DERDE BOEK. INZAMELEN.XXIX.NOG IETS NOODIGS.Toen Louisa uit hare bezwijming ontwaakte en kwijnend hare oogen opsloeg, lag zij thuis in haar eigen bed, in hare oude gewone kamer. Het was haar in ’t eerst, alsof al wat er gebeurd was, sedert den tijd toen die dingen haar gemeenzaam waren, slechts een verwarde droom was geweest; maar langzamerhand, naarmate de werkelijkheid dier voorwerpen duidelijker werd, kwam ook het werkelijk gebeurde haar duidelijker voor den geest.Haar hoofd was zoo zwaar en pijnlijk, dat zij het nauwelijks kon oplichten; hare oogen gloeiden, en zij gevoelde zich zeer zwak. Zekere zonderlinge lijdzame achteloosheid had zich zoozeer van haar meester gemaakt, dat de tegenwoordigheid harer jeugdige zuster in het vertrek een tijdlang hare aandacht niet eens trok. Zelfs toen hare blikken elkander ontmoet hadden, en het meisje bij het bed kwam, lag Louisa haar nog een poos stilzwijgend aan te zien, en liet haar schroomvallig hare machtelooze hand vasthouden, eer zij vroeg:„Wanneer ben ik hier in de kamer gebracht?”„Gisteravond, Louisa.”„Wie heeft dat gedaan?”„Sissy, geloof ik.”„Waarom gelooft gij dat?”„Omdat ik haar van morgen hier heb gevonden. Zij kwam niet bij mij aan bed om mij wakker te maken, gelijk zij altijd doet, en ik ging daarom naar haar zien. Zij was ook niet in hare eigene kamer, en ik ging het geheele huis door naar haar zoeken, tot ik haar hier vond, bezig met u op te passen en uw hoofd koel te houden. Wilt gij vader zien? Sissy heeft mij gezegd, dat ik hem roepen moest als ge wakker werdt.”„Welk een lief vriendelijk gezichtje hebt gij toch, Jane!” zeide Louisa, toen hare zuster nog schroomvallig, zich over haar heen boog om haar een kus te geven.„Heb ik? Ik ben blij, dat ge dat zoo vindt. Dat moet ik zeker aan Sissy te danken hebben.”De arm, dien Louisa om den hals harer zuster wilde slaan, werd weder teruggetrokken.„Gij kunt het vader gaan zeggen, als ge wilt,” zeide zij; en toen haar nog even terughoudende, vervolgde zij: „Gij zijt het zeker, die mijne kamer zoo vroolijk hebt gemaakt, om mij te laten zien, dat ik welkom was.”„O neen, Louisa, dat was al gedaan eer ik hier kwam. Het was...”Louisa keerde zich om, drukte haar hoofd in haar kussen en hoorde niet meer. Toen hare zuster heengegaan was, keerde zij zich weder om en bleef met haar gezicht naar de deur liggen, totdat haar vader die opendeed en binnentrad.Zijn uitzicht gaf angst en afmatting te kennen, en zijne hand, gewoonlijk zoo vast, beefde in de hare. Hij zette zich naast het bed neer, vroeg met teedere bezorgdheid hoe zij zich bevond, en sprak over de noodzakelijkheid omzich, na de aandoeningen van den vorigen avond, zeer stil te houden. Hij sprak met eene zwakke, haperende stem, zeer verschillend van zijn gewonen gebiedenden toon, en moest dikwijls naar woorden zoeken.„Mijne lieve Louisa, mijne arme dochter...” Hier was hij zoo in de war, dat hij geheel bleef steken. Hij beproefde het nog eens.„Mijn ongelukkig kind!” Het was zoo moeielijk over dat begin heen te komen, dat hij het nog eene derde maal moest beproeven.„Het zou vruchteloos zijn, Louisa, als ik u poogde te zeggen, hoe die onverwachte ontdekking van gisteravond mij getroffen heeft en nog aandoet. De grond, waarop ik sta, is niet vast meer onder mijne voeten. De eenige steun waarop ik leunde, en waarvan de kracht niet te betwijfelen scheen en nog schijnt, is in een oogenblik bezweken. Ik ben bedwelmd en versuft door die ontdekkingen. Het is niet uit eigenliefde, dat ik zoo spreek; maar ik gevoel dat de slag, die mij gisteravond heeft getroffen, waarlijk zeer zwaar is.”Zij kon hem in dit opzicht geen troost geven. Geheel haar levensgeluk had schipbreuk geleden op de rots, waarop het zijne nu had gestooten.„Ik wil niet zeggen, Louisa, dat het beter voor ons beiden zou zijn geweest als ge mij door een gelukkig toeval vroeger uit den droom hadt geholpen—beter voor uwe gemoedsrust, beter voor de mijne; want ik weet wel, dat het niet tot mijn systeem behoorde een vertrouwen van dien aard uit te lokken. Ik heb mij voor mij zelven van de waarheid vanmijnsysteem overtuigd en mij gestreng daaraan gehouden; en de verantwoordelijkheid van het valsche daarvan moet ik nu ook dragen. Ik bidt u alleen, mijn geliefkoosd kind, geloof toch dat ik gedacht heb wèl te doen.”Hij zeide dit zeer ernstig en hij sprak ook de waarheid. Toen hij de grondelooze diepte met zijn ellendig maatstokje had willen peilen, en zijn roestigen, stroeven passer waggelend over het gansche heelal liet stappen, had hij gemeend groote dingen te doen. Binnen de grenzen van het korte touw, waarmede hij aan zijn systeem gebonden was, had hij rondgetrappeld en met grooter oprechtheid van bedoeling, dan vele der blatende wezens, met welke hij verkeerde, de bloemen des levens verwoest.„Daarvan houd ik mij wel verzekerd, vader. Ik weet dat ik uw geliefkoosd kind ben geweest. Ik weet dat ge mij gelukkig hebt willen maken. Ik heb u nooit iets verweten en zal dat ook nooit doen.”Hij vatte hare toegereikte hand en hield die in de zijne.„Kindlief, ik ben den geheelen nacht aan mijne tafel blijven zitten, onophoudelijk nadenkende over de smartelijke ophelderingen, die er tusschen ons hebben plaats gehad. Als ik uw karakter beschouw, als ik overweeg, dat hetgeen ik nu sedert eenige uren weet, jarenlang door u is verborgen gehouden; als ik bedenk, door welken onmiddellijken drang het u eindelijk is afgeperst, kom ik tot het besluit, dat ik niet anders doen kan dan mij zelven wantrouwen.”Hij had er nog meer dan dit alles kunnen bijvoegen, toen hij bemerkte hoe zijne dochter hem nu aanzag; en hij deed dit misschien metterdaad, toen hij hare hangende haren zacht van haar voorhoofd streek. Zulke kleine bedrijven, bij een ander onbeduidend, waren bij hem iets opmerkelijks; en zijne dochter nam dit van hem aan, als ware het eene betuiging van het diepste naberouw geweest.„Maar,” zeide mijnheer Gradgrind langzaam en aarzelend, en tevens met een rampzalig gevoel van hulpelooze verlegenheid; „als ik reden zie, mij zelven ten opzichte van het verledene te wantrouwen, moet ik dat ook voor het tegenwoordige en de toekomst doen. Om zonder achterhoudendheid met u te spreken, doe ik dat ook waarlijk. Ik gevoel mij thans verre van overtuigd, hoe geheel anders ik gisteren ook daarover mag gedacht hebben, dat ik geschikt ben om het vertrouwen, dat gij in mij stelt, te beantwoorden; dat ik zal weten te voldoen aan den rechtmatigen eisch, dien gij mij zijt komen doen; dat ik het rechte instinct heb—om voor een oogenblik te vooronderstellen, dat er eene eigenschap van dien aard bestaat—om u te helpen en den rechten weg te wijzen, mijn kind.”Zij had zich op haar kussen omgekeerd en lag met haar gezicht op haar arm, zoodat hij het niet zien kon. Al hare woestheid en hartstochtelijkheid was verdwenen; maar hoewel haar gemoed was verzacht, kon zij nog niet tot tranen komen. De grootste verandering, die er bij haar vader was voorgevallen, bestond daarin, dat hij nu blijde zou geweest zijn als hij haar had zien schreien.„Sommigen beweren,” vervolgde hij, nog aarzelende, „dat er eene wijsheid van het hoofd en ook eene wijsheid van het hart is. Ik heb zoo niet gedacht; maar, gelijk ik gezegd heb, ik wantrouw nu mij zelven. Ik heb ondersteld, dat het hoofd alleen voor alles voldoende was. Misschien is het dat niet; want hoe zou ik dezen morgen durven zeggen, dat het voor alles voldoende is? Indien eens die andere soort van wijsheid juist datgene mocht zijn wat ik verzuimd heb, juist het instinct, dat mij ontbreekt, Louisa...”Hij zeide dit zeer weifelend, als ware hij zelfs nu nog half onwillig om het toe te stemmen. Zij gaf geen antwoord, en bleef voor hem op het bed liggen, nog half gekleed, bijna gelijk hij haar den vorigen avond in zijne kamer op den grond had zien liggen.„Louisa,” hervatte hij, en zijne hand rustte weder op haar hoofd, „ik ben in den laatsten tijd veel van huis geweest, en schoon deopvoedinguwer zuster volgens het—het systeem is ingericht”—hij scheen thans dit woord telkens met grooter tegenzin uit te spreken—„is zij toch noodwendig gewijzigd geworden door den invloed van een dagelijkschen omgang, die bij haar reeds op vroeger jaren begonnen is. Ik vraag u—nederig en als een onkundige, mijne dochter—-denkt gij, dat dit tot haar bestwil zou zijn geweest?”„Vader,” antwoordde zij zonder zich te bewegen, „als er in hare jeugdige borst eene harmonie is opgewekt, die in de mijne stom is gebleven tot zij in wanklanken veranderde, laten wij dan den hemel daarvoor danken, haar stil op haar gelukkigen weg laten voortgaan, en het den grootsten zegen voor haar achten, dat zij mijn weg heeft vermeden.”„O, mijn kind, mijn kind!” zeide hij, met wanhopige neerslachtigheid in zijn toon; „ik ben een ongelukkig man, dat ik u zoo zie! Wat baat het mij, dat gij mij niets verwijt, als ik mij zelven zulke bittere verwijten doe!” Hij boog zijn hoofd, en vervolgde, zeer zacht sprekende: „Louisa, ik twijfel er aan, of er niet hier in huis en om mij heen langzamerhand eene verandering is bewerkt, alleen door liefde en dankbaarheid; of niet datgene, wat het hoofd ongedaan heeft gelaten en niet kan doen, stilzwijgend door het hart is verricht. Zou het zoo kunnen zijn?”Zij gaf hem geen antwoord.„Ik ben niet te trotsch om het te gelooven, Louisa. Hoe zou ik nog eigenwijs kunnen zijn, terwijl gij daar zoo voor mij ligt! Kan het zoo zijn? Is het werkelijk zoo, kindlief!”Hij zag haar nog eens aan, gelijk zij daar als weggeworpen lag, en zonder een woord verder te spreken, ging hij de kamer uit. Hij was niet lang heengegaan, of zij hoorde een lichten tred bij de deur en begreep, dat er iemand anders bij haar gekomen was.Zij hief haar hoofd niet op. Eene wrevelige gramschap, dat zij in hare zielesmart gezien werd, en dat de onwillekeurige blik, die haar eens zoo verstoord had, tot zulk eene vervulling moest komen, smeulde in haar gelijk een dreigend vuur. Alle kracht, in een kerker opgesloten, wordt verwoestend. De lucht, die heilzaam voor de aarde zou zijn, het water dat haar vruchtbaar zou maken; de hitte, die haar zou koesteren, rijten haar vaneen, wanneer zij in enge holen besloten blijven. Zoo was het ook nu in haar hart; de krachtigste eigenschappen, die zij bezat, lang tegen zich zelven gekeerd, sloegen tot eene hardnekkigheid over, die wrokkend tegen eene vriendin opstond.Het was gelukkig, dat eene zachte hand om haar hals geslagen werd, en dat zij begreep, dat men haar voor slapend hield. Die medelijdende hand tergde haar wrevel niet. Zij mocht daar blijven.Zoo bleef zij daar, en deed door hare koesterende warmte een aantal zachtere aandoeningen langzamerhand het leven ontvangen; en Louisa bleef steeds stil liggen. Terwijl de stilte en de bewustheid van zoo bewaakt te worden haar zachter stemden, welden er eenige tranen in hare oogen op. Het gezichtje raakte het hare aan, en zij wist, dat ook daarop tranen stonden en dat zij die deed vloeien.Toen Louisa veinsde te ontwaken en overeind kwam, trad Sissy achteruit en bleef stil bij het bed staan.„Ik hoop, dat ik u niet gestoord heb. Ik kom maar eens vragen, of gij hebben wilt dat ik bij u blijf.”„Waarom zoudt gij bij mij blijven? Mijne zuster zal u missen. Gij zijt alles voor haar.”„Ben ik dat?” antwoordde Sissy, haar hoofdje schuddende. „Maar ik zou ook zoo gaarne iets voor u willen zijn, als ik mocht.”„Wat voor mij zijn?” zeide Louisa bijna stuursch.„Wat gij het meest noodig hebt, indien ik daartoe in staat ben. In allen gevalle zou ik gaarne willen beproeven om daar zoo nabij te komen als ik kan. En hoe ver ik er ook vandaan mag blijven, ik zal nooit moede worden om opnieuw mijn best te doen. Wilt ge mij dat toelaten?”„Mijn vader heeft u zeker gezonden om mij dat te vragen?”„Neen, zeker niet,” antwoordde Sissy. „Hij heeft mij nu gezegd, dat ik mocht binnenkomen, maar van morgen heeft hij mij uit de kamer gezonden—of ten minste...” Zij aarzelde en zweeg.„Ten minste—wat?” zeide Louisa, haar gewonen uitvorschenden blik op haar vestigende.„Ik hield het zelf voor best dat ik weggezonden werd, want ik was geheel onzeker of ge mij wel gaarne hier zoudt vinden.”„Heb ik u altijd zoozeer gehaat?”„Ik hoop van neen, want ik heb u altijd liefgehad, en altijd gewenscht dat gij dat weten zoudt. Maar kort voordat gij het huis uitgingt, zijt ge een weinigje voor mij veranderd. Niet dat ik mij daarover verwonderde. Gij wist zooveel en ik zoo weinig, en het was om vele redenen zoo natuurlijk, daar gij toen onder andere vrienden zoudt komen, dat ik over niets te klagen had en mij ook geheel niet gekrenkt gevoelde.”Zij kreeg eene hoogere kleur terwijl zij dit bedeesd en haastig zeide. Louisa begreep die liefderijke geveinsdheid en haar hart gaf haar een scherp verwijt.„Mag ik het beproeven?” zeide Sissy, moedvattende om hare hand op te heffen, naar den hals, die onwillekeurig naar haar werd overgebogen.Louisa vatte den arm, die gereed was om haar te omhelzen, en Sissy’s hand in de hare sluitende, antwoordde zij:„Eerst nog dit, Sissy: weet gij wel wat ik ben? Ik ben zoo trotsch en zoo verhard, zoo verward en verbijsterd, zoo vol wrevel en onbillijkheid voor iedereen en mij zelve, dat alles in mijn binnenste even donker, woest en ellendig is. Schrikt u dat niet af?”„Neen!”„Ik ben zoo ongelukkig, en alles wat mij anders moest gemaakt hebben is zoo verwoest, dat, al was ik tot op dit oogenblik geheel zonder eenige kennis gebleven, en al moest ik, in plaats van zoo geleerd te zijn, als gij mij acht, nu eerst de eenvoudigste waarheden beginnen te leeren, ik geen jammerlijker gebrek kon hebben aan een gids tot zielevrede, vergenoegdheid, eergevoel, aan een gids naar al het goede dat mij geheel ontbreekt. Schrikt dat u niet af?”„Neen!”In de onschuld harer onverschrokkene liefde, in den rijkdom van haar edel gemoed schitterde het eens verachte meisje als een heerlijk licht, dat de duisternis der andere verhelderde.Louisa beurde nu zelve Sissy’s hand op, om haar hals te omvatten. Toen viel zij op hare knieën, en zich aan de dochter van den potsenmaker vastklemmende, zag zij bijna met eerbied naar haar op.„Vergeef mij, heb medelijden met mij, help mij. Heb barmhartigheid met mijn grooten nood, en laat ik mijn hoofd tegen uw liefdevol hart mogen te rust leggen!”„O, leg het hier,” riep Sissy uit, „leg het hier te rust!”
DERDE BOEK. INZAMELEN.XXIX.NOG IETS NOODIGS.Toen Louisa uit hare bezwijming ontwaakte en kwijnend hare oogen opsloeg, lag zij thuis in haar eigen bed, in hare oude gewone kamer. Het was haar in ’t eerst, alsof al wat er gebeurd was, sedert den tijd toen die dingen haar gemeenzaam waren, slechts een verwarde droom was geweest; maar langzamerhand, naarmate de werkelijkheid dier voorwerpen duidelijker werd, kwam ook het werkelijk gebeurde haar duidelijker voor den geest.Haar hoofd was zoo zwaar en pijnlijk, dat zij het nauwelijks kon oplichten; hare oogen gloeiden, en zij gevoelde zich zeer zwak. Zekere zonderlinge lijdzame achteloosheid had zich zoozeer van haar meester gemaakt, dat de tegenwoordigheid harer jeugdige zuster in het vertrek een tijdlang hare aandacht niet eens trok. Zelfs toen hare blikken elkander ontmoet hadden, en het meisje bij het bed kwam, lag Louisa haar nog een poos stilzwijgend aan te zien, en liet haar schroomvallig hare machtelooze hand vasthouden, eer zij vroeg:„Wanneer ben ik hier in de kamer gebracht?”„Gisteravond, Louisa.”„Wie heeft dat gedaan?”„Sissy, geloof ik.”„Waarom gelooft gij dat?”„Omdat ik haar van morgen hier heb gevonden. Zij kwam niet bij mij aan bed om mij wakker te maken, gelijk zij altijd doet, en ik ging daarom naar haar zien. Zij was ook niet in hare eigene kamer, en ik ging het geheele huis door naar haar zoeken, tot ik haar hier vond, bezig met u op te passen en uw hoofd koel te houden. Wilt gij vader zien? Sissy heeft mij gezegd, dat ik hem roepen moest als ge wakker werdt.”„Welk een lief vriendelijk gezichtje hebt gij toch, Jane!” zeide Louisa, toen hare zuster nog schroomvallig, zich over haar heen boog om haar een kus te geven.„Heb ik? Ik ben blij, dat ge dat zoo vindt. Dat moet ik zeker aan Sissy te danken hebben.”De arm, dien Louisa om den hals harer zuster wilde slaan, werd weder teruggetrokken.„Gij kunt het vader gaan zeggen, als ge wilt,” zeide zij; en toen haar nog even terughoudende, vervolgde zij: „Gij zijt het zeker, die mijne kamer zoo vroolijk hebt gemaakt, om mij te laten zien, dat ik welkom was.”„O neen, Louisa, dat was al gedaan eer ik hier kwam. Het was...”Louisa keerde zich om, drukte haar hoofd in haar kussen en hoorde niet meer. Toen hare zuster heengegaan was, keerde zij zich weder om en bleef met haar gezicht naar de deur liggen, totdat haar vader die opendeed en binnentrad.Zijn uitzicht gaf angst en afmatting te kennen, en zijne hand, gewoonlijk zoo vast, beefde in de hare. Hij zette zich naast het bed neer, vroeg met teedere bezorgdheid hoe zij zich bevond, en sprak over de noodzakelijkheid omzich, na de aandoeningen van den vorigen avond, zeer stil te houden. Hij sprak met eene zwakke, haperende stem, zeer verschillend van zijn gewonen gebiedenden toon, en moest dikwijls naar woorden zoeken.„Mijne lieve Louisa, mijne arme dochter...” Hier was hij zoo in de war, dat hij geheel bleef steken. Hij beproefde het nog eens.„Mijn ongelukkig kind!” Het was zoo moeielijk over dat begin heen te komen, dat hij het nog eene derde maal moest beproeven.„Het zou vruchteloos zijn, Louisa, als ik u poogde te zeggen, hoe die onverwachte ontdekking van gisteravond mij getroffen heeft en nog aandoet. De grond, waarop ik sta, is niet vast meer onder mijne voeten. De eenige steun waarop ik leunde, en waarvan de kracht niet te betwijfelen scheen en nog schijnt, is in een oogenblik bezweken. Ik ben bedwelmd en versuft door die ontdekkingen. Het is niet uit eigenliefde, dat ik zoo spreek; maar ik gevoel dat de slag, die mij gisteravond heeft getroffen, waarlijk zeer zwaar is.”Zij kon hem in dit opzicht geen troost geven. Geheel haar levensgeluk had schipbreuk geleden op de rots, waarop het zijne nu had gestooten.„Ik wil niet zeggen, Louisa, dat het beter voor ons beiden zou zijn geweest als ge mij door een gelukkig toeval vroeger uit den droom hadt geholpen—beter voor uwe gemoedsrust, beter voor de mijne; want ik weet wel, dat het niet tot mijn systeem behoorde een vertrouwen van dien aard uit te lokken. Ik heb mij voor mij zelven van de waarheid vanmijnsysteem overtuigd en mij gestreng daaraan gehouden; en de verantwoordelijkheid van het valsche daarvan moet ik nu ook dragen. Ik bidt u alleen, mijn geliefkoosd kind, geloof toch dat ik gedacht heb wèl te doen.”Hij zeide dit zeer ernstig en hij sprak ook de waarheid. Toen hij de grondelooze diepte met zijn ellendig maatstokje had willen peilen, en zijn roestigen, stroeven passer waggelend over het gansche heelal liet stappen, had hij gemeend groote dingen te doen. Binnen de grenzen van het korte touw, waarmede hij aan zijn systeem gebonden was, had hij rondgetrappeld en met grooter oprechtheid van bedoeling, dan vele der blatende wezens, met welke hij verkeerde, de bloemen des levens verwoest.„Daarvan houd ik mij wel verzekerd, vader. Ik weet dat ik uw geliefkoosd kind ben geweest. Ik weet dat ge mij gelukkig hebt willen maken. Ik heb u nooit iets verweten en zal dat ook nooit doen.”Hij vatte hare toegereikte hand en hield die in de zijne.„Kindlief, ik ben den geheelen nacht aan mijne tafel blijven zitten, onophoudelijk nadenkende over de smartelijke ophelderingen, die er tusschen ons hebben plaats gehad. Als ik uw karakter beschouw, als ik overweeg, dat hetgeen ik nu sedert eenige uren weet, jarenlang door u is verborgen gehouden; als ik bedenk, door welken onmiddellijken drang het u eindelijk is afgeperst, kom ik tot het besluit, dat ik niet anders doen kan dan mij zelven wantrouwen.”Hij had er nog meer dan dit alles kunnen bijvoegen, toen hij bemerkte hoe zijne dochter hem nu aanzag; en hij deed dit misschien metterdaad, toen hij hare hangende haren zacht van haar voorhoofd streek. Zulke kleine bedrijven, bij een ander onbeduidend, waren bij hem iets opmerkelijks; en zijne dochter nam dit van hem aan, als ware het eene betuiging van het diepste naberouw geweest.„Maar,” zeide mijnheer Gradgrind langzaam en aarzelend, en tevens met een rampzalig gevoel van hulpelooze verlegenheid; „als ik reden zie, mij zelven ten opzichte van het verledene te wantrouwen, moet ik dat ook voor het tegenwoordige en de toekomst doen. Om zonder achterhoudendheid met u te spreken, doe ik dat ook waarlijk. Ik gevoel mij thans verre van overtuigd, hoe geheel anders ik gisteren ook daarover mag gedacht hebben, dat ik geschikt ben om het vertrouwen, dat gij in mij stelt, te beantwoorden; dat ik zal weten te voldoen aan den rechtmatigen eisch, dien gij mij zijt komen doen; dat ik het rechte instinct heb—om voor een oogenblik te vooronderstellen, dat er eene eigenschap van dien aard bestaat—om u te helpen en den rechten weg te wijzen, mijn kind.”Zij had zich op haar kussen omgekeerd en lag met haar gezicht op haar arm, zoodat hij het niet zien kon. Al hare woestheid en hartstochtelijkheid was verdwenen; maar hoewel haar gemoed was verzacht, kon zij nog niet tot tranen komen. De grootste verandering, die er bij haar vader was voorgevallen, bestond daarin, dat hij nu blijde zou geweest zijn als hij haar had zien schreien.„Sommigen beweren,” vervolgde hij, nog aarzelende, „dat er eene wijsheid van het hoofd en ook eene wijsheid van het hart is. Ik heb zoo niet gedacht; maar, gelijk ik gezegd heb, ik wantrouw nu mij zelven. Ik heb ondersteld, dat het hoofd alleen voor alles voldoende was. Misschien is het dat niet; want hoe zou ik dezen morgen durven zeggen, dat het voor alles voldoende is? Indien eens die andere soort van wijsheid juist datgene mocht zijn wat ik verzuimd heb, juist het instinct, dat mij ontbreekt, Louisa...”Hij zeide dit zeer weifelend, als ware hij zelfs nu nog half onwillig om het toe te stemmen. Zij gaf geen antwoord, en bleef voor hem op het bed liggen, nog half gekleed, bijna gelijk hij haar den vorigen avond in zijne kamer op den grond had zien liggen.„Louisa,” hervatte hij, en zijne hand rustte weder op haar hoofd, „ik ben in den laatsten tijd veel van huis geweest, en schoon deopvoedinguwer zuster volgens het—het systeem is ingericht”—hij scheen thans dit woord telkens met grooter tegenzin uit te spreken—„is zij toch noodwendig gewijzigd geworden door den invloed van een dagelijkschen omgang, die bij haar reeds op vroeger jaren begonnen is. Ik vraag u—nederig en als een onkundige, mijne dochter—-denkt gij, dat dit tot haar bestwil zou zijn geweest?”„Vader,” antwoordde zij zonder zich te bewegen, „als er in hare jeugdige borst eene harmonie is opgewekt, die in de mijne stom is gebleven tot zij in wanklanken veranderde, laten wij dan den hemel daarvoor danken, haar stil op haar gelukkigen weg laten voortgaan, en het den grootsten zegen voor haar achten, dat zij mijn weg heeft vermeden.”„O, mijn kind, mijn kind!” zeide hij, met wanhopige neerslachtigheid in zijn toon; „ik ben een ongelukkig man, dat ik u zoo zie! Wat baat het mij, dat gij mij niets verwijt, als ik mij zelven zulke bittere verwijten doe!” Hij boog zijn hoofd, en vervolgde, zeer zacht sprekende: „Louisa, ik twijfel er aan, of er niet hier in huis en om mij heen langzamerhand eene verandering is bewerkt, alleen door liefde en dankbaarheid; of niet datgene, wat het hoofd ongedaan heeft gelaten en niet kan doen, stilzwijgend door het hart is verricht. Zou het zoo kunnen zijn?”Zij gaf hem geen antwoord.„Ik ben niet te trotsch om het te gelooven, Louisa. Hoe zou ik nog eigenwijs kunnen zijn, terwijl gij daar zoo voor mij ligt! Kan het zoo zijn? Is het werkelijk zoo, kindlief!”Hij zag haar nog eens aan, gelijk zij daar als weggeworpen lag, en zonder een woord verder te spreken, ging hij de kamer uit. Hij was niet lang heengegaan, of zij hoorde een lichten tred bij de deur en begreep, dat er iemand anders bij haar gekomen was.Zij hief haar hoofd niet op. Eene wrevelige gramschap, dat zij in hare zielesmart gezien werd, en dat de onwillekeurige blik, die haar eens zoo verstoord had, tot zulk eene vervulling moest komen, smeulde in haar gelijk een dreigend vuur. Alle kracht, in een kerker opgesloten, wordt verwoestend. De lucht, die heilzaam voor de aarde zou zijn, het water dat haar vruchtbaar zou maken; de hitte, die haar zou koesteren, rijten haar vaneen, wanneer zij in enge holen besloten blijven. Zoo was het ook nu in haar hart; de krachtigste eigenschappen, die zij bezat, lang tegen zich zelven gekeerd, sloegen tot eene hardnekkigheid over, die wrokkend tegen eene vriendin opstond.Het was gelukkig, dat eene zachte hand om haar hals geslagen werd, en dat zij begreep, dat men haar voor slapend hield. Die medelijdende hand tergde haar wrevel niet. Zij mocht daar blijven.Zoo bleef zij daar, en deed door hare koesterende warmte een aantal zachtere aandoeningen langzamerhand het leven ontvangen; en Louisa bleef steeds stil liggen. Terwijl de stilte en de bewustheid van zoo bewaakt te worden haar zachter stemden, welden er eenige tranen in hare oogen op. Het gezichtje raakte het hare aan, en zij wist, dat ook daarop tranen stonden en dat zij die deed vloeien.Toen Louisa veinsde te ontwaken en overeind kwam, trad Sissy achteruit en bleef stil bij het bed staan.„Ik hoop, dat ik u niet gestoord heb. Ik kom maar eens vragen, of gij hebben wilt dat ik bij u blijf.”„Waarom zoudt gij bij mij blijven? Mijne zuster zal u missen. Gij zijt alles voor haar.”„Ben ik dat?” antwoordde Sissy, haar hoofdje schuddende. „Maar ik zou ook zoo gaarne iets voor u willen zijn, als ik mocht.”„Wat voor mij zijn?” zeide Louisa bijna stuursch.„Wat gij het meest noodig hebt, indien ik daartoe in staat ben. In allen gevalle zou ik gaarne willen beproeven om daar zoo nabij te komen als ik kan. En hoe ver ik er ook vandaan mag blijven, ik zal nooit moede worden om opnieuw mijn best te doen. Wilt ge mij dat toelaten?”„Mijn vader heeft u zeker gezonden om mij dat te vragen?”„Neen, zeker niet,” antwoordde Sissy. „Hij heeft mij nu gezegd, dat ik mocht binnenkomen, maar van morgen heeft hij mij uit de kamer gezonden—of ten minste...” Zij aarzelde en zweeg.„Ten minste—wat?” zeide Louisa, haar gewonen uitvorschenden blik op haar vestigende.„Ik hield het zelf voor best dat ik weggezonden werd, want ik was geheel onzeker of ge mij wel gaarne hier zoudt vinden.”„Heb ik u altijd zoozeer gehaat?”„Ik hoop van neen, want ik heb u altijd liefgehad, en altijd gewenscht dat gij dat weten zoudt. Maar kort voordat gij het huis uitgingt, zijt ge een weinigje voor mij veranderd. Niet dat ik mij daarover verwonderde. Gij wist zooveel en ik zoo weinig, en het was om vele redenen zoo natuurlijk, daar gij toen onder andere vrienden zoudt komen, dat ik over niets te klagen had en mij ook geheel niet gekrenkt gevoelde.”Zij kreeg eene hoogere kleur terwijl zij dit bedeesd en haastig zeide. Louisa begreep die liefderijke geveinsdheid en haar hart gaf haar een scherp verwijt.„Mag ik het beproeven?” zeide Sissy, moedvattende om hare hand op te heffen, naar den hals, die onwillekeurig naar haar werd overgebogen.Louisa vatte den arm, die gereed was om haar te omhelzen, en Sissy’s hand in de hare sluitende, antwoordde zij:„Eerst nog dit, Sissy: weet gij wel wat ik ben? Ik ben zoo trotsch en zoo verhard, zoo verward en verbijsterd, zoo vol wrevel en onbillijkheid voor iedereen en mij zelve, dat alles in mijn binnenste even donker, woest en ellendig is. Schrikt u dat niet af?”„Neen!”„Ik ben zoo ongelukkig, en alles wat mij anders moest gemaakt hebben is zoo verwoest, dat, al was ik tot op dit oogenblik geheel zonder eenige kennis gebleven, en al moest ik, in plaats van zoo geleerd te zijn, als gij mij acht, nu eerst de eenvoudigste waarheden beginnen te leeren, ik geen jammerlijker gebrek kon hebben aan een gids tot zielevrede, vergenoegdheid, eergevoel, aan een gids naar al het goede dat mij geheel ontbreekt. Schrikt dat u niet af?”„Neen!”In de onschuld harer onverschrokkene liefde, in den rijkdom van haar edel gemoed schitterde het eens verachte meisje als een heerlijk licht, dat de duisternis der andere verhelderde.Louisa beurde nu zelve Sissy’s hand op, om haar hals te omvatten. Toen viel zij op hare knieën, en zich aan de dochter van den potsenmaker vastklemmende, zag zij bijna met eerbied naar haar op.„Vergeef mij, heb medelijden met mij, help mij. Heb barmhartigheid met mijn grooten nood, en laat ik mijn hoofd tegen uw liefdevol hart mogen te rust leggen!”„O, leg het hier,” riep Sissy uit, „leg het hier te rust!”
XXIX.NOG IETS NOODIGS.Toen Louisa uit hare bezwijming ontwaakte en kwijnend hare oogen opsloeg, lag zij thuis in haar eigen bed, in hare oude gewone kamer. Het was haar in ’t eerst, alsof al wat er gebeurd was, sedert den tijd toen die dingen haar gemeenzaam waren, slechts een verwarde droom was geweest; maar langzamerhand, naarmate de werkelijkheid dier voorwerpen duidelijker werd, kwam ook het werkelijk gebeurde haar duidelijker voor den geest.Haar hoofd was zoo zwaar en pijnlijk, dat zij het nauwelijks kon oplichten; hare oogen gloeiden, en zij gevoelde zich zeer zwak. Zekere zonderlinge lijdzame achteloosheid had zich zoozeer van haar meester gemaakt, dat de tegenwoordigheid harer jeugdige zuster in het vertrek een tijdlang hare aandacht niet eens trok. Zelfs toen hare blikken elkander ontmoet hadden, en het meisje bij het bed kwam, lag Louisa haar nog een poos stilzwijgend aan te zien, en liet haar schroomvallig hare machtelooze hand vasthouden, eer zij vroeg:„Wanneer ben ik hier in de kamer gebracht?”„Gisteravond, Louisa.”„Wie heeft dat gedaan?”„Sissy, geloof ik.”„Waarom gelooft gij dat?”„Omdat ik haar van morgen hier heb gevonden. Zij kwam niet bij mij aan bed om mij wakker te maken, gelijk zij altijd doet, en ik ging daarom naar haar zien. Zij was ook niet in hare eigene kamer, en ik ging het geheele huis door naar haar zoeken, tot ik haar hier vond, bezig met u op te passen en uw hoofd koel te houden. Wilt gij vader zien? Sissy heeft mij gezegd, dat ik hem roepen moest als ge wakker werdt.”„Welk een lief vriendelijk gezichtje hebt gij toch, Jane!” zeide Louisa, toen hare zuster nog schroomvallig, zich over haar heen boog om haar een kus te geven.„Heb ik? Ik ben blij, dat ge dat zoo vindt. Dat moet ik zeker aan Sissy te danken hebben.”De arm, dien Louisa om den hals harer zuster wilde slaan, werd weder teruggetrokken.„Gij kunt het vader gaan zeggen, als ge wilt,” zeide zij; en toen haar nog even terughoudende, vervolgde zij: „Gij zijt het zeker, die mijne kamer zoo vroolijk hebt gemaakt, om mij te laten zien, dat ik welkom was.”„O neen, Louisa, dat was al gedaan eer ik hier kwam. Het was...”Louisa keerde zich om, drukte haar hoofd in haar kussen en hoorde niet meer. Toen hare zuster heengegaan was, keerde zij zich weder om en bleef met haar gezicht naar de deur liggen, totdat haar vader die opendeed en binnentrad.Zijn uitzicht gaf angst en afmatting te kennen, en zijne hand, gewoonlijk zoo vast, beefde in de hare. Hij zette zich naast het bed neer, vroeg met teedere bezorgdheid hoe zij zich bevond, en sprak over de noodzakelijkheid omzich, na de aandoeningen van den vorigen avond, zeer stil te houden. Hij sprak met eene zwakke, haperende stem, zeer verschillend van zijn gewonen gebiedenden toon, en moest dikwijls naar woorden zoeken.„Mijne lieve Louisa, mijne arme dochter...” Hier was hij zoo in de war, dat hij geheel bleef steken. Hij beproefde het nog eens.„Mijn ongelukkig kind!” Het was zoo moeielijk over dat begin heen te komen, dat hij het nog eene derde maal moest beproeven.„Het zou vruchteloos zijn, Louisa, als ik u poogde te zeggen, hoe die onverwachte ontdekking van gisteravond mij getroffen heeft en nog aandoet. De grond, waarop ik sta, is niet vast meer onder mijne voeten. De eenige steun waarop ik leunde, en waarvan de kracht niet te betwijfelen scheen en nog schijnt, is in een oogenblik bezweken. Ik ben bedwelmd en versuft door die ontdekkingen. Het is niet uit eigenliefde, dat ik zoo spreek; maar ik gevoel dat de slag, die mij gisteravond heeft getroffen, waarlijk zeer zwaar is.”Zij kon hem in dit opzicht geen troost geven. Geheel haar levensgeluk had schipbreuk geleden op de rots, waarop het zijne nu had gestooten.„Ik wil niet zeggen, Louisa, dat het beter voor ons beiden zou zijn geweest als ge mij door een gelukkig toeval vroeger uit den droom hadt geholpen—beter voor uwe gemoedsrust, beter voor de mijne; want ik weet wel, dat het niet tot mijn systeem behoorde een vertrouwen van dien aard uit te lokken. Ik heb mij voor mij zelven van de waarheid vanmijnsysteem overtuigd en mij gestreng daaraan gehouden; en de verantwoordelijkheid van het valsche daarvan moet ik nu ook dragen. Ik bidt u alleen, mijn geliefkoosd kind, geloof toch dat ik gedacht heb wèl te doen.”Hij zeide dit zeer ernstig en hij sprak ook de waarheid. Toen hij de grondelooze diepte met zijn ellendig maatstokje had willen peilen, en zijn roestigen, stroeven passer waggelend over het gansche heelal liet stappen, had hij gemeend groote dingen te doen. Binnen de grenzen van het korte touw, waarmede hij aan zijn systeem gebonden was, had hij rondgetrappeld en met grooter oprechtheid van bedoeling, dan vele der blatende wezens, met welke hij verkeerde, de bloemen des levens verwoest.„Daarvan houd ik mij wel verzekerd, vader. Ik weet dat ik uw geliefkoosd kind ben geweest. Ik weet dat ge mij gelukkig hebt willen maken. Ik heb u nooit iets verweten en zal dat ook nooit doen.”Hij vatte hare toegereikte hand en hield die in de zijne.„Kindlief, ik ben den geheelen nacht aan mijne tafel blijven zitten, onophoudelijk nadenkende over de smartelijke ophelderingen, die er tusschen ons hebben plaats gehad. Als ik uw karakter beschouw, als ik overweeg, dat hetgeen ik nu sedert eenige uren weet, jarenlang door u is verborgen gehouden; als ik bedenk, door welken onmiddellijken drang het u eindelijk is afgeperst, kom ik tot het besluit, dat ik niet anders doen kan dan mij zelven wantrouwen.”Hij had er nog meer dan dit alles kunnen bijvoegen, toen hij bemerkte hoe zijne dochter hem nu aanzag; en hij deed dit misschien metterdaad, toen hij hare hangende haren zacht van haar voorhoofd streek. Zulke kleine bedrijven, bij een ander onbeduidend, waren bij hem iets opmerkelijks; en zijne dochter nam dit van hem aan, als ware het eene betuiging van het diepste naberouw geweest.„Maar,” zeide mijnheer Gradgrind langzaam en aarzelend, en tevens met een rampzalig gevoel van hulpelooze verlegenheid; „als ik reden zie, mij zelven ten opzichte van het verledene te wantrouwen, moet ik dat ook voor het tegenwoordige en de toekomst doen. Om zonder achterhoudendheid met u te spreken, doe ik dat ook waarlijk. Ik gevoel mij thans verre van overtuigd, hoe geheel anders ik gisteren ook daarover mag gedacht hebben, dat ik geschikt ben om het vertrouwen, dat gij in mij stelt, te beantwoorden; dat ik zal weten te voldoen aan den rechtmatigen eisch, dien gij mij zijt komen doen; dat ik het rechte instinct heb—om voor een oogenblik te vooronderstellen, dat er eene eigenschap van dien aard bestaat—om u te helpen en den rechten weg te wijzen, mijn kind.”Zij had zich op haar kussen omgekeerd en lag met haar gezicht op haar arm, zoodat hij het niet zien kon. Al hare woestheid en hartstochtelijkheid was verdwenen; maar hoewel haar gemoed was verzacht, kon zij nog niet tot tranen komen. De grootste verandering, die er bij haar vader was voorgevallen, bestond daarin, dat hij nu blijde zou geweest zijn als hij haar had zien schreien.„Sommigen beweren,” vervolgde hij, nog aarzelende, „dat er eene wijsheid van het hoofd en ook eene wijsheid van het hart is. Ik heb zoo niet gedacht; maar, gelijk ik gezegd heb, ik wantrouw nu mij zelven. Ik heb ondersteld, dat het hoofd alleen voor alles voldoende was. Misschien is het dat niet; want hoe zou ik dezen morgen durven zeggen, dat het voor alles voldoende is? Indien eens die andere soort van wijsheid juist datgene mocht zijn wat ik verzuimd heb, juist het instinct, dat mij ontbreekt, Louisa...”Hij zeide dit zeer weifelend, als ware hij zelfs nu nog half onwillig om het toe te stemmen. Zij gaf geen antwoord, en bleef voor hem op het bed liggen, nog half gekleed, bijna gelijk hij haar den vorigen avond in zijne kamer op den grond had zien liggen.„Louisa,” hervatte hij, en zijne hand rustte weder op haar hoofd, „ik ben in den laatsten tijd veel van huis geweest, en schoon deopvoedinguwer zuster volgens het—het systeem is ingericht”—hij scheen thans dit woord telkens met grooter tegenzin uit te spreken—„is zij toch noodwendig gewijzigd geworden door den invloed van een dagelijkschen omgang, die bij haar reeds op vroeger jaren begonnen is. Ik vraag u—nederig en als een onkundige, mijne dochter—-denkt gij, dat dit tot haar bestwil zou zijn geweest?”„Vader,” antwoordde zij zonder zich te bewegen, „als er in hare jeugdige borst eene harmonie is opgewekt, die in de mijne stom is gebleven tot zij in wanklanken veranderde, laten wij dan den hemel daarvoor danken, haar stil op haar gelukkigen weg laten voortgaan, en het den grootsten zegen voor haar achten, dat zij mijn weg heeft vermeden.”„O, mijn kind, mijn kind!” zeide hij, met wanhopige neerslachtigheid in zijn toon; „ik ben een ongelukkig man, dat ik u zoo zie! Wat baat het mij, dat gij mij niets verwijt, als ik mij zelven zulke bittere verwijten doe!” Hij boog zijn hoofd, en vervolgde, zeer zacht sprekende: „Louisa, ik twijfel er aan, of er niet hier in huis en om mij heen langzamerhand eene verandering is bewerkt, alleen door liefde en dankbaarheid; of niet datgene, wat het hoofd ongedaan heeft gelaten en niet kan doen, stilzwijgend door het hart is verricht. Zou het zoo kunnen zijn?”Zij gaf hem geen antwoord.„Ik ben niet te trotsch om het te gelooven, Louisa. Hoe zou ik nog eigenwijs kunnen zijn, terwijl gij daar zoo voor mij ligt! Kan het zoo zijn? Is het werkelijk zoo, kindlief!”Hij zag haar nog eens aan, gelijk zij daar als weggeworpen lag, en zonder een woord verder te spreken, ging hij de kamer uit. Hij was niet lang heengegaan, of zij hoorde een lichten tred bij de deur en begreep, dat er iemand anders bij haar gekomen was.Zij hief haar hoofd niet op. Eene wrevelige gramschap, dat zij in hare zielesmart gezien werd, en dat de onwillekeurige blik, die haar eens zoo verstoord had, tot zulk eene vervulling moest komen, smeulde in haar gelijk een dreigend vuur. Alle kracht, in een kerker opgesloten, wordt verwoestend. De lucht, die heilzaam voor de aarde zou zijn, het water dat haar vruchtbaar zou maken; de hitte, die haar zou koesteren, rijten haar vaneen, wanneer zij in enge holen besloten blijven. Zoo was het ook nu in haar hart; de krachtigste eigenschappen, die zij bezat, lang tegen zich zelven gekeerd, sloegen tot eene hardnekkigheid over, die wrokkend tegen eene vriendin opstond.Het was gelukkig, dat eene zachte hand om haar hals geslagen werd, en dat zij begreep, dat men haar voor slapend hield. Die medelijdende hand tergde haar wrevel niet. Zij mocht daar blijven.Zoo bleef zij daar, en deed door hare koesterende warmte een aantal zachtere aandoeningen langzamerhand het leven ontvangen; en Louisa bleef steeds stil liggen. Terwijl de stilte en de bewustheid van zoo bewaakt te worden haar zachter stemden, welden er eenige tranen in hare oogen op. Het gezichtje raakte het hare aan, en zij wist, dat ook daarop tranen stonden en dat zij die deed vloeien.Toen Louisa veinsde te ontwaken en overeind kwam, trad Sissy achteruit en bleef stil bij het bed staan.„Ik hoop, dat ik u niet gestoord heb. Ik kom maar eens vragen, of gij hebben wilt dat ik bij u blijf.”„Waarom zoudt gij bij mij blijven? Mijne zuster zal u missen. Gij zijt alles voor haar.”„Ben ik dat?” antwoordde Sissy, haar hoofdje schuddende. „Maar ik zou ook zoo gaarne iets voor u willen zijn, als ik mocht.”„Wat voor mij zijn?” zeide Louisa bijna stuursch.„Wat gij het meest noodig hebt, indien ik daartoe in staat ben. In allen gevalle zou ik gaarne willen beproeven om daar zoo nabij te komen als ik kan. En hoe ver ik er ook vandaan mag blijven, ik zal nooit moede worden om opnieuw mijn best te doen. Wilt ge mij dat toelaten?”„Mijn vader heeft u zeker gezonden om mij dat te vragen?”„Neen, zeker niet,” antwoordde Sissy. „Hij heeft mij nu gezegd, dat ik mocht binnenkomen, maar van morgen heeft hij mij uit de kamer gezonden—of ten minste...” Zij aarzelde en zweeg.„Ten minste—wat?” zeide Louisa, haar gewonen uitvorschenden blik op haar vestigende.„Ik hield het zelf voor best dat ik weggezonden werd, want ik was geheel onzeker of ge mij wel gaarne hier zoudt vinden.”„Heb ik u altijd zoozeer gehaat?”„Ik hoop van neen, want ik heb u altijd liefgehad, en altijd gewenscht dat gij dat weten zoudt. Maar kort voordat gij het huis uitgingt, zijt ge een weinigje voor mij veranderd. Niet dat ik mij daarover verwonderde. Gij wist zooveel en ik zoo weinig, en het was om vele redenen zoo natuurlijk, daar gij toen onder andere vrienden zoudt komen, dat ik over niets te klagen had en mij ook geheel niet gekrenkt gevoelde.”Zij kreeg eene hoogere kleur terwijl zij dit bedeesd en haastig zeide. Louisa begreep die liefderijke geveinsdheid en haar hart gaf haar een scherp verwijt.„Mag ik het beproeven?” zeide Sissy, moedvattende om hare hand op te heffen, naar den hals, die onwillekeurig naar haar werd overgebogen.Louisa vatte den arm, die gereed was om haar te omhelzen, en Sissy’s hand in de hare sluitende, antwoordde zij:„Eerst nog dit, Sissy: weet gij wel wat ik ben? Ik ben zoo trotsch en zoo verhard, zoo verward en verbijsterd, zoo vol wrevel en onbillijkheid voor iedereen en mij zelve, dat alles in mijn binnenste even donker, woest en ellendig is. Schrikt u dat niet af?”„Neen!”„Ik ben zoo ongelukkig, en alles wat mij anders moest gemaakt hebben is zoo verwoest, dat, al was ik tot op dit oogenblik geheel zonder eenige kennis gebleven, en al moest ik, in plaats van zoo geleerd te zijn, als gij mij acht, nu eerst de eenvoudigste waarheden beginnen te leeren, ik geen jammerlijker gebrek kon hebben aan een gids tot zielevrede, vergenoegdheid, eergevoel, aan een gids naar al het goede dat mij geheel ontbreekt. Schrikt dat u niet af?”„Neen!”In de onschuld harer onverschrokkene liefde, in den rijkdom van haar edel gemoed schitterde het eens verachte meisje als een heerlijk licht, dat de duisternis der andere verhelderde.Louisa beurde nu zelve Sissy’s hand op, om haar hals te omvatten. Toen viel zij op hare knieën, en zich aan de dochter van den potsenmaker vastklemmende, zag zij bijna met eerbied naar haar op.„Vergeef mij, heb medelijden met mij, help mij. Heb barmhartigheid met mijn grooten nood, en laat ik mijn hoofd tegen uw liefdevol hart mogen te rust leggen!”„O, leg het hier,” riep Sissy uit, „leg het hier te rust!”
XXIX.NOG IETS NOODIGS.
Toen Louisa uit hare bezwijming ontwaakte en kwijnend hare oogen opsloeg, lag zij thuis in haar eigen bed, in hare oude gewone kamer. Het was haar in ’t eerst, alsof al wat er gebeurd was, sedert den tijd toen die dingen haar gemeenzaam waren, slechts een verwarde droom was geweest; maar langzamerhand, naarmate de werkelijkheid dier voorwerpen duidelijker werd, kwam ook het werkelijk gebeurde haar duidelijker voor den geest.Haar hoofd was zoo zwaar en pijnlijk, dat zij het nauwelijks kon oplichten; hare oogen gloeiden, en zij gevoelde zich zeer zwak. Zekere zonderlinge lijdzame achteloosheid had zich zoozeer van haar meester gemaakt, dat de tegenwoordigheid harer jeugdige zuster in het vertrek een tijdlang hare aandacht niet eens trok. Zelfs toen hare blikken elkander ontmoet hadden, en het meisje bij het bed kwam, lag Louisa haar nog een poos stilzwijgend aan te zien, en liet haar schroomvallig hare machtelooze hand vasthouden, eer zij vroeg:„Wanneer ben ik hier in de kamer gebracht?”„Gisteravond, Louisa.”„Wie heeft dat gedaan?”„Sissy, geloof ik.”„Waarom gelooft gij dat?”„Omdat ik haar van morgen hier heb gevonden. Zij kwam niet bij mij aan bed om mij wakker te maken, gelijk zij altijd doet, en ik ging daarom naar haar zien. Zij was ook niet in hare eigene kamer, en ik ging het geheele huis door naar haar zoeken, tot ik haar hier vond, bezig met u op te passen en uw hoofd koel te houden. Wilt gij vader zien? Sissy heeft mij gezegd, dat ik hem roepen moest als ge wakker werdt.”„Welk een lief vriendelijk gezichtje hebt gij toch, Jane!” zeide Louisa, toen hare zuster nog schroomvallig, zich over haar heen boog om haar een kus te geven.„Heb ik? Ik ben blij, dat ge dat zoo vindt. Dat moet ik zeker aan Sissy te danken hebben.”De arm, dien Louisa om den hals harer zuster wilde slaan, werd weder teruggetrokken.„Gij kunt het vader gaan zeggen, als ge wilt,” zeide zij; en toen haar nog even terughoudende, vervolgde zij: „Gij zijt het zeker, die mijne kamer zoo vroolijk hebt gemaakt, om mij te laten zien, dat ik welkom was.”„O neen, Louisa, dat was al gedaan eer ik hier kwam. Het was...”Louisa keerde zich om, drukte haar hoofd in haar kussen en hoorde niet meer. Toen hare zuster heengegaan was, keerde zij zich weder om en bleef met haar gezicht naar de deur liggen, totdat haar vader die opendeed en binnentrad.Zijn uitzicht gaf angst en afmatting te kennen, en zijne hand, gewoonlijk zoo vast, beefde in de hare. Hij zette zich naast het bed neer, vroeg met teedere bezorgdheid hoe zij zich bevond, en sprak over de noodzakelijkheid omzich, na de aandoeningen van den vorigen avond, zeer stil te houden. Hij sprak met eene zwakke, haperende stem, zeer verschillend van zijn gewonen gebiedenden toon, en moest dikwijls naar woorden zoeken.„Mijne lieve Louisa, mijne arme dochter...” Hier was hij zoo in de war, dat hij geheel bleef steken. Hij beproefde het nog eens.„Mijn ongelukkig kind!” Het was zoo moeielijk over dat begin heen te komen, dat hij het nog eene derde maal moest beproeven.„Het zou vruchteloos zijn, Louisa, als ik u poogde te zeggen, hoe die onverwachte ontdekking van gisteravond mij getroffen heeft en nog aandoet. De grond, waarop ik sta, is niet vast meer onder mijne voeten. De eenige steun waarop ik leunde, en waarvan de kracht niet te betwijfelen scheen en nog schijnt, is in een oogenblik bezweken. Ik ben bedwelmd en versuft door die ontdekkingen. Het is niet uit eigenliefde, dat ik zoo spreek; maar ik gevoel dat de slag, die mij gisteravond heeft getroffen, waarlijk zeer zwaar is.”Zij kon hem in dit opzicht geen troost geven. Geheel haar levensgeluk had schipbreuk geleden op de rots, waarop het zijne nu had gestooten.„Ik wil niet zeggen, Louisa, dat het beter voor ons beiden zou zijn geweest als ge mij door een gelukkig toeval vroeger uit den droom hadt geholpen—beter voor uwe gemoedsrust, beter voor de mijne; want ik weet wel, dat het niet tot mijn systeem behoorde een vertrouwen van dien aard uit te lokken. Ik heb mij voor mij zelven van de waarheid vanmijnsysteem overtuigd en mij gestreng daaraan gehouden; en de verantwoordelijkheid van het valsche daarvan moet ik nu ook dragen. Ik bidt u alleen, mijn geliefkoosd kind, geloof toch dat ik gedacht heb wèl te doen.”Hij zeide dit zeer ernstig en hij sprak ook de waarheid. Toen hij de grondelooze diepte met zijn ellendig maatstokje had willen peilen, en zijn roestigen, stroeven passer waggelend over het gansche heelal liet stappen, had hij gemeend groote dingen te doen. Binnen de grenzen van het korte touw, waarmede hij aan zijn systeem gebonden was, had hij rondgetrappeld en met grooter oprechtheid van bedoeling, dan vele der blatende wezens, met welke hij verkeerde, de bloemen des levens verwoest.„Daarvan houd ik mij wel verzekerd, vader. Ik weet dat ik uw geliefkoosd kind ben geweest. Ik weet dat ge mij gelukkig hebt willen maken. Ik heb u nooit iets verweten en zal dat ook nooit doen.”Hij vatte hare toegereikte hand en hield die in de zijne.„Kindlief, ik ben den geheelen nacht aan mijne tafel blijven zitten, onophoudelijk nadenkende over de smartelijke ophelderingen, die er tusschen ons hebben plaats gehad. Als ik uw karakter beschouw, als ik overweeg, dat hetgeen ik nu sedert eenige uren weet, jarenlang door u is verborgen gehouden; als ik bedenk, door welken onmiddellijken drang het u eindelijk is afgeperst, kom ik tot het besluit, dat ik niet anders doen kan dan mij zelven wantrouwen.”Hij had er nog meer dan dit alles kunnen bijvoegen, toen hij bemerkte hoe zijne dochter hem nu aanzag; en hij deed dit misschien metterdaad, toen hij hare hangende haren zacht van haar voorhoofd streek. Zulke kleine bedrijven, bij een ander onbeduidend, waren bij hem iets opmerkelijks; en zijne dochter nam dit van hem aan, als ware het eene betuiging van het diepste naberouw geweest.„Maar,” zeide mijnheer Gradgrind langzaam en aarzelend, en tevens met een rampzalig gevoel van hulpelooze verlegenheid; „als ik reden zie, mij zelven ten opzichte van het verledene te wantrouwen, moet ik dat ook voor het tegenwoordige en de toekomst doen. Om zonder achterhoudendheid met u te spreken, doe ik dat ook waarlijk. Ik gevoel mij thans verre van overtuigd, hoe geheel anders ik gisteren ook daarover mag gedacht hebben, dat ik geschikt ben om het vertrouwen, dat gij in mij stelt, te beantwoorden; dat ik zal weten te voldoen aan den rechtmatigen eisch, dien gij mij zijt komen doen; dat ik het rechte instinct heb—om voor een oogenblik te vooronderstellen, dat er eene eigenschap van dien aard bestaat—om u te helpen en den rechten weg te wijzen, mijn kind.”Zij had zich op haar kussen omgekeerd en lag met haar gezicht op haar arm, zoodat hij het niet zien kon. Al hare woestheid en hartstochtelijkheid was verdwenen; maar hoewel haar gemoed was verzacht, kon zij nog niet tot tranen komen. De grootste verandering, die er bij haar vader was voorgevallen, bestond daarin, dat hij nu blijde zou geweest zijn als hij haar had zien schreien.„Sommigen beweren,” vervolgde hij, nog aarzelende, „dat er eene wijsheid van het hoofd en ook eene wijsheid van het hart is. Ik heb zoo niet gedacht; maar, gelijk ik gezegd heb, ik wantrouw nu mij zelven. Ik heb ondersteld, dat het hoofd alleen voor alles voldoende was. Misschien is het dat niet; want hoe zou ik dezen morgen durven zeggen, dat het voor alles voldoende is? Indien eens die andere soort van wijsheid juist datgene mocht zijn wat ik verzuimd heb, juist het instinct, dat mij ontbreekt, Louisa...”Hij zeide dit zeer weifelend, als ware hij zelfs nu nog half onwillig om het toe te stemmen. Zij gaf geen antwoord, en bleef voor hem op het bed liggen, nog half gekleed, bijna gelijk hij haar den vorigen avond in zijne kamer op den grond had zien liggen.„Louisa,” hervatte hij, en zijne hand rustte weder op haar hoofd, „ik ben in den laatsten tijd veel van huis geweest, en schoon deopvoedinguwer zuster volgens het—het systeem is ingericht”—hij scheen thans dit woord telkens met grooter tegenzin uit te spreken—„is zij toch noodwendig gewijzigd geworden door den invloed van een dagelijkschen omgang, die bij haar reeds op vroeger jaren begonnen is. Ik vraag u—nederig en als een onkundige, mijne dochter—-denkt gij, dat dit tot haar bestwil zou zijn geweest?”„Vader,” antwoordde zij zonder zich te bewegen, „als er in hare jeugdige borst eene harmonie is opgewekt, die in de mijne stom is gebleven tot zij in wanklanken veranderde, laten wij dan den hemel daarvoor danken, haar stil op haar gelukkigen weg laten voortgaan, en het den grootsten zegen voor haar achten, dat zij mijn weg heeft vermeden.”„O, mijn kind, mijn kind!” zeide hij, met wanhopige neerslachtigheid in zijn toon; „ik ben een ongelukkig man, dat ik u zoo zie! Wat baat het mij, dat gij mij niets verwijt, als ik mij zelven zulke bittere verwijten doe!” Hij boog zijn hoofd, en vervolgde, zeer zacht sprekende: „Louisa, ik twijfel er aan, of er niet hier in huis en om mij heen langzamerhand eene verandering is bewerkt, alleen door liefde en dankbaarheid; of niet datgene, wat het hoofd ongedaan heeft gelaten en niet kan doen, stilzwijgend door het hart is verricht. Zou het zoo kunnen zijn?”Zij gaf hem geen antwoord.„Ik ben niet te trotsch om het te gelooven, Louisa. Hoe zou ik nog eigenwijs kunnen zijn, terwijl gij daar zoo voor mij ligt! Kan het zoo zijn? Is het werkelijk zoo, kindlief!”Hij zag haar nog eens aan, gelijk zij daar als weggeworpen lag, en zonder een woord verder te spreken, ging hij de kamer uit. Hij was niet lang heengegaan, of zij hoorde een lichten tred bij de deur en begreep, dat er iemand anders bij haar gekomen was.Zij hief haar hoofd niet op. Eene wrevelige gramschap, dat zij in hare zielesmart gezien werd, en dat de onwillekeurige blik, die haar eens zoo verstoord had, tot zulk eene vervulling moest komen, smeulde in haar gelijk een dreigend vuur. Alle kracht, in een kerker opgesloten, wordt verwoestend. De lucht, die heilzaam voor de aarde zou zijn, het water dat haar vruchtbaar zou maken; de hitte, die haar zou koesteren, rijten haar vaneen, wanneer zij in enge holen besloten blijven. Zoo was het ook nu in haar hart; de krachtigste eigenschappen, die zij bezat, lang tegen zich zelven gekeerd, sloegen tot eene hardnekkigheid over, die wrokkend tegen eene vriendin opstond.Het was gelukkig, dat eene zachte hand om haar hals geslagen werd, en dat zij begreep, dat men haar voor slapend hield. Die medelijdende hand tergde haar wrevel niet. Zij mocht daar blijven.Zoo bleef zij daar, en deed door hare koesterende warmte een aantal zachtere aandoeningen langzamerhand het leven ontvangen; en Louisa bleef steeds stil liggen. Terwijl de stilte en de bewustheid van zoo bewaakt te worden haar zachter stemden, welden er eenige tranen in hare oogen op. Het gezichtje raakte het hare aan, en zij wist, dat ook daarop tranen stonden en dat zij die deed vloeien.Toen Louisa veinsde te ontwaken en overeind kwam, trad Sissy achteruit en bleef stil bij het bed staan.„Ik hoop, dat ik u niet gestoord heb. Ik kom maar eens vragen, of gij hebben wilt dat ik bij u blijf.”„Waarom zoudt gij bij mij blijven? Mijne zuster zal u missen. Gij zijt alles voor haar.”„Ben ik dat?” antwoordde Sissy, haar hoofdje schuddende. „Maar ik zou ook zoo gaarne iets voor u willen zijn, als ik mocht.”„Wat voor mij zijn?” zeide Louisa bijna stuursch.„Wat gij het meest noodig hebt, indien ik daartoe in staat ben. In allen gevalle zou ik gaarne willen beproeven om daar zoo nabij te komen als ik kan. En hoe ver ik er ook vandaan mag blijven, ik zal nooit moede worden om opnieuw mijn best te doen. Wilt ge mij dat toelaten?”„Mijn vader heeft u zeker gezonden om mij dat te vragen?”„Neen, zeker niet,” antwoordde Sissy. „Hij heeft mij nu gezegd, dat ik mocht binnenkomen, maar van morgen heeft hij mij uit de kamer gezonden—of ten minste...” Zij aarzelde en zweeg.„Ten minste—wat?” zeide Louisa, haar gewonen uitvorschenden blik op haar vestigende.„Ik hield het zelf voor best dat ik weggezonden werd, want ik was geheel onzeker of ge mij wel gaarne hier zoudt vinden.”„Heb ik u altijd zoozeer gehaat?”„Ik hoop van neen, want ik heb u altijd liefgehad, en altijd gewenscht dat gij dat weten zoudt. Maar kort voordat gij het huis uitgingt, zijt ge een weinigje voor mij veranderd. Niet dat ik mij daarover verwonderde. Gij wist zooveel en ik zoo weinig, en het was om vele redenen zoo natuurlijk, daar gij toen onder andere vrienden zoudt komen, dat ik over niets te klagen had en mij ook geheel niet gekrenkt gevoelde.”Zij kreeg eene hoogere kleur terwijl zij dit bedeesd en haastig zeide. Louisa begreep die liefderijke geveinsdheid en haar hart gaf haar een scherp verwijt.„Mag ik het beproeven?” zeide Sissy, moedvattende om hare hand op te heffen, naar den hals, die onwillekeurig naar haar werd overgebogen.Louisa vatte den arm, die gereed was om haar te omhelzen, en Sissy’s hand in de hare sluitende, antwoordde zij:„Eerst nog dit, Sissy: weet gij wel wat ik ben? Ik ben zoo trotsch en zoo verhard, zoo verward en verbijsterd, zoo vol wrevel en onbillijkheid voor iedereen en mij zelve, dat alles in mijn binnenste even donker, woest en ellendig is. Schrikt u dat niet af?”„Neen!”„Ik ben zoo ongelukkig, en alles wat mij anders moest gemaakt hebben is zoo verwoest, dat, al was ik tot op dit oogenblik geheel zonder eenige kennis gebleven, en al moest ik, in plaats van zoo geleerd te zijn, als gij mij acht, nu eerst de eenvoudigste waarheden beginnen te leeren, ik geen jammerlijker gebrek kon hebben aan een gids tot zielevrede, vergenoegdheid, eergevoel, aan een gids naar al het goede dat mij geheel ontbreekt. Schrikt dat u niet af?”„Neen!”In de onschuld harer onverschrokkene liefde, in den rijkdom van haar edel gemoed schitterde het eens verachte meisje als een heerlijk licht, dat de duisternis der andere verhelderde.Louisa beurde nu zelve Sissy’s hand op, om haar hals te omvatten. Toen viel zij op hare knieën, en zich aan de dochter van den potsenmaker vastklemmende, zag zij bijna met eerbied naar haar op.„Vergeef mij, heb medelijden met mij, help mij. Heb barmhartigheid met mijn grooten nood, en laat ik mijn hoofd tegen uw liefdevol hart mogen te rust leggen!”„O, leg het hier,” riep Sissy uit, „leg het hier te rust!”
Toen Louisa uit hare bezwijming ontwaakte en kwijnend hare oogen opsloeg, lag zij thuis in haar eigen bed, in hare oude gewone kamer. Het was haar in ’t eerst, alsof al wat er gebeurd was, sedert den tijd toen die dingen haar gemeenzaam waren, slechts een verwarde droom was geweest; maar langzamerhand, naarmate de werkelijkheid dier voorwerpen duidelijker werd, kwam ook het werkelijk gebeurde haar duidelijker voor den geest.
Haar hoofd was zoo zwaar en pijnlijk, dat zij het nauwelijks kon oplichten; hare oogen gloeiden, en zij gevoelde zich zeer zwak. Zekere zonderlinge lijdzame achteloosheid had zich zoozeer van haar meester gemaakt, dat de tegenwoordigheid harer jeugdige zuster in het vertrek een tijdlang hare aandacht niet eens trok. Zelfs toen hare blikken elkander ontmoet hadden, en het meisje bij het bed kwam, lag Louisa haar nog een poos stilzwijgend aan te zien, en liet haar schroomvallig hare machtelooze hand vasthouden, eer zij vroeg:
„Wanneer ben ik hier in de kamer gebracht?”
„Gisteravond, Louisa.”
„Wie heeft dat gedaan?”
„Sissy, geloof ik.”
„Waarom gelooft gij dat?”
„Omdat ik haar van morgen hier heb gevonden. Zij kwam niet bij mij aan bed om mij wakker te maken, gelijk zij altijd doet, en ik ging daarom naar haar zien. Zij was ook niet in hare eigene kamer, en ik ging het geheele huis door naar haar zoeken, tot ik haar hier vond, bezig met u op te passen en uw hoofd koel te houden. Wilt gij vader zien? Sissy heeft mij gezegd, dat ik hem roepen moest als ge wakker werdt.”
„Welk een lief vriendelijk gezichtje hebt gij toch, Jane!” zeide Louisa, toen hare zuster nog schroomvallig, zich over haar heen boog om haar een kus te geven.
„Heb ik? Ik ben blij, dat ge dat zoo vindt. Dat moet ik zeker aan Sissy te danken hebben.”
De arm, dien Louisa om den hals harer zuster wilde slaan, werd weder teruggetrokken.
„Gij kunt het vader gaan zeggen, als ge wilt,” zeide zij; en toen haar nog even terughoudende, vervolgde zij: „Gij zijt het zeker, die mijne kamer zoo vroolijk hebt gemaakt, om mij te laten zien, dat ik welkom was.”
„O neen, Louisa, dat was al gedaan eer ik hier kwam. Het was...”
Louisa keerde zich om, drukte haar hoofd in haar kussen en hoorde niet meer. Toen hare zuster heengegaan was, keerde zij zich weder om en bleef met haar gezicht naar de deur liggen, totdat haar vader die opendeed en binnentrad.
Zijn uitzicht gaf angst en afmatting te kennen, en zijne hand, gewoonlijk zoo vast, beefde in de hare. Hij zette zich naast het bed neer, vroeg met teedere bezorgdheid hoe zij zich bevond, en sprak over de noodzakelijkheid omzich, na de aandoeningen van den vorigen avond, zeer stil te houden. Hij sprak met eene zwakke, haperende stem, zeer verschillend van zijn gewonen gebiedenden toon, en moest dikwijls naar woorden zoeken.
„Mijne lieve Louisa, mijne arme dochter...” Hier was hij zoo in de war, dat hij geheel bleef steken. Hij beproefde het nog eens.
„Mijn ongelukkig kind!” Het was zoo moeielijk over dat begin heen te komen, dat hij het nog eene derde maal moest beproeven.
„Het zou vruchteloos zijn, Louisa, als ik u poogde te zeggen, hoe die onverwachte ontdekking van gisteravond mij getroffen heeft en nog aandoet. De grond, waarop ik sta, is niet vast meer onder mijne voeten. De eenige steun waarop ik leunde, en waarvan de kracht niet te betwijfelen scheen en nog schijnt, is in een oogenblik bezweken. Ik ben bedwelmd en versuft door die ontdekkingen. Het is niet uit eigenliefde, dat ik zoo spreek; maar ik gevoel dat de slag, die mij gisteravond heeft getroffen, waarlijk zeer zwaar is.”
Zij kon hem in dit opzicht geen troost geven. Geheel haar levensgeluk had schipbreuk geleden op de rots, waarop het zijne nu had gestooten.
„Ik wil niet zeggen, Louisa, dat het beter voor ons beiden zou zijn geweest als ge mij door een gelukkig toeval vroeger uit den droom hadt geholpen—beter voor uwe gemoedsrust, beter voor de mijne; want ik weet wel, dat het niet tot mijn systeem behoorde een vertrouwen van dien aard uit te lokken. Ik heb mij voor mij zelven van de waarheid vanmijnsysteem overtuigd en mij gestreng daaraan gehouden; en de verantwoordelijkheid van het valsche daarvan moet ik nu ook dragen. Ik bidt u alleen, mijn geliefkoosd kind, geloof toch dat ik gedacht heb wèl te doen.”
Hij zeide dit zeer ernstig en hij sprak ook de waarheid. Toen hij de grondelooze diepte met zijn ellendig maatstokje had willen peilen, en zijn roestigen, stroeven passer waggelend over het gansche heelal liet stappen, had hij gemeend groote dingen te doen. Binnen de grenzen van het korte touw, waarmede hij aan zijn systeem gebonden was, had hij rondgetrappeld en met grooter oprechtheid van bedoeling, dan vele der blatende wezens, met welke hij verkeerde, de bloemen des levens verwoest.
„Daarvan houd ik mij wel verzekerd, vader. Ik weet dat ik uw geliefkoosd kind ben geweest. Ik weet dat ge mij gelukkig hebt willen maken. Ik heb u nooit iets verweten en zal dat ook nooit doen.”
Hij vatte hare toegereikte hand en hield die in de zijne.
„Kindlief, ik ben den geheelen nacht aan mijne tafel blijven zitten, onophoudelijk nadenkende over de smartelijke ophelderingen, die er tusschen ons hebben plaats gehad. Als ik uw karakter beschouw, als ik overweeg, dat hetgeen ik nu sedert eenige uren weet, jarenlang door u is verborgen gehouden; als ik bedenk, door welken onmiddellijken drang het u eindelijk is afgeperst, kom ik tot het besluit, dat ik niet anders doen kan dan mij zelven wantrouwen.”
Hij had er nog meer dan dit alles kunnen bijvoegen, toen hij bemerkte hoe zijne dochter hem nu aanzag; en hij deed dit misschien metterdaad, toen hij hare hangende haren zacht van haar voorhoofd streek. Zulke kleine bedrijven, bij een ander onbeduidend, waren bij hem iets opmerkelijks; en zijne dochter nam dit van hem aan, als ware het eene betuiging van het diepste naberouw geweest.
„Maar,” zeide mijnheer Gradgrind langzaam en aarzelend, en tevens met een rampzalig gevoel van hulpelooze verlegenheid; „als ik reden zie, mij zelven ten opzichte van het verledene te wantrouwen, moet ik dat ook voor het tegenwoordige en de toekomst doen. Om zonder achterhoudendheid met u te spreken, doe ik dat ook waarlijk. Ik gevoel mij thans verre van overtuigd, hoe geheel anders ik gisteren ook daarover mag gedacht hebben, dat ik geschikt ben om het vertrouwen, dat gij in mij stelt, te beantwoorden; dat ik zal weten te voldoen aan den rechtmatigen eisch, dien gij mij zijt komen doen; dat ik het rechte instinct heb—om voor een oogenblik te vooronderstellen, dat er eene eigenschap van dien aard bestaat—om u te helpen en den rechten weg te wijzen, mijn kind.”
Zij had zich op haar kussen omgekeerd en lag met haar gezicht op haar arm, zoodat hij het niet zien kon. Al hare woestheid en hartstochtelijkheid was verdwenen; maar hoewel haar gemoed was verzacht, kon zij nog niet tot tranen komen. De grootste verandering, die er bij haar vader was voorgevallen, bestond daarin, dat hij nu blijde zou geweest zijn als hij haar had zien schreien.
„Sommigen beweren,” vervolgde hij, nog aarzelende, „dat er eene wijsheid van het hoofd en ook eene wijsheid van het hart is. Ik heb zoo niet gedacht; maar, gelijk ik gezegd heb, ik wantrouw nu mij zelven. Ik heb ondersteld, dat het hoofd alleen voor alles voldoende was. Misschien is het dat niet; want hoe zou ik dezen morgen durven zeggen, dat het voor alles voldoende is? Indien eens die andere soort van wijsheid juist datgene mocht zijn wat ik verzuimd heb, juist het instinct, dat mij ontbreekt, Louisa...”
Hij zeide dit zeer weifelend, als ware hij zelfs nu nog half onwillig om het toe te stemmen. Zij gaf geen antwoord, en bleef voor hem op het bed liggen, nog half gekleed, bijna gelijk hij haar den vorigen avond in zijne kamer op den grond had zien liggen.
„Louisa,” hervatte hij, en zijne hand rustte weder op haar hoofd, „ik ben in den laatsten tijd veel van huis geweest, en schoon deopvoedinguwer zuster volgens het—het systeem is ingericht”—hij scheen thans dit woord telkens met grooter tegenzin uit te spreken—„is zij toch noodwendig gewijzigd geworden door den invloed van een dagelijkschen omgang, die bij haar reeds op vroeger jaren begonnen is. Ik vraag u—nederig en als een onkundige, mijne dochter—-denkt gij, dat dit tot haar bestwil zou zijn geweest?”
„Vader,” antwoordde zij zonder zich te bewegen, „als er in hare jeugdige borst eene harmonie is opgewekt, die in de mijne stom is gebleven tot zij in wanklanken veranderde, laten wij dan den hemel daarvoor danken, haar stil op haar gelukkigen weg laten voortgaan, en het den grootsten zegen voor haar achten, dat zij mijn weg heeft vermeden.”
„O, mijn kind, mijn kind!” zeide hij, met wanhopige neerslachtigheid in zijn toon; „ik ben een ongelukkig man, dat ik u zoo zie! Wat baat het mij, dat gij mij niets verwijt, als ik mij zelven zulke bittere verwijten doe!” Hij boog zijn hoofd, en vervolgde, zeer zacht sprekende: „Louisa, ik twijfel er aan, of er niet hier in huis en om mij heen langzamerhand eene verandering is bewerkt, alleen door liefde en dankbaarheid; of niet datgene, wat het hoofd ongedaan heeft gelaten en niet kan doen, stilzwijgend door het hart is verricht. Zou het zoo kunnen zijn?”
Zij gaf hem geen antwoord.
„Ik ben niet te trotsch om het te gelooven, Louisa. Hoe zou ik nog eigenwijs kunnen zijn, terwijl gij daar zoo voor mij ligt! Kan het zoo zijn? Is het werkelijk zoo, kindlief!”
Hij zag haar nog eens aan, gelijk zij daar als weggeworpen lag, en zonder een woord verder te spreken, ging hij de kamer uit. Hij was niet lang heengegaan, of zij hoorde een lichten tred bij de deur en begreep, dat er iemand anders bij haar gekomen was.
Zij hief haar hoofd niet op. Eene wrevelige gramschap, dat zij in hare zielesmart gezien werd, en dat de onwillekeurige blik, die haar eens zoo verstoord had, tot zulk eene vervulling moest komen, smeulde in haar gelijk een dreigend vuur. Alle kracht, in een kerker opgesloten, wordt verwoestend. De lucht, die heilzaam voor de aarde zou zijn, het water dat haar vruchtbaar zou maken; de hitte, die haar zou koesteren, rijten haar vaneen, wanneer zij in enge holen besloten blijven. Zoo was het ook nu in haar hart; de krachtigste eigenschappen, die zij bezat, lang tegen zich zelven gekeerd, sloegen tot eene hardnekkigheid over, die wrokkend tegen eene vriendin opstond.
Het was gelukkig, dat eene zachte hand om haar hals geslagen werd, en dat zij begreep, dat men haar voor slapend hield. Die medelijdende hand tergde haar wrevel niet. Zij mocht daar blijven.
Zoo bleef zij daar, en deed door hare koesterende warmte een aantal zachtere aandoeningen langzamerhand het leven ontvangen; en Louisa bleef steeds stil liggen. Terwijl de stilte en de bewustheid van zoo bewaakt te worden haar zachter stemden, welden er eenige tranen in hare oogen op. Het gezichtje raakte het hare aan, en zij wist, dat ook daarop tranen stonden en dat zij die deed vloeien.
Toen Louisa veinsde te ontwaken en overeind kwam, trad Sissy achteruit en bleef stil bij het bed staan.
„Ik hoop, dat ik u niet gestoord heb. Ik kom maar eens vragen, of gij hebben wilt dat ik bij u blijf.”
„Waarom zoudt gij bij mij blijven? Mijne zuster zal u missen. Gij zijt alles voor haar.”
„Ben ik dat?” antwoordde Sissy, haar hoofdje schuddende. „Maar ik zou ook zoo gaarne iets voor u willen zijn, als ik mocht.”
„Wat voor mij zijn?” zeide Louisa bijna stuursch.
„Wat gij het meest noodig hebt, indien ik daartoe in staat ben. In allen gevalle zou ik gaarne willen beproeven om daar zoo nabij te komen als ik kan. En hoe ver ik er ook vandaan mag blijven, ik zal nooit moede worden om opnieuw mijn best te doen. Wilt ge mij dat toelaten?”
„Mijn vader heeft u zeker gezonden om mij dat te vragen?”
„Neen, zeker niet,” antwoordde Sissy. „Hij heeft mij nu gezegd, dat ik mocht binnenkomen, maar van morgen heeft hij mij uit de kamer gezonden—of ten minste...” Zij aarzelde en zweeg.
„Ten minste—wat?” zeide Louisa, haar gewonen uitvorschenden blik op haar vestigende.
„Ik hield het zelf voor best dat ik weggezonden werd, want ik was geheel onzeker of ge mij wel gaarne hier zoudt vinden.”
„Heb ik u altijd zoozeer gehaat?”
„Ik hoop van neen, want ik heb u altijd liefgehad, en altijd gewenscht dat gij dat weten zoudt. Maar kort voordat gij het huis uitgingt, zijt ge een weinigje voor mij veranderd. Niet dat ik mij daarover verwonderde. Gij wist zooveel en ik zoo weinig, en het was om vele redenen zoo natuurlijk, daar gij toen onder andere vrienden zoudt komen, dat ik over niets te klagen had en mij ook geheel niet gekrenkt gevoelde.”
Zij kreeg eene hoogere kleur terwijl zij dit bedeesd en haastig zeide. Louisa begreep die liefderijke geveinsdheid en haar hart gaf haar een scherp verwijt.
„Mag ik het beproeven?” zeide Sissy, moedvattende om hare hand op te heffen, naar den hals, die onwillekeurig naar haar werd overgebogen.
Louisa vatte den arm, die gereed was om haar te omhelzen, en Sissy’s hand in de hare sluitende, antwoordde zij:
„Eerst nog dit, Sissy: weet gij wel wat ik ben? Ik ben zoo trotsch en zoo verhard, zoo verward en verbijsterd, zoo vol wrevel en onbillijkheid voor iedereen en mij zelve, dat alles in mijn binnenste even donker, woest en ellendig is. Schrikt u dat niet af?”
„Neen!”
„Ik ben zoo ongelukkig, en alles wat mij anders moest gemaakt hebben is zoo verwoest, dat, al was ik tot op dit oogenblik geheel zonder eenige kennis gebleven, en al moest ik, in plaats van zoo geleerd te zijn, als gij mij acht, nu eerst de eenvoudigste waarheden beginnen te leeren, ik geen jammerlijker gebrek kon hebben aan een gids tot zielevrede, vergenoegdheid, eergevoel, aan een gids naar al het goede dat mij geheel ontbreekt. Schrikt dat u niet af?”
„Neen!”
In de onschuld harer onverschrokkene liefde, in den rijkdom van haar edel gemoed schitterde het eens verachte meisje als een heerlijk licht, dat de duisternis der andere verhelderde.
Louisa beurde nu zelve Sissy’s hand op, om haar hals te omvatten. Toen viel zij op hare knieën, en zich aan de dochter van den potsenmaker vastklemmende, zag zij bijna met eerbied naar haar op.
„Vergeef mij, heb medelijden met mij, help mij. Heb barmhartigheid met mijn grooten nood, en laat ik mijn hoofd tegen uw liefdevol hart mogen te rust leggen!”
„O, leg het hier,” riep Sissy uit, „leg het hier te rust!”