V.

V.Ik heb mijne lezers slechts schetsen uit mijn reisboek beloofd; ik mag dan ook niet van hen vergen, dat zij mij, van station tot station, zullen volgen op mijn tocht naar de aloude hoofdstad van Peru. Ik noodig hen liever uit, mij nu te willen vergezellen bij mijn bezoek aan Cuzco, de voormalige Zonnestad, de residentie der Incas.Wij hadden het dorp San-Sebastian verlaten, en volgden den grooten weg, die ons naar Cuzco brengen moest. De hooge heuvelen, die den horizon begrenzen, naderen al meer en meer, en schijnen een geweldigen cirkelvormigen muur te vormen, aan welks voet Cuzco ligt, dat van hier nog onzichtbaar is. Ter linkerzijde van den weg wordt weldra mijne aandacht getrokken door een machtigen boom, waarvan de knoestige gebarsten stam, de sterke blootgewoelde wortels, en het schrale gebladerte zoovele teekenen zijn van hoogen ouderdom. Volgens de overlevering zou deze boom geplant zijn door den Inca Capac Yupanqui, omstreeks het midden der dertiende eeuw; de inboorlingen noemen hemchachacumayoc—den boom des afscheids. De reiziger, die van Cuzco vertrekt, behoort zich met zijne bloedverwanten, vrienden of kennissen onder dezen boom neder te zetten; tot hier doen zij hem uitgeleide; hier worden de wederkeerige afscheidsgroeten gewisseld, hetgeen in den regel ontaardt in eene ergerlijke slemppartij.Een klein kwartier verder verrijst, op den top der heuvelen, het groote klooster la Recoleta, in 1599 gebouwd, dat de geheele omliggende vlakte beheerscht, en waar ik vroeger, op mijne botanische uitstapjes, menigmaal gastvrij ontvangen was. Al voortgaande, komen wij aan den zoogenoemdenDuivels-preekstoel: een hoop geweldige rotsblokken aan den voet van twee heuvelen, wier gladde en bijna loodrechte wanden hier en daar van vierkante openingen zijn voorzien, waaruitde Indianen, ten tijde der Incas, steenen gehouwen hebben. Die duistere gaten, tien el boven den grond verheven, en waarheen weg noch pad voert, gelijken wel op spookachtige oogen, waarmede de berg de voorbijgangers aanstaart.Op korten afstand van daar verdienen twee merkwaardigheden de aandacht. Ter rechterzijde eene groeve van porfierachtigen zandsteen, waaruit de inboorlingen de ontzaglijke steenblokken haalden, die wij nog heden met verbazing beschouwen. Maar, na de uitgehouwen steenen van de groeve te hebben verwijderd, lieten de Quechuas niet een gapenden kuil achter: zij beitelden in de rots een kamer uit, tien el in het vierkant, met een uitnemend enreliëfbewerkt plafond en drie steenen banken, waarop de vermoeide of door een regenbui overvallen reiziger zich te rusten kan leggen. Deze banken zijn, evenals de wanden en het plafond, zoo voortreffelijk bewerkt, zoo glanzend glad gepolijst, dat geen meubelmaker het in onze dagen zou kunnen verbeteren, niettegenstaande de grondstof hier metaalharde rots is.Tegenover deze inderdaad bewonderenswaardige kamer, een werk uit den zoogenaamd barbaarschen tijd vóór de verovering, staat, te midden van hoog opschietende struiken en planten, een armzalige leemen hut, met een rieten dak, waarop een kruis prijkt: dit is debeaterioof begijnhof van la Recoleta, thans bewoond door drie oude inlandsche vrouwen, aan wie de zorg is opgedragen, het heiligdom in behoorlijken staat te onderhouden, en den lof des Heeren te verkondigen: eene dubbele taak, waarvan zij zich zoo slecht mogelijk kwijten. De hut ziet er vuil en vervallen uit.Voorbij dezen beaterio is de weg ter wederzijde omzoomd door eene onafgebroken reeks van hoeven, tuinen, boomgaarden, die te zamen eene nauwe, bochtige straat vormen, de zoogenaamde voorstad la Recoleta. Eene bijna altijd uitgedroogde beek, waarvan de bedding met steenen is bezaaid, doorsnijdt dit vuile, armoedige kwartier, dat weinig wordt bezocht, maar niettemin een twintigtal herbergen bezit, waar chicha wordt verkocht.Onze muildieren schenen te bemerken, dat wij de aloude heilige stad naderden; het leek wel of zij, even als weleer Mercurius, vleugels aan de voeten hadden. Gaten, kuilen, steenblokken, steilten noch hellingen—niets hield hen tegen in hunne driftige vaart. Met opgestoken ooren, de neusgaten in den wind, de pooten gestrekt, draafden zij lustig voort; niemand zou het hun hebben aangezien, dat zij een tocht van acht-en-negentig mijlen dwars door de Andes hadden afgelegd. De muilezel is in waarheid een onbetaalbaar dier!Binnen weinige minuten hadden wij de zoogenaamdeCueva-honda(diepe grot) bereikt, een steenachtig ravijn, waardoor de bronnen van Sapi haar water naar de vlakte voeren. Van dit betrekkelijk hooge punt overschouwt de blik de gebouwen en monumenten van Cuzco. Het panorama is verre van indrukwekkend: eene plompe, saamgepakte, eentonige massa van steenen en pannen, een doffe roodachtige grond, waarop bijna geen enkel detail krachtig uitkomt, en dit alles onder een flauw en mat licht, dat over het geheel een grauwen tint wierp;—ziedaar de eerste aanblik van de aloude hoofdstad van Manco-Ccapac, sedert verbeterd en vermeerderd, maar niet verfraaid, door Francisco Pizarro.Intusschen, naderbij komende, begint die eenvormige massa zich wat te scheiden en duidelijker af te teekenen, komt er eenig leven in. Boven de tallooze daken verheffen zich enkele torens en koepels; tegen den roodachtig bruinen grond der heuvelen en oude monumenten teekenen zich hier en daar wit gepleisterde muren af; dan wordt de voorstad la Recoleta, of liever de zoogenoemde straat, eensklaps afgebroken, rechts door de steilte, waarop San-Blas, mede een der voorsteden, ligt; en ter linkerhand door een smal pad, ter wederzijde door ruwe, cyclopische muren omzoomd: dit pad draagt den weidschen naam van de straat der Overwinning. De muildieren draven onvermoeid deze steeg in; en na een paar minuten staan wij eensklaps, zonder door iets op deze verandering te zijn voorbereid, op de Plaza Mayor van Cuzco, tegenover de kathedraal.Ik liet mij aan mijne woning op de Plaza Mayor, onder de zoogenaamde Oud-linnengalerij, afzetten.—De beide andere galerijen, die, met de zooeven genoemde, drie zijden van het plein innemen, heeten de Broodgalerij en de Confiturengalerij.—Ik betaalde Nor Medina de verschuldigde huur voor zijne muilezels, gaf hem nog een fooi bovendien, en liet hemvertrekken. Vervolgens ging ik, na mijn honger gestild te hebben, in mijn gemakkelijk oud-spaansch bed liggen, en sliep ongestoord tot den volgenden morgen.Het was mijn voornemen, slechts een paar dagen in Cuzco, dat ik van vroeger kende, te blijven, om vervolgens naar het binnenland te reizen, ten einde de indiaansche stammen te bezoeken. Maar ik mag niet vergeten, dat mijne lezers, althans zeker verreweg het meerendeel hunner, Cuzco niet door eigen aanschouwing kennen; en dat het niet aangaat, hen naar deze beroemde stad te voeren, alleen om enkele benoodigdheden voor den tocht naar het binnenland te koopen, en dan weer heen te gaan. Ik ben hun eene beschrijving van Cuzco, van de oude zoowel als van de nieuwe stad, schuldig, en wil mij ook, voor zooveel in mijn vermogen is, gaarne van dien plicht kwijten.

V.Ik heb mijne lezers slechts schetsen uit mijn reisboek beloofd; ik mag dan ook niet van hen vergen, dat zij mij, van station tot station, zullen volgen op mijn tocht naar de aloude hoofdstad van Peru. Ik noodig hen liever uit, mij nu te willen vergezellen bij mijn bezoek aan Cuzco, de voormalige Zonnestad, de residentie der Incas.Wij hadden het dorp San-Sebastian verlaten, en volgden den grooten weg, die ons naar Cuzco brengen moest. De hooge heuvelen, die den horizon begrenzen, naderen al meer en meer, en schijnen een geweldigen cirkelvormigen muur te vormen, aan welks voet Cuzco ligt, dat van hier nog onzichtbaar is. Ter linkerzijde van den weg wordt weldra mijne aandacht getrokken door een machtigen boom, waarvan de knoestige gebarsten stam, de sterke blootgewoelde wortels, en het schrale gebladerte zoovele teekenen zijn van hoogen ouderdom. Volgens de overlevering zou deze boom geplant zijn door den Inca Capac Yupanqui, omstreeks het midden der dertiende eeuw; de inboorlingen noemen hemchachacumayoc—den boom des afscheids. De reiziger, die van Cuzco vertrekt, behoort zich met zijne bloedverwanten, vrienden of kennissen onder dezen boom neder te zetten; tot hier doen zij hem uitgeleide; hier worden de wederkeerige afscheidsgroeten gewisseld, hetgeen in den regel ontaardt in eene ergerlijke slemppartij.Een klein kwartier verder verrijst, op den top der heuvelen, het groote klooster la Recoleta, in 1599 gebouwd, dat de geheele omliggende vlakte beheerscht, en waar ik vroeger, op mijne botanische uitstapjes, menigmaal gastvrij ontvangen was. Al voortgaande, komen wij aan den zoogenoemdenDuivels-preekstoel: een hoop geweldige rotsblokken aan den voet van twee heuvelen, wier gladde en bijna loodrechte wanden hier en daar van vierkante openingen zijn voorzien, waaruitde Indianen, ten tijde der Incas, steenen gehouwen hebben. Die duistere gaten, tien el boven den grond verheven, en waarheen weg noch pad voert, gelijken wel op spookachtige oogen, waarmede de berg de voorbijgangers aanstaart.Op korten afstand van daar verdienen twee merkwaardigheden de aandacht. Ter rechterzijde eene groeve van porfierachtigen zandsteen, waaruit de inboorlingen de ontzaglijke steenblokken haalden, die wij nog heden met verbazing beschouwen. Maar, na de uitgehouwen steenen van de groeve te hebben verwijderd, lieten de Quechuas niet een gapenden kuil achter: zij beitelden in de rots een kamer uit, tien el in het vierkant, met een uitnemend enreliëfbewerkt plafond en drie steenen banken, waarop de vermoeide of door een regenbui overvallen reiziger zich te rusten kan leggen. Deze banken zijn, evenals de wanden en het plafond, zoo voortreffelijk bewerkt, zoo glanzend glad gepolijst, dat geen meubelmaker het in onze dagen zou kunnen verbeteren, niettegenstaande de grondstof hier metaalharde rots is.Tegenover deze inderdaad bewonderenswaardige kamer, een werk uit den zoogenaamd barbaarschen tijd vóór de verovering, staat, te midden van hoog opschietende struiken en planten, een armzalige leemen hut, met een rieten dak, waarop een kruis prijkt: dit is debeaterioof begijnhof van la Recoleta, thans bewoond door drie oude inlandsche vrouwen, aan wie de zorg is opgedragen, het heiligdom in behoorlijken staat te onderhouden, en den lof des Heeren te verkondigen: eene dubbele taak, waarvan zij zich zoo slecht mogelijk kwijten. De hut ziet er vuil en vervallen uit.Voorbij dezen beaterio is de weg ter wederzijde omzoomd door eene onafgebroken reeks van hoeven, tuinen, boomgaarden, die te zamen eene nauwe, bochtige straat vormen, de zoogenaamde voorstad la Recoleta. Eene bijna altijd uitgedroogde beek, waarvan de bedding met steenen is bezaaid, doorsnijdt dit vuile, armoedige kwartier, dat weinig wordt bezocht, maar niettemin een twintigtal herbergen bezit, waar chicha wordt verkocht.Onze muildieren schenen te bemerken, dat wij de aloude heilige stad naderden; het leek wel of zij, even als weleer Mercurius, vleugels aan de voeten hadden. Gaten, kuilen, steenblokken, steilten noch hellingen—niets hield hen tegen in hunne driftige vaart. Met opgestoken ooren, de neusgaten in den wind, de pooten gestrekt, draafden zij lustig voort; niemand zou het hun hebben aangezien, dat zij een tocht van acht-en-negentig mijlen dwars door de Andes hadden afgelegd. De muilezel is in waarheid een onbetaalbaar dier!Binnen weinige minuten hadden wij de zoogenaamdeCueva-honda(diepe grot) bereikt, een steenachtig ravijn, waardoor de bronnen van Sapi haar water naar de vlakte voeren. Van dit betrekkelijk hooge punt overschouwt de blik de gebouwen en monumenten van Cuzco. Het panorama is verre van indrukwekkend: eene plompe, saamgepakte, eentonige massa van steenen en pannen, een doffe roodachtige grond, waarop bijna geen enkel detail krachtig uitkomt, en dit alles onder een flauw en mat licht, dat over het geheel een grauwen tint wierp;—ziedaar de eerste aanblik van de aloude hoofdstad van Manco-Ccapac, sedert verbeterd en vermeerderd, maar niet verfraaid, door Francisco Pizarro.Intusschen, naderbij komende, begint die eenvormige massa zich wat te scheiden en duidelijker af te teekenen, komt er eenig leven in. Boven de tallooze daken verheffen zich enkele torens en koepels; tegen den roodachtig bruinen grond der heuvelen en oude monumenten teekenen zich hier en daar wit gepleisterde muren af; dan wordt de voorstad la Recoleta, of liever de zoogenoemde straat, eensklaps afgebroken, rechts door de steilte, waarop San-Blas, mede een der voorsteden, ligt; en ter linkerhand door een smal pad, ter wederzijde door ruwe, cyclopische muren omzoomd: dit pad draagt den weidschen naam van de straat der Overwinning. De muildieren draven onvermoeid deze steeg in; en na een paar minuten staan wij eensklaps, zonder door iets op deze verandering te zijn voorbereid, op de Plaza Mayor van Cuzco, tegenover de kathedraal.Ik liet mij aan mijne woning op de Plaza Mayor, onder de zoogenaamde Oud-linnengalerij, afzetten.—De beide andere galerijen, die, met de zooeven genoemde, drie zijden van het plein innemen, heeten de Broodgalerij en de Confiturengalerij.—Ik betaalde Nor Medina de verschuldigde huur voor zijne muilezels, gaf hem nog een fooi bovendien, en liet hemvertrekken. Vervolgens ging ik, na mijn honger gestild te hebben, in mijn gemakkelijk oud-spaansch bed liggen, en sliep ongestoord tot den volgenden morgen.Het was mijn voornemen, slechts een paar dagen in Cuzco, dat ik van vroeger kende, te blijven, om vervolgens naar het binnenland te reizen, ten einde de indiaansche stammen te bezoeken. Maar ik mag niet vergeten, dat mijne lezers, althans zeker verreweg het meerendeel hunner, Cuzco niet door eigen aanschouwing kennen; en dat het niet aangaat, hen naar deze beroemde stad te voeren, alleen om enkele benoodigdheden voor den tocht naar het binnenland te koopen, en dan weer heen te gaan. Ik ben hun eene beschrijving van Cuzco, van de oude zoowel als van de nieuwe stad, schuldig, en wil mij ook, voor zooveel in mijn vermogen is, gaarne van dien plicht kwijten.

V.Ik heb mijne lezers slechts schetsen uit mijn reisboek beloofd; ik mag dan ook niet van hen vergen, dat zij mij, van station tot station, zullen volgen op mijn tocht naar de aloude hoofdstad van Peru. Ik noodig hen liever uit, mij nu te willen vergezellen bij mijn bezoek aan Cuzco, de voormalige Zonnestad, de residentie der Incas.Wij hadden het dorp San-Sebastian verlaten, en volgden den grooten weg, die ons naar Cuzco brengen moest. De hooge heuvelen, die den horizon begrenzen, naderen al meer en meer, en schijnen een geweldigen cirkelvormigen muur te vormen, aan welks voet Cuzco ligt, dat van hier nog onzichtbaar is. Ter linkerzijde van den weg wordt weldra mijne aandacht getrokken door een machtigen boom, waarvan de knoestige gebarsten stam, de sterke blootgewoelde wortels, en het schrale gebladerte zoovele teekenen zijn van hoogen ouderdom. Volgens de overlevering zou deze boom geplant zijn door den Inca Capac Yupanqui, omstreeks het midden der dertiende eeuw; de inboorlingen noemen hemchachacumayoc—den boom des afscheids. De reiziger, die van Cuzco vertrekt, behoort zich met zijne bloedverwanten, vrienden of kennissen onder dezen boom neder te zetten; tot hier doen zij hem uitgeleide; hier worden de wederkeerige afscheidsgroeten gewisseld, hetgeen in den regel ontaardt in eene ergerlijke slemppartij.Een klein kwartier verder verrijst, op den top der heuvelen, het groote klooster la Recoleta, in 1599 gebouwd, dat de geheele omliggende vlakte beheerscht, en waar ik vroeger, op mijne botanische uitstapjes, menigmaal gastvrij ontvangen was. Al voortgaande, komen wij aan den zoogenoemdenDuivels-preekstoel: een hoop geweldige rotsblokken aan den voet van twee heuvelen, wier gladde en bijna loodrechte wanden hier en daar van vierkante openingen zijn voorzien, waaruitde Indianen, ten tijde der Incas, steenen gehouwen hebben. Die duistere gaten, tien el boven den grond verheven, en waarheen weg noch pad voert, gelijken wel op spookachtige oogen, waarmede de berg de voorbijgangers aanstaart.Op korten afstand van daar verdienen twee merkwaardigheden de aandacht. Ter rechterzijde eene groeve van porfierachtigen zandsteen, waaruit de inboorlingen de ontzaglijke steenblokken haalden, die wij nog heden met verbazing beschouwen. Maar, na de uitgehouwen steenen van de groeve te hebben verwijderd, lieten de Quechuas niet een gapenden kuil achter: zij beitelden in de rots een kamer uit, tien el in het vierkant, met een uitnemend enreliëfbewerkt plafond en drie steenen banken, waarop de vermoeide of door een regenbui overvallen reiziger zich te rusten kan leggen. Deze banken zijn, evenals de wanden en het plafond, zoo voortreffelijk bewerkt, zoo glanzend glad gepolijst, dat geen meubelmaker het in onze dagen zou kunnen verbeteren, niettegenstaande de grondstof hier metaalharde rots is.Tegenover deze inderdaad bewonderenswaardige kamer, een werk uit den zoogenaamd barbaarschen tijd vóór de verovering, staat, te midden van hoog opschietende struiken en planten, een armzalige leemen hut, met een rieten dak, waarop een kruis prijkt: dit is debeaterioof begijnhof van la Recoleta, thans bewoond door drie oude inlandsche vrouwen, aan wie de zorg is opgedragen, het heiligdom in behoorlijken staat te onderhouden, en den lof des Heeren te verkondigen: eene dubbele taak, waarvan zij zich zoo slecht mogelijk kwijten. De hut ziet er vuil en vervallen uit.Voorbij dezen beaterio is de weg ter wederzijde omzoomd door eene onafgebroken reeks van hoeven, tuinen, boomgaarden, die te zamen eene nauwe, bochtige straat vormen, de zoogenaamde voorstad la Recoleta. Eene bijna altijd uitgedroogde beek, waarvan de bedding met steenen is bezaaid, doorsnijdt dit vuile, armoedige kwartier, dat weinig wordt bezocht, maar niettemin een twintigtal herbergen bezit, waar chicha wordt verkocht.Onze muildieren schenen te bemerken, dat wij de aloude heilige stad naderden; het leek wel of zij, even als weleer Mercurius, vleugels aan de voeten hadden. Gaten, kuilen, steenblokken, steilten noch hellingen—niets hield hen tegen in hunne driftige vaart. Met opgestoken ooren, de neusgaten in den wind, de pooten gestrekt, draafden zij lustig voort; niemand zou het hun hebben aangezien, dat zij een tocht van acht-en-negentig mijlen dwars door de Andes hadden afgelegd. De muilezel is in waarheid een onbetaalbaar dier!Binnen weinige minuten hadden wij de zoogenaamdeCueva-honda(diepe grot) bereikt, een steenachtig ravijn, waardoor de bronnen van Sapi haar water naar de vlakte voeren. Van dit betrekkelijk hooge punt overschouwt de blik de gebouwen en monumenten van Cuzco. Het panorama is verre van indrukwekkend: eene plompe, saamgepakte, eentonige massa van steenen en pannen, een doffe roodachtige grond, waarop bijna geen enkel detail krachtig uitkomt, en dit alles onder een flauw en mat licht, dat over het geheel een grauwen tint wierp;—ziedaar de eerste aanblik van de aloude hoofdstad van Manco-Ccapac, sedert verbeterd en vermeerderd, maar niet verfraaid, door Francisco Pizarro.Intusschen, naderbij komende, begint die eenvormige massa zich wat te scheiden en duidelijker af te teekenen, komt er eenig leven in. Boven de tallooze daken verheffen zich enkele torens en koepels; tegen den roodachtig bruinen grond der heuvelen en oude monumenten teekenen zich hier en daar wit gepleisterde muren af; dan wordt de voorstad la Recoleta, of liever de zoogenoemde straat, eensklaps afgebroken, rechts door de steilte, waarop San-Blas, mede een der voorsteden, ligt; en ter linkerhand door een smal pad, ter wederzijde door ruwe, cyclopische muren omzoomd: dit pad draagt den weidschen naam van de straat der Overwinning. De muildieren draven onvermoeid deze steeg in; en na een paar minuten staan wij eensklaps, zonder door iets op deze verandering te zijn voorbereid, op de Plaza Mayor van Cuzco, tegenover de kathedraal.Ik liet mij aan mijne woning op de Plaza Mayor, onder de zoogenaamde Oud-linnengalerij, afzetten.—De beide andere galerijen, die, met de zooeven genoemde, drie zijden van het plein innemen, heeten de Broodgalerij en de Confiturengalerij.—Ik betaalde Nor Medina de verschuldigde huur voor zijne muilezels, gaf hem nog een fooi bovendien, en liet hemvertrekken. Vervolgens ging ik, na mijn honger gestild te hebben, in mijn gemakkelijk oud-spaansch bed liggen, en sliep ongestoord tot den volgenden morgen.Het was mijn voornemen, slechts een paar dagen in Cuzco, dat ik van vroeger kende, te blijven, om vervolgens naar het binnenland te reizen, ten einde de indiaansche stammen te bezoeken. Maar ik mag niet vergeten, dat mijne lezers, althans zeker verreweg het meerendeel hunner, Cuzco niet door eigen aanschouwing kennen; en dat het niet aangaat, hen naar deze beroemde stad te voeren, alleen om enkele benoodigdheden voor den tocht naar het binnenland te koopen, en dan weer heen te gaan. Ik ben hun eene beschrijving van Cuzco, van de oude zoowel als van de nieuwe stad, schuldig, en wil mij ook, voor zooveel in mijn vermogen is, gaarne van dien plicht kwijten.

V.Ik heb mijne lezers slechts schetsen uit mijn reisboek beloofd; ik mag dan ook niet van hen vergen, dat zij mij, van station tot station, zullen volgen op mijn tocht naar de aloude hoofdstad van Peru. Ik noodig hen liever uit, mij nu te willen vergezellen bij mijn bezoek aan Cuzco, de voormalige Zonnestad, de residentie der Incas.Wij hadden het dorp San-Sebastian verlaten, en volgden den grooten weg, die ons naar Cuzco brengen moest. De hooge heuvelen, die den horizon begrenzen, naderen al meer en meer, en schijnen een geweldigen cirkelvormigen muur te vormen, aan welks voet Cuzco ligt, dat van hier nog onzichtbaar is. Ter linkerzijde van den weg wordt weldra mijne aandacht getrokken door een machtigen boom, waarvan de knoestige gebarsten stam, de sterke blootgewoelde wortels, en het schrale gebladerte zoovele teekenen zijn van hoogen ouderdom. Volgens de overlevering zou deze boom geplant zijn door den Inca Capac Yupanqui, omstreeks het midden der dertiende eeuw; de inboorlingen noemen hemchachacumayoc—den boom des afscheids. De reiziger, die van Cuzco vertrekt, behoort zich met zijne bloedverwanten, vrienden of kennissen onder dezen boom neder te zetten; tot hier doen zij hem uitgeleide; hier worden de wederkeerige afscheidsgroeten gewisseld, hetgeen in den regel ontaardt in eene ergerlijke slemppartij.Een klein kwartier verder verrijst, op den top der heuvelen, het groote klooster la Recoleta, in 1599 gebouwd, dat de geheele omliggende vlakte beheerscht, en waar ik vroeger, op mijne botanische uitstapjes, menigmaal gastvrij ontvangen was. Al voortgaande, komen wij aan den zoogenoemdenDuivels-preekstoel: een hoop geweldige rotsblokken aan den voet van twee heuvelen, wier gladde en bijna loodrechte wanden hier en daar van vierkante openingen zijn voorzien, waaruitde Indianen, ten tijde der Incas, steenen gehouwen hebben. Die duistere gaten, tien el boven den grond verheven, en waarheen weg noch pad voert, gelijken wel op spookachtige oogen, waarmede de berg de voorbijgangers aanstaart.Op korten afstand van daar verdienen twee merkwaardigheden de aandacht. Ter rechterzijde eene groeve van porfierachtigen zandsteen, waaruit de inboorlingen de ontzaglijke steenblokken haalden, die wij nog heden met verbazing beschouwen. Maar, na de uitgehouwen steenen van de groeve te hebben verwijderd, lieten de Quechuas niet een gapenden kuil achter: zij beitelden in de rots een kamer uit, tien el in het vierkant, met een uitnemend enreliëfbewerkt plafond en drie steenen banken, waarop de vermoeide of door een regenbui overvallen reiziger zich te rusten kan leggen. Deze banken zijn, evenals de wanden en het plafond, zoo voortreffelijk bewerkt, zoo glanzend glad gepolijst, dat geen meubelmaker het in onze dagen zou kunnen verbeteren, niettegenstaande de grondstof hier metaalharde rots is.Tegenover deze inderdaad bewonderenswaardige kamer, een werk uit den zoogenaamd barbaarschen tijd vóór de verovering, staat, te midden van hoog opschietende struiken en planten, een armzalige leemen hut, met een rieten dak, waarop een kruis prijkt: dit is debeaterioof begijnhof van la Recoleta, thans bewoond door drie oude inlandsche vrouwen, aan wie de zorg is opgedragen, het heiligdom in behoorlijken staat te onderhouden, en den lof des Heeren te verkondigen: eene dubbele taak, waarvan zij zich zoo slecht mogelijk kwijten. De hut ziet er vuil en vervallen uit.Voorbij dezen beaterio is de weg ter wederzijde omzoomd door eene onafgebroken reeks van hoeven, tuinen, boomgaarden, die te zamen eene nauwe, bochtige straat vormen, de zoogenaamde voorstad la Recoleta. Eene bijna altijd uitgedroogde beek, waarvan de bedding met steenen is bezaaid, doorsnijdt dit vuile, armoedige kwartier, dat weinig wordt bezocht, maar niettemin een twintigtal herbergen bezit, waar chicha wordt verkocht.Onze muildieren schenen te bemerken, dat wij de aloude heilige stad naderden; het leek wel of zij, even als weleer Mercurius, vleugels aan de voeten hadden. Gaten, kuilen, steenblokken, steilten noch hellingen—niets hield hen tegen in hunne driftige vaart. Met opgestoken ooren, de neusgaten in den wind, de pooten gestrekt, draafden zij lustig voort; niemand zou het hun hebben aangezien, dat zij een tocht van acht-en-negentig mijlen dwars door de Andes hadden afgelegd. De muilezel is in waarheid een onbetaalbaar dier!Binnen weinige minuten hadden wij de zoogenaamdeCueva-honda(diepe grot) bereikt, een steenachtig ravijn, waardoor de bronnen van Sapi haar water naar de vlakte voeren. Van dit betrekkelijk hooge punt overschouwt de blik de gebouwen en monumenten van Cuzco. Het panorama is verre van indrukwekkend: eene plompe, saamgepakte, eentonige massa van steenen en pannen, een doffe roodachtige grond, waarop bijna geen enkel detail krachtig uitkomt, en dit alles onder een flauw en mat licht, dat over het geheel een grauwen tint wierp;—ziedaar de eerste aanblik van de aloude hoofdstad van Manco-Ccapac, sedert verbeterd en vermeerderd, maar niet verfraaid, door Francisco Pizarro.Intusschen, naderbij komende, begint die eenvormige massa zich wat te scheiden en duidelijker af te teekenen, komt er eenig leven in. Boven de tallooze daken verheffen zich enkele torens en koepels; tegen den roodachtig bruinen grond der heuvelen en oude monumenten teekenen zich hier en daar wit gepleisterde muren af; dan wordt de voorstad la Recoleta, of liever de zoogenoemde straat, eensklaps afgebroken, rechts door de steilte, waarop San-Blas, mede een der voorsteden, ligt; en ter linkerhand door een smal pad, ter wederzijde door ruwe, cyclopische muren omzoomd: dit pad draagt den weidschen naam van de straat der Overwinning. De muildieren draven onvermoeid deze steeg in; en na een paar minuten staan wij eensklaps, zonder door iets op deze verandering te zijn voorbereid, op de Plaza Mayor van Cuzco, tegenover de kathedraal.Ik liet mij aan mijne woning op de Plaza Mayor, onder de zoogenaamde Oud-linnengalerij, afzetten.—De beide andere galerijen, die, met de zooeven genoemde, drie zijden van het plein innemen, heeten de Broodgalerij en de Confiturengalerij.—Ik betaalde Nor Medina de verschuldigde huur voor zijne muilezels, gaf hem nog een fooi bovendien, en liet hemvertrekken. Vervolgens ging ik, na mijn honger gestild te hebben, in mijn gemakkelijk oud-spaansch bed liggen, en sliep ongestoord tot den volgenden morgen.Het was mijn voornemen, slechts een paar dagen in Cuzco, dat ik van vroeger kende, te blijven, om vervolgens naar het binnenland te reizen, ten einde de indiaansche stammen te bezoeken. Maar ik mag niet vergeten, dat mijne lezers, althans zeker verreweg het meerendeel hunner, Cuzco niet door eigen aanschouwing kennen; en dat het niet aangaat, hen naar deze beroemde stad te voeren, alleen om enkele benoodigdheden voor den tocht naar het binnenland te koopen, en dan weer heen te gaan. Ik ben hun eene beschrijving van Cuzco, van de oude zoowel als van de nieuwe stad, schuldig, en wil mij ook, voor zooveel in mijn vermogen is, gaarne van dien plicht kwijten.

V.

Ik heb mijne lezers slechts schetsen uit mijn reisboek beloofd; ik mag dan ook niet van hen vergen, dat zij mij, van station tot station, zullen volgen op mijn tocht naar de aloude hoofdstad van Peru. Ik noodig hen liever uit, mij nu te willen vergezellen bij mijn bezoek aan Cuzco, de voormalige Zonnestad, de residentie der Incas.Wij hadden het dorp San-Sebastian verlaten, en volgden den grooten weg, die ons naar Cuzco brengen moest. De hooge heuvelen, die den horizon begrenzen, naderen al meer en meer, en schijnen een geweldigen cirkelvormigen muur te vormen, aan welks voet Cuzco ligt, dat van hier nog onzichtbaar is. Ter linkerzijde van den weg wordt weldra mijne aandacht getrokken door een machtigen boom, waarvan de knoestige gebarsten stam, de sterke blootgewoelde wortels, en het schrale gebladerte zoovele teekenen zijn van hoogen ouderdom. Volgens de overlevering zou deze boom geplant zijn door den Inca Capac Yupanqui, omstreeks het midden der dertiende eeuw; de inboorlingen noemen hemchachacumayoc—den boom des afscheids. De reiziger, die van Cuzco vertrekt, behoort zich met zijne bloedverwanten, vrienden of kennissen onder dezen boom neder te zetten; tot hier doen zij hem uitgeleide; hier worden de wederkeerige afscheidsgroeten gewisseld, hetgeen in den regel ontaardt in eene ergerlijke slemppartij.Een klein kwartier verder verrijst, op den top der heuvelen, het groote klooster la Recoleta, in 1599 gebouwd, dat de geheele omliggende vlakte beheerscht, en waar ik vroeger, op mijne botanische uitstapjes, menigmaal gastvrij ontvangen was. Al voortgaande, komen wij aan den zoogenoemdenDuivels-preekstoel: een hoop geweldige rotsblokken aan den voet van twee heuvelen, wier gladde en bijna loodrechte wanden hier en daar van vierkante openingen zijn voorzien, waaruitde Indianen, ten tijde der Incas, steenen gehouwen hebben. Die duistere gaten, tien el boven den grond verheven, en waarheen weg noch pad voert, gelijken wel op spookachtige oogen, waarmede de berg de voorbijgangers aanstaart.Op korten afstand van daar verdienen twee merkwaardigheden de aandacht. Ter rechterzijde eene groeve van porfierachtigen zandsteen, waaruit de inboorlingen de ontzaglijke steenblokken haalden, die wij nog heden met verbazing beschouwen. Maar, na de uitgehouwen steenen van de groeve te hebben verwijderd, lieten de Quechuas niet een gapenden kuil achter: zij beitelden in de rots een kamer uit, tien el in het vierkant, met een uitnemend enreliëfbewerkt plafond en drie steenen banken, waarop de vermoeide of door een regenbui overvallen reiziger zich te rusten kan leggen. Deze banken zijn, evenals de wanden en het plafond, zoo voortreffelijk bewerkt, zoo glanzend glad gepolijst, dat geen meubelmaker het in onze dagen zou kunnen verbeteren, niettegenstaande de grondstof hier metaalharde rots is.Tegenover deze inderdaad bewonderenswaardige kamer, een werk uit den zoogenaamd barbaarschen tijd vóór de verovering, staat, te midden van hoog opschietende struiken en planten, een armzalige leemen hut, met een rieten dak, waarop een kruis prijkt: dit is debeaterioof begijnhof van la Recoleta, thans bewoond door drie oude inlandsche vrouwen, aan wie de zorg is opgedragen, het heiligdom in behoorlijken staat te onderhouden, en den lof des Heeren te verkondigen: eene dubbele taak, waarvan zij zich zoo slecht mogelijk kwijten. De hut ziet er vuil en vervallen uit.Voorbij dezen beaterio is de weg ter wederzijde omzoomd door eene onafgebroken reeks van hoeven, tuinen, boomgaarden, die te zamen eene nauwe, bochtige straat vormen, de zoogenaamde voorstad la Recoleta. Eene bijna altijd uitgedroogde beek, waarvan de bedding met steenen is bezaaid, doorsnijdt dit vuile, armoedige kwartier, dat weinig wordt bezocht, maar niettemin een twintigtal herbergen bezit, waar chicha wordt verkocht.Onze muildieren schenen te bemerken, dat wij de aloude heilige stad naderden; het leek wel of zij, even als weleer Mercurius, vleugels aan de voeten hadden. Gaten, kuilen, steenblokken, steilten noch hellingen—niets hield hen tegen in hunne driftige vaart. Met opgestoken ooren, de neusgaten in den wind, de pooten gestrekt, draafden zij lustig voort; niemand zou het hun hebben aangezien, dat zij een tocht van acht-en-negentig mijlen dwars door de Andes hadden afgelegd. De muilezel is in waarheid een onbetaalbaar dier!Binnen weinige minuten hadden wij de zoogenaamdeCueva-honda(diepe grot) bereikt, een steenachtig ravijn, waardoor de bronnen van Sapi haar water naar de vlakte voeren. Van dit betrekkelijk hooge punt overschouwt de blik de gebouwen en monumenten van Cuzco. Het panorama is verre van indrukwekkend: eene plompe, saamgepakte, eentonige massa van steenen en pannen, een doffe roodachtige grond, waarop bijna geen enkel detail krachtig uitkomt, en dit alles onder een flauw en mat licht, dat over het geheel een grauwen tint wierp;—ziedaar de eerste aanblik van de aloude hoofdstad van Manco-Ccapac, sedert verbeterd en vermeerderd, maar niet verfraaid, door Francisco Pizarro.Intusschen, naderbij komende, begint die eenvormige massa zich wat te scheiden en duidelijker af te teekenen, komt er eenig leven in. Boven de tallooze daken verheffen zich enkele torens en koepels; tegen den roodachtig bruinen grond der heuvelen en oude monumenten teekenen zich hier en daar wit gepleisterde muren af; dan wordt de voorstad la Recoleta, of liever de zoogenoemde straat, eensklaps afgebroken, rechts door de steilte, waarop San-Blas, mede een der voorsteden, ligt; en ter linkerhand door een smal pad, ter wederzijde door ruwe, cyclopische muren omzoomd: dit pad draagt den weidschen naam van de straat der Overwinning. De muildieren draven onvermoeid deze steeg in; en na een paar minuten staan wij eensklaps, zonder door iets op deze verandering te zijn voorbereid, op de Plaza Mayor van Cuzco, tegenover de kathedraal.Ik liet mij aan mijne woning op de Plaza Mayor, onder de zoogenaamde Oud-linnengalerij, afzetten.—De beide andere galerijen, die, met de zooeven genoemde, drie zijden van het plein innemen, heeten de Broodgalerij en de Confiturengalerij.—Ik betaalde Nor Medina de verschuldigde huur voor zijne muilezels, gaf hem nog een fooi bovendien, en liet hemvertrekken. Vervolgens ging ik, na mijn honger gestild te hebben, in mijn gemakkelijk oud-spaansch bed liggen, en sliep ongestoord tot den volgenden morgen.Het was mijn voornemen, slechts een paar dagen in Cuzco, dat ik van vroeger kende, te blijven, om vervolgens naar het binnenland te reizen, ten einde de indiaansche stammen te bezoeken. Maar ik mag niet vergeten, dat mijne lezers, althans zeker verreweg het meerendeel hunner, Cuzco niet door eigen aanschouwing kennen; en dat het niet aangaat, hen naar deze beroemde stad te voeren, alleen om enkele benoodigdheden voor den tocht naar het binnenland te koopen, en dan weer heen te gaan. Ik ben hun eene beschrijving van Cuzco, van de oude zoowel als van de nieuwe stad, schuldig, en wil mij ook, voor zooveel in mijn vermogen is, gaarne van dien plicht kwijten.

Ik heb mijne lezers slechts schetsen uit mijn reisboek beloofd; ik mag dan ook niet van hen vergen, dat zij mij, van station tot station, zullen volgen op mijn tocht naar de aloude hoofdstad van Peru. Ik noodig hen liever uit, mij nu te willen vergezellen bij mijn bezoek aan Cuzco, de voormalige Zonnestad, de residentie der Incas.

Wij hadden het dorp San-Sebastian verlaten, en volgden den grooten weg, die ons naar Cuzco brengen moest. De hooge heuvelen, die den horizon begrenzen, naderen al meer en meer, en schijnen een geweldigen cirkelvormigen muur te vormen, aan welks voet Cuzco ligt, dat van hier nog onzichtbaar is. Ter linkerzijde van den weg wordt weldra mijne aandacht getrokken door een machtigen boom, waarvan de knoestige gebarsten stam, de sterke blootgewoelde wortels, en het schrale gebladerte zoovele teekenen zijn van hoogen ouderdom. Volgens de overlevering zou deze boom geplant zijn door den Inca Capac Yupanqui, omstreeks het midden der dertiende eeuw; de inboorlingen noemen hemchachacumayoc—den boom des afscheids. De reiziger, die van Cuzco vertrekt, behoort zich met zijne bloedverwanten, vrienden of kennissen onder dezen boom neder te zetten; tot hier doen zij hem uitgeleide; hier worden de wederkeerige afscheidsgroeten gewisseld, hetgeen in den regel ontaardt in eene ergerlijke slemppartij.

Een klein kwartier verder verrijst, op den top der heuvelen, het groote klooster la Recoleta, in 1599 gebouwd, dat de geheele omliggende vlakte beheerscht, en waar ik vroeger, op mijne botanische uitstapjes, menigmaal gastvrij ontvangen was. Al voortgaande, komen wij aan den zoogenoemdenDuivels-preekstoel: een hoop geweldige rotsblokken aan den voet van twee heuvelen, wier gladde en bijna loodrechte wanden hier en daar van vierkante openingen zijn voorzien, waaruitde Indianen, ten tijde der Incas, steenen gehouwen hebben. Die duistere gaten, tien el boven den grond verheven, en waarheen weg noch pad voert, gelijken wel op spookachtige oogen, waarmede de berg de voorbijgangers aanstaart.

Op korten afstand van daar verdienen twee merkwaardigheden de aandacht. Ter rechterzijde eene groeve van porfierachtigen zandsteen, waaruit de inboorlingen de ontzaglijke steenblokken haalden, die wij nog heden met verbazing beschouwen. Maar, na de uitgehouwen steenen van de groeve te hebben verwijderd, lieten de Quechuas niet een gapenden kuil achter: zij beitelden in de rots een kamer uit, tien el in het vierkant, met een uitnemend enreliëfbewerkt plafond en drie steenen banken, waarop de vermoeide of door een regenbui overvallen reiziger zich te rusten kan leggen. Deze banken zijn, evenals de wanden en het plafond, zoo voortreffelijk bewerkt, zoo glanzend glad gepolijst, dat geen meubelmaker het in onze dagen zou kunnen verbeteren, niettegenstaande de grondstof hier metaalharde rots is.

Tegenover deze inderdaad bewonderenswaardige kamer, een werk uit den zoogenaamd barbaarschen tijd vóór de verovering, staat, te midden van hoog opschietende struiken en planten, een armzalige leemen hut, met een rieten dak, waarop een kruis prijkt: dit is debeaterioof begijnhof van la Recoleta, thans bewoond door drie oude inlandsche vrouwen, aan wie de zorg is opgedragen, het heiligdom in behoorlijken staat te onderhouden, en den lof des Heeren te verkondigen: eene dubbele taak, waarvan zij zich zoo slecht mogelijk kwijten. De hut ziet er vuil en vervallen uit.

Voorbij dezen beaterio is de weg ter wederzijde omzoomd door eene onafgebroken reeks van hoeven, tuinen, boomgaarden, die te zamen eene nauwe, bochtige straat vormen, de zoogenaamde voorstad la Recoleta. Eene bijna altijd uitgedroogde beek, waarvan de bedding met steenen is bezaaid, doorsnijdt dit vuile, armoedige kwartier, dat weinig wordt bezocht, maar niettemin een twintigtal herbergen bezit, waar chicha wordt verkocht.

Onze muildieren schenen te bemerken, dat wij de aloude heilige stad naderden; het leek wel of zij, even als weleer Mercurius, vleugels aan de voeten hadden. Gaten, kuilen, steenblokken, steilten noch hellingen—niets hield hen tegen in hunne driftige vaart. Met opgestoken ooren, de neusgaten in den wind, de pooten gestrekt, draafden zij lustig voort; niemand zou het hun hebben aangezien, dat zij een tocht van acht-en-negentig mijlen dwars door de Andes hadden afgelegd. De muilezel is in waarheid een onbetaalbaar dier!

Binnen weinige minuten hadden wij de zoogenaamdeCueva-honda(diepe grot) bereikt, een steenachtig ravijn, waardoor de bronnen van Sapi haar water naar de vlakte voeren. Van dit betrekkelijk hooge punt overschouwt de blik de gebouwen en monumenten van Cuzco. Het panorama is verre van indrukwekkend: eene plompe, saamgepakte, eentonige massa van steenen en pannen, een doffe roodachtige grond, waarop bijna geen enkel detail krachtig uitkomt, en dit alles onder een flauw en mat licht, dat over het geheel een grauwen tint wierp;—ziedaar de eerste aanblik van de aloude hoofdstad van Manco-Ccapac, sedert verbeterd en vermeerderd, maar niet verfraaid, door Francisco Pizarro.

Intusschen, naderbij komende, begint die eenvormige massa zich wat te scheiden en duidelijker af te teekenen, komt er eenig leven in. Boven de tallooze daken verheffen zich enkele torens en koepels; tegen den roodachtig bruinen grond der heuvelen en oude monumenten teekenen zich hier en daar wit gepleisterde muren af; dan wordt de voorstad la Recoleta, of liever de zoogenoemde straat, eensklaps afgebroken, rechts door de steilte, waarop San-Blas, mede een der voorsteden, ligt; en ter linkerhand door een smal pad, ter wederzijde door ruwe, cyclopische muren omzoomd: dit pad draagt den weidschen naam van de straat der Overwinning. De muildieren draven onvermoeid deze steeg in; en na een paar minuten staan wij eensklaps, zonder door iets op deze verandering te zijn voorbereid, op de Plaza Mayor van Cuzco, tegenover de kathedraal.

Ik liet mij aan mijne woning op de Plaza Mayor, onder de zoogenaamde Oud-linnengalerij, afzetten.—De beide andere galerijen, die, met de zooeven genoemde, drie zijden van het plein innemen, heeten de Broodgalerij en de Confiturengalerij.—Ik betaalde Nor Medina de verschuldigde huur voor zijne muilezels, gaf hem nog een fooi bovendien, en liet hemvertrekken. Vervolgens ging ik, na mijn honger gestild te hebben, in mijn gemakkelijk oud-spaansch bed liggen, en sliep ongestoord tot den volgenden morgen.

Het was mijn voornemen, slechts een paar dagen in Cuzco, dat ik van vroeger kende, te blijven, om vervolgens naar het binnenland te reizen, ten einde de indiaansche stammen te bezoeken. Maar ik mag niet vergeten, dat mijne lezers, althans zeker verreweg het meerendeel hunner, Cuzco niet door eigen aanschouwing kennen; en dat het niet aangaat, hen naar deze beroemde stad te voeren, alleen om enkele benoodigdheden voor den tocht naar het binnenland te koopen, en dan weer heen te gaan. Ik ben hun eene beschrijving van Cuzco, van de oude zoowel als van de nieuwe stad, schuldig, en wil mij ook, voor zooveel in mijn vermogen is, gaarne van dien plicht kwijten.


Back to IndexNext