IV.

IV.Ten noorden van Arequipa strekt zich eene zandwoestijn uit, la Pampilla genaamd, die ge, op een goeden draf, in een half uur doorrijden kunt; aan degrens dier zandige vlakte begint de weg te stijgen; al steiler en bezwaarlijker wordt de helling, tot ge eindelijk, uitgeput van vermoeienis en bibberende van kou, Apo bereikt, het eerste station in de Sierra-Nevada.De reiziger, die hier den nacht doorbrengt om zijne beesten te laten uitrusten, kan op zijn gemak de wonderen van een poollandschap aanschouwen. Noordwaarts, voor hem uit, is de grond bedekt met vaste harde sneeuw; de beken slapen gerust onder haar ijsdek; de watervallen zijn in een verwarde ophooping van stalactiten herschapen; en ten noordoosten verheffen zich eenige besneeuwde toppen van de Andesketen, als bleeke schimmen, in de lucht. De thermometer staat op twaalf tot veertien graden onder nul.Dit zoogenaamde station van Apo, waar ik tegen het vallen van den avond aankwam, gelijkt op alle dergelijke inrichtingen in Peru, waar men niet bijzonder veel zorg voor de reizigers draagt; dat wil zeggen, het is niets meer dan eene tamelijk ruime hut, in twee vertrekken verdeeld, en meer of minder vervallen, naar gelang men zich van de groote steden verwijdert. Een vierkante, ongedekte ruimte, met groote, op elkander gestapelde steenblokken omzoomd, dient tot stalling voor de muildieren der reizigers. Zij zelven moeten zich tevreden stellen met een der beide vertrekken in de hut; zij slapen op den grond, als zij niet de voorzorg hebben gebruikt, een matras mede te nemen, bibberen den ganschen nacht van koude, en staan zoo vroeg mogelijk op, om aan eene kwelling te ontkomen, die zij aan het volgende station toch zullen wedervinden.Den volgenden morgen hervatten wij, mijn muilezeldrijver Nor Medina en ik, onzen tocht, te midden van eindelooze sneeuw- en ijsvelden, en zonder dat wij eenig levend schepsel zagen, met uitzondering van eenige condors, die hoog boven ons in de lucht zweefden, en ettelijke vigognas op de berghellingen. Ten vijf ure zagen wij, tusschen de rotsen verborgen, het station van Pachaca, waar ik mij had voorgenomen den nacht door te brengen; maar het station was gesloten, en al ons roepen en schreeuwen bleef onbeantwoord. Wij waren dus wel genoodzaakt, eene dubbele dagreis te maken, en door te rijden tot aan Huallata, waar wij des avonds ten negen ure aankwamen.Dit wachthuis van Huallata, op een eenzamen bergtop gelegen, te midden van sneeuwvelden en afgronden, blootgesteld aan alle winden, dikwerf door ijzige nevels omhuld, maakt een boven alles treurigen en akeligen indruk. Gelukkig vonden wij hier een tamelijk goed onthaal; nadat ik een kop chocolade en een stuk geroosterd brood gebruikt had, begaf ik mij naar het vertrek voor de reizigers bestemd, waar ik mijn nachttoilet maakte, terwijl Nor Medina, zoo goed hij kon, de gaten en spleten in den muur dicht stopte. Een vuur van lamamest werd in het midden van het vertrek aangelegd, en een Indiaan van het posthuis nam, tegen eene kleine belooning, op zich, dit vuur gedurende den nacht aan te houden. Dank zij den ijver van onzen waker, heerschte er althans in de kamer eene dragelijke temperatuur.Den volgenden morgen was het doordringend koud; wij huiverden en rilden onder onze mantels, toen wij het posthuis van Huallata verlieten en, den weg naar Cuzco ter linkerhand latende liggen, de rijzende zon te gemoet trokken. Men kan in elken tijd des jaars de Andes overtrekken; maar de meest geschikte tijdstippen voor zulk een tocht zijn de maanden April en September. In April vindt men geene sneeuw, dan alleen op de plaatsen, waar zij nimmer smelt. In September is de sneeuw, die van Juni tot Augustus de wegen bedekt, reeds gesmolten en naar de zee afgevloeid.Daar wij toen in Juli, dat wil zeggen in het hart van den winter, waren, moesten wij er op rekenen door een dier stormen overvallen te worden, die doorgaans in den achtermiddag losbreken, tenzij de hemel—wat niet te verwachten was—te onzen gerieve een paar dagen helder bleef. Wij trokken door eene steenachtige en zeer heuvelachtige streek, waar ik, zonder hulp van mijn gids, ongetwijfeld zou zijn verdwaald geraakt; maar Nor Medina was een ervaren leidsman, op wien ik mij veilig verlaten kon. Tegen twee uren vertoonden zich aan den hemel eenige witte wolkjes, die de landlieden zeer plastisch schapenwolkjes en de geleerdencirro-cumulinoemen. Binnen weinige oogenblikken namen deze wolken ziender ooge in omvang toe, naderden elkander, en benevelden de zonneschijf. Blijkbaar was er een storm in aantocht. Wij zagen in het rond, of wij ergens eene schuilplaats konden vinden; maar nergens was iets van dien aard te zien. Zelfs in de bergen was geen grot of spleet te bespeuren, waar wij ons konden verschuilen; wij zetten dus onze muildieren in draf, zonder zelven te weten waar wij komen zouden, maar alleen gedreven door de instinktmatige behoefte om ons tegen het dreigende gevaar in veiligheid te stellen. Weldra stak de wind op; geweldige vlagen dreven de wolken bijeen, die van oogenblik tot oogenblik donkerder werden; de donder rolde steeds naderbij, terwijl blauwe bliksemstralen de zwarte lucht doorkruisten. Onze muilezels liepen zoo snel zij konden, maar het was niet mogelijk, de geweldige bui, die op de vleugelen van den storm naderde, te ontkomen.Eensklaps, bij een daverenden donderslag, was het of de wolken barstten, en een geweldige massa hagelsteenen kletterde naar beneden. Wij doken huiverende ineen en wikkelden ons in onze mantels; terwijl onze arme muilezels, aan al de woede van de bui blootgesteld, hinnikten van pijn, als hen de scherpe hagelsteenen de oogen of den neus troffen. Straks hield de hagel op, maar om nu vervangen te worden door eene zoo dichte sneeuwjacht, dat wij letterlijk geen vier passen voor ons uit konden zien. In een oogenblik was het landschap als met eene onmetelijke wade overdekt. Wij reden zoo, bijna op den tast, ongeveer een half uur voort, toen zich eensklaps een donkere massa voor onze oogen teekende. “God zij gedankt!” riep Nor Medina, zijn muilezel wendende naar de zijde van dit gebouw, van welks eigenlijken aard en bestemming ik mij nog geen rekenschap geven kon. Naderbij gekomen, riep hij mij toe, af te stijgen. Ikgehoorzaamde des te bereidwilliger, daar de deur van dat gebouw wijd openstond. Zij was echter zoo laag, dat ik niet dan op mijne knieën kruipende naar binnen kon komen. Terwijl ik daarmede bezig was, ontdeed Nor Medina de muildieren van hun tuig, en kroop toen mede door de opening, om zich bij mij te voegen. De sneeuw dwarrelde nog steeds in dichte vlokken neder.Een peruaansche dandy.Een peruaanschedandy.De schuilplaats, die wij zoo te goeder uur hadden ontdekt, was een soort van ruime cel, uit ontzaglijke steenblokken opgetrokken, en met een reusachtig blok gedekt. Door een klein venster, aan de naar het oosten gekeerde zijde, ter manshoogte in den wand aangebracht, viel een schemerlicht naar binnen. Dit graf—want het was een graf—had misschien een omtrek van tien voet in het vierkant, bij eene hoogte van acht voet. De muren, schuin naar boven toeloopende als die der oud-egyptische monumenten, en ontzaglijk dik, hadden waarschijnlijk menigen storm getart en vele eeuwen zien voorbijgaan. Ik vroeg aan mijn gids, wat hij van dit gedenkteeken wist, en of zich ook eenige overlevering aan dit graf verbond. Zijne onvolledige inlichtingen uit nader ingewonnen berichten aanvullende, kan ik het volgende mededeelen.De kermis te Pucara.De kermis te Pucara.Toen de Zonen der Zon zich in Peru kwamen vestigen, vonden zij daar het groote volk der Aymaras, in de wijde landstreek, die zich van Lampa tot aan de grenzen van den Desaguadero uitstrekt, en, onder den naam van Collao, de Punas of bergvlakten ten oosten van de Andesketen omvat. Deze landstreek, ongeveer negentig mijlen lang en gemiddeld dertig mijlen breed, bevatte een aantal tempels, paleizen, verschillende monumenten, sommigen ongeschonden, sommigen in puin gevallen, en die zoowel door hunne architectuur als door het beeldwerk, waarmede zij prijkten, getuigenis gaven van eene zeer ontwikkelde beschaving.De Aymaras, die aan deze gedenkteekenen eene hooge oudheid toekenden, beweerden dat zij afkomstig waren van de Collahuas, een volk, waarvan zij zich beroemden af te stammen. Volgens hen, zou deze natie, in vroeger tijd, uit een ver land, ten noorden van Peru, zijn gekomen, en zou langen tijd op verschillende plaatsen hebben vertoefd, alvorens zich in de peruaansche hoogvlakten te vestigen, die sedert naar hen den naam van Collao droegen.Naar het zeggen der Aymaras, zou, uit hieroglyphische teekeningen, waarvan alleen de opperhoofden de verklaring kenden, blijken, dat deze Collahuas leerden, dat de zon, die hen bescheen, reeds was voorafgegegaan door vier andere zonnen, die achtereenvolgens waren uitgebluscht: en wel door eene overstrooming, door een aardbeving, door een algemeenen wereldbrand, en door een orkaan; telkenmale was ook al het geschapene mede te gronde gegaan. Na het verdwijnen van de vierde zon, was de wereld vijf-en-twintig jaar lang in duisternis gedompeld geweest. In dien nacht, en tien jaar voor de verschijning van de vijfde zon, was het menschelijk geslacht op nieuw in het aanzijn getreden. De Schepper had toen andermaal een man en eene vrouw gevormd, en vervolgens ook de vijfde zon geschapen, die nu reeds sedert duizend jaren bestond.Deze zelfde kosmogonie, welke de Aymaras aan de Collahuas hadden ontleend, wordt ook gevonden bij eene geheele groep van volken, die allen dezelfde taal spraken: de Tolteken, de Cicimeken, de Nahuatlaken, de Acolhuen, de Tlascalteken, de Azteken, enz., die, omstreeks de eerste eeuw van onze jaartelling, het land Auahuac, in het latere Nieuw-Spanje, bewoonden. Deze volken beweerden, dat zij deze kosmogonie, zoowel als hunne bouwkunst, hunne hieroglyphen en hunne beschaving in het algemeen, hadden overgenomen van de Olmeken en de Xicalanken, twee machtige natiën, die vóór hen in het land hadden gewoond, en die zich beroemden van overouden oorsprong te zijn.De zegepraal der Incas in Peru, waardoor vele volksstammen van de Andes uit hunne woonplaatsen werden verdreven, ontnam ook aan de Aymaras het land, dat zij sinds zoo langen tijd in bezit hadden gehad. Reeds onder Sinchi-Roca, den tweeden Keizer van Peru, hadden de Aymaras de provincie van Cuzco verlaten, en zich al verder en verder naar het westen teruggetrokken, om aan de heerschappij van de Zonen der Zon te ontkomen. De derde Inca, Lloque-Yupanqui, ondernam een krijgstocht naar dat gedeelte van Collao, waarvan het meer Titicaca met zijne monumenten als het middelpunt kan worden beschouwd; hij onderwierp de Aymaras, in het zuiden gevestigd, en liet de anderen, die meer westwaarts woonden, met rust. Mayta-Capac, zijn opvolger, tastte deze natie van twee zijden tegelijk aan. Na de Aymaras van Tiahuanacu, in Bolivia, onderworpen te hebben, richtte hij zijne wapenen tegen die van Parihuanacocha, het Flamingo-meer, nabij den vijftienden graad gelegen, en bracht ook hen ten onder.Door deze veroveringen, die onder elken nieuwen Keizer steeds verder werden uitgebreid, werden de nog vrijgebleven Aymaras naar de kusten van den Stillen-oceaan teruggedrongen. Sommige familiën van dit volk hadden zich gevestigd aan den ingang der westelijke valleien, waar hunne overblijfselen nog heden gevonden worden; anderen waren tot den oever der zee doorgetrokken, en hadden zich daar vermengd met de vischetende stammen, die destijds dat gedeelte der kust bewoonden. Toen, in de vijftiende eeuw, de Inca Capac-Yupanqui de grenzen van zijn rijk tot aan Chili had uitgebreid, werden ook deze stammen, en met hen de Aymaras, bijna geheel uitgeroeid. Alleen zij, die zich reeds vroeger aan de heerschappij der Incas onderworpen hadden, bleven in de Sierra gevestigd, in een gedeelte der landstreek, waarin weleer hunne vaderen gewoond hadden. Tegenwoordig telt men nog ongeveer tweehonderd-duizend dier oude inboorlingen, langs de grenzen van Bolivia, en in de zeven departementen van die republiek verstrooid.Bij dit volk heerschte eene zonderlinge gewoonte, die het den ethnograaf gemakkelijk maakt hun spoor te volgen: de gewoonte namelijk, om den schedel der pasgeboren kinderen, door samenpersing tusschen twee met katoen bekleede plankjes, een ovalen kegelvorm te geven. De geraamten van Aymaras, die men in de nabijheid der zee, tusschen den zestienden en den achttienden graad, vindt, zijn aanstonds kenbaar aan dien eigenaardigen langwerpigen vorm van hun schedel, dien ik niet beter weet te vergelijken dan bij een ei, waarvan een der punten het gelaat voorstelt.Niet minder vreemd was de wijze van ter aardebestelling, bij deze Indianen, tijdens hun bloei, in gebruik, en die men bij geen enkel ander volk van Zuid-Amerika terug vindt. Hunne graven,chulpasgenaamd, hadden de gedaante van eene afgeknotte pyramide, van twintig tot dertig voet, hoog. Deze pyramide, uit ongebakken tichelsteenen samengesteld, liep naar boven smaller toe, en herinnerde door hare algemeene gedaante, aan de mexikaanscheteocallis, waarvan het oorspronkelijke plan aan den tempel van Bel schijnt ontleend. Somwijlen waren deze graven niet meer dan eenvoudige cellen of kluizen van opeengestapelde steenen, met een grooten steenklomp gedekt, en niets dan eene vierkante kamer bevattende, met eene lage deur aan de westzijde en een klein raam naar het oosten uitziende. Het graf, waarin wij nu verscholen waren, was zulk een cel. Soms echter hadden deze graven de gedaante van een obelisk, waarvan de hoogte, acht of tien el, gelijk stond met tweemaal de breedte van hun grondvlak. Deze obelisken waren met een schuin dak gedekt, en uit leemaarde opgetrokken. Een graf als dat, waarin wij ons nu bevinden, was bestemd voor twaalf personen, wier lichamen, gebalsemd met denchenopodium ambrosioidesuit de naburige valleien, en in hunne kleederen gedost of gewikkeld in een wijden zak van totora-bladeren, die ter plaatse van het aangezicht open was, in een kring waren gezeten, met de voeten tegen elkander. Nevens ieder lijk bevonden zich eenige maïs-halmen, een pot met chicha, een etensbak en een lepel. Was het een man, dan voegde men daarbij een slinger, eenig jacht- of vischtuig en een kluwen wol. Bij eene vrouw plaatste meneen mandje of korfje, van jaraya-vezels gevlochten, eenige kluwen lama-wol, en eenige breinaalden, vervaardigd uit de lange zwarte doornen van dencactus quisco. Zoodra het bepaalde aantal lijken in het graf geplaatst was, werd de ingang toegemetseld. Het venster alleen bleef open, waarschijnlijk opdat de opkomende zon hare stralen in dit kalme doodenverblijf zou kunnen werpen. Nog heden vindt men enkele van deze chulpas, maar ledig en geschonden. Franschen, Duitschers, Engelschen hebben om strijd deze graven opengebroken, en de mummies, die daar hun eeuwigen slaap sliepen, in hunne ruste gestoord, en naar Europa overgebracht, waar zij nu, in eenofander museum, met hunne holle oogen achter een glazen kast zitten te staren.De sneeuw had opgehouden, de bui was afgetrokken, en wij vervolgden onzen tocht. Tegen den avond bereikten wij het gehucht Compuerta, waar wij den nacht wilden doorbrengen. De ellendige hutten schenen onbewoond: uit eene daarvan steeg een dunne rookwolk ten hemel: wij besloten, ons daar aan te melden. Bij onze naderingwerd de deur geopend; eene indiaansche vrouw stak haar hoofd naar buiten, en zag ons met een verschrikt gelaat aan. Ons voorkomen stelde haar waarschijnlijk gerust; zij vroeg althans aan mijn gids, welk gelukkig toeval hem herwaarts voerde; en hoewel zij van mij niet de minste notitie nam, verzette zij er zich ook niet tegen, toen ik, met mijn gids, de woning binnentrad.Wat Nor Medina, waarschijnlijk uit beleefdheid jegens onze gastvrouw, eene woning noemde, was niets dan eene vierkante, zwarte, berookte, door en door onreine ruimte; aan de latten van het dak hingen overal vuile, verscheurde lompen van kleederen, waarvan de oorspronkelijke kleur onkenbaar was geworden door eene dikke laag rook en roet. In het midden van het vertrek brandde een vuur van lamamest, dat een sterken muskuslucht verspreidde, die, gevoegd bij den dikken zwaren rook, oog en neus evenzeer pijnigde. Voor dat vuur stond een ketel, die waarschijnlijk het avondeten bevatte. Ik lichtte het deksel op, en zag eene soort van soep, bestaande uit klaar water en maïsmeel, waarmede de Indianen in het gebergte zich, bij gebrek van beter, voeden. Die maaltijd scheen mij wat al te mager, en terwijl ik, op een bankje voor het vuur gezeten, daarover nadacht, hoorde ik eensklaps, vlak achter mij, een haan kraaien. Ik schrikte onwillekeurig; maar, Medina met de indiaansche vrouw ziende binnenkomen, wenkte ik hem. “Ik houd niet vanelagua” zeide ik zacht tot hem, naar de soep wijzende, die in den ketel pruttelde; “maar die haan zou mij beter aanstaan; is er geen middel om hem voor ons souper te krijgen?”“Niets gemakkelijker,” antwoordde hij, op denzelfden fluisterenden toon. Daarop, zich tot de vrouw keerende: “Mamita, ga eens kijken of de muildieren niet zijn weggeloopen.” De vrouw ging heen, en bleef een oogenblik buiten. Toen zij terug kwam, begon zij luidkeels te gillen: want Nor Medina, voor het vuur zittende, hield den haan, dien hij den strot had afgesneden, tusschen zijn beenen, en was bezig den vogel te plukken.“Mamita. die haan is erg mager,” zeide mijn gids heel kalm tot haar.“O, duivelskind,” riep de vrouw in het quechua, “hond van een mesties, dief, moordenaar! Waarom hebt gij mijn geliefden haan, dien ik zelve had opgevoed, gedood?” En de ongelukkige barstte in tranen uit.“Stil, vrouw,” sprak Nor Medina, op ernstigen toon; “de elagua, die gij klaar maakt, is niet naar den smaak van dezen reiziger; en daar hij toch iets eten moest, heb ik uw haan genomen. Bovendien, wij zullen uw mageren haan betalen. Hoeveel is hij wel waard, een reaal of twee realen?”De vrouw, die aan de afpersingen en ruwe behandelingen van de afstammelingen der Spanjaarden gewoon was, scheen zeer verbaasd, dat men nu haar aanbood te betalen, wat men tot dusver eenvoudig weggenomen had. Hare tranen droogden plotseling: en toen ik haar een stuk van vier realen in de hand stopte, was zij al spoedig zoo geheel met de zaak verzoend, dat zij zelfs Medina hielp bij het plukken en bereiden van den haan. Terwijl mijn souper over het vuur hing, hoorden wij van buiten een geluid van stemmen. “Dat is Juan, die met zijne vrienden van de mijn terugkomt,” zeide de vrouw. Nauwelijks had zij dit gezegd, of vier Indianen, geheel in hunne gestreepte ponchos gewikkeld, traden de hut binnen. De tegenwoordigheid van vreemdelingen ontstemde hen blijkbaar; maar de vriendelijke begroeting van Nor Medina, en vooral het gezicht van den halven piaster, dien de vrouw aan haar man toonde, verdreef spoedig de booze bui. Terwijl de nieuw aangekomenen zich van hunne mantels ontdeden, stak de vrouw een dierharsachtigetoortsen aan, die veel meer walm dan licht verspreiden; de Quechuas zetten zich op den grond neder, en haalden uit hunne knapzakken een houten nap, dien zij aan de vrouw reikten, en dien deze tot den rand met heete elagua vulde. Zij plaatsten daarop de volle schaal op de toppen hunner vijf vingers, lieten ze vrij snel in de rondte draaien, en slurpten zoo de soep langs den rand op, waarbij zij allerlei wonderlijke gezichten trokken.Eindelijk was ook mijn souper gereed. Nor Medina spreidde het dekkleed van mijn zadel op den grond uit, zette de terrine met den gekookten haan daarop, legde een puntig gesneden stukje hout, dat de plaats van een vork vervullen moest, daarnaast, en noodigde mij uit tot den avondmaaltijd. Ik liet mij niet onbetuigd, ook al was de vogel wat taai, en verzuimde ook niet, onze gastvrouw een deel van den maaltijd aan te bieden, dat haar uitnemend scheen te smaken. Kort daarop verlieten ons de Quechuas; met de vrouw begaven zij zich naar de naburige hut, ons de woning voor den nacht overlatende. Het duurde niet lang, of wij lagen voor het vuur uitgestrekt, en waren weldra in een diepen slaap gedompeld.Den volgenden morgen, reeds ten zes ure, begaven wij ons weder op weg, overnachtten dien avond bij den eerwaardigen pastoor van het dorp Cabana, en bereikten den dag daarna, tegen het vallen van den avond, de stad Lampa. Het was reeds donker, toen wij onzen intocht hielden in dit zeer onaanzienlijkestedeke, dat mij bijna uitgestorven toescheen. Op het marktplein gekomen, vroeg ik aan een koopman in aardewerk, die juist bezig was zijne uitgestalde borden, potten en schotels naar binnen te brengen, waar don Firmin de Vara y Pancorbo, koopman in manufacturen, woonde, voor wien ik een aanbevelingsbrief bij mij had. Hij wees mij een huis op het plein, waarvan de vensters straalden van licht. Daar viel ik, zooals men zegt, met mijn neus in de boter. De koopman vierde het feest van zijn heiligen patroon, en had eenige heeren en dames van zijne kennis bij zich genoodigd, in wier kring hij mij nu introduceerde. Het ging daar bijzonder lustig toe; en het spijt mij, te moeten erkennen, dat het feest al vrij spoedig zulk een karakter aannam, dat ik het raadzaam oordeelde mij ongemerkt te verwijderen. Een der bedienden wees mij de slaapkamer van zijn heer, waar ik, ondanks het helsch rumoer in de feestzaal, den ganschen nacht rustig sliep. Toen ik den volgenden morgen afscheid wilde nemen van mijn gastheer, bracht de bediende mij naar de zaal, waar den vorigen avond feest gehouden was. Hij opende even de deur, en ik zag een schouwspel, waarvan men mij de beschrijving sparen zal. Eenige oogenblikken later zat ik in den zadel.Lampa verlatende, vervolgden wij onzen tocht door een eentonig landschap: een heuvelachtige hei, met heidekruid en kort gras begroeid. Nauwelijks waren wij voorbij het eerste station, of wij vernamen achter ons, steeds naderbij, de tonen eener pansfluit. Ik keerde mij om, om te ontdekken van waar deze melodie kwam, en zag een man, die met haastigen tred naar ons toekwam; hij hield een mager paard bij den teugel, dat achter hem aan draafde, beladen met een lederen brievenzak.De dokter en zijn patiënt.De dokter en zijn patiënt.“Dat is decorreo real(koninklijke koerier) die van Puno naar Cuzco gaat,” zeide mijn gids.“Zegcorreo nacional,” hernam ik: “het woordkoninklijkis, als oproerleuze, geschrapt in het woordenboek van elke fatsoenlijke republiek.”De arriero keek mij met verbazing aan, en stond waarschijnlijk op het punt mij uitlegging van die woorden te vragen, toen de postbode ons inhaalde. Hij groette ons beleefd, en knoopte een praatje aan met onzen gids, wien hij vroeg van waar wij kwamen en waarheen wij gingen. Na vervolgens nog een weinig over het weer, de slechte wegen in de Sierra en het gebrek aan levensmiddelen gesproken te hebben, nam hij afscheid en dribbelde weer voort.Tegen den avond kwamen wij te Pucara, een akelig dorp, uit hoogstens een honderdtal, deels leemen hutten bestaande. Het heeft volstrekt niets merkwaardigs, dan zijn kerk, die betrekkelijk groot mag worden genoemd en met twee half houten torens prijkt; verder is het vooral bekend om de kermis of jaarmarkt, die daar telken jare in December gehouden wordt, en die, met de jaarmarkt van Vilque, tot de belangrijkste van Peru behoort. Dan staat de vlakte voor het dorp vol tenten en kramen, waar allerlei dingen, voornamelijk producten van europeesche nijverheid. zij het dan ook niet veel bijzonders, worden verkocht. Dan beweegt zich daartusschen eene dichte menschenmassa, deels om te koopen en te verkoopen; deels om getuige te zijn van de vertooningen van goochelaars, koorddansers, kunstenaars van allerlei soort, die in den regel bij dergelijke gelegenheden niet ontbreken. Dan heeft Pucara een gansch ander aanzien dan thans, nu wij er niets vinden dan den zieken postmeester, die met een gezwollen koon in zijn bed lag, en voor wien men mijn raad inriep. Ik schreef een eenvoudige pap van brood en melk voor; maar de Indiaan, die mij had geraadpleegd, achtte dat dit goed was voor kleine kinderen. Hij maakte daarop zelf een ander middel klaar: een mengsel van chicha met vet, fijn gestampte coca-bladeren en asch; dit mengsel liet hij koken, gaf daarvan den patiënt de helft te drinken, en wiesch hem met de andere het gelaat. Tot mijne groote verbazing was de postmeester den volgenden morgen, bij ons vertrek, waarschijnlijk ondanks de kuur, veel beter.Het maïskauwen.Het maïskauwen.

IV.Ten noorden van Arequipa strekt zich eene zandwoestijn uit, la Pampilla genaamd, die ge, op een goeden draf, in een half uur doorrijden kunt; aan degrens dier zandige vlakte begint de weg te stijgen; al steiler en bezwaarlijker wordt de helling, tot ge eindelijk, uitgeput van vermoeienis en bibberende van kou, Apo bereikt, het eerste station in de Sierra-Nevada.De reiziger, die hier den nacht doorbrengt om zijne beesten te laten uitrusten, kan op zijn gemak de wonderen van een poollandschap aanschouwen. Noordwaarts, voor hem uit, is de grond bedekt met vaste harde sneeuw; de beken slapen gerust onder haar ijsdek; de watervallen zijn in een verwarde ophooping van stalactiten herschapen; en ten noordoosten verheffen zich eenige besneeuwde toppen van de Andesketen, als bleeke schimmen, in de lucht. De thermometer staat op twaalf tot veertien graden onder nul.Dit zoogenaamde station van Apo, waar ik tegen het vallen van den avond aankwam, gelijkt op alle dergelijke inrichtingen in Peru, waar men niet bijzonder veel zorg voor de reizigers draagt; dat wil zeggen, het is niets meer dan eene tamelijk ruime hut, in twee vertrekken verdeeld, en meer of minder vervallen, naar gelang men zich van de groote steden verwijdert. Een vierkante, ongedekte ruimte, met groote, op elkander gestapelde steenblokken omzoomd, dient tot stalling voor de muildieren der reizigers. Zij zelven moeten zich tevreden stellen met een der beide vertrekken in de hut; zij slapen op den grond, als zij niet de voorzorg hebben gebruikt, een matras mede te nemen, bibberen den ganschen nacht van koude, en staan zoo vroeg mogelijk op, om aan eene kwelling te ontkomen, die zij aan het volgende station toch zullen wedervinden.Den volgenden morgen hervatten wij, mijn muilezeldrijver Nor Medina en ik, onzen tocht, te midden van eindelooze sneeuw- en ijsvelden, en zonder dat wij eenig levend schepsel zagen, met uitzondering van eenige condors, die hoog boven ons in de lucht zweefden, en ettelijke vigognas op de berghellingen. Ten vijf ure zagen wij, tusschen de rotsen verborgen, het station van Pachaca, waar ik mij had voorgenomen den nacht door te brengen; maar het station was gesloten, en al ons roepen en schreeuwen bleef onbeantwoord. Wij waren dus wel genoodzaakt, eene dubbele dagreis te maken, en door te rijden tot aan Huallata, waar wij des avonds ten negen ure aankwamen.Dit wachthuis van Huallata, op een eenzamen bergtop gelegen, te midden van sneeuwvelden en afgronden, blootgesteld aan alle winden, dikwerf door ijzige nevels omhuld, maakt een boven alles treurigen en akeligen indruk. Gelukkig vonden wij hier een tamelijk goed onthaal; nadat ik een kop chocolade en een stuk geroosterd brood gebruikt had, begaf ik mij naar het vertrek voor de reizigers bestemd, waar ik mijn nachttoilet maakte, terwijl Nor Medina, zoo goed hij kon, de gaten en spleten in den muur dicht stopte. Een vuur van lamamest werd in het midden van het vertrek aangelegd, en een Indiaan van het posthuis nam, tegen eene kleine belooning, op zich, dit vuur gedurende den nacht aan te houden. Dank zij den ijver van onzen waker, heerschte er althans in de kamer eene dragelijke temperatuur.Den volgenden morgen was het doordringend koud; wij huiverden en rilden onder onze mantels, toen wij het posthuis van Huallata verlieten en, den weg naar Cuzco ter linkerhand latende liggen, de rijzende zon te gemoet trokken. Men kan in elken tijd des jaars de Andes overtrekken; maar de meest geschikte tijdstippen voor zulk een tocht zijn de maanden April en September. In April vindt men geene sneeuw, dan alleen op de plaatsen, waar zij nimmer smelt. In September is de sneeuw, die van Juni tot Augustus de wegen bedekt, reeds gesmolten en naar de zee afgevloeid.Daar wij toen in Juli, dat wil zeggen in het hart van den winter, waren, moesten wij er op rekenen door een dier stormen overvallen te worden, die doorgaans in den achtermiddag losbreken, tenzij de hemel—wat niet te verwachten was—te onzen gerieve een paar dagen helder bleef. Wij trokken door eene steenachtige en zeer heuvelachtige streek, waar ik, zonder hulp van mijn gids, ongetwijfeld zou zijn verdwaald geraakt; maar Nor Medina was een ervaren leidsman, op wien ik mij veilig verlaten kon. Tegen twee uren vertoonden zich aan den hemel eenige witte wolkjes, die de landlieden zeer plastisch schapenwolkjes en de geleerdencirro-cumulinoemen. Binnen weinige oogenblikken namen deze wolken ziender ooge in omvang toe, naderden elkander, en benevelden de zonneschijf. Blijkbaar was er een storm in aantocht. Wij zagen in het rond, of wij ergens eene schuilplaats konden vinden; maar nergens was iets van dien aard te zien. Zelfs in de bergen was geen grot of spleet te bespeuren, waar wij ons konden verschuilen; wij zetten dus onze muildieren in draf, zonder zelven te weten waar wij komen zouden, maar alleen gedreven door de instinktmatige behoefte om ons tegen het dreigende gevaar in veiligheid te stellen. Weldra stak de wind op; geweldige vlagen dreven de wolken bijeen, die van oogenblik tot oogenblik donkerder werden; de donder rolde steeds naderbij, terwijl blauwe bliksemstralen de zwarte lucht doorkruisten. Onze muilezels liepen zoo snel zij konden, maar het was niet mogelijk, de geweldige bui, die op de vleugelen van den storm naderde, te ontkomen.Eensklaps, bij een daverenden donderslag, was het of de wolken barstten, en een geweldige massa hagelsteenen kletterde naar beneden. Wij doken huiverende ineen en wikkelden ons in onze mantels; terwijl onze arme muilezels, aan al de woede van de bui blootgesteld, hinnikten van pijn, als hen de scherpe hagelsteenen de oogen of den neus troffen. Straks hield de hagel op, maar om nu vervangen te worden door eene zoo dichte sneeuwjacht, dat wij letterlijk geen vier passen voor ons uit konden zien. In een oogenblik was het landschap als met eene onmetelijke wade overdekt. Wij reden zoo, bijna op den tast, ongeveer een half uur voort, toen zich eensklaps een donkere massa voor onze oogen teekende. “God zij gedankt!” riep Nor Medina, zijn muilezel wendende naar de zijde van dit gebouw, van welks eigenlijken aard en bestemming ik mij nog geen rekenschap geven kon. Naderbij gekomen, riep hij mij toe, af te stijgen. Ikgehoorzaamde des te bereidwilliger, daar de deur van dat gebouw wijd openstond. Zij was echter zoo laag, dat ik niet dan op mijne knieën kruipende naar binnen kon komen. Terwijl ik daarmede bezig was, ontdeed Nor Medina de muildieren van hun tuig, en kroop toen mede door de opening, om zich bij mij te voegen. De sneeuw dwarrelde nog steeds in dichte vlokken neder.Een peruaansche dandy.Een peruaanschedandy.De schuilplaats, die wij zoo te goeder uur hadden ontdekt, was een soort van ruime cel, uit ontzaglijke steenblokken opgetrokken, en met een reusachtig blok gedekt. Door een klein venster, aan de naar het oosten gekeerde zijde, ter manshoogte in den wand aangebracht, viel een schemerlicht naar binnen. Dit graf—want het was een graf—had misschien een omtrek van tien voet in het vierkant, bij eene hoogte van acht voet. De muren, schuin naar boven toeloopende als die der oud-egyptische monumenten, en ontzaglijk dik, hadden waarschijnlijk menigen storm getart en vele eeuwen zien voorbijgaan. Ik vroeg aan mijn gids, wat hij van dit gedenkteeken wist, en of zich ook eenige overlevering aan dit graf verbond. Zijne onvolledige inlichtingen uit nader ingewonnen berichten aanvullende, kan ik het volgende mededeelen.De kermis te Pucara.De kermis te Pucara.Toen de Zonen der Zon zich in Peru kwamen vestigen, vonden zij daar het groote volk der Aymaras, in de wijde landstreek, die zich van Lampa tot aan de grenzen van den Desaguadero uitstrekt, en, onder den naam van Collao, de Punas of bergvlakten ten oosten van de Andesketen omvat. Deze landstreek, ongeveer negentig mijlen lang en gemiddeld dertig mijlen breed, bevatte een aantal tempels, paleizen, verschillende monumenten, sommigen ongeschonden, sommigen in puin gevallen, en die zoowel door hunne architectuur als door het beeldwerk, waarmede zij prijkten, getuigenis gaven van eene zeer ontwikkelde beschaving.De Aymaras, die aan deze gedenkteekenen eene hooge oudheid toekenden, beweerden dat zij afkomstig waren van de Collahuas, een volk, waarvan zij zich beroemden af te stammen. Volgens hen, zou deze natie, in vroeger tijd, uit een ver land, ten noorden van Peru, zijn gekomen, en zou langen tijd op verschillende plaatsen hebben vertoefd, alvorens zich in de peruaansche hoogvlakten te vestigen, die sedert naar hen den naam van Collao droegen.Naar het zeggen der Aymaras, zou, uit hieroglyphische teekeningen, waarvan alleen de opperhoofden de verklaring kenden, blijken, dat deze Collahuas leerden, dat de zon, die hen bescheen, reeds was voorafgegegaan door vier andere zonnen, die achtereenvolgens waren uitgebluscht: en wel door eene overstrooming, door een aardbeving, door een algemeenen wereldbrand, en door een orkaan; telkenmale was ook al het geschapene mede te gronde gegaan. Na het verdwijnen van de vierde zon, was de wereld vijf-en-twintig jaar lang in duisternis gedompeld geweest. In dien nacht, en tien jaar voor de verschijning van de vijfde zon, was het menschelijk geslacht op nieuw in het aanzijn getreden. De Schepper had toen andermaal een man en eene vrouw gevormd, en vervolgens ook de vijfde zon geschapen, die nu reeds sedert duizend jaren bestond.Deze zelfde kosmogonie, welke de Aymaras aan de Collahuas hadden ontleend, wordt ook gevonden bij eene geheele groep van volken, die allen dezelfde taal spraken: de Tolteken, de Cicimeken, de Nahuatlaken, de Acolhuen, de Tlascalteken, de Azteken, enz., die, omstreeks de eerste eeuw van onze jaartelling, het land Auahuac, in het latere Nieuw-Spanje, bewoonden. Deze volken beweerden, dat zij deze kosmogonie, zoowel als hunne bouwkunst, hunne hieroglyphen en hunne beschaving in het algemeen, hadden overgenomen van de Olmeken en de Xicalanken, twee machtige natiën, die vóór hen in het land hadden gewoond, en die zich beroemden van overouden oorsprong te zijn.De zegepraal der Incas in Peru, waardoor vele volksstammen van de Andes uit hunne woonplaatsen werden verdreven, ontnam ook aan de Aymaras het land, dat zij sinds zoo langen tijd in bezit hadden gehad. Reeds onder Sinchi-Roca, den tweeden Keizer van Peru, hadden de Aymaras de provincie van Cuzco verlaten, en zich al verder en verder naar het westen teruggetrokken, om aan de heerschappij van de Zonen der Zon te ontkomen. De derde Inca, Lloque-Yupanqui, ondernam een krijgstocht naar dat gedeelte van Collao, waarvan het meer Titicaca met zijne monumenten als het middelpunt kan worden beschouwd; hij onderwierp de Aymaras, in het zuiden gevestigd, en liet de anderen, die meer westwaarts woonden, met rust. Mayta-Capac, zijn opvolger, tastte deze natie van twee zijden tegelijk aan. Na de Aymaras van Tiahuanacu, in Bolivia, onderworpen te hebben, richtte hij zijne wapenen tegen die van Parihuanacocha, het Flamingo-meer, nabij den vijftienden graad gelegen, en bracht ook hen ten onder.Door deze veroveringen, die onder elken nieuwen Keizer steeds verder werden uitgebreid, werden de nog vrijgebleven Aymaras naar de kusten van den Stillen-oceaan teruggedrongen. Sommige familiën van dit volk hadden zich gevestigd aan den ingang der westelijke valleien, waar hunne overblijfselen nog heden gevonden worden; anderen waren tot den oever der zee doorgetrokken, en hadden zich daar vermengd met de vischetende stammen, die destijds dat gedeelte der kust bewoonden. Toen, in de vijftiende eeuw, de Inca Capac-Yupanqui de grenzen van zijn rijk tot aan Chili had uitgebreid, werden ook deze stammen, en met hen de Aymaras, bijna geheel uitgeroeid. Alleen zij, die zich reeds vroeger aan de heerschappij der Incas onderworpen hadden, bleven in de Sierra gevestigd, in een gedeelte der landstreek, waarin weleer hunne vaderen gewoond hadden. Tegenwoordig telt men nog ongeveer tweehonderd-duizend dier oude inboorlingen, langs de grenzen van Bolivia, en in de zeven departementen van die republiek verstrooid.Bij dit volk heerschte eene zonderlinge gewoonte, die het den ethnograaf gemakkelijk maakt hun spoor te volgen: de gewoonte namelijk, om den schedel der pasgeboren kinderen, door samenpersing tusschen twee met katoen bekleede plankjes, een ovalen kegelvorm te geven. De geraamten van Aymaras, die men in de nabijheid der zee, tusschen den zestienden en den achttienden graad, vindt, zijn aanstonds kenbaar aan dien eigenaardigen langwerpigen vorm van hun schedel, dien ik niet beter weet te vergelijken dan bij een ei, waarvan een der punten het gelaat voorstelt.Niet minder vreemd was de wijze van ter aardebestelling, bij deze Indianen, tijdens hun bloei, in gebruik, en die men bij geen enkel ander volk van Zuid-Amerika terug vindt. Hunne graven,chulpasgenaamd, hadden de gedaante van eene afgeknotte pyramide, van twintig tot dertig voet, hoog. Deze pyramide, uit ongebakken tichelsteenen samengesteld, liep naar boven smaller toe, en herinnerde door hare algemeene gedaante, aan de mexikaanscheteocallis, waarvan het oorspronkelijke plan aan den tempel van Bel schijnt ontleend. Somwijlen waren deze graven niet meer dan eenvoudige cellen of kluizen van opeengestapelde steenen, met een grooten steenklomp gedekt, en niets dan eene vierkante kamer bevattende, met eene lage deur aan de westzijde en een klein raam naar het oosten uitziende. Het graf, waarin wij nu verscholen waren, was zulk een cel. Soms echter hadden deze graven de gedaante van een obelisk, waarvan de hoogte, acht of tien el, gelijk stond met tweemaal de breedte van hun grondvlak. Deze obelisken waren met een schuin dak gedekt, en uit leemaarde opgetrokken. Een graf als dat, waarin wij ons nu bevinden, was bestemd voor twaalf personen, wier lichamen, gebalsemd met denchenopodium ambrosioidesuit de naburige valleien, en in hunne kleederen gedost of gewikkeld in een wijden zak van totora-bladeren, die ter plaatse van het aangezicht open was, in een kring waren gezeten, met de voeten tegen elkander. Nevens ieder lijk bevonden zich eenige maïs-halmen, een pot met chicha, een etensbak en een lepel. Was het een man, dan voegde men daarbij een slinger, eenig jacht- of vischtuig en een kluwen wol. Bij eene vrouw plaatste meneen mandje of korfje, van jaraya-vezels gevlochten, eenige kluwen lama-wol, en eenige breinaalden, vervaardigd uit de lange zwarte doornen van dencactus quisco. Zoodra het bepaalde aantal lijken in het graf geplaatst was, werd de ingang toegemetseld. Het venster alleen bleef open, waarschijnlijk opdat de opkomende zon hare stralen in dit kalme doodenverblijf zou kunnen werpen. Nog heden vindt men enkele van deze chulpas, maar ledig en geschonden. Franschen, Duitschers, Engelschen hebben om strijd deze graven opengebroken, en de mummies, die daar hun eeuwigen slaap sliepen, in hunne ruste gestoord, en naar Europa overgebracht, waar zij nu, in eenofander museum, met hunne holle oogen achter een glazen kast zitten te staren.De sneeuw had opgehouden, de bui was afgetrokken, en wij vervolgden onzen tocht. Tegen den avond bereikten wij het gehucht Compuerta, waar wij den nacht wilden doorbrengen. De ellendige hutten schenen onbewoond: uit eene daarvan steeg een dunne rookwolk ten hemel: wij besloten, ons daar aan te melden. Bij onze naderingwerd de deur geopend; eene indiaansche vrouw stak haar hoofd naar buiten, en zag ons met een verschrikt gelaat aan. Ons voorkomen stelde haar waarschijnlijk gerust; zij vroeg althans aan mijn gids, welk gelukkig toeval hem herwaarts voerde; en hoewel zij van mij niet de minste notitie nam, verzette zij er zich ook niet tegen, toen ik, met mijn gids, de woning binnentrad.Wat Nor Medina, waarschijnlijk uit beleefdheid jegens onze gastvrouw, eene woning noemde, was niets dan eene vierkante, zwarte, berookte, door en door onreine ruimte; aan de latten van het dak hingen overal vuile, verscheurde lompen van kleederen, waarvan de oorspronkelijke kleur onkenbaar was geworden door eene dikke laag rook en roet. In het midden van het vertrek brandde een vuur van lamamest, dat een sterken muskuslucht verspreidde, die, gevoegd bij den dikken zwaren rook, oog en neus evenzeer pijnigde. Voor dat vuur stond een ketel, die waarschijnlijk het avondeten bevatte. Ik lichtte het deksel op, en zag eene soort van soep, bestaande uit klaar water en maïsmeel, waarmede de Indianen in het gebergte zich, bij gebrek van beter, voeden. Die maaltijd scheen mij wat al te mager, en terwijl ik, op een bankje voor het vuur gezeten, daarover nadacht, hoorde ik eensklaps, vlak achter mij, een haan kraaien. Ik schrikte onwillekeurig; maar, Medina met de indiaansche vrouw ziende binnenkomen, wenkte ik hem. “Ik houd niet vanelagua” zeide ik zacht tot hem, naar de soep wijzende, die in den ketel pruttelde; “maar die haan zou mij beter aanstaan; is er geen middel om hem voor ons souper te krijgen?”“Niets gemakkelijker,” antwoordde hij, op denzelfden fluisterenden toon. Daarop, zich tot de vrouw keerende: “Mamita, ga eens kijken of de muildieren niet zijn weggeloopen.” De vrouw ging heen, en bleef een oogenblik buiten. Toen zij terug kwam, begon zij luidkeels te gillen: want Nor Medina, voor het vuur zittende, hield den haan, dien hij den strot had afgesneden, tusschen zijn beenen, en was bezig den vogel te plukken.“Mamita. die haan is erg mager,” zeide mijn gids heel kalm tot haar.“O, duivelskind,” riep de vrouw in het quechua, “hond van een mesties, dief, moordenaar! Waarom hebt gij mijn geliefden haan, dien ik zelve had opgevoed, gedood?” En de ongelukkige barstte in tranen uit.“Stil, vrouw,” sprak Nor Medina, op ernstigen toon; “de elagua, die gij klaar maakt, is niet naar den smaak van dezen reiziger; en daar hij toch iets eten moest, heb ik uw haan genomen. Bovendien, wij zullen uw mageren haan betalen. Hoeveel is hij wel waard, een reaal of twee realen?”De vrouw, die aan de afpersingen en ruwe behandelingen van de afstammelingen der Spanjaarden gewoon was, scheen zeer verbaasd, dat men nu haar aanbood te betalen, wat men tot dusver eenvoudig weggenomen had. Hare tranen droogden plotseling: en toen ik haar een stuk van vier realen in de hand stopte, was zij al spoedig zoo geheel met de zaak verzoend, dat zij zelfs Medina hielp bij het plukken en bereiden van den haan. Terwijl mijn souper over het vuur hing, hoorden wij van buiten een geluid van stemmen. “Dat is Juan, die met zijne vrienden van de mijn terugkomt,” zeide de vrouw. Nauwelijks had zij dit gezegd, of vier Indianen, geheel in hunne gestreepte ponchos gewikkeld, traden de hut binnen. De tegenwoordigheid van vreemdelingen ontstemde hen blijkbaar; maar de vriendelijke begroeting van Nor Medina, en vooral het gezicht van den halven piaster, dien de vrouw aan haar man toonde, verdreef spoedig de booze bui. Terwijl de nieuw aangekomenen zich van hunne mantels ontdeden, stak de vrouw een dierharsachtigetoortsen aan, die veel meer walm dan licht verspreiden; de Quechuas zetten zich op den grond neder, en haalden uit hunne knapzakken een houten nap, dien zij aan de vrouw reikten, en dien deze tot den rand met heete elagua vulde. Zij plaatsten daarop de volle schaal op de toppen hunner vijf vingers, lieten ze vrij snel in de rondte draaien, en slurpten zoo de soep langs den rand op, waarbij zij allerlei wonderlijke gezichten trokken.Eindelijk was ook mijn souper gereed. Nor Medina spreidde het dekkleed van mijn zadel op den grond uit, zette de terrine met den gekookten haan daarop, legde een puntig gesneden stukje hout, dat de plaats van een vork vervullen moest, daarnaast, en noodigde mij uit tot den avondmaaltijd. Ik liet mij niet onbetuigd, ook al was de vogel wat taai, en verzuimde ook niet, onze gastvrouw een deel van den maaltijd aan te bieden, dat haar uitnemend scheen te smaken. Kort daarop verlieten ons de Quechuas; met de vrouw begaven zij zich naar de naburige hut, ons de woning voor den nacht overlatende. Het duurde niet lang, of wij lagen voor het vuur uitgestrekt, en waren weldra in een diepen slaap gedompeld.Den volgenden morgen, reeds ten zes ure, begaven wij ons weder op weg, overnachtten dien avond bij den eerwaardigen pastoor van het dorp Cabana, en bereikten den dag daarna, tegen het vallen van den avond, de stad Lampa. Het was reeds donker, toen wij onzen intocht hielden in dit zeer onaanzienlijkestedeke, dat mij bijna uitgestorven toescheen. Op het marktplein gekomen, vroeg ik aan een koopman in aardewerk, die juist bezig was zijne uitgestalde borden, potten en schotels naar binnen te brengen, waar don Firmin de Vara y Pancorbo, koopman in manufacturen, woonde, voor wien ik een aanbevelingsbrief bij mij had. Hij wees mij een huis op het plein, waarvan de vensters straalden van licht. Daar viel ik, zooals men zegt, met mijn neus in de boter. De koopman vierde het feest van zijn heiligen patroon, en had eenige heeren en dames van zijne kennis bij zich genoodigd, in wier kring hij mij nu introduceerde. Het ging daar bijzonder lustig toe; en het spijt mij, te moeten erkennen, dat het feest al vrij spoedig zulk een karakter aannam, dat ik het raadzaam oordeelde mij ongemerkt te verwijderen. Een der bedienden wees mij de slaapkamer van zijn heer, waar ik, ondanks het helsch rumoer in de feestzaal, den ganschen nacht rustig sliep. Toen ik den volgenden morgen afscheid wilde nemen van mijn gastheer, bracht de bediende mij naar de zaal, waar den vorigen avond feest gehouden was. Hij opende even de deur, en ik zag een schouwspel, waarvan men mij de beschrijving sparen zal. Eenige oogenblikken later zat ik in den zadel.Lampa verlatende, vervolgden wij onzen tocht door een eentonig landschap: een heuvelachtige hei, met heidekruid en kort gras begroeid. Nauwelijks waren wij voorbij het eerste station, of wij vernamen achter ons, steeds naderbij, de tonen eener pansfluit. Ik keerde mij om, om te ontdekken van waar deze melodie kwam, en zag een man, die met haastigen tred naar ons toekwam; hij hield een mager paard bij den teugel, dat achter hem aan draafde, beladen met een lederen brievenzak.De dokter en zijn patiënt.De dokter en zijn patiënt.“Dat is decorreo real(koninklijke koerier) die van Puno naar Cuzco gaat,” zeide mijn gids.“Zegcorreo nacional,” hernam ik: “het woordkoninklijkis, als oproerleuze, geschrapt in het woordenboek van elke fatsoenlijke republiek.”De arriero keek mij met verbazing aan, en stond waarschijnlijk op het punt mij uitlegging van die woorden te vragen, toen de postbode ons inhaalde. Hij groette ons beleefd, en knoopte een praatje aan met onzen gids, wien hij vroeg van waar wij kwamen en waarheen wij gingen. Na vervolgens nog een weinig over het weer, de slechte wegen in de Sierra en het gebrek aan levensmiddelen gesproken te hebben, nam hij afscheid en dribbelde weer voort.Tegen den avond kwamen wij te Pucara, een akelig dorp, uit hoogstens een honderdtal, deels leemen hutten bestaande. Het heeft volstrekt niets merkwaardigs, dan zijn kerk, die betrekkelijk groot mag worden genoemd en met twee half houten torens prijkt; verder is het vooral bekend om de kermis of jaarmarkt, die daar telken jare in December gehouden wordt, en die, met de jaarmarkt van Vilque, tot de belangrijkste van Peru behoort. Dan staat de vlakte voor het dorp vol tenten en kramen, waar allerlei dingen, voornamelijk producten van europeesche nijverheid. zij het dan ook niet veel bijzonders, worden verkocht. Dan beweegt zich daartusschen eene dichte menschenmassa, deels om te koopen en te verkoopen; deels om getuige te zijn van de vertooningen van goochelaars, koorddansers, kunstenaars van allerlei soort, die in den regel bij dergelijke gelegenheden niet ontbreken. Dan heeft Pucara een gansch ander aanzien dan thans, nu wij er niets vinden dan den zieken postmeester, die met een gezwollen koon in zijn bed lag, en voor wien men mijn raad inriep. Ik schreef een eenvoudige pap van brood en melk voor; maar de Indiaan, die mij had geraadpleegd, achtte dat dit goed was voor kleine kinderen. Hij maakte daarop zelf een ander middel klaar: een mengsel van chicha met vet, fijn gestampte coca-bladeren en asch; dit mengsel liet hij koken, gaf daarvan den patiënt de helft te drinken, en wiesch hem met de andere het gelaat. Tot mijne groote verbazing was de postmeester den volgenden morgen, bij ons vertrek, waarschijnlijk ondanks de kuur, veel beter.Het maïskauwen.Het maïskauwen.

IV.Ten noorden van Arequipa strekt zich eene zandwoestijn uit, la Pampilla genaamd, die ge, op een goeden draf, in een half uur doorrijden kunt; aan degrens dier zandige vlakte begint de weg te stijgen; al steiler en bezwaarlijker wordt de helling, tot ge eindelijk, uitgeput van vermoeienis en bibberende van kou, Apo bereikt, het eerste station in de Sierra-Nevada.De reiziger, die hier den nacht doorbrengt om zijne beesten te laten uitrusten, kan op zijn gemak de wonderen van een poollandschap aanschouwen. Noordwaarts, voor hem uit, is de grond bedekt met vaste harde sneeuw; de beken slapen gerust onder haar ijsdek; de watervallen zijn in een verwarde ophooping van stalactiten herschapen; en ten noordoosten verheffen zich eenige besneeuwde toppen van de Andesketen, als bleeke schimmen, in de lucht. De thermometer staat op twaalf tot veertien graden onder nul.Dit zoogenaamde station van Apo, waar ik tegen het vallen van den avond aankwam, gelijkt op alle dergelijke inrichtingen in Peru, waar men niet bijzonder veel zorg voor de reizigers draagt; dat wil zeggen, het is niets meer dan eene tamelijk ruime hut, in twee vertrekken verdeeld, en meer of minder vervallen, naar gelang men zich van de groote steden verwijdert. Een vierkante, ongedekte ruimte, met groote, op elkander gestapelde steenblokken omzoomd, dient tot stalling voor de muildieren der reizigers. Zij zelven moeten zich tevreden stellen met een der beide vertrekken in de hut; zij slapen op den grond, als zij niet de voorzorg hebben gebruikt, een matras mede te nemen, bibberen den ganschen nacht van koude, en staan zoo vroeg mogelijk op, om aan eene kwelling te ontkomen, die zij aan het volgende station toch zullen wedervinden.Den volgenden morgen hervatten wij, mijn muilezeldrijver Nor Medina en ik, onzen tocht, te midden van eindelooze sneeuw- en ijsvelden, en zonder dat wij eenig levend schepsel zagen, met uitzondering van eenige condors, die hoog boven ons in de lucht zweefden, en ettelijke vigognas op de berghellingen. Ten vijf ure zagen wij, tusschen de rotsen verborgen, het station van Pachaca, waar ik mij had voorgenomen den nacht door te brengen; maar het station was gesloten, en al ons roepen en schreeuwen bleef onbeantwoord. Wij waren dus wel genoodzaakt, eene dubbele dagreis te maken, en door te rijden tot aan Huallata, waar wij des avonds ten negen ure aankwamen.Dit wachthuis van Huallata, op een eenzamen bergtop gelegen, te midden van sneeuwvelden en afgronden, blootgesteld aan alle winden, dikwerf door ijzige nevels omhuld, maakt een boven alles treurigen en akeligen indruk. Gelukkig vonden wij hier een tamelijk goed onthaal; nadat ik een kop chocolade en een stuk geroosterd brood gebruikt had, begaf ik mij naar het vertrek voor de reizigers bestemd, waar ik mijn nachttoilet maakte, terwijl Nor Medina, zoo goed hij kon, de gaten en spleten in den muur dicht stopte. Een vuur van lamamest werd in het midden van het vertrek aangelegd, en een Indiaan van het posthuis nam, tegen eene kleine belooning, op zich, dit vuur gedurende den nacht aan te houden. Dank zij den ijver van onzen waker, heerschte er althans in de kamer eene dragelijke temperatuur.Den volgenden morgen was het doordringend koud; wij huiverden en rilden onder onze mantels, toen wij het posthuis van Huallata verlieten en, den weg naar Cuzco ter linkerhand latende liggen, de rijzende zon te gemoet trokken. Men kan in elken tijd des jaars de Andes overtrekken; maar de meest geschikte tijdstippen voor zulk een tocht zijn de maanden April en September. In April vindt men geene sneeuw, dan alleen op de plaatsen, waar zij nimmer smelt. In September is de sneeuw, die van Juni tot Augustus de wegen bedekt, reeds gesmolten en naar de zee afgevloeid.Daar wij toen in Juli, dat wil zeggen in het hart van den winter, waren, moesten wij er op rekenen door een dier stormen overvallen te worden, die doorgaans in den achtermiddag losbreken, tenzij de hemel—wat niet te verwachten was—te onzen gerieve een paar dagen helder bleef. Wij trokken door eene steenachtige en zeer heuvelachtige streek, waar ik, zonder hulp van mijn gids, ongetwijfeld zou zijn verdwaald geraakt; maar Nor Medina was een ervaren leidsman, op wien ik mij veilig verlaten kon. Tegen twee uren vertoonden zich aan den hemel eenige witte wolkjes, die de landlieden zeer plastisch schapenwolkjes en de geleerdencirro-cumulinoemen. Binnen weinige oogenblikken namen deze wolken ziender ooge in omvang toe, naderden elkander, en benevelden de zonneschijf. Blijkbaar was er een storm in aantocht. Wij zagen in het rond, of wij ergens eene schuilplaats konden vinden; maar nergens was iets van dien aard te zien. Zelfs in de bergen was geen grot of spleet te bespeuren, waar wij ons konden verschuilen; wij zetten dus onze muildieren in draf, zonder zelven te weten waar wij komen zouden, maar alleen gedreven door de instinktmatige behoefte om ons tegen het dreigende gevaar in veiligheid te stellen. Weldra stak de wind op; geweldige vlagen dreven de wolken bijeen, die van oogenblik tot oogenblik donkerder werden; de donder rolde steeds naderbij, terwijl blauwe bliksemstralen de zwarte lucht doorkruisten. Onze muilezels liepen zoo snel zij konden, maar het was niet mogelijk, de geweldige bui, die op de vleugelen van den storm naderde, te ontkomen.Eensklaps, bij een daverenden donderslag, was het of de wolken barstten, en een geweldige massa hagelsteenen kletterde naar beneden. Wij doken huiverende ineen en wikkelden ons in onze mantels; terwijl onze arme muilezels, aan al de woede van de bui blootgesteld, hinnikten van pijn, als hen de scherpe hagelsteenen de oogen of den neus troffen. Straks hield de hagel op, maar om nu vervangen te worden door eene zoo dichte sneeuwjacht, dat wij letterlijk geen vier passen voor ons uit konden zien. In een oogenblik was het landschap als met eene onmetelijke wade overdekt. Wij reden zoo, bijna op den tast, ongeveer een half uur voort, toen zich eensklaps een donkere massa voor onze oogen teekende. “God zij gedankt!” riep Nor Medina, zijn muilezel wendende naar de zijde van dit gebouw, van welks eigenlijken aard en bestemming ik mij nog geen rekenschap geven kon. Naderbij gekomen, riep hij mij toe, af te stijgen. Ikgehoorzaamde des te bereidwilliger, daar de deur van dat gebouw wijd openstond. Zij was echter zoo laag, dat ik niet dan op mijne knieën kruipende naar binnen kon komen. Terwijl ik daarmede bezig was, ontdeed Nor Medina de muildieren van hun tuig, en kroop toen mede door de opening, om zich bij mij te voegen. De sneeuw dwarrelde nog steeds in dichte vlokken neder.Een peruaansche dandy.Een peruaanschedandy.De schuilplaats, die wij zoo te goeder uur hadden ontdekt, was een soort van ruime cel, uit ontzaglijke steenblokken opgetrokken, en met een reusachtig blok gedekt. Door een klein venster, aan de naar het oosten gekeerde zijde, ter manshoogte in den wand aangebracht, viel een schemerlicht naar binnen. Dit graf—want het was een graf—had misschien een omtrek van tien voet in het vierkant, bij eene hoogte van acht voet. De muren, schuin naar boven toeloopende als die der oud-egyptische monumenten, en ontzaglijk dik, hadden waarschijnlijk menigen storm getart en vele eeuwen zien voorbijgaan. Ik vroeg aan mijn gids, wat hij van dit gedenkteeken wist, en of zich ook eenige overlevering aan dit graf verbond. Zijne onvolledige inlichtingen uit nader ingewonnen berichten aanvullende, kan ik het volgende mededeelen.De kermis te Pucara.De kermis te Pucara.Toen de Zonen der Zon zich in Peru kwamen vestigen, vonden zij daar het groote volk der Aymaras, in de wijde landstreek, die zich van Lampa tot aan de grenzen van den Desaguadero uitstrekt, en, onder den naam van Collao, de Punas of bergvlakten ten oosten van de Andesketen omvat. Deze landstreek, ongeveer negentig mijlen lang en gemiddeld dertig mijlen breed, bevatte een aantal tempels, paleizen, verschillende monumenten, sommigen ongeschonden, sommigen in puin gevallen, en die zoowel door hunne architectuur als door het beeldwerk, waarmede zij prijkten, getuigenis gaven van eene zeer ontwikkelde beschaving.De Aymaras, die aan deze gedenkteekenen eene hooge oudheid toekenden, beweerden dat zij afkomstig waren van de Collahuas, een volk, waarvan zij zich beroemden af te stammen. Volgens hen, zou deze natie, in vroeger tijd, uit een ver land, ten noorden van Peru, zijn gekomen, en zou langen tijd op verschillende plaatsen hebben vertoefd, alvorens zich in de peruaansche hoogvlakten te vestigen, die sedert naar hen den naam van Collao droegen.Naar het zeggen der Aymaras, zou, uit hieroglyphische teekeningen, waarvan alleen de opperhoofden de verklaring kenden, blijken, dat deze Collahuas leerden, dat de zon, die hen bescheen, reeds was voorafgegegaan door vier andere zonnen, die achtereenvolgens waren uitgebluscht: en wel door eene overstrooming, door een aardbeving, door een algemeenen wereldbrand, en door een orkaan; telkenmale was ook al het geschapene mede te gronde gegaan. Na het verdwijnen van de vierde zon, was de wereld vijf-en-twintig jaar lang in duisternis gedompeld geweest. In dien nacht, en tien jaar voor de verschijning van de vijfde zon, was het menschelijk geslacht op nieuw in het aanzijn getreden. De Schepper had toen andermaal een man en eene vrouw gevormd, en vervolgens ook de vijfde zon geschapen, die nu reeds sedert duizend jaren bestond.Deze zelfde kosmogonie, welke de Aymaras aan de Collahuas hadden ontleend, wordt ook gevonden bij eene geheele groep van volken, die allen dezelfde taal spraken: de Tolteken, de Cicimeken, de Nahuatlaken, de Acolhuen, de Tlascalteken, de Azteken, enz., die, omstreeks de eerste eeuw van onze jaartelling, het land Auahuac, in het latere Nieuw-Spanje, bewoonden. Deze volken beweerden, dat zij deze kosmogonie, zoowel als hunne bouwkunst, hunne hieroglyphen en hunne beschaving in het algemeen, hadden overgenomen van de Olmeken en de Xicalanken, twee machtige natiën, die vóór hen in het land hadden gewoond, en die zich beroemden van overouden oorsprong te zijn.De zegepraal der Incas in Peru, waardoor vele volksstammen van de Andes uit hunne woonplaatsen werden verdreven, ontnam ook aan de Aymaras het land, dat zij sinds zoo langen tijd in bezit hadden gehad. Reeds onder Sinchi-Roca, den tweeden Keizer van Peru, hadden de Aymaras de provincie van Cuzco verlaten, en zich al verder en verder naar het westen teruggetrokken, om aan de heerschappij van de Zonen der Zon te ontkomen. De derde Inca, Lloque-Yupanqui, ondernam een krijgstocht naar dat gedeelte van Collao, waarvan het meer Titicaca met zijne monumenten als het middelpunt kan worden beschouwd; hij onderwierp de Aymaras, in het zuiden gevestigd, en liet de anderen, die meer westwaarts woonden, met rust. Mayta-Capac, zijn opvolger, tastte deze natie van twee zijden tegelijk aan. Na de Aymaras van Tiahuanacu, in Bolivia, onderworpen te hebben, richtte hij zijne wapenen tegen die van Parihuanacocha, het Flamingo-meer, nabij den vijftienden graad gelegen, en bracht ook hen ten onder.Door deze veroveringen, die onder elken nieuwen Keizer steeds verder werden uitgebreid, werden de nog vrijgebleven Aymaras naar de kusten van den Stillen-oceaan teruggedrongen. Sommige familiën van dit volk hadden zich gevestigd aan den ingang der westelijke valleien, waar hunne overblijfselen nog heden gevonden worden; anderen waren tot den oever der zee doorgetrokken, en hadden zich daar vermengd met de vischetende stammen, die destijds dat gedeelte der kust bewoonden. Toen, in de vijftiende eeuw, de Inca Capac-Yupanqui de grenzen van zijn rijk tot aan Chili had uitgebreid, werden ook deze stammen, en met hen de Aymaras, bijna geheel uitgeroeid. Alleen zij, die zich reeds vroeger aan de heerschappij der Incas onderworpen hadden, bleven in de Sierra gevestigd, in een gedeelte der landstreek, waarin weleer hunne vaderen gewoond hadden. Tegenwoordig telt men nog ongeveer tweehonderd-duizend dier oude inboorlingen, langs de grenzen van Bolivia, en in de zeven departementen van die republiek verstrooid.Bij dit volk heerschte eene zonderlinge gewoonte, die het den ethnograaf gemakkelijk maakt hun spoor te volgen: de gewoonte namelijk, om den schedel der pasgeboren kinderen, door samenpersing tusschen twee met katoen bekleede plankjes, een ovalen kegelvorm te geven. De geraamten van Aymaras, die men in de nabijheid der zee, tusschen den zestienden en den achttienden graad, vindt, zijn aanstonds kenbaar aan dien eigenaardigen langwerpigen vorm van hun schedel, dien ik niet beter weet te vergelijken dan bij een ei, waarvan een der punten het gelaat voorstelt.Niet minder vreemd was de wijze van ter aardebestelling, bij deze Indianen, tijdens hun bloei, in gebruik, en die men bij geen enkel ander volk van Zuid-Amerika terug vindt. Hunne graven,chulpasgenaamd, hadden de gedaante van eene afgeknotte pyramide, van twintig tot dertig voet, hoog. Deze pyramide, uit ongebakken tichelsteenen samengesteld, liep naar boven smaller toe, en herinnerde door hare algemeene gedaante, aan de mexikaanscheteocallis, waarvan het oorspronkelijke plan aan den tempel van Bel schijnt ontleend. Somwijlen waren deze graven niet meer dan eenvoudige cellen of kluizen van opeengestapelde steenen, met een grooten steenklomp gedekt, en niets dan eene vierkante kamer bevattende, met eene lage deur aan de westzijde en een klein raam naar het oosten uitziende. Het graf, waarin wij nu verscholen waren, was zulk een cel. Soms echter hadden deze graven de gedaante van een obelisk, waarvan de hoogte, acht of tien el, gelijk stond met tweemaal de breedte van hun grondvlak. Deze obelisken waren met een schuin dak gedekt, en uit leemaarde opgetrokken. Een graf als dat, waarin wij ons nu bevinden, was bestemd voor twaalf personen, wier lichamen, gebalsemd met denchenopodium ambrosioidesuit de naburige valleien, en in hunne kleederen gedost of gewikkeld in een wijden zak van totora-bladeren, die ter plaatse van het aangezicht open was, in een kring waren gezeten, met de voeten tegen elkander. Nevens ieder lijk bevonden zich eenige maïs-halmen, een pot met chicha, een etensbak en een lepel. Was het een man, dan voegde men daarbij een slinger, eenig jacht- of vischtuig en een kluwen wol. Bij eene vrouw plaatste meneen mandje of korfje, van jaraya-vezels gevlochten, eenige kluwen lama-wol, en eenige breinaalden, vervaardigd uit de lange zwarte doornen van dencactus quisco. Zoodra het bepaalde aantal lijken in het graf geplaatst was, werd de ingang toegemetseld. Het venster alleen bleef open, waarschijnlijk opdat de opkomende zon hare stralen in dit kalme doodenverblijf zou kunnen werpen. Nog heden vindt men enkele van deze chulpas, maar ledig en geschonden. Franschen, Duitschers, Engelschen hebben om strijd deze graven opengebroken, en de mummies, die daar hun eeuwigen slaap sliepen, in hunne ruste gestoord, en naar Europa overgebracht, waar zij nu, in eenofander museum, met hunne holle oogen achter een glazen kast zitten te staren.De sneeuw had opgehouden, de bui was afgetrokken, en wij vervolgden onzen tocht. Tegen den avond bereikten wij het gehucht Compuerta, waar wij den nacht wilden doorbrengen. De ellendige hutten schenen onbewoond: uit eene daarvan steeg een dunne rookwolk ten hemel: wij besloten, ons daar aan te melden. Bij onze naderingwerd de deur geopend; eene indiaansche vrouw stak haar hoofd naar buiten, en zag ons met een verschrikt gelaat aan. Ons voorkomen stelde haar waarschijnlijk gerust; zij vroeg althans aan mijn gids, welk gelukkig toeval hem herwaarts voerde; en hoewel zij van mij niet de minste notitie nam, verzette zij er zich ook niet tegen, toen ik, met mijn gids, de woning binnentrad.Wat Nor Medina, waarschijnlijk uit beleefdheid jegens onze gastvrouw, eene woning noemde, was niets dan eene vierkante, zwarte, berookte, door en door onreine ruimte; aan de latten van het dak hingen overal vuile, verscheurde lompen van kleederen, waarvan de oorspronkelijke kleur onkenbaar was geworden door eene dikke laag rook en roet. In het midden van het vertrek brandde een vuur van lamamest, dat een sterken muskuslucht verspreidde, die, gevoegd bij den dikken zwaren rook, oog en neus evenzeer pijnigde. Voor dat vuur stond een ketel, die waarschijnlijk het avondeten bevatte. Ik lichtte het deksel op, en zag eene soort van soep, bestaande uit klaar water en maïsmeel, waarmede de Indianen in het gebergte zich, bij gebrek van beter, voeden. Die maaltijd scheen mij wat al te mager, en terwijl ik, op een bankje voor het vuur gezeten, daarover nadacht, hoorde ik eensklaps, vlak achter mij, een haan kraaien. Ik schrikte onwillekeurig; maar, Medina met de indiaansche vrouw ziende binnenkomen, wenkte ik hem. “Ik houd niet vanelagua” zeide ik zacht tot hem, naar de soep wijzende, die in den ketel pruttelde; “maar die haan zou mij beter aanstaan; is er geen middel om hem voor ons souper te krijgen?”“Niets gemakkelijker,” antwoordde hij, op denzelfden fluisterenden toon. Daarop, zich tot de vrouw keerende: “Mamita, ga eens kijken of de muildieren niet zijn weggeloopen.” De vrouw ging heen, en bleef een oogenblik buiten. Toen zij terug kwam, begon zij luidkeels te gillen: want Nor Medina, voor het vuur zittende, hield den haan, dien hij den strot had afgesneden, tusschen zijn beenen, en was bezig den vogel te plukken.“Mamita. die haan is erg mager,” zeide mijn gids heel kalm tot haar.“O, duivelskind,” riep de vrouw in het quechua, “hond van een mesties, dief, moordenaar! Waarom hebt gij mijn geliefden haan, dien ik zelve had opgevoed, gedood?” En de ongelukkige barstte in tranen uit.“Stil, vrouw,” sprak Nor Medina, op ernstigen toon; “de elagua, die gij klaar maakt, is niet naar den smaak van dezen reiziger; en daar hij toch iets eten moest, heb ik uw haan genomen. Bovendien, wij zullen uw mageren haan betalen. Hoeveel is hij wel waard, een reaal of twee realen?”De vrouw, die aan de afpersingen en ruwe behandelingen van de afstammelingen der Spanjaarden gewoon was, scheen zeer verbaasd, dat men nu haar aanbood te betalen, wat men tot dusver eenvoudig weggenomen had. Hare tranen droogden plotseling: en toen ik haar een stuk van vier realen in de hand stopte, was zij al spoedig zoo geheel met de zaak verzoend, dat zij zelfs Medina hielp bij het plukken en bereiden van den haan. Terwijl mijn souper over het vuur hing, hoorden wij van buiten een geluid van stemmen. “Dat is Juan, die met zijne vrienden van de mijn terugkomt,” zeide de vrouw. Nauwelijks had zij dit gezegd, of vier Indianen, geheel in hunne gestreepte ponchos gewikkeld, traden de hut binnen. De tegenwoordigheid van vreemdelingen ontstemde hen blijkbaar; maar de vriendelijke begroeting van Nor Medina, en vooral het gezicht van den halven piaster, dien de vrouw aan haar man toonde, verdreef spoedig de booze bui. Terwijl de nieuw aangekomenen zich van hunne mantels ontdeden, stak de vrouw een dierharsachtigetoortsen aan, die veel meer walm dan licht verspreiden; de Quechuas zetten zich op den grond neder, en haalden uit hunne knapzakken een houten nap, dien zij aan de vrouw reikten, en dien deze tot den rand met heete elagua vulde. Zij plaatsten daarop de volle schaal op de toppen hunner vijf vingers, lieten ze vrij snel in de rondte draaien, en slurpten zoo de soep langs den rand op, waarbij zij allerlei wonderlijke gezichten trokken.Eindelijk was ook mijn souper gereed. Nor Medina spreidde het dekkleed van mijn zadel op den grond uit, zette de terrine met den gekookten haan daarop, legde een puntig gesneden stukje hout, dat de plaats van een vork vervullen moest, daarnaast, en noodigde mij uit tot den avondmaaltijd. Ik liet mij niet onbetuigd, ook al was de vogel wat taai, en verzuimde ook niet, onze gastvrouw een deel van den maaltijd aan te bieden, dat haar uitnemend scheen te smaken. Kort daarop verlieten ons de Quechuas; met de vrouw begaven zij zich naar de naburige hut, ons de woning voor den nacht overlatende. Het duurde niet lang, of wij lagen voor het vuur uitgestrekt, en waren weldra in een diepen slaap gedompeld.Den volgenden morgen, reeds ten zes ure, begaven wij ons weder op weg, overnachtten dien avond bij den eerwaardigen pastoor van het dorp Cabana, en bereikten den dag daarna, tegen het vallen van den avond, de stad Lampa. Het was reeds donker, toen wij onzen intocht hielden in dit zeer onaanzienlijkestedeke, dat mij bijna uitgestorven toescheen. Op het marktplein gekomen, vroeg ik aan een koopman in aardewerk, die juist bezig was zijne uitgestalde borden, potten en schotels naar binnen te brengen, waar don Firmin de Vara y Pancorbo, koopman in manufacturen, woonde, voor wien ik een aanbevelingsbrief bij mij had. Hij wees mij een huis op het plein, waarvan de vensters straalden van licht. Daar viel ik, zooals men zegt, met mijn neus in de boter. De koopman vierde het feest van zijn heiligen patroon, en had eenige heeren en dames van zijne kennis bij zich genoodigd, in wier kring hij mij nu introduceerde. Het ging daar bijzonder lustig toe; en het spijt mij, te moeten erkennen, dat het feest al vrij spoedig zulk een karakter aannam, dat ik het raadzaam oordeelde mij ongemerkt te verwijderen. Een der bedienden wees mij de slaapkamer van zijn heer, waar ik, ondanks het helsch rumoer in de feestzaal, den ganschen nacht rustig sliep. Toen ik den volgenden morgen afscheid wilde nemen van mijn gastheer, bracht de bediende mij naar de zaal, waar den vorigen avond feest gehouden was. Hij opende even de deur, en ik zag een schouwspel, waarvan men mij de beschrijving sparen zal. Eenige oogenblikken later zat ik in den zadel.Lampa verlatende, vervolgden wij onzen tocht door een eentonig landschap: een heuvelachtige hei, met heidekruid en kort gras begroeid. Nauwelijks waren wij voorbij het eerste station, of wij vernamen achter ons, steeds naderbij, de tonen eener pansfluit. Ik keerde mij om, om te ontdekken van waar deze melodie kwam, en zag een man, die met haastigen tred naar ons toekwam; hij hield een mager paard bij den teugel, dat achter hem aan draafde, beladen met een lederen brievenzak.De dokter en zijn patiënt.De dokter en zijn patiënt.“Dat is decorreo real(koninklijke koerier) die van Puno naar Cuzco gaat,” zeide mijn gids.“Zegcorreo nacional,” hernam ik: “het woordkoninklijkis, als oproerleuze, geschrapt in het woordenboek van elke fatsoenlijke republiek.”De arriero keek mij met verbazing aan, en stond waarschijnlijk op het punt mij uitlegging van die woorden te vragen, toen de postbode ons inhaalde. Hij groette ons beleefd, en knoopte een praatje aan met onzen gids, wien hij vroeg van waar wij kwamen en waarheen wij gingen. Na vervolgens nog een weinig over het weer, de slechte wegen in de Sierra en het gebrek aan levensmiddelen gesproken te hebben, nam hij afscheid en dribbelde weer voort.Tegen den avond kwamen wij te Pucara, een akelig dorp, uit hoogstens een honderdtal, deels leemen hutten bestaande. Het heeft volstrekt niets merkwaardigs, dan zijn kerk, die betrekkelijk groot mag worden genoemd en met twee half houten torens prijkt; verder is het vooral bekend om de kermis of jaarmarkt, die daar telken jare in December gehouden wordt, en die, met de jaarmarkt van Vilque, tot de belangrijkste van Peru behoort. Dan staat de vlakte voor het dorp vol tenten en kramen, waar allerlei dingen, voornamelijk producten van europeesche nijverheid. zij het dan ook niet veel bijzonders, worden verkocht. Dan beweegt zich daartusschen eene dichte menschenmassa, deels om te koopen en te verkoopen; deels om getuige te zijn van de vertooningen van goochelaars, koorddansers, kunstenaars van allerlei soort, die in den regel bij dergelijke gelegenheden niet ontbreken. Dan heeft Pucara een gansch ander aanzien dan thans, nu wij er niets vinden dan den zieken postmeester, die met een gezwollen koon in zijn bed lag, en voor wien men mijn raad inriep. Ik schreef een eenvoudige pap van brood en melk voor; maar de Indiaan, die mij had geraadpleegd, achtte dat dit goed was voor kleine kinderen. Hij maakte daarop zelf een ander middel klaar: een mengsel van chicha met vet, fijn gestampte coca-bladeren en asch; dit mengsel liet hij koken, gaf daarvan den patiënt de helft te drinken, en wiesch hem met de andere het gelaat. Tot mijne groote verbazing was de postmeester den volgenden morgen, bij ons vertrek, waarschijnlijk ondanks de kuur, veel beter.Het maïskauwen.Het maïskauwen.

IV.Ten noorden van Arequipa strekt zich eene zandwoestijn uit, la Pampilla genaamd, die ge, op een goeden draf, in een half uur doorrijden kunt; aan degrens dier zandige vlakte begint de weg te stijgen; al steiler en bezwaarlijker wordt de helling, tot ge eindelijk, uitgeput van vermoeienis en bibberende van kou, Apo bereikt, het eerste station in de Sierra-Nevada.De reiziger, die hier den nacht doorbrengt om zijne beesten te laten uitrusten, kan op zijn gemak de wonderen van een poollandschap aanschouwen. Noordwaarts, voor hem uit, is de grond bedekt met vaste harde sneeuw; de beken slapen gerust onder haar ijsdek; de watervallen zijn in een verwarde ophooping van stalactiten herschapen; en ten noordoosten verheffen zich eenige besneeuwde toppen van de Andesketen, als bleeke schimmen, in de lucht. De thermometer staat op twaalf tot veertien graden onder nul.Dit zoogenaamde station van Apo, waar ik tegen het vallen van den avond aankwam, gelijkt op alle dergelijke inrichtingen in Peru, waar men niet bijzonder veel zorg voor de reizigers draagt; dat wil zeggen, het is niets meer dan eene tamelijk ruime hut, in twee vertrekken verdeeld, en meer of minder vervallen, naar gelang men zich van de groote steden verwijdert. Een vierkante, ongedekte ruimte, met groote, op elkander gestapelde steenblokken omzoomd, dient tot stalling voor de muildieren der reizigers. Zij zelven moeten zich tevreden stellen met een der beide vertrekken in de hut; zij slapen op den grond, als zij niet de voorzorg hebben gebruikt, een matras mede te nemen, bibberen den ganschen nacht van koude, en staan zoo vroeg mogelijk op, om aan eene kwelling te ontkomen, die zij aan het volgende station toch zullen wedervinden.Den volgenden morgen hervatten wij, mijn muilezeldrijver Nor Medina en ik, onzen tocht, te midden van eindelooze sneeuw- en ijsvelden, en zonder dat wij eenig levend schepsel zagen, met uitzondering van eenige condors, die hoog boven ons in de lucht zweefden, en ettelijke vigognas op de berghellingen. Ten vijf ure zagen wij, tusschen de rotsen verborgen, het station van Pachaca, waar ik mij had voorgenomen den nacht door te brengen; maar het station was gesloten, en al ons roepen en schreeuwen bleef onbeantwoord. Wij waren dus wel genoodzaakt, eene dubbele dagreis te maken, en door te rijden tot aan Huallata, waar wij des avonds ten negen ure aankwamen.Dit wachthuis van Huallata, op een eenzamen bergtop gelegen, te midden van sneeuwvelden en afgronden, blootgesteld aan alle winden, dikwerf door ijzige nevels omhuld, maakt een boven alles treurigen en akeligen indruk. Gelukkig vonden wij hier een tamelijk goed onthaal; nadat ik een kop chocolade en een stuk geroosterd brood gebruikt had, begaf ik mij naar het vertrek voor de reizigers bestemd, waar ik mijn nachttoilet maakte, terwijl Nor Medina, zoo goed hij kon, de gaten en spleten in den muur dicht stopte. Een vuur van lamamest werd in het midden van het vertrek aangelegd, en een Indiaan van het posthuis nam, tegen eene kleine belooning, op zich, dit vuur gedurende den nacht aan te houden. Dank zij den ijver van onzen waker, heerschte er althans in de kamer eene dragelijke temperatuur.Den volgenden morgen was het doordringend koud; wij huiverden en rilden onder onze mantels, toen wij het posthuis van Huallata verlieten en, den weg naar Cuzco ter linkerhand latende liggen, de rijzende zon te gemoet trokken. Men kan in elken tijd des jaars de Andes overtrekken; maar de meest geschikte tijdstippen voor zulk een tocht zijn de maanden April en September. In April vindt men geene sneeuw, dan alleen op de plaatsen, waar zij nimmer smelt. In September is de sneeuw, die van Juni tot Augustus de wegen bedekt, reeds gesmolten en naar de zee afgevloeid.Daar wij toen in Juli, dat wil zeggen in het hart van den winter, waren, moesten wij er op rekenen door een dier stormen overvallen te worden, die doorgaans in den achtermiddag losbreken, tenzij de hemel—wat niet te verwachten was—te onzen gerieve een paar dagen helder bleef. Wij trokken door eene steenachtige en zeer heuvelachtige streek, waar ik, zonder hulp van mijn gids, ongetwijfeld zou zijn verdwaald geraakt; maar Nor Medina was een ervaren leidsman, op wien ik mij veilig verlaten kon. Tegen twee uren vertoonden zich aan den hemel eenige witte wolkjes, die de landlieden zeer plastisch schapenwolkjes en de geleerdencirro-cumulinoemen. Binnen weinige oogenblikken namen deze wolken ziender ooge in omvang toe, naderden elkander, en benevelden de zonneschijf. Blijkbaar was er een storm in aantocht. Wij zagen in het rond, of wij ergens eene schuilplaats konden vinden; maar nergens was iets van dien aard te zien. Zelfs in de bergen was geen grot of spleet te bespeuren, waar wij ons konden verschuilen; wij zetten dus onze muildieren in draf, zonder zelven te weten waar wij komen zouden, maar alleen gedreven door de instinktmatige behoefte om ons tegen het dreigende gevaar in veiligheid te stellen. Weldra stak de wind op; geweldige vlagen dreven de wolken bijeen, die van oogenblik tot oogenblik donkerder werden; de donder rolde steeds naderbij, terwijl blauwe bliksemstralen de zwarte lucht doorkruisten. Onze muilezels liepen zoo snel zij konden, maar het was niet mogelijk, de geweldige bui, die op de vleugelen van den storm naderde, te ontkomen.Eensklaps, bij een daverenden donderslag, was het of de wolken barstten, en een geweldige massa hagelsteenen kletterde naar beneden. Wij doken huiverende ineen en wikkelden ons in onze mantels; terwijl onze arme muilezels, aan al de woede van de bui blootgesteld, hinnikten van pijn, als hen de scherpe hagelsteenen de oogen of den neus troffen. Straks hield de hagel op, maar om nu vervangen te worden door eene zoo dichte sneeuwjacht, dat wij letterlijk geen vier passen voor ons uit konden zien. In een oogenblik was het landschap als met eene onmetelijke wade overdekt. Wij reden zoo, bijna op den tast, ongeveer een half uur voort, toen zich eensklaps een donkere massa voor onze oogen teekende. “God zij gedankt!” riep Nor Medina, zijn muilezel wendende naar de zijde van dit gebouw, van welks eigenlijken aard en bestemming ik mij nog geen rekenschap geven kon. Naderbij gekomen, riep hij mij toe, af te stijgen. Ikgehoorzaamde des te bereidwilliger, daar de deur van dat gebouw wijd openstond. Zij was echter zoo laag, dat ik niet dan op mijne knieën kruipende naar binnen kon komen. Terwijl ik daarmede bezig was, ontdeed Nor Medina de muildieren van hun tuig, en kroop toen mede door de opening, om zich bij mij te voegen. De sneeuw dwarrelde nog steeds in dichte vlokken neder.Een peruaansche dandy.Een peruaanschedandy.De schuilplaats, die wij zoo te goeder uur hadden ontdekt, was een soort van ruime cel, uit ontzaglijke steenblokken opgetrokken, en met een reusachtig blok gedekt. Door een klein venster, aan de naar het oosten gekeerde zijde, ter manshoogte in den wand aangebracht, viel een schemerlicht naar binnen. Dit graf—want het was een graf—had misschien een omtrek van tien voet in het vierkant, bij eene hoogte van acht voet. De muren, schuin naar boven toeloopende als die der oud-egyptische monumenten, en ontzaglijk dik, hadden waarschijnlijk menigen storm getart en vele eeuwen zien voorbijgaan. Ik vroeg aan mijn gids, wat hij van dit gedenkteeken wist, en of zich ook eenige overlevering aan dit graf verbond. Zijne onvolledige inlichtingen uit nader ingewonnen berichten aanvullende, kan ik het volgende mededeelen.De kermis te Pucara.De kermis te Pucara.Toen de Zonen der Zon zich in Peru kwamen vestigen, vonden zij daar het groote volk der Aymaras, in de wijde landstreek, die zich van Lampa tot aan de grenzen van den Desaguadero uitstrekt, en, onder den naam van Collao, de Punas of bergvlakten ten oosten van de Andesketen omvat. Deze landstreek, ongeveer negentig mijlen lang en gemiddeld dertig mijlen breed, bevatte een aantal tempels, paleizen, verschillende monumenten, sommigen ongeschonden, sommigen in puin gevallen, en die zoowel door hunne architectuur als door het beeldwerk, waarmede zij prijkten, getuigenis gaven van eene zeer ontwikkelde beschaving.De Aymaras, die aan deze gedenkteekenen eene hooge oudheid toekenden, beweerden dat zij afkomstig waren van de Collahuas, een volk, waarvan zij zich beroemden af te stammen. Volgens hen, zou deze natie, in vroeger tijd, uit een ver land, ten noorden van Peru, zijn gekomen, en zou langen tijd op verschillende plaatsen hebben vertoefd, alvorens zich in de peruaansche hoogvlakten te vestigen, die sedert naar hen den naam van Collao droegen.Naar het zeggen der Aymaras, zou, uit hieroglyphische teekeningen, waarvan alleen de opperhoofden de verklaring kenden, blijken, dat deze Collahuas leerden, dat de zon, die hen bescheen, reeds was voorafgegegaan door vier andere zonnen, die achtereenvolgens waren uitgebluscht: en wel door eene overstrooming, door een aardbeving, door een algemeenen wereldbrand, en door een orkaan; telkenmale was ook al het geschapene mede te gronde gegaan. Na het verdwijnen van de vierde zon, was de wereld vijf-en-twintig jaar lang in duisternis gedompeld geweest. In dien nacht, en tien jaar voor de verschijning van de vijfde zon, was het menschelijk geslacht op nieuw in het aanzijn getreden. De Schepper had toen andermaal een man en eene vrouw gevormd, en vervolgens ook de vijfde zon geschapen, die nu reeds sedert duizend jaren bestond.Deze zelfde kosmogonie, welke de Aymaras aan de Collahuas hadden ontleend, wordt ook gevonden bij eene geheele groep van volken, die allen dezelfde taal spraken: de Tolteken, de Cicimeken, de Nahuatlaken, de Acolhuen, de Tlascalteken, de Azteken, enz., die, omstreeks de eerste eeuw van onze jaartelling, het land Auahuac, in het latere Nieuw-Spanje, bewoonden. Deze volken beweerden, dat zij deze kosmogonie, zoowel als hunne bouwkunst, hunne hieroglyphen en hunne beschaving in het algemeen, hadden overgenomen van de Olmeken en de Xicalanken, twee machtige natiën, die vóór hen in het land hadden gewoond, en die zich beroemden van overouden oorsprong te zijn.De zegepraal der Incas in Peru, waardoor vele volksstammen van de Andes uit hunne woonplaatsen werden verdreven, ontnam ook aan de Aymaras het land, dat zij sinds zoo langen tijd in bezit hadden gehad. Reeds onder Sinchi-Roca, den tweeden Keizer van Peru, hadden de Aymaras de provincie van Cuzco verlaten, en zich al verder en verder naar het westen teruggetrokken, om aan de heerschappij van de Zonen der Zon te ontkomen. De derde Inca, Lloque-Yupanqui, ondernam een krijgstocht naar dat gedeelte van Collao, waarvan het meer Titicaca met zijne monumenten als het middelpunt kan worden beschouwd; hij onderwierp de Aymaras, in het zuiden gevestigd, en liet de anderen, die meer westwaarts woonden, met rust. Mayta-Capac, zijn opvolger, tastte deze natie van twee zijden tegelijk aan. Na de Aymaras van Tiahuanacu, in Bolivia, onderworpen te hebben, richtte hij zijne wapenen tegen die van Parihuanacocha, het Flamingo-meer, nabij den vijftienden graad gelegen, en bracht ook hen ten onder.Door deze veroveringen, die onder elken nieuwen Keizer steeds verder werden uitgebreid, werden de nog vrijgebleven Aymaras naar de kusten van den Stillen-oceaan teruggedrongen. Sommige familiën van dit volk hadden zich gevestigd aan den ingang der westelijke valleien, waar hunne overblijfselen nog heden gevonden worden; anderen waren tot den oever der zee doorgetrokken, en hadden zich daar vermengd met de vischetende stammen, die destijds dat gedeelte der kust bewoonden. Toen, in de vijftiende eeuw, de Inca Capac-Yupanqui de grenzen van zijn rijk tot aan Chili had uitgebreid, werden ook deze stammen, en met hen de Aymaras, bijna geheel uitgeroeid. Alleen zij, die zich reeds vroeger aan de heerschappij der Incas onderworpen hadden, bleven in de Sierra gevestigd, in een gedeelte der landstreek, waarin weleer hunne vaderen gewoond hadden. Tegenwoordig telt men nog ongeveer tweehonderd-duizend dier oude inboorlingen, langs de grenzen van Bolivia, en in de zeven departementen van die republiek verstrooid.Bij dit volk heerschte eene zonderlinge gewoonte, die het den ethnograaf gemakkelijk maakt hun spoor te volgen: de gewoonte namelijk, om den schedel der pasgeboren kinderen, door samenpersing tusschen twee met katoen bekleede plankjes, een ovalen kegelvorm te geven. De geraamten van Aymaras, die men in de nabijheid der zee, tusschen den zestienden en den achttienden graad, vindt, zijn aanstonds kenbaar aan dien eigenaardigen langwerpigen vorm van hun schedel, dien ik niet beter weet te vergelijken dan bij een ei, waarvan een der punten het gelaat voorstelt.Niet minder vreemd was de wijze van ter aardebestelling, bij deze Indianen, tijdens hun bloei, in gebruik, en die men bij geen enkel ander volk van Zuid-Amerika terug vindt. Hunne graven,chulpasgenaamd, hadden de gedaante van eene afgeknotte pyramide, van twintig tot dertig voet, hoog. Deze pyramide, uit ongebakken tichelsteenen samengesteld, liep naar boven smaller toe, en herinnerde door hare algemeene gedaante, aan de mexikaanscheteocallis, waarvan het oorspronkelijke plan aan den tempel van Bel schijnt ontleend. Somwijlen waren deze graven niet meer dan eenvoudige cellen of kluizen van opeengestapelde steenen, met een grooten steenklomp gedekt, en niets dan eene vierkante kamer bevattende, met eene lage deur aan de westzijde en een klein raam naar het oosten uitziende. Het graf, waarin wij nu verscholen waren, was zulk een cel. Soms echter hadden deze graven de gedaante van een obelisk, waarvan de hoogte, acht of tien el, gelijk stond met tweemaal de breedte van hun grondvlak. Deze obelisken waren met een schuin dak gedekt, en uit leemaarde opgetrokken. Een graf als dat, waarin wij ons nu bevinden, was bestemd voor twaalf personen, wier lichamen, gebalsemd met denchenopodium ambrosioidesuit de naburige valleien, en in hunne kleederen gedost of gewikkeld in een wijden zak van totora-bladeren, die ter plaatse van het aangezicht open was, in een kring waren gezeten, met de voeten tegen elkander. Nevens ieder lijk bevonden zich eenige maïs-halmen, een pot met chicha, een etensbak en een lepel. Was het een man, dan voegde men daarbij een slinger, eenig jacht- of vischtuig en een kluwen wol. Bij eene vrouw plaatste meneen mandje of korfje, van jaraya-vezels gevlochten, eenige kluwen lama-wol, en eenige breinaalden, vervaardigd uit de lange zwarte doornen van dencactus quisco. Zoodra het bepaalde aantal lijken in het graf geplaatst was, werd de ingang toegemetseld. Het venster alleen bleef open, waarschijnlijk opdat de opkomende zon hare stralen in dit kalme doodenverblijf zou kunnen werpen. Nog heden vindt men enkele van deze chulpas, maar ledig en geschonden. Franschen, Duitschers, Engelschen hebben om strijd deze graven opengebroken, en de mummies, die daar hun eeuwigen slaap sliepen, in hunne ruste gestoord, en naar Europa overgebracht, waar zij nu, in eenofander museum, met hunne holle oogen achter een glazen kast zitten te staren.De sneeuw had opgehouden, de bui was afgetrokken, en wij vervolgden onzen tocht. Tegen den avond bereikten wij het gehucht Compuerta, waar wij den nacht wilden doorbrengen. De ellendige hutten schenen onbewoond: uit eene daarvan steeg een dunne rookwolk ten hemel: wij besloten, ons daar aan te melden. Bij onze naderingwerd de deur geopend; eene indiaansche vrouw stak haar hoofd naar buiten, en zag ons met een verschrikt gelaat aan. Ons voorkomen stelde haar waarschijnlijk gerust; zij vroeg althans aan mijn gids, welk gelukkig toeval hem herwaarts voerde; en hoewel zij van mij niet de minste notitie nam, verzette zij er zich ook niet tegen, toen ik, met mijn gids, de woning binnentrad.Wat Nor Medina, waarschijnlijk uit beleefdheid jegens onze gastvrouw, eene woning noemde, was niets dan eene vierkante, zwarte, berookte, door en door onreine ruimte; aan de latten van het dak hingen overal vuile, verscheurde lompen van kleederen, waarvan de oorspronkelijke kleur onkenbaar was geworden door eene dikke laag rook en roet. In het midden van het vertrek brandde een vuur van lamamest, dat een sterken muskuslucht verspreidde, die, gevoegd bij den dikken zwaren rook, oog en neus evenzeer pijnigde. Voor dat vuur stond een ketel, die waarschijnlijk het avondeten bevatte. Ik lichtte het deksel op, en zag eene soort van soep, bestaande uit klaar water en maïsmeel, waarmede de Indianen in het gebergte zich, bij gebrek van beter, voeden. Die maaltijd scheen mij wat al te mager, en terwijl ik, op een bankje voor het vuur gezeten, daarover nadacht, hoorde ik eensklaps, vlak achter mij, een haan kraaien. Ik schrikte onwillekeurig; maar, Medina met de indiaansche vrouw ziende binnenkomen, wenkte ik hem. “Ik houd niet vanelagua” zeide ik zacht tot hem, naar de soep wijzende, die in den ketel pruttelde; “maar die haan zou mij beter aanstaan; is er geen middel om hem voor ons souper te krijgen?”“Niets gemakkelijker,” antwoordde hij, op denzelfden fluisterenden toon. Daarop, zich tot de vrouw keerende: “Mamita, ga eens kijken of de muildieren niet zijn weggeloopen.” De vrouw ging heen, en bleef een oogenblik buiten. Toen zij terug kwam, begon zij luidkeels te gillen: want Nor Medina, voor het vuur zittende, hield den haan, dien hij den strot had afgesneden, tusschen zijn beenen, en was bezig den vogel te plukken.“Mamita. die haan is erg mager,” zeide mijn gids heel kalm tot haar.“O, duivelskind,” riep de vrouw in het quechua, “hond van een mesties, dief, moordenaar! Waarom hebt gij mijn geliefden haan, dien ik zelve had opgevoed, gedood?” En de ongelukkige barstte in tranen uit.“Stil, vrouw,” sprak Nor Medina, op ernstigen toon; “de elagua, die gij klaar maakt, is niet naar den smaak van dezen reiziger; en daar hij toch iets eten moest, heb ik uw haan genomen. Bovendien, wij zullen uw mageren haan betalen. Hoeveel is hij wel waard, een reaal of twee realen?”De vrouw, die aan de afpersingen en ruwe behandelingen van de afstammelingen der Spanjaarden gewoon was, scheen zeer verbaasd, dat men nu haar aanbood te betalen, wat men tot dusver eenvoudig weggenomen had. Hare tranen droogden plotseling: en toen ik haar een stuk van vier realen in de hand stopte, was zij al spoedig zoo geheel met de zaak verzoend, dat zij zelfs Medina hielp bij het plukken en bereiden van den haan. Terwijl mijn souper over het vuur hing, hoorden wij van buiten een geluid van stemmen. “Dat is Juan, die met zijne vrienden van de mijn terugkomt,” zeide de vrouw. Nauwelijks had zij dit gezegd, of vier Indianen, geheel in hunne gestreepte ponchos gewikkeld, traden de hut binnen. De tegenwoordigheid van vreemdelingen ontstemde hen blijkbaar; maar de vriendelijke begroeting van Nor Medina, en vooral het gezicht van den halven piaster, dien de vrouw aan haar man toonde, verdreef spoedig de booze bui. Terwijl de nieuw aangekomenen zich van hunne mantels ontdeden, stak de vrouw een dierharsachtigetoortsen aan, die veel meer walm dan licht verspreiden; de Quechuas zetten zich op den grond neder, en haalden uit hunne knapzakken een houten nap, dien zij aan de vrouw reikten, en dien deze tot den rand met heete elagua vulde. Zij plaatsten daarop de volle schaal op de toppen hunner vijf vingers, lieten ze vrij snel in de rondte draaien, en slurpten zoo de soep langs den rand op, waarbij zij allerlei wonderlijke gezichten trokken.Eindelijk was ook mijn souper gereed. Nor Medina spreidde het dekkleed van mijn zadel op den grond uit, zette de terrine met den gekookten haan daarop, legde een puntig gesneden stukje hout, dat de plaats van een vork vervullen moest, daarnaast, en noodigde mij uit tot den avondmaaltijd. Ik liet mij niet onbetuigd, ook al was de vogel wat taai, en verzuimde ook niet, onze gastvrouw een deel van den maaltijd aan te bieden, dat haar uitnemend scheen te smaken. Kort daarop verlieten ons de Quechuas; met de vrouw begaven zij zich naar de naburige hut, ons de woning voor den nacht overlatende. Het duurde niet lang, of wij lagen voor het vuur uitgestrekt, en waren weldra in een diepen slaap gedompeld.Den volgenden morgen, reeds ten zes ure, begaven wij ons weder op weg, overnachtten dien avond bij den eerwaardigen pastoor van het dorp Cabana, en bereikten den dag daarna, tegen het vallen van den avond, de stad Lampa. Het was reeds donker, toen wij onzen intocht hielden in dit zeer onaanzienlijkestedeke, dat mij bijna uitgestorven toescheen. Op het marktplein gekomen, vroeg ik aan een koopman in aardewerk, die juist bezig was zijne uitgestalde borden, potten en schotels naar binnen te brengen, waar don Firmin de Vara y Pancorbo, koopman in manufacturen, woonde, voor wien ik een aanbevelingsbrief bij mij had. Hij wees mij een huis op het plein, waarvan de vensters straalden van licht. Daar viel ik, zooals men zegt, met mijn neus in de boter. De koopman vierde het feest van zijn heiligen patroon, en had eenige heeren en dames van zijne kennis bij zich genoodigd, in wier kring hij mij nu introduceerde. Het ging daar bijzonder lustig toe; en het spijt mij, te moeten erkennen, dat het feest al vrij spoedig zulk een karakter aannam, dat ik het raadzaam oordeelde mij ongemerkt te verwijderen. Een der bedienden wees mij de slaapkamer van zijn heer, waar ik, ondanks het helsch rumoer in de feestzaal, den ganschen nacht rustig sliep. Toen ik den volgenden morgen afscheid wilde nemen van mijn gastheer, bracht de bediende mij naar de zaal, waar den vorigen avond feest gehouden was. Hij opende even de deur, en ik zag een schouwspel, waarvan men mij de beschrijving sparen zal. Eenige oogenblikken later zat ik in den zadel.Lampa verlatende, vervolgden wij onzen tocht door een eentonig landschap: een heuvelachtige hei, met heidekruid en kort gras begroeid. Nauwelijks waren wij voorbij het eerste station, of wij vernamen achter ons, steeds naderbij, de tonen eener pansfluit. Ik keerde mij om, om te ontdekken van waar deze melodie kwam, en zag een man, die met haastigen tred naar ons toekwam; hij hield een mager paard bij den teugel, dat achter hem aan draafde, beladen met een lederen brievenzak.De dokter en zijn patiënt.De dokter en zijn patiënt.“Dat is decorreo real(koninklijke koerier) die van Puno naar Cuzco gaat,” zeide mijn gids.“Zegcorreo nacional,” hernam ik: “het woordkoninklijkis, als oproerleuze, geschrapt in het woordenboek van elke fatsoenlijke republiek.”De arriero keek mij met verbazing aan, en stond waarschijnlijk op het punt mij uitlegging van die woorden te vragen, toen de postbode ons inhaalde. Hij groette ons beleefd, en knoopte een praatje aan met onzen gids, wien hij vroeg van waar wij kwamen en waarheen wij gingen. Na vervolgens nog een weinig over het weer, de slechte wegen in de Sierra en het gebrek aan levensmiddelen gesproken te hebben, nam hij afscheid en dribbelde weer voort.Tegen den avond kwamen wij te Pucara, een akelig dorp, uit hoogstens een honderdtal, deels leemen hutten bestaande. Het heeft volstrekt niets merkwaardigs, dan zijn kerk, die betrekkelijk groot mag worden genoemd en met twee half houten torens prijkt; verder is het vooral bekend om de kermis of jaarmarkt, die daar telken jare in December gehouden wordt, en die, met de jaarmarkt van Vilque, tot de belangrijkste van Peru behoort. Dan staat de vlakte voor het dorp vol tenten en kramen, waar allerlei dingen, voornamelijk producten van europeesche nijverheid. zij het dan ook niet veel bijzonders, worden verkocht. Dan beweegt zich daartusschen eene dichte menschenmassa, deels om te koopen en te verkoopen; deels om getuige te zijn van de vertooningen van goochelaars, koorddansers, kunstenaars van allerlei soort, die in den regel bij dergelijke gelegenheden niet ontbreken. Dan heeft Pucara een gansch ander aanzien dan thans, nu wij er niets vinden dan den zieken postmeester, die met een gezwollen koon in zijn bed lag, en voor wien men mijn raad inriep. Ik schreef een eenvoudige pap van brood en melk voor; maar de Indiaan, die mij had geraadpleegd, achtte dat dit goed was voor kleine kinderen. Hij maakte daarop zelf een ander middel klaar: een mengsel van chicha met vet, fijn gestampte coca-bladeren en asch; dit mengsel liet hij koken, gaf daarvan den patiënt de helft te drinken, en wiesch hem met de andere het gelaat. Tot mijne groote verbazing was de postmeester den volgenden morgen, bij ons vertrek, waarschijnlijk ondanks de kuur, veel beter.Het maïskauwen.Het maïskauwen.

IV.

Ten noorden van Arequipa strekt zich eene zandwoestijn uit, la Pampilla genaamd, die ge, op een goeden draf, in een half uur doorrijden kunt; aan degrens dier zandige vlakte begint de weg te stijgen; al steiler en bezwaarlijker wordt de helling, tot ge eindelijk, uitgeput van vermoeienis en bibberende van kou, Apo bereikt, het eerste station in de Sierra-Nevada.De reiziger, die hier den nacht doorbrengt om zijne beesten te laten uitrusten, kan op zijn gemak de wonderen van een poollandschap aanschouwen. Noordwaarts, voor hem uit, is de grond bedekt met vaste harde sneeuw; de beken slapen gerust onder haar ijsdek; de watervallen zijn in een verwarde ophooping van stalactiten herschapen; en ten noordoosten verheffen zich eenige besneeuwde toppen van de Andesketen, als bleeke schimmen, in de lucht. De thermometer staat op twaalf tot veertien graden onder nul.Dit zoogenaamde station van Apo, waar ik tegen het vallen van den avond aankwam, gelijkt op alle dergelijke inrichtingen in Peru, waar men niet bijzonder veel zorg voor de reizigers draagt; dat wil zeggen, het is niets meer dan eene tamelijk ruime hut, in twee vertrekken verdeeld, en meer of minder vervallen, naar gelang men zich van de groote steden verwijdert. Een vierkante, ongedekte ruimte, met groote, op elkander gestapelde steenblokken omzoomd, dient tot stalling voor de muildieren der reizigers. Zij zelven moeten zich tevreden stellen met een der beide vertrekken in de hut; zij slapen op den grond, als zij niet de voorzorg hebben gebruikt, een matras mede te nemen, bibberen den ganschen nacht van koude, en staan zoo vroeg mogelijk op, om aan eene kwelling te ontkomen, die zij aan het volgende station toch zullen wedervinden.Den volgenden morgen hervatten wij, mijn muilezeldrijver Nor Medina en ik, onzen tocht, te midden van eindelooze sneeuw- en ijsvelden, en zonder dat wij eenig levend schepsel zagen, met uitzondering van eenige condors, die hoog boven ons in de lucht zweefden, en ettelijke vigognas op de berghellingen. Ten vijf ure zagen wij, tusschen de rotsen verborgen, het station van Pachaca, waar ik mij had voorgenomen den nacht door te brengen; maar het station was gesloten, en al ons roepen en schreeuwen bleef onbeantwoord. Wij waren dus wel genoodzaakt, eene dubbele dagreis te maken, en door te rijden tot aan Huallata, waar wij des avonds ten negen ure aankwamen.Dit wachthuis van Huallata, op een eenzamen bergtop gelegen, te midden van sneeuwvelden en afgronden, blootgesteld aan alle winden, dikwerf door ijzige nevels omhuld, maakt een boven alles treurigen en akeligen indruk. Gelukkig vonden wij hier een tamelijk goed onthaal; nadat ik een kop chocolade en een stuk geroosterd brood gebruikt had, begaf ik mij naar het vertrek voor de reizigers bestemd, waar ik mijn nachttoilet maakte, terwijl Nor Medina, zoo goed hij kon, de gaten en spleten in den muur dicht stopte. Een vuur van lamamest werd in het midden van het vertrek aangelegd, en een Indiaan van het posthuis nam, tegen eene kleine belooning, op zich, dit vuur gedurende den nacht aan te houden. Dank zij den ijver van onzen waker, heerschte er althans in de kamer eene dragelijke temperatuur.Den volgenden morgen was het doordringend koud; wij huiverden en rilden onder onze mantels, toen wij het posthuis van Huallata verlieten en, den weg naar Cuzco ter linkerhand latende liggen, de rijzende zon te gemoet trokken. Men kan in elken tijd des jaars de Andes overtrekken; maar de meest geschikte tijdstippen voor zulk een tocht zijn de maanden April en September. In April vindt men geene sneeuw, dan alleen op de plaatsen, waar zij nimmer smelt. In September is de sneeuw, die van Juni tot Augustus de wegen bedekt, reeds gesmolten en naar de zee afgevloeid.Daar wij toen in Juli, dat wil zeggen in het hart van den winter, waren, moesten wij er op rekenen door een dier stormen overvallen te worden, die doorgaans in den achtermiddag losbreken, tenzij de hemel—wat niet te verwachten was—te onzen gerieve een paar dagen helder bleef. Wij trokken door eene steenachtige en zeer heuvelachtige streek, waar ik, zonder hulp van mijn gids, ongetwijfeld zou zijn verdwaald geraakt; maar Nor Medina was een ervaren leidsman, op wien ik mij veilig verlaten kon. Tegen twee uren vertoonden zich aan den hemel eenige witte wolkjes, die de landlieden zeer plastisch schapenwolkjes en de geleerdencirro-cumulinoemen. Binnen weinige oogenblikken namen deze wolken ziender ooge in omvang toe, naderden elkander, en benevelden de zonneschijf. Blijkbaar was er een storm in aantocht. Wij zagen in het rond, of wij ergens eene schuilplaats konden vinden; maar nergens was iets van dien aard te zien. Zelfs in de bergen was geen grot of spleet te bespeuren, waar wij ons konden verschuilen; wij zetten dus onze muildieren in draf, zonder zelven te weten waar wij komen zouden, maar alleen gedreven door de instinktmatige behoefte om ons tegen het dreigende gevaar in veiligheid te stellen. Weldra stak de wind op; geweldige vlagen dreven de wolken bijeen, die van oogenblik tot oogenblik donkerder werden; de donder rolde steeds naderbij, terwijl blauwe bliksemstralen de zwarte lucht doorkruisten. Onze muilezels liepen zoo snel zij konden, maar het was niet mogelijk, de geweldige bui, die op de vleugelen van den storm naderde, te ontkomen.Eensklaps, bij een daverenden donderslag, was het of de wolken barstten, en een geweldige massa hagelsteenen kletterde naar beneden. Wij doken huiverende ineen en wikkelden ons in onze mantels; terwijl onze arme muilezels, aan al de woede van de bui blootgesteld, hinnikten van pijn, als hen de scherpe hagelsteenen de oogen of den neus troffen. Straks hield de hagel op, maar om nu vervangen te worden door eene zoo dichte sneeuwjacht, dat wij letterlijk geen vier passen voor ons uit konden zien. In een oogenblik was het landschap als met eene onmetelijke wade overdekt. Wij reden zoo, bijna op den tast, ongeveer een half uur voort, toen zich eensklaps een donkere massa voor onze oogen teekende. “God zij gedankt!” riep Nor Medina, zijn muilezel wendende naar de zijde van dit gebouw, van welks eigenlijken aard en bestemming ik mij nog geen rekenschap geven kon. Naderbij gekomen, riep hij mij toe, af te stijgen. Ikgehoorzaamde des te bereidwilliger, daar de deur van dat gebouw wijd openstond. Zij was echter zoo laag, dat ik niet dan op mijne knieën kruipende naar binnen kon komen. Terwijl ik daarmede bezig was, ontdeed Nor Medina de muildieren van hun tuig, en kroop toen mede door de opening, om zich bij mij te voegen. De sneeuw dwarrelde nog steeds in dichte vlokken neder.Een peruaansche dandy.Een peruaanschedandy.De schuilplaats, die wij zoo te goeder uur hadden ontdekt, was een soort van ruime cel, uit ontzaglijke steenblokken opgetrokken, en met een reusachtig blok gedekt. Door een klein venster, aan de naar het oosten gekeerde zijde, ter manshoogte in den wand aangebracht, viel een schemerlicht naar binnen. Dit graf—want het was een graf—had misschien een omtrek van tien voet in het vierkant, bij eene hoogte van acht voet. De muren, schuin naar boven toeloopende als die der oud-egyptische monumenten, en ontzaglijk dik, hadden waarschijnlijk menigen storm getart en vele eeuwen zien voorbijgaan. Ik vroeg aan mijn gids, wat hij van dit gedenkteeken wist, en of zich ook eenige overlevering aan dit graf verbond. Zijne onvolledige inlichtingen uit nader ingewonnen berichten aanvullende, kan ik het volgende mededeelen.De kermis te Pucara.De kermis te Pucara.Toen de Zonen der Zon zich in Peru kwamen vestigen, vonden zij daar het groote volk der Aymaras, in de wijde landstreek, die zich van Lampa tot aan de grenzen van den Desaguadero uitstrekt, en, onder den naam van Collao, de Punas of bergvlakten ten oosten van de Andesketen omvat. Deze landstreek, ongeveer negentig mijlen lang en gemiddeld dertig mijlen breed, bevatte een aantal tempels, paleizen, verschillende monumenten, sommigen ongeschonden, sommigen in puin gevallen, en die zoowel door hunne architectuur als door het beeldwerk, waarmede zij prijkten, getuigenis gaven van eene zeer ontwikkelde beschaving.De Aymaras, die aan deze gedenkteekenen eene hooge oudheid toekenden, beweerden dat zij afkomstig waren van de Collahuas, een volk, waarvan zij zich beroemden af te stammen. Volgens hen, zou deze natie, in vroeger tijd, uit een ver land, ten noorden van Peru, zijn gekomen, en zou langen tijd op verschillende plaatsen hebben vertoefd, alvorens zich in de peruaansche hoogvlakten te vestigen, die sedert naar hen den naam van Collao droegen.Naar het zeggen der Aymaras, zou, uit hieroglyphische teekeningen, waarvan alleen de opperhoofden de verklaring kenden, blijken, dat deze Collahuas leerden, dat de zon, die hen bescheen, reeds was voorafgegegaan door vier andere zonnen, die achtereenvolgens waren uitgebluscht: en wel door eene overstrooming, door een aardbeving, door een algemeenen wereldbrand, en door een orkaan; telkenmale was ook al het geschapene mede te gronde gegaan. Na het verdwijnen van de vierde zon, was de wereld vijf-en-twintig jaar lang in duisternis gedompeld geweest. In dien nacht, en tien jaar voor de verschijning van de vijfde zon, was het menschelijk geslacht op nieuw in het aanzijn getreden. De Schepper had toen andermaal een man en eene vrouw gevormd, en vervolgens ook de vijfde zon geschapen, die nu reeds sedert duizend jaren bestond.Deze zelfde kosmogonie, welke de Aymaras aan de Collahuas hadden ontleend, wordt ook gevonden bij eene geheele groep van volken, die allen dezelfde taal spraken: de Tolteken, de Cicimeken, de Nahuatlaken, de Acolhuen, de Tlascalteken, de Azteken, enz., die, omstreeks de eerste eeuw van onze jaartelling, het land Auahuac, in het latere Nieuw-Spanje, bewoonden. Deze volken beweerden, dat zij deze kosmogonie, zoowel als hunne bouwkunst, hunne hieroglyphen en hunne beschaving in het algemeen, hadden overgenomen van de Olmeken en de Xicalanken, twee machtige natiën, die vóór hen in het land hadden gewoond, en die zich beroemden van overouden oorsprong te zijn.De zegepraal der Incas in Peru, waardoor vele volksstammen van de Andes uit hunne woonplaatsen werden verdreven, ontnam ook aan de Aymaras het land, dat zij sinds zoo langen tijd in bezit hadden gehad. Reeds onder Sinchi-Roca, den tweeden Keizer van Peru, hadden de Aymaras de provincie van Cuzco verlaten, en zich al verder en verder naar het westen teruggetrokken, om aan de heerschappij van de Zonen der Zon te ontkomen. De derde Inca, Lloque-Yupanqui, ondernam een krijgstocht naar dat gedeelte van Collao, waarvan het meer Titicaca met zijne monumenten als het middelpunt kan worden beschouwd; hij onderwierp de Aymaras, in het zuiden gevestigd, en liet de anderen, die meer westwaarts woonden, met rust. Mayta-Capac, zijn opvolger, tastte deze natie van twee zijden tegelijk aan. Na de Aymaras van Tiahuanacu, in Bolivia, onderworpen te hebben, richtte hij zijne wapenen tegen die van Parihuanacocha, het Flamingo-meer, nabij den vijftienden graad gelegen, en bracht ook hen ten onder.Door deze veroveringen, die onder elken nieuwen Keizer steeds verder werden uitgebreid, werden de nog vrijgebleven Aymaras naar de kusten van den Stillen-oceaan teruggedrongen. Sommige familiën van dit volk hadden zich gevestigd aan den ingang der westelijke valleien, waar hunne overblijfselen nog heden gevonden worden; anderen waren tot den oever der zee doorgetrokken, en hadden zich daar vermengd met de vischetende stammen, die destijds dat gedeelte der kust bewoonden. Toen, in de vijftiende eeuw, de Inca Capac-Yupanqui de grenzen van zijn rijk tot aan Chili had uitgebreid, werden ook deze stammen, en met hen de Aymaras, bijna geheel uitgeroeid. Alleen zij, die zich reeds vroeger aan de heerschappij der Incas onderworpen hadden, bleven in de Sierra gevestigd, in een gedeelte der landstreek, waarin weleer hunne vaderen gewoond hadden. Tegenwoordig telt men nog ongeveer tweehonderd-duizend dier oude inboorlingen, langs de grenzen van Bolivia, en in de zeven departementen van die republiek verstrooid.Bij dit volk heerschte eene zonderlinge gewoonte, die het den ethnograaf gemakkelijk maakt hun spoor te volgen: de gewoonte namelijk, om den schedel der pasgeboren kinderen, door samenpersing tusschen twee met katoen bekleede plankjes, een ovalen kegelvorm te geven. De geraamten van Aymaras, die men in de nabijheid der zee, tusschen den zestienden en den achttienden graad, vindt, zijn aanstonds kenbaar aan dien eigenaardigen langwerpigen vorm van hun schedel, dien ik niet beter weet te vergelijken dan bij een ei, waarvan een der punten het gelaat voorstelt.Niet minder vreemd was de wijze van ter aardebestelling, bij deze Indianen, tijdens hun bloei, in gebruik, en die men bij geen enkel ander volk van Zuid-Amerika terug vindt. Hunne graven,chulpasgenaamd, hadden de gedaante van eene afgeknotte pyramide, van twintig tot dertig voet, hoog. Deze pyramide, uit ongebakken tichelsteenen samengesteld, liep naar boven smaller toe, en herinnerde door hare algemeene gedaante, aan de mexikaanscheteocallis, waarvan het oorspronkelijke plan aan den tempel van Bel schijnt ontleend. Somwijlen waren deze graven niet meer dan eenvoudige cellen of kluizen van opeengestapelde steenen, met een grooten steenklomp gedekt, en niets dan eene vierkante kamer bevattende, met eene lage deur aan de westzijde en een klein raam naar het oosten uitziende. Het graf, waarin wij nu verscholen waren, was zulk een cel. Soms echter hadden deze graven de gedaante van een obelisk, waarvan de hoogte, acht of tien el, gelijk stond met tweemaal de breedte van hun grondvlak. Deze obelisken waren met een schuin dak gedekt, en uit leemaarde opgetrokken. Een graf als dat, waarin wij ons nu bevinden, was bestemd voor twaalf personen, wier lichamen, gebalsemd met denchenopodium ambrosioidesuit de naburige valleien, en in hunne kleederen gedost of gewikkeld in een wijden zak van totora-bladeren, die ter plaatse van het aangezicht open was, in een kring waren gezeten, met de voeten tegen elkander. Nevens ieder lijk bevonden zich eenige maïs-halmen, een pot met chicha, een etensbak en een lepel. Was het een man, dan voegde men daarbij een slinger, eenig jacht- of vischtuig en een kluwen wol. Bij eene vrouw plaatste meneen mandje of korfje, van jaraya-vezels gevlochten, eenige kluwen lama-wol, en eenige breinaalden, vervaardigd uit de lange zwarte doornen van dencactus quisco. Zoodra het bepaalde aantal lijken in het graf geplaatst was, werd de ingang toegemetseld. Het venster alleen bleef open, waarschijnlijk opdat de opkomende zon hare stralen in dit kalme doodenverblijf zou kunnen werpen. Nog heden vindt men enkele van deze chulpas, maar ledig en geschonden. Franschen, Duitschers, Engelschen hebben om strijd deze graven opengebroken, en de mummies, die daar hun eeuwigen slaap sliepen, in hunne ruste gestoord, en naar Europa overgebracht, waar zij nu, in eenofander museum, met hunne holle oogen achter een glazen kast zitten te staren.De sneeuw had opgehouden, de bui was afgetrokken, en wij vervolgden onzen tocht. Tegen den avond bereikten wij het gehucht Compuerta, waar wij den nacht wilden doorbrengen. De ellendige hutten schenen onbewoond: uit eene daarvan steeg een dunne rookwolk ten hemel: wij besloten, ons daar aan te melden. Bij onze naderingwerd de deur geopend; eene indiaansche vrouw stak haar hoofd naar buiten, en zag ons met een verschrikt gelaat aan. Ons voorkomen stelde haar waarschijnlijk gerust; zij vroeg althans aan mijn gids, welk gelukkig toeval hem herwaarts voerde; en hoewel zij van mij niet de minste notitie nam, verzette zij er zich ook niet tegen, toen ik, met mijn gids, de woning binnentrad.Wat Nor Medina, waarschijnlijk uit beleefdheid jegens onze gastvrouw, eene woning noemde, was niets dan eene vierkante, zwarte, berookte, door en door onreine ruimte; aan de latten van het dak hingen overal vuile, verscheurde lompen van kleederen, waarvan de oorspronkelijke kleur onkenbaar was geworden door eene dikke laag rook en roet. In het midden van het vertrek brandde een vuur van lamamest, dat een sterken muskuslucht verspreidde, die, gevoegd bij den dikken zwaren rook, oog en neus evenzeer pijnigde. Voor dat vuur stond een ketel, die waarschijnlijk het avondeten bevatte. Ik lichtte het deksel op, en zag eene soort van soep, bestaande uit klaar water en maïsmeel, waarmede de Indianen in het gebergte zich, bij gebrek van beter, voeden. Die maaltijd scheen mij wat al te mager, en terwijl ik, op een bankje voor het vuur gezeten, daarover nadacht, hoorde ik eensklaps, vlak achter mij, een haan kraaien. Ik schrikte onwillekeurig; maar, Medina met de indiaansche vrouw ziende binnenkomen, wenkte ik hem. “Ik houd niet vanelagua” zeide ik zacht tot hem, naar de soep wijzende, die in den ketel pruttelde; “maar die haan zou mij beter aanstaan; is er geen middel om hem voor ons souper te krijgen?”“Niets gemakkelijker,” antwoordde hij, op denzelfden fluisterenden toon. Daarop, zich tot de vrouw keerende: “Mamita, ga eens kijken of de muildieren niet zijn weggeloopen.” De vrouw ging heen, en bleef een oogenblik buiten. Toen zij terug kwam, begon zij luidkeels te gillen: want Nor Medina, voor het vuur zittende, hield den haan, dien hij den strot had afgesneden, tusschen zijn beenen, en was bezig den vogel te plukken.“Mamita. die haan is erg mager,” zeide mijn gids heel kalm tot haar.“O, duivelskind,” riep de vrouw in het quechua, “hond van een mesties, dief, moordenaar! Waarom hebt gij mijn geliefden haan, dien ik zelve had opgevoed, gedood?” En de ongelukkige barstte in tranen uit.“Stil, vrouw,” sprak Nor Medina, op ernstigen toon; “de elagua, die gij klaar maakt, is niet naar den smaak van dezen reiziger; en daar hij toch iets eten moest, heb ik uw haan genomen. Bovendien, wij zullen uw mageren haan betalen. Hoeveel is hij wel waard, een reaal of twee realen?”De vrouw, die aan de afpersingen en ruwe behandelingen van de afstammelingen der Spanjaarden gewoon was, scheen zeer verbaasd, dat men nu haar aanbood te betalen, wat men tot dusver eenvoudig weggenomen had. Hare tranen droogden plotseling: en toen ik haar een stuk van vier realen in de hand stopte, was zij al spoedig zoo geheel met de zaak verzoend, dat zij zelfs Medina hielp bij het plukken en bereiden van den haan. Terwijl mijn souper over het vuur hing, hoorden wij van buiten een geluid van stemmen. “Dat is Juan, die met zijne vrienden van de mijn terugkomt,” zeide de vrouw. Nauwelijks had zij dit gezegd, of vier Indianen, geheel in hunne gestreepte ponchos gewikkeld, traden de hut binnen. De tegenwoordigheid van vreemdelingen ontstemde hen blijkbaar; maar de vriendelijke begroeting van Nor Medina, en vooral het gezicht van den halven piaster, dien de vrouw aan haar man toonde, verdreef spoedig de booze bui. Terwijl de nieuw aangekomenen zich van hunne mantels ontdeden, stak de vrouw een dierharsachtigetoortsen aan, die veel meer walm dan licht verspreiden; de Quechuas zetten zich op den grond neder, en haalden uit hunne knapzakken een houten nap, dien zij aan de vrouw reikten, en dien deze tot den rand met heete elagua vulde. Zij plaatsten daarop de volle schaal op de toppen hunner vijf vingers, lieten ze vrij snel in de rondte draaien, en slurpten zoo de soep langs den rand op, waarbij zij allerlei wonderlijke gezichten trokken.Eindelijk was ook mijn souper gereed. Nor Medina spreidde het dekkleed van mijn zadel op den grond uit, zette de terrine met den gekookten haan daarop, legde een puntig gesneden stukje hout, dat de plaats van een vork vervullen moest, daarnaast, en noodigde mij uit tot den avondmaaltijd. Ik liet mij niet onbetuigd, ook al was de vogel wat taai, en verzuimde ook niet, onze gastvrouw een deel van den maaltijd aan te bieden, dat haar uitnemend scheen te smaken. Kort daarop verlieten ons de Quechuas; met de vrouw begaven zij zich naar de naburige hut, ons de woning voor den nacht overlatende. Het duurde niet lang, of wij lagen voor het vuur uitgestrekt, en waren weldra in een diepen slaap gedompeld.Den volgenden morgen, reeds ten zes ure, begaven wij ons weder op weg, overnachtten dien avond bij den eerwaardigen pastoor van het dorp Cabana, en bereikten den dag daarna, tegen het vallen van den avond, de stad Lampa. Het was reeds donker, toen wij onzen intocht hielden in dit zeer onaanzienlijkestedeke, dat mij bijna uitgestorven toescheen. Op het marktplein gekomen, vroeg ik aan een koopman in aardewerk, die juist bezig was zijne uitgestalde borden, potten en schotels naar binnen te brengen, waar don Firmin de Vara y Pancorbo, koopman in manufacturen, woonde, voor wien ik een aanbevelingsbrief bij mij had. Hij wees mij een huis op het plein, waarvan de vensters straalden van licht. Daar viel ik, zooals men zegt, met mijn neus in de boter. De koopman vierde het feest van zijn heiligen patroon, en had eenige heeren en dames van zijne kennis bij zich genoodigd, in wier kring hij mij nu introduceerde. Het ging daar bijzonder lustig toe; en het spijt mij, te moeten erkennen, dat het feest al vrij spoedig zulk een karakter aannam, dat ik het raadzaam oordeelde mij ongemerkt te verwijderen. Een der bedienden wees mij de slaapkamer van zijn heer, waar ik, ondanks het helsch rumoer in de feestzaal, den ganschen nacht rustig sliep. Toen ik den volgenden morgen afscheid wilde nemen van mijn gastheer, bracht de bediende mij naar de zaal, waar den vorigen avond feest gehouden was. Hij opende even de deur, en ik zag een schouwspel, waarvan men mij de beschrijving sparen zal. Eenige oogenblikken later zat ik in den zadel.Lampa verlatende, vervolgden wij onzen tocht door een eentonig landschap: een heuvelachtige hei, met heidekruid en kort gras begroeid. Nauwelijks waren wij voorbij het eerste station, of wij vernamen achter ons, steeds naderbij, de tonen eener pansfluit. Ik keerde mij om, om te ontdekken van waar deze melodie kwam, en zag een man, die met haastigen tred naar ons toekwam; hij hield een mager paard bij den teugel, dat achter hem aan draafde, beladen met een lederen brievenzak.De dokter en zijn patiënt.De dokter en zijn patiënt.“Dat is decorreo real(koninklijke koerier) die van Puno naar Cuzco gaat,” zeide mijn gids.“Zegcorreo nacional,” hernam ik: “het woordkoninklijkis, als oproerleuze, geschrapt in het woordenboek van elke fatsoenlijke republiek.”De arriero keek mij met verbazing aan, en stond waarschijnlijk op het punt mij uitlegging van die woorden te vragen, toen de postbode ons inhaalde. Hij groette ons beleefd, en knoopte een praatje aan met onzen gids, wien hij vroeg van waar wij kwamen en waarheen wij gingen. Na vervolgens nog een weinig over het weer, de slechte wegen in de Sierra en het gebrek aan levensmiddelen gesproken te hebben, nam hij afscheid en dribbelde weer voort.Tegen den avond kwamen wij te Pucara, een akelig dorp, uit hoogstens een honderdtal, deels leemen hutten bestaande. Het heeft volstrekt niets merkwaardigs, dan zijn kerk, die betrekkelijk groot mag worden genoemd en met twee half houten torens prijkt; verder is het vooral bekend om de kermis of jaarmarkt, die daar telken jare in December gehouden wordt, en die, met de jaarmarkt van Vilque, tot de belangrijkste van Peru behoort. Dan staat de vlakte voor het dorp vol tenten en kramen, waar allerlei dingen, voornamelijk producten van europeesche nijverheid. zij het dan ook niet veel bijzonders, worden verkocht. Dan beweegt zich daartusschen eene dichte menschenmassa, deels om te koopen en te verkoopen; deels om getuige te zijn van de vertooningen van goochelaars, koorddansers, kunstenaars van allerlei soort, die in den regel bij dergelijke gelegenheden niet ontbreken. Dan heeft Pucara een gansch ander aanzien dan thans, nu wij er niets vinden dan den zieken postmeester, die met een gezwollen koon in zijn bed lag, en voor wien men mijn raad inriep. Ik schreef een eenvoudige pap van brood en melk voor; maar de Indiaan, die mij had geraadpleegd, achtte dat dit goed was voor kleine kinderen. Hij maakte daarop zelf een ander middel klaar: een mengsel van chicha met vet, fijn gestampte coca-bladeren en asch; dit mengsel liet hij koken, gaf daarvan den patiënt de helft te drinken, en wiesch hem met de andere het gelaat. Tot mijne groote verbazing was de postmeester den volgenden morgen, bij ons vertrek, waarschijnlijk ondanks de kuur, veel beter.Het maïskauwen.Het maïskauwen.

Ten noorden van Arequipa strekt zich eene zandwoestijn uit, la Pampilla genaamd, die ge, op een goeden draf, in een half uur doorrijden kunt; aan degrens dier zandige vlakte begint de weg te stijgen; al steiler en bezwaarlijker wordt de helling, tot ge eindelijk, uitgeput van vermoeienis en bibberende van kou, Apo bereikt, het eerste station in de Sierra-Nevada.

De reiziger, die hier den nacht doorbrengt om zijne beesten te laten uitrusten, kan op zijn gemak de wonderen van een poollandschap aanschouwen. Noordwaarts, voor hem uit, is de grond bedekt met vaste harde sneeuw; de beken slapen gerust onder haar ijsdek; de watervallen zijn in een verwarde ophooping van stalactiten herschapen; en ten noordoosten verheffen zich eenige besneeuwde toppen van de Andesketen, als bleeke schimmen, in de lucht. De thermometer staat op twaalf tot veertien graden onder nul.

Dit zoogenaamde station van Apo, waar ik tegen het vallen van den avond aankwam, gelijkt op alle dergelijke inrichtingen in Peru, waar men niet bijzonder veel zorg voor de reizigers draagt; dat wil zeggen, het is niets meer dan eene tamelijk ruime hut, in twee vertrekken verdeeld, en meer of minder vervallen, naar gelang men zich van de groote steden verwijdert. Een vierkante, ongedekte ruimte, met groote, op elkander gestapelde steenblokken omzoomd, dient tot stalling voor de muildieren der reizigers. Zij zelven moeten zich tevreden stellen met een der beide vertrekken in de hut; zij slapen op den grond, als zij niet de voorzorg hebben gebruikt, een matras mede te nemen, bibberen den ganschen nacht van koude, en staan zoo vroeg mogelijk op, om aan eene kwelling te ontkomen, die zij aan het volgende station toch zullen wedervinden.

Den volgenden morgen hervatten wij, mijn muilezeldrijver Nor Medina en ik, onzen tocht, te midden van eindelooze sneeuw- en ijsvelden, en zonder dat wij eenig levend schepsel zagen, met uitzondering van eenige condors, die hoog boven ons in de lucht zweefden, en ettelijke vigognas op de berghellingen. Ten vijf ure zagen wij, tusschen de rotsen verborgen, het station van Pachaca, waar ik mij had voorgenomen den nacht door te brengen; maar het station was gesloten, en al ons roepen en schreeuwen bleef onbeantwoord. Wij waren dus wel genoodzaakt, eene dubbele dagreis te maken, en door te rijden tot aan Huallata, waar wij des avonds ten negen ure aankwamen.

Dit wachthuis van Huallata, op een eenzamen bergtop gelegen, te midden van sneeuwvelden en afgronden, blootgesteld aan alle winden, dikwerf door ijzige nevels omhuld, maakt een boven alles treurigen en akeligen indruk. Gelukkig vonden wij hier een tamelijk goed onthaal; nadat ik een kop chocolade en een stuk geroosterd brood gebruikt had, begaf ik mij naar het vertrek voor de reizigers bestemd, waar ik mijn nachttoilet maakte, terwijl Nor Medina, zoo goed hij kon, de gaten en spleten in den muur dicht stopte. Een vuur van lamamest werd in het midden van het vertrek aangelegd, en een Indiaan van het posthuis nam, tegen eene kleine belooning, op zich, dit vuur gedurende den nacht aan te houden. Dank zij den ijver van onzen waker, heerschte er althans in de kamer eene dragelijke temperatuur.

Den volgenden morgen was het doordringend koud; wij huiverden en rilden onder onze mantels, toen wij het posthuis van Huallata verlieten en, den weg naar Cuzco ter linkerhand latende liggen, de rijzende zon te gemoet trokken. Men kan in elken tijd des jaars de Andes overtrekken; maar de meest geschikte tijdstippen voor zulk een tocht zijn de maanden April en September. In April vindt men geene sneeuw, dan alleen op de plaatsen, waar zij nimmer smelt. In September is de sneeuw, die van Juni tot Augustus de wegen bedekt, reeds gesmolten en naar de zee afgevloeid.

Daar wij toen in Juli, dat wil zeggen in het hart van den winter, waren, moesten wij er op rekenen door een dier stormen overvallen te worden, die doorgaans in den achtermiddag losbreken, tenzij de hemel—wat niet te verwachten was—te onzen gerieve een paar dagen helder bleef. Wij trokken door eene steenachtige en zeer heuvelachtige streek, waar ik, zonder hulp van mijn gids, ongetwijfeld zou zijn verdwaald geraakt; maar Nor Medina was een ervaren leidsman, op wien ik mij veilig verlaten kon. Tegen twee uren vertoonden zich aan den hemel eenige witte wolkjes, die de landlieden zeer plastisch schapenwolkjes en de geleerdencirro-cumulinoemen. Binnen weinige oogenblikken namen deze wolken ziender ooge in omvang toe, naderden elkander, en benevelden de zonneschijf. Blijkbaar was er een storm in aantocht. Wij zagen in het rond, of wij ergens eene schuilplaats konden vinden; maar nergens was iets van dien aard te zien. Zelfs in de bergen was geen grot of spleet te bespeuren, waar wij ons konden verschuilen; wij zetten dus onze muildieren in draf, zonder zelven te weten waar wij komen zouden, maar alleen gedreven door de instinktmatige behoefte om ons tegen het dreigende gevaar in veiligheid te stellen. Weldra stak de wind op; geweldige vlagen dreven de wolken bijeen, die van oogenblik tot oogenblik donkerder werden; de donder rolde steeds naderbij, terwijl blauwe bliksemstralen de zwarte lucht doorkruisten. Onze muilezels liepen zoo snel zij konden, maar het was niet mogelijk, de geweldige bui, die op de vleugelen van den storm naderde, te ontkomen.Eensklaps, bij een daverenden donderslag, was het of de wolken barstten, en een geweldige massa hagelsteenen kletterde naar beneden. Wij doken huiverende ineen en wikkelden ons in onze mantels; terwijl onze arme muilezels, aan al de woede van de bui blootgesteld, hinnikten van pijn, als hen de scherpe hagelsteenen de oogen of den neus troffen. Straks hield de hagel op, maar om nu vervangen te worden door eene zoo dichte sneeuwjacht, dat wij letterlijk geen vier passen voor ons uit konden zien. In een oogenblik was het landschap als met eene onmetelijke wade overdekt. Wij reden zoo, bijna op den tast, ongeveer een half uur voort, toen zich eensklaps een donkere massa voor onze oogen teekende. “God zij gedankt!” riep Nor Medina, zijn muilezel wendende naar de zijde van dit gebouw, van welks eigenlijken aard en bestemming ik mij nog geen rekenschap geven kon. Naderbij gekomen, riep hij mij toe, af te stijgen. Ikgehoorzaamde des te bereidwilliger, daar de deur van dat gebouw wijd openstond. Zij was echter zoo laag, dat ik niet dan op mijne knieën kruipende naar binnen kon komen. Terwijl ik daarmede bezig was, ontdeed Nor Medina de muildieren van hun tuig, en kroop toen mede door de opening, om zich bij mij te voegen. De sneeuw dwarrelde nog steeds in dichte vlokken neder.

Een peruaansche dandy.Een peruaanschedandy.

Een peruaanschedandy.

De schuilplaats, die wij zoo te goeder uur hadden ontdekt, was een soort van ruime cel, uit ontzaglijke steenblokken opgetrokken, en met een reusachtig blok gedekt. Door een klein venster, aan de naar het oosten gekeerde zijde, ter manshoogte in den wand aangebracht, viel een schemerlicht naar binnen. Dit graf—want het was een graf—had misschien een omtrek van tien voet in het vierkant, bij eene hoogte van acht voet. De muren, schuin naar boven toeloopende als die der oud-egyptische monumenten, en ontzaglijk dik, hadden waarschijnlijk menigen storm getart en vele eeuwen zien voorbijgaan. Ik vroeg aan mijn gids, wat hij van dit gedenkteeken wist, en of zich ook eenige overlevering aan dit graf verbond. Zijne onvolledige inlichtingen uit nader ingewonnen berichten aanvullende, kan ik het volgende mededeelen.

De kermis te Pucara.De kermis te Pucara.

De kermis te Pucara.

Toen de Zonen der Zon zich in Peru kwamen vestigen, vonden zij daar het groote volk der Aymaras, in de wijde landstreek, die zich van Lampa tot aan de grenzen van den Desaguadero uitstrekt, en, onder den naam van Collao, de Punas of bergvlakten ten oosten van de Andesketen omvat. Deze landstreek, ongeveer negentig mijlen lang en gemiddeld dertig mijlen breed, bevatte een aantal tempels, paleizen, verschillende monumenten, sommigen ongeschonden, sommigen in puin gevallen, en die zoowel door hunne architectuur als door het beeldwerk, waarmede zij prijkten, getuigenis gaven van eene zeer ontwikkelde beschaving.De Aymaras, die aan deze gedenkteekenen eene hooge oudheid toekenden, beweerden dat zij afkomstig waren van de Collahuas, een volk, waarvan zij zich beroemden af te stammen. Volgens hen, zou deze natie, in vroeger tijd, uit een ver land, ten noorden van Peru, zijn gekomen, en zou langen tijd op verschillende plaatsen hebben vertoefd, alvorens zich in de peruaansche hoogvlakten te vestigen, die sedert naar hen den naam van Collao droegen.

Naar het zeggen der Aymaras, zou, uit hieroglyphische teekeningen, waarvan alleen de opperhoofden de verklaring kenden, blijken, dat deze Collahuas leerden, dat de zon, die hen bescheen, reeds was voorafgegegaan door vier andere zonnen, die achtereenvolgens waren uitgebluscht: en wel door eene overstrooming, door een aardbeving, door een algemeenen wereldbrand, en door een orkaan; telkenmale was ook al het geschapene mede te gronde gegaan. Na het verdwijnen van de vierde zon, was de wereld vijf-en-twintig jaar lang in duisternis gedompeld geweest. In dien nacht, en tien jaar voor de verschijning van de vijfde zon, was het menschelijk geslacht op nieuw in het aanzijn getreden. De Schepper had toen andermaal een man en eene vrouw gevormd, en vervolgens ook de vijfde zon geschapen, die nu reeds sedert duizend jaren bestond.

Deze zelfde kosmogonie, welke de Aymaras aan de Collahuas hadden ontleend, wordt ook gevonden bij eene geheele groep van volken, die allen dezelfde taal spraken: de Tolteken, de Cicimeken, de Nahuatlaken, de Acolhuen, de Tlascalteken, de Azteken, enz., die, omstreeks de eerste eeuw van onze jaartelling, het land Auahuac, in het latere Nieuw-Spanje, bewoonden. Deze volken beweerden, dat zij deze kosmogonie, zoowel als hunne bouwkunst, hunne hieroglyphen en hunne beschaving in het algemeen, hadden overgenomen van de Olmeken en de Xicalanken, twee machtige natiën, die vóór hen in het land hadden gewoond, en die zich beroemden van overouden oorsprong te zijn.

De zegepraal der Incas in Peru, waardoor vele volksstammen van de Andes uit hunne woonplaatsen werden verdreven, ontnam ook aan de Aymaras het land, dat zij sinds zoo langen tijd in bezit hadden gehad. Reeds onder Sinchi-Roca, den tweeden Keizer van Peru, hadden de Aymaras de provincie van Cuzco verlaten, en zich al verder en verder naar het westen teruggetrokken, om aan de heerschappij van de Zonen der Zon te ontkomen. De derde Inca, Lloque-Yupanqui, ondernam een krijgstocht naar dat gedeelte van Collao, waarvan het meer Titicaca met zijne monumenten als het middelpunt kan worden beschouwd; hij onderwierp de Aymaras, in het zuiden gevestigd, en liet de anderen, die meer westwaarts woonden, met rust. Mayta-Capac, zijn opvolger, tastte deze natie van twee zijden tegelijk aan. Na de Aymaras van Tiahuanacu, in Bolivia, onderworpen te hebben, richtte hij zijne wapenen tegen die van Parihuanacocha, het Flamingo-meer, nabij den vijftienden graad gelegen, en bracht ook hen ten onder.

Door deze veroveringen, die onder elken nieuwen Keizer steeds verder werden uitgebreid, werden de nog vrijgebleven Aymaras naar de kusten van den Stillen-oceaan teruggedrongen. Sommige familiën van dit volk hadden zich gevestigd aan den ingang der westelijke valleien, waar hunne overblijfselen nog heden gevonden worden; anderen waren tot den oever der zee doorgetrokken, en hadden zich daar vermengd met de vischetende stammen, die destijds dat gedeelte der kust bewoonden. Toen, in de vijftiende eeuw, de Inca Capac-Yupanqui de grenzen van zijn rijk tot aan Chili had uitgebreid, werden ook deze stammen, en met hen de Aymaras, bijna geheel uitgeroeid. Alleen zij, die zich reeds vroeger aan de heerschappij der Incas onderworpen hadden, bleven in de Sierra gevestigd, in een gedeelte der landstreek, waarin weleer hunne vaderen gewoond hadden. Tegenwoordig telt men nog ongeveer tweehonderd-duizend dier oude inboorlingen, langs de grenzen van Bolivia, en in de zeven departementen van die republiek verstrooid.

Bij dit volk heerschte eene zonderlinge gewoonte, die het den ethnograaf gemakkelijk maakt hun spoor te volgen: de gewoonte namelijk, om den schedel der pasgeboren kinderen, door samenpersing tusschen twee met katoen bekleede plankjes, een ovalen kegelvorm te geven. De geraamten van Aymaras, die men in de nabijheid der zee, tusschen den zestienden en den achttienden graad, vindt, zijn aanstonds kenbaar aan dien eigenaardigen langwerpigen vorm van hun schedel, dien ik niet beter weet te vergelijken dan bij een ei, waarvan een der punten het gelaat voorstelt.

Niet minder vreemd was de wijze van ter aardebestelling, bij deze Indianen, tijdens hun bloei, in gebruik, en die men bij geen enkel ander volk van Zuid-Amerika terug vindt. Hunne graven,chulpasgenaamd, hadden de gedaante van eene afgeknotte pyramide, van twintig tot dertig voet, hoog. Deze pyramide, uit ongebakken tichelsteenen samengesteld, liep naar boven smaller toe, en herinnerde door hare algemeene gedaante, aan de mexikaanscheteocallis, waarvan het oorspronkelijke plan aan den tempel van Bel schijnt ontleend. Somwijlen waren deze graven niet meer dan eenvoudige cellen of kluizen van opeengestapelde steenen, met een grooten steenklomp gedekt, en niets dan eene vierkante kamer bevattende, met eene lage deur aan de westzijde en een klein raam naar het oosten uitziende. Het graf, waarin wij nu verscholen waren, was zulk een cel. Soms echter hadden deze graven de gedaante van een obelisk, waarvan de hoogte, acht of tien el, gelijk stond met tweemaal de breedte van hun grondvlak. Deze obelisken waren met een schuin dak gedekt, en uit leemaarde opgetrokken. Een graf als dat, waarin wij ons nu bevinden, was bestemd voor twaalf personen, wier lichamen, gebalsemd met denchenopodium ambrosioidesuit de naburige valleien, en in hunne kleederen gedost of gewikkeld in een wijden zak van totora-bladeren, die ter plaatse van het aangezicht open was, in een kring waren gezeten, met de voeten tegen elkander. Nevens ieder lijk bevonden zich eenige maïs-halmen, een pot met chicha, een etensbak en een lepel. Was het een man, dan voegde men daarbij een slinger, eenig jacht- of vischtuig en een kluwen wol. Bij eene vrouw plaatste meneen mandje of korfje, van jaraya-vezels gevlochten, eenige kluwen lama-wol, en eenige breinaalden, vervaardigd uit de lange zwarte doornen van dencactus quisco. Zoodra het bepaalde aantal lijken in het graf geplaatst was, werd de ingang toegemetseld. Het venster alleen bleef open, waarschijnlijk opdat de opkomende zon hare stralen in dit kalme doodenverblijf zou kunnen werpen. Nog heden vindt men enkele van deze chulpas, maar ledig en geschonden. Franschen, Duitschers, Engelschen hebben om strijd deze graven opengebroken, en de mummies, die daar hun eeuwigen slaap sliepen, in hunne ruste gestoord, en naar Europa overgebracht, waar zij nu, in eenofander museum, met hunne holle oogen achter een glazen kast zitten te staren.

De sneeuw had opgehouden, de bui was afgetrokken, en wij vervolgden onzen tocht. Tegen den avond bereikten wij het gehucht Compuerta, waar wij den nacht wilden doorbrengen. De ellendige hutten schenen onbewoond: uit eene daarvan steeg een dunne rookwolk ten hemel: wij besloten, ons daar aan te melden. Bij onze naderingwerd de deur geopend; eene indiaansche vrouw stak haar hoofd naar buiten, en zag ons met een verschrikt gelaat aan. Ons voorkomen stelde haar waarschijnlijk gerust; zij vroeg althans aan mijn gids, welk gelukkig toeval hem herwaarts voerde; en hoewel zij van mij niet de minste notitie nam, verzette zij er zich ook niet tegen, toen ik, met mijn gids, de woning binnentrad.

Wat Nor Medina, waarschijnlijk uit beleefdheid jegens onze gastvrouw, eene woning noemde, was niets dan eene vierkante, zwarte, berookte, door en door onreine ruimte; aan de latten van het dak hingen overal vuile, verscheurde lompen van kleederen, waarvan de oorspronkelijke kleur onkenbaar was geworden door eene dikke laag rook en roet. In het midden van het vertrek brandde een vuur van lamamest, dat een sterken muskuslucht verspreidde, die, gevoegd bij den dikken zwaren rook, oog en neus evenzeer pijnigde. Voor dat vuur stond een ketel, die waarschijnlijk het avondeten bevatte. Ik lichtte het deksel op, en zag eene soort van soep, bestaande uit klaar water en maïsmeel, waarmede de Indianen in het gebergte zich, bij gebrek van beter, voeden. Die maaltijd scheen mij wat al te mager, en terwijl ik, op een bankje voor het vuur gezeten, daarover nadacht, hoorde ik eensklaps, vlak achter mij, een haan kraaien. Ik schrikte onwillekeurig; maar, Medina met de indiaansche vrouw ziende binnenkomen, wenkte ik hem. “Ik houd niet vanelagua” zeide ik zacht tot hem, naar de soep wijzende, die in den ketel pruttelde; “maar die haan zou mij beter aanstaan; is er geen middel om hem voor ons souper te krijgen?”

“Niets gemakkelijker,” antwoordde hij, op denzelfden fluisterenden toon. Daarop, zich tot de vrouw keerende: “Mamita, ga eens kijken of de muildieren niet zijn weggeloopen.” De vrouw ging heen, en bleef een oogenblik buiten. Toen zij terug kwam, begon zij luidkeels te gillen: want Nor Medina, voor het vuur zittende, hield den haan, dien hij den strot had afgesneden, tusschen zijn beenen, en was bezig den vogel te plukken.

“Mamita. die haan is erg mager,” zeide mijn gids heel kalm tot haar.

“O, duivelskind,” riep de vrouw in het quechua, “hond van een mesties, dief, moordenaar! Waarom hebt gij mijn geliefden haan, dien ik zelve had opgevoed, gedood?” En de ongelukkige barstte in tranen uit.

“Stil, vrouw,” sprak Nor Medina, op ernstigen toon; “de elagua, die gij klaar maakt, is niet naar den smaak van dezen reiziger; en daar hij toch iets eten moest, heb ik uw haan genomen. Bovendien, wij zullen uw mageren haan betalen. Hoeveel is hij wel waard, een reaal of twee realen?”

De vrouw, die aan de afpersingen en ruwe behandelingen van de afstammelingen der Spanjaarden gewoon was, scheen zeer verbaasd, dat men nu haar aanbood te betalen, wat men tot dusver eenvoudig weggenomen had. Hare tranen droogden plotseling: en toen ik haar een stuk van vier realen in de hand stopte, was zij al spoedig zoo geheel met de zaak verzoend, dat zij zelfs Medina hielp bij het plukken en bereiden van den haan. Terwijl mijn souper over het vuur hing, hoorden wij van buiten een geluid van stemmen. “Dat is Juan, die met zijne vrienden van de mijn terugkomt,” zeide de vrouw. Nauwelijks had zij dit gezegd, of vier Indianen, geheel in hunne gestreepte ponchos gewikkeld, traden de hut binnen. De tegenwoordigheid van vreemdelingen ontstemde hen blijkbaar; maar de vriendelijke begroeting van Nor Medina, en vooral het gezicht van den halven piaster, dien de vrouw aan haar man toonde, verdreef spoedig de booze bui. Terwijl de nieuw aangekomenen zich van hunne mantels ontdeden, stak de vrouw een dierharsachtigetoortsen aan, die veel meer walm dan licht verspreiden; de Quechuas zetten zich op den grond neder, en haalden uit hunne knapzakken een houten nap, dien zij aan de vrouw reikten, en dien deze tot den rand met heete elagua vulde. Zij plaatsten daarop de volle schaal op de toppen hunner vijf vingers, lieten ze vrij snel in de rondte draaien, en slurpten zoo de soep langs den rand op, waarbij zij allerlei wonderlijke gezichten trokken.

Eindelijk was ook mijn souper gereed. Nor Medina spreidde het dekkleed van mijn zadel op den grond uit, zette de terrine met den gekookten haan daarop, legde een puntig gesneden stukje hout, dat de plaats van een vork vervullen moest, daarnaast, en noodigde mij uit tot den avondmaaltijd. Ik liet mij niet onbetuigd, ook al was de vogel wat taai, en verzuimde ook niet, onze gastvrouw een deel van den maaltijd aan te bieden, dat haar uitnemend scheen te smaken. Kort daarop verlieten ons de Quechuas; met de vrouw begaven zij zich naar de naburige hut, ons de woning voor den nacht overlatende. Het duurde niet lang, of wij lagen voor het vuur uitgestrekt, en waren weldra in een diepen slaap gedompeld.

Den volgenden morgen, reeds ten zes ure, begaven wij ons weder op weg, overnachtten dien avond bij den eerwaardigen pastoor van het dorp Cabana, en bereikten den dag daarna, tegen het vallen van den avond, de stad Lampa. Het was reeds donker, toen wij onzen intocht hielden in dit zeer onaanzienlijkestedeke, dat mij bijna uitgestorven toescheen. Op het marktplein gekomen, vroeg ik aan een koopman in aardewerk, die juist bezig was zijne uitgestalde borden, potten en schotels naar binnen te brengen, waar don Firmin de Vara y Pancorbo, koopman in manufacturen, woonde, voor wien ik een aanbevelingsbrief bij mij had. Hij wees mij een huis op het plein, waarvan de vensters straalden van licht. Daar viel ik, zooals men zegt, met mijn neus in de boter. De koopman vierde het feest van zijn heiligen patroon, en had eenige heeren en dames van zijne kennis bij zich genoodigd, in wier kring hij mij nu introduceerde. Het ging daar bijzonder lustig toe; en het spijt mij, te moeten erkennen, dat het feest al vrij spoedig zulk een karakter aannam, dat ik het raadzaam oordeelde mij ongemerkt te verwijderen. Een der bedienden wees mij de slaapkamer van zijn heer, waar ik, ondanks het helsch rumoer in de feestzaal, den ganschen nacht rustig sliep. Toen ik den volgenden morgen afscheid wilde nemen van mijn gastheer, bracht de bediende mij naar de zaal, waar den vorigen avond feest gehouden was. Hij opende even de deur, en ik zag een schouwspel, waarvan men mij de beschrijving sparen zal. Eenige oogenblikken later zat ik in den zadel.

Lampa verlatende, vervolgden wij onzen tocht door een eentonig landschap: een heuvelachtige hei, met heidekruid en kort gras begroeid. Nauwelijks waren wij voorbij het eerste station, of wij vernamen achter ons, steeds naderbij, de tonen eener pansfluit. Ik keerde mij om, om te ontdekken van waar deze melodie kwam, en zag een man, die met haastigen tred naar ons toekwam; hij hield een mager paard bij den teugel, dat achter hem aan draafde, beladen met een lederen brievenzak.

De dokter en zijn patiënt.De dokter en zijn patiënt.

De dokter en zijn patiënt.

“Dat is decorreo real(koninklijke koerier) die van Puno naar Cuzco gaat,” zeide mijn gids.

“Zegcorreo nacional,” hernam ik: “het woordkoninklijkis, als oproerleuze, geschrapt in het woordenboek van elke fatsoenlijke republiek.”

De arriero keek mij met verbazing aan, en stond waarschijnlijk op het punt mij uitlegging van die woorden te vragen, toen de postbode ons inhaalde. Hij groette ons beleefd, en knoopte een praatje aan met onzen gids, wien hij vroeg van waar wij kwamen en waarheen wij gingen. Na vervolgens nog een weinig over het weer, de slechte wegen in de Sierra en het gebrek aan levensmiddelen gesproken te hebben, nam hij afscheid en dribbelde weer voort.

Tegen den avond kwamen wij te Pucara, een akelig dorp, uit hoogstens een honderdtal, deels leemen hutten bestaande. Het heeft volstrekt niets merkwaardigs, dan zijn kerk, die betrekkelijk groot mag worden genoemd en met twee half houten torens prijkt; verder is het vooral bekend om de kermis of jaarmarkt, die daar telken jare in December gehouden wordt, en die, met de jaarmarkt van Vilque, tot de belangrijkste van Peru behoort. Dan staat de vlakte voor het dorp vol tenten en kramen, waar allerlei dingen, voornamelijk producten van europeesche nijverheid. zij het dan ook niet veel bijzonders, worden verkocht. Dan beweegt zich daartusschen eene dichte menschenmassa, deels om te koopen en te verkoopen; deels om getuige te zijn van de vertooningen van goochelaars, koorddansers, kunstenaars van allerlei soort, die in den regel bij dergelijke gelegenheden niet ontbreken. Dan heeft Pucara een gansch ander aanzien dan thans, nu wij er niets vinden dan den zieken postmeester, die met een gezwollen koon in zijn bed lag, en voor wien men mijn raad inriep. Ik schreef een eenvoudige pap van brood en melk voor; maar de Indiaan, die mij had geraadpleegd, achtte dat dit goed was voor kleine kinderen. Hij maakte daarop zelf een ander middel klaar: een mengsel van chicha met vet, fijn gestampte coca-bladeren en asch; dit mengsel liet hij koken, gaf daarvan den patiënt de helft te drinken, en wiesch hem met de andere het gelaat. Tot mijne groote verbazing was de postmeester den volgenden morgen, bij ons vertrek, waarschijnlijk ondanks de kuur, veel beter.

Het maïskauwen.Het maïskauwen.

Het maïskauwen.


Back to IndexNext