VIJFDE HOOFDSTUK.

„Om 's Hemels wil, houdt hem buiten!” Blz. 34.„Om 's Hemels wil, houdt hem buiten!” Blz.34.

Sherlock Holmesleunde achterover in zijn stoel, met afgetrokken voorkomen en halfgesloten oogleden. Toen ik mijn oog op hem vestigde, dacht ik er onwillekeurig aan, hoe hij nog dienzelfden nacht geklaagd had over de eentonigheid des levens. Hier ten minstewas een vraagstuk waartoe hij zijne bedrevenheid zou noodig hebben.Mr. Thaddeus Sholtokeek ons beurtelings aan met welgevallen, wegens den indruk dien zijn verhaal op ons gemaakt had, en hulde zich voortdurend in de rookwolken uit zijn pijp.

„Mijn broeder en ik,” zeide hij, „waren, zooals gij wel denken kunt, ten zeerste nieuwsgierig naar den schat waarvan mijn vader gesproken had. Weken en maanden groeven wij den ganschen tuin om zonder echter iets te ontdekken. Het was om er waanzinnig van te worden, te moeten denken dat mijn vader juist gestorven was op het oogenblik dat hij de schuilplaats wilde noemen. Wij konden den omvang van den vermisten schat beoordeelen naar het snoer dat hij ervan afgenomen had. Over dit snoer spraken mijn broederBartholomeusen ik herhaaldelijk. De parels waren van zeer groote waarde en hij kon er niet van scheiden, want mijn broeder was wel eenigszins met de gebreken mijns vaders behept. Daarbij dacht hij, dat als wij afstand deden van het snoer, dit ons ten laatste nog in ongelegenheid zou kunnen brengen. Alles waartoe ik hem bewegen kon was, dat hij mij toestondMiss Morstan's adres uit te vorschen en haar op vaste datums een losgemaakte parel toe te zenden, opdat zij ten minste nimmer gebrek zou behoeven te lijden.”

„Dat was zeer braaf van u,” merkte zij op.

De kleine man maakte een afwerend gebaar met de hand.

„Wij waren uwe schuldenaars,” zeide hij, „zoo beschouwde ik het tenminste, hoewel broederBartholomeushet niet uit dit oogpunt beschouwde. Wij waren zelf rijk genoeg. Ik begeerde niet meer. Bovendien zou het ongevoelig geweest zijn om een jong meisje zoo te behandelen. „Le mauvais gôut mène au crime,” zegt de Fransche spreekwijze terecht. Het verschil in onze meening omtrent deze aangelegenheid ging zoo ver, dat ik het 't raadzaamst vond, omkamers voor mij zelve te huren: en zoo verliet ikPondicherry Lodge, terwijl ik den ouden Khitmutgar enWilliamsmet mij nam. Gisteren echter vernam ik dat er een hoogst belangrijke gebeurtenis had plaats gehad. De schat was ontdekt geworden. Ik stelde mij onmiddellijk in gemeenschap metMiss Morstanen thans rest ons nog slechts naarNorwoodte rijden en ons aandeel te vragen. Ik stelde broederBartholomeusgisteravond met mijne zienswijze in kennis, dus zullen wij zooal geen welkome, dan toch verwachte bezoekers zijn.”

Mr. Thaddeus Sholtozweeg, terwijl ook wij nadachten over den nieuwen loop dien de geheimzinnige zaak thans genomen had.Holmeswas de eerste die overeind sprong.

„Gij hebt van begin tot einde goed gehandeld, sir,” zeide hij, „en het is wel mogelijk dat wij instaat zullen zijn eenigen dienst te bewijzen, door eenig licht te verspreiden over datgene wat u nog duister is. Maar zooalsMiss Morstanzooeven terecht opmerkte, het is reeds laat en het ware het best de zaak zonder uitstel door te zetten.”

Onze nieuwe kennis rolde de slang van zijnhookahop en haalde van achter een gordijn een zeer langen gevoerdenkapmantelmet Astrakan-kraag en belegsels te voorschijn. Dezen knoopte hij tot boven dicht niettegenstaande het weder zeer zacht was, en voltooide zijn toilet door een muts van konijnenvel op te zetten, welker afhangende kleppen zijn ooren bedekten, zoodat er niets van hem te zien was dan zijn beweeglijk en scherpgeteekend gelaat.

„Mijn gezondheid is eenigszins zwak,” zeide hij, terwijl hij ons in de gang vooruitliep, „ik ben genoodzaakt mij ten zeerste in acht te nemen.”

Ons rijtuig wachtte voor de deur, en de koetsier,—die vooraf verwittigd scheen te zijn,—reed terstond zoo snel de paarden draven konden heen.

Thaddeus Sholtopraatte onophoudelijk met een stem die boven het geratel der wielen uitklonk.

„Bartholomeusis een vernuftige jongen,” zeide hij, „hoe denkt gij wel dat hij er achter kwam, waar de schat zich bevond? Hij was tot de conclusie gekomen dat hij binnenshuis moest wezen; en daarom mat en berekende hij de kubieke afmeting van het huis. Onder andere zaken bevond hij dat de hoogte van het gebouw vier-en-zeventig voet bedroeg; maar, toen hij de hoogte van alle vertrekken afzonderlijk bijeen telde en de dikte der zolderingen door middel van een boor berekende en die van de verkregen som aftrok, leverde deze niet meer dan zeventig voet op. Er kwamen dus vier voet te kort, en deze konden zich bijgevolg slechts in den top van het gebouw bevinden. Hij sloeg dus eene opening in het plafond van de bovenste kamer en daardoor kwam hij op een daarboven gelegen kleine vliering, die verzegeld—en aan niemand bekend was. In het midden daarvan stond de kist waarin zich de schat bevond, op twee schragen. Hij liet die door de opening omlaag, en daar staat zij thans. Hij schat de waarde der juweelen op niet minder dan een half millioen pond sterling.”

Bij het vernemen van dit reusachtig bedrag, keken wij elkaar met wijdgeopende oogen aan.Miss Morstanzou dus, indien wij hare rechten konden bewijzen, van eene behoeftige gouvernante een der rijkste erfdochters van Engeland worden. Het was gewis de plicht van een welmeenend vriend om zich over zulk een tijding te verheugen; en toch schaam ik mij te bekennen, dat ik door zelfzucht bevangen werd en mijn hart zoo zwaar werd als lood. Ik stamelde eenige onsamenhangende woorden van gelukwenschen en zat toen zwijgend met gebogen hoofd, doof voor het gebabbel van onzen nieuwen kennis, en ik was ten zeerste verheugd toen ons rijtuig met een schok stilstond en de koetsier van den bok sprong om het portier te openen.

„Dit isPondicherry Lodge,Miss Morstan,” zeiMr. Thaddeus Sholto, terwijl hij haar bij het uitstijgen behulpzaam was.

Het was omstreeks elf uur toen wij dit einddoel van ons nachtelijk avontuur bereikten. Wij hadden den vochtigen mist van de groote stad achter ons gelaten en de avond was zeer schoon. Er woei een zoele wind uit het Westen en de wolken dreven snel langs het uitspansel, terwijl de halve maan van tijd tot tijd daartusschen zichtbaar was. Het was helder genoeg om tot op eenigen afstand te zien, maar toch namThaddeus Sholtoeen der rijtuig-lantarens ten einde ons beter voor te lichten.

Pondicherry Lodgestond op eigen grond en was omgeven door een zeer hoogen steenen muur, die van boven met glasscherven voorzien was. Een enkele, kleine met ijzer beslagen deur vormde den eenigen ingang. Op deze klopte onze gids op eigenaardige wijze.

„Wie is daar?” riep een grove stem van binnen.

„Ik ben het,Mc. Murdo. Gij kent mijn teeken toch wel.” Men vernam een grommend geluid en het rammelen van sleutels. De deur ging krakend open en een klein, ineengedrongen man stond in de opening, terwijl het gele licht van de lantaarn op zijn terugstootend gelaat en gluipende, wantrouwige oogen viel.

„Gij hier,Mr. Thaddeus? Maar wie zijn de anderen? Ik heb omtrent hen geene orders van mijn meester ontvangen.”

„Niet,Mc. Murdo? Gij verbaast mij! Ik zeide toch gisteravond aan mijn broeder, dat ik eenige vrienden mede zou brengen.”

„Hij is heden nog niet uit zijn kamer geweest,Mr. Thaddeus, en ik heb dus geene orders. Gij weet immers zeer goed dat ik mij stipt daarnaar te gedragen heb. Ik kan u binnen laten, maar uwe vrienden moeten blijven waar zij zijn.” Dit was een onverwachte hinderpaal.Thaddeus Sholtokeek hulpeloos om zich heen.

„Dat is toch te erg van u,Mc. Murdo!” zeide hij, „wanneer ik voor hen insta, is dit voldoende voor u. Hier is de jongeladyook. Zij kan op dit uur toch niet buiten wachten.”

„Het spijt mij zeer,Mr. Thaddeus,” zeide de portier onverbiddelijk, „deze lieden kunnenuwevrienden zijn, maar daarom nog niet van mijn meester, hij betaalt mij goed om mijn plicht te betrachten en dat zal ik dus ook doen. Ik ken geen uwer vrienden.”

„O ja, dat doet gij wel,Mc. Murdo,” riep nuSherlock Holmes, „ik kan niet denken dat ge mij vergeten hebt. Herinnert gij u den amateur die drie rondes met u vocht bij den wedstrijd teAlisonnu vier jaren geleden?”

„Wel,Mr. Sherlock Holmes!” riep nu de prijsvechter, „hoe is het mogelijk dat ik u niet herkende? Indien gij in plaats van daar te blijven staan, vooruitgekomen waart en mij dien kaakslag van u gegeven hadt, dan zou ik u ongetwijfeld terstond herkend hebben. Gij hebt u toen kranig gehouden! Gij hadt het ver kunnen brengen, indien gij u op het boksen hadt toegelegd.”

„Gij ziet,Watson, dat ik, als alles mij mocht tegenslaan nog een ander beroep kan kiezen,” zeiHolmeslachend, „ik ben er zeker van dat onze vriend ons nu niet in de kou zal laten staan.”

„Zeker, komt gij binnen, sir; gij met uwe vrienden,” antwoordde de portier, „het spijt mij wel,Mr. Thaddeusmaar mijne orders zijn strikt. Ik moest eerst weten wie uwe vrienden zijn, eer ik hen binnenliet.”

Van binnen voerde een met kiezel bestrooid pad door een eenzaam veld naar een hoog, lomp gebouw, dat geheel in de schaduw lag.

De groote omvang van het gebouw gevoegd bij zijn duister voorkomen en de doodelijke stilte die er heerschte, sloeg ons koud om het hart. ZelfsThaddeus Sholtoscheen niet op zijn gemak te zijn en de lantaarn beefde in zijn hand.

„Ik kan het niet begrijpen,” zeide hij, „er moeteene vergissing plaatshebben. Ik deeldeBartholomeusduidelijk mede, dat wij hier zouden komen en toch is er geen licht aan zijn venster. Ik weet niet wat ik ervan denken moet.”

„Houdt hij altijd zoo zijne beloften?” vroegHolmes.

„Ja; hij heeft de gewoonten mijns vaders overgenomen. Hij was de bevoorrechte zoon, en somwijlen denk ik dat mijn vader hem meer geopenbaard heeft dan mij. Daar waar nu de maan op schijnt, isBartholomeus' venster. Ik geloof niet dat er binnen licht brandt.”

„Neen,” zeiHolmes, „maar wel zie ik den schijn van een licht door dat kleine venster naast de deur.”

„O, dat is de kamer waar de oude huishoudster,Mrs. Bernstone, zit. Zij kan ons er alles van vertellen.—Doch stil, wat is dat?”

Hij hield de lantaarn omhoog, en zijn hand beefde zoodanig dat wij als het ware te midden der flikkerende lichtstralen stonden.Miss Morstangreep mijn hand en wij bleven allen met kloppend hart staan luisteren. Uit het groote, donkere huis klonk ons het afgebroken angstgeschrei eener vrouw tegen.

„Dat isMrs. Bernstone,” zeiSholto, „zij is de eenige vrouw in huis. Wacht hier, ik zal in een oogenblik terug zijn.”

Hij snelde op de deur toe en klopte op zijn bizondere wijze. Wij zagen dat een oude vrouw hem binnen liet en van vreugde opsprong toen zij hem zag.

„O,Mr. Thaddeus, wat ben ik blijde dat gij gekomen zijt!” riep zij herhaaldelijk.

Wij hoorden haar gebabbel totdat de deur gesloten was en haar stem in een verwijderd gegons wegstierf.

Onze gids had de lantaarn in ons bezit gelaten.Holmesonderzocht bij het licht ervan het huis en de groote puinhoopen die er omheen lagen.Miss Morstanen ik stonden naast elkander en haar hand rustte in de mijne. De liefde is toch een wonderlijk iets; want hier stonden wij, die elkander vóór dezen dag nognooit gezien hadden, tusschen wie nog nimmer een woord of blik van genegenheid gewisseld was, en toch zochten zich in dit uur van ongerustheid ons beider handen. Later heb ik mij erover verwonderd, maar toen scheen het mij de natuurlijkste zaak der wereld, en zooals zij mij dikwijls verhaalde, gevoelde ook zij zich instinctmatig ertoe gedreven om bij mij bescherming te zoeken. Zoo stonden wij dus hand in hand als twee kinderen, en ondanks al de duistere zaken die ons omringden, heerschte er vrede in onze harten.

„Wat vreemdsoortige plaats!” zeide zij, om zich heen ziende.

„Het schijnt alsof al de mollen van Engeland hier losgelaten werden. Ik heb eens iets soortgelijks gezien in den omtrek vanBallarat, waar de ontginners aan het werk waren geweest.”

„En om dezelfde reden,” zeiHolmes. „Dit zijn de sporen der schatzoekers. Gij moet bedenken dat zij er gedurende zes jaren naar gezocht hebben. Geen wonder dus dat de bodem er uitziet als een grindgroeve.”

Op dit oogenblik vloog de huisdeur open en kwamThaddeus Sholtomet uitgestrekte handen en met het voorkomen van den grootsten angst en ontsteltenis op ons toeloopen.

„Er is iets niet in den haak metBartholomeus!” riep hij, „ik ben bang. Mijne zenuwen kunnen dat niet doorstaan.”

Hij was inderdaad half dood van angst en zijn zwak gelaat, dat even uit den grooten Astrakan-kraag te voorschijn kwam, geleek volkomen op dat van een banggemaakt kind.

„Komaan, naar binnen,” zeiHolmesop zijn korten, gebiedenden toon.

„Ja, doe dat,” smeekteThaddeus Sholto, „ik gevoel mij werkelijk niet instaat om maatregelen te nemen.”

Wij volgden hem gezamenlijk in de kamer der huishoudster, die ter linkerzijde van de gang was gelegen. De oude vrouw liep op en neer, met een onrustigenblik, maar de verschijning vanMiss Morstanhad een kalmeerende uitwerking op haar.

„God zegene uw lief, kalm gelaat!” riep zij, zenuwachtig snikkend, „het doet mij goed u te zien. O, want ik heb heden een dag vol angst doorgebracht.”

Onze metgezel greep hare magere, door het werkvereeltehand en sprak op zachten, liefderijken toon, bemoedigende woorden tot de oude vrouw.

„Mijn meester heeft zich opgesloten, en wil mij geen antwoord geven,” verklaarde zij. „Den ganschen dag heb ik gewacht, of ik ook iets van hem zou vernemen, want hij is gewoon zeer dikwijls alleen te blijven; maar een uur geleden maakte ik mij zoodanig ongerust, dat ik het waagde naar boven te gaan, en door het sleutelgat te kijken. Gij moet naar boven gaan,Mr. Thaddeus,—gij moet u zelf gaan overtuigen. Ik hebMr. Bartholomeus Sholtogedurende tien jaren in vreugde en leed gezien, maar ik zag hem nog nooit met een gelaat als straks.”

Sherlock Holmesnam de lamp en ging ons voor, wantThaddeus Sholto's tanden klapperden hoorbaar. Hij was zoozeer geschokt dat ik mijn hand door zijn arm moest steken toen hij de trap opstrompelde, want zijn knieën beefden. Tweemalen haaldeHolmesop de trap zijn lens uit zijn zak en onderzocht nauwkeurig enkele vlekken, die mij niet anders dan stof toeleken op den kokosnoten traplooper. Hij stapte langzaam van de eene trede op de andere, terwijl hij de lamp in de laagte hield en oplettend naar links en rechts keek.Miss Morstanwas beneden bij de angstige huishoudster gebleven.

De derde trap voerde naar een tamelijk lange gang, waarin rechts een groot Indiaansch-geweven schilderstuk hing, en links drie deuren zichtbaar waren.Holmesliep die door met denzelfden langzamen en onhoorbaren stap, terwijl wij hem op den voet volgden. De derde deur was degene, die wij zochten.Holmesklopte aan, zonder eenig antwoord te ontvangen, entrachtte toen de kruk om te draaien en haar open te duwen. Zij was echter aan de binnenzijde met een zeer zwaren grendel gesloten, iets wat wij konden zien, toen wij de lamp er vlak voor hielden. Daar de sleutel achter uit het slot genomen was, was het sleutelgat niet geheel dicht.Sherlock Holmeslegde zijn oog er tegen, en richtte zich onmiddellijk met ingehouden adem overeind.

„Hier schuilt iets duivelachtigs achter,Watson,” zeide hij meer opgewonden dan ik hem nog ooit gezien had.

„Wat maakt gij eruit op?”

Ik keek door de opening en deinsde ontzet terug. De maneschijn viel in de kamer, zoodat deze schemerachtig verlicht was. Mij aanstarende en als het ware in de lucht zwevende, doordien beneden alles in de schaduw lag, hing daar een gelaat,—hetzelfde als dat van onzen metgezel Thaddeus. Hetzelfde groote glimmende hoofd, dezelfde kring van rood, borstelig haar, en hetzelfde bloedlooze gelaat. Maar de trekken ervan waren tot een afschuwelijken grimlach verwrongen, die het geheel op een lachend doodshoofd deden gelijken. Het gezicht geleek echter zoo sprekend op dat van onzen vriend, dat ik naar hem omkeek om mij te overtuigen of hij inderdaad nog bij ons was. Toen herinnerde ik mij plotseling dat hij ons gezegd had, dat hij en zijn broeder tweelingen waren.

„Dat is verschrikkelijk!” zeide ik totHolmes, „wat staat ons te doen?”

„De deur moet geopend worden,” antwoordde hij en dit zeggende wierp hij zich met al zijn kracht er tegen. Zij kraakte en dreunde, doch week niet. Nu duwden wij haar te zamen met alle inspanning naar binnen, en ten slotte vloog zij open en stonden wij in de kamer vanBartholomeus Sholto.

Deze kamer scheen tot een chemisch laboratorium te zijn ingericht. Er stond een dubbele rij van gesloten glazen, flesschen en potten op een plank tegenover de deuren de tafel was beladen met spiritus-lampen, toetssteenen en retorten. In een hoek stonden omvlochten kruiken met scherpe zuren. Een daarvan scheen gebarsten of gebroken te zijn, want er was een donkerkleurig vocht uitgelekt en de lucht was vervuld met een buitengewoon scherpen, teerachtigen reuk. Aan eene zijde der kamer waren eenige treden aangebracht voor een ladder en daarboven bevond zich een opening in de zoldering, groot genoeg om een man door te laten. Aan den voet van deze treden lag een lang touw, blijkbaar op onverschillige wijze weggeworpen.

Bij de tafel zat de eigenaar van het huisineengedokenin een houten armstoel, met zijn hoofd op den rechterschouder gezonken, en dien spookachtigen, afschuwelijken lach op zijn gelaat. Hij was stijf en koud en was blijkbaar reeds sedert verscheidene uren gestorven. Het scheen mij toe dat niet slechts zijn gelaat, maar ook al zijne ledematen verwrongen en verdraaid waren. Naast zijn hand op de tafel lag een vreemdsoortig instrument:—een bruine, knoestige stok met een steenen knop in den vorm van een hamer, die er op ruwe wijze met bamboesstrooken aan verbonden was. Daarneven lag een stuk papier waarop eenige woorden gekrabbeld waren.Holmeswierp er een blik op en reikte het toen aan mij over.

„Gij ziet,” zeide hij met een veelbeteekenenden oogopslag.

Bij het licht van de lantaarn las ik, met een schok van ontzetting: „Het teeken der vier.”

„In 's Hemelsnaam, wat beteekent dit?” vroeg ik.

„Het beteekent moord,” antwoordde hij, den doode naderende. „Ha! ik verwachtte het. Zie hier!”

Hij wees naar een donkerkleurigen doorn, die juist achter het oor uit de huid stak.

„Het schijnt wel een doorn te zijn,” zeide ik.

„Dat is het ook. Gij moogt er hem vrij uithalen. Doch wees voorzichtig, want hij is vergiftig.”

Ik nam het voorwerp tusschen vinger en duim. Het liet zoo gemakkelijk los dat er nauwelijks een teeken achterbleef. Een kleine droppel bloed toonde aan waar de punt was doorgedrongen.

„Dit is alles een onbegrijpelijk geheim voor mij,” zeide ik, „het wordt mij hoe langer hoe meer onverklaarbaar.”

„Integendeel,” antwoordde hij, „het heldert elk oogenblik al meer op. Er ontbreken mij slechts eenige aanwijzingen om een volkomen samenhangend geval vast te stellen.”

Wij hadden sedert wij de kamer waren binnengedrongen bijna de tegenwoordigheid van onzen metgezel vergeten. Hij stond nog op den drempel als de verpersoonlijkte ontzetting, zijn handen wringende en in zich zelve klagende. Plotseling echter schreeuwde hij met een door merg en been dringende stem:

„De schat is weg! Zij hebben hem den schat ontroofd! Daar is de opening waardoor wij hem omlaag lieten. Ik was hem daarbij behulpzaam! Ik heb hem het laatst gezien! Ik verliet hem hier gisteravond, en toen ik de trap afging, hoorde ik hem de deur sluiten.”

„Op welk uur was dat?”

„Om tien uur. En nu is hij dood, en zal de politie geroepen worden, en zal men mij verdenken er de hand in gehad te hebben. O ja, daar ben ik zeker van. Maar gij denkt toch zoo niet, heeren? Neen, gewis? gij denkt niet dat ik het geweest ben? Zou ik u dan wel hierheen gebracht hebben? O wee! o wee! ik weet zeker dat ik krankzinnig wordt!”

Hij zwaaide met zijne armen, en stampte met zijne voeten in de grootste overspanning.

„Gij hebt niets te vreezen,Mr. Sholto,” zeiHolmes, hem vriendelijk de hand op den schouder leggende, „volg mijn raad, rijd snel naar het station om de zaak aan de politie mede te deelen. Bied hen aan om hen in alles ten dienste te zijn. Wij zullen hier uwe terugkomst afwachten.”

„Het is het teeken der vier!” Blz. 46.„Het is het teeken der vier!” Blz.46.

„En nu,Watson,” zeiHolmesin zijne handen wrijvende, „hebben wij een half uur voor ons. Laat ons er een goed gebruik van maken. Het geval is, zooals ik u reeds gezegd heb, voor mij reeds bijna compleet; maar wij mogen niet te veel meer op ons zelve vertrouwen. Hoe eenvoudig de zaak thans ook schijnt, kan er toch nog het een of ander achter schuilen.”

„Eenvoudig?” riep ik.

„Gewis,” antwoordde hij met het voorkomen van een professor in de scheikunde, die voor zijn klas doceert, „zet u in gindschen hoek neder opdat uwe voetstappen de dingen niet in de war brengen. En nu aan het werk! In de eerste plaats: op welke wijze zijn die lieden hier binnen gekomen en weder vertrokken? De deur is sedert den vorigen avond niet geopend geworden.—Hoe staat het met het venster?” Dit zeggende naderde hij dit met de lamp in zijn hand, terwijl hij onderwijl zijne opmerkingen overluid herhaalde, doch eer tot zich zelve dan tegen mij:

„Het raam is aan de binnenzijde gegrendeld. Houtwerk zeer stevig. Geen hengsels aan de zijden. Wij zullen het eens open maken. Geen regenpijp in de nabijheid. De zoldering buiten alle bereik. Toch is een man langs het raam opgeklommen. Het regende gisteravond een weinig. Hier is de afdruk van een voet in slijk op het kozijn. En daar is een rond modderig afdruksel, en hier weder, en ginds bij de tafel. Ziehier,Watson! Dit is werkelijk een zeer aardige ontdekking.” Ik zag overal duidelijke ronde plekken op den vloer.

„Dat is geen voetstap,” zeide ik.

„Het is iets van veel grooter waarde voor ons. Het is de afdruk van een houten been. Hier op het kozijnziet gij den afdruk van een grooten schoen met breeden, beslagen hak, en daarnaast dien van een houten been.”

„Dat is de man met het houten been!” riep ik.

„Juist. Maar er is ook nog een ander geweest,—een zeer handig en werkdadig bondgenoot. Zoudt gij dien muur kunnen overklimmen, dokter?”

Ik keek uit het geopend venster. De maan scheen nog helder op den hoek van het gebouw. Wij stonden ruim zestig voet boven den beganen grond, en waar ik mijn oog ook richtte, kon ik niet de minste holte in den steilen muur ontdekken.

„Het is volstrekt onmogelijk,” antwoordde ik.

„Zonder hulp zeker. Maar veronderstel eens dat zich hierboven een goed vriend van u bevond, die u dit stevig touw, dat in gindschen hoek ligt, omlaagliet, nadat hij het eene einde aan dezen stevigen haak in den muur zou hebben vastgemaakt. Dan geloof ik wel dat gij, zoo gij een ondernemend man waart, u met houten been en al naar boven zoudt werken. Het spreekt vanzelve dat gij op dezelfde wijze zoudt heengaan; waarna uw kameraad het touw omhoog zou halen, het van den haak zou losmaken, het raam zou sluiten en van binnen grendelen, en vertrekken langs den weg dien hij oorspronkelijk gekomen was. Als een punt van ondergeschikt belang moge worden aangemerkt,” vervolgde hij op het touw wijzende, „dat onze vriend met het houten been, ofschoon een bekwaam klimmer zijnde, geen volleerd zeeman was. Zijne handen waren verre van vereelt. Ik bespeur door mijn lens, vooral aan het einde van het touw, meer dan één bloedig teeken, waaruit ik opmaak dat hij zoo overhaast omlaag gleed, dat hem de huid van zijn hand werd afgeschuurd.”

„Dit is alles zeer goed,” zeide ik, „maar de zaak wordt mij al meer en meer onbegrijpelijk. Hoe dan met dien geheimzinnigen medeplichtige? Op welke wijze kwam hij in de kamer?”

„Ja, de medeplichtige?” herhaaldeHolmesnadenkend,„dat schijnt niet van belang ontbloot te zijn. Ik veronderstel dat deze een nieuweling is in de lijfstraffelijke geschiedenis van Engeland;—hoewel dusdanige gevallen zich wel in Indië hebben voorgedaan en indien mijn geheugen mij niet bedriegt, in het bizonder op Senegambië.”

„Hoe kwam hij dan binnen?” hernam ik, „de deur is gesloten en het raam is ontoegankelijk. Wat denkt gij van den schoorsteen?”

„De opening is te klein,” antwoordde hij, „aan deze mogelijkheid had ik reeds gedacht.”

„Zeg dan op?” drong ik aan.

„Gij wilt mijn voorschrift niet opvolgen,” zeide hij zijn hoofd schuddende; „hoe dikwijls heb ik niet gezegd, dat, wanneer gij de onmogelijkheid van iets hebt vastgesteld, hetgeen er alsdan overblijft, hoe onwaarschijnlijk ook, de waarheid moet wezen? Wij weten dat hij noch door de deur, noch door den schoorsteen, noch door het raam is binnengekomen. Tevens weten wij dat hij niet in de kamer verborgen kan zijn geweest, omdat daartoe geen gelegenheid bestaat. Waar kwam hij dan vandaan?”

„Door de opening in het plafond!” riep ik.

„Wel zeker; dat moet! Indien gij zoo goed wilt wezen om de lamp voor mij vast te houden, dan zullen wij nu ons onderzoek voortzetten in het geheim vertrek hierboven, waar de schat gevonden werd.”

Hij liep de treden op en met elke hand een lat grijpende, haalde hij zich door de opening omhoog. Toen legde hij zich voorover, waarop ik hem de lamp overreikte en hem volgde.

De kamer, waarin wij ons thans bevonden, was omstreeks tien voet lang en zes voet breed. De vloer bestond uit de latten van het plafond met een dunne laag pleister er tusschen in, zoodat men, als men liep, van den eenen balk op den andere moest overstappen.

De zoldering liep driehoekig omhoog en was blijkbaar de binnenzijde van het dak. Er stond niet hetminst meubilair, en het stof lag zeer dik op den vloer.

„Hier ziet gij,” zeiSherlock Holmes, terwijl hij zijn hand tegen den schuinoploopenden muur bracht, „een trapdeur die naar de vliering voert. Ik kan haar openduwen. En hier is de vliering zelve. Dit is dus de weg, dien nommer één genomen heeft om binnen te komen. Laat ons zien of wij eenig spoor omtrent zijne persoonlijkheid kunnen vinden.”

Hij hield de lamp omlaag en toen hij den vloer ermede verlichtte, zag ik wederom dien van verbazing getuigenden blik in zijne oogen. Doch toen ik dien blik volgde, werd ik koud tot op mijn gebeente toe. De vloer vertoonde overal het spoor van een naakten voet, zeer duidelijk afgedrukt, van volmaakten vorm, doch nauwelijks de halve afmeting hebbende van dien van een gewoon man.

„Holmes,” fluisterde ik, „een kind heeft deze afschuwelijke daad verricht.”

In een oogenblik had hij zijne zelfbeheersching herwonnen.

„Ik was voor een oogenblik in de war,” zeide hij, „maar de zaak is zeer natuurlijk. Mijn geheugen liet mij in den steek, anders zou ik het terstond begrepen hebben. Hier valt voor ons niets meer te leeren. Laat ons omlaag gaan.”

„Welke is dan uwe theorie omtrent deze voetstappen?” vroeg ik nieuwsgierig toen wij weder in de benedenkamer waren.

„Mijn besteWatson, tracht uw eigen analyse te maken,” antwoordde hij ongeduldig, „gij kent mijne methode. Breng ze in toepassing, en het zal leerzaam voor u zijn om de uitkomsten te vergelijken.”

„Ik kan geen veronderstelling maken, die de feiten met elkander in verband brengt,” zeide ik.

„Het zal u weldra duidelijk genoeg zijn,” sprak hij ontwijkend. „Ik denk dat hier niets belangrijks meer te vinden is; doch ik zal eens rondzien.”

Hij nam zijn lens en een maatstok, en kroop op zijnknieën de kamer rond, al metende, vergelijkende en onderzoekende, met zijn langen smallen neus slechts een paar duim van de planken verwijderd, terwijl zijne oogen er met buitengewone scherpte op gevestigd waren als die van een vogel, die naar voedsel zoekt. Zijne bewegingen waren zoo vlug en onhoorbaar en geleken zoozeer op die van een afgerichten bloedhond, die een spoor moet ontdekken, dat ik onwillekeurig de gedachte in mij voelde opkomen, wat een verschrikkelijk misdadiger hij zou hebben kunnen worden, indien hij zijn geestkracht en moed tegen de Wet gekeerd had, inplaats van ze ter harer verdediging aan te wenden. Terwijl hij zoo voortwipte, prevelde hij gestadig in zich zelven en slaakte ten slotte een blijden uitroep.

„Wij hebben waarlijk geluk,” zeide hij, „wij zullen nu zeer weinig moeite hebben. Nommer één heeft het ongeluk gehad om in de creosoot te stappen. Gij kunt hier den uitersten omtrek van zijn kleinen voet zien, ter zijde van dit kwalijk riekend vocht. De kruik is gebarsten, en de inhoud is er uitgelekt.”

„En wat dan?” vroeg ik.

„Wel, wij hebben hem, dat is alles,” zeide hij, „ik ken een hond die dezen reuk zou volgen tot aan het einde der wereld. Indien een haringvisscher den haring op een afstand kan ruiken, hoe ver kan dan een bizonder afgerichten hond een zoo doordringenden reuk als dezen volgen? Het lijkt wel wat op een som uit den regel van drieën. Het antwoord zou ons de.... Maar, hallo! daar zijn de vertegenwoordigers der Wet.”

Zware voetstappen en de klank van luide stemmen werden van beneden vernomen en de buitendeur werd met een zwaren slag dichtgeworpen.

„Voor zij boven komen,” zeiHolmes, „kunt ge nog even met uw hand den arm en het been van dezen armen kerel aanraken.”

„De spieren zijn zoo hard als ijzer,” antwoordde ik.

„Juist. Zij zijn in een staat der zwaarste verstijving,veel erger dan de gewonerigor mortis. Wanneer gij daarbij let op de vreemdsoortige verwrongenheid van het gelaat en dezen Hippocratischen glimlach, of „risus sardonicus”, zooals de oude schrijvers dien noemen, welke gevolgtrekking zoudt gij dan uit deze verschijnselen maken?”

„Gestorven tengevolge van een uiterst vergiftige plant,” antwoordde ik, „een of andere op strychnine gelijkende stof, dietetanos(doodskramp) veroorzaakt.”

„Dit was het eerste idee dat bij mij opkwam, zoodra ik de verwrongen gelaatsspieren zag. Toen ik de kamer binnenkwam, keek ik onmiddellijk naar het lijk, om te zien op welke wijze hem het vergif was toegediend. Gij zaagt mij immers een doorn van achter zijn oor verwijderen. Onderzoek nu dezen doorn.”

Ik nam hem voorzichtig op en beschouwde hem bij het licht der lantaarn. Hij was lang, scherp en zwart en glasachtig aan de punt, alsof er eene gomachtige zelfstandigheid op gedroogd was. Het stompe einde was met een mes afgerond.

„Is dit een Engelsche doorn?” vroeg hij.

„In geen geval.”

„Met al deze gegevens zoudt gij in staat zijn een juist oordeel omtrent de zaak te vellen.—Maar, daar zijn de bevoegde machten, dus moeten de onbevoegden het veld ruimen.”

Terwijl hij dit zeide klonken zware voetstappen in de gang, en terstond daarop stapte een zeer zwaar gebouwd man, met trotsch uiterlijk, in een grijs kostuum gekleed, het vertrek binnen. Hij had een hoogrood, vet en volbloedig gelaat, met een paar zeer kleine, beweeglijke oogen. Hij werd op den voet gevolgd door een inspecteur in uniform en door den nog bevendenThaddeus Sholto.

„Hier is aardig wat te doen!” riep hij met een heeschen neusklank, „maar wie zijn dit? Wel, het huis schijnt even vol te wezen als een konijnenhok!”

„Mij dunkt dat gij u mij wel moet herinneren,Mr. Athelney Jones,” zeideHolmeskalm.

„Wel, dat spreekt van zelve!” schreeuwde hij, „het isMr. Sherlock Holmes, de theorist. Herinner je eens! Ik zal nooit vergeten hoe gij ons allen een lesje gaaft omtrent oorzaken, bijkomende omstandigheden en gevolgen, in het geval van de juweelen vanBishopsgate. Het is waar, gij bracht ons op het juiste spoor, maar gij zult thans zelf toestemmen dat het meer aan goed geluk, dan aan uwen leiddraad te danken was.”

„Het was niets dan een eenvoudige redeneering.”

„Och kom, kom! Niet àl te nederig zijn! Maar wat is dit alles hier? Kwaad werk! Ernstige feiten hier, geen gelegenheid voor theorieën. Hoe gelukkig dat ik juist teNorwoodaanwezig was voor een ander geval! Ik was juist aan het station toen de boodschap aankwam. Waaraan denkt ge dat de man gestorven is?”

„Och, het is nauwelijks een geval voor mij om er theorie over te houden,” zeiHolmesdroog.

„Neen, neen. Wij kunnen niet loochenen dat gij somwijlen den spijker op den kop slaat. Wel, wel! Deur gesloten, dat begrijp ik. Voor een half millioen aan juweelen vermist. Hoe stond het met het venster?”

„Gegrendeld; doch er zijn voetstappen op het kozijn.”

„Wel, wel; als het gesloten was, dan konden de voetstappen niets met de zaak te maken hebben. Dat is elk met mij eens. De man zou aan een beroerte gestorven kunnen zijn; maar dan, de vermiste juweelen. Ha! ik heb een theorie. Ik heb zoo van tijd tot tijd van die plotselinge ingevingen.—Ga eens naar buiten, sergeant, en gij ook,Mr. Sholto. Uw vriend kan hier blijven.—Wat denkt gij hiervan,Holmes?Sholtowas volgens zijn eigen bekentenis, gisteravond bij zijn broeder. De broeder bleef in een beroerte, waaropSholtozich met den schat uit de voeten maakte? Hoe vindt ge dat?”

„Waarop de doode man zonder bedenken opstond, de deur sloot en grendelde.”

„Hum! Dat is mis. Laat ons de zaak in algemeenen zin beschouwen. DezeThaddeus Sholtowas bij zijn broeder; er ontstond een twist; voor zoover wij weten. De broeder is dood en de juweelen zijn heen. Dat ook zoover wij weten. Niemand zag den broer sedert Thaddeus hem verliet. Zijn bed is niet beslapen. Thaddeus is blijkbaar zeer onrustig. Zijn persoon is—welnu: niet aantrekkelijk. Gij ziet dat ik mijn web om Thaddeus spin. Het net sluit hem al meer en meer in.”

„En toch zijt gij nog niet op de hoogte der feiten,” zeiHolmes, „deze houtsplinter, die, naar ik alle reden heb te gelooven, vergiftigd is, stak achter het oor van den man, zooals gij daar nog zien kunt, deze kaart zooals gij haar thans ziet, lag op de tafel en daarnaast lag dit vreemdsoortig instrument met steenen knop. Hoe past dit alles in uwe theorie?”

„Dat ben ik volkomen met u eens,” zei de dikke detective op blufferigen toon, „het huis is vol Indische curiositeiten. Thaddeus bracht die hierheen, en indien de splinter vergiftigd is, dan kan Thaddeus er evengoed een moorddadig gebruik van hebben gemaakt als eenig ander. De kaart is een soort hocus-pocus—een nietsbeteekenend fopmiddel. De eenige vraag is, langs welken weg ging hij heen? Ha, dat spreekt van zelve, hier is een opening in het plafond.”

Met groote vlugheid, in aanmerking genomen zijn zwaarlijvigheid, sprong hij de treden op, wrong zich op de vliering en onmiddellijk daarop hoorden wij hem met opgewonden stem naar beneden roepen, dat hij de trapdeur gevonden had.

„Hij kan wel iets vinden,”merkteHolmesop, terwijl hij zijne schouders optrok, „want hij heeft somwijlen aanvallen van verstand!Il n'y-a pas de sots si incommodes que ceux qui ont de l'esprit!”

„Ziet gij nu wel!” riepAthelney Jones, de ladder weder afdalende, „alles wel beschouwd zijn feiten toch beter dan theorieën. Mijn gezichtspunt omtrent de zaak staatvast. Daar is een trapdeur die met den zolder in verbinding staat en deze staat gedeeltelijk open.”

„Ik heb haar opengemaakt.”

„Zoo? Inderdaad? Merktet gij dit dan ook op?”

Hij scheen door deze mededeeling een weinig teleurgesteld. „Wie het echter ook opmerkte, het bewijst hoe onze gentleman de plaat poetste. Inspecteur!”

„Ja sir,” klonk het uit de gang.

„VraagMr. Sholtohierheen te komen.—Mr. Sholto, het is mijn plicht u mede te deelen, dat elk woord dat gij zoudt spreken tegen u zal getuigen. Ik arresteer u in naam der Koningin als betrokken te zijn in den dood van uwen broeder.”

„Daar hebt ge het al! Heb ik het u niet gezegd!” schreide het arme mannetje, zijne handen uitstrekkende en elk onzer beurtelings in het gelaat ziende.

„Maak u er niet ongerust over,Mr. Sholto,” zeiHolmes, „ik denk dat ik in staat zal zijn uwe onschuld te bewijzen.”

„Beloof niet te veel, mijnheer Theorist!” herhaalde de detective, „het zou u bezwaarlijker vallen dan gij denkt.”

„Ik zal niet alleen bewijzen dat hij aan deze zaak part noch deel heeft,Mr. Jones, maar ik zal u een geschenk aanbieden, bestaande in den naam en de beschrijving van een der twee personen, die in den afgeloopen nacht in deze kamer zijn geweest. Ik heb alle reden te gelooven dat zijn naamJonathan Smallis. Hij is een arm opgevoed man, klein en onbeweeglijk; hij mist zijn rechterbeen en draagt daardoor een houten stomp, die aan de binnenzijde is afgesleten. Zijn linkerschoen heeft een grove, vierkante zool en een hoefijzer onder den hak. Hij is een man van middelbaren leeftijd, zeer door de zon gebruind en is een ontvlucht veroordeelde. Deze weinige gegevens zouden u van eenigen dienst kunnen zijn, gevoegd bij het feit dat een groote lap vel van zijn hand is afgeschaafd. De andere man....”

„Ha! de andere man?” vroegAthelney Jonesmetsnerpende stem, maar, zooals ik duidelijk zien kon, niet het minst onder den indruk van de zekerheid in het voorkomen vanHolmes.

„Is een meer vreemdsoortige persoon,” antwoorddeSherlock Holmes, zich op zijn hiel omdraaiende, „ik hoop u binnen kort met beiden in kennis te brengen. Een woord tot u,Watson.”

Hij geleidde mij naar de trap.

„Deze onverwachte loop der zaak,” zeide hij, „is oorzaak dat wij het eigenlijke doel van onze reis moeten missen.”

„Dat dacht ik juist ook,” antwoordde ik, „het is niet goed datMiss Morstanlanger in dit akelig huis blijft.”

„Neen. Gij moet haar naar huis brengen. Zij woont bijMrs. Cecil Forrester, inLower Camberwell, dus niet zeer ver van hier. Indien gij terug wilt komen, zal ik u hier wachten. Of misschien zijt ge te vermoeid?”

„In geen geval. Ik geloof niet dat ik zou kunnen rusten, alvorens ik meer omtrent deze onbegrijpelijke aangelegenheid vernomen zal hebben. Ik heb wel iets van de ruwe zijde des levens gezien, maar ik moet u eerlijk bekennen, dat deze snelle opvolging van vreemdsoortige verrassingen van heden avond mijne zenuwen ten zeerste geschokt heeft. Nu ik zoover gegaan ben, zou ik de zaak wel geheel met u willen mede maken.”

„Uwe tegenwoordigheid zal mij van grooten dienst zijn,” antwoordde hij, „wij zullen het geval onafhankelijk behandelen, en laten dezenJoneszijn gang gaan. Als gijMiss Morstanzult hebben thuis gebracht, wenschte ik dat gij u naar No. 3Pinchin Lanezoudt begeven, dichtbij den waterkant teLambeth. In het derde huis aan de rechterhand woont een opzetter van gevogelte, met nameSherman. Gij zult een opgezette wezel, die een jong konijn vasthoudt, voor het raam zien staan. Klop den oudenShermanop en zeg hem, uit mijn naam, dat ik onmiddellijk behoefte heb aanToby. BrengTobydan met u mede terug in het rijtuig.”

„Een hond, naar ik veronderstel.”

„Ja, een leelijk mormel, met een verbazingwekkend reukvermogen. Ik stel meer prijs opToby's hulp dan op die van al de detectiven van Londen.”

„Ik zal hem medebrengen,” zeide ik. „Het is nu één uur. Indien ik een versch paard kan krijgen, denk ik nog voor drieën terug te zijn.”

„En ik,” zeiHolmes, „zal inmiddels zien wat ik vanMrs. Bernstonegewaar kan worden, en van den Indiaanschen bediende, die, zooalsMr. Thaddeusmij gezegd heeft, op de vliering slaapt. Vervolgens zal ik de methode van den grootenJonesbestudeeren, en naar zijne niet al te beschaafde sarcasmen luisteren. „Wir sind gewohn dass die Menschen verhöhen was sie nicht verstehen.”

Goetheis altijd pittig.”

De politie had een rijtuig medegebracht en daarin geleidde ikMiss Morstannaar hare woning. Zoolang zij in gezelschap was geweest van iemand die zwakker was dan zij en die zij kon ter zijde staan, had zij haar leed met kalmte gedragen en vond ik haar opgeruimd en bedaard bij de beangstigde huishoudster. Maar zoodra zij in het rijtuig zat, viel zij eerst in zwijm en barstte toen in een hartstochtelijk weenen uit, zoo zwaar had haar dit nachtelijk avontuur getroffen. Later heeft zij mij verhaald, dat zij mij gedurende dien rit koel en afgetrokken had gevonden. Zij kon echter weinig gissen, welke strijd er in mijn binnenste gevoerd werd, of met hoeveel kracht ik mij zelven beheerschte.

Het stuitte mij echter tegen de borst om haar opzulk een tijd en onder zulke omstandigheden mijn liefde te bekennen. En wat nog erger was, zij was rijk. Wanneer de nasporingen vanHolmestot een gewenscht resultaat mochten leiden, zou zij een der rijkste meisjes van Engeland zijn. Mocht ik dus van de toevallige omstandigheid, waardoor ik met haar in kennis was gekomen, en mijne betrekkelijk bekrompen omstandigheden als geneesheer, partij trachten te trekken? Deze Agra-schat scheen mij een onoverkomelijke hinderpaal toe tusschen haar en mij.

Het was omstreeks twee uur toen wij het huis vanMrs. Cecil Forresterbereikten. De dienstboden hadden zich reeds lang ter ruste begeven.Mrs. Forresterhad zooveel belang gesteld in de vreemdsoortige boodschap, dieMiss Morstanhad ontvangen, dat zij hare terugkomst was blijven afwachten. De beschaafde vrouw, van middelbaren leeftijd, opende zelve de deur en het verheugde mij ten zeerste te zien, hoe teeder zij haar arm om het middel van het meisje legde en op welk eene recht moederlijke wijze zij haar begroette. Het was duidelijk waar te nemen dat zij meer een vriendin, dan een loontrekkend huisgenoote was. Ik werd voorgesteld enMrs. Forresterverzocht mij dringend binnen te komen en haar onze avonturen te verhalen. Ik wees haar echter op het gewicht mijner volgende boodschap, doch beloofde haar op mijn woord, dat ik haar met den geheelen loop der zaak op de hoogte zou houden. Hoe meer ik onder het rijden over het gebeurde nadacht, des te onbegrijpelijker en duisterder werd alles mij. Daar was b.v. het oorspronkelijk vraagstuk; doch dit was mij nu volkomen duidelijk. De dood van kapiteinMorstan, het zenden der parelen, de advertentie, de brief; omtrent dit alles hadden wij ophelderingen verkregen. Maar deze feiten hadden ons gaandeweg voor een meer tragisch en dieper geheim geplaatst.

De Indische schat, de vreemdsoortige teekening onderMorstan's bagage gevonden, het vreemd tooneel vanmajoorSholto's dood; de weder-ontdekking van den schat, onmiddellijk gevolgd door den moord op den ontdekker, de zonderlinge omstandigheden waaronder de moord gepleegd werd, de voetsporen, de merkwaardige wapens, de woorden op de kaart die juist overeenkwamen met die op de teekening van kapiteinMorstan; dit alles vormde inderdaad een labyrinth, waarin een man met minder zeldzame geestkracht dan mijn mede-bewoner gewis zou wanhopen een uitgang te vinden.

Pinchin Lanebestond uit een rij van bouwvallige huizen van twee verdiepingen in de lager gelegen wijk vanLambeth. Ik moest geruimen tijd op de deur van No. 3 kloppen alvorens ik gehoor verkreeg.

Ten laatste echter verscheen er een zwak kaarslicht achter het luik, en keek een gelaat uit het bovenste venster.

„Ga heen, dronken schavuit,” sprak dat gelaat, „indien gij nog eenmaal klopt, dan zal ik u met mijn bezem op het hoofd slaan.”

„Maar,Mr. Sherlock Holmes,” begon ik angstig. Deze woorden hadden een tooverachtige uitwerking, want het raam werd onmiddellijk dichtgeschoven, en binnen een minuut werd de deur ontgrendeld en geopend.

Mr. Shermanwas een lange, magere, oude man, met een blauwen bril op zijn neus.

„Had u dat maar dadelijk gezegd,” sprak hij, „een vriend vanMr. Sherlock Holmesis altijd welkom. Kom binnen, doch neem u in acht voor dien dashond, want hij bijt. U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik eerst een weinig ruw tegen u was. Wat wenschtMr. Sherlock Holmesvan mij?”

„Een hond.”

„O, dat zal zekerTobyzijn.”

„Ja,Tobyheeft hij genoemd.”

„Tobywoont op No. 7 links.”

Hij begaf zich voorzichtig tusschen den leelijken troep beesten om hem heen. In de onzekere schaduw van het kaarslicht zag ik verscheidene vurig glinsterendeoogen dreigend op mij gericht. Zelfs de vele vogels boven mijn hoofd schenen gebelgd dat zij in hunne rust gestoord werden.

Tobywas een leelijk, langharig schepsel met hangende ooren, bruin en wit van kleur, met een ruigen staart. Na eenige aarzeling nam het een klontje suiker, dat de oude werkman mij overhandigde, van mij aan, en nadat ik zooveel mogelijk vriendschap met hem gesloten had, volgde hij mij naar het rijtuig, en liet er zich gewillig in plaatsen. Het had juist drie uur geslagen toen ik mij op den terugweg naarPondicherry Lodgebevond. De voormalige prijsbokserMc. Murdowas, naar ik vernam, als medeplichtige gevangen genomen, en hij enMr. Sholtowaren naar het station overgebracht. Twee constabels bewaakten het hek, doch zij veroorloofden mij, nadat ik den naam van den detective genoemd had, naar binnen te gaan.

Holmesstond met zijn handen in de zakken op de stoep zijn pijp te rooken.

„Ha! Hebt gij hem daar?” riep hij, „een beste hond.Athelney Jonesis vertrokken. Hij is sedert uw vertrek vol ijver aan het werk geweest. Hij heeft niet slechts vriend Thaddeus, maar ook den portier, de huishoudster en den Indiaanschen bediende gevangen genomen. Behalve een agent hier boven, hebben wij het ruim alleen. Laat den hond hier en kom boven.”

Wij bondenTobyaan de tafel, en gingen de trappen op. De kamer was nog in denzelfden staat als wij haar verlaten hadden, behalve dat er een laken over den doode gehangen was. Een vermoeid uitziend politie-agent stond in den hoek.

„Leen mij uw dievenlantaarn, agent,” zei mijn metgezel, „en bind nu deze kaart om mijn hals, zoodat zij voor mij blijft hangen. Dank u. Nu moet ik mijn schoenen en kousen uittrekken. Neem gij die mede naar beneden,Watson. Ik ga een kleine klimpartij doen. En doop mijn zakdoek in de creosoot. Dat gaat goed. Kom nu met mij naar de vliering.”

Wij klommen door de opening.Holmesliet het licht nogmaals op de voetstappen in het stof vallen.

„Ik verzoek u vooral goed nota te nemen van deze afdrukken,” zeide hij, „merkt ge er nog iets bijzonders aan op?”

„Zij zijn van een kind of een kleine vrouw,” zeide ik.

„Is er niets anders behalve hun omvang?”

„Zij lijken niet op gewone voeten.”

„In geen geval. Zie hier! Dit is de afdruk van een rechtervoet in het stof. Nu maak ik er met mijn naakte voet één naast. Wat is nu het voornaamste verschil?”

„Uwe teenen sluiten aaneen, terwijl deze bij den anderen afdruk elk op zichzelve staan.”

„Juist. Dat is het. Onthoud dit goed. Zoudt gij nu eens bij dat vensterluik willen gaan, en ruiken aan den hoek van het houtwerk? Ik zal hier blijven staan, met dezen zakdoek in mijn hand.”

Ik deed wat hij mij verzocht en ontwaarde onmiddellijk een sterke teer-lucht.

„Daar plaatste hij zijn voet bij het heengaan. Indiengijzijn spoor kunt vinden, zalTobyer, naar ik denk, geen moeite meê hebben. Ga nu spoedig naar beneden, maak den hond los, en zie uit naar Blondin.”

In den tijd dat ik mij naar beneden begaf, wasSherlock Holmesop den zolder, en zag ik hem als een glimworm zeer langzaam langs het latwerk kruipen. Achter een schoorsteen-uitstek verloor ik hem uit het gezicht, doch onmiddellijk daarna kwam hij weder te voorschijn en verdween toen weder aan de tegenovergestelde zijde. Toen ik mij ook naar boven begaf vond ik hem zittend op de hoek-balken.

„Gij daar,Watson?” riep hij.

„Ja.”

„Dit is de plaats. Wat is dat zwarte ding daar beneden?”

„Een regenpijp.”

„Een bak aan het einde?”

„Ja.”

„Geen bewijs van een ladder?”

„Neen.”

„Een verwenschte kerel! Het is een halsbrekend werk. Ik diende toch in staat te zijn naar omlaag te komen waarlangs hij naar boven kon klauteren. De regenpijp lijkt stevig. In elk geval, daar ga ik!”

Ik hoorde het geschuifel van voeten en de lantaarn begon langs den muur omlaag te glijden. Daarop bereikte hij met een lichten zwaai de pijp en gleed daarlangs op den grond.

„Het was gemakkelijk hem te volgen,” zeide hij, terwijl hij zijn kousen en schoenen weder aantrok, „langs den ganschen weg waren steenen losgeraakt en in zijn haast heeft hij dit verloren. Het bevestigt mijn diagnose, zooals gij doktoren het noemt.”

Het voorwerp dat hij omhoog hief was een kleine zak of koker van gekleurd gevlochten stroo met eenige waardelooze kralen versierd. Het geleek veel op een cigaretten-koker. Daarin bevonden zich een half dozijn splinters van donkerkleurig hout, aan een eind scherp puntig en aan het andere afgerond, juist als die waarmedeBartholomeus Sholtogetroffen was.

„Dit zijn helsche dingen,” zeide hij, „pas op dat gij er u niet mede prikt. Ik ben blijde dat ik ze heb, want het is hoogstwaarschijnlijk dat het zijn gansche voorraad is. Er is dus in langen tijd voor u noch voor mij kans er een in onze huid te vinden. Ik voor mij zou nog liever met een Martini-bom te doen hebben. Gevoelt ge u tot een wandeling van zes mijlen in staat,Watson?”

„Zeker,” antwoordde ik.

„Zijt gij daar, hondje. Goede oudeToby. Ruik dit,Toby, ruik!” Hij hield de in de creosoot gedoopten zakdoek voor den neus van den hond, terwijl het dier met een lachwekkendenhoofdknikevenals een kenner de sterke lucht opsnoof. Daarop wierpHolmesden zakdoek een eind van zich af, maakte een lang touw aan den halsband van den hond vast en bracht hem bij denvoet van de regenpijp. Het beest hief onmiddellijk een luid en scherp geblaf aan, en liep toen zóó snel, met den neus op den grond en opgeheven staart, heen, dat wij de grootste moeite hadden het te volgen.

Het begon langzamerhand in het oosten te dagen, en wij konden thans reeds op eenigen afstand door de grauwe lucht heenzien. Het groot vierkant huis,met zijn donkere vensters en hooge, naakte muren, verhief zich treurig en verlaten achter ons. Onze weg liep door de landerijen over de smalle paden, waarmee die doorsneden waren. De geheele plaats, met de verspreide puinhoopen enboomstronken, kwam ten zeerste overeen met het duistere treurspel, dat er binnen was afgespeeld.

Toen wij den grensmuur bereikten, liepTobyluid blaffende in de schaduw en bleef ten slotte stilstaan in een hoek die door een jongen beuk begrensd was. Waar de twee muren ineen liepen waren verscheiden steenen losgeraakt, en de spleten aan de benedenzijden afgerond, alsof zij kort geleden als ladder gebruikt waren.Holmesklom naar boven en wierp den hond er overheen aan de andere zijde.

„Daar is de afdruk van de hand van hem met het houten been,” zeide hij toen ik naast hem naar boven klom, „gij ziet de lichte bloedvlek op het witte pleisterwerk. Wat is het gelukkig dat het sedert gisteren niet geregendheeft. Hoewel zij ons achtentwintig uren voor zijn, zal hun spoor nog zeer goed op den weg zijn waar te nemen.”

Ik beken dat ik dit betwijfelde, toen ik dacht aan de vele voetgangers die in dien tijd den weg naar Londen hadden afgelegd. Mijne vrees werd echter spoedig gelogenstraft.Tobyaarzelde geen enkelen keer doch liep steeds snuffelend voort. Klaarblijkelijk was de reuk van de creosoot duidelijk boven andere waar te nemen.

„Verbeeld u niet,” zeiHolmes, „dat mijn succes in deze zaak alleen afhangt van de omstandigheiddat een dezer kerels zijn voet in het vocht gezet heeft. Ik weet nu genoeg dat mij in staat zou stellen, om hun spoor op verscheiden andere wijzen te vinden. Dit is echter de gemakkelijkste en daar de fortuin haar onder ons bereik heeft gesteld, zou het ondankbaar wezen, indien ik er geen gebruik van maakte. Het vraagstuk is er echter moeilijker door geworden, dan het zich eerst liet aanzien. Zonder deze alledaagsche oplossing, zou er wellicht eenigen roem bij te behalen zijn geweest.”

„Dat is toch het geval,” zeide ik, „ik verzeker u,Holmes, dat ik de middelen, waardoor gij uwe resultaten in deze zaak verkrijgt, zelfs meer bewonder, dan ik dit deed bij den moord doorJefferson Hope. Het geval schijnt mij meer ingewikkeld en onverklaarbaar. Hoe kondet gij, bijvoorbeeld, met zooveel vertrouwen den man met het houten been beschrijven?”

„Och, beste jongen! dat was zoo eenvoudig mogelijk. Twee officieren, die ergens een troep gevangenen te bewaken hebben, ontdekken een belangrijk geheim betreffende een begraven schat. Er wordt een kaart voor hen geteekend door een Engelschman, met nameJonathan Small. Gij herinnert u dat wij dien naam zagen op de kaart in kapiteinMorstan's bezit. Hij had die voor zich en zijne landgenooten onderteekend met het teeken van vier,—zooals hij het eenigszins dramatisch noemde. Door hulp van deze kaart ontdekken de officieren,—of een hunner,—den schat en brengen dien naar Engeland over, terwijl zij, naar wij willen veronderstellen, een daarbij gestelde voorwaarde onvervuld lieten. Welnu, waarom behieldJonathan Smallden schat niet voor zich zelven? Het antwoord ligt voor de hand. De kaart is gedateerd op een tijd toenMorstanin bijzondere aanraking kwam met gevangenen.Jonathan Smallbehield den schat niet, terwijl hij en zijne bondgenooten zelve gevangenen waren, en niet weg konden komen.”

„Maar, dit is slechts eene veronderstelling,” zeide ik.

„Het is meer dan dit. Het is de eenige hypothese die de feiten bedekt. Laat ons zien hoe zij bij het vervolg past. MajoorSholtoleeft gedurende eenige jaren rustig voort, gelukkig in het bezit van zijn schat. Dan ontvangt hij een brief uit Indië die hem grooten angst veroorzaakt. Wat was dat?”

„Een brief die hem meldde, dat de lieden tegen wie hij zijne belofte geschonden had, in vrijheid waren gesteld.”

„Of ontsnapt waren. Dat is meer waarschijnlijk, want als hij den duur hunner gevangenschap geweten had, dan zou het geene verrassing voor hem geweest zijn. Wat doet hij toen? Hij neemt zich ten zeerste in acht voor een man met een houten been,—een blanke, want hij ziet op zekeren tijd een blanke voorhemaan en schiet een pistool op dezen af. Welnu, op de kaart bevindt zich de naam van slechts één blanke. Deswege mogen wij met vertrouwen beweren dat de man met het houten been enJonathan Smalléén en dezelfde persoon is. Komt u deze redeneering valsch voor?”

„Neen; zij is klaar en gegrond.”

„Welnu, laten wij ons thans in de plaats vanJonathan Smallstellen. Laat ons de zaak van zijn standpunt beschouwen. Hij komt naar Engeland met het dubbel idee om terug te krijgen wat hij als zijn rechtmatig eigendom beschouwt, en zich te wreken op den man die hem slecht behandeld heeft. Hij vond uit waarSholtowoonde en stelde zich hoogst waarschijnlijk met een van diens huisgenooten in betrekking. Daar is bijvoorbeeld die kelderknecht, Lal Rao, dien wij niet gezien hebben.Mrs. Bernstonebeschrijft hem verre van gunstig.Smallkon echter niet uitvinden waar de schat verborgen werd gehouden, want, behalve den majoor en een trouw dienaar, die inmiddels overleden was, was dit aan niemand bekend. Plotseling verneemtSmalldat de majoor op sterven ligt. Vol angst dat het geheim van den schat met hem ten grave mocht dalen, verschalkt hij de waakzaamheidder wachters, baant zich een weg naar het venster der sterfkamer, en wordt alleen teruggehouden om naar binnen te klimmen door de tegenwoordigheid der beide zonen. Maar, als waanzinnig door haat tegen den doode, klimt hij dien nacht de kamer binnen, onderzoekt zijne bizondere papieren, in de hoop eenige aanteekeningen betreffende den schat te ontdekken, en laat ten slotte een herinnering aan zijn bezoek achter, in den vorm van het korte opschrift op de kaart. Hij had ongetwijfeld vooraf het plan beraamd, om, in geval hij den majoor doodde, hij een of ander bewijs op het lichaam zoude achterlaten, ten teeken dat het geen alledaagsche moord was; maar, van het standpunt der vier bondgenooten beschouwd, een zekere daad van gerechtigheid. Dusdanige zotte grillen zijn in de jaarboeken der lijfstraffelijke rechtspleging volstrekt niets ongewoons, en zijn gewoonlijk van onberekenbaar nut voor de ontdekking van den misdadiger. Is u dit alles duidelijk?”

„Volkomen.”

„Welnu, wat kanJonathan Smallthans doen? Niets anders dan een wakend oog houden op de pogingen die worden aangewend om den schat te vinden. Waarschijnlijk verlaat hij Engeland en komt slechts bij tusschenpoozen terug. Daar wordt het vliering-kamertje ontdekt en onmiddellijk wordt hij ervan in kennis gesteld. En opnieuw bespeuren wij de aanwezigheid van den een of anderen bondgenoot onder de huisgenooten. Jonathan is met zijn houten been niet in staat om de kamer vanBartholomeus Sholtote bereiken. Hij neemt echter een bondgenoot met zich, die deze moeielijkheid overwint, doch deze stapt met zijn eenen voet in de creosoot, waaropTobyten tooneele verschijnt en een slecht betaald ambtenaar, benevens een half kreupelen geneesheer, zes mijlen ver met zich voorttrekt.”

„Maar, de geheime bondgenoot en niet Jonathan pleegde de misdaad.”

„Juist. En niet met Jonathan's instemming, te oordeelen naar de wijze waarop hij door de kamer rondsprong. Hij droegBartholomeus Sholtogeen wrok toe en zou er de voorkeur aan gegeven hebben dezen slechts te binden en hem het roepen onmogelijk te maken. Hij wenschte zijn hoofd niet aan den strop te wagen. Er was echter niets meer aan te doen; de wilde hartstocht van zijn metgezel was losgebroken en het vergif had zijn werk gedaan; daarom lietJonathan Smallzijn teeken achter, liet de kist met den schat naar omlaag zakken en volgde haar langs denzelfden weg. Dit was, in zooverre ik het ontraadselen kan, de loop der gebeurtenissen. Het spreekt vanzelve dat hij, wat zijne persoonlijkheid betreft, van middelbaren leeftijd en door de zon gebruind moet wezen, daar hij zijn tijd in een oven als deAndaman-eilanden heeft uitgediend. Zijne lengte is gemakkelijk te berekenen naar de lengte van zijn voet, en wij weten dat hij een baard draagt. Zijn harig gelaat werd doorThaddeus Sholtoimmers met schrik opgemerkt, toen het zich voor het venster vertoonde. Meer is er niet, naar ik geloof?”

„En de medeplichtige?”

„O, dat is een lastig geheim. Maar spoedig genoeg zult ge ook daar alles van weten. Wat een heerlijke morgen is het! Zie hoe die kleine wolk daar drijft als een gespikkelde veder van den een of anderen reusachtigen flamingo. Thans dringt de roode zonne-gloed door de Londensche ochtend-schemering. Zij beschijnt zeer vele menschen, maar ik durf wedden, dat niet één hunner op een vreemdsoortiger wandeling is dan gij en ik. Hoe nietig gevoelen wij ons met al onze eerzucht en begeerten bij het aanschouwen van de groote elementaire krachten der Natuur! Zijt gij goed op de hoogte metJean Paul?”

„Dat gaat nogal. Ik werkte hem door aan de hand vanCarlyle.”

„Dat was even alsof men een sloot voor een meer aanziet. Hij maakt één zonderlinge doch diepzinnigeopmerking, en wel: dat het voornaamste bewijs voor iemands waarlijke grootheid gelegen is in de overtuiging van zijn eigen nietigheid. Dat bedoelt een kracht van vergelijking en erkenning, die op zich zelve reeds edel te noemen is. Er ligt zeer veel geestes-voedsel inRichter.—Gij hebt geen pistool bij u, wel?”

„Ik heb mijn stok.”

„Het is waarschijnlijk dat wij iets soortgelijks zullen noodig hebben als wij hun schuilplaats ontdekken. Jonathan zal ik u overlaten, maar als de ander lastig wordt, zal ik hem neerschieten.”

Terwijl hij dit zeide, haalde hij zijn revolver te voorschijn en na twee kamers ervan geladen te hebben, stak hij hem in zijn rechter jaszak.

Gedurende al dien tijd hadden wijTobygevolgd over den half-landelijken langs villa's loopenden weg, die naar de wereldstad voerde. Thans echter kwamen wij in lange straten, waar arbeiders en dokwerkers reeds bezig waren en onzindelijke vrouwen luiken en deuren openden. Op den hoek begonnen de public-houses (tapperijen) reeds volk te krijgen en zag men ruw-uitziende kerels naar buiten komen, die met hunne mouwen hunne monden afveegden. Groote honden staarden ons verwonderd aan terwijl wij voorbijgingen, doch onze ongeëvenaardeTobykeek noch rechts noch links, maar liep voort met zijn neus op den grond, van tijd tot tijd met voldoening blaffende, als om ons te overtuigen dat hij de creosoot nog rook. Wij haddenStreatham, BrixtonenCamberwelldoorgeloopen en bevonden ons nu inKennington Lane, terwijl wij ons door zijstraten naar het oostelijk gedeelte van den omtrek van Londen begeven hadden. De mannen die wij achtervolgden, schenen een vreemdsoortigen, in zigzagloopenden weg genomen te hebben, gewis met het idee om aan elke nasporing te ontsnappen. Zij waren geen enkelen keer rechtuitgeloopen, wanneer zich een zijstraat of steeg aan hen vertoond had. Aan het einde vanKennington Lanewaren zijlinks afgeslagen doorBond-StreetenMiles-Street. Waar laatstgenoemde straat naarKnight'sPlaceafloopt, bleefTobystilstaan en begon toen voorwaarts en weer terug te loopen, met een hangend en een opstaand oor, waaruit duidelijk zijne besluiteloosheid bleek. Daarop begon hij een cirkel om ons heen te loopen, terwijl hij ons van tijd tot tijd aankeek alsof hij ons om raad in zijne verlegenheid vroeg.

„Wat drommel is er te doen met den hond?” bromdeHolmes; „zij zullen toch gewis geen rijtuig of luchtballon gebruikt hebben.”

„Misschien zijn zij hier eenigen tijd blijven stilstaan,” merkte ik op.


Back to IndexNext