VI.

VI.Cuzco werd, omstreeks het midden der elfde eeuw van onze jaartelling, gesticht door Manco-Ccapac, den stamvader van de dynastie der Incas. De verschijning van dezen vorst en wetgever in de vlakten van Collao heeft de stoffe geleverd voor eene wondervolle, geheimzinnige legende, die door de Spaansche geschiedschrijvers op verschillende wijzen wordt verhaald. Volgens sommigen zouden Manco-Ccapac en zijne vrouw Mama-Ocllo, op zekeren dag, uit de wateren van het meer Titicaca zijn opgestegen; anderen zeggen, dat zij te voorschijn zijn gekomen uit een spleet in een der heuvelen van Paucartampu. Wij zullen deze wonderverhalen laten voor hetgeen zij zijn; meer dan waarschijnlijk waren de beide vreemdelingen niet andersdan de laatste vertegenwoordigers van eene dier tallooze volkplantingen, die, in vóórhistorische tijden, van de hoogvlakten van centraal-Azië uitgegaan, zich in alle richtingen door de oude wereld verspreidden.Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap is het niet mogelijk, met eenige juistheid, het tijdstip dezer oudste verhuizing te bepalen, of te berekenen hoeveel tijd de zwervende kolonie noodig had, eer zij, voorzeker na menig oponthoud, het vasteland van Amerika bereikte. Maar de nauwkeurige studie van de amerikaansche rassen, van hunne zeden, hun taal, hunne wetten, hunne godsdienstige instellingen, hunne mythologische enkosmogenischetraditiën, van den stijl hunner bouwgewrochten, kan ons althans een leiddraad in de hand geven, om de zwervelingen op hun verren tocht eenigermate te volgen.De eerste gemeenschap tusschen Azië en Amerika had waarschijnlijk door de Behringstraat plaats, waar de beide werelddeelen elkander het dichtst naderen.Al de verschillende typen der amerikaansche bevolkingen kunnen tot twee groote, vaste hoofdtypen worden herleid: de inlandsche, of zoo men wil amerikaansch-mongoolsche type, en de iranisch-ârische type. Wij zullen hier niet de uiterst ingewikkelde vraag behandelen, of het amerikaansche ras moet beschouwd worden als inderdaad autochthoon (oorspronkelijk, ingeboren), dan wel als een ras van aziatische uitgewekenen. Morton, Pricharu, Robertson, Blumenbach beweren het eerste; andere geleerden zijn van het tegenovergestelde gevoelen. In ieder geval vertoont het eigenlijk amerikaansche ras eene niet te loochenen, treffende overeenkomst met het mongoolsche: een feit, waarvan de verklaring niet moeielijk valt, indien men mag aannemen, dat de bevolking van Amerika uit Azië oorspronkelijk is.Van de beide genoemde typen, is de inlandsche of amerikaansch-mongoolsche, zooals men wil, in de beide Amerika’s de overheerschende: tot dezen behoort de groote meerderheid der bevolking. Echter vertegenwoordigt dit ras, hetzij dan autochthoon of aziatisch, niet meer dan het koloniseerende element, om mij zoo uit te drukken. Het beschavende element wordt uitsluitend vertegenwoordigd door het iranisch-ârische ras, waarvan de type zich, de eeuwen door, tot op onze dagen bewaard heeft, indien al niet in zijne oorspronkelijke zuiverheid, dan toch duidelijk genoeg om alle verwarring te voorkomen. Dit is de type der eerste volksstammen, die zich in Nieuw-Spanje vestigden, van waar zij naar Canada, Louisiana, Florida en Yucatan trokken, en door de vlakten van Popayan en Guyana in het zuidelijk halfrond doordrongen. De beeldwerken der Tlascalteken, der Chichimeken, der Tolteken, de hiëroglyphische teekeningen der astekische handschriften, hebben ons dezen type getrouw bewaard, dien men nog heden wedervindt bij sommige zwervende stammen van Noord-Amerika, en in Zuid-Amerika bij de Aymaras en de Quechuas, en bij sommige wilde stammen aan den linkeroever van de Quillabamba Santa-Ana, ten oosten van de bergketen der Andes.Op het eerste gezicht mag het onverklaarbaar schijnen, dat men in het hart van Amerika, den gelaatstype, de instellingen en monumenten der aloude volken van Azië terugvindt; maar dit verschijnsel zal minder raadselachtig voorkomen, wanneer men acht geeft op de streken, waar deze volken oorspronkelijk gevestigd waren: uitgebreide landstreken aan den voet van ontzaglijke bergketen en, naar alle zijden uitloopende in onmetelijke vlakten en onderling verbonden, zoodat zij te zamen een groot geheel vormden. De hoogvlakten van Iran, van Zend, van Arya, waren als het ware het groote brandpunt, van waar de stroom der volksverhuizing in alle richtingen uitging, al is het ons nu niet meer mogelijk, de oorzaken der verhuizingen on hare geschiedenissen in bijzonderheden na te gaan.Uit verschillende historische getuigenissen blijkt, dat de Indiërs, reeds in de alleroudste tijden, buiten hun land, zoo ten oosten als ten westen, volkplantingen hebben gesticht. Met den noordoostelijken moesson steken zij de golf van Omar over, en vestigen zich in het zuidelijk gedeelte van Arabië, in het eiland Sokotera, om met de Egyptenaars ruilhandel in goud te drijven. Daarentegen wordt nergens melding gemaakt van eene indische nederzetting in de noordelijke landen van Azië. Het is waar, dat er niets was om daarheen hunne aandacht te trekken, niets dat voor hun handel van eenige beteekenis kon zijn. Sedert de overoude verhuizing, wellicht in de allereerste eeuwen der historie, die de Mitsraïeten (zonen der zon) uit het hart van Azië naar de vallei van den Nijl had gevoerd, was Egypte in het bezit gebleven der antieke traditiën en overleveringen, en tevens het middelpunt geworden van eene hooge intellektuëele beschaving en van een uitgebreiden handel. Haar meerderheid boven de omringende landen was onbetwistbaar; de glans van haar macht en voorspoed, haar wetenschap en kunst, trok de bewonderende blikken der volkeren tot zich. Geen handelsbelang, geen begeerte naar meerdere beschaving, geene behoefte zelfs aan uitgestrekter grondgebied, kan de verhuizing der arische stammen naar de noordelijke streken van Azië verklaren. Evenmin kan de reden daarvoor worden gezocht in godsdiensttwisten of vervolgingen: althans voor zoo verre ons bekend. Immers, de opkomst van het Boeddhisme valt in veel later tijd, in de zesde eeuw voor onze jaartelling op zijn vroegst. Bij gebreke van historische gegevens, ter verklaring van zulk eene verhuizing, is het misschien niet ongeoorloofd te denken aan de uitwerking van de eerste veroveringen der thebaansche Farao’s, negen eeuwen ouder dan die van Rhamses-Meiamoun; veroveringen, aanvankelijk tot de boorden van den Indus beperkt, maar vervolgens tot voorbij den Ganges uitgestrekt. Zou het niet mogelijk zijn, dat deze geweldige krijgstochten en veroveringen op de arische volksstammen een machtigen indruk maakten, en den eersten stoot gaven tot die verre tochten en verhuizingen, waarover wij ons zoozeer verbazen, en die wij niet kunnen verklaren?Wat hiervan zij, en welke gebeurtenis tot die verhuizingen aanleiding mag gegeven hebben, zeker is het dat deze volksstammen, bij het verlaten der aziatische hoogvlakten, hun oorspronkelijk vaderland, hunnegodsdienstige denkbeelden, hunne kosmogonische traditiën, hunne zeden, hunne kunst, hunne taal, medenamen naar den vreemde. Maar op hunne tochten door de nieuwe onbekende landen, waar zij soms eeuwen vertoefden, bij de aanraking met andere volken en de onvermijdelijke vermenging der rassen, konden deze overleveringen en herinneringen van het verleden niet zuiver bewaard blijven; terwijl ook de verandering van omstandigheden, ten gevolge der wijziging van klimaat en grondgesteldheid, niet nalaten kon op hunne denkbeelden en voorstellingen van grooten invloed te zijn. Zijzelven namen nieuwe denkbeelden, nieuwe vormen van taal en gedachte in zich op, en lieten die wederom achter aan de volken, met wie zij in aanraking waren geweest. Zoo verklaren zich zoowel de vele punten van overeenkomst als die van verschil in de taal en zeden der volken van arische afkomst, die wij nog heden aantreffen.De studeerkamer van een professor in de physika.De studeerkamer van een professor in de physika.Meenen wij alzoo, op goede gronden, dat in Azië de bakermat ook der amerikaansche beschaving moet worden gezocht, daarmede willen wij natuurlijk niet zeggen, dat de aziatische kolonisten, die de eerste kiemen dezer beschaving met zich brachten, allen te gelijkertijd naar Amerika zijn gekomen, en evenmin dat hun invloed steeds met gelijke kracht heeft gewerkt. Er is veelmeer alle reden om aan te nemen, dat de amerikaansche beschaving lange tijdperken van stilstand en verdooving heeft gekend, waarin zij, aan zich zelve overgelaten, op dezelfde hoogte is gebleven, tot zij een nieuwen stoot ontving door nieuwe volksverhuizers, nieuwe kolonisten uit het moederland, door fenicische, arabische, wellicht etrurische zeevaarders en emigranten. Ware dit niet het geval, dan zou men bij al de afstammelingen der eerste aziatische kolonisten dezelfde godsdienstige leerstellingen en begrippen, dezelfde zeden, denzelfden bouwstijl moeten aantreffen. Nu bestaat er evenwel tusschen de natiën van Nieuw-Spanje en die van het zuidelijk halfrond—ondanks onmiskenbare overeenstemming in het hoofddenkbeeld van de eeredienst, en in de grondtrekken zoo van het physiek als van het moreel karakter, die duidelijk naar den gemeenschappelijken oorsprong en eenzelfde uitgangspunt heenwijst,—een zoo in het oog vallend verschil, dat de meerderheid der eersten boven de laatsten niet valt te loochenen. Deze meerderheid laat zich niet anders verklaren dan door de scheiding, die al spoedig deze volken van elkander verwijderde, en die de laatsten al verder en verder naar het zuiden voerde, waar zij den voortdurenden invloed der aziatische beschaving misten, of althans in veel minder mate moesten gevoelen. Na de scheiding der beide groepen op het hoogland van Mexiko, zien wij inderdaad,dat de traditiën van het verleden, de godsdienstige mythen, de kosmogonische bespiegelingen van Indië en Egypte, juist bij de noordelijke groep vrij getrouw bewaard blijven. Hun gelaatsvorm, hun kleur, hun lang zacht kunstig gevlochten hair, hunne witte of veelverwige kleederen:—dit alles herinnert sterk aan hunne deels semitische, deels japhetische afstamming. De opperpriesters, die over deze volken regeeren en hunne eeredienst regelen, de koningen, die hun wetten geven en in den krijg aanvoeren, zijn mannen met lange baarden, in wijde, golvende kleeding, echte vertegenwoordigers der aloude theokratische en militaire kasten van het Oosten. Eeuwen zijn verloopen sedert het vertrek dezer stammen uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen. In eene nieuwe wereld gevestigd, blijven zij toch voortdurend van Azië, dealma parens, de kiemen ontvangen eener steeds voortschrijdende beschaving. Het hieroglyphenschrift wordt bij hen inheemsch, evenzeer als het gebruik van den papyrus (maguey). Hunnearchitectuur, aanvankelijk eene bloote navolging van de plompe oudste monumenten van Indië en Opper-Egypte, gaat straks zelfstandig haar eigen weg; voor de tempels en paleizen handhaaft zij de traditioneele, onveranderlijke regelen der oude hiëratische kunst; maar de wanden dier gebouwen tooit en versiert zij op hare eigene wijze, wier smaakvolle ornamentatie vaak herinnert aan den griekschen stijl uit het macedonische tijdperk. De monumenten van Teotihuacan in den staat Mexiko, die van Culhuacan, van Guatusco en van Papantla en den staat Chiapa, de tempel van Chichen-Itza in Yucatan, zijn nog daar als de getuigen van de ontwikkeling der amerikaansche kunst in hare verschillende tijdperken.De zonnetempel.De zonnetempel.De straat der Overwinning te Cuzco.De straat der Overwinning te Cuzco.Onder de dynastie der astekische keizers bereikte deze beschaving haar toppunt. De plechtigheden van de eeredienst, de luister der feesten, de weelderige levenswijze,—het was hier alles tot de hoogste mate van pracht en overdaad opgevoerd. Het zijn toestanden als die in het oude perzische rijk—totdat Hernand Cortes op eenmaal aan al die heerlijkheid een einde maakt, zooals negentien eeuwen voor hem Alexander de Groote een einde had gemaakt aan de heerlijkheid van Babylon en Persepolis.Een ander schouwspel bieden ons de volken van de tweede groep. Na hunne afscheiding en hun vertrek naar het zuidelijke vasteland, zien wij hen dwalen door de boschrijke streken van Venezuela en Guyana, terwijl zij op de rotsen langs den Orinoquo en de Cassiquiare, aan de boorden van de rivier de Cauca, de onuitwischbare teekenen van hun doorgang achterlaten. Onder deze zwervende stammen zijn er enkelen, die eeuwen lang gevestigd blijven op de hoogvlakten van Bogota; anderen vertoeven onder den Equator, en stichten in het land Lican de dynastie der Conchocandos; nog anderen strekken hunne zwerftochten uit tot aan het meer van Chucuytu, en bedekken de omstreken van Tiahuanacu met tempels en monumenten. Naarmate zij zich verder verwijderen van het groote brandpunt van beschaving en ontwikkeling, dat in Nieuw-Spanje bleef, verflauwt en ontaardt meer en meer de herinnering aan het gemeenschappelijk verleden met zijne traditiën en inzettingen. Aan zichzelven overgelaten, afgesneden van alle gemeenschap met de wereld daar buiten, zich steeds meer onttrekkende aan elken beschavenden invloed, vervallen zij trapsgewijze in een toestand van betrekkelijke barbaarschheid.De haast uitgedoofde fakkel der beschaving werd het eerst weder ontstoken in Peru, en wel door de dynastie der Incas, die daar de bijna vergeten eeredienst en traditiën van het oude Oosten op nieuw in het leven riep en in eere herstelde.Volgens de plaatselijke overlevering kwamen Manco-Ccapac en zijne zuster Mama-Ocllo uit de warme valleien aan gene zijde der Cordilleras, ten oosten van het meer Titicaca. Deze valleien, tusschen Apolobamba en de bronnen van de rio Beni gelegen, behooren tegenwoordig tot Bolivia, en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van Yungas de la Paz.Met een gouden roede, het zinnebeeld des gezags, in de hand, trok deze nieuwe Horus, een herder van nog ongeboren volken, met zijne gezellinne, door de punas van Collao, en bereikte, na een tocht van tachtig mijlen in noordwestelijke richting, de hoogten van Huanacoti (tegenwoordig Huanacauri), van waar hij een ruime, cirkelvormige quebrada (kom, kloof) ontdekte, door bergen omringd: daar koos hij zijn verblijf. De stad, die hij later in het midden van deze quebrada bouwen zal, zal den naam dragen vanCcozçco, dat wil zeggen: aanknoopingspunt of navel.Weldra verzamelt de Inca de omwonende stammen om zich: zij luisteren naar zijn woord, en getroffen door zijne onderwijzing, die misschien in hun gemoed de herinnering aan een beter verleden wakker roept, onderwerpen zij zich aan zijne wet, en zeggen hun zwervend jagersleven vaarwel, om zich aan den landbouw te wijden. Terwijl Manco de mannen onderricht in het ontginnen van den grond, in het bezaaien van den akker, en het graven van besproeiingskanalen, leert Mama Ocllo de vrouwen, hoe zij de wol der vigognas en alpacas moeten spinnen, de stoffen weven voor de kleeding der leden van het gezin, en hare plichten als huismoeders vervullen. Het plan van eene stad wordt ontworpen: het is een onregelmatig parallelogram, van weinig uitgestrektheid, en nog door geen muur of omwalling omgeven. Een beek, van de Cordilleras gedaald, vloeit langs de zuidelijke grens der stad, die zij later doorsnijden zal, wanneer de metropolis, onder de regeering van dertien opeenvolgende keizers, hare grenzen noordwaarts en zuidwaarts zal hebben uitgezet.Door de ongelijkheid van den grond moet men de stad in twee wijken verdeelen:Hurin(de bovenstad), tegenwoordig de wijk San-Cristoval, enHanan(de benedenstad), tegenwoordig de wijk der kathedraal. In Hurin wordt een paleis voor Manco gebouwd; de eerste gebouwen, die in Hanan verrijzen, zijn een tempel voor den Zonnegod en de Accllhuaci of het paleis der aan zijne dienst gewijde maagden. Deze beide gebouwen, door Manco begonnen, werden echter eerst vijftig jaar na de stichting van Ccozçco, door de ijverige bemoeiingen van zijn oudsten zoon Sinchi Roca voltooid. Gedurende eene halve eeuw was de Zonnetempelniet meer dan een door ruwe steenen omsloten ruimte, in wier midden een vierkante, nauwelijks behouwen pilaar verrees, die tevens altaar en beeld der godheid was, en aan de hyrmensul of zonnesteen der druïden herinnert.FruitverkoperFruitverkoperNa gedurende eenige jaren aan de ontwikkeling der jonge gemeente te hebben gearbeid, begaf Manco zich naar de verstrooide stammen in de omstreken van Ccozçco. Deze tocht, ondernomen in naam van den Zonnegod, als wiens zoon en profeet hij zich uitgaf, had zoowel een godsdienstig als een staatkundig doel: hij wilde deze onbeschaafde wilden bekeeren tot de dienst van Helios-Churi, en hen tevens aan zijn gezag onderwerpen. De expeditie, die verscheidene jaren duurde, leidde tot de onderwerping van een twintigtal stammen, verstrooid over eene oppervlakte van tien mijlen in omtrek, en tot de inlijving van hun gebied bij het rijk van den Inca. Onder Manco was dit rijk ten zuiden begrensd door Quiquijana, ten noorden door Ollantay-Tampu, ten oosten door Paucartampu, ten westen door Limatampu: een zeer bescheiden gebied van ettelijke mijlen.Na eene voorspoedige regeering van vijftig jaren, overleed Manco, en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Sinchi Roca. Het rijk is reeds georganiseerd; de eeredienst van de zon is voor goed gevestigd; de verder te volgen weg nauwkeurig afgebakend: de wijze wetgever had ook voor de toekomst gearbeid, en zijne opvolgers hadden slechts zijn werk voort te zetten. En aan deze zending bleven zij gedurende twaalf geslachten van koningen onveranderlijk getrouw, tot op de verschijning der europeesche avonturiers, die aan het rijk der Incas een einde maakten.Wij kunnen hier ons niet begeven in de geschiedenis van de Incas en hun rijk; trouwens, daar moet nog zeer veel onderzocht en op onderscheiden gebied voorgearbeid worden, eer op zoo menige vraag betreffende het oude Peru een bevredigend antwoord kan worden gegeven. Daarom laten wij nu het oude Cuzco en de Incas rusten, en gaan over tot de beschouwing van het moderne Cuzco, dat wij heden ten dage nog ongeveer in denzelfden toestand zullen vinden, zooals Pizarro, na de verovering, het herbouwde, en, zooals La Serna, de laatste onderkoning van Peru, het in 1824 verliet.

VI.Cuzco werd, omstreeks het midden der elfde eeuw van onze jaartelling, gesticht door Manco-Ccapac, den stamvader van de dynastie der Incas. De verschijning van dezen vorst en wetgever in de vlakten van Collao heeft de stoffe geleverd voor eene wondervolle, geheimzinnige legende, die door de Spaansche geschiedschrijvers op verschillende wijzen wordt verhaald. Volgens sommigen zouden Manco-Ccapac en zijne vrouw Mama-Ocllo, op zekeren dag, uit de wateren van het meer Titicaca zijn opgestegen; anderen zeggen, dat zij te voorschijn zijn gekomen uit een spleet in een der heuvelen van Paucartampu. Wij zullen deze wonderverhalen laten voor hetgeen zij zijn; meer dan waarschijnlijk waren de beide vreemdelingen niet andersdan de laatste vertegenwoordigers van eene dier tallooze volkplantingen, die, in vóórhistorische tijden, van de hoogvlakten van centraal-Azië uitgegaan, zich in alle richtingen door de oude wereld verspreidden.Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap is het niet mogelijk, met eenige juistheid, het tijdstip dezer oudste verhuizing te bepalen, of te berekenen hoeveel tijd de zwervende kolonie noodig had, eer zij, voorzeker na menig oponthoud, het vasteland van Amerika bereikte. Maar de nauwkeurige studie van de amerikaansche rassen, van hunne zeden, hun taal, hunne wetten, hunne godsdienstige instellingen, hunne mythologische enkosmogenischetraditiën, van den stijl hunner bouwgewrochten, kan ons althans een leiddraad in de hand geven, om de zwervelingen op hun verren tocht eenigermate te volgen.De eerste gemeenschap tusschen Azië en Amerika had waarschijnlijk door de Behringstraat plaats, waar de beide werelddeelen elkander het dichtst naderen.Al de verschillende typen der amerikaansche bevolkingen kunnen tot twee groote, vaste hoofdtypen worden herleid: de inlandsche, of zoo men wil amerikaansch-mongoolsche type, en de iranisch-ârische type. Wij zullen hier niet de uiterst ingewikkelde vraag behandelen, of het amerikaansche ras moet beschouwd worden als inderdaad autochthoon (oorspronkelijk, ingeboren), dan wel als een ras van aziatische uitgewekenen. Morton, Pricharu, Robertson, Blumenbach beweren het eerste; andere geleerden zijn van het tegenovergestelde gevoelen. In ieder geval vertoont het eigenlijk amerikaansche ras eene niet te loochenen, treffende overeenkomst met het mongoolsche: een feit, waarvan de verklaring niet moeielijk valt, indien men mag aannemen, dat de bevolking van Amerika uit Azië oorspronkelijk is.Van de beide genoemde typen, is de inlandsche of amerikaansch-mongoolsche, zooals men wil, in de beide Amerika’s de overheerschende: tot dezen behoort de groote meerderheid der bevolking. Echter vertegenwoordigt dit ras, hetzij dan autochthoon of aziatisch, niet meer dan het koloniseerende element, om mij zoo uit te drukken. Het beschavende element wordt uitsluitend vertegenwoordigd door het iranisch-ârische ras, waarvan de type zich, de eeuwen door, tot op onze dagen bewaard heeft, indien al niet in zijne oorspronkelijke zuiverheid, dan toch duidelijk genoeg om alle verwarring te voorkomen. Dit is de type der eerste volksstammen, die zich in Nieuw-Spanje vestigden, van waar zij naar Canada, Louisiana, Florida en Yucatan trokken, en door de vlakten van Popayan en Guyana in het zuidelijk halfrond doordrongen. De beeldwerken der Tlascalteken, der Chichimeken, der Tolteken, de hiëroglyphische teekeningen der astekische handschriften, hebben ons dezen type getrouw bewaard, dien men nog heden wedervindt bij sommige zwervende stammen van Noord-Amerika, en in Zuid-Amerika bij de Aymaras en de Quechuas, en bij sommige wilde stammen aan den linkeroever van de Quillabamba Santa-Ana, ten oosten van de bergketen der Andes.Op het eerste gezicht mag het onverklaarbaar schijnen, dat men in het hart van Amerika, den gelaatstype, de instellingen en monumenten der aloude volken van Azië terugvindt; maar dit verschijnsel zal minder raadselachtig voorkomen, wanneer men acht geeft op de streken, waar deze volken oorspronkelijk gevestigd waren: uitgebreide landstreken aan den voet van ontzaglijke bergketen en, naar alle zijden uitloopende in onmetelijke vlakten en onderling verbonden, zoodat zij te zamen een groot geheel vormden. De hoogvlakten van Iran, van Zend, van Arya, waren als het ware het groote brandpunt, van waar de stroom der volksverhuizing in alle richtingen uitging, al is het ons nu niet meer mogelijk, de oorzaken der verhuizingen on hare geschiedenissen in bijzonderheden na te gaan.Uit verschillende historische getuigenissen blijkt, dat de Indiërs, reeds in de alleroudste tijden, buiten hun land, zoo ten oosten als ten westen, volkplantingen hebben gesticht. Met den noordoostelijken moesson steken zij de golf van Omar over, en vestigen zich in het zuidelijk gedeelte van Arabië, in het eiland Sokotera, om met de Egyptenaars ruilhandel in goud te drijven. Daarentegen wordt nergens melding gemaakt van eene indische nederzetting in de noordelijke landen van Azië. Het is waar, dat er niets was om daarheen hunne aandacht te trekken, niets dat voor hun handel van eenige beteekenis kon zijn. Sedert de overoude verhuizing, wellicht in de allereerste eeuwen der historie, die de Mitsraïeten (zonen der zon) uit het hart van Azië naar de vallei van den Nijl had gevoerd, was Egypte in het bezit gebleven der antieke traditiën en overleveringen, en tevens het middelpunt geworden van eene hooge intellektuëele beschaving en van een uitgebreiden handel. Haar meerderheid boven de omringende landen was onbetwistbaar; de glans van haar macht en voorspoed, haar wetenschap en kunst, trok de bewonderende blikken der volkeren tot zich. Geen handelsbelang, geen begeerte naar meerdere beschaving, geene behoefte zelfs aan uitgestrekter grondgebied, kan de verhuizing der arische stammen naar de noordelijke streken van Azië verklaren. Evenmin kan de reden daarvoor worden gezocht in godsdiensttwisten of vervolgingen: althans voor zoo verre ons bekend. Immers, de opkomst van het Boeddhisme valt in veel later tijd, in de zesde eeuw voor onze jaartelling op zijn vroegst. Bij gebreke van historische gegevens, ter verklaring van zulk eene verhuizing, is het misschien niet ongeoorloofd te denken aan de uitwerking van de eerste veroveringen der thebaansche Farao’s, negen eeuwen ouder dan die van Rhamses-Meiamoun; veroveringen, aanvankelijk tot de boorden van den Indus beperkt, maar vervolgens tot voorbij den Ganges uitgestrekt. Zou het niet mogelijk zijn, dat deze geweldige krijgstochten en veroveringen op de arische volksstammen een machtigen indruk maakten, en den eersten stoot gaven tot die verre tochten en verhuizingen, waarover wij ons zoozeer verbazen, en die wij niet kunnen verklaren?Wat hiervan zij, en welke gebeurtenis tot die verhuizingen aanleiding mag gegeven hebben, zeker is het dat deze volksstammen, bij het verlaten der aziatische hoogvlakten, hun oorspronkelijk vaderland, hunnegodsdienstige denkbeelden, hunne kosmogonische traditiën, hunne zeden, hunne kunst, hunne taal, medenamen naar den vreemde. Maar op hunne tochten door de nieuwe onbekende landen, waar zij soms eeuwen vertoefden, bij de aanraking met andere volken en de onvermijdelijke vermenging der rassen, konden deze overleveringen en herinneringen van het verleden niet zuiver bewaard blijven; terwijl ook de verandering van omstandigheden, ten gevolge der wijziging van klimaat en grondgesteldheid, niet nalaten kon op hunne denkbeelden en voorstellingen van grooten invloed te zijn. Zijzelven namen nieuwe denkbeelden, nieuwe vormen van taal en gedachte in zich op, en lieten die wederom achter aan de volken, met wie zij in aanraking waren geweest. Zoo verklaren zich zoowel de vele punten van overeenkomst als die van verschil in de taal en zeden der volken van arische afkomst, die wij nog heden aantreffen.De studeerkamer van een professor in de physika.De studeerkamer van een professor in de physika.Meenen wij alzoo, op goede gronden, dat in Azië de bakermat ook der amerikaansche beschaving moet worden gezocht, daarmede willen wij natuurlijk niet zeggen, dat de aziatische kolonisten, die de eerste kiemen dezer beschaving met zich brachten, allen te gelijkertijd naar Amerika zijn gekomen, en evenmin dat hun invloed steeds met gelijke kracht heeft gewerkt. Er is veelmeer alle reden om aan te nemen, dat de amerikaansche beschaving lange tijdperken van stilstand en verdooving heeft gekend, waarin zij, aan zich zelve overgelaten, op dezelfde hoogte is gebleven, tot zij een nieuwen stoot ontving door nieuwe volksverhuizers, nieuwe kolonisten uit het moederland, door fenicische, arabische, wellicht etrurische zeevaarders en emigranten. Ware dit niet het geval, dan zou men bij al de afstammelingen der eerste aziatische kolonisten dezelfde godsdienstige leerstellingen en begrippen, dezelfde zeden, denzelfden bouwstijl moeten aantreffen. Nu bestaat er evenwel tusschen de natiën van Nieuw-Spanje en die van het zuidelijk halfrond—ondanks onmiskenbare overeenstemming in het hoofddenkbeeld van de eeredienst, en in de grondtrekken zoo van het physiek als van het moreel karakter, die duidelijk naar den gemeenschappelijken oorsprong en eenzelfde uitgangspunt heenwijst,—een zoo in het oog vallend verschil, dat de meerderheid der eersten boven de laatsten niet valt te loochenen. Deze meerderheid laat zich niet anders verklaren dan door de scheiding, die al spoedig deze volken van elkander verwijderde, en die de laatsten al verder en verder naar het zuiden voerde, waar zij den voortdurenden invloed der aziatische beschaving misten, of althans in veel minder mate moesten gevoelen. Na de scheiding der beide groepen op het hoogland van Mexiko, zien wij inderdaad,dat de traditiën van het verleden, de godsdienstige mythen, de kosmogonische bespiegelingen van Indië en Egypte, juist bij de noordelijke groep vrij getrouw bewaard blijven. Hun gelaatsvorm, hun kleur, hun lang zacht kunstig gevlochten hair, hunne witte of veelverwige kleederen:—dit alles herinnert sterk aan hunne deels semitische, deels japhetische afstamming. De opperpriesters, die over deze volken regeeren en hunne eeredienst regelen, de koningen, die hun wetten geven en in den krijg aanvoeren, zijn mannen met lange baarden, in wijde, golvende kleeding, echte vertegenwoordigers der aloude theokratische en militaire kasten van het Oosten. Eeuwen zijn verloopen sedert het vertrek dezer stammen uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen. In eene nieuwe wereld gevestigd, blijven zij toch voortdurend van Azië, dealma parens, de kiemen ontvangen eener steeds voortschrijdende beschaving. Het hieroglyphenschrift wordt bij hen inheemsch, evenzeer als het gebruik van den papyrus (maguey). Hunnearchitectuur, aanvankelijk eene bloote navolging van de plompe oudste monumenten van Indië en Opper-Egypte, gaat straks zelfstandig haar eigen weg; voor de tempels en paleizen handhaaft zij de traditioneele, onveranderlijke regelen der oude hiëratische kunst; maar de wanden dier gebouwen tooit en versiert zij op hare eigene wijze, wier smaakvolle ornamentatie vaak herinnert aan den griekschen stijl uit het macedonische tijdperk. De monumenten van Teotihuacan in den staat Mexiko, die van Culhuacan, van Guatusco en van Papantla en den staat Chiapa, de tempel van Chichen-Itza in Yucatan, zijn nog daar als de getuigen van de ontwikkeling der amerikaansche kunst in hare verschillende tijdperken.De zonnetempel.De zonnetempel.De straat der Overwinning te Cuzco.De straat der Overwinning te Cuzco.Onder de dynastie der astekische keizers bereikte deze beschaving haar toppunt. De plechtigheden van de eeredienst, de luister der feesten, de weelderige levenswijze,—het was hier alles tot de hoogste mate van pracht en overdaad opgevoerd. Het zijn toestanden als die in het oude perzische rijk—totdat Hernand Cortes op eenmaal aan al die heerlijkheid een einde maakt, zooals negentien eeuwen voor hem Alexander de Groote een einde had gemaakt aan de heerlijkheid van Babylon en Persepolis.Een ander schouwspel bieden ons de volken van de tweede groep. Na hunne afscheiding en hun vertrek naar het zuidelijke vasteland, zien wij hen dwalen door de boschrijke streken van Venezuela en Guyana, terwijl zij op de rotsen langs den Orinoquo en de Cassiquiare, aan de boorden van de rivier de Cauca, de onuitwischbare teekenen van hun doorgang achterlaten. Onder deze zwervende stammen zijn er enkelen, die eeuwen lang gevestigd blijven op de hoogvlakten van Bogota; anderen vertoeven onder den Equator, en stichten in het land Lican de dynastie der Conchocandos; nog anderen strekken hunne zwerftochten uit tot aan het meer van Chucuytu, en bedekken de omstreken van Tiahuanacu met tempels en monumenten. Naarmate zij zich verder verwijderen van het groote brandpunt van beschaving en ontwikkeling, dat in Nieuw-Spanje bleef, verflauwt en ontaardt meer en meer de herinnering aan het gemeenschappelijk verleden met zijne traditiën en inzettingen. Aan zichzelven overgelaten, afgesneden van alle gemeenschap met de wereld daar buiten, zich steeds meer onttrekkende aan elken beschavenden invloed, vervallen zij trapsgewijze in een toestand van betrekkelijke barbaarschheid.De haast uitgedoofde fakkel der beschaving werd het eerst weder ontstoken in Peru, en wel door de dynastie der Incas, die daar de bijna vergeten eeredienst en traditiën van het oude Oosten op nieuw in het leven riep en in eere herstelde.Volgens de plaatselijke overlevering kwamen Manco-Ccapac en zijne zuster Mama-Ocllo uit de warme valleien aan gene zijde der Cordilleras, ten oosten van het meer Titicaca. Deze valleien, tusschen Apolobamba en de bronnen van de rio Beni gelegen, behooren tegenwoordig tot Bolivia, en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van Yungas de la Paz.Met een gouden roede, het zinnebeeld des gezags, in de hand, trok deze nieuwe Horus, een herder van nog ongeboren volken, met zijne gezellinne, door de punas van Collao, en bereikte, na een tocht van tachtig mijlen in noordwestelijke richting, de hoogten van Huanacoti (tegenwoordig Huanacauri), van waar hij een ruime, cirkelvormige quebrada (kom, kloof) ontdekte, door bergen omringd: daar koos hij zijn verblijf. De stad, die hij later in het midden van deze quebrada bouwen zal, zal den naam dragen vanCcozçco, dat wil zeggen: aanknoopingspunt of navel.Weldra verzamelt de Inca de omwonende stammen om zich: zij luisteren naar zijn woord, en getroffen door zijne onderwijzing, die misschien in hun gemoed de herinnering aan een beter verleden wakker roept, onderwerpen zij zich aan zijne wet, en zeggen hun zwervend jagersleven vaarwel, om zich aan den landbouw te wijden. Terwijl Manco de mannen onderricht in het ontginnen van den grond, in het bezaaien van den akker, en het graven van besproeiingskanalen, leert Mama Ocllo de vrouwen, hoe zij de wol der vigognas en alpacas moeten spinnen, de stoffen weven voor de kleeding der leden van het gezin, en hare plichten als huismoeders vervullen. Het plan van eene stad wordt ontworpen: het is een onregelmatig parallelogram, van weinig uitgestrektheid, en nog door geen muur of omwalling omgeven. Een beek, van de Cordilleras gedaald, vloeit langs de zuidelijke grens der stad, die zij later doorsnijden zal, wanneer de metropolis, onder de regeering van dertien opeenvolgende keizers, hare grenzen noordwaarts en zuidwaarts zal hebben uitgezet.Door de ongelijkheid van den grond moet men de stad in twee wijken verdeelen:Hurin(de bovenstad), tegenwoordig de wijk San-Cristoval, enHanan(de benedenstad), tegenwoordig de wijk der kathedraal. In Hurin wordt een paleis voor Manco gebouwd; de eerste gebouwen, die in Hanan verrijzen, zijn een tempel voor den Zonnegod en de Accllhuaci of het paleis der aan zijne dienst gewijde maagden. Deze beide gebouwen, door Manco begonnen, werden echter eerst vijftig jaar na de stichting van Ccozçco, door de ijverige bemoeiingen van zijn oudsten zoon Sinchi Roca voltooid. Gedurende eene halve eeuw was de Zonnetempelniet meer dan een door ruwe steenen omsloten ruimte, in wier midden een vierkante, nauwelijks behouwen pilaar verrees, die tevens altaar en beeld der godheid was, en aan de hyrmensul of zonnesteen der druïden herinnert.FruitverkoperFruitverkoperNa gedurende eenige jaren aan de ontwikkeling der jonge gemeente te hebben gearbeid, begaf Manco zich naar de verstrooide stammen in de omstreken van Ccozçco. Deze tocht, ondernomen in naam van den Zonnegod, als wiens zoon en profeet hij zich uitgaf, had zoowel een godsdienstig als een staatkundig doel: hij wilde deze onbeschaafde wilden bekeeren tot de dienst van Helios-Churi, en hen tevens aan zijn gezag onderwerpen. De expeditie, die verscheidene jaren duurde, leidde tot de onderwerping van een twintigtal stammen, verstrooid over eene oppervlakte van tien mijlen in omtrek, en tot de inlijving van hun gebied bij het rijk van den Inca. Onder Manco was dit rijk ten zuiden begrensd door Quiquijana, ten noorden door Ollantay-Tampu, ten oosten door Paucartampu, ten westen door Limatampu: een zeer bescheiden gebied van ettelijke mijlen.Na eene voorspoedige regeering van vijftig jaren, overleed Manco, en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Sinchi Roca. Het rijk is reeds georganiseerd; de eeredienst van de zon is voor goed gevestigd; de verder te volgen weg nauwkeurig afgebakend: de wijze wetgever had ook voor de toekomst gearbeid, en zijne opvolgers hadden slechts zijn werk voort te zetten. En aan deze zending bleven zij gedurende twaalf geslachten van koningen onveranderlijk getrouw, tot op de verschijning der europeesche avonturiers, die aan het rijk der Incas een einde maakten.Wij kunnen hier ons niet begeven in de geschiedenis van de Incas en hun rijk; trouwens, daar moet nog zeer veel onderzocht en op onderscheiden gebied voorgearbeid worden, eer op zoo menige vraag betreffende het oude Peru een bevredigend antwoord kan worden gegeven. Daarom laten wij nu het oude Cuzco en de Incas rusten, en gaan over tot de beschouwing van het moderne Cuzco, dat wij heden ten dage nog ongeveer in denzelfden toestand zullen vinden, zooals Pizarro, na de verovering, het herbouwde, en, zooals La Serna, de laatste onderkoning van Peru, het in 1824 verliet.

VI.Cuzco werd, omstreeks het midden der elfde eeuw van onze jaartelling, gesticht door Manco-Ccapac, den stamvader van de dynastie der Incas. De verschijning van dezen vorst en wetgever in de vlakten van Collao heeft de stoffe geleverd voor eene wondervolle, geheimzinnige legende, die door de Spaansche geschiedschrijvers op verschillende wijzen wordt verhaald. Volgens sommigen zouden Manco-Ccapac en zijne vrouw Mama-Ocllo, op zekeren dag, uit de wateren van het meer Titicaca zijn opgestegen; anderen zeggen, dat zij te voorschijn zijn gekomen uit een spleet in een der heuvelen van Paucartampu. Wij zullen deze wonderverhalen laten voor hetgeen zij zijn; meer dan waarschijnlijk waren de beide vreemdelingen niet andersdan de laatste vertegenwoordigers van eene dier tallooze volkplantingen, die, in vóórhistorische tijden, van de hoogvlakten van centraal-Azië uitgegaan, zich in alle richtingen door de oude wereld verspreidden.Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap is het niet mogelijk, met eenige juistheid, het tijdstip dezer oudste verhuizing te bepalen, of te berekenen hoeveel tijd de zwervende kolonie noodig had, eer zij, voorzeker na menig oponthoud, het vasteland van Amerika bereikte. Maar de nauwkeurige studie van de amerikaansche rassen, van hunne zeden, hun taal, hunne wetten, hunne godsdienstige instellingen, hunne mythologische enkosmogenischetraditiën, van den stijl hunner bouwgewrochten, kan ons althans een leiddraad in de hand geven, om de zwervelingen op hun verren tocht eenigermate te volgen.De eerste gemeenschap tusschen Azië en Amerika had waarschijnlijk door de Behringstraat plaats, waar de beide werelddeelen elkander het dichtst naderen.Al de verschillende typen der amerikaansche bevolkingen kunnen tot twee groote, vaste hoofdtypen worden herleid: de inlandsche, of zoo men wil amerikaansch-mongoolsche type, en de iranisch-ârische type. Wij zullen hier niet de uiterst ingewikkelde vraag behandelen, of het amerikaansche ras moet beschouwd worden als inderdaad autochthoon (oorspronkelijk, ingeboren), dan wel als een ras van aziatische uitgewekenen. Morton, Pricharu, Robertson, Blumenbach beweren het eerste; andere geleerden zijn van het tegenovergestelde gevoelen. In ieder geval vertoont het eigenlijk amerikaansche ras eene niet te loochenen, treffende overeenkomst met het mongoolsche: een feit, waarvan de verklaring niet moeielijk valt, indien men mag aannemen, dat de bevolking van Amerika uit Azië oorspronkelijk is.Van de beide genoemde typen, is de inlandsche of amerikaansch-mongoolsche, zooals men wil, in de beide Amerika’s de overheerschende: tot dezen behoort de groote meerderheid der bevolking. Echter vertegenwoordigt dit ras, hetzij dan autochthoon of aziatisch, niet meer dan het koloniseerende element, om mij zoo uit te drukken. Het beschavende element wordt uitsluitend vertegenwoordigd door het iranisch-ârische ras, waarvan de type zich, de eeuwen door, tot op onze dagen bewaard heeft, indien al niet in zijne oorspronkelijke zuiverheid, dan toch duidelijk genoeg om alle verwarring te voorkomen. Dit is de type der eerste volksstammen, die zich in Nieuw-Spanje vestigden, van waar zij naar Canada, Louisiana, Florida en Yucatan trokken, en door de vlakten van Popayan en Guyana in het zuidelijk halfrond doordrongen. De beeldwerken der Tlascalteken, der Chichimeken, der Tolteken, de hiëroglyphische teekeningen der astekische handschriften, hebben ons dezen type getrouw bewaard, dien men nog heden wedervindt bij sommige zwervende stammen van Noord-Amerika, en in Zuid-Amerika bij de Aymaras en de Quechuas, en bij sommige wilde stammen aan den linkeroever van de Quillabamba Santa-Ana, ten oosten van de bergketen der Andes.Op het eerste gezicht mag het onverklaarbaar schijnen, dat men in het hart van Amerika, den gelaatstype, de instellingen en monumenten der aloude volken van Azië terugvindt; maar dit verschijnsel zal minder raadselachtig voorkomen, wanneer men acht geeft op de streken, waar deze volken oorspronkelijk gevestigd waren: uitgebreide landstreken aan den voet van ontzaglijke bergketen en, naar alle zijden uitloopende in onmetelijke vlakten en onderling verbonden, zoodat zij te zamen een groot geheel vormden. De hoogvlakten van Iran, van Zend, van Arya, waren als het ware het groote brandpunt, van waar de stroom der volksverhuizing in alle richtingen uitging, al is het ons nu niet meer mogelijk, de oorzaken der verhuizingen on hare geschiedenissen in bijzonderheden na te gaan.Uit verschillende historische getuigenissen blijkt, dat de Indiërs, reeds in de alleroudste tijden, buiten hun land, zoo ten oosten als ten westen, volkplantingen hebben gesticht. Met den noordoostelijken moesson steken zij de golf van Omar over, en vestigen zich in het zuidelijk gedeelte van Arabië, in het eiland Sokotera, om met de Egyptenaars ruilhandel in goud te drijven. Daarentegen wordt nergens melding gemaakt van eene indische nederzetting in de noordelijke landen van Azië. Het is waar, dat er niets was om daarheen hunne aandacht te trekken, niets dat voor hun handel van eenige beteekenis kon zijn. Sedert de overoude verhuizing, wellicht in de allereerste eeuwen der historie, die de Mitsraïeten (zonen der zon) uit het hart van Azië naar de vallei van den Nijl had gevoerd, was Egypte in het bezit gebleven der antieke traditiën en overleveringen, en tevens het middelpunt geworden van eene hooge intellektuëele beschaving en van een uitgebreiden handel. Haar meerderheid boven de omringende landen was onbetwistbaar; de glans van haar macht en voorspoed, haar wetenschap en kunst, trok de bewonderende blikken der volkeren tot zich. Geen handelsbelang, geen begeerte naar meerdere beschaving, geene behoefte zelfs aan uitgestrekter grondgebied, kan de verhuizing der arische stammen naar de noordelijke streken van Azië verklaren. Evenmin kan de reden daarvoor worden gezocht in godsdiensttwisten of vervolgingen: althans voor zoo verre ons bekend. Immers, de opkomst van het Boeddhisme valt in veel later tijd, in de zesde eeuw voor onze jaartelling op zijn vroegst. Bij gebreke van historische gegevens, ter verklaring van zulk eene verhuizing, is het misschien niet ongeoorloofd te denken aan de uitwerking van de eerste veroveringen der thebaansche Farao’s, negen eeuwen ouder dan die van Rhamses-Meiamoun; veroveringen, aanvankelijk tot de boorden van den Indus beperkt, maar vervolgens tot voorbij den Ganges uitgestrekt. Zou het niet mogelijk zijn, dat deze geweldige krijgstochten en veroveringen op de arische volksstammen een machtigen indruk maakten, en den eersten stoot gaven tot die verre tochten en verhuizingen, waarover wij ons zoozeer verbazen, en die wij niet kunnen verklaren?Wat hiervan zij, en welke gebeurtenis tot die verhuizingen aanleiding mag gegeven hebben, zeker is het dat deze volksstammen, bij het verlaten der aziatische hoogvlakten, hun oorspronkelijk vaderland, hunnegodsdienstige denkbeelden, hunne kosmogonische traditiën, hunne zeden, hunne kunst, hunne taal, medenamen naar den vreemde. Maar op hunne tochten door de nieuwe onbekende landen, waar zij soms eeuwen vertoefden, bij de aanraking met andere volken en de onvermijdelijke vermenging der rassen, konden deze overleveringen en herinneringen van het verleden niet zuiver bewaard blijven; terwijl ook de verandering van omstandigheden, ten gevolge der wijziging van klimaat en grondgesteldheid, niet nalaten kon op hunne denkbeelden en voorstellingen van grooten invloed te zijn. Zijzelven namen nieuwe denkbeelden, nieuwe vormen van taal en gedachte in zich op, en lieten die wederom achter aan de volken, met wie zij in aanraking waren geweest. Zoo verklaren zich zoowel de vele punten van overeenkomst als die van verschil in de taal en zeden der volken van arische afkomst, die wij nog heden aantreffen.De studeerkamer van een professor in de physika.De studeerkamer van een professor in de physika.Meenen wij alzoo, op goede gronden, dat in Azië de bakermat ook der amerikaansche beschaving moet worden gezocht, daarmede willen wij natuurlijk niet zeggen, dat de aziatische kolonisten, die de eerste kiemen dezer beschaving met zich brachten, allen te gelijkertijd naar Amerika zijn gekomen, en evenmin dat hun invloed steeds met gelijke kracht heeft gewerkt. Er is veelmeer alle reden om aan te nemen, dat de amerikaansche beschaving lange tijdperken van stilstand en verdooving heeft gekend, waarin zij, aan zich zelve overgelaten, op dezelfde hoogte is gebleven, tot zij een nieuwen stoot ontving door nieuwe volksverhuizers, nieuwe kolonisten uit het moederland, door fenicische, arabische, wellicht etrurische zeevaarders en emigranten. Ware dit niet het geval, dan zou men bij al de afstammelingen der eerste aziatische kolonisten dezelfde godsdienstige leerstellingen en begrippen, dezelfde zeden, denzelfden bouwstijl moeten aantreffen. Nu bestaat er evenwel tusschen de natiën van Nieuw-Spanje en die van het zuidelijk halfrond—ondanks onmiskenbare overeenstemming in het hoofddenkbeeld van de eeredienst, en in de grondtrekken zoo van het physiek als van het moreel karakter, die duidelijk naar den gemeenschappelijken oorsprong en eenzelfde uitgangspunt heenwijst,—een zoo in het oog vallend verschil, dat de meerderheid der eersten boven de laatsten niet valt te loochenen. Deze meerderheid laat zich niet anders verklaren dan door de scheiding, die al spoedig deze volken van elkander verwijderde, en die de laatsten al verder en verder naar het zuiden voerde, waar zij den voortdurenden invloed der aziatische beschaving misten, of althans in veel minder mate moesten gevoelen. Na de scheiding der beide groepen op het hoogland van Mexiko, zien wij inderdaad,dat de traditiën van het verleden, de godsdienstige mythen, de kosmogonische bespiegelingen van Indië en Egypte, juist bij de noordelijke groep vrij getrouw bewaard blijven. Hun gelaatsvorm, hun kleur, hun lang zacht kunstig gevlochten hair, hunne witte of veelverwige kleederen:—dit alles herinnert sterk aan hunne deels semitische, deels japhetische afstamming. De opperpriesters, die over deze volken regeeren en hunne eeredienst regelen, de koningen, die hun wetten geven en in den krijg aanvoeren, zijn mannen met lange baarden, in wijde, golvende kleeding, echte vertegenwoordigers der aloude theokratische en militaire kasten van het Oosten. Eeuwen zijn verloopen sedert het vertrek dezer stammen uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen. In eene nieuwe wereld gevestigd, blijven zij toch voortdurend van Azië, dealma parens, de kiemen ontvangen eener steeds voortschrijdende beschaving. Het hieroglyphenschrift wordt bij hen inheemsch, evenzeer als het gebruik van den papyrus (maguey). Hunnearchitectuur, aanvankelijk eene bloote navolging van de plompe oudste monumenten van Indië en Opper-Egypte, gaat straks zelfstandig haar eigen weg; voor de tempels en paleizen handhaaft zij de traditioneele, onveranderlijke regelen der oude hiëratische kunst; maar de wanden dier gebouwen tooit en versiert zij op hare eigene wijze, wier smaakvolle ornamentatie vaak herinnert aan den griekschen stijl uit het macedonische tijdperk. De monumenten van Teotihuacan in den staat Mexiko, die van Culhuacan, van Guatusco en van Papantla en den staat Chiapa, de tempel van Chichen-Itza in Yucatan, zijn nog daar als de getuigen van de ontwikkeling der amerikaansche kunst in hare verschillende tijdperken.De zonnetempel.De zonnetempel.De straat der Overwinning te Cuzco.De straat der Overwinning te Cuzco.Onder de dynastie der astekische keizers bereikte deze beschaving haar toppunt. De plechtigheden van de eeredienst, de luister der feesten, de weelderige levenswijze,—het was hier alles tot de hoogste mate van pracht en overdaad opgevoerd. Het zijn toestanden als die in het oude perzische rijk—totdat Hernand Cortes op eenmaal aan al die heerlijkheid een einde maakt, zooals negentien eeuwen voor hem Alexander de Groote een einde had gemaakt aan de heerlijkheid van Babylon en Persepolis.Een ander schouwspel bieden ons de volken van de tweede groep. Na hunne afscheiding en hun vertrek naar het zuidelijke vasteland, zien wij hen dwalen door de boschrijke streken van Venezuela en Guyana, terwijl zij op de rotsen langs den Orinoquo en de Cassiquiare, aan de boorden van de rivier de Cauca, de onuitwischbare teekenen van hun doorgang achterlaten. Onder deze zwervende stammen zijn er enkelen, die eeuwen lang gevestigd blijven op de hoogvlakten van Bogota; anderen vertoeven onder den Equator, en stichten in het land Lican de dynastie der Conchocandos; nog anderen strekken hunne zwerftochten uit tot aan het meer van Chucuytu, en bedekken de omstreken van Tiahuanacu met tempels en monumenten. Naarmate zij zich verder verwijderen van het groote brandpunt van beschaving en ontwikkeling, dat in Nieuw-Spanje bleef, verflauwt en ontaardt meer en meer de herinnering aan het gemeenschappelijk verleden met zijne traditiën en inzettingen. Aan zichzelven overgelaten, afgesneden van alle gemeenschap met de wereld daar buiten, zich steeds meer onttrekkende aan elken beschavenden invloed, vervallen zij trapsgewijze in een toestand van betrekkelijke barbaarschheid.De haast uitgedoofde fakkel der beschaving werd het eerst weder ontstoken in Peru, en wel door de dynastie der Incas, die daar de bijna vergeten eeredienst en traditiën van het oude Oosten op nieuw in het leven riep en in eere herstelde.Volgens de plaatselijke overlevering kwamen Manco-Ccapac en zijne zuster Mama-Ocllo uit de warme valleien aan gene zijde der Cordilleras, ten oosten van het meer Titicaca. Deze valleien, tusschen Apolobamba en de bronnen van de rio Beni gelegen, behooren tegenwoordig tot Bolivia, en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van Yungas de la Paz.Met een gouden roede, het zinnebeeld des gezags, in de hand, trok deze nieuwe Horus, een herder van nog ongeboren volken, met zijne gezellinne, door de punas van Collao, en bereikte, na een tocht van tachtig mijlen in noordwestelijke richting, de hoogten van Huanacoti (tegenwoordig Huanacauri), van waar hij een ruime, cirkelvormige quebrada (kom, kloof) ontdekte, door bergen omringd: daar koos hij zijn verblijf. De stad, die hij later in het midden van deze quebrada bouwen zal, zal den naam dragen vanCcozçco, dat wil zeggen: aanknoopingspunt of navel.Weldra verzamelt de Inca de omwonende stammen om zich: zij luisteren naar zijn woord, en getroffen door zijne onderwijzing, die misschien in hun gemoed de herinnering aan een beter verleden wakker roept, onderwerpen zij zich aan zijne wet, en zeggen hun zwervend jagersleven vaarwel, om zich aan den landbouw te wijden. Terwijl Manco de mannen onderricht in het ontginnen van den grond, in het bezaaien van den akker, en het graven van besproeiingskanalen, leert Mama Ocllo de vrouwen, hoe zij de wol der vigognas en alpacas moeten spinnen, de stoffen weven voor de kleeding der leden van het gezin, en hare plichten als huismoeders vervullen. Het plan van eene stad wordt ontworpen: het is een onregelmatig parallelogram, van weinig uitgestrektheid, en nog door geen muur of omwalling omgeven. Een beek, van de Cordilleras gedaald, vloeit langs de zuidelijke grens der stad, die zij later doorsnijden zal, wanneer de metropolis, onder de regeering van dertien opeenvolgende keizers, hare grenzen noordwaarts en zuidwaarts zal hebben uitgezet.Door de ongelijkheid van den grond moet men de stad in twee wijken verdeelen:Hurin(de bovenstad), tegenwoordig de wijk San-Cristoval, enHanan(de benedenstad), tegenwoordig de wijk der kathedraal. In Hurin wordt een paleis voor Manco gebouwd; de eerste gebouwen, die in Hanan verrijzen, zijn een tempel voor den Zonnegod en de Accllhuaci of het paleis der aan zijne dienst gewijde maagden. Deze beide gebouwen, door Manco begonnen, werden echter eerst vijftig jaar na de stichting van Ccozçco, door de ijverige bemoeiingen van zijn oudsten zoon Sinchi Roca voltooid. Gedurende eene halve eeuw was de Zonnetempelniet meer dan een door ruwe steenen omsloten ruimte, in wier midden een vierkante, nauwelijks behouwen pilaar verrees, die tevens altaar en beeld der godheid was, en aan de hyrmensul of zonnesteen der druïden herinnert.FruitverkoperFruitverkoperNa gedurende eenige jaren aan de ontwikkeling der jonge gemeente te hebben gearbeid, begaf Manco zich naar de verstrooide stammen in de omstreken van Ccozçco. Deze tocht, ondernomen in naam van den Zonnegod, als wiens zoon en profeet hij zich uitgaf, had zoowel een godsdienstig als een staatkundig doel: hij wilde deze onbeschaafde wilden bekeeren tot de dienst van Helios-Churi, en hen tevens aan zijn gezag onderwerpen. De expeditie, die verscheidene jaren duurde, leidde tot de onderwerping van een twintigtal stammen, verstrooid over eene oppervlakte van tien mijlen in omtrek, en tot de inlijving van hun gebied bij het rijk van den Inca. Onder Manco was dit rijk ten zuiden begrensd door Quiquijana, ten noorden door Ollantay-Tampu, ten oosten door Paucartampu, ten westen door Limatampu: een zeer bescheiden gebied van ettelijke mijlen.Na eene voorspoedige regeering van vijftig jaren, overleed Manco, en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Sinchi Roca. Het rijk is reeds georganiseerd; de eeredienst van de zon is voor goed gevestigd; de verder te volgen weg nauwkeurig afgebakend: de wijze wetgever had ook voor de toekomst gearbeid, en zijne opvolgers hadden slechts zijn werk voort te zetten. En aan deze zending bleven zij gedurende twaalf geslachten van koningen onveranderlijk getrouw, tot op de verschijning der europeesche avonturiers, die aan het rijk der Incas een einde maakten.Wij kunnen hier ons niet begeven in de geschiedenis van de Incas en hun rijk; trouwens, daar moet nog zeer veel onderzocht en op onderscheiden gebied voorgearbeid worden, eer op zoo menige vraag betreffende het oude Peru een bevredigend antwoord kan worden gegeven. Daarom laten wij nu het oude Cuzco en de Incas rusten, en gaan over tot de beschouwing van het moderne Cuzco, dat wij heden ten dage nog ongeveer in denzelfden toestand zullen vinden, zooals Pizarro, na de verovering, het herbouwde, en, zooals La Serna, de laatste onderkoning van Peru, het in 1824 verliet.

VI.Cuzco werd, omstreeks het midden der elfde eeuw van onze jaartelling, gesticht door Manco-Ccapac, den stamvader van de dynastie der Incas. De verschijning van dezen vorst en wetgever in de vlakten van Collao heeft de stoffe geleverd voor eene wondervolle, geheimzinnige legende, die door de Spaansche geschiedschrijvers op verschillende wijzen wordt verhaald. Volgens sommigen zouden Manco-Ccapac en zijne vrouw Mama-Ocllo, op zekeren dag, uit de wateren van het meer Titicaca zijn opgestegen; anderen zeggen, dat zij te voorschijn zijn gekomen uit een spleet in een der heuvelen van Paucartampu. Wij zullen deze wonderverhalen laten voor hetgeen zij zijn; meer dan waarschijnlijk waren de beide vreemdelingen niet andersdan de laatste vertegenwoordigers van eene dier tallooze volkplantingen, die, in vóórhistorische tijden, van de hoogvlakten van centraal-Azië uitgegaan, zich in alle richtingen door de oude wereld verspreidden.Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap is het niet mogelijk, met eenige juistheid, het tijdstip dezer oudste verhuizing te bepalen, of te berekenen hoeveel tijd de zwervende kolonie noodig had, eer zij, voorzeker na menig oponthoud, het vasteland van Amerika bereikte. Maar de nauwkeurige studie van de amerikaansche rassen, van hunne zeden, hun taal, hunne wetten, hunne godsdienstige instellingen, hunne mythologische enkosmogenischetraditiën, van den stijl hunner bouwgewrochten, kan ons althans een leiddraad in de hand geven, om de zwervelingen op hun verren tocht eenigermate te volgen.De eerste gemeenschap tusschen Azië en Amerika had waarschijnlijk door de Behringstraat plaats, waar de beide werelddeelen elkander het dichtst naderen.Al de verschillende typen der amerikaansche bevolkingen kunnen tot twee groote, vaste hoofdtypen worden herleid: de inlandsche, of zoo men wil amerikaansch-mongoolsche type, en de iranisch-ârische type. Wij zullen hier niet de uiterst ingewikkelde vraag behandelen, of het amerikaansche ras moet beschouwd worden als inderdaad autochthoon (oorspronkelijk, ingeboren), dan wel als een ras van aziatische uitgewekenen. Morton, Pricharu, Robertson, Blumenbach beweren het eerste; andere geleerden zijn van het tegenovergestelde gevoelen. In ieder geval vertoont het eigenlijk amerikaansche ras eene niet te loochenen, treffende overeenkomst met het mongoolsche: een feit, waarvan de verklaring niet moeielijk valt, indien men mag aannemen, dat de bevolking van Amerika uit Azië oorspronkelijk is.Van de beide genoemde typen, is de inlandsche of amerikaansch-mongoolsche, zooals men wil, in de beide Amerika’s de overheerschende: tot dezen behoort de groote meerderheid der bevolking. Echter vertegenwoordigt dit ras, hetzij dan autochthoon of aziatisch, niet meer dan het koloniseerende element, om mij zoo uit te drukken. Het beschavende element wordt uitsluitend vertegenwoordigd door het iranisch-ârische ras, waarvan de type zich, de eeuwen door, tot op onze dagen bewaard heeft, indien al niet in zijne oorspronkelijke zuiverheid, dan toch duidelijk genoeg om alle verwarring te voorkomen. Dit is de type der eerste volksstammen, die zich in Nieuw-Spanje vestigden, van waar zij naar Canada, Louisiana, Florida en Yucatan trokken, en door de vlakten van Popayan en Guyana in het zuidelijk halfrond doordrongen. De beeldwerken der Tlascalteken, der Chichimeken, der Tolteken, de hiëroglyphische teekeningen der astekische handschriften, hebben ons dezen type getrouw bewaard, dien men nog heden wedervindt bij sommige zwervende stammen van Noord-Amerika, en in Zuid-Amerika bij de Aymaras en de Quechuas, en bij sommige wilde stammen aan den linkeroever van de Quillabamba Santa-Ana, ten oosten van de bergketen der Andes.Op het eerste gezicht mag het onverklaarbaar schijnen, dat men in het hart van Amerika, den gelaatstype, de instellingen en monumenten der aloude volken van Azië terugvindt; maar dit verschijnsel zal minder raadselachtig voorkomen, wanneer men acht geeft op de streken, waar deze volken oorspronkelijk gevestigd waren: uitgebreide landstreken aan den voet van ontzaglijke bergketen en, naar alle zijden uitloopende in onmetelijke vlakten en onderling verbonden, zoodat zij te zamen een groot geheel vormden. De hoogvlakten van Iran, van Zend, van Arya, waren als het ware het groote brandpunt, van waar de stroom der volksverhuizing in alle richtingen uitging, al is het ons nu niet meer mogelijk, de oorzaken der verhuizingen on hare geschiedenissen in bijzonderheden na te gaan.Uit verschillende historische getuigenissen blijkt, dat de Indiërs, reeds in de alleroudste tijden, buiten hun land, zoo ten oosten als ten westen, volkplantingen hebben gesticht. Met den noordoostelijken moesson steken zij de golf van Omar over, en vestigen zich in het zuidelijk gedeelte van Arabië, in het eiland Sokotera, om met de Egyptenaars ruilhandel in goud te drijven. Daarentegen wordt nergens melding gemaakt van eene indische nederzetting in de noordelijke landen van Azië. Het is waar, dat er niets was om daarheen hunne aandacht te trekken, niets dat voor hun handel van eenige beteekenis kon zijn. Sedert de overoude verhuizing, wellicht in de allereerste eeuwen der historie, die de Mitsraïeten (zonen der zon) uit het hart van Azië naar de vallei van den Nijl had gevoerd, was Egypte in het bezit gebleven der antieke traditiën en overleveringen, en tevens het middelpunt geworden van eene hooge intellektuëele beschaving en van een uitgebreiden handel. Haar meerderheid boven de omringende landen was onbetwistbaar; de glans van haar macht en voorspoed, haar wetenschap en kunst, trok de bewonderende blikken der volkeren tot zich. Geen handelsbelang, geen begeerte naar meerdere beschaving, geene behoefte zelfs aan uitgestrekter grondgebied, kan de verhuizing der arische stammen naar de noordelijke streken van Azië verklaren. Evenmin kan de reden daarvoor worden gezocht in godsdiensttwisten of vervolgingen: althans voor zoo verre ons bekend. Immers, de opkomst van het Boeddhisme valt in veel later tijd, in de zesde eeuw voor onze jaartelling op zijn vroegst. Bij gebreke van historische gegevens, ter verklaring van zulk eene verhuizing, is het misschien niet ongeoorloofd te denken aan de uitwerking van de eerste veroveringen der thebaansche Farao’s, negen eeuwen ouder dan die van Rhamses-Meiamoun; veroveringen, aanvankelijk tot de boorden van den Indus beperkt, maar vervolgens tot voorbij den Ganges uitgestrekt. Zou het niet mogelijk zijn, dat deze geweldige krijgstochten en veroveringen op de arische volksstammen een machtigen indruk maakten, en den eersten stoot gaven tot die verre tochten en verhuizingen, waarover wij ons zoozeer verbazen, en die wij niet kunnen verklaren?Wat hiervan zij, en welke gebeurtenis tot die verhuizingen aanleiding mag gegeven hebben, zeker is het dat deze volksstammen, bij het verlaten der aziatische hoogvlakten, hun oorspronkelijk vaderland, hunnegodsdienstige denkbeelden, hunne kosmogonische traditiën, hunne zeden, hunne kunst, hunne taal, medenamen naar den vreemde. Maar op hunne tochten door de nieuwe onbekende landen, waar zij soms eeuwen vertoefden, bij de aanraking met andere volken en de onvermijdelijke vermenging der rassen, konden deze overleveringen en herinneringen van het verleden niet zuiver bewaard blijven; terwijl ook de verandering van omstandigheden, ten gevolge der wijziging van klimaat en grondgesteldheid, niet nalaten kon op hunne denkbeelden en voorstellingen van grooten invloed te zijn. Zijzelven namen nieuwe denkbeelden, nieuwe vormen van taal en gedachte in zich op, en lieten die wederom achter aan de volken, met wie zij in aanraking waren geweest. Zoo verklaren zich zoowel de vele punten van overeenkomst als die van verschil in de taal en zeden der volken van arische afkomst, die wij nog heden aantreffen.De studeerkamer van een professor in de physika.De studeerkamer van een professor in de physika.Meenen wij alzoo, op goede gronden, dat in Azië de bakermat ook der amerikaansche beschaving moet worden gezocht, daarmede willen wij natuurlijk niet zeggen, dat de aziatische kolonisten, die de eerste kiemen dezer beschaving met zich brachten, allen te gelijkertijd naar Amerika zijn gekomen, en evenmin dat hun invloed steeds met gelijke kracht heeft gewerkt. Er is veelmeer alle reden om aan te nemen, dat de amerikaansche beschaving lange tijdperken van stilstand en verdooving heeft gekend, waarin zij, aan zich zelve overgelaten, op dezelfde hoogte is gebleven, tot zij een nieuwen stoot ontving door nieuwe volksverhuizers, nieuwe kolonisten uit het moederland, door fenicische, arabische, wellicht etrurische zeevaarders en emigranten. Ware dit niet het geval, dan zou men bij al de afstammelingen der eerste aziatische kolonisten dezelfde godsdienstige leerstellingen en begrippen, dezelfde zeden, denzelfden bouwstijl moeten aantreffen. Nu bestaat er evenwel tusschen de natiën van Nieuw-Spanje en die van het zuidelijk halfrond—ondanks onmiskenbare overeenstemming in het hoofddenkbeeld van de eeredienst, en in de grondtrekken zoo van het physiek als van het moreel karakter, die duidelijk naar den gemeenschappelijken oorsprong en eenzelfde uitgangspunt heenwijst,—een zoo in het oog vallend verschil, dat de meerderheid der eersten boven de laatsten niet valt te loochenen. Deze meerderheid laat zich niet anders verklaren dan door de scheiding, die al spoedig deze volken van elkander verwijderde, en die de laatsten al verder en verder naar het zuiden voerde, waar zij den voortdurenden invloed der aziatische beschaving misten, of althans in veel minder mate moesten gevoelen. Na de scheiding der beide groepen op het hoogland van Mexiko, zien wij inderdaad,dat de traditiën van het verleden, de godsdienstige mythen, de kosmogonische bespiegelingen van Indië en Egypte, juist bij de noordelijke groep vrij getrouw bewaard blijven. Hun gelaatsvorm, hun kleur, hun lang zacht kunstig gevlochten hair, hunne witte of veelverwige kleederen:—dit alles herinnert sterk aan hunne deels semitische, deels japhetische afstamming. De opperpriesters, die over deze volken regeeren en hunne eeredienst regelen, de koningen, die hun wetten geven en in den krijg aanvoeren, zijn mannen met lange baarden, in wijde, golvende kleeding, echte vertegenwoordigers der aloude theokratische en militaire kasten van het Oosten. Eeuwen zijn verloopen sedert het vertrek dezer stammen uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen. In eene nieuwe wereld gevestigd, blijven zij toch voortdurend van Azië, dealma parens, de kiemen ontvangen eener steeds voortschrijdende beschaving. Het hieroglyphenschrift wordt bij hen inheemsch, evenzeer als het gebruik van den papyrus (maguey). Hunnearchitectuur, aanvankelijk eene bloote navolging van de plompe oudste monumenten van Indië en Opper-Egypte, gaat straks zelfstandig haar eigen weg; voor de tempels en paleizen handhaaft zij de traditioneele, onveranderlijke regelen der oude hiëratische kunst; maar de wanden dier gebouwen tooit en versiert zij op hare eigene wijze, wier smaakvolle ornamentatie vaak herinnert aan den griekschen stijl uit het macedonische tijdperk. De monumenten van Teotihuacan in den staat Mexiko, die van Culhuacan, van Guatusco en van Papantla en den staat Chiapa, de tempel van Chichen-Itza in Yucatan, zijn nog daar als de getuigen van de ontwikkeling der amerikaansche kunst in hare verschillende tijdperken.De zonnetempel.De zonnetempel.De straat der Overwinning te Cuzco.De straat der Overwinning te Cuzco.Onder de dynastie der astekische keizers bereikte deze beschaving haar toppunt. De plechtigheden van de eeredienst, de luister der feesten, de weelderige levenswijze,—het was hier alles tot de hoogste mate van pracht en overdaad opgevoerd. Het zijn toestanden als die in het oude perzische rijk—totdat Hernand Cortes op eenmaal aan al die heerlijkheid een einde maakt, zooals negentien eeuwen voor hem Alexander de Groote een einde had gemaakt aan de heerlijkheid van Babylon en Persepolis.Een ander schouwspel bieden ons de volken van de tweede groep. Na hunne afscheiding en hun vertrek naar het zuidelijke vasteland, zien wij hen dwalen door de boschrijke streken van Venezuela en Guyana, terwijl zij op de rotsen langs den Orinoquo en de Cassiquiare, aan de boorden van de rivier de Cauca, de onuitwischbare teekenen van hun doorgang achterlaten. Onder deze zwervende stammen zijn er enkelen, die eeuwen lang gevestigd blijven op de hoogvlakten van Bogota; anderen vertoeven onder den Equator, en stichten in het land Lican de dynastie der Conchocandos; nog anderen strekken hunne zwerftochten uit tot aan het meer van Chucuytu, en bedekken de omstreken van Tiahuanacu met tempels en monumenten. Naarmate zij zich verder verwijderen van het groote brandpunt van beschaving en ontwikkeling, dat in Nieuw-Spanje bleef, verflauwt en ontaardt meer en meer de herinnering aan het gemeenschappelijk verleden met zijne traditiën en inzettingen. Aan zichzelven overgelaten, afgesneden van alle gemeenschap met de wereld daar buiten, zich steeds meer onttrekkende aan elken beschavenden invloed, vervallen zij trapsgewijze in een toestand van betrekkelijke barbaarschheid.De haast uitgedoofde fakkel der beschaving werd het eerst weder ontstoken in Peru, en wel door de dynastie der Incas, die daar de bijna vergeten eeredienst en traditiën van het oude Oosten op nieuw in het leven riep en in eere herstelde.Volgens de plaatselijke overlevering kwamen Manco-Ccapac en zijne zuster Mama-Ocllo uit de warme valleien aan gene zijde der Cordilleras, ten oosten van het meer Titicaca. Deze valleien, tusschen Apolobamba en de bronnen van de rio Beni gelegen, behooren tegenwoordig tot Bolivia, en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van Yungas de la Paz.Met een gouden roede, het zinnebeeld des gezags, in de hand, trok deze nieuwe Horus, een herder van nog ongeboren volken, met zijne gezellinne, door de punas van Collao, en bereikte, na een tocht van tachtig mijlen in noordwestelijke richting, de hoogten van Huanacoti (tegenwoordig Huanacauri), van waar hij een ruime, cirkelvormige quebrada (kom, kloof) ontdekte, door bergen omringd: daar koos hij zijn verblijf. De stad, die hij later in het midden van deze quebrada bouwen zal, zal den naam dragen vanCcozçco, dat wil zeggen: aanknoopingspunt of navel.Weldra verzamelt de Inca de omwonende stammen om zich: zij luisteren naar zijn woord, en getroffen door zijne onderwijzing, die misschien in hun gemoed de herinnering aan een beter verleden wakker roept, onderwerpen zij zich aan zijne wet, en zeggen hun zwervend jagersleven vaarwel, om zich aan den landbouw te wijden. Terwijl Manco de mannen onderricht in het ontginnen van den grond, in het bezaaien van den akker, en het graven van besproeiingskanalen, leert Mama Ocllo de vrouwen, hoe zij de wol der vigognas en alpacas moeten spinnen, de stoffen weven voor de kleeding der leden van het gezin, en hare plichten als huismoeders vervullen. Het plan van eene stad wordt ontworpen: het is een onregelmatig parallelogram, van weinig uitgestrektheid, en nog door geen muur of omwalling omgeven. Een beek, van de Cordilleras gedaald, vloeit langs de zuidelijke grens der stad, die zij later doorsnijden zal, wanneer de metropolis, onder de regeering van dertien opeenvolgende keizers, hare grenzen noordwaarts en zuidwaarts zal hebben uitgezet.Door de ongelijkheid van den grond moet men de stad in twee wijken verdeelen:Hurin(de bovenstad), tegenwoordig de wijk San-Cristoval, enHanan(de benedenstad), tegenwoordig de wijk der kathedraal. In Hurin wordt een paleis voor Manco gebouwd; de eerste gebouwen, die in Hanan verrijzen, zijn een tempel voor den Zonnegod en de Accllhuaci of het paleis der aan zijne dienst gewijde maagden. Deze beide gebouwen, door Manco begonnen, werden echter eerst vijftig jaar na de stichting van Ccozçco, door de ijverige bemoeiingen van zijn oudsten zoon Sinchi Roca voltooid. Gedurende eene halve eeuw was de Zonnetempelniet meer dan een door ruwe steenen omsloten ruimte, in wier midden een vierkante, nauwelijks behouwen pilaar verrees, die tevens altaar en beeld der godheid was, en aan de hyrmensul of zonnesteen der druïden herinnert.FruitverkoperFruitverkoperNa gedurende eenige jaren aan de ontwikkeling der jonge gemeente te hebben gearbeid, begaf Manco zich naar de verstrooide stammen in de omstreken van Ccozçco. Deze tocht, ondernomen in naam van den Zonnegod, als wiens zoon en profeet hij zich uitgaf, had zoowel een godsdienstig als een staatkundig doel: hij wilde deze onbeschaafde wilden bekeeren tot de dienst van Helios-Churi, en hen tevens aan zijn gezag onderwerpen. De expeditie, die verscheidene jaren duurde, leidde tot de onderwerping van een twintigtal stammen, verstrooid over eene oppervlakte van tien mijlen in omtrek, en tot de inlijving van hun gebied bij het rijk van den Inca. Onder Manco was dit rijk ten zuiden begrensd door Quiquijana, ten noorden door Ollantay-Tampu, ten oosten door Paucartampu, ten westen door Limatampu: een zeer bescheiden gebied van ettelijke mijlen.Na eene voorspoedige regeering van vijftig jaren, overleed Manco, en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Sinchi Roca. Het rijk is reeds georganiseerd; de eeredienst van de zon is voor goed gevestigd; de verder te volgen weg nauwkeurig afgebakend: de wijze wetgever had ook voor de toekomst gearbeid, en zijne opvolgers hadden slechts zijn werk voort te zetten. En aan deze zending bleven zij gedurende twaalf geslachten van koningen onveranderlijk getrouw, tot op de verschijning der europeesche avonturiers, die aan het rijk der Incas een einde maakten.Wij kunnen hier ons niet begeven in de geschiedenis van de Incas en hun rijk; trouwens, daar moet nog zeer veel onderzocht en op onderscheiden gebied voorgearbeid worden, eer op zoo menige vraag betreffende het oude Peru een bevredigend antwoord kan worden gegeven. Daarom laten wij nu het oude Cuzco en de Incas rusten, en gaan over tot de beschouwing van het moderne Cuzco, dat wij heden ten dage nog ongeveer in denzelfden toestand zullen vinden, zooals Pizarro, na de verovering, het herbouwde, en, zooals La Serna, de laatste onderkoning van Peru, het in 1824 verliet.

VI.

Cuzco werd, omstreeks het midden der elfde eeuw van onze jaartelling, gesticht door Manco-Ccapac, den stamvader van de dynastie der Incas. De verschijning van dezen vorst en wetgever in de vlakten van Collao heeft de stoffe geleverd voor eene wondervolle, geheimzinnige legende, die door de Spaansche geschiedschrijvers op verschillende wijzen wordt verhaald. Volgens sommigen zouden Manco-Ccapac en zijne vrouw Mama-Ocllo, op zekeren dag, uit de wateren van het meer Titicaca zijn opgestegen; anderen zeggen, dat zij te voorschijn zijn gekomen uit een spleet in een der heuvelen van Paucartampu. Wij zullen deze wonderverhalen laten voor hetgeen zij zijn; meer dan waarschijnlijk waren de beide vreemdelingen niet andersdan de laatste vertegenwoordigers van eene dier tallooze volkplantingen, die, in vóórhistorische tijden, van de hoogvlakten van centraal-Azië uitgegaan, zich in alle richtingen door de oude wereld verspreidden.Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap is het niet mogelijk, met eenige juistheid, het tijdstip dezer oudste verhuizing te bepalen, of te berekenen hoeveel tijd de zwervende kolonie noodig had, eer zij, voorzeker na menig oponthoud, het vasteland van Amerika bereikte. Maar de nauwkeurige studie van de amerikaansche rassen, van hunne zeden, hun taal, hunne wetten, hunne godsdienstige instellingen, hunne mythologische enkosmogenischetraditiën, van den stijl hunner bouwgewrochten, kan ons althans een leiddraad in de hand geven, om de zwervelingen op hun verren tocht eenigermate te volgen.De eerste gemeenschap tusschen Azië en Amerika had waarschijnlijk door de Behringstraat plaats, waar de beide werelddeelen elkander het dichtst naderen.Al de verschillende typen der amerikaansche bevolkingen kunnen tot twee groote, vaste hoofdtypen worden herleid: de inlandsche, of zoo men wil amerikaansch-mongoolsche type, en de iranisch-ârische type. Wij zullen hier niet de uiterst ingewikkelde vraag behandelen, of het amerikaansche ras moet beschouwd worden als inderdaad autochthoon (oorspronkelijk, ingeboren), dan wel als een ras van aziatische uitgewekenen. Morton, Pricharu, Robertson, Blumenbach beweren het eerste; andere geleerden zijn van het tegenovergestelde gevoelen. In ieder geval vertoont het eigenlijk amerikaansche ras eene niet te loochenen, treffende overeenkomst met het mongoolsche: een feit, waarvan de verklaring niet moeielijk valt, indien men mag aannemen, dat de bevolking van Amerika uit Azië oorspronkelijk is.Van de beide genoemde typen, is de inlandsche of amerikaansch-mongoolsche, zooals men wil, in de beide Amerika’s de overheerschende: tot dezen behoort de groote meerderheid der bevolking. Echter vertegenwoordigt dit ras, hetzij dan autochthoon of aziatisch, niet meer dan het koloniseerende element, om mij zoo uit te drukken. Het beschavende element wordt uitsluitend vertegenwoordigd door het iranisch-ârische ras, waarvan de type zich, de eeuwen door, tot op onze dagen bewaard heeft, indien al niet in zijne oorspronkelijke zuiverheid, dan toch duidelijk genoeg om alle verwarring te voorkomen. Dit is de type der eerste volksstammen, die zich in Nieuw-Spanje vestigden, van waar zij naar Canada, Louisiana, Florida en Yucatan trokken, en door de vlakten van Popayan en Guyana in het zuidelijk halfrond doordrongen. De beeldwerken der Tlascalteken, der Chichimeken, der Tolteken, de hiëroglyphische teekeningen der astekische handschriften, hebben ons dezen type getrouw bewaard, dien men nog heden wedervindt bij sommige zwervende stammen van Noord-Amerika, en in Zuid-Amerika bij de Aymaras en de Quechuas, en bij sommige wilde stammen aan den linkeroever van de Quillabamba Santa-Ana, ten oosten van de bergketen der Andes.Op het eerste gezicht mag het onverklaarbaar schijnen, dat men in het hart van Amerika, den gelaatstype, de instellingen en monumenten der aloude volken van Azië terugvindt; maar dit verschijnsel zal minder raadselachtig voorkomen, wanneer men acht geeft op de streken, waar deze volken oorspronkelijk gevestigd waren: uitgebreide landstreken aan den voet van ontzaglijke bergketen en, naar alle zijden uitloopende in onmetelijke vlakten en onderling verbonden, zoodat zij te zamen een groot geheel vormden. De hoogvlakten van Iran, van Zend, van Arya, waren als het ware het groote brandpunt, van waar de stroom der volksverhuizing in alle richtingen uitging, al is het ons nu niet meer mogelijk, de oorzaken der verhuizingen on hare geschiedenissen in bijzonderheden na te gaan.Uit verschillende historische getuigenissen blijkt, dat de Indiërs, reeds in de alleroudste tijden, buiten hun land, zoo ten oosten als ten westen, volkplantingen hebben gesticht. Met den noordoostelijken moesson steken zij de golf van Omar over, en vestigen zich in het zuidelijk gedeelte van Arabië, in het eiland Sokotera, om met de Egyptenaars ruilhandel in goud te drijven. Daarentegen wordt nergens melding gemaakt van eene indische nederzetting in de noordelijke landen van Azië. Het is waar, dat er niets was om daarheen hunne aandacht te trekken, niets dat voor hun handel van eenige beteekenis kon zijn. Sedert de overoude verhuizing, wellicht in de allereerste eeuwen der historie, die de Mitsraïeten (zonen der zon) uit het hart van Azië naar de vallei van den Nijl had gevoerd, was Egypte in het bezit gebleven der antieke traditiën en overleveringen, en tevens het middelpunt geworden van eene hooge intellektuëele beschaving en van een uitgebreiden handel. Haar meerderheid boven de omringende landen was onbetwistbaar; de glans van haar macht en voorspoed, haar wetenschap en kunst, trok de bewonderende blikken der volkeren tot zich. Geen handelsbelang, geen begeerte naar meerdere beschaving, geene behoefte zelfs aan uitgestrekter grondgebied, kan de verhuizing der arische stammen naar de noordelijke streken van Azië verklaren. Evenmin kan de reden daarvoor worden gezocht in godsdiensttwisten of vervolgingen: althans voor zoo verre ons bekend. Immers, de opkomst van het Boeddhisme valt in veel later tijd, in de zesde eeuw voor onze jaartelling op zijn vroegst. Bij gebreke van historische gegevens, ter verklaring van zulk eene verhuizing, is het misschien niet ongeoorloofd te denken aan de uitwerking van de eerste veroveringen der thebaansche Farao’s, negen eeuwen ouder dan die van Rhamses-Meiamoun; veroveringen, aanvankelijk tot de boorden van den Indus beperkt, maar vervolgens tot voorbij den Ganges uitgestrekt. Zou het niet mogelijk zijn, dat deze geweldige krijgstochten en veroveringen op de arische volksstammen een machtigen indruk maakten, en den eersten stoot gaven tot die verre tochten en verhuizingen, waarover wij ons zoozeer verbazen, en die wij niet kunnen verklaren?Wat hiervan zij, en welke gebeurtenis tot die verhuizingen aanleiding mag gegeven hebben, zeker is het dat deze volksstammen, bij het verlaten der aziatische hoogvlakten, hun oorspronkelijk vaderland, hunnegodsdienstige denkbeelden, hunne kosmogonische traditiën, hunne zeden, hunne kunst, hunne taal, medenamen naar den vreemde. Maar op hunne tochten door de nieuwe onbekende landen, waar zij soms eeuwen vertoefden, bij de aanraking met andere volken en de onvermijdelijke vermenging der rassen, konden deze overleveringen en herinneringen van het verleden niet zuiver bewaard blijven; terwijl ook de verandering van omstandigheden, ten gevolge der wijziging van klimaat en grondgesteldheid, niet nalaten kon op hunne denkbeelden en voorstellingen van grooten invloed te zijn. Zijzelven namen nieuwe denkbeelden, nieuwe vormen van taal en gedachte in zich op, en lieten die wederom achter aan de volken, met wie zij in aanraking waren geweest. Zoo verklaren zich zoowel de vele punten van overeenkomst als die van verschil in de taal en zeden der volken van arische afkomst, die wij nog heden aantreffen.De studeerkamer van een professor in de physika.De studeerkamer van een professor in de physika.Meenen wij alzoo, op goede gronden, dat in Azië de bakermat ook der amerikaansche beschaving moet worden gezocht, daarmede willen wij natuurlijk niet zeggen, dat de aziatische kolonisten, die de eerste kiemen dezer beschaving met zich brachten, allen te gelijkertijd naar Amerika zijn gekomen, en evenmin dat hun invloed steeds met gelijke kracht heeft gewerkt. Er is veelmeer alle reden om aan te nemen, dat de amerikaansche beschaving lange tijdperken van stilstand en verdooving heeft gekend, waarin zij, aan zich zelve overgelaten, op dezelfde hoogte is gebleven, tot zij een nieuwen stoot ontving door nieuwe volksverhuizers, nieuwe kolonisten uit het moederland, door fenicische, arabische, wellicht etrurische zeevaarders en emigranten. Ware dit niet het geval, dan zou men bij al de afstammelingen der eerste aziatische kolonisten dezelfde godsdienstige leerstellingen en begrippen, dezelfde zeden, denzelfden bouwstijl moeten aantreffen. Nu bestaat er evenwel tusschen de natiën van Nieuw-Spanje en die van het zuidelijk halfrond—ondanks onmiskenbare overeenstemming in het hoofddenkbeeld van de eeredienst, en in de grondtrekken zoo van het physiek als van het moreel karakter, die duidelijk naar den gemeenschappelijken oorsprong en eenzelfde uitgangspunt heenwijst,—een zoo in het oog vallend verschil, dat de meerderheid der eersten boven de laatsten niet valt te loochenen. Deze meerderheid laat zich niet anders verklaren dan door de scheiding, die al spoedig deze volken van elkander verwijderde, en die de laatsten al verder en verder naar het zuiden voerde, waar zij den voortdurenden invloed der aziatische beschaving misten, of althans in veel minder mate moesten gevoelen. Na de scheiding der beide groepen op het hoogland van Mexiko, zien wij inderdaad,dat de traditiën van het verleden, de godsdienstige mythen, de kosmogonische bespiegelingen van Indië en Egypte, juist bij de noordelijke groep vrij getrouw bewaard blijven. Hun gelaatsvorm, hun kleur, hun lang zacht kunstig gevlochten hair, hunne witte of veelverwige kleederen:—dit alles herinnert sterk aan hunne deels semitische, deels japhetische afstamming. De opperpriesters, die over deze volken regeeren en hunne eeredienst regelen, de koningen, die hun wetten geven en in den krijg aanvoeren, zijn mannen met lange baarden, in wijde, golvende kleeding, echte vertegenwoordigers der aloude theokratische en militaire kasten van het Oosten. Eeuwen zijn verloopen sedert het vertrek dezer stammen uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen. In eene nieuwe wereld gevestigd, blijven zij toch voortdurend van Azië, dealma parens, de kiemen ontvangen eener steeds voortschrijdende beschaving. Het hieroglyphenschrift wordt bij hen inheemsch, evenzeer als het gebruik van den papyrus (maguey). Hunnearchitectuur, aanvankelijk eene bloote navolging van de plompe oudste monumenten van Indië en Opper-Egypte, gaat straks zelfstandig haar eigen weg; voor de tempels en paleizen handhaaft zij de traditioneele, onveranderlijke regelen der oude hiëratische kunst; maar de wanden dier gebouwen tooit en versiert zij op hare eigene wijze, wier smaakvolle ornamentatie vaak herinnert aan den griekschen stijl uit het macedonische tijdperk. De monumenten van Teotihuacan in den staat Mexiko, die van Culhuacan, van Guatusco en van Papantla en den staat Chiapa, de tempel van Chichen-Itza in Yucatan, zijn nog daar als de getuigen van de ontwikkeling der amerikaansche kunst in hare verschillende tijdperken.De zonnetempel.De zonnetempel.De straat der Overwinning te Cuzco.De straat der Overwinning te Cuzco.Onder de dynastie der astekische keizers bereikte deze beschaving haar toppunt. De plechtigheden van de eeredienst, de luister der feesten, de weelderige levenswijze,—het was hier alles tot de hoogste mate van pracht en overdaad opgevoerd. Het zijn toestanden als die in het oude perzische rijk—totdat Hernand Cortes op eenmaal aan al die heerlijkheid een einde maakt, zooals negentien eeuwen voor hem Alexander de Groote een einde had gemaakt aan de heerlijkheid van Babylon en Persepolis.Een ander schouwspel bieden ons de volken van de tweede groep. Na hunne afscheiding en hun vertrek naar het zuidelijke vasteland, zien wij hen dwalen door de boschrijke streken van Venezuela en Guyana, terwijl zij op de rotsen langs den Orinoquo en de Cassiquiare, aan de boorden van de rivier de Cauca, de onuitwischbare teekenen van hun doorgang achterlaten. Onder deze zwervende stammen zijn er enkelen, die eeuwen lang gevestigd blijven op de hoogvlakten van Bogota; anderen vertoeven onder den Equator, en stichten in het land Lican de dynastie der Conchocandos; nog anderen strekken hunne zwerftochten uit tot aan het meer van Chucuytu, en bedekken de omstreken van Tiahuanacu met tempels en monumenten. Naarmate zij zich verder verwijderen van het groote brandpunt van beschaving en ontwikkeling, dat in Nieuw-Spanje bleef, verflauwt en ontaardt meer en meer de herinnering aan het gemeenschappelijk verleden met zijne traditiën en inzettingen. Aan zichzelven overgelaten, afgesneden van alle gemeenschap met de wereld daar buiten, zich steeds meer onttrekkende aan elken beschavenden invloed, vervallen zij trapsgewijze in een toestand van betrekkelijke barbaarschheid.De haast uitgedoofde fakkel der beschaving werd het eerst weder ontstoken in Peru, en wel door de dynastie der Incas, die daar de bijna vergeten eeredienst en traditiën van het oude Oosten op nieuw in het leven riep en in eere herstelde.Volgens de plaatselijke overlevering kwamen Manco-Ccapac en zijne zuster Mama-Ocllo uit de warme valleien aan gene zijde der Cordilleras, ten oosten van het meer Titicaca. Deze valleien, tusschen Apolobamba en de bronnen van de rio Beni gelegen, behooren tegenwoordig tot Bolivia, en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van Yungas de la Paz.Met een gouden roede, het zinnebeeld des gezags, in de hand, trok deze nieuwe Horus, een herder van nog ongeboren volken, met zijne gezellinne, door de punas van Collao, en bereikte, na een tocht van tachtig mijlen in noordwestelijke richting, de hoogten van Huanacoti (tegenwoordig Huanacauri), van waar hij een ruime, cirkelvormige quebrada (kom, kloof) ontdekte, door bergen omringd: daar koos hij zijn verblijf. De stad, die hij later in het midden van deze quebrada bouwen zal, zal den naam dragen vanCcozçco, dat wil zeggen: aanknoopingspunt of navel.Weldra verzamelt de Inca de omwonende stammen om zich: zij luisteren naar zijn woord, en getroffen door zijne onderwijzing, die misschien in hun gemoed de herinnering aan een beter verleden wakker roept, onderwerpen zij zich aan zijne wet, en zeggen hun zwervend jagersleven vaarwel, om zich aan den landbouw te wijden. Terwijl Manco de mannen onderricht in het ontginnen van den grond, in het bezaaien van den akker, en het graven van besproeiingskanalen, leert Mama Ocllo de vrouwen, hoe zij de wol der vigognas en alpacas moeten spinnen, de stoffen weven voor de kleeding der leden van het gezin, en hare plichten als huismoeders vervullen. Het plan van eene stad wordt ontworpen: het is een onregelmatig parallelogram, van weinig uitgestrektheid, en nog door geen muur of omwalling omgeven. Een beek, van de Cordilleras gedaald, vloeit langs de zuidelijke grens der stad, die zij later doorsnijden zal, wanneer de metropolis, onder de regeering van dertien opeenvolgende keizers, hare grenzen noordwaarts en zuidwaarts zal hebben uitgezet.Door de ongelijkheid van den grond moet men de stad in twee wijken verdeelen:Hurin(de bovenstad), tegenwoordig de wijk San-Cristoval, enHanan(de benedenstad), tegenwoordig de wijk der kathedraal. In Hurin wordt een paleis voor Manco gebouwd; de eerste gebouwen, die in Hanan verrijzen, zijn een tempel voor den Zonnegod en de Accllhuaci of het paleis der aan zijne dienst gewijde maagden. Deze beide gebouwen, door Manco begonnen, werden echter eerst vijftig jaar na de stichting van Ccozçco, door de ijverige bemoeiingen van zijn oudsten zoon Sinchi Roca voltooid. Gedurende eene halve eeuw was de Zonnetempelniet meer dan een door ruwe steenen omsloten ruimte, in wier midden een vierkante, nauwelijks behouwen pilaar verrees, die tevens altaar en beeld der godheid was, en aan de hyrmensul of zonnesteen der druïden herinnert.FruitverkoperFruitverkoperNa gedurende eenige jaren aan de ontwikkeling der jonge gemeente te hebben gearbeid, begaf Manco zich naar de verstrooide stammen in de omstreken van Ccozçco. Deze tocht, ondernomen in naam van den Zonnegod, als wiens zoon en profeet hij zich uitgaf, had zoowel een godsdienstig als een staatkundig doel: hij wilde deze onbeschaafde wilden bekeeren tot de dienst van Helios-Churi, en hen tevens aan zijn gezag onderwerpen. De expeditie, die verscheidene jaren duurde, leidde tot de onderwerping van een twintigtal stammen, verstrooid over eene oppervlakte van tien mijlen in omtrek, en tot de inlijving van hun gebied bij het rijk van den Inca. Onder Manco was dit rijk ten zuiden begrensd door Quiquijana, ten noorden door Ollantay-Tampu, ten oosten door Paucartampu, ten westen door Limatampu: een zeer bescheiden gebied van ettelijke mijlen.Na eene voorspoedige regeering van vijftig jaren, overleed Manco, en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Sinchi Roca. Het rijk is reeds georganiseerd; de eeredienst van de zon is voor goed gevestigd; de verder te volgen weg nauwkeurig afgebakend: de wijze wetgever had ook voor de toekomst gearbeid, en zijne opvolgers hadden slechts zijn werk voort te zetten. En aan deze zending bleven zij gedurende twaalf geslachten van koningen onveranderlijk getrouw, tot op de verschijning der europeesche avonturiers, die aan het rijk der Incas een einde maakten.Wij kunnen hier ons niet begeven in de geschiedenis van de Incas en hun rijk; trouwens, daar moet nog zeer veel onderzocht en op onderscheiden gebied voorgearbeid worden, eer op zoo menige vraag betreffende het oude Peru een bevredigend antwoord kan worden gegeven. Daarom laten wij nu het oude Cuzco en de Incas rusten, en gaan over tot de beschouwing van het moderne Cuzco, dat wij heden ten dage nog ongeveer in denzelfden toestand zullen vinden, zooals Pizarro, na de verovering, het herbouwde, en, zooals La Serna, de laatste onderkoning van Peru, het in 1824 verliet.

Cuzco werd, omstreeks het midden der elfde eeuw van onze jaartelling, gesticht door Manco-Ccapac, den stamvader van de dynastie der Incas. De verschijning van dezen vorst en wetgever in de vlakten van Collao heeft de stoffe geleverd voor eene wondervolle, geheimzinnige legende, die door de Spaansche geschiedschrijvers op verschillende wijzen wordt verhaald. Volgens sommigen zouden Manco-Ccapac en zijne vrouw Mama-Ocllo, op zekeren dag, uit de wateren van het meer Titicaca zijn opgestegen; anderen zeggen, dat zij te voorschijn zijn gekomen uit een spleet in een der heuvelen van Paucartampu. Wij zullen deze wonderverhalen laten voor hetgeen zij zijn; meer dan waarschijnlijk waren de beide vreemdelingen niet andersdan de laatste vertegenwoordigers van eene dier tallooze volkplantingen, die, in vóórhistorische tijden, van de hoogvlakten van centraal-Azië uitgegaan, zich in alle richtingen door de oude wereld verspreidden.

Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap is het niet mogelijk, met eenige juistheid, het tijdstip dezer oudste verhuizing te bepalen, of te berekenen hoeveel tijd de zwervende kolonie noodig had, eer zij, voorzeker na menig oponthoud, het vasteland van Amerika bereikte. Maar de nauwkeurige studie van de amerikaansche rassen, van hunne zeden, hun taal, hunne wetten, hunne godsdienstige instellingen, hunne mythologische enkosmogenischetraditiën, van den stijl hunner bouwgewrochten, kan ons althans een leiddraad in de hand geven, om de zwervelingen op hun verren tocht eenigermate te volgen.

De eerste gemeenschap tusschen Azië en Amerika had waarschijnlijk door de Behringstraat plaats, waar de beide werelddeelen elkander het dichtst naderen.

Al de verschillende typen der amerikaansche bevolkingen kunnen tot twee groote, vaste hoofdtypen worden herleid: de inlandsche, of zoo men wil amerikaansch-mongoolsche type, en de iranisch-ârische type. Wij zullen hier niet de uiterst ingewikkelde vraag behandelen, of het amerikaansche ras moet beschouwd worden als inderdaad autochthoon (oorspronkelijk, ingeboren), dan wel als een ras van aziatische uitgewekenen. Morton, Pricharu, Robertson, Blumenbach beweren het eerste; andere geleerden zijn van het tegenovergestelde gevoelen. In ieder geval vertoont het eigenlijk amerikaansche ras eene niet te loochenen, treffende overeenkomst met het mongoolsche: een feit, waarvan de verklaring niet moeielijk valt, indien men mag aannemen, dat de bevolking van Amerika uit Azië oorspronkelijk is.

Van de beide genoemde typen, is de inlandsche of amerikaansch-mongoolsche, zooals men wil, in de beide Amerika’s de overheerschende: tot dezen behoort de groote meerderheid der bevolking. Echter vertegenwoordigt dit ras, hetzij dan autochthoon of aziatisch, niet meer dan het koloniseerende element, om mij zoo uit te drukken. Het beschavende element wordt uitsluitend vertegenwoordigd door het iranisch-ârische ras, waarvan de type zich, de eeuwen door, tot op onze dagen bewaard heeft, indien al niet in zijne oorspronkelijke zuiverheid, dan toch duidelijk genoeg om alle verwarring te voorkomen. Dit is de type der eerste volksstammen, die zich in Nieuw-Spanje vestigden, van waar zij naar Canada, Louisiana, Florida en Yucatan trokken, en door de vlakten van Popayan en Guyana in het zuidelijk halfrond doordrongen. De beeldwerken der Tlascalteken, der Chichimeken, der Tolteken, de hiëroglyphische teekeningen der astekische handschriften, hebben ons dezen type getrouw bewaard, dien men nog heden wedervindt bij sommige zwervende stammen van Noord-Amerika, en in Zuid-Amerika bij de Aymaras en de Quechuas, en bij sommige wilde stammen aan den linkeroever van de Quillabamba Santa-Ana, ten oosten van de bergketen der Andes.

Op het eerste gezicht mag het onverklaarbaar schijnen, dat men in het hart van Amerika, den gelaatstype, de instellingen en monumenten der aloude volken van Azië terugvindt; maar dit verschijnsel zal minder raadselachtig voorkomen, wanneer men acht geeft op de streken, waar deze volken oorspronkelijk gevestigd waren: uitgebreide landstreken aan den voet van ontzaglijke bergketen en, naar alle zijden uitloopende in onmetelijke vlakten en onderling verbonden, zoodat zij te zamen een groot geheel vormden. De hoogvlakten van Iran, van Zend, van Arya, waren als het ware het groote brandpunt, van waar de stroom der volksverhuizing in alle richtingen uitging, al is het ons nu niet meer mogelijk, de oorzaken der verhuizingen on hare geschiedenissen in bijzonderheden na te gaan.

Uit verschillende historische getuigenissen blijkt, dat de Indiërs, reeds in de alleroudste tijden, buiten hun land, zoo ten oosten als ten westen, volkplantingen hebben gesticht. Met den noordoostelijken moesson steken zij de golf van Omar over, en vestigen zich in het zuidelijk gedeelte van Arabië, in het eiland Sokotera, om met de Egyptenaars ruilhandel in goud te drijven. Daarentegen wordt nergens melding gemaakt van eene indische nederzetting in de noordelijke landen van Azië. Het is waar, dat er niets was om daarheen hunne aandacht te trekken, niets dat voor hun handel van eenige beteekenis kon zijn. Sedert de overoude verhuizing, wellicht in de allereerste eeuwen der historie, die de Mitsraïeten (zonen der zon) uit het hart van Azië naar de vallei van den Nijl had gevoerd, was Egypte in het bezit gebleven der antieke traditiën en overleveringen, en tevens het middelpunt geworden van eene hooge intellektuëele beschaving en van een uitgebreiden handel. Haar meerderheid boven de omringende landen was onbetwistbaar; de glans van haar macht en voorspoed, haar wetenschap en kunst, trok de bewonderende blikken der volkeren tot zich. Geen handelsbelang, geen begeerte naar meerdere beschaving, geene behoefte zelfs aan uitgestrekter grondgebied, kan de verhuizing der arische stammen naar de noordelijke streken van Azië verklaren. Evenmin kan de reden daarvoor worden gezocht in godsdiensttwisten of vervolgingen: althans voor zoo verre ons bekend. Immers, de opkomst van het Boeddhisme valt in veel later tijd, in de zesde eeuw voor onze jaartelling op zijn vroegst. Bij gebreke van historische gegevens, ter verklaring van zulk eene verhuizing, is het misschien niet ongeoorloofd te denken aan de uitwerking van de eerste veroveringen der thebaansche Farao’s, negen eeuwen ouder dan die van Rhamses-Meiamoun; veroveringen, aanvankelijk tot de boorden van den Indus beperkt, maar vervolgens tot voorbij den Ganges uitgestrekt. Zou het niet mogelijk zijn, dat deze geweldige krijgstochten en veroveringen op de arische volksstammen een machtigen indruk maakten, en den eersten stoot gaven tot die verre tochten en verhuizingen, waarover wij ons zoozeer verbazen, en die wij niet kunnen verklaren?

Wat hiervan zij, en welke gebeurtenis tot die verhuizingen aanleiding mag gegeven hebben, zeker is het dat deze volksstammen, bij het verlaten der aziatische hoogvlakten, hun oorspronkelijk vaderland, hunnegodsdienstige denkbeelden, hunne kosmogonische traditiën, hunne zeden, hunne kunst, hunne taal, medenamen naar den vreemde. Maar op hunne tochten door de nieuwe onbekende landen, waar zij soms eeuwen vertoefden, bij de aanraking met andere volken en de onvermijdelijke vermenging der rassen, konden deze overleveringen en herinneringen van het verleden niet zuiver bewaard blijven; terwijl ook de verandering van omstandigheden, ten gevolge der wijziging van klimaat en grondgesteldheid, niet nalaten kon op hunne denkbeelden en voorstellingen van grooten invloed te zijn. Zijzelven namen nieuwe denkbeelden, nieuwe vormen van taal en gedachte in zich op, en lieten die wederom achter aan de volken, met wie zij in aanraking waren geweest. Zoo verklaren zich zoowel de vele punten van overeenkomst als die van verschil in de taal en zeden der volken van arische afkomst, die wij nog heden aantreffen.

De studeerkamer van een professor in de physika.De studeerkamer van een professor in de physika.

De studeerkamer van een professor in de physika.

Meenen wij alzoo, op goede gronden, dat in Azië de bakermat ook der amerikaansche beschaving moet worden gezocht, daarmede willen wij natuurlijk niet zeggen, dat de aziatische kolonisten, die de eerste kiemen dezer beschaving met zich brachten, allen te gelijkertijd naar Amerika zijn gekomen, en evenmin dat hun invloed steeds met gelijke kracht heeft gewerkt. Er is veelmeer alle reden om aan te nemen, dat de amerikaansche beschaving lange tijdperken van stilstand en verdooving heeft gekend, waarin zij, aan zich zelve overgelaten, op dezelfde hoogte is gebleven, tot zij een nieuwen stoot ontving door nieuwe volksverhuizers, nieuwe kolonisten uit het moederland, door fenicische, arabische, wellicht etrurische zeevaarders en emigranten. Ware dit niet het geval, dan zou men bij al de afstammelingen der eerste aziatische kolonisten dezelfde godsdienstige leerstellingen en begrippen, dezelfde zeden, denzelfden bouwstijl moeten aantreffen. Nu bestaat er evenwel tusschen de natiën van Nieuw-Spanje en die van het zuidelijk halfrond—ondanks onmiskenbare overeenstemming in het hoofddenkbeeld van de eeredienst, en in de grondtrekken zoo van het physiek als van het moreel karakter, die duidelijk naar den gemeenschappelijken oorsprong en eenzelfde uitgangspunt heenwijst,—een zoo in het oog vallend verschil, dat de meerderheid der eersten boven de laatsten niet valt te loochenen. Deze meerderheid laat zich niet anders verklaren dan door de scheiding, die al spoedig deze volken van elkander verwijderde, en die de laatsten al verder en verder naar het zuiden voerde, waar zij den voortdurenden invloed der aziatische beschaving misten, of althans in veel minder mate moesten gevoelen. Na de scheiding der beide groepen op het hoogland van Mexiko, zien wij inderdaad,dat de traditiën van het verleden, de godsdienstige mythen, de kosmogonische bespiegelingen van Indië en Egypte, juist bij de noordelijke groep vrij getrouw bewaard blijven. Hun gelaatsvorm, hun kleur, hun lang zacht kunstig gevlochten hair, hunne witte of veelverwige kleederen:—dit alles herinnert sterk aan hunne deels semitische, deels japhetische afstamming. De opperpriesters, die over deze volken regeeren en hunne eeredienst regelen, de koningen, die hun wetten geven en in den krijg aanvoeren, zijn mannen met lange baarden, in wijde, golvende kleeding, echte vertegenwoordigers der aloude theokratische en militaire kasten van het Oosten. Eeuwen zijn verloopen sedert het vertrek dezer stammen uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen. In eene nieuwe wereld gevestigd, blijven zij toch voortdurend van Azië, dealma parens, de kiemen ontvangen eener steeds voortschrijdende beschaving. Het hieroglyphenschrift wordt bij hen inheemsch, evenzeer als het gebruik van den papyrus (maguey). Hunnearchitectuur, aanvankelijk eene bloote navolging van de plompe oudste monumenten van Indië en Opper-Egypte, gaat straks zelfstandig haar eigen weg; voor de tempels en paleizen handhaaft zij de traditioneele, onveranderlijke regelen der oude hiëratische kunst; maar de wanden dier gebouwen tooit en versiert zij op hare eigene wijze, wier smaakvolle ornamentatie vaak herinnert aan den griekschen stijl uit het macedonische tijdperk. De monumenten van Teotihuacan in den staat Mexiko, die van Culhuacan, van Guatusco en van Papantla en den staat Chiapa, de tempel van Chichen-Itza in Yucatan, zijn nog daar als de getuigen van de ontwikkeling der amerikaansche kunst in hare verschillende tijdperken.

De zonnetempel.De zonnetempel.

De zonnetempel.

De straat der Overwinning te Cuzco.De straat der Overwinning te Cuzco.

De straat der Overwinning te Cuzco.

Onder de dynastie der astekische keizers bereikte deze beschaving haar toppunt. De plechtigheden van de eeredienst, de luister der feesten, de weelderige levenswijze,—het was hier alles tot de hoogste mate van pracht en overdaad opgevoerd. Het zijn toestanden als die in het oude perzische rijk—totdat Hernand Cortes op eenmaal aan al die heerlijkheid een einde maakt, zooals negentien eeuwen voor hem Alexander de Groote een einde had gemaakt aan de heerlijkheid van Babylon en Persepolis.

Een ander schouwspel bieden ons de volken van de tweede groep. Na hunne afscheiding en hun vertrek naar het zuidelijke vasteland, zien wij hen dwalen door de boschrijke streken van Venezuela en Guyana, terwijl zij op de rotsen langs den Orinoquo en de Cassiquiare, aan de boorden van de rivier de Cauca, de onuitwischbare teekenen van hun doorgang achterlaten. Onder deze zwervende stammen zijn er enkelen, die eeuwen lang gevestigd blijven op de hoogvlakten van Bogota; anderen vertoeven onder den Equator, en stichten in het land Lican de dynastie der Conchocandos; nog anderen strekken hunne zwerftochten uit tot aan het meer van Chucuytu, en bedekken de omstreken van Tiahuanacu met tempels en monumenten. Naarmate zij zich verder verwijderen van het groote brandpunt van beschaving en ontwikkeling, dat in Nieuw-Spanje bleef, verflauwt en ontaardt meer en meer de herinnering aan het gemeenschappelijk verleden met zijne traditiën en inzettingen. Aan zichzelven overgelaten, afgesneden van alle gemeenschap met de wereld daar buiten, zich steeds meer onttrekkende aan elken beschavenden invloed, vervallen zij trapsgewijze in een toestand van betrekkelijke barbaarschheid.

De haast uitgedoofde fakkel der beschaving werd het eerst weder ontstoken in Peru, en wel door de dynastie der Incas, die daar de bijna vergeten eeredienst en traditiën van het oude Oosten op nieuw in het leven riep en in eere herstelde.

Volgens de plaatselijke overlevering kwamen Manco-Ccapac en zijne zuster Mama-Ocllo uit de warme valleien aan gene zijde der Cordilleras, ten oosten van het meer Titicaca. Deze valleien, tusschen Apolobamba en de bronnen van de rio Beni gelegen, behooren tegenwoordig tot Bolivia, en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van Yungas de la Paz.

Met een gouden roede, het zinnebeeld des gezags, in de hand, trok deze nieuwe Horus, een herder van nog ongeboren volken, met zijne gezellinne, door de punas van Collao, en bereikte, na een tocht van tachtig mijlen in noordwestelijke richting, de hoogten van Huanacoti (tegenwoordig Huanacauri), van waar hij een ruime, cirkelvormige quebrada (kom, kloof) ontdekte, door bergen omringd: daar koos hij zijn verblijf. De stad, die hij later in het midden van deze quebrada bouwen zal, zal den naam dragen vanCcozçco, dat wil zeggen: aanknoopingspunt of navel.

Weldra verzamelt de Inca de omwonende stammen om zich: zij luisteren naar zijn woord, en getroffen door zijne onderwijzing, die misschien in hun gemoed de herinnering aan een beter verleden wakker roept, onderwerpen zij zich aan zijne wet, en zeggen hun zwervend jagersleven vaarwel, om zich aan den landbouw te wijden. Terwijl Manco de mannen onderricht in het ontginnen van den grond, in het bezaaien van den akker, en het graven van besproeiingskanalen, leert Mama Ocllo de vrouwen, hoe zij de wol der vigognas en alpacas moeten spinnen, de stoffen weven voor de kleeding der leden van het gezin, en hare plichten als huismoeders vervullen. Het plan van eene stad wordt ontworpen: het is een onregelmatig parallelogram, van weinig uitgestrektheid, en nog door geen muur of omwalling omgeven. Een beek, van de Cordilleras gedaald, vloeit langs de zuidelijke grens der stad, die zij later doorsnijden zal, wanneer de metropolis, onder de regeering van dertien opeenvolgende keizers, hare grenzen noordwaarts en zuidwaarts zal hebben uitgezet.

Door de ongelijkheid van den grond moet men de stad in twee wijken verdeelen:Hurin(de bovenstad), tegenwoordig de wijk San-Cristoval, enHanan(de benedenstad), tegenwoordig de wijk der kathedraal. In Hurin wordt een paleis voor Manco gebouwd; de eerste gebouwen, die in Hanan verrijzen, zijn een tempel voor den Zonnegod en de Accllhuaci of het paleis der aan zijne dienst gewijde maagden. Deze beide gebouwen, door Manco begonnen, werden echter eerst vijftig jaar na de stichting van Ccozçco, door de ijverige bemoeiingen van zijn oudsten zoon Sinchi Roca voltooid. Gedurende eene halve eeuw was de Zonnetempelniet meer dan een door ruwe steenen omsloten ruimte, in wier midden een vierkante, nauwelijks behouwen pilaar verrees, die tevens altaar en beeld der godheid was, en aan de hyrmensul of zonnesteen der druïden herinnert.

FruitverkoperFruitverkoper

Fruitverkoper

Na gedurende eenige jaren aan de ontwikkeling der jonge gemeente te hebben gearbeid, begaf Manco zich naar de verstrooide stammen in de omstreken van Ccozçco. Deze tocht, ondernomen in naam van den Zonnegod, als wiens zoon en profeet hij zich uitgaf, had zoowel een godsdienstig als een staatkundig doel: hij wilde deze onbeschaafde wilden bekeeren tot de dienst van Helios-Churi, en hen tevens aan zijn gezag onderwerpen. De expeditie, die verscheidene jaren duurde, leidde tot de onderwerping van een twintigtal stammen, verstrooid over eene oppervlakte van tien mijlen in omtrek, en tot de inlijving van hun gebied bij het rijk van den Inca. Onder Manco was dit rijk ten zuiden begrensd door Quiquijana, ten noorden door Ollantay-Tampu, ten oosten door Paucartampu, ten westen door Limatampu: een zeer bescheiden gebied van ettelijke mijlen.

Na eene voorspoedige regeering van vijftig jaren, overleed Manco, en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Sinchi Roca. Het rijk is reeds georganiseerd; de eeredienst van de zon is voor goed gevestigd; de verder te volgen weg nauwkeurig afgebakend: de wijze wetgever had ook voor de toekomst gearbeid, en zijne opvolgers hadden slechts zijn werk voort te zetten. En aan deze zending bleven zij gedurende twaalf geslachten van koningen onveranderlijk getrouw, tot op de verschijning der europeesche avonturiers, die aan het rijk der Incas een einde maakten.

Wij kunnen hier ons niet begeven in de geschiedenis van de Incas en hun rijk; trouwens, daar moet nog zeer veel onderzocht en op onderscheiden gebied voorgearbeid worden, eer op zoo menige vraag betreffende het oude Peru een bevredigend antwoord kan worden gegeven. Daarom laten wij nu het oude Cuzco en de Incas rusten, en gaan over tot de beschouwing van het moderne Cuzco, dat wij heden ten dage nog ongeveer in denzelfden toestand zullen vinden, zooals Pizarro, na de verovering, het herbouwde, en, zooals La Serna, de laatste onderkoning van Peru, het in 1824 verliet.


Back to IndexNext