XII.Van Krabbendijke voert onze weg over Rilland naar Bath. Bath is niet meer dan een fort, eene groote kazerne, met een tolkantoor en enkele partikuliere woningen. Bloedrood en grijs zijn hier de heerschende kleuren, en de plaats zelve maakt een alles behalve aangenamen indruk. Vergoeding vindt ge hiervoor in het prachtige gezicht op den koninklijken stroom, die, van Antwerpen komende, zich juist hier in twee armen splitst. Het fort werd, na den afstand van Lillo, in het jaar 1785, gesticht. Bath werd, bij de landing der Engelschen, in 1808, door hen bezet, maar spoedig daarop weder door de Hollanders genomen. Deze laatste gebeurtenis werd door Bilderdijk verheerlijkt in een prachtigen lierzang:Sla lust- en liefdetonen,Wien dartel bloed doorstraalt!Wy zingen zegekronen,Door heldenmoed behaald!Wy zingen in de barenGeen wieg van Cythereê,Maar Hollands heldenscharen,Gerezen uit de zee!Hoe bruist het in die kolken!Hoe zwirrelt kil en vloed!Hoe trekken lucht en wolkenDit schouwspel te gemoet!Gy zult die helden dekken,(Gij nevels uit het West!)Die door de baren trekken,Door gloriezucht geprest.Of voert gy donderslagenEn bliksems in uw’ schoot?Gy zult hen niet vertsagen,Zoo min als ’t Britsche lood.Zy treden in die golvenOp ’t smal onzichtbaar pad,Van stroomen overdolven,Van zeeschuim overspat.Ja, laat uw baren schuimen,O groots doorwaadde vloed!Uw zilvren waterpluimenVersieren hun den hoed.Ziedaar den echten veder,Die Hollands krijgsliên past!De lauwer buigt zich neder,Waar deze zeepluim wast!Wat zoekt gy, watertemmers,De dood door deze dood?Ja, trotst haar, fiere zwemmers!De moed braveert den nood.Den baren uitgestegen,Als goden van het meir,Ontziet u vuur en degen,En geeft uw stoutheid eer.Ontbrandt, gij bliksemvuren,En, donders, rolt en knalt!Doorklinkt en vest en muren,De Britsche standaart valt!De Zeeleeuw is verrezen,En Hollands vlag hersteld!Het Lot is uitgewezen:De schaal van Holland helt!Laat thands de blijdschap schateren!De Zeegod doet haar stemLangs golf en deining klateren,En geeft haar tonen klem!In schaaûw van Uw banieren,Geliefde Lodewijk,Mag Holland zegevieren!Ontfang zijn vreugdeblijk!In schaaûw van die standaarden,Waarop de zege rust,Zal Holland niet ontaarden,Wordt nooit de moed gebluscht!Het legt zijn oorlogspalmenVoor Uw onwrikbren troon:En; mag het zege galmen,Het dankt het aan Uw kroon!Deze lierzang is ruim zoo belangrijk, als het feit zelf, dat hij bestemd is te verheerlijken, en dat Bilderdijk stoffe leverde voor nog een tweede, uitvoeriger gedicht:de Scheldebewoner. Immers, is het niet, als wij dezen lierzang lezen, als gold het hier een schitterende heldendaad, voor ’t minst een wapenfeit van beslissend gewicht? Welnu: toen de generaal Cort-Heiligers, met weinige manschappen, naar Zuid-Beveland overstak en Bath bezette, wist hij dat de vijand reeds in vollen aftocht was, en was het fort bereids door de Engelschen ontruimd! Merkwaardig is deze odeBath hernomen, ook in dit opzicht, als een voorbeeld te meer van de zonderlinge, bijkansnaïeveoverdrijving, waarin deze dichter—wij moeten haast aannemen, onbewust—telkens verviel. Ook maakt het een eigenaardigen, tragi-komischen indruk, in het jaar Onzes Heeren 1809, te hooren gewagen van Hollands oorlogspalmen en van de banieren van den geliefden Lodewijk, waarop de zege rust! En dan die onwrikbare troon, waarvan reeds een jaar later geen spoor meer te vinden was!.....Na een kort oponthoud te Bath, aan de uiterste landpunt van Zuid-Beveland gelegen, wandelen wij terug naar Rilland, om daar den trein af te wachten, die ons weder naar Goes voeren moet.Het is geheel avond geworden, als wij daar aankomen. Een enkele lantaarn werpt hier en daar, op de eenzame straat, een treurig, onzeker licht. Op de markt, waar de massa der groote kerk zich spookachtig en schemerend tegen den donkeren hemel afteekent, dezelfde duisternis. Uit desociëteitVan ongeneuchten vrij, de oude schuttersdoelen, klinkt ons muziek tegen en straalt een helder licht. Daar een poosje gerust en gepraat, eer wij in ons logement inkeeren en krachten verzamelen voor eene nieuwe wandeling, ditmaal in andere richting.Thans gaat de tocht in westelijke richting, naar de kleine dorpen ’s Heer-Hendrikskinderen en Wissekerke, en van daar naar het meer aanzienlijke ’s Heer-Arendskerke. Naar de legende wil, zouden deze dorpen gesticht zijn door drie broeders, Hendrik, Wisse en Arend; de eerste, overleden zijnde voor het nieuwe dorp was verrezen, werd de stichting door zijne kinderen volbracht. ’s Heer-Arendskerke is van de drie verreweg het aanzienlijkste. Wij treden hier eene vrij armelijke woning binnen, en zien, tot onze groote verbazing, dat de wanden der woonkamer behangen zijn. Gelukkig is dat nog niet algemeen ten platten lande, al begint deze mode ook meer en meer in zwang te komen. ’t Is niet te loochenen: langzamerhand verdwijnen ze, die sobere, schilderachtige binnenhuizen, met hun frissche en gedempte tonen, hunne helder witte, of wel met hout beschoten, of ook met blanke en blauw beschilderde tegeltjes bekleede wanden; zij verdwijnen langzamerhand, om plaats te maken voor leelijke, smakelooze papieren behangsels; zij gaan denzelfden weg als de mooie vilten hoeden der mannen en de karakteristieke sieraden der vrouwen. Het nieuwe kanaal en de spoorweg zullen weldra, ook hier, de zoo hoog gewaardeerde eenvormigheid in kleeding en voorkomen, in manieren en levenswijze, doen zegevieren.Een goochelaar te Kruiningen.Een goochelaar te Kruiningen.Nog een kleine tijd—en deze schilderachtig uitgedoste boeren zullen zich alle moeite geven, om zooveel mogelijk op de stedelingen te gelijken. Dan begint er eene periode van overgang, een middentoestand tusschen de oude en de nieuwe mode, waarin de wansmaak oppermachtig heerschen zal:—dat is de tijd der gemeene petten, der afschuwelijke lange jassen. Dan zullen langzamerhand de schitterende dolle kermissen verdwijnen, of althans wat aan die kermissen gloed en kleur geeft: de weelderige kleederdracht der vrouwen en meisjes, het goud van haar kapsel, het zilver van haar schoenen; en ook de fluweelen kleederen der mannen:—in één woord, verdwijnen zullen de schoonheid, de harmonie, de kleur. En wanneer dan een kunstenaar dit rijke land bereizen zal, en de oudekleederdrachten wil zien, dan zal hij zijne schreden moeten richten naar de uitdragerswinkels, waar de tooi van het oude Zeeland, in een hoek weggeworpen, vergeten zal liggen.Een kleermaker te Krabbendijke.Een kleermaker te Krabbendijke.Ten zuiden van ’s Heer-Arendskerke ligt Heinkenszand, een dorp, grootendeels door Katholieken bewoond, wier aantal in dit westelijk deel van Zuid-Beveland vrij aanzienlijk is. Dit onderscheid van geloofsbelijdenis is ook merkbaar in de kleeding. Ge ziet hier geen paarsche of blauwe wambuizen, tenzij dan voor de boeren in heelen of halven rouw. De geliefkoosde kleuren zijn hier purper en scharlaken, met groote gele bloemen. Somwijlen zijn de boeren geheel in zijde of satijn gekleed, en doen zij u denken aan sommige oostersche kleederdrachten. De vrouwen dragen nog den zoogenaamden herderinnehoed uit het laatst der vorige eeuw, eveneens met zijde gevoerd.Op de zeeuwsche dorpen, met name in die van Zuid-Beveland, vindt men doorgaans nog gezelschappen van jongelieden, die een soort van gilde, het jonkmansgilde of gilde der jeugd, vormen. Dit gilde heeft zijn eigen bestuur, zijn hoofdman, zijn secretaris, zijn bode, zijn eigen reglementen en strafbepalingen. Om lid te kunnen worden, moet men eerst voor de nationale militie geloot hebben. De nieuw aangenomene betaalt een entreegeld van negentig cents; welk bedrag tot een gulden twintig cents wordt opgevoerd, wanneer de nieuweling geen liedje zingen kan. De opneming in het gilde staat ongeveer gelijk met de toekenning van het burgerrecht in de gemeente. Wanneer een jonkman uit eene andere gemeente de hand van een meisje uit het dorp vraagt, dan wachten de leden van het gilde hem op aan de deur van de woning zijner beminde, en vragen van hem een vergoeding van vijf-en-zestig centen, zoo hij jonkman is, en drie gulden, zoo hij reeds vroeger gehuwd is geweest.Het gilde viert ook zijn eigen feesten, die doorgaans met de dorpskermis samenvallen. Dan wordt in de herberg een rijk versierde kroon van groen en bloemen opgehangen, de kroon der jeugd genaamd; dan vergaderen zich daar de jonkmans met hunne meisjes, allen met bloemen versierd, en wordt er gegeten en gedronken, gezongen en gedanst naar hartelust. Deze gilden en de schuttersgezelschappen werden vroeger op geen enkel dorp gemist; en nog tegenwoordig zijn zij op de meeste plaatsen in stand gebleven, al begint ook hier en daar de vorm eenigszins te veranderen.Onder de eigenaardigheden van het zeeuwsche landschap en het zeeuwsche landleven behoort ook de meekrapcultuur, die aan duizende handen werk verschaft, zoowel bij het aanplanten der meekrapkiemen, als bij het uitgraven der diep in den grond doorgedrongen wortels. Na het uitdelven, worden de wortels naar de meestoven gebracht, waar zij gedroogd en gestampt worden, en vervolgens ter verdere bewerking aan de garancine-fabrieken afgeleverd.In den herfst, als de wortels rijp zijn geworden, trekken iederen morgen troepen veldarbeiders, tien tot twintig personen sterk, naar het veld.Aan het hoofd van zulk eene bende gaat de voorman, de aanvoerder of chef der bende; daarop volgt de neusman (nevenman); achter hen komen de volgers. De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot den arbeid opgeroepen; en al blazende loopt de hoornblazer vooruit. Op het veld gekomen, wordt de bende, naar zekere regelen, voor het verrichten van den arbeid verdeeld. Het werk vordert groote spierkracht, maar wordt toch van den morgen tot den middag voortgezet, met een half uur tusschenpoozen, halfschof geheeten, waartoe het sein weder met den hoorn gegeven wordt; de arbeiders eten dan hun stute, boterham, en hervatten weldra weder het werk. ’s Middags en ’s avonds, bij het gaan en komen, laat telkens de muziek zich hooren.Wekelijks ontvangt elk lid der bende eene zekere som, naar verkiezing, in afkorting op zijn loon. Is eindelijk het werk geheel afgeloopen, dan gaat de voorman met den landheer afrekenen, en doet vervolgens rekening en verantwoording in eene vergadering, die te zijnen huize wordt belegd, en waarbij aan ieder zijn gerechte deel wordt uitbetaald. Natuurlijk wordt dan, voor gemeenschappelijke rekening, een maaltijd aangericht, waarop de bierkruik lustig rondgaat.Somwijlen gebeurt het wel, dat de arbeid op het veld eensklaps door een kluchtig tooneel wordt afgebroken. Daar klinkt uit de verte, op spottenden toon:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!Dadelijk worden de spaden in den grond gestoken, en enkelen uit de bende jagen den spotter na, die het natuurlijk uit al zijn macht op een loopen zet. Weet hij een schuilhoek te bereiken, waar hij moeilijk te vinden is, dan wordt de jacht zoo veel te ijveriger en hartstochtelijker voortgezet. Meenen de vervolgers, dat hun man zich in een huis heeft verscholen, dan doorzoeken zij dit van onder tot boven: niemand mag, naar oud gebruik, hun den toegang weigeren. Is eindelijk de schuldige gevonden, dan wordt hij naar het veld gevoerd, waar intusschen de achtergeblevenen een diepen kuil hebben gegraven. Voor dien kuil gebracht, wordt den gevangene de keus gegeven, daarin tot den hals te worden begraven, of zich vrij te koopen met een pint jenever of brandewijn. Daar de heele zaak doorgaans slechts een grap is, betaalt de gevangene zijn pint, zijn losprijs, en wordt dan dadelijk in vrijheid gesteld. Is hij daartoe echter ongezind, dan wordt hij onverbiddelijk in den kuil gestopt, dien de meedelvers rondom hem weer aanvullen en vaststampen, zoodat hij in die houding, alleen met het hoofd boven den grond, een geruimen poos het werk mag aanzien. Voorwaar, een eigenaardige straf, die aan oud-germaansche zeden herinnert.Jammer, dat deze meekrapcultuur, die voor Zeeland van zoo overwegend belang is, en met hare karakteristieke gebruiken en gewoonten kleur en afwisseling in het vaak zoo eentonige landleven brengt, dreigt ten onder te gaan. Men heeft immers het middel gevonden om de vroeger onmisbare meekrap door eene andere kleurstof, van eenvoudiger en goedkooper bereiding, te vervangen. Mocht dit werkelijk het gevalblijken te zijn, dan is de meekrapteelt onherroepelijk veroordeeld, tenzij men ook een middel vinde, om met goed gevolg den strijd tegen dezen nieuwen mededinger te kunnen volhouden. Of door den ondergang dier cultuur duizende gezinnen broodeloos worden, beteekent niets: geen enkele fabriekant zal zich, door overwegingen van dien aard, ook maar een enkel oogenblik laten weerhouden om zich de goedkooper verfstof aan te schaffen, zoo ras hij die krijgen kan. Wie weet, misschien nog weinige jaren, en de vroolijke hoorn der meekrapdelvers zal niet meer door de dorpen en over de velden weerschallen; niet langer zal, van tusschen de struiken of achter de boomen, het spottende refrein den delvers in de ooren klinken:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!—Dan zal er geen prettige, jolige jacht meer zijn, om den spotter op te vangen en naar oud recht te straffen; geen lustige maaltijd meer, als het welverdiende loon voor den arbeid ontvangen is;—niets van dat alles meer. Misschien zal dan de meedelver in een fabriek arbeiden, en zijn dagen slijten in verstikkende of bedorven atmosfeer, tusschen stampende en snuivende en steunende machines, met het eeuwig eenerlei harer afgepaste bewegingen, tot hij zelf half in eene machine veranderd is. En zoo zal weder een der trekken van het oude leven zijn uitgewischt, om vervangen te worden door.... ja, door wat? Laat ons, tegen hoop, hopen door iets beters, ook al is nog geen enkel teeken te bespeuren, dat zoodanige uitkomst doet verwachten.Wij vertoefden eenigen tijd te Heinkenszand, waar wel het een en ander is, dat artistiek gestemde gemoederen kan aantrekken, al ware het slechts de kalme, idyllische natuur.Wij zaten des middags rustig neder in de voornaamste herberg, en keuvelden met de beide lieve dochters van de kasteleinesse, die bezig waren het koperwerk blinkend te schuren, zoodat ge, om de technische uitdrukking te gebruiken, er uw muts in opzetten kondt. Het dorp was doodstil; allen waren aan den maaltijd. Eensklaps hoorden wij geweerschoten.“Wat is dat?—“O, daar wordt een jong gezel doodgeschoten,” antwoordt lachende de jongste dochter, terwijl zij met haar moeder en haar zuster naar de deur der herberg loopt.Inderdaad, daar ging een bruiloftsoptocht voorbij.De bruid en de bruidegom wandelden aan het hoofd van den vrij langen stoet. Daarop volgden de vader en de moeder:—de vader ernstig, de moeder in tranen. Achter hen kwamen de gehuwde bloedverwanten, en eindelijk een luidruchtige troep van jongelui, die onophoudelijk geweer- of pistoolschoten afvuurden. Van tijd tot tijd werden bovendien door de jongsten zwermen afgestoken.Wij volgden den blijden stoet. Wij gingen met hen de trouwkamer op het raadhuis binnen; daar werden eenige artikelen der wet voorgelezen, eenige vragen gedaan en stilzwijgend met een hoofdknik beantwoord, eenige handteekeningen verzameld. Toen stond de burgemeester op en sprak op officiëelen toon:“In naam der wet verklaar ik u gehuwd.”Dat de man nu nog eene meer of min treffende toespraak hield, was louter zijner goedwilligheid te danken: hij had kunnen volstaan met deze officiëele verklaring. Want op deze indrukwekkende wijze wordt, naar de tegenwoordige zede, de heiligste en voor het leven meest gewichtige verbindtenis gesloten. Kan het dorder, doodscher, minder hartverheffend? In zulk een oogenblik, waar het de volle persoonlijkheid, in hare diepste beteekenis geldt, daar wordt soms alleen gesproken in naam der wet, niet van een of anderen persoon, tot wien het harte kan uitgaan, voor wien daar in het gemoed een snaar trillen kan, die wijding geeft aan eene overigens onbeteekenende handeling, maar in naam eener abstractie, vertegenwoordigd door een stuk papier. Och, dat ieder ambtenaar van den Burgerlijken Stand bij het sluiten van een huwelijk daaraan gedachtig mocht wezen en een woord van ernst en opwekking overhad voor hen, die aan den ingang staan van een zoo gewichtige toekomst!Maar vergeten wij het tooneel voor ons niet.Zoodra de burgemeester de sakramenteele woorden gesproken heeft, neemt de bruid de hoofdnaald, de groote gouden plaat, die zij van links naar rechts op het voorhoofd droeg, en verplaatst die naar de andere zijde, ten teeken dat zij nu vrouw is geworden.Van het raadhuis begaf de stoet zich naar de kerk, waar de inzegening van het huwelijk door den predikant zou plaats hebben: eene in ons land vrij algemeene en zeer loffelijke gewoonte; een stil maar welsprekend protest van het volksbewustzijn, van de christelijke conscientie, die met die burgerlijke handelingalléén geen vrede heeft, maar ook den godsdienst zijn recht geeft bij de ernstigste en heiligste daad des levens.De bruiloft werd, als gewoonlijk, in een der vertrekken van de herberg gevierd: eene antieke kamer, schilderachtig bij uitnemendheid, zooals men er nog velen in Zeeland vinden kan. Boven het hoofd der bruid hing eene fraaie kroon van groen en bloemen en gekleurd en uitgeknipt papier. De kroon verbeeldde een kruis, door bloemen omwonden: zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksleven met zijn vreugden en smarten, zijne blijdschap en beproevingen. Deze kroon was door de jonge meisjes van het dorp vervaardigd.De gasten, vooral ook de jongelui, stroomden in menigte toe, om deel te nemen aan den maaltijd, waarbij het aan geen krentenbrood, geen kalfs- en varkensvleesch, geen rijst met krenten mag ontbreken, en evenmin aan bier en wijn en allerlei likeuren. Zelfs begint in dit opzicht de weelde tegenwoordig al vrij ver te gaan, en kunt ge bij boerebruiloften fijne wijnen op tafel vinden.Op het oogenblik dat wij de feestzaal binnentraden, was een der gasten, geheel in het zwart fluweel gekleed, waarschijnlijk de dichter van het dorp, bezig, met eene brommende stem, eenige verzen voor te dragen, waarbij hij nu en dan door het orchest, bestaande uit een viool en een fluit, werd geaccompagneerd.De vader van den bruigom lachte en verkocht aardigheden: de moeder der bruid scheen door de poëzie, die toch volstrekt niet tot de verhevenste soort behoorde, tot tranen geroerd. Overigens heerschte er aan tafel eene opgewekte stemming, die steeds vroolijker en luidruchtiger werd. Natuurlijk wordt de bruiloftsmaaltijd door een dans gevolgd: een eigenaardige uitspanning, nadat men tot oververzadiging gegeten en gedronken heeft.Voor wij Zuid-Beveland verlieten, wenschten wij een kort uitstapje te maken naar Noord-Beveland. Wij lieten ons overzetten naar Kortgene, en wandelden vandaar naar Wissekerke, het voornaamste dorp van het eiland, dat met de daartoe behoorende gehuchten en heerlijkheden, ruim vijf-en-twintig honderd inwoners telt. Het landschap op Noord-Beveland verschilt niet van dat van Zuid-Beveland: dezelfde vruchtbare, zorgvuldig bebouwde streken; akkers, boomgaarden, weilanden. Het tegenwoordige Noord-Beveland is eerst na den grooten vloed van 1532 ontstaan. Bij die gelegenheid werd het gansche eiland overstroomd en totaal verwoest, in die mate, dat er zes-en-zestig jaren moesten verloopen, eer men weder met de bedijking en droogmaking aanving. De thans bestaande dorpen, al dragen zij ook dezelfde namen als die, welke toen door de wateren werden verzwolgen, zijn toch allen na dien tijd gebouwd, naarmate het uit de golven getogen land weder bewoonbaar en bewoond werd.Een smidse te Kruiningen.Een smidse te Kruiningen.Eenige uren zijn voldoende om het eiland te leeren kennen; nog den eigen avond keerden wij naar Zuid-Beveland en Goes terug.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.
XII.Van Krabbendijke voert onze weg over Rilland naar Bath. Bath is niet meer dan een fort, eene groote kazerne, met een tolkantoor en enkele partikuliere woningen. Bloedrood en grijs zijn hier de heerschende kleuren, en de plaats zelve maakt een alles behalve aangenamen indruk. Vergoeding vindt ge hiervoor in het prachtige gezicht op den koninklijken stroom, die, van Antwerpen komende, zich juist hier in twee armen splitst. Het fort werd, na den afstand van Lillo, in het jaar 1785, gesticht. Bath werd, bij de landing der Engelschen, in 1808, door hen bezet, maar spoedig daarop weder door de Hollanders genomen. Deze laatste gebeurtenis werd door Bilderdijk verheerlijkt in een prachtigen lierzang:Sla lust- en liefdetonen,Wien dartel bloed doorstraalt!Wy zingen zegekronen,Door heldenmoed behaald!Wy zingen in de barenGeen wieg van Cythereê,Maar Hollands heldenscharen,Gerezen uit de zee!Hoe bruist het in die kolken!Hoe zwirrelt kil en vloed!Hoe trekken lucht en wolkenDit schouwspel te gemoet!Gy zult die helden dekken,(Gij nevels uit het West!)Die door de baren trekken,Door gloriezucht geprest.Of voert gy donderslagenEn bliksems in uw’ schoot?Gy zult hen niet vertsagen,Zoo min als ’t Britsche lood.Zy treden in die golvenOp ’t smal onzichtbaar pad,Van stroomen overdolven,Van zeeschuim overspat.Ja, laat uw baren schuimen,O groots doorwaadde vloed!Uw zilvren waterpluimenVersieren hun den hoed.Ziedaar den echten veder,Die Hollands krijgsliên past!De lauwer buigt zich neder,Waar deze zeepluim wast!Wat zoekt gy, watertemmers,De dood door deze dood?Ja, trotst haar, fiere zwemmers!De moed braveert den nood.Den baren uitgestegen,Als goden van het meir,Ontziet u vuur en degen,En geeft uw stoutheid eer.Ontbrandt, gij bliksemvuren,En, donders, rolt en knalt!Doorklinkt en vest en muren,De Britsche standaart valt!De Zeeleeuw is verrezen,En Hollands vlag hersteld!Het Lot is uitgewezen:De schaal van Holland helt!Laat thands de blijdschap schateren!De Zeegod doet haar stemLangs golf en deining klateren,En geeft haar tonen klem!In schaaûw van Uw banieren,Geliefde Lodewijk,Mag Holland zegevieren!Ontfang zijn vreugdeblijk!In schaaûw van die standaarden,Waarop de zege rust,Zal Holland niet ontaarden,Wordt nooit de moed gebluscht!Het legt zijn oorlogspalmenVoor Uw onwrikbren troon:En; mag het zege galmen,Het dankt het aan Uw kroon!Deze lierzang is ruim zoo belangrijk, als het feit zelf, dat hij bestemd is te verheerlijken, en dat Bilderdijk stoffe leverde voor nog een tweede, uitvoeriger gedicht:de Scheldebewoner. Immers, is het niet, als wij dezen lierzang lezen, als gold het hier een schitterende heldendaad, voor ’t minst een wapenfeit van beslissend gewicht? Welnu: toen de generaal Cort-Heiligers, met weinige manschappen, naar Zuid-Beveland overstak en Bath bezette, wist hij dat de vijand reeds in vollen aftocht was, en was het fort bereids door de Engelschen ontruimd! Merkwaardig is deze odeBath hernomen, ook in dit opzicht, als een voorbeeld te meer van de zonderlinge, bijkansnaïeveoverdrijving, waarin deze dichter—wij moeten haast aannemen, onbewust—telkens verviel. Ook maakt het een eigenaardigen, tragi-komischen indruk, in het jaar Onzes Heeren 1809, te hooren gewagen van Hollands oorlogspalmen en van de banieren van den geliefden Lodewijk, waarop de zege rust! En dan die onwrikbare troon, waarvan reeds een jaar later geen spoor meer te vinden was!.....Na een kort oponthoud te Bath, aan de uiterste landpunt van Zuid-Beveland gelegen, wandelen wij terug naar Rilland, om daar den trein af te wachten, die ons weder naar Goes voeren moet.Het is geheel avond geworden, als wij daar aankomen. Een enkele lantaarn werpt hier en daar, op de eenzame straat, een treurig, onzeker licht. Op de markt, waar de massa der groote kerk zich spookachtig en schemerend tegen den donkeren hemel afteekent, dezelfde duisternis. Uit desociëteitVan ongeneuchten vrij, de oude schuttersdoelen, klinkt ons muziek tegen en straalt een helder licht. Daar een poosje gerust en gepraat, eer wij in ons logement inkeeren en krachten verzamelen voor eene nieuwe wandeling, ditmaal in andere richting.Thans gaat de tocht in westelijke richting, naar de kleine dorpen ’s Heer-Hendrikskinderen en Wissekerke, en van daar naar het meer aanzienlijke ’s Heer-Arendskerke. Naar de legende wil, zouden deze dorpen gesticht zijn door drie broeders, Hendrik, Wisse en Arend; de eerste, overleden zijnde voor het nieuwe dorp was verrezen, werd de stichting door zijne kinderen volbracht. ’s Heer-Arendskerke is van de drie verreweg het aanzienlijkste. Wij treden hier eene vrij armelijke woning binnen, en zien, tot onze groote verbazing, dat de wanden der woonkamer behangen zijn. Gelukkig is dat nog niet algemeen ten platten lande, al begint deze mode ook meer en meer in zwang te komen. ’t Is niet te loochenen: langzamerhand verdwijnen ze, die sobere, schilderachtige binnenhuizen, met hun frissche en gedempte tonen, hunne helder witte, of wel met hout beschoten, of ook met blanke en blauw beschilderde tegeltjes bekleede wanden; zij verdwijnen langzamerhand, om plaats te maken voor leelijke, smakelooze papieren behangsels; zij gaan denzelfden weg als de mooie vilten hoeden der mannen en de karakteristieke sieraden der vrouwen. Het nieuwe kanaal en de spoorweg zullen weldra, ook hier, de zoo hoog gewaardeerde eenvormigheid in kleeding en voorkomen, in manieren en levenswijze, doen zegevieren.Een goochelaar te Kruiningen.Een goochelaar te Kruiningen.Nog een kleine tijd—en deze schilderachtig uitgedoste boeren zullen zich alle moeite geven, om zooveel mogelijk op de stedelingen te gelijken. Dan begint er eene periode van overgang, een middentoestand tusschen de oude en de nieuwe mode, waarin de wansmaak oppermachtig heerschen zal:—dat is de tijd der gemeene petten, der afschuwelijke lange jassen. Dan zullen langzamerhand de schitterende dolle kermissen verdwijnen, of althans wat aan die kermissen gloed en kleur geeft: de weelderige kleederdracht der vrouwen en meisjes, het goud van haar kapsel, het zilver van haar schoenen; en ook de fluweelen kleederen der mannen:—in één woord, verdwijnen zullen de schoonheid, de harmonie, de kleur. En wanneer dan een kunstenaar dit rijke land bereizen zal, en de oudekleederdrachten wil zien, dan zal hij zijne schreden moeten richten naar de uitdragerswinkels, waar de tooi van het oude Zeeland, in een hoek weggeworpen, vergeten zal liggen.Een kleermaker te Krabbendijke.Een kleermaker te Krabbendijke.Ten zuiden van ’s Heer-Arendskerke ligt Heinkenszand, een dorp, grootendeels door Katholieken bewoond, wier aantal in dit westelijk deel van Zuid-Beveland vrij aanzienlijk is. Dit onderscheid van geloofsbelijdenis is ook merkbaar in de kleeding. Ge ziet hier geen paarsche of blauwe wambuizen, tenzij dan voor de boeren in heelen of halven rouw. De geliefkoosde kleuren zijn hier purper en scharlaken, met groote gele bloemen. Somwijlen zijn de boeren geheel in zijde of satijn gekleed, en doen zij u denken aan sommige oostersche kleederdrachten. De vrouwen dragen nog den zoogenaamden herderinnehoed uit het laatst der vorige eeuw, eveneens met zijde gevoerd.Op de zeeuwsche dorpen, met name in die van Zuid-Beveland, vindt men doorgaans nog gezelschappen van jongelieden, die een soort van gilde, het jonkmansgilde of gilde der jeugd, vormen. Dit gilde heeft zijn eigen bestuur, zijn hoofdman, zijn secretaris, zijn bode, zijn eigen reglementen en strafbepalingen. Om lid te kunnen worden, moet men eerst voor de nationale militie geloot hebben. De nieuw aangenomene betaalt een entreegeld van negentig cents; welk bedrag tot een gulden twintig cents wordt opgevoerd, wanneer de nieuweling geen liedje zingen kan. De opneming in het gilde staat ongeveer gelijk met de toekenning van het burgerrecht in de gemeente. Wanneer een jonkman uit eene andere gemeente de hand van een meisje uit het dorp vraagt, dan wachten de leden van het gilde hem op aan de deur van de woning zijner beminde, en vragen van hem een vergoeding van vijf-en-zestig centen, zoo hij jonkman is, en drie gulden, zoo hij reeds vroeger gehuwd is geweest.Het gilde viert ook zijn eigen feesten, die doorgaans met de dorpskermis samenvallen. Dan wordt in de herberg een rijk versierde kroon van groen en bloemen opgehangen, de kroon der jeugd genaamd; dan vergaderen zich daar de jonkmans met hunne meisjes, allen met bloemen versierd, en wordt er gegeten en gedronken, gezongen en gedanst naar hartelust. Deze gilden en de schuttersgezelschappen werden vroeger op geen enkel dorp gemist; en nog tegenwoordig zijn zij op de meeste plaatsen in stand gebleven, al begint ook hier en daar de vorm eenigszins te veranderen.Onder de eigenaardigheden van het zeeuwsche landschap en het zeeuwsche landleven behoort ook de meekrapcultuur, die aan duizende handen werk verschaft, zoowel bij het aanplanten der meekrapkiemen, als bij het uitgraven der diep in den grond doorgedrongen wortels. Na het uitdelven, worden de wortels naar de meestoven gebracht, waar zij gedroogd en gestampt worden, en vervolgens ter verdere bewerking aan de garancine-fabrieken afgeleverd.In den herfst, als de wortels rijp zijn geworden, trekken iederen morgen troepen veldarbeiders, tien tot twintig personen sterk, naar het veld.Aan het hoofd van zulk eene bende gaat de voorman, de aanvoerder of chef der bende; daarop volgt de neusman (nevenman); achter hen komen de volgers. De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot den arbeid opgeroepen; en al blazende loopt de hoornblazer vooruit. Op het veld gekomen, wordt de bende, naar zekere regelen, voor het verrichten van den arbeid verdeeld. Het werk vordert groote spierkracht, maar wordt toch van den morgen tot den middag voortgezet, met een half uur tusschenpoozen, halfschof geheeten, waartoe het sein weder met den hoorn gegeven wordt; de arbeiders eten dan hun stute, boterham, en hervatten weldra weder het werk. ’s Middags en ’s avonds, bij het gaan en komen, laat telkens de muziek zich hooren.Wekelijks ontvangt elk lid der bende eene zekere som, naar verkiezing, in afkorting op zijn loon. Is eindelijk het werk geheel afgeloopen, dan gaat de voorman met den landheer afrekenen, en doet vervolgens rekening en verantwoording in eene vergadering, die te zijnen huize wordt belegd, en waarbij aan ieder zijn gerechte deel wordt uitbetaald. Natuurlijk wordt dan, voor gemeenschappelijke rekening, een maaltijd aangericht, waarop de bierkruik lustig rondgaat.Somwijlen gebeurt het wel, dat de arbeid op het veld eensklaps door een kluchtig tooneel wordt afgebroken. Daar klinkt uit de verte, op spottenden toon:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!Dadelijk worden de spaden in den grond gestoken, en enkelen uit de bende jagen den spotter na, die het natuurlijk uit al zijn macht op een loopen zet. Weet hij een schuilhoek te bereiken, waar hij moeilijk te vinden is, dan wordt de jacht zoo veel te ijveriger en hartstochtelijker voortgezet. Meenen de vervolgers, dat hun man zich in een huis heeft verscholen, dan doorzoeken zij dit van onder tot boven: niemand mag, naar oud gebruik, hun den toegang weigeren. Is eindelijk de schuldige gevonden, dan wordt hij naar het veld gevoerd, waar intusschen de achtergeblevenen een diepen kuil hebben gegraven. Voor dien kuil gebracht, wordt den gevangene de keus gegeven, daarin tot den hals te worden begraven, of zich vrij te koopen met een pint jenever of brandewijn. Daar de heele zaak doorgaans slechts een grap is, betaalt de gevangene zijn pint, zijn losprijs, en wordt dan dadelijk in vrijheid gesteld. Is hij daartoe echter ongezind, dan wordt hij onverbiddelijk in den kuil gestopt, dien de meedelvers rondom hem weer aanvullen en vaststampen, zoodat hij in die houding, alleen met het hoofd boven den grond, een geruimen poos het werk mag aanzien. Voorwaar, een eigenaardige straf, die aan oud-germaansche zeden herinnert.Jammer, dat deze meekrapcultuur, die voor Zeeland van zoo overwegend belang is, en met hare karakteristieke gebruiken en gewoonten kleur en afwisseling in het vaak zoo eentonige landleven brengt, dreigt ten onder te gaan. Men heeft immers het middel gevonden om de vroeger onmisbare meekrap door eene andere kleurstof, van eenvoudiger en goedkooper bereiding, te vervangen. Mocht dit werkelijk het gevalblijken te zijn, dan is de meekrapteelt onherroepelijk veroordeeld, tenzij men ook een middel vinde, om met goed gevolg den strijd tegen dezen nieuwen mededinger te kunnen volhouden. Of door den ondergang dier cultuur duizende gezinnen broodeloos worden, beteekent niets: geen enkele fabriekant zal zich, door overwegingen van dien aard, ook maar een enkel oogenblik laten weerhouden om zich de goedkooper verfstof aan te schaffen, zoo ras hij die krijgen kan. Wie weet, misschien nog weinige jaren, en de vroolijke hoorn der meekrapdelvers zal niet meer door de dorpen en over de velden weerschallen; niet langer zal, van tusschen de struiken of achter de boomen, het spottende refrein den delvers in de ooren klinken:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!—Dan zal er geen prettige, jolige jacht meer zijn, om den spotter op te vangen en naar oud recht te straffen; geen lustige maaltijd meer, als het welverdiende loon voor den arbeid ontvangen is;—niets van dat alles meer. Misschien zal dan de meedelver in een fabriek arbeiden, en zijn dagen slijten in verstikkende of bedorven atmosfeer, tusschen stampende en snuivende en steunende machines, met het eeuwig eenerlei harer afgepaste bewegingen, tot hij zelf half in eene machine veranderd is. En zoo zal weder een der trekken van het oude leven zijn uitgewischt, om vervangen te worden door.... ja, door wat? Laat ons, tegen hoop, hopen door iets beters, ook al is nog geen enkel teeken te bespeuren, dat zoodanige uitkomst doet verwachten.Wij vertoefden eenigen tijd te Heinkenszand, waar wel het een en ander is, dat artistiek gestemde gemoederen kan aantrekken, al ware het slechts de kalme, idyllische natuur.Wij zaten des middags rustig neder in de voornaamste herberg, en keuvelden met de beide lieve dochters van de kasteleinesse, die bezig waren het koperwerk blinkend te schuren, zoodat ge, om de technische uitdrukking te gebruiken, er uw muts in opzetten kondt. Het dorp was doodstil; allen waren aan den maaltijd. Eensklaps hoorden wij geweerschoten.“Wat is dat?—“O, daar wordt een jong gezel doodgeschoten,” antwoordt lachende de jongste dochter, terwijl zij met haar moeder en haar zuster naar de deur der herberg loopt.Inderdaad, daar ging een bruiloftsoptocht voorbij.De bruid en de bruidegom wandelden aan het hoofd van den vrij langen stoet. Daarop volgden de vader en de moeder:—de vader ernstig, de moeder in tranen. Achter hen kwamen de gehuwde bloedverwanten, en eindelijk een luidruchtige troep van jongelui, die onophoudelijk geweer- of pistoolschoten afvuurden. Van tijd tot tijd werden bovendien door de jongsten zwermen afgestoken.Wij volgden den blijden stoet. Wij gingen met hen de trouwkamer op het raadhuis binnen; daar werden eenige artikelen der wet voorgelezen, eenige vragen gedaan en stilzwijgend met een hoofdknik beantwoord, eenige handteekeningen verzameld. Toen stond de burgemeester op en sprak op officiëelen toon:“In naam der wet verklaar ik u gehuwd.”Dat de man nu nog eene meer of min treffende toespraak hield, was louter zijner goedwilligheid te danken: hij had kunnen volstaan met deze officiëele verklaring. Want op deze indrukwekkende wijze wordt, naar de tegenwoordige zede, de heiligste en voor het leven meest gewichtige verbindtenis gesloten. Kan het dorder, doodscher, minder hartverheffend? In zulk een oogenblik, waar het de volle persoonlijkheid, in hare diepste beteekenis geldt, daar wordt soms alleen gesproken in naam der wet, niet van een of anderen persoon, tot wien het harte kan uitgaan, voor wien daar in het gemoed een snaar trillen kan, die wijding geeft aan eene overigens onbeteekenende handeling, maar in naam eener abstractie, vertegenwoordigd door een stuk papier. Och, dat ieder ambtenaar van den Burgerlijken Stand bij het sluiten van een huwelijk daaraan gedachtig mocht wezen en een woord van ernst en opwekking overhad voor hen, die aan den ingang staan van een zoo gewichtige toekomst!Maar vergeten wij het tooneel voor ons niet.Zoodra de burgemeester de sakramenteele woorden gesproken heeft, neemt de bruid de hoofdnaald, de groote gouden plaat, die zij van links naar rechts op het voorhoofd droeg, en verplaatst die naar de andere zijde, ten teeken dat zij nu vrouw is geworden.Van het raadhuis begaf de stoet zich naar de kerk, waar de inzegening van het huwelijk door den predikant zou plaats hebben: eene in ons land vrij algemeene en zeer loffelijke gewoonte; een stil maar welsprekend protest van het volksbewustzijn, van de christelijke conscientie, die met die burgerlijke handelingalléén geen vrede heeft, maar ook den godsdienst zijn recht geeft bij de ernstigste en heiligste daad des levens.De bruiloft werd, als gewoonlijk, in een der vertrekken van de herberg gevierd: eene antieke kamer, schilderachtig bij uitnemendheid, zooals men er nog velen in Zeeland vinden kan. Boven het hoofd der bruid hing eene fraaie kroon van groen en bloemen en gekleurd en uitgeknipt papier. De kroon verbeeldde een kruis, door bloemen omwonden: zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksleven met zijn vreugden en smarten, zijne blijdschap en beproevingen. Deze kroon was door de jonge meisjes van het dorp vervaardigd.De gasten, vooral ook de jongelui, stroomden in menigte toe, om deel te nemen aan den maaltijd, waarbij het aan geen krentenbrood, geen kalfs- en varkensvleesch, geen rijst met krenten mag ontbreken, en evenmin aan bier en wijn en allerlei likeuren. Zelfs begint in dit opzicht de weelde tegenwoordig al vrij ver te gaan, en kunt ge bij boerebruiloften fijne wijnen op tafel vinden.Op het oogenblik dat wij de feestzaal binnentraden, was een der gasten, geheel in het zwart fluweel gekleed, waarschijnlijk de dichter van het dorp, bezig, met eene brommende stem, eenige verzen voor te dragen, waarbij hij nu en dan door het orchest, bestaande uit een viool en een fluit, werd geaccompagneerd.De vader van den bruigom lachte en verkocht aardigheden: de moeder der bruid scheen door de poëzie, die toch volstrekt niet tot de verhevenste soort behoorde, tot tranen geroerd. Overigens heerschte er aan tafel eene opgewekte stemming, die steeds vroolijker en luidruchtiger werd. Natuurlijk wordt de bruiloftsmaaltijd door een dans gevolgd: een eigenaardige uitspanning, nadat men tot oververzadiging gegeten en gedronken heeft.Voor wij Zuid-Beveland verlieten, wenschten wij een kort uitstapje te maken naar Noord-Beveland. Wij lieten ons overzetten naar Kortgene, en wandelden vandaar naar Wissekerke, het voornaamste dorp van het eiland, dat met de daartoe behoorende gehuchten en heerlijkheden, ruim vijf-en-twintig honderd inwoners telt. Het landschap op Noord-Beveland verschilt niet van dat van Zuid-Beveland: dezelfde vruchtbare, zorgvuldig bebouwde streken; akkers, boomgaarden, weilanden. Het tegenwoordige Noord-Beveland is eerst na den grooten vloed van 1532 ontstaan. Bij die gelegenheid werd het gansche eiland overstroomd en totaal verwoest, in die mate, dat er zes-en-zestig jaren moesten verloopen, eer men weder met de bedijking en droogmaking aanving. De thans bestaande dorpen, al dragen zij ook dezelfde namen als die, welke toen door de wateren werden verzwolgen, zijn toch allen na dien tijd gebouwd, naarmate het uit de golven getogen land weder bewoonbaar en bewoond werd.Een smidse te Kruiningen.Een smidse te Kruiningen.Eenige uren zijn voldoende om het eiland te leeren kennen; nog den eigen avond keerden wij naar Zuid-Beveland en Goes terug.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.
XII.Van Krabbendijke voert onze weg over Rilland naar Bath. Bath is niet meer dan een fort, eene groote kazerne, met een tolkantoor en enkele partikuliere woningen. Bloedrood en grijs zijn hier de heerschende kleuren, en de plaats zelve maakt een alles behalve aangenamen indruk. Vergoeding vindt ge hiervoor in het prachtige gezicht op den koninklijken stroom, die, van Antwerpen komende, zich juist hier in twee armen splitst. Het fort werd, na den afstand van Lillo, in het jaar 1785, gesticht. Bath werd, bij de landing der Engelschen, in 1808, door hen bezet, maar spoedig daarop weder door de Hollanders genomen. Deze laatste gebeurtenis werd door Bilderdijk verheerlijkt in een prachtigen lierzang:Sla lust- en liefdetonen,Wien dartel bloed doorstraalt!Wy zingen zegekronen,Door heldenmoed behaald!Wy zingen in de barenGeen wieg van Cythereê,Maar Hollands heldenscharen,Gerezen uit de zee!Hoe bruist het in die kolken!Hoe zwirrelt kil en vloed!Hoe trekken lucht en wolkenDit schouwspel te gemoet!Gy zult die helden dekken,(Gij nevels uit het West!)Die door de baren trekken,Door gloriezucht geprest.Of voert gy donderslagenEn bliksems in uw’ schoot?Gy zult hen niet vertsagen,Zoo min als ’t Britsche lood.Zy treden in die golvenOp ’t smal onzichtbaar pad,Van stroomen overdolven,Van zeeschuim overspat.Ja, laat uw baren schuimen,O groots doorwaadde vloed!Uw zilvren waterpluimenVersieren hun den hoed.Ziedaar den echten veder,Die Hollands krijgsliên past!De lauwer buigt zich neder,Waar deze zeepluim wast!Wat zoekt gy, watertemmers,De dood door deze dood?Ja, trotst haar, fiere zwemmers!De moed braveert den nood.Den baren uitgestegen,Als goden van het meir,Ontziet u vuur en degen,En geeft uw stoutheid eer.Ontbrandt, gij bliksemvuren,En, donders, rolt en knalt!Doorklinkt en vest en muren,De Britsche standaart valt!De Zeeleeuw is verrezen,En Hollands vlag hersteld!Het Lot is uitgewezen:De schaal van Holland helt!Laat thands de blijdschap schateren!De Zeegod doet haar stemLangs golf en deining klateren,En geeft haar tonen klem!In schaaûw van Uw banieren,Geliefde Lodewijk,Mag Holland zegevieren!Ontfang zijn vreugdeblijk!In schaaûw van die standaarden,Waarop de zege rust,Zal Holland niet ontaarden,Wordt nooit de moed gebluscht!Het legt zijn oorlogspalmenVoor Uw onwrikbren troon:En; mag het zege galmen,Het dankt het aan Uw kroon!Deze lierzang is ruim zoo belangrijk, als het feit zelf, dat hij bestemd is te verheerlijken, en dat Bilderdijk stoffe leverde voor nog een tweede, uitvoeriger gedicht:de Scheldebewoner. Immers, is het niet, als wij dezen lierzang lezen, als gold het hier een schitterende heldendaad, voor ’t minst een wapenfeit van beslissend gewicht? Welnu: toen de generaal Cort-Heiligers, met weinige manschappen, naar Zuid-Beveland overstak en Bath bezette, wist hij dat de vijand reeds in vollen aftocht was, en was het fort bereids door de Engelschen ontruimd! Merkwaardig is deze odeBath hernomen, ook in dit opzicht, als een voorbeeld te meer van de zonderlinge, bijkansnaïeveoverdrijving, waarin deze dichter—wij moeten haast aannemen, onbewust—telkens verviel. Ook maakt het een eigenaardigen, tragi-komischen indruk, in het jaar Onzes Heeren 1809, te hooren gewagen van Hollands oorlogspalmen en van de banieren van den geliefden Lodewijk, waarop de zege rust! En dan die onwrikbare troon, waarvan reeds een jaar later geen spoor meer te vinden was!.....Na een kort oponthoud te Bath, aan de uiterste landpunt van Zuid-Beveland gelegen, wandelen wij terug naar Rilland, om daar den trein af te wachten, die ons weder naar Goes voeren moet.Het is geheel avond geworden, als wij daar aankomen. Een enkele lantaarn werpt hier en daar, op de eenzame straat, een treurig, onzeker licht. Op de markt, waar de massa der groote kerk zich spookachtig en schemerend tegen den donkeren hemel afteekent, dezelfde duisternis. Uit desociëteitVan ongeneuchten vrij, de oude schuttersdoelen, klinkt ons muziek tegen en straalt een helder licht. Daar een poosje gerust en gepraat, eer wij in ons logement inkeeren en krachten verzamelen voor eene nieuwe wandeling, ditmaal in andere richting.Thans gaat de tocht in westelijke richting, naar de kleine dorpen ’s Heer-Hendrikskinderen en Wissekerke, en van daar naar het meer aanzienlijke ’s Heer-Arendskerke. Naar de legende wil, zouden deze dorpen gesticht zijn door drie broeders, Hendrik, Wisse en Arend; de eerste, overleden zijnde voor het nieuwe dorp was verrezen, werd de stichting door zijne kinderen volbracht. ’s Heer-Arendskerke is van de drie verreweg het aanzienlijkste. Wij treden hier eene vrij armelijke woning binnen, en zien, tot onze groote verbazing, dat de wanden der woonkamer behangen zijn. Gelukkig is dat nog niet algemeen ten platten lande, al begint deze mode ook meer en meer in zwang te komen. ’t Is niet te loochenen: langzamerhand verdwijnen ze, die sobere, schilderachtige binnenhuizen, met hun frissche en gedempte tonen, hunne helder witte, of wel met hout beschoten, of ook met blanke en blauw beschilderde tegeltjes bekleede wanden; zij verdwijnen langzamerhand, om plaats te maken voor leelijke, smakelooze papieren behangsels; zij gaan denzelfden weg als de mooie vilten hoeden der mannen en de karakteristieke sieraden der vrouwen. Het nieuwe kanaal en de spoorweg zullen weldra, ook hier, de zoo hoog gewaardeerde eenvormigheid in kleeding en voorkomen, in manieren en levenswijze, doen zegevieren.Een goochelaar te Kruiningen.Een goochelaar te Kruiningen.Nog een kleine tijd—en deze schilderachtig uitgedoste boeren zullen zich alle moeite geven, om zooveel mogelijk op de stedelingen te gelijken. Dan begint er eene periode van overgang, een middentoestand tusschen de oude en de nieuwe mode, waarin de wansmaak oppermachtig heerschen zal:—dat is de tijd der gemeene petten, der afschuwelijke lange jassen. Dan zullen langzamerhand de schitterende dolle kermissen verdwijnen, of althans wat aan die kermissen gloed en kleur geeft: de weelderige kleederdracht der vrouwen en meisjes, het goud van haar kapsel, het zilver van haar schoenen; en ook de fluweelen kleederen der mannen:—in één woord, verdwijnen zullen de schoonheid, de harmonie, de kleur. En wanneer dan een kunstenaar dit rijke land bereizen zal, en de oudekleederdrachten wil zien, dan zal hij zijne schreden moeten richten naar de uitdragerswinkels, waar de tooi van het oude Zeeland, in een hoek weggeworpen, vergeten zal liggen.Een kleermaker te Krabbendijke.Een kleermaker te Krabbendijke.Ten zuiden van ’s Heer-Arendskerke ligt Heinkenszand, een dorp, grootendeels door Katholieken bewoond, wier aantal in dit westelijk deel van Zuid-Beveland vrij aanzienlijk is. Dit onderscheid van geloofsbelijdenis is ook merkbaar in de kleeding. Ge ziet hier geen paarsche of blauwe wambuizen, tenzij dan voor de boeren in heelen of halven rouw. De geliefkoosde kleuren zijn hier purper en scharlaken, met groote gele bloemen. Somwijlen zijn de boeren geheel in zijde of satijn gekleed, en doen zij u denken aan sommige oostersche kleederdrachten. De vrouwen dragen nog den zoogenaamden herderinnehoed uit het laatst der vorige eeuw, eveneens met zijde gevoerd.Op de zeeuwsche dorpen, met name in die van Zuid-Beveland, vindt men doorgaans nog gezelschappen van jongelieden, die een soort van gilde, het jonkmansgilde of gilde der jeugd, vormen. Dit gilde heeft zijn eigen bestuur, zijn hoofdman, zijn secretaris, zijn bode, zijn eigen reglementen en strafbepalingen. Om lid te kunnen worden, moet men eerst voor de nationale militie geloot hebben. De nieuw aangenomene betaalt een entreegeld van negentig cents; welk bedrag tot een gulden twintig cents wordt opgevoerd, wanneer de nieuweling geen liedje zingen kan. De opneming in het gilde staat ongeveer gelijk met de toekenning van het burgerrecht in de gemeente. Wanneer een jonkman uit eene andere gemeente de hand van een meisje uit het dorp vraagt, dan wachten de leden van het gilde hem op aan de deur van de woning zijner beminde, en vragen van hem een vergoeding van vijf-en-zestig centen, zoo hij jonkman is, en drie gulden, zoo hij reeds vroeger gehuwd is geweest.Het gilde viert ook zijn eigen feesten, die doorgaans met de dorpskermis samenvallen. Dan wordt in de herberg een rijk versierde kroon van groen en bloemen opgehangen, de kroon der jeugd genaamd; dan vergaderen zich daar de jonkmans met hunne meisjes, allen met bloemen versierd, en wordt er gegeten en gedronken, gezongen en gedanst naar hartelust. Deze gilden en de schuttersgezelschappen werden vroeger op geen enkel dorp gemist; en nog tegenwoordig zijn zij op de meeste plaatsen in stand gebleven, al begint ook hier en daar de vorm eenigszins te veranderen.Onder de eigenaardigheden van het zeeuwsche landschap en het zeeuwsche landleven behoort ook de meekrapcultuur, die aan duizende handen werk verschaft, zoowel bij het aanplanten der meekrapkiemen, als bij het uitgraven der diep in den grond doorgedrongen wortels. Na het uitdelven, worden de wortels naar de meestoven gebracht, waar zij gedroogd en gestampt worden, en vervolgens ter verdere bewerking aan de garancine-fabrieken afgeleverd.In den herfst, als de wortels rijp zijn geworden, trekken iederen morgen troepen veldarbeiders, tien tot twintig personen sterk, naar het veld.Aan het hoofd van zulk eene bende gaat de voorman, de aanvoerder of chef der bende; daarop volgt de neusman (nevenman); achter hen komen de volgers. De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot den arbeid opgeroepen; en al blazende loopt de hoornblazer vooruit. Op het veld gekomen, wordt de bende, naar zekere regelen, voor het verrichten van den arbeid verdeeld. Het werk vordert groote spierkracht, maar wordt toch van den morgen tot den middag voortgezet, met een half uur tusschenpoozen, halfschof geheeten, waartoe het sein weder met den hoorn gegeven wordt; de arbeiders eten dan hun stute, boterham, en hervatten weldra weder het werk. ’s Middags en ’s avonds, bij het gaan en komen, laat telkens de muziek zich hooren.Wekelijks ontvangt elk lid der bende eene zekere som, naar verkiezing, in afkorting op zijn loon. Is eindelijk het werk geheel afgeloopen, dan gaat de voorman met den landheer afrekenen, en doet vervolgens rekening en verantwoording in eene vergadering, die te zijnen huize wordt belegd, en waarbij aan ieder zijn gerechte deel wordt uitbetaald. Natuurlijk wordt dan, voor gemeenschappelijke rekening, een maaltijd aangericht, waarop de bierkruik lustig rondgaat.Somwijlen gebeurt het wel, dat de arbeid op het veld eensklaps door een kluchtig tooneel wordt afgebroken. Daar klinkt uit de verte, op spottenden toon:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!Dadelijk worden de spaden in den grond gestoken, en enkelen uit de bende jagen den spotter na, die het natuurlijk uit al zijn macht op een loopen zet. Weet hij een schuilhoek te bereiken, waar hij moeilijk te vinden is, dan wordt de jacht zoo veel te ijveriger en hartstochtelijker voortgezet. Meenen de vervolgers, dat hun man zich in een huis heeft verscholen, dan doorzoeken zij dit van onder tot boven: niemand mag, naar oud gebruik, hun den toegang weigeren. Is eindelijk de schuldige gevonden, dan wordt hij naar het veld gevoerd, waar intusschen de achtergeblevenen een diepen kuil hebben gegraven. Voor dien kuil gebracht, wordt den gevangene de keus gegeven, daarin tot den hals te worden begraven, of zich vrij te koopen met een pint jenever of brandewijn. Daar de heele zaak doorgaans slechts een grap is, betaalt de gevangene zijn pint, zijn losprijs, en wordt dan dadelijk in vrijheid gesteld. Is hij daartoe echter ongezind, dan wordt hij onverbiddelijk in den kuil gestopt, dien de meedelvers rondom hem weer aanvullen en vaststampen, zoodat hij in die houding, alleen met het hoofd boven den grond, een geruimen poos het werk mag aanzien. Voorwaar, een eigenaardige straf, die aan oud-germaansche zeden herinnert.Jammer, dat deze meekrapcultuur, die voor Zeeland van zoo overwegend belang is, en met hare karakteristieke gebruiken en gewoonten kleur en afwisseling in het vaak zoo eentonige landleven brengt, dreigt ten onder te gaan. Men heeft immers het middel gevonden om de vroeger onmisbare meekrap door eene andere kleurstof, van eenvoudiger en goedkooper bereiding, te vervangen. Mocht dit werkelijk het gevalblijken te zijn, dan is de meekrapteelt onherroepelijk veroordeeld, tenzij men ook een middel vinde, om met goed gevolg den strijd tegen dezen nieuwen mededinger te kunnen volhouden. Of door den ondergang dier cultuur duizende gezinnen broodeloos worden, beteekent niets: geen enkele fabriekant zal zich, door overwegingen van dien aard, ook maar een enkel oogenblik laten weerhouden om zich de goedkooper verfstof aan te schaffen, zoo ras hij die krijgen kan. Wie weet, misschien nog weinige jaren, en de vroolijke hoorn der meekrapdelvers zal niet meer door de dorpen en over de velden weerschallen; niet langer zal, van tusschen de struiken of achter de boomen, het spottende refrein den delvers in de ooren klinken:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!—Dan zal er geen prettige, jolige jacht meer zijn, om den spotter op te vangen en naar oud recht te straffen; geen lustige maaltijd meer, als het welverdiende loon voor den arbeid ontvangen is;—niets van dat alles meer. Misschien zal dan de meedelver in een fabriek arbeiden, en zijn dagen slijten in verstikkende of bedorven atmosfeer, tusschen stampende en snuivende en steunende machines, met het eeuwig eenerlei harer afgepaste bewegingen, tot hij zelf half in eene machine veranderd is. En zoo zal weder een der trekken van het oude leven zijn uitgewischt, om vervangen te worden door.... ja, door wat? Laat ons, tegen hoop, hopen door iets beters, ook al is nog geen enkel teeken te bespeuren, dat zoodanige uitkomst doet verwachten.Wij vertoefden eenigen tijd te Heinkenszand, waar wel het een en ander is, dat artistiek gestemde gemoederen kan aantrekken, al ware het slechts de kalme, idyllische natuur.Wij zaten des middags rustig neder in de voornaamste herberg, en keuvelden met de beide lieve dochters van de kasteleinesse, die bezig waren het koperwerk blinkend te schuren, zoodat ge, om de technische uitdrukking te gebruiken, er uw muts in opzetten kondt. Het dorp was doodstil; allen waren aan den maaltijd. Eensklaps hoorden wij geweerschoten.“Wat is dat?—“O, daar wordt een jong gezel doodgeschoten,” antwoordt lachende de jongste dochter, terwijl zij met haar moeder en haar zuster naar de deur der herberg loopt.Inderdaad, daar ging een bruiloftsoptocht voorbij.De bruid en de bruidegom wandelden aan het hoofd van den vrij langen stoet. Daarop volgden de vader en de moeder:—de vader ernstig, de moeder in tranen. Achter hen kwamen de gehuwde bloedverwanten, en eindelijk een luidruchtige troep van jongelui, die onophoudelijk geweer- of pistoolschoten afvuurden. Van tijd tot tijd werden bovendien door de jongsten zwermen afgestoken.Wij volgden den blijden stoet. Wij gingen met hen de trouwkamer op het raadhuis binnen; daar werden eenige artikelen der wet voorgelezen, eenige vragen gedaan en stilzwijgend met een hoofdknik beantwoord, eenige handteekeningen verzameld. Toen stond de burgemeester op en sprak op officiëelen toon:“In naam der wet verklaar ik u gehuwd.”Dat de man nu nog eene meer of min treffende toespraak hield, was louter zijner goedwilligheid te danken: hij had kunnen volstaan met deze officiëele verklaring. Want op deze indrukwekkende wijze wordt, naar de tegenwoordige zede, de heiligste en voor het leven meest gewichtige verbindtenis gesloten. Kan het dorder, doodscher, minder hartverheffend? In zulk een oogenblik, waar het de volle persoonlijkheid, in hare diepste beteekenis geldt, daar wordt soms alleen gesproken in naam der wet, niet van een of anderen persoon, tot wien het harte kan uitgaan, voor wien daar in het gemoed een snaar trillen kan, die wijding geeft aan eene overigens onbeteekenende handeling, maar in naam eener abstractie, vertegenwoordigd door een stuk papier. Och, dat ieder ambtenaar van den Burgerlijken Stand bij het sluiten van een huwelijk daaraan gedachtig mocht wezen en een woord van ernst en opwekking overhad voor hen, die aan den ingang staan van een zoo gewichtige toekomst!Maar vergeten wij het tooneel voor ons niet.Zoodra de burgemeester de sakramenteele woorden gesproken heeft, neemt de bruid de hoofdnaald, de groote gouden plaat, die zij van links naar rechts op het voorhoofd droeg, en verplaatst die naar de andere zijde, ten teeken dat zij nu vrouw is geworden.Van het raadhuis begaf de stoet zich naar de kerk, waar de inzegening van het huwelijk door den predikant zou plaats hebben: eene in ons land vrij algemeene en zeer loffelijke gewoonte; een stil maar welsprekend protest van het volksbewustzijn, van de christelijke conscientie, die met die burgerlijke handelingalléén geen vrede heeft, maar ook den godsdienst zijn recht geeft bij de ernstigste en heiligste daad des levens.De bruiloft werd, als gewoonlijk, in een der vertrekken van de herberg gevierd: eene antieke kamer, schilderachtig bij uitnemendheid, zooals men er nog velen in Zeeland vinden kan. Boven het hoofd der bruid hing eene fraaie kroon van groen en bloemen en gekleurd en uitgeknipt papier. De kroon verbeeldde een kruis, door bloemen omwonden: zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksleven met zijn vreugden en smarten, zijne blijdschap en beproevingen. Deze kroon was door de jonge meisjes van het dorp vervaardigd.De gasten, vooral ook de jongelui, stroomden in menigte toe, om deel te nemen aan den maaltijd, waarbij het aan geen krentenbrood, geen kalfs- en varkensvleesch, geen rijst met krenten mag ontbreken, en evenmin aan bier en wijn en allerlei likeuren. Zelfs begint in dit opzicht de weelde tegenwoordig al vrij ver te gaan, en kunt ge bij boerebruiloften fijne wijnen op tafel vinden.Op het oogenblik dat wij de feestzaal binnentraden, was een der gasten, geheel in het zwart fluweel gekleed, waarschijnlijk de dichter van het dorp, bezig, met eene brommende stem, eenige verzen voor te dragen, waarbij hij nu en dan door het orchest, bestaande uit een viool en een fluit, werd geaccompagneerd.De vader van den bruigom lachte en verkocht aardigheden: de moeder der bruid scheen door de poëzie, die toch volstrekt niet tot de verhevenste soort behoorde, tot tranen geroerd. Overigens heerschte er aan tafel eene opgewekte stemming, die steeds vroolijker en luidruchtiger werd. Natuurlijk wordt de bruiloftsmaaltijd door een dans gevolgd: een eigenaardige uitspanning, nadat men tot oververzadiging gegeten en gedronken heeft.Voor wij Zuid-Beveland verlieten, wenschten wij een kort uitstapje te maken naar Noord-Beveland. Wij lieten ons overzetten naar Kortgene, en wandelden vandaar naar Wissekerke, het voornaamste dorp van het eiland, dat met de daartoe behoorende gehuchten en heerlijkheden, ruim vijf-en-twintig honderd inwoners telt. Het landschap op Noord-Beveland verschilt niet van dat van Zuid-Beveland: dezelfde vruchtbare, zorgvuldig bebouwde streken; akkers, boomgaarden, weilanden. Het tegenwoordige Noord-Beveland is eerst na den grooten vloed van 1532 ontstaan. Bij die gelegenheid werd het gansche eiland overstroomd en totaal verwoest, in die mate, dat er zes-en-zestig jaren moesten verloopen, eer men weder met de bedijking en droogmaking aanving. De thans bestaande dorpen, al dragen zij ook dezelfde namen als die, welke toen door de wateren werden verzwolgen, zijn toch allen na dien tijd gebouwd, naarmate het uit de golven getogen land weder bewoonbaar en bewoond werd.Een smidse te Kruiningen.Een smidse te Kruiningen.Eenige uren zijn voldoende om het eiland te leeren kennen; nog den eigen avond keerden wij naar Zuid-Beveland en Goes terug.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.
XII.Van Krabbendijke voert onze weg over Rilland naar Bath. Bath is niet meer dan een fort, eene groote kazerne, met een tolkantoor en enkele partikuliere woningen. Bloedrood en grijs zijn hier de heerschende kleuren, en de plaats zelve maakt een alles behalve aangenamen indruk. Vergoeding vindt ge hiervoor in het prachtige gezicht op den koninklijken stroom, die, van Antwerpen komende, zich juist hier in twee armen splitst. Het fort werd, na den afstand van Lillo, in het jaar 1785, gesticht. Bath werd, bij de landing der Engelschen, in 1808, door hen bezet, maar spoedig daarop weder door de Hollanders genomen. Deze laatste gebeurtenis werd door Bilderdijk verheerlijkt in een prachtigen lierzang:Sla lust- en liefdetonen,Wien dartel bloed doorstraalt!Wy zingen zegekronen,Door heldenmoed behaald!Wy zingen in de barenGeen wieg van Cythereê,Maar Hollands heldenscharen,Gerezen uit de zee!Hoe bruist het in die kolken!Hoe zwirrelt kil en vloed!Hoe trekken lucht en wolkenDit schouwspel te gemoet!Gy zult die helden dekken,(Gij nevels uit het West!)Die door de baren trekken,Door gloriezucht geprest.Of voert gy donderslagenEn bliksems in uw’ schoot?Gy zult hen niet vertsagen,Zoo min als ’t Britsche lood.Zy treden in die golvenOp ’t smal onzichtbaar pad,Van stroomen overdolven,Van zeeschuim overspat.Ja, laat uw baren schuimen,O groots doorwaadde vloed!Uw zilvren waterpluimenVersieren hun den hoed.Ziedaar den echten veder,Die Hollands krijgsliên past!De lauwer buigt zich neder,Waar deze zeepluim wast!Wat zoekt gy, watertemmers,De dood door deze dood?Ja, trotst haar, fiere zwemmers!De moed braveert den nood.Den baren uitgestegen,Als goden van het meir,Ontziet u vuur en degen,En geeft uw stoutheid eer.Ontbrandt, gij bliksemvuren,En, donders, rolt en knalt!Doorklinkt en vest en muren,De Britsche standaart valt!De Zeeleeuw is verrezen,En Hollands vlag hersteld!Het Lot is uitgewezen:De schaal van Holland helt!Laat thands de blijdschap schateren!De Zeegod doet haar stemLangs golf en deining klateren,En geeft haar tonen klem!In schaaûw van Uw banieren,Geliefde Lodewijk,Mag Holland zegevieren!Ontfang zijn vreugdeblijk!In schaaûw van die standaarden,Waarop de zege rust,Zal Holland niet ontaarden,Wordt nooit de moed gebluscht!Het legt zijn oorlogspalmenVoor Uw onwrikbren troon:En; mag het zege galmen,Het dankt het aan Uw kroon!Deze lierzang is ruim zoo belangrijk, als het feit zelf, dat hij bestemd is te verheerlijken, en dat Bilderdijk stoffe leverde voor nog een tweede, uitvoeriger gedicht:de Scheldebewoner. Immers, is het niet, als wij dezen lierzang lezen, als gold het hier een schitterende heldendaad, voor ’t minst een wapenfeit van beslissend gewicht? Welnu: toen de generaal Cort-Heiligers, met weinige manschappen, naar Zuid-Beveland overstak en Bath bezette, wist hij dat de vijand reeds in vollen aftocht was, en was het fort bereids door de Engelschen ontruimd! Merkwaardig is deze odeBath hernomen, ook in dit opzicht, als een voorbeeld te meer van de zonderlinge, bijkansnaïeveoverdrijving, waarin deze dichter—wij moeten haast aannemen, onbewust—telkens verviel. Ook maakt het een eigenaardigen, tragi-komischen indruk, in het jaar Onzes Heeren 1809, te hooren gewagen van Hollands oorlogspalmen en van de banieren van den geliefden Lodewijk, waarop de zege rust! En dan die onwrikbare troon, waarvan reeds een jaar later geen spoor meer te vinden was!.....Na een kort oponthoud te Bath, aan de uiterste landpunt van Zuid-Beveland gelegen, wandelen wij terug naar Rilland, om daar den trein af te wachten, die ons weder naar Goes voeren moet.Het is geheel avond geworden, als wij daar aankomen. Een enkele lantaarn werpt hier en daar, op de eenzame straat, een treurig, onzeker licht. Op de markt, waar de massa der groote kerk zich spookachtig en schemerend tegen den donkeren hemel afteekent, dezelfde duisternis. Uit desociëteitVan ongeneuchten vrij, de oude schuttersdoelen, klinkt ons muziek tegen en straalt een helder licht. Daar een poosje gerust en gepraat, eer wij in ons logement inkeeren en krachten verzamelen voor eene nieuwe wandeling, ditmaal in andere richting.Thans gaat de tocht in westelijke richting, naar de kleine dorpen ’s Heer-Hendrikskinderen en Wissekerke, en van daar naar het meer aanzienlijke ’s Heer-Arendskerke. Naar de legende wil, zouden deze dorpen gesticht zijn door drie broeders, Hendrik, Wisse en Arend; de eerste, overleden zijnde voor het nieuwe dorp was verrezen, werd de stichting door zijne kinderen volbracht. ’s Heer-Arendskerke is van de drie verreweg het aanzienlijkste. Wij treden hier eene vrij armelijke woning binnen, en zien, tot onze groote verbazing, dat de wanden der woonkamer behangen zijn. Gelukkig is dat nog niet algemeen ten platten lande, al begint deze mode ook meer en meer in zwang te komen. ’t Is niet te loochenen: langzamerhand verdwijnen ze, die sobere, schilderachtige binnenhuizen, met hun frissche en gedempte tonen, hunne helder witte, of wel met hout beschoten, of ook met blanke en blauw beschilderde tegeltjes bekleede wanden; zij verdwijnen langzamerhand, om plaats te maken voor leelijke, smakelooze papieren behangsels; zij gaan denzelfden weg als de mooie vilten hoeden der mannen en de karakteristieke sieraden der vrouwen. Het nieuwe kanaal en de spoorweg zullen weldra, ook hier, de zoo hoog gewaardeerde eenvormigheid in kleeding en voorkomen, in manieren en levenswijze, doen zegevieren.Een goochelaar te Kruiningen.Een goochelaar te Kruiningen.Nog een kleine tijd—en deze schilderachtig uitgedoste boeren zullen zich alle moeite geven, om zooveel mogelijk op de stedelingen te gelijken. Dan begint er eene periode van overgang, een middentoestand tusschen de oude en de nieuwe mode, waarin de wansmaak oppermachtig heerschen zal:—dat is de tijd der gemeene petten, der afschuwelijke lange jassen. Dan zullen langzamerhand de schitterende dolle kermissen verdwijnen, of althans wat aan die kermissen gloed en kleur geeft: de weelderige kleederdracht der vrouwen en meisjes, het goud van haar kapsel, het zilver van haar schoenen; en ook de fluweelen kleederen der mannen:—in één woord, verdwijnen zullen de schoonheid, de harmonie, de kleur. En wanneer dan een kunstenaar dit rijke land bereizen zal, en de oudekleederdrachten wil zien, dan zal hij zijne schreden moeten richten naar de uitdragerswinkels, waar de tooi van het oude Zeeland, in een hoek weggeworpen, vergeten zal liggen.Een kleermaker te Krabbendijke.Een kleermaker te Krabbendijke.Ten zuiden van ’s Heer-Arendskerke ligt Heinkenszand, een dorp, grootendeels door Katholieken bewoond, wier aantal in dit westelijk deel van Zuid-Beveland vrij aanzienlijk is. Dit onderscheid van geloofsbelijdenis is ook merkbaar in de kleeding. Ge ziet hier geen paarsche of blauwe wambuizen, tenzij dan voor de boeren in heelen of halven rouw. De geliefkoosde kleuren zijn hier purper en scharlaken, met groote gele bloemen. Somwijlen zijn de boeren geheel in zijde of satijn gekleed, en doen zij u denken aan sommige oostersche kleederdrachten. De vrouwen dragen nog den zoogenaamden herderinnehoed uit het laatst der vorige eeuw, eveneens met zijde gevoerd.Op de zeeuwsche dorpen, met name in die van Zuid-Beveland, vindt men doorgaans nog gezelschappen van jongelieden, die een soort van gilde, het jonkmansgilde of gilde der jeugd, vormen. Dit gilde heeft zijn eigen bestuur, zijn hoofdman, zijn secretaris, zijn bode, zijn eigen reglementen en strafbepalingen. Om lid te kunnen worden, moet men eerst voor de nationale militie geloot hebben. De nieuw aangenomene betaalt een entreegeld van negentig cents; welk bedrag tot een gulden twintig cents wordt opgevoerd, wanneer de nieuweling geen liedje zingen kan. De opneming in het gilde staat ongeveer gelijk met de toekenning van het burgerrecht in de gemeente. Wanneer een jonkman uit eene andere gemeente de hand van een meisje uit het dorp vraagt, dan wachten de leden van het gilde hem op aan de deur van de woning zijner beminde, en vragen van hem een vergoeding van vijf-en-zestig centen, zoo hij jonkman is, en drie gulden, zoo hij reeds vroeger gehuwd is geweest.Het gilde viert ook zijn eigen feesten, die doorgaans met de dorpskermis samenvallen. Dan wordt in de herberg een rijk versierde kroon van groen en bloemen opgehangen, de kroon der jeugd genaamd; dan vergaderen zich daar de jonkmans met hunne meisjes, allen met bloemen versierd, en wordt er gegeten en gedronken, gezongen en gedanst naar hartelust. Deze gilden en de schuttersgezelschappen werden vroeger op geen enkel dorp gemist; en nog tegenwoordig zijn zij op de meeste plaatsen in stand gebleven, al begint ook hier en daar de vorm eenigszins te veranderen.Onder de eigenaardigheden van het zeeuwsche landschap en het zeeuwsche landleven behoort ook de meekrapcultuur, die aan duizende handen werk verschaft, zoowel bij het aanplanten der meekrapkiemen, als bij het uitgraven der diep in den grond doorgedrongen wortels. Na het uitdelven, worden de wortels naar de meestoven gebracht, waar zij gedroogd en gestampt worden, en vervolgens ter verdere bewerking aan de garancine-fabrieken afgeleverd.In den herfst, als de wortels rijp zijn geworden, trekken iederen morgen troepen veldarbeiders, tien tot twintig personen sterk, naar het veld.Aan het hoofd van zulk eene bende gaat de voorman, de aanvoerder of chef der bende; daarop volgt de neusman (nevenman); achter hen komen de volgers. De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot den arbeid opgeroepen; en al blazende loopt de hoornblazer vooruit. Op het veld gekomen, wordt de bende, naar zekere regelen, voor het verrichten van den arbeid verdeeld. Het werk vordert groote spierkracht, maar wordt toch van den morgen tot den middag voortgezet, met een half uur tusschenpoozen, halfschof geheeten, waartoe het sein weder met den hoorn gegeven wordt; de arbeiders eten dan hun stute, boterham, en hervatten weldra weder het werk. ’s Middags en ’s avonds, bij het gaan en komen, laat telkens de muziek zich hooren.Wekelijks ontvangt elk lid der bende eene zekere som, naar verkiezing, in afkorting op zijn loon. Is eindelijk het werk geheel afgeloopen, dan gaat de voorman met den landheer afrekenen, en doet vervolgens rekening en verantwoording in eene vergadering, die te zijnen huize wordt belegd, en waarbij aan ieder zijn gerechte deel wordt uitbetaald. Natuurlijk wordt dan, voor gemeenschappelijke rekening, een maaltijd aangericht, waarop de bierkruik lustig rondgaat.Somwijlen gebeurt het wel, dat de arbeid op het veld eensklaps door een kluchtig tooneel wordt afgebroken. Daar klinkt uit de verte, op spottenden toon:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!Dadelijk worden de spaden in den grond gestoken, en enkelen uit de bende jagen den spotter na, die het natuurlijk uit al zijn macht op een loopen zet. Weet hij een schuilhoek te bereiken, waar hij moeilijk te vinden is, dan wordt de jacht zoo veel te ijveriger en hartstochtelijker voortgezet. Meenen de vervolgers, dat hun man zich in een huis heeft verscholen, dan doorzoeken zij dit van onder tot boven: niemand mag, naar oud gebruik, hun den toegang weigeren. Is eindelijk de schuldige gevonden, dan wordt hij naar het veld gevoerd, waar intusschen de achtergeblevenen een diepen kuil hebben gegraven. Voor dien kuil gebracht, wordt den gevangene de keus gegeven, daarin tot den hals te worden begraven, of zich vrij te koopen met een pint jenever of brandewijn. Daar de heele zaak doorgaans slechts een grap is, betaalt de gevangene zijn pint, zijn losprijs, en wordt dan dadelijk in vrijheid gesteld. Is hij daartoe echter ongezind, dan wordt hij onverbiddelijk in den kuil gestopt, dien de meedelvers rondom hem weer aanvullen en vaststampen, zoodat hij in die houding, alleen met het hoofd boven den grond, een geruimen poos het werk mag aanzien. Voorwaar, een eigenaardige straf, die aan oud-germaansche zeden herinnert.Jammer, dat deze meekrapcultuur, die voor Zeeland van zoo overwegend belang is, en met hare karakteristieke gebruiken en gewoonten kleur en afwisseling in het vaak zoo eentonige landleven brengt, dreigt ten onder te gaan. Men heeft immers het middel gevonden om de vroeger onmisbare meekrap door eene andere kleurstof, van eenvoudiger en goedkooper bereiding, te vervangen. Mocht dit werkelijk het gevalblijken te zijn, dan is de meekrapteelt onherroepelijk veroordeeld, tenzij men ook een middel vinde, om met goed gevolg den strijd tegen dezen nieuwen mededinger te kunnen volhouden. Of door den ondergang dier cultuur duizende gezinnen broodeloos worden, beteekent niets: geen enkele fabriekant zal zich, door overwegingen van dien aard, ook maar een enkel oogenblik laten weerhouden om zich de goedkooper verfstof aan te schaffen, zoo ras hij die krijgen kan. Wie weet, misschien nog weinige jaren, en de vroolijke hoorn der meekrapdelvers zal niet meer door de dorpen en over de velden weerschallen; niet langer zal, van tusschen de struiken of achter de boomen, het spottende refrein den delvers in de ooren klinken:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!—Dan zal er geen prettige, jolige jacht meer zijn, om den spotter op te vangen en naar oud recht te straffen; geen lustige maaltijd meer, als het welverdiende loon voor den arbeid ontvangen is;—niets van dat alles meer. Misschien zal dan de meedelver in een fabriek arbeiden, en zijn dagen slijten in verstikkende of bedorven atmosfeer, tusschen stampende en snuivende en steunende machines, met het eeuwig eenerlei harer afgepaste bewegingen, tot hij zelf half in eene machine veranderd is. En zoo zal weder een der trekken van het oude leven zijn uitgewischt, om vervangen te worden door.... ja, door wat? Laat ons, tegen hoop, hopen door iets beters, ook al is nog geen enkel teeken te bespeuren, dat zoodanige uitkomst doet verwachten.Wij vertoefden eenigen tijd te Heinkenszand, waar wel het een en ander is, dat artistiek gestemde gemoederen kan aantrekken, al ware het slechts de kalme, idyllische natuur.Wij zaten des middags rustig neder in de voornaamste herberg, en keuvelden met de beide lieve dochters van de kasteleinesse, die bezig waren het koperwerk blinkend te schuren, zoodat ge, om de technische uitdrukking te gebruiken, er uw muts in opzetten kondt. Het dorp was doodstil; allen waren aan den maaltijd. Eensklaps hoorden wij geweerschoten.“Wat is dat?—“O, daar wordt een jong gezel doodgeschoten,” antwoordt lachende de jongste dochter, terwijl zij met haar moeder en haar zuster naar de deur der herberg loopt.Inderdaad, daar ging een bruiloftsoptocht voorbij.De bruid en de bruidegom wandelden aan het hoofd van den vrij langen stoet. Daarop volgden de vader en de moeder:—de vader ernstig, de moeder in tranen. Achter hen kwamen de gehuwde bloedverwanten, en eindelijk een luidruchtige troep van jongelui, die onophoudelijk geweer- of pistoolschoten afvuurden. Van tijd tot tijd werden bovendien door de jongsten zwermen afgestoken.Wij volgden den blijden stoet. Wij gingen met hen de trouwkamer op het raadhuis binnen; daar werden eenige artikelen der wet voorgelezen, eenige vragen gedaan en stilzwijgend met een hoofdknik beantwoord, eenige handteekeningen verzameld. Toen stond de burgemeester op en sprak op officiëelen toon:“In naam der wet verklaar ik u gehuwd.”Dat de man nu nog eene meer of min treffende toespraak hield, was louter zijner goedwilligheid te danken: hij had kunnen volstaan met deze officiëele verklaring. Want op deze indrukwekkende wijze wordt, naar de tegenwoordige zede, de heiligste en voor het leven meest gewichtige verbindtenis gesloten. Kan het dorder, doodscher, minder hartverheffend? In zulk een oogenblik, waar het de volle persoonlijkheid, in hare diepste beteekenis geldt, daar wordt soms alleen gesproken in naam der wet, niet van een of anderen persoon, tot wien het harte kan uitgaan, voor wien daar in het gemoed een snaar trillen kan, die wijding geeft aan eene overigens onbeteekenende handeling, maar in naam eener abstractie, vertegenwoordigd door een stuk papier. Och, dat ieder ambtenaar van den Burgerlijken Stand bij het sluiten van een huwelijk daaraan gedachtig mocht wezen en een woord van ernst en opwekking overhad voor hen, die aan den ingang staan van een zoo gewichtige toekomst!Maar vergeten wij het tooneel voor ons niet.Zoodra de burgemeester de sakramenteele woorden gesproken heeft, neemt de bruid de hoofdnaald, de groote gouden plaat, die zij van links naar rechts op het voorhoofd droeg, en verplaatst die naar de andere zijde, ten teeken dat zij nu vrouw is geworden.Van het raadhuis begaf de stoet zich naar de kerk, waar de inzegening van het huwelijk door den predikant zou plaats hebben: eene in ons land vrij algemeene en zeer loffelijke gewoonte; een stil maar welsprekend protest van het volksbewustzijn, van de christelijke conscientie, die met die burgerlijke handelingalléén geen vrede heeft, maar ook den godsdienst zijn recht geeft bij de ernstigste en heiligste daad des levens.De bruiloft werd, als gewoonlijk, in een der vertrekken van de herberg gevierd: eene antieke kamer, schilderachtig bij uitnemendheid, zooals men er nog velen in Zeeland vinden kan. Boven het hoofd der bruid hing eene fraaie kroon van groen en bloemen en gekleurd en uitgeknipt papier. De kroon verbeeldde een kruis, door bloemen omwonden: zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksleven met zijn vreugden en smarten, zijne blijdschap en beproevingen. Deze kroon was door de jonge meisjes van het dorp vervaardigd.De gasten, vooral ook de jongelui, stroomden in menigte toe, om deel te nemen aan den maaltijd, waarbij het aan geen krentenbrood, geen kalfs- en varkensvleesch, geen rijst met krenten mag ontbreken, en evenmin aan bier en wijn en allerlei likeuren. Zelfs begint in dit opzicht de weelde tegenwoordig al vrij ver te gaan, en kunt ge bij boerebruiloften fijne wijnen op tafel vinden.Op het oogenblik dat wij de feestzaal binnentraden, was een der gasten, geheel in het zwart fluweel gekleed, waarschijnlijk de dichter van het dorp, bezig, met eene brommende stem, eenige verzen voor te dragen, waarbij hij nu en dan door het orchest, bestaande uit een viool en een fluit, werd geaccompagneerd.De vader van den bruigom lachte en verkocht aardigheden: de moeder der bruid scheen door de poëzie, die toch volstrekt niet tot de verhevenste soort behoorde, tot tranen geroerd. Overigens heerschte er aan tafel eene opgewekte stemming, die steeds vroolijker en luidruchtiger werd. Natuurlijk wordt de bruiloftsmaaltijd door een dans gevolgd: een eigenaardige uitspanning, nadat men tot oververzadiging gegeten en gedronken heeft.Voor wij Zuid-Beveland verlieten, wenschten wij een kort uitstapje te maken naar Noord-Beveland. Wij lieten ons overzetten naar Kortgene, en wandelden vandaar naar Wissekerke, het voornaamste dorp van het eiland, dat met de daartoe behoorende gehuchten en heerlijkheden, ruim vijf-en-twintig honderd inwoners telt. Het landschap op Noord-Beveland verschilt niet van dat van Zuid-Beveland: dezelfde vruchtbare, zorgvuldig bebouwde streken; akkers, boomgaarden, weilanden. Het tegenwoordige Noord-Beveland is eerst na den grooten vloed van 1532 ontstaan. Bij die gelegenheid werd het gansche eiland overstroomd en totaal verwoest, in die mate, dat er zes-en-zestig jaren moesten verloopen, eer men weder met de bedijking en droogmaking aanving. De thans bestaande dorpen, al dragen zij ook dezelfde namen als die, welke toen door de wateren werden verzwolgen, zijn toch allen na dien tijd gebouwd, naarmate het uit de golven getogen land weder bewoonbaar en bewoond werd.Een smidse te Kruiningen.Een smidse te Kruiningen.Eenige uren zijn voldoende om het eiland te leeren kennen; nog den eigen avond keerden wij naar Zuid-Beveland en Goes terug.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.
XII.
Van Krabbendijke voert onze weg over Rilland naar Bath. Bath is niet meer dan een fort, eene groote kazerne, met een tolkantoor en enkele partikuliere woningen. Bloedrood en grijs zijn hier de heerschende kleuren, en de plaats zelve maakt een alles behalve aangenamen indruk. Vergoeding vindt ge hiervoor in het prachtige gezicht op den koninklijken stroom, die, van Antwerpen komende, zich juist hier in twee armen splitst. Het fort werd, na den afstand van Lillo, in het jaar 1785, gesticht. Bath werd, bij de landing der Engelschen, in 1808, door hen bezet, maar spoedig daarop weder door de Hollanders genomen. Deze laatste gebeurtenis werd door Bilderdijk verheerlijkt in een prachtigen lierzang:Sla lust- en liefdetonen,Wien dartel bloed doorstraalt!Wy zingen zegekronen,Door heldenmoed behaald!Wy zingen in de barenGeen wieg van Cythereê,Maar Hollands heldenscharen,Gerezen uit de zee!Hoe bruist het in die kolken!Hoe zwirrelt kil en vloed!Hoe trekken lucht en wolkenDit schouwspel te gemoet!Gy zult die helden dekken,(Gij nevels uit het West!)Die door de baren trekken,Door gloriezucht geprest.Of voert gy donderslagenEn bliksems in uw’ schoot?Gy zult hen niet vertsagen,Zoo min als ’t Britsche lood.Zy treden in die golvenOp ’t smal onzichtbaar pad,Van stroomen overdolven,Van zeeschuim overspat.Ja, laat uw baren schuimen,O groots doorwaadde vloed!Uw zilvren waterpluimenVersieren hun den hoed.Ziedaar den echten veder,Die Hollands krijgsliên past!De lauwer buigt zich neder,Waar deze zeepluim wast!Wat zoekt gy, watertemmers,De dood door deze dood?Ja, trotst haar, fiere zwemmers!De moed braveert den nood.Den baren uitgestegen,Als goden van het meir,Ontziet u vuur en degen,En geeft uw stoutheid eer.Ontbrandt, gij bliksemvuren,En, donders, rolt en knalt!Doorklinkt en vest en muren,De Britsche standaart valt!De Zeeleeuw is verrezen,En Hollands vlag hersteld!Het Lot is uitgewezen:De schaal van Holland helt!Laat thands de blijdschap schateren!De Zeegod doet haar stemLangs golf en deining klateren,En geeft haar tonen klem!In schaaûw van Uw banieren,Geliefde Lodewijk,Mag Holland zegevieren!Ontfang zijn vreugdeblijk!In schaaûw van die standaarden,Waarop de zege rust,Zal Holland niet ontaarden,Wordt nooit de moed gebluscht!Het legt zijn oorlogspalmenVoor Uw onwrikbren troon:En; mag het zege galmen,Het dankt het aan Uw kroon!Deze lierzang is ruim zoo belangrijk, als het feit zelf, dat hij bestemd is te verheerlijken, en dat Bilderdijk stoffe leverde voor nog een tweede, uitvoeriger gedicht:de Scheldebewoner. Immers, is het niet, als wij dezen lierzang lezen, als gold het hier een schitterende heldendaad, voor ’t minst een wapenfeit van beslissend gewicht? Welnu: toen de generaal Cort-Heiligers, met weinige manschappen, naar Zuid-Beveland overstak en Bath bezette, wist hij dat de vijand reeds in vollen aftocht was, en was het fort bereids door de Engelschen ontruimd! Merkwaardig is deze odeBath hernomen, ook in dit opzicht, als een voorbeeld te meer van de zonderlinge, bijkansnaïeveoverdrijving, waarin deze dichter—wij moeten haast aannemen, onbewust—telkens verviel. Ook maakt het een eigenaardigen, tragi-komischen indruk, in het jaar Onzes Heeren 1809, te hooren gewagen van Hollands oorlogspalmen en van de banieren van den geliefden Lodewijk, waarop de zege rust! En dan die onwrikbare troon, waarvan reeds een jaar later geen spoor meer te vinden was!.....Na een kort oponthoud te Bath, aan de uiterste landpunt van Zuid-Beveland gelegen, wandelen wij terug naar Rilland, om daar den trein af te wachten, die ons weder naar Goes voeren moet.Het is geheel avond geworden, als wij daar aankomen. Een enkele lantaarn werpt hier en daar, op de eenzame straat, een treurig, onzeker licht. Op de markt, waar de massa der groote kerk zich spookachtig en schemerend tegen den donkeren hemel afteekent, dezelfde duisternis. Uit desociëteitVan ongeneuchten vrij, de oude schuttersdoelen, klinkt ons muziek tegen en straalt een helder licht. Daar een poosje gerust en gepraat, eer wij in ons logement inkeeren en krachten verzamelen voor eene nieuwe wandeling, ditmaal in andere richting.Thans gaat de tocht in westelijke richting, naar de kleine dorpen ’s Heer-Hendrikskinderen en Wissekerke, en van daar naar het meer aanzienlijke ’s Heer-Arendskerke. Naar de legende wil, zouden deze dorpen gesticht zijn door drie broeders, Hendrik, Wisse en Arend; de eerste, overleden zijnde voor het nieuwe dorp was verrezen, werd de stichting door zijne kinderen volbracht. ’s Heer-Arendskerke is van de drie verreweg het aanzienlijkste. Wij treden hier eene vrij armelijke woning binnen, en zien, tot onze groote verbazing, dat de wanden der woonkamer behangen zijn. Gelukkig is dat nog niet algemeen ten platten lande, al begint deze mode ook meer en meer in zwang te komen. ’t Is niet te loochenen: langzamerhand verdwijnen ze, die sobere, schilderachtige binnenhuizen, met hun frissche en gedempte tonen, hunne helder witte, of wel met hout beschoten, of ook met blanke en blauw beschilderde tegeltjes bekleede wanden; zij verdwijnen langzamerhand, om plaats te maken voor leelijke, smakelooze papieren behangsels; zij gaan denzelfden weg als de mooie vilten hoeden der mannen en de karakteristieke sieraden der vrouwen. Het nieuwe kanaal en de spoorweg zullen weldra, ook hier, de zoo hoog gewaardeerde eenvormigheid in kleeding en voorkomen, in manieren en levenswijze, doen zegevieren.Een goochelaar te Kruiningen.Een goochelaar te Kruiningen.Nog een kleine tijd—en deze schilderachtig uitgedoste boeren zullen zich alle moeite geven, om zooveel mogelijk op de stedelingen te gelijken. Dan begint er eene periode van overgang, een middentoestand tusschen de oude en de nieuwe mode, waarin de wansmaak oppermachtig heerschen zal:—dat is de tijd der gemeene petten, der afschuwelijke lange jassen. Dan zullen langzamerhand de schitterende dolle kermissen verdwijnen, of althans wat aan die kermissen gloed en kleur geeft: de weelderige kleederdracht der vrouwen en meisjes, het goud van haar kapsel, het zilver van haar schoenen; en ook de fluweelen kleederen der mannen:—in één woord, verdwijnen zullen de schoonheid, de harmonie, de kleur. En wanneer dan een kunstenaar dit rijke land bereizen zal, en de oudekleederdrachten wil zien, dan zal hij zijne schreden moeten richten naar de uitdragerswinkels, waar de tooi van het oude Zeeland, in een hoek weggeworpen, vergeten zal liggen.Een kleermaker te Krabbendijke.Een kleermaker te Krabbendijke.Ten zuiden van ’s Heer-Arendskerke ligt Heinkenszand, een dorp, grootendeels door Katholieken bewoond, wier aantal in dit westelijk deel van Zuid-Beveland vrij aanzienlijk is. Dit onderscheid van geloofsbelijdenis is ook merkbaar in de kleeding. Ge ziet hier geen paarsche of blauwe wambuizen, tenzij dan voor de boeren in heelen of halven rouw. De geliefkoosde kleuren zijn hier purper en scharlaken, met groote gele bloemen. Somwijlen zijn de boeren geheel in zijde of satijn gekleed, en doen zij u denken aan sommige oostersche kleederdrachten. De vrouwen dragen nog den zoogenaamden herderinnehoed uit het laatst der vorige eeuw, eveneens met zijde gevoerd.Op de zeeuwsche dorpen, met name in die van Zuid-Beveland, vindt men doorgaans nog gezelschappen van jongelieden, die een soort van gilde, het jonkmansgilde of gilde der jeugd, vormen. Dit gilde heeft zijn eigen bestuur, zijn hoofdman, zijn secretaris, zijn bode, zijn eigen reglementen en strafbepalingen. Om lid te kunnen worden, moet men eerst voor de nationale militie geloot hebben. De nieuw aangenomene betaalt een entreegeld van negentig cents; welk bedrag tot een gulden twintig cents wordt opgevoerd, wanneer de nieuweling geen liedje zingen kan. De opneming in het gilde staat ongeveer gelijk met de toekenning van het burgerrecht in de gemeente. Wanneer een jonkman uit eene andere gemeente de hand van een meisje uit het dorp vraagt, dan wachten de leden van het gilde hem op aan de deur van de woning zijner beminde, en vragen van hem een vergoeding van vijf-en-zestig centen, zoo hij jonkman is, en drie gulden, zoo hij reeds vroeger gehuwd is geweest.Het gilde viert ook zijn eigen feesten, die doorgaans met de dorpskermis samenvallen. Dan wordt in de herberg een rijk versierde kroon van groen en bloemen opgehangen, de kroon der jeugd genaamd; dan vergaderen zich daar de jonkmans met hunne meisjes, allen met bloemen versierd, en wordt er gegeten en gedronken, gezongen en gedanst naar hartelust. Deze gilden en de schuttersgezelschappen werden vroeger op geen enkel dorp gemist; en nog tegenwoordig zijn zij op de meeste plaatsen in stand gebleven, al begint ook hier en daar de vorm eenigszins te veranderen.Onder de eigenaardigheden van het zeeuwsche landschap en het zeeuwsche landleven behoort ook de meekrapcultuur, die aan duizende handen werk verschaft, zoowel bij het aanplanten der meekrapkiemen, als bij het uitgraven der diep in den grond doorgedrongen wortels. Na het uitdelven, worden de wortels naar de meestoven gebracht, waar zij gedroogd en gestampt worden, en vervolgens ter verdere bewerking aan de garancine-fabrieken afgeleverd.In den herfst, als de wortels rijp zijn geworden, trekken iederen morgen troepen veldarbeiders, tien tot twintig personen sterk, naar het veld.Aan het hoofd van zulk eene bende gaat de voorman, de aanvoerder of chef der bende; daarop volgt de neusman (nevenman); achter hen komen de volgers. De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot den arbeid opgeroepen; en al blazende loopt de hoornblazer vooruit. Op het veld gekomen, wordt de bende, naar zekere regelen, voor het verrichten van den arbeid verdeeld. Het werk vordert groote spierkracht, maar wordt toch van den morgen tot den middag voortgezet, met een half uur tusschenpoozen, halfschof geheeten, waartoe het sein weder met den hoorn gegeven wordt; de arbeiders eten dan hun stute, boterham, en hervatten weldra weder het werk. ’s Middags en ’s avonds, bij het gaan en komen, laat telkens de muziek zich hooren.Wekelijks ontvangt elk lid der bende eene zekere som, naar verkiezing, in afkorting op zijn loon. Is eindelijk het werk geheel afgeloopen, dan gaat de voorman met den landheer afrekenen, en doet vervolgens rekening en verantwoording in eene vergadering, die te zijnen huize wordt belegd, en waarbij aan ieder zijn gerechte deel wordt uitbetaald. Natuurlijk wordt dan, voor gemeenschappelijke rekening, een maaltijd aangericht, waarop de bierkruik lustig rondgaat.Somwijlen gebeurt het wel, dat de arbeid op het veld eensklaps door een kluchtig tooneel wordt afgebroken. Daar klinkt uit de verte, op spottenden toon:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!Dadelijk worden de spaden in den grond gestoken, en enkelen uit de bende jagen den spotter na, die het natuurlijk uit al zijn macht op een loopen zet. Weet hij een schuilhoek te bereiken, waar hij moeilijk te vinden is, dan wordt de jacht zoo veel te ijveriger en hartstochtelijker voortgezet. Meenen de vervolgers, dat hun man zich in een huis heeft verscholen, dan doorzoeken zij dit van onder tot boven: niemand mag, naar oud gebruik, hun den toegang weigeren. Is eindelijk de schuldige gevonden, dan wordt hij naar het veld gevoerd, waar intusschen de achtergeblevenen een diepen kuil hebben gegraven. Voor dien kuil gebracht, wordt den gevangene de keus gegeven, daarin tot den hals te worden begraven, of zich vrij te koopen met een pint jenever of brandewijn. Daar de heele zaak doorgaans slechts een grap is, betaalt de gevangene zijn pint, zijn losprijs, en wordt dan dadelijk in vrijheid gesteld. Is hij daartoe echter ongezind, dan wordt hij onverbiddelijk in den kuil gestopt, dien de meedelvers rondom hem weer aanvullen en vaststampen, zoodat hij in die houding, alleen met het hoofd boven den grond, een geruimen poos het werk mag aanzien. Voorwaar, een eigenaardige straf, die aan oud-germaansche zeden herinnert.Jammer, dat deze meekrapcultuur, die voor Zeeland van zoo overwegend belang is, en met hare karakteristieke gebruiken en gewoonten kleur en afwisseling in het vaak zoo eentonige landleven brengt, dreigt ten onder te gaan. Men heeft immers het middel gevonden om de vroeger onmisbare meekrap door eene andere kleurstof, van eenvoudiger en goedkooper bereiding, te vervangen. Mocht dit werkelijk het gevalblijken te zijn, dan is de meekrapteelt onherroepelijk veroordeeld, tenzij men ook een middel vinde, om met goed gevolg den strijd tegen dezen nieuwen mededinger te kunnen volhouden. Of door den ondergang dier cultuur duizende gezinnen broodeloos worden, beteekent niets: geen enkele fabriekant zal zich, door overwegingen van dien aard, ook maar een enkel oogenblik laten weerhouden om zich de goedkooper verfstof aan te schaffen, zoo ras hij die krijgen kan. Wie weet, misschien nog weinige jaren, en de vroolijke hoorn der meekrapdelvers zal niet meer door de dorpen en over de velden weerschallen; niet langer zal, van tusschen de struiken of achter de boomen, het spottende refrein den delvers in de ooren klinken:Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!—Dan zal er geen prettige, jolige jacht meer zijn, om den spotter op te vangen en naar oud recht te straffen; geen lustige maaltijd meer, als het welverdiende loon voor den arbeid ontvangen is;—niets van dat alles meer. Misschien zal dan de meedelver in een fabriek arbeiden, en zijn dagen slijten in verstikkende of bedorven atmosfeer, tusschen stampende en snuivende en steunende machines, met het eeuwig eenerlei harer afgepaste bewegingen, tot hij zelf half in eene machine veranderd is. En zoo zal weder een der trekken van het oude leven zijn uitgewischt, om vervangen te worden door.... ja, door wat? Laat ons, tegen hoop, hopen door iets beters, ook al is nog geen enkel teeken te bespeuren, dat zoodanige uitkomst doet verwachten.Wij vertoefden eenigen tijd te Heinkenszand, waar wel het een en ander is, dat artistiek gestemde gemoederen kan aantrekken, al ware het slechts de kalme, idyllische natuur.Wij zaten des middags rustig neder in de voornaamste herberg, en keuvelden met de beide lieve dochters van de kasteleinesse, die bezig waren het koperwerk blinkend te schuren, zoodat ge, om de technische uitdrukking te gebruiken, er uw muts in opzetten kondt. Het dorp was doodstil; allen waren aan den maaltijd. Eensklaps hoorden wij geweerschoten.“Wat is dat?—“O, daar wordt een jong gezel doodgeschoten,” antwoordt lachende de jongste dochter, terwijl zij met haar moeder en haar zuster naar de deur der herberg loopt.Inderdaad, daar ging een bruiloftsoptocht voorbij.De bruid en de bruidegom wandelden aan het hoofd van den vrij langen stoet. Daarop volgden de vader en de moeder:—de vader ernstig, de moeder in tranen. Achter hen kwamen de gehuwde bloedverwanten, en eindelijk een luidruchtige troep van jongelui, die onophoudelijk geweer- of pistoolschoten afvuurden. Van tijd tot tijd werden bovendien door de jongsten zwermen afgestoken.Wij volgden den blijden stoet. Wij gingen met hen de trouwkamer op het raadhuis binnen; daar werden eenige artikelen der wet voorgelezen, eenige vragen gedaan en stilzwijgend met een hoofdknik beantwoord, eenige handteekeningen verzameld. Toen stond de burgemeester op en sprak op officiëelen toon:“In naam der wet verklaar ik u gehuwd.”Dat de man nu nog eene meer of min treffende toespraak hield, was louter zijner goedwilligheid te danken: hij had kunnen volstaan met deze officiëele verklaring. Want op deze indrukwekkende wijze wordt, naar de tegenwoordige zede, de heiligste en voor het leven meest gewichtige verbindtenis gesloten. Kan het dorder, doodscher, minder hartverheffend? In zulk een oogenblik, waar het de volle persoonlijkheid, in hare diepste beteekenis geldt, daar wordt soms alleen gesproken in naam der wet, niet van een of anderen persoon, tot wien het harte kan uitgaan, voor wien daar in het gemoed een snaar trillen kan, die wijding geeft aan eene overigens onbeteekenende handeling, maar in naam eener abstractie, vertegenwoordigd door een stuk papier. Och, dat ieder ambtenaar van den Burgerlijken Stand bij het sluiten van een huwelijk daaraan gedachtig mocht wezen en een woord van ernst en opwekking overhad voor hen, die aan den ingang staan van een zoo gewichtige toekomst!Maar vergeten wij het tooneel voor ons niet.Zoodra de burgemeester de sakramenteele woorden gesproken heeft, neemt de bruid de hoofdnaald, de groote gouden plaat, die zij van links naar rechts op het voorhoofd droeg, en verplaatst die naar de andere zijde, ten teeken dat zij nu vrouw is geworden.Van het raadhuis begaf de stoet zich naar de kerk, waar de inzegening van het huwelijk door den predikant zou plaats hebben: eene in ons land vrij algemeene en zeer loffelijke gewoonte; een stil maar welsprekend protest van het volksbewustzijn, van de christelijke conscientie, die met die burgerlijke handelingalléén geen vrede heeft, maar ook den godsdienst zijn recht geeft bij de ernstigste en heiligste daad des levens.De bruiloft werd, als gewoonlijk, in een der vertrekken van de herberg gevierd: eene antieke kamer, schilderachtig bij uitnemendheid, zooals men er nog velen in Zeeland vinden kan. Boven het hoofd der bruid hing eene fraaie kroon van groen en bloemen en gekleurd en uitgeknipt papier. De kroon verbeeldde een kruis, door bloemen omwonden: zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksleven met zijn vreugden en smarten, zijne blijdschap en beproevingen. Deze kroon was door de jonge meisjes van het dorp vervaardigd.De gasten, vooral ook de jongelui, stroomden in menigte toe, om deel te nemen aan den maaltijd, waarbij het aan geen krentenbrood, geen kalfs- en varkensvleesch, geen rijst met krenten mag ontbreken, en evenmin aan bier en wijn en allerlei likeuren. Zelfs begint in dit opzicht de weelde tegenwoordig al vrij ver te gaan, en kunt ge bij boerebruiloften fijne wijnen op tafel vinden.Op het oogenblik dat wij de feestzaal binnentraden, was een der gasten, geheel in het zwart fluweel gekleed, waarschijnlijk de dichter van het dorp, bezig, met eene brommende stem, eenige verzen voor te dragen, waarbij hij nu en dan door het orchest, bestaande uit een viool en een fluit, werd geaccompagneerd.De vader van den bruigom lachte en verkocht aardigheden: de moeder der bruid scheen door de poëzie, die toch volstrekt niet tot de verhevenste soort behoorde, tot tranen geroerd. Overigens heerschte er aan tafel eene opgewekte stemming, die steeds vroolijker en luidruchtiger werd. Natuurlijk wordt de bruiloftsmaaltijd door een dans gevolgd: een eigenaardige uitspanning, nadat men tot oververzadiging gegeten en gedronken heeft.Voor wij Zuid-Beveland verlieten, wenschten wij een kort uitstapje te maken naar Noord-Beveland. Wij lieten ons overzetten naar Kortgene, en wandelden vandaar naar Wissekerke, het voornaamste dorp van het eiland, dat met de daartoe behoorende gehuchten en heerlijkheden, ruim vijf-en-twintig honderd inwoners telt. Het landschap op Noord-Beveland verschilt niet van dat van Zuid-Beveland: dezelfde vruchtbare, zorgvuldig bebouwde streken; akkers, boomgaarden, weilanden. Het tegenwoordige Noord-Beveland is eerst na den grooten vloed van 1532 ontstaan. Bij die gelegenheid werd het gansche eiland overstroomd en totaal verwoest, in die mate, dat er zes-en-zestig jaren moesten verloopen, eer men weder met de bedijking en droogmaking aanving. De thans bestaande dorpen, al dragen zij ook dezelfde namen als die, welke toen door de wateren werden verzwolgen, zijn toch allen na dien tijd gebouwd, naarmate het uit de golven getogen land weder bewoonbaar en bewoond werd.Een smidse te Kruiningen.Een smidse te Kruiningen.Eenige uren zijn voldoende om het eiland te leeren kennen; nog den eigen avond keerden wij naar Zuid-Beveland en Goes terug.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.
Van Krabbendijke voert onze weg over Rilland naar Bath. Bath is niet meer dan een fort, eene groote kazerne, met een tolkantoor en enkele partikuliere woningen. Bloedrood en grijs zijn hier de heerschende kleuren, en de plaats zelve maakt een alles behalve aangenamen indruk. Vergoeding vindt ge hiervoor in het prachtige gezicht op den koninklijken stroom, die, van Antwerpen komende, zich juist hier in twee armen splitst. Het fort werd, na den afstand van Lillo, in het jaar 1785, gesticht. Bath werd, bij de landing der Engelschen, in 1808, door hen bezet, maar spoedig daarop weder door de Hollanders genomen. Deze laatste gebeurtenis werd door Bilderdijk verheerlijkt in een prachtigen lierzang:
Sla lust- en liefdetonen,Wien dartel bloed doorstraalt!Wy zingen zegekronen,Door heldenmoed behaald!Wy zingen in de barenGeen wieg van Cythereê,Maar Hollands heldenscharen,Gerezen uit de zee!Hoe bruist het in die kolken!Hoe zwirrelt kil en vloed!Hoe trekken lucht en wolkenDit schouwspel te gemoet!Gy zult die helden dekken,(Gij nevels uit het West!)Die door de baren trekken,Door gloriezucht geprest.Of voert gy donderslagenEn bliksems in uw’ schoot?Gy zult hen niet vertsagen,Zoo min als ’t Britsche lood.Zy treden in die golvenOp ’t smal onzichtbaar pad,Van stroomen overdolven,Van zeeschuim overspat.Ja, laat uw baren schuimen,O groots doorwaadde vloed!Uw zilvren waterpluimenVersieren hun den hoed.Ziedaar den echten veder,Die Hollands krijgsliên past!De lauwer buigt zich neder,Waar deze zeepluim wast!Wat zoekt gy, watertemmers,De dood door deze dood?Ja, trotst haar, fiere zwemmers!De moed braveert den nood.Den baren uitgestegen,Als goden van het meir,Ontziet u vuur en degen,En geeft uw stoutheid eer.Ontbrandt, gij bliksemvuren,En, donders, rolt en knalt!Doorklinkt en vest en muren,De Britsche standaart valt!De Zeeleeuw is verrezen,En Hollands vlag hersteld!Het Lot is uitgewezen:De schaal van Holland helt!Laat thands de blijdschap schateren!De Zeegod doet haar stemLangs golf en deining klateren,En geeft haar tonen klem!In schaaûw van Uw banieren,Geliefde Lodewijk,Mag Holland zegevieren!Ontfang zijn vreugdeblijk!In schaaûw van die standaarden,Waarop de zege rust,Zal Holland niet ontaarden,Wordt nooit de moed gebluscht!Het legt zijn oorlogspalmenVoor Uw onwrikbren troon:En; mag het zege galmen,Het dankt het aan Uw kroon!
Sla lust- en liefdetonen,Wien dartel bloed doorstraalt!Wy zingen zegekronen,Door heldenmoed behaald!Wy zingen in de barenGeen wieg van Cythereê,Maar Hollands heldenscharen,Gerezen uit de zee!
Sla lust- en liefdetonen,
Wien dartel bloed doorstraalt!
Wy zingen zegekronen,
Door heldenmoed behaald!
Wy zingen in de baren
Geen wieg van Cythereê,
Maar Hollands heldenscharen,
Gerezen uit de zee!
Hoe bruist het in die kolken!Hoe zwirrelt kil en vloed!Hoe trekken lucht en wolkenDit schouwspel te gemoet!Gy zult die helden dekken,(Gij nevels uit het West!)Die door de baren trekken,Door gloriezucht geprest.
Hoe bruist het in die kolken!
Hoe zwirrelt kil en vloed!
Hoe trekken lucht en wolken
Dit schouwspel te gemoet!
Gy zult die helden dekken,
(Gij nevels uit het West!)
Die door de baren trekken,
Door gloriezucht geprest.
Of voert gy donderslagenEn bliksems in uw’ schoot?Gy zult hen niet vertsagen,Zoo min als ’t Britsche lood.Zy treden in die golvenOp ’t smal onzichtbaar pad,Van stroomen overdolven,Van zeeschuim overspat.
Of voert gy donderslagen
En bliksems in uw’ schoot?
Gy zult hen niet vertsagen,
Zoo min als ’t Britsche lood.
Zy treden in die golven
Op ’t smal onzichtbaar pad,
Van stroomen overdolven,
Van zeeschuim overspat.
Ja, laat uw baren schuimen,O groots doorwaadde vloed!Uw zilvren waterpluimenVersieren hun den hoed.Ziedaar den echten veder,Die Hollands krijgsliên past!De lauwer buigt zich neder,Waar deze zeepluim wast!
Ja, laat uw baren schuimen,
O groots doorwaadde vloed!
Uw zilvren waterpluimen
Versieren hun den hoed.
Ziedaar den echten veder,
Die Hollands krijgsliên past!
De lauwer buigt zich neder,
Waar deze zeepluim wast!
Wat zoekt gy, watertemmers,De dood door deze dood?Ja, trotst haar, fiere zwemmers!De moed braveert den nood.Den baren uitgestegen,Als goden van het meir,Ontziet u vuur en degen,En geeft uw stoutheid eer.
Wat zoekt gy, watertemmers,
De dood door deze dood?
Ja, trotst haar, fiere zwemmers!
De moed braveert den nood.
Den baren uitgestegen,
Als goden van het meir,
Ontziet u vuur en degen,
En geeft uw stoutheid eer.
Ontbrandt, gij bliksemvuren,En, donders, rolt en knalt!Doorklinkt en vest en muren,De Britsche standaart valt!De Zeeleeuw is verrezen,En Hollands vlag hersteld!Het Lot is uitgewezen:De schaal van Holland helt!
Ontbrandt, gij bliksemvuren,
En, donders, rolt en knalt!
Doorklinkt en vest en muren,
De Britsche standaart valt!
De Zeeleeuw is verrezen,
En Hollands vlag hersteld!
Het Lot is uitgewezen:
De schaal van Holland helt!
Laat thands de blijdschap schateren!De Zeegod doet haar stemLangs golf en deining klateren,En geeft haar tonen klem!In schaaûw van Uw banieren,Geliefde Lodewijk,Mag Holland zegevieren!Ontfang zijn vreugdeblijk!
Laat thands de blijdschap schateren!
De Zeegod doet haar stem
Langs golf en deining klateren,
En geeft haar tonen klem!
In schaaûw van Uw banieren,
Geliefde Lodewijk,
Mag Holland zegevieren!
Ontfang zijn vreugdeblijk!
In schaaûw van die standaarden,Waarop de zege rust,Zal Holland niet ontaarden,Wordt nooit de moed gebluscht!Het legt zijn oorlogspalmenVoor Uw onwrikbren troon:En; mag het zege galmen,Het dankt het aan Uw kroon!
In schaaûw van die standaarden,
Waarop de zege rust,
Zal Holland niet ontaarden,
Wordt nooit de moed gebluscht!
Het legt zijn oorlogspalmen
Voor Uw onwrikbren troon:
En; mag het zege galmen,
Het dankt het aan Uw kroon!
Deze lierzang is ruim zoo belangrijk, als het feit zelf, dat hij bestemd is te verheerlijken, en dat Bilderdijk stoffe leverde voor nog een tweede, uitvoeriger gedicht:de Scheldebewoner. Immers, is het niet, als wij dezen lierzang lezen, als gold het hier een schitterende heldendaad, voor ’t minst een wapenfeit van beslissend gewicht? Welnu: toen de generaal Cort-Heiligers, met weinige manschappen, naar Zuid-Beveland overstak en Bath bezette, wist hij dat de vijand reeds in vollen aftocht was, en was het fort bereids door de Engelschen ontruimd! Merkwaardig is deze odeBath hernomen, ook in dit opzicht, als een voorbeeld te meer van de zonderlinge, bijkansnaïeveoverdrijving, waarin deze dichter—wij moeten haast aannemen, onbewust—telkens verviel. Ook maakt het een eigenaardigen, tragi-komischen indruk, in het jaar Onzes Heeren 1809, te hooren gewagen van Hollands oorlogspalmen en van de banieren van den geliefden Lodewijk, waarop de zege rust! En dan die onwrikbare troon, waarvan reeds een jaar later geen spoor meer te vinden was!.....
Na een kort oponthoud te Bath, aan de uiterste landpunt van Zuid-Beveland gelegen, wandelen wij terug naar Rilland, om daar den trein af te wachten, die ons weder naar Goes voeren moet.
Het is geheel avond geworden, als wij daar aankomen. Een enkele lantaarn werpt hier en daar, op de eenzame straat, een treurig, onzeker licht. Op de markt, waar de massa der groote kerk zich spookachtig en schemerend tegen den donkeren hemel afteekent, dezelfde duisternis. Uit desociëteitVan ongeneuchten vrij, de oude schuttersdoelen, klinkt ons muziek tegen en straalt een helder licht. Daar een poosje gerust en gepraat, eer wij in ons logement inkeeren en krachten verzamelen voor eene nieuwe wandeling, ditmaal in andere richting.
Thans gaat de tocht in westelijke richting, naar de kleine dorpen ’s Heer-Hendrikskinderen en Wissekerke, en van daar naar het meer aanzienlijke ’s Heer-Arendskerke. Naar de legende wil, zouden deze dorpen gesticht zijn door drie broeders, Hendrik, Wisse en Arend; de eerste, overleden zijnde voor het nieuwe dorp was verrezen, werd de stichting door zijne kinderen volbracht. ’s Heer-Arendskerke is van de drie verreweg het aanzienlijkste. Wij treden hier eene vrij armelijke woning binnen, en zien, tot onze groote verbazing, dat de wanden der woonkamer behangen zijn. Gelukkig is dat nog niet algemeen ten platten lande, al begint deze mode ook meer en meer in zwang te komen. ’t Is niet te loochenen: langzamerhand verdwijnen ze, die sobere, schilderachtige binnenhuizen, met hun frissche en gedempte tonen, hunne helder witte, of wel met hout beschoten, of ook met blanke en blauw beschilderde tegeltjes bekleede wanden; zij verdwijnen langzamerhand, om plaats te maken voor leelijke, smakelooze papieren behangsels; zij gaan denzelfden weg als de mooie vilten hoeden der mannen en de karakteristieke sieraden der vrouwen. Het nieuwe kanaal en de spoorweg zullen weldra, ook hier, de zoo hoog gewaardeerde eenvormigheid in kleeding en voorkomen, in manieren en levenswijze, doen zegevieren.
Een goochelaar te Kruiningen.Een goochelaar te Kruiningen.
Een goochelaar te Kruiningen.
Nog een kleine tijd—en deze schilderachtig uitgedoste boeren zullen zich alle moeite geven, om zooveel mogelijk op de stedelingen te gelijken. Dan begint er eene periode van overgang, een middentoestand tusschen de oude en de nieuwe mode, waarin de wansmaak oppermachtig heerschen zal:—dat is de tijd der gemeene petten, der afschuwelijke lange jassen. Dan zullen langzamerhand de schitterende dolle kermissen verdwijnen, of althans wat aan die kermissen gloed en kleur geeft: de weelderige kleederdracht der vrouwen en meisjes, het goud van haar kapsel, het zilver van haar schoenen; en ook de fluweelen kleederen der mannen:—in één woord, verdwijnen zullen de schoonheid, de harmonie, de kleur. En wanneer dan een kunstenaar dit rijke land bereizen zal, en de oudekleederdrachten wil zien, dan zal hij zijne schreden moeten richten naar de uitdragerswinkels, waar de tooi van het oude Zeeland, in een hoek weggeworpen, vergeten zal liggen.
Een kleermaker te Krabbendijke.Een kleermaker te Krabbendijke.
Een kleermaker te Krabbendijke.
Ten zuiden van ’s Heer-Arendskerke ligt Heinkenszand, een dorp, grootendeels door Katholieken bewoond, wier aantal in dit westelijk deel van Zuid-Beveland vrij aanzienlijk is. Dit onderscheid van geloofsbelijdenis is ook merkbaar in de kleeding. Ge ziet hier geen paarsche of blauwe wambuizen, tenzij dan voor de boeren in heelen of halven rouw. De geliefkoosde kleuren zijn hier purper en scharlaken, met groote gele bloemen. Somwijlen zijn de boeren geheel in zijde of satijn gekleed, en doen zij u denken aan sommige oostersche kleederdrachten. De vrouwen dragen nog den zoogenaamden herderinnehoed uit het laatst der vorige eeuw, eveneens met zijde gevoerd.
Op de zeeuwsche dorpen, met name in die van Zuid-Beveland, vindt men doorgaans nog gezelschappen van jongelieden, die een soort van gilde, het jonkmansgilde of gilde der jeugd, vormen. Dit gilde heeft zijn eigen bestuur, zijn hoofdman, zijn secretaris, zijn bode, zijn eigen reglementen en strafbepalingen. Om lid te kunnen worden, moet men eerst voor de nationale militie geloot hebben. De nieuw aangenomene betaalt een entreegeld van negentig cents; welk bedrag tot een gulden twintig cents wordt opgevoerd, wanneer de nieuweling geen liedje zingen kan. De opneming in het gilde staat ongeveer gelijk met de toekenning van het burgerrecht in de gemeente. Wanneer een jonkman uit eene andere gemeente de hand van een meisje uit het dorp vraagt, dan wachten de leden van het gilde hem op aan de deur van de woning zijner beminde, en vragen van hem een vergoeding van vijf-en-zestig centen, zoo hij jonkman is, en drie gulden, zoo hij reeds vroeger gehuwd is geweest.
Het gilde viert ook zijn eigen feesten, die doorgaans met de dorpskermis samenvallen. Dan wordt in de herberg een rijk versierde kroon van groen en bloemen opgehangen, de kroon der jeugd genaamd; dan vergaderen zich daar de jonkmans met hunne meisjes, allen met bloemen versierd, en wordt er gegeten en gedronken, gezongen en gedanst naar hartelust. Deze gilden en de schuttersgezelschappen werden vroeger op geen enkel dorp gemist; en nog tegenwoordig zijn zij op de meeste plaatsen in stand gebleven, al begint ook hier en daar de vorm eenigszins te veranderen.
Onder de eigenaardigheden van het zeeuwsche landschap en het zeeuwsche landleven behoort ook de meekrapcultuur, die aan duizende handen werk verschaft, zoowel bij het aanplanten der meekrapkiemen, als bij het uitgraven der diep in den grond doorgedrongen wortels. Na het uitdelven, worden de wortels naar de meestoven gebracht, waar zij gedroogd en gestampt worden, en vervolgens ter verdere bewerking aan de garancine-fabrieken afgeleverd.
In den herfst, als de wortels rijp zijn geworden, trekken iederen morgen troepen veldarbeiders, tien tot twintig personen sterk, naar het veld.Aan het hoofd van zulk eene bende gaat de voorman, de aanvoerder of chef der bende; daarop volgt de neusman (nevenman); achter hen komen de volgers. De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot den arbeid opgeroepen; en al blazende loopt de hoornblazer vooruit. Op het veld gekomen, wordt de bende, naar zekere regelen, voor het verrichten van den arbeid verdeeld. Het werk vordert groote spierkracht, maar wordt toch van den morgen tot den middag voortgezet, met een half uur tusschenpoozen, halfschof geheeten, waartoe het sein weder met den hoorn gegeven wordt; de arbeiders eten dan hun stute, boterham, en hervatten weldra weder het werk. ’s Middags en ’s avonds, bij het gaan en komen, laat telkens de muziek zich hooren.
Wekelijks ontvangt elk lid der bende eene zekere som, naar verkiezing, in afkorting op zijn loon. Is eindelijk het werk geheel afgeloopen, dan gaat de voorman met den landheer afrekenen, en doet vervolgens rekening en verantwoording in eene vergadering, die te zijnen huize wordt belegd, en waarbij aan ieder zijn gerechte deel wordt uitbetaald. Natuurlijk wordt dan, voor gemeenschappelijke rekening, een maaltijd aangericht, waarop de bierkruik lustig rondgaat.
Somwijlen gebeurt het wel, dat de arbeid op het veld eensklaps door een kluchtig tooneel wordt afgebroken. Daar klinkt uit de verte, op spottenden toon:
Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!
Mèëdelver, lange spae,
Laet je ’anden wat dichter gae!
Dadelijk worden de spaden in den grond gestoken, en enkelen uit de bende jagen den spotter na, die het natuurlijk uit al zijn macht op een loopen zet. Weet hij een schuilhoek te bereiken, waar hij moeilijk te vinden is, dan wordt de jacht zoo veel te ijveriger en hartstochtelijker voortgezet. Meenen de vervolgers, dat hun man zich in een huis heeft verscholen, dan doorzoeken zij dit van onder tot boven: niemand mag, naar oud gebruik, hun den toegang weigeren. Is eindelijk de schuldige gevonden, dan wordt hij naar het veld gevoerd, waar intusschen de achtergeblevenen een diepen kuil hebben gegraven. Voor dien kuil gebracht, wordt den gevangene de keus gegeven, daarin tot den hals te worden begraven, of zich vrij te koopen met een pint jenever of brandewijn. Daar de heele zaak doorgaans slechts een grap is, betaalt de gevangene zijn pint, zijn losprijs, en wordt dan dadelijk in vrijheid gesteld. Is hij daartoe echter ongezind, dan wordt hij onverbiddelijk in den kuil gestopt, dien de meedelvers rondom hem weer aanvullen en vaststampen, zoodat hij in die houding, alleen met het hoofd boven den grond, een geruimen poos het werk mag aanzien. Voorwaar, een eigenaardige straf, die aan oud-germaansche zeden herinnert.
Jammer, dat deze meekrapcultuur, die voor Zeeland van zoo overwegend belang is, en met hare karakteristieke gebruiken en gewoonten kleur en afwisseling in het vaak zoo eentonige landleven brengt, dreigt ten onder te gaan. Men heeft immers het middel gevonden om de vroeger onmisbare meekrap door eene andere kleurstof, van eenvoudiger en goedkooper bereiding, te vervangen. Mocht dit werkelijk het gevalblijken te zijn, dan is de meekrapteelt onherroepelijk veroordeeld, tenzij men ook een middel vinde, om met goed gevolg den strijd tegen dezen nieuwen mededinger te kunnen volhouden. Of door den ondergang dier cultuur duizende gezinnen broodeloos worden, beteekent niets: geen enkele fabriekant zal zich, door overwegingen van dien aard, ook maar een enkel oogenblik laten weerhouden om zich de goedkooper verfstof aan te schaffen, zoo ras hij die krijgen kan. Wie weet, misschien nog weinige jaren, en de vroolijke hoorn der meekrapdelvers zal niet meer door de dorpen en over de velden weerschallen; niet langer zal, van tusschen de struiken of achter de boomen, het spottende refrein den delvers in de ooren klinken:
Mèëdelver, lange spae,Laet je ’anden wat dichter gae!
Mèëdelver, lange spae,
Laet je ’anden wat dichter gae!
—Dan zal er geen prettige, jolige jacht meer zijn, om den spotter op te vangen en naar oud recht te straffen; geen lustige maaltijd meer, als het welverdiende loon voor den arbeid ontvangen is;—niets van dat alles meer. Misschien zal dan de meedelver in een fabriek arbeiden, en zijn dagen slijten in verstikkende of bedorven atmosfeer, tusschen stampende en snuivende en steunende machines, met het eeuwig eenerlei harer afgepaste bewegingen, tot hij zelf half in eene machine veranderd is. En zoo zal weder een der trekken van het oude leven zijn uitgewischt, om vervangen te worden door.... ja, door wat? Laat ons, tegen hoop, hopen door iets beters, ook al is nog geen enkel teeken te bespeuren, dat zoodanige uitkomst doet verwachten.
Wij vertoefden eenigen tijd te Heinkenszand, waar wel het een en ander is, dat artistiek gestemde gemoederen kan aantrekken, al ware het slechts de kalme, idyllische natuur.
Wij zaten des middags rustig neder in de voornaamste herberg, en keuvelden met de beide lieve dochters van de kasteleinesse, die bezig waren het koperwerk blinkend te schuren, zoodat ge, om de technische uitdrukking te gebruiken, er uw muts in opzetten kondt. Het dorp was doodstil; allen waren aan den maaltijd. Eensklaps hoorden wij geweerschoten.
“Wat is dat?
—“O, daar wordt een jong gezel doodgeschoten,” antwoordt lachende de jongste dochter, terwijl zij met haar moeder en haar zuster naar de deur der herberg loopt.
Inderdaad, daar ging een bruiloftsoptocht voorbij.
De bruid en de bruidegom wandelden aan het hoofd van den vrij langen stoet. Daarop volgden de vader en de moeder:—de vader ernstig, de moeder in tranen. Achter hen kwamen de gehuwde bloedverwanten, en eindelijk een luidruchtige troep van jongelui, die onophoudelijk geweer- of pistoolschoten afvuurden. Van tijd tot tijd werden bovendien door de jongsten zwermen afgestoken.
Wij volgden den blijden stoet. Wij gingen met hen de trouwkamer op het raadhuis binnen; daar werden eenige artikelen der wet voorgelezen, eenige vragen gedaan en stilzwijgend met een hoofdknik beantwoord, eenige handteekeningen verzameld. Toen stond de burgemeester op en sprak op officiëelen toon:
“In naam der wet verklaar ik u gehuwd.”
Dat de man nu nog eene meer of min treffende toespraak hield, was louter zijner goedwilligheid te danken: hij had kunnen volstaan met deze officiëele verklaring. Want op deze indrukwekkende wijze wordt, naar de tegenwoordige zede, de heiligste en voor het leven meest gewichtige verbindtenis gesloten. Kan het dorder, doodscher, minder hartverheffend? In zulk een oogenblik, waar het de volle persoonlijkheid, in hare diepste beteekenis geldt, daar wordt soms alleen gesproken in naam der wet, niet van een of anderen persoon, tot wien het harte kan uitgaan, voor wien daar in het gemoed een snaar trillen kan, die wijding geeft aan eene overigens onbeteekenende handeling, maar in naam eener abstractie, vertegenwoordigd door een stuk papier. Och, dat ieder ambtenaar van den Burgerlijken Stand bij het sluiten van een huwelijk daaraan gedachtig mocht wezen en een woord van ernst en opwekking overhad voor hen, die aan den ingang staan van een zoo gewichtige toekomst!
Maar vergeten wij het tooneel voor ons niet.
Zoodra de burgemeester de sakramenteele woorden gesproken heeft, neemt de bruid de hoofdnaald, de groote gouden plaat, die zij van links naar rechts op het voorhoofd droeg, en verplaatst die naar de andere zijde, ten teeken dat zij nu vrouw is geworden.
Van het raadhuis begaf de stoet zich naar de kerk, waar de inzegening van het huwelijk door den predikant zou plaats hebben: eene in ons land vrij algemeene en zeer loffelijke gewoonte; een stil maar welsprekend protest van het volksbewustzijn, van de christelijke conscientie, die met die burgerlijke handelingalléén geen vrede heeft, maar ook den godsdienst zijn recht geeft bij de ernstigste en heiligste daad des levens.
De bruiloft werd, als gewoonlijk, in een der vertrekken van de herberg gevierd: eene antieke kamer, schilderachtig bij uitnemendheid, zooals men er nog velen in Zeeland vinden kan. Boven het hoofd der bruid hing eene fraaie kroon van groen en bloemen en gekleurd en uitgeknipt papier. De kroon verbeeldde een kruis, door bloemen omwonden: zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksleven met zijn vreugden en smarten, zijne blijdschap en beproevingen. Deze kroon was door de jonge meisjes van het dorp vervaardigd.
De gasten, vooral ook de jongelui, stroomden in menigte toe, om deel te nemen aan den maaltijd, waarbij het aan geen krentenbrood, geen kalfs- en varkensvleesch, geen rijst met krenten mag ontbreken, en evenmin aan bier en wijn en allerlei likeuren. Zelfs begint in dit opzicht de weelde tegenwoordig al vrij ver te gaan, en kunt ge bij boerebruiloften fijne wijnen op tafel vinden.
Op het oogenblik dat wij de feestzaal binnentraden, was een der gasten, geheel in het zwart fluweel gekleed, waarschijnlijk de dichter van het dorp, bezig, met eene brommende stem, eenige verzen voor te dragen, waarbij hij nu en dan door het orchest, bestaande uit een viool en een fluit, werd geaccompagneerd.De vader van den bruigom lachte en verkocht aardigheden: de moeder der bruid scheen door de poëzie, die toch volstrekt niet tot de verhevenste soort behoorde, tot tranen geroerd. Overigens heerschte er aan tafel eene opgewekte stemming, die steeds vroolijker en luidruchtiger werd. Natuurlijk wordt de bruiloftsmaaltijd door een dans gevolgd: een eigenaardige uitspanning, nadat men tot oververzadiging gegeten en gedronken heeft.
Voor wij Zuid-Beveland verlieten, wenschten wij een kort uitstapje te maken naar Noord-Beveland. Wij lieten ons overzetten naar Kortgene, en wandelden vandaar naar Wissekerke, het voornaamste dorp van het eiland, dat met de daartoe behoorende gehuchten en heerlijkheden, ruim vijf-en-twintig honderd inwoners telt. Het landschap op Noord-Beveland verschilt niet van dat van Zuid-Beveland: dezelfde vruchtbare, zorgvuldig bebouwde streken; akkers, boomgaarden, weilanden. Het tegenwoordige Noord-Beveland is eerst na den grooten vloed van 1532 ontstaan. Bij die gelegenheid werd het gansche eiland overstroomd en totaal verwoest, in die mate, dat er zes-en-zestig jaren moesten verloopen, eer men weder met de bedijking en droogmaking aanving. De thans bestaande dorpen, al dragen zij ook dezelfde namen als die, welke toen door de wateren werden verzwolgen, zijn toch allen na dien tijd gebouwd, naarmate het uit de golven getogen land weder bewoonbaar en bewoond werd.
Een smidse te Kruiningen.Een smidse te Kruiningen.
Een smidse te Kruiningen.
Eenige uren zijn voldoende om het eiland te leeren kennen; nog den eigen avond keerden wij naar Zuid-Beveland en Goes terug.
De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.
De Zuiderhavenpoort te Zierikzee.