X.Van Walcheren begeven wij ons naar Zuid-Beveland, in zijne tegenwoordige gestalte het grootste der zeeuwsche eilanden, volgens sommigen ook het schoonste. Dit laatste kan ik niet toegeven. Walcheren bezit in zijn duinstreek landschappen van eigenaardige schoonheid, waarnaar ge op Zuid-Beveland vergeefs zoeken zoudt. Zuid-Beveland, door de beide takken der Schelde en hare nevenstroomen omsloten, heeft geen duinen; daarentegen een groot aantal sierlijk beplante dijken, die tot rijwegen zijn ingericht, en van waar ge uw blik kunt laten weiden over vlakke velden, uitmuntende niet door romantische schoonheid of verrassende afwisseling van gezichtspunten, maar wel door zeldzame vruchtbaarheid, waarvan bij uitstek partij is getrokken. Verdient Walcheren den naam van den tuin, den lusthof van Zeeland, dan mag Zuid-Beveland met recht dien van Zeelands moestuin en boomgaard dragen: alle zeeuwsche gewassen, granen, beetwortel, boonen, gedijen hier in zeldzame mate. Nabij de oude stad Reimerswael, sedert meer dan twee eeuwen door de wateren verslonden, stond in vroeger tijd een klooster met den naamParadisus maris, het Paradijs der zee. Welnu, voor zoo ver ge aan dien naam van paradijs bij voorkeur het denkbeeld van weelderige vruchtbaarheid hecht, mag Zuid-Beveland nog op dien titel aanspraak maken.Ik sprak daar zoo even van Zuid-Beveland in zijne tegenwoordige gestalte, en niet ten onrechte. Immers, het eiland vertoonde zich vroeger geheel anders: het heeft, in den loop der eeuwen, zoowel terrein gewonnen en verloren, en is meer dan eens van gedaante gewisseld. Borsselen en Oost-Beveland, thans met Zuid-Beveland vereenigd, waren weleer afzonderlijke eilandjes; terwijl voor en na ook menige uiterwaard, menig schor, langzamerhand rijp geworden en door de terugtrekkende wateren verlaten, aan het vaste land is verbonden, en aldus de grenzen der bewoonbare aarde uitgebreid. Maar zijn, op sommige punten, de weleer breede stroomen, die het tegenwoordige Zuid-Beveland verdeelden of van de naburige eilanden scheidden, thans afgedamd of tot smalle rivierarmen en kreeken geslonken:—het water heeft zich gewroken over dat verlies en zich metwoekerwinstenschadeloos gesteld.Ook de geschiedenis van Zuid-Beveland is eene aaneenschakeling van wanhopige worstelingen met het geweld der wateren. Vooral in de veertiende en in de zestiende eeuw hooren wij telkens verhalen van geduchte watervloeden, die gansche uitgestrekte gedeelten van het eiland verwoesten. In 1288, in 1304, in 1324, in 1352, in 1375, storten zich de opgeruide golven over het geteisterde land, waarvan de inwoners nauwelijks den tijd hebben, adem te scheppen, en hunne telkens vernielde zeeweringen en dijken te herstellen. De vijftiende eeuw opent, op den 19denNovember des jaars 1404, met den vreeselijken Sint-Elisabethsvloed; en gaat die eeuw ook verder in betrekkelijke kalmte voorbij, de volgende zou met deste geduchter kracht de felle geesel zwaaien. De watervloeden van 1509 en 1511 zijn, als het ware, het voorspel van dien noodlottigen vijfden November 15301, dien verschrikkelijken Sint-Felixvloed, toen geheel het oostelijk gedeelte des eilands ten prooi werd der woedende wateren en ook Reimerswael de eerste doodelijke wonde ontving. En de grimmige vijand liet niet af: rusteloos hernieuwde hij zijn aanval: in 1532, in 1539, in 1551, in 1557, in 1561, in 1563, in 1570—telkens en telkens op nieuw bruisen de wilde wateren, nu hier dan daar, over het reddelooze land, dijken vernielende, akkers verwoestende, dorpen overstelpende, de moeizaam verworven vrucht van jaren arbeids in een oogwenk verdelgende.Bange en bittere dagen waren voor het bloeiende eiland gekomen. Bij herhaling door geweldige overstroomingen geteisterd, het geheele oostelijke kwartier voor goed verloren, herschapen in een waterwoestijn, een vaal moeras, bij iederen vloed door de golven overdekt—had Zuid-Beveland ook zwaar te lijden van de rampen des oorlogs. Tot in 1577 in spaansche macht gebleven, werd het eiland vijf jaren lang door de schepen der Prinsgezinden als het ware geblokkeerd, en van bijna alle gemeenschap met het overige van Zeeland afgesneden, zoodat alle handel stilstond. Daarbij kwamen herhaalde invallen en strooptochten, eerst van de Geuzen, later, na 1577, van de Spanjaarden: beiden er op uit om het vruchtbare, ook door zijne ligging zoo belangrijke eiland in hunne macht te krijgen of te houden. Tijdens het twaalfjarig bestand, werd Zuid-Beveland door een deel zijner bevolking, aan de katholieke kerk getrouw gebleven en deswege op velerlei wijze gekweld, verlaten; bij de hervatting der vijandelijkheden stond het weder aan nieuwe aanvallen bloot; zoodat het eenmaal zoo bloeiende eiland, toen eindelijk de vrede voor goed gesloten werd, in deerlijk verval verkeerde, arm aan bevolking en van welvaart beroofd.Sedert herstelde het zich langzamerhand van de geleden verliezen; ook de watervloeden werden zeldzamer; al behoefde ook nog in onze eeuw de vloed van 1808 in hevigheid niet voor velen zijner voorgangers te wijken. Toch, dank zij misschien de steeds meer volmaakte kunst van verdediging tegen het water, bleven de rampen, in den regel, meer beperkt tot enkele punten, en werd niet meer, als in vroeger eeuw, het grootste gedeelte van het eiland op eenmaal onder water gezet. Tegenwoordig is Zuid-Beveland eene welvarende streek, waar de landbouw op groote schaal en met voortreffelijk gevolg gedreven wordt. Het is een echt boerenland: in dien zin namelijk, dat er op het gansche eiland maar ééne stad, en dan nog wel eene van zeer bescheiden afmetingen, gevonden wordt, terwijl de gansche overige bevolking verdeeld is over een aantal dorpen, waaronder zeer fraaie en bezienswaardige.De spoortrein voerde ons, in minder dan een half uur, van Middelburg langs Arnemuiden, over het afgedamde Sloe, langs ’s Heer-Arendskerke, naar de eenige zuid-bevelandsche stad, naar Goes. Van hier uit zouden wij onze wandeling door het eiland beginnen.Goes is eene oude, zeer stille, niet zeer mooie stad, waar weinig te zien valt. Wij hadden onzen intrek genomen in een der eenvoudige logementen op de Groote markt, waar nog alles toeging met die echte oud-hollandsche eenvoudige huiselijkheid, die op vreemdelingen een zoo zonderlingen indruk maakt. Hier geen kellners, zich eenair de grand seigneurgevende; hier, geen pedantegarçons, die u met hun onuitstaanbaar fransch en nog onuitstaanbaarder hollandsch vervolgen; geenmaîtred’hotel, die u, voornamelijk als ge voetganger zijt, behandelt met al de voornaamheid, die den meester van een groot etablissement past; hier, niets van al dien praal, al dien glans, al die pracht en beweging, die nu eenmaal, in onze voorstelling, van groote hotels onafscheidelijk is. Och neen, hier niets van dat alles. Ge moet zelf de voordeur openen en de gelagkamer opzoeken, waar ge dan, achter de toonbank en voor een rijkelijk met glazen en karaffen voorzien buffet, de vrouw des huizes of eene harer dochters vinden zult, aan wie ge dan uw verzoek om een kamer hebt mede te deelen. Doorgaans is er, eer ge antwoord bekomt, eenig overleg met de andere huisgenooten noodig; was moeder de vrouw straks niet in de gelagkamer, dan verschijnt zij toch nu in persoon om uwe vraag aan te hooren en te beantwoorden. En wordt uw verzoek toegestaan, dan vliegen geen trippelende knechts u voor langs breede trappen: neen, de huisvrouw zelve of een der familieleden zal u, een donkeren smallen trap op, naar uwe kamer geleiden: uwe kamer, meestal laag van verdieping, donkergroen of hardgeel geverwd, met witte gordijnen voor de ramen, gekleurde platen in vergulde lijsten langs de wanden, en een groot ledikant in den hoek, tenzij er een bedstede gevonden wordt, in wier donkere diepte ge dan des avonds verdwijnt, veilig achter de vaak dubbele beschutting van deuren en gordijnen. Toch hebben zij hare goede zijde, die oud-hollandsche, aartsvaderlijke herbergen, waar de vreemde reiziger nog dikwijls, als hij zich niet al te zeer terugtrekt, als een lid des gezins wordt beschouwd.Op de vrij ruime, sierlijk beplante markt staat het stadhuis, een smakeloos gebouw, deels van oude dagteekening, deels in de vorige eeuw geheel vernieuwd, waarbij er natuurlijk niet aan gedacht is, dit nieuwe gedeelte in overeenstemming te brengen met hetgeen van het oude gebouw over bleef. Integendeel: boven op een ouden, zwaren, vierkanten toren, een middeleeuwsch monument, plaatste men een modernen koepel in den stijl der zeventiende eeuw, die bij den toren in het minst niet voegt en eene wonderlijke vertooning maakt. Ter zijde, achter het stadhuis, bevindt zich de ingang tot een der kruispanden van de groote kerk: een alleszins bezienswaardig monument van gothischearchitectuuruit de eerste helft der vijftiende eeuw, maar zoo zeer door huizen en nauwe stegen ingesloten, dat het bijna onzichtbaar is. De schoone, ruime kerk isinwendiggeheel bedorven door een muur, die haar in twee gedeelten splitst, waarvan het eenedoor de Hervormden, het andere door de Katholieken wordt gebruikt. Mocht deze wanstaltige muur eens worden weggeruimd, de kerk weder hersteld, en aan hare oorspronkelijke bestemming, namelijk de katholieke eeredienst, waarvoor zij alleen geschikt is, teruggegeven—dan zou Nederland een schoon gedenkteeken van middeleeuwsche bouwkunst rijker zijn. Inderdaad, de Protestanten in ons land moesten gezond verstand en goeden smaak genoeg toonen te bezitten, om aan de Katholieken deze oude kerken te verkoopen, die toch bepaaldelijk voor hen gebouwd en ook alleen voor hunne eeredienst geschikt zijn. Voor de protestantsche godsdienstoefening, zoo geheel anders ingericht, zoo geheel andere eischen stellende en voor zoo geheel andere behoeften voldoening verlangende, zijn deze heerlijke middeleeuwsche kathedralen volstrekt onbruikbaar, tenzij dan dat men beginne met ze totaal te verknoeien. En dan nog! Wat akeligen indruk maken op de bezoekers dezer misvormde kerken, die doellooze, ongebruikte en onbruikbare ruimten: koor, transept, zijbeuken soms, waarmede men letterlijk niet weet wat aan te vangen. Gevoelt men het dan niet, dat men, samenkomende in de afgeperkte ruimte van het schip, soms ter nauwernood de helft van de kerk in bezit nemende, terwijl al het overige ledig blijft;—gevoelt men het niet, dat men zich aanstelt als een kleingeestig burgerman, toevallig in het kasteel van een vorst gehuisvest, en die nu, zelf met de hem niet passende woning verlegen, en beseffende dat hij daar niet behoort, een paar kamers voor zijn klein leven inricht, en het edele gebouw tot een wildernis maakt? Is daar geen stem, die een verwijt, eene beschuldiging fluistert wegens de onverantwoordelijke schennis, aan deze trotsche monumenten gepleegd, waar men ze door allerlei armzalige betimmeringen onkenbaar maakt, overal den blik door houten beschotten tegenhoudt, en den katholieken tempel zooveel mogelijk verhanselt tot eene hoogst ongeschikte, ondoelmatige gehoorzaal met min of meer gemakkelijke zitplaatsen? Welk een gansch anderen indruk zouden kerken als die te Utrecht, te Haarlem, te Gouda, en zoo vele anderen maken, indien zij aan hare oorspronkelijke bestemming werden wedergegeven, en in plaats van, voor de protestantsche godsdienst, slechte, onbeholpen spreekzalen te zijn, op nieuw werden herschapen in katholieke, harmonisch schoone, kathedralen. Mocht, al ware het alleen om der schoonheid en des goeden smaaks wille, deze dag der herstelling spoedig aanbreken!Te Goes vindt ge een oude herberg, die den naam draagt van het Slot van Oostende, en die ook inderdaad een overblijfsel is van den alouden ridderburcht van dien naam, waarschijnlijk door een der Heeren van Borsselen gesticht. Dit slot Oostende is vermoedelijk ouder dan de stad, die, als zoo vele anderen, zich langzamerhand in de schaduw van den sterken burcht zal hebben ontwikkeld, en die eerst in de vijftiende eeuw met stadsrechten werd begiftigd. Toen de goederen van Floris Van Borsselen, in de burgertwisten der veertiende eeuw, werden verbeurd verklaard, werd het slot Oostende door Graaf Willem III, aan zijn jongsten zoon, den ridderlijken Jan van Beaumont, geschonken; later kwam het weder aan de grafelijkheid, en geraakte in het begin der zestiende eeuw in bezit van hetadellijkgeslacht Van der Goes, welks wapen nog boven een der gangen gevonden wordt. In 1747 ging het, bij verkoop, over aan den Raad van State, die het tot een militair hospitaal inrichtte, maar het gebouw reeds in het volgende jaar aan de stad overdroeg, die het op hare beurt aan een partikulier verkocht. Nu werd het geheel veranderd, onkenbaar gemaakt, en tot herberg en logement ingericht, waartoe het heden nog dient. Voorwaar, niet veel is er van den ouden ridderburcht overig, tenzij dan de ruime, zwaar gewelfde kelders, die trouwens nog maar voor een klein deel toegankelijk zijn.Toch verdient ook dit treurig overblijfsel van hetadellijkslot uwe belangstelling; want groote, historische herinneringen zijn aan dit grijze gedenkteeken van den ouden tijd verbonden; herinneringen niet alleen aan de fiere, machtige Heeren van Borsselen, wier doorluchtig stamhuis zich in den nacht der eeuwen verliest, en die eeuwen lang aan het hoofd stonden van den zeeuwschen adel; niet alleen aan den edelen ridderlijken held, Jan van Beaumont; maar herinneringen vooral aan die beklagenswaardige Vorstinne, wier avontuurlijk leven en treurig lot haar eene onvergankelijke beroemdheid hebben verzekerd, en die nog altijd blijft voortleven in de heugenis des volks, dat althans haar naam in eere houdt, ook waar het van haar daden luttel weet:—Jacoba van Beieren. Even als haar vader, schijnt ook zij voor Goes een bijzondere voorliefde te hebben gekoesterd: althans reeds in het eerste jaar harer regeering schonk zij aan het open vlek stadsrechten, en, wat geen goede stad mocht ontbreken: muren en wallen. En toen zij later, na een veel bewogen leven, eindelijk den strijd tegen haar overmachtige vijanden moede, bezwijkende deels door den onvermijdelijken loop der dingen, deels door eigen, roekeloos opgeladen schuld, van de regeering afstand had gedaan, toen hield zij enkele malen, met haar gemaal Frank Van Borsselen, haar verblijf op ditzelfde slot Oostende. En al was zij geene gebiedende Vrouwe, geene regeerende Vorstinne meer, toch omgaf haar nog altijd genoeg van den vorstelijken luister, om den burcht, waar zij inkeerde, tot eenhofburchtte maken, die althans eenigermate een beeld vertoonde van den schitterenden luister van het hofleven der vijftiende eeuw. En ook al ware dit niet het geval geweest: was niet de tegenwoordigheid zelve der nog zoo jeugdige, zoo rampspoedige Vorstinne, die zoo veler hart had weten te betooveren en in geestdrift voor haar en hare zaak te ontvlammen, voldoende om de algemeene aandacht, de algemeene belangstelling te wekken, nog verlevendigd door de herinnering aan de weldaden, waarvoor de ontluikende stad haar had te danken? En de voormalige Landsvrouwe toonde zich nog niet vervreemd van haar volk. Was het niet bij gelegenheid van een dier oude volksfeesten, waarvan de herinnering hier nog voortleeft, bij het vogelschieten, dat zij zich, naar het loffelijke gebruik dier dagen, onder de schare mengde, en zelve deel nam aan den wedstrijd? Naar de overlevering wil,zou de Gravinne toen zelve, met eigen hand, den houten vogel, door een welgemikt schot, van zijn hoogen paal hebben doen tuimelen, waarop zij, mede naar aloude zede, door de schutters tot schutterkoningin werd uitgeroepen. En toen de bewoners der omliggende, aan de heerlijkheid van Goes onderhoorige dorpen, ’s Heer-Hendrikskinderen, Wissekerke, Baarsdorp, Sinoutskerke en ’s Heer-Abtskerke, haar met dien triomf kwamen geluk wenschen en geschenken aanbieden, toen toonde zij zich vorstelijk mild, door hun de vlastienden kwijt te schelden, zoo als het sedert gebleven is tot dezen dag. Alzoo leeft de herinnering van de bekoorlijke Gravinne nog altijd voort in het hart des volks, dat zij door een duurzame weldaad aan zich verbond.Wissekerke (Noord-Beveland)Wissekerke (Noord-Beveland)Maar ook nog een ander zichtbaar gedenkteeken is van haar gebleven. In den tuin van het aloude Slot van Oostende toont men u nog een overouden moerbeziënboom, onder welks schaduw, naar de overlevering verhaalt, de Vorstin meermalen zou neergezeten hebben. Mogen wij deze overlevering gelooven? Oud is de boom zeker; zijn stam is ter aarde gekromd en rust op steenen palen, maar nog altijd dragen zijne takken bladeren en vruchten, ook al is hij inwendig bijna geheel hol. Al heeft dan ook Jacoba van Beieren nimmer onder dezen zelfden boom gerust,—hij mag inderdaad gelden voor een getuige van vroeger eeuw, en stellig niet zonder oorzaak is haar naam aan dien ouden gebogen stam verbonden. Die naam geeft nog heden den boom beteekenis, en geen vreemdeling zal Goes bezoeken, zonder ook zijne schreden te richten naar den tuin der oude herberg, om daar een der relieken te aanschouwen van de in zoo menig opzicht merkwaardige vrouw, wier aantrekkelijke, in waarheid tragische figuur zoo beteekenisvol daar staat op den drempel van den nieuweren tijd, aan den uitgang der middeleeuwen, waarvan zij zelve, althans in sommige opzichten, eene getrouwe vertegenwoordigster was, voor wier traditioneele beginselen zij zelve kloekmoedig gestreden heeft, en in ’t einde als slachtoffer gevallen is.De kroon der jeugd.De kroon der jeugd.Goes bezat weleer, als iedere goede middeleeuwsche stad, hare schutterdoelens of schutterhoven, en wel ten getale van drie: het schuttershof van den handboog, dat van den voetboog, en het hof der kloveniers of schutters van de busse. Deze laatste schuttersdoelen is verdwenen; de beide anderen bestaan nog, doch hebben thans eene andere bestemming gekregen; in het schuttershof van den handboog vindt ge tegenwoordig een schouwburgzaal met bijbehoorende lokalen, een teekenschool, en een societeit, welke laatste de zinspreuk van het oude schuttersgilde:vanongeneuchten vrij, heeft behouden. Voorheen behoorden alle gezeten burgers der stad tot een dezer drie schuttersgilden, die tot het laatst der vorige eeuw zijn in stand gebleven, maar toen mede ondergegaan in den geweldigen storm, die zoo vele andere en gewichtiger instellingen van den ouden tijd omverwierp. Toch waren ook zij eerwaardige instellingen, die aloude schuttersgilden, zoo oud als de vrije steden en gemeenten, wier bescherming hunne voorname taak was, ja zelfs ouder nog; instellingen, geworteld in het volksleven, haar ontstaan niet dankende aan een geschreven wet of reglement, maar van zelve geworden en ontwikkeld en opgegroeid met het volk, en mede behoorende tot de eigenaardige kringen, waarin het gezonde, rijk geschakeerde, organisch gevormde leven der middeleeuwen zich bewoog. Tot verdediging der veste moest het schuttersgilde steeds vaardig zijn; maar het deed nog iets anders dan nu en dan soldaatje spelen in vredestijd: het was geen onsamenhangende hoop, alleen door dwang aldus te saam gebracht en tijdelijk gehouden: het was eene vrijwillige vereeniging van vrije poorters, eene corporatie, die hare eigene plaatsen van bijeenkomst had, hare eigene rechten en privilegiën, waarop zij trotsch was; die hare eigene feesten vierde, waaraan de halve bevolking der stad, meer of minder rechtstreeks, deel nam. Ook zij zijn voor altijd verdwenen, al is nog de herinnering aan het oude schuttersvermaak, het vogel- ofpapegaaischieten, niet geheel uitgestorven.Zoo wandelende, hadden wij al spoedig gezien, wat Goes bezienswaardigs oplevert. Morgen zullen wij onze voetreis door het eiland aanvangen.
X.Van Walcheren begeven wij ons naar Zuid-Beveland, in zijne tegenwoordige gestalte het grootste der zeeuwsche eilanden, volgens sommigen ook het schoonste. Dit laatste kan ik niet toegeven. Walcheren bezit in zijn duinstreek landschappen van eigenaardige schoonheid, waarnaar ge op Zuid-Beveland vergeefs zoeken zoudt. Zuid-Beveland, door de beide takken der Schelde en hare nevenstroomen omsloten, heeft geen duinen; daarentegen een groot aantal sierlijk beplante dijken, die tot rijwegen zijn ingericht, en van waar ge uw blik kunt laten weiden over vlakke velden, uitmuntende niet door romantische schoonheid of verrassende afwisseling van gezichtspunten, maar wel door zeldzame vruchtbaarheid, waarvan bij uitstek partij is getrokken. Verdient Walcheren den naam van den tuin, den lusthof van Zeeland, dan mag Zuid-Beveland met recht dien van Zeelands moestuin en boomgaard dragen: alle zeeuwsche gewassen, granen, beetwortel, boonen, gedijen hier in zeldzame mate. Nabij de oude stad Reimerswael, sedert meer dan twee eeuwen door de wateren verslonden, stond in vroeger tijd een klooster met den naamParadisus maris, het Paradijs der zee. Welnu, voor zoo ver ge aan dien naam van paradijs bij voorkeur het denkbeeld van weelderige vruchtbaarheid hecht, mag Zuid-Beveland nog op dien titel aanspraak maken.Ik sprak daar zoo even van Zuid-Beveland in zijne tegenwoordige gestalte, en niet ten onrechte. Immers, het eiland vertoonde zich vroeger geheel anders: het heeft, in den loop der eeuwen, zoowel terrein gewonnen en verloren, en is meer dan eens van gedaante gewisseld. Borsselen en Oost-Beveland, thans met Zuid-Beveland vereenigd, waren weleer afzonderlijke eilandjes; terwijl voor en na ook menige uiterwaard, menig schor, langzamerhand rijp geworden en door de terugtrekkende wateren verlaten, aan het vaste land is verbonden, en aldus de grenzen der bewoonbare aarde uitgebreid. Maar zijn, op sommige punten, de weleer breede stroomen, die het tegenwoordige Zuid-Beveland verdeelden of van de naburige eilanden scheidden, thans afgedamd of tot smalle rivierarmen en kreeken geslonken:—het water heeft zich gewroken over dat verlies en zich metwoekerwinstenschadeloos gesteld.Ook de geschiedenis van Zuid-Beveland is eene aaneenschakeling van wanhopige worstelingen met het geweld der wateren. Vooral in de veertiende en in de zestiende eeuw hooren wij telkens verhalen van geduchte watervloeden, die gansche uitgestrekte gedeelten van het eiland verwoesten. In 1288, in 1304, in 1324, in 1352, in 1375, storten zich de opgeruide golven over het geteisterde land, waarvan de inwoners nauwelijks den tijd hebben, adem te scheppen, en hunne telkens vernielde zeeweringen en dijken te herstellen. De vijftiende eeuw opent, op den 19denNovember des jaars 1404, met den vreeselijken Sint-Elisabethsvloed; en gaat die eeuw ook verder in betrekkelijke kalmte voorbij, de volgende zou met deste geduchter kracht de felle geesel zwaaien. De watervloeden van 1509 en 1511 zijn, als het ware, het voorspel van dien noodlottigen vijfden November 15301, dien verschrikkelijken Sint-Felixvloed, toen geheel het oostelijk gedeelte des eilands ten prooi werd der woedende wateren en ook Reimerswael de eerste doodelijke wonde ontving. En de grimmige vijand liet niet af: rusteloos hernieuwde hij zijn aanval: in 1532, in 1539, in 1551, in 1557, in 1561, in 1563, in 1570—telkens en telkens op nieuw bruisen de wilde wateren, nu hier dan daar, over het reddelooze land, dijken vernielende, akkers verwoestende, dorpen overstelpende, de moeizaam verworven vrucht van jaren arbeids in een oogwenk verdelgende.Bange en bittere dagen waren voor het bloeiende eiland gekomen. Bij herhaling door geweldige overstroomingen geteisterd, het geheele oostelijke kwartier voor goed verloren, herschapen in een waterwoestijn, een vaal moeras, bij iederen vloed door de golven overdekt—had Zuid-Beveland ook zwaar te lijden van de rampen des oorlogs. Tot in 1577 in spaansche macht gebleven, werd het eiland vijf jaren lang door de schepen der Prinsgezinden als het ware geblokkeerd, en van bijna alle gemeenschap met het overige van Zeeland afgesneden, zoodat alle handel stilstond. Daarbij kwamen herhaalde invallen en strooptochten, eerst van de Geuzen, later, na 1577, van de Spanjaarden: beiden er op uit om het vruchtbare, ook door zijne ligging zoo belangrijke eiland in hunne macht te krijgen of te houden. Tijdens het twaalfjarig bestand, werd Zuid-Beveland door een deel zijner bevolking, aan de katholieke kerk getrouw gebleven en deswege op velerlei wijze gekweld, verlaten; bij de hervatting der vijandelijkheden stond het weder aan nieuwe aanvallen bloot; zoodat het eenmaal zoo bloeiende eiland, toen eindelijk de vrede voor goed gesloten werd, in deerlijk verval verkeerde, arm aan bevolking en van welvaart beroofd.Sedert herstelde het zich langzamerhand van de geleden verliezen; ook de watervloeden werden zeldzamer; al behoefde ook nog in onze eeuw de vloed van 1808 in hevigheid niet voor velen zijner voorgangers te wijken. Toch, dank zij misschien de steeds meer volmaakte kunst van verdediging tegen het water, bleven de rampen, in den regel, meer beperkt tot enkele punten, en werd niet meer, als in vroeger eeuw, het grootste gedeelte van het eiland op eenmaal onder water gezet. Tegenwoordig is Zuid-Beveland eene welvarende streek, waar de landbouw op groote schaal en met voortreffelijk gevolg gedreven wordt. Het is een echt boerenland: in dien zin namelijk, dat er op het gansche eiland maar ééne stad, en dan nog wel eene van zeer bescheiden afmetingen, gevonden wordt, terwijl de gansche overige bevolking verdeeld is over een aantal dorpen, waaronder zeer fraaie en bezienswaardige.De spoortrein voerde ons, in minder dan een half uur, van Middelburg langs Arnemuiden, over het afgedamde Sloe, langs ’s Heer-Arendskerke, naar de eenige zuid-bevelandsche stad, naar Goes. Van hier uit zouden wij onze wandeling door het eiland beginnen.Goes is eene oude, zeer stille, niet zeer mooie stad, waar weinig te zien valt. Wij hadden onzen intrek genomen in een der eenvoudige logementen op de Groote markt, waar nog alles toeging met die echte oud-hollandsche eenvoudige huiselijkheid, die op vreemdelingen een zoo zonderlingen indruk maakt. Hier geen kellners, zich eenair de grand seigneurgevende; hier, geen pedantegarçons, die u met hun onuitstaanbaar fransch en nog onuitstaanbaarder hollandsch vervolgen; geenmaîtred’hotel, die u, voornamelijk als ge voetganger zijt, behandelt met al de voornaamheid, die den meester van een groot etablissement past; hier, niets van al dien praal, al dien glans, al die pracht en beweging, die nu eenmaal, in onze voorstelling, van groote hotels onafscheidelijk is. Och neen, hier niets van dat alles. Ge moet zelf de voordeur openen en de gelagkamer opzoeken, waar ge dan, achter de toonbank en voor een rijkelijk met glazen en karaffen voorzien buffet, de vrouw des huizes of eene harer dochters vinden zult, aan wie ge dan uw verzoek om een kamer hebt mede te deelen. Doorgaans is er, eer ge antwoord bekomt, eenig overleg met de andere huisgenooten noodig; was moeder de vrouw straks niet in de gelagkamer, dan verschijnt zij toch nu in persoon om uwe vraag aan te hooren en te beantwoorden. En wordt uw verzoek toegestaan, dan vliegen geen trippelende knechts u voor langs breede trappen: neen, de huisvrouw zelve of een der familieleden zal u, een donkeren smallen trap op, naar uwe kamer geleiden: uwe kamer, meestal laag van verdieping, donkergroen of hardgeel geverwd, met witte gordijnen voor de ramen, gekleurde platen in vergulde lijsten langs de wanden, en een groot ledikant in den hoek, tenzij er een bedstede gevonden wordt, in wier donkere diepte ge dan des avonds verdwijnt, veilig achter de vaak dubbele beschutting van deuren en gordijnen. Toch hebben zij hare goede zijde, die oud-hollandsche, aartsvaderlijke herbergen, waar de vreemde reiziger nog dikwijls, als hij zich niet al te zeer terugtrekt, als een lid des gezins wordt beschouwd.Op de vrij ruime, sierlijk beplante markt staat het stadhuis, een smakeloos gebouw, deels van oude dagteekening, deels in de vorige eeuw geheel vernieuwd, waarbij er natuurlijk niet aan gedacht is, dit nieuwe gedeelte in overeenstemming te brengen met hetgeen van het oude gebouw over bleef. Integendeel: boven op een ouden, zwaren, vierkanten toren, een middeleeuwsch monument, plaatste men een modernen koepel in den stijl der zeventiende eeuw, die bij den toren in het minst niet voegt en eene wonderlijke vertooning maakt. Ter zijde, achter het stadhuis, bevindt zich de ingang tot een der kruispanden van de groote kerk: een alleszins bezienswaardig monument van gothischearchitectuuruit de eerste helft der vijftiende eeuw, maar zoo zeer door huizen en nauwe stegen ingesloten, dat het bijna onzichtbaar is. De schoone, ruime kerk isinwendiggeheel bedorven door een muur, die haar in twee gedeelten splitst, waarvan het eenedoor de Hervormden, het andere door de Katholieken wordt gebruikt. Mocht deze wanstaltige muur eens worden weggeruimd, de kerk weder hersteld, en aan hare oorspronkelijke bestemming, namelijk de katholieke eeredienst, waarvoor zij alleen geschikt is, teruggegeven—dan zou Nederland een schoon gedenkteeken van middeleeuwsche bouwkunst rijker zijn. Inderdaad, de Protestanten in ons land moesten gezond verstand en goeden smaak genoeg toonen te bezitten, om aan de Katholieken deze oude kerken te verkoopen, die toch bepaaldelijk voor hen gebouwd en ook alleen voor hunne eeredienst geschikt zijn. Voor de protestantsche godsdienstoefening, zoo geheel anders ingericht, zoo geheel andere eischen stellende en voor zoo geheel andere behoeften voldoening verlangende, zijn deze heerlijke middeleeuwsche kathedralen volstrekt onbruikbaar, tenzij dan dat men beginne met ze totaal te verknoeien. En dan nog! Wat akeligen indruk maken op de bezoekers dezer misvormde kerken, die doellooze, ongebruikte en onbruikbare ruimten: koor, transept, zijbeuken soms, waarmede men letterlijk niet weet wat aan te vangen. Gevoelt men het dan niet, dat men, samenkomende in de afgeperkte ruimte van het schip, soms ter nauwernood de helft van de kerk in bezit nemende, terwijl al het overige ledig blijft;—gevoelt men het niet, dat men zich aanstelt als een kleingeestig burgerman, toevallig in het kasteel van een vorst gehuisvest, en die nu, zelf met de hem niet passende woning verlegen, en beseffende dat hij daar niet behoort, een paar kamers voor zijn klein leven inricht, en het edele gebouw tot een wildernis maakt? Is daar geen stem, die een verwijt, eene beschuldiging fluistert wegens de onverantwoordelijke schennis, aan deze trotsche monumenten gepleegd, waar men ze door allerlei armzalige betimmeringen onkenbaar maakt, overal den blik door houten beschotten tegenhoudt, en den katholieken tempel zooveel mogelijk verhanselt tot eene hoogst ongeschikte, ondoelmatige gehoorzaal met min of meer gemakkelijke zitplaatsen? Welk een gansch anderen indruk zouden kerken als die te Utrecht, te Haarlem, te Gouda, en zoo vele anderen maken, indien zij aan hare oorspronkelijke bestemming werden wedergegeven, en in plaats van, voor de protestantsche godsdienst, slechte, onbeholpen spreekzalen te zijn, op nieuw werden herschapen in katholieke, harmonisch schoone, kathedralen. Mocht, al ware het alleen om der schoonheid en des goeden smaaks wille, deze dag der herstelling spoedig aanbreken!Te Goes vindt ge een oude herberg, die den naam draagt van het Slot van Oostende, en die ook inderdaad een overblijfsel is van den alouden ridderburcht van dien naam, waarschijnlijk door een der Heeren van Borsselen gesticht. Dit slot Oostende is vermoedelijk ouder dan de stad, die, als zoo vele anderen, zich langzamerhand in de schaduw van den sterken burcht zal hebben ontwikkeld, en die eerst in de vijftiende eeuw met stadsrechten werd begiftigd. Toen de goederen van Floris Van Borsselen, in de burgertwisten der veertiende eeuw, werden verbeurd verklaard, werd het slot Oostende door Graaf Willem III, aan zijn jongsten zoon, den ridderlijken Jan van Beaumont, geschonken; later kwam het weder aan de grafelijkheid, en geraakte in het begin der zestiende eeuw in bezit van hetadellijkgeslacht Van der Goes, welks wapen nog boven een der gangen gevonden wordt. In 1747 ging het, bij verkoop, over aan den Raad van State, die het tot een militair hospitaal inrichtte, maar het gebouw reeds in het volgende jaar aan de stad overdroeg, die het op hare beurt aan een partikulier verkocht. Nu werd het geheel veranderd, onkenbaar gemaakt, en tot herberg en logement ingericht, waartoe het heden nog dient. Voorwaar, niet veel is er van den ouden ridderburcht overig, tenzij dan de ruime, zwaar gewelfde kelders, die trouwens nog maar voor een klein deel toegankelijk zijn.Toch verdient ook dit treurig overblijfsel van hetadellijkslot uwe belangstelling; want groote, historische herinneringen zijn aan dit grijze gedenkteeken van den ouden tijd verbonden; herinneringen niet alleen aan de fiere, machtige Heeren van Borsselen, wier doorluchtig stamhuis zich in den nacht der eeuwen verliest, en die eeuwen lang aan het hoofd stonden van den zeeuwschen adel; niet alleen aan den edelen ridderlijken held, Jan van Beaumont; maar herinneringen vooral aan die beklagenswaardige Vorstinne, wier avontuurlijk leven en treurig lot haar eene onvergankelijke beroemdheid hebben verzekerd, en die nog altijd blijft voortleven in de heugenis des volks, dat althans haar naam in eere houdt, ook waar het van haar daden luttel weet:—Jacoba van Beieren. Even als haar vader, schijnt ook zij voor Goes een bijzondere voorliefde te hebben gekoesterd: althans reeds in het eerste jaar harer regeering schonk zij aan het open vlek stadsrechten, en, wat geen goede stad mocht ontbreken: muren en wallen. En toen zij later, na een veel bewogen leven, eindelijk den strijd tegen haar overmachtige vijanden moede, bezwijkende deels door den onvermijdelijken loop der dingen, deels door eigen, roekeloos opgeladen schuld, van de regeering afstand had gedaan, toen hield zij enkele malen, met haar gemaal Frank Van Borsselen, haar verblijf op ditzelfde slot Oostende. En al was zij geene gebiedende Vrouwe, geene regeerende Vorstinne meer, toch omgaf haar nog altijd genoeg van den vorstelijken luister, om den burcht, waar zij inkeerde, tot eenhofburchtte maken, die althans eenigermate een beeld vertoonde van den schitterenden luister van het hofleven der vijftiende eeuw. En ook al ware dit niet het geval geweest: was niet de tegenwoordigheid zelve der nog zoo jeugdige, zoo rampspoedige Vorstinne, die zoo veler hart had weten te betooveren en in geestdrift voor haar en hare zaak te ontvlammen, voldoende om de algemeene aandacht, de algemeene belangstelling te wekken, nog verlevendigd door de herinnering aan de weldaden, waarvoor de ontluikende stad haar had te danken? En de voormalige Landsvrouwe toonde zich nog niet vervreemd van haar volk. Was het niet bij gelegenheid van een dier oude volksfeesten, waarvan de herinnering hier nog voortleeft, bij het vogelschieten, dat zij zich, naar het loffelijke gebruik dier dagen, onder de schare mengde, en zelve deel nam aan den wedstrijd? Naar de overlevering wil,zou de Gravinne toen zelve, met eigen hand, den houten vogel, door een welgemikt schot, van zijn hoogen paal hebben doen tuimelen, waarop zij, mede naar aloude zede, door de schutters tot schutterkoningin werd uitgeroepen. En toen de bewoners der omliggende, aan de heerlijkheid van Goes onderhoorige dorpen, ’s Heer-Hendrikskinderen, Wissekerke, Baarsdorp, Sinoutskerke en ’s Heer-Abtskerke, haar met dien triomf kwamen geluk wenschen en geschenken aanbieden, toen toonde zij zich vorstelijk mild, door hun de vlastienden kwijt te schelden, zoo als het sedert gebleven is tot dezen dag. Alzoo leeft de herinnering van de bekoorlijke Gravinne nog altijd voort in het hart des volks, dat zij door een duurzame weldaad aan zich verbond.Wissekerke (Noord-Beveland)Wissekerke (Noord-Beveland)Maar ook nog een ander zichtbaar gedenkteeken is van haar gebleven. In den tuin van het aloude Slot van Oostende toont men u nog een overouden moerbeziënboom, onder welks schaduw, naar de overlevering verhaalt, de Vorstin meermalen zou neergezeten hebben. Mogen wij deze overlevering gelooven? Oud is de boom zeker; zijn stam is ter aarde gekromd en rust op steenen palen, maar nog altijd dragen zijne takken bladeren en vruchten, ook al is hij inwendig bijna geheel hol. Al heeft dan ook Jacoba van Beieren nimmer onder dezen zelfden boom gerust,—hij mag inderdaad gelden voor een getuige van vroeger eeuw, en stellig niet zonder oorzaak is haar naam aan dien ouden gebogen stam verbonden. Die naam geeft nog heden den boom beteekenis, en geen vreemdeling zal Goes bezoeken, zonder ook zijne schreden te richten naar den tuin der oude herberg, om daar een der relieken te aanschouwen van de in zoo menig opzicht merkwaardige vrouw, wier aantrekkelijke, in waarheid tragische figuur zoo beteekenisvol daar staat op den drempel van den nieuweren tijd, aan den uitgang der middeleeuwen, waarvan zij zelve, althans in sommige opzichten, eene getrouwe vertegenwoordigster was, voor wier traditioneele beginselen zij zelve kloekmoedig gestreden heeft, en in ’t einde als slachtoffer gevallen is.De kroon der jeugd.De kroon der jeugd.Goes bezat weleer, als iedere goede middeleeuwsche stad, hare schutterdoelens of schutterhoven, en wel ten getale van drie: het schuttershof van den handboog, dat van den voetboog, en het hof der kloveniers of schutters van de busse. Deze laatste schuttersdoelen is verdwenen; de beide anderen bestaan nog, doch hebben thans eene andere bestemming gekregen; in het schuttershof van den handboog vindt ge tegenwoordig een schouwburgzaal met bijbehoorende lokalen, een teekenschool, en een societeit, welke laatste de zinspreuk van het oude schuttersgilde:vanongeneuchten vrij, heeft behouden. Voorheen behoorden alle gezeten burgers der stad tot een dezer drie schuttersgilden, die tot het laatst der vorige eeuw zijn in stand gebleven, maar toen mede ondergegaan in den geweldigen storm, die zoo vele andere en gewichtiger instellingen van den ouden tijd omverwierp. Toch waren ook zij eerwaardige instellingen, die aloude schuttersgilden, zoo oud als de vrije steden en gemeenten, wier bescherming hunne voorname taak was, ja zelfs ouder nog; instellingen, geworteld in het volksleven, haar ontstaan niet dankende aan een geschreven wet of reglement, maar van zelve geworden en ontwikkeld en opgegroeid met het volk, en mede behoorende tot de eigenaardige kringen, waarin het gezonde, rijk geschakeerde, organisch gevormde leven der middeleeuwen zich bewoog. Tot verdediging der veste moest het schuttersgilde steeds vaardig zijn; maar het deed nog iets anders dan nu en dan soldaatje spelen in vredestijd: het was geen onsamenhangende hoop, alleen door dwang aldus te saam gebracht en tijdelijk gehouden: het was eene vrijwillige vereeniging van vrije poorters, eene corporatie, die hare eigene plaatsen van bijeenkomst had, hare eigene rechten en privilegiën, waarop zij trotsch was; die hare eigene feesten vierde, waaraan de halve bevolking der stad, meer of minder rechtstreeks, deel nam. Ook zij zijn voor altijd verdwenen, al is nog de herinnering aan het oude schuttersvermaak, het vogel- ofpapegaaischieten, niet geheel uitgestorven.Zoo wandelende, hadden wij al spoedig gezien, wat Goes bezienswaardigs oplevert. Morgen zullen wij onze voetreis door het eiland aanvangen.
X.Van Walcheren begeven wij ons naar Zuid-Beveland, in zijne tegenwoordige gestalte het grootste der zeeuwsche eilanden, volgens sommigen ook het schoonste. Dit laatste kan ik niet toegeven. Walcheren bezit in zijn duinstreek landschappen van eigenaardige schoonheid, waarnaar ge op Zuid-Beveland vergeefs zoeken zoudt. Zuid-Beveland, door de beide takken der Schelde en hare nevenstroomen omsloten, heeft geen duinen; daarentegen een groot aantal sierlijk beplante dijken, die tot rijwegen zijn ingericht, en van waar ge uw blik kunt laten weiden over vlakke velden, uitmuntende niet door romantische schoonheid of verrassende afwisseling van gezichtspunten, maar wel door zeldzame vruchtbaarheid, waarvan bij uitstek partij is getrokken. Verdient Walcheren den naam van den tuin, den lusthof van Zeeland, dan mag Zuid-Beveland met recht dien van Zeelands moestuin en boomgaard dragen: alle zeeuwsche gewassen, granen, beetwortel, boonen, gedijen hier in zeldzame mate. Nabij de oude stad Reimerswael, sedert meer dan twee eeuwen door de wateren verslonden, stond in vroeger tijd een klooster met den naamParadisus maris, het Paradijs der zee. Welnu, voor zoo ver ge aan dien naam van paradijs bij voorkeur het denkbeeld van weelderige vruchtbaarheid hecht, mag Zuid-Beveland nog op dien titel aanspraak maken.Ik sprak daar zoo even van Zuid-Beveland in zijne tegenwoordige gestalte, en niet ten onrechte. Immers, het eiland vertoonde zich vroeger geheel anders: het heeft, in den loop der eeuwen, zoowel terrein gewonnen en verloren, en is meer dan eens van gedaante gewisseld. Borsselen en Oost-Beveland, thans met Zuid-Beveland vereenigd, waren weleer afzonderlijke eilandjes; terwijl voor en na ook menige uiterwaard, menig schor, langzamerhand rijp geworden en door de terugtrekkende wateren verlaten, aan het vaste land is verbonden, en aldus de grenzen der bewoonbare aarde uitgebreid. Maar zijn, op sommige punten, de weleer breede stroomen, die het tegenwoordige Zuid-Beveland verdeelden of van de naburige eilanden scheidden, thans afgedamd of tot smalle rivierarmen en kreeken geslonken:—het water heeft zich gewroken over dat verlies en zich metwoekerwinstenschadeloos gesteld.Ook de geschiedenis van Zuid-Beveland is eene aaneenschakeling van wanhopige worstelingen met het geweld der wateren. Vooral in de veertiende en in de zestiende eeuw hooren wij telkens verhalen van geduchte watervloeden, die gansche uitgestrekte gedeelten van het eiland verwoesten. In 1288, in 1304, in 1324, in 1352, in 1375, storten zich de opgeruide golven over het geteisterde land, waarvan de inwoners nauwelijks den tijd hebben, adem te scheppen, en hunne telkens vernielde zeeweringen en dijken te herstellen. De vijftiende eeuw opent, op den 19denNovember des jaars 1404, met den vreeselijken Sint-Elisabethsvloed; en gaat die eeuw ook verder in betrekkelijke kalmte voorbij, de volgende zou met deste geduchter kracht de felle geesel zwaaien. De watervloeden van 1509 en 1511 zijn, als het ware, het voorspel van dien noodlottigen vijfden November 15301, dien verschrikkelijken Sint-Felixvloed, toen geheel het oostelijk gedeelte des eilands ten prooi werd der woedende wateren en ook Reimerswael de eerste doodelijke wonde ontving. En de grimmige vijand liet niet af: rusteloos hernieuwde hij zijn aanval: in 1532, in 1539, in 1551, in 1557, in 1561, in 1563, in 1570—telkens en telkens op nieuw bruisen de wilde wateren, nu hier dan daar, over het reddelooze land, dijken vernielende, akkers verwoestende, dorpen overstelpende, de moeizaam verworven vrucht van jaren arbeids in een oogwenk verdelgende.Bange en bittere dagen waren voor het bloeiende eiland gekomen. Bij herhaling door geweldige overstroomingen geteisterd, het geheele oostelijke kwartier voor goed verloren, herschapen in een waterwoestijn, een vaal moeras, bij iederen vloed door de golven overdekt—had Zuid-Beveland ook zwaar te lijden van de rampen des oorlogs. Tot in 1577 in spaansche macht gebleven, werd het eiland vijf jaren lang door de schepen der Prinsgezinden als het ware geblokkeerd, en van bijna alle gemeenschap met het overige van Zeeland afgesneden, zoodat alle handel stilstond. Daarbij kwamen herhaalde invallen en strooptochten, eerst van de Geuzen, later, na 1577, van de Spanjaarden: beiden er op uit om het vruchtbare, ook door zijne ligging zoo belangrijke eiland in hunne macht te krijgen of te houden. Tijdens het twaalfjarig bestand, werd Zuid-Beveland door een deel zijner bevolking, aan de katholieke kerk getrouw gebleven en deswege op velerlei wijze gekweld, verlaten; bij de hervatting der vijandelijkheden stond het weder aan nieuwe aanvallen bloot; zoodat het eenmaal zoo bloeiende eiland, toen eindelijk de vrede voor goed gesloten werd, in deerlijk verval verkeerde, arm aan bevolking en van welvaart beroofd.Sedert herstelde het zich langzamerhand van de geleden verliezen; ook de watervloeden werden zeldzamer; al behoefde ook nog in onze eeuw de vloed van 1808 in hevigheid niet voor velen zijner voorgangers te wijken. Toch, dank zij misschien de steeds meer volmaakte kunst van verdediging tegen het water, bleven de rampen, in den regel, meer beperkt tot enkele punten, en werd niet meer, als in vroeger eeuw, het grootste gedeelte van het eiland op eenmaal onder water gezet. Tegenwoordig is Zuid-Beveland eene welvarende streek, waar de landbouw op groote schaal en met voortreffelijk gevolg gedreven wordt. Het is een echt boerenland: in dien zin namelijk, dat er op het gansche eiland maar ééne stad, en dan nog wel eene van zeer bescheiden afmetingen, gevonden wordt, terwijl de gansche overige bevolking verdeeld is over een aantal dorpen, waaronder zeer fraaie en bezienswaardige.De spoortrein voerde ons, in minder dan een half uur, van Middelburg langs Arnemuiden, over het afgedamde Sloe, langs ’s Heer-Arendskerke, naar de eenige zuid-bevelandsche stad, naar Goes. Van hier uit zouden wij onze wandeling door het eiland beginnen.Goes is eene oude, zeer stille, niet zeer mooie stad, waar weinig te zien valt. Wij hadden onzen intrek genomen in een der eenvoudige logementen op de Groote markt, waar nog alles toeging met die echte oud-hollandsche eenvoudige huiselijkheid, die op vreemdelingen een zoo zonderlingen indruk maakt. Hier geen kellners, zich eenair de grand seigneurgevende; hier, geen pedantegarçons, die u met hun onuitstaanbaar fransch en nog onuitstaanbaarder hollandsch vervolgen; geenmaîtred’hotel, die u, voornamelijk als ge voetganger zijt, behandelt met al de voornaamheid, die den meester van een groot etablissement past; hier, niets van al dien praal, al dien glans, al die pracht en beweging, die nu eenmaal, in onze voorstelling, van groote hotels onafscheidelijk is. Och neen, hier niets van dat alles. Ge moet zelf de voordeur openen en de gelagkamer opzoeken, waar ge dan, achter de toonbank en voor een rijkelijk met glazen en karaffen voorzien buffet, de vrouw des huizes of eene harer dochters vinden zult, aan wie ge dan uw verzoek om een kamer hebt mede te deelen. Doorgaans is er, eer ge antwoord bekomt, eenig overleg met de andere huisgenooten noodig; was moeder de vrouw straks niet in de gelagkamer, dan verschijnt zij toch nu in persoon om uwe vraag aan te hooren en te beantwoorden. En wordt uw verzoek toegestaan, dan vliegen geen trippelende knechts u voor langs breede trappen: neen, de huisvrouw zelve of een der familieleden zal u, een donkeren smallen trap op, naar uwe kamer geleiden: uwe kamer, meestal laag van verdieping, donkergroen of hardgeel geverwd, met witte gordijnen voor de ramen, gekleurde platen in vergulde lijsten langs de wanden, en een groot ledikant in den hoek, tenzij er een bedstede gevonden wordt, in wier donkere diepte ge dan des avonds verdwijnt, veilig achter de vaak dubbele beschutting van deuren en gordijnen. Toch hebben zij hare goede zijde, die oud-hollandsche, aartsvaderlijke herbergen, waar de vreemde reiziger nog dikwijls, als hij zich niet al te zeer terugtrekt, als een lid des gezins wordt beschouwd.Op de vrij ruime, sierlijk beplante markt staat het stadhuis, een smakeloos gebouw, deels van oude dagteekening, deels in de vorige eeuw geheel vernieuwd, waarbij er natuurlijk niet aan gedacht is, dit nieuwe gedeelte in overeenstemming te brengen met hetgeen van het oude gebouw over bleef. Integendeel: boven op een ouden, zwaren, vierkanten toren, een middeleeuwsch monument, plaatste men een modernen koepel in den stijl der zeventiende eeuw, die bij den toren in het minst niet voegt en eene wonderlijke vertooning maakt. Ter zijde, achter het stadhuis, bevindt zich de ingang tot een der kruispanden van de groote kerk: een alleszins bezienswaardig monument van gothischearchitectuuruit de eerste helft der vijftiende eeuw, maar zoo zeer door huizen en nauwe stegen ingesloten, dat het bijna onzichtbaar is. De schoone, ruime kerk isinwendiggeheel bedorven door een muur, die haar in twee gedeelten splitst, waarvan het eenedoor de Hervormden, het andere door de Katholieken wordt gebruikt. Mocht deze wanstaltige muur eens worden weggeruimd, de kerk weder hersteld, en aan hare oorspronkelijke bestemming, namelijk de katholieke eeredienst, waarvoor zij alleen geschikt is, teruggegeven—dan zou Nederland een schoon gedenkteeken van middeleeuwsche bouwkunst rijker zijn. Inderdaad, de Protestanten in ons land moesten gezond verstand en goeden smaak genoeg toonen te bezitten, om aan de Katholieken deze oude kerken te verkoopen, die toch bepaaldelijk voor hen gebouwd en ook alleen voor hunne eeredienst geschikt zijn. Voor de protestantsche godsdienstoefening, zoo geheel anders ingericht, zoo geheel andere eischen stellende en voor zoo geheel andere behoeften voldoening verlangende, zijn deze heerlijke middeleeuwsche kathedralen volstrekt onbruikbaar, tenzij dan dat men beginne met ze totaal te verknoeien. En dan nog! Wat akeligen indruk maken op de bezoekers dezer misvormde kerken, die doellooze, ongebruikte en onbruikbare ruimten: koor, transept, zijbeuken soms, waarmede men letterlijk niet weet wat aan te vangen. Gevoelt men het dan niet, dat men, samenkomende in de afgeperkte ruimte van het schip, soms ter nauwernood de helft van de kerk in bezit nemende, terwijl al het overige ledig blijft;—gevoelt men het niet, dat men zich aanstelt als een kleingeestig burgerman, toevallig in het kasteel van een vorst gehuisvest, en die nu, zelf met de hem niet passende woning verlegen, en beseffende dat hij daar niet behoort, een paar kamers voor zijn klein leven inricht, en het edele gebouw tot een wildernis maakt? Is daar geen stem, die een verwijt, eene beschuldiging fluistert wegens de onverantwoordelijke schennis, aan deze trotsche monumenten gepleegd, waar men ze door allerlei armzalige betimmeringen onkenbaar maakt, overal den blik door houten beschotten tegenhoudt, en den katholieken tempel zooveel mogelijk verhanselt tot eene hoogst ongeschikte, ondoelmatige gehoorzaal met min of meer gemakkelijke zitplaatsen? Welk een gansch anderen indruk zouden kerken als die te Utrecht, te Haarlem, te Gouda, en zoo vele anderen maken, indien zij aan hare oorspronkelijke bestemming werden wedergegeven, en in plaats van, voor de protestantsche godsdienst, slechte, onbeholpen spreekzalen te zijn, op nieuw werden herschapen in katholieke, harmonisch schoone, kathedralen. Mocht, al ware het alleen om der schoonheid en des goeden smaaks wille, deze dag der herstelling spoedig aanbreken!Te Goes vindt ge een oude herberg, die den naam draagt van het Slot van Oostende, en die ook inderdaad een overblijfsel is van den alouden ridderburcht van dien naam, waarschijnlijk door een der Heeren van Borsselen gesticht. Dit slot Oostende is vermoedelijk ouder dan de stad, die, als zoo vele anderen, zich langzamerhand in de schaduw van den sterken burcht zal hebben ontwikkeld, en die eerst in de vijftiende eeuw met stadsrechten werd begiftigd. Toen de goederen van Floris Van Borsselen, in de burgertwisten der veertiende eeuw, werden verbeurd verklaard, werd het slot Oostende door Graaf Willem III, aan zijn jongsten zoon, den ridderlijken Jan van Beaumont, geschonken; later kwam het weder aan de grafelijkheid, en geraakte in het begin der zestiende eeuw in bezit van hetadellijkgeslacht Van der Goes, welks wapen nog boven een der gangen gevonden wordt. In 1747 ging het, bij verkoop, over aan den Raad van State, die het tot een militair hospitaal inrichtte, maar het gebouw reeds in het volgende jaar aan de stad overdroeg, die het op hare beurt aan een partikulier verkocht. Nu werd het geheel veranderd, onkenbaar gemaakt, en tot herberg en logement ingericht, waartoe het heden nog dient. Voorwaar, niet veel is er van den ouden ridderburcht overig, tenzij dan de ruime, zwaar gewelfde kelders, die trouwens nog maar voor een klein deel toegankelijk zijn.Toch verdient ook dit treurig overblijfsel van hetadellijkslot uwe belangstelling; want groote, historische herinneringen zijn aan dit grijze gedenkteeken van den ouden tijd verbonden; herinneringen niet alleen aan de fiere, machtige Heeren van Borsselen, wier doorluchtig stamhuis zich in den nacht der eeuwen verliest, en die eeuwen lang aan het hoofd stonden van den zeeuwschen adel; niet alleen aan den edelen ridderlijken held, Jan van Beaumont; maar herinneringen vooral aan die beklagenswaardige Vorstinne, wier avontuurlijk leven en treurig lot haar eene onvergankelijke beroemdheid hebben verzekerd, en die nog altijd blijft voortleven in de heugenis des volks, dat althans haar naam in eere houdt, ook waar het van haar daden luttel weet:—Jacoba van Beieren. Even als haar vader, schijnt ook zij voor Goes een bijzondere voorliefde te hebben gekoesterd: althans reeds in het eerste jaar harer regeering schonk zij aan het open vlek stadsrechten, en, wat geen goede stad mocht ontbreken: muren en wallen. En toen zij later, na een veel bewogen leven, eindelijk den strijd tegen haar overmachtige vijanden moede, bezwijkende deels door den onvermijdelijken loop der dingen, deels door eigen, roekeloos opgeladen schuld, van de regeering afstand had gedaan, toen hield zij enkele malen, met haar gemaal Frank Van Borsselen, haar verblijf op ditzelfde slot Oostende. En al was zij geene gebiedende Vrouwe, geene regeerende Vorstinne meer, toch omgaf haar nog altijd genoeg van den vorstelijken luister, om den burcht, waar zij inkeerde, tot eenhofburchtte maken, die althans eenigermate een beeld vertoonde van den schitterenden luister van het hofleven der vijftiende eeuw. En ook al ware dit niet het geval geweest: was niet de tegenwoordigheid zelve der nog zoo jeugdige, zoo rampspoedige Vorstinne, die zoo veler hart had weten te betooveren en in geestdrift voor haar en hare zaak te ontvlammen, voldoende om de algemeene aandacht, de algemeene belangstelling te wekken, nog verlevendigd door de herinnering aan de weldaden, waarvoor de ontluikende stad haar had te danken? En de voormalige Landsvrouwe toonde zich nog niet vervreemd van haar volk. Was het niet bij gelegenheid van een dier oude volksfeesten, waarvan de herinnering hier nog voortleeft, bij het vogelschieten, dat zij zich, naar het loffelijke gebruik dier dagen, onder de schare mengde, en zelve deel nam aan den wedstrijd? Naar de overlevering wil,zou de Gravinne toen zelve, met eigen hand, den houten vogel, door een welgemikt schot, van zijn hoogen paal hebben doen tuimelen, waarop zij, mede naar aloude zede, door de schutters tot schutterkoningin werd uitgeroepen. En toen de bewoners der omliggende, aan de heerlijkheid van Goes onderhoorige dorpen, ’s Heer-Hendrikskinderen, Wissekerke, Baarsdorp, Sinoutskerke en ’s Heer-Abtskerke, haar met dien triomf kwamen geluk wenschen en geschenken aanbieden, toen toonde zij zich vorstelijk mild, door hun de vlastienden kwijt te schelden, zoo als het sedert gebleven is tot dezen dag. Alzoo leeft de herinnering van de bekoorlijke Gravinne nog altijd voort in het hart des volks, dat zij door een duurzame weldaad aan zich verbond.Wissekerke (Noord-Beveland)Wissekerke (Noord-Beveland)Maar ook nog een ander zichtbaar gedenkteeken is van haar gebleven. In den tuin van het aloude Slot van Oostende toont men u nog een overouden moerbeziënboom, onder welks schaduw, naar de overlevering verhaalt, de Vorstin meermalen zou neergezeten hebben. Mogen wij deze overlevering gelooven? Oud is de boom zeker; zijn stam is ter aarde gekromd en rust op steenen palen, maar nog altijd dragen zijne takken bladeren en vruchten, ook al is hij inwendig bijna geheel hol. Al heeft dan ook Jacoba van Beieren nimmer onder dezen zelfden boom gerust,—hij mag inderdaad gelden voor een getuige van vroeger eeuw, en stellig niet zonder oorzaak is haar naam aan dien ouden gebogen stam verbonden. Die naam geeft nog heden den boom beteekenis, en geen vreemdeling zal Goes bezoeken, zonder ook zijne schreden te richten naar den tuin der oude herberg, om daar een der relieken te aanschouwen van de in zoo menig opzicht merkwaardige vrouw, wier aantrekkelijke, in waarheid tragische figuur zoo beteekenisvol daar staat op den drempel van den nieuweren tijd, aan den uitgang der middeleeuwen, waarvan zij zelve, althans in sommige opzichten, eene getrouwe vertegenwoordigster was, voor wier traditioneele beginselen zij zelve kloekmoedig gestreden heeft, en in ’t einde als slachtoffer gevallen is.De kroon der jeugd.De kroon der jeugd.Goes bezat weleer, als iedere goede middeleeuwsche stad, hare schutterdoelens of schutterhoven, en wel ten getale van drie: het schuttershof van den handboog, dat van den voetboog, en het hof der kloveniers of schutters van de busse. Deze laatste schuttersdoelen is verdwenen; de beide anderen bestaan nog, doch hebben thans eene andere bestemming gekregen; in het schuttershof van den handboog vindt ge tegenwoordig een schouwburgzaal met bijbehoorende lokalen, een teekenschool, en een societeit, welke laatste de zinspreuk van het oude schuttersgilde:vanongeneuchten vrij, heeft behouden. Voorheen behoorden alle gezeten burgers der stad tot een dezer drie schuttersgilden, die tot het laatst der vorige eeuw zijn in stand gebleven, maar toen mede ondergegaan in den geweldigen storm, die zoo vele andere en gewichtiger instellingen van den ouden tijd omverwierp. Toch waren ook zij eerwaardige instellingen, die aloude schuttersgilden, zoo oud als de vrije steden en gemeenten, wier bescherming hunne voorname taak was, ja zelfs ouder nog; instellingen, geworteld in het volksleven, haar ontstaan niet dankende aan een geschreven wet of reglement, maar van zelve geworden en ontwikkeld en opgegroeid met het volk, en mede behoorende tot de eigenaardige kringen, waarin het gezonde, rijk geschakeerde, organisch gevormde leven der middeleeuwen zich bewoog. Tot verdediging der veste moest het schuttersgilde steeds vaardig zijn; maar het deed nog iets anders dan nu en dan soldaatje spelen in vredestijd: het was geen onsamenhangende hoop, alleen door dwang aldus te saam gebracht en tijdelijk gehouden: het was eene vrijwillige vereeniging van vrije poorters, eene corporatie, die hare eigene plaatsen van bijeenkomst had, hare eigene rechten en privilegiën, waarop zij trotsch was; die hare eigene feesten vierde, waaraan de halve bevolking der stad, meer of minder rechtstreeks, deel nam. Ook zij zijn voor altijd verdwenen, al is nog de herinnering aan het oude schuttersvermaak, het vogel- ofpapegaaischieten, niet geheel uitgestorven.Zoo wandelende, hadden wij al spoedig gezien, wat Goes bezienswaardigs oplevert. Morgen zullen wij onze voetreis door het eiland aanvangen.
X.Van Walcheren begeven wij ons naar Zuid-Beveland, in zijne tegenwoordige gestalte het grootste der zeeuwsche eilanden, volgens sommigen ook het schoonste. Dit laatste kan ik niet toegeven. Walcheren bezit in zijn duinstreek landschappen van eigenaardige schoonheid, waarnaar ge op Zuid-Beveland vergeefs zoeken zoudt. Zuid-Beveland, door de beide takken der Schelde en hare nevenstroomen omsloten, heeft geen duinen; daarentegen een groot aantal sierlijk beplante dijken, die tot rijwegen zijn ingericht, en van waar ge uw blik kunt laten weiden over vlakke velden, uitmuntende niet door romantische schoonheid of verrassende afwisseling van gezichtspunten, maar wel door zeldzame vruchtbaarheid, waarvan bij uitstek partij is getrokken. Verdient Walcheren den naam van den tuin, den lusthof van Zeeland, dan mag Zuid-Beveland met recht dien van Zeelands moestuin en boomgaard dragen: alle zeeuwsche gewassen, granen, beetwortel, boonen, gedijen hier in zeldzame mate. Nabij de oude stad Reimerswael, sedert meer dan twee eeuwen door de wateren verslonden, stond in vroeger tijd een klooster met den naamParadisus maris, het Paradijs der zee. Welnu, voor zoo ver ge aan dien naam van paradijs bij voorkeur het denkbeeld van weelderige vruchtbaarheid hecht, mag Zuid-Beveland nog op dien titel aanspraak maken.Ik sprak daar zoo even van Zuid-Beveland in zijne tegenwoordige gestalte, en niet ten onrechte. Immers, het eiland vertoonde zich vroeger geheel anders: het heeft, in den loop der eeuwen, zoowel terrein gewonnen en verloren, en is meer dan eens van gedaante gewisseld. Borsselen en Oost-Beveland, thans met Zuid-Beveland vereenigd, waren weleer afzonderlijke eilandjes; terwijl voor en na ook menige uiterwaard, menig schor, langzamerhand rijp geworden en door de terugtrekkende wateren verlaten, aan het vaste land is verbonden, en aldus de grenzen der bewoonbare aarde uitgebreid. Maar zijn, op sommige punten, de weleer breede stroomen, die het tegenwoordige Zuid-Beveland verdeelden of van de naburige eilanden scheidden, thans afgedamd of tot smalle rivierarmen en kreeken geslonken:—het water heeft zich gewroken over dat verlies en zich metwoekerwinstenschadeloos gesteld.Ook de geschiedenis van Zuid-Beveland is eene aaneenschakeling van wanhopige worstelingen met het geweld der wateren. Vooral in de veertiende en in de zestiende eeuw hooren wij telkens verhalen van geduchte watervloeden, die gansche uitgestrekte gedeelten van het eiland verwoesten. In 1288, in 1304, in 1324, in 1352, in 1375, storten zich de opgeruide golven over het geteisterde land, waarvan de inwoners nauwelijks den tijd hebben, adem te scheppen, en hunne telkens vernielde zeeweringen en dijken te herstellen. De vijftiende eeuw opent, op den 19denNovember des jaars 1404, met den vreeselijken Sint-Elisabethsvloed; en gaat die eeuw ook verder in betrekkelijke kalmte voorbij, de volgende zou met deste geduchter kracht de felle geesel zwaaien. De watervloeden van 1509 en 1511 zijn, als het ware, het voorspel van dien noodlottigen vijfden November 15301, dien verschrikkelijken Sint-Felixvloed, toen geheel het oostelijk gedeelte des eilands ten prooi werd der woedende wateren en ook Reimerswael de eerste doodelijke wonde ontving. En de grimmige vijand liet niet af: rusteloos hernieuwde hij zijn aanval: in 1532, in 1539, in 1551, in 1557, in 1561, in 1563, in 1570—telkens en telkens op nieuw bruisen de wilde wateren, nu hier dan daar, over het reddelooze land, dijken vernielende, akkers verwoestende, dorpen overstelpende, de moeizaam verworven vrucht van jaren arbeids in een oogwenk verdelgende.Bange en bittere dagen waren voor het bloeiende eiland gekomen. Bij herhaling door geweldige overstroomingen geteisterd, het geheele oostelijke kwartier voor goed verloren, herschapen in een waterwoestijn, een vaal moeras, bij iederen vloed door de golven overdekt—had Zuid-Beveland ook zwaar te lijden van de rampen des oorlogs. Tot in 1577 in spaansche macht gebleven, werd het eiland vijf jaren lang door de schepen der Prinsgezinden als het ware geblokkeerd, en van bijna alle gemeenschap met het overige van Zeeland afgesneden, zoodat alle handel stilstond. Daarbij kwamen herhaalde invallen en strooptochten, eerst van de Geuzen, later, na 1577, van de Spanjaarden: beiden er op uit om het vruchtbare, ook door zijne ligging zoo belangrijke eiland in hunne macht te krijgen of te houden. Tijdens het twaalfjarig bestand, werd Zuid-Beveland door een deel zijner bevolking, aan de katholieke kerk getrouw gebleven en deswege op velerlei wijze gekweld, verlaten; bij de hervatting der vijandelijkheden stond het weder aan nieuwe aanvallen bloot; zoodat het eenmaal zoo bloeiende eiland, toen eindelijk de vrede voor goed gesloten werd, in deerlijk verval verkeerde, arm aan bevolking en van welvaart beroofd.Sedert herstelde het zich langzamerhand van de geleden verliezen; ook de watervloeden werden zeldzamer; al behoefde ook nog in onze eeuw de vloed van 1808 in hevigheid niet voor velen zijner voorgangers te wijken. Toch, dank zij misschien de steeds meer volmaakte kunst van verdediging tegen het water, bleven de rampen, in den regel, meer beperkt tot enkele punten, en werd niet meer, als in vroeger eeuw, het grootste gedeelte van het eiland op eenmaal onder water gezet. Tegenwoordig is Zuid-Beveland eene welvarende streek, waar de landbouw op groote schaal en met voortreffelijk gevolg gedreven wordt. Het is een echt boerenland: in dien zin namelijk, dat er op het gansche eiland maar ééne stad, en dan nog wel eene van zeer bescheiden afmetingen, gevonden wordt, terwijl de gansche overige bevolking verdeeld is over een aantal dorpen, waaronder zeer fraaie en bezienswaardige.De spoortrein voerde ons, in minder dan een half uur, van Middelburg langs Arnemuiden, over het afgedamde Sloe, langs ’s Heer-Arendskerke, naar de eenige zuid-bevelandsche stad, naar Goes. Van hier uit zouden wij onze wandeling door het eiland beginnen.Goes is eene oude, zeer stille, niet zeer mooie stad, waar weinig te zien valt. Wij hadden onzen intrek genomen in een der eenvoudige logementen op de Groote markt, waar nog alles toeging met die echte oud-hollandsche eenvoudige huiselijkheid, die op vreemdelingen een zoo zonderlingen indruk maakt. Hier geen kellners, zich eenair de grand seigneurgevende; hier, geen pedantegarçons, die u met hun onuitstaanbaar fransch en nog onuitstaanbaarder hollandsch vervolgen; geenmaîtred’hotel, die u, voornamelijk als ge voetganger zijt, behandelt met al de voornaamheid, die den meester van een groot etablissement past; hier, niets van al dien praal, al dien glans, al die pracht en beweging, die nu eenmaal, in onze voorstelling, van groote hotels onafscheidelijk is. Och neen, hier niets van dat alles. Ge moet zelf de voordeur openen en de gelagkamer opzoeken, waar ge dan, achter de toonbank en voor een rijkelijk met glazen en karaffen voorzien buffet, de vrouw des huizes of eene harer dochters vinden zult, aan wie ge dan uw verzoek om een kamer hebt mede te deelen. Doorgaans is er, eer ge antwoord bekomt, eenig overleg met de andere huisgenooten noodig; was moeder de vrouw straks niet in de gelagkamer, dan verschijnt zij toch nu in persoon om uwe vraag aan te hooren en te beantwoorden. En wordt uw verzoek toegestaan, dan vliegen geen trippelende knechts u voor langs breede trappen: neen, de huisvrouw zelve of een der familieleden zal u, een donkeren smallen trap op, naar uwe kamer geleiden: uwe kamer, meestal laag van verdieping, donkergroen of hardgeel geverwd, met witte gordijnen voor de ramen, gekleurde platen in vergulde lijsten langs de wanden, en een groot ledikant in den hoek, tenzij er een bedstede gevonden wordt, in wier donkere diepte ge dan des avonds verdwijnt, veilig achter de vaak dubbele beschutting van deuren en gordijnen. Toch hebben zij hare goede zijde, die oud-hollandsche, aartsvaderlijke herbergen, waar de vreemde reiziger nog dikwijls, als hij zich niet al te zeer terugtrekt, als een lid des gezins wordt beschouwd.Op de vrij ruime, sierlijk beplante markt staat het stadhuis, een smakeloos gebouw, deels van oude dagteekening, deels in de vorige eeuw geheel vernieuwd, waarbij er natuurlijk niet aan gedacht is, dit nieuwe gedeelte in overeenstemming te brengen met hetgeen van het oude gebouw over bleef. Integendeel: boven op een ouden, zwaren, vierkanten toren, een middeleeuwsch monument, plaatste men een modernen koepel in den stijl der zeventiende eeuw, die bij den toren in het minst niet voegt en eene wonderlijke vertooning maakt. Ter zijde, achter het stadhuis, bevindt zich de ingang tot een der kruispanden van de groote kerk: een alleszins bezienswaardig monument van gothischearchitectuuruit de eerste helft der vijftiende eeuw, maar zoo zeer door huizen en nauwe stegen ingesloten, dat het bijna onzichtbaar is. De schoone, ruime kerk isinwendiggeheel bedorven door een muur, die haar in twee gedeelten splitst, waarvan het eenedoor de Hervormden, het andere door de Katholieken wordt gebruikt. Mocht deze wanstaltige muur eens worden weggeruimd, de kerk weder hersteld, en aan hare oorspronkelijke bestemming, namelijk de katholieke eeredienst, waarvoor zij alleen geschikt is, teruggegeven—dan zou Nederland een schoon gedenkteeken van middeleeuwsche bouwkunst rijker zijn. Inderdaad, de Protestanten in ons land moesten gezond verstand en goeden smaak genoeg toonen te bezitten, om aan de Katholieken deze oude kerken te verkoopen, die toch bepaaldelijk voor hen gebouwd en ook alleen voor hunne eeredienst geschikt zijn. Voor de protestantsche godsdienstoefening, zoo geheel anders ingericht, zoo geheel andere eischen stellende en voor zoo geheel andere behoeften voldoening verlangende, zijn deze heerlijke middeleeuwsche kathedralen volstrekt onbruikbaar, tenzij dan dat men beginne met ze totaal te verknoeien. En dan nog! Wat akeligen indruk maken op de bezoekers dezer misvormde kerken, die doellooze, ongebruikte en onbruikbare ruimten: koor, transept, zijbeuken soms, waarmede men letterlijk niet weet wat aan te vangen. Gevoelt men het dan niet, dat men, samenkomende in de afgeperkte ruimte van het schip, soms ter nauwernood de helft van de kerk in bezit nemende, terwijl al het overige ledig blijft;—gevoelt men het niet, dat men zich aanstelt als een kleingeestig burgerman, toevallig in het kasteel van een vorst gehuisvest, en die nu, zelf met de hem niet passende woning verlegen, en beseffende dat hij daar niet behoort, een paar kamers voor zijn klein leven inricht, en het edele gebouw tot een wildernis maakt? Is daar geen stem, die een verwijt, eene beschuldiging fluistert wegens de onverantwoordelijke schennis, aan deze trotsche monumenten gepleegd, waar men ze door allerlei armzalige betimmeringen onkenbaar maakt, overal den blik door houten beschotten tegenhoudt, en den katholieken tempel zooveel mogelijk verhanselt tot eene hoogst ongeschikte, ondoelmatige gehoorzaal met min of meer gemakkelijke zitplaatsen? Welk een gansch anderen indruk zouden kerken als die te Utrecht, te Haarlem, te Gouda, en zoo vele anderen maken, indien zij aan hare oorspronkelijke bestemming werden wedergegeven, en in plaats van, voor de protestantsche godsdienst, slechte, onbeholpen spreekzalen te zijn, op nieuw werden herschapen in katholieke, harmonisch schoone, kathedralen. Mocht, al ware het alleen om der schoonheid en des goeden smaaks wille, deze dag der herstelling spoedig aanbreken!Te Goes vindt ge een oude herberg, die den naam draagt van het Slot van Oostende, en die ook inderdaad een overblijfsel is van den alouden ridderburcht van dien naam, waarschijnlijk door een der Heeren van Borsselen gesticht. Dit slot Oostende is vermoedelijk ouder dan de stad, die, als zoo vele anderen, zich langzamerhand in de schaduw van den sterken burcht zal hebben ontwikkeld, en die eerst in de vijftiende eeuw met stadsrechten werd begiftigd. Toen de goederen van Floris Van Borsselen, in de burgertwisten der veertiende eeuw, werden verbeurd verklaard, werd het slot Oostende door Graaf Willem III, aan zijn jongsten zoon, den ridderlijken Jan van Beaumont, geschonken; later kwam het weder aan de grafelijkheid, en geraakte in het begin der zestiende eeuw in bezit van hetadellijkgeslacht Van der Goes, welks wapen nog boven een der gangen gevonden wordt. In 1747 ging het, bij verkoop, over aan den Raad van State, die het tot een militair hospitaal inrichtte, maar het gebouw reeds in het volgende jaar aan de stad overdroeg, die het op hare beurt aan een partikulier verkocht. Nu werd het geheel veranderd, onkenbaar gemaakt, en tot herberg en logement ingericht, waartoe het heden nog dient. Voorwaar, niet veel is er van den ouden ridderburcht overig, tenzij dan de ruime, zwaar gewelfde kelders, die trouwens nog maar voor een klein deel toegankelijk zijn.Toch verdient ook dit treurig overblijfsel van hetadellijkslot uwe belangstelling; want groote, historische herinneringen zijn aan dit grijze gedenkteeken van den ouden tijd verbonden; herinneringen niet alleen aan de fiere, machtige Heeren van Borsselen, wier doorluchtig stamhuis zich in den nacht der eeuwen verliest, en die eeuwen lang aan het hoofd stonden van den zeeuwschen adel; niet alleen aan den edelen ridderlijken held, Jan van Beaumont; maar herinneringen vooral aan die beklagenswaardige Vorstinne, wier avontuurlijk leven en treurig lot haar eene onvergankelijke beroemdheid hebben verzekerd, en die nog altijd blijft voortleven in de heugenis des volks, dat althans haar naam in eere houdt, ook waar het van haar daden luttel weet:—Jacoba van Beieren. Even als haar vader, schijnt ook zij voor Goes een bijzondere voorliefde te hebben gekoesterd: althans reeds in het eerste jaar harer regeering schonk zij aan het open vlek stadsrechten, en, wat geen goede stad mocht ontbreken: muren en wallen. En toen zij later, na een veel bewogen leven, eindelijk den strijd tegen haar overmachtige vijanden moede, bezwijkende deels door den onvermijdelijken loop der dingen, deels door eigen, roekeloos opgeladen schuld, van de regeering afstand had gedaan, toen hield zij enkele malen, met haar gemaal Frank Van Borsselen, haar verblijf op ditzelfde slot Oostende. En al was zij geene gebiedende Vrouwe, geene regeerende Vorstinne meer, toch omgaf haar nog altijd genoeg van den vorstelijken luister, om den burcht, waar zij inkeerde, tot eenhofburchtte maken, die althans eenigermate een beeld vertoonde van den schitterenden luister van het hofleven der vijftiende eeuw. En ook al ware dit niet het geval geweest: was niet de tegenwoordigheid zelve der nog zoo jeugdige, zoo rampspoedige Vorstinne, die zoo veler hart had weten te betooveren en in geestdrift voor haar en hare zaak te ontvlammen, voldoende om de algemeene aandacht, de algemeene belangstelling te wekken, nog verlevendigd door de herinnering aan de weldaden, waarvoor de ontluikende stad haar had te danken? En de voormalige Landsvrouwe toonde zich nog niet vervreemd van haar volk. Was het niet bij gelegenheid van een dier oude volksfeesten, waarvan de herinnering hier nog voortleeft, bij het vogelschieten, dat zij zich, naar het loffelijke gebruik dier dagen, onder de schare mengde, en zelve deel nam aan den wedstrijd? Naar de overlevering wil,zou de Gravinne toen zelve, met eigen hand, den houten vogel, door een welgemikt schot, van zijn hoogen paal hebben doen tuimelen, waarop zij, mede naar aloude zede, door de schutters tot schutterkoningin werd uitgeroepen. En toen de bewoners der omliggende, aan de heerlijkheid van Goes onderhoorige dorpen, ’s Heer-Hendrikskinderen, Wissekerke, Baarsdorp, Sinoutskerke en ’s Heer-Abtskerke, haar met dien triomf kwamen geluk wenschen en geschenken aanbieden, toen toonde zij zich vorstelijk mild, door hun de vlastienden kwijt te schelden, zoo als het sedert gebleven is tot dezen dag. Alzoo leeft de herinnering van de bekoorlijke Gravinne nog altijd voort in het hart des volks, dat zij door een duurzame weldaad aan zich verbond.Wissekerke (Noord-Beveland)Wissekerke (Noord-Beveland)Maar ook nog een ander zichtbaar gedenkteeken is van haar gebleven. In den tuin van het aloude Slot van Oostende toont men u nog een overouden moerbeziënboom, onder welks schaduw, naar de overlevering verhaalt, de Vorstin meermalen zou neergezeten hebben. Mogen wij deze overlevering gelooven? Oud is de boom zeker; zijn stam is ter aarde gekromd en rust op steenen palen, maar nog altijd dragen zijne takken bladeren en vruchten, ook al is hij inwendig bijna geheel hol. Al heeft dan ook Jacoba van Beieren nimmer onder dezen zelfden boom gerust,—hij mag inderdaad gelden voor een getuige van vroeger eeuw, en stellig niet zonder oorzaak is haar naam aan dien ouden gebogen stam verbonden. Die naam geeft nog heden den boom beteekenis, en geen vreemdeling zal Goes bezoeken, zonder ook zijne schreden te richten naar den tuin der oude herberg, om daar een der relieken te aanschouwen van de in zoo menig opzicht merkwaardige vrouw, wier aantrekkelijke, in waarheid tragische figuur zoo beteekenisvol daar staat op den drempel van den nieuweren tijd, aan den uitgang der middeleeuwen, waarvan zij zelve, althans in sommige opzichten, eene getrouwe vertegenwoordigster was, voor wier traditioneele beginselen zij zelve kloekmoedig gestreden heeft, en in ’t einde als slachtoffer gevallen is.De kroon der jeugd.De kroon der jeugd.Goes bezat weleer, als iedere goede middeleeuwsche stad, hare schutterdoelens of schutterhoven, en wel ten getale van drie: het schuttershof van den handboog, dat van den voetboog, en het hof der kloveniers of schutters van de busse. Deze laatste schuttersdoelen is verdwenen; de beide anderen bestaan nog, doch hebben thans eene andere bestemming gekregen; in het schuttershof van den handboog vindt ge tegenwoordig een schouwburgzaal met bijbehoorende lokalen, een teekenschool, en een societeit, welke laatste de zinspreuk van het oude schuttersgilde:vanongeneuchten vrij, heeft behouden. Voorheen behoorden alle gezeten burgers der stad tot een dezer drie schuttersgilden, die tot het laatst der vorige eeuw zijn in stand gebleven, maar toen mede ondergegaan in den geweldigen storm, die zoo vele andere en gewichtiger instellingen van den ouden tijd omverwierp. Toch waren ook zij eerwaardige instellingen, die aloude schuttersgilden, zoo oud als de vrije steden en gemeenten, wier bescherming hunne voorname taak was, ja zelfs ouder nog; instellingen, geworteld in het volksleven, haar ontstaan niet dankende aan een geschreven wet of reglement, maar van zelve geworden en ontwikkeld en opgegroeid met het volk, en mede behoorende tot de eigenaardige kringen, waarin het gezonde, rijk geschakeerde, organisch gevormde leven der middeleeuwen zich bewoog. Tot verdediging der veste moest het schuttersgilde steeds vaardig zijn; maar het deed nog iets anders dan nu en dan soldaatje spelen in vredestijd: het was geen onsamenhangende hoop, alleen door dwang aldus te saam gebracht en tijdelijk gehouden: het was eene vrijwillige vereeniging van vrije poorters, eene corporatie, die hare eigene plaatsen van bijeenkomst had, hare eigene rechten en privilegiën, waarop zij trotsch was; die hare eigene feesten vierde, waaraan de halve bevolking der stad, meer of minder rechtstreeks, deel nam. Ook zij zijn voor altijd verdwenen, al is nog de herinnering aan het oude schuttersvermaak, het vogel- ofpapegaaischieten, niet geheel uitgestorven.Zoo wandelende, hadden wij al spoedig gezien, wat Goes bezienswaardigs oplevert. Morgen zullen wij onze voetreis door het eiland aanvangen.
X.
Van Walcheren begeven wij ons naar Zuid-Beveland, in zijne tegenwoordige gestalte het grootste der zeeuwsche eilanden, volgens sommigen ook het schoonste. Dit laatste kan ik niet toegeven. Walcheren bezit in zijn duinstreek landschappen van eigenaardige schoonheid, waarnaar ge op Zuid-Beveland vergeefs zoeken zoudt. Zuid-Beveland, door de beide takken der Schelde en hare nevenstroomen omsloten, heeft geen duinen; daarentegen een groot aantal sierlijk beplante dijken, die tot rijwegen zijn ingericht, en van waar ge uw blik kunt laten weiden over vlakke velden, uitmuntende niet door romantische schoonheid of verrassende afwisseling van gezichtspunten, maar wel door zeldzame vruchtbaarheid, waarvan bij uitstek partij is getrokken. Verdient Walcheren den naam van den tuin, den lusthof van Zeeland, dan mag Zuid-Beveland met recht dien van Zeelands moestuin en boomgaard dragen: alle zeeuwsche gewassen, granen, beetwortel, boonen, gedijen hier in zeldzame mate. Nabij de oude stad Reimerswael, sedert meer dan twee eeuwen door de wateren verslonden, stond in vroeger tijd een klooster met den naamParadisus maris, het Paradijs der zee. Welnu, voor zoo ver ge aan dien naam van paradijs bij voorkeur het denkbeeld van weelderige vruchtbaarheid hecht, mag Zuid-Beveland nog op dien titel aanspraak maken.Ik sprak daar zoo even van Zuid-Beveland in zijne tegenwoordige gestalte, en niet ten onrechte. Immers, het eiland vertoonde zich vroeger geheel anders: het heeft, in den loop der eeuwen, zoowel terrein gewonnen en verloren, en is meer dan eens van gedaante gewisseld. Borsselen en Oost-Beveland, thans met Zuid-Beveland vereenigd, waren weleer afzonderlijke eilandjes; terwijl voor en na ook menige uiterwaard, menig schor, langzamerhand rijp geworden en door de terugtrekkende wateren verlaten, aan het vaste land is verbonden, en aldus de grenzen der bewoonbare aarde uitgebreid. Maar zijn, op sommige punten, de weleer breede stroomen, die het tegenwoordige Zuid-Beveland verdeelden of van de naburige eilanden scheidden, thans afgedamd of tot smalle rivierarmen en kreeken geslonken:—het water heeft zich gewroken over dat verlies en zich metwoekerwinstenschadeloos gesteld.Ook de geschiedenis van Zuid-Beveland is eene aaneenschakeling van wanhopige worstelingen met het geweld der wateren. Vooral in de veertiende en in de zestiende eeuw hooren wij telkens verhalen van geduchte watervloeden, die gansche uitgestrekte gedeelten van het eiland verwoesten. In 1288, in 1304, in 1324, in 1352, in 1375, storten zich de opgeruide golven over het geteisterde land, waarvan de inwoners nauwelijks den tijd hebben, adem te scheppen, en hunne telkens vernielde zeeweringen en dijken te herstellen. De vijftiende eeuw opent, op den 19denNovember des jaars 1404, met den vreeselijken Sint-Elisabethsvloed; en gaat die eeuw ook verder in betrekkelijke kalmte voorbij, de volgende zou met deste geduchter kracht de felle geesel zwaaien. De watervloeden van 1509 en 1511 zijn, als het ware, het voorspel van dien noodlottigen vijfden November 15301, dien verschrikkelijken Sint-Felixvloed, toen geheel het oostelijk gedeelte des eilands ten prooi werd der woedende wateren en ook Reimerswael de eerste doodelijke wonde ontving. En de grimmige vijand liet niet af: rusteloos hernieuwde hij zijn aanval: in 1532, in 1539, in 1551, in 1557, in 1561, in 1563, in 1570—telkens en telkens op nieuw bruisen de wilde wateren, nu hier dan daar, over het reddelooze land, dijken vernielende, akkers verwoestende, dorpen overstelpende, de moeizaam verworven vrucht van jaren arbeids in een oogwenk verdelgende.Bange en bittere dagen waren voor het bloeiende eiland gekomen. Bij herhaling door geweldige overstroomingen geteisterd, het geheele oostelijke kwartier voor goed verloren, herschapen in een waterwoestijn, een vaal moeras, bij iederen vloed door de golven overdekt—had Zuid-Beveland ook zwaar te lijden van de rampen des oorlogs. Tot in 1577 in spaansche macht gebleven, werd het eiland vijf jaren lang door de schepen der Prinsgezinden als het ware geblokkeerd, en van bijna alle gemeenschap met het overige van Zeeland afgesneden, zoodat alle handel stilstond. Daarbij kwamen herhaalde invallen en strooptochten, eerst van de Geuzen, later, na 1577, van de Spanjaarden: beiden er op uit om het vruchtbare, ook door zijne ligging zoo belangrijke eiland in hunne macht te krijgen of te houden. Tijdens het twaalfjarig bestand, werd Zuid-Beveland door een deel zijner bevolking, aan de katholieke kerk getrouw gebleven en deswege op velerlei wijze gekweld, verlaten; bij de hervatting der vijandelijkheden stond het weder aan nieuwe aanvallen bloot; zoodat het eenmaal zoo bloeiende eiland, toen eindelijk de vrede voor goed gesloten werd, in deerlijk verval verkeerde, arm aan bevolking en van welvaart beroofd.Sedert herstelde het zich langzamerhand van de geleden verliezen; ook de watervloeden werden zeldzamer; al behoefde ook nog in onze eeuw de vloed van 1808 in hevigheid niet voor velen zijner voorgangers te wijken. Toch, dank zij misschien de steeds meer volmaakte kunst van verdediging tegen het water, bleven de rampen, in den regel, meer beperkt tot enkele punten, en werd niet meer, als in vroeger eeuw, het grootste gedeelte van het eiland op eenmaal onder water gezet. Tegenwoordig is Zuid-Beveland eene welvarende streek, waar de landbouw op groote schaal en met voortreffelijk gevolg gedreven wordt. Het is een echt boerenland: in dien zin namelijk, dat er op het gansche eiland maar ééne stad, en dan nog wel eene van zeer bescheiden afmetingen, gevonden wordt, terwijl de gansche overige bevolking verdeeld is over een aantal dorpen, waaronder zeer fraaie en bezienswaardige.De spoortrein voerde ons, in minder dan een half uur, van Middelburg langs Arnemuiden, over het afgedamde Sloe, langs ’s Heer-Arendskerke, naar de eenige zuid-bevelandsche stad, naar Goes. Van hier uit zouden wij onze wandeling door het eiland beginnen.Goes is eene oude, zeer stille, niet zeer mooie stad, waar weinig te zien valt. Wij hadden onzen intrek genomen in een der eenvoudige logementen op de Groote markt, waar nog alles toeging met die echte oud-hollandsche eenvoudige huiselijkheid, die op vreemdelingen een zoo zonderlingen indruk maakt. Hier geen kellners, zich eenair de grand seigneurgevende; hier, geen pedantegarçons, die u met hun onuitstaanbaar fransch en nog onuitstaanbaarder hollandsch vervolgen; geenmaîtred’hotel, die u, voornamelijk als ge voetganger zijt, behandelt met al de voornaamheid, die den meester van een groot etablissement past; hier, niets van al dien praal, al dien glans, al die pracht en beweging, die nu eenmaal, in onze voorstelling, van groote hotels onafscheidelijk is. Och neen, hier niets van dat alles. Ge moet zelf de voordeur openen en de gelagkamer opzoeken, waar ge dan, achter de toonbank en voor een rijkelijk met glazen en karaffen voorzien buffet, de vrouw des huizes of eene harer dochters vinden zult, aan wie ge dan uw verzoek om een kamer hebt mede te deelen. Doorgaans is er, eer ge antwoord bekomt, eenig overleg met de andere huisgenooten noodig; was moeder de vrouw straks niet in de gelagkamer, dan verschijnt zij toch nu in persoon om uwe vraag aan te hooren en te beantwoorden. En wordt uw verzoek toegestaan, dan vliegen geen trippelende knechts u voor langs breede trappen: neen, de huisvrouw zelve of een der familieleden zal u, een donkeren smallen trap op, naar uwe kamer geleiden: uwe kamer, meestal laag van verdieping, donkergroen of hardgeel geverwd, met witte gordijnen voor de ramen, gekleurde platen in vergulde lijsten langs de wanden, en een groot ledikant in den hoek, tenzij er een bedstede gevonden wordt, in wier donkere diepte ge dan des avonds verdwijnt, veilig achter de vaak dubbele beschutting van deuren en gordijnen. Toch hebben zij hare goede zijde, die oud-hollandsche, aartsvaderlijke herbergen, waar de vreemde reiziger nog dikwijls, als hij zich niet al te zeer terugtrekt, als een lid des gezins wordt beschouwd.Op de vrij ruime, sierlijk beplante markt staat het stadhuis, een smakeloos gebouw, deels van oude dagteekening, deels in de vorige eeuw geheel vernieuwd, waarbij er natuurlijk niet aan gedacht is, dit nieuwe gedeelte in overeenstemming te brengen met hetgeen van het oude gebouw over bleef. Integendeel: boven op een ouden, zwaren, vierkanten toren, een middeleeuwsch monument, plaatste men een modernen koepel in den stijl der zeventiende eeuw, die bij den toren in het minst niet voegt en eene wonderlijke vertooning maakt. Ter zijde, achter het stadhuis, bevindt zich de ingang tot een der kruispanden van de groote kerk: een alleszins bezienswaardig monument van gothischearchitectuuruit de eerste helft der vijftiende eeuw, maar zoo zeer door huizen en nauwe stegen ingesloten, dat het bijna onzichtbaar is. De schoone, ruime kerk isinwendiggeheel bedorven door een muur, die haar in twee gedeelten splitst, waarvan het eenedoor de Hervormden, het andere door de Katholieken wordt gebruikt. Mocht deze wanstaltige muur eens worden weggeruimd, de kerk weder hersteld, en aan hare oorspronkelijke bestemming, namelijk de katholieke eeredienst, waarvoor zij alleen geschikt is, teruggegeven—dan zou Nederland een schoon gedenkteeken van middeleeuwsche bouwkunst rijker zijn. Inderdaad, de Protestanten in ons land moesten gezond verstand en goeden smaak genoeg toonen te bezitten, om aan de Katholieken deze oude kerken te verkoopen, die toch bepaaldelijk voor hen gebouwd en ook alleen voor hunne eeredienst geschikt zijn. Voor de protestantsche godsdienstoefening, zoo geheel anders ingericht, zoo geheel andere eischen stellende en voor zoo geheel andere behoeften voldoening verlangende, zijn deze heerlijke middeleeuwsche kathedralen volstrekt onbruikbaar, tenzij dan dat men beginne met ze totaal te verknoeien. En dan nog! Wat akeligen indruk maken op de bezoekers dezer misvormde kerken, die doellooze, ongebruikte en onbruikbare ruimten: koor, transept, zijbeuken soms, waarmede men letterlijk niet weet wat aan te vangen. Gevoelt men het dan niet, dat men, samenkomende in de afgeperkte ruimte van het schip, soms ter nauwernood de helft van de kerk in bezit nemende, terwijl al het overige ledig blijft;—gevoelt men het niet, dat men zich aanstelt als een kleingeestig burgerman, toevallig in het kasteel van een vorst gehuisvest, en die nu, zelf met de hem niet passende woning verlegen, en beseffende dat hij daar niet behoort, een paar kamers voor zijn klein leven inricht, en het edele gebouw tot een wildernis maakt? Is daar geen stem, die een verwijt, eene beschuldiging fluistert wegens de onverantwoordelijke schennis, aan deze trotsche monumenten gepleegd, waar men ze door allerlei armzalige betimmeringen onkenbaar maakt, overal den blik door houten beschotten tegenhoudt, en den katholieken tempel zooveel mogelijk verhanselt tot eene hoogst ongeschikte, ondoelmatige gehoorzaal met min of meer gemakkelijke zitplaatsen? Welk een gansch anderen indruk zouden kerken als die te Utrecht, te Haarlem, te Gouda, en zoo vele anderen maken, indien zij aan hare oorspronkelijke bestemming werden wedergegeven, en in plaats van, voor de protestantsche godsdienst, slechte, onbeholpen spreekzalen te zijn, op nieuw werden herschapen in katholieke, harmonisch schoone, kathedralen. Mocht, al ware het alleen om der schoonheid en des goeden smaaks wille, deze dag der herstelling spoedig aanbreken!Te Goes vindt ge een oude herberg, die den naam draagt van het Slot van Oostende, en die ook inderdaad een overblijfsel is van den alouden ridderburcht van dien naam, waarschijnlijk door een der Heeren van Borsselen gesticht. Dit slot Oostende is vermoedelijk ouder dan de stad, die, als zoo vele anderen, zich langzamerhand in de schaduw van den sterken burcht zal hebben ontwikkeld, en die eerst in de vijftiende eeuw met stadsrechten werd begiftigd. Toen de goederen van Floris Van Borsselen, in de burgertwisten der veertiende eeuw, werden verbeurd verklaard, werd het slot Oostende door Graaf Willem III, aan zijn jongsten zoon, den ridderlijken Jan van Beaumont, geschonken; later kwam het weder aan de grafelijkheid, en geraakte in het begin der zestiende eeuw in bezit van hetadellijkgeslacht Van der Goes, welks wapen nog boven een der gangen gevonden wordt. In 1747 ging het, bij verkoop, over aan den Raad van State, die het tot een militair hospitaal inrichtte, maar het gebouw reeds in het volgende jaar aan de stad overdroeg, die het op hare beurt aan een partikulier verkocht. Nu werd het geheel veranderd, onkenbaar gemaakt, en tot herberg en logement ingericht, waartoe het heden nog dient. Voorwaar, niet veel is er van den ouden ridderburcht overig, tenzij dan de ruime, zwaar gewelfde kelders, die trouwens nog maar voor een klein deel toegankelijk zijn.Toch verdient ook dit treurig overblijfsel van hetadellijkslot uwe belangstelling; want groote, historische herinneringen zijn aan dit grijze gedenkteeken van den ouden tijd verbonden; herinneringen niet alleen aan de fiere, machtige Heeren van Borsselen, wier doorluchtig stamhuis zich in den nacht der eeuwen verliest, en die eeuwen lang aan het hoofd stonden van den zeeuwschen adel; niet alleen aan den edelen ridderlijken held, Jan van Beaumont; maar herinneringen vooral aan die beklagenswaardige Vorstinne, wier avontuurlijk leven en treurig lot haar eene onvergankelijke beroemdheid hebben verzekerd, en die nog altijd blijft voortleven in de heugenis des volks, dat althans haar naam in eere houdt, ook waar het van haar daden luttel weet:—Jacoba van Beieren. Even als haar vader, schijnt ook zij voor Goes een bijzondere voorliefde te hebben gekoesterd: althans reeds in het eerste jaar harer regeering schonk zij aan het open vlek stadsrechten, en, wat geen goede stad mocht ontbreken: muren en wallen. En toen zij later, na een veel bewogen leven, eindelijk den strijd tegen haar overmachtige vijanden moede, bezwijkende deels door den onvermijdelijken loop der dingen, deels door eigen, roekeloos opgeladen schuld, van de regeering afstand had gedaan, toen hield zij enkele malen, met haar gemaal Frank Van Borsselen, haar verblijf op ditzelfde slot Oostende. En al was zij geene gebiedende Vrouwe, geene regeerende Vorstinne meer, toch omgaf haar nog altijd genoeg van den vorstelijken luister, om den burcht, waar zij inkeerde, tot eenhofburchtte maken, die althans eenigermate een beeld vertoonde van den schitterenden luister van het hofleven der vijftiende eeuw. En ook al ware dit niet het geval geweest: was niet de tegenwoordigheid zelve der nog zoo jeugdige, zoo rampspoedige Vorstinne, die zoo veler hart had weten te betooveren en in geestdrift voor haar en hare zaak te ontvlammen, voldoende om de algemeene aandacht, de algemeene belangstelling te wekken, nog verlevendigd door de herinnering aan de weldaden, waarvoor de ontluikende stad haar had te danken? En de voormalige Landsvrouwe toonde zich nog niet vervreemd van haar volk. Was het niet bij gelegenheid van een dier oude volksfeesten, waarvan de herinnering hier nog voortleeft, bij het vogelschieten, dat zij zich, naar het loffelijke gebruik dier dagen, onder de schare mengde, en zelve deel nam aan den wedstrijd? Naar de overlevering wil,zou de Gravinne toen zelve, met eigen hand, den houten vogel, door een welgemikt schot, van zijn hoogen paal hebben doen tuimelen, waarop zij, mede naar aloude zede, door de schutters tot schutterkoningin werd uitgeroepen. En toen de bewoners der omliggende, aan de heerlijkheid van Goes onderhoorige dorpen, ’s Heer-Hendrikskinderen, Wissekerke, Baarsdorp, Sinoutskerke en ’s Heer-Abtskerke, haar met dien triomf kwamen geluk wenschen en geschenken aanbieden, toen toonde zij zich vorstelijk mild, door hun de vlastienden kwijt te schelden, zoo als het sedert gebleven is tot dezen dag. Alzoo leeft de herinnering van de bekoorlijke Gravinne nog altijd voort in het hart des volks, dat zij door een duurzame weldaad aan zich verbond.Wissekerke (Noord-Beveland)Wissekerke (Noord-Beveland)Maar ook nog een ander zichtbaar gedenkteeken is van haar gebleven. In den tuin van het aloude Slot van Oostende toont men u nog een overouden moerbeziënboom, onder welks schaduw, naar de overlevering verhaalt, de Vorstin meermalen zou neergezeten hebben. Mogen wij deze overlevering gelooven? Oud is de boom zeker; zijn stam is ter aarde gekromd en rust op steenen palen, maar nog altijd dragen zijne takken bladeren en vruchten, ook al is hij inwendig bijna geheel hol. Al heeft dan ook Jacoba van Beieren nimmer onder dezen zelfden boom gerust,—hij mag inderdaad gelden voor een getuige van vroeger eeuw, en stellig niet zonder oorzaak is haar naam aan dien ouden gebogen stam verbonden. Die naam geeft nog heden den boom beteekenis, en geen vreemdeling zal Goes bezoeken, zonder ook zijne schreden te richten naar den tuin der oude herberg, om daar een der relieken te aanschouwen van de in zoo menig opzicht merkwaardige vrouw, wier aantrekkelijke, in waarheid tragische figuur zoo beteekenisvol daar staat op den drempel van den nieuweren tijd, aan den uitgang der middeleeuwen, waarvan zij zelve, althans in sommige opzichten, eene getrouwe vertegenwoordigster was, voor wier traditioneele beginselen zij zelve kloekmoedig gestreden heeft, en in ’t einde als slachtoffer gevallen is.De kroon der jeugd.De kroon der jeugd.Goes bezat weleer, als iedere goede middeleeuwsche stad, hare schutterdoelens of schutterhoven, en wel ten getale van drie: het schuttershof van den handboog, dat van den voetboog, en het hof der kloveniers of schutters van de busse. Deze laatste schuttersdoelen is verdwenen; de beide anderen bestaan nog, doch hebben thans eene andere bestemming gekregen; in het schuttershof van den handboog vindt ge tegenwoordig een schouwburgzaal met bijbehoorende lokalen, een teekenschool, en een societeit, welke laatste de zinspreuk van het oude schuttersgilde:vanongeneuchten vrij, heeft behouden. Voorheen behoorden alle gezeten burgers der stad tot een dezer drie schuttersgilden, die tot het laatst der vorige eeuw zijn in stand gebleven, maar toen mede ondergegaan in den geweldigen storm, die zoo vele andere en gewichtiger instellingen van den ouden tijd omverwierp. Toch waren ook zij eerwaardige instellingen, die aloude schuttersgilden, zoo oud als de vrije steden en gemeenten, wier bescherming hunne voorname taak was, ja zelfs ouder nog; instellingen, geworteld in het volksleven, haar ontstaan niet dankende aan een geschreven wet of reglement, maar van zelve geworden en ontwikkeld en opgegroeid met het volk, en mede behoorende tot de eigenaardige kringen, waarin het gezonde, rijk geschakeerde, organisch gevormde leven der middeleeuwen zich bewoog. Tot verdediging der veste moest het schuttersgilde steeds vaardig zijn; maar het deed nog iets anders dan nu en dan soldaatje spelen in vredestijd: het was geen onsamenhangende hoop, alleen door dwang aldus te saam gebracht en tijdelijk gehouden: het was eene vrijwillige vereeniging van vrije poorters, eene corporatie, die hare eigene plaatsen van bijeenkomst had, hare eigene rechten en privilegiën, waarop zij trotsch was; die hare eigene feesten vierde, waaraan de halve bevolking der stad, meer of minder rechtstreeks, deel nam. Ook zij zijn voor altijd verdwenen, al is nog de herinnering aan het oude schuttersvermaak, het vogel- ofpapegaaischieten, niet geheel uitgestorven.Zoo wandelende, hadden wij al spoedig gezien, wat Goes bezienswaardigs oplevert. Morgen zullen wij onze voetreis door het eiland aanvangen.
Van Walcheren begeven wij ons naar Zuid-Beveland, in zijne tegenwoordige gestalte het grootste der zeeuwsche eilanden, volgens sommigen ook het schoonste. Dit laatste kan ik niet toegeven. Walcheren bezit in zijn duinstreek landschappen van eigenaardige schoonheid, waarnaar ge op Zuid-Beveland vergeefs zoeken zoudt. Zuid-Beveland, door de beide takken der Schelde en hare nevenstroomen omsloten, heeft geen duinen; daarentegen een groot aantal sierlijk beplante dijken, die tot rijwegen zijn ingericht, en van waar ge uw blik kunt laten weiden over vlakke velden, uitmuntende niet door romantische schoonheid of verrassende afwisseling van gezichtspunten, maar wel door zeldzame vruchtbaarheid, waarvan bij uitstek partij is getrokken. Verdient Walcheren den naam van den tuin, den lusthof van Zeeland, dan mag Zuid-Beveland met recht dien van Zeelands moestuin en boomgaard dragen: alle zeeuwsche gewassen, granen, beetwortel, boonen, gedijen hier in zeldzame mate. Nabij de oude stad Reimerswael, sedert meer dan twee eeuwen door de wateren verslonden, stond in vroeger tijd een klooster met den naamParadisus maris, het Paradijs der zee. Welnu, voor zoo ver ge aan dien naam van paradijs bij voorkeur het denkbeeld van weelderige vruchtbaarheid hecht, mag Zuid-Beveland nog op dien titel aanspraak maken.
Ik sprak daar zoo even van Zuid-Beveland in zijne tegenwoordige gestalte, en niet ten onrechte. Immers, het eiland vertoonde zich vroeger geheel anders: het heeft, in den loop der eeuwen, zoowel terrein gewonnen en verloren, en is meer dan eens van gedaante gewisseld. Borsselen en Oost-Beveland, thans met Zuid-Beveland vereenigd, waren weleer afzonderlijke eilandjes; terwijl voor en na ook menige uiterwaard, menig schor, langzamerhand rijp geworden en door de terugtrekkende wateren verlaten, aan het vaste land is verbonden, en aldus de grenzen der bewoonbare aarde uitgebreid. Maar zijn, op sommige punten, de weleer breede stroomen, die het tegenwoordige Zuid-Beveland verdeelden of van de naburige eilanden scheidden, thans afgedamd of tot smalle rivierarmen en kreeken geslonken:—het water heeft zich gewroken over dat verlies en zich metwoekerwinstenschadeloos gesteld.
Ook de geschiedenis van Zuid-Beveland is eene aaneenschakeling van wanhopige worstelingen met het geweld der wateren. Vooral in de veertiende en in de zestiende eeuw hooren wij telkens verhalen van geduchte watervloeden, die gansche uitgestrekte gedeelten van het eiland verwoesten. In 1288, in 1304, in 1324, in 1352, in 1375, storten zich de opgeruide golven over het geteisterde land, waarvan de inwoners nauwelijks den tijd hebben, adem te scheppen, en hunne telkens vernielde zeeweringen en dijken te herstellen. De vijftiende eeuw opent, op den 19denNovember des jaars 1404, met den vreeselijken Sint-Elisabethsvloed; en gaat die eeuw ook verder in betrekkelijke kalmte voorbij, de volgende zou met deste geduchter kracht de felle geesel zwaaien. De watervloeden van 1509 en 1511 zijn, als het ware, het voorspel van dien noodlottigen vijfden November 15301, dien verschrikkelijken Sint-Felixvloed, toen geheel het oostelijk gedeelte des eilands ten prooi werd der woedende wateren en ook Reimerswael de eerste doodelijke wonde ontving. En de grimmige vijand liet niet af: rusteloos hernieuwde hij zijn aanval: in 1532, in 1539, in 1551, in 1557, in 1561, in 1563, in 1570—telkens en telkens op nieuw bruisen de wilde wateren, nu hier dan daar, over het reddelooze land, dijken vernielende, akkers verwoestende, dorpen overstelpende, de moeizaam verworven vrucht van jaren arbeids in een oogwenk verdelgende.
Bange en bittere dagen waren voor het bloeiende eiland gekomen. Bij herhaling door geweldige overstroomingen geteisterd, het geheele oostelijke kwartier voor goed verloren, herschapen in een waterwoestijn, een vaal moeras, bij iederen vloed door de golven overdekt—had Zuid-Beveland ook zwaar te lijden van de rampen des oorlogs. Tot in 1577 in spaansche macht gebleven, werd het eiland vijf jaren lang door de schepen der Prinsgezinden als het ware geblokkeerd, en van bijna alle gemeenschap met het overige van Zeeland afgesneden, zoodat alle handel stilstond. Daarbij kwamen herhaalde invallen en strooptochten, eerst van de Geuzen, later, na 1577, van de Spanjaarden: beiden er op uit om het vruchtbare, ook door zijne ligging zoo belangrijke eiland in hunne macht te krijgen of te houden. Tijdens het twaalfjarig bestand, werd Zuid-Beveland door een deel zijner bevolking, aan de katholieke kerk getrouw gebleven en deswege op velerlei wijze gekweld, verlaten; bij de hervatting der vijandelijkheden stond het weder aan nieuwe aanvallen bloot; zoodat het eenmaal zoo bloeiende eiland, toen eindelijk de vrede voor goed gesloten werd, in deerlijk verval verkeerde, arm aan bevolking en van welvaart beroofd.
Sedert herstelde het zich langzamerhand van de geleden verliezen; ook de watervloeden werden zeldzamer; al behoefde ook nog in onze eeuw de vloed van 1808 in hevigheid niet voor velen zijner voorgangers te wijken. Toch, dank zij misschien de steeds meer volmaakte kunst van verdediging tegen het water, bleven de rampen, in den regel, meer beperkt tot enkele punten, en werd niet meer, als in vroeger eeuw, het grootste gedeelte van het eiland op eenmaal onder water gezet. Tegenwoordig is Zuid-Beveland eene welvarende streek, waar de landbouw op groote schaal en met voortreffelijk gevolg gedreven wordt. Het is een echt boerenland: in dien zin namelijk, dat er op het gansche eiland maar ééne stad, en dan nog wel eene van zeer bescheiden afmetingen, gevonden wordt, terwijl de gansche overige bevolking verdeeld is over een aantal dorpen, waaronder zeer fraaie en bezienswaardige.
De spoortrein voerde ons, in minder dan een half uur, van Middelburg langs Arnemuiden, over het afgedamde Sloe, langs ’s Heer-Arendskerke, naar de eenige zuid-bevelandsche stad, naar Goes. Van hier uit zouden wij onze wandeling door het eiland beginnen.
Goes is eene oude, zeer stille, niet zeer mooie stad, waar weinig te zien valt. Wij hadden onzen intrek genomen in een der eenvoudige logementen op de Groote markt, waar nog alles toeging met die echte oud-hollandsche eenvoudige huiselijkheid, die op vreemdelingen een zoo zonderlingen indruk maakt. Hier geen kellners, zich eenair de grand seigneurgevende; hier, geen pedantegarçons, die u met hun onuitstaanbaar fransch en nog onuitstaanbaarder hollandsch vervolgen; geenmaîtred’hotel, die u, voornamelijk als ge voetganger zijt, behandelt met al de voornaamheid, die den meester van een groot etablissement past; hier, niets van al dien praal, al dien glans, al die pracht en beweging, die nu eenmaal, in onze voorstelling, van groote hotels onafscheidelijk is. Och neen, hier niets van dat alles. Ge moet zelf de voordeur openen en de gelagkamer opzoeken, waar ge dan, achter de toonbank en voor een rijkelijk met glazen en karaffen voorzien buffet, de vrouw des huizes of eene harer dochters vinden zult, aan wie ge dan uw verzoek om een kamer hebt mede te deelen. Doorgaans is er, eer ge antwoord bekomt, eenig overleg met de andere huisgenooten noodig; was moeder de vrouw straks niet in de gelagkamer, dan verschijnt zij toch nu in persoon om uwe vraag aan te hooren en te beantwoorden. En wordt uw verzoek toegestaan, dan vliegen geen trippelende knechts u voor langs breede trappen: neen, de huisvrouw zelve of een der familieleden zal u, een donkeren smallen trap op, naar uwe kamer geleiden: uwe kamer, meestal laag van verdieping, donkergroen of hardgeel geverwd, met witte gordijnen voor de ramen, gekleurde platen in vergulde lijsten langs de wanden, en een groot ledikant in den hoek, tenzij er een bedstede gevonden wordt, in wier donkere diepte ge dan des avonds verdwijnt, veilig achter de vaak dubbele beschutting van deuren en gordijnen. Toch hebben zij hare goede zijde, die oud-hollandsche, aartsvaderlijke herbergen, waar de vreemde reiziger nog dikwijls, als hij zich niet al te zeer terugtrekt, als een lid des gezins wordt beschouwd.
Op de vrij ruime, sierlijk beplante markt staat het stadhuis, een smakeloos gebouw, deels van oude dagteekening, deels in de vorige eeuw geheel vernieuwd, waarbij er natuurlijk niet aan gedacht is, dit nieuwe gedeelte in overeenstemming te brengen met hetgeen van het oude gebouw over bleef. Integendeel: boven op een ouden, zwaren, vierkanten toren, een middeleeuwsch monument, plaatste men een modernen koepel in den stijl der zeventiende eeuw, die bij den toren in het minst niet voegt en eene wonderlijke vertooning maakt. Ter zijde, achter het stadhuis, bevindt zich de ingang tot een der kruispanden van de groote kerk: een alleszins bezienswaardig monument van gothischearchitectuuruit de eerste helft der vijftiende eeuw, maar zoo zeer door huizen en nauwe stegen ingesloten, dat het bijna onzichtbaar is. De schoone, ruime kerk isinwendiggeheel bedorven door een muur, die haar in twee gedeelten splitst, waarvan het eenedoor de Hervormden, het andere door de Katholieken wordt gebruikt. Mocht deze wanstaltige muur eens worden weggeruimd, de kerk weder hersteld, en aan hare oorspronkelijke bestemming, namelijk de katholieke eeredienst, waarvoor zij alleen geschikt is, teruggegeven—dan zou Nederland een schoon gedenkteeken van middeleeuwsche bouwkunst rijker zijn. Inderdaad, de Protestanten in ons land moesten gezond verstand en goeden smaak genoeg toonen te bezitten, om aan de Katholieken deze oude kerken te verkoopen, die toch bepaaldelijk voor hen gebouwd en ook alleen voor hunne eeredienst geschikt zijn. Voor de protestantsche godsdienstoefening, zoo geheel anders ingericht, zoo geheel andere eischen stellende en voor zoo geheel andere behoeften voldoening verlangende, zijn deze heerlijke middeleeuwsche kathedralen volstrekt onbruikbaar, tenzij dan dat men beginne met ze totaal te verknoeien. En dan nog! Wat akeligen indruk maken op de bezoekers dezer misvormde kerken, die doellooze, ongebruikte en onbruikbare ruimten: koor, transept, zijbeuken soms, waarmede men letterlijk niet weet wat aan te vangen. Gevoelt men het dan niet, dat men, samenkomende in de afgeperkte ruimte van het schip, soms ter nauwernood de helft van de kerk in bezit nemende, terwijl al het overige ledig blijft;—gevoelt men het niet, dat men zich aanstelt als een kleingeestig burgerman, toevallig in het kasteel van een vorst gehuisvest, en die nu, zelf met de hem niet passende woning verlegen, en beseffende dat hij daar niet behoort, een paar kamers voor zijn klein leven inricht, en het edele gebouw tot een wildernis maakt? Is daar geen stem, die een verwijt, eene beschuldiging fluistert wegens de onverantwoordelijke schennis, aan deze trotsche monumenten gepleegd, waar men ze door allerlei armzalige betimmeringen onkenbaar maakt, overal den blik door houten beschotten tegenhoudt, en den katholieken tempel zooveel mogelijk verhanselt tot eene hoogst ongeschikte, ondoelmatige gehoorzaal met min of meer gemakkelijke zitplaatsen? Welk een gansch anderen indruk zouden kerken als die te Utrecht, te Haarlem, te Gouda, en zoo vele anderen maken, indien zij aan hare oorspronkelijke bestemming werden wedergegeven, en in plaats van, voor de protestantsche godsdienst, slechte, onbeholpen spreekzalen te zijn, op nieuw werden herschapen in katholieke, harmonisch schoone, kathedralen. Mocht, al ware het alleen om der schoonheid en des goeden smaaks wille, deze dag der herstelling spoedig aanbreken!
Te Goes vindt ge een oude herberg, die den naam draagt van het Slot van Oostende, en die ook inderdaad een overblijfsel is van den alouden ridderburcht van dien naam, waarschijnlijk door een der Heeren van Borsselen gesticht. Dit slot Oostende is vermoedelijk ouder dan de stad, die, als zoo vele anderen, zich langzamerhand in de schaduw van den sterken burcht zal hebben ontwikkeld, en die eerst in de vijftiende eeuw met stadsrechten werd begiftigd. Toen de goederen van Floris Van Borsselen, in de burgertwisten der veertiende eeuw, werden verbeurd verklaard, werd het slot Oostende door Graaf Willem III, aan zijn jongsten zoon, den ridderlijken Jan van Beaumont, geschonken; later kwam het weder aan de grafelijkheid, en geraakte in het begin der zestiende eeuw in bezit van hetadellijkgeslacht Van der Goes, welks wapen nog boven een der gangen gevonden wordt. In 1747 ging het, bij verkoop, over aan den Raad van State, die het tot een militair hospitaal inrichtte, maar het gebouw reeds in het volgende jaar aan de stad overdroeg, die het op hare beurt aan een partikulier verkocht. Nu werd het geheel veranderd, onkenbaar gemaakt, en tot herberg en logement ingericht, waartoe het heden nog dient. Voorwaar, niet veel is er van den ouden ridderburcht overig, tenzij dan de ruime, zwaar gewelfde kelders, die trouwens nog maar voor een klein deel toegankelijk zijn.
Toch verdient ook dit treurig overblijfsel van hetadellijkslot uwe belangstelling; want groote, historische herinneringen zijn aan dit grijze gedenkteeken van den ouden tijd verbonden; herinneringen niet alleen aan de fiere, machtige Heeren van Borsselen, wier doorluchtig stamhuis zich in den nacht der eeuwen verliest, en die eeuwen lang aan het hoofd stonden van den zeeuwschen adel; niet alleen aan den edelen ridderlijken held, Jan van Beaumont; maar herinneringen vooral aan die beklagenswaardige Vorstinne, wier avontuurlijk leven en treurig lot haar eene onvergankelijke beroemdheid hebben verzekerd, en die nog altijd blijft voortleven in de heugenis des volks, dat althans haar naam in eere houdt, ook waar het van haar daden luttel weet:—Jacoba van Beieren. Even als haar vader, schijnt ook zij voor Goes een bijzondere voorliefde te hebben gekoesterd: althans reeds in het eerste jaar harer regeering schonk zij aan het open vlek stadsrechten, en, wat geen goede stad mocht ontbreken: muren en wallen. En toen zij later, na een veel bewogen leven, eindelijk den strijd tegen haar overmachtige vijanden moede, bezwijkende deels door den onvermijdelijken loop der dingen, deels door eigen, roekeloos opgeladen schuld, van de regeering afstand had gedaan, toen hield zij enkele malen, met haar gemaal Frank Van Borsselen, haar verblijf op ditzelfde slot Oostende. En al was zij geene gebiedende Vrouwe, geene regeerende Vorstinne meer, toch omgaf haar nog altijd genoeg van den vorstelijken luister, om den burcht, waar zij inkeerde, tot eenhofburchtte maken, die althans eenigermate een beeld vertoonde van den schitterenden luister van het hofleven der vijftiende eeuw. En ook al ware dit niet het geval geweest: was niet de tegenwoordigheid zelve der nog zoo jeugdige, zoo rampspoedige Vorstinne, die zoo veler hart had weten te betooveren en in geestdrift voor haar en hare zaak te ontvlammen, voldoende om de algemeene aandacht, de algemeene belangstelling te wekken, nog verlevendigd door de herinnering aan de weldaden, waarvoor de ontluikende stad haar had te danken? En de voormalige Landsvrouwe toonde zich nog niet vervreemd van haar volk. Was het niet bij gelegenheid van een dier oude volksfeesten, waarvan de herinnering hier nog voortleeft, bij het vogelschieten, dat zij zich, naar het loffelijke gebruik dier dagen, onder de schare mengde, en zelve deel nam aan den wedstrijd? Naar de overlevering wil,zou de Gravinne toen zelve, met eigen hand, den houten vogel, door een welgemikt schot, van zijn hoogen paal hebben doen tuimelen, waarop zij, mede naar aloude zede, door de schutters tot schutterkoningin werd uitgeroepen. En toen de bewoners der omliggende, aan de heerlijkheid van Goes onderhoorige dorpen, ’s Heer-Hendrikskinderen, Wissekerke, Baarsdorp, Sinoutskerke en ’s Heer-Abtskerke, haar met dien triomf kwamen geluk wenschen en geschenken aanbieden, toen toonde zij zich vorstelijk mild, door hun de vlastienden kwijt te schelden, zoo als het sedert gebleven is tot dezen dag. Alzoo leeft de herinnering van de bekoorlijke Gravinne nog altijd voort in het hart des volks, dat zij door een duurzame weldaad aan zich verbond.
Wissekerke (Noord-Beveland)Wissekerke (Noord-Beveland)
Wissekerke (Noord-Beveland)
Maar ook nog een ander zichtbaar gedenkteeken is van haar gebleven. In den tuin van het aloude Slot van Oostende toont men u nog een overouden moerbeziënboom, onder welks schaduw, naar de overlevering verhaalt, de Vorstin meermalen zou neergezeten hebben. Mogen wij deze overlevering gelooven? Oud is de boom zeker; zijn stam is ter aarde gekromd en rust op steenen palen, maar nog altijd dragen zijne takken bladeren en vruchten, ook al is hij inwendig bijna geheel hol. Al heeft dan ook Jacoba van Beieren nimmer onder dezen zelfden boom gerust,—hij mag inderdaad gelden voor een getuige van vroeger eeuw, en stellig niet zonder oorzaak is haar naam aan dien ouden gebogen stam verbonden. Die naam geeft nog heden den boom beteekenis, en geen vreemdeling zal Goes bezoeken, zonder ook zijne schreden te richten naar den tuin der oude herberg, om daar een der relieken te aanschouwen van de in zoo menig opzicht merkwaardige vrouw, wier aantrekkelijke, in waarheid tragische figuur zoo beteekenisvol daar staat op den drempel van den nieuweren tijd, aan den uitgang der middeleeuwen, waarvan zij zelve, althans in sommige opzichten, eene getrouwe vertegenwoordigster was, voor wier traditioneele beginselen zij zelve kloekmoedig gestreden heeft, en in ’t einde als slachtoffer gevallen is.
De kroon der jeugd.De kroon der jeugd.
De kroon der jeugd.
Goes bezat weleer, als iedere goede middeleeuwsche stad, hare schutterdoelens of schutterhoven, en wel ten getale van drie: het schuttershof van den handboog, dat van den voetboog, en het hof der kloveniers of schutters van de busse. Deze laatste schuttersdoelen is verdwenen; de beide anderen bestaan nog, doch hebben thans eene andere bestemming gekregen; in het schuttershof van den handboog vindt ge tegenwoordig een schouwburgzaal met bijbehoorende lokalen, een teekenschool, en een societeit, welke laatste de zinspreuk van het oude schuttersgilde:vanongeneuchten vrij, heeft behouden. Voorheen behoorden alle gezeten burgers der stad tot een dezer drie schuttersgilden, die tot het laatst der vorige eeuw zijn in stand gebleven, maar toen mede ondergegaan in den geweldigen storm, die zoo vele andere en gewichtiger instellingen van den ouden tijd omverwierp. Toch waren ook zij eerwaardige instellingen, die aloude schuttersgilden, zoo oud als de vrije steden en gemeenten, wier bescherming hunne voorname taak was, ja zelfs ouder nog; instellingen, geworteld in het volksleven, haar ontstaan niet dankende aan een geschreven wet of reglement, maar van zelve geworden en ontwikkeld en opgegroeid met het volk, en mede behoorende tot de eigenaardige kringen, waarin het gezonde, rijk geschakeerde, organisch gevormde leven der middeleeuwen zich bewoog. Tot verdediging der veste moest het schuttersgilde steeds vaardig zijn; maar het deed nog iets anders dan nu en dan soldaatje spelen in vredestijd: het was geen onsamenhangende hoop, alleen door dwang aldus te saam gebracht en tijdelijk gehouden: het was eene vrijwillige vereeniging van vrije poorters, eene corporatie, die hare eigene plaatsen van bijeenkomst had, hare eigene rechten en privilegiën, waarop zij trotsch was; die hare eigene feesten vierde, waaraan de halve bevolking der stad, meer of minder rechtstreeks, deel nam. Ook zij zijn voor altijd verdwenen, al is nog de herinnering aan het oude schuttersvermaak, het vogel- ofpapegaaischieten, niet geheel uitgestorven.
Zoo wandelende, hadden wij al spoedig gezien, wat Goes bezienswaardigs oplevert. Morgen zullen wij onze voetreis door het eiland aanvangen.