ge aanstonds de buitenherberg herkent,want de herbergen in de stad hebben geen ander uithangbord dan een bos stroo. Daar zijn eenige mannen en vrouwen, met sepia-kleurige aangezichten, met lange, loshangende haren en kakelbonte kleeding, bijeen: zij tokkelen een guitaar met drie snaren, zij blazen op een gespleten riet, zij dansen, huppelen en springen, onder luid gelach en geschreeuw, gesnap en gejoel, tot zij eindelijk gaan slapen met het hoofd in de schaduw en de voeten in de zon: groepen, waaraan een genre-schilder zijn hart zou ophalen.
Even voorbij Yanahuara worden de huizen ter wederzijde van den weg steeds talrijker; de herbergen vermenigvuldigen zich, en hare witte en roode wimpels fladderen in de lucht als de vleugelen van flamingos. Troepen lamas, met gedroogde vijgen, piment, houtskool of zout beladen, banen zich een weg dwars door konvooien van ezels en muildieren. Indianen, mannen en vrouwen, loopen heen en weder, voortdurend babbelende. Hoe verder ge komt, hoe dichter de menigte wordt, hoe luider het geraas, en daar boven uit hoort ge nu en dan een verwijderd klokkenspel, dat aan het geheel iets feestelijks geeft. Alles kondigt de nabijheid van eene groote stad aan. Ge slaat een hoek om: en eensklaps ligt daar voor u, badende in licht en glans, de stad Arequipa, aan den voet van den vulkaan Misti, en als met een diadeem van sneeuwbergen gekroond. Het panorama is betooverend, en kan de vergelijking met de meest beroemde stadsgezichten doorstaan.
Van de smerige voorstad la Recoleta, waar dechicha-stokerijendag en nacht doorwerken, daalden wij af naar een brug met zes bogen, die naar de eigenlijke stad voert. Deze brug is meer dan honderd voeten boven de bedding van het riviertje de Chile verheven, de tweelingzuster van den Tampu, die langs Ocongate vloeit. Tijdens het smelten der sneeuw tot een geweldigen stroom aangewassen, is de Chile gedurende het overige van het jaar niets meer dan een zeer ordinaire beek, waar de waschvrouwen der stad, al zingende en kakelende, het vuile linnen komen spoelen. Iederen dag, van drie tot zes uren, kunt ge hier op de brug een aantalaficionadosvinden, die, onder voorwendsel van eene wandeling te doen, naar de brug kuieren, daar over de leuning gaan hangen en naar beneden kijken. Drie uren achtereen staan zij daar, meer of minder geestige aardigheden wisselende, en voor tijdkorting kringetjes in het water spuwende. Toen wij de brug overtrokken, was er echter geen mensch te zien; evenmin vertoonde zich eene enkele waschvrouw aan de oevers der rivier. Trouwens, hierin was niets vreemds: de klokken der stad sloegen juist twaalf uur; en op dat uur, als de zon begint te branden, houden de burgers hunne siesta in hunne woningen, en de waschvrouwen, haar linnen en zeep verlatende, gaan in de herberg een glas chicha drinken.
De eerste straat, als men van de brug komt, heet decalle del Puente: een lange, smalle steeg, waar ieder huis een winkel is. Zwarte olijven, kaas, gesmolten boter in den vorm van worsten, gerookte visch, varkensvleesch, fijn gehakte salade, en in het vet drijvende koeken, zijn hier in volstrekt kunstelooze wanorde voor de blikken der voorbijgangers uitgestald. Dikke zakken met wijn en tafia gevuld, maken daartusschen eene deftige figuur. De geuren, die u uit deze winkels tegenkomen, doen een Europeaan bijna walgen, maar zijn een uitlokkend genot voor den inboorling, die door de natuur met een zeldzamen eetlust is begaafd, en met een maag, die potscherven zou kunnen verteren.
Decalle del Puenteverlatende, reden wij in vollen draf deplaza Mayorvan Arequipa op, van waar in verschillende richtingen straten uitgaan. Ieder onzer moest nu eene andere richting volgen, om zijne eigene woning te bereiken; wij stonden eensklaps stil, beseffende dat het uur van scheiden eindelijk gekomen was. Mijne vrienden drukten mij de hand en omhelsden mij, meer of minder hartelijk, naar mate van de innigheid der betrekking tusschen ons. “Zult gij stellig schrijven?—Ja, zeker zal ik schrijven.”—Dit waren de laatste woorden, die wij wisselden. Een kwartier later zat ik in mijne woning, in de straat Huayna-Marca.
Mijn waarde, hoog geschatte lezer, ik mag u niet uitnoodigen, in mijn salon te komen;—want ik houd er inderdaad een salon op na, met een gewelfdezoldering, waarin twee tamelijk groote gaten om licht en lucht door te laten; voorts met granieten muren van drie voet dik, licht paars geverwd, en een vloer van scherpe, witte, zwarte en blauwe steentjes;—maar die salon, anders in zijn soort merkwaardig genoeg, ligt thans geheel overhoop. De meubelen verdwijnen onder pakken en balen; de vloer staat vol kisten en koffers; alles is overdekt met een laag stof, en de spinnen, gebruik makende van mijne afwezigheid, hebben hare webben tegen de muren uitgespannen. Daar ik den lezer geen stoel kan aanbieden, en hem toch ook niet tot mijn vertrek buiten kan laten staan, is het maar het best, dat wij samen eene wandeling door de stad gaan doen, waarbij ik hem het een en ander van Arequipa kan vertellen.
Wij hebben gezien dat Arequipa zijne stichting te danken heeft aan den Inca Mayta-Capac. Twee eeuwen lang werd Arequipa, toen niet meer dan een dorp, bestuurd door curacas of caciquen, die door den regeerenden Inca werden benoemd. Den 5 Juli van het jaar 1536, werd dit indiaansche dorp verwoest door Pedro Anzurez de Campo Redondo, een der vele avonturiers, die met Pizarro naar Amerika waren getogen: hij werd de stichter der nieuwe stad.
Sedert dien tijd werd Arequipa achtmaal gedeeltelijk en driemaal geheel door de aardbevingen verwoest; het veranderde tweemaal van plaats. Aan deze onheilen had evenwel de Misti, aan welks voet de stad gelegen is, geen schuld; zij werden veroorzaakt door de geweldige uitbarstingen van den vulkaan Huayna-Putina, in de vallei van Moquehua, dien sommige aardrijkskundigen, doch zeer ten onrechte, naar de vallei Coripuna verplaatsen.
De tegenwoordige stad, vrij onregelmatig van vorm, beslaat eene oppervlakte van ongeveer vier-en-twintigduizend vierkante ellen. Zij is in vijf wijken verdeeld, die weder in vijf-en-tachtig buurten of cuadras zijn gesplitst, en te zamen tweeduizend-vier-en zestig huizen tellen, met eene bevolking van ongeveer zeventienduizendzielen. Er zijn niet minder dan negenhonderd-acht-en-twintig herbergen: een cijfer, dat op het eerste gezicht zeer hoog schijnt, maar toch niet zoo bovenmatig is, als men bedenkt, welken hevigen dorst deze menschen, die op een vulkaan geboren worden en leven, wel voortdurend lijden moeten. De wijken Santo-Domingo, San-Francisco, la Merced, San-Agustin en Miraflores, hebben ieder hare eigene kerk en een mannenklooster; bovendien zijn er nog drie vrouwenkloosters, een begijnhof, en een huis voor geestelijke oefeningen, waar, in de heilige week, de dames van Arequipa boete komen doen en zich zelven tuchtigen.
De koninklijke koerier.De koninklijke koerier.
De koninklijke koerier.
De kerken en kloosters zijn juist niet opmerkelijk door hunne architectuur: trouwens, men moest op de aardbevingen bedacht zijn. De muren bestaan slechts voor de helft uit gehouwen steen; al het overige is houtwerk, kalk of leem. De kloosters vormen altijd een meer of minder regelmatig vierkant, met een rechthoekigen binnenhof, waarop de cellen uitkomen. De kerken hebben onveranderlijk de gedaante van een oud latijnsch kruis; de meesten hebben maar een schip, zonder zijbeuken; het tonronde gewelf, hoogstens twaalf tot vijftien el hoog, rust somwijlen op bogen of op gladde muren van zeven of acht voet dikte. Uit een architectonisch oogpunt zijn deze kerken van binnen ongetwijfeld wat naakt; maar dit wordt meer dan vergoed door de versiering van den voorgevel, waarbij de bouwmeester, nu niet meer gebonden door de zorg voor de hechtheid van zijn gebouw, aan zijne fantasie den vrijen teugel heeft gelaten, en de grilligste figuren, krullen en bloemen, vazen en zuiltjes, naalden en pyramiden, zonder veel besef van kunst of schoonheid, met kwistige hand heeft aangebracht. Al die dingen, die ge eer voor het werk van een kunstdraaier dan van een beeldhouwer zoudt aanzien, zijn met witkalk bestreken; en in rechte lijn op de uitstekende lijsten geplaatst, doen zij u inderdaad denken aan ivoren schaakstukken.
Maar zoo het dezen monumenten aan kunst en stijl ontbreekt, niet aan kwistige overlading van rijkdommen: altaren en beelden bezwijken schier onder de vracht van het goud, het zilver, de edelgesteenten, de kostbaarste stoffen. De Christusbeelden zijn getooid met jurken van engelsche kant, en met kronen vanacacia triacanthos, waarvan iedere doorn een smaragd is van vijf duim lengte; zij zijn met diamanten nagels aan het kruis gehecht, en stralen van robijnen moeten het uit de wonden vloeiende bloed verbeelden. De Madonnas, wier aantal nog grooter is, dragen wijde hoepelrokken en mantels van fluweel, van brokaat, van satijn;toquesmet struisvederen, tulbanden met diamantenaigretten, halssnoeren van parelen, diamanten oorhangers, ringen aan al hare vingers; en bovendien nog horloges met kettingen, prachtige armbanden enbroches, kanten zakdoeken en met goud ingelegde waaiers. Ookmet dezen opschik heeft de kunst niet veel uit te staan, evenmin als de goede smaak.
Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.
Dame van Arequipa, naar de kerk gaande.
De kerken van Arequipa, herhaalde malen verwoest en weder herbouwd, hebben nu zoo wat twee-en-een-halve eeuw gestaan. Alleen de kathedraal, die de eene zijde van de plaza Mayor inneemt, is jonger: zij is eerst voor een tiental jaren gebouwd, ter vervanging van de oude kerk, die in 1849 is afgebrand. De tegenwoordige hoofdkerk is een gebouw van ongeveer twee-honderd voeten in het vierkant, versierd met twee houten torens, die in stompe pyramiden uitloopen. Acht zware, ionisch-romeinsche kolommen en een aantal gekoppelde zuiltjes versieren den voorgevel; aan de beide uiteinden van het gebouw, dat ruim van vensters voorzien is en misschien eene hoogte van vijftig voet bereikt, bevinden zich twee zware vooruitspringende portieken. Die massieve vierkante massa, met smettelooze witkalk overpleisterd en met gom van cactus netjes glimmend gemaakt, komt wonderbaar krachtig uit tegen het diepe blauw van den bijna altijd wolkeloozen hemel.
Toch blijven wij het gemis betreuren der oude kathedraal, wier grijze tint zoo wel overeenstemde met de fantastische ornamentatie, waarin de kunstenaar al den onuitputtelijken rijkdom van het grilligste vernuft had ten toon gespreid. En behalve de schatten, in hare sakristie opgestapeld, bevatte deze kerk nog een onwaardeerbaren schat in hare galerij der portretten van al de bisschoppen, bestaande uit negentien schilderijen met prachtige lijsten, die allen in den brand van 1849 zijn ondergegaan. Al de eerwaarde mannen, die sedert het jaar 1614 den herdersstaf over Arequipa hadden gevoerd, namen, naar chronologische orde, hunne plaats in deze verzameling in. Hunne beeldtenissen, ten voeten uit door inlandschekunstenaars geschilderd, hadden iets zeer eigenaardigs: de schilder, die het tweede portret had vervaardigd, had niet beter weten te doen dan zoo getrouw mogelijk het werk van zijn voorganger, den vervaardiger van het eerste portret, te kopiëeren, en dit voorbeeld was door alle latere kunstenaars gevolgd. Het resultaat was geweest, dat men een reeks portretten had gekregen, tot in de kleinste bijzonderheden zoo volkomen op elkander gelijkende, dat men bijkans waande slechts één portret te zien, negentien malen door spiegels weerkaatst! Als ik mij die kostbare collectie van negentien bisschoppen herinner, allen in leuningstoelen met vergulde griffioenen gezeten, op dezelfde wijze gedrapeerd, op dezelfde manier belicht, met hetzelfde boek in de hand, en allen met hetzelfde gezicht naar hetzelfde punt kijkende:—ja, dan kan het mij innig smarten, dat in de groote steden der peruaansche republiek de brandweer nog zoo veel te wenschen overlaat!
Na de kerken komen de kloosters: plompe, smakelooze gebouwen, zonder eenige architectonische waarde hoegenaamd, en die zich alleen door een steenen kruis boven den hoofdingang, van de gewone huizen onderscheiden. Maar die naaktheid en dorheid is geen teeken van armoede; integendeel, al die kloosters zijn rijk en genieten zeer aanzienlijke inkomsten uit hunne goederen en pachthoeven. Bovendien bezitten zij meest allen groote schatten aan kostbare ornamenten, kerksieraden en edelgesteenten; terwijl ieder klooster ook een archief en eene bibliotheek heeft, waarin zeer dikwijls uiterst merkwaardige en kostbare zaken gevonden worden. Maar deze laatste schatten liggen ongebruikt: de bibliotheek is vuil en slecht onderhouden, want de monniken hebben geen tijd om zich daarmede te bemoeien. Het is ook zeer moeilijk, toegang tot die bibliotheken te verkrijgen; zonder zeer veel vermogende aanbeveling, wordt het niemand vergund, daar onderzoekingen in het werk te stellen. Daarentegen is de toegang tot den kloosterhof voor ieder geopend: van des morgens zes tot des avonds zes uur, kan men daar ongestoord gaan wandelen, lezen of zijn sigaar rooken.
De kloosterlingen staan in Peru zeer hoog in aanzien. Nog altijd is daar de monnik de raadsman en vertrouweling van mannen en vrouwen, de vriend des huizes, de onmisbare gast bij alle feesten. Zijn kleed boezemt in het minst geen sombere of droefgeestige gedachten in; hij zelf maakt zich het leven dan ook zoo aangenaam mogelijk, neemt deel aan maaltijden en partijen, en overal is zijne verschijning het teeken van verhoogde vroolijkheid. De monnik is volkomen vrij in zijne bewegingen en gaat waarheen hij wil; even als de lieden van de wereld, van wie hij zich door niets dan alleen zijn kostuum onderscheidt, houdt hij receptiën; zijn cel is in een salon herschapen, waar chocolade, likeuren en taartjes gepresenteerd worden, en waar het gesprek over allerlei onderwerpen, over politiek en litteratuur, over kunst en godsdienst, loopt.
In de vrouwenkloosters is de regel veel strenger; de nonnen mogen nooit, onder geen enkel voorwendsel, den drempel overschrijden van het klooster, waar zij de gelofte hebben afgelegd. Zelfs mag, in geval van ziekte, geen geneesheer haar bezoeken, dan met uitdrukkelijke vergunning van den bisschop. De eenige man, die in het klooster geduld wordt, is de tuinman. Toch lijden deze zusters geen al te treurig leven. Haar cel is een smaakvol ingericht vertrek, meer of minder rijk gemeubeld, naar gelang van het vermogen der familie, voor wier rekening al deze kosten komen. Iedere non heeft hare eigene bibliotheek, haar vogels, haar guitaar, haar eigen tuintje met fraaie en zeldzame bloemen, en in den regel ook haar hartsvriendin, die in al hare geheimen deelt, de vertrouwelinge van hare innigste gedachten. Zulk eene vriendschap, in het klooster geboren, heeft somwijlen al de teederheid, al de diepte, maar ook wel eens al het vuur en al den hartstocht eener wezenlijke liefde.
Zoo deze geestelijke zusters zelven niet uit mogen gaan, is het haar wel vergund, haar bloedverwanten en vrienden van beiderlei kunne, in het klooster te ontvangen en zelfs te dejeuneeren te vragen. De maaltijd wordt dan gehouden in de spreekkamer: eene ruime, gewelfde zaal, met traliedeuren in de wanden; en de tafel wordt zoo dicht bij eene dier deuren geschoven, dat de non, achter het traliewerk gezeten, hare gasten kan zien en zich met hen onderhouden. Het gesprek loopt doorgaans over de gebeurtenissen en praatjes van den dag; over liefdes-avonturen, over huwelijken, geboorten, sterfgevallen en dergelijken, en in den regel gaat het er tamelijk vroolijk en luidruchtig toe.
In een land, waar banket- en suikerbakkers nog onbekend zijn, hebben de vrouwenkloosters en vrouwenvereenigingen het monopolie van taartjes, gebak en suikergoed, dat op geen feest ontbreken mag, en waarvan dan ook de bestellingen voortdurend haar gang gaan. De zusters geven zich alle moeite om haar klanten tevreden te stellen en haar klandisie uit te breiden: en dat nog minder uit zucht tot winst, dan wel om elkander wederkeerig een vlieg af te vangen: want een feit is het, dat er tusschen de vrouwenkloosters een zeer groote jaloezie bestaat, die zich op allerlei wijzen openbaart. Ieder klooster heeft zijne eigene specialiteit van lekkernij, gebak of suikergoed, waarvoor het beroemd is. De bestellingen worden echter niet gedaan aan het klooster of de congregatie in haar geheel, maar aan deze of die zuster in het bijzonder, die, als zij de bestelde gebakjes laat bezorgen, daar tevens de rekening bijvoegt.
Het feest van den beschermheilige van het klooster wordt door de nonnen met een muziekale mis en met een vuurwerk gevierd, dat, naar de zonderlinge gewoonte des lands, des morgens tusschen elf en twaalf uur wordt afgestoken. Bovendien houden zij, op sommige kerkelijke feesten, een maskerade, met begeleiding van zang en dans. Dit geschiedt onder anderen op Kerstmis. Op een tooneel wordt de geboorte des Heeren voorgesteld, door middel van geschilderde dekoratiën en papieren poppen; daarvoor plaatsen zich de nonnen, in twee groepen, die der herders en die der herderinnen, gesplitst; met begeleiding van guitaar en accordeon, voeren zij dan een beurtzang en een soort van quadrille uit. De nonnen, die de rol van herders moeten spelen, vragen, reeds dagen vooruit, aan hare mannelijkeverwanten en vrienden, hunne beste kleederen te leen, om die voor haar figuur geschikt te maken en met galons, linten en andere ornamenten op te tooien. Haar kostuum is wel niet pastoraal, noch ook zeer bijbelsch; maar op de archeologie of de uitwendige getrouwheid komt het ook niet aan.
De kloosterregel, die den toegang tot de vrouwenkloosters, met uitzondering van hetlocutorio, de spreekkamer, aan het publiek ontzegt, wordt in tijden van oproer of omwenteling niet zoo streng gehandhaafd. In zulke dagen, die hier gansch geene zeldzaamheid zijn, vindt de vrouwelijke aristokratie der stad eene veilige wijkplaats in die kloosters, wier deuren dan voor haar wijd openstaan. Iedere eenigszins aanzienlijke familie spoedt zich daarheen, en brengt daar het goud- en zilverwerk, de edelgesteenten, en wat zij verder kostbaars bezitten mag en voor medenemen vatbaar is, in veiligheid. Het bijna verlaten huis wordt dan toevertrouwd aan de hoede van een vader of echtgenoot, die zich zoo goed mogelijk in staat van tegenweer stelt. Het is wel gebeurd, dat vrouwen, na een maand in het klooster te hebben vertoefd, het leven in dien gezelligen, beschaafden, rustigen kring zoo aangenaam vonden, zich daar zoo gelukkig gevoelden, dat zij zelfs weigerden naar de echtelijke woning terug te keeren.
Nu wij met de kerken en kloosters afgehandeld hebben, willen wij vluchtig de stad doorwandelen, niet in de hoop monumenten te zullen vinden, want die bezit Arequipa niet, maar om een indruk te ontvangen van haar doorgaand voorkomen. Over het algemeen zijn de straten breed, goed geplaveid en rechtlijnig, voorzien van voetpaden en doorsneden van granieten gooten (acequias), waardoor beekjes van de Cordilleras met vroolijk gemurmel haar water naar de rivier voeren. De huizen gelijken allen op elkander. Zij zijn allen van steen, somwijlen van zandsteen gebouwd, met tonrond gewelf en met groote vensteropeningen, die door ijzeren tralies en binnenblinden, met zink beslagen, tegen inbraak van dieven en de kogels der opstandelingen worden beschermd. De breede gewelfde hoofdingang met zijne dubbele deur, rijkelijk met ijzeren nagels, krullen en andere versierselen beslagen, heeft iets monumentaals; twee rijtuigen kunnen hier met gemak naast elkander inrijden. De huizen hebben in den regel geen verdieping; hoogstens, in enkele gevallen, eene enkele bovenverdieping, die dan meestal onbewoond is en uitkomt op een plomp balkon, een soort van houten kast, donker rood of groen geverwd, die met losse blinden kan gesloten worden.
Deze woningen hebben twee binnenplaatsen achter elkander, met kiezel geplaveid en omzoomd door breede voetpaden (veredas); de muren van de eerste binnenplaats zijn wit gepleisterd en somwijlen versierd met zeer eenvoudige tegeltjes, waarop onmogelijke landschappen, zeegevechten of tafereelen uit het Lijden zeer kunsteloos zijn voorgesteld. De receptiekamers en de slaapkamers van het gezin bevinden zich ter wederzijde van deze binnenplaats. In de meeste slaapkamers staat het bed in een breede nis van vier tot zes voet diep; een voorzorgsmaatregel tegen aardbevingen. Deze vertrekken hebben geen vensters, maar massieve dubbele deuren, van een traliewerk voorzien, waardoor licht en lucht binnen stroomt. Achter de beide binnenplaatsen is een tuin, die wederom begrensd wordt door een zeer ruim, meestal met zerken geplaveid vertrek, dat tot eetzaal dient.
Pracht en weelde moet ge in deze woningen niet zoeken. Uitgezonderd in enkele huizen van vreemde kooplieden en van zeer aanzienlijke inwoners, waar althans de staatsievertrekken met papieren behangsels prijken, zijn de muren overal met kalk gewit en versierd met allerlei wonderlijke figuren, met roode of gele verf geteekend. De weinige meubelen, die ge hier vindt, zijn van tweeërlei soort: de meubelen in spaanschen stijl, die er uitzien of zij met een bijl uit een blok hout zijn gehouwen, wit of hemelsblauw geschilderd, bezaaid met rozen en madeliefjes en opgeluisterd door vergulde randen; en de meubelen in den dusgenoemden klassieken stijl van het keizerrijk: mahoniehouten kanape’s met stierenkoppen en drakenklauwen; stoelen waarvan de leuning de gedaante van een lier vertoont, gekroond met een helm of een wapentrofee; alles overtrokken met grijze of lichtbruine stof met groote rozen en bloemen.
Het huiselijk leven der bewoners van Arequipa bepaalt zich, voor de vrouwen, tot gesprekken over de politiek van den dag, en voorts tot breedvoerige beschouwingen over al de nieuwtjes en praatjes van de stad, die haar trouw worden overgebracht door de cholas en chinas, negerinnen en kamermeisjes, die tot het altijd vrij talrijke dienstbodenpersoneel behooren. Sommige dames borduren, maken fijne gebakjes en sorbets klaar, of spelen op de guitaar; maar de meesten brengen de week door met begeerig uit zien naar den zondag: vooreerst om naar de mis te gaan, hetgeen altijd eene zeer aangename afleiding voor de vrouwen is; en ten anderen omdat op dien dag het plaatselijk gebruik haar vergunt, de vensters harer kamer aan straat te openen, en, op tapijten neergezeten, naar de voorbijgangers te kijken. Over het algemeen leggen de dames weinig bezoeken af; zij laten hare boodschappen overbrengen door haar kameniers, die ook nu en dan met het bezorgen van bloemen, vruchten en soortgelijke geschenken worden belast. Alleen bij zeer feestelijke gelegenheden verschijnen de dames op partijtjes.
De fransche mode heerscht ook hier, maar met eenige wijzigingen, die doorgaans niet als verbeteringen kunnen worden beschouwd; bovendien zijn de dames van Arequipa steeds een zeker aantal jaren ten achteren. Maar ook zonder dat, zou de fransche kleeding haar slecht voegen: haar geheele bouw en gang passen niet bij de wonderlijke, zoo hemelsbreed van de natuur afwijkende uitmonstering eenerParisienne: jammer slechts, dat de peruaansche dames, als zoo vele anderen, niet genoeg gezond verstand en goeden smaak schijnen te bezitten om dat te begrijpen. Des zondags als zij naar de kerk gaan, zijn zij geheel in het zwart gekleed: zij dragen dan een zwart zijden japon en een mantille van dezelfde stof, met fluweel of kant versierd, die over het hoofd wordt geworpen. Deze kleeding, die zij van haar Spaansche voorouders hebbenovergenomen, staat haar allerliefst: maar zoodra de dames weer thuis zijn, haasten zij zich, haar smakeloos bonten opschik weder aan te trekken. Daar het gebruik van stoelen en banken in de kerken van Peru onbekend is, laten de dames zich een kussen of tapijt nadragen, waarop zij knielen. Die recht gedistingeerd wil zijn, houdt er een kleinen Indiaan, van zes tot tien of twaalf jaar op na, om dat tapijt te dragen. Zulk een indiaansche jongen is het meest welkome geschenk, dat een heer aan eene dame maken kan. Die kinderen worden voor een kleinigheid van hunne ouders in de Sierra-Nevada gekocht, en naar Arequipa gezonden; in de woning opgenomen, worden zij daar vertroeteld en op alle mogelijke manieren geliefkoosd, als waren zij schoothondjes of merkwaardige aapjes. Zij blijven de lievelingen en de pages der dames, tot zij te groot zijn geworden om die dubbele rol met schik te kunnen vervullen; dan worden zij naar de keuken gezonden en bij het korps der gewone bedienden ingelijfd. Somwijlen blijven zij hun leven lang in het huis; meestal echter verlaten zij het als zij volwassen zijn geworden, en zoeken elders een goed heenkomen.
De heeren zijn te Arequipa tamelijk uithuizig: zij hebben ook zoo veel te doen. Hunne voornaamste bezigheid is, van het eene huis naar het andere te gaan, over politiek te praten, een oneindig aantal sigaren te rooken, nu en dan een partijtje te dobbelen; voorts siesta te houden, paard te rijden, den galant te spelen, en te droomen van de schitterende toekomst, die de republiek wacht.
Een peruaansch soldaat.Een peruaansch soldaat.
Een peruaansch soldaat.
Maar, uit deze wijze van hun tijd te besteden moet ge niet afleiden, dat het dezen heeren aan verstand of aan kennis ontbreekt. In geenen deele! Zij hebben allen veel geleerd, indien al niet veel onthouden; theologie, rechtsgeleerdheid, burgerlijk en kanoniek recht, genees- en heelkunde—zij hebben dat alles bestudeerd, even als Faust. Deze heeren, schijnbaar met zulke nietigheden bezig, hebben in het openbaar stellingen verdedigd, en zich een diploma vandoctor-bachillerveroverd. Bovendien verstaan zij allen de kunst van verzen maken en zijn sterk inbouts-rimés,ex-tempore’s, koupletjes en strofen van allerlei aard, die zij zoo voor de vuist dichten. Indien zij zich dus voor studie of geestelijke genietingen onverschillig toonen, dan moet ge niet denken dat dit uit onwetendheid geschiedt; maar dit is veeleer een gevolg van zekere instinktieve philosophie, en vooral van die aanbiddelijke traagheid, die zij van hunne vaderen hebben overgeërfd en als een kostbaren schat bewaren. Elk denkbeeld van verandering of vooruitgang, dat hun zalige rust zou kunnen storen, is hun ondragelijk. De zedelijke en physieke werkzaamheid van den Europeaan is voor hen een even verwonderlijk verschijnsel, als het tikken van een horloge voor een wilde, dat zij niet begrijpen en ook zich niet pogen te verklaren.
De wetenschappelijke inrichtingen en scholen zijn zeer talrijk te Arequipa. De medische fakulteit kan wedijveren met die van Chuquisaca in Bolivia. De universiteit van Sint-Augustinus, de twee akademiën en het College der Onafhankelijkheid, door den maarschalk Gutierrez de la Tuente gesticht, zijn allerwege beroemd. De openbare bibliotheek werd in 1821 opgericht en dankt haar ontstaan aan de ijverige pogingen van den heer Evaristo Gomez Sanchez. Zij bezit tegenwoordig negentienhonderd-vijf-en-negentig boeken, handelende over theologie en rechtsgeleerdheid, de kaart van Peru op bevel van den bevrijden Simon Bolivar vervaardigd, den Atlas van den heer de Vaugondy, hydograaf van Z. M. Lodewijk XV, een album vankarikaturenvan Gravarni, twee meteoorsteenen, een hemelglobe, een bibliothekaris en een portier. Bovendien zijn er twee drukkerijen, die ieder een dagblad in klein formaat uitgeven; een hospitaal, een vondelingenhuis en een armeninrichting.
De plaza Mayor is het hart der stad. Dit plein, waarvan de noordzijde geheel door de kathedraal wordt ingenomen, wordt aan de andere zijden omgeven door open galerijen, waaronder katoenen en wollen stoffen, linten en allerlei artikelen in de open lucht zijn uitgestald. Op het midden van het plein prijkt een bronzen fontein, met drie bekkens boven elkander. Dit monument, dat vrij wel op een haspel gelijkt, wordt gekroond door een beeld van de Faam of zoo iets, wanhopend mager en in zoo stijf mogelijke houding. Deze allegorie blaast op een trompet en staart onafgewend naar de straat San Francisco.
Op dit plein, waar de openbare vermakelijkheden, de revolutionnairepronunciamentosen de openbare terechtstellingen plaats grijpen, wordt ook dagelijks, van des morgens vijf tot twaalf uur, een groentenmarkt gehouden. De inlandsche bevolking, die dan hier van alle kanten uit de stad en den omtrek samenkomt, vertoontslechts twee verschillende typen. De eerste is die van den Indiaan van de kust der Stille-zee, met zijn rond gelaat, zijn platten neus, zijn dikke lippen, zijn kleine, schuine oogen; de andere is die van den Quechua, met zijn ovaal gelaat, zijne uitstekende wangbeenderen, zijn arendsneus, zijne schuine maar wijdgeopende oogen, zijn lang zacht gitzwart hair. Uit de vermenging en kruising dier twee rassen van de kust en van het gebergte zijn mettertijd een zeker aantal schakeeringen ontstaan, wier voornaamste kenmerk eene afschuwelijke leelijkheid is. De voorsteden worden voornamelijk bewoond door deze mestiezen en door de kleine burgerij, die daar handel drijft in dranken, vruchten en soortgelijke artikelen van dagelijksch gebruik.
Eene indiaansche chulpa. (Bladz. 78.)Eene indiaanschechulpa. (Bladz. 78.)
Eene indiaanschechulpa. (Bladz. 78.)
Ik gaf u vroeger eene beknopte beschrijving van een buitenherberg: ik mag u thans die van een herberg in de stad niet onthouden. Deze etablissementen, die alleen door Indianen encholosvan beiderlei kunne worden bezocht, zijn donkere, vuile, rookerige hokken, die alleen door de deur licht en lucht ontvangen, vol potten en kruiken van verschillende grootte en vormen; terwijl de grond bedekt is met vuil stroo, afval van groenten, beenderen en uitwerpselen van dieren, waarin kippen en indiaansche varkentjes naar hartelust rondscharrelen. Daar in deze herbergen noch stoelen noch banken te vinden zijn, gaan de klanten eenvoudig op den grond zitten, in de eene hand een schotel met fijn gemalen piment, om den dorst te prikkelen, en in de andere een pot metchicha, het uit maïs gebrouwen bier, waarvan het gebruik in 1043 in Peru werd ingevoerd door de Keizerin Mama Ocllo Huacco (letterlijk Moeder-Broeihen) de zuster en echtgenoote van den eersten Inca Manco-Capac.—Terwijl dit publiek babbelt en lacht, eet en drinkt, wordt in een hoek van de herberg weer nieuwe chicha bereid. Dit geschiedt op zeer eenvoudige en weinig kostbare wijze: eene zekere hoeveelheid gepeldemaïswordt uitgestort in een kuil van zes voet in het vierkant en een voet diep; vervolgens met een weinig water begoten, en met planken toegedekt, waarop eenige zware steenen worden gelegd; na verloop van acht dagen hebben de warmte en de vochtigheid het graan aan het gisten gebracht. Deze gegiste mais, die nu den naam van gunapo draagt, wordt uit den kuil genomen en in de zon gelegd om te drogen; is zij goed droog, dan wordt zij naar den molen gezonden, waar het zaad verbrijzeld, maar niet fijn gemalen wordt. Van den molen keert het zaad dan terug naar de chicheria, waar het in groote, met water gevulde potten een geheelen dag lang gekookt wordt. Des avonds gieten de vrouwen het drabbige vocht in een soort van groven vaatdoek, dien zij goed uitwringen; dan blijft het den nacht overstaan om af te koelen, en kan reeds den volgenden dag gedronken worden. Dit bier is een ware volksdrank, die door alle klassen gebruiktwordt, ook door de aristokratie, die hoewel zij in het openbaar dien drank versmaadt, zich daaraan toch in stilte te goed doet.
Arequipa, door sommige moderne reizigers nog altijd eene bloeiende stad genoemd, met levendigen handel en uitgebreide industrie, beroemd wegens de vroolijkheid, het vernuft en den opgewekten zin harer bewoners—vertoont, het valt niet te loochenen, in dat opzicht niet meer dan de schaduw van haar vroegere heerlijkheid. De politieke omwentelingen en de vele faillissementen en financiëele tegenspoeden hebben de stad langzamerhand van haar rijkdom en welvaart beroofd, en ook een zeer noodlottigen invloed uitgeoefend op dien vroolijken frisschen zin, dien tintelenden levenslust, waardoor hare burgers zich weleer onderscheidden. Deze stad, die langen tijd, wat schittering en pracht en weelde aangaat, kon wedijveren met Lima, de stad der Koningen, is nu niet meer dan een kapel, ingesloten in de doodsche pop, hopend wachtende op de herschepping, die de toekomst haar wellicht brengen zal. Hare vroolijke schitterende feesten bestaan nog maar alleen in de herinnering: met de armoede is de zuinigheid gekomen. Slechts bij enkele gelegenheden vertoont Arequipa zich nog, voor eenige oogenblikken, in haar ouden glans, en wordt het geld met handenvol weggeworpen, ook al treurt men den volgenden dag om het verlies.
Zulk eene jaarlijks wederkeerende gelegenheid biedt met name de Dingsdag voor de Vasten, de Vastenavond. Bij de feesten van dien dag spelen de eieren een hoofdrol: in die mate zelfs dat ijverige statistici hebben uitgerekend—en wat rekenen statistici al niet uit?—dat er dan in Arequipa voor meer dan achthonderdduizend francs aan eieren verdaan wordt: een cijfer, dat te meer verbazing wekt, als men bedenkt dat hier alleen van eierschalen sprake is, waaruit het wit en de dooier sinds lang zijn verdwenen. Van die schalen weten dus de vrouwenkloosters en ook vele huismoeders uitstekend partij te trekken. Zij verzamelen, het gansche jaar door, de schalen der eieren, die in de spaansch-amerikaansche keuken in zulke kolossale hoeveelheden worden gebruikt, en die dan, juist met het oog op deze latere bestemming, niet stuk geslagen, maar slechts aan het eene einde even gebroken worden. In de week, die aan het karnaval vooraf gaat, worden die opgegaarde eierschalen klaar gemaakt, waarmede drie vrouwen zich onledig houden. De eene heeft een kom met water bij zich, waarin zij gutte-gom, indigo of vermiljoen oplost; de tweede vult de eieren met die kleurstof; de derde eindelijk stopt de opening in de schaal dicht met een vierkant lapje, met eene vloeibare was besmeerd, die dadelijk hecht. Zoo klaar gemaakt, worden die eierschalen voor een cuartillo en zelfs voor een halven reaal per stuk, aan alle hoeken der straten verkocht.
Nauwelijks licht de morgen van den lang verwachten Dingsdag aan, of allen, heeren en dames, kleeden zich van het hoofd tot de voeten in het wit; dan loopen zij, die het eerst bij de hand zijn, naar de nog slapende huisgenooten, om dezen hun morgengroet te brengen:—voor ditmaal hierin bestaande, dat drie of vier eieren van verschillende kleur op het gelaat van den slaper worden stuk geslagen, en hij vervolgens met meel wordt bestrooid. De aldus gewekte haast zich op zijn beurt zijn wit pak aan te schieten, wapent zich ook met eieren en meel, en tracht zich nu op ieder te wreken over de hem aangedane mishandeling.De gansche ochtend gaat daarmede voorbij. De heeren en dames in den salon, de bedienden in de keuken, gooien elkander om het hardst met eieren, en bepoederen elkaar met meel; niemand wordt bij dit spel verschoond.
Die gedenkwaardige dag is bijna de eenige in het jaar, waarop de balkons der huizen geopend worden. Ten twaalf uur wordt op ieder balkon eene gansche batterij van spuiten geplaatst, en de bewoners der belendende huizen bespuiten elkaar, en werpen elkander met eieren en met papieren zakjes met meel gevuld. Inmiddels wordt het op straat steeds drukker: het volk en de burgerij kunnen het in de huizen niet langer uithouden, en stroomen de straat op, gewapend met parapluien om zich te beveiligen tegen de stortbaden van de balkons; met begeleiding van muziek en onder het uitgalmen van allerlei liederen, trekken gansche troepen, opgewonden door den drank, de straten door, zich aanstellende als bezetenen.
Tegen drie uur worden een aantal oude, afgeleefde, blinde, kreupele, half lamme paarden van de Pampilla, een woestijn ten noorden van de stad, aangevoerd en op de plaza Mayor publiek verkocht. De prijs van zoo’n paard verschilt van vijf tot twaalf francs, naar gelang van den waarschijnlijken levensduur. In een oogwenk vormen zich nu ruiterbenden, die de balkons gaan belegeren, van waar het heftigst op de menigte gespoten is. Ieder ruiter neemt aan zijn arm een mandje met eieren, dat door vlugge jongens telkens weer gevuld wordt: en nu begint een geregeld gevecht tusschen de ruiters en de dames, die zich op het balkon geposteerd hebben. De ruiters werpen met eieren; de dames, met spuiten, gieters en kannen gewapend, antwoorden met stroomen min of meer helder water. Soms duurt zulk een gevecht langer dan een uur, eer een van de beide partijen het opgeeft, al druipen de mannen ook van het water, en al zijn de dames ook ontoonbaar van de eieren en het meel. Eindelijk komt een met kracht geworpen ei op het oog of den boezem van een der dames te recht, die, luid gillende, in de armen harer zusters nedervalt: dan gaat er uit de groep der ruiters een luid gejubel op; maar de dames, nu door dit verlies verbitterd, beginnen met bloempotten, scherven en met alles te werpen, wat zij grijpen en vangen kunnen, tot de mannen de wijk nemen, om elders hetzelfde spel te gaan hervatten. Dit dolle tooneel duurt zoo lang, tot de klok voor hetAngelusgeluid wordt: dan gaan allen naar huis, waar evenwel het feest wordt voortgezet tot het aanbreken van den volgenden morgen.