XXX.

XXX.ZEER BELACHELIJK.Mijnheer James Harthouse sleet een geheelen nacht en dag in zulk een toestand van opgewondenheid, dat de wereld met haar beste lorgnet voor de oogen, hem in dat tijdperk van waanzin bezwaarlijk voor Jem, den broeder van het achtbare en luimige parlementslid, had kunnen herkennen. Hij was werkelijk in heftige gemoedsbeweging, en sprak verscheidene malen met een nadruk, die naar de manier van gemeene lieden geleek. Hij liep op eene onverklaarbare manier uit en in, als iemand die een werkelijk doel had. Hij reed alsof hij gejaagd werd. Kortom, de omstandigheden verveelden hem zoo schrikkelijk, dat hij vergat op de manier van fijn beschaafdegentlemenzijne verveling te toonen.Nadat hij door den storm naarCoketownwas gerend, bleef hij den geheelen nacht opzitten, van tijd tot tijd met de grootste woede aan de schel trekkende en den knecht, die de wacht had, beschuldigende, dat hij brieven of boodschappen achterhield, die zeker voor hem bestemd waren, en die hij nu eischte dat hem terstond zouden worden overgeleverd. Toen de dageraad kwam, de morgenstond kwam en de dag kwam, en geen van deze drie brief of boodschap medebracht, begaf hij zich naar het buiten. Daar vernam hij, dat mijnheer Bounderby op reis en mevrouw Bounderby naar de stad was. Zij was gisteravond onverwacht daarheen vertrokken. Men had dit niet eens geweten, voordat men eene boodschap had ontvangen, dat men haar vooreerst niet terug moest verwachten.Onder deze omstandigheden schoot hem niets anders over dan haar naar de stad te volgen. Hij ging naar het huis in de stad. Mevrouw Bounderby was er niet. Hij bezocht het kantoor. Mijnheer Bounderby was weg, en mevrouw Sparsit was weg. Mevrouw Sparsit weg? Hoe is het mogelijk, dat iemand plotseling het gezelschap van dat serpent noodig had!„Ja, dat weet ik niet,” antwoordde Tom, die zijne eigene redenen had om zich in dit opzicht ongerust te maken. „Zij is van morgen eer de dag nog aankwam vertrokken; niemand weet waarheen. Zij is altijd zoo geheimzinnig. Ik heb een hekel aan haar, en ook aan dien vlasharigen kerel, die iemand met zijne knippende oogen overal nakijkt.”„Waar zijt gij gisteravond geweest, Tom?”„Waar ik gisteravond geweest ben!” zeide Tom. „Wel, nu nog mooier! Ik heb naar u staan wachten, mijnheer Harthouse, tot het begon te stortregenen zooals ik het nog nooit in mijn leven had zien doen. Waar ik was! Gij zult meenen: waar gij gebleven zijt?”„Ik werd verhinderd, Tom—opgehouden.”„Opgehouden!” mompelde Tom. „Dan werden wij allebei opgehouden. Ik werd opgehouden met naar u te wachten, tot alle treinen voorbij waren behalve de posttrein. Het zou een aardig karreweitje zijn geweest in zulk weer daarmede te rijden en dan door een vijver heen naar huis te moeten kuieren. Ik moest dus wel in de stad blijven slapen.”„Waar?”„Waar? Wel in mijn eigen bed bij Bounderby.”„Hebt gij uwe zuster gezien?”„Hoe drommel,” antwoordde Tom, hem verwonderd aanstarende, „kon ik mijne zuster zien, die vijftien mijlen hier vandaan was?”Met een vloek over de bitse antwoorden van den jongenheer, van wien hij zulk een trouw vriend was, maakte mijnheer Harthouse met deminst mogelijke plichtplegingen een einde aan het gesprek, en overdacht voor de honderdste maal wat dit alles kon beteekenen. Slechts één ding werd hem duidelijk, dat hij namelijk, hetzij ze in de stad of uit de stad was, hetzij hij bij eene vrouw, die zoo moeielijk te begrijpen was, te voorbarig was geweest, of dat zij den moed had verloren, of dat men hen ontdekt had, of dat er eene voor het oogenblik onbegrijpelijke misvatting of vergissing had plaats gehad—dat hij evenwel zijn lot moest blijven afwachten, hoe dat dan ook wezen mocht. Het hotel, dat hij gewoonlijk betrok, wanneer hij tot dat gewest van kolenzwart was verwezen, was de martelpaal waaraan hij was vastgebonden. Voor het overige—wat gebeuren moest, moest gebeuren.„Of ik dus hier wacht naar eene gramstorige boodschap, of eenrendez-vous, of een teerhartig berouw, of eene vechtpartij met mijn vriend Bounderby—hetgeen in den tegenwoordigen staat van zaken even waarschijnlijk is als iets anders—ik wil dineeren,” zei James Harthouse. „Bounderby heeft het voordeel van zwaarder te zijn dan ik: en als er iets van echt Engelschen aard tusschen ons moet plaats hebben, zal het wel goed zijn mij een beetje te versterken.”Hij trok dus aan de schel, en zich achteloos op een sofa werpende, bestelde hij een diner tegen zes uur, „onverschillig wat, maar een beefsteak er bij;” en daarna sleet hij den tusschentijd zoo goed hij kon. Dit gelukte hem niet bijzonder goed; want hij bleef nog in de grootste verbijstering, en terwijl de uren verliepen en hij geenerlei opheldering ontving, vergrootte zich die verbijstering als een kapitaal, dat interest op interest is uitgezet.Hij nam echter de zaak zoo koelbloedig op als het maar iemand mogelijk zou zijn geweest, en vermaakte zich met het koddige denkbeeld om zich op eene vechtpartij met Bounderby voor te bereiden. „Het zou niet kwaad zijn,” dacht hij al geeuwende, „den knecht vijf schellingen te geven en mij te oefenen om hem op den grond te werken.” En daarna viel het hem in: „of men zou ook een kerel van behoorlijke zwaarte bij het uur kunnen huren.” Deze aardigheden droegen echter niet veel van aanbelang bij om den namiddag te verkorten of zijne onrust te verminderen, en om de waarheid te zeggen, beiden duurden hem schrikkelijk lang.Zelfs nog vóór den maaltijd kon hij onmogelijk nalaten dikwijls over de bloemen van het tapijt rond te stappen, uit het venster te kijken, bij de deur naar voetstappen te luisteren, en nu en dan eenigszins heet te worden als die voetstappen de kamer naderden. Maar na den maaltijd, toen de dag in schemering, en de schemering in duisternis overging, en hij nog niets nieuws vernam, begon het, gelijk hij zelf het uitdrukte, „naar de Inquisitie en een langzaam doodmartelen te gelijken.” Evenwel nog getrouw aan zijne overtuiging, dat onverschilligheid het kenmerk van fijne beschaving was (de eenige overtuiging die hij had), nam hij deze crisis waar als eene gelegenheid om zich licht en eene courant te laten brengen.Hij had een half uur gesleten met vruchtelooze pogingen om deze courant te lezen, toen er een knecht van het hotel verscheen en op een tegelijk geheimzinnigen en bedremmelden toon zeide:„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Er wordt met uw welnemen naar u gevraagd.”Eene flauwe herinnering, dat dit de uitdrukking was, die de politie tegen een gauwdief bezigde, deed mijnheer Harthouse den knecht met verontwaardiging toebijten, „wat duivel hij daarmede meende.”„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Eene jongejuffrouw daar buiten vraagt u te spreken.”„Daar buiten? Waar?”„Hier buiten de deur, mijnheer.”Den knecht als een domkop, die niet beter waardig was, naar den zoo pas genoemden persoon heenzendende, stond Harthouse haastig op en ging naar de gang. Daar stond een meisje, dat hij nog nooit had gezien, eenvoudig gekleed, zeer zedig van uitzicht en zeer bevallig. Toen hij haar in de kamer bracht en een stoel voor haar zette, zag hij bij het licht der kaarsen, dat zij nog bevalliger was dan hij in het eerst had gedacht. Haar gezichtje was onschuldig en jeugdig, en de uitdrukking daarvan buitengemeen innemend. Zij was niet bang voor hem en volstrekt niet verlegen; haar gemoed scheen geheel vol te zijn met het oogmerk van haar bezoek, zoodat daardoor alle gedachte aan zich zelve werd bedwongen.„Ik spreek immers met mijnheer Harthouse?” zeide zij toen zij alleen waren.„Ja,” antwoordde hij, en voegde er in gedachten bij: „En gij spreekt tegen hem met de vertrouwelijkste oogen die ik ooit gezien heb, en de zachtste stem, al is de toon zoo zonderling ernstig, die ik ooit heb gehoord.”„Hoewel ik niet weet of begrijp,” zeide Sissy, „waartoe uwe eer alsgentlemanu in andere opzichten verbindt,” en het bloed steeg haar naar de wangen toen zij met deze woorden begon, „zal ik er toch zeker op mogen vertrouwen, dat gij mijn bezoek geheim zult houden, en ook geheel verzwijgen wat ik u verder zeggen wilde. Als gij mij belooft, dat ik u zoover vertrouwen mag, zal ik er mij op verlaten.”„Dat kunt gij, dit verzeker ik u.”„Ik ben jong, gelijk gij ziet; en ik ben alléén, gelijk gij ziet. Om zoo bij u te komen, mijnheer, heeft niets mij geraden of aangemoedigd behalve eene stille hoop die ik voed.”„Maar die moet zeer sterk zijn,” dacht hij, toen hij haar voor een oogenblik hare oogen naar boven zag richten. „Dit is een allerwonderlijkstbegin,” dacht hij verder. „Ik begrijp niet waar dat heen moet.”„Ik denk,” zeide Sissy, „dat gij al raadt wie ik zoo even verlaten heb.”„Ik ben vier en twintig uren lang—die mij zoo lang zijn gevallen alsof het jaren waren—zeer ongerust geweest ten opzichte van zekere dame,” antwoordde hij. „De hoop, die ik meende te mogen opvatten, dat gij van die dame komt, heeft mij niet bedrogen, naar ik vertrouw.”„Ik ben nog geen uur geleden van haar weggegaan!”„Waar?”„Bij haar vader in huis.”In spijt van zijne koelbloedigheid werd het gezicht van mijnheer Harthouse veel langer en zijne verbijstering veel grooter. „Nu begrijp ik volstrekt niet waar het heen moet,” dacht hij.„Zij is gisteravond in groote ontsteltenis daar gekomen en heeft den geheelen nacht in flauwte gelegen. Ik woon bij haar vader en ben bij haar gebleven. Gij kunt zeker zijn, mijnheer, dat gij haar nooit zult wederzien zoolang gij leeft.”Harthouse haalde diep adem; en indien iemand zich ooit in de positie bevond van niet te weten wat hij zeggen moest, maakte hij buiten kijf thans de ontdekking, dat hij in zulke omstandigheden verkeerde. De kinderlijke openhartigheid, waarmede het meisje sprak, hare bescheidene onbeschroomdheid, hare oprechtheid, die alle omwegen vermeed, hare volkomene zelfvergetelheid, die haar met ernstige kalmte rechtstreeks deed afgaan op het doel waartoe zij gekomen was, dit alles met haar ernstig vertrouwen op zijne losweg gegevene belofte—waarmede zij hem alleen reeds beschaamde—was iets, waarvan hij nog in het geheel geene ondervinding had gehad, en waartegen hij begreep dat al zijne gewone wapenen zoo machteloos zouden zijn, dat hij geen woord kon bedenken om zich te helpen.Eindelijk zeide hij:„Zulk een onverwacht bericht, met zooveel zekerheid en door zulke lippen gegeven, is inderdaad zeer verrassend. Mag ik vragen of de dame, van wie wij spreken, u belast heeft om mij dat bericht in die hopelooze bewoordingen over te brengen?”„Zij heeft mij niets belast.”De drenkeling grijpt zich aan een stroohalm.„Zonder uw oordeel te willen wantrouwen of uwe oprechtheid te verdenken, vertrouw ik te mogen zeggen, dat ik meen nog te mogen hopen, dat de bewuste dame mij niet voor altijd uit hare oogen zal willen verbannen.”„Er is geene de minste hoop. Het eerste doel van mijne komst, mijnheer, is u te verzekeren dat gij gelooven moet, dat er even weinig hoop voor u bestaat om haar ooit weder te spreken, als er bestaan zou indien zij terstond gestorven was, toen zij gisteravond thuis kwam.”„Gelooven moet? Maar als ik niet kan—of als ik ongelukkig wat stijfhoofdig van karakter ben en niet wil?”„Het is toch waar. Er is geene hoop.”James Harthouse zag haar aan met een ongeloovigen glimlach op de lippen; maar de oogen van haar geest zagen verder en hooger, dan naar den man die voor haar stond, en die glimlach werd dus nutteloos verspild.Hij beet op zijne lippen en nam een poosje tijd om zich te bedenken.„Welnu,” zeide hij, „als het ongelukkig mocht blijken, nadat ik alles heb gedaan wat van mij gevergd kan worden, dat ik zoo ongelukkig ben om aldus in ballingschap te worden gezonden, zal ik die dame niet verder lastig vallen. Maar gij zegt, dat gij geen bericht voor mij van haar hebt. Welk recht of volmacht hebt gij dan om in hare plaats te spreken?”„Ik heb geen ander recht dan dat van mijne liefde voor haar en hare liefde voor mij—geene andere volmacht, dan dat ik bij haar ben geweest sedert zij thuis is gekomen en zij haar hart voor mij heeft geopend—geene andere verantwoordelijkheid, dan dat ik met haar karakter en haar huwelijk vertrouwd ben. O, mijnheer Harthouse, ik geloof dat die verantwoordelijkheid ook op u rustte!”Dit verwijt trof hem in de ledige holte waar zijn hart had moeten zijn.„Ik ben geen moreel mensch,” zeide hij, „en ik maak er nooit aanspraak op, om voor een moreel mensch gehouden te worden. Ik ben zoo immoreel als maar iemand behoeft te wezen. Maar toch moet ik zeggen, als ik de dame, die het onderwerp van ons gesprek is, eenig leed heb veroorzaakt, of haar ongelukkig op eenigerlei manier heb gecompromitteerd, of mij zelven bij haar heb gecompromitteerd door uitdrukkingen, die niet geheel en al met den eerbied voor—voor den huiselijken haard waren overeen te brengen; of als ik er eenigszins partij van heb getrokken, dat haar vader eene machine, haar broeder een hondsvot en haar man een beer is, dan verzoek ik u te mogen verzekeren, dat ik geene bepaalde booze oogmerken had, maar van den eenen stap tot den anderen ben gekomen, zoo zacht en geleidelijk, dat ik mij volstrekt niet verbeeldde, dat de roman al zoo lang was, eer ik ze eens begon over te lezen—en nu vind ik waarlijk, dat zij al verscheidene deelen beslaat.”Hoewel hij dit alles op zijn luchtigsten toon zeide, scheen hij voor deze enkele maal wel bewust te zijn, dat die toon slechts dienen moest om iets te verbloemen dat een zeer leelijk aanzien had. Hij zweeg een oogenblik en vervolgde toen met meer schijn van zelfvertrouwen, hoewel nog met sporen van verdrietelijkheid en teleurstelling, die hij niet kon uitwisschen:„Na hetgeen mij zoo even is voorgehouden,op eene manier, die mij het twijfelen onmogelijk maakt—ik weet waarlijk haast niet, uit welke andere bron ik het zoo gereedelijk had kunnen aannemen—gevoel ik mij verplicht u te zeggen, dat ik niet weigeren kan ernstig aan de mogelijkheid te denken—hoe onverwacht mij dit ook wezen mag—dat ik die dame niet meer zien zal. Ik alleen ben er voor te laken, dat de zaak zoover gekomen is—en—en ik kan niet zeggen,” vervolgde hij, zeer verlegen om een passend slot voor zijne rede te vinden, „dat ik veel hoop heb om ooit een moreel mensch te worden, of dat ik eenigszins aan moreele menschen geloof.”Sissy’s gezichtje duidde genoegzaam aan, dat zij hem nog meer te zeggen had.„Gij hebt,” hervatte hij, toen zij hare oogen naar hem opsloeg, „van een eerste doel uwer komst gesproken. Ik mag dus aannemen dat gij nog een tweede hebt.”„Ja.”„Wilt gij dan zoo vriendelijk zijn van mij dat te zeggen?”„Mijnheer Harthouse,” antwoordde Sissy, met eene mengeling van zachtheid en stroefheid, die hem geheel uit het veld sloeg, en met een zoo naïef vertrouwen, dat hij verplicht was om te doen wat zij eischte, dat het weigeren hem daardoor uiterst moeielijk werd, „de eenige herstelling, die er voor u overschiet, is, dat gij terstond en voorgoed van hier vertrekt. Ik ben volkomen zeker, dat gij op geene andere wijs het kwaad en het leed, hetwelk gij veroorzaakt hebt, kunt verzachten. Ik ben volkomen zeker, dat dit de eenige vergoeding is, die gij in uw vermogen hebt. Ik zeg niet dat het veel is, of dat het genoeg is; maar het is toch iets en het is noodzakelijk. En dus, zonder andere volmacht te hebben dan die ik u genoemd heb, en zelfs buiten weten van iemand behalve u en mij, verzoek ik, dat gij dezen avond nog van hier vertrekt en u verbindt om nooit terug te komen.”Indien zij eenigen invloed op hem had willen doen gelden behalve haar eenvoudig geloof aan de waarheid van hetgeen zij zeide en de rechtmatigheid van haar eisch; indien zij heimelijk den minsten twijfel had gekoesterd, of zelfs met het beste doel iets had willen achterhouden of veinzen; indien zij den minsten zweem van vrees had getoond voor zijne bespotting, zijne verbazing of eenige tegenspraak, die hij mocht beproeven, dan zou hij nu zeker de overhand op haar hebben gewonnen. Maar het zou hem even mogelijk zijn geweest eene heldere lucht te doen betrekken door verwonderd daarnaar op te zien, als eenigen indruk op dit meisje te maken.„Maar weet gij wel,” zeide hij, geheel verlegen, „wat het is dat gij vraagt? Het is u zeker niet bekend, dat ik om zoo te zeggen om staatszaken hier ben, die op zichzelf wel dwaas genoeg zijn, maar waaraan ik mij toch verbonden heb, waarvoor ik eeden heb gedaan, en waaraan men denkt dat ik wanhopig verkleefd ben? Gij weet dat waarschijnlijk niet, maar ik verzeker u, het is een feit.”Het maakte geen indruk op Sissy, het mocht een feit wezen of niet.„Bovendien,” hervatte Harthouse, nadat hij een paar malen, altijd nog twijfelende, de kamer op en neer had gestapt, „het is zoo geweldig absurd. Het zou iemand zoo belachelijk maken, als hij zich eerst met die kerels verbond en zich dan op zulk eene onbegrijpelijke manier terugtrok.”„Ik weet zeker,” herhaalde Sissy, „dat dit de eenige herstelling is, die gij in uwe macht hebt, mijnheer.Ik ben daarvan volkomen verzekerd, of ik zou niet hier zijn gekomen.”Hij zag haar aan, stapte nog wat op en neer en zeide: „Bij mijne ziel, gij weet niet wat gij vraagt. Zoo schrikkelijk absurd!”Het was nu zijne beurt om geheimhouding te bedingen.„Als ik iets zoo belachelijks deed,” zeide hij, weder stilstaande en tegen den schoorsteenmantel leunende, „zou het alleen kunnen zijn in het onschendbaarste vertrouwen...”„Ik zal u vertrouwen, mijnheer,” antwoordde Sissy, „en gij zult mij vertrouwen.”Terwijl hij zoo tegen den schoorsteenmantel leunde, herinnerde hij zich den avond met den hondsvot. Het was dezelfde schoorsteenmantel, en hoe het kwam wist hij niet, het was hem eenigszins alsofhijnu de hondsvot was. Hij wist zich volstrekt niet te helpen.„Ik geloof haast, dat nog nooit iemand zich in zulk eene gekke positie heeft bevonden,” zeide hij, nadat hij naar omhoog en naar omlaag had gekeken, had gelachen en zuur gezien, naar het andere eind der kamer was gestapt en weer was teruggekomen; „maar ik weet er toch niet uit te komen. Wat gebeuren moet, moet gebeuren; enditmoet dan maar gebeuren, zou ik haast denken. Ik zal mij dan maar moeten wegmaken, verbeeld ik mij—kortom, ik beloof het.”Sissy stond op. Zij was niet verwonderd over den afloop, maar zij was verblijd en haar gezichtje blonk van genoegen.„Gij zult mij veroorloven te zeggen,” hervatte James Harthouse, „dat ik twijfel, of een ander ambassadeur of ambassadrice wel zoo goed geslaagd zou zijn. Ik moet mij niet alleen in eene belachelijke positie schikken, maar ook bekennen, dat ik van alle kanten uit het veld geslagen ben. Wilt ge mij het voorrecht vergunnen van den naam mijner vijandin te mogen onthouden?”„Mijnnaam?” vroeg de ambassadrice.„De eenige naam, die mij van avond ten minste kan schelen.”„Sissy Jupe.”„Verschoon mijne nieuwsgierigheid bij het afscheid. Zijt gij van de familie?”„Ik ben maar een arm meisje,” antwoordde Sissy. „Ik werd van mijn vader gescheiden—hij was maar een kunstrijder—en toen had mijnheer Gradgrind medelijden met mij. Sedert ben ik bij hem in huis gebleven.”ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).Zij was verdwenen.„Dit alleen ontbrak er nog aan om mijne nederlaag te voltooien,” zeide James Harthouse, en liet zich met een gezicht vol neerslachtige berusting op de sofa zinken, nadat hij eene poos als versteend was blijven staan. „Ik ben nu zoo goed als vernietigd. Maar een arm meisje—maar een kunstrijder—James Harthouse maar tot niemendal gemaakt—James Harthouse maar eene Groote Piramide van mislukking.”De Groote Piramide bracht hem in het hoofd om naar denNijlte gaan. Hij nam dadelijk eene pen op en schreef het volgende briefje (in voegzame hieroglyphische teekenen) aan zijn broeder:„Waarde Jack. Alles afgedaan inCoketown. Door verveling weggejaagd. Ik ga naar de kameelen. Uw liefhebbendeJem.”Hij schelde.„Laat mijn knecht hier komen.”„Hij is naar bed, mijnheer.”„Zeg hem dan, dat hij moet opstaan en mijn goed pakken.”Hij schreef nog twee briefjes, een aan mijnheer Bounderby, om dezen te berichten dat hij vertrok en op te geven waar hij de eerstvolgende veertien dagen zou te vinden zijn, en een ander, van dergelijken inhoud, aan mijnheer Gradgrind. Bijna zoodra de inkt der adressen droog was, had hij de hooge schoorsteenen vanCoketownreeds achter zich en zat hij in een der rijtuigen van een spoortrein, die hem met vliegende vaart door de duisternis heenvoerde.Moreele menschen zullen misschien denken, dat deze snelle aftocht van James Harthouse hem naderhand stof gaf tot eenige troostrijke gedachten, als een zijner weinige bedrijven, waardoor hij ooit iets kwaads had vergoed, en als een blijk, dat-hij eens aan het allerergste van eene zeer slechte zaak was ontsnapt. Maar dit was volstrekt het geval niet. Een geheim gevoel, dat hij zich door eene mislukte onderneming belachelijk had gemaakt, en de vrees, wat andere heeren van zijn stempel wel van hem zouden zeggen als zij het wisten, waren hem zoo onaangenaam, dat de beste daad van geheel zijn leven juist diegene was, welke hij voor geene schatten had willen bekennen, en de eenige, waarover hij zich voor zich zelven schaamde.

XXX.ZEER BELACHELIJK.Mijnheer James Harthouse sleet een geheelen nacht en dag in zulk een toestand van opgewondenheid, dat de wereld met haar beste lorgnet voor de oogen, hem in dat tijdperk van waanzin bezwaarlijk voor Jem, den broeder van het achtbare en luimige parlementslid, had kunnen herkennen. Hij was werkelijk in heftige gemoedsbeweging, en sprak verscheidene malen met een nadruk, die naar de manier van gemeene lieden geleek. Hij liep op eene onverklaarbare manier uit en in, als iemand die een werkelijk doel had. Hij reed alsof hij gejaagd werd. Kortom, de omstandigheden verveelden hem zoo schrikkelijk, dat hij vergat op de manier van fijn beschaafdegentlemenzijne verveling te toonen.Nadat hij door den storm naarCoketownwas gerend, bleef hij den geheelen nacht opzitten, van tijd tot tijd met de grootste woede aan de schel trekkende en den knecht, die de wacht had, beschuldigende, dat hij brieven of boodschappen achterhield, die zeker voor hem bestemd waren, en die hij nu eischte dat hem terstond zouden worden overgeleverd. Toen de dageraad kwam, de morgenstond kwam en de dag kwam, en geen van deze drie brief of boodschap medebracht, begaf hij zich naar het buiten. Daar vernam hij, dat mijnheer Bounderby op reis en mevrouw Bounderby naar de stad was. Zij was gisteravond onverwacht daarheen vertrokken. Men had dit niet eens geweten, voordat men eene boodschap had ontvangen, dat men haar vooreerst niet terug moest verwachten.Onder deze omstandigheden schoot hem niets anders over dan haar naar de stad te volgen. Hij ging naar het huis in de stad. Mevrouw Bounderby was er niet. Hij bezocht het kantoor. Mijnheer Bounderby was weg, en mevrouw Sparsit was weg. Mevrouw Sparsit weg? Hoe is het mogelijk, dat iemand plotseling het gezelschap van dat serpent noodig had!„Ja, dat weet ik niet,” antwoordde Tom, die zijne eigene redenen had om zich in dit opzicht ongerust te maken. „Zij is van morgen eer de dag nog aankwam vertrokken; niemand weet waarheen. Zij is altijd zoo geheimzinnig. Ik heb een hekel aan haar, en ook aan dien vlasharigen kerel, die iemand met zijne knippende oogen overal nakijkt.”„Waar zijt gij gisteravond geweest, Tom?”„Waar ik gisteravond geweest ben!” zeide Tom. „Wel, nu nog mooier! Ik heb naar u staan wachten, mijnheer Harthouse, tot het begon te stortregenen zooals ik het nog nooit in mijn leven had zien doen. Waar ik was! Gij zult meenen: waar gij gebleven zijt?”„Ik werd verhinderd, Tom—opgehouden.”„Opgehouden!” mompelde Tom. „Dan werden wij allebei opgehouden. Ik werd opgehouden met naar u te wachten, tot alle treinen voorbij waren behalve de posttrein. Het zou een aardig karreweitje zijn geweest in zulk weer daarmede te rijden en dan door een vijver heen naar huis te moeten kuieren. Ik moest dus wel in de stad blijven slapen.”„Waar?”„Waar? Wel in mijn eigen bed bij Bounderby.”„Hebt gij uwe zuster gezien?”„Hoe drommel,” antwoordde Tom, hem verwonderd aanstarende, „kon ik mijne zuster zien, die vijftien mijlen hier vandaan was?”Met een vloek over de bitse antwoorden van den jongenheer, van wien hij zulk een trouw vriend was, maakte mijnheer Harthouse met deminst mogelijke plichtplegingen een einde aan het gesprek, en overdacht voor de honderdste maal wat dit alles kon beteekenen. Slechts één ding werd hem duidelijk, dat hij namelijk, hetzij ze in de stad of uit de stad was, hetzij hij bij eene vrouw, die zoo moeielijk te begrijpen was, te voorbarig was geweest, of dat zij den moed had verloren, of dat men hen ontdekt had, of dat er eene voor het oogenblik onbegrijpelijke misvatting of vergissing had plaats gehad—dat hij evenwel zijn lot moest blijven afwachten, hoe dat dan ook wezen mocht. Het hotel, dat hij gewoonlijk betrok, wanneer hij tot dat gewest van kolenzwart was verwezen, was de martelpaal waaraan hij was vastgebonden. Voor het overige—wat gebeuren moest, moest gebeuren.„Of ik dus hier wacht naar eene gramstorige boodschap, of eenrendez-vous, of een teerhartig berouw, of eene vechtpartij met mijn vriend Bounderby—hetgeen in den tegenwoordigen staat van zaken even waarschijnlijk is als iets anders—ik wil dineeren,” zei James Harthouse. „Bounderby heeft het voordeel van zwaarder te zijn dan ik: en als er iets van echt Engelschen aard tusschen ons moet plaats hebben, zal het wel goed zijn mij een beetje te versterken.”Hij trok dus aan de schel, en zich achteloos op een sofa werpende, bestelde hij een diner tegen zes uur, „onverschillig wat, maar een beefsteak er bij;” en daarna sleet hij den tusschentijd zoo goed hij kon. Dit gelukte hem niet bijzonder goed; want hij bleef nog in de grootste verbijstering, en terwijl de uren verliepen en hij geenerlei opheldering ontving, vergrootte zich die verbijstering als een kapitaal, dat interest op interest is uitgezet.Hij nam echter de zaak zoo koelbloedig op als het maar iemand mogelijk zou zijn geweest, en vermaakte zich met het koddige denkbeeld om zich op eene vechtpartij met Bounderby voor te bereiden. „Het zou niet kwaad zijn,” dacht hij al geeuwende, „den knecht vijf schellingen te geven en mij te oefenen om hem op den grond te werken.” En daarna viel het hem in: „of men zou ook een kerel van behoorlijke zwaarte bij het uur kunnen huren.” Deze aardigheden droegen echter niet veel van aanbelang bij om den namiddag te verkorten of zijne onrust te verminderen, en om de waarheid te zeggen, beiden duurden hem schrikkelijk lang.Zelfs nog vóór den maaltijd kon hij onmogelijk nalaten dikwijls over de bloemen van het tapijt rond te stappen, uit het venster te kijken, bij de deur naar voetstappen te luisteren, en nu en dan eenigszins heet te worden als die voetstappen de kamer naderden. Maar na den maaltijd, toen de dag in schemering, en de schemering in duisternis overging, en hij nog niets nieuws vernam, begon het, gelijk hij zelf het uitdrukte, „naar de Inquisitie en een langzaam doodmartelen te gelijken.” Evenwel nog getrouw aan zijne overtuiging, dat onverschilligheid het kenmerk van fijne beschaving was (de eenige overtuiging die hij had), nam hij deze crisis waar als eene gelegenheid om zich licht en eene courant te laten brengen.Hij had een half uur gesleten met vruchtelooze pogingen om deze courant te lezen, toen er een knecht van het hotel verscheen en op een tegelijk geheimzinnigen en bedremmelden toon zeide:„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Er wordt met uw welnemen naar u gevraagd.”Eene flauwe herinnering, dat dit de uitdrukking was, die de politie tegen een gauwdief bezigde, deed mijnheer Harthouse den knecht met verontwaardiging toebijten, „wat duivel hij daarmede meende.”„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Eene jongejuffrouw daar buiten vraagt u te spreken.”„Daar buiten? Waar?”„Hier buiten de deur, mijnheer.”Den knecht als een domkop, die niet beter waardig was, naar den zoo pas genoemden persoon heenzendende, stond Harthouse haastig op en ging naar de gang. Daar stond een meisje, dat hij nog nooit had gezien, eenvoudig gekleed, zeer zedig van uitzicht en zeer bevallig. Toen hij haar in de kamer bracht en een stoel voor haar zette, zag hij bij het licht der kaarsen, dat zij nog bevalliger was dan hij in het eerst had gedacht. Haar gezichtje was onschuldig en jeugdig, en de uitdrukking daarvan buitengemeen innemend. Zij was niet bang voor hem en volstrekt niet verlegen; haar gemoed scheen geheel vol te zijn met het oogmerk van haar bezoek, zoodat daardoor alle gedachte aan zich zelve werd bedwongen.„Ik spreek immers met mijnheer Harthouse?” zeide zij toen zij alleen waren.„Ja,” antwoordde hij, en voegde er in gedachten bij: „En gij spreekt tegen hem met de vertrouwelijkste oogen die ik ooit gezien heb, en de zachtste stem, al is de toon zoo zonderling ernstig, die ik ooit heb gehoord.”„Hoewel ik niet weet of begrijp,” zeide Sissy, „waartoe uwe eer alsgentlemanu in andere opzichten verbindt,” en het bloed steeg haar naar de wangen toen zij met deze woorden begon, „zal ik er toch zeker op mogen vertrouwen, dat gij mijn bezoek geheim zult houden, en ook geheel verzwijgen wat ik u verder zeggen wilde. Als gij mij belooft, dat ik u zoover vertrouwen mag, zal ik er mij op verlaten.”„Dat kunt gij, dit verzeker ik u.”„Ik ben jong, gelijk gij ziet; en ik ben alléén, gelijk gij ziet. Om zoo bij u te komen, mijnheer, heeft niets mij geraden of aangemoedigd behalve eene stille hoop die ik voed.”„Maar die moet zeer sterk zijn,” dacht hij, toen hij haar voor een oogenblik hare oogen naar boven zag richten. „Dit is een allerwonderlijkstbegin,” dacht hij verder. „Ik begrijp niet waar dat heen moet.”„Ik denk,” zeide Sissy, „dat gij al raadt wie ik zoo even verlaten heb.”„Ik ben vier en twintig uren lang—die mij zoo lang zijn gevallen alsof het jaren waren—zeer ongerust geweest ten opzichte van zekere dame,” antwoordde hij. „De hoop, die ik meende te mogen opvatten, dat gij van die dame komt, heeft mij niet bedrogen, naar ik vertrouw.”„Ik ben nog geen uur geleden van haar weggegaan!”„Waar?”„Bij haar vader in huis.”In spijt van zijne koelbloedigheid werd het gezicht van mijnheer Harthouse veel langer en zijne verbijstering veel grooter. „Nu begrijp ik volstrekt niet waar het heen moet,” dacht hij.„Zij is gisteravond in groote ontsteltenis daar gekomen en heeft den geheelen nacht in flauwte gelegen. Ik woon bij haar vader en ben bij haar gebleven. Gij kunt zeker zijn, mijnheer, dat gij haar nooit zult wederzien zoolang gij leeft.”Harthouse haalde diep adem; en indien iemand zich ooit in de positie bevond van niet te weten wat hij zeggen moest, maakte hij buiten kijf thans de ontdekking, dat hij in zulke omstandigheden verkeerde. De kinderlijke openhartigheid, waarmede het meisje sprak, hare bescheidene onbeschroomdheid, hare oprechtheid, die alle omwegen vermeed, hare volkomene zelfvergetelheid, die haar met ernstige kalmte rechtstreeks deed afgaan op het doel waartoe zij gekomen was, dit alles met haar ernstig vertrouwen op zijne losweg gegevene belofte—waarmede zij hem alleen reeds beschaamde—was iets, waarvan hij nog in het geheel geene ondervinding had gehad, en waartegen hij begreep dat al zijne gewone wapenen zoo machteloos zouden zijn, dat hij geen woord kon bedenken om zich te helpen.Eindelijk zeide hij:„Zulk een onverwacht bericht, met zooveel zekerheid en door zulke lippen gegeven, is inderdaad zeer verrassend. Mag ik vragen of de dame, van wie wij spreken, u belast heeft om mij dat bericht in die hopelooze bewoordingen over te brengen?”„Zij heeft mij niets belast.”De drenkeling grijpt zich aan een stroohalm.„Zonder uw oordeel te willen wantrouwen of uwe oprechtheid te verdenken, vertrouw ik te mogen zeggen, dat ik meen nog te mogen hopen, dat de bewuste dame mij niet voor altijd uit hare oogen zal willen verbannen.”„Er is geene de minste hoop. Het eerste doel van mijne komst, mijnheer, is u te verzekeren dat gij gelooven moet, dat er even weinig hoop voor u bestaat om haar ooit weder te spreken, als er bestaan zou indien zij terstond gestorven was, toen zij gisteravond thuis kwam.”„Gelooven moet? Maar als ik niet kan—of als ik ongelukkig wat stijfhoofdig van karakter ben en niet wil?”„Het is toch waar. Er is geene hoop.”James Harthouse zag haar aan met een ongeloovigen glimlach op de lippen; maar de oogen van haar geest zagen verder en hooger, dan naar den man die voor haar stond, en die glimlach werd dus nutteloos verspild.Hij beet op zijne lippen en nam een poosje tijd om zich te bedenken.„Welnu,” zeide hij, „als het ongelukkig mocht blijken, nadat ik alles heb gedaan wat van mij gevergd kan worden, dat ik zoo ongelukkig ben om aldus in ballingschap te worden gezonden, zal ik die dame niet verder lastig vallen. Maar gij zegt, dat gij geen bericht voor mij van haar hebt. Welk recht of volmacht hebt gij dan om in hare plaats te spreken?”„Ik heb geen ander recht dan dat van mijne liefde voor haar en hare liefde voor mij—geene andere volmacht, dan dat ik bij haar ben geweest sedert zij thuis is gekomen en zij haar hart voor mij heeft geopend—geene andere verantwoordelijkheid, dan dat ik met haar karakter en haar huwelijk vertrouwd ben. O, mijnheer Harthouse, ik geloof dat die verantwoordelijkheid ook op u rustte!”Dit verwijt trof hem in de ledige holte waar zijn hart had moeten zijn.„Ik ben geen moreel mensch,” zeide hij, „en ik maak er nooit aanspraak op, om voor een moreel mensch gehouden te worden. Ik ben zoo immoreel als maar iemand behoeft te wezen. Maar toch moet ik zeggen, als ik de dame, die het onderwerp van ons gesprek is, eenig leed heb veroorzaakt, of haar ongelukkig op eenigerlei manier heb gecompromitteerd, of mij zelven bij haar heb gecompromitteerd door uitdrukkingen, die niet geheel en al met den eerbied voor—voor den huiselijken haard waren overeen te brengen; of als ik er eenigszins partij van heb getrokken, dat haar vader eene machine, haar broeder een hondsvot en haar man een beer is, dan verzoek ik u te mogen verzekeren, dat ik geene bepaalde booze oogmerken had, maar van den eenen stap tot den anderen ben gekomen, zoo zacht en geleidelijk, dat ik mij volstrekt niet verbeeldde, dat de roman al zoo lang was, eer ik ze eens begon over te lezen—en nu vind ik waarlijk, dat zij al verscheidene deelen beslaat.”Hoewel hij dit alles op zijn luchtigsten toon zeide, scheen hij voor deze enkele maal wel bewust te zijn, dat die toon slechts dienen moest om iets te verbloemen dat een zeer leelijk aanzien had. Hij zweeg een oogenblik en vervolgde toen met meer schijn van zelfvertrouwen, hoewel nog met sporen van verdrietelijkheid en teleurstelling, die hij niet kon uitwisschen:„Na hetgeen mij zoo even is voorgehouden,op eene manier, die mij het twijfelen onmogelijk maakt—ik weet waarlijk haast niet, uit welke andere bron ik het zoo gereedelijk had kunnen aannemen—gevoel ik mij verplicht u te zeggen, dat ik niet weigeren kan ernstig aan de mogelijkheid te denken—hoe onverwacht mij dit ook wezen mag—dat ik die dame niet meer zien zal. Ik alleen ben er voor te laken, dat de zaak zoover gekomen is—en—en ik kan niet zeggen,” vervolgde hij, zeer verlegen om een passend slot voor zijne rede te vinden, „dat ik veel hoop heb om ooit een moreel mensch te worden, of dat ik eenigszins aan moreele menschen geloof.”Sissy’s gezichtje duidde genoegzaam aan, dat zij hem nog meer te zeggen had.„Gij hebt,” hervatte hij, toen zij hare oogen naar hem opsloeg, „van een eerste doel uwer komst gesproken. Ik mag dus aannemen dat gij nog een tweede hebt.”„Ja.”„Wilt gij dan zoo vriendelijk zijn van mij dat te zeggen?”„Mijnheer Harthouse,” antwoordde Sissy, met eene mengeling van zachtheid en stroefheid, die hem geheel uit het veld sloeg, en met een zoo naïef vertrouwen, dat hij verplicht was om te doen wat zij eischte, dat het weigeren hem daardoor uiterst moeielijk werd, „de eenige herstelling, die er voor u overschiet, is, dat gij terstond en voorgoed van hier vertrekt. Ik ben volkomen zeker, dat gij op geene andere wijs het kwaad en het leed, hetwelk gij veroorzaakt hebt, kunt verzachten. Ik ben volkomen zeker, dat dit de eenige vergoeding is, die gij in uw vermogen hebt. Ik zeg niet dat het veel is, of dat het genoeg is; maar het is toch iets en het is noodzakelijk. En dus, zonder andere volmacht te hebben dan die ik u genoemd heb, en zelfs buiten weten van iemand behalve u en mij, verzoek ik, dat gij dezen avond nog van hier vertrekt en u verbindt om nooit terug te komen.”Indien zij eenigen invloed op hem had willen doen gelden behalve haar eenvoudig geloof aan de waarheid van hetgeen zij zeide en de rechtmatigheid van haar eisch; indien zij heimelijk den minsten twijfel had gekoesterd, of zelfs met het beste doel iets had willen achterhouden of veinzen; indien zij den minsten zweem van vrees had getoond voor zijne bespotting, zijne verbazing of eenige tegenspraak, die hij mocht beproeven, dan zou hij nu zeker de overhand op haar hebben gewonnen. Maar het zou hem even mogelijk zijn geweest eene heldere lucht te doen betrekken door verwonderd daarnaar op te zien, als eenigen indruk op dit meisje te maken.„Maar weet gij wel,” zeide hij, geheel verlegen, „wat het is dat gij vraagt? Het is u zeker niet bekend, dat ik om zoo te zeggen om staatszaken hier ben, die op zichzelf wel dwaas genoeg zijn, maar waaraan ik mij toch verbonden heb, waarvoor ik eeden heb gedaan, en waaraan men denkt dat ik wanhopig verkleefd ben? Gij weet dat waarschijnlijk niet, maar ik verzeker u, het is een feit.”Het maakte geen indruk op Sissy, het mocht een feit wezen of niet.„Bovendien,” hervatte Harthouse, nadat hij een paar malen, altijd nog twijfelende, de kamer op en neer had gestapt, „het is zoo geweldig absurd. Het zou iemand zoo belachelijk maken, als hij zich eerst met die kerels verbond en zich dan op zulk eene onbegrijpelijke manier terugtrok.”„Ik weet zeker,” herhaalde Sissy, „dat dit de eenige herstelling is, die gij in uwe macht hebt, mijnheer.Ik ben daarvan volkomen verzekerd, of ik zou niet hier zijn gekomen.”Hij zag haar aan, stapte nog wat op en neer en zeide: „Bij mijne ziel, gij weet niet wat gij vraagt. Zoo schrikkelijk absurd!”Het was nu zijne beurt om geheimhouding te bedingen.„Als ik iets zoo belachelijks deed,” zeide hij, weder stilstaande en tegen den schoorsteenmantel leunende, „zou het alleen kunnen zijn in het onschendbaarste vertrouwen...”„Ik zal u vertrouwen, mijnheer,” antwoordde Sissy, „en gij zult mij vertrouwen.”Terwijl hij zoo tegen den schoorsteenmantel leunde, herinnerde hij zich den avond met den hondsvot. Het was dezelfde schoorsteenmantel, en hoe het kwam wist hij niet, het was hem eenigszins alsofhijnu de hondsvot was. Hij wist zich volstrekt niet te helpen.„Ik geloof haast, dat nog nooit iemand zich in zulk eene gekke positie heeft bevonden,” zeide hij, nadat hij naar omhoog en naar omlaag had gekeken, had gelachen en zuur gezien, naar het andere eind der kamer was gestapt en weer was teruggekomen; „maar ik weet er toch niet uit te komen. Wat gebeuren moet, moet gebeuren; enditmoet dan maar gebeuren, zou ik haast denken. Ik zal mij dan maar moeten wegmaken, verbeeld ik mij—kortom, ik beloof het.”Sissy stond op. Zij was niet verwonderd over den afloop, maar zij was verblijd en haar gezichtje blonk van genoegen.„Gij zult mij veroorloven te zeggen,” hervatte James Harthouse, „dat ik twijfel, of een ander ambassadeur of ambassadrice wel zoo goed geslaagd zou zijn. Ik moet mij niet alleen in eene belachelijke positie schikken, maar ook bekennen, dat ik van alle kanten uit het veld geslagen ben. Wilt ge mij het voorrecht vergunnen van den naam mijner vijandin te mogen onthouden?”„Mijnnaam?” vroeg de ambassadrice.„De eenige naam, die mij van avond ten minste kan schelen.”„Sissy Jupe.”„Verschoon mijne nieuwsgierigheid bij het afscheid. Zijt gij van de familie?”„Ik ben maar een arm meisje,” antwoordde Sissy. „Ik werd van mijn vader gescheiden—hij was maar een kunstrijder—en toen had mijnheer Gradgrind medelijden met mij. Sedert ben ik bij hem in huis gebleven.”ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).Zij was verdwenen.„Dit alleen ontbrak er nog aan om mijne nederlaag te voltooien,” zeide James Harthouse, en liet zich met een gezicht vol neerslachtige berusting op de sofa zinken, nadat hij eene poos als versteend was blijven staan. „Ik ben nu zoo goed als vernietigd. Maar een arm meisje—maar een kunstrijder—James Harthouse maar tot niemendal gemaakt—James Harthouse maar eene Groote Piramide van mislukking.”De Groote Piramide bracht hem in het hoofd om naar denNijlte gaan. Hij nam dadelijk eene pen op en schreef het volgende briefje (in voegzame hieroglyphische teekenen) aan zijn broeder:„Waarde Jack. Alles afgedaan inCoketown. Door verveling weggejaagd. Ik ga naar de kameelen. Uw liefhebbendeJem.”Hij schelde.„Laat mijn knecht hier komen.”„Hij is naar bed, mijnheer.”„Zeg hem dan, dat hij moet opstaan en mijn goed pakken.”Hij schreef nog twee briefjes, een aan mijnheer Bounderby, om dezen te berichten dat hij vertrok en op te geven waar hij de eerstvolgende veertien dagen zou te vinden zijn, en een ander, van dergelijken inhoud, aan mijnheer Gradgrind. Bijna zoodra de inkt der adressen droog was, had hij de hooge schoorsteenen vanCoketownreeds achter zich en zat hij in een der rijtuigen van een spoortrein, die hem met vliegende vaart door de duisternis heenvoerde.Moreele menschen zullen misschien denken, dat deze snelle aftocht van James Harthouse hem naderhand stof gaf tot eenige troostrijke gedachten, als een zijner weinige bedrijven, waardoor hij ooit iets kwaads had vergoed, en als een blijk, dat-hij eens aan het allerergste van eene zeer slechte zaak was ontsnapt. Maar dit was volstrekt het geval niet. Een geheim gevoel, dat hij zich door eene mislukte onderneming belachelijk had gemaakt, en de vrees, wat andere heeren van zijn stempel wel van hem zouden zeggen als zij het wisten, waren hem zoo onaangenaam, dat de beste daad van geheel zijn leven juist diegene was, welke hij voor geene schatten had willen bekennen, en de eenige, waarover hij zich voor zich zelven schaamde.

XXX.ZEER BELACHELIJK.Mijnheer James Harthouse sleet een geheelen nacht en dag in zulk een toestand van opgewondenheid, dat de wereld met haar beste lorgnet voor de oogen, hem in dat tijdperk van waanzin bezwaarlijk voor Jem, den broeder van het achtbare en luimige parlementslid, had kunnen herkennen. Hij was werkelijk in heftige gemoedsbeweging, en sprak verscheidene malen met een nadruk, die naar de manier van gemeene lieden geleek. Hij liep op eene onverklaarbare manier uit en in, als iemand die een werkelijk doel had. Hij reed alsof hij gejaagd werd. Kortom, de omstandigheden verveelden hem zoo schrikkelijk, dat hij vergat op de manier van fijn beschaafdegentlemenzijne verveling te toonen.Nadat hij door den storm naarCoketownwas gerend, bleef hij den geheelen nacht opzitten, van tijd tot tijd met de grootste woede aan de schel trekkende en den knecht, die de wacht had, beschuldigende, dat hij brieven of boodschappen achterhield, die zeker voor hem bestemd waren, en die hij nu eischte dat hem terstond zouden worden overgeleverd. Toen de dageraad kwam, de morgenstond kwam en de dag kwam, en geen van deze drie brief of boodschap medebracht, begaf hij zich naar het buiten. Daar vernam hij, dat mijnheer Bounderby op reis en mevrouw Bounderby naar de stad was. Zij was gisteravond onverwacht daarheen vertrokken. Men had dit niet eens geweten, voordat men eene boodschap had ontvangen, dat men haar vooreerst niet terug moest verwachten.Onder deze omstandigheden schoot hem niets anders over dan haar naar de stad te volgen. Hij ging naar het huis in de stad. Mevrouw Bounderby was er niet. Hij bezocht het kantoor. Mijnheer Bounderby was weg, en mevrouw Sparsit was weg. Mevrouw Sparsit weg? Hoe is het mogelijk, dat iemand plotseling het gezelschap van dat serpent noodig had!„Ja, dat weet ik niet,” antwoordde Tom, die zijne eigene redenen had om zich in dit opzicht ongerust te maken. „Zij is van morgen eer de dag nog aankwam vertrokken; niemand weet waarheen. Zij is altijd zoo geheimzinnig. Ik heb een hekel aan haar, en ook aan dien vlasharigen kerel, die iemand met zijne knippende oogen overal nakijkt.”„Waar zijt gij gisteravond geweest, Tom?”„Waar ik gisteravond geweest ben!” zeide Tom. „Wel, nu nog mooier! Ik heb naar u staan wachten, mijnheer Harthouse, tot het begon te stortregenen zooals ik het nog nooit in mijn leven had zien doen. Waar ik was! Gij zult meenen: waar gij gebleven zijt?”„Ik werd verhinderd, Tom—opgehouden.”„Opgehouden!” mompelde Tom. „Dan werden wij allebei opgehouden. Ik werd opgehouden met naar u te wachten, tot alle treinen voorbij waren behalve de posttrein. Het zou een aardig karreweitje zijn geweest in zulk weer daarmede te rijden en dan door een vijver heen naar huis te moeten kuieren. Ik moest dus wel in de stad blijven slapen.”„Waar?”„Waar? Wel in mijn eigen bed bij Bounderby.”„Hebt gij uwe zuster gezien?”„Hoe drommel,” antwoordde Tom, hem verwonderd aanstarende, „kon ik mijne zuster zien, die vijftien mijlen hier vandaan was?”Met een vloek over de bitse antwoorden van den jongenheer, van wien hij zulk een trouw vriend was, maakte mijnheer Harthouse met deminst mogelijke plichtplegingen een einde aan het gesprek, en overdacht voor de honderdste maal wat dit alles kon beteekenen. Slechts één ding werd hem duidelijk, dat hij namelijk, hetzij ze in de stad of uit de stad was, hetzij hij bij eene vrouw, die zoo moeielijk te begrijpen was, te voorbarig was geweest, of dat zij den moed had verloren, of dat men hen ontdekt had, of dat er eene voor het oogenblik onbegrijpelijke misvatting of vergissing had plaats gehad—dat hij evenwel zijn lot moest blijven afwachten, hoe dat dan ook wezen mocht. Het hotel, dat hij gewoonlijk betrok, wanneer hij tot dat gewest van kolenzwart was verwezen, was de martelpaal waaraan hij was vastgebonden. Voor het overige—wat gebeuren moest, moest gebeuren.„Of ik dus hier wacht naar eene gramstorige boodschap, of eenrendez-vous, of een teerhartig berouw, of eene vechtpartij met mijn vriend Bounderby—hetgeen in den tegenwoordigen staat van zaken even waarschijnlijk is als iets anders—ik wil dineeren,” zei James Harthouse. „Bounderby heeft het voordeel van zwaarder te zijn dan ik: en als er iets van echt Engelschen aard tusschen ons moet plaats hebben, zal het wel goed zijn mij een beetje te versterken.”Hij trok dus aan de schel, en zich achteloos op een sofa werpende, bestelde hij een diner tegen zes uur, „onverschillig wat, maar een beefsteak er bij;” en daarna sleet hij den tusschentijd zoo goed hij kon. Dit gelukte hem niet bijzonder goed; want hij bleef nog in de grootste verbijstering, en terwijl de uren verliepen en hij geenerlei opheldering ontving, vergrootte zich die verbijstering als een kapitaal, dat interest op interest is uitgezet.Hij nam echter de zaak zoo koelbloedig op als het maar iemand mogelijk zou zijn geweest, en vermaakte zich met het koddige denkbeeld om zich op eene vechtpartij met Bounderby voor te bereiden. „Het zou niet kwaad zijn,” dacht hij al geeuwende, „den knecht vijf schellingen te geven en mij te oefenen om hem op den grond te werken.” En daarna viel het hem in: „of men zou ook een kerel van behoorlijke zwaarte bij het uur kunnen huren.” Deze aardigheden droegen echter niet veel van aanbelang bij om den namiddag te verkorten of zijne onrust te verminderen, en om de waarheid te zeggen, beiden duurden hem schrikkelijk lang.Zelfs nog vóór den maaltijd kon hij onmogelijk nalaten dikwijls over de bloemen van het tapijt rond te stappen, uit het venster te kijken, bij de deur naar voetstappen te luisteren, en nu en dan eenigszins heet te worden als die voetstappen de kamer naderden. Maar na den maaltijd, toen de dag in schemering, en de schemering in duisternis overging, en hij nog niets nieuws vernam, begon het, gelijk hij zelf het uitdrukte, „naar de Inquisitie en een langzaam doodmartelen te gelijken.” Evenwel nog getrouw aan zijne overtuiging, dat onverschilligheid het kenmerk van fijne beschaving was (de eenige overtuiging die hij had), nam hij deze crisis waar als eene gelegenheid om zich licht en eene courant te laten brengen.Hij had een half uur gesleten met vruchtelooze pogingen om deze courant te lezen, toen er een knecht van het hotel verscheen en op een tegelijk geheimzinnigen en bedremmelden toon zeide:„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Er wordt met uw welnemen naar u gevraagd.”Eene flauwe herinnering, dat dit de uitdrukking was, die de politie tegen een gauwdief bezigde, deed mijnheer Harthouse den knecht met verontwaardiging toebijten, „wat duivel hij daarmede meende.”„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Eene jongejuffrouw daar buiten vraagt u te spreken.”„Daar buiten? Waar?”„Hier buiten de deur, mijnheer.”Den knecht als een domkop, die niet beter waardig was, naar den zoo pas genoemden persoon heenzendende, stond Harthouse haastig op en ging naar de gang. Daar stond een meisje, dat hij nog nooit had gezien, eenvoudig gekleed, zeer zedig van uitzicht en zeer bevallig. Toen hij haar in de kamer bracht en een stoel voor haar zette, zag hij bij het licht der kaarsen, dat zij nog bevalliger was dan hij in het eerst had gedacht. Haar gezichtje was onschuldig en jeugdig, en de uitdrukking daarvan buitengemeen innemend. Zij was niet bang voor hem en volstrekt niet verlegen; haar gemoed scheen geheel vol te zijn met het oogmerk van haar bezoek, zoodat daardoor alle gedachte aan zich zelve werd bedwongen.„Ik spreek immers met mijnheer Harthouse?” zeide zij toen zij alleen waren.„Ja,” antwoordde hij, en voegde er in gedachten bij: „En gij spreekt tegen hem met de vertrouwelijkste oogen die ik ooit gezien heb, en de zachtste stem, al is de toon zoo zonderling ernstig, die ik ooit heb gehoord.”„Hoewel ik niet weet of begrijp,” zeide Sissy, „waartoe uwe eer alsgentlemanu in andere opzichten verbindt,” en het bloed steeg haar naar de wangen toen zij met deze woorden begon, „zal ik er toch zeker op mogen vertrouwen, dat gij mijn bezoek geheim zult houden, en ook geheel verzwijgen wat ik u verder zeggen wilde. Als gij mij belooft, dat ik u zoover vertrouwen mag, zal ik er mij op verlaten.”„Dat kunt gij, dit verzeker ik u.”„Ik ben jong, gelijk gij ziet; en ik ben alléén, gelijk gij ziet. Om zoo bij u te komen, mijnheer, heeft niets mij geraden of aangemoedigd behalve eene stille hoop die ik voed.”„Maar die moet zeer sterk zijn,” dacht hij, toen hij haar voor een oogenblik hare oogen naar boven zag richten. „Dit is een allerwonderlijkstbegin,” dacht hij verder. „Ik begrijp niet waar dat heen moet.”„Ik denk,” zeide Sissy, „dat gij al raadt wie ik zoo even verlaten heb.”„Ik ben vier en twintig uren lang—die mij zoo lang zijn gevallen alsof het jaren waren—zeer ongerust geweest ten opzichte van zekere dame,” antwoordde hij. „De hoop, die ik meende te mogen opvatten, dat gij van die dame komt, heeft mij niet bedrogen, naar ik vertrouw.”„Ik ben nog geen uur geleden van haar weggegaan!”„Waar?”„Bij haar vader in huis.”In spijt van zijne koelbloedigheid werd het gezicht van mijnheer Harthouse veel langer en zijne verbijstering veel grooter. „Nu begrijp ik volstrekt niet waar het heen moet,” dacht hij.„Zij is gisteravond in groote ontsteltenis daar gekomen en heeft den geheelen nacht in flauwte gelegen. Ik woon bij haar vader en ben bij haar gebleven. Gij kunt zeker zijn, mijnheer, dat gij haar nooit zult wederzien zoolang gij leeft.”Harthouse haalde diep adem; en indien iemand zich ooit in de positie bevond van niet te weten wat hij zeggen moest, maakte hij buiten kijf thans de ontdekking, dat hij in zulke omstandigheden verkeerde. De kinderlijke openhartigheid, waarmede het meisje sprak, hare bescheidene onbeschroomdheid, hare oprechtheid, die alle omwegen vermeed, hare volkomene zelfvergetelheid, die haar met ernstige kalmte rechtstreeks deed afgaan op het doel waartoe zij gekomen was, dit alles met haar ernstig vertrouwen op zijne losweg gegevene belofte—waarmede zij hem alleen reeds beschaamde—was iets, waarvan hij nog in het geheel geene ondervinding had gehad, en waartegen hij begreep dat al zijne gewone wapenen zoo machteloos zouden zijn, dat hij geen woord kon bedenken om zich te helpen.Eindelijk zeide hij:„Zulk een onverwacht bericht, met zooveel zekerheid en door zulke lippen gegeven, is inderdaad zeer verrassend. Mag ik vragen of de dame, van wie wij spreken, u belast heeft om mij dat bericht in die hopelooze bewoordingen over te brengen?”„Zij heeft mij niets belast.”De drenkeling grijpt zich aan een stroohalm.„Zonder uw oordeel te willen wantrouwen of uwe oprechtheid te verdenken, vertrouw ik te mogen zeggen, dat ik meen nog te mogen hopen, dat de bewuste dame mij niet voor altijd uit hare oogen zal willen verbannen.”„Er is geene de minste hoop. Het eerste doel van mijne komst, mijnheer, is u te verzekeren dat gij gelooven moet, dat er even weinig hoop voor u bestaat om haar ooit weder te spreken, als er bestaan zou indien zij terstond gestorven was, toen zij gisteravond thuis kwam.”„Gelooven moet? Maar als ik niet kan—of als ik ongelukkig wat stijfhoofdig van karakter ben en niet wil?”„Het is toch waar. Er is geene hoop.”James Harthouse zag haar aan met een ongeloovigen glimlach op de lippen; maar de oogen van haar geest zagen verder en hooger, dan naar den man die voor haar stond, en die glimlach werd dus nutteloos verspild.Hij beet op zijne lippen en nam een poosje tijd om zich te bedenken.„Welnu,” zeide hij, „als het ongelukkig mocht blijken, nadat ik alles heb gedaan wat van mij gevergd kan worden, dat ik zoo ongelukkig ben om aldus in ballingschap te worden gezonden, zal ik die dame niet verder lastig vallen. Maar gij zegt, dat gij geen bericht voor mij van haar hebt. Welk recht of volmacht hebt gij dan om in hare plaats te spreken?”„Ik heb geen ander recht dan dat van mijne liefde voor haar en hare liefde voor mij—geene andere volmacht, dan dat ik bij haar ben geweest sedert zij thuis is gekomen en zij haar hart voor mij heeft geopend—geene andere verantwoordelijkheid, dan dat ik met haar karakter en haar huwelijk vertrouwd ben. O, mijnheer Harthouse, ik geloof dat die verantwoordelijkheid ook op u rustte!”Dit verwijt trof hem in de ledige holte waar zijn hart had moeten zijn.„Ik ben geen moreel mensch,” zeide hij, „en ik maak er nooit aanspraak op, om voor een moreel mensch gehouden te worden. Ik ben zoo immoreel als maar iemand behoeft te wezen. Maar toch moet ik zeggen, als ik de dame, die het onderwerp van ons gesprek is, eenig leed heb veroorzaakt, of haar ongelukkig op eenigerlei manier heb gecompromitteerd, of mij zelven bij haar heb gecompromitteerd door uitdrukkingen, die niet geheel en al met den eerbied voor—voor den huiselijken haard waren overeen te brengen; of als ik er eenigszins partij van heb getrokken, dat haar vader eene machine, haar broeder een hondsvot en haar man een beer is, dan verzoek ik u te mogen verzekeren, dat ik geene bepaalde booze oogmerken had, maar van den eenen stap tot den anderen ben gekomen, zoo zacht en geleidelijk, dat ik mij volstrekt niet verbeeldde, dat de roman al zoo lang was, eer ik ze eens begon over te lezen—en nu vind ik waarlijk, dat zij al verscheidene deelen beslaat.”Hoewel hij dit alles op zijn luchtigsten toon zeide, scheen hij voor deze enkele maal wel bewust te zijn, dat die toon slechts dienen moest om iets te verbloemen dat een zeer leelijk aanzien had. Hij zweeg een oogenblik en vervolgde toen met meer schijn van zelfvertrouwen, hoewel nog met sporen van verdrietelijkheid en teleurstelling, die hij niet kon uitwisschen:„Na hetgeen mij zoo even is voorgehouden,op eene manier, die mij het twijfelen onmogelijk maakt—ik weet waarlijk haast niet, uit welke andere bron ik het zoo gereedelijk had kunnen aannemen—gevoel ik mij verplicht u te zeggen, dat ik niet weigeren kan ernstig aan de mogelijkheid te denken—hoe onverwacht mij dit ook wezen mag—dat ik die dame niet meer zien zal. Ik alleen ben er voor te laken, dat de zaak zoover gekomen is—en—en ik kan niet zeggen,” vervolgde hij, zeer verlegen om een passend slot voor zijne rede te vinden, „dat ik veel hoop heb om ooit een moreel mensch te worden, of dat ik eenigszins aan moreele menschen geloof.”Sissy’s gezichtje duidde genoegzaam aan, dat zij hem nog meer te zeggen had.„Gij hebt,” hervatte hij, toen zij hare oogen naar hem opsloeg, „van een eerste doel uwer komst gesproken. Ik mag dus aannemen dat gij nog een tweede hebt.”„Ja.”„Wilt gij dan zoo vriendelijk zijn van mij dat te zeggen?”„Mijnheer Harthouse,” antwoordde Sissy, met eene mengeling van zachtheid en stroefheid, die hem geheel uit het veld sloeg, en met een zoo naïef vertrouwen, dat hij verplicht was om te doen wat zij eischte, dat het weigeren hem daardoor uiterst moeielijk werd, „de eenige herstelling, die er voor u overschiet, is, dat gij terstond en voorgoed van hier vertrekt. Ik ben volkomen zeker, dat gij op geene andere wijs het kwaad en het leed, hetwelk gij veroorzaakt hebt, kunt verzachten. Ik ben volkomen zeker, dat dit de eenige vergoeding is, die gij in uw vermogen hebt. Ik zeg niet dat het veel is, of dat het genoeg is; maar het is toch iets en het is noodzakelijk. En dus, zonder andere volmacht te hebben dan die ik u genoemd heb, en zelfs buiten weten van iemand behalve u en mij, verzoek ik, dat gij dezen avond nog van hier vertrekt en u verbindt om nooit terug te komen.”Indien zij eenigen invloed op hem had willen doen gelden behalve haar eenvoudig geloof aan de waarheid van hetgeen zij zeide en de rechtmatigheid van haar eisch; indien zij heimelijk den minsten twijfel had gekoesterd, of zelfs met het beste doel iets had willen achterhouden of veinzen; indien zij den minsten zweem van vrees had getoond voor zijne bespotting, zijne verbazing of eenige tegenspraak, die hij mocht beproeven, dan zou hij nu zeker de overhand op haar hebben gewonnen. Maar het zou hem even mogelijk zijn geweest eene heldere lucht te doen betrekken door verwonderd daarnaar op te zien, als eenigen indruk op dit meisje te maken.„Maar weet gij wel,” zeide hij, geheel verlegen, „wat het is dat gij vraagt? Het is u zeker niet bekend, dat ik om zoo te zeggen om staatszaken hier ben, die op zichzelf wel dwaas genoeg zijn, maar waaraan ik mij toch verbonden heb, waarvoor ik eeden heb gedaan, en waaraan men denkt dat ik wanhopig verkleefd ben? Gij weet dat waarschijnlijk niet, maar ik verzeker u, het is een feit.”Het maakte geen indruk op Sissy, het mocht een feit wezen of niet.„Bovendien,” hervatte Harthouse, nadat hij een paar malen, altijd nog twijfelende, de kamer op en neer had gestapt, „het is zoo geweldig absurd. Het zou iemand zoo belachelijk maken, als hij zich eerst met die kerels verbond en zich dan op zulk eene onbegrijpelijke manier terugtrok.”„Ik weet zeker,” herhaalde Sissy, „dat dit de eenige herstelling is, die gij in uwe macht hebt, mijnheer.Ik ben daarvan volkomen verzekerd, of ik zou niet hier zijn gekomen.”Hij zag haar aan, stapte nog wat op en neer en zeide: „Bij mijne ziel, gij weet niet wat gij vraagt. Zoo schrikkelijk absurd!”Het was nu zijne beurt om geheimhouding te bedingen.„Als ik iets zoo belachelijks deed,” zeide hij, weder stilstaande en tegen den schoorsteenmantel leunende, „zou het alleen kunnen zijn in het onschendbaarste vertrouwen...”„Ik zal u vertrouwen, mijnheer,” antwoordde Sissy, „en gij zult mij vertrouwen.”Terwijl hij zoo tegen den schoorsteenmantel leunde, herinnerde hij zich den avond met den hondsvot. Het was dezelfde schoorsteenmantel, en hoe het kwam wist hij niet, het was hem eenigszins alsofhijnu de hondsvot was. Hij wist zich volstrekt niet te helpen.„Ik geloof haast, dat nog nooit iemand zich in zulk eene gekke positie heeft bevonden,” zeide hij, nadat hij naar omhoog en naar omlaag had gekeken, had gelachen en zuur gezien, naar het andere eind der kamer was gestapt en weer was teruggekomen; „maar ik weet er toch niet uit te komen. Wat gebeuren moet, moet gebeuren; enditmoet dan maar gebeuren, zou ik haast denken. Ik zal mij dan maar moeten wegmaken, verbeeld ik mij—kortom, ik beloof het.”Sissy stond op. Zij was niet verwonderd over den afloop, maar zij was verblijd en haar gezichtje blonk van genoegen.„Gij zult mij veroorloven te zeggen,” hervatte James Harthouse, „dat ik twijfel, of een ander ambassadeur of ambassadrice wel zoo goed geslaagd zou zijn. Ik moet mij niet alleen in eene belachelijke positie schikken, maar ook bekennen, dat ik van alle kanten uit het veld geslagen ben. Wilt ge mij het voorrecht vergunnen van den naam mijner vijandin te mogen onthouden?”„Mijnnaam?” vroeg de ambassadrice.„De eenige naam, die mij van avond ten minste kan schelen.”„Sissy Jupe.”„Verschoon mijne nieuwsgierigheid bij het afscheid. Zijt gij van de familie?”„Ik ben maar een arm meisje,” antwoordde Sissy. „Ik werd van mijn vader gescheiden—hij was maar een kunstrijder—en toen had mijnheer Gradgrind medelijden met mij. Sedert ben ik bij hem in huis gebleven.”ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).Zij was verdwenen.„Dit alleen ontbrak er nog aan om mijne nederlaag te voltooien,” zeide James Harthouse, en liet zich met een gezicht vol neerslachtige berusting op de sofa zinken, nadat hij eene poos als versteend was blijven staan. „Ik ben nu zoo goed als vernietigd. Maar een arm meisje—maar een kunstrijder—James Harthouse maar tot niemendal gemaakt—James Harthouse maar eene Groote Piramide van mislukking.”De Groote Piramide bracht hem in het hoofd om naar denNijlte gaan. Hij nam dadelijk eene pen op en schreef het volgende briefje (in voegzame hieroglyphische teekenen) aan zijn broeder:„Waarde Jack. Alles afgedaan inCoketown. Door verveling weggejaagd. Ik ga naar de kameelen. Uw liefhebbendeJem.”Hij schelde.„Laat mijn knecht hier komen.”„Hij is naar bed, mijnheer.”„Zeg hem dan, dat hij moet opstaan en mijn goed pakken.”Hij schreef nog twee briefjes, een aan mijnheer Bounderby, om dezen te berichten dat hij vertrok en op te geven waar hij de eerstvolgende veertien dagen zou te vinden zijn, en een ander, van dergelijken inhoud, aan mijnheer Gradgrind. Bijna zoodra de inkt der adressen droog was, had hij de hooge schoorsteenen vanCoketownreeds achter zich en zat hij in een der rijtuigen van een spoortrein, die hem met vliegende vaart door de duisternis heenvoerde.Moreele menschen zullen misschien denken, dat deze snelle aftocht van James Harthouse hem naderhand stof gaf tot eenige troostrijke gedachten, als een zijner weinige bedrijven, waardoor hij ooit iets kwaads had vergoed, en als een blijk, dat-hij eens aan het allerergste van eene zeer slechte zaak was ontsnapt. Maar dit was volstrekt het geval niet. Een geheim gevoel, dat hij zich door eene mislukte onderneming belachelijk had gemaakt, en de vrees, wat andere heeren van zijn stempel wel van hem zouden zeggen als zij het wisten, waren hem zoo onaangenaam, dat de beste daad van geheel zijn leven juist diegene was, welke hij voor geene schatten had willen bekennen, en de eenige, waarover hij zich voor zich zelven schaamde.

XXX.ZEER BELACHELIJK.

Mijnheer James Harthouse sleet een geheelen nacht en dag in zulk een toestand van opgewondenheid, dat de wereld met haar beste lorgnet voor de oogen, hem in dat tijdperk van waanzin bezwaarlijk voor Jem, den broeder van het achtbare en luimige parlementslid, had kunnen herkennen. Hij was werkelijk in heftige gemoedsbeweging, en sprak verscheidene malen met een nadruk, die naar de manier van gemeene lieden geleek. Hij liep op eene onverklaarbare manier uit en in, als iemand die een werkelijk doel had. Hij reed alsof hij gejaagd werd. Kortom, de omstandigheden verveelden hem zoo schrikkelijk, dat hij vergat op de manier van fijn beschaafdegentlemenzijne verveling te toonen.Nadat hij door den storm naarCoketownwas gerend, bleef hij den geheelen nacht opzitten, van tijd tot tijd met de grootste woede aan de schel trekkende en den knecht, die de wacht had, beschuldigende, dat hij brieven of boodschappen achterhield, die zeker voor hem bestemd waren, en die hij nu eischte dat hem terstond zouden worden overgeleverd. Toen de dageraad kwam, de morgenstond kwam en de dag kwam, en geen van deze drie brief of boodschap medebracht, begaf hij zich naar het buiten. Daar vernam hij, dat mijnheer Bounderby op reis en mevrouw Bounderby naar de stad was. Zij was gisteravond onverwacht daarheen vertrokken. Men had dit niet eens geweten, voordat men eene boodschap had ontvangen, dat men haar vooreerst niet terug moest verwachten.Onder deze omstandigheden schoot hem niets anders over dan haar naar de stad te volgen. Hij ging naar het huis in de stad. Mevrouw Bounderby was er niet. Hij bezocht het kantoor. Mijnheer Bounderby was weg, en mevrouw Sparsit was weg. Mevrouw Sparsit weg? Hoe is het mogelijk, dat iemand plotseling het gezelschap van dat serpent noodig had!„Ja, dat weet ik niet,” antwoordde Tom, die zijne eigene redenen had om zich in dit opzicht ongerust te maken. „Zij is van morgen eer de dag nog aankwam vertrokken; niemand weet waarheen. Zij is altijd zoo geheimzinnig. Ik heb een hekel aan haar, en ook aan dien vlasharigen kerel, die iemand met zijne knippende oogen overal nakijkt.”„Waar zijt gij gisteravond geweest, Tom?”„Waar ik gisteravond geweest ben!” zeide Tom. „Wel, nu nog mooier! Ik heb naar u staan wachten, mijnheer Harthouse, tot het begon te stortregenen zooals ik het nog nooit in mijn leven had zien doen. Waar ik was! Gij zult meenen: waar gij gebleven zijt?”„Ik werd verhinderd, Tom—opgehouden.”„Opgehouden!” mompelde Tom. „Dan werden wij allebei opgehouden. Ik werd opgehouden met naar u te wachten, tot alle treinen voorbij waren behalve de posttrein. Het zou een aardig karreweitje zijn geweest in zulk weer daarmede te rijden en dan door een vijver heen naar huis te moeten kuieren. Ik moest dus wel in de stad blijven slapen.”„Waar?”„Waar? Wel in mijn eigen bed bij Bounderby.”„Hebt gij uwe zuster gezien?”„Hoe drommel,” antwoordde Tom, hem verwonderd aanstarende, „kon ik mijne zuster zien, die vijftien mijlen hier vandaan was?”Met een vloek over de bitse antwoorden van den jongenheer, van wien hij zulk een trouw vriend was, maakte mijnheer Harthouse met deminst mogelijke plichtplegingen een einde aan het gesprek, en overdacht voor de honderdste maal wat dit alles kon beteekenen. Slechts één ding werd hem duidelijk, dat hij namelijk, hetzij ze in de stad of uit de stad was, hetzij hij bij eene vrouw, die zoo moeielijk te begrijpen was, te voorbarig was geweest, of dat zij den moed had verloren, of dat men hen ontdekt had, of dat er eene voor het oogenblik onbegrijpelijke misvatting of vergissing had plaats gehad—dat hij evenwel zijn lot moest blijven afwachten, hoe dat dan ook wezen mocht. Het hotel, dat hij gewoonlijk betrok, wanneer hij tot dat gewest van kolenzwart was verwezen, was de martelpaal waaraan hij was vastgebonden. Voor het overige—wat gebeuren moest, moest gebeuren.„Of ik dus hier wacht naar eene gramstorige boodschap, of eenrendez-vous, of een teerhartig berouw, of eene vechtpartij met mijn vriend Bounderby—hetgeen in den tegenwoordigen staat van zaken even waarschijnlijk is als iets anders—ik wil dineeren,” zei James Harthouse. „Bounderby heeft het voordeel van zwaarder te zijn dan ik: en als er iets van echt Engelschen aard tusschen ons moet plaats hebben, zal het wel goed zijn mij een beetje te versterken.”Hij trok dus aan de schel, en zich achteloos op een sofa werpende, bestelde hij een diner tegen zes uur, „onverschillig wat, maar een beefsteak er bij;” en daarna sleet hij den tusschentijd zoo goed hij kon. Dit gelukte hem niet bijzonder goed; want hij bleef nog in de grootste verbijstering, en terwijl de uren verliepen en hij geenerlei opheldering ontving, vergrootte zich die verbijstering als een kapitaal, dat interest op interest is uitgezet.Hij nam echter de zaak zoo koelbloedig op als het maar iemand mogelijk zou zijn geweest, en vermaakte zich met het koddige denkbeeld om zich op eene vechtpartij met Bounderby voor te bereiden. „Het zou niet kwaad zijn,” dacht hij al geeuwende, „den knecht vijf schellingen te geven en mij te oefenen om hem op den grond te werken.” En daarna viel het hem in: „of men zou ook een kerel van behoorlijke zwaarte bij het uur kunnen huren.” Deze aardigheden droegen echter niet veel van aanbelang bij om den namiddag te verkorten of zijne onrust te verminderen, en om de waarheid te zeggen, beiden duurden hem schrikkelijk lang.Zelfs nog vóór den maaltijd kon hij onmogelijk nalaten dikwijls over de bloemen van het tapijt rond te stappen, uit het venster te kijken, bij de deur naar voetstappen te luisteren, en nu en dan eenigszins heet te worden als die voetstappen de kamer naderden. Maar na den maaltijd, toen de dag in schemering, en de schemering in duisternis overging, en hij nog niets nieuws vernam, begon het, gelijk hij zelf het uitdrukte, „naar de Inquisitie en een langzaam doodmartelen te gelijken.” Evenwel nog getrouw aan zijne overtuiging, dat onverschilligheid het kenmerk van fijne beschaving was (de eenige overtuiging die hij had), nam hij deze crisis waar als eene gelegenheid om zich licht en eene courant te laten brengen.Hij had een half uur gesleten met vruchtelooze pogingen om deze courant te lezen, toen er een knecht van het hotel verscheen en op een tegelijk geheimzinnigen en bedremmelden toon zeide:„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Er wordt met uw welnemen naar u gevraagd.”Eene flauwe herinnering, dat dit de uitdrukking was, die de politie tegen een gauwdief bezigde, deed mijnheer Harthouse den knecht met verontwaardiging toebijten, „wat duivel hij daarmede meende.”„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Eene jongejuffrouw daar buiten vraagt u te spreken.”„Daar buiten? Waar?”„Hier buiten de deur, mijnheer.”Den knecht als een domkop, die niet beter waardig was, naar den zoo pas genoemden persoon heenzendende, stond Harthouse haastig op en ging naar de gang. Daar stond een meisje, dat hij nog nooit had gezien, eenvoudig gekleed, zeer zedig van uitzicht en zeer bevallig. Toen hij haar in de kamer bracht en een stoel voor haar zette, zag hij bij het licht der kaarsen, dat zij nog bevalliger was dan hij in het eerst had gedacht. Haar gezichtje was onschuldig en jeugdig, en de uitdrukking daarvan buitengemeen innemend. Zij was niet bang voor hem en volstrekt niet verlegen; haar gemoed scheen geheel vol te zijn met het oogmerk van haar bezoek, zoodat daardoor alle gedachte aan zich zelve werd bedwongen.„Ik spreek immers met mijnheer Harthouse?” zeide zij toen zij alleen waren.„Ja,” antwoordde hij, en voegde er in gedachten bij: „En gij spreekt tegen hem met de vertrouwelijkste oogen die ik ooit gezien heb, en de zachtste stem, al is de toon zoo zonderling ernstig, die ik ooit heb gehoord.”„Hoewel ik niet weet of begrijp,” zeide Sissy, „waartoe uwe eer alsgentlemanu in andere opzichten verbindt,” en het bloed steeg haar naar de wangen toen zij met deze woorden begon, „zal ik er toch zeker op mogen vertrouwen, dat gij mijn bezoek geheim zult houden, en ook geheel verzwijgen wat ik u verder zeggen wilde. Als gij mij belooft, dat ik u zoover vertrouwen mag, zal ik er mij op verlaten.”„Dat kunt gij, dit verzeker ik u.”„Ik ben jong, gelijk gij ziet; en ik ben alléén, gelijk gij ziet. Om zoo bij u te komen, mijnheer, heeft niets mij geraden of aangemoedigd behalve eene stille hoop die ik voed.”„Maar die moet zeer sterk zijn,” dacht hij, toen hij haar voor een oogenblik hare oogen naar boven zag richten. „Dit is een allerwonderlijkstbegin,” dacht hij verder. „Ik begrijp niet waar dat heen moet.”„Ik denk,” zeide Sissy, „dat gij al raadt wie ik zoo even verlaten heb.”„Ik ben vier en twintig uren lang—die mij zoo lang zijn gevallen alsof het jaren waren—zeer ongerust geweest ten opzichte van zekere dame,” antwoordde hij. „De hoop, die ik meende te mogen opvatten, dat gij van die dame komt, heeft mij niet bedrogen, naar ik vertrouw.”„Ik ben nog geen uur geleden van haar weggegaan!”„Waar?”„Bij haar vader in huis.”In spijt van zijne koelbloedigheid werd het gezicht van mijnheer Harthouse veel langer en zijne verbijstering veel grooter. „Nu begrijp ik volstrekt niet waar het heen moet,” dacht hij.„Zij is gisteravond in groote ontsteltenis daar gekomen en heeft den geheelen nacht in flauwte gelegen. Ik woon bij haar vader en ben bij haar gebleven. Gij kunt zeker zijn, mijnheer, dat gij haar nooit zult wederzien zoolang gij leeft.”Harthouse haalde diep adem; en indien iemand zich ooit in de positie bevond van niet te weten wat hij zeggen moest, maakte hij buiten kijf thans de ontdekking, dat hij in zulke omstandigheden verkeerde. De kinderlijke openhartigheid, waarmede het meisje sprak, hare bescheidene onbeschroomdheid, hare oprechtheid, die alle omwegen vermeed, hare volkomene zelfvergetelheid, die haar met ernstige kalmte rechtstreeks deed afgaan op het doel waartoe zij gekomen was, dit alles met haar ernstig vertrouwen op zijne losweg gegevene belofte—waarmede zij hem alleen reeds beschaamde—was iets, waarvan hij nog in het geheel geene ondervinding had gehad, en waartegen hij begreep dat al zijne gewone wapenen zoo machteloos zouden zijn, dat hij geen woord kon bedenken om zich te helpen.Eindelijk zeide hij:„Zulk een onverwacht bericht, met zooveel zekerheid en door zulke lippen gegeven, is inderdaad zeer verrassend. Mag ik vragen of de dame, van wie wij spreken, u belast heeft om mij dat bericht in die hopelooze bewoordingen over te brengen?”„Zij heeft mij niets belast.”De drenkeling grijpt zich aan een stroohalm.„Zonder uw oordeel te willen wantrouwen of uwe oprechtheid te verdenken, vertrouw ik te mogen zeggen, dat ik meen nog te mogen hopen, dat de bewuste dame mij niet voor altijd uit hare oogen zal willen verbannen.”„Er is geene de minste hoop. Het eerste doel van mijne komst, mijnheer, is u te verzekeren dat gij gelooven moet, dat er even weinig hoop voor u bestaat om haar ooit weder te spreken, als er bestaan zou indien zij terstond gestorven was, toen zij gisteravond thuis kwam.”„Gelooven moet? Maar als ik niet kan—of als ik ongelukkig wat stijfhoofdig van karakter ben en niet wil?”„Het is toch waar. Er is geene hoop.”James Harthouse zag haar aan met een ongeloovigen glimlach op de lippen; maar de oogen van haar geest zagen verder en hooger, dan naar den man die voor haar stond, en die glimlach werd dus nutteloos verspild.Hij beet op zijne lippen en nam een poosje tijd om zich te bedenken.„Welnu,” zeide hij, „als het ongelukkig mocht blijken, nadat ik alles heb gedaan wat van mij gevergd kan worden, dat ik zoo ongelukkig ben om aldus in ballingschap te worden gezonden, zal ik die dame niet verder lastig vallen. Maar gij zegt, dat gij geen bericht voor mij van haar hebt. Welk recht of volmacht hebt gij dan om in hare plaats te spreken?”„Ik heb geen ander recht dan dat van mijne liefde voor haar en hare liefde voor mij—geene andere volmacht, dan dat ik bij haar ben geweest sedert zij thuis is gekomen en zij haar hart voor mij heeft geopend—geene andere verantwoordelijkheid, dan dat ik met haar karakter en haar huwelijk vertrouwd ben. O, mijnheer Harthouse, ik geloof dat die verantwoordelijkheid ook op u rustte!”Dit verwijt trof hem in de ledige holte waar zijn hart had moeten zijn.„Ik ben geen moreel mensch,” zeide hij, „en ik maak er nooit aanspraak op, om voor een moreel mensch gehouden te worden. Ik ben zoo immoreel als maar iemand behoeft te wezen. Maar toch moet ik zeggen, als ik de dame, die het onderwerp van ons gesprek is, eenig leed heb veroorzaakt, of haar ongelukkig op eenigerlei manier heb gecompromitteerd, of mij zelven bij haar heb gecompromitteerd door uitdrukkingen, die niet geheel en al met den eerbied voor—voor den huiselijken haard waren overeen te brengen; of als ik er eenigszins partij van heb getrokken, dat haar vader eene machine, haar broeder een hondsvot en haar man een beer is, dan verzoek ik u te mogen verzekeren, dat ik geene bepaalde booze oogmerken had, maar van den eenen stap tot den anderen ben gekomen, zoo zacht en geleidelijk, dat ik mij volstrekt niet verbeeldde, dat de roman al zoo lang was, eer ik ze eens begon over te lezen—en nu vind ik waarlijk, dat zij al verscheidene deelen beslaat.”Hoewel hij dit alles op zijn luchtigsten toon zeide, scheen hij voor deze enkele maal wel bewust te zijn, dat die toon slechts dienen moest om iets te verbloemen dat een zeer leelijk aanzien had. Hij zweeg een oogenblik en vervolgde toen met meer schijn van zelfvertrouwen, hoewel nog met sporen van verdrietelijkheid en teleurstelling, die hij niet kon uitwisschen:„Na hetgeen mij zoo even is voorgehouden,op eene manier, die mij het twijfelen onmogelijk maakt—ik weet waarlijk haast niet, uit welke andere bron ik het zoo gereedelijk had kunnen aannemen—gevoel ik mij verplicht u te zeggen, dat ik niet weigeren kan ernstig aan de mogelijkheid te denken—hoe onverwacht mij dit ook wezen mag—dat ik die dame niet meer zien zal. Ik alleen ben er voor te laken, dat de zaak zoover gekomen is—en—en ik kan niet zeggen,” vervolgde hij, zeer verlegen om een passend slot voor zijne rede te vinden, „dat ik veel hoop heb om ooit een moreel mensch te worden, of dat ik eenigszins aan moreele menschen geloof.”Sissy’s gezichtje duidde genoegzaam aan, dat zij hem nog meer te zeggen had.„Gij hebt,” hervatte hij, toen zij hare oogen naar hem opsloeg, „van een eerste doel uwer komst gesproken. Ik mag dus aannemen dat gij nog een tweede hebt.”„Ja.”„Wilt gij dan zoo vriendelijk zijn van mij dat te zeggen?”„Mijnheer Harthouse,” antwoordde Sissy, met eene mengeling van zachtheid en stroefheid, die hem geheel uit het veld sloeg, en met een zoo naïef vertrouwen, dat hij verplicht was om te doen wat zij eischte, dat het weigeren hem daardoor uiterst moeielijk werd, „de eenige herstelling, die er voor u overschiet, is, dat gij terstond en voorgoed van hier vertrekt. Ik ben volkomen zeker, dat gij op geene andere wijs het kwaad en het leed, hetwelk gij veroorzaakt hebt, kunt verzachten. Ik ben volkomen zeker, dat dit de eenige vergoeding is, die gij in uw vermogen hebt. Ik zeg niet dat het veel is, of dat het genoeg is; maar het is toch iets en het is noodzakelijk. En dus, zonder andere volmacht te hebben dan die ik u genoemd heb, en zelfs buiten weten van iemand behalve u en mij, verzoek ik, dat gij dezen avond nog van hier vertrekt en u verbindt om nooit terug te komen.”Indien zij eenigen invloed op hem had willen doen gelden behalve haar eenvoudig geloof aan de waarheid van hetgeen zij zeide en de rechtmatigheid van haar eisch; indien zij heimelijk den minsten twijfel had gekoesterd, of zelfs met het beste doel iets had willen achterhouden of veinzen; indien zij den minsten zweem van vrees had getoond voor zijne bespotting, zijne verbazing of eenige tegenspraak, die hij mocht beproeven, dan zou hij nu zeker de overhand op haar hebben gewonnen. Maar het zou hem even mogelijk zijn geweest eene heldere lucht te doen betrekken door verwonderd daarnaar op te zien, als eenigen indruk op dit meisje te maken.„Maar weet gij wel,” zeide hij, geheel verlegen, „wat het is dat gij vraagt? Het is u zeker niet bekend, dat ik om zoo te zeggen om staatszaken hier ben, die op zichzelf wel dwaas genoeg zijn, maar waaraan ik mij toch verbonden heb, waarvoor ik eeden heb gedaan, en waaraan men denkt dat ik wanhopig verkleefd ben? Gij weet dat waarschijnlijk niet, maar ik verzeker u, het is een feit.”Het maakte geen indruk op Sissy, het mocht een feit wezen of niet.„Bovendien,” hervatte Harthouse, nadat hij een paar malen, altijd nog twijfelende, de kamer op en neer had gestapt, „het is zoo geweldig absurd. Het zou iemand zoo belachelijk maken, als hij zich eerst met die kerels verbond en zich dan op zulk eene onbegrijpelijke manier terugtrok.”„Ik weet zeker,” herhaalde Sissy, „dat dit de eenige herstelling is, die gij in uwe macht hebt, mijnheer.Ik ben daarvan volkomen verzekerd, of ik zou niet hier zijn gekomen.”Hij zag haar aan, stapte nog wat op en neer en zeide: „Bij mijne ziel, gij weet niet wat gij vraagt. Zoo schrikkelijk absurd!”Het was nu zijne beurt om geheimhouding te bedingen.„Als ik iets zoo belachelijks deed,” zeide hij, weder stilstaande en tegen den schoorsteenmantel leunende, „zou het alleen kunnen zijn in het onschendbaarste vertrouwen...”„Ik zal u vertrouwen, mijnheer,” antwoordde Sissy, „en gij zult mij vertrouwen.”Terwijl hij zoo tegen den schoorsteenmantel leunde, herinnerde hij zich den avond met den hondsvot. Het was dezelfde schoorsteenmantel, en hoe het kwam wist hij niet, het was hem eenigszins alsofhijnu de hondsvot was. Hij wist zich volstrekt niet te helpen.„Ik geloof haast, dat nog nooit iemand zich in zulk eene gekke positie heeft bevonden,” zeide hij, nadat hij naar omhoog en naar omlaag had gekeken, had gelachen en zuur gezien, naar het andere eind der kamer was gestapt en weer was teruggekomen; „maar ik weet er toch niet uit te komen. Wat gebeuren moet, moet gebeuren; enditmoet dan maar gebeuren, zou ik haast denken. Ik zal mij dan maar moeten wegmaken, verbeeld ik mij—kortom, ik beloof het.”Sissy stond op. Zij was niet verwonderd over den afloop, maar zij was verblijd en haar gezichtje blonk van genoegen.„Gij zult mij veroorloven te zeggen,” hervatte James Harthouse, „dat ik twijfel, of een ander ambassadeur of ambassadrice wel zoo goed geslaagd zou zijn. Ik moet mij niet alleen in eene belachelijke positie schikken, maar ook bekennen, dat ik van alle kanten uit het veld geslagen ben. Wilt ge mij het voorrecht vergunnen van den naam mijner vijandin te mogen onthouden?”„Mijnnaam?” vroeg de ambassadrice.„De eenige naam, die mij van avond ten minste kan schelen.”„Sissy Jupe.”„Verschoon mijne nieuwsgierigheid bij het afscheid. Zijt gij van de familie?”„Ik ben maar een arm meisje,” antwoordde Sissy. „Ik werd van mijn vader gescheiden—hij was maar een kunstrijder—en toen had mijnheer Gradgrind medelijden met mij. Sedert ben ik bij hem in huis gebleven.”ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).Zij was verdwenen.„Dit alleen ontbrak er nog aan om mijne nederlaag te voltooien,” zeide James Harthouse, en liet zich met een gezicht vol neerslachtige berusting op de sofa zinken, nadat hij eene poos als versteend was blijven staan. „Ik ben nu zoo goed als vernietigd. Maar een arm meisje—maar een kunstrijder—James Harthouse maar tot niemendal gemaakt—James Harthouse maar eene Groote Piramide van mislukking.”De Groote Piramide bracht hem in het hoofd om naar denNijlte gaan. Hij nam dadelijk eene pen op en schreef het volgende briefje (in voegzame hieroglyphische teekenen) aan zijn broeder:„Waarde Jack. Alles afgedaan inCoketown. Door verveling weggejaagd. Ik ga naar de kameelen. Uw liefhebbendeJem.”Hij schelde.„Laat mijn knecht hier komen.”„Hij is naar bed, mijnheer.”„Zeg hem dan, dat hij moet opstaan en mijn goed pakken.”Hij schreef nog twee briefjes, een aan mijnheer Bounderby, om dezen te berichten dat hij vertrok en op te geven waar hij de eerstvolgende veertien dagen zou te vinden zijn, en een ander, van dergelijken inhoud, aan mijnheer Gradgrind. Bijna zoodra de inkt der adressen droog was, had hij de hooge schoorsteenen vanCoketownreeds achter zich en zat hij in een der rijtuigen van een spoortrein, die hem met vliegende vaart door de duisternis heenvoerde.Moreele menschen zullen misschien denken, dat deze snelle aftocht van James Harthouse hem naderhand stof gaf tot eenige troostrijke gedachten, als een zijner weinige bedrijven, waardoor hij ooit iets kwaads had vergoed, en als een blijk, dat-hij eens aan het allerergste van eene zeer slechte zaak was ontsnapt. Maar dit was volstrekt het geval niet. Een geheim gevoel, dat hij zich door eene mislukte onderneming belachelijk had gemaakt, en de vrees, wat andere heeren van zijn stempel wel van hem zouden zeggen als zij het wisten, waren hem zoo onaangenaam, dat de beste daad van geheel zijn leven juist diegene was, welke hij voor geene schatten had willen bekennen, en de eenige, waarover hij zich voor zich zelven schaamde.

Mijnheer James Harthouse sleet een geheelen nacht en dag in zulk een toestand van opgewondenheid, dat de wereld met haar beste lorgnet voor de oogen, hem in dat tijdperk van waanzin bezwaarlijk voor Jem, den broeder van het achtbare en luimige parlementslid, had kunnen herkennen. Hij was werkelijk in heftige gemoedsbeweging, en sprak verscheidene malen met een nadruk, die naar de manier van gemeene lieden geleek. Hij liep op eene onverklaarbare manier uit en in, als iemand die een werkelijk doel had. Hij reed alsof hij gejaagd werd. Kortom, de omstandigheden verveelden hem zoo schrikkelijk, dat hij vergat op de manier van fijn beschaafdegentlemenzijne verveling te toonen.

Nadat hij door den storm naarCoketownwas gerend, bleef hij den geheelen nacht opzitten, van tijd tot tijd met de grootste woede aan de schel trekkende en den knecht, die de wacht had, beschuldigende, dat hij brieven of boodschappen achterhield, die zeker voor hem bestemd waren, en die hij nu eischte dat hem terstond zouden worden overgeleverd. Toen de dageraad kwam, de morgenstond kwam en de dag kwam, en geen van deze drie brief of boodschap medebracht, begaf hij zich naar het buiten. Daar vernam hij, dat mijnheer Bounderby op reis en mevrouw Bounderby naar de stad was. Zij was gisteravond onverwacht daarheen vertrokken. Men had dit niet eens geweten, voordat men eene boodschap had ontvangen, dat men haar vooreerst niet terug moest verwachten.

Onder deze omstandigheden schoot hem niets anders over dan haar naar de stad te volgen. Hij ging naar het huis in de stad. Mevrouw Bounderby was er niet. Hij bezocht het kantoor. Mijnheer Bounderby was weg, en mevrouw Sparsit was weg. Mevrouw Sparsit weg? Hoe is het mogelijk, dat iemand plotseling het gezelschap van dat serpent noodig had!

„Ja, dat weet ik niet,” antwoordde Tom, die zijne eigene redenen had om zich in dit opzicht ongerust te maken. „Zij is van morgen eer de dag nog aankwam vertrokken; niemand weet waarheen. Zij is altijd zoo geheimzinnig. Ik heb een hekel aan haar, en ook aan dien vlasharigen kerel, die iemand met zijne knippende oogen overal nakijkt.”

„Waar zijt gij gisteravond geweest, Tom?”

„Waar ik gisteravond geweest ben!” zeide Tom. „Wel, nu nog mooier! Ik heb naar u staan wachten, mijnheer Harthouse, tot het begon te stortregenen zooals ik het nog nooit in mijn leven had zien doen. Waar ik was! Gij zult meenen: waar gij gebleven zijt?”

„Ik werd verhinderd, Tom—opgehouden.”

„Opgehouden!” mompelde Tom. „Dan werden wij allebei opgehouden. Ik werd opgehouden met naar u te wachten, tot alle treinen voorbij waren behalve de posttrein. Het zou een aardig karreweitje zijn geweest in zulk weer daarmede te rijden en dan door een vijver heen naar huis te moeten kuieren. Ik moest dus wel in de stad blijven slapen.”

„Waar?”

„Waar? Wel in mijn eigen bed bij Bounderby.”

„Hebt gij uwe zuster gezien?”

„Hoe drommel,” antwoordde Tom, hem verwonderd aanstarende, „kon ik mijne zuster zien, die vijftien mijlen hier vandaan was?”

Met een vloek over de bitse antwoorden van den jongenheer, van wien hij zulk een trouw vriend was, maakte mijnheer Harthouse met deminst mogelijke plichtplegingen een einde aan het gesprek, en overdacht voor de honderdste maal wat dit alles kon beteekenen. Slechts één ding werd hem duidelijk, dat hij namelijk, hetzij ze in de stad of uit de stad was, hetzij hij bij eene vrouw, die zoo moeielijk te begrijpen was, te voorbarig was geweest, of dat zij den moed had verloren, of dat men hen ontdekt had, of dat er eene voor het oogenblik onbegrijpelijke misvatting of vergissing had plaats gehad—dat hij evenwel zijn lot moest blijven afwachten, hoe dat dan ook wezen mocht. Het hotel, dat hij gewoonlijk betrok, wanneer hij tot dat gewest van kolenzwart was verwezen, was de martelpaal waaraan hij was vastgebonden. Voor het overige—wat gebeuren moest, moest gebeuren.

„Of ik dus hier wacht naar eene gramstorige boodschap, of eenrendez-vous, of een teerhartig berouw, of eene vechtpartij met mijn vriend Bounderby—hetgeen in den tegenwoordigen staat van zaken even waarschijnlijk is als iets anders—ik wil dineeren,” zei James Harthouse. „Bounderby heeft het voordeel van zwaarder te zijn dan ik: en als er iets van echt Engelschen aard tusschen ons moet plaats hebben, zal het wel goed zijn mij een beetje te versterken.”

Hij trok dus aan de schel, en zich achteloos op een sofa werpende, bestelde hij een diner tegen zes uur, „onverschillig wat, maar een beefsteak er bij;” en daarna sleet hij den tusschentijd zoo goed hij kon. Dit gelukte hem niet bijzonder goed; want hij bleef nog in de grootste verbijstering, en terwijl de uren verliepen en hij geenerlei opheldering ontving, vergrootte zich die verbijstering als een kapitaal, dat interest op interest is uitgezet.

Hij nam echter de zaak zoo koelbloedig op als het maar iemand mogelijk zou zijn geweest, en vermaakte zich met het koddige denkbeeld om zich op eene vechtpartij met Bounderby voor te bereiden. „Het zou niet kwaad zijn,” dacht hij al geeuwende, „den knecht vijf schellingen te geven en mij te oefenen om hem op den grond te werken.” En daarna viel het hem in: „of men zou ook een kerel van behoorlijke zwaarte bij het uur kunnen huren.” Deze aardigheden droegen echter niet veel van aanbelang bij om den namiddag te verkorten of zijne onrust te verminderen, en om de waarheid te zeggen, beiden duurden hem schrikkelijk lang.

Zelfs nog vóór den maaltijd kon hij onmogelijk nalaten dikwijls over de bloemen van het tapijt rond te stappen, uit het venster te kijken, bij de deur naar voetstappen te luisteren, en nu en dan eenigszins heet te worden als die voetstappen de kamer naderden. Maar na den maaltijd, toen de dag in schemering, en de schemering in duisternis overging, en hij nog niets nieuws vernam, begon het, gelijk hij zelf het uitdrukte, „naar de Inquisitie en een langzaam doodmartelen te gelijken.” Evenwel nog getrouw aan zijne overtuiging, dat onverschilligheid het kenmerk van fijne beschaving was (de eenige overtuiging die hij had), nam hij deze crisis waar als eene gelegenheid om zich licht en eene courant te laten brengen.

Hij had een half uur gesleten met vruchtelooze pogingen om deze courant te lezen, toen er een knecht van het hotel verscheen en op een tegelijk geheimzinnigen en bedremmelden toon zeide:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Er wordt met uw welnemen naar u gevraagd.”

Eene flauwe herinnering, dat dit de uitdrukking was, die de politie tegen een gauwdief bezigde, deed mijnheer Harthouse den knecht met verontwaardiging toebijten, „wat duivel hij daarmede meende.”

„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Eene jongejuffrouw daar buiten vraagt u te spreken.”

„Daar buiten? Waar?”

„Hier buiten de deur, mijnheer.”

Den knecht als een domkop, die niet beter waardig was, naar den zoo pas genoemden persoon heenzendende, stond Harthouse haastig op en ging naar de gang. Daar stond een meisje, dat hij nog nooit had gezien, eenvoudig gekleed, zeer zedig van uitzicht en zeer bevallig. Toen hij haar in de kamer bracht en een stoel voor haar zette, zag hij bij het licht der kaarsen, dat zij nog bevalliger was dan hij in het eerst had gedacht. Haar gezichtje was onschuldig en jeugdig, en de uitdrukking daarvan buitengemeen innemend. Zij was niet bang voor hem en volstrekt niet verlegen; haar gemoed scheen geheel vol te zijn met het oogmerk van haar bezoek, zoodat daardoor alle gedachte aan zich zelve werd bedwongen.

„Ik spreek immers met mijnheer Harthouse?” zeide zij toen zij alleen waren.

„Ja,” antwoordde hij, en voegde er in gedachten bij: „En gij spreekt tegen hem met de vertrouwelijkste oogen die ik ooit gezien heb, en de zachtste stem, al is de toon zoo zonderling ernstig, die ik ooit heb gehoord.”

„Hoewel ik niet weet of begrijp,” zeide Sissy, „waartoe uwe eer alsgentlemanu in andere opzichten verbindt,” en het bloed steeg haar naar de wangen toen zij met deze woorden begon, „zal ik er toch zeker op mogen vertrouwen, dat gij mijn bezoek geheim zult houden, en ook geheel verzwijgen wat ik u verder zeggen wilde. Als gij mij belooft, dat ik u zoover vertrouwen mag, zal ik er mij op verlaten.”

„Dat kunt gij, dit verzeker ik u.”

„Ik ben jong, gelijk gij ziet; en ik ben alléén, gelijk gij ziet. Om zoo bij u te komen, mijnheer, heeft niets mij geraden of aangemoedigd behalve eene stille hoop die ik voed.”

„Maar die moet zeer sterk zijn,” dacht hij, toen hij haar voor een oogenblik hare oogen naar boven zag richten. „Dit is een allerwonderlijkstbegin,” dacht hij verder. „Ik begrijp niet waar dat heen moet.”

„Ik denk,” zeide Sissy, „dat gij al raadt wie ik zoo even verlaten heb.”

„Ik ben vier en twintig uren lang—die mij zoo lang zijn gevallen alsof het jaren waren—zeer ongerust geweest ten opzichte van zekere dame,” antwoordde hij. „De hoop, die ik meende te mogen opvatten, dat gij van die dame komt, heeft mij niet bedrogen, naar ik vertrouw.”

„Ik ben nog geen uur geleden van haar weggegaan!”

„Waar?”

„Bij haar vader in huis.”

In spijt van zijne koelbloedigheid werd het gezicht van mijnheer Harthouse veel langer en zijne verbijstering veel grooter. „Nu begrijp ik volstrekt niet waar het heen moet,” dacht hij.

„Zij is gisteravond in groote ontsteltenis daar gekomen en heeft den geheelen nacht in flauwte gelegen. Ik woon bij haar vader en ben bij haar gebleven. Gij kunt zeker zijn, mijnheer, dat gij haar nooit zult wederzien zoolang gij leeft.”

Harthouse haalde diep adem; en indien iemand zich ooit in de positie bevond van niet te weten wat hij zeggen moest, maakte hij buiten kijf thans de ontdekking, dat hij in zulke omstandigheden verkeerde. De kinderlijke openhartigheid, waarmede het meisje sprak, hare bescheidene onbeschroomdheid, hare oprechtheid, die alle omwegen vermeed, hare volkomene zelfvergetelheid, die haar met ernstige kalmte rechtstreeks deed afgaan op het doel waartoe zij gekomen was, dit alles met haar ernstig vertrouwen op zijne losweg gegevene belofte—waarmede zij hem alleen reeds beschaamde—was iets, waarvan hij nog in het geheel geene ondervinding had gehad, en waartegen hij begreep dat al zijne gewone wapenen zoo machteloos zouden zijn, dat hij geen woord kon bedenken om zich te helpen.

Eindelijk zeide hij:

„Zulk een onverwacht bericht, met zooveel zekerheid en door zulke lippen gegeven, is inderdaad zeer verrassend. Mag ik vragen of de dame, van wie wij spreken, u belast heeft om mij dat bericht in die hopelooze bewoordingen over te brengen?”

„Zij heeft mij niets belast.”

De drenkeling grijpt zich aan een stroohalm.

„Zonder uw oordeel te willen wantrouwen of uwe oprechtheid te verdenken, vertrouw ik te mogen zeggen, dat ik meen nog te mogen hopen, dat de bewuste dame mij niet voor altijd uit hare oogen zal willen verbannen.”

„Er is geene de minste hoop. Het eerste doel van mijne komst, mijnheer, is u te verzekeren dat gij gelooven moet, dat er even weinig hoop voor u bestaat om haar ooit weder te spreken, als er bestaan zou indien zij terstond gestorven was, toen zij gisteravond thuis kwam.”

„Gelooven moet? Maar als ik niet kan—of als ik ongelukkig wat stijfhoofdig van karakter ben en niet wil?”

„Het is toch waar. Er is geene hoop.”

James Harthouse zag haar aan met een ongeloovigen glimlach op de lippen; maar de oogen van haar geest zagen verder en hooger, dan naar den man die voor haar stond, en die glimlach werd dus nutteloos verspild.

Hij beet op zijne lippen en nam een poosje tijd om zich te bedenken.

„Welnu,” zeide hij, „als het ongelukkig mocht blijken, nadat ik alles heb gedaan wat van mij gevergd kan worden, dat ik zoo ongelukkig ben om aldus in ballingschap te worden gezonden, zal ik die dame niet verder lastig vallen. Maar gij zegt, dat gij geen bericht voor mij van haar hebt. Welk recht of volmacht hebt gij dan om in hare plaats te spreken?”

„Ik heb geen ander recht dan dat van mijne liefde voor haar en hare liefde voor mij—geene andere volmacht, dan dat ik bij haar ben geweest sedert zij thuis is gekomen en zij haar hart voor mij heeft geopend—geene andere verantwoordelijkheid, dan dat ik met haar karakter en haar huwelijk vertrouwd ben. O, mijnheer Harthouse, ik geloof dat die verantwoordelijkheid ook op u rustte!”

Dit verwijt trof hem in de ledige holte waar zijn hart had moeten zijn.

„Ik ben geen moreel mensch,” zeide hij, „en ik maak er nooit aanspraak op, om voor een moreel mensch gehouden te worden. Ik ben zoo immoreel als maar iemand behoeft te wezen. Maar toch moet ik zeggen, als ik de dame, die het onderwerp van ons gesprek is, eenig leed heb veroorzaakt, of haar ongelukkig op eenigerlei manier heb gecompromitteerd, of mij zelven bij haar heb gecompromitteerd door uitdrukkingen, die niet geheel en al met den eerbied voor—voor den huiselijken haard waren overeen te brengen; of als ik er eenigszins partij van heb getrokken, dat haar vader eene machine, haar broeder een hondsvot en haar man een beer is, dan verzoek ik u te mogen verzekeren, dat ik geene bepaalde booze oogmerken had, maar van den eenen stap tot den anderen ben gekomen, zoo zacht en geleidelijk, dat ik mij volstrekt niet verbeeldde, dat de roman al zoo lang was, eer ik ze eens begon over te lezen—en nu vind ik waarlijk, dat zij al verscheidene deelen beslaat.”

Hoewel hij dit alles op zijn luchtigsten toon zeide, scheen hij voor deze enkele maal wel bewust te zijn, dat die toon slechts dienen moest om iets te verbloemen dat een zeer leelijk aanzien had. Hij zweeg een oogenblik en vervolgde toen met meer schijn van zelfvertrouwen, hoewel nog met sporen van verdrietelijkheid en teleurstelling, die hij niet kon uitwisschen:

„Na hetgeen mij zoo even is voorgehouden,op eene manier, die mij het twijfelen onmogelijk maakt—ik weet waarlijk haast niet, uit welke andere bron ik het zoo gereedelijk had kunnen aannemen—gevoel ik mij verplicht u te zeggen, dat ik niet weigeren kan ernstig aan de mogelijkheid te denken—hoe onverwacht mij dit ook wezen mag—dat ik die dame niet meer zien zal. Ik alleen ben er voor te laken, dat de zaak zoover gekomen is—en—en ik kan niet zeggen,” vervolgde hij, zeer verlegen om een passend slot voor zijne rede te vinden, „dat ik veel hoop heb om ooit een moreel mensch te worden, of dat ik eenigszins aan moreele menschen geloof.”

Sissy’s gezichtje duidde genoegzaam aan, dat zij hem nog meer te zeggen had.

„Gij hebt,” hervatte hij, toen zij hare oogen naar hem opsloeg, „van een eerste doel uwer komst gesproken. Ik mag dus aannemen dat gij nog een tweede hebt.”

„Ja.”

„Wilt gij dan zoo vriendelijk zijn van mij dat te zeggen?”

„Mijnheer Harthouse,” antwoordde Sissy, met eene mengeling van zachtheid en stroefheid, die hem geheel uit het veld sloeg, en met een zoo naïef vertrouwen, dat hij verplicht was om te doen wat zij eischte, dat het weigeren hem daardoor uiterst moeielijk werd, „de eenige herstelling, die er voor u overschiet, is, dat gij terstond en voorgoed van hier vertrekt. Ik ben volkomen zeker, dat gij op geene andere wijs het kwaad en het leed, hetwelk gij veroorzaakt hebt, kunt verzachten. Ik ben volkomen zeker, dat dit de eenige vergoeding is, die gij in uw vermogen hebt. Ik zeg niet dat het veel is, of dat het genoeg is; maar het is toch iets en het is noodzakelijk. En dus, zonder andere volmacht te hebben dan die ik u genoemd heb, en zelfs buiten weten van iemand behalve u en mij, verzoek ik, dat gij dezen avond nog van hier vertrekt en u verbindt om nooit terug te komen.”

Indien zij eenigen invloed op hem had willen doen gelden behalve haar eenvoudig geloof aan de waarheid van hetgeen zij zeide en de rechtmatigheid van haar eisch; indien zij heimelijk den minsten twijfel had gekoesterd, of zelfs met het beste doel iets had willen achterhouden of veinzen; indien zij den minsten zweem van vrees had getoond voor zijne bespotting, zijne verbazing of eenige tegenspraak, die hij mocht beproeven, dan zou hij nu zeker de overhand op haar hebben gewonnen. Maar het zou hem even mogelijk zijn geweest eene heldere lucht te doen betrekken door verwonderd daarnaar op te zien, als eenigen indruk op dit meisje te maken.

„Maar weet gij wel,” zeide hij, geheel verlegen, „wat het is dat gij vraagt? Het is u zeker niet bekend, dat ik om zoo te zeggen om staatszaken hier ben, die op zichzelf wel dwaas genoeg zijn, maar waaraan ik mij toch verbonden heb, waarvoor ik eeden heb gedaan, en waaraan men denkt dat ik wanhopig verkleefd ben? Gij weet dat waarschijnlijk niet, maar ik verzeker u, het is een feit.”

Het maakte geen indruk op Sissy, het mocht een feit wezen of niet.

„Bovendien,” hervatte Harthouse, nadat hij een paar malen, altijd nog twijfelende, de kamer op en neer had gestapt, „het is zoo geweldig absurd. Het zou iemand zoo belachelijk maken, als hij zich eerst met die kerels verbond en zich dan op zulk eene onbegrijpelijke manier terugtrok.”

„Ik weet zeker,” herhaalde Sissy, „dat dit de eenige herstelling is, die gij in uwe macht hebt, mijnheer.Ik ben daarvan volkomen verzekerd, of ik zou niet hier zijn gekomen.”

Hij zag haar aan, stapte nog wat op en neer en zeide: „Bij mijne ziel, gij weet niet wat gij vraagt. Zoo schrikkelijk absurd!”

Het was nu zijne beurt om geheimhouding te bedingen.

„Als ik iets zoo belachelijks deed,” zeide hij, weder stilstaande en tegen den schoorsteenmantel leunende, „zou het alleen kunnen zijn in het onschendbaarste vertrouwen...”

„Ik zal u vertrouwen, mijnheer,” antwoordde Sissy, „en gij zult mij vertrouwen.”

Terwijl hij zoo tegen den schoorsteenmantel leunde, herinnerde hij zich den avond met den hondsvot. Het was dezelfde schoorsteenmantel, en hoe het kwam wist hij niet, het was hem eenigszins alsofhijnu de hondsvot was. Hij wist zich volstrekt niet te helpen.

„Ik geloof haast, dat nog nooit iemand zich in zulk eene gekke positie heeft bevonden,” zeide hij, nadat hij naar omhoog en naar omlaag had gekeken, had gelachen en zuur gezien, naar het andere eind der kamer was gestapt en weer was teruggekomen; „maar ik weet er toch niet uit te komen. Wat gebeuren moet, moet gebeuren; enditmoet dan maar gebeuren, zou ik haast denken. Ik zal mij dan maar moeten wegmaken, verbeeld ik mij—kortom, ik beloof het.”

Sissy stond op. Zij was niet verwonderd over den afloop, maar zij was verblijd en haar gezichtje blonk van genoegen.

„Gij zult mij veroorloven te zeggen,” hervatte James Harthouse, „dat ik twijfel, of een ander ambassadeur of ambassadrice wel zoo goed geslaagd zou zijn. Ik moet mij niet alleen in eene belachelijke positie schikken, maar ook bekennen, dat ik van alle kanten uit het veld geslagen ben. Wilt ge mij het voorrecht vergunnen van den naam mijner vijandin te mogen onthouden?”

„Mijnnaam?” vroeg de ambassadrice.

„De eenige naam, die mij van avond ten minste kan schelen.”

„Sissy Jupe.”

„Verschoon mijne nieuwsgierigheid bij het afscheid. Zijt gij van de familie?”

„Ik ben maar een arm meisje,” antwoordde Sissy. „Ik werd van mijn vader gescheiden—hij was maar een kunstrijder—en toen had mijnheer Gradgrind medelijden met mij. Sedert ben ik bij hem in huis gebleven.”

ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).

ZIJ KNIELDE BIJ HEM OP HET GRAS EN BOOG ZICH OVER HEM HEEN. (Blz. 131).

Zij was verdwenen.

„Dit alleen ontbrak er nog aan om mijne nederlaag te voltooien,” zeide James Harthouse, en liet zich met een gezicht vol neerslachtige berusting op de sofa zinken, nadat hij eene poos als versteend was blijven staan. „Ik ben nu zoo goed als vernietigd. Maar een arm meisje—maar een kunstrijder—James Harthouse maar tot niemendal gemaakt—James Harthouse maar eene Groote Piramide van mislukking.”

De Groote Piramide bracht hem in het hoofd om naar denNijlte gaan. Hij nam dadelijk eene pen op en schreef het volgende briefje (in voegzame hieroglyphische teekenen) aan zijn broeder:

„Waarde Jack. Alles afgedaan inCoketown. Door verveling weggejaagd. Ik ga naar de kameelen. Uw liefhebbendeJem.”

„Waarde Jack. Alles afgedaan inCoketown. Door verveling weggejaagd. Ik ga naar de kameelen. Uw liefhebbende

Jem.”

Hij schelde.

„Laat mijn knecht hier komen.”

„Hij is naar bed, mijnheer.”

„Zeg hem dan, dat hij moet opstaan en mijn goed pakken.”

Hij schreef nog twee briefjes, een aan mijnheer Bounderby, om dezen te berichten dat hij vertrok en op te geven waar hij de eerstvolgende veertien dagen zou te vinden zijn, en een ander, van dergelijken inhoud, aan mijnheer Gradgrind. Bijna zoodra de inkt der adressen droog was, had hij de hooge schoorsteenen vanCoketownreeds achter zich en zat hij in een der rijtuigen van een spoortrein, die hem met vliegende vaart door de duisternis heenvoerde.

Moreele menschen zullen misschien denken, dat deze snelle aftocht van James Harthouse hem naderhand stof gaf tot eenige troostrijke gedachten, als een zijner weinige bedrijven, waardoor hij ooit iets kwaads had vergoed, en als een blijk, dat-hij eens aan het allerergste van eene zeer slechte zaak was ontsnapt. Maar dit was volstrekt het geval niet. Een geheim gevoel, dat hij zich door eene mislukte onderneming belachelijk had gemaakt, en de vrees, wat andere heeren van zijn stempel wel van hem zouden zeggen als zij het wisten, waren hem zoo onaangenaam, dat de beste daad van geheel zijn leven juist diegene was, welke hij voor geene schatten had willen bekennen, en de eenige, waarover hij zich voor zich zelven schaamde.


Back to IndexNext