XVIII.

XVIII.MIJNHEER JAMES HARTHOUSE.De partij van Gradgrind had helpers noodig om de Gratiën te vermoorden. Zij zocht overal recruten te werven; en waar kon zij gemakkelijker recruten vinden dan onder die overbeschaafdegentlemen, die, daar zij ontdekt hadden,dat alles even weinig—dat is niets—waardig is, daarom voor alles gereed waren?Bovendien hadden de edele geesten, die zich tot deze trotsche hoogte hadden verheven, iets aantrekkelijks voor velen uit de school van Gradgrind. Deze bewonderden die overbeschaafdegentlemen; zij hielden zich alsof zij het niet deden, maar het was toch zoo. Om hen na te bootsen, werden zij ook flauw en traag; zij kauwden hunne woorden evenals zij, en dischten met hetzelfde voorkomen van lustelooze onverschilligheid de beschimmelde portietjes staathuishoudkunde op, waarop zij hunne leerlingen onthaalden. Nooit voorheen had men op de wereld zulk een wonderlijk tweeslachtig ras gezien, als aldus werd voortgebracht.Onder de overbeschaafdegentlemen, die niet geheel tot de school van Gradgrind behoorden, was er een van goede familie en nog beter voorkomen, met een gelukkig talent voor het luimige, waarmede hij eens een ontzaglijken indruk op het Huis der Gemeenten had gemaakt, bij gelegenheid dat hij dit onthaalde op het verslag van een ongeluk op een spoorweg, uit zijn oogpunt en dat van den Raad van Toezicht beschouwd, waarbij de zorgvuldigste beambten, die men ooit gekend had, aangesteld door de onbekrompenste directie, waarvan men ooit had gehoord, geholpen door de fraaiste mechanische toestellen, die hem ooit had uitgevonden, alles gebezigd op de beste baan, die ooit was aangelegd, vijf menschen om hals geholpen en twee en dertig gekwetst hadden, door eene toevalligheid zonder welke het uitmuntende van het geheele stelsel eigenlijk incompleet zou zijn geweest. Onder de verslagenen was eene koe en onder de gevondene en ongeëigende voorwerpen eene weduwe-rouwmuts; en de achtingswaardige volksvertegenwoordiger had, door deze muts aan de koe op te zetten, den lachlust van het Huis (dat een fijn gevoel voor het luimige heeft) zoodanig geprikkeld, dat het niet meer ernstig van de lijkschouwing kon hooren spreken, en onder gelach en gejuich de spoorwegdirectie van alle verantwoording vrijsprak.Nu had deze heer een broeder van nog beter voorkomen dan hij, die eerst een proefje van het leven had genomen als kornet bij de dragonders, en het vervelend had gevonden, toen nog een proefje er van in het gevolg van een Engelsch minister buitenslands, en het weder vervelend had gevonden; toen naarJeruzalemwas gereisd en zich daar verveeld had; en toen met een jacht door de wereld had omgedwaald en zich overal had verveeld. Tegen dezen heer zeide het bovengemelde achtingswaardige en luimige Parlements-lid eens op een broederlijken toon: „Jem, er is goede kans onder de mannen van feiten en cijfers. Zij hebben nog helpers noodig. Waarom zoudt gij u niet door de statistiek in het Parlement laten brengen?” Jem, eenigszins ingenomen met het nieuwe van dit denkbeeld en zeer verlegen om eene verandering, was evenzeer gereed voor de statistiek als voor iets anders. Hij keek dus een paar boeken door, en zijn broeder bazuinde het uit onder de mannen van feiten en cijfers, en zeide: „Als gij voor de eene of andere plaats een jongen in het Parlement wilt brengen, die er knap uitziet en eene drommels mooie redevoering kan houden, neem dan mijn broeder Jem, want hij is uw man.” Na eenige proefnemingen in openbare vergaderingen, werd Jem door mijnheer Gradgrind en een raad van politieke wijzen goedgekeurd, en men besloot hem naarCoketownte zenden, om zich daar en in den omtrek bekend te maken. Zoo kwam Jem aan den brief, dien hij den vorigen avond aan mevrouw Sparsit had laten zien en dien mevrouw Bounderby nu voor zich had, met het adres: „Josiah Bounderby,Esquire, Bankier teCoketown. Tot bijzondere introductie van James Harthouse,Esquire. Thomas Gradgrind.”Binnen een uur na het ontvangen dezerdépêcheen het kaartje van mijnheer James Harthouse, zette mijnheer Bounderby zijn hoed op en ging naar het hotel. Daar vond hij mijnheer Harthouse, die uit het venster stond te kijken, in zulk eene jammerlijk neerslachtigestemming, dat hij reeds half genegen was om maar van de zaak af te zien.„Mijn naam, mijnheer,” zeide de binnenkomende, „is Josiah Bounderby vanCoketown.”Mijnheer James Harthouse was zeer verheugd (hoewel men het hem niet kon aanzien) over een genoegen, dat hij zoolang had verwacht.„Coketown, mijnheer,” zeide Bounderby, zich stevig op een stoel zettende, „is de soort van plaats niet waaraan gij gewoon zijt. Als gij het mij dus wilt veroorloven—of hetzij gij wilt of niet, want ik ben een rondborstig man—zal ik er u iets van zeggen eer wij verder gaan.”Mijnheer Harthouse zou verrukt wezen.„Houd u daar niet al te zeker van,” zeide Bounderby.„Ik beloof het u niet. Vooreerst, gij ziet onzen rook. Die is eten en drinken voor ons. Hij is het gezondste ding op de wereld in alle opzichten en vooral voor de long. Als gij een van hen zijt, die willen dat wij hem zullen laten verteren, ben ik uw tegenstander. Wij zullen de bodems onzer stoomketels niet sneller gaan verslijten dan wij nu doen, voor alle sentimenteele kwezelpraat inGroot-BrittanniëenIerland.”„Mijnheer Bounderby,” antwoordde mijnheer Harthouse, „ik verzeker u, dat ik geheel en volkomen van uwe gedachten ben—volgens overtuiging.”„Ik ben blij dit te hooren,” zeide Bounderby. „Nu hebt gij ook zonder twijfel een boel hooren praten over het werk in onze fabrieken, niet waar? Heel goed! Ik zal u de zaak doen kennen gelijk zij is. Het is het pleizierigste werk, en het lichtste werk, en het best betaalde werk dat er bestaat. Nog meer dan dat; wij zouden de fabrieken zelven niet meer kunnen verbeteren, of wij zouden Smirnasche tapijten op den grond moeten leggen—en zóó ver zullen wij niet gaan.”„Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Bounderby.”„Ten laatste,” zeide Bounderby, „wat onze arbeiders betreft. Er is geen hand in deze stad, mijnheer, man, vrouw of kind, of hij heeft maar één voornaam doel in het leven. Dat doel is, schildpadsoep, en wildbraad te eten en met een gouden lepel gevoerd te worden—maar geen van allen zullen zij ooit schildpadsoep en wildbraad eten of met een gouden lepel gevoerd worden, dat beloof ik u. En nu kent gij de stad.”Mijnheer Harthouse betuigde, dat hij dit kort begrip der geheele quaestie vanCoketownuiterst leerzaam had gevonden en er geheel door opgebeurd was.„Ja, ziet gij,” hervatte Bounderby, „het ligt in mijn karakter, dat ik tot volle verstandhouding met iemand wil komen, vooral met een publiek persoon, als ik met hem kennis maak. Nu heb ik u nog maar één ding meer te zeggen, mijnheer Harthouse, eer ik u verzeker, van het genoegen, waarmede ik aan den aanbevelingsbrief van mijn vriend, Tom Gradgrind, zal beantwoorden. Gij moet u zelven niet bedriegen door u een oogenblik te verbeelden, dat ik een man van afkomst ben. Ik ben eene echte spruit van het janhagel, van het uitvaagsel der maatschappij.”Indien iets nog Jem’s belangstelling in mijnheer Bounderby had kunnen verhoogen, zou het dit zijn geweest—zoo zeide hij tenminste.„Zoo geven wij elkander dus op gelijken voet de hand,” zeide Bounderby. „Ik zeg op gelijken voet, omdat ik, hoewel ik weet wat ik ben, en beter dan iemand zeggen kan hoe diep de modderpoel was waaruit ik mij heb omhoog gewerkt, even trotsch ben als gij. Ik ben even trotsch als gij. En nu ik mijne onafhankelijkheid op eene behoorlijke manier heb doen gelden, mag ik er toe overgaan om te vragen, hoe gij vaart, en ik hoop, dat ge tamelijk wel zijt.”„Nog beter dan anders,” gaf mijnheer Harthouse te verstaan, „door de gezonde lucht vanCoketown,” en mijnheer Bounderby nam dit antwoord zeer gunstig op.„Misschien weet gij,” zeide hij, „of misschien weet gij niet, dat ik met Tom Gradgrind’s dochter getrouwd ben. Indien gij niets beters te doen hebt dan eens met mij door de stad te wandelen, zal ik u gaarne bij Tom Gradgrind’s dochter introduceeren.”„Mijnheer Bounderby,” antwoordde Jem, „gij voorkomt mijne dierbaarste wenschen.”Zij gingen zonder meer te spreken op weg en mijnheer Bounderby geleidde zijn nieuwen bekende, die zoo sterk bij hem afstak, naar het huis van rooden baksteen, met de zwarte luiken van buiten, de groene rolgordijnen van binnen en de zwarte deur boven de witte stoep van twee treden; en in de voorkamer van dat huis trad hun weldra het zonderlingste vrouwelijk wezen te gemoet, dat mijnheer James Harthouse nog ooit gezien had. Zij was zoo gedwongen en toch zoo achteloos, zoo stroef en toch zoo wakker, zoo koel en trotsch en toch zoo pijnlijk beschaamd over de snoevende nederigheid van haar echtgenoot—waarvan zij huiverde alsof ieder blijk daarvan een slag of een dolksteek was—dat het waarnemen van zulk eene vrouw hem een geheel nieuwe aandoening gaf. Haar gezicht was niet minder opmerkelijk dan hare manieren. Hare trekken waren bevallig, maar hun natuurlijk spel werd onder zulk een strakheid bedwongen, dat het onmogelijk was de ware uitdrukking daarvan te raden. Volkomen onverschillig, geheel zeker van zich zelve, nooit verlegen, en toch nooit op haar gemak, naar het lichaam in gezelschap met hen, terwijl haar geest blijkbaar geheel alleen was, kon het hem vooralsnog niet baten, dat hij zijne scherpzinnigheid inspande omdeze vrouw te begrijpen, want zij stelde alle scherpzinnigheid teleur.Van de vrouw des huizes wierp de vreemdeling een blik op het huis zelf. Geen stilzwijgend blijk van de aanwezigheid eener vrouw was in de kamer te bespeuren. Geen klein maar bevallig sieraad, geen aardig uitgedacht voorwerp tot gebruik of gemak duidde ergens haar invloed aan. Met brallenden rijkdom, maar zonder smaak gemeubileerd, evenmin vroolijk als gemakkelijk, staarde de kamer de aanwezigen aan, zonder door het minste spoor van eenige vrouwelijke bezigheid verlevendigd of verzacht te worden. Gelijk mijnheer Bounderby te midden zijner huisgoden stond, zoo besloegen die ongenadige godheden hare plaatsen om mijnheer Bounderby heen; zij waren elkander waardig en wel gepaard.„Dit, mijnheer,” zeide Bounderby, „is mijne vrouw, mevrouw Bounderby. Tom Gradgrind’s oudste dochter. Louisa, mijnheer James Harthouse. Mijnheer Harthouse heeft zich op de monsterrol van uw vader laten zetten. Als hij niet eerlang Tom Gradgrind’s collega is, geloof ik dat wij toch weldra uit een van onze naburige steden van hem zullen hooren. Gij merkt wel op, mijnheer Harthouse, dat mijne vrouw jonger is dan ik. Ik weet niet wat zij bijzonders in mij gezien heeft om mij te trouwen; maar zij moet toch iets in mij gezien hebben, denk ik, of zij zou mij niet getrouwd hebben. Zij heeft een hoop kostbare kundigheden verzameld, mijnheer, politieke en andere. Als gij u spoedig in het een of ander op de hoogte wilt brengen, kan ik u geene betere raadgeefster aanraden dan Louisa Bounderby.”Mijnheer Harthouse was overtuigd, dat hem geene meer beminnelijke raadgeefster kon worden aanbevolen, of eene waarvan hijzooveelkans had om te leeren.„Komaan,” zeide zijn gastheer. „Als gij hier in complimenten wilt gaan handelen, zult ge wel voortkomen, want gij zult geene concurrentie vinden. Ik heb nooit gelegenheid gehad om complimenten te leeren, en ik versta de kunst niet om ze te maken. Om de waarheid te zeggen, ik veracht ze. Maar uwe opvoeding is geheel anders geweest dan de mijne; de mijne was er eene van stavast, dat zeg ik u. Gij zijt eengentleman, en ik wil mij daarvoor niet uitgeven. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown, en dat is genoeg voor mij. Evenwel, schoon manieren en stand op mij geen indruk maken, mogen zij dat wel op Louisa Bounderby doen. Zij heeft mijne voordeelen niet gehad—nadeelen zoudt gij ze noemen, maar ik noem ze voordeelen—en dus zult gij uw kruit niet verspillen, dat durf ik wel zeggen.”„Mijnheer Bounderby,” zeide Jem, zich met een glimlach naar Louisa keerende, „is een edel ros in den natuurstaat, geheel vrij van het tuig der maatschappelijke vooroordeelen, waarin een knol gelijk ik moet loopen.”„Gij hebt zeer veel achting voor mijnheer Bounderby,” antwoordde zij koel, „en dat is niet meer dannatuurlijk.”Voor iemand die zooveel van de wereld gezien had, was hij schandelijk uit het veld geslagen en dacht: „Hoe moet ik dat opvatten?”„Gij zult u, naar ik begrijp uit hetgeen mijnheer Bounderby gezegd heeft, aan den dienst van uw vaderland toewijden,” zeide Louisa, nog voor hem staande waar zij het eerst was blijven staan—terwijl hare zelfbeheersching zonderling in strijd was met hare duidelijk zichtbare onrustigheid. „Gij hebt u voorgenomen om de natie den weg uit al hare moeielijkheden te wijzen.”„Neen, mevrouw Bounderby, op mijne eer, dat niet,” antwoordde hij lachende. „Ik wil bij u zoo iets niet voorwenden. Ik heb hier en daar het een en ander gezien, en ik heb bevonden dat alles even nietig is, gelijk iedereen gedaan heeft, hoewel sommigen het bekennen en anderen niet; ik zal nu in het Parlement pogen te komen als voorstander der meeningen van uw geachten vader, omdat ik inderdaad geene keus van meeningen heb, en deze dus even goed kan voorstaan als iets anders.”„Hebt gij dan geene eigene meeningen?” zeide Louisa.„Ik heb zelfs de geringste voorkeur niet meer over. Ik verzeker u, dat ik aan geene meeningen hoegenaamd eenig gewicht hecht. Het gevolg der verscheidenheden der verveling, die ik ondergaan heb, is de overtuiging (of overtuiging moest een te krachtig woord zijn voor het flauwe gevoel dat de zaak mij inboezemt), dat het eene systeem van begrippen evenveel goed en evenveel kwaad zal doen als het andere. Er is eene Engelsche familie met een fraai Italiaansch motto; „Wat gebeuren moet zal gebeuren.” Dat is de eenige waarheid, die nog leeft.”Deze huichelachtige vertooning van eerlijkheid bij oneerlijkheid—eene zoo gevaarlijke, zoo doodelijke en zoo gewone ondeugd—scheen, naar hij opmerkte, een weinig gunstiger voor hem te stemmen. Hij vervolgde zijn voordeel door op zijn luchtigsten toon—een toon waaraan zij zooveel of zoo weinig beteekenis kon hechten als zij verkoos—te zeggen: „De partij, die alles, wat het ook zijn mag, met eene rij cijfers kan bewijzen, mevrouw Bounderby, komt mij voor de meeste grappen te beloven en iemand de meeste kans te geven. Ik ben er evenzeer aan gehecht alsof ik er aan geloofde. En wat zou ik met mogelijkheid meer kunnen doen, als ik er aan geloofde!”„Gij zijt al zeer zonderling in uwe politiek,” zeide Louisa.„Ik verzoek wel verschooning; ik heb zelfsdie verdienste niet. Wij zouden de grootste partij in den staat uitmaken, mevrouw Bounderby, dat verzeker ik u, als wij allen uit de door ons gekozene gelederen stapten en te zamen gemonsterd werden.”Mijnheer Bounderby, die gevaar had geloopen door zijn stilzwijgen te barsten, viel er nu op in met een voorstel om het diner tot halfzeven uit te stellen en mijnheer James Harthouse intusschen eenige bezoeken te laten afleggen bij de notabiliteiten vanCoketownen den omtrek. De bezoeken werden afgelegd, en door een voorzichtig gebruik van zijne in den laatsten tijd van buiten geleerde kundigheden kwam mijnheer James Harthouse er zegepralend doorheen, hoewel met een aanmerkelijken aanwas van verveling.Des avonds vond hij de tafel voor vier gedekt, hoewel zij slechts met hun drieën plaats namen. Dit was eene geschikte gelegenheid voor mijnheer Bounderby om uit te weiden over den smaak van den halven stuiver gestoofde paling, die hij, toen hij acht jaren oud was, op straat had gekocht, en ook over het slechte water, meer in ’t bijzonder bestemd om de straat te begieten, waarmede hij dien maaltijd naar beneden had gespoeld. Onder de soep en de visch onthaalde hij zijn gast insgelijks op de berekening, dat hij, Bounderby, in zijne jeugd ten minste drie paarden, als rookworst of andere dingen vermomd, had opgegeten. Deze verhalen beantwoordde Jem nu en dan met een flauw „verrukkelijk!” en waarschijnlijk hadden zij hem doen besluiten om den volgenden ochtend weder naarJeruzalemte gaan, indien hij minder nieuwsgierig ten opzichte van Louisa ware geweest.„Is er dan niets,” dacht hij, haar aanziende, terwijl zij aan het hoofd der tafel zat, waar hare jeugdige gestalte, klein en tenger, maar gracieus, zich even bevallig als misplaatst vertoonde; „is er dan niets, dat eenige beweging in dat gezichtje kan brengen?”Ja, er was iets; daar kwam het, in eene onverwachte gedaante! Tom verscheen. Hare trekken veranderden toen de deur openging, en een heldere glimlach blonk op haar gelaat.Een schoone glimlach. Maar mijnheer James Harthouse zou er toch niet zooveel in gevonden hebben, als hij zich niet zoolang over haar strak gezicht had verwonderd. Zij stak hare hand uit—een fraai, zacht handje; en hare vingers sloten zich om die van haar broeder, alsof zij ze aan hare lippen had willen brengen.„Ha, ha!” dacht de gast. „Die hondsvot is het eenige schepsel waarom zij iets geeft. Zoo, zoo!”De hondsvot werd gepresenteerd en nam plaats. De benaming was hard, maar niet onverdiend.„Toen ik zoo oud was als gij, Tom,” zeide Bounderby, „paste ik op mijn tijd, of ik kreeg geen eten.”„Toen gij zoo oud waart als ik,” antwoordde Tom, „hadt gij geene verwarde rekening terecht te brengen en u dan naderhand nog te kleeden.”„Zwijg daar nu maar van,” zeide Bounderby.„Wel, begin dan ook niet met mij,” bromde Tom.„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, die dit gemompel duidelijk hoorde, „uw broeders gezicht komt mij zeer bekend voor. Kan ik hem buitenslands hebben gezien? of aan eene openbare school misschien?”„Neen,” antwoordde zij met zeer veel belangstelling, „hij is nooit buitenslands geweest, en hij is hier thuis opgevoed. Tom, lieve broeder, ik zeg daar aan mijnheer Harthouse, dat hij u niet buitenslands kan gezien hebben.”„Nooit zulk een fortuintje gehad, mijnheer,” zeide Tom.Er was weinig genoeg aan hem te zien om haar gezicht te doen ophelderen, want hij was lomp, stug en onvriendelijk in zijne manieren, zelfs voor haar. Des te grooter moest de eenzaamheid van haar hart zijn geweest, en hare behoefte om het aan iemand weg te schenken. „Des te meer is die hondsvot het eenige schepsel, waarom zij ooit gegeven heeft,” dacht mijnheer James Harthouse, al mijmerende, „des te meer, des te meer.”Zoowel in het bijzijn zijner zuster, als nadat zij de kamer verlaten had, gaf de hondsvot zich geene moeite om zijne minachting voor mijnheer Bounderby te verbergen, wanneer hij die, zonder dat dit onafhankelijk personage het opmerkte, kon aan den dag leggen door een scheef gezicht te trekken of met een oog te knippen. Zonder deze telegrafische mededeelingen te beantwoorden, moedigde mijnheer Harthouse hem echter in den loop van den avond zooveel mogelijk aan en toonde eene bijzondere ingenomenheid met hem.—Toen hij eindelijk opstond om weder naar zijn hotel te gaan en eenigen twijfel te kennen gaf, of hij bij den avond den weg wel zou weten te vinden, bood de hondsvot dadelijk zijn dienst als gids aan en ging met hem de straat op om hem daarheen te geleiden.

XVIII.MIJNHEER JAMES HARTHOUSE.De partij van Gradgrind had helpers noodig om de Gratiën te vermoorden. Zij zocht overal recruten te werven; en waar kon zij gemakkelijker recruten vinden dan onder die overbeschaafdegentlemen, die, daar zij ontdekt hadden,dat alles even weinig—dat is niets—waardig is, daarom voor alles gereed waren?Bovendien hadden de edele geesten, die zich tot deze trotsche hoogte hadden verheven, iets aantrekkelijks voor velen uit de school van Gradgrind. Deze bewonderden die overbeschaafdegentlemen; zij hielden zich alsof zij het niet deden, maar het was toch zoo. Om hen na te bootsen, werden zij ook flauw en traag; zij kauwden hunne woorden evenals zij, en dischten met hetzelfde voorkomen van lustelooze onverschilligheid de beschimmelde portietjes staathuishoudkunde op, waarop zij hunne leerlingen onthaalden. Nooit voorheen had men op de wereld zulk een wonderlijk tweeslachtig ras gezien, als aldus werd voortgebracht.Onder de overbeschaafdegentlemen, die niet geheel tot de school van Gradgrind behoorden, was er een van goede familie en nog beter voorkomen, met een gelukkig talent voor het luimige, waarmede hij eens een ontzaglijken indruk op het Huis der Gemeenten had gemaakt, bij gelegenheid dat hij dit onthaalde op het verslag van een ongeluk op een spoorweg, uit zijn oogpunt en dat van den Raad van Toezicht beschouwd, waarbij de zorgvuldigste beambten, die men ooit gekend had, aangesteld door de onbekrompenste directie, waarvan men ooit had gehoord, geholpen door de fraaiste mechanische toestellen, die hem ooit had uitgevonden, alles gebezigd op de beste baan, die ooit was aangelegd, vijf menschen om hals geholpen en twee en dertig gekwetst hadden, door eene toevalligheid zonder welke het uitmuntende van het geheele stelsel eigenlijk incompleet zou zijn geweest. Onder de verslagenen was eene koe en onder de gevondene en ongeëigende voorwerpen eene weduwe-rouwmuts; en de achtingswaardige volksvertegenwoordiger had, door deze muts aan de koe op te zetten, den lachlust van het Huis (dat een fijn gevoel voor het luimige heeft) zoodanig geprikkeld, dat het niet meer ernstig van de lijkschouwing kon hooren spreken, en onder gelach en gejuich de spoorwegdirectie van alle verantwoording vrijsprak.Nu had deze heer een broeder van nog beter voorkomen dan hij, die eerst een proefje van het leven had genomen als kornet bij de dragonders, en het vervelend had gevonden, toen nog een proefje er van in het gevolg van een Engelsch minister buitenslands, en het weder vervelend had gevonden; toen naarJeruzalemwas gereisd en zich daar verveeld had; en toen met een jacht door de wereld had omgedwaald en zich overal had verveeld. Tegen dezen heer zeide het bovengemelde achtingswaardige en luimige Parlements-lid eens op een broederlijken toon: „Jem, er is goede kans onder de mannen van feiten en cijfers. Zij hebben nog helpers noodig. Waarom zoudt gij u niet door de statistiek in het Parlement laten brengen?” Jem, eenigszins ingenomen met het nieuwe van dit denkbeeld en zeer verlegen om eene verandering, was evenzeer gereed voor de statistiek als voor iets anders. Hij keek dus een paar boeken door, en zijn broeder bazuinde het uit onder de mannen van feiten en cijfers, en zeide: „Als gij voor de eene of andere plaats een jongen in het Parlement wilt brengen, die er knap uitziet en eene drommels mooie redevoering kan houden, neem dan mijn broeder Jem, want hij is uw man.” Na eenige proefnemingen in openbare vergaderingen, werd Jem door mijnheer Gradgrind en een raad van politieke wijzen goedgekeurd, en men besloot hem naarCoketownte zenden, om zich daar en in den omtrek bekend te maken. Zoo kwam Jem aan den brief, dien hij den vorigen avond aan mevrouw Sparsit had laten zien en dien mevrouw Bounderby nu voor zich had, met het adres: „Josiah Bounderby,Esquire, Bankier teCoketown. Tot bijzondere introductie van James Harthouse,Esquire. Thomas Gradgrind.”Binnen een uur na het ontvangen dezerdépêcheen het kaartje van mijnheer James Harthouse, zette mijnheer Bounderby zijn hoed op en ging naar het hotel. Daar vond hij mijnheer Harthouse, die uit het venster stond te kijken, in zulk eene jammerlijk neerslachtigestemming, dat hij reeds half genegen was om maar van de zaak af te zien.„Mijn naam, mijnheer,” zeide de binnenkomende, „is Josiah Bounderby vanCoketown.”Mijnheer James Harthouse was zeer verheugd (hoewel men het hem niet kon aanzien) over een genoegen, dat hij zoolang had verwacht.„Coketown, mijnheer,” zeide Bounderby, zich stevig op een stoel zettende, „is de soort van plaats niet waaraan gij gewoon zijt. Als gij het mij dus wilt veroorloven—of hetzij gij wilt of niet, want ik ben een rondborstig man—zal ik er u iets van zeggen eer wij verder gaan.”Mijnheer Harthouse zou verrukt wezen.„Houd u daar niet al te zeker van,” zeide Bounderby.„Ik beloof het u niet. Vooreerst, gij ziet onzen rook. Die is eten en drinken voor ons. Hij is het gezondste ding op de wereld in alle opzichten en vooral voor de long. Als gij een van hen zijt, die willen dat wij hem zullen laten verteren, ben ik uw tegenstander. Wij zullen de bodems onzer stoomketels niet sneller gaan verslijten dan wij nu doen, voor alle sentimenteele kwezelpraat inGroot-BrittanniëenIerland.”„Mijnheer Bounderby,” antwoordde mijnheer Harthouse, „ik verzeker u, dat ik geheel en volkomen van uwe gedachten ben—volgens overtuiging.”„Ik ben blij dit te hooren,” zeide Bounderby. „Nu hebt gij ook zonder twijfel een boel hooren praten over het werk in onze fabrieken, niet waar? Heel goed! Ik zal u de zaak doen kennen gelijk zij is. Het is het pleizierigste werk, en het lichtste werk, en het best betaalde werk dat er bestaat. Nog meer dan dat; wij zouden de fabrieken zelven niet meer kunnen verbeteren, of wij zouden Smirnasche tapijten op den grond moeten leggen—en zóó ver zullen wij niet gaan.”„Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Bounderby.”„Ten laatste,” zeide Bounderby, „wat onze arbeiders betreft. Er is geen hand in deze stad, mijnheer, man, vrouw of kind, of hij heeft maar één voornaam doel in het leven. Dat doel is, schildpadsoep, en wildbraad te eten en met een gouden lepel gevoerd te worden—maar geen van allen zullen zij ooit schildpadsoep en wildbraad eten of met een gouden lepel gevoerd worden, dat beloof ik u. En nu kent gij de stad.”Mijnheer Harthouse betuigde, dat hij dit kort begrip der geheele quaestie vanCoketownuiterst leerzaam had gevonden en er geheel door opgebeurd was.„Ja, ziet gij,” hervatte Bounderby, „het ligt in mijn karakter, dat ik tot volle verstandhouding met iemand wil komen, vooral met een publiek persoon, als ik met hem kennis maak. Nu heb ik u nog maar één ding meer te zeggen, mijnheer Harthouse, eer ik u verzeker, van het genoegen, waarmede ik aan den aanbevelingsbrief van mijn vriend, Tom Gradgrind, zal beantwoorden. Gij moet u zelven niet bedriegen door u een oogenblik te verbeelden, dat ik een man van afkomst ben. Ik ben eene echte spruit van het janhagel, van het uitvaagsel der maatschappij.”Indien iets nog Jem’s belangstelling in mijnheer Bounderby had kunnen verhoogen, zou het dit zijn geweest—zoo zeide hij tenminste.„Zoo geven wij elkander dus op gelijken voet de hand,” zeide Bounderby. „Ik zeg op gelijken voet, omdat ik, hoewel ik weet wat ik ben, en beter dan iemand zeggen kan hoe diep de modderpoel was waaruit ik mij heb omhoog gewerkt, even trotsch ben als gij. Ik ben even trotsch als gij. En nu ik mijne onafhankelijkheid op eene behoorlijke manier heb doen gelden, mag ik er toe overgaan om te vragen, hoe gij vaart, en ik hoop, dat ge tamelijk wel zijt.”„Nog beter dan anders,” gaf mijnheer Harthouse te verstaan, „door de gezonde lucht vanCoketown,” en mijnheer Bounderby nam dit antwoord zeer gunstig op.„Misschien weet gij,” zeide hij, „of misschien weet gij niet, dat ik met Tom Gradgrind’s dochter getrouwd ben. Indien gij niets beters te doen hebt dan eens met mij door de stad te wandelen, zal ik u gaarne bij Tom Gradgrind’s dochter introduceeren.”„Mijnheer Bounderby,” antwoordde Jem, „gij voorkomt mijne dierbaarste wenschen.”Zij gingen zonder meer te spreken op weg en mijnheer Bounderby geleidde zijn nieuwen bekende, die zoo sterk bij hem afstak, naar het huis van rooden baksteen, met de zwarte luiken van buiten, de groene rolgordijnen van binnen en de zwarte deur boven de witte stoep van twee treden; en in de voorkamer van dat huis trad hun weldra het zonderlingste vrouwelijk wezen te gemoet, dat mijnheer James Harthouse nog ooit gezien had. Zij was zoo gedwongen en toch zoo achteloos, zoo stroef en toch zoo wakker, zoo koel en trotsch en toch zoo pijnlijk beschaamd over de snoevende nederigheid van haar echtgenoot—waarvan zij huiverde alsof ieder blijk daarvan een slag of een dolksteek was—dat het waarnemen van zulk eene vrouw hem een geheel nieuwe aandoening gaf. Haar gezicht was niet minder opmerkelijk dan hare manieren. Hare trekken waren bevallig, maar hun natuurlijk spel werd onder zulk een strakheid bedwongen, dat het onmogelijk was de ware uitdrukking daarvan te raden. Volkomen onverschillig, geheel zeker van zich zelve, nooit verlegen, en toch nooit op haar gemak, naar het lichaam in gezelschap met hen, terwijl haar geest blijkbaar geheel alleen was, kon het hem vooralsnog niet baten, dat hij zijne scherpzinnigheid inspande omdeze vrouw te begrijpen, want zij stelde alle scherpzinnigheid teleur.Van de vrouw des huizes wierp de vreemdeling een blik op het huis zelf. Geen stilzwijgend blijk van de aanwezigheid eener vrouw was in de kamer te bespeuren. Geen klein maar bevallig sieraad, geen aardig uitgedacht voorwerp tot gebruik of gemak duidde ergens haar invloed aan. Met brallenden rijkdom, maar zonder smaak gemeubileerd, evenmin vroolijk als gemakkelijk, staarde de kamer de aanwezigen aan, zonder door het minste spoor van eenige vrouwelijke bezigheid verlevendigd of verzacht te worden. Gelijk mijnheer Bounderby te midden zijner huisgoden stond, zoo besloegen die ongenadige godheden hare plaatsen om mijnheer Bounderby heen; zij waren elkander waardig en wel gepaard.„Dit, mijnheer,” zeide Bounderby, „is mijne vrouw, mevrouw Bounderby. Tom Gradgrind’s oudste dochter. Louisa, mijnheer James Harthouse. Mijnheer Harthouse heeft zich op de monsterrol van uw vader laten zetten. Als hij niet eerlang Tom Gradgrind’s collega is, geloof ik dat wij toch weldra uit een van onze naburige steden van hem zullen hooren. Gij merkt wel op, mijnheer Harthouse, dat mijne vrouw jonger is dan ik. Ik weet niet wat zij bijzonders in mij gezien heeft om mij te trouwen; maar zij moet toch iets in mij gezien hebben, denk ik, of zij zou mij niet getrouwd hebben. Zij heeft een hoop kostbare kundigheden verzameld, mijnheer, politieke en andere. Als gij u spoedig in het een of ander op de hoogte wilt brengen, kan ik u geene betere raadgeefster aanraden dan Louisa Bounderby.”Mijnheer Harthouse was overtuigd, dat hem geene meer beminnelijke raadgeefster kon worden aanbevolen, of eene waarvan hijzooveelkans had om te leeren.„Komaan,” zeide zijn gastheer. „Als gij hier in complimenten wilt gaan handelen, zult ge wel voortkomen, want gij zult geene concurrentie vinden. Ik heb nooit gelegenheid gehad om complimenten te leeren, en ik versta de kunst niet om ze te maken. Om de waarheid te zeggen, ik veracht ze. Maar uwe opvoeding is geheel anders geweest dan de mijne; de mijne was er eene van stavast, dat zeg ik u. Gij zijt eengentleman, en ik wil mij daarvoor niet uitgeven. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown, en dat is genoeg voor mij. Evenwel, schoon manieren en stand op mij geen indruk maken, mogen zij dat wel op Louisa Bounderby doen. Zij heeft mijne voordeelen niet gehad—nadeelen zoudt gij ze noemen, maar ik noem ze voordeelen—en dus zult gij uw kruit niet verspillen, dat durf ik wel zeggen.”„Mijnheer Bounderby,” zeide Jem, zich met een glimlach naar Louisa keerende, „is een edel ros in den natuurstaat, geheel vrij van het tuig der maatschappelijke vooroordeelen, waarin een knol gelijk ik moet loopen.”„Gij hebt zeer veel achting voor mijnheer Bounderby,” antwoordde zij koel, „en dat is niet meer dannatuurlijk.”Voor iemand die zooveel van de wereld gezien had, was hij schandelijk uit het veld geslagen en dacht: „Hoe moet ik dat opvatten?”„Gij zult u, naar ik begrijp uit hetgeen mijnheer Bounderby gezegd heeft, aan den dienst van uw vaderland toewijden,” zeide Louisa, nog voor hem staande waar zij het eerst was blijven staan—terwijl hare zelfbeheersching zonderling in strijd was met hare duidelijk zichtbare onrustigheid. „Gij hebt u voorgenomen om de natie den weg uit al hare moeielijkheden te wijzen.”„Neen, mevrouw Bounderby, op mijne eer, dat niet,” antwoordde hij lachende. „Ik wil bij u zoo iets niet voorwenden. Ik heb hier en daar het een en ander gezien, en ik heb bevonden dat alles even nietig is, gelijk iedereen gedaan heeft, hoewel sommigen het bekennen en anderen niet; ik zal nu in het Parlement pogen te komen als voorstander der meeningen van uw geachten vader, omdat ik inderdaad geene keus van meeningen heb, en deze dus even goed kan voorstaan als iets anders.”„Hebt gij dan geene eigene meeningen?” zeide Louisa.„Ik heb zelfs de geringste voorkeur niet meer over. Ik verzeker u, dat ik aan geene meeningen hoegenaamd eenig gewicht hecht. Het gevolg der verscheidenheden der verveling, die ik ondergaan heb, is de overtuiging (of overtuiging moest een te krachtig woord zijn voor het flauwe gevoel dat de zaak mij inboezemt), dat het eene systeem van begrippen evenveel goed en evenveel kwaad zal doen als het andere. Er is eene Engelsche familie met een fraai Italiaansch motto; „Wat gebeuren moet zal gebeuren.” Dat is de eenige waarheid, die nog leeft.”Deze huichelachtige vertooning van eerlijkheid bij oneerlijkheid—eene zoo gevaarlijke, zoo doodelijke en zoo gewone ondeugd—scheen, naar hij opmerkte, een weinig gunstiger voor hem te stemmen. Hij vervolgde zijn voordeel door op zijn luchtigsten toon—een toon waaraan zij zooveel of zoo weinig beteekenis kon hechten als zij verkoos—te zeggen: „De partij, die alles, wat het ook zijn mag, met eene rij cijfers kan bewijzen, mevrouw Bounderby, komt mij voor de meeste grappen te beloven en iemand de meeste kans te geven. Ik ben er evenzeer aan gehecht alsof ik er aan geloofde. En wat zou ik met mogelijkheid meer kunnen doen, als ik er aan geloofde!”„Gij zijt al zeer zonderling in uwe politiek,” zeide Louisa.„Ik verzoek wel verschooning; ik heb zelfsdie verdienste niet. Wij zouden de grootste partij in den staat uitmaken, mevrouw Bounderby, dat verzeker ik u, als wij allen uit de door ons gekozene gelederen stapten en te zamen gemonsterd werden.”Mijnheer Bounderby, die gevaar had geloopen door zijn stilzwijgen te barsten, viel er nu op in met een voorstel om het diner tot halfzeven uit te stellen en mijnheer James Harthouse intusschen eenige bezoeken te laten afleggen bij de notabiliteiten vanCoketownen den omtrek. De bezoeken werden afgelegd, en door een voorzichtig gebruik van zijne in den laatsten tijd van buiten geleerde kundigheden kwam mijnheer James Harthouse er zegepralend doorheen, hoewel met een aanmerkelijken aanwas van verveling.Des avonds vond hij de tafel voor vier gedekt, hoewel zij slechts met hun drieën plaats namen. Dit was eene geschikte gelegenheid voor mijnheer Bounderby om uit te weiden over den smaak van den halven stuiver gestoofde paling, die hij, toen hij acht jaren oud was, op straat had gekocht, en ook over het slechte water, meer in ’t bijzonder bestemd om de straat te begieten, waarmede hij dien maaltijd naar beneden had gespoeld. Onder de soep en de visch onthaalde hij zijn gast insgelijks op de berekening, dat hij, Bounderby, in zijne jeugd ten minste drie paarden, als rookworst of andere dingen vermomd, had opgegeten. Deze verhalen beantwoordde Jem nu en dan met een flauw „verrukkelijk!” en waarschijnlijk hadden zij hem doen besluiten om den volgenden ochtend weder naarJeruzalemte gaan, indien hij minder nieuwsgierig ten opzichte van Louisa ware geweest.„Is er dan niets,” dacht hij, haar aanziende, terwijl zij aan het hoofd der tafel zat, waar hare jeugdige gestalte, klein en tenger, maar gracieus, zich even bevallig als misplaatst vertoonde; „is er dan niets, dat eenige beweging in dat gezichtje kan brengen?”Ja, er was iets; daar kwam het, in eene onverwachte gedaante! Tom verscheen. Hare trekken veranderden toen de deur openging, en een heldere glimlach blonk op haar gelaat.Een schoone glimlach. Maar mijnheer James Harthouse zou er toch niet zooveel in gevonden hebben, als hij zich niet zoolang over haar strak gezicht had verwonderd. Zij stak hare hand uit—een fraai, zacht handje; en hare vingers sloten zich om die van haar broeder, alsof zij ze aan hare lippen had willen brengen.„Ha, ha!” dacht de gast. „Die hondsvot is het eenige schepsel waarom zij iets geeft. Zoo, zoo!”De hondsvot werd gepresenteerd en nam plaats. De benaming was hard, maar niet onverdiend.„Toen ik zoo oud was als gij, Tom,” zeide Bounderby, „paste ik op mijn tijd, of ik kreeg geen eten.”„Toen gij zoo oud waart als ik,” antwoordde Tom, „hadt gij geene verwarde rekening terecht te brengen en u dan naderhand nog te kleeden.”„Zwijg daar nu maar van,” zeide Bounderby.„Wel, begin dan ook niet met mij,” bromde Tom.„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, die dit gemompel duidelijk hoorde, „uw broeders gezicht komt mij zeer bekend voor. Kan ik hem buitenslands hebben gezien? of aan eene openbare school misschien?”„Neen,” antwoordde zij met zeer veel belangstelling, „hij is nooit buitenslands geweest, en hij is hier thuis opgevoed. Tom, lieve broeder, ik zeg daar aan mijnheer Harthouse, dat hij u niet buitenslands kan gezien hebben.”„Nooit zulk een fortuintje gehad, mijnheer,” zeide Tom.Er was weinig genoeg aan hem te zien om haar gezicht te doen ophelderen, want hij was lomp, stug en onvriendelijk in zijne manieren, zelfs voor haar. Des te grooter moest de eenzaamheid van haar hart zijn geweest, en hare behoefte om het aan iemand weg te schenken. „Des te meer is die hondsvot het eenige schepsel, waarom zij ooit gegeven heeft,” dacht mijnheer James Harthouse, al mijmerende, „des te meer, des te meer.”Zoowel in het bijzijn zijner zuster, als nadat zij de kamer verlaten had, gaf de hondsvot zich geene moeite om zijne minachting voor mijnheer Bounderby te verbergen, wanneer hij die, zonder dat dit onafhankelijk personage het opmerkte, kon aan den dag leggen door een scheef gezicht te trekken of met een oog te knippen. Zonder deze telegrafische mededeelingen te beantwoorden, moedigde mijnheer Harthouse hem echter in den loop van den avond zooveel mogelijk aan en toonde eene bijzondere ingenomenheid met hem.—Toen hij eindelijk opstond om weder naar zijn hotel te gaan en eenigen twijfel te kennen gaf, of hij bij den avond den weg wel zou weten te vinden, bood de hondsvot dadelijk zijn dienst als gids aan en ging met hem de straat op om hem daarheen te geleiden.

XVIII.MIJNHEER JAMES HARTHOUSE.De partij van Gradgrind had helpers noodig om de Gratiën te vermoorden. Zij zocht overal recruten te werven; en waar kon zij gemakkelijker recruten vinden dan onder die overbeschaafdegentlemen, die, daar zij ontdekt hadden,dat alles even weinig—dat is niets—waardig is, daarom voor alles gereed waren?Bovendien hadden de edele geesten, die zich tot deze trotsche hoogte hadden verheven, iets aantrekkelijks voor velen uit de school van Gradgrind. Deze bewonderden die overbeschaafdegentlemen; zij hielden zich alsof zij het niet deden, maar het was toch zoo. Om hen na te bootsen, werden zij ook flauw en traag; zij kauwden hunne woorden evenals zij, en dischten met hetzelfde voorkomen van lustelooze onverschilligheid de beschimmelde portietjes staathuishoudkunde op, waarop zij hunne leerlingen onthaalden. Nooit voorheen had men op de wereld zulk een wonderlijk tweeslachtig ras gezien, als aldus werd voortgebracht.Onder de overbeschaafdegentlemen, die niet geheel tot de school van Gradgrind behoorden, was er een van goede familie en nog beter voorkomen, met een gelukkig talent voor het luimige, waarmede hij eens een ontzaglijken indruk op het Huis der Gemeenten had gemaakt, bij gelegenheid dat hij dit onthaalde op het verslag van een ongeluk op een spoorweg, uit zijn oogpunt en dat van den Raad van Toezicht beschouwd, waarbij de zorgvuldigste beambten, die men ooit gekend had, aangesteld door de onbekrompenste directie, waarvan men ooit had gehoord, geholpen door de fraaiste mechanische toestellen, die hem ooit had uitgevonden, alles gebezigd op de beste baan, die ooit was aangelegd, vijf menschen om hals geholpen en twee en dertig gekwetst hadden, door eene toevalligheid zonder welke het uitmuntende van het geheele stelsel eigenlijk incompleet zou zijn geweest. Onder de verslagenen was eene koe en onder de gevondene en ongeëigende voorwerpen eene weduwe-rouwmuts; en de achtingswaardige volksvertegenwoordiger had, door deze muts aan de koe op te zetten, den lachlust van het Huis (dat een fijn gevoel voor het luimige heeft) zoodanig geprikkeld, dat het niet meer ernstig van de lijkschouwing kon hooren spreken, en onder gelach en gejuich de spoorwegdirectie van alle verantwoording vrijsprak.Nu had deze heer een broeder van nog beter voorkomen dan hij, die eerst een proefje van het leven had genomen als kornet bij de dragonders, en het vervelend had gevonden, toen nog een proefje er van in het gevolg van een Engelsch minister buitenslands, en het weder vervelend had gevonden; toen naarJeruzalemwas gereisd en zich daar verveeld had; en toen met een jacht door de wereld had omgedwaald en zich overal had verveeld. Tegen dezen heer zeide het bovengemelde achtingswaardige en luimige Parlements-lid eens op een broederlijken toon: „Jem, er is goede kans onder de mannen van feiten en cijfers. Zij hebben nog helpers noodig. Waarom zoudt gij u niet door de statistiek in het Parlement laten brengen?” Jem, eenigszins ingenomen met het nieuwe van dit denkbeeld en zeer verlegen om eene verandering, was evenzeer gereed voor de statistiek als voor iets anders. Hij keek dus een paar boeken door, en zijn broeder bazuinde het uit onder de mannen van feiten en cijfers, en zeide: „Als gij voor de eene of andere plaats een jongen in het Parlement wilt brengen, die er knap uitziet en eene drommels mooie redevoering kan houden, neem dan mijn broeder Jem, want hij is uw man.” Na eenige proefnemingen in openbare vergaderingen, werd Jem door mijnheer Gradgrind en een raad van politieke wijzen goedgekeurd, en men besloot hem naarCoketownte zenden, om zich daar en in den omtrek bekend te maken. Zoo kwam Jem aan den brief, dien hij den vorigen avond aan mevrouw Sparsit had laten zien en dien mevrouw Bounderby nu voor zich had, met het adres: „Josiah Bounderby,Esquire, Bankier teCoketown. Tot bijzondere introductie van James Harthouse,Esquire. Thomas Gradgrind.”Binnen een uur na het ontvangen dezerdépêcheen het kaartje van mijnheer James Harthouse, zette mijnheer Bounderby zijn hoed op en ging naar het hotel. Daar vond hij mijnheer Harthouse, die uit het venster stond te kijken, in zulk eene jammerlijk neerslachtigestemming, dat hij reeds half genegen was om maar van de zaak af te zien.„Mijn naam, mijnheer,” zeide de binnenkomende, „is Josiah Bounderby vanCoketown.”Mijnheer James Harthouse was zeer verheugd (hoewel men het hem niet kon aanzien) over een genoegen, dat hij zoolang had verwacht.„Coketown, mijnheer,” zeide Bounderby, zich stevig op een stoel zettende, „is de soort van plaats niet waaraan gij gewoon zijt. Als gij het mij dus wilt veroorloven—of hetzij gij wilt of niet, want ik ben een rondborstig man—zal ik er u iets van zeggen eer wij verder gaan.”Mijnheer Harthouse zou verrukt wezen.„Houd u daar niet al te zeker van,” zeide Bounderby.„Ik beloof het u niet. Vooreerst, gij ziet onzen rook. Die is eten en drinken voor ons. Hij is het gezondste ding op de wereld in alle opzichten en vooral voor de long. Als gij een van hen zijt, die willen dat wij hem zullen laten verteren, ben ik uw tegenstander. Wij zullen de bodems onzer stoomketels niet sneller gaan verslijten dan wij nu doen, voor alle sentimenteele kwezelpraat inGroot-BrittanniëenIerland.”„Mijnheer Bounderby,” antwoordde mijnheer Harthouse, „ik verzeker u, dat ik geheel en volkomen van uwe gedachten ben—volgens overtuiging.”„Ik ben blij dit te hooren,” zeide Bounderby. „Nu hebt gij ook zonder twijfel een boel hooren praten over het werk in onze fabrieken, niet waar? Heel goed! Ik zal u de zaak doen kennen gelijk zij is. Het is het pleizierigste werk, en het lichtste werk, en het best betaalde werk dat er bestaat. Nog meer dan dat; wij zouden de fabrieken zelven niet meer kunnen verbeteren, of wij zouden Smirnasche tapijten op den grond moeten leggen—en zóó ver zullen wij niet gaan.”„Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Bounderby.”„Ten laatste,” zeide Bounderby, „wat onze arbeiders betreft. Er is geen hand in deze stad, mijnheer, man, vrouw of kind, of hij heeft maar één voornaam doel in het leven. Dat doel is, schildpadsoep, en wildbraad te eten en met een gouden lepel gevoerd te worden—maar geen van allen zullen zij ooit schildpadsoep en wildbraad eten of met een gouden lepel gevoerd worden, dat beloof ik u. En nu kent gij de stad.”Mijnheer Harthouse betuigde, dat hij dit kort begrip der geheele quaestie vanCoketownuiterst leerzaam had gevonden en er geheel door opgebeurd was.„Ja, ziet gij,” hervatte Bounderby, „het ligt in mijn karakter, dat ik tot volle verstandhouding met iemand wil komen, vooral met een publiek persoon, als ik met hem kennis maak. Nu heb ik u nog maar één ding meer te zeggen, mijnheer Harthouse, eer ik u verzeker, van het genoegen, waarmede ik aan den aanbevelingsbrief van mijn vriend, Tom Gradgrind, zal beantwoorden. Gij moet u zelven niet bedriegen door u een oogenblik te verbeelden, dat ik een man van afkomst ben. Ik ben eene echte spruit van het janhagel, van het uitvaagsel der maatschappij.”Indien iets nog Jem’s belangstelling in mijnheer Bounderby had kunnen verhoogen, zou het dit zijn geweest—zoo zeide hij tenminste.„Zoo geven wij elkander dus op gelijken voet de hand,” zeide Bounderby. „Ik zeg op gelijken voet, omdat ik, hoewel ik weet wat ik ben, en beter dan iemand zeggen kan hoe diep de modderpoel was waaruit ik mij heb omhoog gewerkt, even trotsch ben als gij. Ik ben even trotsch als gij. En nu ik mijne onafhankelijkheid op eene behoorlijke manier heb doen gelden, mag ik er toe overgaan om te vragen, hoe gij vaart, en ik hoop, dat ge tamelijk wel zijt.”„Nog beter dan anders,” gaf mijnheer Harthouse te verstaan, „door de gezonde lucht vanCoketown,” en mijnheer Bounderby nam dit antwoord zeer gunstig op.„Misschien weet gij,” zeide hij, „of misschien weet gij niet, dat ik met Tom Gradgrind’s dochter getrouwd ben. Indien gij niets beters te doen hebt dan eens met mij door de stad te wandelen, zal ik u gaarne bij Tom Gradgrind’s dochter introduceeren.”„Mijnheer Bounderby,” antwoordde Jem, „gij voorkomt mijne dierbaarste wenschen.”Zij gingen zonder meer te spreken op weg en mijnheer Bounderby geleidde zijn nieuwen bekende, die zoo sterk bij hem afstak, naar het huis van rooden baksteen, met de zwarte luiken van buiten, de groene rolgordijnen van binnen en de zwarte deur boven de witte stoep van twee treden; en in de voorkamer van dat huis trad hun weldra het zonderlingste vrouwelijk wezen te gemoet, dat mijnheer James Harthouse nog ooit gezien had. Zij was zoo gedwongen en toch zoo achteloos, zoo stroef en toch zoo wakker, zoo koel en trotsch en toch zoo pijnlijk beschaamd over de snoevende nederigheid van haar echtgenoot—waarvan zij huiverde alsof ieder blijk daarvan een slag of een dolksteek was—dat het waarnemen van zulk eene vrouw hem een geheel nieuwe aandoening gaf. Haar gezicht was niet minder opmerkelijk dan hare manieren. Hare trekken waren bevallig, maar hun natuurlijk spel werd onder zulk een strakheid bedwongen, dat het onmogelijk was de ware uitdrukking daarvan te raden. Volkomen onverschillig, geheel zeker van zich zelve, nooit verlegen, en toch nooit op haar gemak, naar het lichaam in gezelschap met hen, terwijl haar geest blijkbaar geheel alleen was, kon het hem vooralsnog niet baten, dat hij zijne scherpzinnigheid inspande omdeze vrouw te begrijpen, want zij stelde alle scherpzinnigheid teleur.Van de vrouw des huizes wierp de vreemdeling een blik op het huis zelf. Geen stilzwijgend blijk van de aanwezigheid eener vrouw was in de kamer te bespeuren. Geen klein maar bevallig sieraad, geen aardig uitgedacht voorwerp tot gebruik of gemak duidde ergens haar invloed aan. Met brallenden rijkdom, maar zonder smaak gemeubileerd, evenmin vroolijk als gemakkelijk, staarde de kamer de aanwezigen aan, zonder door het minste spoor van eenige vrouwelijke bezigheid verlevendigd of verzacht te worden. Gelijk mijnheer Bounderby te midden zijner huisgoden stond, zoo besloegen die ongenadige godheden hare plaatsen om mijnheer Bounderby heen; zij waren elkander waardig en wel gepaard.„Dit, mijnheer,” zeide Bounderby, „is mijne vrouw, mevrouw Bounderby. Tom Gradgrind’s oudste dochter. Louisa, mijnheer James Harthouse. Mijnheer Harthouse heeft zich op de monsterrol van uw vader laten zetten. Als hij niet eerlang Tom Gradgrind’s collega is, geloof ik dat wij toch weldra uit een van onze naburige steden van hem zullen hooren. Gij merkt wel op, mijnheer Harthouse, dat mijne vrouw jonger is dan ik. Ik weet niet wat zij bijzonders in mij gezien heeft om mij te trouwen; maar zij moet toch iets in mij gezien hebben, denk ik, of zij zou mij niet getrouwd hebben. Zij heeft een hoop kostbare kundigheden verzameld, mijnheer, politieke en andere. Als gij u spoedig in het een of ander op de hoogte wilt brengen, kan ik u geene betere raadgeefster aanraden dan Louisa Bounderby.”Mijnheer Harthouse was overtuigd, dat hem geene meer beminnelijke raadgeefster kon worden aanbevolen, of eene waarvan hijzooveelkans had om te leeren.„Komaan,” zeide zijn gastheer. „Als gij hier in complimenten wilt gaan handelen, zult ge wel voortkomen, want gij zult geene concurrentie vinden. Ik heb nooit gelegenheid gehad om complimenten te leeren, en ik versta de kunst niet om ze te maken. Om de waarheid te zeggen, ik veracht ze. Maar uwe opvoeding is geheel anders geweest dan de mijne; de mijne was er eene van stavast, dat zeg ik u. Gij zijt eengentleman, en ik wil mij daarvoor niet uitgeven. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown, en dat is genoeg voor mij. Evenwel, schoon manieren en stand op mij geen indruk maken, mogen zij dat wel op Louisa Bounderby doen. Zij heeft mijne voordeelen niet gehad—nadeelen zoudt gij ze noemen, maar ik noem ze voordeelen—en dus zult gij uw kruit niet verspillen, dat durf ik wel zeggen.”„Mijnheer Bounderby,” zeide Jem, zich met een glimlach naar Louisa keerende, „is een edel ros in den natuurstaat, geheel vrij van het tuig der maatschappelijke vooroordeelen, waarin een knol gelijk ik moet loopen.”„Gij hebt zeer veel achting voor mijnheer Bounderby,” antwoordde zij koel, „en dat is niet meer dannatuurlijk.”Voor iemand die zooveel van de wereld gezien had, was hij schandelijk uit het veld geslagen en dacht: „Hoe moet ik dat opvatten?”„Gij zult u, naar ik begrijp uit hetgeen mijnheer Bounderby gezegd heeft, aan den dienst van uw vaderland toewijden,” zeide Louisa, nog voor hem staande waar zij het eerst was blijven staan—terwijl hare zelfbeheersching zonderling in strijd was met hare duidelijk zichtbare onrustigheid. „Gij hebt u voorgenomen om de natie den weg uit al hare moeielijkheden te wijzen.”„Neen, mevrouw Bounderby, op mijne eer, dat niet,” antwoordde hij lachende. „Ik wil bij u zoo iets niet voorwenden. Ik heb hier en daar het een en ander gezien, en ik heb bevonden dat alles even nietig is, gelijk iedereen gedaan heeft, hoewel sommigen het bekennen en anderen niet; ik zal nu in het Parlement pogen te komen als voorstander der meeningen van uw geachten vader, omdat ik inderdaad geene keus van meeningen heb, en deze dus even goed kan voorstaan als iets anders.”„Hebt gij dan geene eigene meeningen?” zeide Louisa.„Ik heb zelfs de geringste voorkeur niet meer over. Ik verzeker u, dat ik aan geene meeningen hoegenaamd eenig gewicht hecht. Het gevolg der verscheidenheden der verveling, die ik ondergaan heb, is de overtuiging (of overtuiging moest een te krachtig woord zijn voor het flauwe gevoel dat de zaak mij inboezemt), dat het eene systeem van begrippen evenveel goed en evenveel kwaad zal doen als het andere. Er is eene Engelsche familie met een fraai Italiaansch motto; „Wat gebeuren moet zal gebeuren.” Dat is de eenige waarheid, die nog leeft.”Deze huichelachtige vertooning van eerlijkheid bij oneerlijkheid—eene zoo gevaarlijke, zoo doodelijke en zoo gewone ondeugd—scheen, naar hij opmerkte, een weinig gunstiger voor hem te stemmen. Hij vervolgde zijn voordeel door op zijn luchtigsten toon—een toon waaraan zij zooveel of zoo weinig beteekenis kon hechten als zij verkoos—te zeggen: „De partij, die alles, wat het ook zijn mag, met eene rij cijfers kan bewijzen, mevrouw Bounderby, komt mij voor de meeste grappen te beloven en iemand de meeste kans te geven. Ik ben er evenzeer aan gehecht alsof ik er aan geloofde. En wat zou ik met mogelijkheid meer kunnen doen, als ik er aan geloofde!”„Gij zijt al zeer zonderling in uwe politiek,” zeide Louisa.„Ik verzoek wel verschooning; ik heb zelfsdie verdienste niet. Wij zouden de grootste partij in den staat uitmaken, mevrouw Bounderby, dat verzeker ik u, als wij allen uit de door ons gekozene gelederen stapten en te zamen gemonsterd werden.”Mijnheer Bounderby, die gevaar had geloopen door zijn stilzwijgen te barsten, viel er nu op in met een voorstel om het diner tot halfzeven uit te stellen en mijnheer James Harthouse intusschen eenige bezoeken te laten afleggen bij de notabiliteiten vanCoketownen den omtrek. De bezoeken werden afgelegd, en door een voorzichtig gebruik van zijne in den laatsten tijd van buiten geleerde kundigheden kwam mijnheer James Harthouse er zegepralend doorheen, hoewel met een aanmerkelijken aanwas van verveling.Des avonds vond hij de tafel voor vier gedekt, hoewel zij slechts met hun drieën plaats namen. Dit was eene geschikte gelegenheid voor mijnheer Bounderby om uit te weiden over den smaak van den halven stuiver gestoofde paling, die hij, toen hij acht jaren oud was, op straat had gekocht, en ook over het slechte water, meer in ’t bijzonder bestemd om de straat te begieten, waarmede hij dien maaltijd naar beneden had gespoeld. Onder de soep en de visch onthaalde hij zijn gast insgelijks op de berekening, dat hij, Bounderby, in zijne jeugd ten minste drie paarden, als rookworst of andere dingen vermomd, had opgegeten. Deze verhalen beantwoordde Jem nu en dan met een flauw „verrukkelijk!” en waarschijnlijk hadden zij hem doen besluiten om den volgenden ochtend weder naarJeruzalemte gaan, indien hij minder nieuwsgierig ten opzichte van Louisa ware geweest.„Is er dan niets,” dacht hij, haar aanziende, terwijl zij aan het hoofd der tafel zat, waar hare jeugdige gestalte, klein en tenger, maar gracieus, zich even bevallig als misplaatst vertoonde; „is er dan niets, dat eenige beweging in dat gezichtje kan brengen?”Ja, er was iets; daar kwam het, in eene onverwachte gedaante! Tom verscheen. Hare trekken veranderden toen de deur openging, en een heldere glimlach blonk op haar gelaat.Een schoone glimlach. Maar mijnheer James Harthouse zou er toch niet zooveel in gevonden hebben, als hij zich niet zoolang over haar strak gezicht had verwonderd. Zij stak hare hand uit—een fraai, zacht handje; en hare vingers sloten zich om die van haar broeder, alsof zij ze aan hare lippen had willen brengen.„Ha, ha!” dacht de gast. „Die hondsvot is het eenige schepsel waarom zij iets geeft. Zoo, zoo!”De hondsvot werd gepresenteerd en nam plaats. De benaming was hard, maar niet onverdiend.„Toen ik zoo oud was als gij, Tom,” zeide Bounderby, „paste ik op mijn tijd, of ik kreeg geen eten.”„Toen gij zoo oud waart als ik,” antwoordde Tom, „hadt gij geene verwarde rekening terecht te brengen en u dan naderhand nog te kleeden.”„Zwijg daar nu maar van,” zeide Bounderby.„Wel, begin dan ook niet met mij,” bromde Tom.„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, die dit gemompel duidelijk hoorde, „uw broeders gezicht komt mij zeer bekend voor. Kan ik hem buitenslands hebben gezien? of aan eene openbare school misschien?”„Neen,” antwoordde zij met zeer veel belangstelling, „hij is nooit buitenslands geweest, en hij is hier thuis opgevoed. Tom, lieve broeder, ik zeg daar aan mijnheer Harthouse, dat hij u niet buitenslands kan gezien hebben.”„Nooit zulk een fortuintje gehad, mijnheer,” zeide Tom.Er was weinig genoeg aan hem te zien om haar gezicht te doen ophelderen, want hij was lomp, stug en onvriendelijk in zijne manieren, zelfs voor haar. Des te grooter moest de eenzaamheid van haar hart zijn geweest, en hare behoefte om het aan iemand weg te schenken. „Des te meer is die hondsvot het eenige schepsel, waarom zij ooit gegeven heeft,” dacht mijnheer James Harthouse, al mijmerende, „des te meer, des te meer.”Zoowel in het bijzijn zijner zuster, als nadat zij de kamer verlaten had, gaf de hondsvot zich geene moeite om zijne minachting voor mijnheer Bounderby te verbergen, wanneer hij die, zonder dat dit onafhankelijk personage het opmerkte, kon aan den dag leggen door een scheef gezicht te trekken of met een oog te knippen. Zonder deze telegrafische mededeelingen te beantwoorden, moedigde mijnheer Harthouse hem echter in den loop van den avond zooveel mogelijk aan en toonde eene bijzondere ingenomenheid met hem.—Toen hij eindelijk opstond om weder naar zijn hotel te gaan en eenigen twijfel te kennen gaf, of hij bij den avond den weg wel zou weten te vinden, bood de hondsvot dadelijk zijn dienst als gids aan en ging met hem de straat op om hem daarheen te geleiden.

XVIII.MIJNHEER JAMES HARTHOUSE.

De partij van Gradgrind had helpers noodig om de Gratiën te vermoorden. Zij zocht overal recruten te werven; en waar kon zij gemakkelijker recruten vinden dan onder die overbeschaafdegentlemen, die, daar zij ontdekt hadden,dat alles even weinig—dat is niets—waardig is, daarom voor alles gereed waren?Bovendien hadden de edele geesten, die zich tot deze trotsche hoogte hadden verheven, iets aantrekkelijks voor velen uit de school van Gradgrind. Deze bewonderden die overbeschaafdegentlemen; zij hielden zich alsof zij het niet deden, maar het was toch zoo. Om hen na te bootsen, werden zij ook flauw en traag; zij kauwden hunne woorden evenals zij, en dischten met hetzelfde voorkomen van lustelooze onverschilligheid de beschimmelde portietjes staathuishoudkunde op, waarop zij hunne leerlingen onthaalden. Nooit voorheen had men op de wereld zulk een wonderlijk tweeslachtig ras gezien, als aldus werd voortgebracht.Onder de overbeschaafdegentlemen, die niet geheel tot de school van Gradgrind behoorden, was er een van goede familie en nog beter voorkomen, met een gelukkig talent voor het luimige, waarmede hij eens een ontzaglijken indruk op het Huis der Gemeenten had gemaakt, bij gelegenheid dat hij dit onthaalde op het verslag van een ongeluk op een spoorweg, uit zijn oogpunt en dat van den Raad van Toezicht beschouwd, waarbij de zorgvuldigste beambten, die men ooit gekend had, aangesteld door de onbekrompenste directie, waarvan men ooit had gehoord, geholpen door de fraaiste mechanische toestellen, die hem ooit had uitgevonden, alles gebezigd op de beste baan, die ooit was aangelegd, vijf menschen om hals geholpen en twee en dertig gekwetst hadden, door eene toevalligheid zonder welke het uitmuntende van het geheele stelsel eigenlijk incompleet zou zijn geweest. Onder de verslagenen was eene koe en onder de gevondene en ongeëigende voorwerpen eene weduwe-rouwmuts; en de achtingswaardige volksvertegenwoordiger had, door deze muts aan de koe op te zetten, den lachlust van het Huis (dat een fijn gevoel voor het luimige heeft) zoodanig geprikkeld, dat het niet meer ernstig van de lijkschouwing kon hooren spreken, en onder gelach en gejuich de spoorwegdirectie van alle verantwoording vrijsprak.Nu had deze heer een broeder van nog beter voorkomen dan hij, die eerst een proefje van het leven had genomen als kornet bij de dragonders, en het vervelend had gevonden, toen nog een proefje er van in het gevolg van een Engelsch minister buitenslands, en het weder vervelend had gevonden; toen naarJeruzalemwas gereisd en zich daar verveeld had; en toen met een jacht door de wereld had omgedwaald en zich overal had verveeld. Tegen dezen heer zeide het bovengemelde achtingswaardige en luimige Parlements-lid eens op een broederlijken toon: „Jem, er is goede kans onder de mannen van feiten en cijfers. Zij hebben nog helpers noodig. Waarom zoudt gij u niet door de statistiek in het Parlement laten brengen?” Jem, eenigszins ingenomen met het nieuwe van dit denkbeeld en zeer verlegen om eene verandering, was evenzeer gereed voor de statistiek als voor iets anders. Hij keek dus een paar boeken door, en zijn broeder bazuinde het uit onder de mannen van feiten en cijfers, en zeide: „Als gij voor de eene of andere plaats een jongen in het Parlement wilt brengen, die er knap uitziet en eene drommels mooie redevoering kan houden, neem dan mijn broeder Jem, want hij is uw man.” Na eenige proefnemingen in openbare vergaderingen, werd Jem door mijnheer Gradgrind en een raad van politieke wijzen goedgekeurd, en men besloot hem naarCoketownte zenden, om zich daar en in den omtrek bekend te maken. Zoo kwam Jem aan den brief, dien hij den vorigen avond aan mevrouw Sparsit had laten zien en dien mevrouw Bounderby nu voor zich had, met het adres: „Josiah Bounderby,Esquire, Bankier teCoketown. Tot bijzondere introductie van James Harthouse,Esquire. Thomas Gradgrind.”Binnen een uur na het ontvangen dezerdépêcheen het kaartje van mijnheer James Harthouse, zette mijnheer Bounderby zijn hoed op en ging naar het hotel. Daar vond hij mijnheer Harthouse, die uit het venster stond te kijken, in zulk eene jammerlijk neerslachtigestemming, dat hij reeds half genegen was om maar van de zaak af te zien.„Mijn naam, mijnheer,” zeide de binnenkomende, „is Josiah Bounderby vanCoketown.”Mijnheer James Harthouse was zeer verheugd (hoewel men het hem niet kon aanzien) over een genoegen, dat hij zoolang had verwacht.„Coketown, mijnheer,” zeide Bounderby, zich stevig op een stoel zettende, „is de soort van plaats niet waaraan gij gewoon zijt. Als gij het mij dus wilt veroorloven—of hetzij gij wilt of niet, want ik ben een rondborstig man—zal ik er u iets van zeggen eer wij verder gaan.”Mijnheer Harthouse zou verrukt wezen.„Houd u daar niet al te zeker van,” zeide Bounderby.„Ik beloof het u niet. Vooreerst, gij ziet onzen rook. Die is eten en drinken voor ons. Hij is het gezondste ding op de wereld in alle opzichten en vooral voor de long. Als gij een van hen zijt, die willen dat wij hem zullen laten verteren, ben ik uw tegenstander. Wij zullen de bodems onzer stoomketels niet sneller gaan verslijten dan wij nu doen, voor alle sentimenteele kwezelpraat inGroot-BrittanniëenIerland.”„Mijnheer Bounderby,” antwoordde mijnheer Harthouse, „ik verzeker u, dat ik geheel en volkomen van uwe gedachten ben—volgens overtuiging.”„Ik ben blij dit te hooren,” zeide Bounderby. „Nu hebt gij ook zonder twijfel een boel hooren praten over het werk in onze fabrieken, niet waar? Heel goed! Ik zal u de zaak doen kennen gelijk zij is. Het is het pleizierigste werk, en het lichtste werk, en het best betaalde werk dat er bestaat. Nog meer dan dat; wij zouden de fabrieken zelven niet meer kunnen verbeteren, of wij zouden Smirnasche tapijten op den grond moeten leggen—en zóó ver zullen wij niet gaan.”„Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Bounderby.”„Ten laatste,” zeide Bounderby, „wat onze arbeiders betreft. Er is geen hand in deze stad, mijnheer, man, vrouw of kind, of hij heeft maar één voornaam doel in het leven. Dat doel is, schildpadsoep, en wildbraad te eten en met een gouden lepel gevoerd te worden—maar geen van allen zullen zij ooit schildpadsoep en wildbraad eten of met een gouden lepel gevoerd worden, dat beloof ik u. En nu kent gij de stad.”Mijnheer Harthouse betuigde, dat hij dit kort begrip der geheele quaestie vanCoketownuiterst leerzaam had gevonden en er geheel door opgebeurd was.„Ja, ziet gij,” hervatte Bounderby, „het ligt in mijn karakter, dat ik tot volle verstandhouding met iemand wil komen, vooral met een publiek persoon, als ik met hem kennis maak. Nu heb ik u nog maar één ding meer te zeggen, mijnheer Harthouse, eer ik u verzeker, van het genoegen, waarmede ik aan den aanbevelingsbrief van mijn vriend, Tom Gradgrind, zal beantwoorden. Gij moet u zelven niet bedriegen door u een oogenblik te verbeelden, dat ik een man van afkomst ben. Ik ben eene echte spruit van het janhagel, van het uitvaagsel der maatschappij.”Indien iets nog Jem’s belangstelling in mijnheer Bounderby had kunnen verhoogen, zou het dit zijn geweest—zoo zeide hij tenminste.„Zoo geven wij elkander dus op gelijken voet de hand,” zeide Bounderby. „Ik zeg op gelijken voet, omdat ik, hoewel ik weet wat ik ben, en beter dan iemand zeggen kan hoe diep de modderpoel was waaruit ik mij heb omhoog gewerkt, even trotsch ben als gij. Ik ben even trotsch als gij. En nu ik mijne onafhankelijkheid op eene behoorlijke manier heb doen gelden, mag ik er toe overgaan om te vragen, hoe gij vaart, en ik hoop, dat ge tamelijk wel zijt.”„Nog beter dan anders,” gaf mijnheer Harthouse te verstaan, „door de gezonde lucht vanCoketown,” en mijnheer Bounderby nam dit antwoord zeer gunstig op.„Misschien weet gij,” zeide hij, „of misschien weet gij niet, dat ik met Tom Gradgrind’s dochter getrouwd ben. Indien gij niets beters te doen hebt dan eens met mij door de stad te wandelen, zal ik u gaarne bij Tom Gradgrind’s dochter introduceeren.”„Mijnheer Bounderby,” antwoordde Jem, „gij voorkomt mijne dierbaarste wenschen.”Zij gingen zonder meer te spreken op weg en mijnheer Bounderby geleidde zijn nieuwen bekende, die zoo sterk bij hem afstak, naar het huis van rooden baksteen, met de zwarte luiken van buiten, de groene rolgordijnen van binnen en de zwarte deur boven de witte stoep van twee treden; en in de voorkamer van dat huis trad hun weldra het zonderlingste vrouwelijk wezen te gemoet, dat mijnheer James Harthouse nog ooit gezien had. Zij was zoo gedwongen en toch zoo achteloos, zoo stroef en toch zoo wakker, zoo koel en trotsch en toch zoo pijnlijk beschaamd over de snoevende nederigheid van haar echtgenoot—waarvan zij huiverde alsof ieder blijk daarvan een slag of een dolksteek was—dat het waarnemen van zulk eene vrouw hem een geheel nieuwe aandoening gaf. Haar gezicht was niet minder opmerkelijk dan hare manieren. Hare trekken waren bevallig, maar hun natuurlijk spel werd onder zulk een strakheid bedwongen, dat het onmogelijk was de ware uitdrukking daarvan te raden. Volkomen onverschillig, geheel zeker van zich zelve, nooit verlegen, en toch nooit op haar gemak, naar het lichaam in gezelschap met hen, terwijl haar geest blijkbaar geheel alleen was, kon het hem vooralsnog niet baten, dat hij zijne scherpzinnigheid inspande omdeze vrouw te begrijpen, want zij stelde alle scherpzinnigheid teleur.Van de vrouw des huizes wierp de vreemdeling een blik op het huis zelf. Geen stilzwijgend blijk van de aanwezigheid eener vrouw was in de kamer te bespeuren. Geen klein maar bevallig sieraad, geen aardig uitgedacht voorwerp tot gebruik of gemak duidde ergens haar invloed aan. Met brallenden rijkdom, maar zonder smaak gemeubileerd, evenmin vroolijk als gemakkelijk, staarde de kamer de aanwezigen aan, zonder door het minste spoor van eenige vrouwelijke bezigheid verlevendigd of verzacht te worden. Gelijk mijnheer Bounderby te midden zijner huisgoden stond, zoo besloegen die ongenadige godheden hare plaatsen om mijnheer Bounderby heen; zij waren elkander waardig en wel gepaard.„Dit, mijnheer,” zeide Bounderby, „is mijne vrouw, mevrouw Bounderby. Tom Gradgrind’s oudste dochter. Louisa, mijnheer James Harthouse. Mijnheer Harthouse heeft zich op de monsterrol van uw vader laten zetten. Als hij niet eerlang Tom Gradgrind’s collega is, geloof ik dat wij toch weldra uit een van onze naburige steden van hem zullen hooren. Gij merkt wel op, mijnheer Harthouse, dat mijne vrouw jonger is dan ik. Ik weet niet wat zij bijzonders in mij gezien heeft om mij te trouwen; maar zij moet toch iets in mij gezien hebben, denk ik, of zij zou mij niet getrouwd hebben. Zij heeft een hoop kostbare kundigheden verzameld, mijnheer, politieke en andere. Als gij u spoedig in het een of ander op de hoogte wilt brengen, kan ik u geene betere raadgeefster aanraden dan Louisa Bounderby.”Mijnheer Harthouse was overtuigd, dat hem geene meer beminnelijke raadgeefster kon worden aanbevolen, of eene waarvan hijzooveelkans had om te leeren.„Komaan,” zeide zijn gastheer. „Als gij hier in complimenten wilt gaan handelen, zult ge wel voortkomen, want gij zult geene concurrentie vinden. Ik heb nooit gelegenheid gehad om complimenten te leeren, en ik versta de kunst niet om ze te maken. Om de waarheid te zeggen, ik veracht ze. Maar uwe opvoeding is geheel anders geweest dan de mijne; de mijne was er eene van stavast, dat zeg ik u. Gij zijt eengentleman, en ik wil mij daarvoor niet uitgeven. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown, en dat is genoeg voor mij. Evenwel, schoon manieren en stand op mij geen indruk maken, mogen zij dat wel op Louisa Bounderby doen. Zij heeft mijne voordeelen niet gehad—nadeelen zoudt gij ze noemen, maar ik noem ze voordeelen—en dus zult gij uw kruit niet verspillen, dat durf ik wel zeggen.”„Mijnheer Bounderby,” zeide Jem, zich met een glimlach naar Louisa keerende, „is een edel ros in den natuurstaat, geheel vrij van het tuig der maatschappelijke vooroordeelen, waarin een knol gelijk ik moet loopen.”„Gij hebt zeer veel achting voor mijnheer Bounderby,” antwoordde zij koel, „en dat is niet meer dannatuurlijk.”Voor iemand die zooveel van de wereld gezien had, was hij schandelijk uit het veld geslagen en dacht: „Hoe moet ik dat opvatten?”„Gij zult u, naar ik begrijp uit hetgeen mijnheer Bounderby gezegd heeft, aan den dienst van uw vaderland toewijden,” zeide Louisa, nog voor hem staande waar zij het eerst was blijven staan—terwijl hare zelfbeheersching zonderling in strijd was met hare duidelijk zichtbare onrustigheid. „Gij hebt u voorgenomen om de natie den weg uit al hare moeielijkheden te wijzen.”„Neen, mevrouw Bounderby, op mijne eer, dat niet,” antwoordde hij lachende. „Ik wil bij u zoo iets niet voorwenden. Ik heb hier en daar het een en ander gezien, en ik heb bevonden dat alles even nietig is, gelijk iedereen gedaan heeft, hoewel sommigen het bekennen en anderen niet; ik zal nu in het Parlement pogen te komen als voorstander der meeningen van uw geachten vader, omdat ik inderdaad geene keus van meeningen heb, en deze dus even goed kan voorstaan als iets anders.”„Hebt gij dan geene eigene meeningen?” zeide Louisa.„Ik heb zelfs de geringste voorkeur niet meer over. Ik verzeker u, dat ik aan geene meeningen hoegenaamd eenig gewicht hecht. Het gevolg der verscheidenheden der verveling, die ik ondergaan heb, is de overtuiging (of overtuiging moest een te krachtig woord zijn voor het flauwe gevoel dat de zaak mij inboezemt), dat het eene systeem van begrippen evenveel goed en evenveel kwaad zal doen als het andere. Er is eene Engelsche familie met een fraai Italiaansch motto; „Wat gebeuren moet zal gebeuren.” Dat is de eenige waarheid, die nog leeft.”Deze huichelachtige vertooning van eerlijkheid bij oneerlijkheid—eene zoo gevaarlijke, zoo doodelijke en zoo gewone ondeugd—scheen, naar hij opmerkte, een weinig gunstiger voor hem te stemmen. Hij vervolgde zijn voordeel door op zijn luchtigsten toon—een toon waaraan zij zooveel of zoo weinig beteekenis kon hechten als zij verkoos—te zeggen: „De partij, die alles, wat het ook zijn mag, met eene rij cijfers kan bewijzen, mevrouw Bounderby, komt mij voor de meeste grappen te beloven en iemand de meeste kans te geven. Ik ben er evenzeer aan gehecht alsof ik er aan geloofde. En wat zou ik met mogelijkheid meer kunnen doen, als ik er aan geloofde!”„Gij zijt al zeer zonderling in uwe politiek,” zeide Louisa.„Ik verzoek wel verschooning; ik heb zelfsdie verdienste niet. Wij zouden de grootste partij in den staat uitmaken, mevrouw Bounderby, dat verzeker ik u, als wij allen uit de door ons gekozene gelederen stapten en te zamen gemonsterd werden.”Mijnheer Bounderby, die gevaar had geloopen door zijn stilzwijgen te barsten, viel er nu op in met een voorstel om het diner tot halfzeven uit te stellen en mijnheer James Harthouse intusschen eenige bezoeken te laten afleggen bij de notabiliteiten vanCoketownen den omtrek. De bezoeken werden afgelegd, en door een voorzichtig gebruik van zijne in den laatsten tijd van buiten geleerde kundigheden kwam mijnheer James Harthouse er zegepralend doorheen, hoewel met een aanmerkelijken aanwas van verveling.Des avonds vond hij de tafel voor vier gedekt, hoewel zij slechts met hun drieën plaats namen. Dit was eene geschikte gelegenheid voor mijnheer Bounderby om uit te weiden over den smaak van den halven stuiver gestoofde paling, die hij, toen hij acht jaren oud was, op straat had gekocht, en ook over het slechte water, meer in ’t bijzonder bestemd om de straat te begieten, waarmede hij dien maaltijd naar beneden had gespoeld. Onder de soep en de visch onthaalde hij zijn gast insgelijks op de berekening, dat hij, Bounderby, in zijne jeugd ten minste drie paarden, als rookworst of andere dingen vermomd, had opgegeten. Deze verhalen beantwoordde Jem nu en dan met een flauw „verrukkelijk!” en waarschijnlijk hadden zij hem doen besluiten om den volgenden ochtend weder naarJeruzalemte gaan, indien hij minder nieuwsgierig ten opzichte van Louisa ware geweest.„Is er dan niets,” dacht hij, haar aanziende, terwijl zij aan het hoofd der tafel zat, waar hare jeugdige gestalte, klein en tenger, maar gracieus, zich even bevallig als misplaatst vertoonde; „is er dan niets, dat eenige beweging in dat gezichtje kan brengen?”Ja, er was iets; daar kwam het, in eene onverwachte gedaante! Tom verscheen. Hare trekken veranderden toen de deur openging, en een heldere glimlach blonk op haar gelaat.Een schoone glimlach. Maar mijnheer James Harthouse zou er toch niet zooveel in gevonden hebben, als hij zich niet zoolang over haar strak gezicht had verwonderd. Zij stak hare hand uit—een fraai, zacht handje; en hare vingers sloten zich om die van haar broeder, alsof zij ze aan hare lippen had willen brengen.„Ha, ha!” dacht de gast. „Die hondsvot is het eenige schepsel waarom zij iets geeft. Zoo, zoo!”De hondsvot werd gepresenteerd en nam plaats. De benaming was hard, maar niet onverdiend.„Toen ik zoo oud was als gij, Tom,” zeide Bounderby, „paste ik op mijn tijd, of ik kreeg geen eten.”„Toen gij zoo oud waart als ik,” antwoordde Tom, „hadt gij geene verwarde rekening terecht te brengen en u dan naderhand nog te kleeden.”„Zwijg daar nu maar van,” zeide Bounderby.„Wel, begin dan ook niet met mij,” bromde Tom.„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, die dit gemompel duidelijk hoorde, „uw broeders gezicht komt mij zeer bekend voor. Kan ik hem buitenslands hebben gezien? of aan eene openbare school misschien?”„Neen,” antwoordde zij met zeer veel belangstelling, „hij is nooit buitenslands geweest, en hij is hier thuis opgevoed. Tom, lieve broeder, ik zeg daar aan mijnheer Harthouse, dat hij u niet buitenslands kan gezien hebben.”„Nooit zulk een fortuintje gehad, mijnheer,” zeide Tom.Er was weinig genoeg aan hem te zien om haar gezicht te doen ophelderen, want hij was lomp, stug en onvriendelijk in zijne manieren, zelfs voor haar. Des te grooter moest de eenzaamheid van haar hart zijn geweest, en hare behoefte om het aan iemand weg te schenken. „Des te meer is die hondsvot het eenige schepsel, waarom zij ooit gegeven heeft,” dacht mijnheer James Harthouse, al mijmerende, „des te meer, des te meer.”Zoowel in het bijzijn zijner zuster, als nadat zij de kamer verlaten had, gaf de hondsvot zich geene moeite om zijne minachting voor mijnheer Bounderby te verbergen, wanneer hij die, zonder dat dit onafhankelijk personage het opmerkte, kon aan den dag leggen door een scheef gezicht te trekken of met een oog te knippen. Zonder deze telegrafische mededeelingen te beantwoorden, moedigde mijnheer Harthouse hem echter in den loop van den avond zooveel mogelijk aan en toonde eene bijzondere ingenomenheid met hem.—Toen hij eindelijk opstond om weder naar zijn hotel te gaan en eenigen twijfel te kennen gaf, of hij bij den avond den weg wel zou weten te vinden, bood de hondsvot dadelijk zijn dienst als gids aan en ging met hem de straat op om hem daarheen te geleiden.

De partij van Gradgrind had helpers noodig om de Gratiën te vermoorden. Zij zocht overal recruten te werven; en waar kon zij gemakkelijker recruten vinden dan onder die overbeschaafdegentlemen, die, daar zij ontdekt hadden,dat alles even weinig—dat is niets—waardig is, daarom voor alles gereed waren?

Bovendien hadden de edele geesten, die zich tot deze trotsche hoogte hadden verheven, iets aantrekkelijks voor velen uit de school van Gradgrind. Deze bewonderden die overbeschaafdegentlemen; zij hielden zich alsof zij het niet deden, maar het was toch zoo. Om hen na te bootsen, werden zij ook flauw en traag; zij kauwden hunne woorden evenals zij, en dischten met hetzelfde voorkomen van lustelooze onverschilligheid de beschimmelde portietjes staathuishoudkunde op, waarop zij hunne leerlingen onthaalden. Nooit voorheen had men op de wereld zulk een wonderlijk tweeslachtig ras gezien, als aldus werd voortgebracht.

Onder de overbeschaafdegentlemen, die niet geheel tot de school van Gradgrind behoorden, was er een van goede familie en nog beter voorkomen, met een gelukkig talent voor het luimige, waarmede hij eens een ontzaglijken indruk op het Huis der Gemeenten had gemaakt, bij gelegenheid dat hij dit onthaalde op het verslag van een ongeluk op een spoorweg, uit zijn oogpunt en dat van den Raad van Toezicht beschouwd, waarbij de zorgvuldigste beambten, die men ooit gekend had, aangesteld door de onbekrompenste directie, waarvan men ooit had gehoord, geholpen door de fraaiste mechanische toestellen, die hem ooit had uitgevonden, alles gebezigd op de beste baan, die ooit was aangelegd, vijf menschen om hals geholpen en twee en dertig gekwetst hadden, door eene toevalligheid zonder welke het uitmuntende van het geheele stelsel eigenlijk incompleet zou zijn geweest. Onder de verslagenen was eene koe en onder de gevondene en ongeëigende voorwerpen eene weduwe-rouwmuts; en de achtingswaardige volksvertegenwoordiger had, door deze muts aan de koe op te zetten, den lachlust van het Huis (dat een fijn gevoel voor het luimige heeft) zoodanig geprikkeld, dat het niet meer ernstig van de lijkschouwing kon hooren spreken, en onder gelach en gejuich de spoorwegdirectie van alle verantwoording vrijsprak.

Nu had deze heer een broeder van nog beter voorkomen dan hij, die eerst een proefje van het leven had genomen als kornet bij de dragonders, en het vervelend had gevonden, toen nog een proefje er van in het gevolg van een Engelsch minister buitenslands, en het weder vervelend had gevonden; toen naarJeruzalemwas gereisd en zich daar verveeld had; en toen met een jacht door de wereld had omgedwaald en zich overal had verveeld. Tegen dezen heer zeide het bovengemelde achtingswaardige en luimige Parlements-lid eens op een broederlijken toon: „Jem, er is goede kans onder de mannen van feiten en cijfers. Zij hebben nog helpers noodig. Waarom zoudt gij u niet door de statistiek in het Parlement laten brengen?” Jem, eenigszins ingenomen met het nieuwe van dit denkbeeld en zeer verlegen om eene verandering, was evenzeer gereed voor de statistiek als voor iets anders. Hij keek dus een paar boeken door, en zijn broeder bazuinde het uit onder de mannen van feiten en cijfers, en zeide: „Als gij voor de eene of andere plaats een jongen in het Parlement wilt brengen, die er knap uitziet en eene drommels mooie redevoering kan houden, neem dan mijn broeder Jem, want hij is uw man.” Na eenige proefnemingen in openbare vergaderingen, werd Jem door mijnheer Gradgrind en een raad van politieke wijzen goedgekeurd, en men besloot hem naarCoketownte zenden, om zich daar en in den omtrek bekend te maken. Zoo kwam Jem aan den brief, dien hij den vorigen avond aan mevrouw Sparsit had laten zien en dien mevrouw Bounderby nu voor zich had, met het adres: „Josiah Bounderby,Esquire, Bankier teCoketown. Tot bijzondere introductie van James Harthouse,Esquire. Thomas Gradgrind.”

Binnen een uur na het ontvangen dezerdépêcheen het kaartje van mijnheer James Harthouse, zette mijnheer Bounderby zijn hoed op en ging naar het hotel. Daar vond hij mijnheer Harthouse, die uit het venster stond te kijken, in zulk eene jammerlijk neerslachtigestemming, dat hij reeds half genegen was om maar van de zaak af te zien.

„Mijn naam, mijnheer,” zeide de binnenkomende, „is Josiah Bounderby vanCoketown.”

Mijnheer James Harthouse was zeer verheugd (hoewel men het hem niet kon aanzien) over een genoegen, dat hij zoolang had verwacht.

„Coketown, mijnheer,” zeide Bounderby, zich stevig op een stoel zettende, „is de soort van plaats niet waaraan gij gewoon zijt. Als gij het mij dus wilt veroorloven—of hetzij gij wilt of niet, want ik ben een rondborstig man—zal ik er u iets van zeggen eer wij verder gaan.”

Mijnheer Harthouse zou verrukt wezen.

„Houd u daar niet al te zeker van,” zeide Bounderby.„Ik beloof het u niet. Vooreerst, gij ziet onzen rook. Die is eten en drinken voor ons. Hij is het gezondste ding op de wereld in alle opzichten en vooral voor de long. Als gij een van hen zijt, die willen dat wij hem zullen laten verteren, ben ik uw tegenstander. Wij zullen de bodems onzer stoomketels niet sneller gaan verslijten dan wij nu doen, voor alle sentimenteele kwezelpraat inGroot-BrittanniëenIerland.”

„Mijnheer Bounderby,” antwoordde mijnheer Harthouse, „ik verzeker u, dat ik geheel en volkomen van uwe gedachten ben—volgens overtuiging.”

„Ik ben blij dit te hooren,” zeide Bounderby. „Nu hebt gij ook zonder twijfel een boel hooren praten over het werk in onze fabrieken, niet waar? Heel goed! Ik zal u de zaak doen kennen gelijk zij is. Het is het pleizierigste werk, en het lichtste werk, en het best betaalde werk dat er bestaat. Nog meer dan dat; wij zouden de fabrieken zelven niet meer kunnen verbeteren, of wij zouden Smirnasche tapijten op den grond moeten leggen—en zóó ver zullen wij niet gaan.”

„Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Bounderby.”

„Ten laatste,” zeide Bounderby, „wat onze arbeiders betreft. Er is geen hand in deze stad, mijnheer, man, vrouw of kind, of hij heeft maar één voornaam doel in het leven. Dat doel is, schildpadsoep, en wildbraad te eten en met een gouden lepel gevoerd te worden—maar geen van allen zullen zij ooit schildpadsoep en wildbraad eten of met een gouden lepel gevoerd worden, dat beloof ik u. En nu kent gij de stad.”

Mijnheer Harthouse betuigde, dat hij dit kort begrip der geheele quaestie vanCoketownuiterst leerzaam had gevonden en er geheel door opgebeurd was.

„Ja, ziet gij,” hervatte Bounderby, „het ligt in mijn karakter, dat ik tot volle verstandhouding met iemand wil komen, vooral met een publiek persoon, als ik met hem kennis maak. Nu heb ik u nog maar één ding meer te zeggen, mijnheer Harthouse, eer ik u verzeker, van het genoegen, waarmede ik aan den aanbevelingsbrief van mijn vriend, Tom Gradgrind, zal beantwoorden. Gij moet u zelven niet bedriegen door u een oogenblik te verbeelden, dat ik een man van afkomst ben. Ik ben eene echte spruit van het janhagel, van het uitvaagsel der maatschappij.”

Indien iets nog Jem’s belangstelling in mijnheer Bounderby had kunnen verhoogen, zou het dit zijn geweest—zoo zeide hij tenminste.

„Zoo geven wij elkander dus op gelijken voet de hand,” zeide Bounderby. „Ik zeg op gelijken voet, omdat ik, hoewel ik weet wat ik ben, en beter dan iemand zeggen kan hoe diep de modderpoel was waaruit ik mij heb omhoog gewerkt, even trotsch ben als gij. Ik ben even trotsch als gij. En nu ik mijne onafhankelijkheid op eene behoorlijke manier heb doen gelden, mag ik er toe overgaan om te vragen, hoe gij vaart, en ik hoop, dat ge tamelijk wel zijt.”

„Nog beter dan anders,” gaf mijnheer Harthouse te verstaan, „door de gezonde lucht vanCoketown,” en mijnheer Bounderby nam dit antwoord zeer gunstig op.

„Misschien weet gij,” zeide hij, „of misschien weet gij niet, dat ik met Tom Gradgrind’s dochter getrouwd ben. Indien gij niets beters te doen hebt dan eens met mij door de stad te wandelen, zal ik u gaarne bij Tom Gradgrind’s dochter introduceeren.”

„Mijnheer Bounderby,” antwoordde Jem, „gij voorkomt mijne dierbaarste wenschen.”

Zij gingen zonder meer te spreken op weg en mijnheer Bounderby geleidde zijn nieuwen bekende, die zoo sterk bij hem afstak, naar het huis van rooden baksteen, met de zwarte luiken van buiten, de groene rolgordijnen van binnen en de zwarte deur boven de witte stoep van twee treden; en in de voorkamer van dat huis trad hun weldra het zonderlingste vrouwelijk wezen te gemoet, dat mijnheer James Harthouse nog ooit gezien had. Zij was zoo gedwongen en toch zoo achteloos, zoo stroef en toch zoo wakker, zoo koel en trotsch en toch zoo pijnlijk beschaamd over de snoevende nederigheid van haar echtgenoot—waarvan zij huiverde alsof ieder blijk daarvan een slag of een dolksteek was—dat het waarnemen van zulk eene vrouw hem een geheel nieuwe aandoening gaf. Haar gezicht was niet minder opmerkelijk dan hare manieren. Hare trekken waren bevallig, maar hun natuurlijk spel werd onder zulk een strakheid bedwongen, dat het onmogelijk was de ware uitdrukking daarvan te raden. Volkomen onverschillig, geheel zeker van zich zelve, nooit verlegen, en toch nooit op haar gemak, naar het lichaam in gezelschap met hen, terwijl haar geest blijkbaar geheel alleen was, kon het hem vooralsnog niet baten, dat hij zijne scherpzinnigheid inspande omdeze vrouw te begrijpen, want zij stelde alle scherpzinnigheid teleur.

Van de vrouw des huizes wierp de vreemdeling een blik op het huis zelf. Geen stilzwijgend blijk van de aanwezigheid eener vrouw was in de kamer te bespeuren. Geen klein maar bevallig sieraad, geen aardig uitgedacht voorwerp tot gebruik of gemak duidde ergens haar invloed aan. Met brallenden rijkdom, maar zonder smaak gemeubileerd, evenmin vroolijk als gemakkelijk, staarde de kamer de aanwezigen aan, zonder door het minste spoor van eenige vrouwelijke bezigheid verlevendigd of verzacht te worden. Gelijk mijnheer Bounderby te midden zijner huisgoden stond, zoo besloegen die ongenadige godheden hare plaatsen om mijnheer Bounderby heen; zij waren elkander waardig en wel gepaard.

„Dit, mijnheer,” zeide Bounderby, „is mijne vrouw, mevrouw Bounderby. Tom Gradgrind’s oudste dochter. Louisa, mijnheer James Harthouse. Mijnheer Harthouse heeft zich op de monsterrol van uw vader laten zetten. Als hij niet eerlang Tom Gradgrind’s collega is, geloof ik dat wij toch weldra uit een van onze naburige steden van hem zullen hooren. Gij merkt wel op, mijnheer Harthouse, dat mijne vrouw jonger is dan ik. Ik weet niet wat zij bijzonders in mij gezien heeft om mij te trouwen; maar zij moet toch iets in mij gezien hebben, denk ik, of zij zou mij niet getrouwd hebben. Zij heeft een hoop kostbare kundigheden verzameld, mijnheer, politieke en andere. Als gij u spoedig in het een of ander op de hoogte wilt brengen, kan ik u geene betere raadgeefster aanraden dan Louisa Bounderby.”

Mijnheer Harthouse was overtuigd, dat hem geene meer beminnelijke raadgeefster kon worden aanbevolen, of eene waarvan hijzooveelkans had om te leeren.

„Komaan,” zeide zijn gastheer. „Als gij hier in complimenten wilt gaan handelen, zult ge wel voortkomen, want gij zult geene concurrentie vinden. Ik heb nooit gelegenheid gehad om complimenten te leeren, en ik versta de kunst niet om ze te maken. Om de waarheid te zeggen, ik veracht ze. Maar uwe opvoeding is geheel anders geweest dan de mijne; de mijne was er eene van stavast, dat zeg ik u. Gij zijt eengentleman, en ik wil mij daarvoor niet uitgeven. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown, en dat is genoeg voor mij. Evenwel, schoon manieren en stand op mij geen indruk maken, mogen zij dat wel op Louisa Bounderby doen. Zij heeft mijne voordeelen niet gehad—nadeelen zoudt gij ze noemen, maar ik noem ze voordeelen—en dus zult gij uw kruit niet verspillen, dat durf ik wel zeggen.”

„Mijnheer Bounderby,” zeide Jem, zich met een glimlach naar Louisa keerende, „is een edel ros in den natuurstaat, geheel vrij van het tuig der maatschappelijke vooroordeelen, waarin een knol gelijk ik moet loopen.”

„Gij hebt zeer veel achting voor mijnheer Bounderby,” antwoordde zij koel, „en dat is niet meer dannatuurlijk.”

Voor iemand die zooveel van de wereld gezien had, was hij schandelijk uit het veld geslagen en dacht: „Hoe moet ik dat opvatten?”

„Gij zult u, naar ik begrijp uit hetgeen mijnheer Bounderby gezegd heeft, aan den dienst van uw vaderland toewijden,” zeide Louisa, nog voor hem staande waar zij het eerst was blijven staan—terwijl hare zelfbeheersching zonderling in strijd was met hare duidelijk zichtbare onrustigheid. „Gij hebt u voorgenomen om de natie den weg uit al hare moeielijkheden te wijzen.”

„Neen, mevrouw Bounderby, op mijne eer, dat niet,” antwoordde hij lachende. „Ik wil bij u zoo iets niet voorwenden. Ik heb hier en daar het een en ander gezien, en ik heb bevonden dat alles even nietig is, gelijk iedereen gedaan heeft, hoewel sommigen het bekennen en anderen niet; ik zal nu in het Parlement pogen te komen als voorstander der meeningen van uw geachten vader, omdat ik inderdaad geene keus van meeningen heb, en deze dus even goed kan voorstaan als iets anders.”

„Hebt gij dan geene eigene meeningen?” zeide Louisa.

„Ik heb zelfs de geringste voorkeur niet meer over. Ik verzeker u, dat ik aan geene meeningen hoegenaamd eenig gewicht hecht. Het gevolg der verscheidenheden der verveling, die ik ondergaan heb, is de overtuiging (of overtuiging moest een te krachtig woord zijn voor het flauwe gevoel dat de zaak mij inboezemt), dat het eene systeem van begrippen evenveel goed en evenveel kwaad zal doen als het andere. Er is eene Engelsche familie met een fraai Italiaansch motto; „Wat gebeuren moet zal gebeuren.” Dat is de eenige waarheid, die nog leeft.”

Deze huichelachtige vertooning van eerlijkheid bij oneerlijkheid—eene zoo gevaarlijke, zoo doodelijke en zoo gewone ondeugd—scheen, naar hij opmerkte, een weinig gunstiger voor hem te stemmen. Hij vervolgde zijn voordeel door op zijn luchtigsten toon—een toon waaraan zij zooveel of zoo weinig beteekenis kon hechten als zij verkoos—te zeggen: „De partij, die alles, wat het ook zijn mag, met eene rij cijfers kan bewijzen, mevrouw Bounderby, komt mij voor de meeste grappen te beloven en iemand de meeste kans te geven. Ik ben er evenzeer aan gehecht alsof ik er aan geloofde. En wat zou ik met mogelijkheid meer kunnen doen, als ik er aan geloofde!”

„Gij zijt al zeer zonderling in uwe politiek,” zeide Louisa.

„Ik verzoek wel verschooning; ik heb zelfsdie verdienste niet. Wij zouden de grootste partij in den staat uitmaken, mevrouw Bounderby, dat verzeker ik u, als wij allen uit de door ons gekozene gelederen stapten en te zamen gemonsterd werden.”

Mijnheer Bounderby, die gevaar had geloopen door zijn stilzwijgen te barsten, viel er nu op in met een voorstel om het diner tot halfzeven uit te stellen en mijnheer James Harthouse intusschen eenige bezoeken te laten afleggen bij de notabiliteiten vanCoketownen den omtrek. De bezoeken werden afgelegd, en door een voorzichtig gebruik van zijne in den laatsten tijd van buiten geleerde kundigheden kwam mijnheer James Harthouse er zegepralend doorheen, hoewel met een aanmerkelijken aanwas van verveling.

Des avonds vond hij de tafel voor vier gedekt, hoewel zij slechts met hun drieën plaats namen. Dit was eene geschikte gelegenheid voor mijnheer Bounderby om uit te weiden over den smaak van den halven stuiver gestoofde paling, die hij, toen hij acht jaren oud was, op straat had gekocht, en ook over het slechte water, meer in ’t bijzonder bestemd om de straat te begieten, waarmede hij dien maaltijd naar beneden had gespoeld. Onder de soep en de visch onthaalde hij zijn gast insgelijks op de berekening, dat hij, Bounderby, in zijne jeugd ten minste drie paarden, als rookworst of andere dingen vermomd, had opgegeten. Deze verhalen beantwoordde Jem nu en dan met een flauw „verrukkelijk!” en waarschijnlijk hadden zij hem doen besluiten om den volgenden ochtend weder naarJeruzalemte gaan, indien hij minder nieuwsgierig ten opzichte van Louisa ware geweest.

„Is er dan niets,” dacht hij, haar aanziende, terwijl zij aan het hoofd der tafel zat, waar hare jeugdige gestalte, klein en tenger, maar gracieus, zich even bevallig als misplaatst vertoonde; „is er dan niets, dat eenige beweging in dat gezichtje kan brengen?”

Ja, er was iets; daar kwam het, in eene onverwachte gedaante! Tom verscheen. Hare trekken veranderden toen de deur openging, en een heldere glimlach blonk op haar gelaat.

Een schoone glimlach. Maar mijnheer James Harthouse zou er toch niet zooveel in gevonden hebben, als hij zich niet zoolang over haar strak gezicht had verwonderd. Zij stak hare hand uit—een fraai, zacht handje; en hare vingers sloten zich om die van haar broeder, alsof zij ze aan hare lippen had willen brengen.

„Ha, ha!” dacht de gast. „Die hondsvot is het eenige schepsel waarom zij iets geeft. Zoo, zoo!”

De hondsvot werd gepresenteerd en nam plaats. De benaming was hard, maar niet onverdiend.

„Toen ik zoo oud was als gij, Tom,” zeide Bounderby, „paste ik op mijn tijd, of ik kreeg geen eten.”

„Toen gij zoo oud waart als ik,” antwoordde Tom, „hadt gij geene verwarde rekening terecht te brengen en u dan naderhand nog te kleeden.”

„Zwijg daar nu maar van,” zeide Bounderby.

„Wel, begin dan ook niet met mij,” bromde Tom.

„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, die dit gemompel duidelijk hoorde, „uw broeders gezicht komt mij zeer bekend voor. Kan ik hem buitenslands hebben gezien? of aan eene openbare school misschien?”

„Neen,” antwoordde zij met zeer veel belangstelling, „hij is nooit buitenslands geweest, en hij is hier thuis opgevoed. Tom, lieve broeder, ik zeg daar aan mijnheer Harthouse, dat hij u niet buitenslands kan gezien hebben.”

„Nooit zulk een fortuintje gehad, mijnheer,” zeide Tom.

Er was weinig genoeg aan hem te zien om haar gezicht te doen ophelderen, want hij was lomp, stug en onvriendelijk in zijne manieren, zelfs voor haar. Des te grooter moest de eenzaamheid van haar hart zijn geweest, en hare behoefte om het aan iemand weg te schenken. „Des te meer is die hondsvot het eenige schepsel, waarom zij ooit gegeven heeft,” dacht mijnheer James Harthouse, al mijmerende, „des te meer, des te meer.”

Zoowel in het bijzijn zijner zuster, als nadat zij de kamer verlaten had, gaf de hondsvot zich geene moeite om zijne minachting voor mijnheer Bounderby te verbergen, wanneer hij die, zonder dat dit onafhankelijk personage het opmerkte, kon aan den dag leggen door een scheef gezicht te trekken of met een oog te knippen. Zonder deze telegrafische mededeelingen te beantwoorden, moedigde mijnheer Harthouse hem echter in den loop van den avond zooveel mogelijk aan en toonde eene bijzondere ingenomenheid met hem.—Toen hij eindelijk opstond om weder naar zijn hotel te gaan en eenigen twijfel te kennen gaf, of hij bij den avond den weg wel zou weten te vinden, bood de hondsvot dadelijk zijn dienst als gids aan en ging met hem de straat op om hem daarheen te geleiden.


Back to IndexNext