TWEEDE BOEK, MAAIEN.

TWEEDE BOEK, MAAIEN.XVII.KANTOORZAKEN.Een zonnige zomerdag. Zoo iets had men somtijds zelfs teCoketown.Bij zulk weder, op een afstand gezien, lagCoketownin een eigenaardigen damp verscholen, die voor de zonnestralen ondoordringbaar scheen. Men wist alleen dat de stad daar lag, omdat men wist dat er zonder stad niet zulk een vuile vlek op het vergezicht had kunnen zijn—een veeg van roet en rook, die ongeregeld nu naar den eenen, dan naar den anderen kant afdreef, nu eerzuchtig naar het hemelgewelf opsteeg, dan groezelig langs de aarde kroop, naarmate de wind aanwakkerde of verflauwde, of naar eene andere streek omliep; eene dichte, vormlooze dwarrelwolk, met flikkerende lichtstralen er dwars doorheen, die echter niets dan massa’s van duisternis zichtbaar maakten.—Zóó deedCoketownzich op een afstand herkennen, al was er nog geen steen van te zien.Het verwonderlijkste was, dat de stad nog bestond. Zij was reeds zoo dikwijls geruïneerd, dat men zich moest verbazen, hoe zij zoovele schokken had doorgestaan. Zeker was er nooit brozer porselein dan dat, waarvan de fabrikanten vanCoketowngemaakt waren. Men behoefde hen maar even aan te tasten, en zij vielen zoo gemakkelijk in stukken, dat men wel vermoeden kon dat zij vroeger al gekraakt waren. Zij werden geruïneerd, als men van hen vorderde dat zij de arbeidende kinderen naar school zouden zenden; zij werden geruïneerd als er inspecteurs werden aangesteld om toezicht in hunne fabrieken te houden; zij werden geruïneerd, wanneer zulke inspecteurs het voor twijfelachtig hielden of de eigenaars wel recht hadden om menschen tusschen hunne machinerie te laten klein-malen; zij werden geheel in den grond geboord, als men er een wenk van gaf, dat zij misschien niet altijd zooveel rook behoefden te maken. Behalve mijnheer Bounderby’s gouden lepel, waaraan men inCoketownalgemeen geloofde, was nog eene andere fictie daar zeer in zwang. Deze had den vorm van een dreigement. Wanneer een Coketowner fabrikant begreep, dat hij mishandeld werd—dat is te zeggen, wanneer men hem niet geheel en al zijn eigen weg liet gaan en er over sprak om hem voor de gevolgen van sommige zijner bedrijven verantwoordelijk te stellen—kwam hij steeds met het geduchte dreigement voor den dag, dat hij „veel liever al zijn eigendom in de zee wilde smijten.” Dit had den minister vanbinnenlandschezaken bij verschillende gelegenheden een doodschrik op het lijf gejaagd.Evenwel waren de Coketowners toch zoo vaderlandslievend, dat zij nog nooit hun eigendom in de zee hadden gesmeten, maar integendeel vriendelijk genoeg waren geweest om er zeer goed op te passen. Zoo lag daar nog de stad in gindschen damp; en zij werd al grooter en grooter.De straten waren op dien zomerdag heet en stofferig, en de zon was zoo helder, dat zij zelfs door den dikken nevel, die overCoketownhing, heen scheen en men haar nietstrak kon aanzien. De stokers kwamen uit lage deuren onder den grond de fabriekwerven op, en zaten op trappen, palen en staketsels hunne zwarte gezichten af te vegen en naar de hoopen steenkool te turen. De geheele stad scheen in olie te braden. Overal heerschte een verstikkende reuk van heete olie. De stoommachines blonken er van, de kleederen der arbeiders waren er mede besmeerd, en door al de talrijke verdiepingen der fabriekgebouwen sijpelde en druppelde zij heen. De dampkring dier Tooverpaleizen geleek naar den adem van denSimoum; en hunne bewoners, smeltende van hitte, sloofden in de woestijn kwijnend voort. Doch geen warmtegraad maakte de zwaarmoedige olifanten razender of stiller. Hunne vervelende koppen gingen, in warm en koud, in nat en droog, in fraai en slecht weder, op dezelfde maat op en neer. De afgemetene beweging hunner schaduwen op de muren was het surrogaat, datCoketownvoor de schaduw van ritselende boschjes kon vertoonen; terwijl het voor het zomergegons der insecten, het geheele jaar door, van den dageraad van maandag tot den avond van zaterdag, het snorren van spillen en raderen kon aanbieden.Droomerig snorden zij dien geheelen dag door, en maakten den voorbijganger nog warmer en slaperiger als hij de brommende muren der fabrieken genaakte. Zonneblinden en watersprenkelen verkoelden de voornaamste straten en winkels een weinig; maar de fabrieken, de steegjes en hofjes werden tot eene gloeihitte geblakerd. Op de rivier, zwart en dik van opgeloste stoffen, waren eenige jonge knapen aan het pleizier hebben—een zeldzaam gezicht aldaar—en roeiden eene wrakke boot voort, die een schuimachtig spoor op het water naliet, terwijl elke indompeling van een roeiriem een vuilen stank deed oprijzen. De zon zelve, hoe weldadig ook in het algemeen, was minder vriendelijk voorCoketowndan eene harde vorst, en tuurde zelden met aandacht in de dichtst bevolkte wijken, zonder meer dood dan leven voort te brengen. Zoo wordt het oog des Hemels zelfs een boos oog, wanneer er onbekwame of onreine handen worden gehouden tusschen dat oog en datgene, wat het met zijn blik wil zegenen.Mevrouw Sparsit zat in hare namiddagkamer in het kantoor, aan de schaduwzijde der bradende straat. De kantooruren waren voorbij, en op dien tijd van den dag vereerde zij meestal de bestuurskamer, boven het eigenlijke kantoor, met hare hoogst fatsoenlijke tegenwoordigheid. Hare eigene zitkamer was eene verdieping hooger en daar was zij elken morgen op haar observatiepost voor het venster, gereed om mijnheer Bounderby, als hij de straat overstapte, met het medelijdende knikje, dat een ongelukkig slachtoffer toekwam, te begroeten. Hij was nu een jaar getrouwd, en mevrouw Sparsit had hem nooit een oogenblik van haar vastberaden medelijden ontslagen.Het bankierskantoor van Bounderby en Comp. deed de heilzame eentonigheid der stad geen geweld aan. Het was insgelijks een van roode baksteenen gemetseld huis, met zwarte luiken van buiten, groene rolgordijnen van binnen, eene zwarte straatdeur met eene witte stoep van twee treden, een koperen naamplaatje en een koperen deurknop als een sluitteeken. Het was een soort grooter dan het woonhuis van mijnheer Bounderby, gelijk andere huizen van een tot zes soorten kleiner waren; in alle andere opzichten was het strikt volgens het patroon.Mevrouw Sparsit was er zich van bewust dat zij, door in den avond tusschen de lessenaars en het schrijfgereedschap te komen zitten, het kantoor eene vrouwelijke, om niet te zeggen aristocratische, elegantie mededeelde. Met haar naai—of knoopwerk bij het venster gezeten, streelde haar het gevoel, dat zij door hare damesachtige houding het onbehaaglijk kantoorachtige voorkomen van het vertrek veel verbeterde. Met deze bewustheid van haar veredelenden invloed, hield zij zich zelve eenigermate voor de Fee van het kantoor. De lieden uit de stad, die haar in het voorbijgaan zagen zitten, beschouwden haar als den draak van het kantoor, die de wacht hield over de schatten der mijn.Waarin die schatten bestonden, wist mevrouw Sparsit evenmin als deze voorbijgangers. Gouden en zilveren munt, kostbare papieren, geheimen die, als zij ontdekt werden, zekere onbestemde personen (maar zij dacht meestal aan menschen die haar mishaagden) met een onbestemd ongeluk zouden overstelpen, waren de voornaamste artikelen op hare denkbeeldige lijst daarvan. Voor het overige wist zij, dat zij na den kantoortijd de opperheerschappij over alle kantoormeubelen voerde, en ook over de geslotene ijzeren kamer met drie sloten, tegen welker deur de kantoorlooper elken avond zijn hoofd neerlegde op een kermisbed, dat met het hanengekraai weder verdween. Verder was zij opperheerscheres over zekere gewelven in de kelderverdieping, die door een hekwerk met scherpe pennen van alle gemeenschap met de diefachtige wereld waren afgescheiden; en over de overblijfselen van het loopende kantoorwerk, bestaande uit inktspatten, afgesletene pennen, gebrokene ouwels en stukjes papier, zoo klein gescheurd dat zij er, als zij dit beproefde, niets van eenig aanbelang op kon ontcijferen. Eindelijk was zij voogdesse over een klein arsenaal van sabels en karabijnen, dreigend boven een der schoorsteenmantels opgehangen, en over die door de overlevering eerwaardige voorwerpen, welke de verbeelding nimmer van eenrijk bankierskantoor kan afscheiden—eene rij brandemmers, dingen, die bij geene gelegenheid van eenig nut kunnen zijn, maar die men waarneemt dat op de meeste beschouwers een krachtigen moreelen invloed uitoefenen, bijna gelijk staande met dien van het gemunt metaal.Eene doove schoonmaakster en de kantoorlooper voltooiden het gebied van mevrouw Sparsit. Van de doove schoonmaakster zeide het gerucht dat zij rijk was; en jarenlang had onder de lagere klasse teCoketownde voorspelling rondgeloopen, dat zij eens op een avond, als het kantoor gesloten was, om haar geld zou vermoord worden. Men hield het er zelfs algemeen voor, dat haar tijd reeds om was en zij al voorlang had moeten ontsnappen; maar zij behield haar leven en haar post met eene koppigheid, die veel ergernis en teleurstelling veroorzaakte.Het theegoed van mevrouw Sparsit was juist voor haar gereed gezet op een nuffig tafeltje, met zijne drie pootjes in een zeer geaffecteerde houding,dat zij na den kantoortijd in het gezelschap der stugge, lange, met leer bekleede bestuurstafel inschoof, die het midden van het vertrek besloeg. De kantoorlooper plaatste het theeblad daarop, en drukte als bewijs van hulde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.„Dankje, Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit.„Ik bedanku, juffrouw,” antwoordde de kantoorlooper, die er nog even flauw en kleurloos uitzag als toen hij voor het meisje Nommer Twintig eene definitie van een paard gaf.„Alles gesloten, Bitzer?” zeide mevrouw Sparsit.„Alles gesloten, juffrouw.”„En wat nieuws is er vandaag?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij een kop thee voor zich inschonk. „Is er iets?”„Wel, juffrouw, ik kan niet zeggen dat ik iets bijzonders gehoord heb. Ons volkje is een slechte troep, juffrouw; maar dat is ongelukkig geen nieuws.”„Wat zijn die onrustige kerels nu weer doende?” vroeg mevrouw Sparsit.„Zij gaan hun gang maar op de oude manier, juffrouw, maken vereenigingen en verbonden en beloven elkander bij te staan.”„Het is zeer te beklagen,” zeide mevrouw Sparsit, met eene strengheid, die haar arendsneus nog krommer en hare wenkbrauwen nog zwaarder deed worden, „dat de gezamenlijke meesters zulke vereenigingen van die klasse toelaten.”„Ja, juffrouw,” zeide Bitzer.„Daar zij zelven vereenigd zijn, moesten zij beletten dat er iemand als werkman aangenomen werd, die zich met iemand anders vereenigde,” zeide mevrouw Sparsit.„Dat hebben zij ook gedaan, juffrouw,” antwoordde Bitzer; „maar het lukte niet heel goed.”„Ik wil niet beweren, dat ik verstand van die zaken heb,” zeide mevrouw Sparsit met deftigheid, „daar het lot mij door mijne geboorte in een geheel andere sfeer had geplaatst, en mijnheer Sparsit, als een Powler, insgelijks buiten den kring van zulke geschillen was. Ik weet alleen, dat die lieden tot rede gebracht moeten worden, en dat het hoog tijd is dat dit voor eens en voor altijd gedaan wordt.”„Ja, juffrouw,” antwoordde Bitzer, met een vertoon van grooten eerbied voor het gezag der orakelspreuken van mevrouw Sparsit. „Gij zoudt het iemand niet duidelijker kunnen doen begrijpen, juffrouw.”Daar dit het gewone uur voor hem was, om een vertrouwelijk praatje met mevrouw Sparsit te hebben, en hij reeds aan hare oogen had gezien dat zij hem iets wilde vragen, hield hij zich eene poos bezig met linialen, inktkokers en zoo al meer in orde te schikken, terwijl de dame haar kop thee uitdronk en door het opene venster naar de straat keek.„Is het een drukke dag geweest, Bitzer?” vroeg mevrouw Sparsit.„Geen heel drukke dag, mevrouw. Zoo wat een gewone dag.” Nu en dan liet hij zich het woord „mevrouw” in plaats van „juffrouw” ontglippen, als eene onwillekeurige erkentenis van het deftige voorkomen der dame en haar recht op eene eerbiedige bejegening.„De klerken,” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij zorgvuldig een onmerkbaar broodkruimpje van haar linkermofje veegde, „zijn natuurlijk trouw en ijverig?”„Ja, juffrouw, dat schikt nogal. Met de gewone uitzondering.”Hij bekleedde den vereerenden post van spion en aangever-generaal op het kantoor, voor welken vrijwilligen dienst hij met Kerstmis een douceur ontving, boven en behalve zijn wekelijksch loon. Hij was een buitengemeen schrander, berekenend en voorzichtig jonkman geworden, die onfeilbaar in de wereld zou vooruitkomen. Zijne opvoeding had zijn gemoed zoodanig onder bedwang gebracht, dat hij nu geene neigingen of hartstochten meer had. Al zijne bedrijven waren uitkomsten van de fijnste en koelste berekening; en het was niet zonder reden, dat mevrouw Sparsit gewoon was van hem te zeggen, dat zij nooit een jongmensch met vaster beginselen had gekend. Toen hij zich, na den dood van zijn vader, had verzekerd, dat zijne moeder teCoketownrecht tot onderstand had, had deze uitmuntende jeugdige beoefenaar der staathuishoudkunde dat recht zoo krachtig voor haar doen gelden, dat zij sedert in een werkhuis was opgesloten.Het is echter niet te ontkennen, dat hij haar een half pond thee in het jaar toestond, hetgeen eene zwakheid van hem was; vooreerst omdat alle giften de onvermijdelijke strekkinghebben om den ontvanger tot een bedelaar te maken, en ten tweede omdat het eenige, wat hij redelijkerwijze met die waar had kunnen doen, zou geweest zijn, ze voor zoo weinig mogelijk te koopen en voor zooveel als hij maar met mogelijkheid krijgen kon te verkoopen, daar het thans door zekere schrijvers duidelijk is bewezen, dat hierin de geheele plicht des menschen begrepen is—niet een gedeelte van des menschen plicht, maar het geheel.„Dat schikt nogal, juffrouw; met de gewone uitzondering,” herhaalde Bitzer.„Ah ah!” zeide mevrouw Sparsit, schudde haar hoofd boven haar theekopje en nam toen een langen slok.„Mijnheer Thomas, juffrouw. Ik twijfel zeer aan mijnheer Thomas. Zijne manieren bevallen mij gansch niet.”„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit op een zeer nadrukkelijken toon, „weet gij niet wat ik u eens gezegd heb over het noemen van namen?”„Ik verzoek u verschooning, juffrouw. Het is waar dat gij mij gewaarschuwd hebt tegen het noemen van namen, en dat het ook het best is dit te vermijden.”„Wees zoo goed om te bedenken, dat ik hier een post van vertrouwen bekleed,” zeide mevrouw Sparsit zeer statelijk. „Ik heb hier een post van vertrouwen, Bitzer, onder mijnheer Bounderby. Hoe onwaarschijnlijk mijnheer Bounderby en ik zelf het zou gevonden hebben, dat hij mijn patroon zou worden, kan ik hem, die mij een jaarlijksch compliment maakt, niet anders dan in dat licht beschouwen. Ik heb van mijnheer Bounderby alle erkentenis van mijn maatschappelijken rang en mijne afkomst genoten, die ik met mogelijkheid kon verwachten—meer, veel meer zelfs. En daarom wil ik mijn patroon met nauwgezette stiptheid getrouw zijn. En ik houd het er niet voor, ik wil het er niet voor houden,” zeide mevrouw Sparsit, die een zeer grooten voorraad van eer en zedelijkheid in magazijn had, „dat ik hem met nauwgezette stiptheid getrouw zou zijn, indien ik toeliet dat er onder dit dak namen genoemd worden, die ongelukkig—zeer ongelukkig—daaraan is niet te twijfelen—met den zijnen in betrekking staan.”Bitzer drukte zijne kneukels nog eens tegen zijn voorhoofd en verzocht nog eens verschooning.„Neen, Bitzer,” vervolgde mevrouw Sparsit, „zeg: „een persoon,” en ik zal u aanhooren; maar als gij „mijnheer Thomas” zegt, moet gij mij verontschuldigen.”„Met de gewone uitzondering, juffrouw,” zeide Bitzer, den aangewezen uitweg inslaande, „van een persoon.”„Ah-h!” mevrouw Sparsit herhaalde dien uitroep, en tevens haar hoofdschudden over haar kopje en den langen slok, alsof zij het gesprek weder opnam op het punt waar het gestoord was geworden.„Één persoon, juffrouw,” zeide Bitzer, „is nooit geweest wat hij had moeten zijn, zoolang hij hier is. Hij is een losbandige knaap, een verkwister en een luiaard. Hij is zijn zout niet waard, juffrouw; en hij zou dat ook niet krijgen, als hij geene vriendin uit zijne familie aan het hof had, juffrouw.”„Ah-h!” zeide mevrouw Sparsit, nogmaals treurig haar hoofd schuddende.„Ik hoop maar, juffrouw,” vervolgde Bitzer, „dat die vriendin hem de middelen niet zal verschaffen om zoo voort te gaan. Anders, juffrouw, weten wij wel uit wiens zak dat geld komt.”„Ah-h!” zuchtte mevrouw Sparsit alweder en schudde nogmaals treurig het hoofd.„Hij is te beklagen, juffrouw. De laatste persoon, dien ik meende, is te beklagen, juffrouw,” zeide Bitzer.„Ja, Bitzer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik heb altijd zijne verblinding beklaagd—altijd.”„Wat den eersten persoon betreft, juffrouw,” zeide Bitzer, terwijl hij zijne stem liet dalen en naderbij kwam, „hij heeft zoo weinig overleg als iemand van de lieden hier in de stad. En gij weet wel hoe weinig overleg zij hebben. Niemand zou kunnen wenschen dat beter te weten, dan eene dame van uwe afkomst het weet.”„Zij zouden wèl doen,” antwoordde mevrouw Sparsit, „als zij aan u een voorbeeld namen, Bitzer.”„Wel verplicht, juffrouw. Maar daar gij zoo goed zijt om van mij te spreken, zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik heb al een weinigje opgespaard, juffrouw. Dat douceur, dat ik met Kerstmis krijg, juffrouw—ik raak er nooit aan. Zelfs mijn weekgeld verteer ik niet geheel, hoewel het niet hoog is, juffrouw. Waarom kunnen zij niet doen zooals ik gedaan heb, juffrouw? Wat de eene mensch kan doen, kan de ander ook.”Dit behoorde insgelijks onder de fictiën vanCoketown. Een kapitalist, die een halven schelling tot zestien duizend pond had doen aangroeien, veinsde zich altijd te verwonderen, waarom de zestig duizend fabriekarbeiders om hem heen dit ook niet deden, en rekende het elk van hen min of meer tot verwijt, dat ook hij dit kunststukje niet volbracht. „Wat ik gedaan heb, kunt gij ook doen. Waarom gaat gij dan niet heen en doet het?”„Wat hunne behoefte aan uitspanning betreft, juffrouw,” hervatte Bitzer, „dat is maar onzin en gekheid. Ik heb geene behoefte aan uitspanningen; die heb ik nooit gehad, en zal ze nooit hebben; ik houd er niet eens van. En wat hunne vereenigingen aangaat, ik twijfel niet, of er zijn velen van hen, die door op elkanderte letten en aan te geven, nu en dan eene kleinigheid, hetzij in geld of gunst, konden verdienen en zoo hun bestaan verbeteren. Waarom verbeteren zij het dan niet, juffrouw? Dat is de eerste zorg van een redelijk schepsel, en dat is het juist wat zij voorgeven te wenschen.”„Ja, wèl voorgeven,” zeide mevrouw Sparsit.„Onophoudelijk, juffrouw, zoodat wij er waarlijk een walging van krijgen, hooren wij hen van hunne vrouwen en kinderen spreken,” zeide Bitzer. „Zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik verlang niet naar vrouw en kinderen. En waarom doen zij het dan?”WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).„Omdat zij onoverleggend zijn,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Ja, juffrouw,” hervatte Bitzer, „daar zit het juist. Als zij meer overleg hadden en minder koppig waren, juffrouw, wat zouden zij dan doen? Zij zouden zeggen: terwijl mijn hoed—of terwijl mijne pet, al naar het uitkomt, juffrouw—mijn geheele huisgezin bedekt, heb ik er maar één den kost te geven, en dat is de persoon, dien ik het liefst den kost geef.”„Juist,” zeide mevrouw Sparsit en hapte in een gebakje.„Ik ben u wel verplicht, juffrouw,” zeide Bitzer, wederom zijne kneukels tegen zijn voorhoofd duwende, tot dank voor de gunst van mevrouw Sparsit’s leerzaam onderhoud. „Moet ge ook nog wat heet water hebben, juffrouw, of is er iets anders dat ik voor u kan halen?”„Op het oogenblik niet, Bitzer.”„Wel verplicht, juffrouw. Ik zou u niet gaarne onder den maaltijd willen storen, juffrouw, vooral niet onder de thee, waarop ik weet dat gij bijzonder gesteld zijt,” zeide Bitzer, zijn hals uitrekkende om van de plek waar hij stond op straat te zien; „maar ik zie daar een heer, die al eene poos voor het huis naar boven heeft staan kijken, en nu is hij de straat overgestoken alsof hij wilde aankloppen. Dat is hij zeker, die daar klopt, juffrouw.”Hij stapte naar het venster, stak zijn hoofd daarbuiten, en nadat hij het weder had binnengehaald bevestigde hij zijne gissing met een: „Ja, juffrouw. Zoudt ge willen, dat die heer werd binnengelaten, juffrouw?”„Ik weet niet wie het zijn kan,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar mond afvegende en hare mofjes gladstrijkende.„Het is duidelijk een vreemdeling, juffrouw.”„Wat een vreemdeling op dezen tijd van den avond aan het kantoor kan noodig hebben, of het moet om zaken zijn, waarvoor het toch telaat is, begrijp ik niet,” zeide mevrouw Sparsit: „maar ik bekleed hier een post van vertrouwen, en ik zal mij nooit daaraan onttrekken. Als het een gedeelte van den plicht is, dien ik op mij heb genomen, om hem te spreken, dan zal ik met hem spreken. Doe gelijk gij zelf het best oordeelt, Bitzer.”Hier herhaalde de vreemdeling, die de grootmoedige woorden van mevrouw Sparsit niet hooren kon, zijn kloppen met zooveel kracht, dat Bitzer naar beneden snelde om de deur te openen; terwijl mevrouw Sparsit de voorzorg nam van haar tafeltje met al wat er op stond in eene kast te bergen, en zich toen naar boven haastte, om, zoo het noodig was, met des te grooter deftigheid voor den dag te komen.„Met uw verlof, juffrouw, mijnheer zou u willen spreken,” zeide Bitzer, met zijn oog voor het sleutelgat van mevrouw Sparsit’s kamerdeur. Mevrouw Sparsit, die van deze tusschentijd gebruik gemaakt had om hare muts terecht te zetten, ging nu met klassieke gelaatstrekken weder de keldertrap af, en trad de bestuurskamer binnen in de houding eener Romeinsche matrone, die zich buiten de poort begeeft om met een aanrukkenden vijand te onderhandelen.Daar de vreemdeling naar het venster was gekuierd en nu onverschillig naar buiten keek, maakte deze statige intrede zeer weinig indruk op hem. Hij stond zoo koelbloedig als men zich maar verbeelden kan bij zich zelven te fluiten, met zijn hoed nog op het hoofd en zeker uitzicht van afmatting en lusteloosheid, gedeeltelijk een gevolg van de buitengewone warmte, gedeeltelijk van zijn buitengewoon fatsoen; want met een half oog kon men al zien dat hij een echtegentlemanwas, volkomen naar het laatste patroon gemaakt, wien alles verveelde en die aan even weinig geloofde als Lucifer zelf.„Ik hoor, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „dat ge mij verlangt te spreken.”„O, neem mij niet kwalijk,” zeide hij, zich omkeerende en zijn hoed afnemende, „ik verzoek wel verschooning.”„Hm!” dacht mevrouw Sparsit, terwijl zij eene statige buiging maakte. „Vijf en dertig, goed uitzicht, goed postuur, goede tanden, goede stem, welgemanierd, welgekleed, donker haar, levendige oogen.” Dit alles merkte mevrouw Sparsit met hare vrouwelijke schranderheid op—gelijk de sultan die zijn hoofd in den emmer met water stak—in het oogenblikje terwijl zij dook en zich weder oprichtte.„Wees zoo goed om plaats te nemen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit.„Wel verplicht. Laat mij maar zoo staan.” Hij zette een stoel voor haar, maar bleef zelf achteloos tegen de tafel staan leunen. „Ik heb mijn knecht aan het station gelaten om voor de bagage te zorgen—een bijzonder zware trein en een aantal koffers in den goederenwagen—en ben maar voortgewandeld om eens rond te kijken. Eene zonderlinge plaats, deze stad. Mag ik wel vragen of het hieraltijdzoo zwart is?”„Doorgaans veel zwarter,” antwoordde mevrouw Sparsit op hare niets vergoelijkende manier.„Is het mogelijk! Excuseer mij—gij zijt hier niet geboren zou ik denken?”„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Het is mijn geluk of mijn ongeluk geweest—ik weet niet hoe ik het noemen zal—om, eer ik weduwe werd, mij in een geheel anderen kring te bewegen. Mijn man was een Powler.”„Neem mij niet kwalijk,” zeide de vreemdeling; „was een...”„Een Powler,” herhaalde mevrouw Sparsit.„Van de familie Powler?” zeide de vreemdeling, nadat hij een oogenblik had nagedacht. Mevrouw Sparsit gaf door een knikje hare toestemming te kennen, en de vreemdeling scheen een weinigje meer afgemat dan te voren.„Gij moet u hier zeer vervelen!” was de gevolgtrekking, die hij uit het ontvangen bericht opmaakte.„Ik ben de nederige dienares der omstandigheden, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „en ik heb mij zelve sedert lang onderschikt aan de macht, die mijn leven bestuurt.”„Zeer philosophisch,” hernam de vreemdeling, „en zeer loffelijk en voorbeeldig en...” Het scheen hem niet de moeite waardig dit gezegde ten einde te brengen, en dus speelde hij verstrooid met zijn horlogeketting.„Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „waaraan ik de eer te danken heb van...”„Wel zeker,” antwoordde de vreemdeling. „Zeer verplicht dat gij er mij aan herinnert. Ik heb een brief van introductie aan mijnheer Bounderby, den bankier, bij mij. Onder het wandelen door deze buitengemeen zwarte stad, terwijl men in mijn hotel het diner gereedmaakte, vroeg ik iemand wien ik ontmoette—een van de werklieden, die een stortbad van iets slibberigs scheen genomen te hebben, dat waarschijnlijk onder de materialen zal behooren...”Mevrouw Sparsit boog haar hoofd.„Waar mijnheer Bounderby, de bankier, woonde, en hij, waarschijnlijk niet beter wetende, wees mij naar het kantoor. Ik vermeen evenwel, dat mijnheer Bounderby niet woonachtig is in het gebouw, waar ik de eer heb deze opheldering aan te bieden.”„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat doet hij ook niet.”„Wel verplicht. Ik had juist geen oogmerk om nu mijn brief te overhandigen, maar omden tijd te korten, kuierde ik toch maar eens naar het kantoor, en toen ik het geluk had van u voor dat venster te zien,” en met eene lichte buiging wuifde hij even met de hand naar het venster, „eene dame van zulk een deftig en innemend voorkomen, begreep ik niet beter te kunnen doen dan de vrijheid te nemen van die dame te vragen, waar mijnheer Bounderby, de bankier, eigenlijk woont. En dit waag ik dus thans, met alle gepaste verontschuldigingen, te doen.”De achteloosheid en onverschilligheid zijner manieren werden, naar het gevoelen van mevrouw Sparsit, genoegzaam vergoed door zekere ongedwongene galanterie, waarmede hij haar tegelijk zijne hulde bewees. Daar stond hij bij voorbeeld tegen de tafel te leunen, zoodat hij er bijna op zat, maar tegelijk boog hij zich zachtjes aan naar haar over, alsof hij eene aantrekkingskracht in haar erkende, die haar op hare manier bekoorlijk maakte.„Een bankierskantoor, dat weet ik, is altijd wantrouwig; officieelmoethet dat ook zijn,” vervolgde de vreemdeling, met eene losheid en vlugheid van spraak, die insgelijks innemend waren, en zijne woorden een klank gaven, alsof er iets veel meer verstandigs of geestigs in school dan inderdaad het geval was—hetgeen misschien eene schrandere vinding was van den stichter dezer talrijke secte, wie die groote man dan ook mag zijn geweest—„en daarom mag ik wel aanmerken, dat mijn brief—hier is hij—van het Parlementslid voor deze stad komt—Gradgrind,—wien ik inLondenhet genoegen heb van te kennen.”Mevrouw Sparsit herkende de hand, zeide dat zulk eene bevestiging geheel onnoodig was, en gaf daarop het adres van mijnheer Bounderby met alle vereischte terechtwijzingen.„Duizendmaal dank,” zeide de vreemdeling. „Natuurlijk zult gij den bankier zeer wel kennen?”„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „In mijne afhankelijke betrekking tot hem heb ik hem tien jaren lang gekend.”„Eene gansche eeuwigheid! Ik meen, dat hij met Gradgrind’s dochter getrouwd is?”„Ja, mijnheer, zeide mevrouw Sparsit, eensklaps hare tanden samenklemmende. „Hij heeft—die eer.”„Die dame is eene groote philosofe, heeft men mij gezegd?”„Inderdaad, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Zou zij dat?”„Excuseer mijne onbescheidene nieuwsgierigheid,” hervatte de vreemdeling, op een verzoenenden toon, die mevrouw Sparsit’s wenkbrauwen deed ophelderen, „maar gij kent de familie en gij kent de wereld. Is die dame wezenlijk zoo geducht? Haar vader geeft haar den naam van zoo vervaarlijk verstandig, dat ik brand van verlangen om het rechte te weten. Is zij volkomen ongenaakbaar? Zoo knap, dat men er van versteld staat en voor terugschrikt? Ik zie wel, aan uw geheimzinniglachje, dat gij zoo niet denkt. Gij hebt balsem in mijne angstige ziel gegoten. En nu hare jaren. Veertig? Vijf en dertig?”Mevrouw Sparsit begon hardop te lachen.„Nog half een kind,” zeide zij. „Nog geen twintig toen zij trouwde.”„Ik verzeker u op mijne eer, mevrouw Powler,” zeide de vreemdeling, zich van de tafel losrukkende, waaraan hij eerst scheen vastgeplakt, „dat ik nooit in mijn leven zoo verbaasd ben geweest.”Het scheen waarlijk een geweldigen indruk op hem te maken. Hij zag haar, die hem dit bericht had gegeven, ruim eene halve minuut lang aan, en scheen al dien tijd die verrassing voor zijn geest te hebben.„Ik verzeker u, mevrouw Powler,” zeide hij toen zeer afgemat, „dat de gezegden van haar vader mij eene gerimpelde, steenharde rijpheid hadden doen verwachten. Ik ben u zeer verplicht, dat gij zulk eene ongerijmde vergissing hebt terecht gebracht. Ik bid u, verschoon mijne indringendheid. Duizendmaal dank. Goedenavond.”Hij ging buigende heen; en mevrouw Sparsit, achter het venstergordijn verborgen, zag hem langzaam de straat aan den schaduwkant afkuieren, door alle voorbijgangers opgemerkt.„Wat denkt gij van dien heer, Bitzer?” zeide zij, toen de kantoorlooper kwam om het theegoed weg te halen.„Hij moet veel geld aan zijne kleeren besteden, juffrouw.”„Dat moet erkend worden,” zeide mevrouw Sparsit, „maar hij is ook keurig gekleed.”„Ja, juffrouw, als dat het geld waard is.”„Buitendien, juffrouw,” hervatte Bitzer, terwijl hij de tafel wat opwreef; „hij ziet er mij uit alsof hij speelde.”„Hazardspelen is onzedelijk,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Het is belachelijk, juffrouw,” antwoordde Bitzer, „want de kansen zijn altijd ten nadeele der spelers.”Hetzij de warmte mevrouw Sparsit hinderde, of wat er anders de reden van was, zij werkte dien avond niet. Zij zat nog voor het venster toen de zon achter den rook begon weg te zinken; zij zat nog voor het venster toen de rook gloeiend rood werd, toen hij zijne kleur weder verloor, en toen de duisternis langzaam uit den grond scheen op te rijzen en al hooger en hooger op te kruipen naar de daken der huizen, naar de kerktorens, naar de toppen der fabriekschoorsteenen en zoo tot aan de lucht. Zonder licht te laten brengen, bleef mevrouw Sparsit voor het venster zitten, met de handen in denschoot, en zonder veel op de geluiden van den avond te letten: het schreeuwen van jongens, het blaffen van honden, het rammelen van wagens, de voetstappen en stemmen van voorbijgangers, het schelle geroep van kooplieden op straat, het kletteren van houten overschoenen, toen het tijd werd dat deze voorbijkwamen, en eindelijk het opzetten der luiken voor de winkelvensters. Niet voordat de kantoorlooper haar kwam waarschuwen, dat haar eenvoudig avondmaal gereed stond, wekte mevrouw Sparsit zich zelve uit haar gepeins, en bracht zij hare zwarte wenkbrauwen—zoo gerimpeld alsof er een strijkijzer noodig zou zijn om ze weder glad te krijgen—naar boven.„O hoe zot!” zeide mevrouw Sparsit toen zij alleen aan haarsoupertjezat. Wat zij eigenlijk meende zeide zij niet; zij kan toch bezwaarlijk hare bestellen gemeend hebben.

TWEEDE BOEK, MAAIEN.XVII.KANTOORZAKEN.Een zonnige zomerdag. Zoo iets had men somtijds zelfs teCoketown.Bij zulk weder, op een afstand gezien, lagCoketownin een eigenaardigen damp verscholen, die voor de zonnestralen ondoordringbaar scheen. Men wist alleen dat de stad daar lag, omdat men wist dat er zonder stad niet zulk een vuile vlek op het vergezicht had kunnen zijn—een veeg van roet en rook, die ongeregeld nu naar den eenen, dan naar den anderen kant afdreef, nu eerzuchtig naar het hemelgewelf opsteeg, dan groezelig langs de aarde kroop, naarmate de wind aanwakkerde of verflauwde, of naar eene andere streek omliep; eene dichte, vormlooze dwarrelwolk, met flikkerende lichtstralen er dwars doorheen, die echter niets dan massa’s van duisternis zichtbaar maakten.—Zóó deedCoketownzich op een afstand herkennen, al was er nog geen steen van te zien.Het verwonderlijkste was, dat de stad nog bestond. Zij was reeds zoo dikwijls geruïneerd, dat men zich moest verbazen, hoe zij zoovele schokken had doorgestaan. Zeker was er nooit brozer porselein dan dat, waarvan de fabrikanten vanCoketowngemaakt waren. Men behoefde hen maar even aan te tasten, en zij vielen zoo gemakkelijk in stukken, dat men wel vermoeden kon dat zij vroeger al gekraakt waren. Zij werden geruïneerd, als men van hen vorderde dat zij de arbeidende kinderen naar school zouden zenden; zij werden geruïneerd als er inspecteurs werden aangesteld om toezicht in hunne fabrieken te houden; zij werden geruïneerd, wanneer zulke inspecteurs het voor twijfelachtig hielden of de eigenaars wel recht hadden om menschen tusschen hunne machinerie te laten klein-malen; zij werden geheel in den grond geboord, als men er een wenk van gaf, dat zij misschien niet altijd zooveel rook behoefden te maken. Behalve mijnheer Bounderby’s gouden lepel, waaraan men inCoketownalgemeen geloofde, was nog eene andere fictie daar zeer in zwang. Deze had den vorm van een dreigement. Wanneer een Coketowner fabrikant begreep, dat hij mishandeld werd—dat is te zeggen, wanneer men hem niet geheel en al zijn eigen weg liet gaan en er over sprak om hem voor de gevolgen van sommige zijner bedrijven verantwoordelijk te stellen—kwam hij steeds met het geduchte dreigement voor den dag, dat hij „veel liever al zijn eigendom in de zee wilde smijten.” Dit had den minister vanbinnenlandschezaken bij verschillende gelegenheden een doodschrik op het lijf gejaagd.Evenwel waren de Coketowners toch zoo vaderlandslievend, dat zij nog nooit hun eigendom in de zee hadden gesmeten, maar integendeel vriendelijk genoeg waren geweest om er zeer goed op te passen. Zoo lag daar nog de stad in gindschen damp; en zij werd al grooter en grooter.De straten waren op dien zomerdag heet en stofferig, en de zon was zoo helder, dat zij zelfs door den dikken nevel, die overCoketownhing, heen scheen en men haar nietstrak kon aanzien. De stokers kwamen uit lage deuren onder den grond de fabriekwerven op, en zaten op trappen, palen en staketsels hunne zwarte gezichten af te vegen en naar de hoopen steenkool te turen. De geheele stad scheen in olie te braden. Overal heerschte een verstikkende reuk van heete olie. De stoommachines blonken er van, de kleederen der arbeiders waren er mede besmeerd, en door al de talrijke verdiepingen der fabriekgebouwen sijpelde en druppelde zij heen. De dampkring dier Tooverpaleizen geleek naar den adem van denSimoum; en hunne bewoners, smeltende van hitte, sloofden in de woestijn kwijnend voort. Doch geen warmtegraad maakte de zwaarmoedige olifanten razender of stiller. Hunne vervelende koppen gingen, in warm en koud, in nat en droog, in fraai en slecht weder, op dezelfde maat op en neer. De afgemetene beweging hunner schaduwen op de muren was het surrogaat, datCoketownvoor de schaduw van ritselende boschjes kon vertoonen; terwijl het voor het zomergegons der insecten, het geheele jaar door, van den dageraad van maandag tot den avond van zaterdag, het snorren van spillen en raderen kon aanbieden.Droomerig snorden zij dien geheelen dag door, en maakten den voorbijganger nog warmer en slaperiger als hij de brommende muren der fabrieken genaakte. Zonneblinden en watersprenkelen verkoelden de voornaamste straten en winkels een weinig; maar de fabrieken, de steegjes en hofjes werden tot eene gloeihitte geblakerd. Op de rivier, zwart en dik van opgeloste stoffen, waren eenige jonge knapen aan het pleizier hebben—een zeldzaam gezicht aldaar—en roeiden eene wrakke boot voort, die een schuimachtig spoor op het water naliet, terwijl elke indompeling van een roeiriem een vuilen stank deed oprijzen. De zon zelve, hoe weldadig ook in het algemeen, was minder vriendelijk voorCoketowndan eene harde vorst, en tuurde zelden met aandacht in de dichtst bevolkte wijken, zonder meer dood dan leven voort te brengen. Zoo wordt het oog des Hemels zelfs een boos oog, wanneer er onbekwame of onreine handen worden gehouden tusschen dat oog en datgene, wat het met zijn blik wil zegenen.Mevrouw Sparsit zat in hare namiddagkamer in het kantoor, aan de schaduwzijde der bradende straat. De kantooruren waren voorbij, en op dien tijd van den dag vereerde zij meestal de bestuurskamer, boven het eigenlijke kantoor, met hare hoogst fatsoenlijke tegenwoordigheid. Hare eigene zitkamer was eene verdieping hooger en daar was zij elken morgen op haar observatiepost voor het venster, gereed om mijnheer Bounderby, als hij de straat overstapte, met het medelijdende knikje, dat een ongelukkig slachtoffer toekwam, te begroeten. Hij was nu een jaar getrouwd, en mevrouw Sparsit had hem nooit een oogenblik van haar vastberaden medelijden ontslagen.Het bankierskantoor van Bounderby en Comp. deed de heilzame eentonigheid der stad geen geweld aan. Het was insgelijks een van roode baksteenen gemetseld huis, met zwarte luiken van buiten, groene rolgordijnen van binnen, eene zwarte straatdeur met eene witte stoep van twee treden, een koperen naamplaatje en een koperen deurknop als een sluitteeken. Het was een soort grooter dan het woonhuis van mijnheer Bounderby, gelijk andere huizen van een tot zes soorten kleiner waren; in alle andere opzichten was het strikt volgens het patroon.Mevrouw Sparsit was er zich van bewust dat zij, door in den avond tusschen de lessenaars en het schrijfgereedschap te komen zitten, het kantoor eene vrouwelijke, om niet te zeggen aristocratische, elegantie mededeelde. Met haar naai—of knoopwerk bij het venster gezeten, streelde haar het gevoel, dat zij door hare damesachtige houding het onbehaaglijk kantoorachtige voorkomen van het vertrek veel verbeterde. Met deze bewustheid van haar veredelenden invloed, hield zij zich zelve eenigermate voor de Fee van het kantoor. De lieden uit de stad, die haar in het voorbijgaan zagen zitten, beschouwden haar als den draak van het kantoor, die de wacht hield over de schatten der mijn.Waarin die schatten bestonden, wist mevrouw Sparsit evenmin als deze voorbijgangers. Gouden en zilveren munt, kostbare papieren, geheimen die, als zij ontdekt werden, zekere onbestemde personen (maar zij dacht meestal aan menschen die haar mishaagden) met een onbestemd ongeluk zouden overstelpen, waren de voornaamste artikelen op hare denkbeeldige lijst daarvan. Voor het overige wist zij, dat zij na den kantoortijd de opperheerschappij over alle kantoormeubelen voerde, en ook over de geslotene ijzeren kamer met drie sloten, tegen welker deur de kantoorlooper elken avond zijn hoofd neerlegde op een kermisbed, dat met het hanengekraai weder verdween. Verder was zij opperheerscheres over zekere gewelven in de kelderverdieping, die door een hekwerk met scherpe pennen van alle gemeenschap met de diefachtige wereld waren afgescheiden; en over de overblijfselen van het loopende kantoorwerk, bestaande uit inktspatten, afgesletene pennen, gebrokene ouwels en stukjes papier, zoo klein gescheurd dat zij er, als zij dit beproefde, niets van eenig aanbelang op kon ontcijferen. Eindelijk was zij voogdesse over een klein arsenaal van sabels en karabijnen, dreigend boven een der schoorsteenmantels opgehangen, en over die door de overlevering eerwaardige voorwerpen, welke de verbeelding nimmer van eenrijk bankierskantoor kan afscheiden—eene rij brandemmers, dingen, die bij geene gelegenheid van eenig nut kunnen zijn, maar die men waarneemt dat op de meeste beschouwers een krachtigen moreelen invloed uitoefenen, bijna gelijk staande met dien van het gemunt metaal.Eene doove schoonmaakster en de kantoorlooper voltooiden het gebied van mevrouw Sparsit. Van de doove schoonmaakster zeide het gerucht dat zij rijk was; en jarenlang had onder de lagere klasse teCoketownde voorspelling rondgeloopen, dat zij eens op een avond, als het kantoor gesloten was, om haar geld zou vermoord worden. Men hield het er zelfs algemeen voor, dat haar tijd reeds om was en zij al voorlang had moeten ontsnappen; maar zij behield haar leven en haar post met eene koppigheid, die veel ergernis en teleurstelling veroorzaakte.Het theegoed van mevrouw Sparsit was juist voor haar gereed gezet op een nuffig tafeltje, met zijne drie pootjes in een zeer geaffecteerde houding,dat zij na den kantoortijd in het gezelschap der stugge, lange, met leer bekleede bestuurstafel inschoof, die het midden van het vertrek besloeg. De kantoorlooper plaatste het theeblad daarop, en drukte als bewijs van hulde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.„Dankje, Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit.„Ik bedanku, juffrouw,” antwoordde de kantoorlooper, die er nog even flauw en kleurloos uitzag als toen hij voor het meisje Nommer Twintig eene definitie van een paard gaf.„Alles gesloten, Bitzer?” zeide mevrouw Sparsit.„Alles gesloten, juffrouw.”„En wat nieuws is er vandaag?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij een kop thee voor zich inschonk. „Is er iets?”„Wel, juffrouw, ik kan niet zeggen dat ik iets bijzonders gehoord heb. Ons volkje is een slechte troep, juffrouw; maar dat is ongelukkig geen nieuws.”„Wat zijn die onrustige kerels nu weer doende?” vroeg mevrouw Sparsit.„Zij gaan hun gang maar op de oude manier, juffrouw, maken vereenigingen en verbonden en beloven elkander bij te staan.”„Het is zeer te beklagen,” zeide mevrouw Sparsit, met eene strengheid, die haar arendsneus nog krommer en hare wenkbrauwen nog zwaarder deed worden, „dat de gezamenlijke meesters zulke vereenigingen van die klasse toelaten.”„Ja, juffrouw,” zeide Bitzer.„Daar zij zelven vereenigd zijn, moesten zij beletten dat er iemand als werkman aangenomen werd, die zich met iemand anders vereenigde,” zeide mevrouw Sparsit.„Dat hebben zij ook gedaan, juffrouw,” antwoordde Bitzer; „maar het lukte niet heel goed.”„Ik wil niet beweren, dat ik verstand van die zaken heb,” zeide mevrouw Sparsit met deftigheid, „daar het lot mij door mijne geboorte in een geheel andere sfeer had geplaatst, en mijnheer Sparsit, als een Powler, insgelijks buiten den kring van zulke geschillen was. Ik weet alleen, dat die lieden tot rede gebracht moeten worden, en dat het hoog tijd is dat dit voor eens en voor altijd gedaan wordt.”„Ja, juffrouw,” antwoordde Bitzer, met een vertoon van grooten eerbied voor het gezag der orakelspreuken van mevrouw Sparsit. „Gij zoudt het iemand niet duidelijker kunnen doen begrijpen, juffrouw.”Daar dit het gewone uur voor hem was, om een vertrouwelijk praatje met mevrouw Sparsit te hebben, en hij reeds aan hare oogen had gezien dat zij hem iets wilde vragen, hield hij zich eene poos bezig met linialen, inktkokers en zoo al meer in orde te schikken, terwijl de dame haar kop thee uitdronk en door het opene venster naar de straat keek.„Is het een drukke dag geweest, Bitzer?” vroeg mevrouw Sparsit.„Geen heel drukke dag, mevrouw. Zoo wat een gewone dag.” Nu en dan liet hij zich het woord „mevrouw” in plaats van „juffrouw” ontglippen, als eene onwillekeurige erkentenis van het deftige voorkomen der dame en haar recht op eene eerbiedige bejegening.„De klerken,” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij zorgvuldig een onmerkbaar broodkruimpje van haar linkermofje veegde, „zijn natuurlijk trouw en ijverig?”„Ja, juffrouw, dat schikt nogal. Met de gewone uitzondering.”Hij bekleedde den vereerenden post van spion en aangever-generaal op het kantoor, voor welken vrijwilligen dienst hij met Kerstmis een douceur ontving, boven en behalve zijn wekelijksch loon. Hij was een buitengemeen schrander, berekenend en voorzichtig jonkman geworden, die onfeilbaar in de wereld zou vooruitkomen. Zijne opvoeding had zijn gemoed zoodanig onder bedwang gebracht, dat hij nu geene neigingen of hartstochten meer had. Al zijne bedrijven waren uitkomsten van de fijnste en koelste berekening; en het was niet zonder reden, dat mevrouw Sparsit gewoon was van hem te zeggen, dat zij nooit een jongmensch met vaster beginselen had gekend. Toen hij zich, na den dood van zijn vader, had verzekerd, dat zijne moeder teCoketownrecht tot onderstand had, had deze uitmuntende jeugdige beoefenaar der staathuishoudkunde dat recht zoo krachtig voor haar doen gelden, dat zij sedert in een werkhuis was opgesloten.Het is echter niet te ontkennen, dat hij haar een half pond thee in het jaar toestond, hetgeen eene zwakheid van hem was; vooreerst omdat alle giften de onvermijdelijke strekkinghebben om den ontvanger tot een bedelaar te maken, en ten tweede omdat het eenige, wat hij redelijkerwijze met die waar had kunnen doen, zou geweest zijn, ze voor zoo weinig mogelijk te koopen en voor zooveel als hij maar met mogelijkheid krijgen kon te verkoopen, daar het thans door zekere schrijvers duidelijk is bewezen, dat hierin de geheele plicht des menschen begrepen is—niet een gedeelte van des menschen plicht, maar het geheel.„Dat schikt nogal, juffrouw; met de gewone uitzondering,” herhaalde Bitzer.„Ah ah!” zeide mevrouw Sparsit, schudde haar hoofd boven haar theekopje en nam toen een langen slok.„Mijnheer Thomas, juffrouw. Ik twijfel zeer aan mijnheer Thomas. Zijne manieren bevallen mij gansch niet.”„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit op een zeer nadrukkelijken toon, „weet gij niet wat ik u eens gezegd heb over het noemen van namen?”„Ik verzoek u verschooning, juffrouw. Het is waar dat gij mij gewaarschuwd hebt tegen het noemen van namen, en dat het ook het best is dit te vermijden.”„Wees zoo goed om te bedenken, dat ik hier een post van vertrouwen bekleed,” zeide mevrouw Sparsit zeer statelijk. „Ik heb hier een post van vertrouwen, Bitzer, onder mijnheer Bounderby. Hoe onwaarschijnlijk mijnheer Bounderby en ik zelf het zou gevonden hebben, dat hij mijn patroon zou worden, kan ik hem, die mij een jaarlijksch compliment maakt, niet anders dan in dat licht beschouwen. Ik heb van mijnheer Bounderby alle erkentenis van mijn maatschappelijken rang en mijne afkomst genoten, die ik met mogelijkheid kon verwachten—meer, veel meer zelfs. En daarom wil ik mijn patroon met nauwgezette stiptheid getrouw zijn. En ik houd het er niet voor, ik wil het er niet voor houden,” zeide mevrouw Sparsit, die een zeer grooten voorraad van eer en zedelijkheid in magazijn had, „dat ik hem met nauwgezette stiptheid getrouw zou zijn, indien ik toeliet dat er onder dit dak namen genoemd worden, die ongelukkig—zeer ongelukkig—daaraan is niet te twijfelen—met den zijnen in betrekking staan.”Bitzer drukte zijne kneukels nog eens tegen zijn voorhoofd en verzocht nog eens verschooning.„Neen, Bitzer,” vervolgde mevrouw Sparsit, „zeg: „een persoon,” en ik zal u aanhooren; maar als gij „mijnheer Thomas” zegt, moet gij mij verontschuldigen.”„Met de gewone uitzondering, juffrouw,” zeide Bitzer, den aangewezen uitweg inslaande, „van een persoon.”„Ah-h!” mevrouw Sparsit herhaalde dien uitroep, en tevens haar hoofdschudden over haar kopje en den langen slok, alsof zij het gesprek weder opnam op het punt waar het gestoord was geworden.„Één persoon, juffrouw,” zeide Bitzer, „is nooit geweest wat hij had moeten zijn, zoolang hij hier is. Hij is een losbandige knaap, een verkwister en een luiaard. Hij is zijn zout niet waard, juffrouw; en hij zou dat ook niet krijgen, als hij geene vriendin uit zijne familie aan het hof had, juffrouw.”„Ah-h!” zeide mevrouw Sparsit, nogmaals treurig haar hoofd schuddende.„Ik hoop maar, juffrouw,” vervolgde Bitzer, „dat die vriendin hem de middelen niet zal verschaffen om zoo voort te gaan. Anders, juffrouw, weten wij wel uit wiens zak dat geld komt.”„Ah-h!” zuchtte mevrouw Sparsit alweder en schudde nogmaals treurig het hoofd.„Hij is te beklagen, juffrouw. De laatste persoon, dien ik meende, is te beklagen, juffrouw,” zeide Bitzer.„Ja, Bitzer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik heb altijd zijne verblinding beklaagd—altijd.”„Wat den eersten persoon betreft, juffrouw,” zeide Bitzer, terwijl hij zijne stem liet dalen en naderbij kwam, „hij heeft zoo weinig overleg als iemand van de lieden hier in de stad. En gij weet wel hoe weinig overleg zij hebben. Niemand zou kunnen wenschen dat beter te weten, dan eene dame van uwe afkomst het weet.”„Zij zouden wèl doen,” antwoordde mevrouw Sparsit, „als zij aan u een voorbeeld namen, Bitzer.”„Wel verplicht, juffrouw. Maar daar gij zoo goed zijt om van mij te spreken, zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik heb al een weinigje opgespaard, juffrouw. Dat douceur, dat ik met Kerstmis krijg, juffrouw—ik raak er nooit aan. Zelfs mijn weekgeld verteer ik niet geheel, hoewel het niet hoog is, juffrouw. Waarom kunnen zij niet doen zooals ik gedaan heb, juffrouw? Wat de eene mensch kan doen, kan de ander ook.”Dit behoorde insgelijks onder de fictiën vanCoketown. Een kapitalist, die een halven schelling tot zestien duizend pond had doen aangroeien, veinsde zich altijd te verwonderen, waarom de zestig duizend fabriekarbeiders om hem heen dit ook niet deden, en rekende het elk van hen min of meer tot verwijt, dat ook hij dit kunststukje niet volbracht. „Wat ik gedaan heb, kunt gij ook doen. Waarom gaat gij dan niet heen en doet het?”„Wat hunne behoefte aan uitspanning betreft, juffrouw,” hervatte Bitzer, „dat is maar onzin en gekheid. Ik heb geene behoefte aan uitspanningen; die heb ik nooit gehad, en zal ze nooit hebben; ik houd er niet eens van. En wat hunne vereenigingen aangaat, ik twijfel niet, of er zijn velen van hen, die door op elkanderte letten en aan te geven, nu en dan eene kleinigheid, hetzij in geld of gunst, konden verdienen en zoo hun bestaan verbeteren. Waarom verbeteren zij het dan niet, juffrouw? Dat is de eerste zorg van een redelijk schepsel, en dat is het juist wat zij voorgeven te wenschen.”„Ja, wèl voorgeven,” zeide mevrouw Sparsit.„Onophoudelijk, juffrouw, zoodat wij er waarlijk een walging van krijgen, hooren wij hen van hunne vrouwen en kinderen spreken,” zeide Bitzer. „Zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik verlang niet naar vrouw en kinderen. En waarom doen zij het dan?”WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).„Omdat zij onoverleggend zijn,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Ja, juffrouw,” hervatte Bitzer, „daar zit het juist. Als zij meer overleg hadden en minder koppig waren, juffrouw, wat zouden zij dan doen? Zij zouden zeggen: terwijl mijn hoed—of terwijl mijne pet, al naar het uitkomt, juffrouw—mijn geheele huisgezin bedekt, heb ik er maar één den kost te geven, en dat is de persoon, dien ik het liefst den kost geef.”„Juist,” zeide mevrouw Sparsit en hapte in een gebakje.„Ik ben u wel verplicht, juffrouw,” zeide Bitzer, wederom zijne kneukels tegen zijn voorhoofd duwende, tot dank voor de gunst van mevrouw Sparsit’s leerzaam onderhoud. „Moet ge ook nog wat heet water hebben, juffrouw, of is er iets anders dat ik voor u kan halen?”„Op het oogenblik niet, Bitzer.”„Wel verplicht, juffrouw. Ik zou u niet gaarne onder den maaltijd willen storen, juffrouw, vooral niet onder de thee, waarop ik weet dat gij bijzonder gesteld zijt,” zeide Bitzer, zijn hals uitrekkende om van de plek waar hij stond op straat te zien; „maar ik zie daar een heer, die al eene poos voor het huis naar boven heeft staan kijken, en nu is hij de straat overgestoken alsof hij wilde aankloppen. Dat is hij zeker, die daar klopt, juffrouw.”Hij stapte naar het venster, stak zijn hoofd daarbuiten, en nadat hij het weder had binnengehaald bevestigde hij zijne gissing met een: „Ja, juffrouw. Zoudt ge willen, dat die heer werd binnengelaten, juffrouw?”„Ik weet niet wie het zijn kan,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar mond afvegende en hare mofjes gladstrijkende.„Het is duidelijk een vreemdeling, juffrouw.”„Wat een vreemdeling op dezen tijd van den avond aan het kantoor kan noodig hebben, of het moet om zaken zijn, waarvoor het toch telaat is, begrijp ik niet,” zeide mevrouw Sparsit: „maar ik bekleed hier een post van vertrouwen, en ik zal mij nooit daaraan onttrekken. Als het een gedeelte van den plicht is, dien ik op mij heb genomen, om hem te spreken, dan zal ik met hem spreken. Doe gelijk gij zelf het best oordeelt, Bitzer.”Hier herhaalde de vreemdeling, die de grootmoedige woorden van mevrouw Sparsit niet hooren kon, zijn kloppen met zooveel kracht, dat Bitzer naar beneden snelde om de deur te openen; terwijl mevrouw Sparsit de voorzorg nam van haar tafeltje met al wat er op stond in eene kast te bergen, en zich toen naar boven haastte, om, zoo het noodig was, met des te grooter deftigheid voor den dag te komen.„Met uw verlof, juffrouw, mijnheer zou u willen spreken,” zeide Bitzer, met zijn oog voor het sleutelgat van mevrouw Sparsit’s kamerdeur. Mevrouw Sparsit, die van deze tusschentijd gebruik gemaakt had om hare muts terecht te zetten, ging nu met klassieke gelaatstrekken weder de keldertrap af, en trad de bestuurskamer binnen in de houding eener Romeinsche matrone, die zich buiten de poort begeeft om met een aanrukkenden vijand te onderhandelen.Daar de vreemdeling naar het venster was gekuierd en nu onverschillig naar buiten keek, maakte deze statige intrede zeer weinig indruk op hem. Hij stond zoo koelbloedig als men zich maar verbeelden kan bij zich zelven te fluiten, met zijn hoed nog op het hoofd en zeker uitzicht van afmatting en lusteloosheid, gedeeltelijk een gevolg van de buitengewone warmte, gedeeltelijk van zijn buitengewoon fatsoen; want met een half oog kon men al zien dat hij een echtegentlemanwas, volkomen naar het laatste patroon gemaakt, wien alles verveelde en die aan even weinig geloofde als Lucifer zelf.„Ik hoor, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „dat ge mij verlangt te spreken.”„O, neem mij niet kwalijk,” zeide hij, zich omkeerende en zijn hoed afnemende, „ik verzoek wel verschooning.”„Hm!” dacht mevrouw Sparsit, terwijl zij eene statige buiging maakte. „Vijf en dertig, goed uitzicht, goed postuur, goede tanden, goede stem, welgemanierd, welgekleed, donker haar, levendige oogen.” Dit alles merkte mevrouw Sparsit met hare vrouwelijke schranderheid op—gelijk de sultan die zijn hoofd in den emmer met water stak—in het oogenblikje terwijl zij dook en zich weder oprichtte.„Wees zoo goed om plaats te nemen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit.„Wel verplicht. Laat mij maar zoo staan.” Hij zette een stoel voor haar, maar bleef zelf achteloos tegen de tafel staan leunen. „Ik heb mijn knecht aan het station gelaten om voor de bagage te zorgen—een bijzonder zware trein en een aantal koffers in den goederenwagen—en ben maar voortgewandeld om eens rond te kijken. Eene zonderlinge plaats, deze stad. Mag ik wel vragen of het hieraltijdzoo zwart is?”„Doorgaans veel zwarter,” antwoordde mevrouw Sparsit op hare niets vergoelijkende manier.„Is het mogelijk! Excuseer mij—gij zijt hier niet geboren zou ik denken?”„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Het is mijn geluk of mijn ongeluk geweest—ik weet niet hoe ik het noemen zal—om, eer ik weduwe werd, mij in een geheel anderen kring te bewegen. Mijn man was een Powler.”„Neem mij niet kwalijk,” zeide de vreemdeling; „was een...”„Een Powler,” herhaalde mevrouw Sparsit.„Van de familie Powler?” zeide de vreemdeling, nadat hij een oogenblik had nagedacht. Mevrouw Sparsit gaf door een knikje hare toestemming te kennen, en de vreemdeling scheen een weinigje meer afgemat dan te voren.„Gij moet u hier zeer vervelen!” was de gevolgtrekking, die hij uit het ontvangen bericht opmaakte.„Ik ben de nederige dienares der omstandigheden, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „en ik heb mij zelve sedert lang onderschikt aan de macht, die mijn leven bestuurt.”„Zeer philosophisch,” hernam de vreemdeling, „en zeer loffelijk en voorbeeldig en...” Het scheen hem niet de moeite waardig dit gezegde ten einde te brengen, en dus speelde hij verstrooid met zijn horlogeketting.„Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „waaraan ik de eer te danken heb van...”„Wel zeker,” antwoordde de vreemdeling. „Zeer verplicht dat gij er mij aan herinnert. Ik heb een brief van introductie aan mijnheer Bounderby, den bankier, bij mij. Onder het wandelen door deze buitengemeen zwarte stad, terwijl men in mijn hotel het diner gereedmaakte, vroeg ik iemand wien ik ontmoette—een van de werklieden, die een stortbad van iets slibberigs scheen genomen te hebben, dat waarschijnlijk onder de materialen zal behooren...”Mevrouw Sparsit boog haar hoofd.„Waar mijnheer Bounderby, de bankier, woonde, en hij, waarschijnlijk niet beter wetende, wees mij naar het kantoor. Ik vermeen evenwel, dat mijnheer Bounderby niet woonachtig is in het gebouw, waar ik de eer heb deze opheldering aan te bieden.”„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat doet hij ook niet.”„Wel verplicht. Ik had juist geen oogmerk om nu mijn brief te overhandigen, maar omden tijd te korten, kuierde ik toch maar eens naar het kantoor, en toen ik het geluk had van u voor dat venster te zien,” en met eene lichte buiging wuifde hij even met de hand naar het venster, „eene dame van zulk een deftig en innemend voorkomen, begreep ik niet beter te kunnen doen dan de vrijheid te nemen van die dame te vragen, waar mijnheer Bounderby, de bankier, eigenlijk woont. En dit waag ik dus thans, met alle gepaste verontschuldigingen, te doen.”De achteloosheid en onverschilligheid zijner manieren werden, naar het gevoelen van mevrouw Sparsit, genoegzaam vergoed door zekere ongedwongene galanterie, waarmede hij haar tegelijk zijne hulde bewees. Daar stond hij bij voorbeeld tegen de tafel te leunen, zoodat hij er bijna op zat, maar tegelijk boog hij zich zachtjes aan naar haar over, alsof hij eene aantrekkingskracht in haar erkende, die haar op hare manier bekoorlijk maakte.„Een bankierskantoor, dat weet ik, is altijd wantrouwig; officieelmoethet dat ook zijn,” vervolgde de vreemdeling, met eene losheid en vlugheid van spraak, die insgelijks innemend waren, en zijne woorden een klank gaven, alsof er iets veel meer verstandigs of geestigs in school dan inderdaad het geval was—hetgeen misschien eene schrandere vinding was van den stichter dezer talrijke secte, wie die groote man dan ook mag zijn geweest—„en daarom mag ik wel aanmerken, dat mijn brief—hier is hij—van het Parlementslid voor deze stad komt—Gradgrind,—wien ik inLondenhet genoegen heb van te kennen.”Mevrouw Sparsit herkende de hand, zeide dat zulk eene bevestiging geheel onnoodig was, en gaf daarop het adres van mijnheer Bounderby met alle vereischte terechtwijzingen.„Duizendmaal dank,” zeide de vreemdeling. „Natuurlijk zult gij den bankier zeer wel kennen?”„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „In mijne afhankelijke betrekking tot hem heb ik hem tien jaren lang gekend.”„Eene gansche eeuwigheid! Ik meen, dat hij met Gradgrind’s dochter getrouwd is?”„Ja, mijnheer, zeide mevrouw Sparsit, eensklaps hare tanden samenklemmende. „Hij heeft—die eer.”„Die dame is eene groote philosofe, heeft men mij gezegd?”„Inderdaad, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Zou zij dat?”„Excuseer mijne onbescheidene nieuwsgierigheid,” hervatte de vreemdeling, op een verzoenenden toon, die mevrouw Sparsit’s wenkbrauwen deed ophelderen, „maar gij kent de familie en gij kent de wereld. Is die dame wezenlijk zoo geducht? Haar vader geeft haar den naam van zoo vervaarlijk verstandig, dat ik brand van verlangen om het rechte te weten. Is zij volkomen ongenaakbaar? Zoo knap, dat men er van versteld staat en voor terugschrikt? Ik zie wel, aan uw geheimzinniglachje, dat gij zoo niet denkt. Gij hebt balsem in mijne angstige ziel gegoten. En nu hare jaren. Veertig? Vijf en dertig?”Mevrouw Sparsit begon hardop te lachen.„Nog half een kind,” zeide zij. „Nog geen twintig toen zij trouwde.”„Ik verzeker u op mijne eer, mevrouw Powler,” zeide de vreemdeling, zich van de tafel losrukkende, waaraan hij eerst scheen vastgeplakt, „dat ik nooit in mijn leven zoo verbaasd ben geweest.”Het scheen waarlijk een geweldigen indruk op hem te maken. Hij zag haar, die hem dit bericht had gegeven, ruim eene halve minuut lang aan, en scheen al dien tijd die verrassing voor zijn geest te hebben.„Ik verzeker u, mevrouw Powler,” zeide hij toen zeer afgemat, „dat de gezegden van haar vader mij eene gerimpelde, steenharde rijpheid hadden doen verwachten. Ik ben u zeer verplicht, dat gij zulk eene ongerijmde vergissing hebt terecht gebracht. Ik bid u, verschoon mijne indringendheid. Duizendmaal dank. Goedenavond.”Hij ging buigende heen; en mevrouw Sparsit, achter het venstergordijn verborgen, zag hem langzaam de straat aan den schaduwkant afkuieren, door alle voorbijgangers opgemerkt.„Wat denkt gij van dien heer, Bitzer?” zeide zij, toen de kantoorlooper kwam om het theegoed weg te halen.„Hij moet veel geld aan zijne kleeren besteden, juffrouw.”„Dat moet erkend worden,” zeide mevrouw Sparsit, „maar hij is ook keurig gekleed.”„Ja, juffrouw, als dat het geld waard is.”„Buitendien, juffrouw,” hervatte Bitzer, terwijl hij de tafel wat opwreef; „hij ziet er mij uit alsof hij speelde.”„Hazardspelen is onzedelijk,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Het is belachelijk, juffrouw,” antwoordde Bitzer, „want de kansen zijn altijd ten nadeele der spelers.”Hetzij de warmte mevrouw Sparsit hinderde, of wat er anders de reden van was, zij werkte dien avond niet. Zij zat nog voor het venster toen de zon achter den rook begon weg te zinken; zij zat nog voor het venster toen de rook gloeiend rood werd, toen hij zijne kleur weder verloor, en toen de duisternis langzaam uit den grond scheen op te rijzen en al hooger en hooger op te kruipen naar de daken der huizen, naar de kerktorens, naar de toppen der fabriekschoorsteenen en zoo tot aan de lucht. Zonder licht te laten brengen, bleef mevrouw Sparsit voor het venster zitten, met de handen in denschoot, en zonder veel op de geluiden van den avond te letten: het schreeuwen van jongens, het blaffen van honden, het rammelen van wagens, de voetstappen en stemmen van voorbijgangers, het schelle geroep van kooplieden op straat, het kletteren van houten overschoenen, toen het tijd werd dat deze voorbijkwamen, en eindelijk het opzetten der luiken voor de winkelvensters. Niet voordat de kantoorlooper haar kwam waarschuwen, dat haar eenvoudig avondmaal gereed stond, wekte mevrouw Sparsit zich zelve uit haar gepeins, en bracht zij hare zwarte wenkbrauwen—zoo gerimpeld alsof er een strijkijzer noodig zou zijn om ze weder glad te krijgen—naar boven.„O hoe zot!” zeide mevrouw Sparsit toen zij alleen aan haarsoupertjezat. Wat zij eigenlijk meende zeide zij niet; zij kan toch bezwaarlijk hare bestellen gemeend hebben.

XVII.KANTOORZAKEN.Een zonnige zomerdag. Zoo iets had men somtijds zelfs teCoketown.Bij zulk weder, op een afstand gezien, lagCoketownin een eigenaardigen damp verscholen, die voor de zonnestralen ondoordringbaar scheen. Men wist alleen dat de stad daar lag, omdat men wist dat er zonder stad niet zulk een vuile vlek op het vergezicht had kunnen zijn—een veeg van roet en rook, die ongeregeld nu naar den eenen, dan naar den anderen kant afdreef, nu eerzuchtig naar het hemelgewelf opsteeg, dan groezelig langs de aarde kroop, naarmate de wind aanwakkerde of verflauwde, of naar eene andere streek omliep; eene dichte, vormlooze dwarrelwolk, met flikkerende lichtstralen er dwars doorheen, die echter niets dan massa’s van duisternis zichtbaar maakten.—Zóó deedCoketownzich op een afstand herkennen, al was er nog geen steen van te zien.Het verwonderlijkste was, dat de stad nog bestond. Zij was reeds zoo dikwijls geruïneerd, dat men zich moest verbazen, hoe zij zoovele schokken had doorgestaan. Zeker was er nooit brozer porselein dan dat, waarvan de fabrikanten vanCoketowngemaakt waren. Men behoefde hen maar even aan te tasten, en zij vielen zoo gemakkelijk in stukken, dat men wel vermoeden kon dat zij vroeger al gekraakt waren. Zij werden geruïneerd, als men van hen vorderde dat zij de arbeidende kinderen naar school zouden zenden; zij werden geruïneerd als er inspecteurs werden aangesteld om toezicht in hunne fabrieken te houden; zij werden geruïneerd, wanneer zulke inspecteurs het voor twijfelachtig hielden of de eigenaars wel recht hadden om menschen tusschen hunne machinerie te laten klein-malen; zij werden geheel in den grond geboord, als men er een wenk van gaf, dat zij misschien niet altijd zooveel rook behoefden te maken. Behalve mijnheer Bounderby’s gouden lepel, waaraan men inCoketownalgemeen geloofde, was nog eene andere fictie daar zeer in zwang. Deze had den vorm van een dreigement. Wanneer een Coketowner fabrikant begreep, dat hij mishandeld werd—dat is te zeggen, wanneer men hem niet geheel en al zijn eigen weg liet gaan en er over sprak om hem voor de gevolgen van sommige zijner bedrijven verantwoordelijk te stellen—kwam hij steeds met het geduchte dreigement voor den dag, dat hij „veel liever al zijn eigendom in de zee wilde smijten.” Dit had den minister vanbinnenlandschezaken bij verschillende gelegenheden een doodschrik op het lijf gejaagd.Evenwel waren de Coketowners toch zoo vaderlandslievend, dat zij nog nooit hun eigendom in de zee hadden gesmeten, maar integendeel vriendelijk genoeg waren geweest om er zeer goed op te passen. Zoo lag daar nog de stad in gindschen damp; en zij werd al grooter en grooter.De straten waren op dien zomerdag heet en stofferig, en de zon was zoo helder, dat zij zelfs door den dikken nevel, die overCoketownhing, heen scheen en men haar nietstrak kon aanzien. De stokers kwamen uit lage deuren onder den grond de fabriekwerven op, en zaten op trappen, palen en staketsels hunne zwarte gezichten af te vegen en naar de hoopen steenkool te turen. De geheele stad scheen in olie te braden. Overal heerschte een verstikkende reuk van heete olie. De stoommachines blonken er van, de kleederen der arbeiders waren er mede besmeerd, en door al de talrijke verdiepingen der fabriekgebouwen sijpelde en druppelde zij heen. De dampkring dier Tooverpaleizen geleek naar den adem van denSimoum; en hunne bewoners, smeltende van hitte, sloofden in de woestijn kwijnend voort. Doch geen warmtegraad maakte de zwaarmoedige olifanten razender of stiller. Hunne vervelende koppen gingen, in warm en koud, in nat en droog, in fraai en slecht weder, op dezelfde maat op en neer. De afgemetene beweging hunner schaduwen op de muren was het surrogaat, datCoketownvoor de schaduw van ritselende boschjes kon vertoonen; terwijl het voor het zomergegons der insecten, het geheele jaar door, van den dageraad van maandag tot den avond van zaterdag, het snorren van spillen en raderen kon aanbieden.Droomerig snorden zij dien geheelen dag door, en maakten den voorbijganger nog warmer en slaperiger als hij de brommende muren der fabrieken genaakte. Zonneblinden en watersprenkelen verkoelden de voornaamste straten en winkels een weinig; maar de fabrieken, de steegjes en hofjes werden tot eene gloeihitte geblakerd. Op de rivier, zwart en dik van opgeloste stoffen, waren eenige jonge knapen aan het pleizier hebben—een zeldzaam gezicht aldaar—en roeiden eene wrakke boot voort, die een schuimachtig spoor op het water naliet, terwijl elke indompeling van een roeiriem een vuilen stank deed oprijzen. De zon zelve, hoe weldadig ook in het algemeen, was minder vriendelijk voorCoketowndan eene harde vorst, en tuurde zelden met aandacht in de dichtst bevolkte wijken, zonder meer dood dan leven voort te brengen. Zoo wordt het oog des Hemels zelfs een boos oog, wanneer er onbekwame of onreine handen worden gehouden tusschen dat oog en datgene, wat het met zijn blik wil zegenen.Mevrouw Sparsit zat in hare namiddagkamer in het kantoor, aan de schaduwzijde der bradende straat. De kantooruren waren voorbij, en op dien tijd van den dag vereerde zij meestal de bestuurskamer, boven het eigenlijke kantoor, met hare hoogst fatsoenlijke tegenwoordigheid. Hare eigene zitkamer was eene verdieping hooger en daar was zij elken morgen op haar observatiepost voor het venster, gereed om mijnheer Bounderby, als hij de straat overstapte, met het medelijdende knikje, dat een ongelukkig slachtoffer toekwam, te begroeten. Hij was nu een jaar getrouwd, en mevrouw Sparsit had hem nooit een oogenblik van haar vastberaden medelijden ontslagen.Het bankierskantoor van Bounderby en Comp. deed de heilzame eentonigheid der stad geen geweld aan. Het was insgelijks een van roode baksteenen gemetseld huis, met zwarte luiken van buiten, groene rolgordijnen van binnen, eene zwarte straatdeur met eene witte stoep van twee treden, een koperen naamplaatje en een koperen deurknop als een sluitteeken. Het was een soort grooter dan het woonhuis van mijnheer Bounderby, gelijk andere huizen van een tot zes soorten kleiner waren; in alle andere opzichten was het strikt volgens het patroon.Mevrouw Sparsit was er zich van bewust dat zij, door in den avond tusschen de lessenaars en het schrijfgereedschap te komen zitten, het kantoor eene vrouwelijke, om niet te zeggen aristocratische, elegantie mededeelde. Met haar naai—of knoopwerk bij het venster gezeten, streelde haar het gevoel, dat zij door hare damesachtige houding het onbehaaglijk kantoorachtige voorkomen van het vertrek veel verbeterde. Met deze bewustheid van haar veredelenden invloed, hield zij zich zelve eenigermate voor de Fee van het kantoor. De lieden uit de stad, die haar in het voorbijgaan zagen zitten, beschouwden haar als den draak van het kantoor, die de wacht hield over de schatten der mijn.Waarin die schatten bestonden, wist mevrouw Sparsit evenmin als deze voorbijgangers. Gouden en zilveren munt, kostbare papieren, geheimen die, als zij ontdekt werden, zekere onbestemde personen (maar zij dacht meestal aan menschen die haar mishaagden) met een onbestemd ongeluk zouden overstelpen, waren de voornaamste artikelen op hare denkbeeldige lijst daarvan. Voor het overige wist zij, dat zij na den kantoortijd de opperheerschappij over alle kantoormeubelen voerde, en ook over de geslotene ijzeren kamer met drie sloten, tegen welker deur de kantoorlooper elken avond zijn hoofd neerlegde op een kermisbed, dat met het hanengekraai weder verdween. Verder was zij opperheerscheres over zekere gewelven in de kelderverdieping, die door een hekwerk met scherpe pennen van alle gemeenschap met de diefachtige wereld waren afgescheiden; en over de overblijfselen van het loopende kantoorwerk, bestaande uit inktspatten, afgesletene pennen, gebrokene ouwels en stukjes papier, zoo klein gescheurd dat zij er, als zij dit beproefde, niets van eenig aanbelang op kon ontcijferen. Eindelijk was zij voogdesse over een klein arsenaal van sabels en karabijnen, dreigend boven een der schoorsteenmantels opgehangen, en over die door de overlevering eerwaardige voorwerpen, welke de verbeelding nimmer van eenrijk bankierskantoor kan afscheiden—eene rij brandemmers, dingen, die bij geene gelegenheid van eenig nut kunnen zijn, maar die men waarneemt dat op de meeste beschouwers een krachtigen moreelen invloed uitoefenen, bijna gelijk staande met dien van het gemunt metaal.Eene doove schoonmaakster en de kantoorlooper voltooiden het gebied van mevrouw Sparsit. Van de doove schoonmaakster zeide het gerucht dat zij rijk was; en jarenlang had onder de lagere klasse teCoketownde voorspelling rondgeloopen, dat zij eens op een avond, als het kantoor gesloten was, om haar geld zou vermoord worden. Men hield het er zelfs algemeen voor, dat haar tijd reeds om was en zij al voorlang had moeten ontsnappen; maar zij behield haar leven en haar post met eene koppigheid, die veel ergernis en teleurstelling veroorzaakte.Het theegoed van mevrouw Sparsit was juist voor haar gereed gezet op een nuffig tafeltje, met zijne drie pootjes in een zeer geaffecteerde houding,dat zij na den kantoortijd in het gezelschap der stugge, lange, met leer bekleede bestuurstafel inschoof, die het midden van het vertrek besloeg. De kantoorlooper plaatste het theeblad daarop, en drukte als bewijs van hulde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.„Dankje, Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit.„Ik bedanku, juffrouw,” antwoordde de kantoorlooper, die er nog even flauw en kleurloos uitzag als toen hij voor het meisje Nommer Twintig eene definitie van een paard gaf.„Alles gesloten, Bitzer?” zeide mevrouw Sparsit.„Alles gesloten, juffrouw.”„En wat nieuws is er vandaag?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij een kop thee voor zich inschonk. „Is er iets?”„Wel, juffrouw, ik kan niet zeggen dat ik iets bijzonders gehoord heb. Ons volkje is een slechte troep, juffrouw; maar dat is ongelukkig geen nieuws.”„Wat zijn die onrustige kerels nu weer doende?” vroeg mevrouw Sparsit.„Zij gaan hun gang maar op de oude manier, juffrouw, maken vereenigingen en verbonden en beloven elkander bij te staan.”„Het is zeer te beklagen,” zeide mevrouw Sparsit, met eene strengheid, die haar arendsneus nog krommer en hare wenkbrauwen nog zwaarder deed worden, „dat de gezamenlijke meesters zulke vereenigingen van die klasse toelaten.”„Ja, juffrouw,” zeide Bitzer.„Daar zij zelven vereenigd zijn, moesten zij beletten dat er iemand als werkman aangenomen werd, die zich met iemand anders vereenigde,” zeide mevrouw Sparsit.„Dat hebben zij ook gedaan, juffrouw,” antwoordde Bitzer; „maar het lukte niet heel goed.”„Ik wil niet beweren, dat ik verstand van die zaken heb,” zeide mevrouw Sparsit met deftigheid, „daar het lot mij door mijne geboorte in een geheel andere sfeer had geplaatst, en mijnheer Sparsit, als een Powler, insgelijks buiten den kring van zulke geschillen was. Ik weet alleen, dat die lieden tot rede gebracht moeten worden, en dat het hoog tijd is dat dit voor eens en voor altijd gedaan wordt.”„Ja, juffrouw,” antwoordde Bitzer, met een vertoon van grooten eerbied voor het gezag der orakelspreuken van mevrouw Sparsit. „Gij zoudt het iemand niet duidelijker kunnen doen begrijpen, juffrouw.”Daar dit het gewone uur voor hem was, om een vertrouwelijk praatje met mevrouw Sparsit te hebben, en hij reeds aan hare oogen had gezien dat zij hem iets wilde vragen, hield hij zich eene poos bezig met linialen, inktkokers en zoo al meer in orde te schikken, terwijl de dame haar kop thee uitdronk en door het opene venster naar de straat keek.„Is het een drukke dag geweest, Bitzer?” vroeg mevrouw Sparsit.„Geen heel drukke dag, mevrouw. Zoo wat een gewone dag.” Nu en dan liet hij zich het woord „mevrouw” in plaats van „juffrouw” ontglippen, als eene onwillekeurige erkentenis van het deftige voorkomen der dame en haar recht op eene eerbiedige bejegening.„De klerken,” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij zorgvuldig een onmerkbaar broodkruimpje van haar linkermofje veegde, „zijn natuurlijk trouw en ijverig?”„Ja, juffrouw, dat schikt nogal. Met de gewone uitzondering.”Hij bekleedde den vereerenden post van spion en aangever-generaal op het kantoor, voor welken vrijwilligen dienst hij met Kerstmis een douceur ontving, boven en behalve zijn wekelijksch loon. Hij was een buitengemeen schrander, berekenend en voorzichtig jonkman geworden, die onfeilbaar in de wereld zou vooruitkomen. Zijne opvoeding had zijn gemoed zoodanig onder bedwang gebracht, dat hij nu geene neigingen of hartstochten meer had. Al zijne bedrijven waren uitkomsten van de fijnste en koelste berekening; en het was niet zonder reden, dat mevrouw Sparsit gewoon was van hem te zeggen, dat zij nooit een jongmensch met vaster beginselen had gekend. Toen hij zich, na den dood van zijn vader, had verzekerd, dat zijne moeder teCoketownrecht tot onderstand had, had deze uitmuntende jeugdige beoefenaar der staathuishoudkunde dat recht zoo krachtig voor haar doen gelden, dat zij sedert in een werkhuis was opgesloten.Het is echter niet te ontkennen, dat hij haar een half pond thee in het jaar toestond, hetgeen eene zwakheid van hem was; vooreerst omdat alle giften de onvermijdelijke strekkinghebben om den ontvanger tot een bedelaar te maken, en ten tweede omdat het eenige, wat hij redelijkerwijze met die waar had kunnen doen, zou geweest zijn, ze voor zoo weinig mogelijk te koopen en voor zooveel als hij maar met mogelijkheid krijgen kon te verkoopen, daar het thans door zekere schrijvers duidelijk is bewezen, dat hierin de geheele plicht des menschen begrepen is—niet een gedeelte van des menschen plicht, maar het geheel.„Dat schikt nogal, juffrouw; met de gewone uitzondering,” herhaalde Bitzer.„Ah ah!” zeide mevrouw Sparsit, schudde haar hoofd boven haar theekopje en nam toen een langen slok.„Mijnheer Thomas, juffrouw. Ik twijfel zeer aan mijnheer Thomas. Zijne manieren bevallen mij gansch niet.”„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit op een zeer nadrukkelijken toon, „weet gij niet wat ik u eens gezegd heb over het noemen van namen?”„Ik verzoek u verschooning, juffrouw. Het is waar dat gij mij gewaarschuwd hebt tegen het noemen van namen, en dat het ook het best is dit te vermijden.”„Wees zoo goed om te bedenken, dat ik hier een post van vertrouwen bekleed,” zeide mevrouw Sparsit zeer statelijk. „Ik heb hier een post van vertrouwen, Bitzer, onder mijnheer Bounderby. Hoe onwaarschijnlijk mijnheer Bounderby en ik zelf het zou gevonden hebben, dat hij mijn patroon zou worden, kan ik hem, die mij een jaarlijksch compliment maakt, niet anders dan in dat licht beschouwen. Ik heb van mijnheer Bounderby alle erkentenis van mijn maatschappelijken rang en mijne afkomst genoten, die ik met mogelijkheid kon verwachten—meer, veel meer zelfs. En daarom wil ik mijn patroon met nauwgezette stiptheid getrouw zijn. En ik houd het er niet voor, ik wil het er niet voor houden,” zeide mevrouw Sparsit, die een zeer grooten voorraad van eer en zedelijkheid in magazijn had, „dat ik hem met nauwgezette stiptheid getrouw zou zijn, indien ik toeliet dat er onder dit dak namen genoemd worden, die ongelukkig—zeer ongelukkig—daaraan is niet te twijfelen—met den zijnen in betrekking staan.”Bitzer drukte zijne kneukels nog eens tegen zijn voorhoofd en verzocht nog eens verschooning.„Neen, Bitzer,” vervolgde mevrouw Sparsit, „zeg: „een persoon,” en ik zal u aanhooren; maar als gij „mijnheer Thomas” zegt, moet gij mij verontschuldigen.”„Met de gewone uitzondering, juffrouw,” zeide Bitzer, den aangewezen uitweg inslaande, „van een persoon.”„Ah-h!” mevrouw Sparsit herhaalde dien uitroep, en tevens haar hoofdschudden over haar kopje en den langen slok, alsof zij het gesprek weder opnam op het punt waar het gestoord was geworden.„Één persoon, juffrouw,” zeide Bitzer, „is nooit geweest wat hij had moeten zijn, zoolang hij hier is. Hij is een losbandige knaap, een verkwister en een luiaard. Hij is zijn zout niet waard, juffrouw; en hij zou dat ook niet krijgen, als hij geene vriendin uit zijne familie aan het hof had, juffrouw.”„Ah-h!” zeide mevrouw Sparsit, nogmaals treurig haar hoofd schuddende.„Ik hoop maar, juffrouw,” vervolgde Bitzer, „dat die vriendin hem de middelen niet zal verschaffen om zoo voort te gaan. Anders, juffrouw, weten wij wel uit wiens zak dat geld komt.”„Ah-h!” zuchtte mevrouw Sparsit alweder en schudde nogmaals treurig het hoofd.„Hij is te beklagen, juffrouw. De laatste persoon, dien ik meende, is te beklagen, juffrouw,” zeide Bitzer.„Ja, Bitzer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik heb altijd zijne verblinding beklaagd—altijd.”„Wat den eersten persoon betreft, juffrouw,” zeide Bitzer, terwijl hij zijne stem liet dalen en naderbij kwam, „hij heeft zoo weinig overleg als iemand van de lieden hier in de stad. En gij weet wel hoe weinig overleg zij hebben. Niemand zou kunnen wenschen dat beter te weten, dan eene dame van uwe afkomst het weet.”„Zij zouden wèl doen,” antwoordde mevrouw Sparsit, „als zij aan u een voorbeeld namen, Bitzer.”„Wel verplicht, juffrouw. Maar daar gij zoo goed zijt om van mij te spreken, zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik heb al een weinigje opgespaard, juffrouw. Dat douceur, dat ik met Kerstmis krijg, juffrouw—ik raak er nooit aan. Zelfs mijn weekgeld verteer ik niet geheel, hoewel het niet hoog is, juffrouw. Waarom kunnen zij niet doen zooals ik gedaan heb, juffrouw? Wat de eene mensch kan doen, kan de ander ook.”Dit behoorde insgelijks onder de fictiën vanCoketown. Een kapitalist, die een halven schelling tot zestien duizend pond had doen aangroeien, veinsde zich altijd te verwonderen, waarom de zestig duizend fabriekarbeiders om hem heen dit ook niet deden, en rekende het elk van hen min of meer tot verwijt, dat ook hij dit kunststukje niet volbracht. „Wat ik gedaan heb, kunt gij ook doen. Waarom gaat gij dan niet heen en doet het?”„Wat hunne behoefte aan uitspanning betreft, juffrouw,” hervatte Bitzer, „dat is maar onzin en gekheid. Ik heb geene behoefte aan uitspanningen; die heb ik nooit gehad, en zal ze nooit hebben; ik houd er niet eens van. En wat hunne vereenigingen aangaat, ik twijfel niet, of er zijn velen van hen, die door op elkanderte letten en aan te geven, nu en dan eene kleinigheid, hetzij in geld of gunst, konden verdienen en zoo hun bestaan verbeteren. Waarom verbeteren zij het dan niet, juffrouw? Dat is de eerste zorg van een redelijk schepsel, en dat is het juist wat zij voorgeven te wenschen.”„Ja, wèl voorgeven,” zeide mevrouw Sparsit.„Onophoudelijk, juffrouw, zoodat wij er waarlijk een walging van krijgen, hooren wij hen van hunne vrouwen en kinderen spreken,” zeide Bitzer. „Zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik verlang niet naar vrouw en kinderen. En waarom doen zij het dan?”WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).„Omdat zij onoverleggend zijn,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Ja, juffrouw,” hervatte Bitzer, „daar zit het juist. Als zij meer overleg hadden en minder koppig waren, juffrouw, wat zouden zij dan doen? Zij zouden zeggen: terwijl mijn hoed—of terwijl mijne pet, al naar het uitkomt, juffrouw—mijn geheele huisgezin bedekt, heb ik er maar één den kost te geven, en dat is de persoon, dien ik het liefst den kost geef.”„Juist,” zeide mevrouw Sparsit en hapte in een gebakje.„Ik ben u wel verplicht, juffrouw,” zeide Bitzer, wederom zijne kneukels tegen zijn voorhoofd duwende, tot dank voor de gunst van mevrouw Sparsit’s leerzaam onderhoud. „Moet ge ook nog wat heet water hebben, juffrouw, of is er iets anders dat ik voor u kan halen?”„Op het oogenblik niet, Bitzer.”„Wel verplicht, juffrouw. Ik zou u niet gaarne onder den maaltijd willen storen, juffrouw, vooral niet onder de thee, waarop ik weet dat gij bijzonder gesteld zijt,” zeide Bitzer, zijn hals uitrekkende om van de plek waar hij stond op straat te zien; „maar ik zie daar een heer, die al eene poos voor het huis naar boven heeft staan kijken, en nu is hij de straat overgestoken alsof hij wilde aankloppen. Dat is hij zeker, die daar klopt, juffrouw.”Hij stapte naar het venster, stak zijn hoofd daarbuiten, en nadat hij het weder had binnengehaald bevestigde hij zijne gissing met een: „Ja, juffrouw. Zoudt ge willen, dat die heer werd binnengelaten, juffrouw?”„Ik weet niet wie het zijn kan,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar mond afvegende en hare mofjes gladstrijkende.„Het is duidelijk een vreemdeling, juffrouw.”„Wat een vreemdeling op dezen tijd van den avond aan het kantoor kan noodig hebben, of het moet om zaken zijn, waarvoor het toch telaat is, begrijp ik niet,” zeide mevrouw Sparsit: „maar ik bekleed hier een post van vertrouwen, en ik zal mij nooit daaraan onttrekken. Als het een gedeelte van den plicht is, dien ik op mij heb genomen, om hem te spreken, dan zal ik met hem spreken. Doe gelijk gij zelf het best oordeelt, Bitzer.”Hier herhaalde de vreemdeling, die de grootmoedige woorden van mevrouw Sparsit niet hooren kon, zijn kloppen met zooveel kracht, dat Bitzer naar beneden snelde om de deur te openen; terwijl mevrouw Sparsit de voorzorg nam van haar tafeltje met al wat er op stond in eene kast te bergen, en zich toen naar boven haastte, om, zoo het noodig was, met des te grooter deftigheid voor den dag te komen.„Met uw verlof, juffrouw, mijnheer zou u willen spreken,” zeide Bitzer, met zijn oog voor het sleutelgat van mevrouw Sparsit’s kamerdeur. Mevrouw Sparsit, die van deze tusschentijd gebruik gemaakt had om hare muts terecht te zetten, ging nu met klassieke gelaatstrekken weder de keldertrap af, en trad de bestuurskamer binnen in de houding eener Romeinsche matrone, die zich buiten de poort begeeft om met een aanrukkenden vijand te onderhandelen.Daar de vreemdeling naar het venster was gekuierd en nu onverschillig naar buiten keek, maakte deze statige intrede zeer weinig indruk op hem. Hij stond zoo koelbloedig als men zich maar verbeelden kan bij zich zelven te fluiten, met zijn hoed nog op het hoofd en zeker uitzicht van afmatting en lusteloosheid, gedeeltelijk een gevolg van de buitengewone warmte, gedeeltelijk van zijn buitengewoon fatsoen; want met een half oog kon men al zien dat hij een echtegentlemanwas, volkomen naar het laatste patroon gemaakt, wien alles verveelde en die aan even weinig geloofde als Lucifer zelf.„Ik hoor, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „dat ge mij verlangt te spreken.”„O, neem mij niet kwalijk,” zeide hij, zich omkeerende en zijn hoed afnemende, „ik verzoek wel verschooning.”„Hm!” dacht mevrouw Sparsit, terwijl zij eene statige buiging maakte. „Vijf en dertig, goed uitzicht, goed postuur, goede tanden, goede stem, welgemanierd, welgekleed, donker haar, levendige oogen.” Dit alles merkte mevrouw Sparsit met hare vrouwelijke schranderheid op—gelijk de sultan die zijn hoofd in den emmer met water stak—in het oogenblikje terwijl zij dook en zich weder oprichtte.„Wees zoo goed om plaats te nemen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit.„Wel verplicht. Laat mij maar zoo staan.” Hij zette een stoel voor haar, maar bleef zelf achteloos tegen de tafel staan leunen. „Ik heb mijn knecht aan het station gelaten om voor de bagage te zorgen—een bijzonder zware trein en een aantal koffers in den goederenwagen—en ben maar voortgewandeld om eens rond te kijken. Eene zonderlinge plaats, deze stad. Mag ik wel vragen of het hieraltijdzoo zwart is?”„Doorgaans veel zwarter,” antwoordde mevrouw Sparsit op hare niets vergoelijkende manier.„Is het mogelijk! Excuseer mij—gij zijt hier niet geboren zou ik denken?”„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Het is mijn geluk of mijn ongeluk geweest—ik weet niet hoe ik het noemen zal—om, eer ik weduwe werd, mij in een geheel anderen kring te bewegen. Mijn man was een Powler.”„Neem mij niet kwalijk,” zeide de vreemdeling; „was een...”„Een Powler,” herhaalde mevrouw Sparsit.„Van de familie Powler?” zeide de vreemdeling, nadat hij een oogenblik had nagedacht. Mevrouw Sparsit gaf door een knikje hare toestemming te kennen, en de vreemdeling scheen een weinigje meer afgemat dan te voren.„Gij moet u hier zeer vervelen!” was de gevolgtrekking, die hij uit het ontvangen bericht opmaakte.„Ik ben de nederige dienares der omstandigheden, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „en ik heb mij zelve sedert lang onderschikt aan de macht, die mijn leven bestuurt.”„Zeer philosophisch,” hernam de vreemdeling, „en zeer loffelijk en voorbeeldig en...” Het scheen hem niet de moeite waardig dit gezegde ten einde te brengen, en dus speelde hij verstrooid met zijn horlogeketting.„Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „waaraan ik de eer te danken heb van...”„Wel zeker,” antwoordde de vreemdeling. „Zeer verplicht dat gij er mij aan herinnert. Ik heb een brief van introductie aan mijnheer Bounderby, den bankier, bij mij. Onder het wandelen door deze buitengemeen zwarte stad, terwijl men in mijn hotel het diner gereedmaakte, vroeg ik iemand wien ik ontmoette—een van de werklieden, die een stortbad van iets slibberigs scheen genomen te hebben, dat waarschijnlijk onder de materialen zal behooren...”Mevrouw Sparsit boog haar hoofd.„Waar mijnheer Bounderby, de bankier, woonde, en hij, waarschijnlijk niet beter wetende, wees mij naar het kantoor. Ik vermeen evenwel, dat mijnheer Bounderby niet woonachtig is in het gebouw, waar ik de eer heb deze opheldering aan te bieden.”„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat doet hij ook niet.”„Wel verplicht. Ik had juist geen oogmerk om nu mijn brief te overhandigen, maar omden tijd te korten, kuierde ik toch maar eens naar het kantoor, en toen ik het geluk had van u voor dat venster te zien,” en met eene lichte buiging wuifde hij even met de hand naar het venster, „eene dame van zulk een deftig en innemend voorkomen, begreep ik niet beter te kunnen doen dan de vrijheid te nemen van die dame te vragen, waar mijnheer Bounderby, de bankier, eigenlijk woont. En dit waag ik dus thans, met alle gepaste verontschuldigingen, te doen.”De achteloosheid en onverschilligheid zijner manieren werden, naar het gevoelen van mevrouw Sparsit, genoegzaam vergoed door zekere ongedwongene galanterie, waarmede hij haar tegelijk zijne hulde bewees. Daar stond hij bij voorbeeld tegen de tafel te leunen, zoodat hij er bijna op zat, maar tegelijk boog hij zich zachtjes aan naar haar over, alsof hij eene aantrekkingskracht in haar erkende, die haar op hare manier bekoorlijk maakte.„Een bankierskantoor, dat weet ik, is altijd wantrouwig; officieelmoethet dat ook zijn,” vervolgde de vreemdeling, met eene losheid en vlugheid van spraak, die insgelijks innemend waren, en zijne woorden een klank gaven, alsof er iets veel meer verstandigs of geestigs in school dan inderdaad het geval was—hetgeen misschien eene schrandere vinding was van den stichter dezer talrijke secte, wie die groote man dan ook mag zijn geweest—„en daarom mag ik wel aanmerken, dat mijn brief—hier is hij—van het Parlementslid voor deze stad komt—Gradgrind,—wien ik inLondenhet genoegen heb van te kennen.”Mevrouw Sparsit herkende de hand, zeide dat zulk eene bevestiging geheel onnoodig was, en gaf daarop het adres van mijnheer Bounderby met alle vereischte terechtwijzingen.„Duizendmaal dank,” zeide de vreemdeling. „Natuurlijk zult gij den bankier zeer wel kennen?”„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „In mijne afhankelijke betrekking tot hem heb ik hem tien jaren lang gekend.”„Eene gansche eeuwigheid! Ik meen, dat hij met Gradgrind’s dochter getrouwd is?”„Ja, mijnheer, zeide mevrouw Sparsit, eensklaps hare tanden samenklemmende. „Hij heeft—die eer.”„Die dame is eene groote philosofe, heeft men mij gezegd?”„Inderdaad, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Zou zij dat?”„Excuseer mijne onbescheidene nieuwsgierigheid,” hervatte de vreemdeling, op een verzoenenden toon, die mevrouw Sparsit’s wenkbrauwen deed ophelderen, „maar gij kent de familie en gij kent de wereld. Is die dame wezenlijk zoo geducht? Haar vader geeft haar den naam van zoo vervaarlijk verstandig, dat ik brand van verlangen om het rechte te weten. Is zij volkomen ongenaakbaar? Zoo knap, dat men er van versteld staat en voor terugschrikt? Ik zie wel, aan uw geheimzinniglachje, dat gij zoo niet denkt. Gij hebt balsem in mijne angstige ziel gegoten. En nu hare jaren. Veertig? Vijf en dertig?”Mevrouw Sparsit begon hardop te lachen.„Nog half een kind,” zeide zij. „Nog geen twintig toen zij trouwde.”„Ik verzeker u op mijne eer, mevrouw Powler,” zeide de vreemdeling, zich van de tafel losrukkende, waaraan hij eerst scheen vastgeplakt, „dat ik nooit in mijn leven zoo verbaasd ben geweest.”Het scheen waarlijk een geweldigen indruk op hem te maken. Hij zag haar, die hem dit bericht had gegeven, ruim eene halve minuut lang aan, en scheen al dien tijd die verrassing voor zijn geest te hebben.„Ik verzeker u, mevrouw Powler,” zeide hij toen zeer afgemat, „dat de gezegden van haar vader mij eene gerimpelde, steenharde rijpheid hadden doen verwachten. Ik ben u zeer verplicht, dat gij zulk eene ongerijmde vergissing hebt terecht gebracht. Ik bid u, verschoon mijne indringendheid. Duizendmaal dank. Goedenavond.”Hij ging buigende heen; en mevrouw Sparsit, achter het venstergordijn verborgen, zag hem langzaam de straat aan den schaduwkant afkuieren, door alle voorbijgangers opgemerkt.„Wat denkt gij van dien heer, Bitzer?” zeide zij, toen de kantoorlooper kwam om het theegoed weg te halen.„Hij moet veel geld aan zijne kleeren besteden, juffrouw.”„Dat moet erkend worden,” zeide mevrouw Sparsit, „maar hij is ook keurig gekleed.”„Ja, juffrouw, als dat het geld waard is.”„Buitendien, juffrouw,” hervatte Bitzer, terwijl hij de tafel wat opwreef; „hij ziet er mij uit alsof hij speelde.”„Hazardspelen is onzedelijk,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Het is belachelijk, juffrouw,” antwoordde Bitzer, „want de kansen zijn altijd ten nadeele der spelers.”Hetzij de warmte mevrouw Sparsit hinderde, of wat er anders de reden van was, zij werkte dien avond niet. Zij zat nog voor het venster toen de zon achter den rook begon weg te zinken; zij zat nog voor het venster toen de rook gloeiend rood werd, toen hij zijne kleur weder verloor, en toen de duisternis langzaam uit den grond scheen op te rijzen en al hooger en hooger op te kruipen naar de daken der huizen, naar de kerktorens, naar de toppen der fabriekschoorsteenen en zoo tot aan de lucht. Zonder licht te laten brengen, bleef mevrouw Sparsit voor het venster zitten, met de handen in denschoot, en zonder veel op de geluiden van den avond te letten: het schreeuwen van jongens, het blaffen van honden, het rammelen van wagens, de voetstappen en stemmen van voorbijgangers, het schelle geroep van kooplieden op straat, het kletteren van houten overschoenen, toen het tijd werd dat deze voorbijkwamen, en eindelijk het opzetten der luiken voor de winkelvensters. Niet voordat de kantoorlooper haar kwam waarschuwen, dat haar eenvoudig avondmaal gereed stond, wekte mevrouw Sparsit zich zelve uit haar gepeins, en bracht zij hare zwarte wenkbrauwen—zoo gerimpeld alsof er een strijkijzer noodig zou zijn om ze weder glad te krijgen—naar boven.„O hoe zot!” zeide mevrouw Sparsit toen zij alleen aan haarsoupertjezat. Wat zij eigenlijk meende zeide zij niet; zij kan toch bezwaarlijk hare bestellen gemeend hebben.

XVII.KANTOORZAKEN.

Een zonnige zomerdag. Zoo iets had men somtijds zelfs teCoketown.Bij zulk weder, op een afstand gezien, lagCoketownin een eigenaardigen damp verscholen, die voor de zonnestralen ondoordringbaar scheen. Men wist alleen dat de stad daar lag, omdat men wist dat er zonder stad niet zulk een vuile vlek op het vergezicht had kunnen zijn—een veeg van roet en rook, die ongeregeld nu naar den eenen, dan naar den anderen kant afdreef, nu eerzuchtig naar het hemelgewelf opsteeg, dan groezelig langs de aarde kroop, naarmate de wind aanwakkerde of verflauwde, of naar eene andere streek omliep; eene dichte, vormlooze dwarrelwolk, met flikkerende lichtstralen er dwars doorheen, die echter niets dan massa’s van duisternis zichtbaar maakten.—Zóó deedCoketownzich op een afstand herkennen, al was er nog geen steen van te zien.Het verwonderlijkste was, dat de stad nog bestond. Zij was reeds zoo dikwijls geruïneerd, dat men zich moest verbazen, hoe zij zoovele schokken had doorgestaan. Zeker was er nooit brozer porselein dan dat, waarvan de fabrikanten vanCoketowngemaakt waren. Men behoefde hen maar even aan te tasten, en zij vielen zoo gemakkelijk in stukken, dat men wel vermoeden kon dat zij vroeger al gekraakt waren. Zij werden geruïneerd, als men van hen vorderde dat zij de arbeidende kinderen naar school zouden zenden; zij werden geruïneerd als er inspecteurs werden aangesteld om toezicht in hunne fabrieken te houden; zij werden geruïneerd, wanneer zulke inspecteurs het voor twijfelachtig hielden of de eigenaars wel recht hadden om menschen tusschen hunne machinerie te laten klein-malen; zij werden geheel in den grond geboord, als men er een wenk van gaf, dat zij misschien niet altijd zooveel rook behoefden te maken. Behalve mijnheer Bounderby’s gouden lepel, waaraan men inCoketownalgemeen geloofde, was nog eene andere fictie daar zeer in zwang. Deze had den vorm van een dreigement. Wanneer een Coketowner fabrikant begreep, dat hij mishandeld werd—dat is te zeggen, wanneer men hem niet geheel en al zijn eigen weg liet gaan en er over sprak om hem voor de gevolgen van sommige zijner bedrijven verantwoordelijk te stellen—kwam hij steeds met het geduchte dreigement voor den dag, dat hij „veel liever al zijn eigendom in de zee wilde smijten.” Dit had den minister vanbinnenlandschezaken bij verschillende gelegenheden een doodschrik op het lijf gejaagd.Evenwel waren de Coketowners toch zoo vaderlandslievend, dat zij nog nooit hun eigendom in de zee hadden gesmeten, maar integendeel vriendelijk genoeg waren geweest om er zeer goed op te passen. Zoo lag daar nog de stad in gindschen damp; en zij werd al grooter en grooter.De straten waren op dien zomerdag heet en stofferig, en de zon was zoo helder, dat zij zelfs door den dikken nevel, die overCoketownhing, heen scheen en men haar nietstrak kon aanzien. De stokers kwamen uit lage deuren onder den grond de fabriekwerven op, en zaten op trappen, palen en staketsels hunne zwarte gezichten af te vegen en naar de hoopen steenkool te turen. De geheele stad scheen in olie te braden. Overal heerschte een verstikkende reuk van heete olie. De stoommachines blonken er van, de kleederen der arbeiders waren er mede besmeerd, en door al de talrijke verdiepingen der fabriekgebouwen sijpelde en druppelde zij heen. De dampkring dier Tooverpaleizen geleek naar den adem van denSimoum; en hunne bewoners, smeltende van hitte, sloofden in de woestijn kwijnend voort. Doch geen warmtegraad maakte de zwaarmoedige olifanten razender of stiller. Hunne vervelende koppen gingen, in warm en koud, in nat en droog, in fraai en slecht weder, op dezelfde maat op en neer. De afgemetene beweging hunner schaduwen op de muren was het surrogaat, datCoketownvoor de schaduw van ritselende boschjes kon vertoonen; terwijl het voor het zomergegons der insecten, het geheele jaar door, van den dageraad van maandag tot den avond van zaterdag, het snorren van spillen en raderen kon aanbieden.Droomerig snorden zij dien geheelen dag door, en maakten den voorbijganger nog warmer en slaperiger als hij de brommende muren der fabrieken genaakte. Zonneblinden en watersprenkelen verkoelden de voornaamste straten en winkels een weinig; maar de fabrieken, de steegjes en hofjes werden tot eene gloeihitte geblakerd. Op de rivier, zwart en dik van opgeloste stoffen, waren eenige jonge knapen aan het pleizier hebben—een zeldzaam gezicht aldaar—en roeiden eene wrakke boot voort, die een schuimachtig spoor op het water naliet, terwijl elke indompeling van een roeiriem een vuilen stank deed oprijzen. De zon zelve, hoe weldadig ook in het algemeen, was minder vriendelijk voorCoketowndan eene harde vorst, en tuurde zelden met aandacht in de dichtst bevolkte wijken, zonder meer dood dan leven voort te brengen. Zoo wordt het oog des Hemels zelfs een boos oog, wanneer er onbekwame of onreine handen worden gehouden tusschen dat oog en datgene, wat het met zijn blik wil zegenen.Mevrouw Sparsit zat in hare namiddagkamer in het kantoor, aan de schaduwzijde der bradende straat. De kantooruren waren voorbij, en op dien tijd van den dag vereerde zij meestal de bestuurskamer, boven het eigenlijke kantoor, met hare hoogst fatsoenlijke tegenwoordigheid. Hare eigene zitkamer was eene verdieping hooger en daar was zij elken morgen op haar observatiepost voor het venster, gereed om mijnheer Bounderby, als hij de straat overstapte, met het medelijdende knikje, dat een ongelukkig slachtoffer toekwam, te begroeten. Hij was nu een jaar getrouwd, en mevrouw Sparsit had hem nooit een oogenblik van haar vastberaden medelijden ontslagen.Het bankierskantoor van Bounderby en Comp. deed de heilzame eentonigheid der stad geen geweld aan. Het was insgelijks een van roode baksteenen gemetseld huis, met zwarte luiken van buiten, groene rolgordijnen van binnen, eene zwarte straatdeur met eene witte stoep van twee treden, een koperen naamplaatje en een koperen deurknop als een sluitteeken. Het was een soort grooter dan het woonhuis van mijnheer Bounderby, gelijk andere huizen van een tot zes soorten kleiner waren; in alle andere opzichten was het strikt volgens het patroon.Mevrouw Sparsit was er zich van bewust dat zij, door in den avond tusschen de lessenaars en het schrijfgereedschap te komen zitten, het kantoor eene vrouwelijke, om niet te zeggen aristocratische, elegantie mededeelde. Met haar naai—of knoopwerk bij het venster gezeten, streelde haar het gevoel, dat zij door hare damesachtige houding het onbehaaglijk kantoorachtige voorkomen van het vertrek veel verbeterde. Met deze bewustheid van haar veredelenden invloed, hield zij zich zelve eenigermate voor de Fee van het kantoor. De lieden uit de stad, die haar in het voorbijgaan zagen zitten, beschouwden haar als den draak van het kantoor, die de wacht hield over de schatten der mijn.Waarin die schatten bestonden, wist mevrouw Sparsit evenmin als deze voorbijgangers. Gouden en zilveren munt, kostbare papieren, geheimen die, als zij ontdekt werden, zekere onbestemde personen (maar zij dacht meestal aan menschen die haar mishaagden) met een onbestemd ongeluk zouden overstelpen, waren de voornaamste artikelen op hare denkbeeldige lijst daarvan. Voor het overige wist zij, dat zij na den kantoortijd de opperheerschappij over alle kantoormeubelen voerde, en ook over de geslotene ijzeren kamer met drie sloten, tegen welker deur de kantoorlooper elken avond zijn hoofd neerlegde op een kermisbed, dat met het hanengekraai weder verdween. Verder was zij opperheerscheres over zekere gewelven in de kelderverdieping, die door een hekwerk met scherpe pennen van alle gemeenschap met de diefachtige wereld waren afgescheiden; en over de overblijfselen van het loopende kantoorwerk, bestaande uit inktspatten, afgesletene pennen, gebrokene ouwels en stukjes papier, zoo klein gescheurd dat zij er, als zij dit beproefde, niets van eenig aanbelang op kon ontcijferen. Eindelijk was zij voogdesse over een klein arsenaal van sabels en karabijnen, dreigend boven een der schoorsteenmantels opgehangen, en over die door de overlevering eerwaardige voorwerpen, welke de verbeelding nimmer van eenrijk bankierskantoor kan afscheiden—eene rij brandemmers, dingen, die bij geene gelegenheid van eenig nut kunnen zijn, maar die men waarneemt dat op de meeste beschouwers een krachtigen moreelen invloed uitoefenen, bijna gelijk staande met dien van het gemunt metaal.Eene doove schoonmaakster en de kantoorlooper voltooiden het gebied van mevrouw Sparsit. Van de doove schoonmaakster zeide het gerucht dat zij rijk was; en jarenlang had onder de lagere klasse teCoketownde voorspelling rondgeloopen, dat zij eens op een avond, als het kantoor gesloten was, om haar geld zou vermoord worden. Men hield het er zelfs algemeen voor, dat haar tijd reeds om was en zij al voorlang had moeten ontsnappen; maar zij behield haar leven en haar post met eene koppigheid, die veel ergernis en teleurstelling veroorzaakte.Het theegoed van mevrouw Sparsit was juist voor haar gereed gezet op een nuffig tafeltje, met zijne drie pootjes in een zeer geaffecteerde houding,dat zij na den kantoortijd in het gezelschap der stugge, lange, met leer bekleede bestuurstafel inschoof, die het midden van het vertrek besloeg. De kantoorlooper plaatste het theeblad daarop, en drukte als bewijs van hulde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.„Dankje, Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit.„Ik bedanku, juffrouw,” antwoordde de kantoorlooper, die er nog even flauw en kleurloos uitzag als toen hij voor het meisje Nommer Twintig eene definitie van een paard gaf.„Alles gesloten, Bitzer?” zeide mevrouw Sparsit.„Alles gesloten, juffrouw.”„En wat nieuws is er vandaag?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij een kop thee voor zich inschonk. „Is er iets?”„Wel, juffrouw, ik kan niet zeggen dat ik iets bijzonders gehoord heb. Ons volkje is een slechte troep, juffrouw; maar dat is ongelukkig geen nieuws.”„Wat zijn die onrustige kerels nu weer doende?” vroeg mevrouw Sparsit.„Zij gaan hun gang maar op de oude manier, juffrouw, maken vereenigingen en verbonden en beloven elkander bij te staan.”„Het is zeer te beklagen,” zeide mevrouw Sparsit, met eene strengheid, die haar arendsneus nog krommer en hare wenkbrauwen nog zwaarder deed worden, „dat de gezamenlijke meesters zulke vereenigingen van die klasse toelaten.”„Ja, juffrouw,” zeide Bitzer.„Daar zij zelven vereenigd zijn, moesten zij beletten dat er iemand als werkman aangenomen werd, die zich met iemand anders vereenigde,” zeide mevrouw Sparsit.„Dat hebben zij ook gedaan, juffrouw,” antwoordde Bitzer; „maar het lukte niet heel goed.”„Ik wil niet beweren, dat ik verstand van die zaken heb,” zeide mevrouw Sparsit met deftigheid, „daar het lot mij door mijne geboorte in een geheel andere sfeer had geplaatst, en mijnheer Sparsit, als een Powler, insgelijks buiten den kring van zulke geschillen was. Ik weet alleen, dat die lieden tot rede gebracht moeten worden, en dat het hoog tijd is dat dit voor eens en voor altijd gedaan wordt.”„Ja, juffrouw,” antwoordde Bitzer, met een vertoon van grooten eerbied voor het gezag der orakelspreuken van mevrouw Sparsit. „Gij zoudt het iemand niet duidelijker kunnen doen begrijpen, juffrouw.”Daar dit het gewone uur voor hem was, om een vertrouwelijk praatje met mevrouw Sparsit te hebben, en hij reeds aan hare oogen had gezien dat zij hem iets wilde vragen, hield hij zich eene poos bezig met linialen, inktkokers en zoo al meer in orde te schikken, terwijl de dame haar kop thee uitdronk en door het opene venster naar de straat keek.„Is het een drukke dag geweest, Bitzer?” vroeg mevrouw Sparsit.„Geen heel drukke dag, mevrouw. Zoo wat een gewone dag.” Nu en dan liet hij zich het woord „mevrouw” in plaats van „juffrouw” ontglippen, als eene onwillekeurige erkentenis van het deftige voorkomen der dame en haar recht op eene eerbiedige bejegening.„De klerken,” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij zorgvuldig een onmerkbaar broodkruimpje van haar linkermofje veegde, „zijn natuurlijk trouw en ijverig?”„Ja, juffrouw, dat schikt nogal. Met de gewone uitzondering.”Hij bekleedde den vereerenden post van spion en aangever-generaal op het kantoor, voor welken vrijwilligen dienst hij met Kerstmis een douceur ontving, boven en behalve zijn wekelijksch loon. Hij was een buitengemeen schrander, berekenend en voorzichtig jonkman geworden, die onfeilbaar in de wereld zou vooruitkomen. Zijne opvoeding had zijn gemoed zoodanig onder bedwang gebracht, dat hij nu geene neigingen of hartstochten meer had. Al zijne bedrijven waren uitkomsten van de fijnste en koelste berekening; en het was niet zonder reden, dat mevrouw Sparsit gewoon was van hem te zeggen, dat zij nooit een jongmensch met vaster beginselen had gekend. Toen hij zich, na den dood van zijn vader, had verzekerd, dat zijne moeder teCoketownrecht tot onderstand had, had deze uitmuntende jeugdige beoefenaar der staathuishoudkunde dat recht zoo krachtig voor haar doen gelden, dat zij sedert in een werkhuis was opgesloten.Het is echter niet te ontkennen, dat hij haar een half pond thee in het jaar toestond, hetgeen eene zwakheid van hem was; vooreerst omdat alle giften de onvermijdelijke strekkinghebben om den ontvanger tot een bedelaar te maken, en ten tweede omdat het eenige, wat hij redelijkerwijze met die waar had kunnen doen, zou geweest zijn, ze voor zoo weinig mogelijk te koopen en voor zooveel als hij maar met mogelijkheid krijgen kon te verkoopen, daar het thans door zekere schrijvers duidelijk is bewezen, dat hierin de geheele plicht des menschen begrepen is—niet een gedeelte van des menschen plicht, maar het geheel.„Dat schikt nogal, juffrouw; met de gewone uitzondering,” herhaalde Bitzer.„Ah ah!” zeide mevrouw Sparsit, schudde haar hoofd boven haar theekopje en nam toen een langen slok.„Mijnheer Thomas, juffrouw. Ik twijfel zeer aan mijnheer Thomas. Zijne manieren bevallen mij gansch niet.”„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit op een zeer nadrukkelijken toon, „weet gij niet wat ik u eens gezegd heb over het noemen van namen?”„Ik verzoek u verschooning, juffrouw. Het is waar dat gij mij gewaarschuwd hebt tegen het noemen van namen, en dat het ook het best is dit te vermijden.”„Wees zoo goed om te bedenken, dat ik hier een post van vertrouwen bekleed,” zeide mevrouw Sparsit zeer statelijk. „Ik heb hier een post van vertrouwen, Bitzer, onder mijnheer Bounderby. Hoe onwaarschijnlijk mijnheer Bounderby en ik zelf het zou gevonden hebben, dat hij mijn patroon zou worden, kan ik hem, die mij een jaarlijksch compliment maakt, niet anders dan in dat licht beschouwen. Ik heb van mijnheer Bounderby alle erkentenis van mijn maatschappelijken rang en mijne afkomst genoten, die ik met mogelijkheid kon verwachten—meer, veel meer zelfs. En daarom wil ik mijn patroon met nauwgezette stiptheid getrouw zijn. En ik houd het er niet voor, ik wil het er niet voor houden,” zeide mevrouw Sparsit, die een zeer grooten voorraad van eer en zedelijkheid in magazijn had, „dat ik hem met nauwgezette stiptheid getrouw zou zijn, indien ik toeliet dat er onder dit dak namen genoemd worden, die ongelukkig—zeer ongelukkig—daaraan is niet te twijfelen—met den zijnen in betrekking staan.”Bitzer drukte zijne kneukels nog eens tegen zijn voorhoofd en verzocht nog eens verschooning.„Neen, Bitzer,” vervolgde mevrouw Sparsit, „zeg: „een persoon,” en ik zal u aanhooren; maar als gij „mijnheer Thomas” zegt, moet gij mij verontschuldigen.”„Met de gewone uitzondering, juffrouw,” zeide Bitzer, den aangewezen uitweg inslaande, „van een persoon.”„Ah-h!” mevrouw Sparsit herhaalde dien uitroep, en tevens haar hoofdschudden over haar kopje en den langen slok, alsof zij het gesprek weder opnam op het punt waar het gestoord was geworden.„Één persoon, juffrouw,” zeide Bitzer, „is nooit geweest wat hij had moeten zijn, zoolang hij hier is. Hij is een losbandige knaap, een verkwister en een luiaard. Hij is zijn zout niet waard, juffrouw; en hij zou dat ook niet krijgen, als hij geene vriendin uit zijne familie aan het hof had, juffrouw.”„Ah-h!” zeide mevrouw Sparsit, nogmaals treurig haar hoofd schuddende.„Ik hoop maar, juffrouw,” vervolgde Bitzer, „dat die vriendin hem de middelen niet zal verschaffen om zoo voort te gaan. Anders, juffrouw, weten wij wel uit wiens zak dat geld komt.”„Ah-h!” zuchtte mevrouw Sparsit alweder en schudde nogmaals treurig het hoofd.„Hij is te beklagen, juffrouw. De laatste persoon, dien ik meende, is te beklagen, juffrouw,” zeide Bitzer.„Ja, Bitzer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik heb altijd zijne verblinding beklaagd—altijd.”„Wat den eersten persoon betreft, juffrouw,” zeide Bitzer, terwijl hij zijne stem liet dalen en naderbij kwam, „hij heeft zoo weinig overleg als iemand van de lieden hier in de stad. En gij weet wel hoe weinig overleg zij hebben. Niemand zou kunnen wenschen dat beter te weten, dan eene dame van uwe afkomst het weet.”„Zij zouden wèl doen,” antwoordde mevrouw Sparsit, „als zij aan u een voorbeeld namen, Bitzer.”„Wel verplicht, juffrouw. Maar daar gij zoo goed zijt om van mij te spreken, zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik heb al een weinigje opgespaard, juffrouw. Dat douceur, dat ik met Kerstmis krijg, juffrouw—ik raak er nooit aan. Zelfs mijn weekgeld verteer ik niet geheel, hoewel het niet hoog is, juffrouw. Waarom kunnen zij niet doen zooals ik gedaan heb, juffrouw? Wat de eene mensch kan doen, kan de ander ook.”Dit behoorde insgelijks onder de fictiën vanCoketown. Een kapitalist, die een halven schelling tot zestien duizend pond had doen aangroeien, veinsde zich altijd te verwonderen, waarom de zestig duizend fabriekarbeiders om hem heen dit ook niet deden, en rekende het elk van hen min of meer tot verwijt, dat ook hij dit kunststukje niet volbracht. „Wat ik gedaan heb, kunt gij ook doen. Waarom gaat gij dan niet heen en doet het?”„Wat hunne behoefte aan uitspanning betreft, juffrouw,” hervatte Bitzer, „dat is maar onzin en gekheid. Ik heb geene behoefte aan uitspanningen; die heb ik nooit gehad, en zal ze nooit hebben; ik houd er niet eens van. En wat hunne vereenigingen aangaat, ik twijfel niet, of er zijn velen van hen, die door op elkanderte letten en aan te geven, nu en dan eene kleinigheid, hetzij in geld of gunst, konden verdienen en zoo hun bestaan verbeteren. Waarom verbeteren zij het dan niet, juffrouw? Dat is de eerste zorg van een redelijk schepsel, en dat is het juist wat zij voorgeven te wenschen.”„Ja, wèl voorgeven,” zeide mevrouw Sparsit.„Onophoudelijk, juffrouw, zoodat wij er waarlijk een walging van krijgen, hooren wij hen van hunne vrouwen en kinderen spreken,” zeide Bitzer. „Zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik verlang niet naar vrouw en kinderen. En waarom doen zij het dan?”WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).„Omdat zij onoverleggend zijn,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Ja, juffrouw,” hervatte Bitzer, „daar zit het juist. Als zij meer overleg hadden en minder koppig waren, juffrouw, wat zouden zij dan doen? Zij zouden zeggen: terwijl mijn hoed—of terwijl mijne pet, al naar het uitkomt, juffrouw—mijn geheele huisgezin bedekt, heb ik er maar één den kost te geven, en dat is de persoon, dien ik het liefst den kost geef.”„Juist,” zeide mevrouw Sparsit en hapte in een gebakje.„Ik ben u wel verplicht, juffrouw,” zeide Bitzer, wederom zijne kneukels tegen zijn voorhoofd duwende, tot dank voor de gunst van mevrouw Sparsit’s leerzaam onderhoud. „Moet ge ook nog wat heet water hebben, juffrouw, of is er iets anders dat ik voor u kan halen?”„Op het oogenblik niet, Bitzer.”„Wel verplicht, juffrouw. Ik zou u niet gaarne onder den maaltijd willen storen, juffrouw, vooral niet onder de thee, waarop ik weet dat gij bijzonder gesteld zijt,” zeide Bitzer, zijn hals uitrekkende om van de plek waar hij stond op straat te zien; „maar ik zie daar een heer, die al eene poos voor het huis naar boven heeft staan kijken, en nu is hij de straat overgestoken alsof hij wilde aankloppen. Dat is hij zeker, die daar klopt, juffrouw.”Hij stapte naar het venster, stak zijn hoofd daarbuiten, en nadat hij het weder had binnengehaald bevestigde hij zijne gissing met een: „Ja, juffrouw. Zoudt ge willen, dat die heer werd binnengelaten, juffrouw?”„Ik weet niet wie het zijn kan,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar mond afvegende en hare mofjes gladstrijkende.„Het is duidelijk een vreemdeling, juffrouw.”„Wat een vreemdeling op dezen tijd van den avond aan het kantoor kan noodig hebben, of het moet om zaken zijn, waarvoor het toch telaat is, begrijp ik niet,” zeide mevrouw Sparsit: „maar ik bekleed hier een post van vertrouwen, en ik zal mij nooit daaraan onttrekken. Als het een gedeelte van den plicht is, dien ik op mij heb genomen, om hem te spreken, dan zal ik met hem spreken. Doe gelijk gij zelf het best oordeelt, Bitzer.”Hier herhaalde de vreemdeling, die de grootmoedige woorden van mevrouw Sparsit niet hooren kon, zijn kloppen met zooveel kracht, dat Bitzer naar beneden snelde om de deur te openen; terwijl mevrouw Sparsit de voorzorg nam van haar tafeltje met al wat er op stond in eene kast te bergen, en zich toen naar boven haastte, om, zoo het noodig was, met des te grooter deftigheid voor den dag te komen.„Met uw verlof, juffrouw, mijnheer zou u willen spreken,” zeide Bitzer, met zijn oog voor het sleutelgat van mevrouw Sparsit’s kamerdeur. Mevrouw Sparsit, die van deze tusschentijd gebruik gemaakt had om hare muts terecht te zetten, ging nu met klassieke gelaatstrekken weder de keldertrap af, en trad de bestuurskamer binnen in de houding eener Romeinsche matrone, die zich buiten de poort begeeft om met een aanrukkenden vijand te onderhandelen.Daar de vreemdeling naar het venster was gekuierd en nu onverschillig naar buiten keek, maakte deze statige intrede zeer weinig indruk op hem. Hij stond zoo koelbloedig als men zich maar verbeelden kan bij zich zelven te fluiten, met zijn hoed nog op het hoofd en zeker uitzicht van afmatting en lusteloosheid, gedeeltelijk een gevolg van de buitengewone warmte, gedeeltelijk van zijn buitengewoon fatsoen; want met een half oog kon men al zien dat hij een echtegentlemanwas, volkomen naar het laatste patroon gemaakt, wien alles verveelde en die aan even weinig geloofde als Lucifer zelf.„Ik hoor, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „dat ge mij verlangt te spreken.”„O, neem mij niet kwalijk,” zeide hij, zich omkeerende en zijn hoed afnemende, „ik verzoek wel verschooning.”„Hm!” dacht mevrouw Sparsit, terwijl zij eene statige buiging maakte. „Vijf en dertig, goed uitzicht, goed postuur, goede tanden, goede stem, welgemanierd, welgekleed, donker haar, levendige oogen.” Dit alles merkte mevrouw Sparsit met hare vrouwelijke schranderheid op—gelijk de sultan die zijn hoofd in den emmer met water stak—in het oogenblikje terwijl zij dook en zich weder oprichtte.„Wees zoo goed om plaats te nemen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit.„Wel verplicht. Laat mij maar zoo staan.” Hij zette een stoel voor haar, maar bleef zelf achteloos tegen de tafel staan leunen. „Ik heb mijn knecht aan het station gelaten om voor de bagage te zorgen—een bijzonder zware trein en een aantal koffers in den goederenwagen—en ben maar voortgewandeld om eens rond te kijken. Eene zonderlinge plaats, deze stad. Mag ik wel vragen of het hieraltijdzoo zwart is?”„Doorgaans veel zwarter,” antwoordde mevrouw Sparsit op hare niets vergoelijkende manier.„Is het mogelijk! Excuseer mij—gij zijt hier niet geboren zou ik denken?”„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Het is mijn geluk of mijn ongeluk geweest—ik weet niet hoe ik het noemen zal—om, eer ik weduwe werd, mij in een geheel anderen kring te bewegen. Mijn man was een Powler.”„Neem mij niet kwalijk,” zeide de vreemdeling; „was een...”„Een Powler,” herhaalde mevrouw Sparsit.„Van de familie Powler?” zeide de vreemdeling, nadat hij een oogenblik had nagedacht. Mevrouw Sparsit gaf door een knikje hare toestemming te kennen, en de vreemdeling scheen een weinigje meer afgemat dan te voren.„Gij moet u hier zeer vervelen!” was de gevolgtrekking, die hij uit het ontvangen bericht opmaakte.„Ik ben de nederige dienares der omstandigheden, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „en ik heb mij zelve sedert lang onderschikt aan de macht, die mijn leven bestuurt.”„Zeer philosophisch,” hernam de vreemdeling, „en zeer loffelijk en voorbeeldig en...” Het scheen hem niet de moeite waardig dit gezegde ten einde te brengen, en dus speelde hij verstrooid met zijn horlogeketting.„Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „waaraan ik de eer te danken heb van...”„Wel zeker,” antwoordde de vreemdeling. „Zeer verplicht dat gij er mij aan herinnert. Ik heb een brief van introductie aan mijnheer Bounderby, den bankier, bij mij. Onder het wandelen door deze buitengemeen zwarte stad, terwijl men in mijn hotel het diner gereedmaakte, vroeg ik iemand wien ik ontmoette—een van de werklieden, die een stortbad van iets slibberigs scheen genomen te hebben, dat waarschijnlijk onder de materialen zal behooren...”Mevrouw Sparsit boog haar hoofd.„Waar mijnheer Bounderby, de bankier, woonde, en hij, waarschijnlijk niet beter wetende, wees mij naar het kantoor. Ik vermeen evenwel, dat mijnheer Bounderby niet woonachtig is in het gebouw, waar ik de eer heb deze opheldering aan te bieden.”„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat doet hij ook niet.”„Wel verplicht. Ik had juist geen oogmerk om nu mijn brief te overhandigen, maar omden tijd te korten, kuierde ik toch maar eens naar het kantoor, en toen ik het geluk had van u voor dat venster te zien,” en met eene lichte buiging wuifde hij even met de hand naar het venster, „eene dame van zulk een deftig en innemend voorkomen, begreep ik niet beter te kunnen doen dan de vrijheid te nemen van die dame te vragen, waar mijnheer Bounderby, de bankier, eigenlijk woont. En dit waag ik dus thans, met alle gepaste verontschuldigingen, te doen.”De achteloosheid en onverschilligheid zijner manieren werden, naar het gevoelen van mevrouw Sparsit, genoegzaam vergoed door zekere ongedwongene galanterie, waarmede hij haar tegelijk zijne hulde bewees. Daar stond hij bij voorbeeld tegen de tafel te leunen, zoodat hij er bijna op zat, maar tegelijk boog hij zich zachtjes aan naar haar over, alsof hij eene aantrekkingskracht in haar erkende, die haar op hare manier bekoorlijk maakte.„Een bankierskantoor, dat weet ik, is altijd wantrouwig; officieelmoethet dat ook zijn,” vervolgde de vreemdeling, met eene losheid en vlugheid van spraak, die insgelijks innemend waren, en zijne woorden een klank gaven, alsof er iets veel meer verstandigs of geestigs in school dan inderdaad het geval was—hetgeen misschien eene schrandere vinding was van den stichter dezer talrijke secte, wie die groote man dan ook mag zijn geweest—„en daarom mag ik wel aanmerken, dat mijn brief—hier is hij—van het Parlementslid voor deze stad komt—Gradgrind,—wien ik inLondenhet genoegen heb van te kennen.”Mevrouw Sparsit herkende de hand, zeide dat zulk eene bevestiging geheel onnoodig was, en gaf daarop het adres van mijnheer Bounderby met alle vereischte terechtwijzingen.„Duizendmaal dank,” zeide de vreemdeling. „Natuurlijk zult gij den bankier zeer wel kennen?”„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „In mijne afhankelijke betrekking tot hem heb ik hem tien jaren lang gekend.”„Eene gansche eeuwigheid! Ik meen, dat hij met Gradgrind’s dochter getrouwd is?”„Ja, mijnheer, zeide mevrouw Sparsit, eensklaps hare tanden samenklemmende. „Hij heeft—die eer.”„Die dame is eene groote philosofe, heeft men mij gezegd?”„Inderdaad, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Zou zij dat?”„Excuseer mijne onbescheidene nieuwsgierigheid,” hervatte de vreemdeling, op een verzoenenden toon, die mevrouw Sparsit’s wenkbrauwen deed ophelderen, „maar gij kent de familie en gij kent de wereld. Is die dame wezenlijk zoo geducht? Haar vader geeft haar den naam van zoo vervaarlijk verstandig, dat ik brand van verlangen om het rechte te weten. Is zij volkomen ongenaakbaar? Zoo knap, dat men er van versteld staat en voor terugschrikt? Ik zie wel, aan uw geheimzinniglachje, dat gij zoo niet denkt. Gij hebt balsem in mijne angstige ziel gegoten. En nu hare jaren. Veertig? Vijf en dertig?”Mevrouw Sparsit begon hardop te lachen.„Nog half een kind,” zeide zij. „Nog geen twintig toen zij trouwde.”„Ik verzeker u op mijne eer, mevrouw Powler,” zeide de vreemdeling, zich van de tafel losrukkende, waaraan hij eerst scheen vastgeplakt, „dat ik nooit in mijn leven zoo verbaasd ben geweest.”Het scheen waarlijk een geweldigen indruk op hem te maken. Hij zag haar, die hem dit bericht had gegeven, ruim eene halve minuut lang aan, en scheen al dien tijd die verrassing voor zijn geest te hebben.„Ik verzeker u, mevrouw Powler,” zeide hij toen zeer afgemat, „dat de gezegden van haar vader mij eene gerimpelde, steenharde rijpheid hadden doen verwachten. Ik ben u zeer verplicht, dat gij zulk eene ongerijmde vergissing hebt terecht gebracht. Ik bid u, verschoon mijne indringendheid. Duizendmaal dank. Goedenavond.”Hij ging buigende heen; en mevrouw Sparsit, achter het venstergordijn verborgen, zag hem langzaam de straat aan den schaduwkant afkuieren, door alle voorbijgangers opgemerkt.„Wat denkt gij van dien heer, Bitzer?” zeide zij, toen de kantoorlooper kwam om het theegoed weg te halen.„Hij moet veel geld aan zijne kleeren besteden, juffrouw.”„Dat moet erkend worden,” zeide mevrouw Sparsit, „maar hij is ook keurig gekleed.”„Ja, juffrouw, als dat het geld waard is.”„Buitendien, juffrouw,” hervatte Bitzer, terwijl hij de tafel wat opwreef; „hij ziet er mij uit alsof hij speelde.”„Hazardspelen is onzedelijk,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Het is belachelijk, juffrouw,” antwoordde Bitzer, „want de kansen zijn altijd ten nadeele der spelers.”Hetzij de warmte mevrouw Sparsit hinderde, of wat er anders de reden van was, zij werkte dien avond niet. Zij zat nog voor het venster toen de zon achter den rook begon weg te zinken; zij zat nog voor het venster toen de rook gloeiend rood werd, toen hij zijne kleur weder verloor, en toen de duisternis langzaam uit den grond scheen op te rijzen en al hooger en hooger op te kruipen naar de daken der huizen, naar de kerktorens, naar de toppen der fabriekschoorsteenen en zoo tot aan de lucht. Zonder licht te laten brengen, bleef mevrouw Sparsit voor het venster zitten, met de handen in denschoot, en zonder veel op de geluiden van den avond te letten: het schreeuwen van jongens, het blaffen van honden, het rammelen van wagens, de voetstappen en stemmen van voorbijgangers, het schelle geroep van kooplieden op straat, het kletteren van houten overschoenen, toen het tijd werd dat deze voorbijkwamen, en eindelijk het opzetten der luiken voor de winkelvensters. Niet voordat de kantoorlooper haar kwam waarschuwen, dat haar eenvoudig avondmaal gereed stond, wekte mevrouw Sparsit zich zelve uit haar gepeins, en bracht zij hare zwarte wenkbrauwen—zoo gerimpeld alsof er een strijkijzer noodig zou zijn om ze weder glad te krijgen—naar boven.„O hoe zot!” zeide mevrouw Sparsit toen zij alleen aan haarsoupertjezat. Wat zij eigenlijk meende zeide zij niet; zij kan toch bezwaarlijk hare bestellen gemeend hebben.

Een zonnige zomerdag. Zoo iets had men somtijds zelfs teCoketown.

Bij zulk weder, op een afstand gezien, lagCoketownin een eigenaardigen damp verscholen, die voor de zonnestralen ondoordringbaar scheen. Men wist alleen dat de stad daar lag, omdat men wist dat er zonder stad niet zulk een vuile vlek op het vergezicht had kunnen zijn—een veeg van roet en rook, die ongeregeld nu naar den eenen, dan naar den anderen kant afdreef, nu eerzuchtig naar het hemelgewelf opsteeg, dan groezelig langs de aarde kroop, naarmate de wind aanwakkerde of verflauwde, of naar eene andere streek omliep; eene dichte, vormlooze dwarrelwolk, met flikkerende lichtstralen er dwars doorheen, die echter niets dan massa’s van duisternis zichtbaar maakten.—Zóó deedCoketownzich op een afstand herkennen, al was er nog geen steen van te zien.

Het verwonderlijkste was, dat de stad nog bestond. Zij was reeds zoo dikwijls geruïneerd, dat men zich moest verbazen, hoe zij zoovele schokken had doorgestaan. Zeker was er nooit brozer porselein dan dat, waarvan de fabrikanten vanCoketowngemaakt waren. Men behoefde hen maar even aan te tasten, en zij vielen zoo gemakkelijk in stukken, dat men wel vermoeden kon dat zij vroeger al gekraakt waren. Zij werden geruïneerd, als men van hen vorderde dat zij de arbeidende kinderen naar school zouden zenden; zij werden geruïneerd als er inspecteurs werden aangesteld om toezicht in hunne fabrieken te houden; zij werden geruïneerd, wanneer zulke inspecteurs het voor twijfelachtig hielden of de eigenaars wel recht hadden om menschen tusschen hunne machinerie te laten klein-malen; zij werden geheel in den grond geboord, als men er een wenk van gaf, dat zij misschien niet altijd zooveel rook behoefden te maken. Behalve mijnheer Bounderby’s gouden lepel, waaraan men inCoketownalgemeen geloofde, was nog eene andere fictie daar zeer in zwang. Deze had den vorm van een dreigement. Wanneer een Coketowner fabrikant begreep, dat hij mishandeld werd—dat is te zeggen, wanneer men hem niet geheel en al zijn eigen weg liet gaan en er over sprak om hem voor de gevolgen van sommige zijner bedrijven verantwoordelijk te stellen—kwam hij steeds met het geduchte dreigement voor den dag, dat hij „veel liever al zijn eigendom in de zee wilde smijten.” Dit had den minister vanbinnenlandschezaken bij verschillende gelegenheden een doodschrik op het lijf gejaagd.

Evenwel waren de Coketowners toch zoo vaderlandslievend, dat zij nog nooit hun eigendom in de zee hadden gesmeten, maar integendeel vriendelijk genoeg waren geweest om er zeer goed op te passen. Zoo lag daar nog de stad in gindschen damp; en zij werd al grooter en grooter.

De straten waren op dien zomerdag heet en stofferig, en de zon was zoo helder, dat zij zelfs door den dikken nevel, die overCoketownhing, heen scheen en men haar nietstrak kon aanzien. De stokers kwamen uit lage deuren onder den grond de fabriekwerven op, en zaten op trappen, palen en staketsels hunne zwarte gezichten af te vegen en naar de hoopen steenkool te turen. De geheele stad scheen in olie te braden. Overal heerschte een verstikkende reuk van heete olie. De stoommachines blonken er van, de kleederen der arbeiders waren er mede besmeerd, en door al de talrijke verdiepingen der fabriekgebouwen sijpelde en druppelde zij heen. De dampkring dier Tooverpaleizen geleek naar den adem van denSimoum; en hunne bewoners, smeltende van hitte, sloofden in de woestijn kwijnend voort. Doch geen warmtegraad maakte de zwaarmoedige olifanten razender of stiller. Hunne vervelende koppen gingen, in warm en koud, in nat en droog, in fraai en slecht weder, op dezelfde maat op en neer. De afgemetene beweging hunner schaduwen op de muren was het surrogaat, datCoketownvoor de schaduw van ritselende boschjes kon vertoonen; terwijl het voor het zomergegons der insecten, het geheele jaar door, van den dageraad van maandag tot den avond van zaterdag, het snorren van spillen en raderen kon aanbieden.

Droomerig snorden zij dien geheelen dag door, en maakten den voorbijganger nog warmer en slaperiger als hij de brommende muren der fabrieken genaakte. Zonneblinden en watersprenkelen verkoelden de voornaamste straten en winkels een weinig; maar de fabrieken, de steegjes en hofjes werden tot eene gloeihitte geblakerd. Op de rivier, zwart en dik van opgeloste stoffen, waren eenige jonge knapen aan het pleizier hebben—een zeldzaam gezicht aldaar—en roeiden eene wrakke boot voort, die een schuimachtig spoor op het water naliet, terwijl elke indompeling van een roeiriem een vuilen stank deed oprijzen. De zon zelve, hoe weldadig ook in het algemeen, was minder vriendelijk voorCoketowndan eene harde vorst, en tuurde zelden met aandacht in de dichtst bevolkte wijken, zonder meer dood dan leven voort te brengen. Zoo wordt het oog des Hemels zelfs een boos oog, wanneer er onbekwame of onreine handen worden gehouden tusschen dat oog en datgene, wat het met zijn blik wil zegenen.

Mevrouw Sparsit zat in hare namiddagkamer in het kantoor, aan de schaduwzijde der bradende straat. De kantooruren waren voorbij, en op dien tijd van den dag vereerde zij meestal de bestuurskamer, boven het eigenlijke kantoor, met hare hoogst fatsoenlijke tegenwoordigheid. Hare eigene zitkamer was eene verdieping hooger en daar was zij elken morgen op haar observatiepost voor het venster, gereed om mijnheer Bounderby, als hij de straat overstapte, met het medelijdende knikje, dat een ongelukkig slachtoffer toekwam, te begroeten. Hij was nu een jaar getrouwd, en mevrouw Sparsit had hem nooit een oogenblik van haar vastberaden medelijden ontslagen.

Het bankierskantoor van Bounderby en Comp. deed de heilzame eentonigheid der stad geen geweld aan. Het was insgelijks een van roode baksteenen gemetseld huis, met zwarte luiken van buiten, groene rolgordijnen van binnen, eene zwarte straatdeur met eene witte stoep van twee treden, een koperen naamplaatje en een koperen deurknop als een sluitteeken. Het was een soort grooter dan het woonhuis van mijnheer Bounderby, gelijk andere huizen van een tot zes soorten kleiner waren; in alle andere opzichten was het strikt volgens het patroon.

Mevrouw Sparsit was er zich van bewust dat zij, door in den avond tusschen de lessenaars en het schrijfgereedschap te komen zitten, het kantoor eene vrouwelijke, om niet te zeggen aristocratische, elegantie mededeelde. Met haar naai—of knoopwerk bij het venster gezeten, streelde haar het gevoel, dat zij door hare damesachtige houding het onbehaaglijk kantoorachtige voorkomen van het vertrek veel verbeterde. Met deze bewustheid van haar veredelenden invloed, hield zij zich zelve eenigermate voor de Fee van het kantoor. De lieden uit de stad, die haar in het voorbijgaan zagen zitten, beschouwden haar als den draak van het kantoor, die de wacht hield over de schatten der mijn.

Waarin die schatten bestonden, wist mevrouw Sparsit evenmin als deze voorbijgangers. Gouden en zilveren munt, kostbare papieren, geheimen die, als zij ontdekt werden, zekere onbestemde personen (maar zij dacht meestal aan menschen die haar mishaagden) met een onbestemd ongeluk zouden overstelpen, waren de voornaamste artikelen op hare denkbeeldige lijst daarvan. Voor het overige wist zij, dat zij na den kantoortijd de opperheerschappij over alle kantoormeubelen voerde, en ook over de geslotene ijzeren kamer met drie sloten, tegen welker deur de kantoorlooper elken avond zijn hoofd neerlegde op een kermisbed, dat met het hanengekraai weder verdween. Verder was zij opperheerscheres over zekere gewelven in de kelderverdieping, die door een hekwerk met scherpe pennen van alle gemeenschap met de diefachtige wereld waren afgescheiden; en over de overblijfselen van het loopende kantoorwerk, bestaande uit inktspatten, afgesletene pennen, gebrokene ouwels en stukjes papier, zoo klein gescheurd dat zij er, als zij dit beproefde, niets van eenig aanbelang op kon ontcijferen. Eindelijk was zij voogdesse over een klein arsenaal van sabels en karabijnen, dreigend boven een der schoorsteenmantels opgehangen, en over die door de overlevering eerwaardige voorwerpen, welke de verbeelding nimmer van eenrijk bankierskantoor kan afscheiden—eene rij brandemmers, dingen, die bij geene gelegenheid van eenig nut kunnen zijn, maar die men waarneemt dat op de meeste beschouwers een krachtigen moreelen invloed uitoefenen, bijna gelijk staande met dien van het gemunt metaal.

Eene doove schoonmaakster en de kantoorlooper voltooiden het gebied van mevrouw Sparsit. Van de doove schoonmaakster zeide het gerucht dat zij rijk was; en jarenlang had onder de lagere klasse teCoketownde voorspelling rondgeloopen, dat zij eens op een avond, als het kantoor gesloten was, om haar geld zou vermoord worden. Men hield het er zelfs algemeen voor, dat haar tijd reeds om was en zij al voorlang had moeten ontsnappen; maar zij behield haar leven en haar post met eene koppigheid, die veel ergernis en teleurstelling veroorzaakte.

Het theegoed van mevrouw Sparsit was juist voor haar gereed gezet op een nuffig tafeltje, met zijne drie pootjes in een zeer geaffecteerde houding,dat zij na den kantoortijd in het gezelschap der stugge, lange, met leer bekleede bestuurstafel inschoof, die het midden van het vertrek besloeg. De kantoorlooper plaatste het theeblad daarop, en drukte als bewijs van hulde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.

„Dankje, Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit.

„Ik bedanku, juffrouw,” antwoordde de kantoorlooper, die er nog even flauw en kleurloos uitzag als toen hij voor het meisje Nommer Twintig eene definitie van een paard gaf.

„Alles gesloten, Bitzer?” zeide mevrouw Sparsit.

„Alles gesloten, juffrouw.”

„En wat nieuws is er vandaag?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij een kop thee voor zich inschonk. „Is er iets?”

„Wel, juffrouw, ik kan niet zeggen dat ik iets bijzonders gehoord heb. Ons volkje is een slechte troep, juffrouw; maar dat is ongelukkig geen nieuws.”

„Wat zijn die onrustige kerels nu weer doende?” vroeg mevrouw Sparsit.

„Zij gaan hun gang maar op de oude manier, juffrouw, maken vereenigingen en verbonden en beloven elkander bij te staan.”

„Het is zeer te beklagen,” zeide mevrouw Sparsit, met eene strengheid, die haar arendsneus nog krommer en hare wenkbrauwen nog zwaarder deed worden, „dat de gezamenlijke meesters zulke vereenigingen van die klasse toelaten.”

„Ja, juffrouw,” zeide Bitzer.

„Daar zij zelven vereenigd zijn, moesten zij beletten dat er iemand als werkman aangenomen werd, die zich met iemand anders vereenigde,” zeide mevrouw Sparsit.

„Dat hebben zij ook gedaan, juffrouw,” antwoordde Bitzer; „maar het lukte niet heel goed.”

„Ik wil niet beweren, dat ik verstand van die zaken heb,” zeide mevrouw Sparsit met deftigheid, „daar het lot mij door mijne geboorte in een geheel andere sfeer had geplaatst, en mijnheer Sparsit, als een Powler, insgelijks buiten den kring van zulke geschillen was. Ik weet alleen, dat die lieden tot rede gebracht moeten worden, en dat het hoog tijd is dat dit voor eens en voor altijd gedaan wordt.”

„Ja, juffrouw,” antwoordde Bitzer, met een vertoon van grooten eerbied voor het gezag der orakelspreuken van mevrouw Sparsit. „Gij zoudt het iemand niet duidelijker kunnen doen begrijpen, juffrouw.”

Daar dit het gewone uur voor hem was, om een vertrouwelijk praatje met mevrouw Sparsit te hebben, en hij reeds aan hare oogen had gezien dat zij hem iets wilde vragen, hield hij zich eene poos bezig met linialen, inktkokers en zoo al meer in orde te schikken, terwijl de dame haar kop thee uitdronk en door het opene venster naar de straat keek.

„Is het een drukke dag geweest, Bitzer?” vroeg mevrouw Sparsit.

„Geen heel drukke dag, mevrouw. Zoo wat een gewone dag.” Nu en dan liet hij zich het woord „mevrouw” in plaats van „juffrouw” ontglippen, als eene onwillekeurige erkentenis van het deftige voorkomen der dame en haar recht op eene eerbiedige bejegening.

„De klerken,” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij zorgvuldig een onmerkbaar broodkruimpje van haar linkermofje veegde, „zijn natuurlijk trouw en ijverig?”

„Ja, juffrouw, dat schikt nogal. Met de gewone uitzondering.”

Hij bekleedde den vereerenden post van spion en aangever-generaal op het kantoor, voor welken vrijwilligen dienst hij met Kerstmis een douceur ontving, boven en behalve zijn wekelijksch loon. Hij was een buitengemeen schrander, berekenend en voorzichtig jonkman geworden, die onfeilbaar in de wereld zou vooruitkomen. Zijne opvoeding had zijn gemoed zoodanig onder bedwang gebracht, dat hij nu geene neigingen of hartstochten meer had. Al zijne bedrijven waren uitkomsten van de fijnste en koelste berekening; en het was niet zonder reden, dat mevrouw Sparsit gewoon was van hem te zeggen, dat zij nooit een jongmensch met vaster beginselen had gekend. Toen hij zich, na den dood van zijn vader, had verzekerd, dat zijne moeder teCoketownrecht tot onderstand had, had deze uitmuntende jeugdige beoefenaar der staathuishoudkunde dat recht zoo krachtig voor haar doen gelden, dat zij sedert in een werkhuis was opgesloten.Het is echter niet te ontkennen, dat hij haar een half pond thee in het jaar toestond, hetgeen eene zwakheid van hem was; vooreerst omdat alle giften de onvermijdelijke strekkinghebben om den ontvanger tot een bedelaar te maken, en ten tweede omdat het eenige, wat hij redelijkerwijze met die waar had kunnen doen, zou geweest zijn, ze voor zoo weinig mogelijk te koopen en voor zooveel als hij maar met mogelijkheid krijgen kon te verkoopen, daar het thans door zekere schrijvers duidelijk is bewezen, dat hierin de geheele plicht des menschen begrepen is—niet een gedeelte van des menschen plicht, maar het geheel.

„Dat schikt nogal, juffrouw; met de gewone uitzondering,” herhaalde Bitzer.

„Ah ah!” zeide mevrouw Sparsit, schudde haar hoofd boven haar theekopje en nam toen een langen slok.

„Mijnheer Thomas, juffrouw. Ik twijfel zeer aan mijnheer Thomas. Zijne manieren bevallen mij gansch niet.”

„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit op een zeer nadrukkelijken toon, „weet gij niet wat ik u eens gezegd heb over het noemen van namen?”

„Ik verzoek u verschooning, juffrouw. Het is waar dat gij mij gewaarschuwd hebt tegen het noemen van namen, en dat het ook het best is dit te vermijden.”

„Wees zoo goed om te bedenken, dat ik hier een post van vertrouwen bekleed,” zeide mevrouw Sparsit zeer statelijk. „Ik heb hier een post van vertrouwen, Bitzer, onder mijnheer Bounderby. Hoe onwaarschijnlijk mijnheer Bounderby en ik zelf het zou gevonden hebben, dat hij mijn patroon zou worden, kan ik hem, die mij een jaarlijksch compliment maakt, niet anders dan in dat licht beschouwen. Ik heb van mijnheer Bounderby alle erkentenis van mijn maatschappelijken rang en mijne afkomst genoten, die ik met mogelijkheid kon verwachten—meer, veel meer zelfs. En daarom wil ik mijn patroon met nauwgezette stiptheid getrouw zijn. En ik houd het er niet voor, ik wil het er niet voor houden,” zeide mevrouw Sparsit, die een zeer grooten voorraad van eer en zedelijkheid in magazijn had, „dat ik hem met nauwgezette stiptheid getrouw zou zijn, indien ik toeliet dat er onder dit dak namen genoemd worden, die ongelukkig—zeer ongelukkig—daaraan is niet te twijfelen—met den zijnen in betrekking staan.”

Bitzer drukte zijne kneukels nog eens tegen zijn voorhoofd en verzocht nog eens verschooning.

„Neen, Bitzer,” vervolgde mevrouw Sparsit, „zeg: „een persoon,” en ik zal u aanhooren; maar als gij „mijnheer Thomas” zegt, moet gij mij verontschuldigen.”

„Met de gewone uitzondering, juffrouw,” zeide Bitzer, den aangewezen uitweg inslaande, „van een persoon.”

„Ah-h!” mevrouw Sparsit herhaalde dien uitroep, en tevens haar hoofdschudden over haar kopje en den langen slok, alsof zij het gesprek weder opnam op het punt waar het gestoord was geworden.

„Één persoon, juffrouw,” zeide Bitzer, „is nooit geweest wat hij had moeten zijn, zoolang hij hier is. Hij is een losbandige knaap, een verkwister en een luiaard. Hij is zijn zout niet waard, juffrouw; en hij zou dat ook niet krijgen, als hij geene vriendin uit zijne familie aan het hof had, juffrouw.”

„Ah-h!” zeide mevrouw Sparsit, nogmaals treurig haar hoofd schuddende.

„Ik hoop maar, juffrouw,” vervolgde Bitzer, „dat die vriendin hem de middelen niet zal verschaffen om zoo voort te gaan. Anders, juffrouw, weten wij wel uit wiens zak dat geld komt.”

„Ah-h!” zuchtte mevrouw Sparsit alweder en schudde nogmaals treurig het hoofd.

„Hij is te beklagen, juffrouw. De laatste persoon, dien ik meende, is te beklagen, juffrouw,” zeide Bitzer.

„Ja, Bitzer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik heb altijd zijne verblinding beklaagd—altijd.”

„Wat den eersten persoon betreft, juffrouw,” zeide Bitzer, terwijl hij zijne stem liet dalen en naderbij kwam, „hij heeft zoo weinig overleg als iemand van de lieden hier in de stad. En gij weet wel hoe weinig overleg zij hebben. Niemand zou kunnen wenschen dat beter te weten, dan eene dame van uwe afkomst het weet.”

„Zij zouden wèl doen,” antwoordde mevrouw Sparsit, „als zij aan u een voorbeeld namen, Bitzer.”

„Wel verplicht, juffrouw. Maar daar gij zoo goed zijt om van mij te spreken, zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik heb al een weinigje opgespaard, juffrouw. Dat douceur, dat ik met Kerstmis krijg, juffrouw—ik raak er nooit aan. Zelfs mijn weekgeld verteer ik niet geheel, hoewel het niet hoog is, juffrouw. Waarom kunnen zij niet doen zooals ik gedaan heb, juffrouw? Wat de eene mensch kan doen, kan de ander ook.”

Dit behoorde insgelijks onder de fictiën vanCoketown. Een kapitalist, die een halven schelling tot zestien duizend pond had doen aangroeien, veinsde zich altijd te verwonderen, waarom de zestig duizend fabriekarbeiders om hem heen dit ook niet deden, en rekende het elk van hen min of meer tot verwijt, dat ook hij dit kunststukje niet volbracht. „Wat ik gedaan heb, kunt gij ook doen. Waarom gaat gij dan niet heen en doet het?”

„Wat hunne behoefte aan uitspanning betreft, juffrouw,” hervatte Bitzer, „dat is maar onzin en gekheid. Ik heb geene behoefte aan uitspanningen; die heb ik nooit gehad, en zal ze nooit hebben; ik houd er niet eens van. En wat hunne vereenigingen aangaat, ik twijfel niet, of er zijn velen van hen, die door op elkanderte letten en aan te geven, nu en dan eene kleinigheid, hetzij in geld of gunst, konden verdienen en zoo hun bestaan verbeteren. Waarom verbeteren zij het dan niet, juffrouw? Dat is de eerste zorg van een redelijk schepsel, en dat is het juist wat zij voorgeven te wenschen.”

„Ja, wèl voorgeven,” zeide mevrouw Sparsit.

„Onophoudelijk, juffrouw, zoodat wij er waarlijk een walging van krijgen, hooren wij hen van hunne vrouwen en kinderen spreken,” zeide Bitzer. „Zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik verlang niet naar vrouw en kinderen. En waarom doen zij het dan?”

WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).

WELK EEN COMISCH SCHOONBROEDER ZIJT GIJ TOCH! (Blz. 64).

„Omdat zij onoverleggend zijn,” antwoordde mevrouw Sparsit.

„Ja, juffrouw,” hervatte Bitzer, „daar zit het juist. Als zij meer overleg hadden en minder koppig waren, juffrouw, wat zouden zij dan doen? Zij zouden zeggen: terwijl mijn hoed—of terwijl mijne pet, al naar het uitkomt, juffrouw—mijn geheele huisgezin bedekt, heb ik er maar één den kost te geven, en dat is de persoon, dien ik het liefst den kost geef.”

„Juist,” zeide mevrouw Sparsit en hapte in een gebakje.

„Ik ben u wel verplicht, juffrouw,” zeide Bitzer, wederom zijne kneukels tegen zijn voorhoofd duwende, tot dank voor de gunst van mevrouw Sparsit’s leerzaam onderhoud. „Moet ge ook nog wat heet water hebben, juffrouw, of is er iets anders dat ik voor u kan halen?”

„Op het oogenblik niet, Bitzer.”

„Wel verplicht, juffrouw. Ik zou u niet gaarne onder den maaltijd willen storen, juffrouw, vooral niet onder de thee, waarop ik weet dat gij bijzonder gesteld zijt,” zeide Bitzer, zijn hals uitrekkende om van de plek waar hij stond op straat te zien; „maar ik zie daar een heer, die al eene poos voor het huis naar boven heeft staan kijken, en nu is hij de straat overgestoken alsof hij wilde aankloppen. Dat is hij zeker, die daar klopt, juffrouw.”

Hij stapte naar het venster, stak zijn hoofd daarbuiten, en nadat hij het weder had binnengehaald bevestigde hij zijne gissing met een: „Ja, juffrouw. Zoudt ge willen, dat die heer werd binnengelaten, juffrouw?”

„Ik weet niet wie het zijn kan,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar mond afvegende en hare mofjes gladstrijkende.

„Het is duidelijk een vreemdeling, juffrouw.”

„Wat een vreemdeling op dezen tijd van den avond aan het kantoor kan noodig hebben, of het moet om zaken zijn, waarvoor het toch telaat is, begrijp ik niet,” zeide mevrouw Sparsit: „maar ik bekleed hier een post van vertrouwen, en ik zal mij nooit daaraan onttrekken. Als het een gedeelte van den plicht is, dien ik op mij heb genomen, om hem te spreken, dan zal ik met hem spreken. Doe gelijk gij zelf het best oordeelt, Bitzer.”

Hier herhaalde de vreemdeling, die de grootmoedige woorden van mevrouw Sparsit niet hooren kon, zijn kloppen met zooveel kracht, dat Bitzer naar beneden snelde om de deur te openen; terwijl mevrouw Sparsit de voorzorg nam van haar tafeltje met al wat er op stond in eene kast te bergen, en zich toen naar boven haastte, om, zoo het noodig was, met des te grooter deftigheid voor den dag te komen.

„Met uw verlof, juffrouw, mijnheer zou u willen spreken,” zeide Bitzer, met zijn oog voor het sleutelgat van mevrouw Sparsit’s kamerdeur. Mevrouw Sparsit, die van deze tusschentijd gebruik gemaakt had om hare muts terecht te zetten, ging nu met klassieke gelaatstrekken weder de keldertrap af, en trad de bestuurskamer binnen in de houding eener Romeinsche matrone, die zich buiten de poort begeeft om met een aanrukkenden vijand te onderhandelen.

Daar de vreemdeling naar het venster was gekuierd en nu onverschillig naar buiten keek, maakte deze statige intrede zeer weinig indruk op hem. Hij stond zoo koelbloedig als men zich maar verbeelden kan bij zich zelven te fluiten, met zijn hoed nog op het hoofd en zeker uitzicht van afmatting en lusteloosheid, gedeeltelijk een gevolg van de buitengewone warmte, gedeeltelijk van zijn buitengewoon fatsoen; want met een half oog kon men al zien dat hij een echtegentlemanwas, volkomen naar het laatste patroon gemaakt, wien alles verveelde en die aan even weinig geloofde als Lucifer zelf.

„Ik hoor, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „dat ge mij verlangt te spreken.”

„O, neem mij niet kwalijk,” zeide hij, zich omkeerende en zijn hoed afnemende, „ik verzoek wel verschooning.”

„Hm!” dacht mevrouw Sparsit, terwijl zij eene statige buiging maakte. „Vijf en dertig, goed uitzicht, goed postuur, goede tanden, goede stem, welgemanierd, welgekleed, donker haar, levendige oogen.” Dit alles merkte mevrouw Sparsit met hare vrouwelijke schranderheid op—gelijk de sultan die zijn hoofd in den emmer met water stak—in het oogenblikje terwijl zij dook en zich weder oprichtte.

„Wees zoo goed om plaats te nemen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit.

„Wel verplicht. Laat mij maar zoo staan.” Hij zette een stoel voor haar, maar bleef zelf achteloos tegen de tafel staan leunen. „Ik heb mijn knecht aan het station gelaten om voor de bagage te zorgen—een bijzonder zware trein en een aantal koffers in den goederenwagen—en ben maar voortgewandeld om eens rond te kijken. Eene zonderlinge plaats, deze stad. Mag ik wel vragen of het hieraltijdzoo zwart is?”

„Doorgaans veel zwarter,” antwoordde mevrouw Sparsit op hare niets vergoelijkende manier.

„Is het mogelijk! Excuseer mij—gij zijt hier niet geboren zou ik denken?”

„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit.„Het is mijn geluk of mijn ongeluk geweest—ik weet niet hoe ik het noemen zal—om, eer ik weduwe werd, mij in een geheel anderen kring te bewegen. Mijn man was een Powler.”

„Neem mij niet kwalijk,” zeide de vreemdeling; „was een...”

„Een Powler,” herhaalde mevrouw Sparsit.

„Van de familie Powler?” zeide de vreemdeling, nadat hij een oogenblik had nagedacht. Mevrouw Sparsit gaf door een knikje hare toestemming te kennen, en de vreemdeling scheen een weinigje meer afgemat dan te voren.

„Gij moet u hier zeer vervelen!” was de gevolgtrekking, die hij uit het ontvangen bericht opmaakte.

„Ik ben de nederige dienares der omstandigheden, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „en ik heb mij zelve sedert lang onderschikt aan de macht, die mijn leven bestuurt.”

„Zeer philosophisch,” hernam de vreemdeling, „en zeer loffelijk en voorbeeldig en...” Het scheen hem niet de moeite waardig dit gezegde ten einde te brengen, en dus speelde hij verstrooid met zijn horlogeketting.

„Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „waaraan ik de eer te danken heb van...”

„Wel zeker,” antwoordde de vreemdeling. „Zeer verplicht dat gij er mij aan herinnert. Ik heb een brief van introductie aan mijnheer Bounderby, den bankier, bij mij. Onder het wandelen door deze buitengemeen zwarte stad, terwijl men in mijn hotel het diner gereedmaakte, vroeg ik iemand wien ik ontmoette—een van de werklieden, die een stortbad van iets slibberigs scheen genomen te hebben, dat waarschijnlijk onder de materialen zal behooren...”

Mevrouw Sparsit boog haar hoofd.

„Waar mijnheer Bounderby, de bankier, woonde, en hij, waarschijnlijk niet beter wetende, wees mij naar het kantoor. Ik vermeen evenwel, dat mijnheer Bounderby niet woonachtig is in het gebouw, waar ik de eer heb deze opheldering aan te bieden.”

„Neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat doet hij ook niet.”

„Wel verplicht. Ik had juist geen oogmerk om nu mijn brief te overhandigen, maar omden tijd te korten, kuierde ik toch maar eens naar het kantoor, en toen ik het geluk had van u voor dat venster te zien,” en met eene lichte buiging wuifde hij even met de hand naar het venster, „eene dame van zulk een deftig en innemend voorkomen, begreep ik niet beter te kunnen doen dan de vrijheid te nemen van die dame te vragen, waar mijnheer Bounderby, de bankier, eigenlijk woont. En dit waag ik dus thans, met alle gepaste verontschuldigingen, te doen.”

De achteloosheid en onverschilligheid zijner manieren werden, naar het gevoelen van mevrouw Sparsit, genoegzaam vergoed door zekere ongedwongene galanterie, waarmede hij haar tegelijk zijne hulde bewees. Daar stond hij bij voorbeeld tegen de tafel te leunen, zoodat hij er bijna op zat, maar tegelijk boog hij zich zachtjes aan naar haar over, alsof hij eene aantrekkingskracht in haar erkende, die haar op hare manier bekoorlijk maakte.

„Een bankierskantoor, dat weet ik, is altijd wantrouwig; officieelmoethet dat ook zijn,” vervolgde de vreemdeling, met eene losheid en vlugheid van spraak, die insgelijks innemend waren, en zijne woorden een klank gaven, alsof er iets veel meer verstandigs of geestigs in school dan inderdaad het geval was—hetgeen misschien eene schrandere vinding was van den stichter dezer talrijke secte, wie die groote man dan ook mag zijn geweest—„en daarom mag ik wel aanmerken, dat mijn brief—hier is hij—van het Parlementslid voor deze stad komt—Gradgrind,—wien ik inLondenhet genoegen heb van te kennen.”

Mevrouw Sparsit herkende de hand, zeide dat zulk eene bevestiging geheel onnoodig was, en gaf daarop het adres van mijnheer Bounderby met alle vereischte terechtwijzingen.

„Duizendmaal dank,” zeide de vreemdeling. „Natuurlijk zult gij den bankier zeer wel kennen?”

„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „In mijne afhankelijke betrekking tot hem heb ik hem tien jaren lang gekend.”

„Eene gansche eeuwigheid! Ik meen, dat hij met Gradgrind’s dochter getrouwd is?”

„Ja, mijnheer, zeide mevrouw Sparsit, eensklaps hare tanden samenklemmende. „Hij heeft—die eer.”

„Die dame is eene groote philosofe, heeft men mij gezegd?”

„Inderdaad, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Zou zij dat?”

„Excuseer mijne onbescheidene nieuwsgierigheid,” hervatte de vreemdeling, op een verzoenenden toon, die mevrouw Sparsit’s wenkbrauwen deed ophelderen, „maar gij kent de familie en gij kent de wereld. Is die dame wezenlijk zoo geducht? Haar vader geeft haar den naam van zoo vervaarlijk verstandig, dat ik brand van verlangen om het rechte te weten. Is zij volkomen ongenaakbaar? Zoo knap, dat men er van versteld staat en voor terugschrikt? Ik zie wel, aan uw geheimzinniglachje, dat gij zoo niet denkt. Gij hebt balsem in mijne angstige ziel gegoten. En nu hare jaren. Veertig? Vijf en dertig?”

Mevrouw Sparsit begon hardop te lachen.

„Nog half een kind,” zeide zij. „Nog geen twintig toen zij trouwde.”

„Ik verzeker u op mijne eer, mevrouw Powler,” zeide de vreemdeling, zich van de tafel losrukkende, waaraan hij eerst scheen vastgeplakt, „dat ik nooit in mijn leven zoo verbaasd ben geweest.”

Het scheen waarlijk een geweldigen indruk op hem te maken. Hij zag haar, die hem dit bericht had gegeven, ruim eene halve minuut lang aan, en scheen al dien tijd die verrassing voor zijn geest te hebben.

„Ik verzeker u, mevrouw Powler,” zeide hij toen zeer afgemat, „dat de gezegden van haar vader mij eene gerimpelde, steenharde rijpheid hadden doen verwachten. Ik ben u zeer verplicht, dat gij zulk eene ongerijmde vergissing hebt terecht gebracht. Ik bid u, verschoon mijne indringendheid. Duizendmaal dank. Goedenavond.”

Hij ging buigende heen; en mevrouw Sparsit, achter het venstergordijn verborgen, zag hem langzaam de straat aan den schaduwkant afkuieren, door alle voorbijgangers opgemerkt.

„Wat denkt gij van dien heer, Bitzer?” zeide zij, toen de kantoorlooper kwam om het theegoed weg te halen.

„Hij moet veel geld aan zijne kleeren besteden, juffrouw.”

„Dat moet erkend worden,” zeide mevrouw Sparsit, „maar hij is ook keurig gekleed.”

„Ja, juffrouw, als dat het geld waard is.”

„Buitendien, juffrouw,” hervatte Bitzer, terwijl hij de tafel wat opwreef; „hij ziet er mij uit alsof hij speelde.”

„Hazardspelen is onzedelijk,” antwoordde mevrouw Sparsit.

„Het is belachelijk, juffrouw,” antwoordde Bitzer, „want de kansen zijn altijd ten nadeele der spelers.”

Hetzij de warmte mevrouw Sparsit hinderde, of wat er anders de reden van was, zij werkte dien avond niet. Zij zat nog voor het venster toen de zon achter den rook begon weg te zinken; zij zat nog voor het venster toen de rook gloeiend rood werd, toen hij zijne kleur weder verloor, en toen de duisternis langzaam uit den grond scheen op te rijzen en al hooger en hooger op te kruipen naar de daken der huizen, naar de kerktorens, naar de toppen der fabriekschoorsteenen en zoo tot aan de lucht. Zonder licht te laten brengen, bleef mevrouw Sparsit voor het venster zitten, met de handen in denschoot, en zonder veel op de geluiden van den avond te letten: het schreeuwen van jongens, het blaffen van honden, het rammelen van wagens, de voetstappen en stemmen van voorbijgangers, het schelle geroep van kooplieden op straat, het kletteren van houten overschoenen, toen het tijd werd dat deze voorbijkwamen, en eindelijk het opzetten der luiken voor de winkelvensters. Niet voordat de kantoorlooper haar kwam waarschuwen, dat haar eenvoudig avondmaal gereed stond, wekte mevrouw Sparsit zich zelve uit haar gepeins, en bracht zij hare zwarte wenkbrauwen—zoo gerimpeld alsof er een strijkijzer noodig zou zijn om ze weder glad te krijgen—naar boven.

„O hoe zot!” zeide mevrouw Sparsit toen zij alleen aan haarsoupertjezat. Wat zij eigenlijk meende zeide zij niet; zij kan toch bezwaarlijk hare bestellen gemeend hebben.


Back to IndexNext