Ontmoeting met de Bhîls.Ontmoeting met deBhîls.De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen wij den mekkâm van Sameyra bereikten. Dit dorp behoort aan een thakoer, die vasal is van den rajah van Dounghêrpoer; het ligt aan den ingang van eene kleine, maar uiterst vruchtbare vallei. Ook hier beheerscht de burcht van den thakoer den ganschen omtrek. Wij slaan hier ons leger op, om den nacht door te brengen; voor wij ons ter rust begeven,worden de vuren rondom het kamp aangestoken en de wachten verdubbeld: het is goed dat de Bhîls weten, dat wij op onze hoede zijn. Den volgenden morgen togen wij reeds vroeg op weg. Het landschap wordt al woester en woester; groote, wild dooreengeworpen rotsblokken vullen de enge dalen en laten slechts weinige smalle paden voor den doortocht over; het is inderdaad opmerkelijk te zien, met hoeveel tact en geduld onze zwaar beladen kameelen zich door deze wildernis een weg banen. De gewapende ruiters en voetknechten vormen met mij de voorhoede; onze kameelen, door hunne drijvers geleid, en een dertigtalreizigers, die zich gaandeweg bij ons hebben aangesloten, maken den middentocht uit; eenige ruiters, door mijn reismakker aangevuurd, sluiten als achterhoede den trein. Wij hebben al deze voorzorgen genomen, omdat wij nu de gevaarlijkste en slechtst befaamde streken moeten doortrekken; de ruwe, geheel onafhankelijke inlanders ontzien geen enkele karavaan, onder wiens bescherming zij ook moge staan. Na onderscheidene enge bergpassen te zijn doorgetrokken, komen wij in eene vruchtbare vallei, door prachtige bergen ingesloten, wier hellingen met ondoordringbare bosschen zijn bedekt. Aan beide zijde vertoonen zich op de hoogten, talrijke dorpen of pâls van de Bhîls.Nauwelijks hadden wij deze vallei betreden, of een onvoorzien toeval dreigde onzen verderen tocht eensklaps te stuiten. Reeds sedert den morgen van dezen dag hadden wij onderscheidene Bhîls ontmoet, die kalm en zwijgend hun weg vervolgden, zonder den broederlijken groet te beantwoorden, dien onze sowars hun toeriepen. Een dezer laatsten, over deze onwellevendheid verontwaardigd, maakte nu van de gelegenheid gebruik om een Bhîl, die geheel onverzeld was, aan te vallen, te slaan en van zijn boog en pijlen te berooven. Deze aanranding, die zoo ernstige gevolgen voor ons kon hebben, was geheel buiten mijne voorkennis geschiedt; ook had ik, in gesprek met Boekthawoer verdiept, er niets van gemerkt, tot dat de soldaat, die gehoord had dat ik gaarne zulk wapentuig wilde bezitten, mij de veroverde boog en pijlen kwam aanbieden. Ik begreep aanstonds welk gevaar ons bedreigde: nauwelijks had ik den tijd gehad, eenige bevelen te geven, of daar weergalmde reeds de wilde krijgskreet door de vallei, voortgedragen van heuvel tot heuvel; uit alle pâls kwamen gewapende mannen te voorschijn, die in snellen loop naar ons toekwamen. Eene onbeschrijfelijke verwarring maakte zich toen van het gros onzer kleine karavaan meester: de vrouwen begonnen te schreeuwen en te jammeren; de kooplieden stelden zich aan als razenden; zelfs de kameelen droegen het hunne bij, om het gewoel en getier te vergrooten. Onze soldaten hielden zich gelukkig beter: bedaard laadden zij hunne geweren, staken de lonten aan en wachtten mijne bevelen af.Toen de Bhîls zagen dat wij gereed waren hen te ontvangen, ontstond er eenige aarzeling in hunne rangen, en gingen zij minder vastberaden voort: onze karabijnen boezemden hun blijkbaar ontzag in; intusschen was hun getal reeds merkelijk aangegroeid, en begonnen zij hunne pijlen op ons af te schieten, maar op een te verren afstand om ons te kunnen treffen. Enkelen slaagden er in, achter de struiken voortsluipende, ons te naderen; zij schoten hunne pijlen af, en troffen een kameel, die begon te steigeren enachteruitte slaan, hetgeen de verwarring nog grooter maakte. Ik stond op het punt, bevel tot vuren te geven, toen ik eensklaps een ouden radsjpoet ruiter van ons geleide vanSameyra, in vollen galop naar een bosschage van hoog struikgewas, in de nabijheid onzer kameelen, zag rennen.Weldrawendde hij zich plotseling om, en wierp zich, met uitgetogen sabel, op een ouden Bhîl, die in de struiken verscholen zat; in een oogwenk had hij hem gevangen genomen, en de handen op den rug gebonden. Deze onverwachte daad had eene verrassende uitwerking; woeste, woedende kreten weergalmden van alle kanten; een hagelbui van pijlen daalde op ons neder, waarop de karavaan met geweerschoten antwoordde. Wij vingen den terugtocht aan, onzen gevangene medevoerende, die, zooals de oude sowar mij verzekerde, het opperhoofd was van een der dorpen. Ik liet daarop de Bhîls waarschuwen, dat zoo zij voortgingen ons aan te vallen, hun opperhoofd onverwijld zou worden ter dood gebracht. De waarschuwing werd met luid geschreeuw beantwoord: maar zij trokken zich niet terug.Ik liet den ouden Bhîl ontboeien, die mij daarop, in slecht hindoestani, verhaalde, hoezeer de lieden van zijn stam verbaasd en geërgerd waren over de beleediging, die wij hun hadden aangedaan; zij meenden, dat zij door de Europeanen beschermd werden, en waren er niet aan gewoon door hen mishandeld te worden. “Het is voor het eerst, zeide hij, dat iemand de vermetelheid heeft, de Bhîls in hunne eigen valleien te tergen en uit te dagen.”—Hij verzocht, dat de geroofde boog en pijlen zouden worden teruggegeven, en dat de schuldige soldaat zou worden uitgeleverd: dan zouden wij ongehinderd onze reis kunnen vervolgen. Ik gaf hem de verzekering dat het voorgevallene mij leed deed, en bood hem aan den boog en de pijlen terug te geven, en den sowar vergeving voor zijne aanranding te doen vragen. Blijkbaar verlangde de oude wilde, dien man in zijne macht te hebben; maar toen hij zag, dat ik dit standvastig weigerde, nam hij mijn voorstel aan. Door twee soldaten begeleid, trad hij naar zijne stamgenooten en maakte hen met de getroffen schikking bekend. De boog en de pijlen werden teruggegeven; den gevangene echter hielden wij bij ons tot wij de vallei verlaten hadden. Eer wij hem zijne vrijheid terug gaven, liet ik hem een groot glas brandewijn inschenken, dat hij in een enkelen teug ledigde. Met haastigen tred keerde hij naar zijne stamgenooten terug, die ons zwijgend gevolgd waren, en begon nu onze lieden uit te schelden, hun toevoegende dat zij hun behoud alleen te danken hadden aan de tegenwoordigheid der sahibs (heeren); en dat zoo hij ooit een hunner in de vallei mocht ontmoeten, de verdiende straf niet zou uitblijven. Deze laatste bedreiging echter schenen de sowars, die toch langs denzelfden weg moesten terugkeeren, zich niet erg aan te trekken.Wij sloegen dien avond ons kamp op nabij het vlek Bitsjoewara, in het midden eener ruime vallei gelegen. De thakoer van Bitsjoewara komt ons een bezoek brengen; waarschijnlijk heeft hij het noodig geacht, vooraf de flesch aan te spreken: althans hij is erg dronken. Naar het schijnt, is hij een harde meester voor zijne onderhoorigen, die zich in zijne tegenwoordigheid bitter over hem beklagen; hij tracht zich met den grootsten ernst en echte dronkemansgemoedelijkheid, te verdedigen, en de beschuldigingen, die tegen hem ingebracht worden, te wederleggen. Waarschijnlijk ziet hij ons voor agenten van het engelsche gouvernement aan, die hem rekenschap komen vragen van zijn gedrag.Daar ik het een en ander noodig heb, dat in het dorp niet te krijgen is, kom ik met den thakoer overeen, dat hij mij acht kippen en vier dozijn eieren zal bezorgen, voor een flesch engelsche rum. Een uur later verschijnt hij, waggelende en zwaaiende, op den top des heuvels gevolgd door zijne bedienden: hij draagt zelf de kippen, die hij met veel beweging en allerlei buigingen en gebaren, voor mij op den grond legt; daarop vertrekt hij, zoogoed als het gaat, met zijne flesch in de hand. Een beklagelijk schouwspel, dat hier echter gelukkig zeer zeldzaam voorkomt. Gedurende den ganschen tijd van mijn verblijf in Hindostan heb ik nimmer een man van deftigen stand, vooral nooit een Radsjpoet, in zulk een ellendigen toestand gezien, als waarin deze thakoet van Bitsjoewara verkeerde.Na een dag oponthoud in eene nette bungalow van het engelsche station Kheirwara, zetten wij onzen tocht naar Oudeypoor voort. De sowars van Sameyra en Tintouï hebben ons hier verlaten, en zijn vervangen geworden door vijf ruiters van het contingent ven Oudeypoor, die de kommandant van het garnizoen van Kheirwara ter onzer beschikking had gesteld. Een paar mijlen voorbij het station voert onze weg weder midden door de bergpassen; de bergen dragen hier echter een gansch ander karakter: de naakte, ruwe, verscheurde rotswanden stijgen tot eene aanmerkelijke hoogte, en tusschen de verschillende bergreeksen strekken zich breede valleien uit, door frissche waterstroomen besproeid. Wij hebben het Vindhya-gebergte verlaten en bevinden ons nu in de Aravallis, die zich dwars door Radsjpoetana tot aan Delhi uitstrekken. Deze bergketen is nog zeer weinig bekend; zij bevat niet alleen een onuitputtelijken rijkdom van kostbare marmersoorten, maar ook goud, zilver, koper, lood, blik, rotskristal, granaat en andere edele steenen. Al deze schatten liggen ongebruikt; de inlanders kunnen ze zelven niet exploiteeren, en houden de toegangen tot hunne bergen zooveel mogelijk voor de Europeanen gesloten. De hoogste toppen der Aravallis reiken tot ruim drie duizend voet boven de zee.In den morgen van den 30stenDecember, na een vermoeiende nachtelijke reis door het gebergte en door dichte wouden, bereikten wij de plaats onzer bestemming: Oudeypoor, de hoofdstad van Mewar.III.Wij hadden den laatsten heuvel bestegen; mijne bedienden sprongen van vreugde; luide jubelkreten stegen uit de karavaan op: wij waren aan het einde van den bezwaarlijken tocht. Ik hield stil, en beschouwde in stomme bewondering het prachtige panorama, dat zich daar voor mijne blikken ontrolde. Ik had mij bijna nooit zoo iets schoons voorgesteld: eene tooververschijning uit de Duizend-en-een-Nacht scheen plotseling voor mij te verrijzen. Op den voorgrond eene lange reeks van vestingwerken, pagodes en paleizen, zich krachtig afteekenende tegen een breeden gordel van bloeiende tuinen en donkergroene bosschages; en daarachter en daarboven de stad, met haar fantastische weelde van torens, naalden, spitsen, kiosken, rustende tegen de helling van een hoogen heuvel, welks top gekroond wordt door een groot paleis van wit marmer, schitterend uitkomend tegen den blauwachtigen achtergrond der bergen. Geen pen, geen teekenstift of penseel, kan, naar waarheid, het wonderschoone beeld wedergeven dezer stad, zoo te recht Oudeypoor, de stad der rijzende zon, genaamd.Na eenige oogenblikken van bewonderende beschouwing, daalden wij van den heuvel af en trokken naar de stad. Daar vroeg ik aan eenige voorbijgangers den weg naar de woning van den resident, die mij aanstonds gewezen werd. De residentie is een groot paleis met koepels en ruime terrassen: het ligt op den top van een heuvel, een à twee mijlen van de wallen verwijderd. Van een in scharlaken roode liverei uitgedosten bediende vernam ik, tot mijn grooten spijt, dat de engelsche resident nog niet van zijne officiëele rondreis was teruggekeerd, en dat wij, gedurende zijne afwezigheid, nergens in de stad een onderkomen zouden vinden. Ik wierp een wanhopigen blik op den omtrek, maar zag niets dan steenachtige heuvelen, zonder een enkelen boom, waaronder wij onze tent konden opslaan om beschutting te vinden tegen de felle hitte des daags en de scherpe koude des nachts. Juist kwam eendjemadar, een chef van het dienstdoend personeel, aansnellen, en bood mij een verblijf in een der gebouwen van het paleis aan. Hoezeer tegen mijn zin, nam ik dit aanbod aan: mij vast voornemende te vertrekken, zoodra ik eene geschikte gelegenheid tot het opslaan van mijn kamp zou hebben gevonden.Den volgenden morgen was ons eerste werk, te paard een bezoek te gaan afleggen bij Lutsjmun Rao, dewan of eerste minister van den koning van Mewar, voor wien de engelsche kommandant van Kheirwara mij een aanbevelingsbrief had medegegeven. Onze sowars hadden zich, als gewapend geleide, bij ons aangesloten, en zoo trok onze kleine stoet naar de naaste poort der stad. De hooge, zware, gekanteelde muren zijn omgeven door een diepe, met stroomend water gevulde gracht; maar er zijn geen aarden werken, en eenige kanonschoten zouden voldoende zijn om in dien muur een geweldige bres te schieten. Van afstand tot afstand verheffen zich zware vierkante bolwerken, waarop kanonnen zijn geplant.Oudeypoor van het meer gezien.Oudeypoor van het meer gezien.De kommandant der wacht aan de zware, goed versterkte poort, treedt naar buiten, en vraagt waarheen wij gaan. Op het hooren van den naam des ministers, laat hij ons door, en geeft ons zelfs een soldaat mede om ons naar de woning van den dewan te geleiden. Wij bevinden ons nu in eene nauwe, drukke, volkrijke straat, waar onze sowars ons met groote vrijpostigheid een weg banen; de voorbijgangers staren ons met verbaasde en nieuwsgierige blikken aan; naar het schijnt, zijn zij niet gewoon andere Europeanen te zien, dan die tot het engelsche gezantschap behooren. Alles is hier nieuw voor mij: de bouworde der huizen, het voorkomen der inwoners, de gansche omgeving; aan alle zijden verheffen zichtempels en prachtgebouwen te midden van krotten en half in puin gestorte hutten: het geheel is niet alleen verrassend en nieuw, maar ook in de hoogste mate schilderachtig.Wij stijgen af op de binnenplaats der woning van Lutsjmun Rao. De minister ontvangt ons zeer wellevend; hij is echter een Brahmaan en geen Radsjpoet; hij vraagt naar het doel onzer reis, en paait ons, met onberispelijke beleefdheid, met die indische beloften en toezeggingen, die tot niets verbinden. “Wij wenschen bij den Maha-Rana te worden toegelaten”—“Zeker, zeker; het zal hem een groot genoegen zijn, u te kunnen ontvangen”;—maar ik kan onmogelijk te weten komen, hoe en wanneer dit geschieden zal. Ik verzoek hem dringend, ons eenig onderkomen in de stad te bezorgen; maar hij durft dit niet te doen, zonder vooraf met den Rana gesproken te hebben. Inmiddels biedt hij ons de gebouwen van den Hawalla, den circus, aan, buiten de stad in de nabijheid der residentie gelegen. Deze Hawalla, waar vroeger de gevechten van olifanten en de voorstellingen der worstelaars gegeven werden, bestaat uit een ruim langwerpig perk, de eigenlijke arena, omgeven door een acht à tien voet hoogen muur, waarop zich van afstand tot afstand sierlijke paviljoenen verheffen, wier platte daken door zuilenrijen gedragen worden. Het paviljoen, waarin wij onzen intrek namen, telde niet minder dan acht-en-veertig pilaren, in vier rijen geplaatst. Wij hadden van hier een prachtig uitzicht; en in den zomer zou deze sierlijke open zuilenhal voorzeker eene alleszins begeerlijke woning zijn geweest; in dezen, tijd des jaars was het er evenwel wat al te frisch.Graftombe aan het meer Boerdi-Talao.Graftombe aan het meer Boerdi-Talao.Kort nadat wij ons hier gevestigd hadden, ontvingen wij een aantal bezoeken, onder anderen van den inspecteur der koninklijke gevangenissen en van een kapitein der lijfwacht; deze beide heeren waren uiterst beleefd, maar overstelpten ons evenzoo met telkens herhaalde vragen; ik bemerkte weldra dat men ons eigenlijk voor spionnen hield. Hoe vele malen ik ook verzekerde dat wij alleen gekomen waren om het land te zien, met zijne inwoners en monumenten kennis te maken, altijd kwam weder dezelfde vraag terug: “Wie zendt u?”—en wat ik ook deed, het was mij onmogelijk hun aan het verstand te brengen, dat wij enkel uit liefde voor de wetenschap zulk een gevaarlijke reis hadden ondernomen. De eerste minister kwam zelf, met een groot gevolg, ons bezoeken; hij was zoo beleefd mogelijk, bewonderde onze paarden en alles wat wij bij ons hadden, prees de hoogst vernuftige wijze, waarop wij onze woning hadden ingericht, sprak op den gulsten en vriendelijkstentoon met ons:—en vroeg mij toen eensklaps, met het onnoozelste gezicht van de wereld, welke politieke zending mij was opgedragen: hij zou dit geheim aan niemand anders dan aan den Rana in persoon mededeelen. Ziende dat ik elk officieel karakter bleef ontkennen, beloofde hij, dat hij ons den volgenden dag aan den koning zou voorstellen.Den volgenden dag herhaalde zich dezelfde komedie nog eens. Toen ik mij naar het paleis begaf, kwam ons een van de secretarissen des konings, Bulwant Rao, te gemoet rijden, en verzocht mij terug te keeren. Met een zeer ernstig gelaat deelde hij mij mede, dat ik niet bij den Rana kon worden toegelaten, indien ik hem niet vooraf in kennis stelde met hetgeen ik dezen te zeggen had. Ik gevoelde grooten lust hem te antwoorden, dat ik den Rana niet verlangde te spreken; maar ik bedwong mij, en herhaalde nog eens mijne verzekeringen en verklaringen, waarop het gewone antwoord volgde. Ditmaal had de secretaris al wat ik zeide woordelijk opgeschreven; toen hij mij verliet, gaf hij mij de verzekering, dat ik binnen weinige dagen ten gehoore zou worden ontvangen. Vraagt misschien een mijner lezers, waarom ik er dan toch zoo hoogen prijs op stelde bij den Rana te worden toegelaten, dan moge hij weten dat ik, eenmaal door dezen monarch ontvangen, met zekerheid rekenen kon op een goed onthaal bij al de andere vorsten der Radsjpoeten, die hem als het hoofd van hunne familie en van de gansche natie beschouwen.Samboe-Singh, Maha-Rana van Mewar, was toen (1866) een jonkman van ruim achttien jaar. Uit den stam der Sesoedias gesproten, is hij het erkende hoofd en de vertegenwoordiger van de doorluchtige familie der Soeryavansis, het beroemde Zonnegeslacht van Indië. Zijn persoon is voor alle Hindoes een voorwerp van eerbiedige vereering; hij voert den weidschen titel vanHindoe-Soeradje, Zon der Hindoes. Deze hooge onderscheiding dankt hij niet aan zijne macht, want hij behoort slechts tot de vorsten van den tweeden rang; maar zijne familie heeft zich dien roem verworven door den heldhaftigen tegenstand, dien zij langen tijd aan de vreemde muzelmansche veroveraars bood. In het eind overwonnen, versmaadde zij toch de zoo verleidelijke en voordeelige verbintenissen met het keizerlijke geslacht der Groot-mogols van Delhi, en bewaarde, ook ten koste van zware offers, de zuiverheid van haar bloed on de onbevlekte reinheid harer kaste: een voorbeeld, slechts door weinige vorstelijke familiën van Hindostan gevolgd. Daaraan dankt dit aloude geslacht niet alleen zijne eereplaats aan het hoofd der indische aristokratie, maar ook vele andere voorrechten en onderscheidingen. In eene vergadering van inlandsche vorsten bekleedt de Rana altijd het gestoelte der eere, en heeft het recht te allen tijde het woord te voeren; in de geschillen, die wegens kwestiën van kaste of godsdienst tusschen de Radsjpoeten onderling ontstaan, is hij de hoogste scheidsrechter en zijne uitspraak beslissend.Het gebied van den Maha-Rana omvat niet veel meer dan 550 vierkante mijlen, en telt eene bevolking van ruim een millioen zielen; deze staat schijnt nog ongeveer dezelfde grenzen te hebben als toen, ten jare 781, de Gheloot Bappa de Mori-koningen van Tsjittore verdreef, en de dynastie der Rana’s grondvestte. Het koninkrijk Mewar wordt ten zuiden begrensd door het Vindhya-gebergte, ten westen door deAravallis, ten oosten door Malwa, en ten noorden door de engelsche provincie Adsjmir. De inkomsten van den staat worden geschat op veertig lakh roepyen, gelijkstaande met ongeveer twee millioen gulden. Er is geen twijfel aan, of bij voortgaande ontwikkeling, kan deze opbrengst meer dan vertienvoudigd worden.De Rana’s zijn, zooals men ziet, van overouden stam. Het is opmerkelijk dat zij, volgens de traditiën hunner familie, verwant zouden zijn met de koningen van Perzië uit het huis der Sassaniden, en ook met de keizers van het oostersch-romeinsche rijk. Naar men verhaalt zou een Rana eene dochter van den grooten koning, den beroemden Shâh Koshroe-Anoeshirvan, hebben gehuwd; een ander zou de hand hebben verworven van de dochter van een der byzantijnsche keizers. Er is misschien geene tweede familie, die haar stamboom zoo hoog kan opvoeren als het geslacht der Rana’s van Tsjittore en Oodipoor: hunne zorgvuldig bijgehouden genealogie verliest zich in den fabelachtigen voortijd. Zeker is het, dat de Radsjpoeten zich bij voorkeur te Oodipoor vrij hebben gehouden van alle vermenging met vreemd bloed; de hoofden der aloude stammen of clans Sesoedia, Rhattore, Tsjolan, hebben daar hun verblijf. Hier bovenal hebben de Radsjpoeten nog die schitterende eigenschappen weten te bewaren, die fierheid, die loyauteit, die wellevendheid, die eenmaal zoozeer de bewondering opwekten van den engelschen majoor Todd, hun lofredenaar en geschiedschrijver; minder dan elders is in Mewar hun nationaal karakter gewijzigd door de aanraking met en den invloed van vreemde veroveraars, hetzij Muzelmannen, hetzij Engelschen. De naam Radsjpoeten beteekent zonen der koningen; en iedere familie voert haar stamboom op tot een der aloude vorsten des lands. Iedere stam splitst zich in clans, die elk een bijzonderen naam dragen; niemand mag in zijn eigen clan huwen: de mannen moeten hunne echtgenooten uit een anderen clan kiezen: eene bepaling, die niet alleen de stammen onderling door steeds nieuwe banden verbindt, maar die ook bij uitnemendheid geschikt is, om de zuiverheid van het bloed en de kracht des volks te bewaren.De verschillende clans ontleenen hunne namen aan een of ander merkwaardig feit uit het leven van hun stamvader. Omtrent den oorsprong van den naam, dien het koninklijk geslacht van Oodipoor, de Sesoedias, voert, meldt de legende het volgende. Eens dat een der voorvaderen van den Rana met zijne edellieden, in de vlakten van Mewar op de jacht was, gebeurde het bij ongeluk, dat hij eene groote vlieg inslikte. Het insect drong tot in zijne maag door, en veroorzaakte hem zoo ondragelijke smarten, dat bij het voornemen opvatte, zich van het leven te berooven. Gelukkig verscheen er een fakir, die op zich nam om den Rana te genezen. Ongemerkt sneed hij een stukjevan het oor eener koe af, wikkelde dat in een linnen doekje, bond daaraan een draad vast, en liet het den Rana inslikken. Zoodra dit stukje oor in de maag van den vorst kwam, zette de vlieg, door haar instinkt gedreven, zich daarop, en werd zoo gemakkelijk te voorschijn gehaald. De monarch was genezen, en wilde nu ook weten, door welk middel dit bewerkt was. De fakir zocht allerlei uitvluchten, maar moest eindelijk de ontzettende waarheid bekennen. Wie beschrijft de ontsteltenis van den Rana, toen hij vernam dat een stuk van het heilige dier over zijne lippen gekomen was! Na zulk een misdaad, zij het dan ook onbewust, te hebben bedreven, achtte hij zich niet waardig, langer te leven; hij besloot vrijwillig te sterven, en zijne lippen te reinigen, door gesmolten lood in te slikken. Zijne bloedverwanten en hovelingen om zich vereenigd hebbende, nam de Rana met vaste hand den kelk met het gesmolten metaal, en ledigde dien met een enkelen teug. Maar, o wonder! het vloeiende lood ging over zijne lippen zonder ze te verbranden, en werd in zijn mond tot frisch, heerlijk water. Dat was de hand der hooge goden: en de Rana, dankbaar voor de hem zoo zichtbaar bewezen gunst en bescherming, nam voor zijn geslacht den naam aan van Sesoedia, van het zelfstandig naamwoordsiça(lood).De Sesoedias vooral mogen zich met volle recht koningskinderen noemen; groot en welgemaakt van gestalte, schoon van gelaat, dragen hunne edele sprekende trekken den onmiskenbaren stempel van het zuivere arische bloed. Zij kennen geen ander bedrijf dan den wapenhandel; in Mewar vormen zij de aristokratie en bekleeden alle militaire rangen; moedig, tot vermetelheid toe, zijn zij uitstekende ruiters en onverschrokken jagers. De jacht is voor hen meer dan een vermaak of een tijdverdrijf, zij is hun eene ware hartstocht, hunne godsdienst zelve legt hun de verplichting op, gedurende zekere tijden des jaars ter jacht te tijgen; en zelden gaan er eenige weken voorbij, zonder dat zij tegen het wild gedierte te velde trekken. De jonge Radsjpoet wordt niet eer in den kring der volwassen mannen opgenomen, dan nadat hij met eigen hand een dier reusachtige wilde zwijnen heeft gedood, die zich in het Aravalli-gebergte ophouden. Alleen, slechts met zijn schild en zijn zwarencatâr(een soort van slagzwaard) gewapend, begeeft zich de jonkman op weg, en wacht op een plek in het woud, waar de wilde zwijnen gewoonlijk langs komen, zijn geduchten vijand af. Ziet hij het woeste dier naderen, dan buigt hij eene knie ter aarde, en houdt zijn catâr gereed, om hem te treffen met doodelijken slag. Is hij overwinnaar in dien gevaarlijken strijd, dan keert hij naar zijne woning, en noodigt zijne verwanten tot een feestmaal, waarvan het gedoode zwijn den hoofdschotel vormt.De kleeding der Radsjpoeten is zeer sierlijk en smaakvol. Zij bestaat uit eene lange, nauwsluitende tuniek en nauwsluitenden pantalon, beiden van rijk geborduurde en met goud doorwerkte stof; aan de voeten en de armen dragen ook de mannen zware ringen van massief goud: eene gewoonte, die bij geene andere kaste van Indië wordt aangetroffen. De vorm van den tulband is zeer verschillend, doch steeds sierlijk; ook weten zij dit bevallig hoofddeksel met zekere gratie en coquetterie te dragen, die hun iets zeer gedistingeerds geeft. In hun gordel dragen zij een volslagen tuighuis van dolken, degens, zwaarden; over den schouder hangt het ronde schild van rhinocerosvel, met gouden knoppen versierd. Hunne paarden zijn met smaak en pracht opgetuigd, en worden met groote zorg onderhouden en gekweekt.—De vrouwen der Radsjpoeten zijn groot, welgemaakt en dikwijls zeer schoon; de echtgenooten der edelen leven in den harem of de zenanah; de vrouwen van minderen stand zijn vrij en verschijnen met ongedekt gelaat op straat, maar zoodra zij meenen dat een Europeaan haar gadeslaat, omsluieren zij zich. Zij dragen een wijden geplooiden rok, die tot over de knieën reikt; een klein keurslijf, dat alleen de schouders en de borst bedekt en den rug bloot laat; en een breeden sjerp van gaas of zijde, waarmede zij zich het bovenlijf omwikkelen, en waarvan een der punten over haar hoofd geworpen wordt. Evenals alle vrouwen door geheel Hindostan, overladen zij zich met eene ongeloofelijke menigte van gouden en zilveren sieraden.Ieder vermogend Radsjpoet heeft ten minste drie vrouwen, die niet alleen in het huiselijke, maar ook in het openbare leven eene zeer gewichtige rol spelen: niets geschiedt zonder dat vooraf haar raad is ingewonnen. Zelden zal een man, op eene belangrijke vraag, dadelijk antwoord geven: hij moet eerst zijne vrouw raadplegen, en meestal is het hare beslissing, die hij u later mededeelt. De Radsjpoeten betoonen der vrouw dien kieschen eerbied, wijden haar die dweepende vereering, die een eigenaardig kenmerk van alle ridderlijke volken is; hunne gedichten vloeien over van allerlei verhalen, waarin de verlossing van eene of andere gevangen schoone, of de wraak eener beleedigde dame het hoofdthema uitmaakt. In hunne groote oorlogen speelt bijna altijd eene vrouw de hoofdrol; en nog heden ten dage zendt eene dame, die eene beleediging te wreken heeft, een armband aan een of anderen krijgsman, dien zij tot haar ridder heeft uitverkoren. De aldus aangewezene is nu, op straffe van oneer, verplicht, als wreker der dame op te treden. De kronieken van Radsjpoetana zijn trouwens niet minder rijk aan trekken van heldenmoed en zelfopoffering ook der vrouwen.Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor.Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor.Sinds overoude tijden en nog in deze dagen, is de stand der barden of heldendichters bij de Radsjpoeten hoog in eere. Iedere stam, iedere aanzienlijke familie, elke vorst of baron heeft zijn eigen bard ofbhât, wiens roeping het is de herinnering te bewaren aan de aloude overleveringen en legenden van de familie of den stam. Hij houdt de geslachtregisters, en draagt bij plechtige gelegenheden zijne liederen voor, waarin de groote daden der voorvaderen worden geprezen. Ook de huiselijke en familiefeesten luistert hij op door zijne zangen; en des avonds zet hij zich in den kring en doet allen luisteren naar zijne verhalen en improvisaties. De persoon van den bard is in zekeren zin gewijd; hij is de overbrenger van de oorlogsverklaringen;hij is de voornaamste onderhandelaar in alle gewichtige zaken en vereffent de meeste geschillen. Hij houdt zich ook onledig met sterrenwichelarij; en bij de stammen der woestijn staat hij wellicht hooger in aanzien dan de priester van Brahma zelf. Hoe dit alles herinnert aan onze eigene middeleeuwsche toestanden; en hoe zonderling voelt zich de europeesche reiziger te moede, als hij hier eensklaps, in het hart van Azië, eene wereld om zich heen ziet herleven, die hij tot dusver alleen uit de oude kronieken en romancen kende, en die hij voor altijd ondergegaan waande.De Radsjpoeten geven zich zelf tegenwoordig den titel van Kshatriyas: met welken naam, zooals men weet, vroeger de kaste der krijgslieden, de eerste in rang na die der Brahmanen, werd aangeduid, of liever de militaire adel van arischen stam, die de landen aan den voet van den Himalaya veroverde en daar een nieuw rijk grondvestte. Zij beweren dan ook af te stammen van den beroemden koning Rama, den overwinnaar van Lanka, den held van het oud-indische epos: hunne vestiging in het land zou dus tot omstreeks tweeduizend jaren voor Christus opklimmen. Intusschen is het thans zoogoed als uitgemaakt, dat de verschijning der Radsjpoeten in Hindostan tot een zeerveel later tijdperk behoort. Volgens het verhaal der Brahmanen, zouden de Kshatriyas allen gedood zijn bij een opstand der lagere kasten, aan wier hoofd zich Pasoerama, een der incarnatiën van Vishnoe, had gesteld; dit zou eenige eeuwen vóór onze jaartelling hebben plaats gehad. Wat hiervan zij: zeker is het, dat de aloude adel der Kshatriyas in den loop des tijds zijn overwicht en de alleenheerschappij verloor: want zelfs op den keizerlijken troon van Magadha ontmoeten wij verschillende familiën, die oorspronkelijk tot de lage kaste der Soedras behoorden.—De Radsjpoeten beginnen eerst omstreeks de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling eene staatkundige rol in Indië te spelen; langen tijd schijnen zij zich aan de grenzen des lands, aan gene zijde van den Indus, te hebben opgehouden; Todd meende hen te moeten rekenen tot de skytische stammen, die langzamerhand de westelijke grenzen van Hindostan hadden overschreden. Tusschen de zesde en de zevende eeuw zien wij deze Radsjpoeten-stammen zich snel tot macht en aanzien verheffen; de Tsjandelas veroveren Malwa, de Tsjohans en Rhatores maken zich meester van Kanoedsj en Delhi: de Gheloten en Baghelas vestigen zich in Mewar en Goezerate. In dien tijd hielden de Radsjpoeten zich nog afgezonderd van de eigenlijke Hindoes, waarvan zij zich ook door hunne godsdienst onderscheidden. Zij waren destijds Djaïnen, doch omhelsden reeds vrij spoedig het Brahmanisme, met name de eeredienst van Çiva. Na hunne bekeering deden zij ook hunne aanspraken gelden op den titel van Kshatriyas: aanspraken, wier geldigheid echter door de Brahmanen, tot op dezen dag, nooit uitdrukkelijk is erkend. En inderdaad, zoowel door hun gelaatsvorm, zoozeer van dien der andere Hindoes afwijkende, als door hunne zeden en gewoonten, schijnen de Radsjpoeten veelmeer aan de oude Parthen, dan aan de oorspronkelijke vedische Kshatriyas verwant. Waarschijnlijk zijn zij de laatste emigranten van arischen stam, die uit het hoogland van Midden-Azië in Indië doordrongen.Inmiddels was het mij nog niet mogen gelukken tot den Rana door te dringen, en reeds dacht ik er aan, mijne vruchtelooze pogingen op te geven en Oodipoor te verlaten, toen er eensklaps een onverwacht bondgenoot kwam opdagen, die mij zijne veelvermogende hulp aanbood. De Rao van Baidlah, de eerste baron des rijks, had nauwelijks de tijding van onze komst vernomen, of hij haastte zich ons te komen begroeten en zijne diensten aan te bieden. Hij kwam, vergezeld van een schitterend gevolg, in een prachtigen draagstoel gezeten; ik ging hem te gemoet, reikte hem de hand, hielp hem bij het uitstijgen, en geleidde hem, met de verschuldigde eerbewijzen, naar zijn zetel.“Waar hebt gij de indische etiquette geleerd, waarvan de sahibs doorgaans niets weten?” vroeg mij de Rao. Ik verhaalde hem nu van mijn langdurig verblijf te Baroda, van mijn vertrouwelijken omgang met den Guikowar, en van het doel mijner komst in Mewar. Hij luisterde aandachtig naar mij, betuigde zijn spijt, dat ik mij niet dadelijk tot hem gewend had, en gaf mij de verzekering, dat de Rana zich stellig zou beijveren mijn eersten ongunstigen indruk weg te nemen, en mij niet minder goed zou ontvangen dan de Guikowar Khanderao.De Rao van Baidlah is een schoon grijsaard, de volmaakte type van een Radsjpoet; zijne manieren zijn waardig en bevallig; in zijn spreken paart hij aan de onberispelijkste etiquette eene vrijmoedigheid en ongedwongenheid, die bij de Hindoes verre van algemeen is. Hij is het hoofd van den oppersten raad der zestien Raos of hertogen van het koninkrijk Mewar: die machtige leenmannen, die, voor dat de Engelschen zich met de regeering des lands bemoeiden, de macht van den souverein bijna geheel aan zich getrokken, en hem zelf tot een schijnbeeld gemaakt hadden.Bijkans het gansche land is tusschen deze groote Raos, bijna allen aan de koninklijke familie verwant, verdeeld; in hunne gewesten of heerlijkheden oefenen zij een schier onbeperkt gezag uit; slechts zelden verschijnen zij aan het hof te Oodipoor, en zijn soms in openbaren opstand tegen den Rana. De britsche regeering heeft gedaan wat zij kon om de macht dezer Raos te breken, en den Rana het verloren gezag weder te geven; maar tot dusverre is zij daarin maar zeer ten deele geslaagd. De bezittingen van den Rao van Baidlah zijn zeer uitgestrekt, en leveren hem een inkomen van omstreeks zes ton per jaar op, zijne hoofdstad is slechts eenige mijlen van Oodipoor verwijderd, zoodat hij, zonder zijne residentie te verlaten, aan het hof verschijnen kan. Hij behoort tot den stam der Tsjohans, en aan zijn rang zijn enkele, echt middeleeuwsche privilegiën verbonden. Zoo worden, bijvoorbeeld, den derden dag der maand Samvatsiri, de teekenen der koninklijke waardigheid naar Baidlah gebracht en aan den Rao ter hand gesteld, die daarop, met groote staatsie, een bezoek gaat afleggen bij den Rana, welke hem in persoon aan den ingang van het paleis ontvangt. Scherpzinnig en met een fijn, doordringend verstand begaafd, heeft hij het volle vertrouwenvan den jongen vorst weten te winnen, en tevens de vriendschap van het britsche gouvernement. Hij stelt hoogen prijs op de handhaving van den alouden luister der vorstelijke dynastie van Oodipoor en van de rechten en privilegiën van den adel; maar tegelijk is hij niet afkeerig van de nieuwe denkbeelden en instellingen, die met de Europeanen naar Hindostan zijn gekomen; en wel gaarne zou hij de ontwikkeling van europeeschen handel en nijverheid in zijn vaderland bevorderen, voor zooverre dit bestaanbaar is met de oude rechten en inzettingen. Aan zijn invloed vooral was de bescherming te danken, die de europeesche vluchtelingen, tijdens den grooten opstand van 1857, in Mewar vonden; zij werden niet alleen in veiligheid gebracht, maar zelfs gedurende vele maanden kosteloos gehuisvest en gevoed. De koningin van Engeland zond, uit dankbaarheid, den ouden Rao een prachtigen eeresabel, dien hij ons met blijkbare zelfvoldoening toonde.Zijn eerste bezoek duurde langer dan een uur; hij onderzocht al onze bagages, tot zelfs ons toiletgereedschap, en had vooral grooten schik in een stereoscoop met gekleurde platen van de Tuileriën en Versailles; hij kon zich van de beschouwing dezer platen niet verzadigen, zoodat ik hem den stereoscoop ten geschenke gaf. Om te bewijzen dat hij met de gewoonten der beschaafde wereld bekend was, nam hij zonder aarzelen een glas sherry van mij aan, en vroeg mij een sigaar. Dit verwonderde mij ten hoogste: want nog nimmer had ik een Hindoe, vooral van zoo aanzienlijke kaste, ontmoet, die dus openlijk de europeesche gewoonten volgde; later vond ik overvloedige gelegenheid om mij te overtuigen, dat, althans wat het gebruik van wijn en sigaren betreft, de Radsjpoeten zich niet streng aan de voorschriften hunner kaste houden.Het bezoek van den Rao droeg al spoedig vruchten. Reeds den volgenden morgen stond een door hem gezonden olifant voor onze deur gereed, vergezeld van een djemadar met vier sowars. De secretaris des konings, Bulwant Rao, die ons als cicerone zal dienen, voert ons door eene voorstad, waar de rijke inwoners van Oodipoor hunne villas of landhuizen hebben; aan alle kanten verheffen zich sierlijke heuvelen, met heerlijke lommerrijke tuinen bedekt, waar, tusschen het dichte groen, sierlijke kiosken, smaakvolle paviljoenen en wit marmeren tempeltjes, die zich in heldere waterkommen spiegelen, den voorbijganger tegenlachen. Wij trekken de stad binnen door eene met bolwerken verdedigde poort, en bevinden ons nu in een prachtigen bazar- of winkelstraat; de huizen zijn allen van steen gebouwd en van platte daken voorzien; de winkels bevinden zich onder booggangen, die de straat ter wederzijde begrenzen, en zien er netjes en zindelijk uit. Het geheele voorkomen der stad is bij uitnemendheid schilderachtig; elk huis heeft zijn eigenaardige bouworde, en prijkt met balkons, pilaren, beeldwerken en fresko’s, die aan iedere woning een bijzonderen artistieken stempel geven.Sommige straten hebben eene aanmerkelijke lengte en zijn geheel rechtlijnig; er heerscht hier over het algemeen eene groote drukte. Ook hier, evenals in de meeste oostersche en ook vroeger in de europeesche steden, zijn de verschillende beroepen en bedrijven allen bij elkander in dezelfde straat of wijk gevestigd. Zoo heeft men de straat der schoenmakers, der vervaardigers van tulbanden; der wapensmeden, der goudsmeden en juweliers, der handelaars in zijde en andere kostbare, stoffen. In de adellijke wijk vindt ge eene menigte trotsche woningen, echte kasteelen met gekanteelde muren, torens en bolwerken; jammer slechts, dat deze vorstelijke residentiën dikwijls door ruïnen en bouwvallige gebouwen worden ontsierd. De aanwezigheid dezer ruïnen midden in de stad verbaast u: zij is het gevolg van den kwalijk begrepen eerbied, dien de Radsjpoeten voor het werk der voorgeslachten koesteren; zij willen deze gebouwen noch herstellen noch afbreken, maar laten ze geheel in den toestand, waarin zij door den tijd gebracht zijn.Langs steile straten beklimmen wij den heuvel, waarop het koninklijk paleis troont: die straten zijn zoo steil, dat zij voor rijtuigen bijna onbruikbaar zijn. In de voornaamste straat, die naar het paleis voert, en dicht bij den hoofdingang, verheft zich de groote koninklijke pagode, aan Djaggernauth gewijd, en in het laatst der zestiende eeuw door Pertap-Singh gebouwd. Zij staat op een hoog, wit marmeren terras, waarheen een breede trap, door twee marmeren olifanten met opgeheven snuit bewaakt, voert. De gansche tempel is uit wit marmer opgetrokken en geheel met beeldhouwwerk bedekt; de fraaie, bevallige groote toren verheft zich tot eene hoogte van ongeveer vijf-en-twintig ellen. Voor het heiligdom staat een sierlijk paviljoen, op zuilen rustende en met een pyramidaal dak gekroond; langs de wanden zijn bas-reliefs aangebracht, tafreelen uit het leven van Krishna voorstellend.Wij dalen aan de andere zijde den heuvel weder af, en staan weldra aan den oever van een schilderachtig meer, dat ik reeds eenmaal uit de verte gezien had. Aan den zoom van het meer verrijst een prachtige, witmarmeren triomfboog, met drie doorgangen; door deze poort trekken de veelvuldige processiën, die bij gelegenheid der groote feesten zich naar het meer begeven. Wij stappen in eene gereedliggende boot, die ons naar de eilanden roeien moet; en weldra drijven wij op de kalme wateren van het meer Petsjola, waarin de huizen en paleizen der stad zich weerspiegelen. Eerst niet veelmeer dan eene smalle rivier, ter wederzijde door heuvelen, met paleizen gekroond, ingesloten, breidt het meer zich weldra tot eene wijde watervlakte uit, waaruit de eilanden Jug-Navas en Jug-Munder oprijzen.Wij landen aan het eerste eiland, dat geheel wordt ingenomen door eene reeks van paleizen, door den Rana Juggut-Singh gesticht. Deze paleizen bevatten receptiezalen, staatsievertrekken, baden, kiosken: alles even rijk van stijl en schitterend van versiering. Al deze gebouwen, groote en kleine, zijn zonder uitzondering van wit of zwart marmer opgetrokken; de wanden zijn met veelkleurige mozaïeken versierd, en de voornaamste vertrekken bezitten historische fresko-schilderijen van groote waarde. Elk gebouw heeftzijn bijzonderen tuin, door zuilengangen omgeven; daar verspreiden heerlijke bloemperken, bosschages van citroen- en oranjeboomen hunne welriekende geuren, en slingeren zich murmelende, kristalheldere beken door den rijken hof, waar reusachtige mango- en tamarindeboomen met hunne verkwikkende schaduw de zuilengangen omhullen. Boven de koepels der paleizen verheffen dadel- en kokospalmen hunne sierlijke bladerkroonen, zacht wiegelende op den adem der koelte. Alle onderdeelen en bijzonderheden zijn hier in volkomen overeenstemming met de heerlijke schoonheid van het geheel; niets verbaast of treft u door groote afmetingen of stoute vormen; de paleizen zijn klein, bevallig, gemakkelijk ingericht; het zijn inderdaad lusthoven, waar de Rana nu en dan verpoozing zoekt van de statelijke pracht en strenge etiquette, die aan het hof van de Zon der Hindoes heerschen.Ik zou hier uren hebben willen vertoeven, maar Bulwant-Rao noodigde mij uit naar het andere eiland te gaan, waar een ontbijt voor ons gereed stond. Reeds van verre doet zich Jug-Munder als eene verschijning uit hetfeeënlandvoor, met zijne koepels en palmen, zich weerkaatsende in de kalme wateren van het meer. Wij leggen aan bij een marmeren trap, en beginnen nu onze wandeling door eene nieuwe reeks van paleizen en tuinen, niet minder schoon dan die op het eiland Jug-Navas. Mijn gids wees mij een groot gebouw, met een mongoolschen koepel gekroond en door hem het paleis van Shâh Jehan genoemd. Deze vorst was in opstand gekomen tegen zijn vader, den keizer Djehanghir, en had eene schuilplaats gezocht aan het hof van den Rana Koeroen, den zoon van Oemra. De Rana ontving den voortvluchtigen prins met echt oostersche gastvrijheid; hij liet voor hem op het eiland Jug-Munder een prachtig paleis bouwen, waarop hij de halve maan liet plaatsen; het inwendige prijkte met mozaïeken van jaspis, agaat, onyx, en met rijke veelkleurige tapijten en draperieën; in een der zalen stond een troon, uit een enkel blok groenachtigen serpentijnsteen gehouwen, en door vier karyatiden gedragen. Al deze heerlijkheid is nog ongeschonden in wezen. Op dit tooverachtig schoone eiland, een waar paradijs, werden in 1857 de Engelschen geherbergd, die aan den moord der garnizoenen van Neemuch en Idore waren ontkomen.Na een eenvoudig ontbijt, dat wij in een der kiosken nuttigden, namen wij den terugtocht aan. Van hier omvat men, met een enkelen blik, de geheele reeks der paleizen van Oodipoor. Vooreerst, aan het uiteinde van den heuvel, het paleis van Oemra, dat tegenwoordig niet meer bewoond wordt; dan het paleis van den regeerenden Rana, met de Rosana, het vrouwenverblijf, waarvan de kolossale muur tot aan den oever van het meer reikt, en zijne lommerrijke tuinen, bezaaid met kiosken; en eindelijk de stad, half wegschuilende achter een woud van groote boomen. Dat gezicht is zeker een der fraaiste van geheel Indië.Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas.Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas.Bij het uitstappen aan de kaai, wijst men ons de staatsiebooten van den Rana: groote, zeer sierlijke gondels, waarin ongeveer een honderdtal personen plaats kunnen vinden. De achtersteven stijgt, terrasgewijze, tot eene aanmerkelijke hoogte: op het hoogste terras staat de troonzetel van den Rana. De voorsteven is versierd met de beelden van paarden of pauwen, die uit het water schijnen op te rijzen.Onze nieuwe vriend, de Rao van Baidlah, wist ons zoo, gedurendeeenigedagen, telkens nieuwe uitspanningen te bezorgen; maar van onze audiëntie kwam nog niets. Eindelijk werd ik, op zekeren morgen, gewekt door kanonschoten, die de lang verwachte terugkomst verkondigden van majoor Nixon, den engelschen resident bij het hof van den Maha-Rana. Ik schreef hem dadelijk, en zond hem mijne aanbevelingsbrieven; een half uur later zaten wij te zamen aan het ontbijt. De koele wijze, waarop men ons tot dusver behandeld had, scheen hem volstrekt niet te verwonderen; volgens hem, had men ons waarschijnlijk voor russische spionnen aangezien. Hij drong er evenwel op aan, dat wij ons verblijf zouden verlengen, en gaf de stellige verzekering, dat hij ons aan den Rana zou voorstellen, aan wiens hof wij zeker niet minder te zien en op te merken zouden vinden dan aan dat van Baroda. De majoor liet niet af, voor wij andermaal onzen intrek in de residentie hadden genomen, en stelde ons nog dien avond voor aan twee engelsche officieren, den ingenieur en den dokter, die met hem het geheele europeesche personeel der ambassade uitmaakten. Ik bracht in gezelschap van die heeren een genotvollen avond door.Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor.Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor.IV.Zooals ik vermoed had, bracht de komst van den engelschen resident eene groote verandering in onze positie te Oodipoor. De rana, officiëel van onze komst onderricht, kon ons nu niet langer voor russische spionnen aanzien, die gekomen waren om hem in eene of andere gevaarlijke samenzwering te wikkelen, maar toonde zich bereid ons als gewone fransche reizigers te ontvangen. De majoor Nixon wilde ons zelf aan den vorst voorstellen, en stond er op, dat de eerste audiëntie zoo statig mogelijk zou zijn. In een hofrijtuig gezeten, door eene eerewacht begeleid, reden wij van de britsche residentie naar het paleis. Voor de hoofdpoort stonden de soldaten der koninklijke lijfwacht en presenteerden het geweer; wij stapten af op het ruime voorplein; de rao van Baidlah, die ons in naam van den maha-rana ontvangen moest, wachtte ons op het bordes op.Eer ik de tsjoebdars met gouden staven volg, die ons naar de troonzaal moeten geleiden, sta ik een oogenblik stil, om deze wonderschoone vorstenwoning te beschouwen, waarvan de toegang mij zoolang verboden bleef: hooge muren, van vensters met steenen traliewerk voorzien; torens, met sierlijke koepels gekroond; galerijen, tot bijkans duizelingwekkende hoogte boven elkander oprijzende:—en dat alles van wit marmer, overdekt met het weelderigste beeldhouwwerk. De aanblik had iets tooverachtigs; het was een fantastisch geheel, schijnbaar zonder orde en harmonie, maar toch zoo schoon, dat de herinnering daaraan niet licht wijken zal.Doch ik kan deze wonderen slechts met een vluchtigen blik overzien: wij volgen den majoor door lange, overwelfde, koele galerijen, die, zachtkens stijgende, ons naar de bovenverdiepingen voeren. De rana zal ons in den vollen durbar ontvangen: eene hooge eere! durbar noemt men in geheel Hindostan eene plechtige audiëntie bij den rajah, waarbij ook de voornaamste edellieden, de groot-dignitarissen van het hof en staatsdienaars tegenwoordig zijn; bij uitbreiding wordt het woord soms wel van den souverein zelf gebruikt, als hij groote publieke ceremoniën met zijne tegenwoordigheid vereert.—Een der binnenplaatsen op de bovenverdieping is tot troonzaal ingericht; een groot zeildoek keert de felle zonnestralen. De deurwaarders kondigen onze komst aan; de koning zit op een zilveren troon, door gouden leeuwen gedragen; zijne hovelingen en edelen zijn ter wederzijde in een halven kring geschaard. Zoodra wij de zaal binnentreden, rijst de koning van zijn troon op, en gaat ons enkele schreden te gemoet; hij reikt ons de hand, en wij zetten ons nevens hem op zilveren leuningstoelen neder.Samboe-Singh was toen, zoo als ik reeds zeide, achttien of negentien jaar oud; hij ziet er vriendelijk en goed uit, maar zijne trekken missen die fijnheid, dat scherp geteekende, dat anders den leden van zijn geslacht doorgaans eigen is; zijne manieren zijn vriendelijk, voorkomend en toch vol waardigheid; hij schijnt een echt gentleman. Met groote hoffelijkheid verontschuldigt hij zich over de teleurstelling, die hij ons door het lange uitstel dezer audiëntie heeft veroorzaakt: redenen van zuiver staatkundigen aard hebben hem belet vroeger aan ons verzoek gevolg te geven. Hijluistert met groote belangstelling naar hetgeen ik hem omtrent het doel mijner reis verhaal, doet mij allerlei vragen aangaande Frankrijk, en drukt eindelijk zijne verwachting uit, dat ik mijn verblijf te Oodipoor nog eenigen tijd rekken zal. Wanneer wij opstaan om de zaal te verlaten, ontvangen wij—de resident, mijn reismakker en ik—uit handen van den rana zelf, het bosje betelbladeren,bîragenaamd, en besprenkelt hij zelf onze zakdoeken met eenige druppelen rozenolie. Deze ceremonie, die aan alle indische hoven bij het afscheid nemen gebruikelijk is, heeft hier eene dubbele beteekenis: alleen vorsten van hoogen stam, beroemde veldoversten of zeer aanzienlijke vreemdelingen plegen de bîra uit handen van den maha-rana van Oodipoor te ontvangen. Zulk een eerbewijs geldt bijna als een adelbrief. Ik steek de beroemde bîra eerbiedig in mijn zak, en wij keeren naar het rijtuig terug, gevolgd door de edelen, die ons tot aan de voorplaats uitgeleide doen.Het paleis van Oodipoor, misschien het grootste en prachtigste van geheel Hindostan, beslaat den top van een tamelijk hoogen heuvel, die evenwijdig aan het meer, van het oosten naar het westen loopt. Daar de kruin des heuvels zeer smal is, hebben de indische architecten aan de eene zijde een groot terras of platform uitgebouwd, dat door drie rijen bogen en gewelven boven elkander gedragen wordt: een ware reuzenarbeid. Gedeeltelijk is het paleis op dit terras opgetrokken; het overige vormt eene groote ruime binnenplaats, waarop de kazernen en de stallen der olifanten zijn geplaatst.De gezamenlijke paleizen, sedert de dagen van Oemra-Singh tot op die van Sirdar-Singh gebouwd, en wier lengte te zamen meer dan drie kilometers bedraagt, zijn in een dubbelen muur gevat. De hoofdingang is aan de zijde der stad: eene prachtige marmeren poort, met drie rijk gebeeldhouwde doorgangen, en met eene rijke attika gekroond; de paneelen, de balkons, de koepels zijn met smaak versierd. Deze poort voert naar de groote binnenplaats, aan twee zijden door de koninklijke vertrekken ingesloten; de muren zijn op de verschillende verdiepingen met gebeeldhouwde galerijen versierd; in de hoeken verrijzen bevallige achtkantige torens, met koepels gekroond. De hoogte van het gebouw bedraagt zeven-en-dertig el, maar de glans van het schitterend witte marmer, waarvan het geheel is opgetrokken, en de eenvoudig-grootsche stijl der architectuur maken zulk een overweldigenden indruk, dat ge aanvankelijk het paleis voor veel hooger aanziet.Aan het uiteinde van dezen hof bevindt zich eene groote deur, die zorgvuldig gesloten en door soldaten van de lijfwacht bewaard wordt: dat is de ingang van de zenanah of het vrouwenverblijf; niemand dan rana of de leden zijner familie mag dit gedeelte van het paleis bezoeken. Boven de poort prijkt het meer dan levensgroote standbeeld van Ganesa, den god der wijsheid.Het inwendige van het paleis beantwoordt volkomen aan de grootste pracht van het uiterlijke, en tevens aan de eigenaardige behoeften van het tropische klimaat; lange, schemerachtige, zacht-hellende gangen en galerijen vervangen onze trappen, en voeren van de eene verdieping naar de andere: de ruime, luchtige, goed verlichte zalen zijn geheel met gepolijst marmer van verschillende kleur bekleed, hetgeen niet alleen zeer fraai staat, maar ook tot de frischheid der vertrekken bijdraagt; overal binnenplaatsen, hoven, fonteinen, bloemen. De groote vertrekken zijn met draperiën behangen; zachte kussens, wollige tapijten bedekten den vloer; de wanden, schitteren van mozaïek en van ivoor, parelmoer en kostbare steenen; spiegels en veelkleurige fresko’s verhoogen die pracht. Een der zalen is op zeer eigenaardige wijze versierd, en perst den europeeschen bezoeker onwillekeurig een glimlach af: de wanden zijn geheel bedekt met europeesche borden, schoteltjes, glazen, bobèches,enz.;—het gemeenste glas- of aardewerk prijkt hier naast het kostbaarste saksische porselein of het fraaiste boheemsche kristal: de indische kunstenaar heeft niet gelet op de innerlijke waarde van al dit huisraad, maar enkel op de kleur: en met den hem aangeboren takt is hij er in geslaagd van deze wonderlijke, zoozeer heterogene elementen een niet onbevallig geheel samen te stellen, dat althans door het ongewone treft. De fresko’s op de muren en zolderingen van sommige vertrekken zijn van groote, voor ’t minst historische waarde. Men vindt hier de portretten van al de ranas, te beginnen metOedey-Singh, den stichter van Oodipoor, tot op onzen tijdgenoot Samboe-Singh; bij deze portretten bevinden zich voorstellingen van de merkwaardigste gebeurtenissen uit de regeering dezer verschillende vorsten. Met groote zorg en eene opmerkelijke fijnheid van koloriet geschilderd, zijn deze fresko’s uitnemende bijdragen voor de studie van de geschiedenis en de zeden der Sesoedias.Een der grootste merkwaardigheden van het paleisvanOodipoor is ongetwijfeld de tuin, die boven op het platte dak is aangelegd.Ge kunt u moeielijk voorstellen, welken zonderlingen indruk het maakt, wanneer ge daar eensklaps, hoog in de lucht, eeuwenheugende boomen en prachtige bloemperken ziet. In het midden van den tuin bevindt zich een waterbekken, vanwaar straalsgewijze de met marmer geplaveide paden uitgaan; het water vloeit door sierlijk met mozaïeken ingelegde kanalen, en verliest zich in de schaduw van geurige granaat- en oranjeboschjes. Eene opene marmeren galerij omgeeft deze bekoorlijke plek; in het rond zijn fluweelen sofa’s geplaatst, waarop de heeren van het hof hunne siësta komen houden. Van deze hoogte overzien zij de gansche schoone vallei, waar bijna iedere plek getuigd van den wapenroem en de heldendaden hunner voorvaderen, die eeuwen lang, met onbezweken volharding, deze toenmaals woeste en vergeten plek gronds, die zij in een paradijs herschiepen, tegen den aandrang der Muzelmannen hebben verdedigd.Na dit alles bezichtigd te hebben, begeven wij ons naar het Koesh-Mahal, het paleis des vermaaks, door den laatsten rana, Sirdar Singh, opzettelijk gebouwd voor de ontvangst zijner europeesche gasten. In de groote, met vorstelijke pracht versierde zalen van dit paleis worden de diners en feestengegeven, wanneer aanzienlijke vreemdelingen uit het westen den koning bezoeken. De tsjoebdar, die ons tot cicerone dient, toont ons de toebereidselen van zulk een feest, dat tot eere van onze komst zal worden aangericht. Boven de zalen verheffen zich marmeren kiosken, vanwaar de blik het schoonste panorama van de stad, het meer en de omringende bergen overziet. De bergketen, die de vallei van Oodipoor omringt, draagt den naam vanGuirwôof cirkel; eigenlijk vormt zij een onregelmatigen ellips van twee en twintig mijlen van het noorden tot het zuiden, en van zeventien mijlen van het westen tot het oosten. De stad zelf ligt aan het uiteinde van dien boog, en wordt alleen door het meer Petsjola van de bergen gescheiden. De middelbare hoogte van den Guirwô bedraagt zeshonderd el boven den beganen grond der vallei; aan den oever van het meer bereiken de bergen eene hoogte van duizend el; zij vertoonen in hunne lijnen de vreemdste en meest afwisselende vormen. Dit ingesloten dal is als strategische positie van groot gewicht: het heeft slechts drie naar het oosten gekeerde uitgangen, bij Dobarri, bij Dailwara en bij Naen; en deze openingen zijn niets meer dan enge en zeer lange bergpassen, die met het uiterste gemak tegen een overmachtigen vijand kunnen verdedigd worden.Op de helling, aan de zijde van het meer, verheft zich de Rosanah, een uitgestrekt paleis, met den voorgevel naar het water gekeerd, en de vertrekken bevattende van de hovelingen, de heeren en officieren van het hof. Schilderachtige tuinen, terrasgewijze afdalende, voeren u naar den oever van het meer; deze tuinen prijken met paviljoenen en kiosken, half wegduikende in den lommer der boomen, waaronder fonteinen ruischen. Een dezer tooverpaleizen staat vlak aan den oever: duizend slanke zuilen dragen de met mozaïek ingelegde zoldering, en eene gansche reeks van springende fonteinen hult het geheele gebouw als in een sluier van water. Hier komt de rana met zijn hof, in de heete zomerdagen, de brandende middaguren doorbrengen.Toen ik in de residentie terugkeerde, deelde de majoor mij mede, dat de Maha-Rana, den volgenden dag, ter onzer eere, een feest op het eiland Jug-Navas zou geven, gevolgd door een jacht op het water.Den volgenden morgen begeven wij ons al vroeg op het pad; wij rijden de stad door, en schepen ons in aan de kaai; eenige minuten later stappen wij op het eiland Jug-Navas aan wal. Deze anders zoo stille plek is nu vol leven en beweging: de lakeien en bedienden van den rana loopen heen en weder, levensmiddelen aandragende en alles gereedmakende voor onze ontvangst. De kamers worden in der haast gemeubeld; de open vensters en galerijbogen worden met draperiën of stores behangen; de marmeren vloeren met kussens en tapijten belegd. Aan het uiteinde van het eiland is een geheel gebouw ter onzer beschikking gesteld; wij vinden daar bedden, stoelen, toilettafels, en, wat ons niet minder welkom is, een ontbijt. In eene naburige keuken is men bezig een tweede, steviger dejeuner klaar te maken, waarbij het althans aan fijne wijnen niet ontbreken zal. Van alle kanten schitteren de zilveren stralen der fonteinen tusschen het donkere loof, en honderde beekjes slingeren zich murmelend tusschen de bloembedden. Men heeft niets vergeten: in een kiosk aan den oever word ik eene groep vroolijke jonge meisjes gewaar, rijk uitgedost met gouden sieraden, en schitterende van edelgesteenten: dat zijn de nautsjnis of hofdanseressen, die de rana hier heeft gezonden om ons door hare dansen en gezangen te vermaken. Ik onderhoud mij eenige oogenblikken met deze bayaderen, en sta verbaasd over haar zuiver accent en haar sierlijke gekuischte taal, waaruit duidelijk blijkt dat zij eene beschaafde opvoeding moeten genoten hebben. Een jonge Radsjpoet, wien ik mijne verwondering mededeelde, zeide mij dat deze nautsjnis niet, als de gewone danseressen, arme schepsels zijn, die niets weten dan wat het toeval haar heeft geleerd, maar integendeel van hare eerste jeugd zeer zorgvuldig worden opgevoed en onderwezen in alles wat tot veraangenaming van het leven strekken kan, in poëzie, muziek, beschaafde innemende manieren.Samboe-Singh zelf verschijnt eerst tegen twee uur; hij is gezeten in een prachtig versierde gondel, die aan de groote trap aanlegt, waar wij gereed staan om hem te ontvangen; de Rao van Baidlah en de Rao van Pursaoli vergezellen den Vorst. Terwijl wij met elkander praten, worden de toebereidselen voor de jacht voltooid; daarop scharen zich de tsjoebdars en de soldaten der lijfwacht ter wederzijde van den weg, en wij trekken in optocht, voorafgegaan door de zingende bayaderen, naar den oever, waar wij ons inschepen in de booten. Deze platboomde schuiten kunnen niet meer dan drie of vier personen bevatten, en zijn uitnemend geschikt voor de jacht in deze meren en moerassen, waar het water doorgaans maar weinig diepte heeft.Wij steken het meer over, en verliezen ons weldra in een doolhof van smalle kanalen, die in alle richtingen het groote moeras aan den voet der bergen doorkruisen; reusachtige biezen en dichte rietbosschen omsluiten ons van alle kanten; en naarmate wij verder komen, vliegen gansche zwermen van eenden, ganzen en flamingo’s uit deze bosschen op. Nu werden de geweren ter hand genomen; en na verloop van een uur hadden wij eenige honderde eenden en andere vogels geschoten. Te vier uur verlieten wij het moeras, en keerden naar het meer terug, waar wij de staatsiegondels vinden; hier neemt de rana, op de meest hoffelijke wijze,afscheidvan ieder onzer, en keert naar zijn paleis weder; wij blijven nog in onze booten om de jacht opkrokodillenvoort te zetten.De krokodil van de indische binnenmeren is een geducht roofdier; hij bereikt eene vrij aanmerkelijke lengte, en schroomt niet de menschen aan te vallen. Sedert de engelsche resident te Oodipoor is gevestigd, en de rana, in strijd met de godsdienstige vooroordeelen, die de krokodillen onschendbaar maakten, aan de Europeanen vergunning heeft gegeven hen te dooden, hebben deze monsters de onmiddellijke omstreken der stad verlaten, en zich op den tegenover liggenden oever teruggetrokken. Onverbiddelijk in hunne schuilhoeken vervolgd, zijn zij zeer bedachtzaam en voorzichtig geworden; zoodra zich eene boot op het meervertoont, duiken zij allen onder en laten, ook wanneer zij weder boven komen, niets dan het uiteinde van hun snuit zien. Maar dit is voor den jager voldoende; de kogels van onze getrokken karabijnen treffen de krokodillen ook onder water; een heftige beweging in het meer en een roode plek op het water zijn echter de eenige zichtbare resultaten van deze jacht, want de gedoode alligator zinkt onmiddellijk naar den grond.
Ontmoeting met de Bhîls.Ontmoeting met deBhîls.
Ontmoeting met de Bhîls.
Ontmoeting met deBhîls.
De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen wij den mekkâm van Sameyra bereikten. Dit dorp behoort aan een thakoer, die vasal is van den rajah van Dounghêrpoer; het ligt aan den ingang van eene kleine, maar uiterst vruchtbare vallei. Ook hier beheerscht de burcht van den thakoer den ganschen omtrek. Wij slaan hier ons leger op, om den nacht door te brengen; voor wij ons ter rust begeven,worden de vuren rondom het kamp aangestoken en de wachten verdubbeld: het is goed dat de Bhîls weten, dat wij op onze hoede zijn. Den volgenden morgen togen wij reeds vroeg op weg. Het landschap wordt al woester en woester; groote, wild dooreengeworpen rotsblokken vullen de enge dalen en laten slechts weinige smalle paden voor den doortocht over; het is inderdaad opmerkelijk te zien, met hoeveel tact en geduld onze zwaar beladen kameelen zich door deze wildernis een weg banen. De gewapende ruiters en voetknechten vormen met mij de voorhoede; onze kameelen, door hunne drijvers geleid, en een dertigtalreizigers, die zich gaandeweg bij ons hebben aangesloten, maken den middentocht uit; eenige ruiters, door mijn reismakker aangevuurd, sluiten als achterhoede den trein. Wij hebben al deze voorzorgen genomen, omdat wij nu de gevaarlijkste en slechtst befaamde streken moeten doortrekken; de ruwe, geheel onafhankelijke inlanders ontzien geen enkele karavaan, onder wiens bescherming zij ook moge staan. Na onderscheidene enge bergpassen te zijn doorgetrokken, komen wij in eene vruchtbare vallei, door prachtige bergen ingesloten, wier hellingen met ondoordringbare bosschen zijn bedekt. Aan beide zijde vertoonen zich op de hoogten, talrijke dorpen of pâls van de Bhîls.
Nauwelijks hadden wij deze vallei betreden, of een onvoorzien toeval dreigde onzen verderen tocht eensklaps te stuiten. Reeds sedert den morgen van dezen dag hadden wij onderscheidene Bhîls ontmoet, die kalm en zwijgend hun weg vervolgden, zonder den broederlijken groet te beantwoorden, dien onze sowars hun toeriepen. Een dezer laatsten, over deze onwellevendheid verontwaardigd, maakte nu van de gelegenheid gebruik om een Bhîl, die geheel onverzeld was, aan te vallen, te slaan en van zijn boog en pijlen te berooven. Deze aanranding, die zoo ernstige gevolgen voor ons kon hebben, was geheel buiten mijne voorkennis geschiedt; ook had ik, in gesprek met Boekthawoer verdiept, er niets van gemerkt, tot dat de soldaat, die gehoord had dat ik gaarne zulk wapentuig wilde bezitten, mij de veroverde boog en pijlen kwam aanbieden. Ik begreep aanstonds welk gevaar ons bedreigde: nauwelijks had ik den tijd gehad, eenige bevelen te geven, of daar weergalmde reeds de wilde krijgskreet door de vallei, voortgedragen van heuvel tot heuvel; uit alle pâls kwamen gewapende mannen te voorschijn, die in snellen loop naar ons toekwamen. Eene onbeschrijfelijke verwarring maakte zich toen van het gros onzer kleine karavaan meester: de vrouwen begonnen te schreeuwen en te jammeren; de kooplieden stelden zich aan als razenden; zelfs de kameelen droegen het hunne bij, om het gewoel en getier te vergrooten. Onze soldaten hielden zich gelukkig beter: bedaard laadden zij hunne geweren, staken de lonten aan en wachtten mijne bevelen af.
Toen de Bhîls zagen dat wij gereed waren hen te ontvangen, ontstond er eenige aarzeling in hunne rangen, en gingen zij minder vastberaden voort: onze karabijnen boezemden hun blijkbaar ontzag in; intusschen was hun getal reeds merkelijk aangegroeid, en begonnen zij hunne pijlen op ons af te schieten, maar op een te verren afstand om ons te kunnen treffen. Enkelen slaagden er in, achter de struiken voortsluipende, ons te naderen; zij schoten hunne pijlen af, en troffen een kameel, die begon te steigeren enachteruitte slaan, hetgeen de verwarring nog grooter maakte. Ik stond op het punt, bevel tot vuren te geven, toen ik eensklaps een ouden radsjpoet ruiter van ons geleide vanSameyra, in vollen galop naar een bosschage van hoog struikgewas, in de nabijheid onzer kameelen, zag rennen.Weldrawendde hij zich plotseling om, en wierp zich, met uitgetogen sabel, op een ouden Bhîl, die in de struiken verscholen zat; in een oogwenk had hij hem gevangen genomen, en de handen op den rug gebonden. Deze onverwachte daad had eene verrassende uitwerking; woeste, woedende kreten weergalmden van alle kanten; een hagelbui van pijlen daalde op ons neder, waarop de karavaan met geweerschoten antwoordde. Wij vingen den terugtocht aan, onzen gevangene medevoerende, die, zooals de oude sowar mij verzekerde, het opperhoofd was van een der dorpen. Ik liet daarop de Bhîls waarschuwen, dat zoo zij voortgingen ons aan te vallen, hun opperhoofd onverwijld zou worden ter dood gebracht. De waarschuwing werd met luid geschreeuw beantwoord: maar zij trokken zich niet terug.
Ik liet den ouden Bhîl ontboeien, die mij daarop, in slecht hindoestani, verhaalde, hoezeer de lieden van zijn stam verbaasd en geërgerd waren over de beleediging, die wij hun hadden aangedaan; zij meenden, dat zij door de Europeanen beschermd werden, en waren er niet aan gewoon door hen mishandeld te worden. “Het is voor het eerst, zeide hij, dat iemand de vermetelheid heeft, de Bhîls in hunne eigen valleien te tergen en uit te dagen.”—Hij verzocht, dat de geroofde boog en pijlen zouden worden teruggegeven, en dat de schuldige soldaat zou worden uitgeleverd: dan zouden wij ongehinderd onze reis kunnen vervolgen. Ik gaf hem de verzekering dat het voorgevallene mij leed deed, en bood hem aan den boog en de pijlen terug te geven, en den sowar vergeving voor zijne aanranding te doen vragen. Blijkbaar verlangde de oude wilde, dien man in zijne macht te hebben; maar toen hij zag, dat ik dit standvastig weigerde, nam hij mijn voorstel aan. Door twee soldaten begeleid, trad hij naar zijne stamgenooten en maakte hen met de getroffen schikking bekend. De boog en de pijlen werden teruggegeven; den gevangene echter hielden wij bij ons tot wij de vallei verlaten hadden. Eer wij hem zijne vrijheid terug gaven, liet ik hem een groot glas brandewijn inschenken, dat hij in een enkelen teug ledigde. Met haastigen tred keerde hij naar zijne stamgenooten terug, die ons zwijgend gevolgd waren, en begon nu onze lieden uit te schelden, hun toevoegende dat zij hun behoud alleen te danken hadden aan de tegenwoordigheid der sahibs (heeren); en dat zoo hij ooit een hunner in de vallei mocht ontmoeten, de verdiende straf niet zou uitblijven. Deze laatste bedreiging echter schenen de sowars, die toch langs denzelfden weg moesten terugkeeren, zich niet erg aan te trekken.
Wij sloegen dien avond ons kamp op nabij het vlek Bitsjoewara, in het midden eener ruime vallei gelegen. De thakoer van Bitsjoewara komt ons een bezoek brengen; waarschijnlijk heeft hij het noodig geacht, vooraf de flesch aan te spreken: althans hij is erg dronken. Naar het schijnt, is hij een harde meester voor zijne onderhoorigen, die zich in zijne tegenwoordigheid bitter over hem beklagen; hij tracht zich met den grootsten ernst en echte dronkemansgemoedelijkheid, te verdedigen, en de beschuldigingen, die tegen hem ingebracht worden, te wederleggen. Waarschijnlijk ziet hij ons voor agenten van het engelsche gouvernement aan, die hem rekenschap komen vragen van zijn gedrag.Daar ik het een en ander noodig heb, dat in het dorp niet te krijgen is, kom ik met den thakoer overeen, dat hij mij acht kippen en vier dozijn eieren zal bezorgen, voor een flesch engelsche rum. Een uur later verschijnt hij, waggelende en zwaaiende, op den top des heuvels gevolgd door zijne bedienden: hij draagt zelf de kippen, die hij met veel beweging en allerlei buigingen en gebaren, voor mij op den grond legt; daarop vertrekt hij, zoogoed als het gaat, met zijne flesch in de hand. Een beklagelijk schouwspel, dat hier echter gelukkig zeer zeldzaam voorkomt. Gedurende den ganschen tijd van mijn verblijf in Hindostan heb ik nimmer een man van deftigen stand, vooral nooit een Radsjpoet, in zulk een ellendigen toestand gezien, als waarin deze thakoet van Bitsjoewara verkeerde.
Na een dag oponthoud in eene nette bungalow van het engelsche station Kheirwara, zetten wij onzen tocht naar Oudeypoor voort. De sowars van Sameyra en Tintouï hebben ons hier verlaten, en zijn vervangen geworden door vijf ruiters van het contingent ven Oudeypoor, die de kommandant van het garnizoen van Kheirwara ter onzer beschikking had gesteld. Een paar mijlen voorbij het station voert onze weg weder midden door de bergpassen; de bergen dragen hier echter een gansch ander karakter: de naakte, ruwe, verscheurde rotswanden stijgen tot eene aanmerkelijke hoogte, en tusschen de verschillende bergreeksen strekken zich breede valleien uit, door frissche waterstroomen besproeid. Wij hebben het Vindhya-gebergte verlaten en bevinden ons nu in de Aravallis, die zich dwars door Radsjpoetana tot aan Delhi uitstrekken. Deze bergketen is nog zeer weinig bekend; zij bevat niet alleen een onuitputtelijken rijkdom van kostbare marmersoorten, maar ook goud, zilver, koper, lood, blik, rotskristal, granaat en andere edele steenen. Al deze schatten liggen ongebruikt; de inlanders kunnen ze zelven niet exploiteeren, en houden de toegangen tot hunne bergen zooveel mogelijk voor de Europeanen gesloten. De hoogste toppen der Aravallis reiken tot ruim drie duizend voet boven de zee.
In den morgen van den 30stenDecember, na een vermoeiende nachtelijke reis door het gebergte en door dichte wouden, bereikten wij de plaats onzer bestemming: Oudeypoor, de hoofdstad van Mewar.
Wij hadden den laatsten heuvel bestegen; mijne bedienden sprongen van vreugde; luide jubelkreten stegen uit de karavaan op: wij waren aan het einde van den bezwaarlijken tocht. Ik hield stil, en beschouwde in stomme bewondering het prachtige panorama, dat zich daar voor mijne blikken ontrolde. Ik had mij bijna nooit zoo iets schoons voorgesteld: eene tooververschijning uit de Duizend-en-een-Nacht scheen plotseling voor mij te verrijzen. Op den voorgrond eene lange reeks van vestingwerken, pagodes en paleizen, zich krachtig afteekenende tegen een breeden gordel van bloeiende tuinen en donkergroene bosschages; en daarachter en daarboven de stad, met haar fantastische weelde van torens, naalden, spitsen, kiosken, rustende tegen de helling van een hoogen heuvel, welks top gekroond wordt door een groot paleis van wit marmer, schitterend uitkomend tegen den blauwachtigen achtergrond der bergen. Geen pen, geen teekenstift of penseel, kan, naar waarheid, het wonderschoone beeld wedergeven dezer stad, zoo te recht Oudeypoor, de stad der rijzende zon, genaamd.
Na eenige oogenblikken van bewonderende beschouwing, daalden wij van den heuvel af en trokken naar de stad. Daar vroeg ik aan eenige voorbijgangers den weg naar de woning van den resident, die mij aanstonds gewezen werd. De residentie is een groot paleis met koepels en ruime terrassen: het ligt op den top van een heuvel, een à twee mijlen van de wallen verwijderd. Van een in scharlaken roode liverei uitgedosten bediende vernam ik, tot mijn grooten spijt, dat de engelsche resident nog niet van zijne officiëele rondreis was teruggekeerd, en dat wij, gedurende zijne afwezigheid, nergens in de stad een onderkomen zouden vinden. Ik wierp een wanhopigen blik op den omtrek, maar zag niets dan steenachtige heuvelen, zonder een enkelen boom, waaronder wij onze tent konden opslaan om beschutting te vinden tegen de felle hitte des daags en de scherpe koude des nachts. Juist kwam eendjemadar, een chef van het dienstdoend personeel, aansnellen, en bood mij een verblijf in een der gebouwen van het paleis aan. Hoezeer tegen mijn zin, nam ik dit aanbod aan: mij vast voornemende te vertrekken, zoodra ik eene geschikte gelegenheid tot het opslaan van mijn kamp zou hebben gevonden.
Den volgenden morgen was ons eerste werk, te paard een bezoek te gaan afleggen bij Lutsjmun Rao, dewan of eerste minister van den koning van Mewar, voor wien de engelsche kommandant van Kheirwara mij een aanbevelingsbrief had medegegeven. Onze sowars hadden zich, als gewapend geleide, bij ons aangesloten, en zoo trok onze kleine stoet naar de naaste poort der stad. De hooge, zware, gekanteelde muren zijn omgeven door een diepe, met stroomend water gevulde gracht; maar er zijn geen aarden werken, en eenige kanonschoten zouden voldoende zijn om in dien muur een geweldige bres te schieten. Van afstand tot afstand verheffen zich zware vierkante bolwerken, waarop kanonnen zijn geplant.
Oudeypoor van het meer gezien.Oudeypoor van het meer gezien.
Oudeypoor van het meer gezien.
Oudeypoor van het meer gezien.
De kommandant der wacht aan de zware, goed versterkte poort, treedt naar buiten, en vraagt waarheen wij gaan. Op het hooren van den naam des ministers, laat hij ons door, en geeft ons zelfs een soldaat mede om ons naar de woning van den dewan te geleiden. Wij bevinden ons nu in eene nauwe, drukke, volkrijke straat, waar onze sowars ons met groote vrijpostigheid een weg banen; de voorbijgangers staren ons met verbaasde en nieuwsgierige blikken aan; naar het schijnt, zijn zij niet gewoon andere Europeanen te zien, dan die tot het engelsche gezantschap behooren. Alles is hier nieuw voor mij: de bouworde der huizen, het voorkomen der inwoners, de gansche omgeving; aan alle zijden verheffen zichtempels en prachtgebouwen te midden van krotten en half in puin gestorte hutten: het geheel is niet alleen verrassend en nieuw, maar ook in de hoogste mate schilderachtig.
Wij stijgen af op de binnenplaats der woning van Lutsjmun Rao. De minister ontvangt ons zeer wellevend; hij is echter een Brahmaan en geen Radsjpoet; hij vraagt naar het doel onzer reis, en paait ons, met onberispelijke beleefdheid, met die indische beloften en toezeggingen, die tot niets verbinden. “Wij wenschen bij den Maha-Rana te worden toegelaten”—“Zeker, zeker; het zal hem een groot genoegen zijn, u te kunnen ontvangen”;—maar ik kan onmogelijk te weten komen, hoe en wanneer dit geschieden zal. Ik verzoek hem dringend, ons eenig onderkomen in de stad te bezorgen; maar hij durft dit niet te doen, zonder vooraf met den Rana gesproken te hebben. Inmiddels biedt hij ons de gebouwen van den Hawalla, den circus, aan, buiten de stad in de nabijheid der residentie gelegen. Deze Hawalla, waar vroeger de gevechten van olifanten en de voorstellingen der worstelaars gegeven werden, bestaat uit een ruim langwerpig perk, de eigenlijke arena, omgeven door een acht à tien voet hoogen muur, waarop zich van afstand tot afstand sierlijke paviljoenen verheffen, wier platte daken door zuilenrijen gedragen worden. Het paviljoen, waarin wij onzen intrek namen, telde niet minder dan acht-en-veertig pilaren, in vier rijen geplaatst. Wij hadden van hier een prachtig uitzicht; en in den zomer zou deze sierlijke open zuilenhal voorzeker eene alleszins begeerlijke woning zijn geweest; in dezen, tijd des jaars was het er evenwel wat al te frisch.
Graftombe aan het meer Boerdi-Talao.Graftombe aan het meer Boerdi-Talao.
Graftombe aan het meer Boerdi-Talao.
Graftombe aan het meer Boerdi-Talao.
Kort nadat wij ons hier gevestigd hadden, ontvingen wij een aantal bezoeken, onder anderen van den inspecteur der koninklijke gevangenissen en van een kapitein der lijfwacht; deze beide heeren waren uiterst beleefd, maar overstelpten ons evenzoo met telkens herhaalde vragen; ik bemerkte weldra dat men ons eigenlijk voor spionnen hield. Hoe vele malen ik ook verzekerde dat wij alleen gekomen waren om het land te zien, met zijne inwoners en monumenten kennis te maken, altijd kwam weder dezelfde vraag terug: “Wie zendt u?”—en wat ik ook deed, het was mij onmogelijk hun aan het verstand te brengen, dat wij enkel uit liefde voor de wetenschap zulk een gevaarlijke reis hadden ondernomen. De eerste minister kwam zelf, met een groot gevolg, ons bezoeken; hij was zoo beleefd mogelijk, bewonderde onze paarden en alles wat wij bij ons hadden, prees de hoogst vernuftige wijze, waarop wij onze woning hadden ingericht, sprak op den gulsten en vriendelijkstentoon met ons:—en vroeg mij toen eensklaps, met het onnoozelste gezicht van de wereld, welke politieke zending mij was opgedragen: hij zou dit geheim aan niemand anders dan aan den Rana in persoon mededeelen. Ziende dat ik elk officieel karakter bleef ontkennen, beloofde hij, dat hij ons den volgenden dag aan den koning zou voorstellen.
Den volgenden dag herhaalde zich dezelfde komedie nog eens. Toen ik mij naar het paleis begaf, kwam ons een van de secretarissen des konings, Bulwant Rao, te gemoet rijden, en verzocht mij terug te keeren. Met een zeer ernstig gelaat deelde hij mij mede, dat ik niet bij den Rana kon worden toegelaten, indien ik hem niet vooraf in kennis stelde met hetgeen ik dezen te zeggen had. Ik gevoelde grooten lust hem te antwoorden, dat ik den Rana niet verlangde te spreken; maar ik bedwong mij, en herhaalde nog eens mijne verzekeringen en verklaringen, waarop het gewone antwoord volgde. Ditmaal had de secretaris al wat ik zeide woordelijk opgeschreven; toen hij mij verliet, gaf hij mij de verzekering, dat ik binnen weinige dagen ten gehoore zou worden ontvangen. Vraagt misschien een mijner lezers, waarom ik er dan toch zoo hoogen prijs op stelde bij den Rana te worden toegelaten, dan moge hij weten dat ik, eenmaal door dezen monarch ontvangen, met zekerheid rekenen kon op een goed onthaal bij al de andere vorsten der Radsjpoeten, die hem als het hoofd van hunne familie en van de gansche natie beschouwen.
Samboe-Singh, Maha-Rana van Mewar, was toen (1866) een jonkman van ruim achttien jaar. Uit den stam der Sesoedias gesproten, is hij het erkende hoofd en de vertegenwoordiger van de doorluchtige familie der Soeryavansis, het beroemde Zonnegeslacht van Indië. Zijn persoon is voor alle Hindoes een voorwerp van eerbiedige vereering; hij voert den weidschen titel vanHindoe-Soeradje, Zon der Hindoes. Deze hooge onderscheiding dankt hij niet aan zijne macht, want hij behoort slechts tot de vorsten van den tweeden rang; maar zijne familie heeft zich dien roem verworven door den heldhaftigen tegenstand, dien zij langen tijd aan de vreemde muzelmansche veroveraars bood. In het eind overwonnen, versmaadde zij toch de zoo verleidelijke en voordeelige verbintenissen met het keizerlijke geslacht der Groot-mogols van Delhi, en bewaarde, ook ten koste van zware offers, de zuiverheid van haar bloed on de onbevlekte reinheid harer kaste: een voorbeeld, slechts door weinige vorstelijke familiën van Hindostan gevolgd. Daaraan dankt dit aloude geslacht niet alleen zijne eereplaats aan het hoofd der indische aristokratie, maar ook vele andere voorrechten en onderscheidingen. In eene vergadering van inlandsche vorsten bekleedt de Rana altijd het gestoelte der eere, en heeft het recht te allen tijde het woord te voeren; in de geschillen, die wegens kwestiën van kaste of godsdienst tusschen de Radsjpoeten onderling ontstaan, is hij de hoogste scheidsrechter en zijne uitspraak beslissend.
Het gebied van den Maha-Rana omvat niet veel meer dan 550 vierkante mijlen, en telt eene bevolking van ruim een millioen zielen; deze staat schijnt nog ongeveer dezelfde grenzen te hebben als toen, ten jare 781, de Gheloot Bappa de Mori-koningen van Tsjittore verdreef, en de dynastie der Rana’s grondvestte. Het koninkrijk Mewar wordt ten zuiden begrensd door het Vindhya-gebergte, ten westen door deAravallis, ten oosten door Malwa, en ten noorden door de engelsche provincie Adsjmir. De inkomsten van den staat worden geschat op veertig lakh roepyen, gelijkstaande met ongeveer twee millioen gulden. Er is geen twijfel aan, of bij voortgaande ontwikkeling, kan deze opbrengst meer dan vertienvoudigd worden.
De Rana’s zijn, zooals men ziet, van overouden stam. Het is opmerkelijk dat zij, volgens de traditiën hunner familie, verwant zouden zijn met de koningen van Perzië uit het huis der Sassaniden, en ook met de keizers van het oostersch-romeinsche rijk. Naar men verhaalt zou een Rana eene dochter van den grooten koning, den beroemden Shâh Koshroe-Anoeshirvan, hebben gehuwd; een ander zou de hand hebben verworven van de dochter van een der byzantijnsche keizers. Er is misschien geene tweede familie, die haar stamboom zoo hoog kan opvoeren als het geslacht der Rana’s van Tsjittore en Oodipoor: hunne zorgvuldig bijgehouden genealogie verliest zich in den fabelachtigen voortijd. Zeker is het, dat de Radsjpoeten zich bij voorkeur te Oodipoor vrij hebben gehouden van alle vermenging met vreemd bloed; de hoofden der aloude stammen of clans Sesoedia, Rhattore, Tsjolan, hebben daar hun verblijf. Hier bovenal hebben de Radsjpoeten nog die schitterende eigenschappen weten te bewaren, die fierheid, die loyauteit, die wellevendheid, die eenmaal zoozeer de bewondering opwekten van den engelschen majoor Todd, hun lofredenaar en geschiedschrijver; minder dan elders is in Mewar hun nationaal karakter gewijzigd door de aanraking met en den invloed van vreemde veroveraars, hetzij Muzelmannen, hetzij Engelschen. De naam Radsjpoeten beteekent zonen der koningen; en iedere familie voert haar stamboom op tot een der aloude vorsten des lands. Iedere stam splitst zich in clans, die elk een bijzonderen naam dragen; niemand mag in zijn eigen clan huwen: de mannen moeten hunne echtgenooten uit een anderen clan kiezen: eene bepaling, die niet alleen de stammen onderling door steeds nieuwe banden verbindt, maar die ook bij uitnemendheid geschikt is, om de zuiverheid van het bloed en de kracht des volks te bewaren.
De verschillende clans ontleenen hunne namen aan een of ander merkwaardig feit uit het leven van hun stamvader. Omtrent den oorsprong van den naam, dien het koninklijk geslacht van Oodipoor, de Sesoedias, voert, meldt de legende het volgende. Eens dat een der voorvaderen van den Rana met zijne edellieden, in de vlakten van Mewar op de jacht was, gebeurde het bij ongeluk, dat hij eene groote vlieg inslikte. Het insect drong tot in zijne maag door, en veroorzaakte hem zoo ondragelijke smarten, dat bij het voornemen opvatte, zich van het leven te berooven. Gelukkig verscheen er een fakir, die op zich nam om den Rana te genezen. Ongemerkt sneed hij een stukjevan het oor eener koe af, wikkelde dat in een linnen doekje, bond daaraan een draad vast, en liet het den Rana inslikken. Zoodra dit stukje oor in de maag van den vorst kwam, zette de vlieg, door haar instinkt gedreven, zich daarop, en werd zoo gemakkelijk te voorschijn gehaald. De monarch was genezen, en wilde nu ook weten, door welk middel dit bewerkt was. De fakir zocht allerlei uitvluchten, maar moest eindelijk de ontzettende waarheid bekennen. Wie beschrijft de ontsteltenis van den Rana, toen hij vernam dat een stuk van het heilige dier over zijne lippen gekomen was! Na zulk een misdaad, zij het dan ook onbewust, te hebben bedreven, achtte hij zich niet waardig, langer te leven; hij besloot vrijwillig te sterven, en zijne lippen te reinigen, door gesmolten lood in te slikken. Zijne bloedverwanten en hovelingen om zich vereenigd hebbende, nam de Rana met vaste hand den kelk met het gesmolten metaal, en ledigde dien met een enkelen teug. Maar, o wonder! het vloeiende lood ging over zijne lippen zonder ze te verbranden, en werd in zijn mond tot frisch, heerlijk water. Dat was de hand der hooge goden: en de Rana, dankbaar voor de hem zoo zichtbaar bewezen gunst en bescherming, nam voor zijn geslacht den naam aan van Sesoedia, van het zelfstandig naamwoordsiça(lood).
De Sesoedias vooral mogen zich met volle recht koningskinderen noemen; groot en welgemaakt van gestalte, schoon van gelaat, dragen hunne edele sprekende trekken den onmiskenbaren stempel van het zuivere arische bloed. Zij kennen geen ander bedrijf dan den wapenhandel; in Mewar vormen zij de aristokratie en bekleeden alle militaire rangen; moedig, tot vermetelheid toe, zijn zij uitstekende ruiters en onverschrokken jagers. De jacht is voor hen meer dan een vermaak of een tijdverdrijf, zij is hun eene ware hartstocht, hunne godsdienst zelve legt hun de verplichting op, gedurende zekere tijden des jaars ter jacht te tijgen; en zelden gaan er eenige weken voorbij, zonder dat zij tegen het wild gedierte te velde trekken. De jonge Radsjpoet wordt niet eer in den kring der volwassen mannen opgenomen, dan nadat hij met eigen hand een dier reusachtige wilde zwijnen heeft gedood, die zich in het Aravalli-gebergte ophouden. Alleen, slechts met zijn schild en zijn zwarencatâr(een soort van slagzwaard) gewapend, begeeft zich de jonkman op weg, en wacht op een plek in het woud, waar de wilde zwijnen gewoonlijk langs komen, zijn geduchten vijand af. Ziet hij het woeste dier naderen, dan buigt hij eene knie ter aarde, en houdt zijn catâr gereed, om hem te treffen met doodelijken slag. Is hij overwinnaar in dien gevaarlijken strijd, dan keert hij naar zijne woning, en noodigt zijne verwanten tot een feestmaal, waarvan het gedoode zwijn den hoofdschotel vormt.
De kleeding der Radsjpoeten is zeer sierlijk en smaakvol. Zij bestaat uit eene lange, nauwsluitende tuniek en nauwsluitenden pantalon, beiden van rijk geborduurde en met goud doorwerkte stof; aan de voeten en de armen dragen ook de mannen zware ringen van massief goud: eene gewoonte, die bij geene andere kaste van Indië wordt aangetroffen. De vorm van den tulband is zeer verschillend, doch steeds sierlijk; ook weten zij dit bevallig hoofddeksel met zekere gratie en coquetterie te dragen, die hun iets zeer gedistingeerds geeft. In hun gordel dragen zij een volslagen tuighuis van dolken, degens, zwaarden; over den schouder hangt het ronde schild van rhinocerosvel, met gouden knoppen versierd. Hunne paarden zijn met smaak en pracht opgetuigd, en worden met groote zorg onderhouden en gekweekt.—De vrouwen der Radsjpoeten zijn groot, welgemaakt en dikwijls zeer schoon; de echtgenooten der edelen leven in den harem of de zenanah; de vrouwen van minderen stand zijn vrij en verschijnen met ongedekt gelaat op straat, maar zoodra zij meenen dat een Europeaan haar gadeslaat, omsluieren zij zich. Zij dragen een wijden geplooiden rok, die tot over de knieën reikt; een klein keurslijf, dat alleen de schouders en de borst bedekt en den rug bloot laat; en een breeden sjerp van gaas of zijde, waarmede zij zich het bovenlijf omwikkelen, en waarvan een der punten over haar hoofd geworpen wordt. Evenals alle vrouwen door geheel Hindostan, overladen zij zich met eene ongeloofelijke menigte van gouden en zilveren sieraden.
Ieder vermogend Radsjpoet heeft ten minste drie vrouwen, die niet alleen in het huiselijke, maar ook in het openbare leven eene zeer gewichtige rol spelen: niets geschiedt zonder dat vooraf haar raad is ingewonnen. Zelden zal een man, op eene belangrijke vraag, dadelijk antwoord geven: hij moet eerst zijne vrouw raadplegen, en meestal is het hare beslissing, die hij u later mededeelt. De Radsjpoeten betoonen der vrouw dien kieschen eerbied, wijden haar die dweepende vereering, die een eigenaardig kenmerk van alle ridderlijke volken is; hunne gedichten vloeien over van allerlei verhalen, waarin de verlossing van eene of andere gevangen schoone, of de wraak eener beleedigde dame het hoofdthema uitmaakt. In hunne groote oorlogen speelt bijna altijd eene vrouw de hoofdrol; en nog heden ten dage zendt eene dame, die eene beleediging te wreken heeft, een armband aan een of anderen krijgsman, dien zij tot haar ridder heeft uitverkoren. De aldus aangewezene is nu, op straffe van oneer, verplicht, als wreker der dame op te treden. De kronieken van Radsjpoetana zijn trouwens niet minder rijk aan trekken van heldenmoed en zelfopoffering ook der vrouwen.
Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor.Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor.
Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor.
Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor.
Sinds overoude tijden en nog in deze dagen, is de stand der barden of heldendichters bij de Radsjpoeten hoog in eere. Iedere stam, iedere aanzienlijke familie, elke vorst of baron heeft zijn eigen bard ofbhât, wiens roeping het is de herinnering te bewaren aan de aloude overleveringen en legenden van de familie of den stam. Hij houdt de geslachtregisters, en draagt bij plechtige gelegenheden zijne liederen voor, waarin de groote daden der voorvaderen worden geprezen. Ook de huiselijke en familiefeesten luistert hij op door zijne zangen; en des avonds zet hij zich in den kring en doet allen luisteren naar zijne verhalen en improvisaties. De persoon van den bard is in zekeren zin gewijd; hij is de overbrenger van de oorlogsverklaringen;hij is de voornaamste onderhandelaar in alle gewichtige zaken en vereffent de meeste geschillen. Hij houdt zich ook onledig met sterrenwichelarij; en bij de stammen der woestijn staat hij wellicht hooger in aanzien dan de priester van Brahma zelf. Hoe dit alles herinnert aan onze eigene middeleeuwsche toestanden; en hoe zonderling voelt zich de europeesche reiziger te moede, als hij hier eensklaps, in het hart van Azië, eene wereld om zich heen ziet herleven, die hij tot dusver alleen uit de oude kronieken en romancen kende, en die hij voor altijd ondergegaan waande.
De Radsjpoeten geven zich zelf tegenwoordig den titel van Kshatriyas: met welken naam, zooals men weet, vroeger de kaste der krijgslieden, de eerste in rang na die der Brahmanen, werd aangeduid, of liever de militaire adel van arischen stam, die de landen aan den voet van den Himalaya veroverde en daar een nieuw rijk grondvestte. Zij beweren dan ook af te stammen van den beroemden koning Rama, den overwinnaar van Lanka, den held van het oud-indische epos: hunne vestiging in het land zou dus tot omstreeks tweeduizend jaren voor Christus opklimmen. Intusschen is het thans zoogoed als uitgemaakt, dat de verschijning der Radsjpoeten in Hindostan tot een zeerveel later tijdperk behoort. Volgens het verhaal der Brahmanen, zouden de Kshatriyas allen gedood zijn bij een opstand der lagere kasten, aan wier hoofd zich Pasoerama, een der incarnatiën van Vishnoe, had gesteld; dit zou eenige eeuwen vóór onze jaartelling hebben plaats gehad. Wat hiervan zij: zeker is het, dat de aloude adel der Kshatriyas in den loop des tijds zijn overwicht en de alleenheerschappij verloor: want zelfs op den keizerlijken troon van Magadha ontmoeten wij verschillende familiën, die oorspronkelijk tot de lage kaste der Soedras behoorden.—De Radsjpoeten beginnen eerst omstreeks de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling eene staatkundige rol in Indië te spelen; langen tijd schijnen zij zich aan de grenzen des lands, aan gene zijde van den Indus, te hebben opgehouden; Todd meende hen te moeten rekenen tot de skytische stammen, die langzamerhand de westelijke grenzen van Hindostan hadden overschreden. Tusschen de zesde en de zevende eeuw zien wij deze Radsjpoeten-stammen zich snel tot macht en aanzien verheffen; de Tsjandelas veroveren Malwa, de Tsjohans en Rhatores maken zich meester van Kanoedsj en Delhi: de Gheloten en Baghelas vestigen zich in Mewar en Goezerate. In dien tijd hielden de Radsjpoeten zich nog afgezonderd van de eigenlijke Hindoes, waarvan zij zich ook door hunne godsdienst onderscheidden. Zij waren destijds Djaïnen, doch omhelsden reeds vrij spoedig het Brahmanisme, met name de eeredienst van Çiva. Na hunne bekeering deden zij ook hunne aanspraken gelden op den titel van Kshatriyas: aanspraken, wier geldigheid echter door de Brahmanen, tot op dezen dag, nooit uitdrukkelijk is erkend. En inderdaad, zoowel door hun gelaatsvorm, zoozeer van dien der andere Hindoes afwijkende, als door hunne zeden en gewoonten, schijnen de Radsjpoeten veelmeer aan de oude Parthen, dan aan de oorspronkelijke vedische Kshatriyas verwant. Waarschijnlijk zijn zij de laatste emigranten van arischen stam, die uit het hoogland van Midden-Azië in Indië doordrongen.
Inmiddels was het mij nog niet mogen gelukken tot den Rana door te dringen, en reeds dacht ik er aan, mijne vruchtelooze pogingen op te geven en Oodipoor te verlaten, toen er eensklaps een onverwacht bondgenoot kwam opdagen, die mij zijne veelvermogende hulp aanbood. De Rao van Baidlah, de eerste baron des rijks, had nauwelijks de tijding van onze komst vernomen, of hij haastte zich ons te komen begroeten en zijne diensten aan te bieden. Hij kwam, vergezeld van een schitterend gevolg, in een prachtigen draagstoel gezeten; ik ging hem te gemoet, reikte hem de hand, hielp hem bij het uitstijgen, en geleidde hem, met de verschuldigde eerbewijzen, naar zijn zetel.
“Waar hebt gij de indische etiquette geleerd, waarvan de sahibs doorgaans niets weten?” vroeg mij de Rao. Ik verhaalde hem nu van mijn langdurig verblijf te Baroda, van mijn vertrouwelijken omgang met den Guikowar, en van het doel mijner komst in Mewar. Hij luisterde aandachtig naar mij, betuigde zijn spijt, dat ik mij niet dadelijk tot hem gewend had, en gaf mij de verzekering, dat de Rana zich stellig zou beijveren mijn eersten ongunstigen indruk weg te nemen, en mij niet minder goed zou ontvangen dan de Guikowar Khanderao.
De Rao van Baidlah is een schoon grijsaard, de volmaakte type van een Radsjpoet; zijne manieren zijn waardig en bevallig; in zijn spreken paart hij aan de onberispelijkste etiquette eene vrijmoedigheid en ongedwongenheid, die bij de Hindoes verre van algemeen is. Hij is het hoofd van den oppersten raad der zestien Raos of hertogen van het koninkrijk Mewar: die machtige leenmannen, die, voor dat de Engelschen zich met de regeering des lands bemoeiden, de macht van den souverein bijna geheel aan zich getrokken, en hem zelf tot een schijnbeeld gemaakt hadden.
Bijkans het gansche land is tusschen deze groote Raos, bijna allen aan de koninklijke familie verwant, verdeeld; in hunne gewesten of heerlijkheden oefenen zij een schier onbeperkt gezag uit; slechts zelden verschijnen zij aan het hof te Oodipoor, en zijn soms in openbaren opstand tegen den Rana. De britsche regeering heeft gedaan wat zij kon om de macht dezer Raos te breken, en den Rana het verloren gezag weder te geven; maar tot dusverre is zij daarin maar zeer ten deele geslaagd. De bezittingen van den Rao van Baidlah zijn zeer uitgestrekt, en leveren hem een inkomen van omstreeks zes ton per jaar op, zijne hoofdstad is slechts eenige mijlen van Oodipoor verwijderd, zoodat hij, zonder zijne residentie te verlaten, aan het hof verschijnen kan. Hij behoort tot den stam der Tsjohans, en aan zijn rang zijn enkele, echt middeleeuwsche privilegiën verbonden. Zoo worden, bijvoorbeeld, den derden dag der maand Samvatsiri, de teekenen der koninklijke waardigheid naar Baidlah gebracht en aan den Rao ter hand gesteld, die daarop, met groote staatsie, een bezoek gaat afleggen bij den Rana, welke hem in persoon aan den ingang van het paleis ontvangt. Scherpzinnig en met een fijn, doordringend verstand begaafd, heeft hij het volle vertrouwenvan den jongen vorst weten te winnen, en tevens de vriendschap van het britsche gouvernement. Hij stelt hoogen prijs op de handhaving van den alouden luister der vorstelijke dynastie van Oodipoor en van de rechten en privilegiën van den adel; maar tegelijk is hij niet afkeerig van de nieuwe denkbeelden en instellingen, die met de Europeanen naar Hindostan zijn gekomen; en wel gaarne zou hij de ontwikkeling van europeeschen handel en nijverheid in zijn vaderland bevorderen, voor zooverre dit bestaanbaar is met de oude rechten en inzettingen. Aan zijn invloed vooral was de bescherming te danken, die de europeesche vluchtelingen, tijdens den grooten opstand van 1857, in Mewar vonden; zij werden niet alleen in veiligheid gebracht, maar zelfs gedurende vele maanden kosteloos gehuisvest en gevoed. De koningin van Engeland zond, uit dankbaarheid, den ouden Rao een prachtigen eeresabel, dien hij ons met blijkbare zelfvoldoening toonde.
Zijn eerste bezoek duurde langer dan een uur; hij onderzocht al onze bagages, tot zelfs ons toiletgereedschap, en had vooral grooten schik in een stereoscoop met gekleurde platen van de Tuileriën en Versailles; hij kon zich van de beschouwing dezer platen niet verzadigen, zoodat ik hem den stereoscoop ten geschenke gaf. Om te bewijzen dat hij met de gewoonten der beschaafde wereld bekend was, nam hij zonder aarzelen een glas sherry van mij aan, en vroeg mij een sigaar. Dit verwonderde mij ten hoogste: want nog nimmer had ik een Hindoe, vooral van zoo aanzienlijke kaste, ontmoet, die dus openlijk de europeesche gewoonten volgde; later vond ik overvloedige gelegenheid om mij te overtuigen, dat, althans wat het gebruik van wijn en sigaren betreft, de Radsjpoeten zich niet streng aan de voorschriften hunner kaste houden.
Het bezoek van den Rao droeg al spoedig vruchten. Reeds den volgenden morgen stond een door hem gezonden olifant voor onze deur gereed, vergezeld van een djemadar met vier sowars. De secretaris des konings, Bulwant Rao, die ons als cicerone zal dienen, voert ons door eene voorstad, waar de rijke inwoners van Oodipoor hunne villas of landhuizen hebben; aan alle kanten verheffen zich sierlijke heuvelen, met heerlijke lommerrijke tuinen bedekt, waar, tusschen het dichte groen, sierlijke kiosken, smaakvolle paviljoenen en wit marmeren tempeltjes, die zich in heldere waterkommen spiegelen, den voorbijganger tegenlachen. Wij trekken de stad binnen door eene met bolwerken verdedigde poort, en bevinden ons nu in een prachtigen bazar- of winkelstraat; de huizen zijn allen van steen gebouwd en van platte daken voorzien; de winkels bevinden zich onder booggangen, die de straat ter wederzijde begrenzen, en zien er netjes en zindelijk uit. Het geheele voorkomen der stad is bij uitnemendheid schilderachtig; elk huis heeft zijn eigenaardige bouworde, en prijkt met balkons, pilaren, beeldwerken en fresko’s, die aan iedere woning een bijzonderen artistieken stempel geven.
Sommige straten hebben eene aanmerkelijke lengte en zijn geheel rechtlijnig; er heerscht hier over het algemeen eene groote drukte. Ook hier, evenals in de meeste oostersche en ook vroeger in de europeesche steden, zijn de verschillende beroepen en bedrijven allen bij elkander in dezelfde straat of wijk gevestigd. Zoo heeft men de straat der schoenmakers, der vervaardigers van tulbanden; der wapensmeden, der goudsmeden en juweliers, der handelaars in zijde en andere kostbare, stoffen. In de adellijke wijk vindt ge eene menigte trotsche woningen, echte kasteelen met gekanteelde muren, torens en bolwerken; jammer slechts, dat deze vorstelijke residentiën dikwijls door ruïnen en bouwvallige gebouwen worden ontsierd. De aanwezigheid dezer ruïnen midden in de stad verbaast u: zij is het gevolg van den kwalijk begrepen eerbied, dien de Radsjpoeten voor het werk der voorgeslachten koesteren; zij willen deze gebouwen noch herstellen noch afbreken, maar laten ze geheel in den toestand, waarin zij door den tijd gebracht zijn.
Langs steile straten beklimmen wij den heuvel, waarop het koninklijk paleis troont: die straten zijn zoo steil, dat zij voor rijtuigen bijna onbruikbaar zijn. In de voornaamste straat, die naar het paleis voert, en dicht bij den hoofdingang, verheft zich de groote koninklijke pagode, aan Djaggernauth gewijd, en in het laatst der zestiende eeuw door Pertap-Singh gebouwd. Zij staat op een hoog, wit marmeren terras, waarheen een breede trap, door twee marmeren olifanten met opgeheven snuit bewaakt, voert. De gansche tempel is uit wit marmer opgetrokken en geheel met beeldhouwwerk bedekt; de fraaie, bevallige groote toren verheft zich tot eene hoogte van ongeveer vijf-en-twintig ellen. Voor het heiligdom staat een sierlijk paviljoen, op zuilen rustende en met een pyramidaal dak gekroond; langs de wanden zijn bas-reliefs aangebracht, tafreelen uit het leven van Krishna voorstellend.
Wij dalen aan de andere zijde den heuvel weder af, en staan weldra aan den oever van een schilderachtig meer, dat ik reeds eenmaal uit de verte gezien had. Aan den zoom van het meer verrijst een prachtige, witmarmeren triomfboog, met drie doorgangen; door deze poort trekken de veelvuldige processiën, die bij gelegenheid der groote feesten zich naar het meer begeven. Wij stappen in eene gereedliggende boot, die ons naar de eilanden roeien moet; en weldra drijven wij op de kalme wateren van het meer Petsjola, waarin de huizen en paleizen der stad zich weerspiegelen. Eerst niet veelmeer dan eene smalle rivier, ter wederzijde door heuvelen, met paleizen gekroond, ingesloten, breidt het meer zich weldra tot eene wijde watervlakte uit, waaruit de eilanden Jug-Navas en Jug-Munder oprijzen.
Wij landen aan het eerste eiland, dat geheel wordt ingenomen door eene reeks van paleizen, door den Rana Juggut-Singh gesticht. Deze paleizen bevatten receptiezalen, staatsievertrekken, baden, kiosken: alles even rijk van stijl en schitterend van versiering. Al deze gebouwen, groote en kleine, zijn zonder uitzondering van wit of zwart marmer opgetrokken; de wanden zijn met veelkleurige mozaïeken versierd, en de voornaamste vertrekken bezitten historische fresko-schilderijen van groote waarde. Elk gebouw heeftzijn bijzonderen tuin, door zuilengangen omgeven; daar verspreiden heerlijke bloemperken, bosschages van citroen- en oranjeboomen hunne welriekende geuren, en slingeren zich murmelende, kristalheldere beken door den rijken hof, waar reusachtige mango- en tamarindeboomen met hunne verkwikkende schaduw de zuilengangen omhullen. Boven de koepels der paleizen verheffen dadel- en kokospalmen hunne sierlijke bladerkroonen, zacht wiegelende op den adem der koelte. Alle onderdeelen en bijzonderheden zijn hier in volkomen overeenstemming met de heerlijke schoonheid van het geheel; niets verbaast of treft u door groote afmetingen of stoute vormen; de paleizen zijn klein, bevallig, gemakkelijk ingericht; het zijn inderdaad lusthoven, waar de Rana nu en dan verpoozing zoekt van de statelijke pracht en strenge etiquette, die aan het hof van de Zon der Hindoes heerschen.
Ik zou hier uren hebben willen vertoeven, maar Bulwant-Rao noodigde mij uit naar het andere eiland te gaan, waar een ontbijt voor ons gereed stond. Reeds van verre doet zich Jug-Munder als eene verschijning uit hetfeeënlandvoor, met zijne koepels en palmen, zich weerkaatsende in de kalme wateren van het meer. Wij leggen aan bij een marmeren trap, en beginnen nu onze wandeling door eene nieuwe reeks van paleizen en tuinen, niet minder schoon dan die op het eiland Jug-Navas. Mijn gids wees mij een groot gebouw, met een mongoolschen koepel gekroond en door hem het paleis van Shâh Jehan genoemd. Deze vorst was in opstand gekomen tegen zijn vader, den keizer Djehanghir, en had eene schuilplaats gezocht aan het hof van den Rana Koeroen, den zoon van Oemra. De Rana ontving den voortvluchtigen prins met echt oostersche gastvrijheid; hij liet voor hem op het eiland Jug-Munder een prachtig paleis bouwen, waarop hij de halve maan liet plaatsen; het inwendige prijkte met mozaïeken van jaspis, agaat, onyx, en met rijke veelkleurige tapijten en draperieën; in een der zalen stond een troon, uit een enkel blok groenachtigen serpentijnsteen gehouwen, en door vier karyatiden gedragen. Al deze heerlijkheid is nog ongeschonden in wezen. Op dit tooverachtig schoone eiland, een waar paradijs, werden in 1857 de Engelschen geherbergd, die aan den moord der garnizoenen van Neemuch en Idore waren ontkomen.
Na een eenvoudig ontbijt, dat wij in een der kiosken nuttigden, namen wij den terugtocht aan. Van hier omvat men, met een enkelen blik, de geheele reeks der paleizen van Oodipoor. Vooreerst, aan het uiteinde van den heuvel, het paleis van Oemra, dat tegenwoordig niet meer bewoond wordt; dan het paleis van den regeerenden Rana, met de Rosana, het vrouwenverblijf, waarvan de kolossale muur tot aan den oever van het meer reikt, en zijne lommerrijke tuinen, bezaaid met kiosken; en eindelijk de stad, half wegschuilende achter een woud van groote boomen. Dat gezicht is zeker een der fraaiste van geheel Indië.
Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas.Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas.
Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas.
Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas.
Bij het uitstappen aan de kaai, wijst men ons de staatsiebooten van den Rana: groote, zeer sierlijke gondels, waarin ongeveer een honderdtal personen plaats kunnen vinden. De achtersteven stijgt, terrasgewijze, tot eene aanmerkelijke hoogte: op het hoogste terras staat de troonzetel van den Rana. De voorsteven is versierd met de beelden van paarden of pauwen, die uit het water schijnen op te rijzen.
Onze nieuwe vriend, de Rao van Baidlah, wist ons zoo, gedurendeeenigedagen, telkens nieuwe uitspanningen te bezorgen; maar van onze audiëntie kwam nog niets. Eindelijk werd ik, op zekeren morgen, gewekt door kanonschoten, die de lang verwachte terugkomst verkondigden van majoor Nixon, den engelschen resident bij het hof van den Maha-Rana. Ik schreef hem dadelijk, en zond hem mijne aanbevelingsbrieven; een half uur later zaten wij te zamen aan het ontbijt. De koele wijze, waarop men ons tot dusver behandeld had, scheen hem volstrekt niet te verwonderen; volgens hem, had men ons waarschijnlijk voor russische spionnen aangezien. Hij drong er evenwel op aan, dat wij ons verblijf zouden verlengen, en gaf de stellige verzekering, dat hij ons aan den Rana zou voorstellen, aan wiens hof wij zeker niet minder te zien en op te merken zouden vinden dan aan dat van Baroda. De majoor liet niet af, voor wij andermaal onzen intrek in de residentie hadden genomen, en stelde ons nog dien avond voor aan twee engelsche officieren, den ingenieur en den dokter, die met hem het geheele europeesche personeel der ambassade uitmaakten. Ik bracht in gezelschap van die heeren een genotvollen avond door.
Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor.Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor.
Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor.
Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor.
Zooals ik vermoed had, bracht de komst van den engelschen resident eene groote verandering in onze positie te Oodipoor. De rana, officiëel van onze komst onderricht, kon ons nu niet langer voor russische spionnen aanzien, die gekomen waren om hem in eene of andere gevaarlijke samenzwering te wikkelen, maar toonde zich bereid ons als gewone fransche reizigers te ontvangen. De majoor Nixon wilde ons zelf aan den vorst voorstellen, en stond er op, dat de eerste audiëntie zoo statig mogelijk zou zijn. In een hofrijtuig gezeten, door eene eerewacht begeleid, reden wij van de britsche residentie naar het paleis. Voor de hoofdpoort stonden de soldaten der koninklijke lijfwacht en presenteerden het geweer; wij stapten af op het ruime voorplein; de rao van Baidlah, die ons in naam van den maha-rana ontvangen moest, wachtte ons op het bordes op.
Eer ik de tsjoebdars met gouden staven volg, die ons naar de troonzaal moeten geleiden, sta ik een oogenblik stil, om deze wonderschoone vorstenwoning te beschouwen, waarvan de toegang mij zoolang verboden bleef: hooge muren, van vensters met steenen traliewerk voorzien; torens, met sierlijke koepels gekroond; galerijen, tot bijkans duizelingwekkende hoogte boven elkander oprijzende:—en dat alles van wit marmer, overdekt met het weelderigste beeldhouwwerk. De aanblik had iets tooverachtigs; het was een fantastisch geheel, schijnbaar zonder orde en harmonie, maar toch zoo schoon, dat de herinnering daaraan niet licht wijken zal.
Doch ik kan deze wonderen slechts met een vluchtigen blik overzien: wij volgen den majoor door lange, overwelfde, koele galerijen, die, zachtkens stijgende, ons naar de bovenverdiepingen voeren. De rana zal ons in den vollen durbar ontvangen: eene hooge eere! durbar noemt men in geheel Hindostan eene plechtige audiëntie bij den rajah, waarbij ook de voornaamste edellieden, de groot-dignitarissen van het hof en staatsdienaars tegenwoordig zijn; bij uitbreiding wordt het woord soms wel van den souverein zelf gebruikt, als hij groote publieke ceremoniën met zijne tegenwoordigheid vereert.—Een der binnenplaatsen op de bovenverdieping is tot troonzaal ingericht; een groot zeildoek keert de felle zonnestralen. De deurwaarders kondigen onze komst aan; de koning zit op een zilveren troon, door gouden leeuwen gedragen; zijne hovelingen en edelen zijn ter wederzijde in een halven kring geschaard. Zoodra wij de zaal binnentreden, rijst de koning van zijn troon op, en gaat ons enkele schreden te gemoet; hij reikt ons de hand, en wij zetten ons nevens hem op zilveren leuningstoelen neder.
Samboe-Singh was toen, zoo als ik reeds zeide, achttien of negentien jaar oud; hij ziet er vriendelijk en goed uit, maar zijne trekken missen die fijnheid, dat scherp geteekende, dat anders den leden van zijn geslacht doorgaans eigen is; zijne manieren zijn vriendelijk, voorkomend en toch vol waardigheid; hij schijnt een echt gentleman. Met groote hoffelijkheid verontschuldigt hij zich over de teleurstelling, die hij ons door het lange uitstel dezer audiëntie heeft veroorzaakt: redenen van zuiver staatkundigen aard hebben hem belet vroeger aan ons verzoek gevolg te geven. Hijluistert met groote belangstelling naar hetgeen ik hem omtrent het doel mijner reis verhaal, doet mij allerlei vragen aangaande Frankrijk, en drukt eindelijk zijne verwachting uit, dat ik mijn verblijf te Oodipoor nog eenigen tijd rekken zal. Wanneer wij opstaan om de zaal te verlaten, ontvangen wij—de resident, mijn reismakker en ik—uit handen van den rana zelf, het bosje betelbladeren,bîragenaamd, en besprenkelt hij zelf onze zakdoeken met eenige druppelen rozenolie. Deze ceremonie, die aan alle indische hoven bij het afscheid nemen gebruikelijk is, heeft hier eene dubbele beteekenis: alleen vorsten van hoogen stam, beroemde veldoversten of zeer aanzienlijke vreemdelingen plegen de bîra uit handen van den maha-rana van Oodipoor te ontvangen. Zulk een eerbewijs geldt bijna als een adelbrief. Ik steek de beroemde bîra eerbiedig in mijn zak, en wij keeren naar het rijtuig terug, gevolgd door de edelen, die ons tot aan de voorplaats uitgeleide doen.
Het paleis van Oodipoor, misschien het grootste en prachtigste van geheel Hindostan, beslaat den top van een tamelijk hoogen heuvel, die evenwijdig aan het meer, van het oosten naar het westen loopt. Daar de kruin des heuvels zeer smal is, hebben de indische architecten aan de eene zijde een groot terras of platform uitgebouwd, dat door drie rijen bogen en gewelven boven elkander gedragen wordt: een ware reuzenarbeid. Gedeeltelijk is het paleis op dit terras opgetrokken; het overige vormt eene groote ruime binnenplaats, waarop de kazernen en de stallen der olifanten zijn geplaatst.
De gezamenlijke paleizen, sedert de dagen van Oemra-Singh tot op die van Sirdar-Singh gebouwd, en wier lengte te zamen meer dan drie kilometers bedraagt, zijn in een dubbelen muur gevat. De hoofdingang is aan de zijde der stad: eene prachtige marmeren poort, met drie rijk gebeeldhouwde doorgangen, en met eene rijke attika gekroond; de paneelen, de balkons, de koepels zijn met smaak versierd. Deze poort voert naar de groote binnenplaats, aan twee zijden door de koninklijke vertrekken ingesloten; de muren zijn op de verschillende verdiepingen met gebeeldhouwde galerijen versierd; in de hoeken verrijzen bevallige achtkantige torens, met koepels gekroond. De hoogte van het gebouw bedraagt zeven-en-dertig el, maar de glans van het schitterend witte marmer, waarvan het geheel is opgetrokken, en de eenvoudig-grootsche stijl der architectuur maken zulk een overweldigenden indruk, dat ge aanvankelijk het paleis voor veel hooger aanziet.
Aan het uiteinde van dezen hof bevindt zich eene groote deur, die zorgvuldig gesloten en door soldaten van de lijfwacht bewaard wordt: dat is de ingang van de zenanah of het vrouwenverblijf; niemand dan rana of de leden zijner familie mag dit gedeelte van het paleis bezoeken. Boven de poort prijkt het meer dan levensgroote standbeeld van Ganesa, den god der wijsheid.
Het inwendige van het paleis beantwoordt volkomen aan de grootste pracht van het uiterlijke, en tevens aan de eigenaardige behoeften van het tropische klimaat; lange, schemerachtige, zacht-hellende gangen en galerijen vervangen onze trappen, en voeren van de eene verdieping naar de andere: de ruime, luchtige, goed verlichte zalen zijn geheel met gepolijst marmer van verschillende kleur bekleed, hetgeen niet alleen zeer fraai staat, maar ook tot de frischheid der vertrekken bijdraagt; overal binnenplaatsen, hoven, fonteinen, bloemen. De groote vertrekken zijn met draperiën behangen; zachte kussens, wollige tapijten bedekten den vloer; de wanden, schitteren van mozaïek en van ivoor, parelmoer en kostbare steenen; spiegels en veelkleurige fresko’s verhoogen die pracht. Een der zalen is op zeer eigenaardige wijze versierd, en perst den europeeschen bezoeker onwillekeurig een glimlach af: de wanden zijn geheel bedekt met europeesche borden, schoteltjes, glazen, bobèches,enz.;—het gemeenste glas- of aardewerk prijkt hier naast het kostbaarste saksische porselein of het fraaiste boheemsche kristal: de indische kunstenaar heeft niet gelet op de innerlijke waarde van al dit huisraad, maar enkel op de kleur: en met den hem aangeboren takt is hij er in geslaagd van deze wonderlijke, zoozeer heterogene elementen een niet onbevallig geheel samen te stellen, dat althans door het ongewone treft. De fresko’s op de muren en zolderingen van sommige vertrekken zijn van groote, voor ’t minst historische waarde. Men vindt hier de portretten van al de ranas, te beginnen metOedey-Singh, den stichter van Oodipoor, tot op onzen tijdgenoot Samboe-Singh; bij deze portretten bevinden zich voorstellingen van de merkwaardigste gebeurtenissen uit de regeering dezer verschillende vorsten. Met groote zorg en eene opmerkelijke fijnheid van koloriet geschilderd, zijn deze fresko’s uitnemende bijdragen voor de studie van de geschiedenis en de zeden der Sesoedias.
Een der grootste merkwaardigheden van het paleisvanOodipoor is ongetwijfeld de tuin, die boven op het platte dak is aangelegd.Ge kunt u moeielijk voorstellen, welken zonderlingen indruk het maakt, wanneer ge daar eensklaps, hoog in de lucht, eeuwenheugende boomen en prachtige bloemperken ziet. In het midden van den tuin bevindt zich een waterbekken, vanwaar straalsgewijze de met marmer geplaveide paden uitgaan; het water vloeit door sierlijk met mozaïeken ingelegde kanalen, en verliest zich in de schaduw van geurige granaat- en oranjeboschjes. Eene opene marmeren galerij omgeeft deze bekoorlijke plek; in het rond zijn fluweelen sofa’s geplaatst, waarop de heeren van het hof hunne siësta komen houden. Van deze hoogte overzien zij de gansche schoone vallei, waar bijna iedere plek getuigd van den wapenroem en de heldendaden hunner voorvaderen, die eeuwen lang, met onbezweken volharding, deze toenmaals woeste en vergeten plek gronds, die zij in een paradijs herschiepen, tegen den aandrang der Muzelmannen hebben verdedigd.
Na dit alles bezichtigd te hebben, begeven wij ons naar het Koesh-Mahal, het paleis des vermaaks, door den laatsten rana, Sirdar Singh, opzettelijk gebouwd voor de ontvangst zijner europeesche gasten. In de groote, met vorstelijke pracht versierde zalen van dit paleis worden de diners en feestengegeven, wanneer aanzienlijke vreemdelingen uit het westen den koning bezoeken. De tsjoebdar, die ons tot cicerone dient, toont ons de toebereidselen van zulk een feest, dat tot eere van onze komst zal worden aangericht. Boven de zalen verheffen zich marmeren kiosken, vanwaar de blik het schoonste panorama van de stad, het meer en de omringende bergen overziet. De bergketen, die de vallei van Oodipoor omringt, draagt den naam vanGuirwôof cirkel; eigenlijk vormt zij een onregelmatigen ellips van twee en twintig mijlen van het noorden tot het zuiden, en van zeventien mijlen van het westen tot het oosten. De stad zelf ligt aan het uiteinde van dien boog, en wordt alleen door het meer Petsjola van de bergen gescheiden. De middelbare hoogte van den Guirwô bedraagt zeshonderd el boven den beganen grond der vallei; aan den oever van het meer bereiken de bergen eene hoogte van duizend el; zij vertoonen in hunne lijnen de vreemdste en meest afwisselende vormen. Dit ingesloten dal is als strategische positie van groot gewicht: het heeft slechts drie naar het oosten gekeerde uitgangen, bij Dobarri, bij Dailwara en bij Naen; en deze openingen zijn niets meer dan enge en zeer lange bergpassen, die met het uiterste gemak tegen een overmachtigen vijand kunnen verdedigd worden.
Op de helling, aan de zijde van het meer, verheft zich de Rosanah, een uitgestrekt paleis, met den voorgevel naar het water gekeerd, en de vertrekken bevattende van de hovelingen, de heeren en officieren van het hof. Schilderachtige tuinen, terrasgewijze afdalende, voeren u naar den oever van het meer; deze tuinen prijken met paviljoenen en kiosken, half wegduikende in den lommer der boomen, waaronder fonteinen ruischen. Een dezer tooverpaleizen staat vlak aan den oever: duizend slanke zuilen dragen de met mozaïek ingelegde zoldering, en eene gansche reeks van springende fonteinen hult het geheele gebouw als in een sluier van water. Hier komt de rana met zijn hof, in de heete zomerdagen, de brandende middaguren doorbrengen.
Toen ik in de residentie terugkeerde, deelde de majoor mij mede, dat de Maha-Rana, den volgenden dag, ter onzer eere, een feest op het eiland Jug-Navas zou geven, gevolgd door een jacht op het water.
Den volgenden morgen begeven wij ons al vroeg op het pad; wij rijden de stad door, en schepen ons in aan de kaai; eenige minuten later stappen wij op het eiland Jug-Navas aan wal. Deze anders zoo stille plek is nu vol leven en beweging: de lakeien en bedienden van den rana loopen heen en weder, levensmiddelen aandragende en alles gereedmakende voor onze ontvangst. De kamers worden in der haast gemeubeld; de open vensters en galerijbogen worden met draperiën of stores behangen; de marmeren vloeren met kussens en tapijten belegd. Aan het uiteinde van het eiland is een geheel gebouw ter onzer beschikking gesteld; wij vinden daar bedden, stoelen, toilettafels, en, wat ons niet minder welkom is, een ontbijt. In eene naburige keuken is men bezig een tweede, steviger dejeuner klaar te maken, waarbij het althans aan fijne wijnen niet ontbreken zal. Van alle kanten schitteren de zilveren stralen der fonteinen tusschen het donkere loof, en honderde beekjes slingeren zich murmelend tusschen de bloembedden. Men heeft niets vergeten: in een kiosk aan den oever word ik eene groep vroolijke jonge meisjes gewaar, rijk uitgedost met gouden sieraden, en schitterende van edelgesteenten: dat zijn de nautsjnis of hofdanseressen, die de rana hier heeft gezonden om ons door hare dansen en gezangen te vermaken. Ik onderhoud mij eenige oogenblikken met deze bayaderen, en sta verbaasd over haar zuiver accent en haar sierlijke gekuischte taal, waaruit duidelijk blijkt dat zij eene beschaafde opvoeding moeten genoten hebben. Een jonge Radsjpoet, wien ik mijne verwondering mededeelde, zeide mij dat deze nautsjnis niet, als de gewone danseressen, arme schepsels zijn, die niets weten dan wat het toeval haar heeft geleerd, maar integendeel van hare eerste jeugd zeer zorgvuldig worden opgevoed en onderwezen in alles wat tot veraangenaming van het leven strekken kan, in poëzie, muziek, beschaafde innemende manieren.
Samboe-Singh zelf verschijnt eerst tegen twee uur; hij is gezeten in een prachtig versierde gondel, die aan de groote trap aanlegt, waar wij gereed staan om hem te ontvangen; de Rao van Baidlah en de Rao van Pursaoli vergezellen den Vorst. Terwijl wij met elkander praten, worden de toebereidselen voor de jacht voltooid; daarop scharen zich de tsjoebdars en de soldaten der lijfwacht ter wederzijde van den weg, en wij trekken in optocht, voorafgegaan door de zingende bayaderen, naar den oever, waar wij ons inschepen in de booten. Deze platboomde schuiten kunnen niet meer dan drie of vier personen bevatten, en zijn uitnemend geschikt voor de jacht in deze meren en moerassen, waar het water doorgaans maar weinig diepte heeft.
Wij steken het meer over, en verliezen ons weldra in een doolhof van smalle kanalen, die in alle richtingen het groote moeras aan den voet der bergen doorkruisen; reusachtige biezen en dichte rietbosschen omsluiten ons van alle kanten; en naarmate wij verder komen, vliegen gansche zwermen van eenden, ganzen en flamingo’s uit deze bosschen op. Nu werden de geweren ter hand genomen; en na verloop van een uur hadden wij eenige honderde eenden en andere vogels geschoten. Te vier uur verlieten wij het moeras, en keerden naar het meer terug, waar wij de staatsiegondels vinden; hier neemt de rana, op de meest hoffelijke wijze,afscheidvan ieder onzer, en keert naar zijn paleis weder; wij blijven nog in onze booten om de jacht opkrokodillenvoort te zetten.
De krokodil van de indische binnenmeren is een geducht roofdier; hij bereikt eene vrij aanmerkelijke lengte, en schroomt niet de menschen aan te vallen. Sedert de engelsche resident te Oodipoor is gevestigd, en de rana, in strijd met de godsdienstige vooroordeelen, die de krokodillen onschendbaar maakten, aan de Europeanen vergunning heeft gegeven hen te dooden, hebben deze monsters de onmiddellijke omstreken der stad verlaten, en zich op den tegenover liggenden oever teruggetrokken. Onverbiddelijk in hunne schuilhoeken vervolgd, zijn zij zeer bedachtzaam en voorzichtig geworden; zoodra zich eene boot op het meervertoont, duiken zij allen onder en laten, ook wanneer zij weder boven komen, niets dan het uiteinde van hun snuit zien. Maar dit is voor den jager voldoende; de kogels van onze getrokken karabijnen treffen de krokodillen ook onder water; een heftige beweging in het meer en een roode plek op het water zijn echter de eenige zichtbare resultaten van deze jacht, want de gedoode alligator zinkt onmiddellijk naar den grond.