IX.

IX.Vrouwepolder is geen onaardig dorp, te midden eener vruchtbare streek gelegen, en weleer beroemd wegens een Lieve-Vrouwebeeld, dat in hooge eere stond. Keizer Sigismund, vergezeld van den Graaf-Hertog Willem VI, toog zelfs, ten jare 1416, naar deze plaats ter bedevaart; en een-en-twintig jaar later verscheen in Vrouwepolder nog een andere vorstelijke pelgrim: de groote tegenstander van Willems beroemde en rampspoedige dochter, Hertog Filips van Bourgondië.Doch deze tijden zijn sinds lang voorbij. Verdwenen is het hoog vereerde beeld Onzer-Lieve-Vrouwe, en geen pelgrim richt meer zijne schreden naar het haar gewijde heiligdom. Toch is het heden druk en levendig genoeg in het dorp. Wat wonder: het is er kermis. Ik geloof bijna, dat er in den zomer schier geen dag, stellig geen week voorbijgaat, of er is hier of daar in Zeeland kermis. De kermis te Vrouwepolder gelijkt natuurlijk op iedere andere zeeuwsche dorpskermis. ’t Zijn de gewone vermaken: koekhakken, ringrijden, dansen, zingen en drinken, vooral drinken:—want zoolang hij niet half beschonken is, schijnt er voor den nederlandschen boer geene ware vreugde denkbaar. En de vrouwen geven daarbij maar al te dikwijls den mannen niets toe.Wij treden de herberg binnen: ter wederzijde van een nauwen bedompten gang zijn de deuren van twee kamers, de eene de gelagkamer, de andere een soort van danszaal. Aangelokt door het gekras van een schorre viool en een brommende contrebas, treden wij de danszaal binnen. Twee muzikanten zitten op stoelen, boven op eene groote tafel geplaatst; de talrijke toeschouwersvormen een dichten kring rondom de dansers, aan wie ongeveer een ruimte van vier voet in den omtrek is vrijgelaten. Onwillekeurig plooit zich een glimlach om den mond van mijn reismakker. Op iemand, die de weelderig hartstochtelijke, zoo uitdrukkingsvolle, echt plastische dansen van het Zuiden—eene wezenlijke en zeer sterk sprekende gebarentaal—kent, moet dan ook deze vertooning een zeer eigenaardigen indruk maken. Hoe onbeschrijflijk plomp, onbevallig en karakterloos zijn die bewegingen; men kan het dezen lieden aanzien, dat aan hun onbehagelijk op- en nederspringen alle bezieling ontbreekt; dat er hier in de verte geen sprake is van uitdrukking van gevoel of hartstocht, maar eenvoudig van eene physieke beweging, die de zinnen op eene of andere manier aangenaam kittelt. De nauw beperkte ruimte is dan ook volkomen voldoende voor onze dansers, wier zwaarmoedige, plompe bewegingen waarschijnlijk de meest gepaste uiting zijn voor hunne kalme vreugde.Wij zetten ons neder in een hoek, in de schaduw, tegenover de vensters. Ons geheele voorkomen, ons reisgewaad, doet ons als vreemdelingen kennen; bovendien is het mijn vriend duidelijk genoeg aan te zien, dat zijn wieg niet stond tusschen den Dollard en de Schelde. Aller blikken zijn dan ook voor een poos op ons gevestigd, maar niemand bemoeit zich verder met ons. Eene boerin van zekeren leeftijd, naast mij op de bank gezeten, schuift alleen een weinig op, om eenige ruimte tusschen ons te laten.Het is bijkans stampvol in de zaal, en nog voortdurend stroomen er nieuwe gasten, mannen en vrouwen, binnen. Ter wederzijde van den wijden schoorsteen, zoo wat vier voet boven den grond, bevinden zich tegen den wand een paar planken, waarop gewoonlijk het vaatwerk, borden, schotels, staat gerangschikt; nu hebben eenige mannen zich daarop nedergezet. Onder den schoorsteen zelven staat een bank, waarop verscheidene personen plaats hebben genomen; de ruimte tusschen de banken is geheel ingenomen door jongelieden van beiderlei kunne.Een vrouw, als eene bedelaarster uit Brussel gekleed, met een paars katoenen schoudermantel met kap, en met de hairen uit haar slordige muts hangende, zingt een lied, waarbij haar man haar accompagneert. Eene andere vrouw, reeds bejaard en dronken, met een vuurrood gezicht en purperen jeneverneus, vraagt, met belachelijke en vaak onkiesche gebaren, een aalmoes.Vlak tegenover ons zitten twee aardige paren: de eene jonkman ziet er zeer knap uit, en zijn meisje is bepaald mooi: dat is dus in den regel; de andere jonkman is leelijk en zijn meisje is verre van mooi: ook dat is dus natuurlijk. En wat niet minder natuurlijk is, is dat het leelijke meisje knipoogjes geeft aan den mooien jongen; en ook dat het mooie, maar arme meisje, steelsgewijze uitlokkende blikken werpt op den leelijken, maar rijken jongen.Een paar bedelaars treden het vertrek binnen. Wij hebben zoo even een hunner aan den voet van een boom zien zitten, zich houdende of hij verlamd was. Hij heeft eene vrouw bij zich, die een klein kind op den arm houdt.Die lieden zingen: dat wil zeggen de man balkt, de vrouw jankt, het kind schreeuwt en spartelt met armen en beenen; dat alles onder een oorverdoovend geraas van pratende en lachende en schreeuwende stemmen, van rinkinkende glazen, van stampende voeten en op tafel slaande vuisten. Inmiddels gaan ook de schorre viool en de brommende contrebas ongestoord haar gang.... Daar weerklinken buiten zware voetstappen, en de frissche lachende stemmen van jonge meisjes. Zij komen binnen, klauteren op de tafels, en gaan, vlak tegenover ons, met den rug naar de vensters, zitten, alzoo het toch al niet te overvloedige licht onderscheppende.Onze zangers laten zich niet afschrikken: zij heffen een nieuw lied aan, dat algemeen bekend en zeer in den smaak schijnt te vallen: althans het halve gezelschap, vooral de jonge meisjes, zingen mede en herhalen in koor het refrein. Inmiddels wordt het rumoer al grooter, en wijkt ook de zekere beschroomdheid, die de boeren aanvankelijk van ons verwijderd hield. Mijn vriend teekent haastig eenige schetsen, portretten van boeren en boerinnen, en toont die aan de verbaasde menigte. Nu is weldra de slagboom geheel opgeheven. De boeren presenteeren onsparfait amour, een zeer geliefkoosde drank, en laten zich door ons op wijn en brandewijn trakteeren.—Altijd door dat eindelooze gezang, waarvan het mij onmogelijk is de woorden te verstaan; steeds luidruchtiger en woeliger wordt het om ons heen.... Daar dringt, half worstelend, een nieuwe groep mannen de kamer in. Het schreeuwen en joelen wordt nu zoo oorverdoovend, dat de zangers het opgeven. Een overwinnaar bij het ringrijden wordt in zegepraal door zijne makkers naar binnen gedragen: hij moet trakteeren. De jonge man is half dol: hij laat zich op den grond vallen, springt weer op, draait als een tol in het rond, gestikuleert met armen en beenen, deelt rechts en links klappen, stompen en schoppen uit; en wordt eindelijk door zijne joelende, schreeuwende makkers de kamer weer uitgeduwd, onder luid handgeklap en daverend gestamp!Na hun vertrek begint het gezang op nieuw. Maar eensklaps bezwijkt een der planken nevens den schoorsteen, waarop eenige mannen zich hebben nedergezet. Onder luid gejubel rollen zij op en over elkander op den grond en op de tafel.... Het gezang gaat maar altijd voort; het rumoer neemt hand over hand toe.... Wij hebben er nu genoeg van, en gaan naar buiten.Het is hier wellicht de plaats om iets te zeggen van de zeeuwsche taal, die wij daar zoo even, in de druk bezochte dorpsherberg, in al hare zuiverheid en in enkele verscheidenheden harer uitspraak, hebben gehoord.In de herberg te Vrouwepolder.In de herberg te Vrouwepolder.Even als de zeeuwsche eilanden, door ligging en geaardheid van bevolking, den geleidelijken overgang vormen tusschen Holland en Vlaanderen, zoo is ook het zeeuwsch een overgang, een middenterm, tusschen het hollandsch en het vlaamsch, nu eens meer naar het eene, dan meer naar het andere zweemende, naar gelang van de meer noordelijke of zuidelijke ligging. Een Hollander, die zeeuwsche boeren met elkanderhoort spreken, zal in den beginne zeer veel moeite hebben om hen te verstaan: niet zoozeer, omdat zij woorden gebruiken, die hem vreemd zijn,—want het getal der uitsluitend zeeuwsche woorden is niet zoo bijzonder groot;—maar om de eigenaardige wijze, waarop zij de woorden uitspreken. De Zeeuwen laten namelijk de woorden zooveel mogelijk in elkander vloeien, en spreken op een zeer bijzonderen, half zingenden toon, die eenigermate herinnert aan het dialekt der bewoners van de hollandsche zeedorpen, maar toch geheel anders klinkt.Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de zeeuwsche tongvallen, die natuurlijk niet overal hetzelfde klinken, is het niet uitspreken van de letterh. De meeste echte, ouderwetsche Zeeuwen, vooral ten platten lande en in de kleinere steden, spreken dehletterlijk nooit uit, en zouden dit waarschijnlijk ook niet kunnen. Een oude eenvoudige zeeuwsche boer beschreef mij eens de letterhals degroote a, en kon het, ondanks zijne wanhopige pogingen om dien vreeselijken klank uit te spreken, niet verder brengen dan tot eench-klank. Geregeld hoort ge dan ook de Zeeuwen, in onderling gesprek, gewagen vanuus,and,ebben,oornblazeren dergelijke, met trouwe weglating, altijd en overal, van die fataleh. Het meest komische is echter, wanneer pedante, ongeletterde Zeeuwen op hunne manier mooi willende spreken, zich inspannen om dehtoch uit te brengen, en die dan plaatsen voor woorden, waar zij niet behoort. Zoo zullen zij u verzekeren, dater de heer van de eeren mee gemoeid is; of wel u spreken van dehengelen in den emelende haren op den hakker. Ook zal het eener hollandsche huisvrouw niet zoo gemakkelijk vallen, als zij, op de vraag aan haar zeeuwsche meid, of deze het kruideniersboekje ook gezien heeft, ten antwoord krijgt:’k et ni-j-at, zoo aanstonds te begrijpen, dat deze snel achtereen gesproken woorden beteekenen: ik heb het niet gehad.Verder spreken de Zeeuwen, evenals de Friezen, de Vlamingen en andere nederlandsche stammen, de hollandscheuialsuen deijals langeiuit, schoon ook met eenige afwijkingen. Huis wordthuusof eigenlijkuus; tuin wordttuun; kuif,kuuf; lijf,liif: vijf daarentegen nietfiif, als in het friesch, maarvuuf; pijp, nietpiip, maarpupe, wat niet zeer fraai klinkt. Evenmin kunnen hollandsche ooren behagen scheppen in de uitspraak van dea, die doorgaans als een zwareoa, of wel, in andere streken van Zeeland, als blatendeaeklinkt. Daarentegen maken de Zeeuwen zeer duidelijk onderscheid tusschen de zachtlange en de scherplangeoene, welke laatsten zij als tweeklanken uitspreken: bij voorbeeldtwèë. Deze eigenaardigheid draagt veel bij tot de vloeiende zangerigheid der taal, die, hoe vreemd en ongewoon somwijlen, volstrekt niet onbehagelijk klinkt.Boven zeide ik reeds, dat, voor zoover ik daarover oordeelen kan althans, het getal uitsluitend zeeuwsche woorden, die in andere nederlandsche dialekten niet gevonden worden, zeer beperkt is, beperkter althans dan een vreemdeling op het eerste gehoor wel meenen zou, omdat zeer bekende woorden dikwijls door de uitspraak en den eigenaardigen tongslag moeilijk te herkennen zijn. Zulke eigenaardig zeeuwsche woorden, die ge zonder verklaring niet begrijpen kunt, zijn bij voorbeeld:guus,guês, kind, kinderen;kelf, zindelijk;puutjes, kinderhandjes;daken, aanstonds. Zeeuwsch, meen ik, is ook het eigenaardig gebruik van het woord ongevoelig, in uitdrukkingen als deze:i was d’r wàt ongevoelig over, hetgeen beteekent, hij was er zeer gevoelig over, hij was er zeer door geërgerd. Op Zuid-Beveland, dat zich in menig opzicht, vooral door het sterke vlaamsche element in zijn dialekt, van de andere zeeuwsche eilanden onderscheidt, kunt ge iemand zijn spijt over iets hooren betuigen met de uitdrukking:ik ben er broaf ongevoelig over.Woorden alspuutvoor kikvorsch,weegvoor houten wand, bepaaldelijk eener schuur,stutevoor boterham,kuusvoor zuiver, zindelijk,vele(vedel) voor viool, zijn niet alleen zeeuwsch, maar zijn ook in Vlaanderen en in sommigeprovinciënvan ons vaderland algemeen in gebruik. Vreemder schijnt mij de uitdrukkingkachelvoor veulen; misschien is dit woord metguil,gaul, paard, verwant.Om den lezer een denkbeeld te geven van de eigenaardige zeeuwsche taal, weet ik niet beter te doen dan uit het welbekendeDialecticonvan den heer Winkler de gelijkenis over te nemen van den verloren zoon, en wel in den tongval van het platte land van Zuid-Beveland, waar het oud-zeeuwsche dialect zich misschien nog het best in stand heeft gehouden. Zij luidt aldus.Dir was is ’n man, die twèë zeuns a’.En den jongsten (op Walcheren zegt menjoenksten) van ulder (hen, elders in Zeelandhulli) zei tegen z’n voader: voader, gee miin m’n possie van ’t goed, da’ m’n toekomt. En i verdèëlden ’t goed.En ni lange naedien, a’ den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a’, is ’n vort ereisd nir ’n land, varre van ier, en dir eit ’n al z’n goed deur ebrocht en i leefden baldadig.En as ’n alles op eteerd a’, kwam d’r in dat land ’n gròòten oengersnòòd, en i begost ok gebrek te liën.En i giing èëne en i prezenteerden z’n zelven bi ’n boer van dat land, en die stierden ’m nir z’n land om de verkens te wachten (hoeden).En i verlangden z’n buuk te vullen mit de verkenskost, mer gin mens gaf ze ’m.En as ’n z’n ersens bi mekaore a’, zeit ’n bi z’n eigen: oe vee’ errebeiers van m’n voader ae d’r bròòd, en ik vergae ik van den oenger.Ik za’ ik nir me voader toe gae, en ’k za’ tegen z’n zegge: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe.En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten; mææk me mer gelike mit èën van j’n errebeiers.En i stong op en i giing nir z’n voader. En as ’n d’r nog varre van dææn was, zag z’n voader ’m, en i kreeg innerlikken medeliën mit z’n, en i liep nir z’n toe, en i viel om z’n ales (hals), en i kost’ ’m.En den zeune zei tegen z’n voader: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe. En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten.Mer den voader zei tegen z’n knechs: æælt ier ’nbest pak kleeren, en lææt ’m dat an doeë, en geeft ’n riink an z’n anen (anden, handen) en schoenen an z’n voeten.En briingt ’t vette kalf en slacht ’t; dan zu’ me ete en plazier ouë.Want ier me zeune was dòòd, en i is weer levendig eworre; i was verlore en i is evonde. En ze begosten plazier t’ ouën.En z’n ouste zeune was in ’t veld; en as ’n vrom (weerom) kwam en kort bi uus kwam, oorden i ’t geziing en gespriing.En i riep èën van de knechs bi z’n, en i vroeg wat ’r omgiing.En die zei tegen z’n: je broer is vrom ekomme, en je voader eit ’t gemaste kalf eslacht, uut blischap, dat ’n ’m wee’ gezond t’ uus ekregen eit.Mer i wier kwææd, en i wou ni in uus komme. Toen giing z’n voader nir z’n toe, en i schooiden d’r om (drong er op aan).Mer i zei tot antwoord tegen z’n voader: kiik! ik ae’ noe a’ zòò vee’ jæær voe’ j’ ewerkt, en ’k ae’ altiid edae da’ je me belast eit, en j’ eit me nooit is niks egeve, zelfs gin boksje voe’ m’ eslacht, om ok is mit m’n kammeraas plazier t’ ouen.Mer noe die zeune van je t’uus ekommen is, die je goed mit oeren verkwanseld eit, noe ei je voe’ ziin ’t vette kalf eslacht.En i zei tegen z’n: kind! ji bin altiid bi me, en al wat a’ ’k ae’, dat is ’t joeë.Dir om b’ oorden ji ook blië te weze; want ier je broer was dòòd en i is wee’ levendig eworre; i was verlore en i is evonde.Wij mogen Walcheren niet verlaten, zonder ook een, zij ’t ook maar vluchtig bezoek te hebben gebracht aan Arnemuiden, vroeger eene vermaarde koopstad aan den mond der Arne, met eene voortreffelijke reede, maar tegenwoordig een vervallen stedeke, door visschers bewoond, wier huizen gedeeltelijk op en tegen de duinen of liever terpen zijn gebouwd. Er is hier niet veel te zien, maar de krachtige, goed gebouwde bevolking der stad verdient wel de aandacht.De kleeding der vrouwen gelijkt op die in de naburige dorpen, maar gaandeweg grijpt hierin eene verandering plaats, die juist geene verbetering mag worden genoemd. De mannen, bijna zonder uitzondering visschers, dragen des Zondags een ruim geplooide, blauw flanellen kiel, die in den wijden zwarten broek wordt gestoken. Deze broek prijkt met twee groote zilveren knoopen of stukken. Op het hoofd dragen zij een pet met gebogen klep, die tamelijk op één oor wordt gezet. Het is een flink, handig slag van volk, dat zijne onafhankelijkheid op prijs stelt; ook op hen is het oude spreekwoord toepasselijk: goed rond, goed zeeuwsch.Ook Arnemuiden heeft, als zoo menige zeeuwsche stad, in vroeger tijden veel door overstroomingen geleden: tegenwoordig is, door de sterke aanslibbingen, dat gevaar wel geweken, maar de haven der voormalige koopstad is tevens voor groote schepen ontoegankelijk geworden. Doch in vervlogen dagen kwam er ook voor Arnemuiden meer dan eenmaal een bange ure, als het scheen of de opgeruide golven van het Sloe haar zouden verslinden, en de weeke bodem, waarop de stad was gebouwd, sidderde en dreunde bij den geweldigen aanval der wateren, en ieder oogenblik op het punt scheen, in de kokende diepte te verdwijnen. Voorwaar, niet zonder reden draagt een gedenkpenning uit de zestiende eeuw deze bede tot opschrift:Salva nos, Domine, nam perimus. Behoed ons, Heer, want wij vergaan!Naar men zegt, bestond er van ouds eene veete tusschen de burgers van Arnemuiden en die van Middelburg. Of de kleinere stad zich over aanmatiging en verdrukking van de zijde der groote te beklagen had, zoo als men wil, durf ik niet te beslissen; zeker is het, dat de verstandhouding tusschen beiden dikwijls veel te wenschen overliet. In onze tegenwoordige orde van zaken, waarin alles zoo nauwkeurig afgepast en afgemeten, en in een zoo eng mogelijk sluitend keurslijf van eenvormige en eensluidende wetten en reglementen gewrongen wordt, komen natuurlijk twisten en veeten tusschen twee naburige steden niet meer te pas. De burgers mogen heden ten dage niet meer het zwaard tegen elkander trekken; daarentegen staat het hun wel vrij, om elkander op alle mogelijke manieren te onderkruipen en te benadeelen, en elkander door alle middelen—mits niet onder het bereik van den strafrechter vallende—het brood uit den mond te stelen. Is het nog wellicht een overblijfsel der oude veete, dat de visschers van Arnemuiden de burgers van Middelburg zoo dikwijls vergeefs naar visch laten uitzien?Toch niet. De visschers van Arnemuiden gaan ver de Noordzee in, tot zelfs op de hoogte van Texel en Vlieland. Wanneer zij nu met hun vangst terugkomen, worden zij zeer dikwijls opgewacht door hollandsche on belgische vaartuigen, die, tegen goeden prijs, de gevangen visch opkoopen, zoodat de visschers ledig naar Arnemuiden terugkeeren. Vandaar dat men te Antwerpen, te Brussel en zelfs te Parijs doorgaans beter en goedkooper visch kan eten dan te Middelburg.De visschers keeren gewoonlijk Vrijdags naar huis terug. Dan bakken de vrouwen ouder gewoonte koeken, om hare echtgenooten en zonen te onthalen, die met welgevulden buidel wederkomen. Echter is de opbrengst der visscherij niet meer wat zij vroeger was: in 1844, bij voorbeeld, kon, naar men mij verzekerde, een visscher van Arnemuiden op eene verdienste van vijf-en-twintig gulden per week rekenen. Daar is nu geen denken meer aan.Vroeger, in den goeden ouden tijd, toen de visch nog naar huis werd medegenomen en daar verkocht, geschiedde de verdeeling van den buit op de volgende wijze.Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.De visschers zetten zich rondom eene tafel; op het midden van die tafel werd het geld van den verkoop nedergelegd. Men maakte van de groote en kleine muntstukken een hoop: rijksdaalders, guldens, halve guldens, kwartjes, dubbeltjes. Eerst werden degroote stukken verdeeld: rijksdaalders, guldens en halve guldens. Het kleine geld—kwartjes, dubbeltjes, enz.—werd in theekommetjes geworpen. Beurtelings werden al de kommetjes met kwartjes en dubbeltjes gevuld, tot de voorraad verdeeld was. Wanneer al de kopjes gevuld waren, werd alles wat boven den rand uitstak, weggestreken. Dit werd zoolang herhaald, tot er juist genoeg dubbeltjes en kwartjes overschoten om den visschers een drinkgeld te geven.Was de verdeeling afgeloopen, dan toog men aan den maaltijd. De koeken dampten in den schotel en vervulden de woning met uitlokkende, den eetlust prikkelende geuren: moeder de vrouw zorgde dat er een goede voorraad was om den eisch der hongerige magen te kunnen voldoen. Natuurlijk mocht bij dien feestelijken maaltijd de flesch met klare niet ontbreken. Er werden pijpen of sigaren opgestoken; men lachte, men praatte, en maakte het zich ook verder zoo genoegelijk mogelijk, tot de visschers, doorgaans des Maandags morgens, weder uitvoeren om op nieuw van de zee, de onuitputtelijke, te vragen wat er noodig was om hun kommetjes te vullen.De visschers van Arnemuiden leven echter niet uitsluitend van de vischvangst. Als de vangst slecht gaat, varen zij met hunne schuiten naar Amsterdam of Haarlem, om daar gemeste varkens ter markt te brengen, en zelven eenige inkoopen te doen. Ook wordt er een weinig landbouw gedreven.Een boer uit Zuid-Beveland.Een boer uit Zuid-Beveland.

IX.Vrouwepolder is geen onaardig dorp, te midden eener vruchtbare streek gelegen, en weleer beroemd wegens een Lieve-Vrouwebeeld, dat in hooge eere stond. Keizer Sigismund, vergezeld van den Graaf-Hertog Willem VI, toog zelfs, ten jare 1416, naar deze plaats ter bedevaart; en een-en-twintig jaar later verscheen in Vrouwepolder nog een andere vorstelijke pelgrim: de groote tegenstander van Willems beroemde en rampspoedige dochter, Hertog Filips van Bourgondië.Doch deze tijden zijn sinds lang voorbij. Verdwenen is het hoog vereerde beeld Onzer-Lieve-Vrouwe, en geen pelgrim richt meer zijne schreden naar het haar gewijde heiligdom. Toch is het heden druk en levendig genoeg in het dorp. Wat wonder: het is er kermis. Ik geloof bijna, dat er in den zomer schier geen dag, stellig geen week voorbijgaat, of er is hier of daar in Zeeland kermis. De kermis te Vrouwepolder gelijkt natuurlijk op iedere andere zeeuwsche dorpskermis. ’t Zijn de gewone vermaken: koekhakken, ringrijden, dansen, zingen en drinken, vooral drinken:—want zoolang hij niet half beschonken is, schijnt er voor den nederlandschen boer geene ware vreugde denkbaar. En de vrouwen geven daarbij maar al te dikwijls den mannen niets toe.Wij treden de herberg binnen: ter wederzijde van een nauwen bedompten gang zijn de deuren van twee kamers, de eene de gelagkamer, de andere een soort van danszaal. Aangelokt door het gekras van een schorre viool en een brommende contrebas, treden wij de danszaal binnen. Twee muzikanten zitten op stoelen, boven op eene groote tafel geplaatst; de talrijke toeschouwersvormen een dichten kring rondom de dansers, aan wie ongeveer een ruimte van vier voet in den omtrek is vrijgelaten. Onwillekeurig plooit zich een glimlach om den mond van mijn reismakker. Op iemand, die de weelderig hartstochtelijke, zoo uitdrukkingsvolle, echt plastische dansen van het Zuiden—eene wezenlijke en zeer sterk sprekende gebarentaal—kent, moet dan ook deze vertooning een zeer eigenaardigen indruk maken. Hoe onbeschrijflijk plomp, onbevallig en karakterloos zijn die bewegingen; men kan het dezen lieden aanzien, dat aan hun onbehagelijk op- en nederspringen alle bezieling ontbreekt; dat er hier in de verte geen sprake is van uitdrukking van gevoel of hartstocht, maar eenvoudig van eene physieke beweging, die de zinnen op eene of andere manier aangenaam kittelt. De nauw beperkte ruimte is dan ook volkomen voldoende voor onze dansers, wier zwaarmoedige, plompe bewegingen waarschijnlijk de meest gepaste uiting zijn voor hunne kalme vreugde.Wij zetten ons neder in een hoek, in de schaduw, tegenover de vensters. Ons geheele voorkomen, ons reisgewaad, doet ons als vreemdelingen kennen; bovendien is het mijn vriend duidelijk genoeg aan te zien, dat zijn wieg niet stond tusschen den Dollard en de Schelde. Aller blikken zijn dan ook voor een poos op ons gevestigd, maar niemand bemoeit zich verder met ons. Eene boerin van zekeren leeftijd, naast mij op de bank gezeten, schuift alleen een weinig op, om eenige ruimte tusschen ons te laten.Het is bijkans stampvol in de zaal, en nog voortdurend stroomen er nieuwe gasten, mannen en vrouwen, binnen. Ter wederzijde van den wijden schoorsteen, zoo wat vier voet boven den grond, bevinden zich tegen den wand een paar planken, waarop gewoonlijk het vaatwerk, borden, schotels, staat gerangschikt; nu hebben eenige mannen zich daarop nedergezet. Onder den schoorsteen zelven staat een bank, waarop verscheidene personen plaats hebben genomen; de ruimte tusschen de banken is geheel ingenomen door jongelieden van beiderlei kunne.Een vrouw, als eene bedelaarster uit Brussel gekleed, met een paars katoenen schoudermantel met kap, en met de hairen uit haar slordige muts hangende, zingt een lied, waarbij haar man haar accompagneert. Eene andere vrouw, reeds bejaard en dronken, met een vuurrood gezicht en purperen jeneverneus, vraagt, met belachelijke en vaak onkiesche gebaren, een aalmoes.Vlak tegenover ons zitten twee aardige paren: de eene jonkman ziet er zeer knap uit, en zijn meisje is bepaald mooi: dat is dus in den regel; de andere jonkman is leelijk en zijn meisje is verre van mooi: ook dat is dus natuurlijk. En wat niet minder natuurlijk is, is dat het leelijke meisje knipoogjes geeft aan den mooien jongen; en ook dat het mooie, maar arme meisje, steelsgewijze uitlokkende blikken werpt op den leelijken, maar rijken jongen.Een paar bedelaars treden het vertrek binnen. Wij hebben zoo even een hunner aan den voet van een boom zien zitten, zich houdende of hij verlamd was. Hij heeft eene vrouw bij zich, die een klein kind op den arm houdt.Die lieden zingen: dat wil zeggen de man balkt, de vrouw jankt, het kind schreeuwt en spartelt met armen en beenen; dat alles onder een oorverdoovend geraas van pratende en lachende en schreeuwende stemmen, van rinkinkende glazen, van stampende voeten en op tafel slaande vuisten. Inmiddels gaan ook de schorre viool en de brommende contrebas ongestoord haar gang.... Daar weerklinken buiten zware voetstappen, en de frissche lachende stemmen van jonge meisjes. Zij komen binnen, klauteren op de tafels, en gaan, vlak tegenover ons, met den rug naar de vensters, zitten, alzoo het toch al niet te overvloedige licht onderscheppende.Onze zangers laten zich niet afschrikken: zij heffen een nieuw lied aan, dat algemeen bekend en zeer in den smaak schijnt te vallen: althans het halve gezelschap, vooral de jonge meisjes, zingen mede en herhalen in koor het refrein. Inmiddels wordt het rumoer al grooter, en wijkt ook de zekere beschroomdheid, die de boeren aanvankelijk van ons verwijderd hield. Mijn vriend teekent haastig eenige schetsen, portretten van boeren en boerinnen, en toont die aan de verbaasde menigte. Nu is weldra de slagboom geheel opgeheven. De boeren presenteeren onsparfait amour, een zeer geliefkoosde drank, en laten zich door ons op wijn en brandewijn trakteeren.—Altijd door dat eindelooze gezang, waarvan het mij onmogelijk is de woorden te verstaan; steeds luidruchtiger en woeliger wordt het om ons heen.... Daar dringt, half worstelend, een nieuwe groep mannen de kamer in. Het schreeuwen en joelen wordt nu zoo oorverdoovend, dat de zangers het opgeven. Een overwinnaar bij het ringrijden wordt in zegepraal door zijne makkers naar binnen gedragen: hij moet trakteeren. De jonge man is half dol: hij laat zich op den grond vallen, springt weer op, draait als een tol in het rond, gestikuleert met armen en beenen, deelt rechts en links klappen, stompen en schoppen uit; en wordt eindelijk door zijne joelende, schreeuwende makkers de kamer weer uitgeduwd, onder luid handgeklap en daverend gestamp!Na hun vertrek begint het gezang op nieuw. Maar eensklaps bezwijkt een der planken nevens den schoorsteen, waarop eenige mannen zich hebben nedergezet. Onder luid gejubel rollen zij op en over elkander op den grond en op de tafel.... Het gezang gaat maar altijd voort; het rumoer neemt hand over hand toe.... Wij hebben er nu genoeg van, en gaan naar buiten.Het is hier wellicht de plaats om iets te zeggen van de zeeuwsche taal, die wij daar zoo even, in de druk bezochte dorpsherberg, in al hare zuiverheid en in enkele verscheidenheden harer uitspraak, hebben gehoord.In de herberg te Vrouwepolder.In de herberg te Vrouwepolder.Even als de zeeuwsche eilanden, door ligging en geaardheid van bevolking, den geleidelijken overgang vormen tusschen Holland en Vlaanderen, zoo is ook het zeeuwsch een overgang, een middenterm, tusschen het hollandsch en het vlaamsch, nu eens meer naar het eene, dan meer naar het andere zweemende, naar gelang van de meer noordelijke of zuidelijke ligging. Een Hollander, die zeeuwsche boeren met elkanderhoort spreken, zal in den beginne zeer veel moeite hebben om hen te verstaan: niet zoozeer, omdat zij woorden gebruiken, die hem vreemd zijn,—want het getal der uitsluitend zeeuwsche woorden is niet zoo bijzonder groot;—maar om de eigenaardige wijze, waarop zij de woorden uitspreken. De Zeeuwen laten namelijk de woorden zooveel mogelijk in elkander vloeien, en spreken op een zeer bijzonderen, half zingenden toon, die eenigermate herinnert aan het dialekt der bewoners van de hollandsche zeedorpen, maar toch geheel anders klinkt.Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de zeeuwsche tongvallen, die natuurlijk niet overal hetzelfde klinken, is het niet uitspreken van de letterh. De meeste echte, ouderwetsche Zeeuwen, vooral ten platten lande en in de kleinere steden, spreken dehletterlijk nooit uit, en zouden dit waarschijnlijk ook niet kunnen. Een oude eenvoudige zeeuwsche boer beschreef mij eens de letterhals degroote a, en kon het, ondanks zijne wanhopige pogingen om dien vreeselijken klank uit te spreken, niet verder brengen dan tot eench-klank. Geregeld hoort ge dan ook de Zeeuwen, in onderling gesprek, gewagen vanuus,and,ebben,oornblazeren dergelijke, met trouwe weglating, altijd en overal, van die fataleh. Het meest komische is echter, wanneer pedante, ongeletterde Zeeuwen op hunne manier mooi willende spreken, zich inspannen om dehtoch uit te brengen, en die dan plaatsen voor woorden, waar zij niet behoort. Zoo zullen zij u verzekeren, dater de heer van de eeren mee gemoeid is; of wel u spreken van dehengelen in den emelende haren op den hakker. Ook zal het eener hollandsche huisvrouw niet zoo gemakkelijk vallen, als zij, op de vraag aan haar zeeuwsche meid, of deze het kruideniersboekje ook gezien heeft, ten antwoord krijgt:’k et ni-j-at, zoo aanstonds te begrijpen, dat deze snel achtereen gesproken woorden beteekenen: ik heb het niet gehad.Verder spreken de Zeeuwen, evenals de Friezen, de Vlamingen en andere nederlandsche stammen, de hollandscheuialsuen deijals langeiuit, schoon ook met eenige afwijkingen. Huis wordthuusof eigenlijkuus; tuin wordttuun; kuif,kuuf; lijf,liif: vijf daarentegen nietfiif, als in het friesch, maarvuuf; pijp, nietpiip, maarpupe, wat niet zeer fraai klinkt. Evenmin kunnen hollandsche ooren behagen scheppen in de uitspraak van dea, die doorgaans als een zwareoa, of wel, in andere streken van Zeeland, als blatendeaeklinkt. Daarentegen maken de Zeeuwen zeer duidelijk onderscheid tusschen de zachtlange en de scherplangeoene, welke laatsten zij als tweeklanken uitspreken: bij voorbeeldtwèë. Deze eigenaardigheid draagt veel bij tot de vloeiende zangerigheid der taal, die, hoe vreemd en ongewoon somwijlen, volstrekt niet onbehagelijk klinkt.Boven zeide ik reeds, dat, voor zoover ik daarover oordeelen kan althans, het getal uitsluitend zeeuwsche woorden, die in andere nederlandsche dialekten niet gevonden worden, zeer beperkt is, beperkter althans dan een vreemdeling op het eerste gehoor wel meenen zou, omdat zeer bekende woorden dikwijls door de uitspraak en den eigenaardigen tongslag moeilijk te herkennen zijn. Zulke eigenaardig zeeuwsche woorden, die ge zonder verklaring niet begrijpen kunt, zijn bij voorbeeld:guus,guês, kind, kinderen;kelf, zindelijk;puutjes, kinderhandjes;daken, aanstonds. Zeeuwsch, meen ik, is ook het eigenaardig gebruik van het woord ongevoelig, in uitdrukkingen als deze:i was d’r wàt ongevoelig over, hetgeen beteekent, hij was er zeer gevoelig over, hij was er zeer door geërgerd. Op Zuid-Beveland, dat zich in menig opzicht, vooral door het sterke vlaamsche element in zijn dialekt, van de andere zeeuwsche eilanden onderscheidt, kunt ge iemand zijn spijt over iets hooren betuigen met de uitdrukking:ik ben er broaf ongevoelig over.Woorden alspuutvoor kikvorsch,weegvoor houten wand, bepaaldelijk eener schuur,stutevoor boterham,kuusvoor zuiver, zindelijk,vele(vedel) voor viool, zijn niet alleen zeeuwsch, maar zijn ook in Vlaanderen en in sommigeprovinciënvan ons vaderland algemeen in gebruik. Vreemder schijnt mij de uitdrukkingkachelvoor veulen; misschien is dit woord metguil,gaul, paard, verwant.Om den lezer een denkbeeld te geven van de eigenaardige zeeuwsche taal, weet ik niet beter te doen dan uit het welbekendeDialecticonvan den heer Winkler de gelijkenis over te nemen van den verloren zoon, en wel in den tongval van het platte land van Zuid-Beveland, waar het oud-zeeuwsche dialect zich misschien nog het best in stand heeft gehouden. Zij luidt aldus.Dir was is ’n man, die twèë zeuns a’.En den jongsten (op Walcheren zegt menjoenksten) van ulder (hen, elders in Zeelandhulli) zei tegen z’n voader: voader, gee miin m’n possie van ’t goed, da’ m’n toekomt. En i verdèëlden ’t goed.En ni lange naedien, a’ den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a’, is ’n vort ereisd nir ’n land, varre van ier, en dir eit ’n al z’n goed deur ebrocht en i leefden baldadig.En as ’n alles op eteerd a’, kwam d’r in dat land ’n gròòten oengersnòòd, en i begost ok gebrek te liën.En i giing èëne en i prezenteerden z’n zelven bi ’n boer van dat land, en die stierden ’m nir z’n land om de verkens te wachten (hoeden).En i verlangden z’n buuk te vullen mit de verkenskost, mer gin mens gaf ze ’m.En as ’n z’n ersens bi mekaore a’, zeit ’n bi z’n eigen: oe vee’ errebeiers van m’n voader ae d’r bròòd, en ik vergae ik van den oenger.Ik za’ ik nir me voader toe gae, en ’k za’ tegen z’n zegge: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe.En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten; mææk me mer gelike mit èën van j’n errebeiers.En i stong op en i giing nir z’n voader. En as ’n d’r nog varre van dææn was, zag z’n voader ’m, en i kreeg innerlikken medeliën mit z’n, en i liep nir z’n toe, en i viel om z’n ales (hals), en i kost’ ’m.En den zeune zei tegen z’n voader: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe. En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten.Mer den voader zei tegen z’n knechs: æælt ier ’nbest pak kleeren, en lææt ’m dat an doeë, en geeft ’n riink an z’n anen (anden, handen) en schoenen an z’n voeten.En briingt ’t vette kalf en slacht ’t; dan zu’ me ete en plazier ouë.Want ier me zeune was dòòd, en i is weer levendig eworre; i was verlore en i is evonde. En ze begosten plazier t’ ouën.En z’n ouste zeune was in ’t veld; en as ’n vrom (weerom) kwam en kort bi uus kwam, oorden i ’t geziing en gespriing.En i riep èën van de knechs bi z’n, en i vroeg wat ’r omgiing.En die zei tegen z’n: je broer is vrom ekomme, en je voader eit ’t gemaste kalf eslacht, uut blischap, dat ’n ’m wee’ gezond t’ uus ekregen eit.Mer i wier kwææd, en i wou ni in uus komme. Toen giing z’n voader nir z’n toe, en i schooiden d’r om (drong er op aan).Mer i zei tot antwoord tegen z’n voader: kiik! ik ae’ noe a’ zòò vee’ jæær voe’ j’ ewerkt, en ’k ae’ altiid edae da’ je me belast eit, en j’ eit me nooit is niks egeve, zelfs gin boksje voe’ m’ eslacht, om ok is mit m’n kammeraas plazier t’ ouen.Mer noe die zeune van je t’uus ekommen is, die je goed mit oeren verkwanseld eit, noe ei je voe’ ziin ’t vette kalf eslacht.En i zei tegen z’n: kind! ji bin altiid bi me, en al wat a’ ’k ae’, dat is ’t joeë.Dir om b’ oorden ji ook blië te weze; want ier je broer was dòòd en i is wee’ levendig eworre; i was verlore en i is evonde.Wij mogen Walcheren niet verlaten, zonder ook een, zij ’t ook maar vluchtig bezoek te hebben gebracht aan Arnemuiden, vroeger eene vermaarde koopstad aan den mond der Arne, met eene voortreffelijke reede, maar tegenwoordig een vervallen stedeke, door visschers bewoond, wier huizen gedeeltelijk op en tegen de duinen of liever terpen zijn gebouwd. Er is hier niet veel te zien, maar de krachtige, goed gebouwde bevolking der stad verdient wel de aandacht.De kleeding der vrouwen gelijkt op die in de naburige dorpen, maar gaandeweg grijpt hierin eene verandering plaats, die juist geene verbetering mag worden genoemd. De mannen, bijna zonder uitzondering visschers, dragen des Zondags een ruim geplooide, blauw flanellen kiel, die in den wijden zwarten broek wordt gestoken. Deze broek prijkt met twee groote zilveren knoopen of stukken. Op het hoofd dragen zij een pet met gebogen klep, die tamelijk op één oor wordt gezet. Het is een flink, handig slag van volk, dat zijne onafhankelijkheid op prijs stelt; ook op hen is het oude spreekwoord toepasselijk: goed rond, goed zeeuwsch.Ook Arnemuiden heeft, als zoo menige zeeuwsche stad, in vroeger tijden veel door overstroomingen geleden: tegenwoordig is, door de sterke aanslibbingen, dat gevaar wel geweken, maar de haven der voormalige koopstad is tevens voor groote schepen ontoegankelijk geworden. Doch in vervlogen dagen kwam er ook voor Arnemuiden meer dan eenmaal een bange ure, als het scheen of de opgeruide golven van het Sloe haar zouden verslinden, en de weeke bodem, waarop de stad was gebouwd, sidderde en dreunde bij den geweldigen aanval der wateren, en ieder oogenblik op het punt scheen, in de kokende diepte te verdwijnen. Voorwaar, niet zonder reden draagt een gedenkpenning uit de zestiende eeuw deze bede tot opschrift:Salva nos, Domine, nam perimus. Behoed ons, Heer, want wij vergaan!Naar men zegt, bestond er van ouds eene veete tusschen de burgers van Arnemuiden en die van Middelburg. Of de kleinere stad zich over aanmatiging en verdrukking van de zijde der groote te beklagen had, zoo als men wil, durf ik niet te beslissen; zeker is het, dat de verstandhouding tusschen beiden dikwijls veel te wenschen overliet. In onze tegenwoordige orde van zaken, waarin alles zoo nauwkeurig afgepast en afgemeten, en in een zoo eng mogelijk sluitend keurslijf van eenvormige en eensluidende wetten en reglementen gewrongen wordt, komen natuurlijk twisten en veeten tusschen twee naburige steden niet meer te pas. De burgers mogen heden ten dage niet meer het zwaard tegen elkander trekken; daarentegen staat het hun wel vrij, om elkander op alle mogelijke manieren te onderkruipen en te benadeelen, en elkander door alle middelen—mits niet onder het bereik van den strafrechter vallende—het brood uit den mond te stelen. Is het nog wellicht een overblijfsel der oude veete, dat de visschers van Arnemuiden de burgers van Middelburg zoo dikwijls vergeefs naar visch laten uitzien?Toch niet. De visschers van Arnemuiden gaan ver de Noordzee in, tot zelfs op de hoogte van Texel en Vlieland. Wanneer zij nu met hun vangst terugkomen, worden zij zeer dikwijls opgewacht door hollandsche on belgische vaartuigen, die, tegen goeden prijs, de gevangen visch opkoopen, zoodat de visschers ledig naar Arnemuiden terugkeeren. Vandaar dat men te Antwerpen, te Brussel en zelfs te Parijs doorgaans beter en goedkooper visch kan eten dan te Middelburg.De visschers keeren gewoonlijk Vrijdags naar huis terug. Dan bakken de vrouwen ouder gewoonte koeken, om hare echtgenooten en zonen te onthalen, die met welgevulden buidel wederkomen. Echter is de opbrengst der visscherij niet meer wat zij vroeger was: in 1844, bij voorbeeld, kon, naar men mij verzekerde, een visscher van Arnemuiden op eene verdienste van vijf-en-twintig gulden per week rekenen. Daar is nu geen denken meer aan.Vroeger, in den goeden ouden tijd, toen de visch nog naar huis werd medegenomen en daar verkocht, geschiedde de verdeeling van den buit op de volgende wijze.Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.De visschers zetten zich rondom eene tafel; op het midden van die tafel werd het geld van den verkoop nedergelegd. Men maakte van de groote en kleine muntstukken een hoop: rijksdaalders, guldens, halve guldens, kwartjes, dubbeltjes. Eerst werden degroote stukken verdeeld: rijksdaalders, guldens en halve guldens. Het kleine geld—kwartjes, dubbeltjes, enz.—werd in theekommetjes geworpen. Beurtelings werden al de kommetjes met kwartjes en dubbeltjes gevuld, tot de voorraad verdeeld was. Wanneer al de kopjes gevuld waren, werd alles wat boven den rand uitstak, weggestreken. Dit werd zoolang herhaald, tot er juist genoeg dubbeltjes en kwartjes overschoten om den visschers een drinkgeld te geven.Was de verdeeling afgeloopen, dan toog men aan den maaltijd. De koeken dampten in den schotel en vervulden de woning met uitlokkende, den eetlust prikkelende geuren: moeder de vrouw zorgde dat er een goede voorraad was om den eisch der hongerige magen te kunnen voldoen. Natuurlijk mocht bij dien feestelijken maaltijd de flesch met klare niet ontbreken. Er werden pijpen of sigaren opgestoken; men lachte, men praatte, en maakte het zich ook verder zoo genoegelijk mogelijk, tot de visschers, doorgaans des Maandags morgens, weder uitvoeren om op nieuw van de zee, de onuitputtelijke, te vragen wat er noodig was om hun kommetjes te vullen.De visschers van Arnemuiden leven echter niet uitsluitend van de vischvangst. Als de vangst slecht gaat, varen zij met hunne schuiten naar Amsterdam of Haarlem, om daar gemeste varkens ter markt te brengen, en zelven eenige inkoopen te doen. Ook wordt er een weinig landbouw gedreven.Een boer uit Zuid-Beveland.Een boer uit Zuid-Beveland.

IX.Vrouwepolder is geen onaardig dorp, te midden eener vruchtbare streek gelegen, en weleer beroemd wegens een Lieve-Vrouwebeeld, dat in hooge eere stond. Keizer Sigismund, vergezeld van den Graaf-Hertog Willem VI, toog zelfs, ten jare 1416, naar deze plaats ter bedevaart; en een-en-twintig jaar later verscheen in Vrouwepolder nog een andere vorstelijke pelgrim: de groote tegenstander van Willems beroemde en rampspoedige dochter, Hertog Filips van Bourgondië.Doch deze tijden zijn sinds lang voorbij. Verdwenen is het hoog vereerde beeld Onzer-Lieve-Vrouwe, en geen pelgrim richt meer zijne schreden naar het haar gewijde heiligdom. Toch is het heden druk en levendig genoeg in het dorp. Wat wonder: het is er kermis. Ik geloof bijna, dat er in den zomer schier geen dag, stellig geen week voorbijgaat, of er is hier of daar in Zeeland kermis. De kermis te Vrouwepolder gelijkt natuurlijk op iedere andere zeeuwsche dorpskermis. ’t Zijn de gewone vermaken: koekhakken, ringrijden, dansen, zingen en drinken, vooral drinken:—want zoolang hij niet half beschonken is, schijnt er voor den nederlandschen boer geene ware vreugde denkbaar. En de vrouwen geven daarbij maar al te dikwijls den mannen niets toe.Wij treden de herberg binnen: ter wederzijde van een nauwen bedompten gang zijn de deuren van twee kamers, de eene de gelagkamer, de andere een soort van danszaal. Aangelokt door het gekras van een schorre viool en een brommende contrebas, treden wij de danszaal binnen. Twee muzikanten zitten op stoelen, boven op eene groote tafel geplaatst; de talrijke toeschouwersvormen een dichten kring rondom de dansers, aan wie ongeveer een ruimte van vier voet in den omtrek is vrijgelaten. Onwillekeurig plooit zich een glimlach om den mond van mijn reismakker. Op iemand, die de weelderig hartstochtelijke, zoo uitdrukkingsvolle, echt plastische dansen van het Zuiden—eene wezenlijke en zeer sterk sprekende gebarentaal—kent, moet dan ook deze vertooning een zeer eigenaardigen indruk maken. Hoe onbeschrijflijk plomp, onbevallig en karakterloos zijn die bewegingen; men kan het dezen lieden aanzien, dat aan hun onbehagelijk op- en nederspringen alle bezieling ontbreekt; dat er hier in de verte geen sprake is van uitdrukking van gevoel of hartstocht, maar eenvoudig van eene physieke beweging, die de zinnen op eene of andere manier aangenaam kittelt. De nauw beperkte ruimte is dan ook volkomen voldoende voor onze dansers, wier zwaarmoedige, plompe bewegingen waarschijnlijk de meest gepaste uiting zijn voor hunne kalme vreugde.Wij zetten ons neder in een hoek, in de schaduw, tegenover de vensters. Ons geheele voorkomen, ons reisgewaad, doet ons als vreemdelingen kennen; bovendien is het mijn vriend duidelijk genoeg aan te zien, dat zijn wieg niet stond tusschen den Dollard en de Schelde. Aller blikken zijn dan ook voor een poos op ons gevestigd, maar niemand bemoeit zich verder met ons. Eene boerin van zekeren leeftijd, naast mij op de bank gezeten, schuift alleen een weinig op, om eenige ruimte tusschen ons te laten.Het is bijkans stampvol in de zaal, en nog voortdurend stroomen er nieuwe gasten, mannen en vrouwen, binnen. Ter wederzijde van den wijden schoorsteen, zoo wat vier voet boven den grond, bevinden zich tegen den wand een paar planken, waarop gewoonlijk het vaatwerk, borden, schotels, staat gerangschikt; nu hebben eenige mannen zich daarop nedergezet. Onder den schoorsteen zelven staat een bank, waarop verscheidene personen plaats hebben genomen; de ruimte tusschen de banken is geheel ingenomen door jongelieden van beiderlei kunne.Een vrouw, als eene bedelaarster uit Brussel gekleed, met een paars katoenen schoudermantel met kap, en met de hairen uit haar slordige muts hangende, zingt een lied, waarbij haar man haar accompagneert. Eene andere vrouw, reeds bejaard en dronken, met een vuurrood gezicht en purperen jeneverneus, vraagt, met belachelijke en vaak onkiesche gebaren, een aalmoes.Vlak tegenover ons zitten twee aardige paren: de eene jonkman ziet er zeer knap uit, en zijn meisje is bepaald mooi: dat is dus in den regel; de andere jonkman is leelijk en zijn meisje is verre van mooi: ook dat is dus natuurlijk. En wat niet minder natuurlijk is, is dat het leelijke meisje knipoogjes geeft aan den mooien jongen; en ook dat het mooie, maar arme meisje, steelsgewijze uitlokkende blikken werpt op den leelijken, maar rijken jongen.Een paar bedelaars treden het vertrek binnen. Wij hebben zoo even een hunner aan den voet van een boom zien zitten, zich houdende of hij verlamd was. Hij heeft eene vrouw bij zich, die een klein kind op den arm houdt.Die lieden zingen: dat wil zeggen de man balkt, de vrouw jankt, het kind schreeuwt en spartelt met armen en beenen; dat alles onder een oorverdoovend geraas van pratende en lachende en schreeuwende stemmen, van rinkinkende glazen, van stampende voeten en op tafel slaande vuisten. Inmiddels gaan ook de schorre viool en de brommende contrebas ongestoord haar gang.... Daar weerklinken buiten zware voetstappen, en de frissche lachende stemmen van jonge meisjes. Zij komen binnen, klauteren op de tafels, en gaan, vlak tegenover ons, met den rug naar de vensters, zitten, alzoo het toch al niet te overvloedige licht onderscheppende.Onze zangers laten zich niet afschrikken: zij heffen een nieuw lied aan, dat algemeen bekend en zeer in den smaak schijnt te vallen: althans het halve gezelschap, vooral de jonge meisjes, zingen mede en herhalen in koor het refrein. Inmiddels wordt het rumoer al grooter, en wijkt ook de zekere beschroomdheid, die de boeren aanvankelijk van ons verwijderd hield. Mijn vriend teekent haastig eenige schetsen, portretten van boeren en boerinnen, en toont die aan de verbaasde menigte. Nu is weldra de slagboom geheel opgeheven. De boeren presenteeren onsparfait amour, een zeer geliefkoosde drank, en laten zich door ons op wijn en brandewijn trakteeren.—Altijd door dat eindelooze gezang, waarvan het mij onmogelijk is de woorden te verstaan; steeds luidruchtiger en woeliger wordt het om ons heen.... Daar dringt, half worstelend, een nieuwe groep mannen de kamer in. Het schreeuwen en joelen wordt nu zoo oorverdoovend, dat de zangers het opgeven. Een overwinnaar bij het ringrijden wordt in zegepraal door zijne makkers naar binnen gedragen: hij moet trakteeren. De jonge man is half dol: hij laat zich op den grond vallen, springt weer op, draait als een tol in het rond, gestikuleert met armen en beenen, deelt rechts en links klappen, stompen en schoppen uit; en wordt eindelijk door zijne joelende, schreeuwende makkers de kamer weer uitgeduwd, onder luid handgeklap en daverend gestamp!Na hun vertrek begint het gezang op nieuw. Maar eensklaps bezwijkt een der planken nevens den schoorsteen, waarop eenige mannen zich hebben nedergezet. Onder luid gejubel rollen zij op en over elkander op den grond en op de tafel.... Het gezang gaat maar altijd voort; het rumoer neemt hand over hand toe.... Wij hebben er nu genoeg van, en gaan naar buiten.Het is hier wellicht de plaats om iets te zeggen van de zeeuwsche taal, die wij daar zoo even, in de druk bezochte dorpsherberg, in al hare zuiverheid en in enkele verscheidenheden harer uitspraak, hebben gehoord.In de herberg te Vrouwepolder.In de herberg te Vrouwepolder.Even als de zeeuwsche eilanden, door ligging en geaardheid van bevolking, den geleidelijken overgang vormen tusschen Holland en Vlaanderen, zoo is ook het zeeuwsch een overgang, een middenterm, tusschen het hollandsch en het vlaamsch, nu eens meer naar het eene, dan meer naar het andere zweemende, naar gelang van de meer noordelijke of zuidelijke ligging. Een Hollander, die zeeuwsche boeren met elkanderhoort spreken, zal in den beginne zeer veel moeite hebben om hen te verstaan: niet zoozeer, omdat zij woorden gebruiken, die hem vreemd zijn,—want het getal der uitsluitend zeeuwsche woorden is niet zoo bijzonder groot;—maar om de eigenaardige wijze, waarop zij de woorden uitspreken. De Zeeuwen laten namelijk de woorden zooveel mogelijk in elkander vloeien, en spreken op een zeer bijzonderen, half zingenden toon, die eenigermate herinnert aan het dialekt der bewoners van de hollandsche zeedorpen, maar toch geheel anders klinkt.Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de zeeuwsche tongvallen, die natuurlijk niet overal hetzelfde klinken, is het niet uitspreken van de letterh. De meeste echte, ouderwetsche Zeeuwen, vooral ten platten lande en in de kleinere steden, spreken dehletterlijk nooit uit, en zouden dit waarschijnlijk ook niet kunnen. Een oude eenvoudige zeeuwsche boer beschreef mij eens de letterhals degroote a, en kon het, ondanks zijne wanhopige pogingen om dien vreeselijken klank uit te spreken, niet verder brengen dan tot eench-klank. Geregeld hoort ge dan ook de Zeeuwen, in onderling gesprek, gewagen vanuus,and,ebben,oornblazeren dergelijke, met trouwe weglating, altijd en overal, van die fataleh. Het meest komische is echter, wanneer pedante, ongeletterde Zeeuwen op hunne manier mooi willende spreken, zich inspannen om dehtoch uit te brengen, en die dan plaatsen voor woorden, waar zij niet behoort. Zoo zullen zij u verzekeren, dater de heer van de eeren mee gemoeid is; of wel u spreken van dehengelen in den emelende haren op den hakker. Ook zal het eener hollandsche huisvrouw niet zoo gemakkelijk vallen, als zij, op de vraag aan haar zeeuwsche meid, of deze het kruideniersboekje ook gezien heeft, ten antwoord krijgt:’k et ni-j-at, zoo aanstonds te begrijpen, dat deze snel achtereen gesproken woorden beteekenen: ik heb het niet gehad.Verder spreken de Zeeuwen, evenals de Friezen, de Vlamingen en andere nederlandsche stammen, de hollandscheuialsuen deijals langeiuit, schoon ook met eenige afwijkingen. Huis wordthuusof eigenlijkuus; tuin wordttuun; kuif,kuuf; lijf,liif: vijf daarentegen nietfiif, als in het friesch, maarvuuf; pijp, nietpiip, maarpupe, wat niet zeer fraai klinkt. Evenmin kunnen hollandsche ooren behagen scheppen in de uitspraak van dea, die doorgaans als een zwareoa, of wel, in andere streken van Zeeland, als blatendeaeklinkt. Daarentegen maken de Zeeuwen zeer duidelijk onderscheid tusschen de zachtlange en de scherplangeoene, welke laatsten zij als tweeklanken uitspreken: bij voorbeeldtwèë. Deze eigenaardigheid draagt veel bij tot de vloeiende zangerigheid der taal, die, hoe vreemd en ongewoon somwijlen, volstrekt niet onbehagelijk klinkt.Boven zeide ik reeds, dat, voor zoover ik daarover oordeelen kan althans, het getal uitsluitend zeeuwsche woorden, die in andere nederlandsche dialekten niet gevonden worden, zeer beperkt is, beperkter althans dan een vreemdeling op het eerste gehoor wel meenen zou, omdat zeer bekende woorden dikwijls door de uitspraak en den eigenaardigen tongslag moeilijk te herkennen zijn. Zulke eigenaardig zeeuwsche woorden, die ge zonder verklaring niet begrijpen kunt, zijn bij voorbeeld:guus,guês, kind, kinderen;kelf, zindelijk;puutjes, kinderhandjes;daken, aanstonds. Zeeuwsch, meen ik, is ook het eigenaardig gebruik van het woord ongevoelig, in uitdrukkingen als deze:i was d’r wàt ongevoelig over, hetgeen beteekent, hij was er zeer gevoelig over, hij was er zeer door geërgerd. Op Zuid-Beveland, dat zich in menig opzicht, vooral door het sterke vlaamsche element in zijn dialekt, van de andere zeeuwsche eilanden onderscheidt, kunt ge iemand zijn spijt over iets hooren betuigen met de uitdrukking:ik ben er broaf ongevoelig over.Woorden alspuutvoor kikvorsch,weegvoor houten wand, bepaaldelijk eener schuur,stutevoor boterham,kuusvoor zuiver, zindelijk,vele(vedel) voor viool, zijn niet alleen zeeuwsch, maar zijn ook in Vlaanderen en in sommigeprovinciënvan ons vaderland algemeen in gebruik. Vreemder schijnt mij de uitdrukkingkachelvoor veulen; misschien is dit woord metguil,gaul, paard, verwant.Om den lezer een denkbeeld te geven van de eigenaardige zeeuwsche taal, weet ik niet beter te doen dan uit het welbekendeDialecticonvan den heer Winkler de gelijkenis over te nemen van den verloren zoon, en wel in den tongval van het platte land van Zuid-Beveland, waar het oud-zeeuwsche dialect zich misschien nog het best in stand heeft gehouden. Zij luidt aldus.Dir was is ’n man, die twèë zeuns a’.En den jongsten (op Walcheren zegt menjoenksten) van ulder (hen, elders in Zeelandhulli) zei tegen z’n voader: voader, gee miin m’n possie van ’t goed, da’ m’n toekomt. En i verdèëlden ’t goed.En ni lange naedien, a’ den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a’, is ’n vort ereisd nir ’n land, varre van ier, en dir eit ’n al z’n goed deur ebrocht en i leefden baldadig.En as ’n alles op eteerd a’, kwam d’r in dat land ’n gròòten oengersnòòd, en i begost ok gebrek te liën.En i giing èëne en i prezenteerden z’n zelven bi ’n boer van dat land, en die stierden ’m nir z’n land om de verkens te wachten (hoeden).En i verlangden z’n buuk te vullen mit de verkenskost, mer gin mens gaf ze ’m.En as ’n z’n ersens bi mekaore a’, zeit ’n bi z’n eigen: oe vee’ errebeiers van m’n voader ae d’r bròòd, en ik vergae ik van den oenger.Ik za’ ik nir me voader toe gae, en ’k za’ tegen z’n zegge: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe.En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten; mææk me mer gelike mit èën van j’n errebeiers.En i stong op en i giing nir z’n voader. En as ’n d’r nog varre van dææn was, zag z’n voader ’m, en i kreeg innerlikken medeliën mit z’n, en i liep nir z’n toe, en i viel om z’n ales (hals), en i kost’ ’m.En den zeune zei tegen z’n voader: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe. En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten.Mer den voader zei tegen z’n knechs: æælt ier ’nbest pak kleeren, en lææt ’m dat an doeë, en geeft ’n riink an z’n anen (anden, handen) en schoenen an z’n voeten.En briingt ’t vette kalf en slacht ’t; dan zu’ me ete en plazier ouë.Want ier me zeune was dòòd, en i is weer levendig eworre; i was verlore en i is evonde. En ze begosten plazier t’ ouën.En z’n ouste zeune was in ’t veld; en as ’n vrom (weerom) kwam en kort bi uus kwam, oorden i ’t geziing en gespriing.En i riep èën van de knechs bi z’n, en i vroeg wat ’r omgiing.En die zei tegen z’n: je broer is vrom ekomme, en je voader eit ’t gemaste kalf eslacht, uut blischap, dat ’n ’m wee’ gezond t’ uus ekregen eit.Mer i wier kwææd, en i wou ni in uus komme. Toen giing z’n voader nir z’n toe, en i schooiden d’r om (drong er op aan).Mer i zei tot antwoord tegen z’n voader: kiik! ik ae’ noe a’ zòò vee’ jæær voe’ j’ ewerkt, en ’k ae’ altiid edae da’ je me belast eit, en j’ eit me nooit is niks egeve, zelfs gin boksje voe’ m’ eslacht, om ok is mit m’n kammeraas plazier t’ ouen.Mer noe die zeune van je t’uus ekommen is, die je goed mit oeren verkwanseld eit, noe ei je voe’ ziin ’t vette kalf eslacht.En i zei tegen z’n: kind! ji bin altiid bi me, en al wat a’ ’k ae’, dat is ’t joeë.Dir om b’ oorden ji ook blië te weze; want ier je broer was dòòd en i is wee’ levendig eworre; i was verlore en i is evonde.Wij mogen Walcheren niet verlaten, zonder ook een, zij ’t ook maar vluchtig bezoek te hebben gebracht aan Arnemuiden, vroeger eene vermaarde koopstad aan den mond der Arne, met eene voortreffelijke reede, maar tegenwoordig een vervallen stedeke, door visschers bewoond, wier huizen gedeeltelijk op en tegen de duinen of liever terpen zijn gebouwd. Er is hier niet veel te zien, maar de krachtige, goed gebouwde bevolking der stad verdient wel de aandacht.De kleeding der vrouwen gelijkt op die in de naburige dorpen, maar gaandeweg grijpt hierin eene verandering plaats, die juist geene verbetering mag worden genoemd. De mannen, bijna zonder uitzondering visschers, dragen des Zondags een ruim geplooide, blauw flanellen kiel, die in den wijden zwarten broek wordt gestoken. Deze broek prijkt met twee groote zilveren knoopen of stukken. Op het hoofd dragen zij een pet met gebogen klep, die tamelijk op één oor wordt gezet. Het is een flink, handig slag van volk, dat zijne onafhankelijkheid op prijs stelt; ook op hen is het oude spreekwoord toepasselijk: goed rond, goed zeeuwsch.Ook Arnemuiden heeft, als zoo menige zeeuwsche stad, in vroeger tijden veel door overstroomingen geleden: tegenwoordig is, door de sterke aanslibbingen, dat gevaar wel geweken, maar de haven der voormalige koopstad is tevens voor groote schepen ontoegankelijk geworden. Doch in vervlogen dagen kwam er ook voor Arnemuiden meer dan eenmaal een bange ure, als het scheen of de opgeruide golven van het Sloe haar zouden verslinden, en de weeke bodem, waarop de stad was gebouwd, sidderde en dreunde bij den geweldigen aanval der wateren, en ieder oogenblik op het punt scheen, in de kokende diepte te verdwijnen. Voorwaar, niet zonder reden draagt een gedenkpenning uit de zestiende eeuw deze bede tot opschrift:Salva nos, Domine, nam perimus. Behoed ons, Heer, want wij vergaan!Naar men zegt, bestond er van ouds eene veete tusschen de burgers van Arnemuiden en die van Middelburg. Of de kleinere stad zich over aanmatiging en verdrukking van de zijde der groote te beklagen had, zoo als men wil, durf ik niet te beslissen; zeker is het, dat de verstandhouding tusschen beiden dikwijls veel te wenschen overliet. In onze tegenwoordige orde van zaken, waarin alles zoo nauwkeurig afgepast en afgemeten, en in een zoo eng mogelijk sluitend keurslijf van eenvormige en eensluidende wetten en reglementen gewrongen wordt, komen natuurlijk twisten en veeten tusschen twee naburige steden niet meer te pas. De burgers mogen heden ten dage niet meer het zwaard tegen elkander trekken; daarentegen staat het hun wel vrij, om elkander op alle mogelijke manieren te onderkruipen en te benadeelen, en elkander door alle middelen—mits niet onder het bereik van den strafrechter vallende—het brood uit den mond te stelen. Is het nog wellicht een overblijfsel der oude veete, dat de visschers van Arnemuiden de burgers van Middelburg zoo dikwijls vergeefs naar visch laten uitzien?Toch niet. De visschers van Arnemuiden gaan ver de Noordzee in, tot zelfs op de hoogte van Texel en Vlieland. Wanneer zij nu met hun vangst terugkomen, worden zij zeer dikwijls opgewacht door hollandsche on belgische vaartuigen, die, tegen goeden prijs, de gevangen visch opkoopen, zoodat de visschers ledig naar Arnemuiden terugkeeren. Vandaar dat men te Antwerpen, te Brussel en zelfs te Parijs doorgaans beter en goedkooper visch kan eten dan te Middelburg.De visschers keeren gewoonlijk Vrijdags naar huis terug. Dan bakken de vrouwen ouder gewoonte koeken, om hare echtgenooten en zonen te onthalen, die met welgevulden buidel wederkomen. Echter is de opbrengst der visscherij niet meer wat zij vroeger was: in 1844, bij voorbeeld, kon, naar men mij verzekerde, een visscher van Arnemuiden op eene verdienste van vijf-en-twintig gulden per week rekenen. Daar is nu geen denken meer aan.Vroeger, in den goeden ouden tijd, toen de visch nog naar huis werd medegenomen en daar verkocht, geschiedde de verdeeling van den buit op de volgende wijze.Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.De visschers zetten zich rondom eene tafel; op het midden van die tafel werd het geld van den verkoop nedergelegd. Men maakte van de groote en kleine muntstukken een hoop: rijksdaalders, guldens, halve guldens, kwartjes, dubbeltjes. Eerst werden degroote stukken verdeeld: rijksdaalders, guldens en halve guldens. Het kleine geld—kwartjes, dubbeltjes, enz.—werd in theekommetjes geworpen. Beurtelings werden al de kommetjes met kwartjes en dubbeltjes gevuld, tot de voorraad verdeeld was. Wanneer al de kopjes gevuld waren, werd alles wat boven den rand uitstak, weggestreken. Dit werd zoolang herhaald, tot er juist genoeg dubbeltjes en kwartjes overschoten om den visschers een drinkgeld te geven.Was de verdeeling afgeloopen, dan toog men aan den maaltijd. De koeken dampten in den schotel en vervulden de woning met uitlokkende, den eetlust prikkelende geuren: moeder de vrouw zorgde dat er een goede voorraad was om den eisch der hongerige magen te kunnen voldoen. Natuurlijk mocht bij dien feestelijken maaltijd de flesch met klare niet ontbreken. Er werden pijpen of sigaren opgestoken; men lachte, men praatte, en maakte het zich ook verder zoo genoegelijk mogelijk, tot de visschers, doorgaans des Maandags morgens, weder uitvoeren om op nieuw van de zee, de onuitputtelijke, te vragen wat er noodig was om hun kommetjes te vullen.De visschers van Arnemuiden leven echter niet uitsluitend van de vischvangst. Als de vangst slecht gaat, varen zij met hunne schuiten naar Amsterdam of Haarlem, om daar gemeste varkens ter markt te brengen, en zelven eenige inkoopen te doen. Ook wordt er een weinig landbouw gedreven.Een boer uit Zuid-Beveland.Een boer uit Zuid-Beveland.

IX.Vrouwepolder is geen onaardig dorp, te midden eener vruchtbare streek gelegen, en weleer beroemd wegens een Lieve-Vrouwebeeld, dat in hooge eere stond. Keizer Sigismund, vergezeld van den Graaf-Hertog Willem VI, toog zelfs, ten jare 1416, naar deze plaats ter bedevaart; en een-en-twintig jaar later verscheen in Vrouwepolder nog een andere vorstelijke pelgrim: de groote tegenstander van Willems beroemde en rampspoedige dochter, Hertog Filips van Bourgondië.Doch deze tijden zijn sinds lang voorbij. Verdwenen is het hoog vereerde beeld Onzer-Lieve-Vrouwe, en geen pelgrim richt meer zijne schreden naar het haar gewijde heiligdom. Toch is het heden druk en levendig genoeg in het dorp. Wat wonder: het is er kermis. Ik geloof bijna, dat er in den zomer schier geen dag, stellig geen week voorbijgaat, of er is hier of daar in Zeeland kermis. De kermis te Vrouwepolder gelijkt natuurlijk op iedere andere zeeuwsche dorpskermis. ’t Zijn de gewone vermaken: koekhakken, ringrijden, dansen, zingen en drinken, vooral drinken:—want zoolang hij niet half beschonken is, schijnt er voor den nederlandschen boer geene ware vreugde denkbaar. En de vrouwen geven daarbij maar al te dikwijls den mannen niets toe.Wij treden de herberg binnen: ter wederzijde van een nauwen bedompten gang zijn de deuren van twee kamers, de eene de gelagkamer, de andere een soort van danszaal. Aangelokt door het gekras van een schorre viool en een brommende contrebas, treden wij de danszaal binnen. Twee muzikanten zitten op stoelen, boven op eene groote tafel geplaatst; de talrijke toeschouwersvormen een dichten kring rondom de dansers, aan wie ongeveer een ruimte van vier voet in den omtrek is vrijgelaten. Onwillekeurig plooit zich een glimlach om den mond van mijn reismakker. Op iemand, die de weelderig hartstochtelijke, zoo uitdrukkingsvolle, echt plastische dansen van het Zuiden—eene wezenlijke en zeer sterk sprekende gebarentaal—kent, moet dan ook deze vertooning een zeer eigenaardigen indruk maken. Hoe onbeschrijflijk plomp, onbevallig en karakterloos zijn die bewegingen; men kan het dezen lieden aanzien, dat aan hun onbehagelijk op- en nederspringen alle bezieling ontbreekt; dat er hier in de verte geen sprake is van uitdrukking van gevoel of hartstocht, maar eenvoudig van eene physieke beweging, die de zinnen op eene of andere manier aangenaam kittelt. De nauw beperkte ruimte is dan ook volkomen voldoende voor onze dansers, wier zwaarmoedige, plompe bewegingen waarschijnlijk de meest gepaste uiting zijn voor hunne kalme vreugde.Wij zetten ons neder in een hoek, in de schaduw, tegenover de vensters. Ons geheele voorkomen, ons reisgewaad, doet ons als vreemdelingen kennen; bovendien is het mijn vriend duidelijk genoeg aan te zien, dat zijn wieg niet stond tusschen den Dollard en de Schelde. Aller blikken zijn dan ook voor een poos op ons gevestigd, maar niemand bemoeit zich verder met ons. Eene boerin van zekeren leeftijd, naast mij op de bank gezeten, schuift alleen een weinig op, om eenige ruimte tusschen ons te laten.Het is bijkans stampvol in de zaal, en nog voortdurend stroomen er nieuwe gasten, mannen en vrouwen, binnen. Ter wederzijde van den wijden schoorsteen, zoo wat vier voet boven den grond, bevinden zich tegen den wand een paar planken, waarop gewoonlijk het vaatwerk, borden, schotels, staat gerangschikt; nu hebben eenige mannen zich daarop nedergezet. Onder den schoorsteen zelven staat een bank, waarop verscheidene personen plaats hebben genomen; de ruimte tusschen de banken is geheel ingenomen door jongelieden van beiderlei kunne.Een vrouw, als eene bedelaarster uit Brussel gekleed, met een paars katoenen schoudermantel met kap, en met de hairen uit haar slordige muts hangende, zingt een lied, waarbij haar man haar accompagneert. Eene andere vrouw, reeds bejaard en dronken, met een vuurrood gezicht en purperen jeneverneus, vraagt, met belachelijke en vaak onkiesche gebaren, een aalmoes.Vlak tegenover ons zitten twee aardige paren: de eene jonkman ziet er zeer knap uit, en zijn meisje is bepaald mooi: dat is dus in den regel; de andere jonkman is leelijk en zijn meisje is verre van mooi: ook dat is dus natuurlijk. En wat niet minder natuurlijk is, is dat het leelijke meisje knipoogjes geeft aan den mooien jongen; en ook dat het mooie, maar arme meisje, steelsgewijze uitlokkende blikken werpt op den leelijken, maar rijken jongen.Een paar bedelaars treden het vertrek binnen. Wij hebben zoo even een hunner aan den voet van een boom zien zitten, zich houdende of hij verlamd was. Hij heeft eene vrouw bij zich, die een klein kind op den arm houdt.Die lieden zingen: dat wil zeggen de man balkt, de vrouw jankt, het kind schreeuwt en spartelt met armen en beenen; dat alles onder een oorverdoovend geraas van pratende en lachende en schreeuwende stemmen, van rinkinkende glazen, van stampende voeten en op tafel slaande vuisten. Inmiddels gaan ook de schorre viool en de brommende contrebas ongestoord haar gang.... Daar weerklinken buiten zware voetstappen, en de frissche lachende stemmen van jonge meisjes. Zij komen binnen, klauteren op de tafels, en gaan, vlak tegenover ons, met den rug naar de vensters, zitten, alzoo het toch al niet te overvloedige licht onderscheppende.Onze zangers laten zich niet afschrikken: zij heffen een nieuw lied aan, dat algemeen bekend en zeer in den smaak schijnt te vallen: althans het halve gezelschap, vooral de jonge meisjes, zingen mede en herhalen in koor het refrein. Inmiddels wordt het rumoer al grooter, en wijkt ook de zekere beschroomdheid, die de boeren aanvankelijk van ons verwijderd hield. Mijn vriend teekent haastig eenige schetsen, portretten van boeren en boerinnen, en toont die aan de verbaasde menigte. Nu is weldra de slagboom geheel opgeheven. De boeren presenteeren onsparfait amour, een zeer geliefkoosde drank, en laten zich door ons op wijn en brandewijn trakteeren.—Altijd door dat eindelooze gezang, waarvan het mij onmogelijk is de woorden te verstaan; steeds luidruchtiger en woeliger wordt het om ons heen.... Daar dringt, half worstelend, een nieuwe groep mannen de kamer in. Het schreeuwen en joelen wordt nu zoo oorverdoovend, dat de zangers het opgeven. Een overwinnaar bij het ringrijden wordt in zegepraal door zijne makkers naar binnen gedragen: hij moet trakteeren. De jonge man is half dol: hij laat zich op den grond vallen, springt weer op, draait als een tol in het rond, gestikuleert met armen en beenen, deelt rechts en links klappen, stompen en schoppen uit; en wordt eindelijk door zijne joelende, schreeuwende makkers de kamer weer uitgeduwd, onder luid handgeklap en daverend gestamp!Na hun vertrek begint het gezang op nieuw. Maar eensklaps bezwijkt een der planken nevens den schoorsteen, waarop eenige mannen zich hebben nedergezet. Onder luid gejubel rollen zij op en over elkander op den grond en op de tafel.... Het gezang gaat maar altijd voort; het rumoer neemt hand over hand toe.... Wij hebben er nu genoeg van, en gaan naar buiten.Het is hier wellicht de plaats om iets te zeggen van de zeeuwsche taal, die wij daar zoo even, in de druk bezochte dorpsherberg, in al hare zuiverheid en in enkele verscheidenheden harer uitspraak, hebben gehoord.In de herberg te Vrouwepolder.In de herberg te Vrouwepolder.Even als de zeeuwsche eilanden, door ligging en geaardheid van bevolking, den geleidelijken overgang vormen tusschen Holland en Vlaanderen, zoo is ook het zeeuwsch een overgang, een middenterm, tusschen het hollandsch en het vlaamsch, nu eens meer naar het eene, dan meer naar het andere zweemende, naar gelang van de meer noordelijke of zuidelijke ligging. Een Hollander, die zeeuwsche boeren met elkanderhoort spreken, zal in den beginne zeer veel moeite hebben om hen te verstaan: niet zoozeer, omdat zij woorden gebruiken, die hem vreemd zijn,—want het getal der uitsluitend zeeuwsche woorden is niet zoo bijzonder groot;—maar om de eigenaardige wijze, waarop zij de woorden uitspreken. De Zeeuwen laten namelijk de woorden zooveel mogelijk in elkander vloeien, en spreken op een zeer bijzonderen, half zingenden toon, die eenigermate herinnert aan het dialekt der bewoners van de hollandsche zeedorpen, maar toch geheel anders klinkt.Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de zeeuwsche tongvallen, die natuurlijk niet overal hetzelfde klinken, is het niet uitspreken van de letterh. De meeste echte, ouderwetsche Zeeuwen, vooral ten platten lande en in de kleinere steden, spreken dehletterlijk nooit uit, en zouden dit waarschijnlijk ook niet kunnen. Een oude eenvoudige zeeuwsche boer beschreef mij eens de letterhals degroote a, en kon het, ondanks zijne wanhopige pogingen om dien vreeselijken klank uit te spreken, niet verder brengen dan tot eench-klank. Geregeld hoort ge dan ook de Zeeuwen, in onderling gesprek, gewagen vanuus,and,ebben,oornblazeren dergelijke, met trouwe weglating, altijd en overal, van die fataleh. Het meest komische is echter, wanneer pedante, ongeletterde Zeeuwen op hunne manier mooi willende spreken, zich inspannen om dehtoch uit te brengen, en die dan plaatsen voor woorden, waar zij niet behoort. Zoo zullen zij u verzekeren, dater de heer van de eeren mee gemoeid is; of wel u spreken van dehengelen in den emelende haren op den hakker. Ook zal het eener hollandsche huisvrouw niet zoo gemakkelijk vallen, als zij, op de vraag aan haar zeeuwsche meid, of deze het kruideniersboekje ook gezien heeft, ten antwoord krijgt:’k et ni-j-at, zoo aanstonds te begrijpen, dat deze snel achtereen gesproken woorden beteekenen: ik heb het niet gehad.Verder spreken de Zeeuwen, evenals de Friezen, de Vlamingen en andere nederlandsche stammen, de hollandscheuialsuen deijals langeiuit, schoon ook met eenige afwijkingen. Huis wordthuusof eigenlijkuus; tuin wordttuun; kuif,kuuf; lijf,liif: vijf daarentegen nietfiif, als in het friesch, maarvuuf; pijp, nietpiip, maarpupe, wat niet zeer fraai klinkt. Evenmin kunnen hollandsche ooren behagen scheppen in de uitspraak van dea, die doorgaans als een zwareoa, of wel, in andere streken van Zeeland, als blatendeaeklinkt. Daarentegen maken de Zeeuwen zeer duidelijk onderscheid tusschen de zachtlange en de scherplangeoene, welke laatsten zij als tweeklanken uitspreken: bij voorbeeldtwèë. Deze eigenaardigheid draagt veel bij tot de vloeiende zangerigheid der taal, die, hoe vreemd en ongewoon somwijlen, volstrekt niet onbehagelijk klinkt.Boven zeide ik reeds, dat, voor zoover ik daarover oordeelen kan althans, het getal uitsluitend zeeuwsche woorden, die in andere nederlandsche dialekten niet gevonden worden, zeer beperkt is, beperkter althans dan een vreemdeling op het eerste gehoor wel meenen zou, omdat zeer bekende woorden dikwijls door de uitspraak en den eigenaardigen tongslag moeilijk te herkennen zijn. Zulke eigenaardig zeeuwsche woorden, die ge zonder verklaring niet begrijpen kunt, zijn bij voorbeeld:guus,guês, kind, kinderen;kelf, zindelijk;puutjes, kinderhandjes;daken, aanstonds. Zeeuwsch, meen ik, is ook het eigenaardig gebruik van het woord ongevoelig, in uitdrukkingen als deze:i was d’r wàt ongevoelig over, hetgeen beteekent, hij was er zeer gevoelig over, hij was er zeer door geërgerd. Op Zuid-Beveland, dat zich in menig opzicht, vooral door het sterke vlaamsche element in zijn dialekt, van de andere zeeuwsche eilanden onderscheidt, kunt ge iemand zijn spijt over iets hooren betuigen met de uitdrukking:ik ben er broaf ongevoelig over.Woorden alspuutvoor kikvorsch,weegvoor houten wand, bepaaldelijk eener schuur,stutevoor boterham,kuusvoor zuiver, zindelijk,vele(vedel) voor viool, zijn niet alleen zeeuwsch, maar zijn ook in Vlaanderen en in sommigeprovinciënvan ons vaderland algemeen in gebruik. Vreemder schijnt mij de uitdrukkingkachelvoor veulen; misschien is dit woord metguil,gaul, paard, verwant.Om den lezer een denkbeeld te geven van de eigenaardige zeeuwsche taal, weet ik niet beter te doen dan uit het welbekendeDialecticonvan den heer Winkler de gelijkenis over te nemen van den verloren zoon, en wel in den tongval van het platte land van Zuid-Beveland, waar het oud-zeeuwsche dialect zich misschien nog het best in stand heeft gehouden. Zij luidt aldus.Dir was is ’n man, die twèë zeuns a’.En den jongsten (op Walcheren zegt menjoenksten) van ulder (hen, elders in Zeelandhulli) zei tegen z’n voader: voader, gee miin m’n possie van ’t goed, da’ m’n toekomt. En i verdèëlden ’t goed.En ni lange naedien, a’ den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a’, is ’n vort ereisd nir ’n land, varre van ier, en dir eit ’n al z’n goed deur ebrocht en i leefden baldadig.En as ’n alles op eteerd a’, kwam d’r in dat land ’n gròòten oengersnòòd, en i begost ok gebrek te liën.En i giing èëne en i prezenteerden z’n zelven bi ’n boer van dat land, en die stierden ’m nir z’n land om de verkens te wachten (hoeden).En i verlangden z’n buuk te vullen mit de verkenskost, mer gin mens gaf ze ’m.En as ’n z’n ersens bi mekaore a’, zeit ’n bi z’n eigen: oe vee’ errebeiers van m’n voader ae d’r bròòd, en ik vergae ik van den oenger.Ik za’ ik nir me voader toe gae, en ’k za’ tegen z’n zegge: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe.En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten; mææk me mer gelike mit èën van j’n errebeiers.En i stong op en i giing nir z’n voader. En as ’n d’r nog varre van dææn was, zag z’n voader ’m, en i kreeg innerlikken medeliën mit z’n, en i liep nir z’n toe, en i viel om z’n ales (hals), en i kost’ ’m.En den zeune zei tegen z’n voader: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe. En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten.Mer den voader zei tegen z’n knechs: æælt ier ’nbest pak kleeren, en lææt ’m dat an doeë, en geeft ’n riink an z’n anen (anden, handen) en schoenen an z’n voeten.En briingt ’t vette kalf en slacht ’t; dan zu’ me ete en plazier ouë.Want ier me zeune was dòòd, en i is weer levendig eworre; i was verlore en i is evonde. En ze begosten plazier t’ ouën.En z’n ouste zeune was in ’t veld; en as ’n vrom (weerom) kwam en kort bi uus kwam, oorden i ’t geziing en gespriing.En i riep èën van de knechs bi z’n, en i vroeg wat ’r omgiing.En die zei tegen z’n: je broer is vrom ekomme, en je voader eit ’t gemaste kalf eslacht, uut blischap, dat ’n ’m wee’ gezond t’ uus ekregen eit.Mer i wier kwææd, en i wou ni in uus komme. Toen giing z’n voader nir z’n toe, en i schooiden d’r om (drong er op aan).Mer i zei tot antwoord tegen z’n voader: kiik! ik ae’ noe a’ zòò vee’ jæær voe’ j’ ewerkt, en ’k ae’ altiid edae da’ je me belast eit, en j’ eit me nooit is niks egeve, zelfs gin boksje voe’ m’ eslacht, om ok is mit m’n kammeraas plazier t’ ouen.Mer noe die zeune van je t’uus ekommen is, die je goed mit oeren verkwanseld eit, noe ei je voe’ ziin ’t vette kalf eslacht.En i zei tegen z’n: kind! ji bin altiid bi me, en al wat a’ ’k ae’, dat is ’t joeë.Dir om b’ oorden ji ook blië te weze; want ier je broer was dòòd en i is wee’ levendig eworre; i was verlore en i is evonde.Wij mogen Walcheren niet verlaten, zonder ook een, zij ’t ook maar vluchtig bezoek te hebben gebracht aan Arnemuiden, vroeger eene vermaarde koopstad aan den mond der Arne, met eene voortreffelijke reede, maar tegenwoordig een vervallen stedeke, door visschers bewoond, wier huizen gedeeltelijk op en tegen de duinen of liever terpen zijn gebouwd. Er is hier niet veel te zien, maar de krachtige, goed gebouwde bevolking der stad verdient wel de aandacht.De kleeding der vrouwen gelijkt op die in de naburige dorpen, maar gaandeweg grijpt hierin eene verandering plaats, die juist geene verbetering mag worden genoemd. De mannen, bijna zonder uitzondering visschers, dragen des Zondags een ruim geplooide, blauw flanellen kiel, die in den wijden zwarten broek wordt gestoken. Deze broek prijkt met twee groote zilveren knoopen of stukken. Op het hoofd dragen zij een pet met gebogen klep, die tamelijk op één oor wordt gezet. Het is een flink, handig slag van volk, dat zijne onafhankelijkheid op prijs stelt; ook op hen is het oude spreekwoord toepasselijk: goed rond, goed zeeuwsch.Ook Arnemuiden heeft, als zoo menige zeeuwsche stad, in vroeger tijden veel door overstroomingen geleden: tegenwoordig is, door de sterke aanslibbingen, dat gevaar wel geweken, maar de haven der voormalige koopstad is tevens voor groote schepen ontoegankelijk geworden. Doch in vervlogen dagen kwam er ook voor Arnemuiden meer dan eenmaal een bange ure, als het scheen of de opgeruide golven van het Sloe haar zouden verslinden, en de weeke bodem, waarop de stad was gebouwd, sidderde en dreunde bij den geweldigen aanval der wateren, en ieder oogenblik op het punt scheen, in de kokende diepte te verdwijnen. Voorwaar, niet zonder reden draagt een gedenkpenning uit de zestiende eeuw deze bede tot opschrift:Salva nos, Domine, nam perimus. Behoed ons, Heer, want wij vergaan!Naar men zegt, bestond er van ouds eene veete tusschen de burgers van Arnemuiden en die van Middelburg. Of de kleinere stad zich over aanmatiging en verdrukking van de zijde der groote te beklagen had, zoo als men wil, durf ik niet te beslissen; zeker is het, dat de verstandhouding tusschen beiden dikwijls veel te wenschen overliet. In onze tegenwoordige orde van zaken, waarin alles zoo nauwkeurig afgepast en afgemeten, en in een zoo eng mogelijk sluitend keurslijf van eenvormige en eensluidende wetten en reglementen gewrongen wordt, komen natuurlijk twisten en veeten tusschen twee naburige steden niet meer te pas. De burgers mogen heden ten dage niet meer het zwaard tegen elkander trekken; daarentegen staat het hun wel vrij, om elkander op alle mogelijke manieren te onderkruipen en te benadeelen, en elkander door alle middelen—mits niet onder het bereik van den strafrechter vallende—het brood uit den mond te stelen. Is het nog wellicht een overblijfsel der oude veete, dat de visschers van Arnemuiden de burgers van Middelburg zoo dikwijls vergeefs naar visch laten uitzien?Toch niet. De visschers van Arnemuiden gaan ver de Noordzee in, tot zelfs op de hoogte van Texel en Vlieland. Wanneer zij nu met hun vangst terugkomen, worden zij zeer dikwijls opgewacht door hollandsche on belgische vaartuigen, die, tegen goeden prijs, de gevangen visch opkoopen, zoodat de visschers ledig naar Arnemuiden terugkeeren. Vandaar dat men te Antwerpen, te Brussel en zelfs te Parijs doorgaans beter en goedkooper visch kan eten dan te Middelburg.De visschers keeren gewoonlijk Vrijdags naar huis terug. Dan bakken de vrouwen ouder gewoonte koeken, om hare echtgenooten en zonen te onthalen, die met welgevulden buidel wederkomen. Echter is de opbrengst der visscherij niet meer wat zij vroeger was: in 1844, bij voorbeeld, kon, naar men mij verzekerde, een visscher van Arnemuiden op eene verdienste van vijf-en-twintig gulden per week rekenen. Daar is nu geen denken meer aan.Vroeger, in den goeden ouden tijd, toen de visch nog naar huis werd medegenomen en daar verkocht, geschiedde de verdeeling van den buit op de volgende wijze.Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.De visschers zetten zich rondom eene tafel; op het midden van die tafel werd het geld van den verkoop nedergelegd. Men maakte van de groote en kleine muntstukken een hoop: rijksdaalders, guldens, halve guldens, kwartjes, dubbeltjes. Eerst werden degroote stukken verdeeld: rijksdaalders, guldens en halve guldens. Het kleine geld—kwartjes, dubbeltjes, enz.—werd in theekommetjes geworpen. Beurtelings werden al de kommetjes met kwartjes en dubbeltjes gevuld, tot de voorraad verdeeld was. Wanneer al de kopjes gevuld waren, werd alles wat boven den rand uitstak, weggestreken. Dit werd zoolang herhaald, tot er juist genoeg dubbeltjes en kwartjes overschoten om den visschers een drinkgeld te geven.Was de verdeeling afgeloopen, dan toog men aan den maaltijd. De koeken dampten in den schotel en vervulden de woning met uitlokkende, den eetlust prikkelende geuren: moeder de vrouw zorgde dat er een goede voorraad was om den eisch der hongerige magen te kunnen voldoen. Natuurlijk mocht bij dien feestelijken maaltijd de flesch met klare niet ontbreken. Er werden pijpen of sigaren opgestoken; men lachte, men praatte, en maakte het zich ook verder zoo genoegelijk mogelijk, tot de visschers, doorgaans des Maandags morgens, weder uitvoeren om op nieuw van de zee, de onuitputtelijke, te vragen wat er noodig was om hun kommetjes te vullen.De visschers van Arnemuiden leven echter niet uitsluitend van de vischvangst. Als de vangst slecht gaat, varen zij met hunne schuiten naar Amsterdam of Haarlem, om daar gemeste varkens ter markt te brengen, en zelven eenige inkoopen te doen. Ook wordt er een weinig landbouw gedreven.Een boer uit Zuid-Beveland.Een boer uit Zuid-Beveland.

IX.

Vrouwepolder is geen onaardig dorp, te midden eener vruchtbare streek gelegen, en weleer beroemd wegens een Lieve-Vrouwebeeld, dat in hooge eere stond. Keizer Sigismund, vergezeld van den Graaf-Hertog Willem VI, toog zelfs, ten jare 1416, naar deze plaats ter bedevaart; en een-en-twintig jaar later verscheen in Vrouwepolder nog een andere vorstelijke pelgrim: de groote tegenstander van Willems beroemde en rampspoedige dochter, Hertog Filips van Bourgondië.Doch deze tijden zijn sinds lang voorbij. Verdwenen is het hoog vereerde beeld Onzer-Lieve-Vrouwe, en geen pelgrim richt meer zijne schreden naar het haar gewijde heiligdom. Toch is het heden druk en levendig genoeg in het dorp. Wat wonder: het is er kermis. Ik geloof bijna, dat er in den zomer schier geen dag, stellig geen week voorbijgaat, of er is hier of daar in Zeeland kermis. De kermis te Vrouwepolder gelijkt natuurlijk op iedere andere zeeuwsche dorpskermis. ’t Zijn de gewone vermaken: koekhakken, ringrijden, dansen, zingen en drinken, vooral drinken:—want zoolang hij niet half beschonken is, schijnt er voor den nederlandschen boer geene ware vreugde denkbaar. En de vrouwen geven daarbij maar al te dikwijls den mannen niets toe.Wij treden de herberg binnen: ter wederzijde van een nauwen bedompten gang zijn de deuren van twee kamers, de eene de gelagkamer, de andere een soort van danszaal. Aangelokt door het gekras van een schorre viool en een brommende contrebas, treden wij de danszaal binnen. Twee muzikanten zitten op stoelen, boven op eene groote tafel geplaatst; de talrijke toeschouwersvormen een dichten kring rondom de dansers, aan wie ongeveer een ruimte van vier voet in den omtrek is vrijgelaten. Onwillekeurig plooit zich een glimlach om den mond van mijn reismakker. Op iemand, die de weelderig hartstochtelijke, zoo uitdrukkingsvolle, echt plastische dansen van het Zuiden—eene wezenlijke en zeer sterk sprekende gebarentaal—kent, moet dan ook deze vertooning een zeer eigenaardigen indruk maken. Hoe onbeschrijflijk plomp, onbevallig en karakterloos zijn die bewegingen; men kan het dezen lieden aanzien, dat aan hun onbehagelijk op- en nederspringen alle bezieling ontbreekt; dat er hier in de verte geen sprake is van uitdrukking van gevoel of hartstocht, maar eenvoudig van eene physieke beweging, die de zinnen op eene of andere manier aangenaam kittelt. De nauw beperkte ruimte is dan ook volkomen voldoende voor onze dansers, wier zwaarmoedige, plompe bewegingen waarschijnlijk de meest gepaste uiting zijn voor hunne kalme vreugde.Wij zetten ons neder in een hoek, in de schaduw, tegenover de vensters. Ons geheele voorkomen, ons reisgewaad, doet ons als vreemdelingen kennen; bovendien is het mijn vriend duidelijk genoeg aan te zien, dat zijn wieg niet stond tusschen den Dollard en de Schelde. Aller blikken zijn dan ook voor een poos op ons gevestigd, maar niemand bemoeit zich verder met ons. Eene boerin van zekeren leeftijd, naast mij op de bank gezeten, schuift alleen een weinig op, om eenige ruimte tusschen ons te laten.Het is bijkans stampvol in de zaal, en nog voortdurend stroomen er nieuwe gasten, mannen en vrouwen, binnen. Ter wederzijde van den wijden schoorsteen, zoo wat vier voet boven den grond, bevinden zich tegen den wand een paar planken, waarop gewoonlijk het vaatwerk, borden, schotels, staat gerangschikt; nu hebben eenige mannen zich daarop nedergezet. Onder den schoorsteen zelven staat een bank, waarop verscheidene personen plaats hebben genomen; de ruimte tusschen de banken is geheel ingenomen door jongelieden van beiderlei kunne.Een vrouw, als eene bedelaarster uit Brussel gekleed, met een paars katoenen schoudermantel met kap, en met de hairen uit haar slordige muts hangende, zingt een lied, waarbij haar man haar accompagneert. Eene andere vrouw, reeds bejaard en dronken, met een vuurrood gezicht en purperen jeneverneus, vraagt, met belachelijke en vaak onkiesche gebaren, een aalmoes.Vlak tegenover ons zitten twee aardige paren: de eene jonkman ziet er zeer knap uit, en zijn meisje is bepaald mooi: dat is dus in den regel; de andere jonkman is leelijk en zijn meisje is verre van mooi: ook dat is dus natuurlijk. En wat niet minder natuurlijk is, is dat het leelijke meisje knipoogjes geeft aan den mooien jongen; en ook dat het mooie, maar arme meisje, steelsgewijze uitlokkende blikken werpt op den leelijken, maar rijken jongen.Een paar bedelaars treden het vertrek binnen. Wij hebben zoo even een hunner aan den voet van een boom zien zitten, zich houdende of hij verlamd was. Hij heeft eene vrouw bij zich, die een klein kind op den arm houdt.Die lieden zingen: dat wil zeggen de man balkt, de vrouw jankt, het kind schreeuwt en spartelt met armen en beenen; dat alles onder een oorverdoovend geraas van pratende en lachende en schreeuwende stemmen, van rinkinkende glazen, van stampende voeten en op tafel slaande vuisten. Inmiddels gaan ook de schorre viool en de brommende contrebas ongestoord haar gang.... Daar weerklinken buiten zware voetstappen, en de frissche lachende stemmen van jonge meisjes. Zij komen binnen, klauteren op de tafels, en gaan, vlak tegenover ons, met den rug naar de vensters, zitten, alzoo het toch al niet te overvloedige licht onderscheppende.Onze zangers laten zich niet afschrikken: zij heffen een nieuw lied aan, dat algemeen bekend en zeer in den smaak schijnt te vallen: althans het halve gezelschap, vooral de jonge meisjes, zingen mede en herhalen in koor het refrein. Inmiddels wordt het rumoer al grooter, en wijkt ook de zekere beschroomdheid, die de boeren aanvankelijk van ons verwijderd hield. Mijn vriend teekent haastig eenige schetsen, portretten van boeren en boerinnen, en toont die aan de verbaasde menigte. Nu is weldra de slagboom geheel opgeheven. De boeren presenteeren onsparfait amour, een zeer geliefkoosde drank, en laten zich door ons op wijn en brandewijn trakteeren.—Altijd door dat eindelooze gezang, waarvan het mij onmogelijk is de woorden te verstaan; steeds luidruchtiger en woeliger wordt het om ons heen.... Daar dringt, half worstelend, een nieuwe groep mannen de kamer in. Het schreeuwen en joelen wordt nu zoo oorverdoovend, dat de zangers het opgeven. Een overwinnaar bij het ringrijden wordt in zegepraal door zijne makkers naar binnen gedragen: hij moet trakteeren. De jonge man is half dol: hij laat zich op den grond vallen, springt weer op, draait als een tol in het rond, gestikuleert met armen en beenen, deelt rechts en links klappen, stompen en schoppen uit; en wordt eindelijk door zijne joelende, schreeuwende makkers de kamer weer uitgeduwd, onder luid handgeklap en daverend gestamp!Na hun vertrek begint het gezang op nieuw. Maar eensklaps bezwijkt een der planken nevens den schoorsteen, waarop eenige mannen zich hebben nedergezet. Onder luid gejubel rollen zij op en over elkander op den grond en op de tafel.... Het gezang gaat maar altijd voort; het rumoer neemt hand over hand toe.... Wij hebben er nu genoeg van, en gaan naar buiten.Het is hier wellicht de plaats om iets te zeggen van de zeeuwsche taal, die wij daar zoo even, in de druk bezochte dorpsherberg, in al hare zuiverheid en in enkele verscheidenheden harer uitspraak, hebben gehoord.In de herberg te Vrouwepolder.In de herberg te Vrouwepolder.Even als de zeeuwsche eilanden, door ligging en geaardheid van bevolking, den geleidelijken overgang vormen tusschen Holland en Vlaanderen, zoo is ook het zeeuwsch een overgang, een middenterm, tusschen het hollandsch en het vlaamsch, nu eens meer naar het eene, dan meer naar het andere zweemende, naar gelang van de meer noordelijke of zuidelijke ligging. Een Hollander, die zeeuwsche boeren met elkanderhoort spreken, zal in den beginne zeer veel moeite hebben om hen te verstaan: niet zoozeer, omdat zij woorden gebruiken, die hem vreemd zijn,—want het getal der uitsluitend zeeuwsche woorden is niet zoo bijzonder groot;—maar om de eigenaardige wijze, waarop zij de woorden uitspreken. De Zeeuwen laten namelijk de woorden zooveel mogelijk in elkander vloeien, en spreken op een zeer bijzonderen, half zingenden toon, die eenigermate herinnert aan het dialekt der bewoners van de hollandsche zeedorpen, maar toch geheel anders klinkt.Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de zeeuwsche tongvallen, die natuurlijk niet overal hetzelfde klinken, is het niet uitspreken van de letterh. De meeste echte, ouderwetsche Zeeuwen, vooral ten platten lande en in de kleinere steden, spreken dehletterlijk nooit uit, en zouden dit waarschijnlijk ook niet kunnen. Een oude eenvoudige zeeuwsche boer beschreef mij eens de letterhals degroote a, en kon het, ondanks zijne wanhopige pogingen om dien vreeselijken klank uit te spreken, niet verder brengen dan tot eench-klank. Geregeld hoort ge dan ook de Zeeuwen, in onderling gesprek, gewagen vanuus,and,ebben,oornblazeren dergelijke, met trouwe weglating, altijd en overal, van die fataleh. Het meest komische is echter, wanneer pedante, ongeletterde Zeeuwen op hunne manier mooi willende spreken, zich inspannen om dehtoch uit te brengen, en die dan plaatsen voor woorden, waar zij niet behoort. Zoo zullen zij u verzekeren, dater de heer van de eeren mee gemoeid is; of wel u spreken van dehengelen in den emelende haren op den hakker. Ook zal het eener hollandsche huisvrouw niet zoo gemakkelijk vallen, als zij, op de vraag aan haar zeeuwsche meid, of deze het kruideniersboekje ook gezien heeft, ten antwoord krijgt:’k et ni-j-at, zoo aanstonds te begrijpen, dat deze snel achtereen gesproken woorden beteekenen: ik heb het niet gehad.Verder spreken de Zeeuwen, evenals de Friezen, de Vlamingen en andere nederlandsche stammen, de hollandscheuialsuen deijals langeiuit, schoon ook met eenige afwijkingen. Huis wordthuusof eigenlijkuus; tuin wordttuun; kuif,kuuf; lijf,liif: vijf daarentegen nietfiif, als in het friesch, maarvuuf; pijp, nietpiip, maarpupe, wat niet zeer fraai klinkt. Evenmin kunnen hollandsche ooren behagen scheppen in de uitspraak van dea, die doorgaans als een zwareoa, of wel, in andere streken van Zeeland, als blatendeaeklinkt. Daarentegen maken de Zeeuwen zeer duidelijk onderscheid tusschen de zachtlange en de scherplangeoene, welke laatsten zij als tweeklanken uitspreken: bij voorbeeldtwèë. Deze eigenaardigheid draagt veel bij tot de vloeiende zangerigheid der taal, die, hoe vreemd en ongewoon somwijlen, volstrekt niet onbehagelijk klinkt.Boven zeide ik reeds, dat, voor zoover ik daarover oordeelen kan althans, het getal uitsluitend zeeuwsche woorden, die in andere nederlandsche dialekten niet gevonden worden, zeer beperkt is, beperkter althans dan een vreemdeling op het eerste gehoor wel meenen zou, omdat zeer bekende woorden dikwijls door de uitspraak en den eigenaardigen tongslag moeilijk te herkennen zijn. Zulke eigenaardig zeeuwsche woorden, die ge zonder verklaring niet begrijpen kunt, zijn bij voorbeeld:guus,guês, kind, kinderen;kelf, zindelijk;puutjes, kinderhandjes;daken, aanstonds. Zeeuwsch, meen ik, is ook het eigenaardig gebruik van het woord ongevoelig, in uitdrukkingen als deze:i was d’r wàt ongevoelig over, hetgeen beteekent, hij was er zeer gevoelig over, hij was er zeer door geërgerd. Op Zuid-Beveland, dat zich in menig opzicht, vooral door het sterke vlaamsche element in zijn dialekt, van de andere zeeuwsche eilanden onderscheidt, kunt ge iemand zijn spijt over iets hooren betuigen met de uitdrukking:ik ben er broaf ongevoelig over.Woorden alspuutvoor kikvorsch,weegvoor houten wand, bepaaldelijk eener schuur,stutevoor boterham,kuusvoor zuiver, zindelijk,vele(vedel) voor viool, zijn niet alleen zeeuwsch, maar zijn ook in Vlaanderen en in sommigeprovinciënvan ons vaderland algemeen in gebruik. Vreemder schijnt mij de uitdrukkingkachelvoor veulen; misschien is dit woord metguil,gaul, paard, verwant.Om den lezer een denkbeeld te geven van de eigenaardige zeeuwsche taal, weet ik niet beter te doen dan uit het welbekendeDialecticonvan den heer Winkler de gelijkenis over te nemen van den verloren zoon, en wel in den tongval van het platte land van Zuid-Beveland, waar het oud-zeeuwsche dialect zich misschien nog het best in stand heeft gehouden. Zij luidt aldus.Dir was is ’n man, die twèë zeuns a’.En den jongsten (op Walcheren zegt menjoenksten) van ulder (hen, elders in Zeelandhulli) zei tegen z’n voader: voader, gee miin m’n possie van ’t goed, da’ m’n toekomt. En i verdèëlden ’t goed.En ni lange naedien, a’ den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a’, is ’n vort ereisd nir ’n land, varre van ier, en dir eit ’n al z’n goed deur ebrocht en i leefden baldadig.En as ’n alles op eteerd a’, kwam d’r in dat land ’n gròòten oengersnòòd, en i begost ok gebrek te liën.En i giing èëne en i prezenteerden z’n zelven bi ’n boer van dat land, en die stierden ’m nir z’n land om de verkens te wachten (hoeden).En i verlangden z’n buuk te vullen mit de verkenskost, mer gin mens gaf ze ’m.En as ’n z’n ersens bi mekaore a’, zeit ’n bi z’n eigen: oe vee’ errebeiers van m’n voader ae d’r bròòd, en ik vergae ik van den oenger.Ik za’ ik nir me voader toe gae, en ’k za’ tegen z’n zegge: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe.En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten; mææk me mer gelike mit èën van j’n errebeiers.En i stong op en i giing nir z’n voader. En as ’n d’r nog varre van dææn was, zag z’n voader ’m, en i kreeg innerlikken medeliën mit z’n, en i liep nir z’n toe, en i viel om z’n ales (hals), en i kost’ ’m.En den zeune zei tegen z’n voader: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe. En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten.Mer den voader zei tegen z’n knechs: æælt ier ’nbest pak kleeren, en lææt ’m dat an doeë, en geeft ’n riink an z’n anen (anden, handen) en schoenen an z’n voeten.En briingt ’t vette kalf en slacht ’t; dan zu’ me ete en plazier ouë.Want ier me zeune was dòòd, en i is weer levendig eworre; i was verlore en i is evonde. En ze begosten plazier t’ ouën.En z’n ouste zeune was in ’t veld; en as ’n vrom (weerom) kwam en kort bi uus kwam, oorden i ’t geziing en gespriing.En i riep èën van de knechs bi z’n, en i vroeg wat ’r omgiing.En die zei tegen z’n: je broer is vrom ekomme, en je voader eit ’t gemaste kalf eslacht, uut blischap, dat ’n ’m wee’ gezond t’ uus ekregen eit.Mer i wier kwææd, en i wou ni in uus komme. Toen giing z’n voader nir z’n toe, en i schooiden d’r om (drong er op aan).Mer i zei tot antwoord tegen z’n voader: kiik! ik ae’ noe a’ zòò vee’ jæær voe’ j’ ewerkt, en ’k ae’ altiid edae da’ je me belast eit, en j’ eit me nooit is niks egeve, zelfs gin boksje voe’ m’ eslacht, om ok is mit m’n kammeraas plazier t’ ouen.Mer noe die zeune van je t’uus ekommen is, die je goed mit oeren verkwanseld eit, noe ei je voe’ ziin ’t vette kalf eslacht.En i zei tegen z’n: kind! ji bin altiid bi me, en al wat a’ ’k ae’, dat is ’t joeë.Dir om b’ oorden ji ook blië te weze; want ier je broer was dòòd en i is wee’ levendig eworre; i was verlore en i is evonde.Wij mogen Walcheren niet verlaten, zonder ook een, zij ’t ook maar vluchtig bezoek te hebben gebracht aan Arnemuiden, vroeger eene vermaarde koopstad aan den mond der Arne, met eene voortreffelijke reede, maar tegenwoordig een vervallen stedeke, door visschers bewoond, wier huizen gedeeltelijk op en tegen de duinen of liever terpen zijn gebouwd. Er is hier niet veel te zien, maar de krachtige, goed gebouwde bevolking der stad verdient wel de aandacht.De kleeding der vrouwen gelijkt op die in de naburige dorpen, maar gaandeweg grijpt hierin eene verandering plaats, die juist geene verbetering mag worden genoemd. De mannen, bijna zonder uitzondering visschers, dragen des Zondags een ruim geplooide, blauw flanellen kiel, die in den wijden zwarten broek wordt gestoken. Deze broek prijkt met twee groote zilveren knoopen of stukken. Op het hoofd dragen zij een pet met gebogen klep, die tamelijk op één oor wordt gezet. Het is een flink, handig slag van volk, dat zijne onafhankelijkheid op prijs stelt; ook op hen is het oude spreekwoord toepasselijk: goed rond, goed zeeuwsch.Ook Arnemuiden heeft, als zoo menige zeeuwsche stad, in vroeger tijden veel door overstroomingen geleden: tegenwoordig is, door de sterke aanslibbingen, dat gevaar wel geweken, maar de haven der voormalige koopstad is tevens voor groote schepen ontoegankelijk geworden. Doch in vervlogen dagen kwam er ook voor Arnemuiden meer dan eenmaal een bange ure, als het scheen of de opgeruide golven van het Sloe haar zouden verslinden, en de weeke bodem, waarop de stad was gebouwd, sidderde en dreunde bij den geweldigen aanval der wateren, en ieder oogenblik op het punt scheen, in de kokende diepte te verdwijnen. Voorwaar, niet zonder reden draagt een gedenkpenning uit de zestiende eeuw deze bede tot opschrift:Salva nos, Domine, nam perimus. Behoed ons, Heer, want wij vergaan!Naar men zegt, bestond er van ouds eene veete tusschen de burgers van Arnemuiden en die van Middelburg. Of de kleinere stad zich over aanmatiging en verdrukking van de zijde der groote te beklagen had, zoo als men wil, durf ik niet te beslissen; zeker is het, dat de verstandhouding tusschen beiden dikwijls veel te wenschen overliet. In onze tegenwoordige orde van zaken, waarin alles zoo nauwkeurig afgepast en afgemeten, en in een zoo eng mogelijk sluitend keurslijf van eenvormige en eensluidende wetten en reglementen gewrongen wordt, komen natuurlijk twisten en veeten tusschen twee naburige steden niet meer te pas. De burgers mogen heden ten dage niet meer het zwaard tegen elkander trekken; daarentegen staat het hun wel vrij, om elkander op alle mogelijke manieren te onderkruipen en te benadeelen, en elkander door alle middelen—mits niet onder het bereik van den strafrechter vallende—het brood uit den mond te stelen. Is het nog wellicht een overblijfsel der oude veete, dat de visschers van Arnemuiden de burgers van Middelburg zoo dikwijls vergeefs naar visch laten uitzien?Toch niet. De visschers van Arnemuiden gaan ver de Noordzee in, tot zelfs op de hoogte van Texel en Vlieland. Wanneer zij nu met hun vangst terugkomen, worden zij zeer dikwijls opgewacht door hollandsche on belgische vaartuigen, die, tegen goeden prijs, de gevangen visch opkoopen, zoodat de visschers ledig naar Arnemuiden terugkeeren. Vandaar dat men te Antwerpen, te Brussel en zelfs te Parijs doorgaans beter en goedkooper visch kan eten dan te Middelburg.De visschers keeren gewoonlijk Vrijdags naar huis terug. Dan bakken de vrouwen ouder gewoonte koeken, om hare echtgenooten en zonen te onthalen, die met welgevulden buidel wederkomen. Echter is de opbrengst der visscherij niet meer wat zij vroeger was: in 1844, bij voorbeeld, kon, naar men mij verzekerde, een visscher van Arnemuiden op eene verdienste van vijf-en-twintig gulden per week rekenen. Daar is nu geen denken meer aan.Vroeger, in den goeden ouden tijd, toen de visch nog naar huis werd medegenomen en daar verkocht, geschiedde de verdeeling van den buit op de volgende wijze.Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.De visschers zetten zich rondom eene tafel; op het midden van die tafel werd het geld van den verkoop nedergelegd. Men maakte van de groote en kleine muntstukken een hoop: rijksdaalders, guldens, halve guldens, kwartjes, dubbeltjes. Eerst werden degroote stukken verdeeld: rijksdaalders, guldens en halve guldens. Het kleine geld—kwartjes, dubbeltjes, enz.—werd in theekommetjes geworpen. Beurtelings werden al de kommetjes met kwartjes en dubbeltjes gevuld, tot de voorraad verdeeld was. Wanneer al de kopjes gevuld waren, werd alles wat boven den rand uitstak, weggestreken. Dit werd zoolang herhaald, tot er juist genoeg dubbeltjes en kwartjes overschoten om den visschers een drinkgeld te geven.Was de verdeeling afgeloopen, dan toog men aan den maaltijd. De koeken dampten in den schotel en vervulden de woning met uitlokkende, den eetlust prikkelende geuren: moeder de vrouw zorgde dat er een goede voorraad was om den eisch der hongerige magen te kunnen voldoen. Natuurlijk mocht bij dien feestelijken maaltijd de flesch met klare niet ontbreken. Er werden pijpen of sigaren opgestoken; men lachte, men praatte, en maakte het zich ook verder zoo genoegelijk mogelijk, tot de visschers, doorgaans des Maandags morgens, weder uitvoeren om op nieuw van de zee, de onuitputtelijke, te vragen wat er noodig was om hun kommetjes te vullen.De visschers van Arnemuiden leven echter niet uitsluitend van de vischvangst. Als de vangst slecht gaat, varen zij met hunne schuiten naar Amsterdam of Haarlem, om daar gemeste varkens ter markt te brengen, en zelven eenige inkoopen te doen. Ook wordt er een weinig landbouw gedreven.Een boer uit Zuid-Beveland.Een boer uit Zuid-Beveland.

Vrouwepolder is geen onaardig dorp, te midden eener vruchtbare streek gelegen, en weleer beroemd wegens een Lieve-Vrouwebeeld, dat in hooge eere stond. Keizer Sigismund, vergezeld van den Graaf-Hertog Willem VI, toog zelfs, ten jare 1416, naar deze plaats ter bedevaart; en een-en-twintig jaar later verscheen in Vrouwepolder nog een andere vorstelijke pelgrim: de groote tegenstander van Willems beroemde en rampspoedige dochter, Hertog Filips van Bourgondië.

Doch deze tijden zijn sinds lang voorbij. Verdwenen is het hoog vereerde beeld Onzer-Lieve-Vrouwe, en geen pelgrim richt meer zijne schreden naar het haar gewijde heiligdom. Toch is het heden druk en levendig genoeg in het dorp. Wat wonder: het is er kermis. Ik geloof bijna, dat er in den zomer schier geen dag, stellig geen week voorbijgaat, of er is hier of daar in Zeeland kermis. De kermis te Vrouwepolder gelijkt natuurlijk op iedere andere zeeuwsche dorpskermis. ’t Zijn de gewone vermaken: koekhakken, ringrijden, dansen, zingen en drinken, vooral drinken:—want zoolang hij niet half beschonken is, schijnt er voor den nederlandschen boer geene ware vreugde denkbaar. En de vrouwen geven daarbij maar al te dikwijls den mannen niets toe.

Wij treden de herberg binnen: ter wederzijde van een nauwen bedompten gang zijn de deuren van twee kamers, de eene de gelagkamer, de andere een soort van danszaal. Aangelokt door het gekras van een schorre viool en een brommende contrebas, treden wij de danszaal binnen. Twee muzikanten zitten op stoelen, boven op eene groote tafel geplaatst; de talrijke toeschouwersvormen een dichten kring rondom de dansers, aan wie ongeveer een ruimte van vier voet in den omtrek is vrijgelaten. Onwillekeurig plooit zich een glimlach om den mond van mijn reismakker. Op iemand, die de weelderig hartstochtelijke, zoo uitdrukkingsvolle, echt plastische dansen van het Zuiden—eene wezenlijke en zeer sterk sprekende gebarentaal—kent, moet dan ook deze vertooning een zeer eigenaardigen indruk maken. Hoe onbeschrijflijk plomp, onbevallig en karakterloos zijn die bewegingen; men kan het dezen lieden aanzien, dat aan hun onbehagelijk op- en nederspringen alle bezieling ontbreekt; dat er hier in de verte geen sprake is van uitdrukking van gevoel of hartstocht, maar eenvoudig van eene physieke beweging, die de zinnen op eene of andere manier aangenaam kittelt. De nauw beperkte ruimte is dan ook volkomen voldoende voor onze dansers, wier zwaarmoedige, plompe bewegingen waarschijnlijk de meest gepaste uiting zijn voor hunne kalme vreugde.

Wij zetten ons neder in een hoek, in de schaduw, tegenover de vensters. Ons geheele voorkomen, ons reisgewaad, doet ons als vreemdelingen kennen; bovendien is het mijn vriend duidelijk genoeg aan te zien, dat zijn wieg niet stond tusschen den Dollard en de Schelde. Aller blikken zijn dan ook voor een poos op ons gevestigd, maar niemand bemoeit zich verder met ons. Eene boerin van zekeren leeftijd, naast mij op de bank gezeten, schuift alleen een weinig op, om eenige ruimte tusschen ons te laten.

Het is bijkans stampvol in de zaal, en nog voortdurend stroomen er nieuwe gasten, mannen en vrouwen, binnen. Ter wederzijde van den wijden schoorsteen, zoo wat vier voet boven den grond, bevinden zich tegen den wand een paar planken, waarop gewoonlijk het vaatwerk, borden, schotels, staat gerangschikt; nu hebben eenige mannen zich daarop nedergezet. Onder den schoorsteen zelven staat een bank, waarop verscheidene personen plaats hebben genomen; de ruimte tusschen de banken is geheel ingenomen door jongelieden van beiderlei kunne.

Een vrouw, als eene bedelaarster uit Brussel gekleed, met een paars katoenen schoudermantel met kap, en met de hairen uit haar slordige muts hangende, zingt een lied, waarbij haar man haar accompagneert. Eene andere vrouw, reeds bejaard en dronken, met een vuurrood gezicht en purperen jeneverneus, vraagt, met belachelijke en vaak onkiesche gebaren, een aalmoes.

Vlak tegenover ons zitten twee aardige paren: de eene jonkman ziet er zeer knap uit, en zijn meisje is bepaald mooi: dat is dus in den regel; de andere jonkman is leelijk en zijn meisje is verre van mooi: ook dat is dus natuurlijk. En wat niet minder natuurlijk is, is dat het leelijke meisje knipoogjes geeft aan den mooien jongen; en ook dat het mooie, maar arme meisje, steelsgewijze uitlokkende blikken werpt op den leelijken, maar rijken jongen.

Een paar bedelaars treden het vertrek binnen. Wij hebben zoo even een hunner aan den voet van een boom zien zitten, zich houdende of hij verlamd was. Hij heeft eene vrouw bij zich, die een klein kind op den arm houdt.

Die lieden zingen: dat wil zeggen de man balkt, de vrouw jankt, het kind schreeuwt en spartelt met armen en beenen; dat alles onder een oorverdoovend geraas van pratende en lachende en schreeuwende stemmen, van rinkinkende glazen, van stampende voeten en op tafel slaande vuisten. Inmiddels gaan ook de schorre viool en de brommende contrebas ongestoord haar gang.... Daar weerklinken buiten zware voetstappen, en de frissche lachende stemmen van jonge meisjes. Zij komen binnen, klauteren op de tafels, en gaan, vlak tegenover ons, met den rug naar de vensters, zitten, alzoo het toch al niet te overvloedige licht onderscheppende.

Onze zangers laten zich niet afschrikken: zij heffen een nieuw lied aan, dat algemeen bekend en zeer in den smaak schijnt te vallen: althans het halve gezelschap, vooral de jonge meisjes, zingen mede en herhalen in koor het refrein. Inmiddels wordt het rumoer al grooter, en wijkt ook de zekere beschroomdheid, die de boeren aanvankelijk van ons verwijderd hield. Mijn vriend teekent haastig eenige schetsen, portretten van boeren en boerinnen, en toont die aan de verbaasde menigte. Nu is weldra de slagboom geheel opgeheven. De boeren presenteeren onsparfait amour, een zeer geliefkoosde drank, en laten zich door ons op wijn en brandewijn trakteeren.—Altijd door dat eindelooze gezang, waarvan het mij onmogelijk is de woorden te verstaan; steeds luidruchtiger en woeliger wordt het om ons heen.... Daar dringt, half worstelend, een nieuwe groep mannen de kamer in. Het schreeuwen en joelen wordt nu zoo oorverdoovend, dat de zangers het opgeven. Een overwinnaar bij het ringrijden wordt in zegepraal door zijne makkers naar binnen gedragen: hij moet trakteeren. De jonge man is half dol: hij laat zich op den grond vallen, springt weer op, draait als een tol in het rond, gestikuleert met armen en beenen, deelt rechts en links klappen, stompen en schoppen uit; en wordt eindelijk door zijne joelende, schreeuwende makkers de kamer weer uitgeduwd, onder luid handgeklap en daverend gestamp!

Na hun vertrek begint het gezang op nieuw. Maar eensklaps bezwijkt een der planken nevens den schoorsteen, waarop eenige mannen zich hebben nedergezet. Onder luid gejubel rollen zij op en over elkander op den grond en op de tafel.... Het gezang gaat maar altijd voort; het rumoer neemt hand over hand toe.... Wij hebben er nu genoeg van, en gaan naar buiten.

Het is hier wellicht de plaats om iets te zeggen van de zeeuwsche taal, die wij daar zoo even, in de druk bezochte dorpsherberg, in al hare zuiverheid en in enkele verscheidenheden harer uitspraak, hebben gehoord.

In de herberg te Vrouwepolder.In de herberg te Vrouwepolder.

In de herberg te Vrouwepolder.

Even als de zeeuwsche eilanden, door ligging en geaardheid van bevolking, den geleidelijken overgang vormen tusschen Holland en Vlaanderen, zoo is ook het zeeuwsch een overgang, een middenterm, tusschen het hollandsch en het vlaamsch, nu eens meer naar het eene, dan meer naar het andere zweemende, naar gelang van de meer noordelijke of zuidelijke ligging. Een Hollander, die zeeuwsche boeren met elkanderhoort spreken, zal in den beginne zeer veel moeite hebben om hen te verstaan: niet zoozeer, omdat zij woorden gebruiken, die hem vreemd zijn,—want het getal der uitsluitend zeeuwsche woorden is niet zoo bijzonder groot;—maar om de eigenaardige wijze, waarop zij de woorden uitspreken. De Zeeuwen laten namelijk de woorden zooveel mogelijk in elkander vloeien, en spreken op een zeer bijzonderen, half zingenden toon, die eenigermate herinnert aan het dialekt der bewoners van de hollandsche zeedorpen, maar toch geheel anders klinkt.

Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de zeeuwsche tongvallen, die natuurlijk niet overal hetzelfde klinken, is het niet uitspreken van de letterh. De meeste echte, ouderwetsche Zeeuwen, vooral ten platten lande en in de kleinere steden, spreken dehletterlijk nooit uit, en zouden dit waarschijnlijk ook niet kunnen. Een oude eenvoudige zeeuwsche boer beschreef mij eens de letterhals degroote a, en kon het, ondanks zijne wanhopige pogingen om dien vreeselijken klank uit te spreken, niet verder brengen dan tot eench-klank. Geregeld hoort ge dan ook de Zeeuwen, in onderling gesprek, gewagen vanuus,and,ebben,oornblazeren dergelijke, met trouwe weglating, altijd en overal, van die fataleh. Het meest komische is echter, wanneer pedante, ongeletterde Zeeuwen op hunne manier mooi willende spreken, zich inspannen om dehtoch uit te brengen, en die dan plaatsen voor woorden, waar zij niet behoort. Zoo zullen zij u verzekeren, dater de heer van de eeren mee gemoeid is; of wel u spreken van dehengelen in den emelende haren op den hakker. Ook zal het eener hollandsche huisvrouw niet zoo gemakkelijk vallen, als zij, op de vraag aan haar zeeuwsche meid, of deze het kruideniersboekje ook gezien heeft, ten antwoord krijgt:’k et ni-j-at, zoo aanstonds te begrijpen, dat deze snel achtereen gesproken woorden beteekenen: ik heb het niet gehad.

Verder spreken de Zeeuwen, evenals de Friezen, de Vlamingen en andere nederlandsche stammen, de hollandscheuialsuen deijals langeiuit, schoon ook met eenige afwijkingen. Huis wordthuusof eigenlijkuus; tuin wordttuun; kuif,kuuf; lijf,liif: vijf daarentegen nietfiif, als in het friesch, maarvuuf; pijp, nietpiip, maarpupe, wat niet zeer fraai klinkt. Evenmin kunnen hollandsche ooren behagen scheppen in de uitspraak van dea, die doorgaans als een zwareoa, of wel, in andere streken van Zeeland, als blatendeaeklinkt. Daarentegen maken de Zeeuwen zeer duidelijk onderscheid tusschen de zachtlange en de scherplangeoene, welke laatsten zij als tweeklanken uitspreken: bij voorbeeldtwèë. Deze eigenaardigheid draagt veel bij tot de vloeiende zangerigheid der taal, die, hoe vreemd en ongewoon somwijlen, volstrekt niet onbehagelijk klinkt.

Boven zeide ik reeds, dat, voor zoover ik daarover oordeelen kan althans, het getal uitsluitend zeeuwsche woorden, die in andere nederlandsche dialekten niet gevonden worden, zeer beperkt is, beperkter althans dan een vreemdeling op het eerste gehoor wel meenen zou, omdat zeer bekende woorden dikwijls door de uitspraak en den eigenaardigen tongslag moeilijk te herkennen zijn. Zulke eigenaardig zeeuwsche woorden, die ge zonder verklaring niet begrijpen kunt, zijn bij voorbeeld:guus,guês, kind, kinderen;kelf, zindelijk;puutjes, kinderhandjes;daken, aanstonds. Zeeuwsch, meen ik, is ook het eigenaardig gebruik van het woord ongevoelig, in uitdrukkingen als deze:i was d’r wàt ongevoelig over, hetgeen beteekent, hij was er zeer gevoelig over, hij was er zeer door geërgerd. Op Zuid-Beveland, dat zich in menig opzicht, vooral door het sterke vlaamsche element in zijn dialekt, van de andere zeeuwsche eilanden onderscheidt, kunt ge iemand zijn spijt over iets hooren betuigen met de uitdrukking:ik ben er broaf ongevoelig over.

Woorden alspuutvoor kikvorsch,weegvoor houten wand, bepaaldelijk eener schuur,stutevoor boterham,kuusvoor zuiver, zindelijk,vele(vedel) voor viool, zijn niet alleen zeeuwsch, maar zijn ook in Vlaanderen en in sommigeprovinciënvan ons vaderland algemeen in gebruik. Vreemder schijnt mij de uitdrukkingkachelvoor veulen; misschien is dit woord metguil,gaul, paard, verwant.

Om den lezer een denkbeeld te geven van de eigenaardige zeeuwsche taal, weet ik niet beter te doen dan uit het welbekendeDialecticonvan den heer Winkler de gelijkenis over te nemen van den verloren zoon, en wel in den tongval van het platte land van Zuid-Beveland, waar het oud-zeeuwsche dialect zich misschien nog het best in stand heeft gehouden. Zij luidt aldus.

Dir was is ’n man, die twèë zeuns a’.En den jongsten (op Walcheren zegt menjoenksten) van ulder (hen, elders in Zeelandhulli) zei tegen z’n voader: voader, gee miin m’n possie van ’t goed, da’ m’n toekomt. En i verdèëlden ’t goed.En ni lange naedien, a’ den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a’, is ’n vort ereisd nir ’n land, varre van ier, en dir eit ’n al z’n goed deur ebrocht en i leefden baldadig.En as ’n alles op eteerd a’, kwam d’r in dat land ’n gròòten oengersnòòd, en i begost ok gebrek te liën.En i giing èëne en i prezenteerden z’n zelven bi ’n boer van dat land, en die stierden ’m nir z’n land om de verkens te wachten (hoeden).En i verlangden z’n buuk te vullen mit de verkenskost, mer gin mens gaf ze ’m.En as ’n z’n ersens bi mekaore a’, zeit ’n bi z’n eigen: oe vee’ errebeiers van m’n voader ae d’r bròòd, en ik vergae ik van den oenger.Ik za’ ik nir me voader toe gae, en ’k za’ tegen z’n zegge: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe.En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten; mææk me mer gelike mit èën van j’n errebeiers.En i stong op en i giing nir z’n voader. En as ’n d’r nog varre van dææn was, zag z’n voader ’m, en i kreeg innerlikken medeliën mit z’n, en i liep nir z’n toe, en i viel om z’n ales (hals), en i kost’ ’m.En den zeune zei tegen z’n voader: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe. En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten.Mer den voader zei tegen z’n knechs: æælt ier ’nbest pak kleeren, en lææt ’m dat an doeë, en geeft ’n riink an z’n anen (anden, handen) en schoenen an z’n voeten.En briingt ’t vette kalf en slacht ’t; dan zu’ me ete en plazier ouë.Want ier me zeune was dòòd, en i is weer levendig eworre; i was verlore en i is evonde. En ze begosten plazier t’ ouën.En z’n ouste zeune was in ’t veld; en as ’n vrom (weerom) kwam en kort bi uus kwam, oorden i ’t geziing en gespriing.En i riep èën van de knechs bi z’n, en i vroeg wat ’r omgiing.En die zei tegen z’n: je broer is vrom ekomme, en je voader eit ’t gemaste kalf eslacht, uut blischap, dat ’n ’m wee’ gezond t’ uus ekregen eit.Mer i wier kwææd, en i wou ni in uus komme. Toen giing z’n voader nir z’n toe, en i schooiden d’r om (drong er op aan).Mer i zei tot antwoord tegen z’n voader: kiik! ik ae’ noe a’ zòò vee’ jæær voe’ j’ ewerkt, en ’k ae’ altiid edae da’ je me belast eit, en j’ eit me nooit is niks egeve, zelfs gin boksje voe’ m’ eslacht, om ok is mit m’n kammeraas plazier t’ ouen.Mer noe die zeune van je t’uus ekommen is, die je goed mit oeren verkwanseld eit, noe ei je voe’ ziin ’t vette kalf eslacht.En i zei tegen z’n: kind! ji bin altiid bi me, en al wat a’ ’k ae’, dat is ’t joeë.Dir om b’ oorden ji ook blië te weze; want ier je broer was dòòd en i is wee’ levendig eworre; i was verlore en i is evonde.

Dir was is ’n man, die twèë zeuns a’.

En den jongsten (op Walcheren zegt menjoenksten) van ulder (hen, elders in Zeelandhulli) zei tegen z’n voader: voader, gee miin m’n possie van ’t goed, da’ m’n toekomt. En i verdèëlden ’t goed.

En ni lange naedien, a’ den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a’, is ’n vort ereisd nir ’n land, varre van ier, en dir eit ’n al z’n goed deur ebrocht en i leefden baldadig.

En as ’n alles op eteerd a’, kwam d’r in dat land ’n gròòten oengersnòòd, en i begost ok gebrek te liën.

En i giing èëne en i prezenteerden z’n zelven bi ’n boer van dat land, en die stierden ’m nir z’n land om de verkens te wachten (hoeden).

En i verlangden z’n buuk te vullen mit de verkenskost, mer gin mens gaf ze ’m.

En as ’n z’n ersens bi mekaore a’, zeit ’n bi z’n eigen: oe vee’ errebeiers van m’n voader ae d’r bròòd, en ik vergae ik van den oenger.

Ik za’ ik nir me voader toe gae, en ’k za’ tegen z’n zegge: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe.

En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten; mææk me mer gelike mit èën van j’n errebeiers.

En i stong op en i giing nir z’n voader. En as ’n d’r nog varre van dææn was, zag z’n voader ’m, en i kreeg innerlikken medeliën mit z’n, en i liep nir z’n toe, en i viel om z’n ales (hals), en i kost’ ’m.

En den zeune zei tegen z’n voader: voader! ’k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe. En ik bin ni mir wæærd om je zeune t’ èëten.

Mer den voader zei tegen z’n knechs: æælt ier ’nbest pak kleeren, en lææt ’m dat an doeë, en geeft ’n riink an z’n anen (anden, handen) en schoenen an z’n voeten.

En briingt ’t vette kalf en slacht ’t; dan zu’ me ete en plazier ouë.

Want ier me zeune was dòòd, en i is weer levendig eworre; i was verlore en i is evonde. En ze begosten plazier t’ ouën.

En z’n ouste zeune was in ’t veld; en as ’n vrom (weerom) kwam en kort bi uus kwam, oorden i ’t geziing en gespriing.

En i riep èën van de knechs bi z’n, en i vroeg wat ’r omgiing.

En die zei tegen z’n: je broer is vrom ekomme, en je voader eit ’t gemaste kalf eslacht, uut blischap, dat ’n ’m wee’ gezond t’ uus ekregen eit.

Mer i wier kwææd, en i wou ni in uus komme. Toen giing z’n voader nir z’n toe, en i schooiden d’r om (drong er op aan).

Mer i zei tot antwoord tegen z’n voader: kiik! ik ae’ noe a’ zòò vee’ jæær voe’ j’ ewerkt, en ’k ae’ altiid edae da’ je me belast eit, en j’ eit me nooit is niks egeve, zelfs gin boksje voe’ m’ eslacht, om ok is mit m’n kammeraas plazier t’ ouen.

Mer noe die zeune van je t’uus ekommen is, die je goed mit oeren verkwanseld eit, noe ei je voe’ ziin ’t vette kalf eslacht.

En i zei tegen z’n: kind! ji bin altiid bi me, en al wat a’ ’k ae’, dat is ’t joeë.

Dir om b’ oorden ji ook blië te weze; want ier je broer was dòòd en i is wee’ levendig eworre; i was verlore en i is evonde.

Wij mogen Walcheren niet verlaten, zonder ook een, zij ’t ook maar vluchtig bezoek te hebben gebracht aan Arnemuiden, vroeger eene vermaarde koopstad aan den mond der Arne, met eene voortreffelijke reede, maar tegenwoordig een vervallen stedeke, door visschers bewoond, wier huizen gedeeltelijk op en tegen de duinen of liever terpen zijn gebouwd. Er is hier niet veel te zien, maar de krachtige, goed gebouwde bevolking der stad verdient wel de aandacht.

De kleeding der vrouwen gelijkt op die in de naburige dorpen, maar gaandeweg grijpt hierin eene verandering plaats, die juist geene verbetering mag worden genoemd. De mannen, bijna zonder uitzondering visschers, dragen des Zondags een ruim geplooide, blauw flanellen kiel, die in den wijden zwarten broek wordt gestoken. Deze broek prijkt met twee groote zilveren knoopen of stukken. Op het hoofd dragen zij een pet met gebogen klep, die tamelijk op één oor wordt gezet. Het is een flink, handig slag van volk, dat zijne onafhankelijkheid op prijs stelt; ook op hen is het oude spreekwoord toepasselijk: goed rond, goed zeeuwsch.

Ook Arnemuiden heeft, als zoo menige zeeuwsche stad, in vroeger tijden veel door overstroomingen geleden: tegenwoordig is, door de sterke aanslibbingen, dat gevaar wel geweken, maar de haven der voormalige koopstad is tevens voor groote schepen ontoegankelijk geworden. Doch in vervlogen dagen kwam er ook voor Arnemuiden meer dan eenmaal een bange ure, als het scheen of de opgeruide golven van het Sloe haar zouden verslinden, en de weeke bodem, waarop de stad was gebouwd, sidderde en dreunde bij den geweldigen aanval der wateren, en ieder oogenblik op het punt scheen, in de kokende diepte te verdwijnen. Voorwaar, niet zonder reden draagt een gedenkpenning uit de zestiende eeuw deze bede tot opschrift:Salva nos, Domine, nam perimus. Behoed ons, Heer, want wij vergaan!

Naar men zegt, bestond er van ouds eene veete tusschen de burgers van Arnemuiden en die van Middelburg. Of de kleinere stad zich over aanmatiging en verdrukking van de zijde der groote te beklagen had, zoo als men wil, durf ik niet te beslissen; zeker is het, dat de verstandhouding tusschen beiden dikwijls veel te wenschen overliet. In onze tegenwoordige orde van zaken, waarin alles zoo nauwkeurig afgepast en afgemeten, en in een zoo eng mogelijk sluitend keurslijf van eenvormige en eensluidende wetten en reglementen gewrongen wordt, komen natuurlijk twisten en veeten tusschen twee naburige steden niet meer te pas. De burgers mogen heden ten dage niet meer het zwaard tegen elkander trekken; daarentegen staat het hun wel vrij, om elkander op alle mogelijke manieren te onderkruipen en te benadeelen, en elkander door alle middelen—mits niet onder het bereik van den strafrechter vallende—het brood uit den mond te stelen. Is het nog wellicht een overblijfsel der oude veete, dat de visschers van Arnemuiden de burgers van Middelburg zoo dikwijls vergeefs naar visch laten uitzien?

Toch niet. De visschers van Arnemuiden gaan ver de Noordzee in, tot zelfs op de hoogte van Texel en Vlieland. Wanneer zij nu met hun vangst terugkomen, worden zij zeer dikwijls opgewacht door hollandsche on belgische vaartuigen, die, tegen goeden prijs, de gevangen visch opkoopen, zoodat de visschers ledig naar Arnemuiden terugkeeren. Vandaar dat men te Antwerpen, te Brussel en zelfs te Parijs doorgaans beter en goedkooper visch kan eten dan te Middelburg.

De visschers keeren gewoonlijk Vrijdags naar huis terug. Dan bakken de vrouwen ouder gewoonte koeken, om hare echtgenooten en zonen te onthalen, die met welgevulden buidel wederkomen. Echter is de opbrengst der visscherij niet meer wat zij vroeger was: in 1844, bij voorbeeld, kon, naar men mij verzekerde, een visscher van Arnemuiden op eene verdienste van vijf-en-twintig gulden per week rekenen. Daar is nu geen denken meer aan.

Vroeger, in den goeden ouden tijd, toen de visch nog naar huis werd medegenomen en daar verkocht, geschiedde de verdeeling van den buit op de volgende wijze.

Stadhuis te Veere.Stadhuis te Veere.

Stadhuis te Veere.

De visschers zetten zich rondom eene tafel; op het midden van die tafel werd het geld van den verkoop nedergelegd. Men maakte van de groote en kleine muntstukken een hoop: rijksdaalders, guldens, halve guldens, kwartjes, dubbeltjes. Eerst werden degroote stukken verdeeld: rijksdaalders, guldens en halve guldens. Het kleine geld—kwartjes, dubbeltjes, enz.—werd in theekommetjes geworpen. Beurtelings werden al de kommetjes met kwartjes en dubbeltjes gevuld, tot de voorraad verdeeld was. Wanneer al de kopjes gevuld waren, werd alles wat boven den rand uitstak, weggestreken. Dit werd zoolang herhaald, tot er juist genoeg dubbeltjes en kwartjes overschoten om den visschers een drinkgeld te geven.

Was de verdeeling afgeloopen, dan toog men aan den maaltijd. De koeken dampten in den schotel en vervulden de woning met uitlokkende, den eetlust prikkelende geuren: moeder de vrouw zorgde dat er een goede voorraad was om den eisch der hongerige magen te kunnen voldoen. Natuurlijk mocht bij dien feestelijken maaltijd de flesch met klare niet ontbreken. Er werden pijpen of sigaren opgestoken; men lachte, men praatte, en maakte het zich ook verder zoo genoegelijk mogelijk, tot de visschers, doorgaans des Maandags morgens, weder uitvoeren om op nieuw van de zee, de onuitputtelijke, te vragen wat er noodig was om hun kommetjes te vullen.

De visschers van Arnemuiden leven echter niet uitsluitend van de vischvangst. Als de vangst slecht gaat, varen zij met hunne schuiten naar Amsterdam of Haarlem, om daar gemeste varkens ter markt te brengen, en zelven eenige inkoopen te doen. Ook wordt er een weinig landbouw gedreven.

Een boer uit Zuid-Beveland.Een boer uit Zuid-Beveland.

Een boer uit Zuid-Beveland.


Back to IndexNext