XI.

XI.Wij hebben een heel eind weegs af te leggen: wij willen nog voor den avond te Kruiningen zijn, om daar te overnachten. Alzoo vroegtijdig op marsch.Het is een heerlijke, frissche zomermorgen: kleine zilveren wolkjes drijven langs den azuren hemel, en vroolijk giet de zon hare stralen uit over het ernstige, liefelijke landschap: weilanden, bloeiende akkers, waarop graan en vlas en boekweit elkander afwisselen, en bevallige boomgaarden, wier donker groen zich krachtig afteekent tegen de heldere lucht, en waar het zwellende ooft tusschen de bladeren rijpt.Een breede, goed onderhouden, fraai beplante straatweg voert ons midden door akkers en gaarden, langs hoeven en boerenwoningen, met hare groen en wit of groen en rood geschilderde vensterluiken en stijve tuintjes, vol zonnebloemen en papavers. Zoo bereiken wij het fraaie dorp Kloetinge, met zijne statige kerk en heerenhuizinge; en verder, na eene wandeling van ruim een uur, Kapelle, een niet minder aanzienlijk dorp, welks groote ruime kerk met een hoogen toren prijkt. Biezelingen en Schore, waarlangs de weg verder loopt, zijn van minder beteekenis, vooral het laatste.Ik heb natuurlijk niet noodig, u al deze dorpen afzonderlijk te beschrijven. Zij hebben zeker ieder hunne eigenaardigheid, maar gelijken toch ook sterk op elkander. Van verre herkent gij ze meest allen aan den zwaren hoogen toren der kerk, doorgaans een monument uit de vijftiende eeuw, toen Zeeland welhaast het toppunt van welvaart en bloei had bereikt, waarvan het in de volgende eeuw, met hare vele en geduchte rampen, zoo van watervloeden als van oorlogsgeweld, zoo droevig zou afdalen. Naderbij komende, ontwaart ge rondom de kerk, half tusschen het geboomte verscholen, een groep huizen met donkerroode daken; in het rond, akkers en weilanden, door enkele grijsachtig gele stoffige wegen doorsneden. Treedt ge het dorp binnen, dan vindt ge doorgaans een pleintje, waarop, in den regel, de kerk staat, zeer dikwijls in een krans van geboomte, dat het nederige kerkhof overschaduwt: en voorts, in het midden van het pleintje, een oude linde, om welks stam een bank is geplaatst, de zoogenoemde klapbank, de geliefkoosde zitplaats van minnende paartjes, die daar, in den liefelijken avondstond, plegen te keuvelen. De lindeboom was, bij de oude Germanen, een heilige boom, aan Freya gewijd, de godin der liefde; ook aan Holle, de godin der gerechtigheid. Onder den lindeboom namen de rechters plaats om recht te spreken; de lindeboom prijkte in later eeuw voor de poort van het kasteel, voor de kerk, op het dorpsplein, op de viersprongen in de velden, waar hij in vroeger tijden, en in katholieke landen nog wel, gemeenlijk het beeld droeg van Onze Lieve Vrouwe. Telkens verplaatsen ons de oud-duitsche en oud-nederlandsche sproken, legenden en liederen onder of bij een lindeboom, die altijd in het duister bewustzijn des volks nog iets van zijne vroegere heiligheid en eerbiedwaardigheid behouden heeft. Is het niet wederom de linde, die een eigenaardige rol speelt in zoo menig minnelied; met name in dat schoone liedHet daghet uit den Oosten, dat hier eene plaats moge vinden, als een der liefelijkste overblijfselen van onze middeleeuwsche, lyrische poëzie; dat nog niet geheel vergeten lied der trouwe minne:—“Het daghet uit den oosten,“het licht schijnt overal;“hoe weinich weet de liefste,“waer dat ic henen sal.“Warent al mijn vrinden,“dat myn vyanden syn,“ic voerde u uitter lande,“myn troest, myn minnekyn!”——“Werwaerts wout ghy my voeren,“stout ridder, wel ghemoet?”——“Al onder de linde groene,“myn troest, myn waerde goet!”——“Ic ligghe in myn liefs armen,“met groot eerwaerdicheit;“ic ligghe in myn liefs armen,“stout ridder, wel ghemoet.”—“Licht ghy in u liefs armen?“Bylo! dat is niet waer.“Gaet onder de linde groene:“verslaghen so leit hy daer!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al tot den lindeboom groene,daer si hem verslaghen vant.—“Och, lichdy hier verslaghen,“versmoort al in u bloet!—“Dat hevet u gedaen u roemen,“en uwen hoghen moet!“Och, lichdy hier verslaghen,“die my te troesten plach!“Wat hebdy my naghelaten,“so menich droeven dach!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al voor haers vaders poerte,die si der ghesloten vant.—“En is hier niemant inne,“noch heer, noch edelman,“die mij nu desen dooden“ter aerden helpen can?”—Die heren sweghen stille,si en gaven geen geluut;Doe keerde die joncfrou haer omme,si ghinc al wenende uut.Si nam hem in hare armen;si custe hem den mont;si custe hem gheen corter wilen,maer also menigher stont.Met haren blonden harenwreef si hem af dat bloet;met haar cleene witte handensi sinen ooghen sloet.Met sinen blanken sweerdedat si syn grafken groef;met haer sneewitte armendat si hem ter aerden droech.Met haren blanken handendat si dat belleken clanc;met hare suete heldere keledat si vigilien sanc.—“Nu willic mi begheven“in een clein cloosterkyn;“ende draghen die swarte wilen (sluier),“ter eeren des liefsten mijn.”2Dit roerend schoone, in zijn naïeven eenvoud zoo treffend lied, dat de vrome Geertruida van Voorburg, begijntje te Delft, dagelijks plach te zingen, zoodat zij er den bijnaam van Sinte-Geertruide van Oosten aan dankt;—het kwam mij op dezen fraaien, verkwikkenden zomerdag weer in de gedachte, bij het aanschouwen dier groene linden, de geur van wier welriekende bloesems de lucht vervulde. En gij, lezer der negentiende eeuw, en als kind van uw tijd waarschijnlijk afkeerig van poëzie, gij duidt het niet ten kwade, dat wij hier, te midden der eeuwig jeugdige, onveranderlijke natuur, u dit oude lied voorzingen, waar, uit iederen regel, u de volle frissche, onsterfelijke waarheid van het menschenhart tegenademt. Niet waar, zulke poëzie wordt nooit oud.Maar wij zijn op weg naar Kruiningen, en de drukte van wagens en volgepropte rijtuigen op den weg ontvoert ons weldra aan de middeleeuwen, en brengt ons terug naar het heden. Het was langzamerhand avond geworden, toen wij aan het dorp kwamen; waar wij nog alles in de weer vonden. Er werd gepoetst, geplast, geschrobd, geboend; het stroomde water langs de stoepen en straatsteenen, in de voorhuizen en van de trappen; al het koperwerk in de keukens blonk als een spiegel; al het houtwerk glom.... Van waar dit alles? Het zou morgen kermis zijn, en het dorp was bereids vol gasten. Niet dan met groote moeite, gelukte het ons een nachtverblijf te vinden.Den volgenden dag was de pret welhaast in vollen gang. De weinige kramen waren geopend, en stalden hunne waren, meest kinderspeelgoed en opschik, op de gunstigste, althans de meest in het oog vallende wijze ten toon; een goochelaar verbaasde de menigte door zijne kunsten en handgrepen; een paar koorddansers of akrobaten verrichtten hunne meer of min gevaarlijke toeren in de open lucht. Ginds was de boerenjeugd aan het koekhakken; en daar, daar wordt naar den vogel geschoten. Daar staat, boven op een hoogen paal, aan een ijzeren stang bevestigd, de zoogenaamde papegaai: een houten vogel, met een merkwaardig groot lijf en merkwaardig kleinen kop en met half uitgespreide vlerken. De schutters zijn met een boog gewapend, en moeten den vogel van den stang afschieten, wat niet zoo heel gemakkelijk is als het wel schijnt. Menigmalen draait de papegaai klirrend en knarsend om zijn as, of stuift een eind omhoog, zonder dat het gelukt hem naar beneden te doen tuimelen. Reeds menige schutter heeft zijne bekwaamheid getoond en zijne kunst beproefd; maar,al scheelde het soms ook weinig, nog niemand is het gelukt, den vogel op het juiste punt te treffen.Ge ziet het: onder de mededingers is er meer dan een, die reeds vroeger den prijs gewonnen heeft: ze zijn kenbaar aan de medailles, die hun borst versieren, en die ze bij deze gelegenheid niet verzuimd hebben om te hangen. Daar is drukte en vroolijkheid genoeg in den wijden kring, die de schutters omgeeft, en die blijkbaar groot belang stelt in den strijd. Daar nadert een nieuwe kampvechter, een die reeds menigmalen als overwinnaar uit een soortgelijken kamp mocht keeren: zijn borst prijkt met een aantal zegeteekenen. Er ontstaat beweging in de schare, als hij zich gereed maakt den boog te spannen: blijkbaar verwacht men, dat het oogenblik der beslissing thans gekomen is.De schutterkoning.De schutterkoning.De kloeke jonkman stelt zich in postuur; hij spant den boog en mikt. Daar trilt de pees; daar snort de pijl snerpend door de lucht, en treft den houten vogel. Deze maakt snel eene draaiende beweging, vliegt omhoog, boven de ijzeren punt uit, en ploft ter aarde, op vrij verren afstand van den paal. Een daverend gejuich gaat op uit de menigte, en groet den overwinnaar, die voor het volgende jaar schutterkoning zal zijn. Het teeken zijner waardigheid, een zilveren vogel, wordt hem aan een lint om den hals gehangen, en hij in triomf naar de herberg gedragen, waar hij natuurlijk trakteeren moet. Wie weet, misschien volgt er straks wel een maaltijd voor de schutters in de dorpsherberg;—de maaltijden der schuttersgilden plachten van ouds beroemd te zijn om hun weelderigen overvloed.Vroeger behoorden bij zulk een boerenkermis nog andere vermaken, zoo als katknuppelen, gans- of palingtrekken en dergelijken, die in den laatsten tijd meer en meer in onbruik zijn geraakt: iets, waarover men zich niet dan verheugen kan, want het martelen van weerlooze dieren is, in vollen nadruk, eenbarbaarsch vermaak, dat in alle opzichten een verderfelijken invloed moet uitoefenen. Dat het volk, in krachtige, mannelijke spelen, ook al hebben ze geen dadelijk praktisch nut,zijn spieren stale en zijn zintuigen oefene, zich een vast oog en eene vaste hand verwerve;—uitnemend; maar dat het zich niet daarbij verdierlijke. En opdat het dit niet doe, ontwikkel en veredel zijne verbeelding, zoodat het zich kunne verplaatsen in den toestand, ook van het sprakelooze schepsel, dat door zijne schuld gemarteld wordt. Van deze veredeling en verheffing van gevoel en verbeelding is, ook in dit opzicht als in zoo menig ander, naar mijne vaste overtuiging, veel meer te wachten dan van louter verstandelijk onderwijs, waarmede—de ondervinding bewijst het dagelijks—iedere graad van zedelijke verdorvenheid kan gepaard gaan:—omdat, ja omdat kennis en zedelijkheid nu eenmaal twee zaken zijn, die veel minder met elkander hebben uit te staan, dan onze eeuw, in noodlottige en gevaarvolle verblinding, wel meent. Tot hare groote schade, vergeet zij steeds meer het diepzinnig woord van den ouden wijze: bewaar uw hart boven alles wat te bewaren is, want dáár—en niet in het hoofd, in het verstand—zijn de uitgangen des levens.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.Van Kruiningen wandelen wij naar Krabbendijke, een dorp, als vele andere zeeuwsche dorpen, ter wederzijde van den dijk gebouwd, die hier als elders tevens de hoofdstraat vormt. Bijna alle huizen staan in twee rijen naast elkander. De roode en witte vensterluiken vervangen de groene en gele; en in plaats van linden, ziet ge hier pereboomen, langs staketsels geleid, en zoo gesnoeid, verwrongen en verdraaid, dat de takken een soort van parallelogram vormen. Eene ten platten lande vrij algemeene, maar niettemin zeer leelijke mode.Een der woningen in het dorp is gesloten, en tegen den buitenmuur ligt een groote hoop stroobossen opgestapeld. Wij weten reeds wat dat beduidt, maar willen toch een of anderen dorpeling ondervragen; misschien dat we van hem nog eenige minder bekende bijzonderheden vernemen.Daar zit, voor zijn opengeschoven raam, een kleermaker ijverig te werken, hij zal ons wel vertellen wat we weten willen: de lieden van de naald, zegt men, zijn praatziek. Ik zie hem nog voor mij, dien kleermaker, in gesprek met een paar aardige boerinnetjes, die van het veld huiswaarts keerden. Een origineele figuur: alles was even klein aan en om hem. Het kamertje, waarin hij zat, was klein; klein waren zijne armen en beenen; klein en pieperig was zijne stem: klein zijn knijpbrilletje op zijn puntig neusje: toch zag hij er opgewekt en schalks genoeg uit. Stellig zal hij ons te woord staan.Aha! hij heeft ons reeds zien aankomen, en kijkt ons aan met zijne kleine, levendige, zwarte oogen: echter gaat hij rustig voort met naaien, en ziet tevens scherp toe op den kleinen knaap, die hem bij den arbeid behulpzaam is. Wij naderen het venster; en wijzende op het gesloten huis, vraag ik den kleermaker:“Wat beduidt dat stroo?—Dat stroo; da’s een dooie.—Zoo, onder dat stroo?—Nèë, in ’t ’uus. Van waer kommen gulli, dat ge datte niet en wèët?—Ja, wij komen ver van hier; maar vertel ons eens, wat dat stroo met den doode te maken heeft.—Wel, antwoordt de kleermaker, dien wij nu maar verder gewoon hollandsch zullen laten spreken; wel, als er hier bij de boeren iemand sterft, dan gaan de arbeiders in de schuur stroo halen, binden dat tot bossen, en stapelen die bossen op een hoop, hetzij voor den hoofdingang der woning, hetzij voor het hekvan het land. Die hoop is meer of minder hoog, naar gelang van den ouderdom van den overledene. Ge ziet daar een zeer grooten hoop: de man was dan ook vijf-en-tachtig jaar oud.”Toen eensklaps zich tot den jongen wendende, die, natuurlijk, zijn oogen niet van ons af had, en het strijkijzer koud liet worden:“Waar heb jij zoo naar te kijken, bengel? Maak voort met je werk en vergeet je ijzer niet.”Daarop keerde hij zich weer tot mij, en vervolgde:“Is de overledene ongetrouwd, dan steekt men een palmtakje in het stroo. Ziet ge daar dien knecht wel, die de deur uitkomt? Die is er niet kwaad aan toe. Hij moet de tijding van het overlijden aan al de bloedverwanten gaan mededeelen, zelfs aan hen, die twee of drie mijlen hier vandaan wonen. Ieder van deze verwanten moet den boodschapper te eten geven, waaraan ook niemand zich onttrekt. Die snuiter zal van daag, binnen drie of vier uren, vijf of zes maal achtereen zijn buik kunnen vullen.“Twee dienstmeiden zijn op dit oogenblik bezig, den doode af te leggen. Zij trekken hem een opzettelijk daarvoor bestemd schoon hemd aan, wikkelen hem daarna in een laken, en leggen het lijk op stroo. De anderen zijn bezig met het in orde maken der rouwkleeren: want er is daar volk genoeg in huis, zoodat ze alles zelven kunnen doen. Voor het maken van den rouw hebben zij tweemaal vier-en-twintig uren tijd. Inmiddels zorgen de vrouwen voor het noodige om de familie en vrienden te onthalen, die bij de begrafenis tegenwoordig zullen zijn.“Als ge nu in het huis kondt binnentreden, zoudt ge zien, dat al de schilderijen en al de spiegels tegen den wand omgekeerd zijn; dat al de klokken stilstaan, en de schoorsteenmantels zijn ontdaan van de schalen en borden en pullen, waarmede ze anders prijken.“Zoo de heeren nog een paar dagen hier bleven, dan zouden zij ook de begrafenis kunnen bijwonen. Dan zouden ze ’s morgens de bloedverwanten en vrienden met hunne vrouwen, in rouwgewaad, zien komen, en zich aanstellen of zij zeer bedroefd waren, schoon ik overtuigd ben, dat niemand van hem hield, den ouden vrek, die, hoe rijk hij ook was, niemand iets gunde. Hij onthield zijn volk het noodige, en was te trotsch om met hen aan dezelfde tafel te eten.“Maar die tranen zullen daar binnen wel gauw gedroogd zijn. In de groote kamer zijn banken en tafels gereed gezet; de mannen plaatsen zich aan de eene zijde, de vrouwen aan de andere. Op de tafels voor de mannen en de vrouwen staan groote koffiekannen en reusachtige borden met stapels boterhammen. Hoe zij zich daaraan zullen te goed doen! Die het ergst bedroefd zijn, eten er althans een dozijn: de anderen nog meer, zooveel zij maar bergen kunnen. Op de tafel voor de mannen staat tabak, heel fijn gesneden, en liggen lange pijpen gereed. In afwachting van de begrafenis, wordt er gerookt en gepraat.—Vroeger mochten de boeren, gedurende den rouwtijd, niet anders eten dan wat wit en zwart was: karnemelk met krenten, bij voorbeeld, en schol, omdat het vel van dien visch zwart is.“Met het slaan van twaalven gaat men uit ter begrafenis. Eerst heeft men de friesche klok, die stilstond, weer aan den gang gemaakt, om het juiste uur aan te geven, waarop het lijk moet worden uitgedragen. Zoodra de klok twaalf geslagen heeft, staan de mannen op, en binden zich een krippen rouwband en lamfer om den hoed. De vrouwen krijgen een witten zakdoek, om hare tranen mede af te drogen. Zij houden die doeken ook zorgvuldig voor haar gezicht—want, o, ze zijn zoo innig bedroefd! Vroeger kregen ze kleine kommetjes om haar tranen in op te vangen.... De kommetjes waren altijd ledig!“Dan komt de lezer van de rouwrolle binnen, ook met een grooten lamfer aan zijn hoed. Hij houdt een stuk papier met een rouwrand in de hand, en begint, op somberen toon, te lezen:“De bloedverwanten en vrienden worden verzocht acht te geven op het aflezen hunner namen, en in die volgorde het lijk te volgen van...., overleden den 10denJuni, des morgens ten negen uur, in den ouderdom van vijf-en-tachtig jaren, een maand en zeven dagen.”“Dan worden al de namen afgelezen, en komen ze allen achtervolgens te voorschijn, de verwanten, de vrienden, met hunne vrouwen. Allen hebben hun gelegenheidsgezicht aangetrokken; maar de eenigen, die in waarheid bedroefd zijn, dat zullen wel de twee zoons van den overledene zijn, schoon hij die ook niet heeft behandeld, zoo als het wel behoorde. Maar het zijn brave jongens, die hun vader eerden. Verder zoudt ge in den stoet opmerken, den voorman, die de plechtigheid regelt; den dominee, die hier niet ontbreken mag, en doorgaans ook den meester of dokter; benevens den lezer van de rouwrolle, die straks als rouwsluiter zal optreden.“De dragers, die gereed staan, nemen de baar op, en wandelen langzaam naar het kerkhof, gevolgd door den ganschen stoet, uit minstens vijftig personen bestaande. Op het kerkhof wacht hen de doodgraver. Hij neemt zijn hoed van zijn hoofd, en zijn pruim uit zijn mond, en zegt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Ik zal voor het overige zorgen.”En hij zorgt dan ook voor het overige: namelijk, voor de ter aarde bestelling van het lijk. De stoet keert in dezelfde orde weer terug. Aan het sterfhuis gekomen, houdt de voorman voor de deur stil, en zegt nu op zijn beurt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Zij worden verzocht binnen te komen.”“Aan die uitnoodiging wordt gevolg gegeven. De lijkdienaars, die het lijk gedragen hebben, worden in de eene kamer ontvangen; de bloedverwanten en vrienden in een andere. Allen worden nu onthaald op aardappelen met brood en zoutevisch. Voor de maaltijd begint, doet de dominee het gebed, waarbij de mannen hunne hoeden voor de oogen houden, en zich althans den schijn geven van mede te bidden. Duurt het gebed wat lang, dan beginnen zij te hunkeren naar deaardappelen en de zoutevisch. Eindelijk zegt de domineeamen, en nu valt ieder op de welvoorziene schotels aan. Als hij er nu nog lust in hoeft, dan mag dominee verder praten, zoo lang hij verkiest.“Na den eten zal hij wederom bidden of danken, en vervolgens een hoofdstuk uit den Bijbel voorlezen. Is dat afgeloopen, dan gaat de dominee weg, met den dokter. Nauwelijks zijn zij vertrokken, of het gesprek loopt nu verder uitsluitend over den landbouw en over het vee. Vervolgens gebruiken al de genoodigden nog een kop thee met een boterham. Eindelijk, tusschen vijf en zes uren, is de plechtigheid afgeloopen, en keert ieder naar zijne woning terug.”De kleermaker had uitgesproken: wij waren nu geheel op de hoogte van eene zeeuwsche boerebegrafenis. Wij dankten hem voor de gegeven inlichtingen, gaven den jongen een paar kwartjes, en vervolgden onze wandeling.

XI.Wij hebben een heel eind weegs af te leggen: wij willen nog voor den avond te Kruiningen zijn, om daar te overnachten. Alzoo vroegtijdig op marsch.Het is een heerlijke, frissche zomermorgen: kleine zilveren wolkjes drijven langs den azuren hemel, en vroolijk giet de zon hare stralen uit over het ernstige, liefelijke landschap: weilanden, bloeiende akkers, waarop graan en vlas en boekweit elkander afwisselen, en bevallige boomgaarden, wier donker groen zich krachtig afteekent tegen de heldere lucht, en waar het zwellende ooft tusschen de bladeren rijpt.Een breede, goed onderhouden, fraai beplante straatweg voert ons midden door akkers en gaarden, langs hoeven en boerenwoningen, met hare groen en wit of groen en rood geschilderde vensterluiken en stijve tuintjes, vol zonnebloemen en papavers. Zoo bereiken wij het fraaie dorp Kloetinge, met zijne statige kerk en heerenhuizinge; en verder, na eene wandeling van ruim een uur, Kapelle, een niet minder aanzienlijk dorp, welks groote ruime kerk met een hoogen toren prijkt. Biezelingen en Schore, waarlangs de weg verder loopt, zijn van minder beteekenis, vooral het laatste.Ik heb natuurlijk niet noodig, u al deze dorpen afzonderlijk te beschrijven. Zij hebben zeker ieder hunne eigenaardigheid, maar gelijken toch ook sterk op elkander. Van verre herkent gij ze meest allen aan den zwaren hoogen toren der kerk, doorgaans een monument uit de vijftiende eeuw, toen Zeeland welhaast het toppunt van welvaart en bloei had bereikt, waarvan het in de volgende eeuw, met hare vele en geduchte rampen, zoo van watervloeden als van oorlogsgeweld, zoo droevig zou afdalen. Naderbij komende, ontwaart ge rondom de kerk, half tusschen het geboomte verscholen, een groep huizen met donkerroode daken; in het rond, akkers en weilanden, door enkele grijsachtig gele stoffige wegen doorsneden. Treedt ge het dorp binnen, dan vindt ge doorgaans een pleintje, waarop, in den regel, de kerk staat, zeer dikwijls in een krans van geboomte, dat het nederige kerkhof overschaduwt: en voorts, in het midden van het pleintje, een oude linde, om welks stam een bank is geplaatst, de zoogenoemde klapbank, de geliefkoosde zitplaats van minnende paartjes, die daar, in den liefelijken avondstond, plegen te keuvelen. De lindeboom was, bij de oude Germanen, een heilige boom, aan Freya gewijd, de godin der liefde; ook aan Holle, de godin der gerechtigheid. Onder den lindeboom namen de rechters plaats om recht te spreken; de lindeboom prijkte in later eeuw voor de poort van het kasteel, voor de kerk, op het dorpsplein, op de viersprongen in de velden, waar hij in vroeger tijden, en in katholieke landen nog wel, gemeenlijk het beeld droeg van Onze Lieve Vrouwe. Telkens verplaatsen ons de oud-duitsche en oud-nederlandsche sproken, legenden en liederen onder of bij een lindeboom, die altijd in het duister bewustzijn des volks nog iets van zijne vroegere heiligheid en eerbiedwaardigheid behouden heeft. Is het niet wederom de linde, die een eigenaardige rol speelt in zoo menig minnelied; met name in dat schoone liedHet daghet uit den Oosten, dat hier eene plaats moge vinden, als een der liefelijkste overblijfselen van onze middeleeuwsche, lyrische poëzie; dat nog niet geheel vergeten lied der trouwe minne:—“Het daghet uit den oosten,“het licht schijnt overal;“hoe weinich weet de liefste,“waer dat ic henen sal.“Warent al mijn vrinden,“dat myn vyanden syn,“ic voerde u uitter lande,“myn troest, myn minnekyn!”——“Werwaerts wout ghy my voeren,“stout ridder, wel ghemoet?”——“Al onder de linde groene,“myn troest, myn waerde goet!”——“Ic ligghe in myn liefs armen,“met groot eerwaerdicheit;“ic ligghe in myn liefs armen,“stout ridder, wel ghemoet.”—“Licht ghy in u liefs armen?“Bylo! dat is niet waer.“Gaet onder de linde groene:“verslaghen so leit hy daer!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al tot den lindeboom groene,daer si hem verslaghen vant.—“Och, lichdy hier verslaghen,“versmoort al in u bloet!—“Dat hevet u gedaen u roemen,“en uwen hoghen moet!“Och, lichdy hier verslaghen,“die my te troesten plach!“Wat hebdy my naghelaten,“so menich droeven dach!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al voor haers vaders poerte,die si der ghesloten vant.—“En is hier niemant inne,“noch heer, noch edelman,“die mij nu desen dooden“ter aerden helpen can?”—Die heren sweghen stille,si en gaven geen geluut;Doe keerde die joncfrou haer omme,si ghinc al wenende uut.Si nam hem in hare armen;si custe hem den mont;si custe hem gheen corter wilen,maer also menigher stont.Met haren blonden harenwreef si hem af dat bloet;met haar cleene witte handensi sinen ooghen sloet.Met sinen blanken sweerdedat si syn grafken groef;met haer sneewitte armendat si hem ter aerden droech.Met haren blanken handendat si dat belleken clanc;met hare suete heldere keledat si vigilien sanc.—“Nu willic mi begheven“in een clein cloosterkyn;“ende draghen die swarte wilen (sluier),“ter eeren des liefsten mijn.”2Dit roerend schoone, in zijn naïeven eenvoud zoo treffend lied, dat de vrome Geertruida van Voorburg, begijntje te Delft, dagelijks plach te zingen, zoodat zij er den bijnaam van Sinte-Geertruide van Oosten aan dankt;—het kwam mij op dezen fraaien, verkwikkenden zomerdag weer in de gedachte, bij het aanschouwen dier groene linden, de geur van wier welriekende bloesems de lucht vervulde. En gij, lezer der negentiende eeuw, en als kind van uw tijd waarschijnlijk afkeerig van poëzie, gij duidt het niet ten kwade, dat wij hier, te midden der eeuwig jeugdige, onveranderlijke natuur, u dit oude lied voorzingen, waar, uit iederen regel, u de volle frissche, onsterfelijke waarheid van het menschenhart tegenademt. Niet waar, zulke poëzie wordt nooit oud.Maar wij zijn op weg naar Kruiningen, en de drukte van wagens en volgepropte rijtuigen op den weg ontvoert ons weldra aan de middeleeuwen, en brengt ons terug naar het heden. Het was langzamerhand avond geworden, toen wij aan het dorp kwamen; waar wij nog alles in de weer vonden. Er werd gepoetst, geplast, geschrobd, geboend; het stroomde water langs de stoepen en straatsteenen, in de voorhuizen en van de trappen; al het koperwerk in de keukens blonk als een spiegel; al het houtwerk glom.... Van waar dit alles? Het zou morgen kermis zijn, en het dorp was bereids vol gasten. Niet dan met groote moeite, gelukte het ons een nachtverblijf te vinden.Den volgenden dag was de pret welhaast in vollen gang. De weinige kramen waren geopend, en stalden hunne waren, meest kinderspeelgoed en opschik, op de gunstigste, althans de meest in het oog vallende wijze ten toon; een goochelaar verbaasde de menigte door zijne kunsten en handgrepen; een paar koorddansers of akrobaten verrichtten hunne meer of min gevaarlijke toeren in de open lucht. Ginds was de boerenjeugd aan het koekhakken; en daar, daar wordt naar den vogel geschoten. Daar staat, boven op een hoogen paal, aan een ijzeren stang bevestigd, de zoogenaamde papegaai: een houten vogel, met een merkwaardig groot lijf en merkwaardig kleinen kop en met half uitgespreide vlerken. De schutters zijn met een boog gewapend, en moeten den vogel van den stang afschieten, wat niet zoo heel gemakkelijk is als het wel schijnt. Menigmalen draait de papegaai klirrend en knarsend om zijn as, of stuift een eind omhoog, zonder dat het gelukt hem naar beneden te doen tuimelen. Reeds menige schutter heeft zijne bekwaamheid getoond en zijne kunst beproefd; maar,al scheelde het soms ook weinig, nog niemand is het gelukt, den vogel op het juiste punt te treffen.Ge ziet het: onder de mededingers is er meer dan een, die reeds vroeger den prijs gewonnen heeft: ze zijn kenbaar aan de medailles, die hun borst versieren, en die ze bij deze gelegenheid niet verzuimd hebben om te hangen. Daar is drukte en vroolijkheid genoeg in den wijden kring, die de schutters omgeeft, en die blijkbaar groot belang stelt in den strijd. Daar nadert een nieuwe kampvechter, een die reeds menigmalen als overwinnaar uit een soortgelijken kamp mocht keeren: zijn borst prijkt met een aantal zegeteekenen. Er ontstaat beweging in de schare, als hij zich gereed maakt den boog te spannen: blijkbaar verwacht men, dat het oogenblik der beslissing thans gekomen is.De schutterkoning.De schutterkoning.De kloeke jonkman stelt zich in postuur; hij spant den boog en mikt. Daar trilt de pees; daar snort de pijl snerpend door de lucht, en treft den houten vogel. Deze maakt snel eene draaiende beweging, vliegt omhoog, boven de ijzeren punt uit, en ploft ter aarde, op vrij verren afstand van den paal. Een daverend gejuich gaat op uit de menigte, en groet den overwinnaar, die voor het volgende jaar schutterkoning zal zijn. Het teeken zijner waardigheid, een zilveren vogel, wordt hem aan een lint om den hals gehangen, en hij in triomf naar de herberg gedragen, waar hij natuurlijk trakteeren moet. Wie weet, misschien volgt er straks wel een maaltijd voor de schutters in de dorpsherberg;—de maaltijden der schuttersgilden plachten van ouds beroemd te zijn om hun weelderigen overvloed.Vroeger behoorden bij zulk een boerenkermis nog andere vermaken, zoo als katknuppelen, gans- of palingtrekken en dergelijken, die in den laatsten tijd meer en meer in onbruik zijn geraakt: iets, waarover men zich niet dan verheugen kan, want het martelen van weerlooze dieren is, in vollen nadruk, eenbarbaarsch vermaak, dat in alle opzichten een verderfelijken invloed moet uitoefenen. Dat het volk, in krachtige, mannelijke spelen, ook al hebben ze geen dadelijk praktisch nut,zijn spieren stale en zijn zintuigen oefene, zich een vast oog en eene vaste hand verwerve;—uitnemend; maar dat het zich niet daarbij verdierlijke. En opdat het dit niet doe, ontwikkel en veredel zijne verbeelding, zoodat het zich kunne verplaatsen in den toestand, ook van het sprakelooze schepsel, dat door zijne schuld gemarteld wordt. Van deze veredeling en verheffing van gevoel en verbeelding is, ook in dit opzicht als in zoo menig ander, naar mijne vaste overtuiging, veel meer te wachten dan van louter verstandelijk onderwijs, waarmede—de ondervinding bewijst het dagelijks—iedere graad van zedelijke verdorvenheid kan gepaard gaan:—omdat, ja omdat kennis en zedelijkheid nu eenmaal twee zaken zijn, die veel minder met elkander hebben uit te staan, dan onze eeuw, in noodlottige en gevaarvolle verblinding, wel meent. Tot hare groote schade, vergeet zij steeds meer het diepzinnig woord van den ouden wijze: bewaar uw hart boven alles wat te bewaren is, want dáár—en niet in het hoofd, in het verstand—zijn de uitgangen des levens.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.Van Kruiningen wandelen wij naar Krabbendijke, een dorp, als vele andere zeeuwsche dorpen, ter wederzijde van den dijk gebouwd, die hier als elders tevens de hoofdstraat vormt. Bijna alle huizen staan in twee rijen naast elkander. De roode en witte vensterluiken vervangen de groene en gele; en in plaats van linden, ziet ge hier pereboomen, langs staketsels geleid, en zoo gesnoeid, verwrongen en verdraaid, dat de takken een soort van parallelogram vormen. Eene ten platten lande vrij algemeene, maar niettemin zeer leelijke mode.Een der woningen in het dorp is gesloten, en tegen den buitenmuur ligt een groote hoop stroobossen opgestapeld. Wij weten reeds wat dat beduidt, maar willen toch een of anderen dorpeling ondervragen; misschien dat we van hem nog eenige minder bekende bijzonderheden vernemen.Daar zit, voor zijn opengeschoven raam, een kleermaker ijverig te werken, hij zal ons wel vertellen wat we weten willen: de lieden van de naald, zegt men, zijn praatziek. Ik zie hem nog voor mij, dien kleermaker, in gesprek met een paar aardige boerinnetjes, die van het veld huiswaarts keerden. Een origineele figuur: alles was even klein aan en om hem. Het kamertje, waarin hij zat, was klein; klein waren zijne armen en beenen; klein en pieperig was zijne stem: klein zijn knijpbrilletje op zijn puntig neusje: toch zag hij er opgewekt en schalks genoeg uit. Stellig zal hij ons te woord staan.Aha! hij heeft ons reeds zien aankomen, en kijkt ons aan met zijne kleine, levendige, zwarte oogen: echter gaat hij rustig voort met naaien, en ziet tevens scherp toe op den kleinen knaap, die hem bij den arbeid behulpzaam is. Wij naderen het venster; en wijzende op het gesloten huis, vraag ik den kleermaker:“Wat beduidt dat stroo?—Dat stroo; da’s een dooie.—Zoo, onder dat stroo?—Nèë, in ’t ’uus. Van waer kommen gulli, dat ge datte niet en wèët?—Ja, wij komen ver van hier; maar vertel ons eens, wat dat stroo met den doode te maken heeft.—Wel, antwoordt de kleermaker, dien wij nu maar verder gewoon hollandsch zullen laten spreken; wel, als er hier bij de boeren iemand sterft, dan gaan de arbeiders in de schuur stroo halen, binden dat tot bossen, en stapelen die bossen op een hoop, hetzij voor den hoofdingang der woning, hetzij voor het hekvan het land. Die hoop is meer of minder hoog, naar gelang van den ouderdom van den overledene. Ge ziet daar een zeer grooten hoop: de man was dan ook vijf-en-tachtig jaar oud.”Toen eensklaps zich tot den jongen wendende, die, natuurlijk, zijn oogen niet van ons af had, en het strijkijzer koud liet worden:“Waar heb jij zoo naar te kijken, bengel? Maak voort met je werk en vergeet je ijzer niet.”Daarop keerde hij zich weer tot mij, en vervolgde:“Is de overledene ongetrouwd, dan steekt men een palmtakje in het stroo. Ziet ge daar dien knecht wel, die de deur uitkomt? Die is er niet kwaad aan toe. Hij moet de tijding van het overlijden aan al de bloedverwanten gaan mededeelen, zelfs aan hen, die twee of drie mijlen hier vandaan wonen. Ieder van deze verwanten moet den boodschapper te eten geven, waaraan ook niemand zich onttrekt. Die snuiter zal van daag, binnen drie of vier uren, vijf of zes maal achtereen zijn buik kunnen vullen.“Twee dienstmeiden zijn op dit oogenblik bezig, den doode af te leggen. Zij trekken hem een opzettelijk daarvoor bestemd schoon hemd aan, wikkelen hem daarna in een laken, en leggen het lijk op stroo. De anderen zijn bezig met het in orde maken der rouwkleeren: want er is daar volk genoeg in huis, zoodat ze alles zelven kunnen doen. Voor het maken van den rouw hebben zij tweemaal vier-en-twintig uren tijd. Inmiddels zorgen de vrouwen voor het noodige om de familie en vrienden te onthalen, die bij de begrafenis tegenwoordig zullen zijn.“Als ge nu in het huis kondt binnentreden, zoudt ge zien, dat al de schilderijen en al de spiegels tegen den wand omgekeerd zijn; dat al de klokken stilstaan, en de schoorsteenmantels zijn ontdaan van de schalen en borden en pullen, waarmede ze anders prijken.“Zoo de heeren nog een paar dagen hier bleven, dan zouden zij ook de begrafenis kunnen bijwonen. Dan zouden ze ’s morgens de bloedverwanten en vrienden met hunne vrouwen, in rouwgewaad, zien komen, en zich aanstellen of zij zeer bedroefd waren, schoon ik overtuigd ben, dat niemand van hem hield, den ouden vrek, die, hoe rijk hij ook was, niemand iets gunde. Hij onthield zijn volk het noodige, en was te trotsch om met hen aan dezelfde tafel te eten.“Maar die tranen zullen daar binnen wel gauw gedroogd zijn. In de groote kamer zijn banken en tafels gereed gezet; de mannen plaatsen zich aan de eene zijde, de vrouwen aan de andere. Op de tafels voor de mannen en de vrouwen staan groote koffiekannen en reusachtige borden met stapels boterhammen. Hoe zij zich daaraan zullen te goed doen! Die het ergst bedroefd zijn, eten er althans een dozijn: de anderen nog meer, zooveel zij maar bergen kunnen. Op de tafel voor de mannen staat tabak, heel fijn gesneden, en liggen lange pijpen gereed. In afwachting van de begrafenis, wordt er gerookt en gepraat.—Vroeger mochten de boeren, gedurende den rouwtijd, niet anders eten dan wat wit en zwart was: karnemelk met krenten, bij voorbeeld, en schol, omdat het vel van dien visch zwart is.“Met het slaan van twaalven gaat men uit ter begrafenis. Eerst heeft men de friesche klok, die stilstond, weer aan den gang gemaakt, om het juiste uur aan te geven, waarop het lijk moet worden uitgedragen. Zoodra de klok twaalf geslagen heeft, staan de mannen op, en binden zich een krippen rouwband en lamfer om den hoed. De vrouwen krijgen een witten zakdoek, om hare tranen mede af te drogen. Zij houden die doeken ook zorgvuldig voor haar gezicht—want, o, ze zijn zoo innig bedroefd! Vroeger kregen ze kleine kommetjes om haar tranen in op te vangen.... De kommetjes waren altijd ledig!“Dan komt de lezer van de rouwrolle binnen, ook met een grooten lamfer aan zijn hoed. Hij houdt een stuk papier met een rouwrand in de hand, en begint, op somberen toon, te lezen:“De bloedverwanten en vrienden worden verzocht acht te geven op het aflezen hunner namen, en in die volgorde het lijk te volgen van...., overleden den 10denJuni, des morgens ten negen uur, in den ouderdom van vijf-en-tachtig jaren, een maand en zeven dagen.”“Dan worden al de namen afgelezen, en komen ze allen achtervolgens te voorschijn, de verwanten, de vrienden, met hunne vrouwen. Allen hebben hun gelegenheidsgezicht aangetrokken; maar de eenigen, die in waarheid bedroefd zijn, dat zullen wel de twee zoons van den overledene zijn, schoon hij die ook niet heeft behandeld, zoo als het wel behoorde. Maar het zijn brave jongens, die hun vader eerden. Verder zoudt ge in den stoet opmerken, den voorman, die de plechtigheid regelt; den dominee, die hier niet ontbreken mag, en doorgaans ook den meester of dokter; benevens den lezer van de rouwrolle, die straks als rouwsluiter zal optreden.“De dragers, die gereed staan, nemen de baar op, en wandelen langzaam naar het kerkhof, gevolgd door den ganschen stoet, uit minstens vijftig personen bestaande. Op het kerkhof wacht hen de doodgraver. Hij neemt zijn hoed van zijn hoofd, en zijn pruim uit zijn mond, en zegt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Ik zal voor het overige zorgen.”En hij zorgt dan ook voor het overige: namelijk, voor de ter aarde bestelling van het lijk. De stoet keert in dezelfde orde weer terug. Aan het sterfhuis gekomen, houdt de voorman voor de deur stil, en zegt nu op zijn beurt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Zij worden verzocht binnen te komen.”“Aan die uitnoodiging wordt gevolg gegeven. De lijkdienaars, die het lijk gedragen hebben, worden in de eene kamer ontvangen; de bloedverwanten en vrienden in een andere. Allen worden nu onthaald op aardappelen met brood en zoutevisch. Voor de maaltijd begint, doet de dominee het gebed, waarbij de mannen hunne hoeden voor de oogen houden, en zich althans den schijn geven van mede te bidden. Duurt het gebed wat lang, dan beginnen zij te hunkeren naar deaardappelen en de zoutevisch. Eindelijk zegt de domineeamen, en nu valt ieder op de welvoorziene schotels aan. Als hij er nu nog lust in hoeft, dan mag dominee verder praten, zoo lang hij verkiest.“Na den eten zal hij wederom bidden of danken, en vervolgens een hoofdstuk uit den Bijbel voorlezen. Is dat afgeloopen, dan gaat de dominee weg, met den dokter. Nauwelijks zijn zij vertrokken, of het gesprek loopt nu verder uitsluitend over den landbouw en over het vee. Vervolgens gebruiken al de genoodigden nog een kop thee met een boterham. Eindelijk, tusschen vijf en zes uren, is de plechtigheid afgeloopen, en keert ieder naar zijne woning terug.”De kleermaker had uitgesproken: wij waren nu geheel op de hoogte van eene zeeuwsche boerebegrafenis. Wij dankten hem voor de gegeven inlichtingen, gaven den jongen een paar kwartjes, en vervolgden onze wandeling.

XI.Wij hebben een heel eind weegs af te leggen: wij willen nog voor den avond te Kruiningen zijn, om daar te overnachten. Alzoo vroegtijdig op marsch.Het is een heerlijke, frissche zomermorgen: kleine zilveren wolkjes drijven langs den azuren hemel, en vroolijk giet de zon hare stralen uit over het ernstige, liefelijke landschap: weilanden, bloeiende akkers, waarop graan en vlas en boekweit elkander afwisselen, en bevallige boomgaarden, wier donker groen zich krachtig afteekent tegen de heldere lucht, en waar het zwellende ooft tusschen de bladeren rijpt.Een breede, goed onderhouden, fraai beplante straatweg voert ons midden door akkers en gaarden, langs hoeven en boerenwoningen, met hare groen en wit of groen en rood geschilderde vensterluiken en stijve tuintjes, vol zonnebloemen en papavers. Zoo bereiken wij het fraaie dorp Kloetinge, met zijne statige kerk en heerenhuizinge; en verder, na eene wandeling van ruim een uur, Kapelle, een niet minder aanzienlijk dorp, welks groote ruime kerk met een hoogen toren prijkt. Biezelingen en Schore, waarlangs de weg verder loopt, zijn van minder beteekenis, vooral het laatste.Ik heb natuurlijk niet noodig, u al deze dorpen afzonderlijk te beschrijven. Zij hebben zeker ieder hunne eigenaardigheid, maar gelijken toch ook sterk op elkander. Van verre herkent gij ze meest allen aan den zwaren hoogen toren der kerk, doorgaans een monument uit de vijftiende eeuw, toen Zeeland welhaast het toppunt van welvaart en bloei had bereikt, waarvan het in de volgende eeuw, met hare vele en geduchte rampen, zoo van watervloeden als van oorlogsgeweld, zoo droevig zou afdalen. Naderbij komende, ontwaart ge rondom de kerk, half tusschen het geboomte verscholen, een groep huizen met donkerroode daken; in het rond, akkers en weilanden, door enkele grijsachtig gele stoffige wegen doorsneden. Treedt ge het dorp binnen, dan vindt ge doorgaans een pleintje, waarop, in den regel, de kerk staat, zeer dikwijls in een krans van geboomte, dat het nederige kerkhof overschaduwt: en voorts, in het midden van het pleintje, een oude linde, om welks stam een bank is geplaatst, de zoogenoemde klapbank, de geliefkoosde zitplaats van minnende paartjes, die daar, in den liefelijken avondstond, plegen te keuvelen. De lindeboom was, bij de oude Germanen, een heilige boom, aan Freya gewijd, de godin der liefde; ook aan Holle, de godin der gerechtigheid. Onder den lindeboom namen de rechters plaats om recht te spreken; de lindeboom prijkte in later eeuw voor de poort van het kasteel, voor de kerk, op het dorpsplein, op de viersprongen in de velden, waar hij in vroeger tijden, en in katholieke landen nog wel, gemeenlijk het beeld droeg van Onze Lieve Vrouwe. Telkens verplaatsen ons de oud-duitsche en oud-nederlandsche sproken, legenden en liederen onder of bij een lindeboom, die altijd in het duister bewustzijn des volks nog iets van zijne vroegere heiligheid en eerbiedwaardigheid behouden heeft. Is het niet wederom de linde, die een eigenaardige rol speelt in zoo menig minnelied; met name in dat schoone liedHet daghet uit den Oosten, dat hier eene plaats moge vinden, als een der liefelijkste overblijfselen van onze middeleeuwsche, lyrische poëzie; dat nog niet geheel vergeten lied der trouwe minne:—“Het daghet uit den oosten,“het licht schijnt overal;“hoe weinich weet de liefste,“waer dat ic henen sal.“Warent al mijn vrinden,“dat myn vyanden syn,“ic voerde u uitter lande,“myn troest, myn minnekyn!”——“Werwaerts wout ghy my voeren,“stout ridder, wel ghemoet?”——“Al onder de linde groene,“myn troest, myn waerde goet!”——“Ic ligghe in myn liefs armen,“met groot eerwaerdicheit;“ic ligghe in myn liefs armen,“stout ridder, wel ghemoet.”—“Licht ghy in u liefs armen?“Bylo! dat is niet waer.“Gaet onder de linde groene:“verslaghen so leit hy daer!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al tot den lindeboom groene,daer si hem verslaghen vant.—“Och, lichdy hier verslaghen,“versmoort al in u bloet!—“Dat hevet u gedaen u roemen,“en uwen hoghen moet!“Och, lichdy hier verslaghen,“die my te troesten plach!“Wat hebdy my naghelaten,“so menich droeven dach!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al voor haers vaders poerte,die si der ghesloten vant.—“En is hier niemant inne,“noch heer, noch edelman,“die mij nu desen dooden“ter aerden helpen can?”—Die heren sweghen stille,si en gaven geen geluut;Doe keerde die joncfrou haer omme,si ghinc al wenende uut.Si nam hem in hare armen;si custe hem den mont;si custe hem gheen corter wilen,maer also menigher stont.Met haren blonden harenwreef si hem af dat bloet;met haar cleene witte handensi sinen ooghen sloet.Met sinen blanken sweerdedat si syn grafken groef;met haer sneewitte armendat si hem ter aerden droech.Met haren blanken handendat si dat belleken clanc;met hare suete heldere keledat si vigilien sanc.—“Nu willic mi begheven“in een clein cloosterkyn;“ende draghen die swarte wilen (sluier),“ter eeren des liefsten mijn.”2Dit roerend schoone, in zijn naïeven eenvoud zoo treffend lied, dat de vrome Geertruida van Voorburg, begijntje te Delft, dagelijks plach te zingen, zoodat zij er den bijnaam van Sinte-Geertruide van Oosten aan dankt;—het kwam mij op dezen fraaien, verkwikkenden zomerdag weer in de gedachte, bij het aanschouwen dier groene linden, de geur van wier welriekende bloesems de lucht vervulde. En gij, lezer der negentiende eeuw, en als kind van uw tijd waarschijnlijk afkeerig van poëzie, gij duidt het niet ten kwade, dat wij hier, te midden der eeuwig jeugdige, onveranderlijke natuur, u dit oude lied voorzingen, waar, uit iederen regel, u de volle frissche, onsterfelijke waarheid van het menschenhart tegenademt. Niet waar, zulke poëzie wordt nooit oud.Maar wij zijn op weg naar Kruiningen, en de drukte van wagens en volgepropte rijtuigen op den weg ontvoert ons weldra aan de middeleeuwen, en brengt ons terug naar het heden. Het was langzamerhand avond geworden, toen wij aan het dorp kwamen; waar wij nog alles in de weer vonden. Er werd gepoetst, geplast, geschrobd, geboend; het stroomde water langs de stoepen en straatsteenen, in de voorhuizen en van de trappen; al het koperwerk in de keukens blonk als een spiegel; al het houtwerk glom.... Van waar dit alles? Het zou morgen kermis zijn, en het dorp was bereids vol gasten. Niet dan met groote moeite, gelukte het ons een nachtverblijf te vinden.Den volgenden dag was de pret welhaast in vollen gang. De weinige kramen waren geopend, en stalden hunne waren, meest kinderspeelgoed en opschik, op de gunstigste, althans de meest in het oog vallende wijze ten toon; een goochelaar verbaasde de menigte door zijne kunsten en handgrepen; een paar koorddansers of akrobaten verrichtten hunne meer of min gevaarlijke toeren in de open lucht. Ginds was de boerenjeugd aan het koekhakken; en daar, daar wordt naar den vogel geschoten. Daar staat, boven op een hoogen paal, aan een ijzeren stang bevestigd, de zoogenaamde papegaai: een houten vogel, met een merkwaardig groot lijf en merkwaardig kleinen kop en met half uitgespreide vlerken. De schutters zijn met een boog gewapend, en moeten den vogel van den stang afschieten, wat niet zoo heel gemakkelijk is als het wel schijnt. Menigmalen draait de papegaai klirrend en knarsend om zijn as, of stuift een eind omhoog, zonder dat het gelukt hem naar beneden te doen tuimelen. Reeds menige schutter heeft zijne bekwaamheid getoond en zijne kunst beproefd; maar,al scheelde het soms ook weinig, nog niemand is het gelukt, den vogel op het juiste punt te treffen.Ge ziet het: onder de mededingers is er meer dan een, die reeds vroeger den prijs gewonnen heeft: ze zijn kenbaar aan de medailles, die hun borst versieren, en die ze bij deze gelegenheid niet verzuimd hebben om te hangen. Daar is drukte en vroolijkheid genoeg in den wijden kring, die de schutters omgeeft, en die blijkbaar groot belang stelt in den strijd. Daar nadert een nieuwe kampvechter, een die reeds menigmalen als overwinnaar uit een soortgelijken kamp mocht keeren: zijn borst prijkt met een aantal zegeteekenen. Er ontstaat beweging in de schare, als hij zich gereed maakt den boog te spannen: blijkbaar verwacht men, dat het oogenblik der beslissing thans gekomen is.De schutterkoning.De schutterkoning.De kloeke jonkman stelt zich in postuur; hij spant den boog en mikt. Daar trilt de pees; daar snort de pijl snerpend door de lucht, en treft den houten vogel. Deze maakt snel eene draaiende beweging, vliegt omhoog, boven de ijzeren punt uit, en ploft ter aarde, op vrij verren afstand van den paal. Een daverend gejuich gaat op uit de menigte, en groet den overwinnaar, die voor het volgende jaar schutterkoning zal zijn. Het teeken zijner waardigheid, een zilveren vogel, wordt hem aan een lint om den hals gehangen, en hij in triomf naar de herberg gedragen, waar hij natuurlijk trakteeren moet. Wie weet, misschien volgt er straks wel een maaltijd voor de schutters in de dorpsherberg;—de maaltijden der schuttersgilden plachten van ouds beroemd te zijn om hun weelderigen overvloed.Vroeger behoorden bij zulk een boerenkermis nog andere vermaken, zoo als katknuppelen, gans- of palingtrekken en dergelijken, die in den laatsten tijd meer en meer in onbruik zijn geraakt: iets, waarover men zich niet dan verheugen kan, want het martelen van weerlooze dieren is, in vollen nadruk, eenbarbaarsch vermaak, dat in alle opzichten een verderfelijken invloed moet uitoefenen. Dat het volk, in krachtige, mannelijke spelen, ook al hebben ze geen dadelijk praktisch nut,zijn spieren stale en zijn zintuigen oefene, zich een vast oog en eene vaste hand verwerve;—uitnemend; maar dat het zich niet daarbij verdierlijke. En opdat het dit niet doe, ontwikkel en veredel zijne verbeelding, zoodat het zich kunne verplaatsen in den toestand, ook van het sprakelooze schepsel, dat door zijne schuld gemarteld wordt. Van deze veredeling en verheffing van gevoel en verbeelding is, ook in dit opzicht als in zoo menig ander, naar mijne vaste overtuiging, veel meer te wachten dan van louter verstandelijk onderwijs, waarmede—de ondervinding bewijst het dagelijks—iedere graad van zedelijke verdorvenheid kan gepaard gaan:—omdat, ja omdat kennis en zedelijkheid nu eenmaal twee zaken zijn, die veel minder met elkander hebben uit te staan, dan onze eeuw, in noodlottige en gevaarvolle verblinding, wel meent. Tot hare groote schade, vergeet zij steeds meer het diepzinnig woord van den ouden wijze: bewaar uw hart boven alles wat te bewaren is, want dáár—en niet in het hoofd, in het verstand—zijn de uitgangen des levens.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.Van Kruiningen wandelen wij naar Krabbendijke, een dorp, als vele andere zeeuwsche dorpen, ter wederzijde van den dijk gebouwd, die hier als elders tevens de hoofdstraat vormt. Bijna alle huizen staan in twee rijen naast elkander. De roode en witte vensterluiken vervangen de groene en gele; en in plaats van linden, ziet ge hier pereboomen, langs staketsels geleid, en zoo gesnoeid, verwrongen en verdraaid, dat de takken een soort van parallelogram vormen. Eene ten platten lande vrij algemeene, maar niettemin zeer leelijke mode.Een der woningen in het dorp is gesloten, en tegen den buitenmuur ligt een groote hoop stroobossen opgestapeld. Wij weten reeds wat dat beduidt, maar willen toch een of anderen dorpeling ondervragen; misschien dat we van hem nog eenige minder bekende bijzonderheden vernemen.Daar zit, voor zijn opengeschoven raam, een kleermaker ijverig te werken, hij zal ons wel vertellen wat we weten willen: de lieden van de naald, zegt men, zijn praatziek. Ik zie hem nog voor mij, dien kleermaker, in gesprek met een paar aardige boerinnetjes, die van het veld huiswaarts keerden. Een origineele figuur: alles was even klein aan en om hem. Het kamertje, waarin hij zat, was klein; klein waren zijne armen en beenen; klein en pieperig was zijne stem: klein zijn knijpbrilletje op zijn puntig neusje: toch zag hij er opgewekt en schalks genoeg uit. Stellig zal hij ons te woord staan.Aha! hij heeft ons reeds zien aankomen, en kijkt ons aan met zijne kleine, levendige, zwarte oogen: echter gaat hij rustig voort met naaien, en ziet tevens scherp toe op den kleinen knaap, die hem bij den arbeid behulpzaam is. Wij naderen het venster; en wijzende op het gesloten huis, vraag ik den kleermaker:“Wat beduidt dat stroo?—Dat stroo; da’s een dooie.—Zoo, onder dat stroo?—Nèë, in ’t ’uus. Van waer kommen gulli, dat ge datte niet en wèët?—Ja, wij komen ver van hier; maar vertel ons eens, wat dat stroo met den doode te maken heeft.—Wel, antwoordt de kleermaker, dien wij nu maar verder gewoon hollandsch zullen laten spreken; wel, als er hier bij de boeren iemand sterft, dan gaan de arbeiders in de schuur stroo halen, binden dat tot bossen, en stapelen die bossen op een hoop, hetzij voor den hoofdingang der woning, hetzij voor het hekvan het land. Die hoop is meer of minder hoog, naar gelang van den ouderdom van den overledene. Ge ziet daar een zeer grooten hoop: de man was dan ook vijf-en-tachtig jaar oud.”Toen eensklaps zich tot den jongen wendende, die, natuurlijk, zijn oogen niet van ons af had, en het strijkijzer koud liet worden:“Waar heb jij zoo naar te kijken, bengel? Maak voort met je werk en vergeet je ijzer niet.”Daarop keerde hij zich weer tot mij, en vervolgde:“Is de overledene ongetrouwd, dan steekt men een palmtakje in het stroo. Ziet ge daar dien knecht wel, die de deur uitkomt? Die is er niet kwaad aan toe. Hij moet de tijding van het overlijden aan al de bloedverwanten gaan mededeelen, zelfs aan hen, die twee of drie mijlen hier vandaan wonen. Ieder van deze verwanten moet den boodschapper te eten geven, waaraan ook niemand zich onttrekt. Die snuiter zal van daag, binnen drie of vier uren, vijf of zes maal achtereen zijn buik kunnen vullen.“Twee dienstmeiden zijn op dit oogenblik bezig, den doode af te leggen. Zij trekken hem een opzettelijk daarvoor bestemd schoon hemd aan, wikkelen hem daarna in een laken, en leggen het lijk op stroo. De anderen zijn bezig met het in orde maken der rouwkleeren: want er is daar volk genoeg in huis, zoodat ze alles zelven kunnen doen. Voor het maken van den rouw hebben zij tweemaal vier-en-twintig uren tijd. Inmiddels zorgen de vrouwen voor het noodige om de familie en vrienden te onthalen, die bij de begrafenis tegenwoordig zullen zijn.“Als ge nu in het huis kondt binnentreden, zoudt ge zien, dat al de schilderijen en al de spiegels tegen den wand omgekeerd zijn; dat al de klokken stilstaan, en de schoorsteenmantels zijn ontdaan van de schalen en borden en pullen, waarmede ze anders prijken.“Zoo de heeren nog een paar dagen hier bleven, dan zouden zij ook de begrafenis kunnen bijwonen. Dan zouden ze ’s morgens de bloedverwanten en vrienden met hunne vrouwen, in rouwgewaad, zien komen, en zich aanstellen of zij zeer bedroefd waren, schoon ik overtuigd ben, dat niemand van hem hield, den ouden vrek, die, hoe rijk hij ook was, niemand iets gunde. Hij onthield zijn volk het noodige, en was te trotsch om met hen aan dezelfde tafel te eten.“Maar die tranen zullen daar binnen wel gauw gedroogd zijn. In de groote kamer zijn banken en tafels gereed gezet; de mannen plaatsen zich aan de eene zijde, de vrouwen aan de andere. Op de tafels voor de mannen en de vrouwen staan groote koffiekannen en reusachtige borden met stapels boterhammen. Hoe zij zich daaraan zullen te goed doen! Die het ergst bedroefd zijn, eten er althans een dozijn: de anderen nog meer, zooveel zij maar bergen kunnen. Op de tafel voor de mannen staat tabak, heel fijn gesneden, en liggen lange pijpen gereed. In afwachting van de begrafenis, wordt er gerookt en gepraat.—Vroeger mochten de boeren, gedurende den rouwtijd, niet anders eten dan wat wit en zwart was: karnemelk met krenten, bij voorbeeld, en schol, omdat het vel van dien visch zwart is.“Met het slaan van twaalven gaat men uit ter begrafenis. Eerst heeft men de friesche klok, die stilstond, weer aan den gang gemaakt, om het juiste uur aan te geven, waarop het lijk moet worden uitgedragen. Zoodra de klok twaalf geslagen heeft, staan de mannen op, en binden zich een krippen rouwband en lamfer om den hoed. De vrouwen krijgen een witten zakdoek, om hare tranen mede af te drogen. Zij houden die doeken ook zorgvuldig voor haar gezicht—want, o, ze zijn zoo innig bedroefd! Vroeger kregen ze kleine kommetjes om haar tranen in op te vangen.... De kommetjes waren altijd ledig!“Dan komt de lezer van de rouwrolle binnen, ook met een grooten lamfer aan zijn hoed. Hij houdt een stuk papier met een rouwrand in de hand, en begint, op somberen toon, te lezen:“De bloedverwanten en vrienden worden verzocht acht te geven op het aflezen hunner namen, en in die volgorde het lijk te volgen van...., overleden den 10denJuni, des morgens ten negen uur, in den ouderdom van vijf-en-tachtig jaren, een maand en zeven dagen.”“Dan worden al de namen afgelezen, en komen ze allen achtervolgens te voorschijn, de verwanten, de vrienden, met hunne vrouwen. Allen hebben hun gelegenheidsgezicht aangetrokken; maar de eenigen, die in waarheid bedroefd zijn, dat zullen wel de twee zoons van den overledene zijn, schoon hij die ook niet heeft behandeld, zoo als het wel behoorde. Maar het zijn brave jongens, die hun vader eerden. Verder zoudt ge in den stoet opmerken, den voorman, die de plechtigheid regelt; den dominee, die hier niet ontbreken mag, en doorgaans ook den meester of dokter; benevens den lezer van de rouwrolle, die straks als rouwsluiter zal optreden.“De dragers, die gereed staan, nemen de baar op, en wandelen langzaam naar het kerkhof, gevolgd door den ganschen stoet, uit minstens vijftig personen bestaande. Op het kerkhof wacht hen de doodgraver. Hij neemt zijn hoed van zijn hoofd, en zijn pruim uit zijn mond, en zegt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Ik zal voor het overige zorgen.”En hij zorgt dan ook voor het overige: namelijk, voor de ter aarde bestelling van het lijk. De stoet keert in dezelfde orde weer terug. Aan het sterfhuis gekomen, houdt de voorman voor de deur stil, en zegt nu op zijn beurt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Zij worden verzocht binnen te komen.”“Aan die uitnoodiging wordt gevolg gegeven. De lijkdienaars, die het lijk gedragen hebben, worden in de eene kamer ontvangen; de bloedverwanten en vrienden in een andere. Allen worden nu onthaald op aardappelen met brood en zoutevisch. Voor de maaltijd begint, doet de dominee het gebed, waarbij de mannen hunne hoeden voor de oogen houden, en zich althans den schijn geven van mede te bidden. Duurt het gebed wat lang, dan beginnen zij te hunkeren naar deaardappelen en de zoutevisch. Eindelijk zegt de domineeamen, en nu valt ieder op de welvoorziene schotels aan. Als hij er nu nog lust in hoeft, dan mag dominee verder praten, zoo lang hij verkiest.“Na den eten zal hij wederom bidden of danken, en vervolgens een hoofdstuk uit den Bijbel voorlezen. Is dat afgeloopen, dan gaat de dominee weg, met den dokter. Nauwelijks zijn zij vertrokken, of het gesprek loopt nu verder uitsluitend over den landbouw en over het vee. Vervolgens gebruiken al de genoodigden nog een kop thee met een boterham. Eindelijk, tusschen vijf en zes uren, is de plechtigheid afgeloopen, en keert ieder naar zijne woning terug.”De kleermaker had uitgesproken: wij waren nu geheel op de hoogte van eene zeeuwsche boerebegrafenis. Wij dankten hem voor de gegeven inlichtingen, gaven den jongen een paar kwartjes, en vervolgden onze wandeling.

XI.Wij hebben een heel eind weegs af te leggen: wij willen nog voor den avond te Kruiningen zijn, om daar te overnachten. Alzoo vroegtijdig op marsch.Het is een heerlijke, frissche zomermorgen: kleine zilveren wolkjes drijven langs den azuren hemel, en vroolijk giet de zon hare stralen uit over het ernstige, liefelijke landschap: weilanden, bloeiende akkers, waarop graan en vlas en boekweit elkander afwisselen, en bevallige boomgaarden, wier donker groen zich krachtig afteekent tegen de heldere lucht, en waar het zwellende ooft tusschen de bladeren rijpt.Een breede, goed onderhouden, fraai beplante straatweg voert ons midden door akkers en gaarden, langs hoeven en boerenwoningen, met hare groen en wit of groen en rood geschilderde vensterluiken en stijve tuintjes, vol zonnebloemen en papavers. Zoo bereiken wij het fraaie dorp Kloetinge, met zijne statige kerk en heerenhuizinge; en verder, na eene wandeling van ruim een uur, Kapelle, een niet minder aanzienlijk dorp, welks groote ruime kerk met een hoogen toren prijkt. Biezelingen en Schore, waarlangs de weg verder loopt, zijn van minder beteekenis, vooral het laatste.Ik heb natuurlijk niet noodig, u al deze dorpen afzonderlijk te beschrijven. Zij hebben zeker ieder hunne eigenaardigheid, maar gelijken toch ook sterk op elkander. Van verre herkent gij ze meest allen aan den zwaren hoogen toren der kerk, doorgaans een monument uit de vijftiende eeuw, toen Zeeland welhaast het toppunt van welvaart en bloei had bereikt, waarvan het in de volgende eeuw, met hare vele en geduchte rampen, zoo van watervloeden als van oorlogsgeweld, zoo droevig zou afdalen. Naderbij komende, ontwaart ge rondom de kerk, half tusschen het geboomte verscholen, een groep huizen met donkerroode daken; in het rond, akkers en weilanden, door enkele grijsachtig gele stoffige wegen doorsneden. Treedt ge het dorp binnen, dan vindt ge doorgaans een pleintje, waarop, in den regel, de kerk staat, zeer dikwijls in een krans van geboomte, dat het nederige kerkhof overschaduwt: en voorts, in het midden van het pleintje, een oude linde, om welks stam een bank is geplaatst, de zoogenoemde klapbank, de geliefkoosde zitplaats van minnende paartjes, die daar, in den liefelijken avondstond, plegen te keuvelen. De lindeboom was, bij de oude Germanen, een heilige boom, aan Freya gewijd, de godin der liefde; ook aan Holle, de godin der gerechtigheid. Onder den lindeboom namen de rechters plaats om recht te spreken; de lindeboom prijkte in later eeuw voor de poort van het kasteel, voor de kerk, op het dorpsplein, op de viersprongen in de velden, waar hij in vroeger tijden, en in katholieke landen nog wel, gemeenlijk het beeld droeg van Onze Lieve Vrouwe. Telkens verplaatsen ons de oud-duitsche en oud-nederlandsche sproken, legenden en liederen onder of bij een lindeboom, die altijd in het duister bewustzijn des volks nog iets van zijne vroegere heiligheid en eerbiedwaardigheid behouden heeft. Is het niet wederom de linde, die een eigenaardige rol speelt in zoo menig minnelied; met name in dat schoone liedHet daghet uit den Oosten, dat hier eene plaats moge vinden, als een der liefelijkste overblijfselen van onze middeleeuwsche, lyrische poëzie; dat nog niet geheel vergeten lied der trouwe minne:—“Het daghet uit den oosten,“het licht schijnt overal;“hoe weinich weet de liefste,“waer dat ic henen sal.“Warent al mijn vrinden,“dat myn vyanden syn,“ic voerde u uitter lande,“myn troest, myn minnekyn!”——“Werwaerts wout ghy my voeren,“stout ridder, wel ghemoet?”——“Al onder de linde groene,“myn troest, myn waerde goet!”——“Ic ligghe in myn liefs armen,“met groot eerwaerdicheit;“ic ligghe in myn liefs armen,“stout ridder, wel ghemoet.”—“Licht ghy in u liefs armen?“Bylo! dat is niet waer.“Gaet onder de linde groene:“verslaghen so leit hy daer!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al tot den lindeboom groene,daer si hem verslaghen vant.—“Och, lichdy hier verslaghen,“versmoort al in u bloet!—“Dat hevet u gedaen u roemen,“en uwen hoghen moet!“Och, lichdy hier verslaghen,“die my te troesten plach!“Wat hebdy my naghelaten,“so menich droeven dach!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al voor haers vaders poerte,die si der ghesloten vant.—“En is hier niemant inne,“noch heer, noch edelman,“die mij nu desen dooden“ter aerden helpen can?”—Die heren sweghen stille,si en gaven geen geluut;Doe keerde die joncfrou haer omme,si ghinc al wenende uut.Si nam hem in hare armen;si custe hem den mont;si custe hem gheen corter wilen,maer also menigher stont.Met haren blonden harenwreef si hem af dat bloet;met haar cleene witte handensi sinen ooghen sloet.Met sinen blanken sweerdedat si syn grafken groef;met haer sneewitte armendat si hem ter aerden droech.Met haren blanken handendat si dat belleken clanc;met hare suete heldere keledat si vigilien sanc.—“Nu willic mi begheven“in een clein cloosterkyn;“ende draghen die swarte wilen (sluier),“ter eeren des liefsten mijn.”2Dit roerend schoone, in zijn naïeven eenvoud zoo treffend lied, dat de vrome Geertruida van Voorburg, begijntje te Delft, dagelijks plach te zingen, zoodat zij er den bijnaam van Sinte-Geertruide van Oosten aan dankt;—het kwam mij op dezen fraaien, verkwikkenden zomerdag weer in de gedachte, bij het aanschouwen dier groene linden, de geur van wier welriekende bloesems de lucht vervulde. En gij, lezer der negentiende eeuw, en als kind van uw tijd waarschijnlijk afkeerig van poëzie, gij duidt het niet ten kwade, dat wij hier, te midden der eeuwig jeugdige, onveranderlijke natuur, u dit oude lied voorzingen, waar, uit iederen regel, u de volle frissche, onsterfelijke waarheid van het menschenhart tegenademt. Niet waar, zulke poëzie wordt nooit oud.Maar wij zijn op weg naar Kruiningen, en de drukte van wagens en volgepropte rijtuigen op den weg ontvoert ons weldra aan de middeleeuwen, en brengt ons terug naar het heden. Het was langzamerhand avond geworden, toen wij aan het dorp kwamen; waar wij nog alles in de weer vonden. Er werd gepoetst, geplast, geschrobd, geboend; het stroomde water langs de stoepen en straatsteenen, in de voorhuizen en van de trappen; al het koperwerk in de keukens blonk als een spiegel; al het houtwerk glom.... Van waar dit alles? Het zou morgen kermis zijn, en het dorp was bereids vol gasten. Niet dan met groote moeite, gelukte het ons een nachtverblijf te vinden.Den volgenden dag was de pret welhaast in vollen gang. De weinige kramen waren geopend, en stalden hunne waren, meest kinderspeelgoed en opschik, op de gunstigste, althans de meest in het oog vallende wijze ten toon; een goochelaar verbaasde de menigte door zijne kunsten en handgrepen; een paar koorddansers of akrobaten verrichtten hunne meer of min gevaarlijke toeren in de open lucht. Ginds was de boerenjeugd aan het koekhakken; en daar, daar wordt naar den vogel geschoten. Daar staat, boven op een hoogen paal, aan een ijzeren stang bevestigd, de zoogenaamde papegaai: een houten vogel, met een merkwaardig groot lijf en merkwaardig kleinen kop en met half uitgespreide vlerken. De schutters zijn met een boog gewapend, en moeten den vogel van den stang afschieten, wat niet zoo heel gemakkelijk is als het wel schijnt. Menigmalen draait de papegaai klirrend en knarsend om zijn as, of stuift een eind omhoog, zonder dat het gelukt hem naar beneden te doen tuimelen. Reeds menige schutter heeft zijne bekwaamheid getoond en zijne kunst beproefd; maar,al scheelde het soms ook weinig, nog niemand is het gelukt, den vogel op het juiste punt te treffen.Ge ziet het: onder de mededingers is er meer dan een, die reeds vroeger den prijs gewonnen heeft: ze zijn kenbaar aan de medailles, die hun borst versieren, en die ze bij deze gelegenheid niet verzuimd hebben om te hangen. Daar is drukte en vroolijkheid genoeg in den wijden kring, die de schutters omgeeft, en die blijkbaar groot belang stelt in den strijd. Daar nadert een nieuwe kampvechter, een die reeds menigmalen als overwinnaar uit een soortgelijken kamp mocht keeren: zijn borst prijkt met een aantal zegeteekenen. Er ontstaat beweging in de schare, als hij zich gereed maakt den boog te spannen: blijkbaar verwacht men, dat het oogenblik der beslissing thans gekomen is.De schutterkoning.De schutterkoning.De kloeke jonkman stelt zich in postuur; hij spant den boog en mikt. Daar trilt de pees; daar snort de pijl snerpend door de lucht, en treft den houten vogel. Deze maakt snel eene draaiende beweging, vliegt omhoog, boven de ijzeren punt uit, en ploft ter aarde, op vrij verren afstand van den paal. Een daverend gejuich gaat op uit de menigte, en groet den overwinnaar, die voor het volgende jaar schutterkoning zal zijn. Het teeken zijner waardigheid, een zilveren vogel, wordt hem aan een lint om den hals gehangen, en hij in triomf naar de herberg gedragen, waar hij natuurlijk trakteeren moet. Wie weet, misschien volgt er straks wel een maaltijd voor de schutters in de dorpsherberg;—de maaltijden der schuttersgilden plachten van ouds beroemd te zijn om hun weelderigen overvloed.Vroeger behoorden bij zulk een boerenkermis nog andere vermaken, zoo als katknuppelen, gans- of palingtrekken en dergelijken, die in den laatsten tijd meer en meer in onbruik zijn geraakt: iets, waarover men zich niet dan verheugen kan, want het martelen van weerlooze dieren is, in vollen nadruk, eenbarbaarsch vermaak, dat in alle opzichten een verderfelijken invloed moet uitoefenen. Dat het volk, in krachtige, mannelijke spelen, ook al hebben ze geen dadelijk praktisch nut,zijn spieren stale en zijn zintuigen oefene, zich een vast oog en eene vaste hand verwerve;—uitnemend; maar dat het zich niet daarbij verdierlijke. En opdat het dit niet doe, ontwikkel en veredel zijne verbeelding, zoodat het zich kunne verplaatsen in den toestand, ook van het sprakelooze schepsel, dat door zijne schuld gemarteld wordt. Van deze veredeling en verheffing van gevoel en verbeelding is, ook in dit opzicht als in zoo menig ander, naar mijne vaste overtuiging, veel meer te wachten dan van louter verstandelijk onderwijs, waarmede—de ondervinding bewijst het dagelijks—iedere graad van zedelijke verdorvenheid kan gepaard gaan:—omdat, ja omdat kennis en zedelijkheid nu eenmaal twee zaken zijn, die veel minder met elkander hebben uit te staan, dan onze eeuw, in noodlottige en gevaarvolle verblinding, wel meent. Tot hare groote schade, vergeet zij steeds meer het diepzinnig woord van den ouden wijze: bewaar uw hart boven alles wat te bewaren is, want dáár—en niet in het hoofd, in het verstand—zijn de uitgangen des levens.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.Van Kruiningen wandelen wij naar Krabbendijke, een dorp, als vele andere zeeuwsche dorpen, ter wederzijde van den dijk gebouwd, die hier als elders tevens de hoofdstraat vormt. Bijna alle huizen staan in twee rijen naast elkander. De roode en witte vensterluiken vervangen de groene en gele; en in plaats van linden, ziet ge hier pereboomen, langs staketsels geleid, en zoo gesnoeid, verwrongen en verdraaid, dat de takken een soort van parallelogram vormen. Eene ten platten lande vrij algemeene, maar niettemin zeer leelijke mode.Een der woningen in het dorp is gesloten, en tegen den buitenmuur ligt een groote hoop stroobossen opgestapeld. Wij weten reeds wat dat beduidt, maar willen toch een of anderen dorpeling ondervragen; misschien dat we van hem nog eenige minder bekende bijzonderheden vernemen.Daar zit, voor zijn opengeschoven raam, een kleermaker ijverig te werken, hij zal ons wel vertellen wat we weten willen: de lieden van de naald, zegt men, zijn praatziek. Ik zie hem nog voor mij, dien kleermaker, in gesprek met een paar aardige boerinnetjes, die van het veld huiswaarts keerden. Een origineele figuur: alles was even klein aan en om hem. Het kamertje, waarin hij zat, was klein; klein waren zijne armen en beenen; klein en pieperig was zijne stem: klein zijn knijpbrilletje op zijn puntig neusje: toch zag hij er opgewekt en schalks genoeg uit. Stellig zal hij ons te woord staan.Aha! hij heeft ons reeds zien aankomen, en kijkt ons aan met zijne kleine, levendige, zwarte oogen: echter gaat hij rustig voort met naaien, en ziet tevens scherp toe op den kleinen knaap, die hem bij den arbeid behulpzaam is. Wij naderen het venster; en wijzende op het gesloten huis, vraag ik den kleermaker:“Wat beduidt dat stroo?—Dat stroo; da’s een dooie.—Zoo, onder dat stroo?—Nèë, in ’t ’uus. Van waer kommen gulli, dat ge datte niet en wèët?—Ja, wij komen ver van hier; maar vertel ons eens, wat dat stroo met den doode te maken heeft.—Wel, antwoordt de kleermaker, dien wij nu maar verder gewoon hollandsch zullen laten spreken; wel, als er hier bij de boeren iemand sterft, dan gaan de arbeiders in de schuur stroo halen, binden dat tot bossen, en stapelen die bossen op een hoop, hetzij voor den hoofdingang der woning, hetzij voor het hekvan het land. Die hoop is meer of minder hoog, naar gelang van den ouderdom van den overledene. Ge ziet daar een zeer grooten hoop: de man was dan ook vijf-en-tachtig jaar oud.”Toen eensklaps zich tot den jongen wendende, die, natuurlijk, zijn oogen niet van ons af had, en het strijkijzer koud liet worden:“Waar heb jij zoo naar te kijken, bengel? Maak voort met je werk en vergeet je ijzer niet.”Daarop keerde hij zich weer tot mij, en vervolgde:“Is de overledene ongetrouwd, dan steekt men een palmtakje in het stroo. Ziet ge daar dien knecht wel, die de deur uitkomt? Die is er niet kwaad aan toe. Hij moet de tijding van het overlijden aan al de bloedverwanten gaan mededeelen, zelfs aan hen, die twee of drie mijlen hier vandaan wonen. Ieder van deze verwanten moet den boodschapper te eten geven, waaraan ook niemand zich onttrekt. Die snuiter zal van daag, binnen drie of vier uren, vijf of zes maal achtereen zijn buik kunnen vullen.“Twee dienstmeiden zijn op dit oogenblik bezig, den doode af te leggen. Zij trekken hem een opzettelijk daarvoor bestemd schoon hemd aan, wikkelen hem daarna in een laken, en leggen het lijk op stroo. De anderen zijn bezig met het in orde maken der rouwkleeren: want er is daar volk genoeg in huis, zoodat ze alles zelven kunnen doen. Voor het maken van den rouw hebben zij tweemaal vier-en-twintig uren tijd. Inmiddels zorgen de vrouwen voor het noodige om de familie en vrienden te onthalen, die bij de begrafenis tegenwoordig zullen zijn.“Als ge nu in het huis kondt binnentreden, zoudt ge zien, dat al de schilderijen en al de spiegels tegen den wand omgekeerd zijn; dat al de klokken stilstaan, en de schoorsteenmantels zijn ontdaan van de schalen en borden en pullen, waarmede ze anders prijken.“Zoo de heeren nog een paar dagen hier bleven, dan zouden zij ook de begrafenis kunnen bijwonen. Dan zouden ze ’s morgens de bloedverwanten en vrienden met hunne vrouwen, in rouwgewaad, zien komen, en zich aanstellen of zij zeer bedroefd waren, schoon ik overtuigd ben, dat niemand van hem hield, den ouden vrek, die, hoe rijk hij ook was, niemand iets gunde. Hij onthield zijn volk het noodige, en was te trotsch om met hen aan dezelfde tafel te eten.“Maar die tranen zullen daar binnen wel gauw gedroogd zijn. In de groote kamer zijn banken en tafels gereed gezet; de mannen plaatsen zich aan de eene zijde, de vrouwen aan de andere. Op de tafels voor de mannen en de vrouwen staan groote koffiekannen en reusachtige borden met stapels boterhammen. Hoe zij zich daaraan zullen te goed doen! Die het ergst bedroefd zijn, eten er althans een dozijn: de anderen nog meer, zooveel zij maar bergen kunnen. Op de tafel voor de mannen staat tabak, heel fijn gesneden, en liggen lange pijpen gereed. In afwachting van de begrafenis, wordt er gerookt en gepraat.—Vroeger mochten de boeren, gedurende den rouwtijd, niet anders eten dan wat wit en zwart was: karnemelk met krenten, bij voorbeeld, en schol, omdat het vel van dien visch zwart is.“Met het slaan van twaalven gaat men uit ter begrafenis. Eerst heeft men de friesche klok, die stilstond, weer aan den gang gemaakt, om het juiste uur aan te geven, waarop het lijk moet worden uitgedragen. Zoodra de klok twaalf geslagen heeft, staan de mannen op, en binden zich een krippen rouwband en lamfer om den hoed. De vrouwen krijgen een witten zakdoek, om hare tranen mede af te drogen. Zij houden die doeken ook zorgvuldig voor haar gezicht—want, o, ze zijn zoo innig bedroefd! Vroeger kregen ze kleine kommetjes om haar tranen in op te vangen.... De kommetjes waren altijd ledig!“Dan komt de lezer van de rouwrolle binnen, ook met een grooten lamfer aan zijn hoed. Hij houdt een stuk papier met een rouwrand in de hand, en begint, op somberen toon, te lezen:“De bloedverwanten en vrienden worden verzocht acht te geven op het aflezen hunner namen, en in die volgorde het lijk te volgen van...., overleden den 10denJuni, des morgens ten negen uur, in den ouderdom van vijf-en-tachtig jaren, een maand en zeven dagen.”“Dan worden al de namen afgelezen, en komen ze allen achtervolgens te voorschijn, de verwanten, de vrienden, met hunne vrouwen. Allen hebben hun gelegenheidsgezicht aangetrokken; maar de eenigen, die in waarheid bedroefd zijn, dat zullen wel de twee zoons van den overledene zijn, schoon hij die ook niet heeft behandeld, zoo als het wel behoorde. Maar het zijn brave jongens, die hun vader eerden. Verder zoudt ge in den stoet opmerken, den voorman, die de plechtigheid regelt; den dominee, die hier niet ontbreken mag, en doorgaans ook den meester of dokter; benevens den lezer van de rouwrolle, die straks als rouwsluiter zal optreden.“De dragers, die gereed staan, nemen de baar op, en wandelen langzaam naar het kerkhof, gevolgd door den ganschen stoet, uit minstens vijftig personen bestaande. Op het kerkhof wacht hen de doodgraver. Hij neemt zijn hoed van zijn hoofd, en zijn pruim uit zijn mond, en zegt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Ik zal voor het overige zorgen.”En hij zorgt dan ook voor het overige: namelijk, voor de ter aarde bestelling van het lijk. De stoet keert in dezelfde orde weer terug. Aan het sterfhuis gekomen, houdt de voorman voor de deur stil, en zegt nu op zijn beurt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Zij worden verzocht binnen te komen.”“Aan die uitnoodiging wordt gevolg gegeven. De lijkdienaars, die het lijk gedragen hebben, worden in de eene kamer ontvangen; de bloedverwanten en vrienden in een andere. Allen worden nu onthaald op aardappelen met brood en zoutevisch. Voor de maaltijd begint, doet de dominee het gebed, waarbij de mannen hunne hoeden voor de oogen houden, en zich althans den schijn geven van mede te bidden. Duurt het gebed wat lang, dan beginnen zij te hunkeren naar deaardappelen en de zoutevisch. Eindelijk zegt de domineeamen, en nu valt ieder op de welvoorziene schotels aan. Als hij er nu nog lust in hoeft, dan mag dominee verder praten, zoo lang hij verkiest.“Na den eten zal hij wederom bidden of danken, en vervolgens een hoofdstuk uit den Bijbel voorlezen. Is dat afgeloopen, dan gaat de dominee weg, met den dokter. Nauwelijks zijn zij vertrokken, of het gesprek loopt nu verder uitsluitend over den landbouw en over het vee. Vervolgens gebruiken al de genoodigden nog een kop thee met een boterham. Eindelijk, tusschen vijf en zes uren, is de plechtigheid afgeloopen, en keert ieder naar zijne woning terug.”De kleermaker had uitgesproken: wij waren nu geheel op de hoogte van eene zeeuwsche boerebegrafenis. Wij dankten hem voor de gegeven inlichtingen, gaven den jongen een paar kwartjes, en vervolgden onze wandeling.

XI.

Wij hebben een heel eind weegs af te leggen: wij willen nog voor den avond te Kruiningen zijn, om daar te overnachten. Alzoo vroegtijdig op marsch.Het is een heerlijke, frissche zomermorgen: kleine zilveren wolkjes drijven langs den azuren hemel, en vroolijk giet de zon hare stralen uit over het ernstige, liefelijke landschap: weilanden, bloeiende akkers, waarop graan en vlas en boekweit elkander afwisselen, en bevallige boomgaarden, wier donker groen zich krachtig afteekent tegen de heldere lucht, en waar het zwellende ooft tusschen de bladeren rijpt.Een breede, goed onderhouden, fraai beplante straatweg voert ons midden door akkers en gaarden, langs hoeven en boerenwoningen, met hare groen en wit of groen en rood geschilderde vensterluiken en stijve tuintjes, vol zonnebloemen en papavers. Zoo bereiken wij het fraaie dorp Kloetinge, met zijne statige kerk en heerenhuizinge; en verder, na eene wandeling van ruim een uur, Kapelle, een niet minder aanzienlijk dorp, welks groote ruime kerk met een hoogen toren prijkt. Biezelingen en Schore, waarlangs de weg verder loopt, zijn van minder beteekenis, vooral het laatste.Ik heb natuurlijk niet noodig, u al deze dorpen afzonderlijk te beschrijven. Zij hebben zeker ieder hunne eigenaardigheid, maar gelijken toch ook sterk op elkander. Van verre herkent gij ze meest allen aan den zwaren hoogen toren der kerk, doorgaans een monument uit de vijftiende eeuw, toen Zeeland welhaast het toppunt van welvaart en bloei had bereikt, waarvan het in de volgende eeuw, met hare vele en geduchte rampen, zoo van watervloeden als van oorlogsgeweld, zoo droevig zou afdalen. Naderbij komende, ontwaart ge rondom de kerk, half tusschen het geboomte verscholen, een groep huizen met donkerroode daken; in het rond, akkers en weilanden, door enkele grijsachtig gele stoffige wegen doorsneden. Treedt ge het dorp binnen, dan vindt ge doorgaans een pleintje, waarop, in den regel, de kerk staat, zeer dikwijls in een krans van geboomte, dat het nederige kerkhof overschaduwt: en voorts, in het midden van het pleintje, een oude linde, om welks stam een bank is geplaatst, de zoogenoemde klapbank, de geliefkoosde zitplaats van minnende paartjes, die daar, in den liefelijken avondstond, plegen te keuvelen. De lindeboom was, bij de oude Germanen, een heilige boom, aan Freya gewijd, de godin der liefde; ook aan Holle, de godin der gerechtigheid. Onder den lindeboom namen de rechters plaats om recht te spreken; de lindeboom prijkte in later eeuw voor de poort van het kasteel, voor de kerk, op het dorpsplein, op de viersprongen in de velden, waar hij in vroeger tijden, en in katholieke landen nog wel, gemeenlijk het beeld droeg van Onze Lieve Vrouwe. Telkens verplaatsen ons de oud-duitsche en oud-nederlandsche sproken, legenden en liederen onder of bij een lindeboom, die altijd in het duister bewustzijn des volks nog iets van zijne vroegere heiligheid en eerbiedwaardigheid behouden heeft. Is het niet wederom de linde, die een eigenaardige rol speelt in zoo menig minnelied; met name in dat schoone liedHet daghet uit den Oosten, dat hier eene plaats moge vinden, als een der liefelijkste overblijfselen van onze middeleeuwsche, lyrische poëzie; dat nog niet geheel vergeten lied der trouwe minne:—“Het daghet uit den oosten,“het licht schijnt overal;“hoe weinich weet de liefste,“waer dat ic henen sal.“Warent al mijn vrinden,“dat myn vyanden syn,“ic voerde u uitter lande,“myn troest, myn minnekyn!”——“Werwaerts wout ghy my voeren,“stout ridder, wel ghemoet?”——“Al onder de linde groene,“myn troest, myn waerde goet!”——“Ic ligghe in myn liefs armen,“met groot eerwaerdicheit;“ic ligghe in myn liefs armen,“stout ridder, wel ghemoet.”—“Licht ghy in u liefs armen?“Bylo! dat is niet waer.“Gaet onder de linde groene:“verslaghen so leit hy daer!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al tot den lindeboom groene,daer si hem verslaghen vant.—“Och, lichdy hier verslaghen,“versmoort al in u bloet!—“Dat hevet u gedaen u roemen,“en uwen hoghen moet!“Och, lichdy hier verslaghen,“die my te troesten plach!“Wat hebdy my naghelaten,“so menich droeven dach!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al voor haers vaders poerte,die si der ghesloten vant.—“En is hier niemant inne,“noch heer, noch edelman,“die mij nu desen dooden“ter aerden helpen can?”—Die heren sweghen stille,si en gaven geen geluut;Doe keerde die joncfrou haer omme,si ghinc al wenende uut.Si nam hem in hare armen;si custe hem den mont;si custe hem gheen corter wilen,maer also menigher stont.Met haren blonden harenwreef si hem af dat bloet;met haar cleene witte handensi sinen ooghen sloet.Met sinen blanken sweerdedat si syn grafken groef;met haer sneewitte armendat si hem ter aerden droech.Met haren blanken handendat si dat belleken clanc;met hare suete heldere keledat si vigilien sanc.—“Nu willic mi begheven“in een clein cloosterkyn;“ende draghen die swarte wilen (sluier),“ter eeren des liefsten mijn.”2Dit roerend schoone, in zijn naïeven eenvoud zoo treffend lied, dat de vrome Geertruida van Voorburg, begijntje te Delft, dagelijks plach te zingen, zoodat zij er den bijnaam van Sinte-Geertruide van Oosten aan dankt;—het kwam mij op dezen fraaien, verkwikkenden zomerdag weer in de gedachte, bij het aanschouwen dier groene linden, de geur van wier welriekende bloesems de lucht vervulde. En gij, lezer der negentiende eeuw, en als kind van uw tijd waarschijnlijk afkeerig van poëzie, gij duidt het niet ten kwade, dat wij hier, te midden der eeuwig jeugdige, onveranderlijke natuur, u dit oude lied voorzingen, waar, uit iederen regel, u de volle frissche, onsterfelijke waarheid van het menschenhart tegenademt. Niet waar, zulke poëzie wordt nooit oud.Maar wij zijn op weg naar Kruiningen, en de drukte van wagens en volgepropte rijtuigen op den weg ontvoert ons weldra aan de middeleeuwen, en brengt ons terug naar het heden. Het was langzamerhand avond geworden, toen wij aan het dorp kwamen; waar wij nog alles in de weer vonden. Er werd gepoetst, geplast, geschrobd, geboend; het stroomde water langs de stoepen en straatsteenen, in de voorhuizen en van de trappen; al het koperwerk in de keukens blonk als een spiegel; al het houtwerk glom.... Van waar dit alles? Het zou morgen kermis zijn, en het dorp was bereids vol gasten. Niet dan met groote moeite, gelukte het ons een nachtverblijf te vinden.Den volgenden dag was de pret welhaast in vollen gang. De weinige kramen waren geopend, en stalden hunne waren, meest kinderspeelgoed en opschik, op de gunstigste, althans de meest in het oog vallende wijze ten toon; een goochelaar verbaasde de menigte door zijne kunsten en handgrepen; een paar koorddansers of akrobaten verrichtten hunne meer of min gevaarlijke toeren in de open lucht. Ginds was de boerenjeugd aan het koekhakken; en daar, daar wordt naar den vogel geschoten. Daar staat, boven op een hoogen paal, aan een ijzeren stang bevestigd, de zoogenaamde papegaai: een houten vogel, met een merkwaardig groot lijf en merkwaardig kleinen kop en met half uitgespreide vlerken. De schutters zijn met een boog gewapend, en moeten den vogel van den stang afschieten, wat niet zoo heel gemakkelijk is als het wel schijnt. Menigmalen draait de papegaai klirrend en knarsend om zijn as, of stuift een eind omhoog, zonder dat het gelukt hem naar beneden te doen tuimelen. Reeds menige schutter heeft zijne bekwaamheid getoond en zijne kunst beproefd; maar,al scheelde het soms ook weinig, nog niemand is het gelukt, den vogel op het juiste punt te treffen.Ge ziet het: onder de mededingers is er meer dan een, die reeds vroeger den prijs gewonnen heeft: ze zijn kenbaar aan de medailles, die hun borst versieren, en die ze bij deze gelegenheid niet verzuimd hebben om te hangen. Daar is drukte en vroolijkheid genoeg in den wijden kring, die de schutters omgeeft, en die blijkbaar groot belang stelt in den strijd. Daar nadert een nieuwe kampvechter, een die reeds menigmalen als overwinnaar uit een soortgelijken kamp mocht keeren: zijn borst prijkt met een aantal zegeteekenen. Er ontstaat beweging in de schare, als hij zich gereed maakt den boog te spannen: blijkbaar verwacht men, dat het oogenblik der beslissing thans gekomen is.De schutterkoning.De schutterkoning.De kloeke jonkman stelt zich in postuur; hij spant den boog en mikt. Daar trilt de pees; daar snort de pijl snerpend door de lucht, en treft den houten vogel. Deze maakt snel eene draaiende beweging, vliegt omhoog, boven de ijzeren punt uit, en ploft ter aarde, op vrij verren afstand van den paal. Een daverend gejuich gaat op uit de menigte, en groet den overwinnaar, die voor het volgende jaar schutterkoning zal zijn. Het teeken zijner waardigheid, een zilveren vogel, wordt hem aan een lint om den hals gehangen, en hij in triomf naar de herberg gedragen, waar hij natuurlijk trakteeren moet. Wie weet, misschien volgt er straks wel een maaltijd voor de schutters in de dorpsherberg;—de maaltijden der schuttersgilden plachten van ouds beroemd te zijn om hun weelderigen overvloed.Vroeger behoorden bij zulk een boerenkermis nog andere vermaken, zoo als katknuppelen, gans- of palingtrekken en dergelijken, die in den laatsten tijd meer en meer in onbruik zijn geraakt: iets, waarover men zich niet dan verheugen kan, want het martelen van weerlooze dieren is, in vollen nadruk, eenbarbaarsch vermaak, dat in alle opzichten een verderfelijken invloed moet uitoefenen. Dat het volk, in krachtige, mannelijke spelen, ook al hebben ze geen dadelijk praktisch nut,zijn spieren stale en zijn zintuigen oefene, zich een vast oog en eene vaste hand verwerve;—uitnemend; maar dat het zich niet daarbij verdierlijke. En opdat het dit niet doe, ontwikkel en veredel zijne verbeelding, zoodat het zich kunne verplaatsen in den toestand, ook van het sprakelooze schepsel, dat door zijne schuld gemarteld wordt. Van deze veredeling en verheffing van gevoel en verbeelding is, ook in dit opzicht als in zoo menig ander, naar mijne vaste overtuiging, veel meer te wachten dan van louter verstandelijk onderwijs, waarmede—de ondervinding bewijst het dagelijks—iedere graad van zedelijke verdorvenheid kan gepaard gaan:—omdat, ja omdat kennis en zedelijkheid nu eenmaal twee zaken zijn, die veel minder met elkander hebben uit te staan, dan onze eeuw, in noodlottige en gevaarvolle verblinding, wel meent. Tot hare groote schade, vergeet zij steeds meer het diepzinnig woord van den ouden wijze: bewaar uw hart boven alles wat te bewaren is, want dáár—en niet in het hoofd, in het verstand—zijn de uitgangen des levens.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.Van Kruiningen wandelen wij naar Krabbendijke, een dorp, als vele andere zeeuwsche dorpen, ter wederzijde van den dijk gebouwd, die hier als elders tevens de hoofdstraat vormt. Bijna alle huizen staan in twee rijen naast elkander. De roode en witte vensterluiken vervangen de groene en gele; en in plaats van linden, ziet ge hier pereboomen, langs staketsels geleid, en zoo gesnoeid, verwrongen en verdraaid, dat de takken een soort van parallelogram vormen. Eene ten platten lande vrij algemeene, maar niettemin zeer leelijke mode.Een der woningen in het dorp is gesloten, en tegen den buitenmuur ligt een groote hoop stroobossen opgestapeld. Wij weten reeds wat dat beduidt, maar willen toch een of anderen dorpeling ondervragen; misschien dat we van hem nog eenige minder bekende bijzonderheden vernemen.Daar zit, voor zijn opengeschoven raam, een kleermaker ijverig te werken, hij zal ons wel vertellen wat we weten willen: de lieden van de naald, zegt men, zijn praatziek. Ik zie hem nog voor mij, dien kleermaker, in gesprek met een paar aardige boerinnetjes, die van het veld huiswaarts keerden. Een origineele figuur: alles was even klein aan en om hem. Het kamertje, waarin hij zat, was klein; klein waren zijne armen en beenen; klein en pieperig was zijne stem: klein zijn knijpbrilletje op zijn puntig neusje: toch zag hij er opgewekt en schalks genoeg uit. Stellig zal hij ons te woord staan.Aha! hij heeft ons reeds zien aankomen, en kijkt ons aan met zijne kleine, levendige, zwarte oogen: echter gaat hij rustig voort met naaien, en ziet tevens scherp toe op den kleinen knaap, die hem bij den arbeid behulpzaam is. Wij naderen het venster; en wijzende op het gesloten huis, vraag ik den kleermaker:“Wat beduidt dat stroo?—Dat stroo; da’s een dooie.—Zoo, onder dat stroo?—Nèë, in ’t ’uus. Van waer kommen gulli, dat ge datte niet en wèët?—Ja, wij komen ver van hier; maar vertel ons eens, wat dat stroo met den doode te maken heeft.—Wel, antwoordt de kleermaker, dien wij nu maar verder gewoon hollandsch zullen laten spreken; wel, als er hier bij de boeren iemand sterft, dan gaan de arbeiders in de schuur stroo halen, binden dat tot bossen, en stapelen die bossen op een hoop, hetzij voor den hoofdingang der woning, hetzij voor het hekvan het land. Die hoop is meer of minder hoog, naar gelang van den ouderdom van den overledene. Ge ziet daar een zeer grooten hoop: de man was dan ook vijf-en-tachtig jaar oud.”Toen eensklaps zich tot den jongen wendende, die, natuurlijk, zijn oogen niet van ons af had, en het strijkijzer koud liet worden:“Waar heb jij zoo naar te kijken, bengel? Maak voort met je werk en vergeet je ijzer niet.”Daarop keerde hij zich weer tot mij, en vervolgde:“Is de overledene ongetrouwd, dan steekt men een palmtakje in het stroo. Ziet ge daar dien knecht wel, die de deur uitkomt? Die is er niet kwaad aan toe. Hij moet de tijding van het overlijden aan al de bloedverwanten gaan mededeelen, zelfs aan hen, die twee of drie mijlen hier vandaan wonen. Ieder van deze verwanten moet den boodschapper te eten geven, waaraan ook niemand zich onttrekt. Die snuiter zal van daag, binnen drie of vier uren, vijf of zes maal achtereen zijn buik kunnen vullen.“Twee dienstmeiden zijn op dit oogenblik bezig, den doode af te leggen. Zij trekken hem een opzettelijk daarvoor bestemd schoon hemd aan, wikkelen hem daarna in een laken, en leggen het lijk op stroo. De anderen zijn bezig met het in orde maken der rouwkleeren: want er is daar volk genoeg in huis, zoodat ze alles zelven kunnen doen. Voor het maken van den rouw hebben zij tweemaal vier-en-twintig uren tijd. Inmiddels zorgen de vrouwen voor het noodige om de familie en vrienden te onthalen, die bij de begrafenis tegenwoordig zullen zijn.“Als ge nu in het huis kondt binnentreden, zoudt ge zien, dat al de schilderijen en al de spiegels tegen den wand omgekeerd zijn; dat al de klokken stilstaan, en de schoorsteenmantels zijn ontdaan van de schalen en borden en pullen, waarmede ze anders prijken.“Zoo de heeren nog een paar dagen hier bleven, dan zouden zij ook de begrafenis kunnen bijwonen. Dan zouden ze ’s morgens de bloedverwanten en vrienden met hunne vrouwen, in rouwgewaad, zien komen, en zich aanstellen of zij zeer bedroefd waren, schoon ik overtuigd ben, dat niemand van hem hield, den ouden vrek, die, hoe rijk hij ook was, niemand iets gunde. Hij onthield zijn volk het noodige, en was te trotsch om met hen aan dezelfde tafel te eten.“Maar die tranen zullen daar binnen wel gauw gedroogd zijn. In de groote kamer zijn banken en tafels gereed gezet; de mannen plaatsen zich aan de eene zijde, de vrouwen aan de andere. Op de tafels voor de mannen en de vrouwen staan groote koffiekannen en reusachtige borden met stapels boterhammen. Hoe zij zich daaraan zullen te goed doen! Die het ergst bedroefd zijn, eten er althans een dozijn: de anderen nog meer, zooveel zij maar bergen kunnen. Op de tafel voor de mannen staat tabak, heel fijn gesneden, en liggen lange pijpen gereed. In afwachting van de begrafenis, wordt er gerookt en gepraat.—Vroeger mochten de boeren, gedurende den rouwtijd, niet anders eten dan wat wit en zwart was: karnemelk met krenten, bij voorbeeld, en schol, omdat het vel van dien visch zwart is.“Met het slaan van twaalven gaat men uit ter begrafenis. Eerst heeft men de friesche klok, die stilstond, weer aan den gang gemaakt, om het juiste uur aan te geven, waarop het lijk moet worden uitgedragen. Zoodra de klok twaalf geslagen heeft, staan de mannen op, en binden zich een krippen rouwband en lamfer om den hoed. De vrouwen krijgen een witten zakdoek, om hare tranen mede af te drogen. Zij houden die doeken ook zorgvuldig voor haar gezicht—want, o, ze zijn zoo innig bedroefd! Vroeger kregen ze kleine kommetjes om haar tranen in op te vangen.... De kommetjes waren altijd ledig!“Dan komt de lezer van de rouwrolle binnen, ook met een grooten lamfer aan zijn hoed. Hij houdt een stuk papier met een rouwrand in de hand, en begint, op somberen toon, te lezen:“De bloedverwanten en vrienden worden verzocht acht te geven op het aflezen hunner namen, en in die volgorde het lijk te volgen van...., overleden den 10denJuni, des morgens ten negen uur, in den ouderdom van vijf-en-tachtig jaren, een maand en zeven dagen.”“Dan worden al de namen afgelezen, en komen ze allen achtervolgens te voorschijn, de verwanten, de vrienden, met hunne vrouwen. Allen hebben hun gelegenheidsgezicht aangetrokken; maar de eenigen, die in waarheid bedroefd zijn, dat zullen wel de twee zoons van den overledene zijn, schoon hij die ook niet heeft behandeld, zoo als het wel behoorde. Maar het zijn brave jongens, die hun vader eerden. Verder zoudt ge in den stoet opmerken, den voorman, die de plechtigheid regelt; den dominee, die hier niet ontbreken mag, en doorgaans ook den meester of dokter; benevens den lezer van de rouwrolle, die straks als rouwsluiter zal optreden.“De dragers, die gereed staan, nemen de baar op, en wandelen langzaam naar het kerkhof, gevolgd door den ganschen stoet, uit minstens vijftig personen bestaande. Op het kerkhof wacht hen de doodgraver. Hij neemt zijn hoed van zijn hoofd, en zijn pruim uit zijn mond, en zegt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Ik zal voor het overige zorgen.”En hij zorgt dan ook voor het overige: namelijk, voor de ter aarde bestelling van het lijk. De stoet keert in dezelfde orde weer terug. Aan het sterfhuis gekomen, houdt de voorman voor de deur stil, en zegt nu op zijn beurt:“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Zij worden verzocht binnen te komen.”“Aan die uitnoodiging wordt gevolg gegeven. De lijkdienaars, die het lijk gedragen hebben, worden in de eene kamer ontvangen; de bloedverwanten en vrienden in een andere. Allen worden nu onthaald op aardappelen met brood en zoutevisch. Voor de maaltijd begint, doet de dominee het gebed, waarbij de mannen hunne hoeden voor de oogen houden, en zich althans den schijn geven van mede te bidden. Duurt het gebed wat lang, dan beginnen zij te hunkeren naar deaardappelen en de zoutevisch. Eindelijk zegt de domineeamen, en nu valt ieder op de welvoorziene schotels aan. Als hij er nu nog lust in hoeft, dan mag dominee verder praten, zoo lang hij verkiest.“Na den eten zal hij wederom bidden of danken, en vervolgens een hoofdstuk uit den Bijbel voorlezen. Is dat afgeloopen, dan gaat de dominee weg, met den dokter. Nauwelijks zijn zij vertrokken, of het gesprek loopt nu verder uitsluitend over den landbouw en over het vee. Vervolgens gebruiken al de genoodigden nog een kop thee met een boterham. Eindelijk, tusschen vijf en zes uren, is de plechtigheid afgeloopen, en keert ieder naar zijne woning terug.”De kleermaker had uitgesproken: wij waren nu geheel op de hoogte van eene zeeuwsche boerebegrafenis. Wij dankten hem voor de gegeven inlichtingen, gaven den jongen een paar kwartjes, en vervolgden onze wandeling.

Wij hebben een heel eind weegs af te leggen: wij willen nog voor den avond te Kruiningen zijn, om daar te overnachten. Alzoo vroegtijdig op marsch.

Het is een heerlijke, frissche zomermorgen: kleine zilveren wolkjes drijven langs den azuren hemel, en vroolijk giet de zon hare stralen uit over het ernstige, liefelijke landschap: weilanden, bloeiende akkers, waarop graan en vlas en boekweit elkander afwisselen, en bevallige boomgaarden, wier donker groen zich krachtig afteekent tegen de heldere lucht, en waar het zwellende ooft tusschen de bladeren rijpt.

Een breede, goed onderhouden, fraai beplante straatweg voert ons midden door akkers en gaarden, langs hoeven en boerenwoningen, met hare groen en wit of groen en rood geschilderde vensterluiken en stijve tuintjes, vol zonnebloemen en papavers. Zoo bereiken wij het fraaie dorp Kloetinge, met zijne statige kerk en heerenhuizinge; en verder, na eene wandeling van ruim een uur, Kapelle, een niet minder aanzienlijk dorp, welks groote ruime kerk met een hoogen toren prijkt. Biezelingen en Schore, waarlangs de weg verder loopt, zijn van minder beteekenis, vooral het laatste.

Ik heb natuurlijk niet noodig, u al deze dorpen afzonderlijk te beschrijven. Zij hebben zeker ieder hunne eigenaardigheid, maar gelijken toch ook sterk op elkander. Van verre herkent gij ze meest allen aan den zwaren hoogen toren der kerk, doorgaans een monument uit de vijftiende eeuw, toen Zeeland welhaast het toppunt van welvaart en bloei had bereikt, waarvan het in de volgende eeuw, met hare vele en geduchte rampen, zoo van watervloeden als van oorlogsgeweld, zoo droevig zou afdalen. Naderbij komende, ontwaart ge rondom de kerk, half tusschen het geboomte verscholen, een groep huizen met donkerroode daken; in het rond, akkers en weilanden, door enkele grijsachtig gele stoffige wegen doorsneden. Treedt ge het dorp binnen, dan vindt ge doorgaans een pleintje, waarop, in den regel, de kerk staat, zeer dikwijls in een krans van geboomte, dat het nederige kerkhof overschaduwt: en voorts, in het midden van het pleintje, een oude linde, om welks stam een bank is geplaatst, de zoogenoemde klapbank, de geliefkoosde zitplaats van minnende paartjes, die daar, in den liefelijken avondstond, plegen te keuvelen. De lindeboom was, bij de oude Germanen, een heilige boom, aan Freya gewijd, de godin der liefde; ook aan Holle, de godin der gerechtigheid. Onder den lindeboom namen de rechters plaats om recht te spreken; de lindeboom prijkte in later eeuw voor de poort van het kasteel, voor de kerk, op het dorpsplein, op de viersprongen in de velden, waar hij in vroeger tijden, en in katholieke landen nog wel, gemeenlijk het beeld droeg van Onze Lieve Vrouwe. Telkens verplaatsen ons de oud-duitsche en oud-nederlandsche sproken, legenden en liederen onder of bij een lindeboom, die altijd in het duister bewustzijn des volks nog iets van zijne vroegere heiligheid en eerbiedwaardigheid behouden heeft. Is het niet wederom de linde, die een eigenaardige rol speelt in zoo menig minnelied; met name in dat schoone liedHet daghet uit den Oosten, dat hier eene plaats moge vinden, als een der liefelijkste overblijfselen van onze middeleeuwsche, lyrische poëzie; dat nog niet geheel vergeten lied der trouwe minne:

—“Het daghet uit den oosten,“het licht schijnt overal;“hoe weinich weet de liefste,“waer dat ic henen sal.“Warent al mijn vrinden,“dat myn vyanden syn,“ic voerde u uitter lande,“myn troest, myn minnekyn!”——“Werwaerts wout ghy my voeren,“stout ridder, wel ghemoet?”——“Al onder de linde groene,“myn troest, myn waerde goet!”——“Ic ligghe in myn liefs armen,“met groot eerwaerdicheit;“ic ligghe in myn liefs armen,“stout ridder, wel ghemoet.”—“Licht ghy in u liefs armen?“Bylo! dat is niet waer.“Gaet onder de linde groene:“verslaghen so leit hy daer!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al tot den lindeboom groene,daer si hem verslaghen vant.—“Och, lichdy hier verslaghen,“versmoort al in u bloet!—“Dat hevet u gedaen u roemen,“en uwen hoghen moet!“Och, lichdy hier verslaghen,“die my te troesten plach!“Wat hebdy my naghelaten,“so menich droeven dach!”—De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al voor haers vaders poerte,die si der ghesloten vant.—“En is hier niemant inne,“noch heer, noch edelman,“die mij nu desen dooden“ter aerden helpen can?”—Die heren sweghen stille,si en gaven geen geluut;Doe keerde die joncfrou haer omme,si ghinc al wenende uut.Si nam hem in hare armen;si custe hem den mont;si custe hem gheen corter wilen,maer also menigher stont.Met haren blonden harenwreef si hem af dat bloet;met haar cleene witte handensi sinen ooghen sloet.Met sinen blanken sweerdedat si syn grafken groef;met haer sneewitte armendat si hem ter aerden droech.Met haren blanken handendat si dat belleken clanc;met hare suete heldere keledat si vigilien sanc.—“Nu willic mi begheven“in een clein cloosterkyn;“ende draghen die swarte wilen (sluier),“ter eeren des liefsten mijn.”2

—“Het daghet uit den oosten,“het licht schijnt overal;“hoe weinich weet de liefste,“waer dat ic henen sal.

—“Het daghet uit den oosten,

“het licht schijnt overal;

“hoe weinich weet de liefste,

“waer dat ic henen sal.

“Warent al mijn vrinden,“dat myn vyanden syn,“ic voerde u uitter lande,“myn troest, myn minnekyn!”—

“Warent al mijn vrinden,

“dat myn vyanden syn,

“ic voerde u uitter lande,

“myn troest, myn minnekyn!”—

—“Werwaerts wout ghy my voeren,“stout ridder, wel ghemoet?”——“Al onder de linde groene,“myn troest, myn waerde goet!”—

—“Werwaerts wout ghy my voeren,

“stout ridder, wel ghemoet?”—

—“Al onder de linde groene,

“myn troest, myn waerde goet!”—

—“Ic ligghe in myn liefs armen,“met groot eerwaerdicheit;“ic ligghe in myn liefs armen,“stout ridder, wel ghemoet.”

—“Ic ligghe in myn liefs armen,

“met groot eerwaerdicheit;

“ic ligghe in myn liefs armen,

“stout ridder, wel ghemoet.”

—“Licht ghy in u liefs armen?“Bylo! dat is niet waer.“Gaet onder de linde groene:“verslaghen so leit hy daer!”—

—“Licht ghy in u liefs armen?

“Bylo! dat is niet waer.

“Gaet onder de linde groene:

“verslaghen so leit hy daer!”—

De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al tot den lindeboom groene,daer si hem verslaghen vant.

De joncfrou nam haer mantel,

en si ginc enen ganc,

al tot den lindeboom groene,

daer si hem verslaghen vant.

—“Och, lichdy hier verslaghen,“versmoort al in u bloet!—“Dat hevet u gedaen u roemen,“en uwen hoghen moet!

—“Och, lichdy hier verslaghen,

“versmoort al in u bloet!—

“Dat hevet u gedaen u roemen,

“en uwen hoghen moet!

“Och, lichdy hier verslaghen,“die my te troesten plach!“Wat hebdy my naghelaten,“so menich droeven dach!”—

“Och, lichdy hier verslaghen,

“die my te troesten plach!

“Wat hebdy my naghelaten,

“so menich droeven dach!”—

De joncfrou nam haer mantel,en si ginc enen ganc,al voor haers vaders poerte,die si der ghesloten vant.

De joncfrou nam haer mantel,

en si ginc enen ganc,

al voor haers vaders poerte,

die si der ghesloten vant.

—“En is hier niemant inne,“noch heer, noch edelman,“die mij nu desen dooden“ter aerden helpen can?”—

—“En is hier niemant inne,

“noch heer, noch edelman,

“die mij nu desen dooden

“ter aerden helpen can?”—

Die heren sweghen stille,si en gaven geen geluut;Doe keerde die joncfrou haer omme,si ghinc al wenende uut.

Die heren sweghen stille,

si en gaven geen geluut;

Doe keerde die joncfrou haer omme,

si ghinc al wenende uut.

Si nam hem in hare armen;si custe hem den mont;si custe hem gheen corter wilen,maer also menigher stont.

Si nam hem in hare armen;

si custe hem den mont;

si custe hem gheen corter wilen,

maer also menigher stont.

Met haren blonden harenwreef si hem af dat bloet;met haar cleene witte handensi sinen ooghen sloet.

Met haren blonden haren

wreef si hem af dat bloet;

met haar cleene witte handen

si sinen ooghen sloet.

Met sinen blanken sweerdedat si syn grafken groef;met haer sneewitte armendat si hem ter aerden droech.

Met sinen blanken sweerde

dat si syn grafken groef;

met haer sneewitte armen

dat si hem ter aerden droech.

Met haren blanken handendat si dat belleken clanc;met hare suete heldere keledat si vigilien sanc.

Met haren blanken handen

dat si dat belleken clanc;

met hare suete heldere kele

dat si vigilien sanc.

—“Nu willic mi begheven“in een clein cloosterkyn;“ende draghen die swarte wilen (sluier),“ter eeren des liefsten mijn.”2

—“Nu willic mi begheven

“in een clein cloosterkyn;

“ende draghen die swarte wilen (sluier),

“ter eeren des liefsten mijn.”2

Dit roerend schoone, in zijn naïeven eenvoud zoo treffend lied, dat de vrome Geertruida van Voorburg, begijntje te Delft, dagelijks plach te zingen, zoodat zij er den bijnaam van Sinte-Geertruide van Oosten aan dankt;—het kwam mij op dezen fraaien, verkwikkenden zomerdag weer in de gedachte, bij het aanschouwen dier groene linden, de geur van wier welriekende bloesems de lucht vervulde. En gij, lezer der negentiende eeuw, en als kind van uw tijd waarschijnlijk afkeerig van poëzie, gij duidt het niet ten kwade, dat wij hier, te midden der eeuwig jeugdige, onveranderlijke natuur, u dit oude lied voorzingen, waar, uit iederen regel, u de volle frissche, onsterfelijke waarheid van het menschenhart tegenademt. Niet waar, zulke poëzie wordt nooit oud.

Maar wij zijn op weg naar Kruiningen, en de drukte van wagens en volgepropte rijtuigen op den weg ontvoert ons weldra aan de middeleeuwen, en brengt ons terug naar het heden. Het was langzamerhand avond geworden, toen wij aan het dorp kwamen; waar wij nog alles in de weer vonden. Er werd gepoetst, geplast, geschrobd, geboend; het stroomde water langs de stoepen en straatsteenen, in de voorhuizen en van de trappen; al het koperwerk in de keukens blonk als een spiegel; al het houtwerk glom.... Van waar dit alles? Het zou morgen kermis zijn, en het dorp was bereids vol gasten. Niet dan met groote moeite, gelukte het ons een nachtverblijf te vinden.

Den volgenden dag was de pret welhaast in vollen gang. De weinige kramen waren geopend, en stalden hunne waren, meest kinderspeelgoed en opschik, op de gunstigste, althans de meest in het oog vallende wijze ten toon; een goochelaar verbaasde de menigte door zijne kunsten en handgrepen; een paar koorddansers of akrobaten verrichtten hunne meer of min gevaarlijke toeren in de open lucht. Ginds was de boerenjeugd aan het koekhakken; en daar, daar wordt naar den vogel geschoten. Daar staat, boven op een hoogen paal, aan een ijzeren stang bevestigd, de zoogenaamde papegaai: een houten vogel, met een merkwaardig groot lijf en merkwaardig kleinen kop en met half uitgespreide vlerken. De schutters zijn met een boog gewapend, en moeten den vogel van den stang afschieten, wat niet zoo heel gemakkelijk is als het wel schijnt. Menigmalen draait de papegaai klirrend en knarsend om zijn as, of stuift een eind omhoog, zonder dat het gelukt hem naar beneden te doen tuimelen. Reeds menige schutter heeft zijne bekwaamheid getoond en zijne kunst beproefd; maar,al scheelde het soms ook weinig, nog niemand is het gelukt, den vogel op het juiste punt te treffen.

Ge ziet het: onder de mededingers is er meer dan een, die reeds vroeger den prijs gewonnen heeft: ze zijn kenbaar aan de medailles, die hun borst versieren, en die ze bij deze gelegenheid niet verzuimd hebben om te hangen. Daar is drukte en vroolijkheid genoeg in den wijden kring, die de schutters omgeeft, en die blijkbaar groot belang stelt in den strijd. Daar nadert een nieuwe kampvechter, een die reeds menigmalen als overwinnaar uit een soortgelijken kamp mocht keeren: zijn borst prijkt met een aantal zegeteekenen. Er ontstaat beweging in de schare, als hij zich gereed maakt den boog te spannen: blijkbaar verwacht men, dat het oogenblik der beslissing thans gekomen is.

De schutterkoning.De schutterkoning.

De schutterkoning.

De kloeke jonkman stelt zich in postuur; hij spant den boog en mikt. Daar trilt de pees; daar snort de pijl snerpend door de lucht, en treft den houten vogel. Deze maakt snel eene draaiende beweging, vliegt omhoog, boven de ijzeren punt uit, en ploft ter aarde, op vrij verren afstand van den paal. Een daverend gejuich gaat op uit de menigte, en groet den overwinnaar, die voor het volgende jaar schutterkoning zal zijn. Het teeken zijner waardigheid, een zilveren vogel, wordt hem aan een lint om den hals gehangen, en hij in triomf naar de herberg gedragen, waar hij natuurlijk trakteeren moet. Wie weet, misschien volgt er straks wel een maaltijd voor de schutters in de dorpsherberg;—de maaltijden der schuttersgilden plachten van ouds beroemd te zijn om hun weelderigen overvloed.

Vroeger behoorden bij zulk een boerenkermis nog andere vermaken, zoo als katknuppelen, gans- of palingtrekken en dergelijken, die in den laatsten tijd meer en meer in onbruik zijn geraakt: iets, waarover men zich niet dan verheugen kan, want het martelen van weerlooze dieren is, in vollen nadruk, eenbarbaarsch vermaak, dat in alle opzichten een verderfelijken invloed moet uitoefenen. Dat het volk, in krachtige, mannelijke spelen, ook al hebben ze geen dadelijk praktisch nut,zijn spieren stale en zijn zintuigen oefene, zich een vast oog en eene vaste hand verwerve;—uitnemend; maar dat het zich niet daarbij verdierlijke. En opdat het dit niet doe, ontwikkel en veredel zijne verbeelding, zoodat het zich kunne verplaatsen in den toestand, ook van het sprakelooze schepsel, dat door zijne schuld gemarteld wordt. Van deze veredeling en verheffing van gevoel en verbeelding is, ook in dit opzicht als in zoo menig ander, naar mijne vaste overtuiging, veel meer te wachten dan van louter verstandelijk onderwijs, waarmede—de ondervinding bewijst het dagelijks—iedere graad van zedelijke verdorvenheid kan gepaard gaan:—omdat, ja omdat kennis en zedelijkheid nu eenmaal twee zaken zijn, die veel minder met elkander hebben uit te staan, dan onze eeuw, in noodlottige en gevaarvolle verblinding, wel meent. Tot hare groote schade, vergeet zij steeds meer het diepzinnig woord van den ouden wijze: bewaar uw hart boven alles wat te bewaren is, want dáár—en niet in het hoofd, in het verstand—zijn de uitgangen des levens.

De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.

De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes.

Van Kruiningen wandelen wij naar Krabbendijke, een dorp, als vele andere zeeuwsche dorpen, ter wederzijde van den dijk gebouwd, die hier als elders tevens de hoofdstraat vormt. Bijna alle huizen staan in twee rijen naast elkander. De roode en witte vensterluiken vervangen de groene en gele; en in plaats van linden, ziet ge hier pereboomen, langs staketsels geleid, en zoo gesnoeid, verwrongen en verdraaid, dat de takken een soort van parallelogram vormen. Eene ten platten lande vrij algemeene, maar niettemin zeer leelijke mode.

Een der woningen in het dorp is gesloten, en tegen den buitenmuur ligt een groote hoop stroobossen opgestapeld. Wij weten reeds wat dat beduidt, maar willen toch een of anderen dorpeling ondervragen; misschien dat we van hem nog eenige minder bekende bijzonderheden vernemen.

Daar zit, voor zijn opengeschoven raam, een kleermaker ijverig te werken, hij zal ons wel vertellen wat we weten willen: de lieden van de naald, zegt men, zijn praatziek. Ik zie hem nog voor mij, dien kleermaker, in gesprek met een paar aardige boerinnetjes, die van het veld huiswaarts keerden. Een origineele figuur: alles was even klein aan en om hem. Het kamertje, waarin hij zat, was klein; klein waren zijne armen en beenen; klein en pieperig was zijne stem: klein zijn knijpbrilletje op zijn puntig neusje: toch zag hij er opgewekt en schalks genoeg uit. Stellig zal hij ons te woord staan.

Aha! hij heeft ons reeds zien aankomen, en kijkt ons aan met zijne kleine, levendige, zwarte oogen: echter gaat hij rustig voort met naaien, en ziet tevens scherp toe op den kleinen knaap, die hem bij den arbeid behulpzaam is. Wij naderen het venster; en wijzende op het gesloten huis, vraag ik den kleermaker:

“Wat beduidt dat stroo?

—Dat stroo; da’s een dooie.

—Zoo, onder dat stroo?

—Nèë, in ’t ’uus. Van waer kommen gulli, dat ge datte niet en wèët?

—Ja, wij komen ver van hier; maar vertel ons eens, wat dat stroo met den doode te maken heeft.

—Wel, antwoordt de kleermaker, dien wij nu maar verder gewoon hollandsch zullen laten spreken; wel, als er hier bij de boeren iemand sterft, dan gaan de arbeiders in de schuur stroo halen, binden dat tot bossen, en stapelen die bossen op een hoop, hetzij voor den hoofdingang der woning, hetzij voor het hekvan het land. Die hoop is meer of minder hoog, naar gelang van den ouderdom van den overledene. Ge ziet daar een zeer grooten hoop: de man was dan ook vijf-en-tachtig jaar oud.”

Toen eensklaps zich tot den jongen wendende, die, natuurlijk, zijn oogen niet van ons af had, en het strijkijzer koud liet worden:

“Waar heb jij zoo naar te kijken, bengel? Maak voort met je werk en vergeet je ijzer niet.”

Daarop keerde hij zich weer tot mij, en vervolgde:

“Is de overledene ongetrouwd, dan steekt men een palmtakje in het stroo. Ziet ge daar dien knecht wel, die de deur uitkomt? Die is er niet kwaad aan toe. Hij moet de tijding van het overlijden aan al de bloedverwanten gaan mededeelen, zelfs aan hen, die twee of drie mijlen hier vandaan wonen. Ieder van deze verwanten moet den boodschapper te eten geven, waaraan ook niemand zich onttrekt. Die snuiter zal van daag, binnen drie of vier uren, vijf of zes maal achtereen zijn buik kunnen vullen.

“Twee dienstmeiden zijn op dit oogenblik bezig, den doode af te leggen. Zij trekken hem een opzettelijk daarvoor bestemd schoon hemd aan, wikkelen hem daarna in een laken, en leggen het lijk op stroo. De anderen zijn bezig met het in orde maken der rouwkleeren: want er is daar volk genoeg in huis, zoodat ze alles zelven kunnen doen. Voor het maken van den rouw hebben zij tweemaal vier-en-twintig uren tijd. Inmiddels zorgen de vrouwen voor het noodige om de familie en vrienden te onthalen, die bij de begrafenis tegenwoordig zullen zijn.

“Als ge nu in het huis kondt binnentreden, zoudt ge zien, dat al de schilderijen en al de spiegels tegen den wand omgekeerd zijn; dat al de klokken stilstaan, en de schoorsteenmantels zijn ontdaan van de schalen en borden en pullen, waarmede ze anders prijken.

“Zoo de heeren nog een paar dagen hier bleven, dan zouden zij ook de begrafenis kunnen bijwonen. Dan zouden ze ’s morgens de bloedverwanten en vrienden met hunne vrouwen, in rouwgewaad, zien komen, en zich aanstellen of zij zeer bedroefd waren, schoon ik overtuigd ben, dat niemand van hem hield, den ouden vrek, die, hoe rijk hij ook was, niemand iets gunde. Hij onthield zijn volk het noodige, en was te trotsch om met hen aan dezelfde tafel te eten.

“Maar die tranen zullen daar binnen wel gauw gedroogd zijn. In de groote kamer zijn banken en tafels gereed gezet; de mannen plaatsen zich aan de eene zijde, de vrouwen aan de andere. Op de tafels voor de mannen en de vrouwen staan groote koffiekannen en reusachtige borden met stapels boterhammen. Hoe zij zich daaraan zullen te goed doen! Die het ergst bedroefd zijn, eten er althans een dozijn: de anderen nog meer, zooveel zij maar bergen kunnen. Op de tafel voor de mannen staat tabak, heel fijn gesneden, en liggen lange pijpen gereed. In afwachting van de begrafenis, wordt er gerookt en gepraat.—Vroeger mochten de boeren, gedurende den rouwtijd, niet anders eten dan wat wit en zwart was: karnemelk met krenten, bij voorbeeld, en schol, omdat het vel van dien visch zwart is.

“Met het slaan van twaalven gaat men uit ter begrafenis. Eerst heeft men de friesche klok, die stilstond, weer aan den gang gemaakt, om het juiste uur aan te geven, waarop het lijk moet worden uitgedragen. Zoodra de klok twaalf geslagen heeft, staan de mannen op, en binden zich een krippen rouwband en lamfer om den hoed. De vrouwen krijgen een witten zakdoek, om hare tranen mede af te drogen. Zij houden die doeken ook zorgvuldig voor haar gezicht—want, o, ze zijn zoo innig bedroefd! Vroeger kregen ze kleine kommetjes om haar tranen in op te vangen.... De kommetjes waren altijd ledig!

“Dan komt de lezer van de rouwrolle binnen, ook met een grooten lamfer aan zijn hoed. Hij houdt een stuk papier met een rouwrand in de hand, en begint, op somberen toon, te lezen:

“De bloedverwanten en vrienden worden verzocht acht te geven op het aflezen hunner namen, en in die volgorde het lijk te volgen van...., overleden den 10denJuni, des morgens ten negen uur, in den ouderdom van vijf-en-tachtig jaren, een maand en zeven dagen.”

“Dan worden al de namen afgelezen, en komen ze allen achtervolgens te voorschijn, de verwanten, de vrienden, met hunne vrouwen. Allen hebben hun gelegenheidsgezicht aangetrokken; maar de eenigen, die in waarheid bedroefd zijn, dat zullen wel de twee zoons van den overledene zijn, schoon hij die ook niet heeft behandeld, zoo als het wel behoorde. Maar het zijn brave jongens, die hun vader eerden. Verder zoudt ge in den stoet opmerken, den voorman, die de plechtigheid regelt; den dominee, die hier niet ontbreken mag, en doorgaans ook den meester of dokter; benevens den lezer van de rouwrolle, die straks als rouwsluiter zal optreden.

“De dragers, die gereed staan, nemen de baar op, en wandelen langzaam naar het kerkhof, gevolgd door den ganschen stoet, uit minstens vijftig personen bestaande. Op het kerkhof wacht hen de doodgraver. Hij neemt zijn hoed van zijn hoofd, en zijn pruim uit zijn mond, en zegt:

“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Ik zal voor het overige zorgen.”

En hij zorgt dan ook voor het overige: namelijk, voor de ter aarde bestelling van het lijk. De stoet keert in dezelfde orde weer terug. Aan het sterfhuis gekomen, houdt de voorman voor de deur stil, en zegt nu op zijn beurt:

“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Zij worden verzocht binnen te komen.”

“Aan die uitnoodiging wordt gevolg gegeven. De lijkdienaars, die het lijk gedragen hebben, worden in de eene kamer ontvangen; de bloedverwanten en vrienden in een andere. Allen worden nu onthaald op aardappelen met brood en zoutevisch. Voor de maaltijd begint, doet de dominee het gebed, waarbij de mannen hunne hoeden voor de oogen houden, en zich althans den schijn geven van mede te bidden. Duurt het gebed wat lang, dan beginnen zij te hunkeren naar deaardappelen en de zoutevisch. Eindelijk zegt de domineeamen, en nu valt ieder op de welvoorziene schotels aan. Als hij er nu nog lust in hoeft, dan mag dominee verder praten, zoo lang hij verkiest.

“Na den eten zal hij wederom bidden of danken, en vervolgens een hoofdstuk uit den Bijbel voorlezen. Is dat afgeloopen, dan gaat de dominee weg, met den dokter. Nauwelijks zijn zij vertrokken, of het gesprek loopt nu verder uitsluitend over den landbouw en over het vee. Vervolgens gebruiken al de genoodigden nog een kop thee met een boterham. Eindelijk, tusschen vijf en zes uren, is de plechtigheid afgeloopen, en keert ieder naar zijne woning terug.”

De kleermaker had uitgesproken: wij waren nu geheel op de hoogte van eene zeeuwsche boerebegrafenis. Wij dankten hem voor de gegeven inlichtingen, gaven den jongen een paar kwartjes, en vervolgden onze wandeling.


Back to IndexNext