XI.GEEN UITWEG.De schitterende verlichting der Tooverpaleizen maakte voor het aanbreken van den dag de reusachtige rookslangen zichtbaar, die zich overCoketownvoortkronkelden. Daarop volgde een gekletter van houten overschoenen over de straatsteenen, een gebengel van klokken; en al de tot stille razernij vervallene olifanten, voor het eentonige leven van dien dag opgepoetst en geolied, waren weder in logge beweging.Stephen boog zich over zijn getouw, stil, waakzaam en oplettend. Een opmerkenswaardig contrast vormde hij aldus—gelijk ieder man deed in dat woud van weefgetouwen, waarin Stephen werkte—met de kletterende, ratelende, als ijlhoofdig voortjagende machine, waaraan hij werkte. Weest niet bang, goede, zwaartillende lieden, dat de kunst de natuur in vergetelheid zal brengen. Plaatst, waar gij ook wilt, het werk van God en het werk des menschen naast elkander, en het eerste, al is het slechts een troep zeer gering geachte fabriekarbeiders, zal door die vergelijking in waarde winnen.Vierhonderd en meer arbeiders in die fabriek; tweehonderd vijftig paardekrachten stoom. Men weet, op de kracht van een enkel pond gewicht af, wat de machine kan doen; maar al de berekenaars der nationale schuld zijn met hun allen niet in staat om te zeggen, welke vatbaarheid voor goed en kwaad, voor liefde en haat, voor vaderlandsmin en weerspannigheid, voor den overgang van deugd tot ondeugd of het tegendeel, er ieder oogenblik bestaat in de ziel van een dezer stille dienaren der machine, met hunne bedaarde gezichten en geregelde bewegingen. In de machine ligt geen geheim; in de laagste harer dienaren ligt voor eeuwig een onpeilbaar geheim verscholen. Indien wij dan eens onze rekenkunst voor stoffelijke voorwerpen bewaarden, en die ontzaglijke onbekende grootheden op eene andere wijs poogden te behandelen!De dag werd helderder en vertoonde zich van buiten, zelfs tegen de vlammende lichten van binnen. De lichten werden uitgedraaid en het werk ging voort. De regen viel, en de rookslangen, onderworpen aan den vloek van geheel dat geslacht, sleepten zich over den grond. Buiten op de fabriekwerf waren de stoom uit de ontlaatbuis, de stapels vaten en oud ijzer, de blinkende hoopen steenkool en de overal verspreide asch onder een sluier van mist en regen verborgen.Het werk ging voort totdat de middagklok luidde. Wederom kletterde het over de straatsteenen. De getouwen, de raderen en de arbeiders waren allen voor een uur van werk ontslagen.Stephen kwam uit de heete fabriek in den vochtigen wind en op de koude, natte straat, en gevoelde zich afgemat en ongesteld. Hij keerde zich van zijne eigene klasse en woonplaats af, en ging, niets anders gebruikende dan een broodje, dat hij al voortstappende opat, naar den heuvel, waar de voornaamste zijner patronen woonde, in een rood huis met zwarte luiken van buiten, groene valgordijnen van binnen, eene zwarte deur boven eene stoep met twee witte treden, den naam Bounderby (met letters, die aan den man zelf deden denken) op eene koperen plaat, en een ronde koperen deurknop daaronder, gelijk een koperen sluitteeken.Mijnheer Bounderby zat aan zijn twaalf-uurtje. Dit had Stephen verwacht. Wilde de knecht hem zeggen, dat een zijner arbeiders hem verlangde te spreken? Eene boodschap terug om naar den naam van dien arbeider te vragen. Stephen Blackpool. Er was niets ten nadeele van Stephen Blackpool bekend; ja, hij mocht binnenkomen.Stephen Blackpool trad de voorkamer binnen. Mijnheer Bounderby (wien hij ternauwernood van aanzien kende) zat eene karbonade met een glas sherry te gebruiken. Mevrouw Sparsit knoopte een net en zat bij den haard, in eene houding alsof zij op een vrouwenzadel te paard zat, met den eenen voet in een katoenen stijgbeugel. Het behoorde tot de deftigheid en den dienst van mevrouw Sparsit, dat zij geen twaalf-uurtje gebruikte. Zij woonde in hare officieele betrekking dien maaltijd bij, maar hare statigheid moest aanduiden, dat zij het voor eene zwakheid hield op dien tijd te eten.„Wel, Stephen,” zeide mijnheer Bounderby, „wat moet gij hebben?”Stephen antwoordde slechts met eene buiging—geene slaafsche buiging—dat willen die arbeiders nooit doen. Waarachtig, mijnheer, dat zult ge nooit van hen zien, al zijn zij twintig jaren bij u geweest!—Maar als ware het uit galanterie voor mevrouw Sparsit, verbeterde hij zijn toilet, door de punten van zijne das in zijn vest te stoppen.„Komaan,” hervatte mijnheer Bounderby, nadat hij een teugje uit zijn glas had genomen, „ik weet wel, dat wij nog nooit moeite met u gehad hebben, en dat gij nooit onder de onredelijken hebt behoord. Gij verwacht niet, dat men u eene koets met zes paarden zal laten houden, en alle dagen schildpadsoep en wildbraad zal laten eten met gouden lepel en vork, zooals velen doen.” Mijnheer Bounderby wilde het altijd doen voorkomen alsof dit het eenige en onmiddellijke doel was van iederen arbeider, die niet volkomen tevreden was, „endus weet ik dat gij niet hier komt om klachten te doen. Daarvan ben ik vooraf al zeker.”„Neen, mijnheer, om iets van dien aard ben ik ook niet hier gekomen.”Mijnheer Bounderby scheen aangenaam verrast, niettegenstaande zijne vroegere overtuiging.„Goed,” antwoordde hij. „Gij zijt een ordentelijk werkman, en ik vergiste mij dus niet. Maar laat mij nu hooren waarover het is. Als het dat niet is, laat mij hooren wat het dan is. Wat hebt gij te zeggen? Kom er maar mede voor den dag.”Stephen keek even naar mevrouw Sparsit om.„Ik kan wel heengaan, mijnheer Bounderby, als gij het verlangt,” zeide deze nederige dame en deed alsof zij haar voet uit den stijgbeugel wilde halen.Mijnheer Bounderby stuitte haar door een hapje karbonade een oogenblik tegen te houden eer hij het doorzwolg, en zijne linkerhand uit te steken. Daarna trok hij zijne hand terug, slikte het hapje door en zeide tot Stephen:„Gij moet weten, deze goede dame is eene geborene dame, eene hooggeborene dame. Gij moet niet denken, omdat zij voor mij huishoudt, dat zij daarom niet van hooge afkomst zou zijn—zij is integendeel van zeer hooge afkomst. Als gij nu iets te zeggen hebt, dat niet voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame de kamer uitgaan; maar als gij iets te zeggen hebt, dat voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame blijven waar zij is.”„Mijnheer, ik hoop, dat ik nooit iets te zeggen heb gehad, dat eene geborene dame niet mocht hooren, sedert ik zelf geboren werd,” was het antwoord, van een lichten blos vergezeld.„Ik ben hier gekomen,” begon Stephen, toen hij na een oogenblik bedenkens zijne oogen van den grond opsloeg, „om u raad te vragen. Ik ben er erg om verlegen. Het is op Paaschmaandag negentien jaren geleden dat ik getrouwd ben. Zij was toen een jong meisje—tamelijk mooi—en dat een goeden naam had. Maar zij ging een slechten weg op—al spoedig. Niet door mijne schuld. God weet, dat ik geen kwaad man voor haar ben geweest.”„Dat alles heb ik al gehoord,” zeide mijnheer Bounderby. „Zij kreeg ander gezelschap, geraakte aan den drank, werkte niet meer, verkocht de meubelen, bracht de kleeren naar den lommerd en speelde den beest.”„Ik had geduld met haar.”„Des te grooter gek zijt ge daarom, naar mij dunkt,” zeide mijnheer Bounderby in vertrouwen tot zijn wijnglas.„Ik had veel geduld met haar. Dikwijls heb ik geprobeerd er haar af te brengen. Ik probeerde dit en dat en allerlei. Dikwijls ben ik thuis gekomen, en heb ik al wat ik in de wereld bezat verdwenen gevonden en haar buiten besef op den grond. Dat is niet ééns gebeurd, niet tweemaal, maar wel twintigmaal.”De rimpels in zijn gezicht werden dieper toen hij dit zeide en gaven eene aandoenlijke getuigenis van het verdriet dat hij geleden had.„Het ging van kwaad tot erger en nog erger. Zij liep van mij weg. Zij maakte zich zelve op alle manieren te schande, gruwelijk en ijselijk. Zij kwam terug, en nog eens terug, en nog eens terug. Wat kon ik doen om het haar te beletten? Ik heb wel nachten lang op straat gezworven, eer ik naar huis kon gaan. Ik ben naar de brug gegaan, met voornemen om er af te springen, om er niet meer van te hooren. Ik heb zooveel uitgestaan, dat ik oud ben geworden terwijl ik nog jong was.”Mevrouw Sparsit, die hare knooppennen op haar gemak liet voorthuppelen, trok hare klassieke wenkbrauwen op en schudde haar hoofd, als wilde zij zeggen: „Grooten ondervinden zoowel wederwaardigheden als geringen. Wees zoo goed om uwe nederige oogen eens naar mij te wenden.”„Ik heb haar betaald om van mij weg te blijven. Nu vijf jaren lang heb ik haar betaald. Ik heb weer ordentelijke kleeren en meubelen gekregen. Ik heb een droevig en moeielijk leven gehad, maar ik behoefde toch niet ieder oogenblik van mijn leven beschaamd en angstig te zijn. Gisteravond ging ik naar huis. Daar lag zij voor mijn haard. Daar is zij weder terug.”In het gevoel van zijn ongeluk en het hartstochtelijke van zijne spijt, kwam hij voor een oogenblik in vuur en nam hij eene trotsche houding aan. Een oogenblik later stond hij daar weder gelijk hij al dien tijd had gestaan, met zijn gewonen gebogen rug, en zag mijnheer Bounderby peinzend aan met eene zonderlinge uitdrukking in zijn blik, half schrander, half verbijsterd, alsof hij zijn denkvermogen inspande om iets te ontraadselen, dat hij zeer moeielijk vond; met zijn hoed in zijne linkerhand gekneld, die op zijne heup rustte, terwijl zijn rechterarm ruwe en krachtige, maar welgepaste gebaren maakte om den indruk van hetgeen hij zeide te versterken; en die arm gaf zelfs nadruk aan zijn zwijgen, wanneer hij hem, terwijl hij zich even bedacht, niet terugtrok, maar een weinig gebogen opgeheven hield.„Ik was met dat alles al bekend, zooals gij weet,” zeide mijnheer Bounderby, „behalve met die laatste omstandigheid. Het is een leelijk geval, dat is het. Gij hadt maar liever tevreden moeten zijn zooals gij waart, en niet moeten trouwen. Maar het is nu te laat om dat te bedenken.”„Was het een ongelijk huwelijk, mijnheer, wat hunne jaren betrof?” vroeg mevrouw Sparsit.„Gij hoort wat die dame vraagt. Was het een ongelijk huwelijk wat uwe jaren betrof, die ongelukkige historie van u?” zeide mijnheer Bounderby.„Dat juist niet. Ik zelf was een en twintig en zij nagenoeg twintig.”„Ziet gij wel, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met bijzondere zelfvoldoening tot haar patroon. „Daar dit huwelijk zoo ellendig was, had ik al begrepen, dat het met opzicht tot hunne jaren waarschijnlijk ongelijk moest zijn geweest.”Mijnheer Bounderby zag de goede dame ter zijde aan, op eene manier, die eene comische verlegenheid uitdrukte. Hij versterkte zich met nog een weinigje sherry.„Wel, waarom gaat gij niet voort?” hervatte hij, zich eenigszins verstoord naar Stephen Blackpool keerende.„Ik ben hier gekomen om u te vragen, mijnheer, hoe ik van die vrouw kan afkomen.”Het oplettende gezicht van Stephen, waarop zich zulk eene mengeling van uitdrukkingen vertoonde, werd nog ernstiger toen hij dit zeide. Mevrouw Sparsit liet eene zachte uitroeping hooren, die aanduidde, dat zij een zedelijken schok had gekregen.„Wat meent gij?” zeide mijnheer Bounderby, opstaande om met zijn rug tegen den schoorsteenmantel te gaan staan leunen. „Wat praat gij toch? Gij hebt haar immers genomen, of zij mee- of tegenviel?”1„Ikmoetvan haar afkomen. Ikkanhet zoo niet langer uithouden. Ik had er niet zoolang onder kunnen leven, als ik het medelijden en de troostwoorden niet had gehad van het beste meisje, dat er leeft of dood is. Zonder haar zou ik misschien razend en dol zijn geworden.”„Hij wenscht weder vrij te zijn, om de vrouw te kunnen trouwen van wie hij spreekt, vrees ik, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit binnensmonds, zeer terneergeslagen door de onzedelijkheid van die menschen.„Dat doe ik. Die dame heeft gelijk. Dat doe ik. Daar wou ik juist opkomen. Ik heb in de courant wel gelezen, dat groote lui (mag het hun welgaan, ik wensch hun geen kwaad) niet zoo vast getrouwd zijn, of zij kunnen van een ongelukkig huwelijk worden vrijgemaakt, en mogen dan weer trouwen. Als zij zich niet met elkander kunnen verdragen, omdat hunne karakters niet overeenkomen, hebben zij allerlei verschillende kamers in huis, en kunnen elkander uit den weg blijven. Lieden zooals wij hebben maar ééne kamer en kunnen dat dus niet. Als dat ook niet aangaat, hebben zij goed en geld, en kunnen zeggen: „dit voor u en dat voor mij,” en kunnen ieder gaan waar het hun belieft. Dat kunnen wij niet. In spijt van dat alles kunnen zij toch weder vrijgemaakt worden voor kleiner ongelijk dan door honderden van ons geleden wordt—door vrouwen veel meer dan door mannen—zij kunnen vrijgemaakt worden voor veel kleiner ongelijk dan ik geleden heb. Ik moet dus van die vrouw afkomen, en ik wil maar weten op welke manier.”„Er is geen manier,” antwoordde mijnheer Bounderby.„Als ik haar doodsla, mijnheer, is er dan eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„Als ik van haar wegloop, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„Als ik dat andere goede meisje trouw, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„En als ik met haar leefde zonder haar te trouwen—om nu eens te zeggen, dat zoo iets gebeuren kon, dat toch nooit kan of zal gebeuren, want zij is veel te braaf—is er dan ook eene wet om mij te straffen in ieder onschuldig kind, dat mij toebehoort?”„Dat spreekt van zelf.”„Maar in Gods naam,” zeide Stephen Blackpool, „wijs mij nu de wet om mij te helpen.”„De verbintenis, waarvan gij spreekt, is heilig,” zeide mijnheer Bounderby, „en—en moet in eere gehouden worden.”„Neen, neen, zeg dat niet, mijnheer. Zij wordt zóó niet in eere gehouden. Zóó niet. Zij wordt zoo te schande gemaakt. Ik ben een wever, ik ben van kind af in eene fabriek geweest, maar ik heb toch oogen om mee te zien en ooren om mee te hooren. Ik lees in de courant ieder vierendeeljaars als de gerechtshoven zitting houden—en gij leest dat ook, dat weet ik, met ontzetting—hoe de onmogelijkheid om ooit, op eenigerlei manier, weder van elkander los te worden, bloed over het land brengt, en vele getrouwde lieden onder den geringen stand tot vechterijen, moord en doodslag doet komen. Daartegen moet toch een middel wezen. Mijn geval is een ellendig geval, en ik wil—als gij zoo goed wilt zijn—de wet van u weten, die mij helpen kan.”„Welnu, ik zal het u zeggen,” antwoordde mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende; „er is zulk eene wet.”Stephen knikte, nam zijne vorige bedaarde houding weder aan en bleef oplettend luisteren.„Maar daar hebt gij toch niet aan. Dat kost geld—een schat van geld.”„Hoeveel zou het wel wezen?” vroeg Stephen met bedaardheid.„Wel, gij zoudt naar Doctors’ Commons moeten gaan met een proces, en dan naar eenHof van Common Law met een proces, en naar het Huis der Lords met een proces, en gij zoudt eene Parlements-akte moeten hebben om weer te mogen trouwen, en dat zou u (als het eene heel gemakkelijke zaak was) denkelijk tusschen de duizend en de vijftienhonderd pond kosten,” zeide mijnheer Bounderby, „en misschien nog eens zooveel.”„Is er geen andere wet?”„Neen, zeker niet.”„Wel dan, mijnheer,” zeide Stephen, verbleekende, en terwijl hij met de rechterhand eene beweging maakte alsof hij alles aan de vier winden overgaf, „dan is het toch een ellendige warboel. Het is een warboel heelemaal, en hoe gauwer ik dood ben, hoe beter.”Mevrouw Sparsit werd weder terneergeslagen door de goddeloosheid van die menschen.„Kom, kom! praat geene malligheden, mijn goede man,” zeide mijnheer Bounderby, „over dingen, die gij niet verstaat; en noem de instelling van uw vaderland geen warboel, of gij zult u zelven op een fraaien ochtend in een wezenlijken warboel steken. De instellingen van uw vaderland zijn uw werk niet, en alles wat gij te doen hebt, is op uw werk te letten. Gij hebt uwe vrouw niet genomen om haar te probeeren, maar om haar te houden, hetzij zij mee- of tegenvalt. Als zij nu slecht is uitgevallen—ja, al wat wij dan kunnen zeggen is, dat zij ook beter had kunnen uitvallen.”„Het is een warboel,” zeide Stephen, zijn hoofd schuddende terwijl hij naar de deur ging. „Het is niets dan een warboel.”„Laat ik u eens wat zeggen,” zoo begon mijnheer Bounderby zijne afscheidsrede. „Met uw aanstootelijke gezegden hebt gij deze damegeërgerd, die, gelijk ik u reeds gezegd heb, eene geborene dame is, en die, gelijk ik u nog niet gezegd heb, hare eigene huwelijksrampen heeft gehad, ten bedrage eener schade van tienduizenden van ponden—tienduizenden van ponden,” herhaalde hij met welbehagen. „Gij zijt tot nog toe een ordentelijk werkman geweest; maar ik ben van gevoelen, en dat zeg ik u ronduit, dat gij den verkeerden weg opgaat. Gij hebt naar een of anderen kwaadwilligen vreemdeling geluisterd—die loopen hier altijd rond—en het beste wat gij doen kunt, is daarvan terug te komen. Gij moet weten,” hier nam zijn gezicht eene uitdrukking van verwonderlijke slimheid aan, „ik kan even diep in een slijpsteen zien als iemand anders, dieper dan menigeen misschien, omdat ik er dikwijls met mijn neus opgeduwd ben toen ik jong was. Ik zie hier duidelijk sporen van de schildpadsoep, het wildbraad en den gouden lepel. Ja, dat doe ik,” riep mijnheer Bounderby uit, en schudde met geduchte slimheid zijn hoofd, „waarachtig, dat doe ik.”Met een geheel ander hoofdschudden en een zwaren zucht zeide Stephen: „Ik dank u, mijnheer, en ik wensch u goedendag.”En zoo liet hij mijnheer Bounderby staan voor zijn eigen aan den wand hangend portret, zwellende alsof hij bersten zou, en mevrouw Sparsit nog met haar voet in den stijgbeugel op en neer wippende en een gezicht, hetwelk aanduidde dat de ondeugden van die menschen haar zeer hadden terneergeslagen.1For better, for worse, letterlijk: voor beter of voor erger; woorden uit het huwelijks-formulier.Vert.↑
XI.GEEN UITWEG.De schitterende verlichting der Tooverpaleizen maakte voor het aanbreken van den dag de reusachtige rookslangen zichtbaar, die zich overCoketownvoortkronkelden. Daarop volgde een gekletter van houten overschoenen over de straatsteenen, een gebengel van klokken; en al de tot stille razernij vervallene olifanten, voor het eentonige leven van dien dag opgepoetst en geolied, waren weder in logge beweging.Stephen boog zich over zijn getouw, stil, waakzaam en oplettend. Een opmerkenswaardig contrast vormde hij aldus—gelijk ieder man deed in dat woud van weefgetouwen, waarin Stephen werkte—met de kletterende, ratelende, als ijlhoofdig voortjagende machine, waaraan hij werkte. Weest niet bang, goede, zwaartillende lieden, dat de kunst de natuur in vergetelheid zal brengen. Plaatst, waar gij ook wilt, het werk van God en het werk des menschen naast elkander, en het eerste, al is het slechts een troep zeer gering geachte fabriekarbeiders, zal door die vergelijking in waarde winnen.Vierhonderd en meer arbeiders in die fabriek; tweehonderd vijftig paardekrachten stoom. Men weet, op de kracht van een enkel pond gewicht af, wat de machine kan doen; maar al de berekenaars der nationale schuld zijn met hun allen niet in staat om te zeggen, welke vatbaarheid voor goed en kwaad, voor liefde en haat, voor vaderlandsmin en weerspannigheid, voor den overgang van deugd tot ondeugd of het tegendeel, er ieder oogenblik bestaat in de ziel van een dezer stille dienaren der machine, met hunne bedaarde gezichten en geregelde bewegingen. In de machine ligt geen geheim; in de laagste harer dienaren ligt voor eeuwig een onpeilbaar geheim verscholen. Indien wij dan eens onze rekenkunst voor stoffelijke voorwerpen bewaarden, en die ontzaglijke onbekende grootheden op eene andere wijs poogden te behandelen!De dag werd helderder en vertoonde zich van buiten, zelfs tegen de vlammende lichten van binnen. De lichten werden uitgedraaid en het werk ging voort. De regen viel, en de rookslangen, onderworpen aan den vloek van geheel dat geslacht, sleepten zich over den grond. Buiten op de fabriekwerf waren de stoom uit de ontlaatbuis, de stapels vaten en oud ijzer, de blinkende hoopen steenkool en de overal verspreide asch onder een sluier van mist en regen verborgen.Het werk ging voort totdat de middagklok luidde. Wederom kletterde het over de straatsteenen. De getouwen, de raderen en de arbeiders waren allen voor een uur van werk ontslagen.Stephen kwam uit de heete fabriek in den vochtigen wind en op de koude, natte straat, en gevoelde zich afgemat en ongesteld. Hij keerde zich van zijne eigene klasse en woonplaats af, en ging, niets anders gebruikende dan een broodje, dat hij al voortstappende opat, naar den heuvel, waar de voornaamste zijner patronen woonde, in een rood huis met zwarte luiken van buiten, groene valgordijnen van binnen, eene zwarte deur boven eene stoep met twee witte treden, den naam Bounderby (met letters, die aan den man zelf deden denken) op eene koperen plaat, en een ronde koperen deurknop daaronder, gelijk een koperen sluitteeken.Mijnheer Bounderby zat aan zijn twaalf-uurtje. Dit had Stephen verwacht. Wilde de knecht hem zeggen, dat een zijner arbeiders hem verlangde te spreken? Eene boodschap terug om naar den naam van dien arbeider te vragen. Stephen Blackpool. Er was niets ten nadeele van Stephen Blackpool bekend; ja, hij mocht binnenkomen.Stephen Blackpool trad de voorkamer binnen. Mijnheer Bounderby (wien hij ternauwernood van aanzien kende) zat eene karbonade met een glas sherry te gebruiken. Mevrouw Sparsit knoopte een net en zat bij den haard, in eene houding alsof zij op een vrouwenzadel te paard zat, met den eenen voet in een katoenen stijgbeugel. Het behoorde tot de deftigheid en den dienst van mevrouw Sparsit, dat zij geen twaalf-uurtje gebruikte. Zij woonde in hare officieele betrekking dien maaltijd bij, maar hare statigheid moest aanduiden, dat zij het voor eene zwakheid hield op dien tijd te eten.„Wel, Stephen,” zeide mijnheer Bounderby, „wat moet gij hebben?”Stephen antwoordde slechts met eene buiging—geene slaafsche buiging—dat willen die arbeiders nooit doen. Waarachtig, mijnheer, dat zult ge nooit van hen zien, al zijn zij twintig jaren bij u geweest!—Maar als ware het uit galanterie voor mevrouw Sparsit, verbeterde hij zijn toilet, door de punten van zijne das in zijn vest te stoppen.„Komaan,” hervatte mijnheer Bounderby, nadat hij een teugje uit zijn glas had genomen, „ik weet wel, dat wij nog nooit moeite met u gehad hebben, en dat gij nooit onder de onredelijken hebt behoord. Gij verwacht niet, dat men u eene koets met zes paarden zal laten houden, en alle dagen schildpadsoep en wildbraad zal laten eten met gouden lepel en vork, zooals velen doen.” Mijnheer Bounderby wilde het altijd doen voorkomen alsof dit het eenige en onmiddellijke doel was van iederen arbeider, die niet volkomen tevreden was, „endus weet ik dat gij niet hier komt om klachten te doen. Daarvan ben ik vooraf al zeker.”„Neen, mijnheer, om iets van dien aard ben ik ook niet hier gekomen.”Mijnheer Bounderby scheen aangenaam verrast, niettegenstaande zijne vroegere overtuiging.„Goed,” antwoordde hij. „Gij zijt een ordentelijk werkman, en ik vergiste mij dus niet. Maar laat mij nu hooren waarover het is. Als het dat niet is, laat mij hooren wat het dan is. Wat hebt gij te zeggen? Kom er maar mede voor den dag.”Stephen keek even naar mevrouw Sparsit om.„Ik kan wel heengaan, mijnheer Bounderby, als gij het verlangt,” zeide deze nederige dame en deed alsof zij haar voet uit den stijgbeugel wilde halen.Mijnheer Bounderby stuitte haar door een hapje karbonade een oogenblik tegen te houden eer hij het doorzwolg, en zijne linkerhand uit te steken. Daarna trok hij zijne hand terug, slikte het hapje door en zeide tot Stephen:„Gij moet weten, deze goede dame is eene geborene dame, eene hooggeborene dame. Gij moet niet denken, omdat zij voor mij huishoudt, dat zij daarom niet van hooge afkomst zou zijn—zij is integendeel van zeer hooge afkomst. Als gij nu iets te zeggen hebt, dat niet voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame de kamer uitgaan; maar als gij iets te zeggen hebt, dat voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame blijven waar zij is.”„Mijnheer, ik hoop, dat ik nooit iets te zeggen heb gehad, dat eene geborene dame niet mocht hooren, sedert ik zelf geboren werd,” was het antwoord, van een lichten blos vergezeld.„Ik ben hier gekomen,” begon Stephen, toen hij na een oogenblik bedenkens zijne oogen van den grond opsloeg, „om u raad te vragen. Ik ben er erg om verlegen. Het is op Paaschmaandag negentien jaren geleden dat ik getrouwd ben. Zij was toen een jong meisje—tamelijk mooi—en dat een goeden naam had. Maar zij ging een slechten weg op—al spoedig. Niet door mijne schuld. God weet, dat ik geen kwaad man voor haar ben geweest.”„Dat alles heb ik al gehoord,” zeide mijnheer Bounderby. „Zij kreeg ander gezelschap, geraakte aan den drank, werkte niet meer, verkocht de meubelen, bracht de kleeren naar den lommerd en speelde den beest.”„Ik had geduld met haar.”„Des te grooter gek zijt ge daarom, naar mij dunkt,” zeide mijnheer Bounderby in vertrouwen tot zijn wijnglas.„Ik had veel geduld met haar. Dikwijls heb ik geprobeerd er haar af te brengen. Ik probeerde dit en dat en allerlei. Dikwijls ben ik thuis gekomen, en heb ik al wat ik in de wereld bezat verdwenen gevonden en haar buiten besef op den grond. Dat is niet ééns gebeurd, niet tweemaal, maar wel twintigmaal.”De rimpels in zijn gezicht werden dieper toen hij dit zeide en gaven eene aandoenlijke getuigenis van het verdriet dat hij geleden had.„Het ging van kwaad tot erger en nog erger. Zij liep van mij weg. Zij maakte zich zelve op alle manieren te schande, gruwelijk en ijselijk. Zij kwam terug, en nog eens terug, en nog eens terug. Wat kon ik doen om het haar te beletten? Ik heb wel nachten lang op straat gezworven, eer ik naar huis kon gaan. Ik ben naar de brug gegaan, met voornemen om er af te springen, om er niet meer van te hooren. Ik heb zooveel uitgestaan, dat ik oud ben geworden terwijl ik nog jong was.”Mevrouw Sparsit, die hare knooppennen op haar gemak liet voorthuppelen, trok hare klassieke wenkbrauwen op en schudde haar hoofd, als wilde zij zeggen: „Grooten ondervinden zoowel wederwaardigheden als geringen. Wees zoo goed om uwe nederige oogen eens naar mij te wenden.”„Ik heb haar betaald om van mij weg te blijven. Nu vijf jaren lang heb ik haar betaald. Ik heb weer ordentelijke kleeren en meubelen gekregen. Ik heb een droevig en moeielijk leven gehad, maar ik behoefde toch niet ieder oogenblik van mijn leven beschaamd en angstig te zijn. Gisteravond ging ik naar huis. Daar lag zij voor mijn haard. Daar is zij weder terug.”In het gevoel van zijn ongeluk en het hartstochtelijke van zijne spijt, kwam hij voor een oogenblik in vuur en nam hij eene trotsche houding aan. Een oogenblik later stond hij daar weder gelijk hij al dien tijd had gestaan, met zijn gewonen gebogen rug, en zag mijnheer Bounderby peinzend aan met eene zonderlinge uitdrukking in zijn blik, half schrander, half verbijsterd, alsof hij zijn denkvermogen inspande om iets te ontraadselen, dat hij zeer moeielijk vond; met zijn hoed in zijne linkerhand gekneld, die op zijne heup rustte, terwijl zijn rechterarm ruwe en krachtige, maar welgepaste gebaren maakte om den indruk van hetgeen hij zeide te versterken; en die arm gaf zelfs nadruk aan zijn zwijgen, wanneer hij hem, terwijl hij zich even bedacht, niet terugtrok, maar een weinig gebogen opgeheven hield.„Ik was met dat alles al bekend, zooals gij weet,” zeide mijnheer Bounderby, „behalve met die laatste omstandigheid. Het is een leelijk geval, dat is het. Gij hadt maar liever tevreden moeten zijn zooals gij waart, en niet moeten trouwen. Maar het is nu te laat om dat te bedenken.”„Was het een ongelijk huwelijk, mijnheer, wat hunne jaren betrof?” vroeg mevrouw Sparsit.„Gij hoort wat die dame vraagt. Was het een ongelijk huwelijk wat uwe jaren betrof, die ongelukkige historie van u?” zeide mijnheer Bounderby.„Dat juist niet. Ik zelf was een en twintig en zij nagenoeg twintig.”„Ziet gij wel, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met bijzondere zelfvoldoening tot haar patroon. „Daar dit huwelijk zoo ellendig was, had ik al begrepen, dat het met opzicht tot hunne jaren waarschijnlijk ongelijk moest zijn geweest.”Mijnheer Bounderby zag de goede dame ter zijde aan, op eene manier, die eene comische verlegenheid uitdrukte. Hij versterkte zich met nog een weinigje sherry.„Wel, waarom gaat gij niet voort?” hervatte hij, zich eenigszins verstoord naar Stephen Blackpool keerende.„Ik ben hier gekomen om u te vragen, mijnheer, hoe ik van die vrouw kan afkomen.”Het oplettende gezicht van Stephen, waarop zich zulk eene mengeling van uitdrukkingen vertoonde, werd nog ernstiger toen hij dit zeide. Mevrouw Sparsit liet eene zachte uitroeping hooren, die aanduidde, dat zij een zedelijken schok had gekregen.„Wat meent gij?” zeide mijnheer Bounderby, opstaande om met zijn rug tegen den schoorsteenmantel te gaan staan leunen. „Wat praat gij toch? Gij hebt haar immers genomen, of zij mee- of tegenviel?”1„Ikmoetvan haar afkomen. Ikkanhet zoo niet langer uithouden. Ik had er niet zoolang onder kunnen leven, als ik het medelijden en de troostwoorden niet had gehad van het beste meisje, dat er leeft of dood is. Zonder haar zou ik misschien razend en dol zijn geworden.”„Hij wenscht weder vrij te zijn, om de vrouw te kunnen trouwen van wie hij spreekt, vrees ik, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit binnensmonds, zeer terneergeslagen door de onzedelijkheid van die menschen.„Dat doe ik. Die dame heeft gelijk. Dat doe ik. Daar wou ik juist opkomen. Ik heb in de courant wel gelezen, dat groote lui (mag het hun welgaan, ik wensch hun geen kwaad) niet zoo vast getrouwd zijn, of zij kunnen van een ongelukkig huwelijk worden vrijgemaakt, en mogen dan weer trouwen. Als zij zich niet met elkander kunnen verdragen, omdat hunne karakters niet overeenkomen, hebben zij allerlei verschillende kamers in huis, en kunnen elkander uit den weg blijven. Lieden zooals wij hebben maar ééne kamer en kunnen dat dus niet. Als dat ook niet aangaat, hebben zij goed en geld, en kunnen zeggen: „dit voor u en dat voor mij,” en kunnen ieder gaan waar het hun belieft. Dat kunnen wij niet. In spijt van dat alles kunnen zij toch weder vrijgemaakt worden voor kleiner ongelijk dan door honderden van ons geleden wordt—door vrouwen veel meer dan door mannen—zij kunnen vrijgemaakt worden voor veel kleiner ongelijk dan ik geleden heb. Ik moet dus van die vrouw afkomen, en ik wil maar weten op welke manier.”„Er is geen manier,” antwoordde mijnheer Bounderby.„Als ik haar doodsla, mijnheer, is er dan eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„Als ik van haar wegloop, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„Als ik dat andere goede meisje trouw, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„En als ik met haar leefde zonder haar te trouwen—om nu eens te zeggen, dat zoo iets gebeuren kon, dat toch nooit kan of zal gebeuren, want zij is veel te braaf—is er dan ook eene wet om mij te straffen in ieder onschuldig kind, dat mij toebehoort?”„Dat spreekt van zelf.”„Maar in Gods naam,” zeide Stephen Blackpool, „wijs mij nu de wet om mij te helpen.”„De verbintenis, waarvan gij spreekt, is heilig,” zeide mijnheer Bounderby, „en—en moet in eere gehouden worden.”„Neen, neen, zeg dat niet, mijnheer. Zij wordt zóó niet in eere gehouden. Zóó niet. Zij wordt zoo te schande gemaakt. Ik ben een wever, ik ben van kind af in eene fabriek geweest, maar ik heb toch oogen om mee te zien en ooren om mee te hooren. Ik lees in de courant ieder vierendeeljaars als de gerechtshoven zitting houden—en gij leest dat ook, dat weet ik, met ontzetting—hoe de onmogelijkheid om ooit, op eenigerlei manier, weder van elkander los te worden, bloed over het land brengt, en vele getrouwde lieden onder den geringen stand tot vechterijen, moord en doodslag doet komen. Daartegen moet toch een middel wezen. Mijn geval is een ellendig geval, en ik wil—als gij zoo goed wilt zijn—de wet van u weten, die mij helpen kan.”„Welnu, ik zal het u zeggen,” antwoordde mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende; „er is zulk eene wet.”Stephen knikte, nam zijne vorige bedaarde houding weder aan en bleef oplettend luisteren.„Maar daar hebt gij toch niet aan. Dat kost geld—een schat van geld.”„Hoeveel zou het wel wezen?” vroeg Stephen met bedaardheid.„Wel, gij zoudt naar Doctors’ Commons moeten gaan met een proces, en dan naar eenHof van Common Law met een proces, en naar het Huis der Lords met een proces, en gij zoudt eene Parlements-akte moeten hebben om weer te mogen trouwen, en dat zou u (als het eene heel gemakkelijke zaak was) denkelijk tusschen de duizend en de vijftienhonderd pond kosten,” zeide mijnheer Bounderby, „en misschien nog eens zooveel.”„Is er geen andere wet?”„Neen, zeker niet.”„Wel dan, mijnheer,” zeide Stephen, verbleekende, en terwijl hij met de rechterhand eene beweging maakte alsof hij alles aan de vier winden overgaf, „dan is het toch een ellendige warboel. Het is een warboel heelemaal, en hoe gauwer ik dood ben, hoe beter.”Mevrouw Sparsit werd weder terneergeslagen door de goddeloosheid van die menschen.„Kom, kom! praat geene malligheden, mijn goede man,” zeide mijnheer Bounderby, „over dingen, die gij niet verstaat; en noem de instelling van uw vaderland geen warboel, of gij zult u zelven op een fraaien ochtend in een wezenlijken warboel steken. De instellingen van uw vaderland zijn uw werk niet, en alles wat gij te doen hebt, is op uw werk te letten. Gij hebt uwe vrouw niet genomen om haar te probeeren, maar om haar te houden, hetzij zij mee- of tegenvalt. Als zij nu slecht is uitgevallen—ja, al wat wij dan kunnen zeggen is, dat zij ook beter had kunnen uitvallen.”„Het is een warboel,” zeide Stephen, zijn hoofd schuddende terwijl hij naar de deur ging. „Het is niets dan een warboel.”„Laat ik u eens wat zeggen,” zoo begon mijnheer Bounderby zijne afscheidsrede. „Met uw aanstootelijke gezegden hebt gij deze damegeërgerd, die, gelijk ik u reeds gezegd heb, eene geborene dame is, en die, gelijk ik u nog niet gezegd heb, hare eigene huwelijksrampen heeft gehad, ten bedrage eener schade van tienduizenden van ponden—tienduizenden van ponden,” herhaalde hij met welbehagen. „Gij zijt tot nog toe een ordentelijk werkman geweest; maar ik ben van gevoelen, en dat zeg ik u ronduit, dat gij den verkeerden weg opgaat. Gij hebt naar een of anderen kwaadwilligen vreemdeling geluisterd—die loopen hier altijd rond—en het beste wat gij doen kunt, is daarvan terug te komen. Gij moet weten,” hier nam zijn gezicht eene uitdrukking van verwonderlijke slimheid aan, „ik kan even diep in een slijpsteen zien als iemand anders, dieper dan menigeen misschien, omdat ik er dikwijls met mijn neus opgeduwd ben toen ik jong was. Ik zie hier duidelijk sporen van de schildpadsoep, het wildbraad en den gouden lepel. Ja, dat doe ik,” riep mijnheer Bounderby uit, en schudde met geduchte slimheid zijn hoofd, „waarachtig, dat doe ik.”Met een geheel ander hoofdschudden en een zwaren zucht zeide Stephen: „Ik dank u, mijnheer, en ik wensch u goedendag.”En zoo liet hij mijnheer Bounderby staan voor zijn eigen aan den wand hangend portret, zwellende alsof hij bersten zou, en mevrouw Sparsit nog met haar voet in den stijgbeugel op en neer wippende en een gezicht, hetwelk aanduidde dat de ondeugden van die menschen haar zeer hadden terneergeslagen.1For better, for worse, letterlijk: voor beter of voor erger; woorden uit het huwelijks-formulier.Vert.↑
XI.GEEN UITWEG.De schitterende verlichting der Tooverpaleizen maakte voor het aanbreken van den dag de reusachtige rookslangen zichtbaar, die zich overCoketownvoortkronkelden. Daarop volgde een gekletter van houten overschoenen over de straatsteenen, een gebengel van klokken; en al de tot stille razernij vervallene olifanten, voor het eentonige leven van dien dag opgepoetst en geolied, waren weder in logge beweging.Stephen boog zich over zijn getouw, stil, waakzaam en oplettend. Een opmerkenswaardig contrast vormde hij aldus—gelijk ieder man deed in dat woud van weefgetouwen, waarin Stephen werkte—met de kletterende, ratelende, als ijlhoofdig voortjagende machine, waaraan hij werkte. Weest niet bang, goede, zwaartillende lieden, dat de kunst de natuur in vergetelheid zal brengen. Plaatst, waar gij ook wilt, het werk van God en het werk des menschen naast elkander, en het eerste, al is het slechts een troep zeer gering geachte fabriekarbeiders, zal door die vergelijking in waarde winnen.Vierhonderd en meer arbeiders in die fabriek; tweehonderd vijftig paardekrachten stoom. Men weet, op de kracht van een enkel pond gewicht af, wat de machine kan doen; maar al de berekenaars der nationale schuld zijn met hun allen niet in staat om te zeggen, welke vatbaarheid voor goed en kwaad, voor liefde en haat, voor vaderlandsmin en weerspannigheid, voor den overgang van deugd tot ondeugd of het tegendeel, er ieder oogenblik bestaat in de ziel van een dezer stille dienaren der machine, met hunne bedaarde gezichten en geregelde bewegingen. In de machine ligt geen geheim; in de laagste harer dienaren ligt voor eeuwig een onpeilbaar geheim verscholen. Indien wij dan eens onze rekenkunst voor stoffelijke voorwerpen bewaarden, en die ontzaglijke onbekende grootheden op eene andere wijs poogden te behandelen!De dag werd helderder en vertoonde zich van buiten, zelfs tegen de vlammende lichten van binnen. De lichten werden uitgedraaid en het werk ging voort. De regen viel, en de rookslangen, onderworpen aan den vloek van geheel dat geslacht, sleepten zich over den grond. Buiten op de fabriekwerf waren de stoom uit de ontlaatbuis, de stapels vaten en oud ijzer, de blinkende hoopen steenkool en de overal verspreide asch onder een sluier van mist en regen verborgen.Het werk ging voort totdat de middagklok luidde. Wederom kletterde het over de straatsteenen. De getouwen, de raderen en de arbeiders waren allen voor een uur van werk ontslagen.Stephen kwam uit de heete fabriek in den vochtigen wind en op de koude, natte straat, en gevoelde zich afgemat en ongesteld. Hij keerde zich van zijne eigene klasse en woonplaats af, en ging, niets anders gebruikende dan een broodje, dat hij al voortstappende opat, naar den heuvel, waar de voornaamste zijner patronen woonde, in een rood huis met zwarte luiken van buiten, groene valgordijnen van binnen, eene zwarte deur boven eene stoep met twee witte treden, den naam Bounderby (met letters, die aan den man zelf deden denken) op eene koperen plaat, en een ronde koperen deurknop daaronder, gelijk een koperen sluitteeken.Mijnheer Bounderby zat aan zijn twaalf-uurtje. Dit had Stephen verwacht. Wilde de knecht hem zeggen, dat een zijner arbeiders hem verlangde te spreken? Eene boodschap terug om naar den naam van dien arbeider te vragen. Stephen Blackpool. Er was niets ten nadeele van Stephen Blackpool bekend; ja, hij mocht binnenkomen.Stephen Blackpool trad de voorkamer binnen. Mijnheer Bounderby (wien hij ternauwernood van aanzien kende) zat eene karbonade met een glas sherry te gebruiken. Mevrouw Sparsit knoopte een net en zat bij den haard, in eene houding alsof zij op een vrouwenzadel te paard zat, met den eenen voet in een katoenen stijgbeugel. Het behoorde tot de deftigheid en den dienst van mevrouw Sparsit, dat zij geen twaalf-uurtje gebruikte. Zij woonde in hare officieele betrekking dien maaltijd bij, maar hare statigheid moest aanduiden, dat zij het voor eene zwakheid hield op dien tijd te eten.„Wel, Stephen,” zeide mijnheer Bounderby, „wat moet gij hebben?”Stephen antwoordde slechts met eene buiging—geene slaafsche buiging—dat willen die arbeiders nooit doen. Waarachtig, mijnheer, dat zult ge nooit van hen zien, al zijn zij twintig jaren bij u geweest!—Maar als ware het uit galanterie voor mevrouw Sparsit, verbeterde hij zijn toilet, door de punten van zijne das in zijn vest te stoppen.„Komaan,” hervatte mijnheer Bounderby, nadat hij een teugje uit zijn glas had genomen, „ik weet wel, dat wij nog nooit moeite met u gehad hebben, en dat gij nooit onder de onredelijken hebt behoord. Gij verwacht niet, dat men u eene koets met zes paarden zal laten houden, en alle dagen schildpadsoep en wildbraad zal laten eten met gouden lepel en vork, zooals velen doen.” Mijnheer Bounderby wilde het altijd doen voorkomen alsof dit het eenige en onmiddellijke doel was van iederen arbeider, die niet volkomen tevreden was, „endus weet ik dat gij niet hier komt om klachten te doen. Daarvan ben ik vooraf al zeker.”„Neen, mijnheer, om iets van dien aard ben ik ook niet hier gekomen.”Mijnheer Bounderby scheen aangenaam verrast, niettegenstaande zijne vroegere overtuiging.„Goed,” antwoordde hij. „Gij zijt een ordentelijk werkman, en ik vergiste mij dus niet. Maar laat mij nu hooren waarover het is. Als het dat niet is, laat mij hooren wat het dan is. Wat hebt gij te zeggen? Kom er maar mede voor den dag.”Stephen keek even naar mevrouw Sparsit om.„Ik kan wel heengaan, mijnheer Bounderby, als gij het verlangt,” zeide deze nederige dame en deed alsof zij haar voet uit den stijgbeugel wilde halen.Mijnheer Bounderby stuitte haar door een hapje karbonade een oogenblik tegen te houden eer hij het doorzwolg, en zijne linkerhand uit te steken. Daarna trok hij zijne hand terug, slikte het hapje door en zeide tot Stephen:„Gij moet weten, deze goede dame is eene geborene dame, eene hooggeborene dame. Gij moet niet denken, omdat zij voor mij huishoudt, dat zij daarom niet van hooge afkomst zou zijn—zij is integendeel van zeer hooge afkomst. Als gij nu iets te zeggen hebt, dat niet voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame de kamer uitgaan; maar als gij iets te zeggen hebt, dat voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame blijven waar zij is.”„Mijnheer, ik hoop, dat ik nooit iets te zeggen heb gehad, dat eene geborene dame niet mocht hooren, sedert ik zelf geboren werd,” was het antwoord, van een lichten blos vergezeld.„Ik ben hier gekomen,” begon Stephen, toen hij na een oogenblik bedenkens zijne oogen van den grond opsloeg, „om u raad te vragen. Ik ben er erg om verlegen. Het is op Paaschmaandag negentien jaren geleden dat ik getrouwd ben. Zij was toen een jong meisje—tamelijk mooi—en dat een goeden naam had. Maar zij ging een slechten weg op—al spoedig. Niet door mijne schuld. God weet, dat ik geen kwaad man voor haar ben geweest.”„Dat alles heb ik al gehoord,” zeide mijnheer Bounderby. „Zij kreeg ander gezelschap, geraakte aan den drank, werkte niet meer, verkocht de meubelen, bracht de kleeren naar den lommerd en speelde den beest.”„Ik had geduld met haar.”„Des te grooter gek zijt ge daarom, naar mij dunkt,” zeide mijnheer Bounderby in vertrouwen tot zijn wijnglas.„Ik had veel geduld met haar. Dikwijls heb ik geprobeerd er haar af te brengen. Ik probeerde dit en dat en allerlei. Dikwijls ben ik thuis gekomen, en heb ik al wat ik in de wereld bezat verdwenen gevonden en haar buiten besef op den grond. Dat is niet ééns gebeurd, niet tweemaal, maar wel twintigmaal.”De rimpels in zijn gezicht werden dieper toen hij dit zeide en gaven eene aandoenlijke getuigenis van het verdriet dat hij geleden had.„Het ging van kwaad tot erger en nog erger. Zij liep van mij weg. Zij maakte zich zelve op alle manieren te schande, gruwelijk en ijselijk. Zij kwam terug, en nog eens terug, en nog eens terug. Wat kon ik doen om het haar te beletten? Ik heb wel nachten lang op straat gezworven, eer ik naar huis kon gaan. Ik ben naar de brug gegaan, met voornemen om er af te springen, om er niet meer van te hooren. Ik heb zooveel uitgestaan, dat ik oud ben geworden terwijl ik nog jong was.”Mevrouw Sparsit, die hare knooppennen op haar gemak liet voorthuppelen, trok hare klassieke wenkbrauwen op en schudde haar hoofd, als wilde zij zeggen: „Grooten ondervinden zoowel wederwaardigheden als geringen. Wees zoo goed om uwe nederige oogen eens naar mij te wenden.”„Ik heb haar betaald om van mij weg te blijven. Nu vijf jaren lang heb ik haar betaald. Ik heb weer ordentelijke kleeren en meubelen gekregen. Ik heb een droevig en moeielijk leven gehad, maar ik behoefde toch niet ieder oogenblik van mijn leven beschaamd en angstig te zijn. Gisteravond ging ik naar huis. Daar lag zij voor mijn haard. Daar is zij weder terug.”In het gevoel van zijn ongeluk en het hartstochtelijke van zijne spijt, kwam hij voor een oogenblik in vuur en nam hij eene trotsche houding aan. Een oogenblik later stond hij daar weder gelijk hij al dien tijd had gestaan, met zijn gewonen gebogen rug, en zag mijnheer Bounderby peinzend aan met eene zonderlinge uitdrukking in zijn blik, half schrander, half verbijsterd, alsof hij zijn denkvermogen inspande om iets te ontraadselen, dat hij zeer moeielijk vond; met zijn hoed in zijne linkerhand gekneld, die op zijne heup rustte, terwijl zijn rechterarm ruwe en krachtige, maar welgepaste gebaren maakte om den indruk van hetgeen hij zeide te versterken; en die arm gaf zelfs nadruk aan zijn zwijgen, wanneer hij hem, terwijl hij zich even bedacht, niet terugtrok, maar een weinig gebogen opgeheven hield.„Ik was met dat alles al bekend, zooals gij weet,” zeide mijnheer Bounderby, „behalve met die laatste omstandigheid. Het is een leelijk geval, dat is het. Gij hadt maar liever tevreden moeten zijn zooals gij waart, en niet moeten trouwen. Maar het is nu te laat om dat te bedenken.”„Was het een ongelijk huwelijk, mijnheer, wat hunne jaren betrof?” vroeg mevrouw Sparsit.„Gij hoort wat die dame vraagt. Was het een ongelijk huwelijk wat uwe jaren betrof, die ongelukkige historie van u?” zeide mijnheer Bounderby.„Dat juist niet. Ik zelf was een en twintig en zij nagenoeg twintig.”„Ziet gij wel, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met bijzondere zelfvoldoening tot haar patroon. „Daar dit huwelijk zoo ellendig was, had ik al begrepen, dat het met opzicht tot hunne jaren waarschijnlijk ongelijk moest zijn geweest.”Mijnheer Bounderby zag de goede dame ter zijde aan, op eene manier, die eene comische verlegenheid uitdrukte. Hij versterkte zich met nog een weinigje sherry.„Wel, waarom gaat gij niet voort?” hervatte hij, zich eenigszins verstoord naar Stephen Blackpool keerende.„Ik ben hier gekomen om u te vragen, mijnheer, hoe ik van die vrouw kan afkomen.”Het oplettende gezicht van Stephen, waarop zich zulk eene mengeling van uitdrukkingen vertoonde, werd nog ernstiger toen hij dit zeide. Mevrouw Sparsit liet eene zachte uitroeping hooren, die aanduidde, dat zij een zedelijken schok had gekregen.„Wat meent gij?” zeide mijnheer Bounderby, opstaande om met zijn rug tegen den schoorsteenmantel te gaan staan leunen. „Wat praat gij toch? Gij hebt haar immers genomen, of zij mee- of tegenviel?”1„Ikmoetvan haar afkomen. Ikkanhet zoo niet langer uithouden. Ik had er niet zoolang onder kunnen leven, als ik het medelijden en de troostwoorden niet had gehad van het beste meisje, dat er leeft of dood is. Zonder haar zou ik misschien razend en dol zijn geworden.”„Hij wenscht weder vrij te zijn, om de vrouw te kunnen trouwen van wie hij spreekt, vrees ik, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit binnensmonds, zeer terneergeslagen door de onzedelijkheid van die menschen.„Dat doe ik. Die dame heeft gelijk. Dat doe ik. Daar wou ik juist opkomen. Ik heb in de courant wel gelezen, dat groote lui (mag het hun welgaan, ik wensch hun geen kwaad) niet zoo vast getrouwd zijn, of zij kunnen van een ongelukkig huwelijk worden vrijgemaakt, en mogen dan weer trouwen. Als zij zich niet met elkander kunnen verdragen, omdat hunne karakters niet overeenkomen, hebben zij allerlei verschillende kamers in huis, en kunnen elkander uit den weg blijven. Lieden zooals wij hebben maar ééne kamer en kunnen dat dus niet. Als dat ook niet aangaat, hebben zij goed en geld, en kunnen zeggen: „dit voor u en dat voor mij,” en kunnen ieder gaan waar het hun belieft. Dat kunnen wij niet. In spijt van dat alles kunnen zij toch weder vrijgemaakt worden voor kleiner ongelijk dan door honderden van ons geleden wordt—door vrouwen veel meer dan door mannen—zij kunnen vrijgemaakt worden voor veel kleiner ongelijk dan ik geleden heb. Ik moet dus van die vrouw afkomen, en ik wil maar weten op welke manier.”„Er is geen manier,” antwoordde mijnheer Bounderby.„Als ik haar doodsla, mijnheer, is er dan eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„Als ik van haar wegloop, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„Als ik dat andere goede meisje trouw, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„En als ik met haar leefde zonder haar te trouwen—om nu eens te zeggen, dat zoo iets gebeuren kon, dat toch nooit kan of zal gebeuren, want zij is veel te braaf—is er dan ook eene wet om mij te straffen in ieder onschuldig kind, dat mij toebehoort?”„Dat spreekt van zelf.”„Maar in Gods naam,” zeide Stephen Blackpool, „wijs mij nu de wet om mij te helpen.”„De verbintenis, waarvan gij spreekt, is heilig,” zeide mijnheer Bounderby, „en—en moet in eere gehouden worden.”„Neen, neen, zeg dat niet, mijnheer. Zij wordt zóó niet in eere gehouden. Zóó niet. Zij wordt zoo te schande gemaakt. Ik ben een wever, ik ben van kind af in eene fabriek geweest, maar ik heb toch oogen om mee te zien en ooren om mee te hooren. Ik lees in de courant ieder vierendeeljaars als de gerechtshoven zitting houden—en gij leest dat ook, dat weet ik, met ontzetting—hoe de onmogelijkheid om ooit, op eenigerlei manier, weder van elkander los te worden, bloed over het land brengt, en vele getrouwde lieden onder den geringen stand tot vechterijen, moord en doodslag doet komen. Daartegen moet toch een middel wezen. Mijn geval is een ellendig geval, en ik wil—als gij zoo goed wilt zijn—de wet van u weten, die mij helpen kan.”„Welnu, ik zal het u zeggen,” antwoordde mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende; „er is zulk eene wet.”Stephen knikte, nam zijne vorige bedaarde houding weder aan en bleef oplettend luisteren.„Maar daar hebt gij toch niet aan. Dat kost geld—een schat van geld.”„Hoeveel zou het wel wezen?” vroeg Stephen met bedaardheid.„Wel, gij zoudt naar Doctors’ Commons moeten gaan met een proces, en dan naar eenHof van Common Law met een proces, en naar het Huis der Lords met een proces, en gij zoudt eene Parlements-akte moeten hebben om weer te mogen trouwen, en dat zou u (als het eene heel gemakkelijke zaak was) denkelijk tusschen de duizend en de vijftienhonderd pond kosten,” zeide mijnheer Bounderby, „en misschien nog eens zooveel.”„Is er geen andere wet?”„Neen, zeker niet.”„Wel dan, mijnheer,” zeide Stephen, verbleekende, en terwijl hij met de rechterhand eene beweging maakte alsof hij alles aan de vier winden overgaf, „dan is het toch een ellendige warboel. Het is een warboel heelemaal, en hoe gauwer ik dood ben, hoe beter.”Mevrouw Sparsit werd weder terneergeslagen door de goddeloosheid van die menschen.„Kom, kom! praat geene malligheden, mijn goede man,” zeide mijnheer Bounderby, „over dingen, die gij niet verstaat; en noem de instelling van uw vaderland geen warboel, of gij zult u zelven op een fraaien ochtend in een wezenlijken warboel steken. De instellingen van uw vaderland zijn uw werk niet, en alles wat gij te doen hebt, is op uw werk te letten. Gij hebt uwe vrouw niet genomen om haar te probeeren, maar om haar te houden, hetzij zij mee- of tegenvalt. Als zij nu slecht is uitgevallen—ja, al wat wij dan kunnen zeggen is, dat zij ook beter had kunnen uitvallen.”„Het is een warboel,” zeide Stephen, zijn hoofd schuddende terwijl hij naar de deur ging. „Het is niets dan een warboel.”„Laat ik u eens wat zeggen,” zoo begon mijnheer Bounderby zijne afscheidsrede. „Met uw aanstootelijke gezegden hebt gij deze damegeërgerd, die, gelijk ik u reeds gezegd heb, eene geborene dame is, en die, gelijk ik u nog niet gezegd heb, hare eigene huwelijksrampen heeft gehad, ten bedrage eener schade van tienduizenden van ponden—tienduizenden van ponden,” herhaalde hij met welbehagen. „Gij zijt tot nog toe een ordentelijk werkman geweest; maar ik ben van gevoelen, en dat zeg ik u ronduit, dat gij den verkeerden weg opgaat. Gij hebt naar een of anderen kwaadwilligen vreemdeling geluisterd—die loopen hier altijd rond—en het beste wat gij doen kunt, is daarvan terug te komen. Gij moet weten,” hier nam zijn gezicht eene uitdrukking van verwonderlijke slimheid aan, „ik kan even diep in een slijpsteen zien als iemand anders, dieper dan menigeen misschien, omdat ik er dikwijls met mijn neus opgeduwd ben toen ik jong was. Ik zie hier duidelijk sporen van de schildpadsoep, het wildbraad en den gouden lepel. Ja, dat doe ik,” riep mijnheer Bounderby uit, en schudde met geduchte slimheid zijn hoofd, „waarachtig, dat doe ik.”Met een geheel ander hoofdschudden en een zwaren zucht zeide Stephen: „Ik dank u, mijnheer, en ik wensch u goedendag.”En zoo liet hij mijnheer Bounderby staan voor zijn eigen aan den wand hangend portret, zwellende alsof hij bersten zou, en mevrouw Sparsit nog met haar voet in den stijgbeugel op en neer wippende en een gezicht, hetwelk aanduidde dat de ondeugden van die menschen haar zeer hadden terneergeslagen.1For better, for worse, letterlijk: voor beter of voor erger; woorden uit het huwelijks-formulier.Vert.↑
XI.GEEN UITWEG.
De schitterende verlichting der Tooverpaleizen maakte voor het aanbreken van den dag de reusachtige rookslangen zichtbaar, die zich overCoketownvoortkronkelden. Daarop volgde een gekletter van houten overschoenen over de straatsteenen, een gebengel van klokken; en al de tot stille razernij vervallene olifanten, voor het eentonige leven van dien dag opgepoetst en geolied, waren weder in logge beweging.Stephen boog zich over zijn getouw, stil, waakzaam en oplettend. Een opmerkenswaardig contrast vormde hij aldus—gelijk ieder man deed in dat woud van weefgetouwen, waarin Stephen werkte—met de kletterende, ratelende, als ijlhoofdig voortjagende machine, waaraan hij werkte. Weest niet bang, goede, zwaartillende lieden, dat de kunst de natuur in vergetelheid zal brengen. Plaatst, waar gij ook wilt, het werk van God en het werk des menschen naast elkander, en het eerste, al is het slechts een troep zeer gering geachte fabriekarbeiders, zal door die vergelijking in waarde winnen.Vierhonderd en meer arbeiders in die fabriek; tweehonderd vijftig paardekrachten stoom. Men weet, op de kracht van een enkel pond gewicht af, wat de machine kan doen; maar al de berekenaars der nationale schuld zijn met hun allen niet in staat om te zeggen, welke vatbaarheid voor goed en kwaad, voor liefde en haat, voor vaderlandsmin en weerspannigheid, voor den overgang van deugd tot ondeugd of het tegendeel, er ieder oogenblik bestaat in de ziel van een dezer stille dienaren der machine, met hunne bedaarde gezichten en geregelde bewegingen. In de machine ligt geen geheim; in de laagste harer dienaren ligt voor eeuwig een onpeilbaar geheim verscholen. Indien wij dan eens onze rekenkunst voor stoffelijke voorwerpen bewaarden, en die ontzaglijke onbekende grootheden op eene andere wijs poogden te behandelen!De dag werd helderder en vertoonde zich van buiten, zelfs tegen de vlammende lichten van binnen. De lichten werden uitgedraaid en het werk ging voort. De regen viel, en de rookslangen, onderworpen aan den vloek van geheel dat geslacht, sleepten zich over den grond. Buiten op de fabriekwerf waren de stoom uit de ontlaatbuis, de stapels vaten en oud ijzer, de blinkende hoopen steenkool en de overal verspreide asch onder een sluier van mist en regen verborgen.Het werk ging voort totdat de middagklok luidde. Wederom kletterde het over de straatsteenen. De getouwen, de raderen en de arbeiders waren allen voor een uur van werk ontslagen.Stephen kwam uit de heete fabriek in den vochtigen wind en op de koude, natte straat, en gevoelde zich afgemat en ongesteld. Hij keerde zich van zijne eigene klasse en woonplaats af, en ging, niets anders gebruikende dan een broodje, dat hij al voortstappende opat, naar den heuvel, waar de voornaamste zijner patronen woonde, in een rood huis met zwarte luiken van buiten, groene valgordijnen van binnen, eene zwarte deur boven eene stoep met twee witte treden, den naam Bounderby (met letters, die aan den man zelf deden denken) op eene koperen plaat, en een ronde koperen deurknop daaronder, gelijk een koperen sluitteeken.Mijnheer Bounderby zat aan zijn twaalf-uurtje. Dit had Stephen verwacht. Wilde de knecht hem zeggen, dat een zijner arbeiders hem verlangde te spreken? Eene boodschap terug om naar den naam van dien arbeider te vragen. Stephen Blackpool. Er was niets ten nadeele van Stephen Blackpool bekend; ja, hij mocht binnenkomen.Stephen Blackpool trad de voorkamer binnen. Mijnheer Bounderby (wien hij ternauwernood van aanzien kende) zat eene karbonade met een glas sherry te gebruiken. Mevrouw Sparsit knoopte een net en zat bij den haard, in eene houding alsof zij op een vrouwenzadel te paard zat, met den eenen voet in een katoenen stijgbeugel. Het behoorde tot de deftigheid en den dienst van mevrouw Sparsit, dat zij geen twaalf-uurtje gebruikte. Zij woonde in hare officieele betrekking dien maaltijd bij, maar hare statigheid moest aanduiden, dat zij het voor eene zwakheid hield op dien tijd te eten.„Wel, Stephen,” zeide mijnheer Bounderby, „wat moet gij hebben?”Stephen antwoordde slechts met eene buiging—geene slaafsche buiging—dat willen die arbeiders nooit doen. Waarachtig, mijnheer, dat zult ge nooit van hen zien, al zijn zij twintig jaren bij u geweest!—Maar als ware het uit galanterie voor mevrouw Sparsit, verbeterde hij zijn toilet, door de punten van zijne das in zijn vest te stoppen.„Komaan,” hervatte mijnheer Bounderby, nadat hij een teugje uit zijn glas had genomen, „ik weet wel, dat wij nog nooit moeite met u gehad hebben, en dat gij nooit onder de onredelijken hebt behoord. Gij verwacht niet, dat men u eene koets met zes paarden zal laten houden, en alle dagen schildpadsoep en wildbraad zal laten eten met gouden lepel en vork, zooals velen doen.” Mijnheer Bounderby wilde het altijd doen voorkomen alsof dit het eenige en onmiddellijke doel was van iederen arbeider, die niet volkomen tevreden was, „endus weet ik dat gij niet hier komt om klachten te doen. Daarvan ben ik vooraf al zeker.”„Neen, mijnheer, om iets van dien aard ben ik ook niet hier gekomen.”Mijnheer Bounderby scheen aangenaam verrast, niettegenstaande zijne vroegere overtuiging.„Goed,” antwoordde hij. „Gij zijt een ordentelijk werkman, en ik vergiste mij dus niet. Maar laat mij nu hooren waarover het is. Als het dat niet is, laat mij hooren wat het dan is. Wat hebt gij te zeggen? Kom er maar mede voor den dag.”Stephen keek even naar mevrouw Sparsit om.„Ik kan wel heengaan, mijnheer Bounderby, als gij het verlangt,” zeide deze nederige dame en deed alsof zij haar voet uit den stijgbeugel wilde halen.Mijnheer Bounderby stuitte haar door een hapje karbonade een oogenblik tegen te houden eer hij het doorzwolg, en zijne linkerhand uit te steken. Daarna trok hij zijne hand terug, slikte het hapje door en zeide tot Stephen:„Gij moet weten, deze goede dame is eene geborene dame, eene hooggeborene dame. Gij moet niet denken, omdat zij voor mij huishoudt, dat zij daarom niet van hooge afkomst zou zijn—zij is integendeel van zeer hooge afkomst. Als gij nu iets te zeggen hebt, dat niet voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame de kamer uitgaan; maar als gij iets te zeggen hebt, dat voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame blijven waar zij is.”„Mijnheer, ik hoop, dat ik nooit iets te zeggen heb gehad, dat eene geborene dame niet mocht hooren, sedert ik zelf geboren werd,” was het antwoord, van een lichten blos vergezeld.„Ik ben hier gekomen,” begon Stephen, toen hij na een oogenblik bedenkens zijne oogen van den grond opsloeg, „om u raad te vragen. Ik ben er erg om verlegen. Het is op Paaschmaandag negentien jaren geleden dat ik getrouwd ben. Zij was toen een jong meisje—tamelijk mooi—en dat een goeden naam had. Maar zij ging een slechten weg op—al spoedig. Niet door mijne schuld. God weet, dat ik geen kwaad man voor haar ben geweest.”„Dat alles heb ik al gehoord,” zeide mijnheer Bounderby. „Zij kreeg ander gezelschap, geraakte aan den drank, werkte niet meer, verkocht de meubelen, bracht de kleeren naar den lommerd en speelde den beest.”„Ik had geduld met haar.”„Des te grooter gek zijt ge daarom, naar mij dunkt,” zeide mijnheer Bounderby in vertrouwen tot zijn wijnglas.„Ik had veel geduld met haar. Dikwijls heb ik geprobeerd er haar af te brengen. Ik probeerde dit en dat en allerlei. Dikwijls ben ik thuis gekomen, en heb ik al wat ik in de wereld bezat verdwenen gevonden en haar buiten besef op den grond. Dat is niet ééns gebeurd, niet tweemaal, maar wel twintigmaal.”De rimpels in zijn gezicht werden dieper toen hij dit zeide en gaven eene aandoenlijke getuigenis van het verdriet dat hij geleden had.„Het ging van kwaad tot erger en nog erger. Zij liep van mij weg. Zij maakte zich zelve op alle manieren te schande, gruwelijk en ijselijk. Zij kwam terug, en nog eens terug, en nog eens terug. Wat kon ik doen om het haar te beletten? Ik heb wel nachten lang op straat gezworven, eer ik naar huis kon gaan. Ik ben naar de brug gegaan, met voornemen om er af te springen, om er niet meer van te hooren. Ik heb zooveel uitgestaan, dat ik oud ben geworden terwijl ik nog jong was.”Mevrouw Sparsit, die hare knooppennen op haar gemak liet voorthuppelen, trok hare klassieke wenkbrauwen op en schudde haar hoofd, als wilde zij zeggen: „Grooten ondervinden zoowel wederwaardigheden als geringen. Wees zoo goed om uwe nederige oogen eens naar mij te wenden.”„Ik heb haar betaald om van mij weg te blijven. Nu vijf jaren lang heb ik haar betaald. Ik heb weer ordentelijke kleeren en meubelen gekregen. Ik heb een droevig en moeielijk leven gehad, maar ik behoefde toch niet ieder oogenblik van mijn leven beschaamd en angstig te zijn. Gisteravond ging ik naar huis. Daar lag zij voor mijn haard. Daar is zij weder terug.”In het gevoel van zijn ongeluk en het hartstochtelijke van zijne spijt, kwam hij voor een oogenblik in vuur en nam hij eene trotsche houding aan. Een oogenblik later stond hij daar weder gelijk hij al dien tijd had gestaan, met zijn gewonen gebogen rug, en zag mijnheer Bounderby peinzend aan met eene zonderlinge uitdrukking in zijn blik, half schrander, half verbijsterd, alsof hij zijn denkvermogen inspande om iets te ontraadselen, dat hij zeer moeielijk vond; met zijn hoed in zijne linkerhand gekneld, die op zijne heup rustte, terwijl zijn rechterarm ruwe en krachtige, maar welgepaste gebaren maakte om den indruk van hetgeen hij zeide te versterken; en die arm gaf zelfs nadruk aan zijn zwijgen, wanneer hij hem, terwijl hij zich even bedacht, niet terugtrok, maar een weinig gebogen opgeheven hield.„Ik was met dat alles al bekend, zooals gij weet,” zeide mijnheer Bounderby, „behalve met die laatste omstandigheid. Het is een leelijk geval, dat is het. Gij hadt maar liever tevreden moeten zijn zooals gij waart, en niet moeten trouwen. Maar het is nu te laat om dat te bedenken.”„Was het een ongelijk huwelijk, mijnheer, wat hunne jaren betrof?” vroeg mevrouw Sparsit.„Gij hoort wat die dame vraagt. Was het een ongelijk huwelijk wat uwe jaren betrof, die ongelukkige historie van u?” zeide mijnheer Bounderby.„Dat juist niet. Ik zelf was een en twintig en zij nagenoeg twintig.”„Ziet gij wel, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met bijzondere zelfvoldoening tot haar patroon. „Daar dit huwelijk zoo ellendig was, had ik al begrepen, dat het met opzicht tot hunne jaren waarschijnlijk ongelijk moest zijn geweest.”Mijnheer Bounderby zag de goede dame ter zijde aan, op eene manier, die eene comische verlegenheid uitdrukte. Hij versterkte zich met nog een weinigje sherry.„Wel, waarom gaat gij niet voort?” hervatte hij, zich eenigszins verstoord naar Stephen Blackpool keerende.„Ik ben hier gekomen om u te vragen, mijnheer, hoe ik van die vrouw kan afkomen.”Het oplettende gezicht van Stephen, waarop zich zulk eene mengeling van uitdrukkingen vertoonde, werd nog ernstiger toen hij dit zeide. Mevrouw Sparsit liet eene zachte uitroeping hooren, die aanduidde, dat zij een zedelijken schok had gekregen.„Wat meent gij?” zeide mijnheer Bounderby, opstaande om met zijn rug tegen den schoorsteenmantel te gaan staan leunen. „Wat praat gij toch? Gij hebt haar immers genomen, of zij mee- of tegenviel?”1„Ikmoetvan haar afkomen. Ikkanhet zoo niet langer uithouden. Ik had er niet zoolang onder kunnen leven, als ik het medelijden en de troostwoorden niet had gehad van het beste meisje, dat er leeft of dood is. Zonder haar zou ik misschien razend en dol zijn geworden.”„Hij wenscht weder vrij te zijn, om de vrouw te kunnen trouwen van wie hij spreekt, vrees ik, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit binnensmonds, zeer terneergeslagen door de onzedelijkheid van die menschen.„Dat doe ik. Die dame heeft gelijk. Dat doe ik. Daar wou ik juist opkomen. Ik heb in de courant wel gelezen, dat groote lui (mag het hun welgaan, ik wensch hun geen kwaad) niet zoo vast getrouwd zijn, of zij kunnen van een ongelukkig huwelijk worden vrijgemaakt, en mogen dan weer trouwen. Als zij zich niet met elkander kunnen verdragen, omdat hunne karakters niet overeenkomen, hebben zij allerlei verschillende kamers in huis, en kunnen elkander uit den weg blijven. Lieden zooals wij hebben maar ééne kamer en kunnen dat dus niet. Als dat ook niet aangaat, hebben zij goed en geld, en kunnen zeggen: „dit voor u en dat voor mij,” en kunnen ieder gaan waar het hun belieft. Dat kunnen wij niet. In spijt van dat alles kunnen zij toch weder vrijgemaakt worden voor kleiner ongelijk dan door honderden van ons geleden wordt—door vrouwen veel meer dan door mannen—zij kunnen vrijgemaakt worden voor veel kleiner ongelijk dan ik geleden heb. Ik moet dus van die vrouw afkomen, en ik wil maar weten op welke manier.”„Er is geen manier,” antwoordde mijnheer Bounderby.„Als ik haar doodsla, mijnheer, is er dan eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„Als ik van haar wegloop, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„Als ik dat andere goede meisje trouw, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”„Dat spreekt van zelf.”„En als ik met haar leefde zonder haar te trouwen—om nu eens te zeggen, dat zoo iets gebeuren kon, dat toch nooit kan of zal gebeuren, want zij is veel te braaf—is er dan ook eene wet om mij te straffen in ieder onschuldig kind, dat mij toebehoort?”„Dat spreekt van zelf.”„Maar in Gods naam,” zeide Stephen Blackpool, „wijs mij nu de wet om mij te helpen.”„De verbintenis, waarvan gij spreekt, is heilig,” zeide mijnheer Bounderby, „en—en moet in eere gehouden worden.”„Neen, neen, zeg dat niet, mijnheer. Zij wordt zóó niet in eere gehouden. Zóó niet. Zij wordt zoo te schande gemaakt. Ik ben een wever, ik ben van kind af in eene fabriek geweest, maar ik heb toch oogen om mee te zien en ooren om mee te hooren. Ik lees in de courant ieder vierendeeljaars als de gerechtshoven zitting houden—en gij leest dat ook, dat weet ik, met ontzetting—hoe de onmogelijkheid om ooit, op eenigerlei manier, weder van elkander los te worden, bloed over het land brengt, en vele getrouwde lieden onder den geringen stand tot vechterijen, moord en doodslag doet komen. Daartegen moet toch een middel wezen. Mijn geval is een ellendig geval, en ik wil—als gij zoo goed wilt zijn—de wet van u weten, die mij helpen kan.”„Welnu, ik zal het u zeggen,” antwoordde mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende; „er is zulk eene wet.”Stephen knikte, nam zijne vorige bedaarde houding weder aan en bleef oplettend luisteren.„Maar daar hebt gij toch niet aan. Dat kost geld—een schat van geld.”„Hoeveel zou het wel wezen?” vroeg Stephen met bedaardheid.„Wel, gij zoudt naar Doctors’ Commons moeten gaan met een proces, en dan naar eenHof van Common Law met een proces, en naar het Huis der Lords met een proces, en gij zoudt eene Parlements-akte moeten hebben om weer te mogen trouwen, en dat zou u (als het eene heel gemakkelijke zaak was) denkelijk tusschen de duizend en de vijftienhonderd pond kosten,” zeide mijnheer Bounderby, „en misschien nog eens zooveel.”„Is er geen andere wet?”„Neen, zeker niet.”„Wel dan, mijnheer,” zeide Stephen, verbleekende, en terwijl hij met de rechterhand eene beweging maakte alsof hij alles aan de vier winden overgaf, „dan is het toch een ellendige warboel. Het is een warboel heelemaal, en hoe gauwer ik dood ben, hoe beter.”Mevrouw Sparsit werd weder terneergeslagen door de goddeloosheid van die menschen.„Kom, kom! praat geene malligheden, mijn goede man,” zeide mijnheer Bounderby, „over dingen, die gij niet verstaat; en noem de instelling van uw vaderland geen warboel, of gij zult u zelven op een fraaien ochtend in een wezenlijken warboel steken. De instellingen van uw vaderland zijn uw werk niet, en alles wat gij te doen hebt, is op uw werk te letten. Gij hebt uwe vrouw niet genomen om haar te probeeren, maar om haar te houden, hetzij zij mee- of tegenvalt. Als zij nu slecht is uitgevallen—ja, al wat wij dan kunnen zeggen is, dat zij ook beter had kunnen uitvallen.”„Het is een warboel,” zeide Stephen, zijn hoofd schuddende terwijl hij naar de deur ging. „Het is niets dan een warboel.”„Laat ik u eens wat zeggen,” zoo begon mijnheer Bounderby zijne afscheidsrede. „Met uw aanstootelijke gezegden hebt gij deze damegeërgerd, die, gelijk ik u reeds gezegd heb, eene geborene dame is, en die, gelijk ik u nog niet gezegd heb, hare eigene huwelijksrampen heeft gehad, ten bedrage eener schade van tienduizenden van ponden—tienduizenden van ponden,” herhaalde hij met welbehagen. „Gij zijt tot nog toe een ordentelijk werkman geweest; maar ik ben van gevoelen, en dat zeg ik u ronduit, dat gij den verkeerden weg opgaat. Gij hebt naar een of anderen kwaadwilligen vreemdeling geluisterd—die loopen hier altijd rond—en het beste wat gij doen kunt, is daarvan terug te komen. Gij moet weten,” hier nam zijn gezicht eene uitdrukking van verwonderlijke slimheid aan, „ik kan even diep in een slijpsteen zien als iemand anders, dieper dan menigeen misschien, omdat ik er dikwijls met mijn neus opgeduwd ben toen ik jong was. Ik zie hier duidelijk sporen van de schildpadsoep, het wildbraad en den gouden lepel. Ja, dat doe ik,” riep mijnheer Bounderby uit, en schudde met geduchte slimheid zijn hoofd, „waarachtig, dat doe ik.”Met een geheel ander hoofdschudden en een zwaren zucht zeide Stephen: „Ik dank u, mijnheer, en ik wensch u goedendag.”En zoo liet hij mijnheer Bounderby staan voor zijn eigen aan den wand hangend portret, zwellende alsof hij bersten zou, en mevrouw Sparsit nog met haar voet in den stijgbeugel op en neer wippende en een gezicht, hetwelk aanduidde dat de ondeugden van die menschen haar zeer hadden terneergeslagen.
De schitterende verlichting der Tooverpaleizen maakte voor het aanbreken van den dag de reusachtige rookslangen zichtbaar, die zich overCoketownvoortkronkelden. Daarop volgde een gekletter van houten overschoenen over de straatsteenen, een gebengel van klokken; en al de tot stille razernij vervallene olifanten, voor het eentonige leven van dien dag opgepoetst en geolied, waren weder in logge beweging.
Stephen boog zich over zijn getouw, stil, waakzaam en oplettend. Een opmerkenswaardig contrast vormde hij aldus—gelijk ieder man deed in dat woud van weefgetouwen, waarin Stephen werkte—met de kletterende, ratelende, als ijlhoofdig voortjagende machine, waaraan hij werkte. Weest niet bang, goede, zwaartillende lieden, dat de kunst de natuur in vergetelheid zal brengen. Plaatst, waar gij ook wilt, het werk van God en het werk des menschen naast elkander, en het eerste, al is het slechts een troep zeer gering geachte fabriekarbeiders, zal door die vergelijking in waarde winnen.
Vierhonderd en meer arbeiders in die fabriek; tweehonderd vijftig paardekrachten stoom. Men weet, op de kracht van een enkel pond gewicht af, wat de machine kan doen; maar al de berekenaars der nationale schuld zijn met hun allen niet in staat om te zeggen, welke vatbaarheid voor goed en kwaad, voor liefde en haat, voor vaderlandsmin en weerspannigheid, voor den overgang van deugd tot ondeugd of het tegendeel, er ieder oogenblik bestaat in de ziel van een dezer stille dienaren der machine, met hunne bedaarde gezichten en geregelde bewegingen. In de machine ligt geen geheim; in de laagste harer dienaren ligt voor eeuwig een onpeilbaar geheim verscholen. Indien wij dan eens onze rekenkunst voor stoffelijke voorwerpen bewaarden, en die ontzaglijke onbekende grootheden op eene andere wijs poogden te behandelen!
De dag werd helderder en vertoonde zich van buiten, zelfs tegen de vlammende lichten van binnen. De lichten werden uitgedraaid en het werk ging voort. De regen viel, en de rookslangen, onderworpen aan den vloek van geheel dat geslacht, sleepten zich over den grond. Buiten op de fabriekwerf waren de stoom uit de ontlaatbuis, de stapels vaten en oud ijzer, de blinkende hoopen steenkool en de overal verspreide asch onder een sluier van mist en regen verborgen.
Het werk ging voort totdat de middagklok luidde. Wederom kletterde het over de straatsteenen. De getouwen, de raderen en de arbeiders waren allen voor een uur van werk ontslagen.
Stephen kwam uit de heete fabriek in den vochtigen wind en op de koude, natte straat, en gevoelde zich afgemat en ongesteld. Hij keerde zich van zijne eigene klasse en woonplaats af, en ging, niets anders gebruikende dan een broodje, dat hij al voortstappende opat, naar den heuvel, waar de voornaamste zijner patronen woonde, in een rood huis met zwarte luiken van buiten, groene valgordijnen van binnen, eene zwarte deur boven eene stoep met twee witte treden, den naam Bounderby (met letters, die aan den man zelf deden denken) op eene koperen plaat, en een ronde koperen deurknop daaronder, gelijk een koperen sluitteeken.
Mijnheer Bounderby zat aan zijn twaalf-uurtje. Dit had Stephen verwacht. Wilde de knecht hem zeggen, dat een zijner arbeiders hem verlangde te spreken? Eene boodschap terug om naar den naam van dien arbeider te vragen. Stephen Blackpool. Er was niets ten nadeele van Stephen Blackpool bekend; ja, hij mocht binnenkomen.
Stephen Blackpool trad de voorkamer binnen. Mijnheer Bounderby (wien hij ternauwernood van aanzien kende) zat eene karbonade met een glas sherry te gebruiken. Mevrouw Sparsit knoopte een net en zat bij den haard, in eene houding alsof zij op een vrouwenzadel te paard zat, met den eenen voet in een katoenen stijgbeugel. Het behoorde tot de deftigheid en den dienst van mevrouw Sparsit, dat zij geen twaalf-uurtje gebruikte. Zij woonde in hare officieele betrekking dien maaltijd bij, maar hare statigheid moest aanduiden, dat zij het voor eene zwakheid hield op dien tijd te eten.
„Wel, Stephen,” zeide mijnheer Bounderby, „wat moet gij hebben?”
Stephen antwoordde slechts met eene buiging—geene slaafsche buiging—dat willen die arbeiders nooit doen. Waarachtig, mijnheer, dat zult ge nooit van hen zien, al zijn zij twintig jaren bij u geweest!—Maar als ware het uit galanterie voor mevrouw Sparsit, verbeterde hij zijn toilet, door de punten van zijne das in zijn vest te stoppen.
„Komaan,” hervatte mijnheer Bounderby, nadat hij een teugje uit zijn glas had genomen, „ik weet wel, dat wij nog nooit moeite met u gehad hebben, en dat gij nooit onder de onredelijken hebt behoord. Gij verwacht niet, dat men u eene koets met zes paarden zal laten houden, en alle dagen schildpadsoep en wildbraad zal laten eten met gouden lepel en vork, zooals velen doen.” Mijnheer Bounderby wilde het altijd doen voorkomen alsof dit het eenige en onmiddellijke doel was van iederen arbeider, die niet volkomen tevreden was, „endus weet ik dat gij niet hier komt om klachten te doen. Daarvan ben ik vooraf al zeker.”
„Neen, mijnheer, om iets van dien aard ben ik ook niet hier gekomen.”
Mijnheer Bounderby scheen aangenaam verrast, niettegenstaande zijne vroegere overtuiging.
„Goed,” antwoordde hij. „Gij zijt een ordentelijk werkman, en ik vergiste mij dus niet. Maar laat mij nu hooren waarover het is. Als het dat niet is, laat mij hooren wat het dan is. Wat hebt gij te zeggen? Kom er maar mede voor den dag.”
Stephen keek even naar mevrouw Sparsit om.
„Ik kan wel heengaan, mijnheer Bounderby, als gij het verlangt,” zeide deze nederige dame en deed alsof zij haar voet uit den stijgbeugel wilde halen.
Mijnheer Bounderby stuitte haar door een hapje karbonade een oogenblik tegen te houden eer hij het doorzwolg, en zijne linkerhand uit te steken. Daarna trok hij zijne hand terug, slikte het hapje door en zeide tot Stephen:
„Gij moet weten, deze goede dame is eene geborene dame, eene hooggeborene dame. Gij moet niet denken, omdat zij voor mij huishoudt, dat zij daarom niet van hooge afkomst zou zijn—zij is integendeel van zeer hooge afkomst. Als gij nu iets te zeggen hebt, dat niet voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame de kamer uitgaan; maar als gij iets te zeggen hebt, dat voor eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame blijven waar zij is.”
„Mijnheer, ik hoop, dat ik nooit iets te zeggen heb gehad, dat eene geborene dame niet mocht hooren, sedert ik zelf geboren werd,” was het antwoord, van een lichten blos vergezeld.
„Ik ben hier gekomen,” begon Stephen, toen hij na een oogenblik bedenkens zijne oogen van den grond opsloeg, „om u raad te vragen. Ik ben er erg om verlegen. Het is op Paaschmaandag negentien jaren geleden dat ik getrouwd ben. Zij was toen een jong meisje—tamelijk mooi—en dat een goeden naam had. Maar zij ging een slechten weg op—al spoedig. Niet door mijne schuld. God weet, dat ik geen kwaad man voor haar ben geweest.”
„Dat alles heb ik al gehoord,” zeide mijnheer Bounderby. „Zij kreeg ander gezelschap, geraakte aan den drank, werkte niet meer, verkocht de meubelen, bracht de kleeren naar den lommerd en speelde den beest.”
„Ik had geduld met haar.”
„Des te grooter gek zijt ge daarom, naar mij dunkt,” zeide mijnheer Bounderby in vertrouwen tot zijn wijnglas.
„Ik had veel geduld met haar. Dikwijls heb ik geprobeerd er haar af te brengen. Ik probeerde dit en dat en allerlei. Dikwijls ben ik thuis gekomen, en heb ik al wat ik in de wereld bezat verdwenen gevonden en haar buiten besef op den grond. Dat is niet ééns gebeurd, niet tweemaal, maar wel twintigmaal.”
De rimpels in zijn gezicht werden dieper toen hij dit zeide en gaven eene aandoenlijke getuigenis van het verdriet dat hij geleden had.
„Het ging van kwaad tot erger en nog erger. Zij liep van mij weg. Zij maakte zich zelve op alle manieren te schande, gruwelijk en ijselijk. Zij kwam terug, en nog eens terug, en nog eens terug. Wat kon ik doen om het haar te beletten? Ik heb wel nachten lang op straat gezworven, eer ik naar huis kon gaan. Ik ben naar de brug gegaan, met voornemen om er af te springen, om er niet meer van te hooren. Ik heb zooveel uitgestaan, dat ik oud ben geworden terwijl ik nog jong was.”
Mevrouw Sparsit, die hare knooppennen op haar gemak liet voorthuppelen, trok hare klassieke wenkbrauwen op en schudde haar hoofd, als wilde zij zeggen: „Grooten ondervinden zoowel wederwaardigheden als geringen. Wees zoo goed om uwe nederige oogen eens naar mij te wenden.”
„Ik heb haar betaald om van mij weg te blijven. Nu vijf jaren lang heb ik haar betaald. Ik heb weer ordentelijke kleeren en meubelen gekregen. Ik heb een droevig en moeielijk leven gehad, maar ik behoefde toch niet ieder oogenblik van mijn leven beschaamd en angstig te zijn. Gisteravond ging ik naar huis. Daar lag zij voor mijn haard. Daar is zij weder terug.”
In het gevoel van zijn ongeluk en het hartstochtelijke van zijne spijt, kwam hij voor een oogenblik in vuur en nam hij eene trotsche houding aan. Een oogenblik later stond hij daar weder gelijk hij al dien tijd had gestaan, met zijn gewonen gebogen rug, en zag mijnheer Bounderby peinzend aan met eene zonderlinge uitdrukking in zijn blik, half schrander, half verbijsterd, alsof hij zijn denkvermogen inspande om iets te ontraadselen, dat hij zeer moeielijk vond; met zijn hoed in zijne linkerhand gekneld, die op zijne heup rustte, terwijl zijn rechterarm ruwe en krachtige, maar welgepaste gebaren maakte om den indruk van hetgeen hij zeide te versterken; en die arm gaf zelfs nadruk aan zijn zwijgen, wanneer hij hem, terwijl hij zich even bedacht, niet terugtrok, maar een weinig gebogen opgeheven hield.
„Ik was met dat alles al bekend, zooals gij weet,” zeide mijnheer Bounderby, „behalve met die laatste omstandigheid. Het is een leelijk geval, dat is het. Gij hadt maar liever tevreden moeten zijn zooals gij waart, en niet moeten trouwen. Maar het is nu te laat om dat te bedenken.”
„Was het een ongelijk huwelijk, mijnheer, wat hunne jaren betrof?” vroeg mevrouw Sparsit.
„Gij hoort wat die dame vraagt. Was het een ongelijk huwelijk wat uwe jaren betrof, die ongelukkige historie van u?” zeide mijnheer Bounderby.
„Dat juist niet. Ik zelf was een en twintig en zij nagenoeg twintig.”
„Ziet gij wel, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met bijzondere zelfvoldoening tot haar patroon. „Daar dit huwelijk zoo ellendig was, had ik al begrepen, dat het met opzicht tot hunne jaren waarschijnlijk ongelijk moest zijn geweest.”
Mijnheer Bounderby zag de goede dame ter zijde aan, op eene manier, die eene comische verlegenheid uitdrukte. Hij versterkte zich met nog een weinigje sherry.
„Wel, waarom gaat gij niet voort?” hervatte hij, zich eenigszins verstoord naar Stephen Blackpool keerende.
„Ik ben hier gekomen om u te vragen, mijnheer, hoe ik van die vrouw kan afkomen.”
Het oplettende gezicht van Stephen, waarop zich zulk eene mengeling van uitdrukkingen vertoonde, werd nog ernstiger toen hij dit zeide. Mevrouw Sparsit liet eene zachte uitroeping hooren, die aanduidde, dat zij een zedelijken schok had gekregen.
„Wat meent gij?” zeide mijnheer Bounderby, opstaande om met zijn rug tegen den schoorsteenmantel te gaan staan leunen. „Wat praat gij toch? Gij hebt haar immers genomen, of zij mee- of tegenviel?”1
„Ikmoetvan haar afkomen. Ikkanhet zoo niet langer uithouden. Ik had er niet zoolang onder kunnen leven, als ik het medelijden en de troostwoorden niet had gehad van het beste meisje, dat er leeft of dood is. Zonder haar zou ik misschien razend en dol zijn geworden.”
„Hij wenscht weder vrij te zijn, om de vrouw te kunnen trouwen van wie hij spreekt, vrees ik, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit binnensmonds, zeer terneergeslagen door de onzedelijkheid van die menschen.
„Dat doe ik. Die dame heeft gelijk. Dat doe ik. Daar wou ik juist opkomen. Ik heb in de courant wel gelezen, dat groote lui (mag het hun welgaan, ik wensch hun geen kwaad) niet zoo vast getrouwd zijn, of zij kunnen van een ongelukkig huwelijk worden vrijgemaakt, en mogen dan weer trouwen. Als zij zich niet met elkander kunnen verdragen, omdat hunne karakters niet overeenkomen, hebben zij allerlei verschillende kamers in huis, en kunnen elkander uit den weg blijven. Lieden zooals wij hebben maar ééne kamer en kunnen dat dus niet. Als dat ook niet aangaat, hebben zij goed en geld, en kunnen zeggen: „dit voor u en dat voor mij,” en kunnen ieder gaan waar het hun belieft. Dat kunnen wij niet. In spijt van dat alles kunnen zij toch weder vrijgemaakt worden voor kleiner ongelijk dan door honderden van ons geleden wordt—door vrouwen veel meer dan door mannen—zij kunnen vrijgemaakt worden voor veel kleiner ongelijk dan ik geleden heb. Ik moet dus van die vrouw afkomen, en ik wil maar weten op welke manier.”
„Er is geen manier,” antwoordde mijnheer Bounderby.
„Als ik haar doodsla, mijnheer, is er dan eene wet om mij te straffen?”
„Dat spreekt van zelf.”
„Als ik van haar wegloop, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”
„Dat spreekt van zelf.”
„Als ik dat andere goede meisje trouw, is er dan ook eene wet om mij te straffen?”
„Dat spreekt van zelf.”
„En als ik met haar leefde zonder haar te trouwen—om nu eens te zeggen, dat zoo iets gebeuren kon, dat toch nooit kan of zal gebeuren, want zij is veel te braaf—is er dan ook eene wet om mij te straffen in ieder onschuldig kind, dat mij toebehoort?”
„Dat spreekt van zelf.”
„Maar in Gods naam,” zeide Stephen Blackpool, „wijs mij nu de wet om mij te helpen.”
„De verbintenis, waarvan gij spreekt, is heilig,” zeide mijnheer Bounderby, „en—en moet in eere gehouden worden.”
„Neen, neen, zeg dat niet, mijnheer. Zij wordt zóó niet in eere gehouden. Zóó niet. Zij wordt zoo te schande gemaakt. Ik ben een wever, ik ben van kind af in eene fabriek geweest, maar ik heb toch oogen om mee te zien en ooren om mee te hooren. Ik lees in de courant ieder vierendeeljaars als de gerechtshoven zitting houden—en gij leest dat ook, dat weet ik, met ontzetting—hoe de onmogelijkheid om ooit, op eenigerlei manier, weder van elkander los te worden, bloed over het land brengt, en vele getrouwde lieden onder den geringen stand tot vechterijen, moord en doodslag doet komen. Daartegen moet toch een middel wezen. Mijn geval is een ellendig geval, en ik wil—als gij zoo goed wilt zijn—de wet van u weten, die mij helpen kan.”
„Welnu, ik zal het u zeggen,” antwoordde mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende; „er is zulk eene wet.”
Stephen knikte, nam zijne vorige bedaarde houding weder aan en bleef oplettend luisteren.
„Maar daar hebt gij toch niet aan. Dat kost geld—een schat van geld.”
„Hoeveel zou het wel wezen?” vroeg Stephen met bedaardheid.
„Wel, gij zoudt naar Doctors’ Commons moeten gaan met een proces, en dan naar eenHof van Common Law met een proces, en naar het Huis der Lords met een proces, en gij zoudt eene Parlements-akte moeten hebben om weer te mogen trouwen, en dat zou u (als het eene heel gemakkelijke zaak was) denkelijk tusschen de duizend en de vijftienhonderd pond kosten,” zeide mijnheer Bounderby, „en misschien nog eens zooveel.”
„Is er geen andere wet?”
„Neen, zeker niet.”
„Wel dan, mijnheer,” zeide Stephen, verbleekende, en terwijl hij met de rechterhand eene beweging maakte alsof hij alles aan de vier winden overgaf, „dan is het toch een ellendige warboel. Het is een warboel heelemaal, en hoe gauwer ik dood ben, hoe beter.”
Mevrouw Sparsit werd weder terneergeslagen door de goddeloosheid van die menschen.
„Kom, kom! praat geene malligheden, mijn goede man,” zeide mijnheer Bounderby, „over dingen, die gij niet verstaat; en noem de instelling van uw vaderland geen warboel, of gij zult u zelven op een fraaien ochtend in een wezenlijken warboel steken. De instellingen van uw vaderland zijn uw werk niet, en alles wat gij te doen hebt, is op uw werk te letten. Gij hebt uwe vrouw niet genomen om haar te probeeren, maar om haar te houden, hetzij zij mee- of tegenvalt. Als zij nu slecht is uitgevallen—ja, al wat wij dan kunnen zeggen is, dat zij ook beter had kunnen uitvallen.”
„Het is een warboel,” zeide Stephen, zijn hoofd schuddende terwijl hij naar de deur ging. „Het is niets dan een warboel.”
„Laat ik u eens wat zeggen,” zoo begon mijnheer Bounderby zijne afscheidsrede. „Met uw aanstootelijke gezegden hebt gij deze damegeërgerd, die, gelijk ik u reeds gezegd heb, eene geborene dame is, en die, gelijk ik u nog niet gezegd heb, hare eigene huwelijksrampen heeft gehad, ten bedrage eener schade van tienduizenden van ponden—tienduizenden van ponden,” herhaalde hij met welbehagen. „Gij zijt tot nog toe een ordentelijk werkman geweest; maar ik ben van gevoelen, en dat zeg ik u ronduit, dat gij den verkeerden weg opgaat. Gij hebt naar een of anderen kwaadwilligen vreemdeling geluisterd—die loopen hier altijd rond—en het beste wat gij doen kunt, is daarvan terug te komen. Gij moet weten,” hier nam zijn gezicht eene uitdrukking van verwonderlijke slimheid aan, „ik kan even diep in een slijpsteen zien als iemand anders, dieper dan menigeen misschien, omdat ik er dikwijls met mijn neus opgeduwd ben toen ik jong was. Ik zie hier duidelijk sporen van de schildpadsoep, het wildbraad en den gouden lepel. Ja, dat doe ik,” riep mijnheer Bounderby uit, en schudde met geduchte slimheid zijn hoofd, „waarachtig, dat doe ik.”
Met een geheel ander hoofdschudden en een zwaren zucht zeide Stephen: „Ik dank u, mijnheer, en ik wensch u goedendag.”
En zoo liet hij mijnheer Bounderby staan voor zijn eigen aan den wand hangend portret, zwellende alsof hij bersten zou, en mevrouw Sparsit nog met haar voet in den stijgbeugel op en neer wippende en een gezicht, hetwelk aanduidde dat de ondeugden van die menschen haar zeer hadden terneergeslagen.
1For better, for worse, letterlijk: voor beter of voor erger; woorden uit het huwelijks-formulier.Vert.↑
1For better, for worse, letterlijk: voor beter of voor erger; woorden uit het huwelijks-formulier.Vert.↑