The Project Gutenberg eBook ofSiska van RoosemaelThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Siska van RoosemaelAuthor: Hendrik ConscienceRelease date: January 23, 2010 [eBook #31052]Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK SISKA VAN ROOSEMAEL ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Siska van RoosemaelAuthor: Hendrik ConscienceRelease date: January 23, 2010 [eBook #31052]Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net
Title: Siska van Roosemael
Author: Hendrik Conscience
Author: Hendrik Conscience
Release date: January 23, 2010 [eBook #31052]
Language: Dutch
Credits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK SISKA VAN ROOSEMAEL ***
Hendrik Conscience - Geillustreerd - Siska van Roosemael
Brussel.—DrukkerijJ. Janssens, Marcqstraat, 16.
Hendrik CONSCIENCESiska van RoosemaelBRUSSELJ. LEBÈGUE & Cie, BOEKHANDELAARS-UITGEVERS36, NIEUWSTRAAT, 361912
Hendrik CONSCIENCE
BRUSSEL
J. LEBÈGUE & Cie, BOEKHANDELAARS-UITGEVERS
36, NIEUWSTRAAT, 36
1912
BURGERS VAN DEN OUDEN EEDKWAKZALVERS VAN DEN NIEUWEN STIJL
Het is weinige jaren geleden, dat er in eene der straten omtrent het Groen kerkhof te Antwerpen een oude en befaamde kruidenierswinkel bestond, die, van vader tot zoon overgezet, sedert meer dan driehonderd jaren bekend was om zijne goede waren en geringe prijzen. De laatste eigenaar van dezen winkel heette Jan Van Roosemael, zoon van Frans, zoon van Karel, zoon van Kasper Van Roosemael, en was getrouwd met eene Siska Pot, afstammelingevan den beruchten Peter Pot, wiens naam men in de twee Peter-Pot-straten terugvindt[1].
Deze beide echtgenooten, van kindsbeen af tot een nuttig en arbeidzaam leven opgevoed en nu gedurig bezig met hunnen kleinen koophandel, hadden geenen ledigen tijd over gehad, om in den voortgang der hedendaagsche beschaving deel te nemen, anders gezegd om zich te verfranschen. Hunne kleederen, van sterk laken gemaakt, waren eenvoudig en veranderden bijna nooit van vorm; alleenlijk onderscheidden zij deze in werkdaagsche, in Zondagsche en in Paaschkleederen. Deze laatste kwamen nooit uit de kas dan op hoogtijden, wanneer de Van Roosemaels ter Heilige Tafel gingen, of wanneer zij een kind over de doopvonte houden moesten of getuigen waren bij het huwelijk van eenen vriend. Genoegzaam is het te begrijpen, dat deze burgers van de Vlaamsche wereld, alhoewel hun opschik een groot geld gekost had, er slechts arm moesten uitzien nevens den eenen of anderen voorbijgaanden pronker, die zich voor eenige franken in de hedendaagsche papieren kleederen had laten steken en misschien met kleinachting op de Van Roosemaels nederzag; maar zij stoorden zich daar niet in en dachten bij zich zelven: «Ieder wat in deze wereld, gij den wind en wij de schijven!»—Onwetend genoeg waren zij, om onbewust te zijn, dat eentreffelijk man op den middag niet mag eten, en zij hadden dus degemeenegewoonte van juist op klokslag van twaalf zich bij de tafel neder te zetten; daarbij, zij vergaten nooit te bidden, en inderdaad, te bidden vóór en na den maaltijd. Andere gebreken nog kon men hun ten laste leggen: onder anderen zij verstonden geen woord Fransch en hadden nooit gevoeld, dat hun die kennis noodig was;—zij waren godvruchtig, werkzaam, ootmoedig en bovenal vredezoekend. Maar hunne grootste domheid bestond hierin, dat zij in hunne Vlaamsche eenvoudigheid geloofden, dat het beter was alle dagen eenen eerlijk gewonnen stuiver ter zijde te kunnen leggen, dan zich met treken en met bedriegerij in twee of drie jaren zoo rijk te tooveren, dat iedereen de oogen er van openspalkt en met verwondering uitroept: «Maar! maar! Waar heeft die Rat[2]het toch gehaald?»—In één woord, zij waren Vlaamsche burgers van den ouden eed.
Meester Jan Van Roosemael had eene jonge dochter, genaamd Siska, gelijk hare moeder, van omtrent de vijftien jaren, tamelijk lang opgeschoten voor haren ouderdom, fraai van gestalte en van gelaat, met blond haar en blauwe oogen: een echt schoon Brabantsch kind.—Tot hiertoe had zij in de stad naar eene gewone school van jonge meisjes gegaan en had er de moedertaalbijna grondig geleerd, benevens de rekenkunde en al de handwerken, welke eene goede burgervrouw moet kennen, al ware het slechts om meer van het huishouden te weten dan hare dienstmeid. Eenvoudig was zij gelijk hare ouders, godvruchtig, onderdanig, beminnend, niet dartel, niet lui, niet eigenzinnig,—en waarlijk geschikt om met den man, die haar zou trouwen, in deugd en eere het huis harer voorvaderen staande te houden en den befaamden kruidenierswinkel voort te zetten.
Hoe komt het, dat de honderdjarige winkel nu gesloten is? Wat rampspoed heeft onlangs de tonnekens, snuifpotten, flesschen en kannekens van Van Roosemael naar de Vrijdagsche markt gevoerd? Deze geschiedenis zal u dit verhalen.
Weet dan vooreerst, dat er in de gebuurte van onzen winkelier een meester-schoenmaker woonde, die de beste vriend van meester Van Roosemael was, met hem des Zondags naar de Steenenbrug[3]ging wandelen, des avonds een smousjas met hem speelde, en verder als een broeder zonder hem geen vermaak vond. Dit veranderde eensklaps om eene zonderlinge reden.
De schoenmaker, die te voren fraai aan zijn brood kwam en reeds door spaarzaamheid zijn eigen huis bezat, deed op zekeren dag, terwijl Van Roosemael met de koorts te bed lag, zijne twee vensters voor aan de straat uitwerpen en een groot uitstekend winkelraam in de plaats stellen. Op de ruiten liet hij in roode verf allerlei Fransche berichten schilderen. In het midden stond:A la botte sans couture. Magasin debottes et souliers de Paris[4];—eene leugen, vermits hij voornemens was de schoenen en laarzen zelf te maken. Wat lager pronkte er voor het glas eene print, waarop men een persoon verbeeld had, die door de wederspiegeling der zon in eene geblonkene laars aan beide oogen stekeblind wordt; en boven dit meesterstuk van kwakzalverij kon men deze woorden lezen:Véritable cirage anglais[5];—nog eene leugen, want het was altijd zijn oude blink, dien hij zelf maakte. De klanten verloren daar toch niets bij; het verschil was, dat hij zijnen blink nu viermaal duurder dan te voren deed betalen. Verder op de hoekruiten stond:Souliers en caoutchouc,Poudre de savon,Semelles de liège, enz.[6]
Toen meester Van Roosemael van de koorts genezen was en voor de eerste maal met langzame stappen zijne straat doorwandelde, viel zijn gezicht op het nieuwe vensterraam van den schoenmaker. Hij bleef plotseling staan, wreef zijne oogen als iemand, die door den slaap bekropen wordt, en bezag al de huizen één voor één en met verbaasdheid, gelijk een vreemdeling, die verloren geloopen is.
«Wat is dat?» dacht hij in zich zelven. «Dat is toch de winkel van meester Spinael niet. Zou hij verhuisd zijn, zonder dat ik het geweten hebbe? Alweder eene Rat, die hier den Piro[7]komt uithangen en de menschen gaarne wat zemelen in de oogen zou werpen, om des te beter bankroet tekunnen spelen, als het schaap binnen is. Maar hij zal mij toch niet vangen.....»
Terwijl Van Roosemael dus in gepeinzen dwaalde, kwam er een heer van binnen uit den schoenmakerswinkel op den dorpel staan. Deze was fraai gekleed, met eene paletot van ruitengoed, eene chocolaadkleurige broek, een wit ondervest en eenen zoogezegden gouden ketting voor de borst, waaraan een uurwerk of een kijkglas moest gehecht zijn. Dikke bakkebaarden van blinkend zwart haar omvingen zijn gansche aangezicht; zijn hoofd was kunstmatig opgedaan en geleek wonderwel aan die wassen poppen, welke men voor de vensters der paruikmakers ziet.
«Ha!» dacht Van Roosemael, «daar is de Rat. Het is zonde van zulken knappen vent!»
Maar de nieuwe gebuur kwam rechtstreeks op hem aan, en op zijnen schouder kloppende, sprak hij:
«Gij zijt genezen, vriend Roosemael?»
De verbaasde man herkende de stem van Spinael; hij ging twee stappen achteruit, bezag zijnen vriend van hoofd tot voeten, en dan eerst zeide hij eenvoudiglijk:
«Wat zijt gij schoon, eh!—Hebt gij den grooten prijs in de loterij van Rusland gewonnen? Hebt gij misschien een erfdeel gedaan? Proficiat dan, ik wensch u geluk..... Nu, ik heb immers mijn geheele leven lang gedacht, dat gij ros haar hadt!»
Spinael glimlachte met eene soort van slim medelijden en antwoordde, terwijl hij zich eenen zekeren lossen toon gaf, die gewoonlijkFransche chiquegenoemd wordt:
«Van Roosemael, mijn vriend, gij zult nooit rijkworden, gij. De wereld is veranderd, niemand laat zich tegenwoordig vangen zonder lokvinken of zonder vogelteer.Slechte waar, goed voorgezet, is half verkocht.Wie van de Vlaamsche burgers moet leven, slaaft tot zijne oude jaren, eer hij mag zeggen:ik ben binnen! Zij zijn te houvast, vriend, en willen goed leder en goed werk voor eenen nauwen prijs. Spreek mij van de Fransche jonkheid; daar is vet op, alle maanden een paar laarzen, duur betaald en licht gemaakt.»
De verstomde Van Roosemael wist niet, of hij waakte of sliep. Hij voelde zijne ooren tuiten van die zonderlinge taal en was genoeg genegen om te denken, dat Spinael zijne vijf zinnen niet meer bezat.
«Maar,» viel hij hem in de rede, «ik heb nog al hooren zeggen, dat die Fransche windmakers dikwijls vergeten te betalen. Let gij maar op; daar staan bij mij nog al eenigen van die overvliegers in het krijt, en scheer dan al waar geene wol is.Liever oordje zeker en het geweten zuiver.»
«Oude praat, vriend,» antwoordde de schoenmaker, «wij zullen elkander binnen twee of drie jaren spreken, als het God belieft, en dan zullen wij eens zien, wie het verste zijn zal. Mijn zoon Jules is naar Parijs om zijnen stiel te leeren: daar verwacht ik veel van.»
«Wie is er naar Parijs, zegt gij? Jules? Ik dacht, dat ik de peter van uwen eenigen zoon was, en dat hij Jan heette gelijk ik?»
«Welnu, ja, Jan is naar Parijs; maar hij heeft zijnen gemeenen naam veranderd en heet nu Jules: dat is veel treffelijker, en mijne dochter, die deze week uit het pensionaat gekomen is, noemt zich Hortense. Ik zeg u dit slechts, omdat gij hen niet integenwoordigheid mijner klanten Jan en Trees zoudt heeten.»
Meester Van Roosemael schudde het hoofd met twijfel, bezag beurtelings de opschriften van het vensterraam en de verschillende kleedingstukken van zijnen vriend, en sprak dan op half schertsenden toon:
«Ik geloof niet, dat gij het wel voor hebt, meester Spinael! Ik heb er al zoovelen langs dien weg zien om zeep gaan[8]en die te voren nog al vast in hunne schoenen liepen; dan, ieder is meester van te doen wat hij wil,—het zijn mijne zaken niet, en daarmede is het uit!—Zeg, gij vergeet misschien, dat het dezen morgen Kamer is van de Broederschap van Onze Lieve Vrouw. Gaat gij niet mede?»
«Broederschap van Onze Lieve Vrouw!» riep Spinael bijna spottend. «Ik ben geen lid meer, vriend. Iemand, die voor het grooteTheaterwerkt, gelijk ik, die mag met geene flambouw in de processie meer loopen. Waarlijk, het zou niet staan.»
«Goeden dag dan!» morde Van Roosemael op droeven toon, en hij liet den verfranschten schoenmaker voor zijne deur staan.
Eenigen tijd daarna kwam Spinael bij den winkelier, en, na veel gepocht en gestoft te hebben over den schoonen gang zijner zaken, sprak hij van eene groote partij leder, welke hij te koop wist bij eenen huidvetter, die oogenblikkelijk geld noodig had. Hij heette het eenebrillante affaire[9]en deed zooveel met zijne nieuw aangeleerde treken, dat de eenvoudigeman, in gedachtenis hunner vriendschap, hem vijfhonderd gulden wisselgeld leende, op drie maanden te betalen. Van Roosemael deed zich terzelfder tijd de maat nemen voor een paar nieuwe schoenen. De schoenen borsten den achtsten dag aan stukken, en in plaats van zijne vijfhonderd gulden kreeg de winkelier wat schoonen praat en oneindig veel beloften.
Dit laatste punt verwekte eene stille vijandschap tusschen de twee geburen, die voorts elkander niet meer aanspraken. Hunne beide kinderen deelden echter niet in deze verwijdering en bleven elkander dagelijks bezoeken.
[1]Peter Pot, een edelman, stichtte te Antwerpen in het jaar 1433 het klooster van St.-Salvator, dat men gemeenlijkPeter-Pots-kloosternoemde, en dat in 1575 door de beeldenstormers tot den grond werd afgebrand. De talrijke afstammelingen van dezen edelman, nu meest geringe burgers, heet men dePotten.
[1]Peter Pot, een edelman, stichtte te Antwerpen in het jaar 1433 het klooster van St.-Salvator, dat men gemeenlijkPeter-Pots-kloosternoemde, en dat in 1575 door de beeldenstormers tot den grond werd afgebrand. De talrijke afstammelingen van dezen edelman, nu meest geringe burgers, heet men dePotten.
[2]De vreemde gelukzoekers, die, uit armoede hun vaderland verlatende in België komen en daar door uitwendige pracht en ijdel gesnork willen doen gelooven, dat zijietszijn, noemt men te Antwerpen met den zonderlingen naam vanRatten; maar dewijl de meesten dezer kwakzalvers ons uit het Zuiden toekomen, begint het volk dezen spotnaam nu uitsluijtelijk toe te eigenen aan de leden eener enkele groote natie.
[2]De vreemde gelukzoekers, die, uit armoede hun vaderland verlatende in België komen en daar door uitwendige pracht en ijdel gesnork willen doen gelooven, dat zijietszijn, noemt men te Antwerpen met den zonderlingen naam vanRatten; maar dewijl de meesten dezer kwakzalvers ons uit het Zuiden toekomen, begint het volk dezen spotnaam nu uitsluijtelijk toe te eigenen aan de leden eener enkele groote natie.
[3]Eene wandeling buiten Antwerpen.
[3]Eene wandeling buiten Antwerpen.
[4]In de laars zonder naad.—Magazijn van laarzen en schoenen van Parijs.
[4]In de laars zonder naad.—Magazijn van laarzen en schoenen van Parijs.
[5]Waarachtige Engelsche blink.
[5]Waarachtige Engelsche blink.
[6]Ezelsooren-schoenen, Zeeppoeder, Kurken zolen, enz.
[6]Ezelsooren-schoenen, Zeeppoeder, Kurken zolen, enz.
[7]Pierrot, een vastenavondzot, die met zemelen werpt.
[7]Pierrot, een vastenavondzot, die met zemelen werpt.
[8]Om zeep gaanbeteekent tot armoede vervallen.
[8]Om zeep gaanbeteekent tot armoede vervallen.
[9]Eene veelbelovende zaak.
[9]Eene veelbelovende zaak.
GOEDE RAAD, SLECHT BESLUIT
Sedert de dochter van Spinael uit het pensionaat gekomen was, had Siska Van Roosemael veel van hare zuivere eenvoudigheid verloren. Zij had reeds veel te dikwijls bij den toog van het schoenenmagazijn gezien, hoe de verfranschte jonkheid met lossen zwier hare vriendin liefkoosde, en hoe zij, met lonken en pinken, daarop wist te antwoordenin de schoone en lieftallige Fransche taal. Onnoozel nog, en niet wetende wat vuile wulpschheid onder zulke geveinsde liefdewoorden verborgen ligt, werd zij meer dan eens rood van schaamte, wanneer de eene of andere windmaker haar in gebroken Fransch aansprak en dat zij niet als hare vriendin kon antwoorden. Hierom vroeg zij dagelijks aan hare moeder om ook naar het pensionaat te mogen gaan. Vrouw Van Roosemael, die hare dochter met verblindheid beminde, had insgelijks met nijd gezien, dat Hortense, of liever Trees Spinael, alhoewel bijna leelijk zijnde, al de oogen tot zich trok, en dat hare arme Siska er verschrikkelijk gemeen uitzag nevens de opgepronkte dochter van den meester-schoenmaker. In haren moederlijken hoogmoed dacht zij, dat het niet betaamde haar kind langer te laten achteruitstaan voor eene, die minder was dan zij. Na eenige maanden hierover aan de ooren van haren man gezaagd te hebben, werd er besloten, dat Siska naar het pensionaat zou gaan, maar dat men eerst den ouden Pelkmans over dit gewichtig punt zou raadplegen.
Deze Pelkmans was de dokter of geneesheer van het huisgezin, gelijk zijn vader de dokter der vorige Van Roosemaels geweest was. Dikwijls had hij door zijnen wijzen raad den winkelier in moeilijke zaken bijgestaan; maar wat hem het meest door de beide ouders deed beminnen, was, dat hij Siska tweemaal in ontstekende ziekten, en laatst nog tijdens den cholera-morbus van eenen gewissen dood gered had. Zij hadden in hunne dankbaarheid begrepen, dat de dokter hierdoor eenig recht op het leven en op de toekomst hunner dochter gewonnen had, en beslisten nooit iets, dat haar aanging, zonder zijnen raad te vragen. Dan, daarin deden zij zeer wel; want de oude Pelkmans was een wijs en geleerd man, die den loop der wereld goed kende en alles met Vlaamsche bezadigdheid in stilte naspeurde en doorgrondde.
Op den gestelden dag zat de dokter, met vader en moeder Van Roosemael, in eene kamer achter den winkel, en het gesprek werd door meester Van Roosemael dus begonnen:
«Dokter Pelkmans, mijne vrouw wil volstrekt hebben, dat Siska naar een Fransch pensionaat gezonden worde. Wat mij betreft, ik ben er al lang tegen geweest, maar de tranen van Siska hebben mij eindelijk van gedachte doen veranderen.»
«Naar eene Fransche kostschool?» vroeg de dokter verwonderd. «Naar een Fransch pensionaat? Er zijn immers goede scholen genoeg in de stad, en zoo kan men ten minste dagelijks zien, of het schaap niet verloren loopt.»
«Och, och!» riep de moeder lachend en met eene soort van misprijzen. «Wat is er op de scholen in de stad te leeren? Breien, naaien, lijnwaad teekenen, hemden snijden, cijferen—en Vlaamsch, dat ieder toch kent! Zie de dochter van Spinael eens: dat gaatblokweg en komtjuffrouwterug; dat spreekt Fransch, dat is beleefd, dat wordt van alle deftige lieden aangehaald..... Zij heeft maar te kiezen met wien zij wil fortuin doen.»
De dokter trok de schouders op en schudde het hoofd met nadenken. Hij antwoordde:
«Gij bedroeft mij, vrouw Van Roosemael; ik begrijp niet, wat kwade geest u aanblaast en uw gezond oordeel eensklaps heeft vernietigd; de deftige lieden, waarvan gij spreekt, zijn wat kleermakers, wat komedianten en wat magere klerken, die naar den schoenmakerswinkel komen, gelijk de vliegen naar eenen kop broodsuiker. Ik ken Hortense Spinael, en ik mag u zeggen, dat ik de helft van mijn goed zou willen verliezen, om te beletten dat Siska haar ooit gelijke. Zult gij dat eenvoudig, dat schoon en zuiver kind laten bederven; haar van godsdienst, van goede zeden en van Vlaamsche rechtzinnigheid aftrekken, om er eene lichte en wulpschecoquette[10]van te maken? Pas op! Misschien zal mijn raad hier onmachtig zijn; maar dan zult gij u de ooren krabben, indien wij het geluk hebben nog wat te leven.»
De twee ouders waren door de strenge woorden des dokters verschillend getroffen; beiden glimlachten: de vader van vreugd, omdat hij voorzag, dat de dokter overwinnen zou; de moeder van spijt. Zij gaf niet ten onderen en riep:
«Dokter, dokter, gij snijdt er te sterk door! Ik weet wel, dat gij eenen haat hebt tegen al wat Fransch is; maar wij zijn van de oude wereld, man. Het gaat er nu zoo niet meer.....»
«Vrouw Van Roosemael,» viel de dokter in, «gij wilt mij niet verstaan. Het is mijne gedachte niet, iemand te beletten vreemde talen te leeren, en dit kunt gij genoeg bemerken aan mijnen zoon Lodewijk, die op de Hoogeschool is. Kan hij geen Fransch? Ja, en wat beter, hoop ik, dan de jonge weetnieten, die het hoofd van Hortense Spinael op den hol helpen en u de oogen uitsteken, vrouw Van Roosemael. Gij moet mij zoo niet bezien: weetnieten, ja! Wat kennen zij? Wat straatfransch, dat zij dikwijls nog onbarmhartig martelen; hunne moedertaal kennen zij ook niet, en wat de nuttigste wetenschappen aangaat, daarvan zijn de namen zelfs hunonbekend. Al hunne geleerdheid bestaat in Franschen wind, in woorden en gezegden, die zij hier en daar uit gazetten of uit romans opvisschen. Daarvan spinnen zij een hol en ijdel gerammel aaneen en verkoopen dit aan onkundige menschen voor Fransche geleerdheid! Maar gij maakt mij gram: wij geraken van ons onderwerp. Laat ons elkander beter verstaan. Ik zeg u dan, en luistert wel op mijne woorden: er zijn goede kostscholen, maar oneindig meer slechte zijn er. De goede zijn die, waar de meesteressen, hunne heilige zending verstaande, een nuttiger doel hebben dan dat van eene dochter met een wereldsch vernis te beglanzen ten koste harer godsvrucht en harer eerbaarheid; waar de meesteressen samenspannen en altijd en overal waken om het vreemde vergif af te weren, de ijdelheid te bestrijden en de dartelheid te bevechten;—waar men weet, wat goede hoedanigheden in de Vlaamsche inborst hunne wortelen hebben, en hoe gevaarlijk het is dien zuiveren grond te verfranschen; in één woord, waar men zich niet voorstelt, modische juffers, maar wel nuttige en waardige huismoeders te maken..... Is het nu naar zulk eene kostschool, dat gij Siska zenden wilt, zoo heb ik er niets tegen: verre van daar, ik zal er blijde om zijn. Alles hangt af van de keus, die gij gaat doen. Ik weet het: meest al de Fransche pensionaten zijn nesten van bederf en van zedenverlies; nogtans de goede zijn licht te vinden, als men ze maar zoeken wil. Indien gij het verlangt, ik zal er u een aanwijzen. De kostschool van X..... bij voorbeeld?»
«Ja, het pensionaat van X.....!» riep de moeder, «ik dacht het wel. Neen, dan kan Siska ook wel te huis blijven. Zie Anna Van Straten eens. Zij is op diekostschool geweest: na drie jaren is zij teruggekomen, gelijk zij er naar toe gegaan was. Zij is wel braaf en zedig, ik hoor wel zeggen, dat zij geleerd is en alles kent, wat een goed huishouden aangaat; maar dat kan men immers overal leeren? Daarom moet men naar geene kostschool gaan!»
«En waarom moet men er dan naar toe gaan, moeder Van Roosemael? Ik versta u genoegzaam: om verfranscht te worden, niet waar? Om gelijk Hortense Spinael, te leeren dartelen en zedeloos te worden; om zich boven zijnen staat te leeren kleeden en, tot verergernis van iedereen, de modepop en de lichtvink te kunnen uithangen?»
«Maar, dokter,» bemerkte vader Van Roosemael, «indien de meeste pensionaten de kinderen bederven, hoe komt het dan, dat alle rijke menschen, die toch ook niet dom zijn, hunne dochters er naar toe zenden?»
«Verstaat mij wel, mijne vrienden,» hernam de oude Pelkmans met verkalmd gemoed, «elke stand der samenleving heeft zijne wijze van denken en zijne zeden. Hetgeen goed, eerbaar en nuttig is voor een edelmanskind, is dikwijls slecht, oneerlijk en schadelijk voor het kind van eenen winkelier. Het kwaad der opvoeding, welke men in zulke pensionaten aan de meisjes geeft, ligt bovenal hierin, dat men er de dochter van eenen schoenmaker of van eenen beenhouwer, van eenen edelman of van eenen rentenier dezelfde gedachten inboezemt,—en aan die, welke bestemd zijn om te werken, eene zelfde opvoeding geeft met degenen, welke nimmer iets anders zullen moeten doen dan hun verstand gebruiken om zich in de weelde niet te verdrieten. Zoo bederft men demaatschappij in haar gronden: ieder meisje wil juffrouw zijn, en met de pracht komen luiheid, geldverkwisting, zedeloosheid en nog erger. Men maakt Franschecoquettenmet den hoop, maar Vlaamsche arbeidzame huisvrouwen? Geen enkele!»
Nu stond vader Van Roosemael eensklaps van zijnen zetel op en sprak met besluit:
«Toe, toe! Gij zijt veel te goed, dokter, om zoolang daarover te willen redeneeren. Gij hebt gelijk, en Siska zal naar het pensionaat van X..... gaan, of zij zal te huis blijven, indien het waar is, dat ik hier meester ben. Die vrouw met haar Fransch! Zoudt ge niet zeggen, dat wij gebrek hebben geleden en achteruit zijn geboerd, omdat wij onze moedertaal spreken? Ik zeg: goed is goed, en wie goed beter wil maken, zie ik voor een botten ezel aan.—En, om het kort te maken, Siska blijft te huis!»
Maar de brave man had zonder zijnen waard, of liever zonder zijne vrouw gerekend. Deze riep met gramschap:
«Hola, zoo gauw niet, Van Roosemael! Het schijnt dat gij vandaag wat vele noten op uwen zang hebt. Zit maar neder en maak u geen kwaad bloed, man. Dokter, zeg mij eens, wat groote zonde zou het nu zijn, dat onze Siska zoo beleefd was en zoo goed Fransch kende als een edelmanskind? Of zou zij daar een haar slechter om zijn?»
Op deze vraag verstond de dokter, dat hij tegen een genomen besluit en tegen de vrouwelijke koppigheid te worstelen had; daarom veranderde hij van toon, gaf aan zijne stem meer ernstigheid en antwoordde:
«Neen, indien zij in het pensionaat, dat gij bedoelt, beleefdheid en nuttige kennis alleen kon verkrijgen; maar gij weet niet, moeder, wat de meisjes in zulk pensionaat van hunne meesteressen, doch bovenal van elkander leeren. Wil ik het u zeggen? Luister dan, het zijn droeve waarheden:—men leert er Fransch ja; maar met de Fransche taal leert men er ook Fransche treken. Bij voorbeeld: hoe men oogkens en gezichtjes zal trekken en zijn mondje zal toenijpen om bevallig en beminnelijk te schijnen; hoe men ten voordeele eener romantische, dat wil zeggen geheime liefde, zijne ouders bedriegen zal; hoe men zich het hoofd vol geest- en lichaamuitputtende minnebeelden zal steken: hoe men zich met pommades van allerlei reuken zal bestrijken; hoe men het haarà la neige,en tire-bouchonsofà la chinoisezal krullen[11]; hoe men zich kleeden zalen négligé,en robe de villeofen costume de bal[12]; hoe men buigen en neigen zal volgens den staat der menschen: diep voor eenen rijke, bijna niet voor eenen burger en in het geheel niet voor een gering mensch.—Men leert er zotte Fransche liedekens, die, onder den naam van romancen, de driften te vroeg doen ontgloeien en aan een onwetend kind woorden en dingen leeren, die het niet weten mag;—in één woord, liederen, die onder een gulden bekleedsel voor jonge meisjes niets zijn dan zedenbederf, vergif en vuiligheid..... Is dit kennis, die een Christenmeisje, die eene burgerdochter betaamt?»
De dokter zag op dit oogenblik met blijdschap,dat zijne woorden indruk op zijne beide aanhoorders deden, en inderdaad, zij hielden hunne oogen strak in de zijne gevestigd en schenen beweegloos, alsof de zware stem van den ouden redenaar hen had verpletterd; willende het kind, dat hij beminde, geheel van de verderving bevrijden, ging hij voort op nog meer nadrukkelijken toon:
«En door het overdrijven van een onnatuurlijk en onverzadelijk liefdegevoel, wordt het hart dier jonge dochters dor en ledig; hunne ouders worden knorrepotten van de andere eeuw, oortjesdood! Hunne echtgenooten, die zij droogzakken en vijanden van het vermaak noemen, gelijken niet aan hunne ingebeelde jonkers en ridders; zij kunnen nimmer hunnen man oprecht beminnen; zij breken hunne trouw en spotten met al de wetten der eerbaarheid. Kendet gij het nest, waaruit al deze schoone zaken gesproten zijn! Wist gij, wat modderpoel van goddeloosheid en zedenbederf dat Parijs is, welks levenswijs gij uwe dochter wilt doen aanleeren! Beziet Hortense Spinael! Wat is zij anders dan eene wulpschecoquette, die met vijftig onkuische jongelingen te gelijk liefdewoorden spreekt, zich de ooren vol ijdelen klap laat blazen en dagelijks dingen hoort, die mijn berimpeld voorhoofd onder mijne grijze haren zouden doen rood worden, eene Dante, die nu reeds hare goede faam verloren heeft. Wat zal er van haar geworden? Fortuin doen? Neen, neen; zij zal zoolang met het vuur spelen, totdat zij zich brandt, en dan is het dartelen gedaan..... Van iedereen veracht en verfoeid, zal zij dan in tranen het overige van haar leven slijten en te laat eene eerbaarheid betreuren, die onwederroepelijk geschonden blijft.—O, mijne vrienden, is dit het lot, dat gij uw eenig kind, uwe goede Siska, wilt doen ondergaan? Zult gij voor God durven verschijnen, wanneer gij de zaligheid van uwe dochter met hare zeden zult hebben verspeeld, om anderen in de Fransche boosheid na te apen? Wilt gij ze verwijzen tot een leven van berouw en van wroeging, tot het storten van bloedtranen over hare geschondene eerbaarheid? O, zegt mij neen, ik bid u!»
Hier borst vader Van Roosemael in tranen los; hij wilde spreken, doch kon in het eerst niet, zoozeer verkropte hem de angst, dien het voorgeschetst lot van Siska hem had ingeboezemd. Hij stond op, vatte de hand van den dokter en riep eindelijk:
«Dank, dank, vriend. Uw wijze raad zal hier gevolgd worden; ik versta wel, dat mijne vrouw onze Siska naar het pensionaat van Hortense Spinael wil zenden; maar dat men er niet meer van spreke, hoort gij, vrouw, of ik zal u laten zien, dat uwe koppigheid slechts zoolang duren kan, als ik het wil verdragen!»
De vrouw begreep aan de klemmende stem van haren man, dat hij ditmaal de zaak ernstig meende; zij antwoordde koelbloediglijk:
«Nu, nu, zwijg er maar van. Gij moet daarom niet weenen. Dat Siska dan al te huis blijve, en zie, dat gij zelf er iets van maakt!»
Deze woorden bedroefden den dokter; hij begreep genoegzaam, dat moeder Van Roosemael niet bekeerd was, en bracht nog vele en verschillende redenen in tegen haar gevaarlijk voornemen. Eindelijk begon hij te gelooven, dat hij had gezegepraald en nam zijn afscheid, half vergenoegd en half droef.
Omtrent drie maanden later zag de dokter eens van verre meester Van Roosemael hem te gemoet komen. De man zag er ongemeen treurig uit en ging, tegen zijne gewoonte, zeer langzaam voort, alsof hij uit eene zware ziekte ware opgestaan. De oude Pelkmans, hem genaderd zijnde, vatte hem bij den pols en sprak;
«Niet ziek, hoop ik? Er scheelt toch iets aan; uw pols slaat zoo langzaam. Wat hebt gij, vriend?»
De goede Van Roosemael sloeg zijne oogen op, en terwijl twee tranen op zijne wangen vielen, zuchtte hij:
«Siska is naar het pensionaat!.....»
«Dit is niet erg,» bemerkte de dokter, «maar naar welke kostschool is zij?»
«Naar het pensionaat van Hortense Spinael! Word niet boos op mij, vriend Pelkmans; het is mijne schuld niet. De duivel heeft mijn huishouden twee maanden lang overhoop gezet, eer ik heb toegestemd; maar den zaag, den twist en het weenen van moeder en dochter kon ik niet langer uitstaan; ik ben er zuiver mager van geworden.»
Een gevoel van droefheid kwam het hart des dokters vervullen; dan, hij had medelijden met zijnen vriend en antwoordde glimlachend:
«Meester Van Roosemael, de oude Grieken schrijven van eenen wonderbaren held, dien zijHerculesnoemen. Deze heeft vele reuzenwerken uitgevoerd: rotsgebergten gekloofd, stroomen verdraaid, wilde stieren den nek omgewrongen, slangen platgenepen, ja, zelfs eenen draak met zeven hoofden den hals gebroken; maar dat hij in zijn geheele leven een vrouwenhoofd zou gebroken hebben, dit heeft menniet durven schrijven. Waarom zouden wij het dan kunnen?—Troost u toch, ik heb alles ten ergste opgegeven; het zal er waarschijnlijk zoo slecht niet gaan als wij denken, en in alle geval, Siska komt toch alle jaren tweemaal naar huis: dan zullen wij het kwaad al vroeg kunnen tegenhouden, indien wij het bemerken.»
De vader glimlachte troostvol en blij: hij drukte met dankbaarheid de hand des dokters en vervorderde zijnen weg met versnelde stappen.
[10]Door het woordcoquetteverstaan de Franschen eene mannenzottin, die zich met niets bezig houdt dan met modekleederen, pommades, blanketsel, geveinsden liefdezang, Fransche complimenten en anderen wind;—die, getrouwd of ongetrouwd, Jan en alleman tot vrijers zou willen hebben, en in de wereld niets veroorzaakt dan ergernis, huistwist en zedenbederf.Voortijds was dit soort van vrouwen in de Vlaamsche landen onbekend; ook bestaat er in onze moedertaal geen woord, dat metcoquetteovereenkomt. Wij hebben welLichtvink,Danteen nog een ander zeer bekend woord, dat ik niet zeggen wil; maar deze benamingen worden niet toegepast dan opcoquettender geringste klasse. Te Antwerpen zegt men nog wel, sprekende van eene juffer, wier goede faam niet zwaar weegt: het is eenhaantje! Zou dit het woordcoquetteniet zijn?
[10]Door het woordcoquetteverstaan de Franschen eene mannenzottin, die zich met niets bezig houdt dan met modekleederen, pommades, blanketsel, geveinsden liefdezang, Fransche complimenten en anderen wind;—die, getrouwd of ongetrouwd, Jan en alleman tot vrijers zou willen hebben, en in de wereld niets veroorzaakt dan ergernis, huistwist en zedenbederf.
Voortijds was dit soort van vrouwen in de Vlaamsche landen onbekend; ook bestaat er in onze moedertaal geen woord, dat metcoquetteovereenkomt. Wij hebben welLichtvink,Danteen nog een ander zeer bekend woord, dat ik niet zeggen wil; maar deze benamingen worden niet toegepast dan opcoquettender geringste klasse. Te Antwerpen zegt men nog wel, sprekende van eene juffer, wier goede faam niet zwaar weegt: het is eenhaantje! Zou dit het woordcoquetteniet zijn?
[11]Verschillende wijzen van het haar op te doen: op zijn sneeuwsch, op zijn kurketrekkersch, op zijn Chineesch.
[11]Verschillende wijzen van het haar op te doen: op zijn sneeuwsch, op zijn kurketrekkersch, op zijn Chineesch.
[12]Verschillende wijzen van kleeden: een morgenkleed, een wandelkleed, een balkleed.
[12]Verschillende wijzen van kleeden: een morgenkleed, een wandelkleed, een balkleed.
HOOG VLIEGEN, DIEP VALLEN
Siska was met nette burgerkleederen en eene welvoorziene kist vol nieuw lijnwaad naar de kostschool vertrokken; maar niet lang bevond zij zich daar, of zij begon onder allerlei voorwendsels en met schoone woorden om geld te schrijven. Haar eerste brief ving in dezer voege aan:
«Lieve en welbeminde Mama,
Ik ben het slechts gekleed van het geheele pensionaat; de andere mammezellen lachen mij uit en zeggen, dat ik eene boerin ben. Ik doe niets dan krijschen en ik heb veel verdriet en ik zal ziek worden, allerbeste mama, als gij geenecompassiemet uwe ongelukkige Siska hebt. De dochter van den coiffeur, die papa komt scheren, is hier ook op het pensionaat, en die is wel gekleed in het satijn en in de zijde gelijk de anderen; ik alleen loop met een licht katoenen kleêken en heb geenen hoed of geene bottinnen, dat ik heel krom geworden ben van schaamte en van met mijne oogennaar den grond te gaan. Ik word bleek en mager, en ik zal zeker ziek worden, lieve mama, als ik nog langer de verstootelinge van het pensionaat moet zijn.—Ik ben al in denTélémaque, en ik kan al zoo schoon dansen, dat de andere mammezellen er jaloersch over zijn.
De complimenten aan papa.
Uwe getrouwe dochter tot in den dood,Eudoxie van Roosemael.»
De moeder durfde dezen brief aan haren man niet toonen. Zij gevoelde wel, dat daarin de voorteekenen lagen van het kwaad, dat dokter Pelkmans had aangewezen: er heerschte reeds een toon van lichtvaardigheid in; het einde scheen haar uit een minnebrief ontleend te zijn, en met droefheid poogde zij de uitlegging te vinden van het woordEudoxie, dat zij eindelijk aanzag als de vertaling van den voornaamSiska. Uit medelijden tot hare dochter zond zij haar tweemaal zooveel geld als deze zou hebben durven verwachten. Dit geschiedde meer dan eens: Siska bezat nu alreeds de kunst om zoogezegde onnoozele leugens aaneen te knoopen, en de liefde harer moeder uit te persen als eene spons. Men zou zich kunnen verwonderen over deze spoedige verandering;—maar was zij dan alleen? Had zij in hare gezellinnen niet meer dan honderd leermeesteressen, die haar door woorden en voorbeelden in al de aardige en grillige ondeugden der luiheid en der wulpschheid onderwezen? O, dit deel harer Fransche opvoeding was onmiddellijk voltrokken. De eerste maand had zij een zijden kleed met gewatteerde borst: het wasde mode; de tweede maand eenen satijnen hoed met bloemen; de derde een zonnescherm ofparasol; de vierde een kleed met ontblooten hals; de vijfde gebruikte zij pommade en amandelmelk, en had ergens een zeer klein doosken verborgen, waarin zij van tijd tot tijd den vinger eens stak en dan hare blozende wangen met een schaamloos rood bestreek, alleenlijk maar om eens te beproeven, hoe zij er dan zou uitzien. Was dit geene zeer eerzame opvoeding, zooals de burgerdochters er eene moeten ontvangen?
Ja, maar de zesde maand nadert met snelle stappen, en het zal verloftijd ofvacantiezijn. Wat zal de dokter zeggen, als hij Siska zal zien met wulpsche kleederen, met een welriekend voorhoofd, met een genepen mondje en een altijd lachend gezichtje? Zal hij dat vrouwelijk hart kunnen doorgronden en zien, wat zaden van bederf er in ontkiemen? Voorzeker, dit zou hij hebben kunnen zien; maar op het oogenblik dat Siska gereedstond om naar het pensionaat te vertrekken, had hare moeder geheimelijk gezegd:
«Let op, Siska, dat gij nu wijs zijt,—en als gij met schoolverlof komt, wees dan niet te wild of te hoovaardig; want zoo dokter Pelkmans dit bemerkt, zal uw vader u niet meer laten teruggaan.»
Deze woorden waren niet in het oor van een doove gesproken. Siska had met hare gezellinnen dikwijls er om gelachen en geraadpleegd, hoe mendokter moeialzou bedriegen.
Zij kwam dan op eenen namiddag met hare moeder, die haar was gaan afhalen, aan de deur van den winkel afgestapt. Is dat wel de Siska, die wij kennen? Zie, wij misgrepen ons: zij draagt een zedig burgerkleed; het haar platgestreken, zonder krullen, geenenhoed, geene pommade en met het hoofd gebogen en de oogen nedergeslagen! Men zou zeggen: het isTruiken roert mij niet. De dokter ondervraagt haar; zij antwoordt zoo eenvoudiglijk, zij is zoo stil en zoo weinig van spreken, dat hij zich verloren geeft..... En Siska mag naar het pensionaat wederkeeren.
Terwijl de dochter van meester Van Roosemael de verfranschte opvoeding genoot, ging het niet zeer wel met den winkel en het huisgezin van meester Spinael. De Fransche jonkheid betaalde zeer zelden, en bij het einde van elk tooneeljaar lichtten al de komedianten den voet, welvoorzien van onbetaalde laarzen en schoenen. Hortense bracht er ook al een aardig geldeken door in kleederen en snoeperijen; misschien gaf zij somtijds wel iets weg aan hare kale vrijers. Kort gezegd: meester Spinael stak in de schuld tot over de ooren; zijn huis was reeds belast met eene zware rente.
In dezen droeven toestand begonnen de oogen van den schoenmaker open te gaan; de plakkaart, waarop de glans eener laars den aanschouwer verblindt, lag reeds lang gescheurd op den zolder, en er stond slechts nog een opschrift op het vensterraam:Magasin de souliers, en daaronderSchoenenmagazijn. Maar de Vlaamsche klanten hadden den weg tot zijnen kwakzalverswinkel vergeten; de te vroeg geborsten schoenen lagen hun nog in het geheugen..... En meester Spinael met zijne paletot, zijne chocoladekleurige broek en zijnen spinsbekken ketting, wist niet meer van wat hout pijlen te maken: hij was er doorgetobd, de vent!
De ondeugd is door hare natuur alleenheerschend;wanneer zij eens de baan tot het hart gevonden heeft en daar met vriendschap wordt ontvangen, wil zij het geheel alleen bezitten en rukt, tot den laatsten toe, al de wortelen der ingeboren deugden uit. Niets weerstaat aan hare onophoudende bevechting; alle gevoelens van rechtvaardigheid en plicht werpt zij uit hare woning, en zij neemt bezit van den mensch als van eenen slaaf. Dit ondervond meester Spinael op eene verschrikkelijke wijze. Hij was nu in zijne zaken tot het uiterste punt geraakt: overladen met schulden, arm en lijdend, betreurde hij zijne onvoorzichtigheid en poogde in de deelneming zijner dochter eenen troost te zoeken; maar van haar kreeg hij niets dan schandelijke verwijten, en ondanks het gebrek, waarin hij leefde, ging de ondeugende Hortense voort in allerlei verkwistingen en in schuld te maken om hare wulpschheid te voeden.
Weinig tijds daarna kwam Jan Spinael, of liever Jules, zoo hij zich noemde, van Parijs terug; doch in stede van bij den schoenmakersdrieprikkel neder te zitten en zijnen ongelukkigen vader voort te helpen, had de jongen nergens trek naar dan naar schoone kleederen, koffiehuizen afloopen, biljart spelen, sigaren rooken en Franschen wind verkoopen. Hij ging met zijne zuster eene vloekbare samenspanning aan tegen den onmachtigen vader: zij deden hem zijn huis verkoopen en begonnen onder zijne oogen schoon weder te spelen met het weinige, dat er, na het afleggen der renten, overschoot. Allengs verviel meester Spinael tot dat punt van armoede, dat de kleederen en het gelaat deze komen verraden; zijne ellebogen staken door zijne mouwen; hij was vuil en onzindelijk, daar hij zelfs den moed niet meer had om pogingen tot het verbergen zijner ellende te doen. Zijne kinderen waren desniettemin schoon gekleed en leefden, met verachtelijke onbeschaamdheid, in weelde onder het oog huns vaders. Ongetwijfeld hadden zij van het geld een deel verborgen, om tot hunne dartelheid te gebruiken, en zij weigerden nu, doemelingen als zij waren, hunnen vader er deel in te geven.
Op eenen Zondag, dat meester Spinael, uit schaamte voor zijne gescheurde kleederen, zelfs niet ter kerk had durven gaan, en dat hij, met de tranen in de oogen en met het hoofd gebogen, zijnen levensloop en de boosheid zijner kinderen overdacht, kwam er een jonge heer (kleermaker of edelman, het was in zijnen persoon niet te onderscheiden) naar Jules en Hortense Spinael vragen. Hij zag den droeven man voor den knecht des huizes aan en sprak in gebroken Fransch tot hem:
«Garçon, va dire à M. Jules et à MlleHortense, qu'on les attend pour partir[13].»
En alzoo de verbaasde Spinael den jonker roerloos, aanzag, viel deze onbeschoft tegen hem uit:
«Ah ça, veux-tu bien m'annoncer, insolent valet[14]?»
(Deze woorden had hij geleerd uit de laatstevaudeville, die men op hettheaterhad gespeeld.)
Eensklaps werd Spinael ongemeen bleek en beefde schrikkelijk; zijne oogen schoten stralen vuurs op den jonker; maar deze, hierover vergramd, hief zijnen gaanstok in de hoogte en riep dreigend:
«Maraud, je te rosserai[15]!»
Een schreeuw van woede ontsnapte de borst van Spinael; hij stond op, vatte eenen spanriem van den grond, sloeg den jonker er mede in het aangezicht en wierp hem op de straat, eer hij den tijd had om een woord te spreken. Dan, nog bevende, sloot hij zijne deur toe en klom de trap op, om zijne kinderen te gaan vinden. Sedert lang had Spinael den moed niet gevonden om hun de minste verwijting toe te sturen: doch nu de woede hem bezielde, durfde hij het wagen, hun al de schandelijkheid van hun gedrag onder het oog te leggen. Hij vond hen in groottoilet, metparasolen gaanstok in de hand, gereed om, volgens dat zij zeiden, met een gezelschap naar Brussel een speelreisje te gaan doen. De verwijten des vaders waren streng en drukkend, maar het misprijzen, waarmede deze godvergeten kinderen ze ontvingen, was oneindig. Hoe meer de gramschap des vaders klom, hoe onbeschaamder de kinderen werden, en nadat zij hem eenige oogenblikken hadden uitgelachen, wenschten zij hem spottend goeden dag en meenden uit te gaan.
De vader, door zooveel boosheid in blinde razernij ontstoken, sprong voor de deur om hun den uitgang te beletten, en riep:
«O, gij slangen, het is u niet genoeg mij tot den bedelzak gebracht te hebben, nog zoudt gij mij gaarne doen sterven door uwe spotternij! Niet genoeg is het, dat gij in schandelijke weelde de vruchten van mijn zweet verkwist, terwijl ik, als een bedelaar, zonder kleederen en zonder het noodige voedselleven moet; niet genoeg, dat een schaamtelooze modejonker mij voor den knecht mijner kinderen aanziet en mij in het aangezicht spuwt, dat hij mij als eenen knecht zal slaan; niet genoeg, dat ik hier honger lijd en bittere tranen stort, terwijl gij in losbandige vermaken zwemt;—ik moet sterven als een hond, niet waar? Van iedereen veracht en door u verfoeid, in het graf zinken, zonder dat mijn dood een enkel gevoel van droefheid of van medelijden doe ontstaan! Maar het is gedaan: de maat is vol! Gij zult niet uitgaan; en zoo gij niet oogenblikkelijk deze weeldekleederen afwerpt, zal ik u onder mijnvoeten verpletteren gelijk ongedierte, dat gij zijt!»
Afbeelding: En bezag den inkomende met stijve aandacht. (Bladz. 35.)
Een schaterende lach begroette des vaders toorn, en hij zag genoegzaam, dat zijne bedorvene kinderen noch aan zijne macht, noch aan zijnen wil geloof gaven. De zoon naderde stoutelijk tot bij de deur en poogde zijnen vader met geweld er van weg te rukken.....
Hier volgde nu een tooneel van onnoemelijke boosheid, welks beschrijving ons walgt.
Eenige oogenblikken later gingen Jules en Hortense Spinael de huisdeur uit; aan de roode kleur, die hunne aangezichten deed gloeien, en aan de moeite, welke zij aanwendden om hunne verkrookte kleederen te schikken, kon men genoeg bemerken, dat zij uit eene hevige worsteling kwamen; niettemin, zij lachten spottend als menschen die over eenen misprijsbaren vijand gezegepraald hadden, en namen weldra hunnen gang om het reisgezelschap te gaan vinden en in de hoofdstad zich aan dwaze vermaken te gaan overleveren.
In tusschentijd was de ongelukkige vader bezig met het bloed te stelpen, dat hem van het aangezicht leekte.
Eene maand later, op eenen Zaterdag, zat vader Van Roosemael in zijne achterkamer rekeningen uit een groot boek te schrijven; sedert meer dan een uur zocht hij met hardnekkigheid naar de driedeniers, die hem bij elke optelling ontsnapten. Zijn voorhoofd glom met het vuur der drift, en zijne hersens waren reeds duizelig geworden, toen hij met wanhoop uitriep:
«Wel, wel, is dat zoeken! Al die posten, op devingeren geteld, maken toch vijf en zestig guldens, acht stuivers en vijf deniers; en op dit schelmachtig papier kan ik slechts twee deniers krijgen! Ik kon de drie deniers wel laten schieten en ze verliezen, maar dit is de zaak niet; het moet uitkomen: ieder 't zijne, dan heeft de duivel niets! Nog eens gerekend!»
Op dit oogenblik, dat Van Roosemael inderdaad opnieuw zijne drie deniers begon na te jagen, ging de deur der kamer open, en een man trad vreesachtig binnen; de winkelier sprong met verbaasdheid van zijnen stoel op en bezag den inkomende met stijve aandacht, doch zonder spreken. De man, die slechts twee stappen in de kamer waagde, was tot het uiterste punt van ellende vervallen: mager, bleek, met verward haar, gescheurde kleederen en gapende schoenen, stond hij daar als iemand, die om eene aalmoes komt bidden. Van Roosemael herkende hem in het eerst niet en zag hem met vragende blikken aan; onder zijn gezicht ontstelde zich de man, en twee tranen schoten hem blinkend onder de oogleden.
«Meester Spinael, wat wilt gij van mij?» vroeg eindelijk de winkelier met mistrouwen. «Indien gij weder hier komt om mij geld te ontleenen, kunt gij gerust vertrekken, want ik ben niet te huis voor zulke zaken.»
Tranen sprongen bij deze woorden in overvloed uit de oogen van Spinael.
«Meester Van Roosemael,» zuchtte hij, «ik kom hier niet om u geld te ontleenen of te vragen. Wist gij, hoe ongelukkig ik ben, gij zoudt mij niet verstooten: iedereen veracht mij, en ik heb zelfs den troost niet meer om aan iemand van mijne ellende tekunnen spreken. Ik heb u bedrogen, Van Roosemael, maar gij zijt eens mijn vriend geweest; weiger mij nu ook ten minste uw medelijden niet!»
Met verbaasdheid luisterde de winkelier op de smeekende stem van Spinael; hij begreep oogenblikkelijk, dat men van hem geen bedrog meer te vreezen had, en dat eene ongeveinsde en diepe ellende den man had getroffen, die lang zijn boezemvriend en zijn broeder was geweest. De ingeborene edelmoedigheid nam in zijn hart de overhand; zijne oogen begonnen insgelijks door de toevloeiing van eenen bedwongen traan te blikkeren; hij vatte de hand van Spinael, trok eenen stoel bij en sprak:
«Gij zijt ongelukkig, vriend, ik zie het. Welaan, alles is vergeten. Zit neer en zeg mij, wat kan ik voor u doen? Vrees niet, ik zal u behulpzaam zijn, kost wat kost!»
«De eenige weldaad, die ik van u vragen durf, is, dat gij mij toelaat u mijn lijden te vertellen en mijne smart uit te storten in het hart van den eenigen oprechten vriend, dien ik heb gehad. Lange jaren heb ik u gevlucht, Van Roosemael; niet omdat ik u niet achtte en beminde, maar omdat ik mij schuldig gevoelde en onder de oogen van een rechtzinnig man niet verschijnen durfde. Nu is het met mij zooverre gekomen, dat ik mijn vaderland verlaten moet en, als een zwerver, mijne schaamte en mijn lijden in eene vreemde streek moet gaan verbergen. Ik ben stout genoeg, Van Roosemael, om te denken, dat gij mij uwe vergiffenis schenken zult, voordat ik vertrekke, om nooit de plaats mijner geboorte weder te zien.»
Deze woorden, op den toon van diepe smartgesproken, ontroerden den winkelier zeer; hij greep de hand van Spinael met diepe belangstelling en sprak:
«Ongelukkig zijt gij, ik twijfel er niet aan; maar uw vaderland verlaten, Spinael? Neen, neen, wanhoop niet. Ik speel wel voor oortjedood[16]in mijnen handel, omdat er moet gezorgd worden; maar dit kan mij niet beletten den eenigen vriend, dien ik heb gehad, uit den nood te redden, al moest ik zelfs daartoe een groot gat in mijn goed maken. Dus spreek, Spinael, spreek stoutelijk, gij zult mij verheugen; want ik wil u helpen.»
Een dankbare glimlach kwam het vermagerd gelaat van Spinael beglanzen, terwijl tranen over zijne wangen rolden; hij sprak met ontroerde stem:
«Ik zegen den goeden God, dat Hij mij inboezemde bij u mijnen laatsten troost te zoeken, Van Roosemael. Sedert een jaar is dit mijn eerste oogenblik van vreugde: dank moet gij daarvoor hebben! maar luister op mijne woorden, en gij zult zelf begrijpen, dat het onmogelijk is, mij eene andere hulp dan die van een vriendelijk medelijden te schenken..... Gij weet, wat dwaze gedachte mij aandreef tot het navolgen der Fransche lichtzinnigheid; ik heb de vaderlijke zeden en de Vlaamsche eerlijkheid afgezworen om in bedriegerij mijn geluk te zoeken, en ik waagde in dat gevaarlijk spel de vruchten van mijn vorig zwoegen tegen valschen schijn. Het spreekwoord zegt de waarheid, vriend: beter één vogel in de hand dan zeven in de lucht. Hadde ik dit begrepen! Maar tot mijn verderf hebik niet alleen mij zelven aan de valschheid overgegeven, ik heb ook gewild, dat mijne kinderen aan den vergifkelk der Fransche beschaving dronken. Dit is de bitterheid mijner ellende; hadde ik mijne dochter Theresia nooit naar een Fransch pensionaat gedaan, zoo ware ik meester Spinael..... Maar gij wordt bleek, Van Roosemael, gij beeft?»
«Het is niets, ga voort. Ik dacht aan onze Siska, die ook in een Fransch pensionaat is.»
«Doe ze terugkomen, Van Roosemael,—ik bezweer u, doe ze terugkomen!—Reeds zult gij ze niet meer herkennen!»
«Gij hebt misschien gelijk, vriend; maar ga voort, ik wil weten of ik u niet helpen kan.»
«Ziet gij, Van Roosemael, er bleef mij nog genoeg over, om mijne spelden van het kussen te trekken[17], zoodra ik mijnen aanstaanden val zou hebben voorzien; doch er zijn nochvaders, nochkinderenin de Fransche beschaving. Ik was de knecht en zij de meesters. Zij hebben gegeten, gedronken, gespeeld, gedanst, totdat alles op was; dan zijn zij immer in hunne ondeugd voortgegaan, hebben schuld gemaakt en alles verkocht, wat ik liggen of roeren had, mij voor gek en dom uitmakende en mij bespottende, wanneer ik waagde hen met goede of kwade woorden toe te spreken. Vóór eene maand hebben zij de maat hunner boosheid gevuld..... Zij hebben mij geslagen, Van Roosemael, geslagen, dat het bloed mij over het aangezicht liep.—Ik ben ziek geworden, en zij hebben mij zonder zorg laten liggen, alsof zij om mijnen dood wenschten.....»
Hier zweeg Spinael; zijne stem had bij de laatste woorden eenen doffen toon verkregen, die genoeg deed hooren, hoe het vertellen dier daad hem de borst beneep. De winkelier zweeg insgelijks; hij kon niet gelooven wat hij hoorde.
«En nu,» hernam Spinael, «nu mijn huis ledig is, alsof nooit iemand er had in gewoond,—nu alles door hen is weggedragen, tot het deksel van mijn bed toe, nu zijn zij vertrokken. Mijne dochter, die ik zoo zeer beminde en nog bemin, ondanks haar misdadig gedrag, mijne Theresia loopt te Brussel met eenen komediant..... Mijn zoon Jan, uw ongelukkig petekind, is terug naar Parijs. Wat mij betreft, vriend Van Roosemael, ik moet het land uit: alwien ik ontmoet, is mijn schuldeischer en beticht mij van bedrog en aftruggelarij. Met het ongeluk is mij het gevoel van eer teruggekomen: ik kan zóó niet leven..... En wat kan ik er aan doen? Niemand geeft mij te werken, men weigert bij andere schoenmakersbazen mij als knecht aan te nemen; ik heb geen eten, geen deksel op mijn bed, geene kleederen; mijn huis is aan andere personen verhuurd, ik moet het overmorgen verlaten. O, Van Roosemael, ik heb hoog willen vliegen en ben, eilaas, diep gevallen, gij ziet het!»
Van Roosemael had met aandacht en met vochtig oog op het verhaal zijns vriends geluisterd; nu deze gedaan had met spreken, riep hij bijna in gramschap:
«Maar, Spinael, ik weet niet, waarom gij mij wilt verbergen, wat ik verlang te weten! Gij zegt, dat gij het land uit moet; dit is mij niet zonneklaar bewezen. Een echt vriend kan veel doen, als hij wil. Laat hooren, tot hoeveel beloopt uwe schuld?»
«Ik begrijp u,» riep Spinael met bewondering uit, «maar ik zal het niet lijden. Genoeg gelukkig ben ik, te zien dat er nog een mensch is, die mij zijner hulp waardig acht. Laat mij vertrekken, Van Roosemael, ik zal werken als een slaaf; en, kan ik alles, wat ik schuldig ben, toch niet betalen, voordat ik de wereld verlate, zoo zal de goede wil mij niet ontbroken hebben. Geef mij de hand als een troostend vaarwel, en bid somtijds voor mijne kinderen, vriend!»
Eensklaps scheen de winkelier van zijn voornemen af te zien en stond van zijnen stoel op, zeggende:
«Wilt gij niet, ik kan er niet aan doen; maar gij zult toch met mij den wijn der goede reis drinken: ik heb nog een puik fleschken van het jaar Elf in mijnen kelder. Zit neer, Spinael, geen moed verloren: er loopt op een jaar zooveel water door de Schelde; een ongeluk is gauw gekomen, maar een geluk komt ook onverwachts. God weet, gij moogt niet wanhopen. Zit neer!»
Met deze woorden liep hij naar den kelder en kwam weinige oogenblikken daarna terug; hij plaatste twee romers op de tafel, schonk ze vol tot aan den boord en sprak:
«Kom, Spinael, als gij dan toch vertrekken wilt, op uwe welvaart en gezondheid! Een goed glas, niet waar? Nu, vermits gij in alle geval mijne hulp niet wilt aanvaarden, zeg mij dan tot hoeveel beloopt uwe schuld, en hoe denkt gij ze te kunnen betalen: met werken wint men niet veel, als men geenen handel drijft, dit weet gij wel.»
«Ja, ik weet het zekerlijk; dan, wat onmogelijk is, kan men niet doen; maar voor de gerustheid vanmijn eigen geweten zal ik het brood uit mijnen mond sparen om jaarlijks iets van mijn schuld af te leggen, en, wie weet, indien God mij een lang leven verleende, zou ik misschien nog wel geheel effeu kunnen geraken; want zeshonderd guldens kunnen toch wel, stuiver voor stuiver, op twintig jaren bijeengezameld worden.»
«Zeshonderd gulden, zegt gij? Hollandsche guldens?»
«Neen, Brabantsche. Ik ben veel meer schuldig geweest; maar toen mijn huis verkocht werd, is ieder zoo al met een stuk er van gaan loopen.»
«Zeshonderd guldens Brabantsch,—zonder stuivers of deniers?»
«Zestien stuivers, zeven deniers. Gij ziet, dat ik mijne rekening van buiten weet.»
«Laat ons nog eens drinken, Spinael,—Ja, het is zeker mogelijk die som in te winnen; en uwe kinderen zullen ook wel beteren: iedereen is jong of is jong geweest, Spinael; het verstand komt niet vóór de jaren, zegt het spreekwoord. Ik zie, dat wij bij onzen wijn niets te brokkelen hebben. Een oogenblik, ik ga wat krakelingen halen.»
Meester Van Roosemael bleef tamelijk lang weg, langer dan men tot het halen van iets noodig heeft. Terugkomende, plaatste hij eenen schotel met krakelingen op de tafel, en sprak op ernstigen toon tot den ontroerden schoenmaker:
«Spinael, wij zijn te zamen opgevoed als gebuurkinderen; uw vader was de beste vriend van mijnen vader; wij hebben te zamen gespeeld, en tot de veertig jaar toe zijn wij als broeders onscheidbaar gebleven; gij zijt nooit mijn vijand geweest, wantanders zoudt gij mij uw ongeluk niet komen vertellen; ik bleef altijd uw vriend, anders zou uwe smart mij de tranen niet uit de oogen persen. Ergo, dus heb ik het recht om u in uwen nood bij te staan en u ten minste wat geld te leenen om op reis te gaan; maar, alzoo de goede rekeningen de beste vrienden maken, verlang ik, dat gij mij een ontvangbewijs gevet van het geld, dat ik u leen. Ziehier een geschreven bewijs; teeken het, zooals het gevouwen is, zonder de som te lezen; ik wil niet, dat gij met vijf of tien gulden op reis gaat en gebrek lijdt: en, om van uwentwege geene tegenspraak te veroorzaken, verzoek ik u als vriend: doe mij het vermaak, teeken zonder zien.»
Spinael, die inderdaad geen oortje in zijn bezit had en misschien innerlijk verblijd was over het zoo gelukkig vinden van eenen vriend, edelmoedig genoeg om hem reisgeld te leenen, drukte de hand des winkeliers, nam de pen en teekende.
Van Roosemael rukte de geteekende kwitantie van onder zijne hand, hief zijn glas in de hoogte en riep:
«Dat gaat op uwe welvaart in ons dierbaar vaderland, vriend!—En op de welvaart van uwen nieuwen winkel! Op! op! bescheid gedaan aan deze blijde teug! Bezie mij zoo niet, vriend Spinael, gij zijt in het net. Gevangen! gevangen! Hoera! hoera!»
«Ik versta niet wat gij zeggen wilt!» riep de verbaasde Spinael. «Gij lacht zoo vroolijk, dat ik zelf mij er in verheug, maar wat is er toch gaande?»
«Wat er gaande is? Zie eens, voor hoeveel gij mij kwitantie hebt gegeven.»
Dit zeggende, toonde hij Spinael op eenen afstandhet papier, en wees met den vinger ter zijde, waar het getal 1000 met groote cijfers stond uitgedrukt.
«Duizend gulden!» viel Spinael uit, terwijl hij naar het papier greep, zonder het te kunnen vatten. «Duizend gulden!»
«Ja, duizend gulden wisselgeld!» riep Van Roosemael zegepralend uit, terwijl hij eenige briefjes en eenen zak met geld op de tafel wierp. «En daar ligt de som!»
«Ik wil niet! O, dwing mij niet tot het aanvaarden van dit geld!» smeekte de schoenmaker, wiens tranen van ontsteltenis als beken begonnen te stroomen. «O, denk niet, dat ik gekomen ben tot zulk einde.»
«Gij zult de gekheid toch niet begaan mij deze kwitantie te laten behouden zonder het geld te nemen..... Maar luister, Spinael, de blijdschap vervoert mij; laat ons ernstiger spreken. Ik ben rijk; mijn eenig kind Siska kan geen gebrek lijden, indien zij het niet zoekt; onze winkel is jaarlijks eenige duizenden waard: wij bezitten eigendommen en liggend gel. Wat zijn die duizend guldens voor mij? Niets..... eenige maanden oplettendheid. En zou ik mijnen eenigen vriend laten gaan dwalen en zwerven voor zulke kleinigheid? Hoor, wat mijn voornemen is: gij gaat uwe schuldeischers betalen,—zij zullen dan van vijand vriend worden;—ik heb hier achter den hoek een huis ledig staan; daar gaat gij in wonen. Gij koopt leder en neemt gasten; ik zal u bijstaan, totdat uw handel gaat; gij schrijft boven uwen winkel niets anders danJan Spinael, meester-schoenmaker; gij levert goed werk, in trouw en in rechtzinnigheid; ik zal u klanten genoeg aanbrengen, en,alzoo er op uwe kwitantie geen betaaltijd is aangewezen, zult gij allengskens het geleende geld wel kunnen teruggeven. Als uwe kinderen door het ongeluk zullen geleerd zijn, zullen zij van zelf terugkomen en om uwe vergiffenis bidden.—En nu, vriend Spinael, stel u maar gauw in uwen vorigen staat; want Zondag, na het Lof, gaan wij te zamen naar de Steenenbrug eene flesch dubbele seef drinken en een uurken op de ton spelen. Ik geef u honderd vóór, zoo gij durft!»
«Zou ik dat van uw goed hart aannemen?» riep Spinael als verdwaald.
«Hier, in mijne armen!» antwoordde Van Roosemael. «Ik heb vandaag voor meer dan tienduizend gulden geluk. In mijne armen, vriend Spinael, gauw!»
De twee vrienden omhelsden elkander met tranen van vreugde en bleven eenige oogenblikken sprakeloos. Dan dronken zij, insgelijks zonder spreken, elk eenen romer wijn tot op den bodem ledig.
Van Roosemael zeide eindelijk met verkalmd gemoed:
«Spinael, gij moogt aan mijne vrouw niets er van zeggen. De vrouwen zijn ook wel edelmoedig, maar op hunne manier: zij willen zelden lijden, dat hun man het zij. Betaal de huishuur aan haar en houd u, alsof gij van niets wist. Pas nu maar op voor de Fransche jonkheid van zaliger memorie!»
«Het heeft geen nood, vriend. Een ezel stoot zich geene tweemaal tegen denzelfden steen; de put is gevuld, het kalf kan er niet meer in. Ik ken de vogels, zij hangen aaneen met treken en slenders, en ik ben er zoodanig op gebeten, dat een paar schoenen, in het Fransch gevraagd, eene slechterecommandatiebij mij zal zijn.»
«Ho, ho, Spinael, zooverre moogt gij het ook niet drijven. De Franschen, die hier als burgers in Antwerpen wonen en handel drijven, ken ik altemaal voor eerlijke menschen, en ik tel er vele van mijne beste klanten onder; maar die kale Ratten, die hier sedert het jaar Dertig als naar het Luilekkerland komen geloopen, dat zijn de gauwkens, die gij in 't oog moet houden. Kom, wij gaan naar uwe nieuwe woning zien: het is een schoon huis, man. Steek dat geld en die briefkens weg.»
Eenige dagen later woonde Spinael in het huis, dat Van Roosemael hem had geleend of verhuurd, de winkel was voorzien van schoenen en leder, twee gasten zaten nevens Spinael te werken. In minder dan eenige maanden tijds had hij vele klanten, deels door de deugd van het werk, dat hij leverde en deels door de onophoudende aanbeveling van Van Roosemael. Elken Zondag gingen de twee vrienden naar de Steenenbrug en speelden des avonds in de eene of andere herberg hunnen smousjas: in één woord, zij hadden al hunne vorige gewoonten hernomen; en, ware het niet het lot der kinderen van Spinael geweest, zoo hadden de beide vrienden zich wellicht over al het gebeurde verblijd.