VI.Wie den vollen indruk wil krijgen van de buitengewone vruchtbaarheid van Walcheren, moet, zoo als wij deden, op een mooien, helderen, warmen zomermorgen, te voet uit Middelburg vertrekken, om eene wandeling in den omtrek te doen. De wegen, met wilgen en jonge olmen omzoomd, zijn allerbekoorlijkst. Dikwijls genoeg ontmoet ge op den weg een grooten wagen, met een witte of gele huif overspannen, volgeladen met vrouwen en meisjes in hare fraaiste kleederen, oude mannen met de onmisbare pijp in den mond, en jongelieden, die, den nieuweren tijd huldigende, een bruin glazen of zilveren sigarenpijpje tusschen de tanden hebben: allen vroolijk en luidruchtig. Deze lieden gaan uit rijden: van ouds eene zeer geliefkoosde uitspanning onzer burgerij en landlieden, vooral der eerste. De boeren plegen doorgaans niet dan bij feestelijke gelegenheden uit spelerijden te gaan. Onze eerzame, nijvere burgers daarentegen, het gansche jaar door in winkel of kantoor bezig, opgesloten binnen de muren der steden, die juist niet altijd op bekoorlijke omstreken konden roemen; onze eenvoudige burgers hadden er behoefte aan, zich nu en dan eens in de vrije natuur te vertreden, en daartoe boden die speelreisjes eene welkome gelegenheid. Nevens het genot van de vrije lucht had men nog dat van het rijden zelf—ook geen alledaagsch pleizier;—van het prettige gezelschap, van een maaltijd in een boerenherberg of, beter nog, op het open veld; en bovenal het zalig bewustzijn, eens een ganschen dag uit de “zaken” en geheel vrij te zijn. Le Francq van Berkhey meende dat de “gezellige en vriendschapvoedende aard onzer natie” nergens duidelijker in uitkwam dan in hare “geneigdheid tot speelevaren en rijden”; vooral in Zeeland had hij dit “op een ongemeen gezellige wijze” gezien. “Een gezelschap,”zoo verhaalt hij,“dat aldaar spelemeijen gaat, neemt in ’t rijtuig brood en kaas, of eenig gebak en gebraad en wijn mede; men rijdt door de goudgeele koornlanden, en vrugtbare akkers; men kiest eindelijk eene digte of aangenaam belommerde dreef of groene laan, in welke men van den wagen klimt. Hier zet zig het gezelschap op de groene zooden neder; de tafel word op den grond gedekt, en men eet en drinkt met zulk een genoegen, dat iemand, die eenig gevoel heeft van ’t zoet vermaak, dat een gepaste vreugde, ware vrijheid en vriendelijke gezelligheid, onbedwongen verleent, hetzelve niet bijwonen kan zonder het edelmoedig vaderlandsch karakter der Zeeuwen daarin te erkennen.” Wat stijl! en wat onzin, in het eten en drinken op het groene gras een bewijs te willen zien van edelmoedigheid en vaderlandsliefde! Maar dat daargelaten:—het spelenrijden is nog een vrij algemeen geliefde uitspanning, niet alleen in Zeeland maar ook elders, al heeft het ook tegenwoordig iets van zijn vroeger karakter verloren.Wij zijn op weg naar Koudekerke, een zeer fraai en schilderachtig dorp. De kerk, die uit de veertiende eeuw dagteekent, verrijst te midden van een tuin—het oude kerkhof—door een bloeiende haag omringd, die door witgeverfde paaltjes en traliewerk tegen schending is beveiligd. Op het plein rondom de kerk staan de fraaiste huizen, netjes beschilderd, die zelfs in de stad een goede vertooning zouden maken. Statige linden, somwijlen ook geschoren en langs latten geleid, beschaduwen de meer eenvoudige woningen. Het geheele dorp draagt het voorkomen van welvarendheid en kalme rust, dat den stedeling doorgaans bij den eersten aanblik zoo zeer bekoort, maar toch doorgaans spoedig verveelt en naar afwisseling doet haken. Wij wandelen het dorp eens door, toeven een poos in de voornaamste herberg, en vervolgen onze voetreis.Ge hebt er toch niet tegen dat wij een praatje aanknoopen met dien eerzamen man, die daar voor ons uitwandelt en dien wij spoedig hebben ingehaald. Hij blijkt de schoolmeester van het naburig dorp te zijn: een man van jaren, eenvoudig, eenigszins beschroomd, die, in het land geboren, zijn leven op het land gesleten heeft. Misschien zou hij, zoo hij nog zijn examen moest doen, worden afgewezen: want wij mogen veilig aannemen, dat hij nooit zijne hersenen heeft volgepropt met een massa onsamenhangende brokken van onbegrepen, fragmentarische kennis, gelijk zoo velen zijner hedendaagsche collega’s wel verplicht zijn te doen;—en dit heeft althans dit zeer groote voordeel, dat hij ook de aan zijn leiding toevertrouwde kinderen niet voor hun volgend leven bederven zal door hun allerlei halfslachtige geleerdheid, waarmede zij verder niets weten aan te vangen en die ook inderdaad volstrekt onbruikbaar is, in te pompen. Maar de brave man, die weinig met fraai klinkende theoriën opheeft, omdat hij de werkelijkheid des levens kent, is daarentegen ten volle vertrouwd met het volk, in welks midden hij leeft, met zijne denkbeelden en gebruiken, zijne zeden en eigenaardige gewoonten. Wij zijn met hem aan het praten geraakt over veel en velerlei, en willen het een en ander mededeelen van wat wij, zoo van hem als van anderen, omtrent de volksgebruiken in Zeeland vernamen. Men houde daarbij in het oog, dat hier hoofdzakelijk van het platte land sprake is: want in de steden is alle eigenaardigheid reeds verdwenenof althans der verdwijning nabij, en ook op het platte land zelf beginnen de oude gewoonten te wijken.Laat ons eens zien hoe een zeeuwsche jonkman het aanlegt, om kennis te maken met de jonge dochter, die hij zich tot vrouw heeft uitverkoren. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren geschieden; bijvoorbeeld op deze. De jonkman begeeft zich op het uur, als hij weet dat zijne beminde in het land is om de koeien te melken, naar het hek van de wei, en gaat daar voorover op het gras liggen, natuurlijk zijne blikken onafgewend op zijne Galathea houdende. Zijn de blinkende emmers vol, dan staat hij op en gaat naar haar toe, met de vraag of hij voor haar de zware emmers mag dragen. Vergunt zij dit, dan is het een bewijs, dat zijn aanzoek haar niet ongevallig is; weigert zij, dan kan hij gerust heengaan.Maar niet alle vrijages beginnen op deze echt arkadische wijze. Vooral op marktdagen, om van de kermissen te zwijgen, zoeken en vinden de jongelieden gelegenheid om met elkander in aanraking te komen. Als de markt is afgeloopen en de wagens straks zullen worden ingespannen, dan worden de meisjes in de herberg op likeur onthaald. Allen drinken uit hetzelfde glas, dat van mond tot mond gaat, en telkens op nieuw wordt gevuld; natuurlijk maakt dit de tongen los en wordt menig zoet woordje gewisseld. Hoe gelukkig is de jonkman, als hij des avonds het meisje, dat hem aangetrokken heeft, naar huis mag geleiden.Nu wordt de kennismaking voortgezet. Iederen Zondag gaat de minnaar trouw ter kerk, voornamelijk om te zien, of zijne uitverkorene met hare ouders daar tegenwoordig is, dan wel of zij alleen is te huis gebleven. Is dit laatste eens het geval, dan spoedt hij zich naar de welbekende woning en klopt aan de achterdeur, want de voordeur is onder kerktijd gesloten. Beschroomd en verlegen, meldt hij zich aan met de vraag: “Meiske, mag ik mijn pijpje aansteken?” Het meisje begrijpt volkomen de bedoeling van die schijnbaar zoo eenvoudige vraag, en naarmate zij zelve de nadere kennismaking met den jonkman al of niet wenscht, willigt zij het verzoek in of slaat het af. Vergunt zij hem binnen te komen, dan steekt hij ook inderdaad zijn pijp aan; maar hoe zal hij het nu aanleggen, om te zeggen wat hem eigenlijk op het hart ligt? Belangrijke mededeelingen, zoo als dat de koe gekalfd of de zeug gebigd heeft, kunnen wel voor een poos helpen, maar om dat te zeggen, is hij toch eigenlijk niet gekomen. Het meisje hoort hem geduldig aan en gaat haar gang: zij weet zeer goed waarom hij komt, en dat hij haar zal vragen om met hem kermis te houden; maar zij wacht op de dingen die komen zullen. Eindelijk is het groote woord er uit. En zie—het wordt niet slecht opgenomen: trouwens de toestemming was reeds meer dan half gegeven, toen vergund werd de pijp te komen aansteken.Voorloopig blijven de ouders, althans officiëel, nog buiten spel, ook al weten zij wat er voorvalt. Die zondagsche bezoeken worden nu vrij geregeld herhaald. Het meiske verzelt hare ouders niet naar de middagkerk, maar maakt de thee gereed, en bakt een zeker soort van suikerkoekjes, suikerblokjes, spekjes of babbelaars genoemd, waarop zij haar minnaar onthaalt. Deze verschijnt trouw op het bepaalde uur, en blijft met zijn liefje zitten keuvelen, tot de kerktijd voorbij is.Natuurlijk blijven deze bezoeken niet onopgemerkt; de buren, de buurmeisjes vooral, spreken er van, en waarschuwen de ouders; maar van eene verloving in den vorm is nog geen sprake. Bij de aanstaande kermis echter wordt de zaak ruchtbaar; de beide gelieven vertoonen zich te zamen in het openbaar, drinken en dansen te zamen, en maken verder geen geheim van hunne wederzijdsche verbintenis. Doorgaans volgt dan spoedig het huwelijk.Het gebeurt echter ook wel, dat de vrijage wordt afgebroken. Heeft zich het meisje evenwel bij ongeluk vergeten, dan is aan geen afbreken der betrekking meer te denken. De jonkman, die zich in zulk een geval terugtrok, zou de algemeene verachting op zich laden, en stellig niet in zijn dorp of ook in den omtrek kunnen blijven. Overal zou hij als een eerlooze worden beschouwd en behandeld. Intusschen doen zich zulke gevallen hoogst zeldzaam voor.In sommige dorpen van Walcheren en vooral op Zuid-Beveland is nog eene andere manier van vrijen in zwang. In den omtrek van Goes is het de gewoonte, dat het jonge meisje vooraf aan hare ouders verlof vraagt om zich het hof te laten maken, zonder nog den naam van haar minnaar te noemen, of althans zonder daartoe verplicht te zijn. Geven de ouders de gevraagde toestemming, dan gaat de jonkman des avonds naar de bakkeet of den bakoven: in den regel een groot vertrek, donkergroen geschilderd en van de eigenlijke woning afgescheiden. Hij heeft een zoete koek in de hand, en vraagt of het meisje daarvan met hem eten wil. Neemt zij dit aan, dan is dit een goed teeken; weigert zij, dan mag hij, na gedurende vier zaterdagen de proef herhaald te hebben, niet meer terugkomen. Dan heet het, dat hij met de koek op het hoofd te huis is gekomen.De bruiloften worden op de gewone wijze met maaltijden en drinkgelagen, met zang en dans en rijtoertjes gevierd, hoewel de vroegere luidruchtigheid meer en meer wijkt. Bij het huwelijk was, en is het nog wel de gewoonte, dat de jonge man van zijne ouders een nieuw pak krijgt, hetzij van zwart laken, hetzij van bombazijn, naar de geldmiddelen dit veroorloven. Dit pak bestaat uit een buis, een vest, een broek en een overjas, kappe genaamd, die hem tot op de hielen hangt en in vorm en snede geheel overeenkomt met de jas van zijn grootvader. Deze kleederen bewaart hij zijn geheele leven; zij worden slechts bij buitengewoon plechtige gelegenheden gedragen: bij den doop van zijne kinderen, bij de viering van het Avondmaal, bij de begrafenis van een zijner bloedverwanten.Op het platte land van Zeeland zijn nog, bij begrafenissen, eenige oude en eigenaardige gebruiken in zwang gebleven. Is er een doode in huis, dan verschijnen de zoogenaamde afleggers, die het lijk ontkleeden en soms ook wasschen; voorts het steeds ongebruikte doodhemd aantrekken, het lijk in het doodlaken spelden en opstroo leggen; verder de “wete” doen aan vrienden en bekenden, en eindelijk zorgen dat er ook stroo voor de deur wordt gelegd. De afleggers verrichten alzoo hetzelfde wat elders ten platten lande door de buren geschiedt; het eenige onderscheid is, dat zij voor hun werk betaald worden, en wel met een som, gelijk aan de kosten der doodkist: dat betalen is echter meer dan waarschijnlijk een moderne nieuwigheid. Het eigenaardige in deze zeeuwsche gebruiken is het leggen van stroo voor de deur: een gebruik dat, voor zoo ver ik weet, tegenwoordig nergens in ons vaderland meer voorkomt. Dit lijkstroo bestaat voor volwassenen doorgaans uit tien, somtijds ook uit zeven bossen, regelmatig opgestapeld; is er een kind gestorven, dan wordt slechts een klein bosje voor de deur nedergelegd, met een takje palm voor een jongske, en een takje thym voor een meisje. Wij hebben hier met een overoud gebruik te doen: reeds in de vroegste middeleeuwen werd het lijk op stroo gelegd, en werden bossen stroo voor de deur gestapeld of rondom het sterfhuis uitgelegd, of wel, men maakte kruisen van stroo en hing die aan deur en vensters. Werd de lijkkist op een wagen naar het kerkhof gevoerd, dan werden wederom aan wederzijde bossen stroo gelegd; en bij de terugkomst van de begrafenis, werd dit stroo aan een kruisweg op de vier hoeken nedergezet. Ook nu nog wordt de kist op bosjes stroo in den wagen gezet, en worden die bosjes, na afloop der begrafenis, als van ouds aan de vier hoeken van een kruisweg nedergelegd of in de sloot geworpen. Wat beteekent dit? Tegenwoordig is voor verreweg de meesten de eigenlijke beteekenis van deze en zoo vele andere gebruiken verloren gegaan: wij weten evenwel, dat het stroo in vroeger tijd een zeer krachtig voorbehoedmiddel werd geacht tot afwering van booze geesten: waar stroo lag, kon geen booze geest genaken, kon geen heks binnensluipen. Nu is het bekend, dat de duivelen en booze geesten er steeds op uit waren, zich van de gestorvenen meester te maken: daartegen moest dus gewaakt worden, en om dit gevaar te keeren, diende zoowel het stroo voor de deur als het luiden der klok, waardoor de booze geesten in de lucht op de vlucht werden gedreven. Het voor de deur opgestapelde stroo werd oudtijds verbrand: een voorzichtigsheidsmaatregel, want het was mogelijk dat zich daarin “duivelen, coubouten, ofte maren” verscholen hadden. Tegenwoordig wordt het aanstonds nadat het lijk uit het sterfhuis gedragen is verwijderd en weggeworpen.Lijkdienaars.Lijkdienaars.Aan het hoofd van den lijkstoet, die uit de bloedverwanten en vrienden bestaat,—de vrouwen gaan zeer zelden mede naar het kerkhof—gaat de grafdelver of doodgraver, die geen bijzonder kostuumheeft, maar slechts een lamfer aan zijn hoed draagt. Zoodra de kist in de groeve is nedergelaten en met aarde bedekt, houdt de predikant eene toespraak; is deze niet tegenwoordig, dan worden de vrienden en buren door den grafdelver bedankt voor de eer, aan den overledene bewezen. Over het algemeen vervult hier de grafdelver bij eene begrafenis dezelfde functiën, die elders aan den aanspreker of bidder zijn opgedragen. Als de bloedverwanten en vrienden in het sterfhuis terugkomen, vinden zij daar water en handdoeken gereed, om zich de handen te wasschen, wat dan ook niemand verzuimt. Ook dit gebruik is zeer oud: de aanraking met den doode en het doodenrijk verontreinigde: van daar de behoefte aan reiniging na de terugkomst van den lijkweg. Zelfs dat water en die doeken moesten op eigenaardige wijze behandeld worden: het was volstrekt niet onverschillig waar het water werd uitgegoten; en de doeken moesten aanstonds in het water worden gezet en een poos achteraf staan. Deze gebruiken gaan echter verloren, en zijn reeds voor een deel vergeten, met uitzondering van het handenwasschen, dat, naar ik meen, nog steeds geschiedt.Natuurlijk wordt er ook in Zeeland, na afloop der begrafenis, gegeten en gedronken. Het aloude doodbier, nog uit de germaansche tijden afkomstig, behoort sedert lang tot de geschiedenis. Ja, wat daarvoor later in de plaats gekomen is,—rijst met krenten en rozijnen—is mede reeds in onbruik geraakt. Tegenwoordig eten de vrienden en geburen koffie met brood en ham, nadat de predikant, of bij zijne afwezigheid iemand anders, een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en een gebed gedaan heeft. Ook dit eten en drinken na de terugkomst van het graf, is een overoud gebruik: bij de heidensche Germanen duurde dit doodsmaal drie dagen achtereen, en diende tot verheerlijking van den overledene. Het maal werd toen bij den grafheuvel gehouden: en daarbij dronk de zoon zijns vadersminne: een bewijs dat hiermede eene soort van offerande of godsdienstige handeling word bedoeld. Het germaansche doodmaal, dat elders nog duidelijker kenbare sporen heeft nagelaten, is hier ingekrompen tot een boterham met ham en een kop koffie.Typen van West-Kapelle.Typen van West-Kapelle.Men vindt in Zeeland geen grafheuvelen uit den germaanschen tijd. Daaruit en uit eene zeer oude legende, volgens welke de zielen der gestorvenen van de hollandsche en zeeuwsche kusten des nachts naar Engeland werden gevoerd, hebben sommigen afgeleid, dat de oude bewoners van Zeeland hunne dooden in zee begroeven. Met zekerheid is dit niet te zeggen: doch onwaarschijnlijk is het niet, daar ongetwijfeld voor de bewoners dezer eilanden, die hun leven op het water sleten, de zee een voorwerp van godsdienstigevereering, een godheid was, al weten wij niet onder welken naam zij haar vereerden.Met deze eeredienst der zee stond zeker ook in verband een vreemdsoortig spel, dat vroeger in Holland en Zeeland zeer in zwang was, en in de laatste provincie eerst in de vorige eeuw werd afgeschaft. In de Meimaand togen de jongelieden van beiderlei kunne uit de dorpen on steden langs de hollandsche en zeeuwsche kusten naar het strand; daar gekomen, werden de meisjes onverwachts door de jonkmans aangegrepen, opgenomen, en een eind ver in zee gedragen; vervolgens weder naar de duinen gebracht en van den top naar beneden gerold. Dit ruwe spel, waarbij niet zelden ongelukken voorkwamen, was ongetwijfeld een overblijfsel van eene vroegere godsdienstige plechtigheid, waarvan natuurlijk de beteekenis sinds lang in vergetelheid is geraakt. De zeeuwsche dichter Bellamy heeft dezen zeedoop in verband gebracht met een ander spel, meer bepaald aan Walcheren eigen: het zoogenaamde smeltvangen. De smelt is een kleine smalle visch, die zich veelal in het zand aan den oever ophoudt. Bij het omwoelen van het zand, komen deze visschen te voorschijn, doch weten zich zoo behendig te onttrekken aan de hand, die hen vatten wil, dat er eene groote mate van behendigheid toe behoort om de vlugge prooi te grijpen. Dit spel, thans mede in onbruik geraakt, is voor goed aan de vergetelheid ontrukt door Bellamy’s romance,Roosje: een van de beste voortbrengselen van dit genre, waarop de nederlandsche letterkunde, overigens in dit opzicht niet zeer rijk bedeeld, roemen kan.Roosjeis algemeen bekend, toch misschien meer bij naam en broksgewijze, dan in zijn geheel: daarom, nu wij door Zeeland wandelen en onze schreden richten naar Walcherens stranden, moge deze schoone, door haar eenvoud roerende vertelling hier eene plaats vinden. Ook wie dit gedicht kent, zal het niet dan met genoegen herlezen.Er was in Zeeland eens een man,Hij had een aardig kind,Een meisje, dat van iedereenOm ’t zeerste werd bemind.De man, gelijk men denken kan,Was grootsch op zulk een schat;Te meer—daar hij zijn lieve vrouwDaarbij verloren had.Wat nam hij Roosje menigmaal,Al zuchtende, in zijn arm,En kuste met een tranend oogHeur roode kaakjes warm!Dan zei die teedre, goede man:“Gij hebt geen moeder meer!”—“Ja wel”, zei dan het zoete kind,“Bij Onzen lieven Heer!“Dat hebt gij immers zelf gezegd.“Maar waarom ging zij heen?“Zij had mij niet zoo lief als gij,“Want zij liet ons alleen!”De vader sprak geen enkel woord,Maar kuste ’t kleine wicht;En, onder ’t kussen, dekte een stroomVan tranen zijn gezicht.Dit meisje werd wel schielijk groot;Zij was de roem der stad;Geen vader, die haar voor zijn zoonNiet reeds gekozen had.Wat was dat lieve meisje schoon;Wat had ze een nette leest!Wat was zij aardig en beleefd:Zoo deugdzaam, zoo vol geest!Zoo vriendlijk als de schoone maan,Als ze opkomt uit de zeeEn op de blanke duinen schijnt—Zoo vriendlijk was ze meê.Heur lieflijke oogen waren bruin,Niet vurig—kwijnend, zacht;Heur lachje was als ’t morgenrood,Dat aan de kimmen lacht.Wanneer zij met de zeeuwsche jeugdEen luchtje schepte aan ’t strand,Dan las ze op elken tred haar naam,Geschreven in het zand.Geen jongeling, die niet voor haarMet eerbied was bezield,Haar niet voor de allerschoonste bloemDer zeeuwsche meisjes hield.Daar leeft in Zeeland, in het strand,Een kleine, ronde visch,Die voor der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidenwindLangs kleine golfjes speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaatDes nijvren landmans streelt;Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,Naar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch;En dikwijls is de vlugste handTe traag voor dezen visch.Intusschen speelt en stoeit de jeugd,En fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee;Het meisje roept en wringt,—vergeefs:Hij draagt haar mede in zee.’t Was eens een schoone zomerdag;En ’t puikje van de jeugdGing naar het strand met spade en ploeg,En voelde niets dan vreugd.Het lieve Roosje was er bij;En ieder jongelingVergat den ploeg, vergat den visch,Als ze aan zijn zijde ging.Een jongling, die haar ’t meest beviel,Bleef immer aan haar zij;Hij zeide aan Roosje menigmaalDe zoetste kozerij.Nu drukt hij eens heur zachte hand,Daar hij een kusje steelt,En met de lokjes om haar hals,Heur bruine lokjes, speelt.Het meisje wringt zich los, en zegt:“Gij stoutert, daar gij zijt!“Plaag nu ook de andre meisjes wat;“Gij plaagt ook mij altijd!“Ei, ga naar de andre meisjes heen,“En laat mij nu met vreê!”—“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,“Dan draag ik u in zee!”Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,Zij vlucht al lachend heen;Hij volgt haar na, en slaat zijn armAl lachende om haar heen.Nu roept en schatert al de jeugd:“Draag Roosje nu in zee!”Hij tilt haar ijlings van den grond,En loopt met haar in zee.De sterke jongling kust den last,Dien hij zoo gretig torscht,En klemt het allerliefste kindNog vaster aan zijn borst.Het meisje roept en bidt vergeefs;Hij gaat al fladdrend voort!Het water spat, en klotst, en bruist,Dat hij haar nauwlijks hoort.In ’t eind was hij zoo ver gegaan,Dat iedereen aan ’t strand,Vol vreeze en schrik, gedurig riep:“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”Op eens, daar hij teruggekeert,Staat hij vertwijfeld stil:“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”En Roosje geeft een gil.“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink“Hier in een draaikolk neer!”Het meisje grijpt hem om den hals.En zinkt met hem ter neêr.Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofdStilzwijgend naar het strand;Doch was in ’t eigen oogenblikVerzwolgen in het zand!Daar stond de jeugd gelijk versteend;Geen mensch, die zuchtte of sprak;Tot eindlijk uit eens ieders oogEen stroom van tranen brak.“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?“Ligt Roosje daar in zee?”—Zoo gilt en klaagt een iedereen:De duinen gillen meê.Wel schielijk werd dit droef gevalVerkondigd in de stad;Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,Die niet verslagen zat.De jeugd ging zwijgend van het strand,En zag gedurig om,Een ieders hart was vol gevoel—Maar ieders tong was stom.De maan klom stil en statig op,En scheen op ’t aaklig graf,Waarin het lieve jonge paarHet laatste zuchtje gaf.De wind stak hevig op uit zee;De golven beukten ’t strand;En schielijk was de droeve maarVerspreid door ’t gansche land.
VI.Wie den vollen indruk wil krijgen van de buitengewone vruchtbaarheid van Walcheren, moet, zoo als wij deden, op een mooien, helderen, warmen zomermorgen, te voet uit Middelburg vertrekken, om eene wandeling in den omtrek te doen. De wegen, met wilgen en jonge olmen omzoomd, zijn allerbekoorlijkst. Dikwijls genoeg ontmoet ge op den weg een grooten wagen, met een witte of gele huif overspannen, volgeladen met vrouwen en meisjes in hare fraaiste kleederen, oude mannen met de onmisbare pijp in den mond, en jongelieden, die, den nieuweren tijd huldigende, een bruin glazen of zilveren sigarenpijpje tusschen de tanden hebben: allen vroolijk en luidruchtig. Deze lieden gaan uit rijden: van ouds eene zeer geliefkoosde uitspanning onzer burgerij en landlieden, vooral der eerste. De boeren plegen doorgaans niet dan bij feestelijke gelegenheden uit spelerijden te gaan. Onze eerzame, nijvere burgers daarentegen, het gansche jaar door in winkel of kantoor bezig, opgesloten binnen de muren der steden, die juist niet altijd op bekoorlijke omstreken konden roemen; onze eenvoudige burgers hadden er behoefte aan, zich nu en dan eens in de vrije natuur te vertreden, en daartoe boden die speelreisjes eene welkome gelegenheid. Nevens het genot van de vrije lucht had men nog dat van het rijden zelf—ook geen alledaagsch pleizier;—van het prettige gezelschap, van een maaltijd in een boerenherberg of, beter nog, op het open veld; en bovenal het zalig bewustzijn, eens een ganschen dag uit de “zaken” en geheel vrij te zijn. Le Francq van Berkhey meende dat de “gezellige en vriendschapvoedende aard onzer natie” nergens duidelijker in uitkwam dan in hare “geneigdheid tot speelevaren en rijden”; vooral in Zeeland had hij dit “op een ongemeen gezellige wijze” gezien. “Een gezelschap,”zoo verhaalt hij,“dat aldaar spelemeijen gaat, neemt in ’t rijtuig brood en kaas, of eenig gebak en gebraad en wijn mede; men rijdt door de goudgeele koornlanden, en vrugtbare akkers; men kiest eindelijk eene digte of aangenaam belommerde dreef of groene laan, in welke men van den wagen klimt. Hier zet zig het gezelschap op de groene zooden neder; de tafel word op den grond gedekt, en men eet en drinkt met zulk een genoegen, dat iemand, die eenig gevoel heeft van ’t zoet vermaak, dat een gepaste vreugde, ware vrijheid en vriendelijke gezelligheid, onbedwongen verleent, hetzelve niet bijwonen kan zonder het edelmoedig vaderlandsch karakter der Zeeuwen daarin te erkennen.” Wat stijl! en wat onzin, in het eten en drinken op het groene gras een bewijs te willen zien van edelmoedigheid en vaderlandsliefde! Maar dat daargelaten:—het spelenrijden is nog een vrij algemeen geliefde uitspanning, niet alleen in Zeeland maar ook elders, al heeft het ook tegenwoordig iets van zijn vroeger karakter verloren.Wij zijn op weg naar Koudekerke, een zeer fraai en schilderachtig dorp. De kerk, die uit de veertiende eeuw dagteekent, verrijst te midden van een tuin—het oude kerkhof—door een bloeiende haag omringd, die door witgeverfde paaltjes en traliewerk tegen schending is beveiligd. Op het plein rondom de kerk staan de fraaiste huizen, netjes beschilderd, die zelfs in de stad een goede vertooning zouden maken. Statige linden, somwijlen ook geschoren en langs latten geleid, beschaduwen de meer eenvoudige woningen. Het geheele dorp draagt het voorkomen van welvarendheid en kalme rust, dat den stedeling doorgaans bij den eersten aanblik zoo zeer bekoort, maar toch doorgaans spoedig verveelt en naar afwisseling doet haken. Wij wandelen het dorp eens door, toeven een poos in de voornaamste herberg, en vervolgen onze voetreis.Ge hebt er toch niet tegen dat wij een praatje aanknoopen met dien eerzamen man, die daar voor ons uitwandelt en dien wij spoedig hebben ingehaald. Hij blijkt de schoolmeester van het naburig dorp te zijn: een man van jaren, eenvoudig, eenigszins beschroomd, die, in het land geboren, zijn leven op het land gesleten heeft. Misschien zou hij, zoo hij nog zijn examen moest doen, worden afgewezen: want wij mogen veilig aannemen, dat hij nooit zijne hersenen heeft volgepropt met een massa onsamenhangende brokken van onbegrepen, fragmentarische kennis, gelijk zoo velen zijner hedendaagsche collega’s wel verplicht zijn te doen;—en dit heeft althans dit zeer groote voordeel, dat hij ook de aan zijn leiding toevertrouwde kinderen niet voor hun volgend leven bederven zal door hun allerlei halfslachtige geleerdheid, waarmede zij verder niets weten aan te vangen en die ook inderdaad volstrekt onbruikbaar is, in te pompen. Maar de brave man, die weinig met fraai klinkende theoriën opheeft, omdat hij de werkelijkheid des levens kent, is daarentegen ten volle vertrouwd met het volk, in welks midden hij leeft, met zijne denkbeelden en gebruiken, zijne zeden en eigenaardige gewoonten. Wij zijn met hem aan het praten geraakt over veel en velerlei, en willen het een en ander mededeelen van wat wij, zoo van hem als van anderen, omtrent de volksgebruiken in Zeeland vernamen. Men houde daarbij in het oog, dat hier hoofdzakelijk van het platte land sprake is: want in de steden is alle eigenaardigheid reeds verdwenenof althans der verdwijning nabij, en ook op het platte land zelf beginnen de oude gewoonten te wijken.Laat ons eens zien hoe een zeeuwsche jonkman het aanlegt, om kennis te maken met de jonge dochter, die hij zich tot vrouw heeft uitverkoren. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren geschieden; bijvoorbeeld op deze. De jonkman begeeft zich op het uur, als hij weet dat zijne beminde in het land is om de koeien te melken, naar het hek van de wei, en gaat daar voorover op het gras liggen, natuurlijk zijne blikken onafgewend op zijne Galathea houdende. Zijn de blinkende emmers vol, dan staat hij op en gaat naar haar toe, met de vraag of hij voor haar de zware emmers mag dragen. Vergunt zij dit, dan is het een bewijs, dat zijn aanzoek haar niet ongevallig is; weigert zij, dan kan hij gerust heengaan.Maar niet alle vrijages beginnen op deze echt arkadische wijze. Vooral op marktdagen, om van de kermissen te zwijgen, zoeken en vinden de jongelieden gelegenheid om met elkander in aanraking te komen. Als de markt is afgeloopen en de wagens straks zullen worden ingespannen, dan worden de meisjes in de herberg op likeur onthaald. Allen drinken uit hetzelfde glas, dat van mond tot mond gaat, en telkens op nieuw wordt gevuld; natuurlijk maakt dit de tongen los en wordt menig zoet woordje gewisseld. Hoe gelukkig is de jonkman, als hij des avonds het meisje, dat hem aangetrokken heeft, naar huis mag geleiden.Nu wordt de kennismaking voortgezet. Iederen Zondag gaat de minnaar trouw ter kerk, voornamelijk om te zien, of zijne uitverkorene met hare ouders daar tegenwoordig is, dan wel of zij alleen is te huis gebleven. Is dit laatste eens het geval, dan spoedt hij zich naar de welbekende woning en klopt aan de achterdeur, want de voordeur is onder kerktijd gesloten. Beschroomd en verlegen, meldt hij zich aan met de vraag: “Meiske, mag ik mijn pijpje aansteken?” Het meisje begrijpt volkomen de bedoeling van die schijnbaar zoo eenvoudige vraag, en naarmate zij zelve de nadere kennismaking met den jonkman al of niet wenscht, willigt zij het verzoek in of slaat het af. Vergunt zij hem binnen te komen, dan steekt hij ook inderdaad zijn pijp aan; maar hoe zal hij het nu aanleggen, om te zeggen wat hem eigenlijk op het hart ligt? Belangrijke mededeelingen, zoo als dat de koe gekalfd of de zeug gebigd heeft, kunnen wel voor een poos helpen, maar om dat te zeggen, is hij toch eigenlijk niet gekomen. Het meisje hoort hem geduldig aan en gaat haar gang: zij weet zeer goed waarom hij komt, en dat hij haar zal vragen om met hem kermis te houden; maar zij wacht op de dingen die komen zullen. Eindelijk is het groote woord er uit. En zie—het wordt niet slecht opgenomen: trouwens de toestemming was reeds meer dan half gegeven, toen vergund werd de pijp te komen aansteken.Voorloopig blijven de ouders, althans officiëel, nog buiten spel, ook al weten zij wat er voorvalt. Die zondagsche bezoeken worden nu vrij geregeld herhaald. Het meiske verzelt hare ouders niet naar de middagkerk, maar maakt de thee gereed, en bakt een zeker soort van suikerkoekjes, suikerblokjes, spekjes of babbelaars genoemd, waarop zij haar minnaar onthaalt. Deze verschijnt trouw op het bepaalde uur, en blijft met zijn liefje zitten keuvelen, tot de kerktijd voorbij is.Natuurlijk blijven deze bezoeken niet onopgemerkt; de buren, de buurmeisjes vooral, spreken er van, en waarschuwen de ouders; maar van eene verloving in den vorm is nog geen sprake. Bij de aanstaande kermis echter wordt de zaak ruchtbaar; de beide gelieven vertoonen zich te zamen in het openbaar, drinken en dansen te zamen, en maken verder geen geheim van hunne wederzijdsche verbintenis. Doorgaans volgt dan spoedig het huwelijk.Het gebeurt echter ook wel, dat de vrijage wordt afgebroken. Heeft zich het meisje evenwel bij ongeluk vergeten, dan is aan geen afbreken der betrekking meer te denken. De jonkman, die zich in zulk een geval terugtrok, zou de algemeene verachting op zich laden, en stellig niet in zijn dorp of ook in den omtrek kunnen blijven. Overal zou hij als een eerlooze worden beschouwd en behandeld. Intusschen doen zich zulke gevallen hoogst zeldzaam voor.In sommige dorpen van Walcheren en vooral op Zuid-Beveland is nog eene andere manier van vrijen in zwang. In den omtrek van Goes is het de gewoonte, dat het jonge meisje vooraf aan hare ouders verlof vraagt om zich het hof te laten maken, zonder nog den naam van haar minnaar te noemen, of althans zonder daartoe verplicht te zijn. Geven de ouders de gevraagde toestemming, dan gaat de jonkman des avonds naar de bakkeet of den bakoven: in den regel een groot vertrek, donkergroen geschilderd en van de eigenlijke woning afgescheiden. Hij heeft een zoete koek in de hand, en vraagt of het meisje daarvan met hem eten wil. Neemt zij dit aan, dan is dit een goed teeken; weigert zij, dan mag hij, na gedurende vier zaterdagen de proef herhaald te hebben, niet meer terugkomen. Dan heet het, dat hij met de koek op het hoofd te huis is gekomen.De bruiloften worden op de gewone wijze met maaltijden en drinkgelagen, met zang en dans en rijtoertjes gevierd, hoewel de vroegere luidruchtigheid meer en meer wijkt. Bij het huwelijk was, en is het nog wel de gewoonte, dat de jonge man van zijne ouders een nieuw pak krijgt, hetzij van zwart laken, hetzij van bombazijn, naar de geldmiddelen dit veroorloven. Dit pak bestaat uit een buis, een vest, een broek en een overjas, kappe genaamd, die hem tot op de hielen hangt en in vorm en snede geheel overeenkomt met de jas van zijn grootvader. Deze kleederen bewaart hij zijn geheele leven; zij worden slechts bij buitengewoon plechtige gelegenheden gedragen: bij den doop van zijne kinderen, bij de viering van het Avondmaal, bij de begrafenis van een zijner bloedverwanten.Op het platte land van Zeeland zijn nog, bij begrafenissen, eenige oude en eigenaardige gebruiken in zwang gebleven. Is er een doode in huis, dan verschijnen de zoogenaamde afleggers, die het lijk ontkleeden en soms ook wasschen; voorts het steeds ongebruikte doodhemd aantrekken, het lijk in het doodlaken spelden en opstroo leggen; verder de “wete” doen aan vrienden en bekenden, en eindelijk zorgen dat er ook stroo voor de deur wordt gelegd. De afleggers verrichten alzoo hetzelfde wat elders ten platten lande door de buren geschiedt; het eenige onderscheid is, dat zij voor hun werk betaald worden, en wel met een som, gelijk aan de kosten der doodkist: dat betalen is echter meer dan waarschijnlijk een moderne nieuwigheid. Het eigenaardige in deze zeeuwsche gebruiken is het leggen van stroo voor de deur: een gebruik dat, voor zoo ver ik weet, tegenwoordig nergens in ons vaderland meer voorkomt. Dit lijkstroo bestaat voor volwassenen doorgaans uit tien, somtijds ook uit zeven bossen, regelmatig opgestapeld; is er een kind gestorven, dan wordt slechts een klein bosje voor de deur nedergelegd, met een takje palm voor een jongske, en een takje thym voor een meisje. Wij hebben hier met een overoud gebruik te doen: reeds in de vroegste middeleeuwen werd het lijk op stroo gelegd, en werden bossen stroo voor de deur gestapeld of rondom het sterfhuis uitgelegd, of wel, men maakte kruisen van stroo en hing die aan deur en vensters. Werd de lijkkist op een wagen naar het kerkhof gevoerd, dan werden wederom aan wederzijde bossen stroo gelegd; en bij de terugkomst van de begrafenis, werd dit stroo aan een kruisweg op de vier hoeken nedergezet. Ook nu nog wordt de kist op bosjes stroo in den wagen gezet, en worden die bosjes, na afloop der begrafenis, als van ouds aan de vier hoeken van een kruisweg nedergelegd of in de sloot geworpen. Wat beteekent dit? Tegenwoordig is voor verreweg de meesten de eigenlijke beteekenis van deze en zoo vele andere gebruiken verloren gegaan: wij weten evenwel, dat het stroo in vroeger tijd een zeer krachtig voorbehoedmiddel werd geacht tot afwering van booze geesten: waar stroo lag, kon geen booze geest genaken, kon geen heks binnensluipen. Nu is het bekend, dat de duivelen en booze geesten er steeds op uit waren, zich van de gestorvenen meester te maken: daartegen moest dus gewaakt worden, en om dit gevaar te keeren, diende zoowel het stroo voor de deur als het luiden der klok, waardoor de booze geesten in de lucht op de vlucht werden gedreven. Het voor de deur opgestapelde stroo werd oudtijds verbrand: een voorzichtigsheidsmaatregel, want het was mogelijk dat zich daarin “duivelen, coubouten, ofte maren” verscholen hadden. Tegenwoordig wordt het aanstonds nadat het lijk uit het sterfhuis gedragen is verwijderd en weggeworpen.Lijkdienaars.Lijkdienaars.Aan het hoofd van den lijkstoet, die uit de bloedverwanten en vrienden bestaat,—de vrouwen gaan zeer zelden mede naar het kerkhof—gaat de grafdelver of doodgraver, die geen bijzonder kostuumheeft, maar slechts een lamfer aan zijn hoed draagt. Zoodra de kist in de groeve is nedergelaten en met aarde bedekt, houdt de predikant eene toespraak; is deze niet tegenwoordig, dan worden de vrienden en buren door den grafdelver bedankt voor de eer, aan den overledene bewezen. Over het algemeen vervult hier de grafdelver bij eene begrafenis dezelfde functiën, die elders aan den aanspreker of bidder zijn opgedragen. Als de bloedverwanten en vrienden in het sterfhuis terugkomen, vinden zij daar water en handdoeken gereed, om zich de handen te wasschen, wat dan ook niemand verzuimt. Ook dit gebruik is zeer oud: de aanraking met den doode en het doodenrijk verontreinigde: van daar de behoefte aan reiniging na de terugkomst van den lijkweg. Zelfs dat water en die doeken moesten op eigenaardige wijze behandeld worden: het was volstrekt niet onverschillig waar het water werd uitgegoten; en de doeken moesten aanstonds in het water worden gezet en een poos achteraf staan. Deze gebruiken gaan echter verloren, en zijn reeds voor een deel vergeten, met uitzondering van het handenwasschen, dat, naar ik meen, nog steeds geschiedt.Natuurlijk wordt er ook in Zeeland, na afloop der begrafenis, gegeten en gedronken. Het aloude doodbier, nog uit de germaansche tijden afkomstig, behoort sedert lang tot de geschiedenis. Ja, wat daarvoor later in de plaats gekomen is,—rijst met krenten en rozijnen—is mede reeds in onbruik geraakt. Tegenwoordig eten de vrienden en geburen koffie met brood en ham, nadat de predikant, of bij zijne afwezigheid iemand anders, een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en een gebed gedaan heeft. Ook dit eten en drinken na de terugkomst van het graf, is een overoud gebruik: bij de heidensche Germanen duurde dit doodsmaal drie dagen achtereen, en diende tot verheerlijking van den overledene. Het maal werd toen bij den grafheuvel gehouden: en daarbij dronk de zoon zijns vadersminne: een bewijs dat hiermede eene soort van offerande of godsdienstige handeling word bedoeld. Het germaansche doodmaal, dat elders nog duidelijker kenbare sporen heeft nagelaten, is hier ingekrompen tot een boterham met ham en een kop koffie.Typen van West-Kapelle.Typen van West-Kapelle.Men vindt in Zeeland geen grafheuvelen uit den germaanschen tijd. Daaruit en uit eene zeer oude legende, volgens welke de zielen der gestorvenen van de hollandsche en zeeuwsche kusten des nachts naar Engeland werden gevoerd, hebben sommigen afgeleid, dat de oude bewoners van Zeeland hunne dooden in zee begroeven. Met zekerheid is dit niet te zeggen: doch onwaarschijnlijk is het niet, daar ongetwijfeld voor de bewoners dezer eilanden, die hun leven op het water sleten, de zee een voorwerp van godsdienstigevereering, een godheid was, al weten wij niet onder welken naam zij haar vereerden.Met deze eeredienst der zee stond zeker ook in verband een vreemdsoortig spel, dat vroeger in Holland en Zeeland zeer in zwang was, en in de laatste provincie eerst in de vorige eeuw werd afgeschaft. In de Meimaand togen de jongelieden van beiderlei kunne uit de dorpen on steden langs de hollandsche en zeeuwsche kusten naar het strand; daar gekomen, werden de meisjes onverwachts door de jonkmans aangegrepen, opgenomen, en een eind ver in zee gedragen; vervolgens weder naar de duinen gebracht en van den top naar beneden gerold. Dit ruwe spel, waarbij niet zelden ongelukken voorkwamen, was ongetwijfeld een overblijfsel van eene vroegere godsdienstige plechtigheid, waarvan natuurlijk de beteekenis sinds lang in vergetelheid is geraakt. De zeeuwsche dichter Bellamy heeft dezen zeedoop in verband gebracht met een ander spel, meer bepaald aan Walcheren eigen: het zoogenaamde smeltvangen. De smelt is een kleine smalle visch, die zich veelal in het zand aan den oever ophoudt. Bij het omwoelen van het zand, komen deze visschen te voorschijn, doch weten zich zoo behendig te onttrekken aan de hand, die hen vatten wil, dat er eene groote mate van behendigheid toe behoort om de vlugge prooi te grijpen. Dit spel, thans mede in onbruik geraakt, is voor goed aan de vergetelheid ontrukt door Bellamy’s romance,Roosje: een van de beste voortbrengselen van dit genre, waarop de nederlandsche letterkunde, overigens in dit opzicht niet zeer rijk bedeeld, roemen kan.Roosjeis algemeen bekend, toch misschien meer bij naam en broksgewijze, dan in zijn geheel: daarom, nu wij door Zeeland wandelen en onze schreden richten naar Walcherens stranden, moge deze schoone, door haar eenvoud roerende vertelling hier eene plaats vinden. Ook wie dit gedicht kent, zal het niet dan met genoegen herlezen.Er was in Zeeland eens een man,Hij had een aardig kind,Een meisje, dat van iedereenOm ’t zeerste werd bemind.De man, gelijk men denken kan,Was grootsch op zulk een schat;Te meer—daar hij zijn lieve vrouwDaarbij verloren had.Wat nam hij Roosje menigmaal,Al zuchtende, in zijn arm,En kuste met een tranend oogHeur roode kaakjes warm!Dan zei die teedre, goede man:“Gij hebt geen moeder meer!”—“Ja wel”, zei dan het zoete kind,“Bij Onzen lieven Heer!“Dat hebt gij immers zelf gezegd.“Maar waarom ging zij heen?“Zij had mij niet zoo lief als gij,“Want zij liet ons alleen!”De vader sprak geen enkel woord,Maar kuste ’t kleine wicht;En, onder ’t kussen, dekte een stroomVan tranen zijn gezicht.Dit meisje werd wel schielijk groot;Zij was de roem der stad;Geen vader, die haar voor zijn zoonNiet reeds gekozen had.Wat was dat lieve meisje schoon;Wat had ze een nette leest!Wat was zij aardig en beleefd:Zoo deugdzaam, zoo vol geest!Zoo vriendlijk als de schoone maan,Als ze opkomt uit de zeeEn op de blanke duinen schijnt—Zoo vriendlijk was ze meê.Heur lieflijke oogen waren bruin,Niet vurig—kwijnend, zacht;Heur lachje was als ’t morgenrood,Dat aan de kimmen lacht.Wanneer zij met de zeeuwsche jeugdEen luchtje schepte aan ’t strand,Dan las ze op elken tred haar naam,Geschreven in het zand.Geen jongeling, die niet voor haarMet eerbied was bezield,Haar niet voor de allerschoonste bloemDer zeeuwsche meisjes hield.Daar leeft in Zeeland, in het strand,Een kleine, ronde visch,Die voor der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidenwindLangs kleine golfjes speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaatDes nijvren landmans streelt;Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,Naar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch;En dikwijls is de vlugste handTe traag voor dezen visch.Intusschen speelt en stoeit de jeugd,En fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee;Het meisje roept en wringt,—vergeefs:Hij draagt haar mede in zee.’t Was eens een schoone zomerdag;En ’t puikje van de jeugdGing naar het strand met spade en ploeg,En voelde niets dan vreugd.Het lieve Roosje was er bij;En ieder jongelingVergat den ploeg, vergat den visch,Als ze aan zijn zijde ging.Een jongling, die haar ’t meest beviel,Bleef immer aan haar zij;Hij zeide aan Roosje menigmaalDe zoetste kozerij.Nu drukt hij eens heur zachte hand,Daar hij een kusje steelt,En met de lokjes om haar hals,Heur bruine lokjes, speelt.Het meisje wringt zich los, en zegt:“Gij stoutert, daar gij zijt!“Plaag nu ook de andre meisjes wat;“Gij plaagt ook mij altijd!“Ei, ga naar de andre meisjes heen,“En laat mij nu met vreê!”—“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,“Dan draag ik u in zee!”Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,Zij vlucht al lachend heen;Hij volgt haar na, en slaat zijn armAl lachende om haar heen.Nu roept en schatert al de jeugd:“Draag Roosje nu in zee!”Hij tilt haar ijlings van den grond,En loopt met haar in zee.De sterke jongling kust den last,Dien hij zoo gretig torscht,En klemt het allerliefste kindNog vaster aan zijn borst.Het meisje roept en bidt vergeefs;Hij gaat al fladdrend voort!Het water spat, en klotst, en bruist,Dat hij haar nauwlijks hoort.In ’t eind was hij zoo ver gegaan,Dat iedereen aan ’t strand,Vol vreeze en schrik, gedurig riep:“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”Op eens, daar hij teruggekeert,Staat hij vertwijfeld stil:“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”En Roosje geeft een gil.“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink“Hier in een draaikolk neer!”Het meisje grijpt hem om den hals.En zinkt met hem ter neêr.Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofdStilzwijgend naar het strand;Doch was in ’t eigen oogenblikVerzwolgen in het zand!Daar stond de jeugd gelijk versteend;Geen mensch, die zuchtte of sprak;Tot eindlijk uit eens ieders oogEen stroom van tranen brak.“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?“Ligt Roosje daar in zee?”—Zoo gilt en klaagt een iedereen:De duinen gillen meê.Wel schielijk werd dit droef gevalVerkondigd in de stad;Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,Die niet verslagen zat.De jeugd ging zwijgend van het strand,En zag gedurig om,Een ieders hart was vol gevoel—Maar ieders tong was stom.De maan klom stil en statig op,En scheen op ’t aaklig graf,Waarin het lieve jonge paarHet laatste zuchtje gaf.De wind stak hevig op uit zee;De golven beukten ’t strand;En schielijk was de droeve maarVerspreid door ’t gansche land.
VI.Wie den vollen indruk wil krijgen van de buitengewone vruchtbaarheid van Walcheren, moet, zoo als wij deden, op een mooien, helderen, warmen zomermorgen, te voet uit Middelburg vertrekken, om eene wandeling in den omtrek te doen. De wegen, met wilgen en jonge olmen omzoomd, zijn allerbekoorlijkst. Dikwijls genoeg ontmoet ge op den weg een grooten wagen, met een witte of gele huif overspannen, volgeladen met vrouwen en meisjes in hare fraaiste kleederen, oude mannen met de onmisbare pijp in den mond, en jongelieden, die, den nieuweren tijd huldigende, een bruin glazen of zilveren sigarenpijpje tusschen de tanden hebben: allen vroolijk en luidruchtig. Deze lieden gaan uit rijden: van ouds eene zeer geliefkoosde uitspanning onzer burgerij en landlieden, vooral der eerste. De boeren plegen doorgaans niet dan bij feestelijke gelegenheden uit spelerijden te gaan. Onze eerzame, nijvere burgers daarentegen, het gansche jaar door in winkel of kantoor bezig, opgesloten binnen de muren der steden, die juist niet altijd op bekoorlijke omstreken konden roemen; onze eenvoudige burgers hadden er behoefte aan, zich nu en dan eens in de vrije natuur te vertreden, en daartoe boden die speelreisjes eene welkome gelegenheid. Nevens het genot van de vrije lucht had men nog dat van het rijden zelf—ook geen alledaagsch pleizier;—van het prettige gezelschap, van een maaltijd in een boerenherberg of, beter nog, op het open veld; en bovenal het zalig bewustzijn, eens een ganschen dag uit de “zaken” en geheel vrij te zijn. Le Francq van Berkhey meende dat de “gezellige en vriendschapvoedende aard onzer natie” nergens duidelijker in uitkwam dan in hare “geneigdheid tot speelevaren en rijden”; vooral in Zeeland had hij dit “op een ongemeen gezellige wijze” gezien. “Een gezelschap,”zoo verhaalt hij,“dat aldaar spelemeijen gaat, neemt in ’t rijtuig brood en kaas, of eenig gebak en gebraad en wijn mede; men rijdt door de goudgeele koornlanden, en vrugtbare akkers; men kiest eindelijk eene digte of aangenaam belommerde dreef of groene laan, in welke men van den wagen klimt. Hier zet zig het gezelschap op de groene zooden neder; de tafel word op den grond gedekt, en men eet en drinkt met zulk een genoegen, dat iemand, die eenig gevoel heeft van ’t zoet vermaak, dat een gepaste vreugde, ware vrijheid en vriendelijke gezelligheid, onbedwongen verleent, hetzelve niet bijwonen kan zonder het edelmoedig vaderlandsch karakter der Zeeuwen daarin te erkennen.” Wat stijl! en wat onzin, in het eten en drinken op het groene gras een bewijs te willen zien van edelmoedigheid en vaderlandsliefde! Maar dat daargelaten:—het spelenrijden is nog een vrij algemeen geliefde uitspanning, niet alleen in Zeeland maar ook elders, al heeft het ook tegenwoordig iets van zijn vroeger karakter verloren.Wij zijn op weg naar Koudekerke, een zeer fraai en schilderachtig dorp. De kerk, die uit de veertiende eeuw dagteekent, verrijst te midden van een tuin—het oude kerkhof—door een bloeiende haag omringd, die door witgeverfde paaltjes en traliewerk tegen schending is beveiligd. Op het plein rondom de kerk staan de fraaiste huizen, netjes beschilderd, die zelfs in de stad een goede vertooning zouden maken. Statige linden, somwijlen ook geschoren en langs latten geleid, beschaduwen de meer eenvoudige woningen. Het geheele dorp draagt het voorkomen van welvarendheid en kalme rust, dat den stedeling doorgaans bij den eersten aanblik zoo zeer bekoort, maar toch doorgaans spoedig verveelt en naar afwisseling doet haken. Wij wandelen het dorp eens door, toeven een poos in de voornaamste herberg, en vervolgen onze voetreis.Ge hebt er toch niet tegen dat wij een praatje aanknoopen met dien eerzamen man, die daar voor ons uitwandelt en dien wij spoedig hebben ingehaald. Hij blijkt de schoolmeester van het naburig dorp te zijn: een man van jaren, eenvoudig, eenigszins beschroomd, die, in het land geboren, zijn leven op het land gesleten heeft. Misschien zou hij, zoo hij nog zijn examen moest doen, worden afgewezen: want wij mogen veilig aannemen, dat hij nooit zijne hersenen heeft volgepropt met een massa onsamenhangende brokken van onbegrepen, fragmentarische kennis, gelijk zoo velen zijner hedendaagsche collega’s wel verplicht zijn te doen;—en dit heeft althans dit zeer groote voordeel, dat hij ook de aan zijn leiding toevertrouwde kinderen niet voor hun volgend leven bederven zal door hun allerlei halfslachtige geleerdheid, waarmede zij verder niets weten aan te vangen en die ook inderdaad volstrekt onbruikbaar is, in te pompen. Maar de brave man, die weinig met fraai klinkende theoriën opheeft, omdat hij de werkelijkheid des levens kent, is daarentegen ten volle vertrouwd met het volk, in welks midden hij leeft, met zijne denkbeelden en gebruiken, zijne zeden en eigenaardige gewoonten. Wij zijn met hem aan het praten geraakt over veel en velerlei, en willen het een en ander mededeelen van wat wij, zoo van hem als van anderen, omtrent de volksgebruiken in Zeeland vernamen. Men houde daarbij in het oog, dat hier hoofdzakelijk van het platte land sprake is: want in de steden is alle eigenaardigheid reeds verdwenenof althans der verdwijning nabij, en ook op het platte land zelf beginnen de oude gewoonten te wijken.Laat ons eens zien hoe een zeeuwsche jonkman het aanlegt, om kennis te maken met de jonge dochter, die hij zich tot vrouw heeft uitverkoren. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren geschieden; bijvoorbeeld op deze. De jonkman begeeft zich op het uur, als hij weet dat zijne beminde in het land is om de koeien te melken, naar het hek van de wei, en gaat daar voorover op het gras liggen, natuurlijk zijne blikken onafgewend op zijne Galathea houdende. Zijn de blinkende emmers vol, dan staat hij op en gaat naar haar toe, met de vraag of hij voor haar de zware emmers mag dragen. Vergunt zij dit, dan is het een bewijs, dat zijn aanzoek haar niet ongevallig is; weigert zij, dan kan hij gerust heengaan.Maar niet alle vrijages beginnen op deze echt arkadische wijze. Vooral op marktdagen, om van de kermissen te zwijgen, zoeken en vinden de jongelieden gelegenheid om met elkander in aanraking te komen. Als de markt is afgeloopen en de wagens straks zullen worden ingespannen, dan worden de meisjes in de herberg op likeur onthaald. Allen drinken uit hetzelfde glas, dat van mond tot mond gaat, en telkens op nieuw wordt gevuld; natuurlijk maakt dit de tongen los en wordt menig zoet woordje gewisseld. Hoe gelukkig is de jonkman, als hij des avonds het meisje, dat hem aangetrokken heeft, naar huis mag geleiden.Nu wordt de kennismaking voortgezet. Iederen Zondag gaat de minnaar trouw ter kerk, voornamelijk om te zien, of zijne uitverkorene met hare ouders daar tegenwoordig is, dan wel of zij alleen is te huis gebleven. Is dit laatste eens het geval, dan spoedt hij zich naar de welbekende woning en klopt aan de achterdeur, want de voordeur is onder kerktijd gesloten. Beschroomd en verlegen, meldt hij zich aan met de vraag: “Meiske, mag ik mijn pijpje aansteken?” Het meisje begrijpt volkomen de bedoeling van die schijnbaar zoo eenvoudige vraag, en naarmate zij zelve de nadere kennismaking met den jonkman al of niet wenscht, willigt zij het verzoek in of slaat het af. Vergunt zij hem binnen te komen, dan steekt hij ook inderdaad zijn pijp aan; maar hoe zal hij het nu aanleggen, om te zeggen wat hem eigenlijk op het hart ligt? Belangrijke mededeelingen, zoo als dat de koe gekalfd of de zeug gebigd heeft, kunnen wel voor een poos helpen, maar om dat te zeggen, is hij toch eigenlijk niet gekomen. Het meisje hoort hem geduldig aan en gaat haar gang: zij weet zeer goed waarom hij komt, en dat hij haar zal vragen om met hem kermis te houden; maar zij wacht op de dingen die komen zullen. Eindelijk is het groote woord er uit. En zie—het wordt niet slecht opgenomen: trouwens de toestemming was reeds meer dan half gegeven, toen vergund werd de pijp te komen aansteken.Voorloopig blijven de ouders, althans officiëel, nog buiten spel, ook al weten zij wat er voorvalt. Die zondagsche bezoeken worden nu vrij geregeld herhaald. Het meiske verzelt hare ouders niet naar de middagkerk, maar maakt de thee gereed, en bakt een zeker soort van suikerkoekjes, suikerblokjes, spekjes of babbelaars genoemd, waarop zij haar minnaar onthaalt. Deze verschijnt trouw op het bepaalde uur, en blijft met zijn liefje zitten keuvelen, tot de kerktijd voorbij is.Natuurlijk blijven deze bezoeken niet onopgemerkt; de buren, de buurmeisjes vooral, spreken er van, en waarschuwen de ouders; maar van eene verloving in den vorm is nog geen sprake. Bij de aanstaande kermis echter wordt de zaak ruchtbaar; de beide gelieven vertoonen zich te zamen in het openbaar, drinken en dansen te zamen, en maken verder geen geheim van hunne wederzijdsche verbintenis. Doorgaans volgt dan spoedig het huwelijk.Het gebeurt echter ook wel, dat de vrijage wordt afgebroken. Heeft zich het meisje evenwel bij ongeluk vergeten, dan is aan geen afbreken der betrekking meer te denken. De jonkman, die zich in zulk een geval terugtrok, zou de algemeene verachting op zich laden, en stellig niet in zijn dorp of ook in den omtrek kunnen blijven. Overal zou hij als een eerlooze worden beschouwd en behandeld. Intusschen doen zich zulke gevallen hoogst zeldzaam voor.In sommige dorpen van Walcheren en vooral op Zuid-Beveland is nog eene andere manier van vrijen in zwang. In den omtrek van Goes is het de gewoonte, dat het jonge meisje vooraf aan hare ouders verlof vraagt om zich het hof te laten maken, zonder nog den naam van haar minnaar te noemen, of althans zonder daartoe verplicht te zijn. Geven de ouders de gevraagde toestemming, dan gaat de jonkman des avonds naar de bakkeet of den bakoven: in den regel een groot vertrek, donkergroen geschilderd en van de eigenlijke woning afgescheiden. Hij heeft een zoete koek in de hand, en vraagt of het meisje daarvan met hem eten wil. Neemt zij dit aan, dan is dit een goed teeken; weigert zij, dan mag hij, na gedurende vier zaterdagen de proef herhaald te hebben, niet meer terugkomen. Dan heet het, dat hij met de koek op het hoofd te huis is gekomen.De bruiloften worden op de gewone wijze met maaltijden en drinkgelagen, met zang en dans en rijtoertjes gevierd, hoewel de vroegere luidruchtigheid meer en meer wijkt. Bij het huwelijk was, en is het nog wel de gewoonte, dat de jonge man van zijne ouders een nieuw pak krijgt, hetzij van zwart laken, hetzij van bombazijn, naar de geldmiddelen dit veroorloven. Dit pak bestaat uit een buis, een vest, een broek en een overjas, kappe genaamd, die hem tot op de hielen hangt en in vorm en snede geheel overeenkomt met de jas van zijn grootvader. Deze kleederen bewaart hij zijn geheele leven; zij worden slechts bij buitengewoon plechtige gelegenheden gedragen: bij den doop van zijne kinderen, bij de viering van het Avondmaal, bij de begrafenis van een zijner bloedverwanten.Op het platte land van Zeeland zijn nog, bij begrafenissen, eenige oude en eigenaardige gebruiken in zwang gebleven. Is er een doode in huis, dan verschijnen de zoogenaamde afleggers, die het lijk ontkleeden en soms ook wasschen; voorts het steeds ongebruikte doodhemd aantrekken, het lijk in het doodlaken spelden en opstroo leggen; verder de “wete” doen aan vrienden en bekenden, en eindelijk zorgen dat er ook stroo voor de deur wordt gelegd. De afleggers verrichten alzoo hetzelfde wat elders ten platten lande door de buren geschiedt; het eenige onderscheid is, dat zij voor hun werk betaald worden, en wel met een som, gelijk aan de kosten der doodkist: dat betalen is echter meer dan waarschijnlijk een moderne nieuwigheid. Het eigenaardige in deze zeeuwsche gebruiken is het leggen van stroo voor de deur: een gebruik dat, voor zoo ver ik weet, tegenwoordig nergens in ons vaderland meer voorkomt. Dit lijkstroo bestaat voor volwassenen doorgaans uit tien, somtijds ook uit zeven bossen, regelmatig opgestapeld; is er een kind gestorven, dan wordt slechts een klein bosje voor de deur nedergelegd, met een takje palm voor een jongske, en een takje thym voor een meisje. Wij hebben hier met een overoud gebruik te doen: reeds in de vroegste middeleeuwen werd het lijk op stroo gelegd, en werden bossen stroo voor de deur gestapeld of rondom het sterfhuis uitgelegd, of wel, men maakte kruisen van stroo en hing die aan deur en vensters. Werd de lijkkist op een wagen naar het kerkhof gevoerd, dan werden wederom aan wederzijde bossen stroo gelegd; en bij de terugkomst van de begrafenis, werd dit stroo aan een kruisweg op de vier hoeken nedergezet. Ook nu nog wordt de kist op bosjes stroo in den wagen gezet, en worden die bosjes, na afloop der begrafenis, als van ouds aan de vier hoeken van een kruisweg nedergelegd of in de sloot geworpen. Wat beteekent dit? Tegenwoordig is voor verreweg de meesten de eigenlijke beteekenis van deze en zoo vele andere gebruiken verloren gegaan: wij weten evenwel, dat het stroo in vroeger tijd een zeer krachtig voorbehoedmiddel werd geacht tot afwering van booze geesten: waar stroo lag, kon geen booze geest genaken, kon geen heks binnensluipen. Nu is het bekend, dat de duivelen en booze geesten er steeds op uit waren, zich van de gestorvenen meester te maken: daartegen moest dus gewaakt worden, en om dit gevaar te keeren, diende zoowel het stroo voor de deur als het luiden der klok, waardoor de booze geesten in de lucht op de vlucht werden gedreven. Het voor de deur opgestapelde stroo werd oudtijds verbrand: een voorzichtigsheidsmaatregel, want het was mogelijk dat zich daarin “duivelen, coubouten, ofte maren” verscholen hadden. Tegenwoordig wordt het aanstonds nadat het lijk uit het sterfhuis gedragen is verwijderd en weggeworpen.Lijkdienaars.Lijkdienaars.Aan het hoofd van den lijkstoet, die uit de bloedverwanten en vrienden bestaat,—de vrouwen gaan zeer zelden mede naar het kerkhof—gaat de grafdelver of doodgraver, die geen bijzonder kostuumheeft, maar slechts een lamfer aan zijn hoed draagt. Zoodra de kist in de groeve is nedergelaten en met aarde bedekt, houdt de predikant eene toespraak; is deze niet tegenwoordig, dan worden de vrienden en buren door den grafdelver bedankt voor de eer, aan den overledene bewezen. Over het algemeen vervult hier de grafdelver bij eene begrafenis dezelfde functiën, die elders aan den aanspreker of bidder zijn opgedragen. Als de bloedverwanten en vrienden in het sterfhuis terugkomen, vinden zij daar water en handdoeken gereed, om zich de handen te wasschen, wat dan ook niemand verzuimt. Ook dit gebruik is zeer oud: de aanraking met den doode en het doodenrijk verontreinigde: van daar de behoefte aan reiniging na de terugkomst van den lijkweg. Zelfs dat water en die doeken moesten op eigenaardige wijze behandeld worden: het was volstrekt niet onverschillig waar het water werd uitgegoten; en de doeken moesten aanstonds in het water worden gezet en een poos achteraf staan. Deze gebruiken gaan echter verloren, en zijn reeds voor een deel vergeten, met uitzondering van het handenwasschen, dat, naar ik meen, nog steeds geschiedt.Natuurlijk wordt er ook in Zeeland, na afloop der begrafenis, gegeten en gedronken. Het aloude doodbier, nog uit de germaansche tijden afkomstig, behoort sedert lang tot de geschiedenis. Ja, wat daarvoor later in de plaats gekomen is,—rijst met krenten en rozijnen—is mede reeds in onbruik geraakt. Tegenwoordig eten de vrienden en geburen koffie met brood en ham, nadat de predikant, of bij zijne afwezigheid iemand anders, een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en een gebed gedaan heeft. Ook dit eten en drinken na de terugkomst van het graf, is een overoud gebruik: bij de heidensche Germanen duurde dit doodsmaal drie dagen achtereen, en diende tot verheerlijking van den overledene. Het maal werd toen bij den grafheuvel gehouden: en daarbij dronk de zoon zijns vadersminne: een bewijs dat hiermede eene soort van offerande of godsdienstige handeling word bedoeld. Het germaansche doodmaal, dat elders nog duidelijker kenbare sporen heeft nagelaten, is hier ingekrompen tot een boterham met ham en een kop koffie.Typen van West-Kapelle.Typen van West-Kapelle.Men vindt in Zeeland geen grafheuvelen uit den germaanschen tijd. Daaruit en uit eene zeer oude legende, volgens welke de zielen der gestorvenen van de hollandsche en zeeuwsche kusten des nachts naar Engeland werden gevoerd, hebben sommigen afgeleid, dat de oude bewoners van Zeeland hunne dooden in zee begroeven. Met zekerheid is dit niet te zeggen: doch onwaarschijnlijk is het niet, daar ongetwijfeld voor de bewoners dezer eilanden, die hun leven op het water sleten, de zee een voorwerp van godsdienstigevereering, een godheid was, al weten wij niet onder welken naam zij haar vereerden.Met deze eeredienst der zee stond zeker ook in verband een vreemdsoortig spel, dat vroeger in Holland en Zeeland zeer in zwang was, en in de laatste provincie eerst in de vorige eeuw werd afgeschaft. In de Meimaand togen de jongelieden van beiderlei kunne uit de dorpen on steden langs de hollandsche en zeeuwsche kusten naar het strand; daar gekomen, werden de meisjes onverwachts door de jonkmans aangegrepen, opgenomen, en een eind ver in zee gedragen; vervolgens weder naar de duinen gebracht en van den top naar beneden gerold. Dit ruwe spel, waarbij niet zelden ongelukken voorkwamen, was ongetwijfeld een overblijfsel van eene vroegere godsdienstige plechtigheid, waarvan natuurlijk de beteekenis sinds lang in vergetelheid is geraakt. De zeeuwsche dichter Bellamy heeft dezen zeedoop in verband gebracht met een ander spel, meer bepaald aan Walcheren eigen: het zoogenaamde smeltvangen. De smelt is een kleine smalle visch, die zich veelal in het zand aan den oever ophoudt. Bij het omwoelen van het zand, komen deze visschen te voorschijn, doch weten zich zoo behendig te onttrekken aan de hand, die hen vatten wil, dat er eene groote mate van behendigheid toe behoort om de vlugge prooi te grijpen. Dit spel, thans mede in onbruik geraakt, is voor goed aan de vergetelheid ontrukt door Bellamy’s romance,Roosje: een van de beste voortbrengselen van dit genre, waarop de nederlandsche letterkunde, overigens in dit opzicht niet zeer rijk bedeeld, roemen kan.Roosjeis algemeen bekend, toch misschien meer bij naam en broksgewijze, dan in zijn geheel: daarom, nu wij door Zeeland wandelen en onze schreden richten naar Walcherens stranden, moge deze schoone, door haar eenvoud roerende vertelling hier eene plaats vinden. Ook wie dit gedicht kent, zal het niet dan met genoegen herlezen.Er was in Zeeland eens een man,Hij had een aardig kind,Een meisje, dat van iedereenOm ’t zeerste werd bemind.De man, gelijk men denken kan,Was grootsch op zulk een schat;Te meer—daar hij zijn lieve vrouwDaarbij verloren had.Wat nam hij Roosje menigmaal,Al zuchtende, in zijn arm,En kuste met een tranend oogHeur roode kaakjes warm!Dan zei die teedre, goede man:“Gij hebt geen moeder meer!”—“Ja wel”, zei dan het zoete kind,“Bij Onzen lieven Heer!“Dat hebt gij immers zelf gezegd.“Maar waarom ging zij heen?“Zij had mij niet zoo lief als gij,“Want zij liet ons alleen!”De vader sprak geen enkel woord,Maar kuste ’t kleine wicht;En, onder ’t kussen, dekte een stroomVan tranen zijn gezicht.Dit meisje werd wel schielijk groot;Zij was de roem der stad;Geen vader, die haar voor zijn zoonNiet reeds gekozen had.Wat was dat lieve meisje schoon;Wat had ze een nette leest!Wat was zij aardig en beleefd:Zoo deugdzaam, zoo vol geest!Zoo vriendlijk als de schoone maan,Als ze opkomt uit de zeeEn op de blanke duinen schijnt—Zoo vriendlijk was ze meê.Heur lieflijke oogen waren bruin,Niet vurig—kwijnend, zacht;Heur lachje was als ’t morgenrood,Dat aan de kimmen lacht.Wanneer zij met de zeeuwsche jeugdEen luchtje schepte aan ’t strand,Dan las ze op elken tred haar naam,Geschreven in het zand.Geen jongeling, die niet voor haarMet eerbied was bezield,Haar niet voor de allerschoonste bloemDer zeeuwsche meisjes hield.Daar leeft in Zeeland, in het strand,Een kleine, ronde visch,Die voor der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidenwindLangs kleine golfjes speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaatDes nijvren landmans streelt;Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,Naar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch;En dikwijls is de vlugste handTe traag voor dezen visch.Intusschen speelt en stoeit de jeugd,En fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee;Het meisje roept en wringt,—vergeefs:Hij draagt haar mede in zee.’t Was eens een schoone zomerdag;En ’t puikje van de jeugdGing naar het strand met spade en ploeg,En voelde niets dan vreugd.Het lieve Roosje was er bij;En ieder jongelingVergat den ploeg, vergat den visch,Als ze aan zijn zijde ging.Een jongling, die haar ’t meest beviel,Bleef immer aan haar zij;Hij zeide aan Roosje menigmaalDe zoetste kozerij.Nu drukt hij eens heur zachte hand,Daar hij een kusje steelt,En met de lokjes om haar hals,Heur bruine lokjes, speelt.Het meisje wringt zich los, en zegt:“Gij stoutert, daar gij zijt!“Plaag nu ook de andre meisjes wat;“Gij plaagt ook mij altijd!“Ei, ga naar de andre meisjes heen,“En laat mij nu met vreê!”—“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,“Dan draag ik u in zee!”Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,Zij vlucht al lachend heen;Hij volgt haar na, en slaat zijn armAl lachende om haar heen.Nu roept en schatert al de jeugd:“Draag Roosje nu in zee!”Hij tilt haar ijlings van den grond,En loopt met haar in zee.De sterke jongling kust den last,Dien hij zoo gretig torscht,En klemt het allerliefste kindNog vaster aan zijn borst.Het meisje roept en bidt vergeefs;Hij gaat al fladdrend voort!Het water spat, en klotst, en bruist,Dat hij haar nauwlijks hoort.In ’t eind was hij zoo ver gegaan,Dat iedereen aan ’t strand,Vol vreeze en schrik, gedurig riep:“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”Op eens, daar hij teruggekeert,Staat hij vertwijfeld stil:“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”En Roosje geeft een gil.“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink“Hier in een draaikolk neer!”Het meisje grijpt hem om den hals.En zinkt met hem ter neêr.Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofdStilzwijgend naar het strand;Doch was in ’t eigen oogenblikVerzwolgen in het zand!Daar stond de jeugd gelijk versteend;Geen mensch, die zuchtte of sprak;Tot eindlijk uit eens ieders oogEen stroom van tranen brak.“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?“Ligt Roosje daar in zee?”—Zoo gilt en klaagt een iedereen:De duinen gillen meê.Wel schielijk werd dit droef gevalVerkondigd in de stad;Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,Die niet verslagen zat.De jeugd ging zwijgend van het strand,En zag gedurig om,Een ieders hart was vol gevoel—Maar ieders tong was stom.De maan klom stil en statig op,En scheen op ’t aaklig graf,Waarin het lieve jonge paarHet laatste zuchtje gaf.De wind stak hevig op uit zee;De golven beukten ’t strand;En schielijk was de droeve maarVerspreid door ’t gansche land.
VI.Wie den vollen indruk wil krijgen van de buitengewone vruchtbaarheid van Walcheren, moet, zoo als wij deden, op een mooien, helderen, warmen zomermorgen, te voet uit Middelburg vertrekken, om eene wandeling in den omtrek te doen. De wegen, met wilgen en jonge olmen omzoomd, zijn allerbekoorlijkst. Dikwijls genoeg ontmoet ge op den weg een grooten wagen, met een witte of gele huif overspannen, volgeladen met vrouwen en meisjes in hare fraaiste kleederen, oude mannen met de onmisbare pijp in den mond, en jongelieden, die, den nieuweren tijd huldigende, een bruin glazen of zilveren sigarenpijpje tusschen de tanden hebben: allen vroolijk en luidruchtig. Deze lieden gaan uit rijden: van ouds eene zeer geliefkoosde uitspanning onzer burgerij en landlieden, vooral der eerste. De boeren plegen doorgaans niet dan bij feestelijke gelegenheden uit spelerijden te gaan. Onze eerzame, nijvere burgers daarentegen, het gansche jaar door in winkel of kantoor bezig, opgesloten binnen de muren der steden, die juist niet altijd op bekoorlijke omstreken konden roemen; onze eenvoudige burgers hadden er behoefte aan, zich nu en dan eens in de vrije natuur te vertreden, en daartoe boden die speelreisjes eene welkome gelegenheid. Nevens het genot van de vrije lucht had men nog dat van het rijden zelf—ook geen alledaagsch pleizier;—van het prettige gezelschap, van een maaltijd in een boerenherberg of, beter nog, op het open veld; en bovenal het zalig bewustzijn, eens een ganschen dag uit de “zaken” en geheel vrij te zijn. Le Francq van Berkhey meende dat de “gezellige en vriendschapvoedende aard onzer natie” nergens duidelijker in uitkwam dan in hare “geneigdheid tot speelevaren en rijden”; vooral in Zeeland had hij dit “op een ongemeen gezellige wijze” gezien. “Een gezelschap,”zoo verhaalt hij,“dat aldaar spelemeijen gaat, neemt in ’t rijtuig brood en kaas, of eenig gebak en gebraad en wijn mede; men rijdt door de goudgeele koornlanden, en vrugtbare akkers; men kiest eindelijk eene digte of aangenaam belommerde dreef of groene laan, in welke men van den wagen klimt. Hier zet zig het gezelschap op de groene zooden neder; de tafel word op den grond gedekt, en men eet en drinkt met zulk een genoegen, dat iemand, die eenig gevoel heeft van ’t zoet vermaak, dat een gepaste vreugde, ware vrijheid en vriendelijke gezelligheid, onbedwongen verleent, hetzelve niet bijwonen kan zonder het edelmoedig vaderlandsch karakter der Zeeuwen daarin te erkennen.” Wat stijl! en wat onzin, in het eten en drinken op het groene gras een bewijs te willen zien van edelmoedigheid en vaderlandsliefde! Maar dat daargelaten:—het spelenrijden is nog een vrij algemeen geliefde uitspanning, niet alleen in Zeeland maar ook elders, al heeft het ook tegenwoordig iets van zijn vroeger karakter verloren.Wij zijn op weg naar Koudekerke, een zeer fraai en schilderachtig dorp. De kerk, die uit de veertiende eeuw dagteekent, verrijst te midden van een tuin—het oude kerkhof—door een bloeiende haag omringd, die door witgeverfde paaltjes en traliewerk tegen schending is beveiligd. Op het plein rondom de kerk staan de fraaiste huizen, netjes beschilderd, die zelfs in de stad een goede vertooning zouden maken. Statige linden, somwijlen ook geschoren en langs latten geleid, beschaduwen de meer eenvoudige woningen. Het geheele dorp draagt het voorkomen van welvarendheid en kalme rust, dat den stedeling doorgaans bij den eersten aanblik zoo zeer bekoort, maar toch doorgaans spoedig verveelt en naar afwisseling doet haken. Wij wandelen het dorp eens door, toeven een poos in de voornaamste herberg, en vervolgen onze voetreis.Ge hebt er toch niet tegen dat wij een praatje aanknoopen met dien eerzamen man, die daar voor ons uitwandelt en dien wij spoedig hebben ingehaald. Hij blijkt de schoolmeester van het naburig dorp te zijn: een man van jaren, eenvoudig, eenigszins beschroomd, die, in het land geboren, zijn leven op het land gesleten heeft. Misschien zou hij, zoo hij nog zijn examen moest doen, worden afgewezen: want wij mogen veilig aannemen, dat hij nooit zijne hersenen heeft volgepropt met een massa onsamenhangende brokken van onbegrepen, fragmentarische kennis, gelijk zoo velen zijner hedendaagsche collega’s wel verplicht zijn te doen;—en dit heeft althans dit zeer groote voordeel, dat hij ook de aan zijn leiding toevertrouwde kinderen niet voor hun volgend leven bederven zal door hun allerlei halfslachtige geleerdheid, waarmede zij verder niets weten aan te vangen en die ook inderdaad volstrekt onbruikbaar is, in te pompen. Maar de brave man, die weinig met fraai klinkende theoriën opheeft, omdat hij de werkelijkheid des levens kent, is daarentegen ten volle vertrouwd met het volk, in welks midden hij leeft, met zijne denkbeelden en gebruiken, zijne zeden en eigenaardige gewoonten. Wij zijn met hem aan het praten geraakt over veel en velerlei, en willen het een en ander mededeelen van wat wij, zoo van hem als van anderen, omtrent de volksgebruiken in Zeeland vernamen. Men houde daarbij in het oog, dat hier hoofdzakelijk van het platte land sprake is: want in de steden is alle eigenaardigheid reeds verdwenenof althans der verdwijning nabij, en ook op het platte land zelf beginnen de oude gewoonten te wijken.Laat ons eens zien hoe een zeeuwsche jonkman het aanlegt, om kennis te maken met de jonge dochter, die hij zich tot vrouw heeft uitverkoren. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren geschieden; bijvoorbeeld op deze. De jonkman begeeft zich op het uur, als hij weet dat zijne beminde in het land is om de koeien te melken, naar het hek van de wei, en gaat daar voorover op het gras liggen, natuurlijk zijne blikken onafgewend op zijne Galathea houdende. Zijn de blinkende emmers vol, dan staat hij op en gaat naar haar toe, met de vraag of hij voor haar de zware emmers mag dragen. Vergunt zij dit, dan is het een bewijs, dat zijn aanzoek haar niet ongevallig is; weigert zij, dan kan hij gerust heengaan.Maar niet alle vrijages beginnen op deze echt arkadische wijze. Vooral op marktdagen, om van de kermissen te zwijgen, zoeken en vinden de jongelieden gelegenheid om met elkander in aanraking te komen. Als de markt is afgeloopen en de wagens straks zullen worden ingespannen, dan worden de meisjes in de herberg op likeur onthaald. Allen drinken uit hetzelfde glas, dat van mond tot mond gaat, en telkens op nieuw wordt gevuld; natuurlijk maakt dit de tongen los en wordt menig zoet woordje gewisseld. Hoe gelukkig is de jonkman, als hij des avonds het meisje, dat hem aangetrokken heeft, naar huis mag geleiden.Nu wordt de kennismaking voortgezet. Iederen Zondag gaat de minnaar trouw ter kerk, voornamelijk om te zien, of zijne uitverkorene met hare ouders daar tegenwoordig is, dan wel of zij alleen is te huis gebleven. Is dit laatste eens het geval, dan spoedt hij zich naar de welbekende woning en klopt aan de achterdeur, want de voordeur is onder kerktijd gesloten. Beschroomd en verlegen, meldt hij zich aan met de vraag: “Meiske, mag ik mijn pijpje aansteken?” Het meisje begrijpt volkomen de bedoeling van die schijnbaar zoo eenvoudige vraag, en naarmate zij zelve de nadere kennismaking met den jonkman al of niet wenscht, willigt zij het verzoek in of slaat het af. Vergunt zij hem binnen te komen, dan steekt hij ook inderdaad zijn pijp aan; maar hoe zal hij het nu aanleggen, om te zeggen wat hem eigenlijk op het hart ligt? Belangrijke mededeelingen, zoo als dat de koe gekalfd of de zeug gebigd heeft, kunnen wel voor een poos helpen, maar om dat te zeggen, is hij toch eigenlijk niet gekomen. Het meisje hoort hem geduldig aan en gaat haar gang: zij weet zeer goed waarom hij komt, en dat hij haar zal vragen om met hem kermis te houden; maar zij wacht op de dingen die komen zullen. Eindelijk is het groote woord er uit. En zie—het wordt niet slecht opgenomen: trouwens de toestemming was reeds meer dan half gegeven, toen vergund werd de pijp te komen aansteken.Voorloopig blijven de ouders, althans officiëel, nog buiten spel, ook al weten zij wat er voorvalt. Die zondagsche bezoeken worden nu vrij geregeld herhaald. Het meiske verzelt hare ouders niet naar de middagkerk, maar maakt de thee gereed, en bakt een zeker soort van suikerkoekjes, suikerblokjes, spekjes of babbelaars genoemd, waarop zij haar minnaar onthaalt. Deze verschijnt trouw op het bepaalde uur, en blijft met zijn liefje zitten keuvelen, tot de kerktijd voorbij is.Natuurlijk blijven deze bezoeken niet onopgemerkt; de buren, de buurmeisjes vooral, spreken er van, en waarschuwen de ouders; maar van eene verloving in den vorm is nog geen sprake. Bij de aanstaande kermis echter wordt de zaak ruchtbaar; de beide gelieven vertoonen zich te zamen in het openbaar, drinken en dansen te zamen, en maken verder geen geheim van hunne wederzijdsche verbintenis. Doorgaans volgt dan spoedig het huwelijk.Het gebeurt echter ook wel, dat de vrijage wordt afgebroken. Heeft zich het meisje evenwel bij ongeluk vergeten, dan is aan geen afbreken der betrekking meer te denken. De jonkman, die zich in zulk een geval terugtrok, zou de algemeene verachting op zich laden, en stellig niet in zijn dorp of ook in den omtrek kunnen blijven. Overal zou hij als een eerlooze worden beschouwd en behandeld. Intusschen doen zich zulke gevallen hoogst zeldzaam voor.In sommige dorpen van Walcheren en vooral op Zuid-Beveland is nog eene andere manier van vrijen in zwang. In den omtrek van Goes is het de gewoonte, dat het jonge meisje vooraf aan hare ouders verlof vraagt om zich het hof te laten maken, zonder nog den naam van haar minnaar te noemen, of althans zonder daartoe verplicht te zijn. Geven de ouders de gevraagde toestemming, dan gaat de jonkman des avonds naar de bakkeet of den bakoven: in den regel een groot vertrek, donkergroen geschilderd en van de eigenlijke woning afgescheiden. Hij heeft een zoete koek in de hand, en vraagt of het meisje daarvan met hem eten wil. Neemt zij dit aan, dan is dit een goed teeken; weigert zij, dan mag hij, na gedurende vier zaterdagen de proef herhaald te hebben, niet meer terugkomen. Dan heet het, dat hij met de koek op het hoofd te huis is gekomen.De bruiloften worden op de gewone wijze met maaltijden en drinkgelagen, met zang en dans en rijtoertjes gevierd, hoewel de vroegere luidruchtigheid meer en meer wijkt. Bij het huwelijk was, en is het nog wel de gewoonte, dat de jonge man van zijne ouders een nieuw pak krijgt, hetzij van zwart laken, hetzij van bombazijn, naar de geldmiddelen dit veroorloven. Dit pak bestaat uit een buis, een vest, een broek en een overjas, kappe genaamd, die hem tot op de hielen hangt en in vorm en snede geheel overeenkomt met de jas van zijn grootvader. Deze kleederen bewaart hij zijn geheele leven; zij worden slechts bij buitengewoon plechtige gelegenheden gedragen: bij den doop van zijne kinderen, bij de viering van het Avondmaal, bij de begrafenis van een zijner bloedverwanten.Op het platte land van Zeeland zijn nog, bij begrafenissen, eenige oude en eigenaardige gebruiken in zwang gebleven. Is er een doode in huis, dan verschijnen de zoogenaamde afleggers, die het lijk ontkleeden en soms ook wasschen; voorts het steeds ongebruikte doodhemd aantrekken, het lijk in het doodlaken spelden en opstroo leggen; verder de “wete” doen aan vrienden en bekenden, en eindelijk zorgen dat er ook stroo voor de deur wordt gelegd. De afleggers verrichten alzoo hetzelfde wat elders ten platten lande door de buren geschiedt; het eenige onderscheid is, dat zij voor hun werk betaald worden, en wel met een som, gelijk aan de kosten der doodkist: dat betalen is echter meer dan waarschijnlijk een moderne nieuwigheid. Het eigenaardige in deze zeeuwsche gebruiken is het leggen van stroo voor de deur: een gebruik dat, voor zoo ver ik weet, tegenwoordig nergens in ons vaderland meer voorkomt. Dit lijkstroo bestaat voor volwassenen doorgaans uit tien, somtijds ook uit zeven bossen, regelmatig opgestapeld; is er een kind gestorven, dan wordt slechts een klein bosje voor de deur nedergelegd, met een takje palm voor een jongske, en een takje thym voor een meisje. Wij hebben hier met een overoud gebruik te doen: reeds in de vroegste middeleeuwen werd het lijk op stroo gelegd, en werden bossen stroo voor de deur gestapeld of rondom het sterfhuis uitgelegd, of wel, men maakte kruisen van stroo en hing die aan deur en vensters. Werd de lijkkist op een wagen naar het kerkhof gevoerd, dan werden wederom aan wederzijde bossen stroo gelegd; en bij de terugkomst van de begrafenis, werd dit stroo aan een kruisweg op de vier hoeken nedergezet. Ook nu nog wordt de kist op bosjes stroo in den wagen gezet, en worden die bosjes, na afloop der begrafenis, als van ouds aan de vier hoeken van een kruisweg nedergelegd of in de sloot geworpen. Wat beteekent dit? Tegenwoordig is voor verreweg de meesten de eigenlijke beteekenis van deze en zoo vele andere gebruiken verloren gegaan: wij weten evenwel, dat het stroo in vroeger tijd een zeer krachtig voorbehoedmiddel werd geacht tot afwering van booze geesten: waar stroo lag, kon geen booze geest genaken, kon geen heks binnensluipen. Nu is het bekend, dat de duivelen en booze geesten er steeds op uit waren, zich van de gestorvenen meester te maken: daartegen moest dus gewaakt worden, en om dit gevaar te keeren, diende zoowel het stroo voor de deur als het luiden der klok, waardoor de booze geesten in de lucht op de vlucht werden gedreven. Het voor de deur opgestapelde stroo werd oudtijds verbrand: een voorzichtigsheidsmaatregel, want het was mogelijk dat zich daarin “duivelen, coubouten, ofte maren” verscholen hadden. Tegenwoordig wordt het aanstonds nadat het lijk uit het sterfhuis gedragen is verwijderd en weggeworpen.Lijkdienaars.Lijkdienaars.Aan het hoofd van den lijkstoet, die uit de bloedverwanten en vrienden bestaat,—de vrouwen gaan zeer zelden mede naar het kerkhof—gaat de grafdelver of doodgraver, die geen bijzonder kostuumheeft, maar slechts een lamfer aan zijn hoed draagt. Zoodra de kist in de groeve is nedergelaten en met aarde bedekt, houdt de predikant eene toespraak; is deze niet tegenwoordig, dan worden de vrienden en buren door den grafdelver bedankt voor de eer, aan den overledene bewezen. Over het algemeen vervult hier de grafdelver bij eene begrafenis dezelfde functiën, die elders aan den aanspreker of bidder zijn opgedragen. Als de bloedverwanten en vrienden in het sterfhuis terugkomen, vinden zij daar water en handdoeken gereed, om zich de handen te wasschen, wat dan ook niemand verzuimt. Ook dit gebruik is zeer oud: de aanraking met den doode en het doodenrijk verontreinigde: van daar de behoefte aan reiniging na de terugkomst van den lijkweg. Zelfs dat water en die doeken moesten op eigenaardige wijze behandeld worden: het was volstrekt niet onverschillig waar het water werd uitgegoten; en de doeken moesten aanstonds in het water worden gezet en een poos achteraf staan. Deze gebruiken gaan echter verloren, en zijn reeds voor een deel vergeten, met uitzondering van het handenwasschen, dat, naar ik meen, nog steeds geschiedt.Natuurlijk wordt er ook in Zeeland, na afloop der begrafenis, gegeten en gedronken. Het aloude doodbier, nog uit de germaansche tijden afkomstig, behoort sedert lang tot de geschiedenis. Ja, wat daarvoor later in de plaats gekomen is,—rijst met krenten en rozijnen—is mede reeds in onbruik geraakt. Tegenwoordig eten de vrienden en geburen koffie met brood en ham, nadat de predikant, of bij zijne afwezigheid iemand anders, een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en een gebed gedaan heeft. Ook dit eten en drinken na de terugkomst van het graf, is een overoud gebruik: bij de heidensche Germanen duurde dit doodsmaal drie dagen achtereen, en diende tot verheerlijking van den overledene. Het maal werd toen bij den grafheuvel gehouden: en daarbij dronk de zoon zijns vadersminne: een bewijs dat hiermede eene soort van offerande of godsdienstige handeling word bedoeld. Het germaansche doodmaal, dat elders nog duidelijker kenbare sporen heeft nagelaten, is hier ingekrompen tot een boterham met ham en een kop koffie.Typen van West-Kapelle.Typen van West-Kapelle.Men vindt in Zeeland geen grafheuvelen uit den germaanschen tijd. Daaruit en uit eene zeer oude legende, volgens welke de zielen der gestorvenen van de hollandsche en zeeuwsche kusten des nachts naar Engeland werden gevoerd, hebben sommigen afgeleid, dat de oude bewoners van Zeeland hunne dooden in zee begroeven. Met zekerheid is dit niet te zeggen: doch onwaarschijnlijk is het niet, daar ongetwijfeld voor de bewoners dezer eilanden, die hun leven op het water sleten, de zee een voorwerp van godsdienstigevereering, een godheid was, al weten wij niet onder welken naam zij haar vereerden.Met deze eeredienst der zee stond zeker ook in verband een vreemdsoortig spel, dat vroeger in Holland en Zeeland zeer in zwang was, en in de laatste provincie eerst in de vorige eeuw werd afgeschaft. In de Meimaand togen de jongelieden van beiderlei kunne uit de dorpen on steden langs de hollandsche en zeeuwsche kusten naar het strand; daar gekomen, werden de meisjes onverwachts door de jonkmans aangegrepen, opgenomen, en een eind ver in zee gedragen; vervolgens weder naar de duinen gebracht en van den top naar beneden gerold. Dit ruwe spel, waarbij niet zelden ongelukken voorkwamen, was ongetwijfeld een overblijfsel van eene vroegere godsdienstige plechtigheid, waarvan natuurlijk de beteekenis sinds lang in vergetelheid is geraakt. De zeeuwsche dichter Bellamy heeft dezen zeedoop in verband gebracht met een ander spel, meer bepaald aan Walcheren eigen: het zoogenaamde smeltvangen. De smelt is een kleine smalle visch, die zich veelal in het zand aan den oever ophoudt. Bij het omwoelen van het zand, komen deze visschen te voorschijn, doch weten zich zoo behendig te onttrekken aan de hand, die hen vatten wil, dat er eene groote mate van behendigheid toe behoort om de vlugge prooi te grijpen. Dit spel, thans mede in onbruik geraakt, is voor goed aan de vergetelheid ontrukt door Bellamy’s romance,Roosje: een van de beste voortbrengselen van dit genre, waarop de nederlandsche letterkunde, overigens in dit opzicht niet zeer rijk bedeeld, roemen kan.Roosjeis algemeen bekend, toch misschien meer bij naam en broksgewijze, dan in zijn geheel: daarom, nu wij door Zeeland wandelen en onze schreden richten naar Walcherens stranden, moge deze schoone, door haar eenvoud roerende vertelling hier eene plaats vinden. Ook wie dit gedicht kent, zal het niet dan met genoegen herlezen.Er was in Zeeland eens een man,Hij had een aardig kind,Een meisje, dat van iedereenOm ’t zeerste werd bemind.De man, gelijk men denken kan,Was grootsch op zulk een schat;Te meer—daar hij zijn lieve vrouwDaarbij verloren had.Wat nam hij Roosje menigmaal,Al zuchtende, in zijn arm,En kuste met een tranend oogHeur roode kaakjes warm!Dan zei die teedre, goede man:“Gij hebt geen moeder meer!”—“Ja wel”, zei dan het zoete kind,“Bij Onzen lieven Heer!“Dat hebt gij immers zelf gezegd.“Maar waarom ging zij heen?“Zij had mij niet zoo lief als gij,“Want zij liet ons alleen!”De vader sprak geen enkel woord,Maar kuste ’t kleine wicht;En, onder ’t kussen, dekte een stroomVan tranen zijn gezicht.Dit meisje werd wel schielijk groot;Zij was de roem der stad;Geen vader, die haar voor zijn zoonNiet reeds gekozen had.Wat was dat lieve meisje schoon;Wat had ze een nette leest!Wat was zij aardig en beleefd:Zoo deugdzaam, zoo vol geest!Zoo vriendlijk als de schoone maan,Als ze opkomt uit de zeeEn op de blanke duinen schijnt—Zoo vriendlijk was ze meê.Heur lieflijke oogen waren bruin,Niet vurig—kwijnend, zacht;Heur lachje was als ’t morgenrood,Dat aan de kimmen lacht.Wanneer zij met de zeeuwsche jeugdEen luchtje schepte aan ’t strand,Dan las ze op elken tred haar naam,Geschreven in het zand.Geen jongeling, die niet voor haarMet eerbied was bezield,Haar niet voor de allerschoonste bloemDer zeeuwsche meisjes hield.Daar leeft in Zeeland, in het strand,Een kleine, ronde visch,Die voor der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidenwindLangs kleine golfjes speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaatDes nijvren landmans streelt;Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,Naar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch;En dikwijls is de vlugste handTe traag voor dezen visch.Intusschen speelt en stoeit de jeugd,En fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee;Het meisje roept en wringt,—vergeefs:Hij draagt haar mede in zee.’t Was eens een schoone zomerdag;En ’t puikje van de jeugdGing naar het strand met spade en ploeg,En voelde niets dan vreugd.Het lieve Roosje was er bij;En ieder jongelingVergat den ploeg, vergat den visch,Als ze aan zijn zijde ging.Een jongling, die haar ’t meest beviel,Bleef immer aan haar zij;Hij zeide aan Roosje menigmaalDe zoetste kozerij.Nu drukt hij eens heur zachte hand,Daar hij een kusje steelt,En met de lokjes om haar hals,Heur bruine lokjes, speelt.Het meisje wringt zich los, en zegt:“Gij stoutert, daar gij zijt!“Plaag nu ook de andre meisjes wat;“Gij plaagt ook mij altijd!“Ei, ga naar de andre meisjes heen,“En laat mij nu met vreê!”—“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,“Dan draag ik u in zee!”Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,Zij vlucht al lachend heen;Hij volgt haar na, en slaat zijn armAl lachende om haar heen.Nu roept en schatert al de jeugd:“Draag Roosje nu in zee!”Hij tilt haar ijlings van den grond,En loopt met haar in zee.De sterke jongling kust den last,Dien hij zoo gretig torscht,En klemt het allerliefste kindNog vaster aan zijn borst.Het meisje roept en bidt vergeefs;Hij gaat al fladdrend voort!Het water spat, en klotst, en bruist,Dat hij haar nauwlijks hoort.In ’t eind was hij zoo ver gegaan,Dat iedereen aan ’t strand,Vol vreeze en schrik, gedurig riep:“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”Op eens, daar hij teruggekeert,Staat hij vertwijfeld stil:“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”En Roosje geeft een gil.“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink“Hier in een draaikolk neer!”Het meisje grijpt hem om den hals.En zinkt met hem ter neêr.Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofdStilzwijgend naar het strand;Doch was in ’t eigen oogenblikVerzwolgen in het zand!Daar stond de jeugd gelijk versteend;Geen mensch, die zuchtte of sprak;Tot eindlijk uit eens ieders oogEen stroom van tranen brak.“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?“Ligt Roosje daar in zee?”—Zoo gilt en klaagt een iedereen:De duinen gillen meê.Wel schielijk werd dit droef gevalVerkondigd in de stad;Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,Die niet verslagen zat.De jeugd ging zwijgend van het strand,En zag gedurig om,Een ieders hart was vol gevoel—Maar ieders tong was stom.De maan klom stil en statig op,En scheen op ’t aaklig graf,Waarin het lieve jonge paarHet laatste zuchtje gaf.De wind stak hevig op uit zee;De golven beukten ’t strand;En schielijk was de droeve maarVerspreid door ’t gansche land.
VI.
Wie den vollen indruk wil krijgen van de buitengewone vruchtbaarheid van Walcheren, moet, zoo als wij deden, op een mooien, helderen, warmen zomermorgen, te voet uit Middelburg vertrekken, om eene wandeling in den omtrek te doen. De wegen, met wilgen en jonge olmen omzoomd, zijn allerbekoorlijkst. Dikwijls genoeg ontmoet ge op den weg een grooten wagen, met een witte of gele huif overspannen, volgeladen met vrouwen en meisjes in hare fraaiste kleederen, oude mannen met de onmisbare pijp in den mond, en jongelieden, die, den nieuweren tijd huldigende, een bruin glazen of zilveren sigarenpijpje tusschen de tanden hebben: allen vroolijk en luidruchtig. Deze lieden gaan uit rijden: van ouds eene zeer geliefkoosde uitspanning onzer burgerij en landlieden, vooral der eerste. De boeren plegen doorgaans niet dan bij feestelijke gelegenheden uit spelerijden te gaan. Onze eerzame, nijvere burgers daarentegen, het gansche jaar door in winkel of kantoor bezig, opgesloten binnen de muren der steden, die juist niet altijd op bekoorlijke omstreken konden roemen; onze eenvoudige burgers hadden er behoefte aan, zich nu en dan eens in de vrije natuur te vertreden, en daartoe boden die speelreisjes eene welkome gelegenheid. Nevens het genot van de vrije lucht had men nog dat van het rijden zelf—ook geen alledaagsch pleizier;—van het prettige gezelschap, van een maaltijd in een boerenherberg of, beter nog, op het open veld; en bovenal het zalig bewustzijn, eens een ganschen dag uit de “zaken” en geheel vrij te zijn. Le Francq van Berkhey meende dat de “gezellige en vriendschapvoedende aard onzer natie” nergens duidelijker in uitkwam dan in hare “geneigdheid tot speelevaren en rijden”; vooral in Zeeland had hij dit “op een ongemeen gezellige wijze” gezien. “Een gezelschap,”zoo verhaalt hij,“dat aldaar spelemeijen gaat, neemt in ’t rijtuig brood en kaas, of eenig gebak en gebraad en wijn mede; men rijdt door de goudgeele koornlanden, en vrugtbare akkers; men kiest eindelijk eene digte of aangenaam belommerde dreef of groene laan, in welke men van den wagen klimt. Hier zet zig het gezelschap op de groene zooden neder; de tafel word op den grond gedekt, en men eet en drinkt met zulk een genoegen, dat iemand, die eenig gevoel heeft van ’t zoet vermaak, dat een gepaste vreugde, ware vrijheid en vriendelijke gezelligheid, onbedwongen verleent, hetzelve niet bijwonen kan zonder het edelmoedig vaderlandsch karakter der Zeeuwen daarin te erkennen.” Wat stijl! en wat onzin, in het eten en drinken op het groene gras een bewijs te willen zien van edelmoedigheid en vaderlandsliefde! Maar dat daargelaten:—het spelenrijden is nog een vrij algemeen geliefde uitspanning, niet alleen in Zeeland maar ook elders, al heeft het ook tegenwoordig iets van zijn vroeger karakter verloren.Wij zijn op weg naar Koudekerke, een zeer fraai en schilderachtig dorp. De kerk, die uit de veertiende eeuw dagteekent, verrijst te midden van een tuin—het oude kerkhof—door een bloeiende haag omringd, die door witgeverfde paaltjes en traliewerk tegen schending is beveiligd. Op het plein rondom de kerk staan de fraaiste huizen, netjes beschilderd, die zelfs in de stad een goede vertooning zouden maken. Statige linden, somwijlen ook geschoren en langs latten geleid, beschaduwen de meer eenvoudige woningen. Het geheele dorp draagt het voorkomen van welvarendheid en kalme rust, dat den stedeling doorgaans bij den eersten aanblik zoo zeer bekoort, maar toch doorgaans spoedig verveelt en naar afwisseling doet haken. Wij wandelen het dorp eens door, toeven een poos in de voornaamste herberg, en vervolgen onze voetreis.Ge hebt er toch niet tegen dat wij een praatje aanknoopen met dien eerzamen man, die daar voor ons uitwandelt en dien wij spoedig hebben ingehaald. Hij blijkt de schoolmeester van het naburig dorp te zijn: een man van jaren, eenvoudig, eenigszins beschroomd, die, in het land geboren, zijn leven op het land gesleten heeft. Misschien zou hij, zoo hij nog zijn examen moest doen, worden afgewezen: want wij mogen veilig aannemen, dat hij nooit zijne hersenen heeft volgepropt met een massa onsamenhangende brokken van onbegrepen, fragmentarische kennis, gelijk zoo velen zijner hedendaagsche collega’s wel verplicht zijn te doen;—en dit heeft althans dit zeer groote voordeel, dat hij ook de aan zijn leiding toevertrouwde kinderen niet voor hun volgend leven bederven zal door hun allerlei halfslachtige geleerdheid, waarmede zij verder niets weten aan te vangen en die ook inderdaad volstrekt onbruikbaar is, in te pompen. Maar de brave man, die weinig met fraai klinkende theoriën opheeft, omdat hij de werkelijkheid des levens kent, is daarentegen ten volle vertrouwd met het volk, in welks midden hij leeft, met zijne denkbeelden en gebruiken, zijne zeden en eigenaardige gewoonten. Wij zijn met hem aan het praten geraakt over veel en velerlei, en willen het een en ander mededeelen van wat wij, zoo van hem als van anderen, omtrent de volksgebruiken in Zeeland vernamen. Men houde daarbij in het oog, dat hier hoofdzakelijk van het platte land sprake is: want in de steden is alle eigenaardigheid reeds verdwenenof althans der verdwijning nabij, en ook op het platte land zelf beginnen de oude gewoonten te wijken.Laat ons eens zien hoe een zeeuwsche jonkman het aanlegt, om kennis te maken met de jonge dochter, die hij zich tot vrouw heeft uitverkoren. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren geschieden; bijvoorbeeld op deze. De jonkman begeeft zich op het uur, als hij weet dat zijne beminde in het land is om de koeien te melken, naar het hek van de wei, en gaat daar voorover op het gras liggen, natuurlijk zijne blikken onafgewend op zijne Galathea houdende. Zijn de blinkende emmers vol, dan staat hij op en gaat naar haar toe, met de vraag of hij voor haar de zware emmers mag dragen. Vergunt zij dit, dan is het een bewijs, dat zijn aanzoek haar niet ongevallig is; weigert zij, dan kan hij gerust heengaan.Maar niet alle vrijages beginnen op deze echt arkadische wijze. Vooral op marktdagen, om van de kermissen te zwijgen, zoeken en vinden de jongelieden gelegenheid om met elkander in aanraking te komen. Als de markt is afgeloopen en de wagens straks zullen worden ingespannen, dan worden de meisjes in de herberg op likeur onthaald. Allen drinken uit hetzelfde glas, dat van mond tot mond gaat, en telkens op nieuw wordt gevuld; natuurlijk maakt dit de tongen los en wordt menig zoet woordje gewisseld. Hoe gelukkig is de jonkman, als hij des avonds het meisje, dat hem aangetrokken heeft, naar huis mag geleiden.Nu wordt de kennismaking voortgezet. Iederen Zondag gaat de minnaar trouw ter kerk, voornamelijk om te zien, of zijne uitverkorene met hare ouders daar tegenwoordig is, dan wel of zij alleen is te huis gebleven. Is dit laatste eens het geval, dan spoedt hij zich naar de welbekende woning en klopt aan de achterdeur, want de voordeur is onder kerktijd gesloten. Beschroomd en verlegen, meldt hij zich aan met de vraag: “Meiske, mag ik mijn pijpje aansteken?” Het meisje begrijpt volkomen de bedoeling van die schijnbaar zoo eenvoudige vraag, en naarmate zij zelve de nadere kennismaking met den jonkman al of niet wenscht, willigt zij het verzoek in of slaat het af. Vergunt zij hem binnen te komen, dan steekt hij ook inderdaad zijn pijp aan; maar hoe zal hij het nu aanleggen, om te zeggen wat hem eigenlijk op het hart ligt? Belangrijke mededeelingen, zoo als dat de koe gekalfd of de zeug gebigd heeft, kunnen wel voor een poos helpen, maar om dat te zeggen, is hij toch eigenlijk niet gekomen. Het meisje hoort hem geduldig aan en gaat haar gang: zij weet zeer goed waarom hij komt, en dat hij haar zal vragen om met hem kermis te houden; maar zij wacht op de dingen die komen zullen. Eindelijk is het groote woord er uit. En zie—het wordt niet slecht opgenomen: trouwens de toestemming was reeds meer dan half gegeven, toen vergund werd de pijp te komen aansteken.Voorloopig blijven de ouders, althans officiëel, nog buiten spel, ook al weten zij wat er voorvalt. Die zondagsche bezoeken worden nu vrij geregeld herhaald. Het meiske verzelt hare ouders niet naar de middagkerk, maar maakt de thee gereed, en bakt een zeker soort van suikerkoekjes, suikerblokjes, spekjes of babbelaars genoemd, waarop zij haar minnaar onthaalt. Deze verschijnt trouw op het bepaalde uur, en blijft met zijn liefje zitten keuvelen, tot de kerktijd voorbij is.Natuurlijk blijven deze bezoeken niet onopgemerkt; de buren, de buurmeisjes vooral, spreken er van, en waarschuwen de ouders; maar van eene verloving in den vorm is nog geen sprake. Bij de aanstaande kermis echter wordt de zaak ruchtbaar; de beide gelieven vertoonen zich te zamen in het openbaar, drinken en dansen te zamen, en maken verder geen geheim van hunne wederzijdsche verbintenis. Doorgaans volgt dan spoedig het huwelijk.Het gebeurt echter ook wel, dat de vrijage wordt afgebroken. Heeft zich het meisje evenwel bij ongeluk vergeten, dan is aan geen afbreken der betrekking meer te denken. De jonkman, die zich in zulk een geval terugtrok, zou de algemeene verachting op zich laden, en stellig niet in zijn dorp of ook in den omtrek kunnen blijven. Overal zou hij als een eerlooze worden beschouwd en behandeld. Intusschen doen zich zulke gevallen hoogst zeldzaam voor.In sommige dorpen van Walcheren en vooral op Zuid-Beveland is nog eene andere manier van vrijen in zwang. In den omtrek van Goes is het de gewoonte, dat het jonge meisje vooraf aan hare ouders verlof vraagt om zich het hof te laten maken, zonder nog den naam van haar minnaar te noemen, of althans zonder daartoe verplicht te zijn. Geven de ouders de gevraagde toestemming, dan gaat de jonkman des avonds naar de bakkeet of den bakoven: in den regel een groot vertrek, donkergroen geschilderd en van de eigenlijke woning afgescheiden. Hij heeft een zoete koek in de hand, en vraagt of het meisje daarvan met hem eten wil. Neemt zij dit aan, dan is dit een goed teeken; weigert zij, dan mag hij, na gedurende vier zaterdagen de proef herhaald te hebben, niet meer terugkomen. Dan heet het, dat hij met de koek op het hoofd te huis is gekomen.De bruiloften worden op de gewone wijze met maaltijden en drinkgelagen, met zang en dans en rijtoertjes gevierd, hoewel de vroegere luidruchtigheid meer en meer wijkt. Bij het huwelijk was, en is het nog wel de gewoonte, dat de jonge man van zijne ouders een nieuw pak krijgt, hetzij van zwart laken, hetzij van bombazijn, naar de geldmiddelen dit veroorloven. Dit pak bestaat uit een buis, een vest, een broek en een overjas, kappe genaamd, die hem tot op de hielen hangt en in vorm en snede geheel overeenkomt met de jas van zijn grootvader. Deze kleederen bewaart hij zijn geheele leven; zij worden slechts bij buitengewoon plechtige gelegenheden gedragen: bij den doop van zijne kinderen, bij de viering van het Avondmaal, bij de begrafenis van een zijner bloedverwanten.Op het platte land van Zeeland zijn nog, bij begrafenissen, eenige oude en eigenaardige gebruiken in zwang gebleven. Is er een doode in huis, dan verschijnen de zoogenaamde afleggers, die het lijk ontkleeden en soms ook wasschen; voorts het steeds ongebruikte doodhemd aantrekken, het lijk in het doodlaken spelden en opstroo leggen; verder de “wete” doen aan vrienden en bekenden, en eindelijk zorgen dat er ook stroo voor de deur wordt gelegd. De afleggers verrichten alzoo hetzelfde wat elders ten platten lande door de buren geschiedt; het eenige onderscheid is, dat zij voor hun werk betaald worden, en wel met een som, gelijk aan de kosten der doodkist: dat betalen is echter meer dan waarschijnlijk een moderne nieuwigheid. Het eigenaardige in deze zeeuwsche gebruiken is het leggen van stroo voor de deur: een gebruik dat, voor zoo ver ik weet, tegenwoordig nergens in ons vaderland meer voorkomt. Dit lijkstroo bestaat voor volwassenen doorgaans uit tien, somtijds ook uit zeven bossen, regelmatig opgestapeld; is er een kind gestorven, dan wordt slechts een klein bosje voor de deur nedergelegd, met een takje palm voor een jongske, en een takje thym voor een meisje. Wij hebben hier met een overoud gebruik te doen: reeds in de vroegste middeleeuwen werd het lijk op stroo gelegd, en werden bossen stroo voor de deur gestapeld of rondom het sterfhuis uitgelegd, of wel, men maakte kruisen van stroo en hing die aan deur en vensters. Werd de lijkkist op een wagen naar het kerkhof gevoerd, dan werden wederom aan wederzijde bossen stroo gelegd; en bij de terugkomst van de begrafenis, werd dit stroo aan een kruisweg op de vier hoeken nedergezet. Ook nu nog wordt de kist op bosjes stroo in den wagen gezet, en worden die bosjes, na afloop der begrafenis, als van ouds aan de vier hoeken van een kruisweg nedergelegd of in de sloot geworpen. Wat beteekent dit? Tegenwoordig is voor verreweg de meesten de eigenlijke beteekenis van deze en zoo vele andere gebruiken verloren gegaan: wij weten evenwel, dat het stroo in vroeger tijd een zeer krachtig voorbehoedmiddel werd geacht tot afwering van booze geesten: waar stroo lag, kon geen booze geest genaken, kon geen heks binnensluipen. Nu is het bekend, dat de duivelen en booze geesten er steeds op uit waren, zich van de gestorvenen meester te maken: daartegen moest dus gewaakt worden, en om dit gevaar te keeren, diende zoowel het stroo voor de deur als het luiden der klok, waardoor de booze geesten in de lucht op de vlucht werden gedreven. Het voor de deur opgestapelde stroo werd oudtijds verbrand: een voorzichtigsheidsmaatregel, want het was mogelijk dat zich daarin “duivelen, coubouten, ofte maren” verscholen hadden. Tegenwoordig wordt het aanstonds nadat het lijk uit het sterfhuis gedragen is verwijderd en weggeworpen.Lijkdienaars.Lijkdienaars.Aan het hoofd van den lijkstoet, die uit de bloedverwanten en vrienden bestaat,—de vrouwen gaan zeer zelden mede naar het kerkhof—gaat de grafdelver of doodgraver, die geen bijzonder kostuumheeft, maar slechts een lamfer aan zijn hoed draagt. Zoodra de kist in de groeve is nedergelaten en met aarde bedekt, houdt de predikant eene toespraak; is deze niet tegenwoordig, dan worden de vrienden en buren door den grafdelver bedankt voor de eer, aan den overledene bewezen. Over het algemeen vervult hier de grafdelver bij eene begrafenis dezelfde functiën, die elders aan den aanspreker of bidder zijn opgedragen. Als de bloedverwanten en vrienden in het sterfhuis terugkomen, vinden zij daar water en handdoeken gereed, om zich de handen te wasschen, wat dan ook niemand verzuimt. Ook dit gebruik is zeer oud: de aanraking met den doode en het doodenrijk verontreinigde: van daar de behoefte aan reiniging na de terugkomst van den lijkweg. Zelfs dat water en die doeken moesten op eigenaardige wijze behandeld worden: het was volstrekt niet onverschillig waar het water werd uitgegoten; en de doeken moesten aanstonds in het water worden gezet en een poos achteraf staan. Deze gebruiken gaan echter verloren, en zijn reeds voor een deel vergeten, met uitzondering van het handenwasschen, dat, naar ik meen, nog steeds geschiedt.Natuurlijk wordt er ook in Zeeland, na afloop der begrafenis, gegeten en gedronken. Het aloude doodbier, nog uit de germaansche tijden afkomstig, behoort sedert lang tot de geschiedenis. Ja, wat daarvoor later in de plaats gekomen is,—rijst met krenten en rozijnen—is mede reeds in onbruik geraakt. Tegenwoordig eten de vrienden en geburen koffie met brood en ham, nadat de predikant, of bij zijne afwezigheid iemand anders, een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en een gebed gedaan heeft. Ook dit eten en drinken na de terugkomst van het graf, is een overoud gebruik: bij de heidensche Germanen duurde dit doodsmaal drie dagen achtereen, en diende tot verheerlijking van den overledene. Het maal werd toen bij den grafheuvel gehouden: en daarbij dronk de zoon zijns vadersminne: een bewijs dat hiermede eene soort van offerande of godsdienstige handeling word bedoeld. Het germaansche doodmaal, dat elders nog duidelijker kenbare sporen heeft nagelaten, is hier ingekrompen tot een boterham met ham en een kop koffie.Typen van West-Kapelle.Typen van West-Kapelle.Men vindt in Zeeland geen grafheuvelen uit den germaanschen tijd. Daaruit en uit eene zeer oude legende, volgens welke de zielen der gestorvenen van de hollandsche en zeeuwsche kusten des nachts naar Engeland werden gevoerd, hebben sommigen afgeleid, dat de oude bewoners van Zeeland hunne dooden in zee begroeven. Met zekerheid is dit niet te zeggen: doch onwaarschijnlijk is het niet, daar ongetwijfeld voor de bewoners dezer eilanden, die hun leven op het water sleten, de zee een voorwerp van godsdienstigevereering, een godheid was, al weten wij niet onder welken naam zij haar vereerden.Met deze eeredienst der zee stond zeker ook in verband een vreemdsoortig spel, dat vroeger in Holland en Zeeland zeer in zwang was, en in de laatste provincie eerst in de vorige eeuw werd afgeschaft. In de Meimaand togen de jongelieden van beiderlei kunne uit de dorpen on steden langs de hollandsche en zeeuwsche kusten naar het strand; daar gekomen, werden de meisjes onverwachts door de jonkmans aangegrepen, opgenomen, en een eind ver in zee gedragen; vervolgens weder naar de duinen gebracht en van den top naar beneden gerold. Dit ruwe spel, waarbij niet zelden ongelukken voorkwamen, was ongetwijfeld een overblijfsel van eene vroegere godsdienstige plechtigheid, waarvan natuurlijk de beteekenis sinds lang in vergetelheid is geraakt. De zeeuwsche dichter Bellamy heeft dezen zeedoop in verband gebracht met een ander spel, meer bepaald aan Walcheren eigen: het zoogenaamde smeltvangen. De smelt is een kleine smalle visch, die zich veelal in het zand aan den oever ophoudt. Bij het omwoelen van het zand, komen deze visschen te voorschijn, doch weten zich zoo behendig te onttrekken aan de hand, die hen vatten wil, dat er eene groote mate van behendigheid toe behoort om de vlugge prooi te grijpen. Dit spel, thans mede in onbruik geraakt, is voor goed aan de vergetelheid ontrukt door Bellamy’s romance,Roosje: een van de beste voortbrengselen van dit genre, waarop de nederlandsche letterkunde, overigens in dit opzicht niet zeer rijk bedeeld, roemen kan.Roosjeis algemeen bekend, toch misschien meer bij naam en broksgewijze, dan in zijn geheel: daarom, nu wij door Zeeland wandelen en onze schreden richten naar Walcherens stranden, moge deze schoone, door haar eenvoud roerende vertelling hier eene plaats vinden. Ook wie dit gedicht kent, zal het niet dan met genoegen herlezen.Er was in Zeeland eens een man,Hij had een aardig kind,Een meisje, dat van iedereenOm ’t zeerste werd bemind.De man, gelijk men denken kan,Was grootsch op zulk een schat;Te meer—daar hij zijn lieve vrouwDaarbij verloren had.Wat nam hij Roosje menigmaal,Al zuchtende, in zijn arm,En kuste met een tranend oogHeur roode kaakjes warm!Dan zei die teedre, goede man:“Gij hebt geen moeder meer!”—“Ja wel”, zei dan het zoete kind,“Bij Onzen lieven Heer!“Dat hebt gij immers zelf gezegd.“Maar waarom ging zij heen?“Zij had mij niet zoo lief als gij,“Want zij liet ons alleen!”De vader sprak geen enkel woord,Maar kuste ’t kleine wicht;En, onder ’t kussen, dekte een stroomVan tranen zijn gezicht.Dit meisje werd wel schielijk groot;Zij was de roem der stad;Geen vader, die haar voor zijn zoonNiet reeds gekozen had.Wat was dat lieve meisje schoon;Wat had ze een nette leest!Wat was zij aardig en beleefd:Zoo deugdzaam, zoo vol geest!Zoo vriendlijk als de schoone maan,Als ze opkomt uit de zeeEn op de blanke duinen schijnt—Zoo vriendlijk was ze meê.Heur lieflijke oogen waren bruin,Niet vurig—kwijnend, zacht;Heur lachje was als ’t morgenrood,Dat aan de kimmen lacht.Wanneer zij met de zeeuwsche jeugdEen luchtje schepte aan ’t strand,Dan las ze op elken tred haar naam,Geschreven in het zand.Geen jongeling, die niet voor haarMet eerbied was bezield,Haar niet voor de allerschoonste bloemDer zeeuwsche meisjes hield.Daar leeft in Zeeland, in het strand,Een kleine, ronde visch,Die voor der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidenwindLangs kleine golfjes speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaatDes nijvren landmans streelt;Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,Naar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch;En dikwijls is de vlugste handTe traag voor dezen visch.Intusschen speelt en stoeit de jeugd,En fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee;Het meisje roept en wringt,—vergeefs:Hij draagt haar mede in zee.’t Was eens een schoone zomerdag;En ’t puikje van de jeugdGing naar het strand met spade en ploeg,En voelde niets dan vreugd.Het lieve Roosje was er bij;En ieder jongelingVergat den ploeg, vergat den visch,Als ze aan zijn zijde ging.Een jongling, die haar ’t meest beviel,Bleef immer aan haar zij;Hij zeide aan Roosje menigmaalDe zoetste kozerij.Nu drukt hij eens heur zachte hand,Daar hij een kusje steelt,En met de lokjes om haar hals,Heur bruine lokjes, speelt.Het meisje wringt zich los, en zegt:“Gij stoutert, daar gij zijt!“Plaag nu ook de andre meisjes wat;“Gij plaagt ook mij altijd!“Ei, ga naar de andre meisjes heen,“En laat mij nu met vreê!”—“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,“Dan draag ik u in zee!”Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,Zij vlucht al lachend heen;Hij volgt haar na, en slaat zijn armAl lachende om haar heen.Nu roept en schatert al de jeugd:“Draag Roosje nu in zee!”Hij tilt haar ijlings van den grond,En loopt met haar in zee.De sterke jongling kust den last,Dien hij zoo gretig torscht,En klemt het allerliefste kindNog vaster aan zijn borst.Het meisje roept en bidt vergeefs;Hij gaat al fladdrend voort!Het water spat, en klotst, en bruist,Dat hij haar nauwlijks hoort.In ’t eind was hij zoo ver gegaan,Dat iedereen aan ’t strand,Vol vreeze en schrik, gedurig riep:“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”Op eens, daar hij teruggekeert,Staat hij vertwijfeld stil:“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”En Roosje geeft een gil.“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink“Hier in een draaikolk neer!”Het meisje grijpt hem om den hals.En zinkt met hem ter neêr.Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofdStilzwijgend naar het strand;Doch was in ’t eigen oogenblikVerzwolgen in het zand!Daar stond de jeugd gelijk versteend;Geen mensch, die zuchtte of sprak;Tot eindlijk uit eens ieders oogEen stroom van tranen brak.“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?“Ligt Roosje daar in zee?”—Zoo gilt en klaagt een iedereen:De duinen gillen meê.Wel schielijk werd dit droef gevalVerkondigd in de stad;Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,Die niet verslagen zat.De jeugd ging zwijgend van het strand,En zag gedurig om,Een ieders hart was vol gevoel—Maar ieders tong was stom.De maan klom stil en statig op,En scheen op ’t aaklig graf,Waarin het lieve jonge paarHet laatste zuchtje gaf.De wind stak hevig op uit zee;De golven beukten ’t strand;En schielijk was de droeve maarVerspreid door ’t gansche land.
Wie den vollen indruk wil krijgen van de buitengewone vruchtbaarheid van Walcheren, moet, zoo als wij deden, op een mooien, helderen, warmen zomermorgen, te voet uit Middelburg vertrekken, om eene wandeling in den omtrek te doen. De wegen, met wilgen en jonge olmen omzoomd, zijn allerbekoorlijkst. Dikwijls genoeg ontmoet ge op den weg een grooten wagen, met een witte of gele huif overspannen, volgeladen met vrouwen en meisjes in hare fraaiste kleederen, oude mannen met de onmisbare pijp in den mond, en jongelieden, die, den nieuweren tijd huldigende, een bruin glazen of zilveren sigarenpijpje tusschen de tanden hebben: allen vroolijk en luidruchtig. Deze lieden gaan uit rijden: van ouds eene zeer geliefkoosde uitspanning onzer burgerij en landlieden, vooral der eerste. De boeren plegen doorgaans niet dan bij feestelijke gelegenheden uit spelerijden te gaan. Onze eerzame, nijvere burgers daarentegen, het gansche jaar door in winkel of kantoor bezig, opgesloten binnen de muren der steden, die juist niet altijd op bekoorlijke omstreken konden roemen; onze eenvoudige burgers hadden er behoefte aan, zich nu en dan eens in de vrije natuur te vertreden, en daartoe boden die speelreisjes eene welkome gelegenheid. Nevens het genot van de vrije lucht had men nog dat van het rijden zelf—ook geen alledaagsch pleizier;—van het prettige gezelschap, van een maaltijd in een boerenherberg of, beter nog, op het open veld; en bovenal het zalig bewustzijn, eens een ganschen dag uit de “zaken” en geheel vrij te zijn. Le Francq van Berkhey meende dat de “gezellige en vriendschapvoedende aard onzer natie” nergens duidelijker in uitkwam dan in hare “geneigdheid tot speelevaren en rijden”; vooral in Zeeland had hij dit “op een ongemeen gezellige wijze” gezien. “Een gezelschap,”zoo verhaalt hij,“dat aldaar spelemeijen gaat, neemt in ’t rijtuig brood en kaas, of eenig gebak en gebraad en wijn mede; men rijdt door de goudgeele koornlanden, en vrugtbare akkers; men kiest eindelijk eene digte of aangenaam belommerde dreef of groene laan, in welke men van den wagen klimt. Hier zet zig het gezelschap op de groene zooden neder; de tafel word op den grond gedekt, en men eet en drinkt met zulk een genoegen, dat iemand, die eenig gevoel heeft van ’t zoet vermaak, dat een gepaste vreugde, ware vrijheid en vriendelijke gezelligheid, onbedwongen verleent, hetzelve niet bijwonen kan zonder het edelmoedig vaderlandsch karakter der Zeeuwen daarin te erkennen.” Wat stijl! en wat onzin, in het eten en drinken op het groene gras een bewijs te willen zien van edelmoedigheid en vaderlandsliefde! Maar dat daargelaten:—het spelenrijden is nog een vrij algemeen geliefde uitspanning, niet alleen in Zeeland maar ook elders, al heeft het ook tegenwoordig iets van zijn vroeger karakter verloren.
Wij zijn op weg naar Koudekerke, een zeer fraai en schilderachtig dorp. De kerk, die uit de veertiende eeuw dagteekent, verrijst te midden van een tuin—het oude kerkhof—door een bloeiende haag omringd, die door witgeverfde paaltjes en traliewerk tegen schending is beveiligd. Op het plein rondom de kerk staan de fraaiste huizen, netjes beschilderd, die zelfs in de stad een goede vertooning zouden maken. Statige linden, somwijlen ook geschoren en langs latten geleid, beschaduwen de meer eenvoudige woningen. Het geheele dorp draagt het voorkomen van welvarendheid en kalme rust, dat den stedeling doorgaans bij den eersten aanblik zoo zeer bekoort, maar toch doorgaans spoedig verveelt en naar afwisseling doet haken. Wij wandelen het dorp eens door, toeven een poos in de voornaamste herberg, en vervolgen onze voetreis.
Ge hebt er toch niet tegen dat wij een praatje aanknoopen met dien eerzamen man, die daar voor ons uitwandelt en dien wij spoedig hebben ingehaald. Hij blijkt de schoolmeester van het naburig dorp te zijn: een man van jaren, eenvoudig, eenigszins beschroomd, die, in het land geboren, zijn leven op het land gesleten heeft. Misschien zou hij, zoo hij nog zijn examen moest doen, worden afgewezen: want wij mogen veilig aannemen, dat hij nooit zijne hersenen heeft volgepropt met een massa onsamenhangende brokken van onbegrepen, fragmentarische kennis, gelijk zoo velen zijner hedendaagsche collega’s wel verplicht zijn te doen;—en dit heeft althans dit zeer groote voordeel, dat hij ook de aan zijn leiding toevertrouwde kinderen niet voor hun volgend leven bederven zal door hun allerlei halfslachtige geleerdheid, waarmede zij verder niets weten aan te vangen en die ook inderdaad volstrekt onbruikbaar is, in te pompen. Maar de brave man, die weinig met fraai klinkende theoriën opheeft, omdat hij de werkelijkheid des levens kent, is daarentegen ten volle vertrouwd met het volk, in welks midden hij leeft, met zijne denkbeelden en gebruiken, zijne zeden en eigenaardige gewoonten. Wij zijn met hem aan het praten geraakt over veel en velerlei, en willen het een en ander mededeelen van wat wij, zoo van hem als van anderen, omtrent de volksgebruiken in Zeeland vernamen. Men houde daarbij in het oog, dat hier hoofdzakelijk van het platte land sprake is: want in de steden is alle eigenaardigheid reeds verdwenenof althans der verdwijning nabij, en ook op het platte land zelf beginnen de oude gewoonten te wijken.
Laat ons eens zien hoe een zeeuwsche jonkman het aanlegt, om kennis te maken met de jonge dochter, die hij zich tot vrouw heeft uitverkoren. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren geschieden; bijvoorbeeld op deze. De jonkman begeeft zich op het uur, als hij weet dat zijne beminde in het land is om de koeien te melken, naar het hek van de wei, en gaat daar voorover op het gras liggen, natuurlijk zijne blikken onafgewend op zijne Galathea houdende. Zijn de blinkende emmers vol, dan staat hij op en gaat naar haar toe, met de vraag of hij voor haar de zware emmers mag dragen. Vergunt zij dit, dan is het een bewijs, dat zijn aanzoek haar niet ongevallig is; weigert zij, dan kan hij gerust heengaan.
Maar niet alle vrijages beginnen op deze echt arkadische wijze. Vooral op marktdagen, om van de kermissen te zwijgen, zoeken en vinden de jongelieden gelegenheid om met elkander in aanraking te komen. Als de markt is afgeloopen en de wagens straks zullen worden ingespannen, dan worden de meisjes in de herberg op likeur onthaald. Allen drinken uit hetzelfde glas, dat van mond tot mond gaat, en telkens op nieuw wordt gevuld; natuurlijk maakt dit de tongen los en wordt menig zoet woordje gewisseld. Hoe gelukkig is de jonkman, als hij des avonds het meisje, dat hem aangetrokken heeft, naar huis mag geleiden.
Nu wordt de kennismaking voortgezet. Iederen Zondag gaat de minnaar trouw ter kerk, voornamelijk om te zien, of zijne uitverkorene met hare ouders daar tegenwoordig is, dan wel of zij alleen is te huis gebleven. Is dit laatste eens het geval, dan spoedt hij zich naar de welbekende woning en klopt aan de achterdeur, want de voordeur is onder kerktijd gesloten. Beschroomd en verlegen, meldt hij zich aan met de vraag: “Meiske, mag ik mijn pijpje aansteken?” Het meisje begrijpt volkomen de bedoeling van die schijnbaar zoo eenvoudige vraag, en naarmate zij zelve de nadere kennismaking met den jonkman al of niet wenscht, willigt zij het verzoek in of slaat het af. Vergunt zij hem binnen te komen, dan steekt hij ook inderdaad zijn pijp aan; maar hoe zal hij het nu aanleggen, om te zeggen wat hem eigenlijk op het hart ligt? Belangrijke mededeelingen, zoo als dat de koe gekalfd of de zeug gebigd heeft, kunnen wel voor een poos helpen, maar om dat te zeggen, is hij toch eigenlijk niet gekomen. Het meisje hoort hem geduldig aan en gaat haar gang: zij weet zeer goed waarom hij komt, en dat hij haar zal vragen om met hem kermis te houden; maar zij wacht op de dingen die komen zullen. Eindelijk is het groote woord er uit. En zie—het wordt niet slecht opgenomen: trouwens de toestemming was reeds meer dan half gegeven, toen vergund werd de pijp te komen aansteken.
Voorloopig blijven de ouders, althans officiëel, nog buiten spel, ook al weten zij wat er voorvalt. Die zondagsche bezoeken worden nu vrij geregeld herhaald. Het meiske verzelt hare ouders niet naar de middagkerk, maar maakt de thee gereed, en bakt een zeker soort van suikerkoekjes, suikerblokjes, spekjes of babbelaars genoemd, waarop zij haar minnaar onthaalt. Deze verschijnt trouw op het bepaalde uur, en blijft met zijn liefje zitten keuvelen, tot de kerktijd voorbij is.
Natuurlijk blijven deze bezoeken niet onopgemerkt; de buren, de buurmeisjes vooral, spreken er van, en waarschuwen de ouders; maar van eene verloving in den vorm is nog geen sprake. Bij de aanstaande kermis echter wordt de zaak ruchtbaar; de beide gelieven vertoonen zich te zamen in het openbaar, drinken en dansen te zamen, en maken verder geen geheim van hunne wederzijdsche verbintenis. Doorgaans volgt dan spoedig het huwelijk.
Het gebeurt echter ook wel, dat de vrijage wordt afgebroken. Heeft zich het meisje evenwel bij ongeluk vergeten, dan is aan geen afbreken der betrekking meer te denken. De jonkman, die zich in zulk een geval terugtrok, zou de algemeene verachting op zich laden, en stellig niet in zijn dorp of ook in den omtrek kunnen blijven. Overal zou hij als een eerlooze worden beschouwd en behandeld. Intusschen doen zich zulke gevallen hoogst zeldzaam voor.
In sommige dorpen van Walcheren en vooral op Zuid-Beveland is nog eene andere manier van vrijen in zwang. In den omtrek van Goes is het de gewoonte, dat het jonge meisje vooraf aan hare ouders verlof vraagt om zich het hof te laten maken, zonder nog den naam van haar minnaar te noemen, of althans zonder daartoe verplicht te zijn. Geven de ouders de gevraagde toestemming, dan gaat de jonkman des avonds naar de bakkeet of den bakoven: in den regel een groot vertrek, donkergroen geschilderd en van de eigenlijke woning afgescheiden. Hij heeft een zoete koek in de hand, en vraagt of het meisje daarvan met hem eten wil. Neemt zij dit aan, dan is dit een goed teeken; weigert zij, dan mag hij, na gedurende vier zaterdagen de proef herhaald te hebben, niet meer terugkomen. Dan heet het, dat hij met de koek op het hoofd te huis is gekomen.
De bruiloften worden op de gewone wijze met maaltijden en drinkgelagen, met zang en dans en rijtoertjes gevierd, hoewel de vroegere luidruchtigheid meer en meer wijkt. Bij het huwelijk was, en is het nog wel de gewoonte, dat de jonge man van zijne ouders een nieuw pak krijgt, hetzij van zwart laken, hetzij van bombazijn, naar de geldmiddelen dit veroorloven. Dit pak bestaat uit een buis, een vest, een broek en een overjas, kappe genaamd, die hem tot op de hielen hangt en in vorm en snede geheel overeenkomt met de jas van zijn grootvader. Deze kleederen bewaart hij zijn geheele leven; zij worden slechts bij buitengewoon plechtige gelegenheden gedragen: bij den doop van zijne kinderen, bij de viering van het Avondmaal, bij de begrafenis van een zijner bloedverwanten.
Op het platte land van Zeeland zijn nog, bij begrafenissen, eenige oude en eigenaardige gebruiken in zwang gebleven. Is er een doode in huis, dan verschijnen de zoogenaamde afleggers, die het lijk ontkleeden en soms ook wasschen; voorts het steeds ongebruikte doodhemd aantrekken, het lijk in het doodlaken spelden en opstroo leggen; verder de “wete” doen aan vrienden en bekenden, en eindelijk zorgen dat er ook stroo voor de deur wordt gelegd. De afleggers verrichten alzoo hetzelfde wat elders ten platten lande door de buren geschiedt; het eenige onderscheid is, dat zij voor hun werk betaald worden, en wel met een som, gelijk aan de kosten der doodkist: dat betalen is echter meer dan waarschijnlijk een moderne nieuwigheid. Het eigenaardige in deze zeeuwsche gebruiken is het leggen van stroo voor de deur: een gebruik dat, voor zoo ver ik weet, tegenwoordig nergens in ons vaderland meer voorkomt. Dit lijkstroo bestaat voor volwassenen doorgaans uit tien, somtijds ook uit zeven bossen, regelmatig opgestapeld; is er een kind gestorven, dan wordt slechts een klein bosje voor de deur nedergelegd, met een takje palm voor een jongske, en een takje thym voor een meisje. Wij hebben hier met een overoud gebruik te doen: reeds in de vroegste middeleeuwen werd het lijk op stroo gelegd, en werden bossen stroo voor de deur gestapeld of rondom het sterfhuis uitgelegd, of wel, men maakte kruisen van stroo en hing die aan deur en vensters. Werd de lijkkist op een wagen naar het kerkhof gevoerd, dan werden wederom aan wederzijde bossen stroo gelegd; en bij de terugkomst van de begrafenis, werd dit stroo aan een kruisweg op de vier hoeken nedergezet. Ook nu nog wordt de kist op bosjes stroo in den wagen gezet, en worden die bosjes, na afloop der begrafenis, als van ouds aan de vier hoeken van een kruisweg nedergelegd of in de sloot geworpen. Wat beteekent dit? Tegenwoordig is voor verreweg de meesten de eigenlijke beteekenis van deze en zoo vele andere gebruiken verloren gegaan: wij weten evenwel, dat het stroo in vroeger tijd een zeer krachtig voorbehoedmiddel werd geacht tot afwering van booze geesten: waar stroo lag, kon geen booze geest genaken, kon geen heks binnensluipen. Nu is het bekend, dat de duivelen en booze geesten er steeds op uit waren, zich van de gestorvenen meester te maken: daartegen moest dus gewaakt worden, en om dit gevaar te keeren, diende zoowel het stroo voor de deur als het luiden der klok, waardoor de booze geesten in de lucht op de vlucht werden gedreven. Het voor de deur opgestapelde stroo werd oudtijds verbrand: een voorzichtigsheidsmaatregel, want het was mogelijk dat zich daarin “duivelen, coubouten, ofte maren” verscholen hadden. Tegenwoordig wordt het aanstonds nadat het lijk uit het sterfhuis gedragen is verwijderd en weggeworpen.
Lijkdienaars.Lijkdienaars.
Lijkdienaars.
Aan het hoofd van den lijkstoet, die uit de bloedverwanten en vrienden bestaat,—de vrouwen gaan zeer zelden mede naar het kerkhof—gaat de grafdelver of doodgraver, die geen bijzonder kostuumheeft, maar slechts een lamfer aan zijn hoed draagt. Zoodra de kist in de groeve is nedergelaten en met aarde bedekt, houdt de predikant eene toespraak; is deze niet tegenwoordig, dan worden de vrienden en buren door den grafdelver bedankt voor de eer, aan den overledene bewezen. Over het algemeen vervult hier de grafdelver bij eene begrafenis dezelfde functiën, die elders aan den aanspreker of bidder zijn opgedragen. Als de bloedverwanten en vrienden in het sterfhuis terugkomen, vinden zij daar water en handdoeken gereed, om zich de handen te wasschen, wat dan ook niemand verzuimt. Ook dit gebruik is zeer oud: de aanraking met den doode en het doodenrijk verontreinigde: van daar de behoefte aan reiniging na de terugkomst van den lijkweg. Zelfs dat water en die doeken moesten op eigenaardige wijze behandeld worden: het was volstrekt niet onverschillig waar het water werd uitgegoten; en de doeken moesten aanstonds in het water worden gezet en een poos achteraf staan. Deze gebruiken gaan echter verloren, en zijn reeds voor een deel vergeten, met uitzondering van het handenwasschen, dat, naar ik meen, nog steeds geschiedt.
Natuurlijk wordt er ook in Zeeland, na afloop der begrafenis, gegeten en gedronken. Het aloude doodbier, nog uit de germaansche tijden afkomstig, behoort sedert lang tot de geschiedenis. Ja, wat daarvoor later in de plaats gekomen is,—rijst met krenten en rozijnen—is mede reeds in onbruik geraakt. Tegenwoordig eten de vrienden en geburen koffie met brood en ham, nadat de predikant, of bij zijne afwezigheid iemand anders, een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en een gebed gedaan heeft. Ook dit eten en drinken na de terugkomst van het graf, is een overoud gebruik: bij de heidensche Germanen duurde dit doodsmaal drie dagen achtereen, en diende tot verheerlijking van den overledene. Het maal werd toen bij den grafheuvel gehouden: en daarbij dronk de zoon zijns vadersminne: een bewijs dat hiermede eene soort van offerande of godsdienstige handeling word bedoeld. Het germaansche doodmaal, dat elders nog duidelijker kenbare sporen heeft nagelaten, is hier ingekrompen tot een boterham met ham en een kop koffie.
Typen van West-Kapelle.Typen van West-Kapelle.
Typen van West-Kapelle.
Men vindt in Zeeland geen grafheuvelen uit den germaanschen tijd. Daaruit en uit eene zeer oude legende, volgens welke de zielen der gestorvenen van de hollandsche en zeeuwsche kusten des nachts naar Engeland werden gevoerd, hebben sommigen afgeleid, dat de oude bewoners van Zeeland hunne dooden in zee begroeven. Met zekerheid is dit niet te zeggen: doch onwaarschijnlijk is het niet, daar ongetwijfeld voor de bewoners dezer eilanden, die hun leven op het water sleten, de zee een voorwerp van godsdienstigevereering, een godheid was, al weten wij niet onder welken naam zij haar vereerden.
Met deze eeredienst der zee stond zeker ook in verband een vreemdsoortig spel, dat vroeger in Holland en Zeeland zeer in zwang was, en in de laatste provincie eerst in de vorige eeuw werd afgeschaft. In de Meimaand togen de jongelieden van beiderlei kunne uit de dorpen on steden langs de hollandsche en zeeuwsche kusten naar het strand; daar gekomen, werden de meisjes onverwachts door de jonkmans aangegrepen, opgenomen, en een eind ver in zee gedragen; vervolgens weder naar de duinen gebracht en van den top naar beneden gerold. Dit ruwe spel, waarbij niet zelden ongelukken voorkwamen, was ongetwijfeld een overblijfsel van eene vroegere godsdienstige plechtigheid, waarvan natuurlijk de beteekenis sinds lang in vergetelheid is geraakt. De zeeuwsche dichter Bellamy heeft dezen zeedoop in verband gebracht met een ander spel, meer bepaald aan Walcheren eigen: het zoogenaamde smeltvangen. De smelt is een kleine smalle visch, die zich veelal in het zand aan den oever ophoudt. Bij het omwoelen van het zand, komen deze visschen te voorschijn, doch weten zich zoo behendig te onttrekken aan de hand, die hen vatten wil, dat er eene groote mate van behendigheid toe behoort om de vlugge prooi te grijpen. Dit spel, thans mede in onbruik geraakt, is voor goed aan de vergetelheid ontrukt door Bellamy’s romance,Roosje: een van de beste voortbrengselen van dit genre, waarop de nederlandsche letterkunde, overigens in dit opzicht niet zeer rijk bedeeld, roemen kan.Roosjeis algemeen bekend, toch misschien meer bij naam en broksgewijze, dan in zijn geheel: daarom, nu wij door Zeeland wandelen en onze schreden richten naar Walcherens stranden, moge deze schoone, door haar eenvoud roerende vertelling hier eene plaats vinden. Ook wie dit gedicht kent, zal het niet dan met genoegen herlezen.
Er was in Zeeland eens een man,Hij had een aardig kind,Een meisje, dat van iedereenOm ’t zeerste werd bemind.De man, gelijk men denken kan,Was grootsch op zulk een schat;Te meer—daar hij zijn lieve vrouwDaarbij verloren had.Wat nam hij Roosje menigmaal,Al zuchtende, in zijn arm,En kuste met een tranend oogHeur roode kaakjes warm!Dan zei die teedre, goede man:“Gij hebt geen moeder meer!”—“Ja wel”, zei dan het zoete kind,“Bij Onzen lieven Heer!“Dat hebt gij immers zelf gezegd.“Maar waarom ging zij heen?“Zij had mij niet zoo lief als gij,“Want zij liet ons alleen!”De vader sprak geen enkel woord,Maar kuste ’t kleine wicht;En, onder ’t kussen, dekte een stroomVan tranen zijn gezicht.Dit meisje werd wel schielijk groot;Zij was de roem der stad;Geen vader, die haar voor zijn zoonNiet reeds gekozen had.Wat was dat lieve meisje schoon;Wat had ze een nette leest!Wat was zij aardig en beleefd:Zoo deugdzaam, zoo vol geest!Zoo vriendlijk als de schoone maan,Als ze opkomt uit de zeeEn op de blanke duinen schijnt—Zoo vriendlijk was ze meê.Heur lieflijke oogen waren bruin,Niet vurig—kwijnend, zacht;Heur lachje was als ’t morgenrood,Dat aan de kimmen lacht.Wanneer zij met de zeeuwsche jeugdEen luchtje schepte aan ’t strand,Dan las ze op elken tred haar naam,Geschreven in het zand.Geen jongeling, die niet voor haarMet eerbied was bezield,Haar niet voor de allerschoonste bloemDer zeeuwsche meisjes hield.Daar leeft in Zeeland, in het strand,Een kleine, ronde visch,Die voor der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.Des zomers, als de zuidenwindLangs kleine golfjes speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaatDes nijvren landmans streelt;Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,Naar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch;En dikwijls is de vlugste handTe traag voor dezen visch.Intusschen speelt en stoeit de jeugd,En fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee;Het meisje roept en wringt,—vergeefs:Hij draagt haar mede in zee.’t Was eens een schoone zomerdag;En ’t puikje van de jeugdGing naar het strand met spade en ploeg,En voelde niets dan vreugd.Het lieve Roosje was er bij;En ieder jongelingVergat den ploeg, vergat den visch,Als ze aan zijn zijde ging.Een jongling, die haar ’t meest beviel,Bleef immer aan haar zij;Hij zeide aan Roosje menigmaalDe zoetste kozerij.Nu drukt hij eens heur zachte hand,Daar hij een kusje steelt,En met de lokjes om haar hals,Heur bruine lokjes, speelt.Het meisje wringt zich los, en zegt:“Gij stoutert, daar gij zijt!“Plaag nu ook de andre meisjes wat;“Gij plaagt ook mij altijd!“Ei, ga naar de andre meisjes heen,“En laat mij nu met vreê!”—“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,“Dan draag ik u in zee!”Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,Zij vlucht al lachend heen;Hij volgt haar na, en slaat zijn armAl lachende om haar heen.Nu roept en schatert al de jeugd:“Draag Roosje nu in zee!”Hij tilt haar ijlings van den grond,En loopt met haar in zee.De sterke jongling kust den last,Dien hij zoo gretig torscht,En klemt het allerliefste kindNog vaster aan zijn borst.Het meisje roept en bidt vergeefs;Hij gaat al fladdrend voort!Het water spat, en klotst, en bruist,Dat hij haar nauwlijks hoort.In ’t eind was hij zoo ver gegaan,Dat iedereen aan ’t strand,Vol vreeze en schrik, gedurig riep:“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”Op eens, daar hij teruggekeert,Staat hij vertwijfeld stil:“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”En Roosje geeft een gil.“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink“Hier in een draaikolk neer!”Het meisje grijpt hem om den hals.En zinkt met hem ter neêr.Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofdStilzwijgend naar het strand;Doch was in ’t eigen oogenblikVerzwolgen in het zand!Daar stond de jeugd gelijk versteend;Geen mensch, die zuchtte of sprak;Tot eindlijk uit eens ieders oogEen stroom van tranen brak.“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?“Ligt Roosje daar in zee?”—Zoo gilt en klaagt een iedereen:De duinen gillen meê.Wel schielijk werd dit droef gevalVerkondigd in de stad;Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,Die niet verslagen zat.De jeugd ging zwijgend van het strand,En zag gedurig om,Een ieders hart was vol gevoel—Maar ieders tong was stom.De maan klom stil en statig op,En scheen op ’t aaklig graf,Waarin het lieve jonge paarHet laatste zuchtje gaf.De wind stak hevig op uit zee;De golven beukten ’t strand;En schielijk was de droeve maarVerspreid door ’t gansche land.
Er was in Zeeland eens een man,Hij had een aardig kind,Een meisje, dat van iedereenOm ’t zeerste werd bemind.
Er was in Zeeland eens een man,
Hij had een aardig kind,
Een meisje, dat van iedereen
Om ’t zeerste werd bemind.
De man, gelijk men denken kan,Was grootsch op zulk een schat;Te meer—daar hij zijn lieve vrouwDaarbij verloren had.
De man, gelijk men denken kan,
Was grootsch op zulk een schat;
Te meer—daar hij zijn lieve vrouw
Daarbij verloren had.
Wat nam hij Roosje menigmaal,Al zuchtende, in zijn arm,En kuste met een tranend oogHeur roode kaakjes warm!
Wat nam hij Roosje menigmaal,
Al zuchtende, in zijn arm,
En kuste met een tranend oog
Heur roode kaakjes warm!
Dan zei die teedre, goede man:“Gij hebt geen moeder meer!”—“Ja wel”, zei dan het zoete kind,“Bij Onzen lieven Heer!
Dan zei die teedre, goede man:
“Gij hebt geen moeder meer!”—
“Ja wel”, zei dan het zoete kind,
“Bij Onzen lieven Heer!
“Dat hebt gij immers zelf gezegd.“Maar waarom ging zij heen?“Zij had mij niet zoo lief als gij,“Want zij liet ons alleen!”
“Dat hebt gij immers zelf gezegd.
“Maar waarom ging zij heen?
“Zij had mij niet zoo lief als gij,
“Want zij liet ons alleen!”
De vader sprak geen enkel woord,Maar kuste ’t kleine wicht;En, onder ’t kussen, dekte een stroomVan tranen zijn gezicht.
De vader sprak geen enkel woord,
Maar kuste ’t kleine wicht;
En, onder ’t kussen, dekte een stroom
Van tranen zijn gezicht.
Dit meisje werd wel schielijk groot;Zij was de roem der stad;Geen vader, die haar voor zijn zoonNiet reeds gekozen had.
Dit meisje werd wel schielijk groot;
Zij was de roem der stad;
Geen vader, die haar voor zijn zoon
Niet reeds gekozen had.
Wat was dat lieve meisje schoon;Wat had ze een nette leest!Wat was zij aardig en beleefd:Zoo deugdzaam, zoo vol geest!
Wat was dat lieve meisje schoon;
Wat had ze een nette leest!
Wat was zij aardig en beleefd:
Zoo deugdzaam, zoo vol geest!
Zoo vriendlijk als de schoone maan,Als ze opkomt uit de zeeEn op de blanke duinen schijnt—Zoo vriendlijk was ze meê.
Zoo vriendlijk als de schoone maan,
Als ze opkomt uit de zee
En op de blanke duinen schijnt—
Zoo vriendlijk was ze meê.
Heur lieflijke oogen waren bruin,Niet vurig—kwijnend, zacht;Heur lachje was als ’t morgenrood,Dat aan de kimmen lacht.
Heur lieflijke oogen waren bruin,
Niet vurig—kwijnend, zacht;
Heur lachje was als ’t morgenrood,
Dat aan de kimmen lacht.
Wanneer zij met de zeeuwsche jeugdEen luchtje schepte aan ’t strand,Dan las ze op elken tred haar naam,Geschreven in het zand.
Wanneer zij met de zeeuwsche jeugd
Een luchtje schepte aan ’t strand,
Dan las ze op elken tred haar naam,
Geschreven in het zand.
Geen jongeling, die niet voor haarMet eerbied was bezield,Haar niet voor de allerschoonste bloemDer zeeuwsche meisjes hield.
Geen jongeling, die niet voor haar
Met eerbied was bezield,
Haar niet voor de allerschoonste bloem
Der zeeuwsche meisjes hield.
Daar leeft in Zeeland, in het strand,Een kleine, ronde visch,Die voor der Zeeuwen kieschen smaakEen lekker voedsel is.
Daar leeft in Zeeland, in het strand,
Een kleine, ronde visch,
Die voor der Zeeuwen kieschen smaak
Een lekker voedsel is.
Des zomers, als de zuidenwindLangs kleine golfjes speelt,En vriendlijk ’t gloeiende gelaatDes nijvren landmans streelt;
Des zomers, als de zuidenwind
Langs kleine golfjes speelt,
En vriendlijk ’t gloeiende gelaat
Des nijvren landmans streelt;
Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,Naar ’t breede, vlakke strand,En ploegt dan, vol van vroolijkheid,Het dorre, natte zand.
Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,
Naar ’t breede, vlakke strand,
En ploegt dan, vol van vroolijkheid,
Het dorre, natte zand.
Dan grijpt in de opgeploegde voorEen rappe hand den visch;En dikwijls is de vlugste handTe traag voor dezen visch.
Dan grijpt in de opgeploegde voor
Een rappe hand den visch;
En dikwijls is de vlugste hand
Te traag voor dezen visch.
Intusschen speelt en stoeit de jeugd,En fladdert door het nat,Dat schuimend, met een groot gedruisch,In mond en oogen spat.
Intusschen speelt en stoeit de jeugd,
En fladdert door het nat,
Dat schuimend, met een groot gedruisch,
In mond en oogen spat.
De jongling grijpt een meisjen opEn draagt haar mede in zee;Het meisje roept en wringt,—vergeefs:Hij draagt haar mede in zee.
De jongling grijpt een meisjen op
En draagt haar mede in zee;
Het meisje roept en wringt,—vergeefs:
Hij draagt haar mede in zee.
’t Was eens een schoone zomerdag;En ’t puikje van de jeugdGing naar het strand met spade en ploeg,En voelde niets dan vreugd.
’t Was eens een schoone zomerdag;
En ’t puikje van de jeugd
Ging naar het strand met spade en ploeg,
En voelde niets dan vreugd.
Het lieve Roosje was er bij;En ieder jongelingVergat den ploeg, vergat den visch,Als ze aan zijn zijde ging.
Het lieve Roosje was er bij;
En ieder jongeling
Vergat den ploeg, vergat den visch,
Als ze aan zijn zijde ging.
Een jongling, die haar ’t meest beviel,Bleef immer aan haar zij;Hij zeide aan Roosje menigmaalDe zoetste kozerij.
Een jongling, die haar ’t meest beviel,
Bleef immer aan haar zij;
Hij zeide aan Roosje menigmaal
De zoetste kozerij.
Nu drukt hij eens heur zachte hand,Daar hij een kusje steelt,En met de lokjes om haar hals,Heur bruine lokjes, speelt.
Nu drukt hij eens heur zachte hand,
Daar hij een kusje steelt,
En met de lokjes om haar hals,
Heur bruine lokjes, speelt.
Het meisje wringt zich los, en zegt:“Gij stoutert, daar gij zijt!“Plaag nu ook de andre meisjes wat;“Gij plaagt ook mij altijd!
Het meisje wringt zich los, en zegt:
“Gij stoutert, daar gij zijt!
“Plaag nu ook de andre meisjes wat;
“Gij plaagt ook mij altijd!
“Ei, ga naar de andre meisjes heen,“En laat mij nu met vreê!”—“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,“Dan draag ik u in zee!”
“Ei, ga naar de andre meisjes heen,
“En laat mij nu met vreê!”—
“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,
“Dan draag ik u in zee!”
Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,Zij vlucht al lachend heen;Hij volgt haar na, en slaat zijn armAl lachende om haar heen.
Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,
Zij vlucht al lachend heen;
Hij volgt haar na, en slaat zijn arm
Al lachende om haar heen.
Nu roept en schatert al de jeugd:“Draag Roosje nu in zee!”Hij tilt haar ijlings van den grond,En loopt met haar in zee.
Nu roept en schatert al de jeugd:
“Draag Roosje nu in zee!”
Hij tilt haar ijlings van den grond,
En loopt met haar in zee.
De sterke jongling kust den last,Dien hij zoo gretig torscht,En klemt het allerliefste kindNog vaster aan zijn borst.
De sterke jongling kust den last,
Dien hij zoo gretig torscht,
En klemt het allerliefste kind
Nog vaster aan zijn borst.
Het meisje roept en bidt vergeefs;Hij gaat al fladdrend voort!Het water spat, en klotst, en bruist,Dat hij haar nauwlijks hoort.
Het meisje roept en bidt vergeefs;
Hij gaat al fladdrend voort!
Het water spat, en klotst, en bruist,
Dat hij haar nauwlijks hoort.
In ’t eind was hij zoo ver gegaan,Dat iedereen aan ’t strand,Vol vreeze en schrik, gedurig riep:“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”
In ’t eind was hij zoo ver gegaan,
Dat iedereen aan ’t strand,
Vol vreeze en schrik, gedurig riep:
“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”
Op eens, daar hij teruggekeert,Staat hij vertwijfeld stil:“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”En Roosje geeft een gil.
Op eens, daar hij teruggekeert,
Staat hij vertwijfeld stil:
“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”
En Roosje geeft een gil.
“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink“Hier in een draaikolk neer!”Het meisje grijpt hem om den hals.En zinkt met hem ter neêr.
“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink
“Hier in een draaikolk neer!”
Het meisje grijpt hem om den hals.
En zinkt met hem ter neêr.
Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofdStilzwijgend naar het strand;Doch was in ’t eigen oogenblikVerzwolgen in het zand!
Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofd
Stilzwijgend naar het strand;
Doch was in ’t eigen oogenblik
Verzwolgen in het zand!
Daar stond de jeugd gelijk versteend;Geen mensch, die zuchtte of sprak;Tot eindlijk uit eens ieders oogEen stroom van tranen brak.
Daar stond de jeugd gelijk versteend;
Geen mensch, die zuchtte of sprak;
Tot eindlijk uit eens ieders oog
Een stroom van tranen brak.
“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?“Ligt Roosje daar in zee?”—Zoo gilt en klaagt een iedereen:De duinen gillen meê.
“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?
“Ligt Roosje daar in zee?”—
Zoo gilt en klaagt een iedereen:
De duinen gillen meê.
Wel schielijk werd dit droef gevalVerkondigd in de stad;Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,Die niet verslagen zat.
Wel schielijk werd dit droef geval
Verkondigd in de stad;
Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,
Die niet verslagen zat.
De jeugd ging zwijgend van het strand,En zag gedurig om,Een ieders hart was vol gevoel—Maar ieders tong was stom.
De jeugd ging zwijgend van het strand,
En zag gedurig om,
Een ieders hart was vol gevoel—
Maar ieders tong was stom.
De maan klom stil en statig op,En scheen op ’t aaklig graf,Waarin het lieve jonge paarHet laatste zuchtje gaf.
De maan klom stil en statig op,
En scheen op ’t aaklig graf,
Waarin het lieve jonge paar
Het laatste zuchtje gaf.
De wind stak hevig op uit zee;De golven beukten ’t strand;En schielijk was de droeve maarVerspreid door ’t gansche land.
De wind stak hevig op uit zee;
De golven beukten ’t strand;
En schielijk was de droeve maar
Verspreid door ’t gansche land.