XII.DE OUDE VROUW.Oude Stephen ging de twee treden van de witte stoep af, en trok de zwarte deur met het koperen plaatje dicht, met behulp van het koperen sluitteeken, dat hij, eer hij verder ging, nog eens met zijn mouw afveegde, daar hij opmerkte, dat zijne heete hand het had doen beslaan. Hij stak de straat over met zijne oogen op den grond geslagen, en zoo stapte hij treurig heen, toen hij eene hand op zijn arm voelde.Het was niet die hand, waaraan hij op zulk een oogenblik de meeste behoefte had—niet de hand, die de woeste golven van zijn gemoed kon doen bedaren, gelijk de opgehevene hand der verhevenste, geduldigste liefde het woeden der zee kon stillen—maar het was toch ook de hand eener vrouw. Het was eene oude vrouw, nog rijzig en welgemaakt (hoewel de tijd haar had doen verwelken), die voor zijne oogen stond toen hij omkeek. Zij was zeer zindelijk en hoogst eenvoudig gekleed, had slijk van buiten de stad aan hare schoenen en was zoo pas van eene reis gekomen. De schuwheid van haar uitzicht bij het ongewone rumoer op straat; de losse omslagdoek, dien zij over haar arm had gehangen; de zware paraplu en het kleine sluitmandje; de wijde handschoenen met lange vingers, waaraan hare handen ongewoon waren, alles kenteekende eene oude vrouw van het land, in hare eenvoudige zondagskleeding, die bij eene zeer zeldzame gelegenheid naarCoketownwas gekomen. De scherpzinnigheid aan zijn stand eigen deed Stephen dit met den eersten blik opmerken, en hij boog zich naar haar over met zijn oplettend gezicht—dat gezicht, hetwelk, gelijk bij de meesten van zijn stand het geval was, door zoolang te midden van een vervaarlijk gedruisch met oogen en handen te werken, dien blik van strakke inspanning had verkregen, waaraan men bij dooven gewoon is—om des te beter te kunnen hooren wat zij hem vroeg.„Zeg eens, mijnheer,” zeide de oude vrouw,„heb ik u daar niet uit dat huis zien komen?” en zij wees naar het huis van mijnheer Bounderby. „Ik geloof, dat gij het waart, of ik moet bij ongeluk een verkeerden hebben nageloopen.”„Ja wel, juffrouw,” antwoordde Stephen, „dat was ik.”„Hebt gij—neem het niet kwalijk, dat eene oude vrouw nieuwsgierig is—hebt gij den heer, die daar woont, gezien?”„Ja, juffrouw.”„En hoe zag hij er uit, mijnheer? Was hij goed in het vleesch, forsch, hartelijk en ferm in zijn spreken?”Terwijl zij zelve hare gestalte oprichtte en haar hoofd ophield, om hare houding in overeenstemming met hare woorden te brengen, kwam bij Stephen het denkbeeld op, dat hij die oude vrouw vroeger had gezien en zij hem toen niet best was bevallen.„O ja,” antwoordde hij, haar met meer oplettendheid aanziende; „hij was dat alles.”„En gezond,” zeide de oude vrouw, „zoo gezond als de frissche wind?”„Ja,” antwoordde Stephen. „Hij was aan het eten en drinken—hij was zoo dik en zwaar als een olifant.”„Dank je wel,” zeide de vrouw uiterst vergenoegd, „dank je wel.”Hij had die vrouw zeker nog nooit gezien; en toch kwam hem eene flauwe herinnering voor den geest, alsof hij eens van zulk eene oude vrouw had gedroomd.Zij stapte naast hem voort, en zich vriendelijk naar hare gemoedsstemming voegende, vroeg hij, of zij niet vond, datCoketowneene drukke stad was. „Ja zeker, schrikkelijk druk,” antwoordde zij. Toen gaf hij vragenderwijs te kennen, dat hij wel zag dat zij van buiten kwam, waarop zij bevestigend antwoordde.„Ik ben van morgen met den eersten spoortrein gekomen,” zeide zij. „Veertig mijlen ver ben ik van morgen gekomen, en ik ga van middag dezelfde veertig mijlen ver terug. Ik heb van morgen negen mijlen ver naar het station gewandeld, en als ik onderweg niemand vind, die mij een eindje laat mederijden, zal ik van avond weder die negen mijlen moeten terugwandelen. Dat is tamelijk wel op mijne jaren, mijnheer!” zeide de spraakzame oude vrouw, terwijl hare oogen van genoegen glinsterden.„Dat is het zeker. Maar dat doet gij toch niet dikwijls, juffrouw?”„Neen, maar eens in het jaar,” antwoordde zij, haar hoofd schuddende. „Eens in het jaar verteer ik zoo mijn spaargeld. Dan kom ik geregeld over, om door de straten te kuieren en de heeren te zien.”„Alleen om te zien?” hervatte Stephen.„Dat is genoeg voor mij,” antwoordde zij met grooten ernst en alsof het onderwerp van het gesprek haar bijzonder belang inboezemde. „Ik vraag niet meer. Ik ben aan dezen kant van de straat blijven wachten, om dien heer” (daarmede keek zij weder naar het huis van mijnheer Bounderby) „te zien buitenkomen. Maar hij blijft laat in huis dit jaar, en ik heb hem nog niet gezien. Gij zijt buitengekomen in plaats van hem. Als ik nu weder vertrekken moet, zonder hem even te hebben gezien—ik wil hem maar even te zien krijgen—welnu, dan heb ik u gezien, en gij hebt hem gezien, en daarmede moet ik mij maar vergenoegen.” Dit zeggende zag zij Stephen aan, alsof zij zijne gelaatstrekken in haar geheugen wilde prenten, en hare oogen waren zoo helder niet meer als zij geweest waren.Met alle inschikkelijkheid voor het verschil van smaak, en met alle onderdanigheid voor de patriciërs vanCoketown, kwam de belangstelling der oude vrouw hem toch zoo zonderling voor, dat hij niet wist wat hij van haar moest denken. Doch zij kwamen nu eene kerk voorbij, en toen de wijzerplaat der klok hem in het oog viel, versnelde hij zijne schreden.Hij ging zeker naar zijn werk, zeide de oude vrouw, en verhaastte insgelijks haar tred, hetgeen haar geene moeite scheen te kosten.—Ja, zijn tijd was bijna om. Toen hij haar zeide waar hij werkte, werd de oude vrouw nog zonderlinger dan te voren.„Zijt ge niet gelukkig?” vroeg zij hem.„Wel, juffrouw, er is bijna niemand of hij heeft zijn verdriet,” antwoordde hij ontwijkend, dewijl de oude vrouw het er voor scheen te houden, dat hij zeer gelukkig moest wezen en hij het hart niet had om haar teleur te stellen. Hij wist, dat er verdriet genoeg in de wereld was; en indien de oude vrouw zoo lang geleefd had en er toch op rekenen kon, dat hij zoo weinig verdriet had—wel, des te beter voor haar, en hij was er daarom ook niet erger aan toe.„Ja, ja! Gij hebt uw verdriet thuis, meent gij?” zeide zij.„Somtijds. Nu en dan,” antwoordde hij flauwtjes.„Maar als gij onder zulk een heer werkt, volgt het u toch niet in de fabriek?”Neen, het volgde hem daar niet, zeide Stephen. Daar was alles naar behooren. Hij ging zoover niet, om ten haren genoegen te zeggen, dat daar een soort van Goddelijk recht heerschte; maar ik heb in de laatste jaren bijna even hooge aanspraken voor de fabrieken hooren maken.Zij waren nu in een smal, zwart berookt straatje dicht bij het fabriekgebouw en de arbeiders kwamen bij troepen aan. De klok luidde, en de slang kronkelde zich door de lucht en de olifant stond gereed. Zelfs de klank der klok scheen de oude vrouw in verrukking te brengen.Het was de mooiste klok die zij ooit gehoord had, zeide zij, en zij klonk zoo deftig.Zij vroeg hem, toen hij haar goedhartig de hand gaf eer hij binnenging, hoelang hij daar gewerkt had.„Twaalf jaren,” antwoordde hij.„Ik moet de hand kussen,” zeide zij, „die twaalf jaren lang in die mooie fabriek gewerkt heeft!” En hoewel hij dit wilde verhinderen, tilde zij zijne hand op en bracht die aan hare lippen. Welke harmonie, behalve haar ouderdom en hare eenvoudigheid, haar eigen was, wist hij niet; maar zelfs in dit zonderlinge bedrijf lag iets, dat op dien tijd en die plaats niet ongepast scheen te wezen; iets, waardoor het scheen alsof niemand anders dit zoo ernstig of op zulk eene natuurlijke en treffende manier had kunnen doen.Hij had een half uur bij zijn weefgetouw gestaan, gedurig over die oude vrouw denkende, toen hij, om zijn getouw heen gaande, ten einde iets in orde te brengen, door een venster keek, en zag dat zij daar nog stond en in bewondering verzonken naar het gebouw opzag. Zonder aan den rook, de modder en het natte weder, of aan hare twee verre reizen te denken, stond zij het aan te staren, alsof het dreunende stampen, dat uit elk der vele verdiepingen klonk, eene heerlijke muziek voor haar was.Later verdween zij en de dag volgde haar voorbeeld, en de lichten werden weder aangestoken, en de laatste spoortrein snorde dicht bij het Tooverpaleis over de bogen eener brug, weinig gevoeld onder het dreunen der machinerie, en bijna niet gehoord onder het kletteren en ratelen. Lang voor dien tijd waren zijne gedachten weder teruggekeerd naar die akelige kamer boven het winkeltje en naar de afschuwelijke gedaante, die zoo zwaar op zijn bed, maar nog zwaarder op zijn hart lag.De machinerie werd trager; zij stampte nog maar flauw, alsof er een bezwijkende pols klopte, en bleef stilstaan. Wederom luidde de klok; de gloed van licht en hitte werd uitgedoofd; de fabriekgebouwen stonden als zwarte klompen in den donkeren, regenachtigen nacht, en de hooge schoorsteenen verhieven zich in de lucht gelijk wedijverende torens vanBabel.Hij had Rachel pas den vorigen avond gesproken, dat was waar, en een eind met haar medegegaan; maar hij had zijn nieuw ongeluk op het hart, waaronder niemand anders hem een oogenblik verademing kon geven, en daarom, en omdat hij wist dat hij behoefte had aan eene stem, die zijne gramschap kon verzachten, hetgeen geene andere stem dan de hare kon doen, begreep hij dat hij, in weerwil van wat zij den vorigen avond had gezegd, wel weder naar haar mocht wachten. Hij deed dit, maar zij was hem reeds ontsnapt. Zij kwam niet meer. Op geen anderen avond in het jaar had hij haar gezichtje vol zachtaardig geduld zoo slecht kunnen missen.O, beter geen thuis te hebben waar hij zijn hoofd kon neerleggen, dan een thuis te hebben en om zulk eene reden bevreesd te zijn er naar toe te gaan. Hij at en dronk, want hij was uitgeput, maar hij wist bijna niet wat hij at en dronk, hij dacht er niet eens aan, en hij bleef ronddwalen in den kouden regen, al denkende en morrende.Geen woord over een nieuw huwelijk was ooit tusschen hen gewisseld; maar Rachel had reeds jaren geleden innig medelijden met hem gekregen, en voor haar alleen had hij in al dien tijd zijn gesloten hart geopend en van de oorzaak zijner ellende gesproken; en hij wist zeer wel, dat zij hem zou hebben genomen, indien hij haar had kunnen vragen. Hij dacht aan het thuis, dat hij op dat oogenblik met trotsche blijdschap had kunnen opzoeken; hij dacht welk een geheel ander mensch hij dien avond had kunnen geweest zijn, hoe licht zijne nu zwaar beladene borst had kunnen wezen, hoe hij zijne eer, zijne achting voor zich zelven, zijne rust, die hij nu allen had verloren, had kunnen terugkrijgen. Hij dacht hoe het beste gedeelte van zijn leven verspild was, welk eene nadeelige verandering zijn karakter daardoor in alle opzichten had ondergaan, en hoe schrikkelijk en akelig zijn toestand was, zoo met handen en voeten aan eene doode vrouw gebonden en door een boozen geest in hare gedaante gepijnigd. Hij dacht aan Rachel, hoe jong zij waren toen zij elkander onder die omstandigheden voor het eerst ontmoetten, en hoe zij nu tot rijpen leeftijd waren gekomen en spoedig oud zouden worden. Hij dacht aan het aantal meisjes en vrouwen, dat zij had zien trouwen, hoeveel huisgezinnen met kinderen zij om zich heen had zien opgroeien, en hoe zij toch weltevreden haar eigen eenzaam pad was blijven bewandelen—om zijnentwil—en hoe hij somtijds eene schaduw van zwaarmoedigheid op haar hemelsch gezichtje had gezien, die hem met wroeging en wanhoop vervulde. Hij plaatste hare beeltenis naast het afschuwelijke beeld van den vorigen nacht, en peinsde er over, hoe het wezen kon, dat de geheele aardsche levensloop van een wezen, zoo goed, zoo zachtaardig en vol zelfverloochening, aan zulk eene rampzalige ondergeschikt moest wezen.Vol van zulke gedachten—zoo vol, dat hij een zonderling gevoel had, alsof hij zelf grooter werd en in eene nieuwe, onnatuurlijke betrekking werd geplaatst tot de voorwerpen welke hij voorbijging, en alsof de stralenkrans om ieder beneveld licht eene roodachtige kleur aannam—begaf hij zich naar zijne woning om schuilplaats te zoeken.
XII.DE OUDE VROUW.Oude Stephen ging de twee treden van de witte stoep af, en trok de zwarte deur met het koperen plaatje dicht, met behulp van het koperen sluitteeken, dat hij, eer hij verder ging, nog eens met zijn mouw afveegde, daar hij opmerkte, dat zijne heete hand het had doen beslaan. Hij stak de straat over met zijne oogen op den grond geslagen, en zoo stapte hij treurig heen, toen hij eene hand op zijn arm voelde.Het was niet die hand, waaraan hij op zulk een oogenblik de meeste behoefte had—niet de hand, die de woeste golven van zijn gemoed kon doen bedaren, gelijk de opgehevene hand der verhevenste, geduldigste liefde het woeden der zee kon stillen—maar het was toch ook de hand eener vrouw. Het was eene oude vrouw, nog rijzig en welgemaakt (hoewel de tijd haar had doen verwelken), die voor zijne oogen stond toen hij omkeek. Zij was zeer zindelijk en hoogst eenvoudig gekleed, had slijk van buiten de stad aan hare schoenen en was zoo pas van eene reis gekomen. De schuwheid van haar uitzicht bij het ongewone rumoer op straat; de losse omslagdoek, dien zij over haar arm had gehangen; de zware paraplu en het kleine sluitmandje; de wijde handschoenen met lange vingers, waaraan hare handen ongewoon waren, alles kenteekende eene oude vrouw van het land, in hare eenvoudige zondagskleeding, die bij eene zeer zeldzame gelegenheid naarCoketownwas gekomen. De scherpzinnigheid aan zijn stand eigen deed Stephen dit met den eersten blik opmerken, en hij boog zich naar haar over met zijn oplettend gezicht—dat gezicht, hetwelk, gelijk bij de meesten van zijn stand het geval was, door zoolang te midden van een vervaarlijk gedruisch met oogen en handen te werken, dien blik van strakke inspanning had verkregen, waaraan men bij dooven gewoon is—om des te beter te kunnen hooren wat zij hem vroeg.„Zeg eens, mijnheer,” zeide de oude vrouw,„heb ik u daar niet uit dat huis zien komen?” en zij wees naar het huis van mijnheer Bounderby. „Ik geloof, dat gij het waart, of ik moet bij ongeluk een verkeerden hebben nageloopen.”„Ja wel, juffrouw,” antwoordde Stephen, „dat was ik.”„Hebt gij—neem het niet kwalijk, dat eene oude vrouw nieuwsgierig is—hebt gij den heer, die daar woont, gezien?”„Ja, juffrouw.”„En hoe zag hij er uit, mijnheer? Was hij goed in het vleesch, forsch, hartelijk en ferm in zijn spreken?”Terwijl zij zelve hare gestalte oprichtte en haar hoofd ophield, om hare houding in overeenstemming met hare woorden te brengen, kwam bij Stephen het denkbeeld op, dat hij die oude vrouw vroeger had gezien en zij hem toen niet best was bevallen.„O ja,” antwoordde hij, haar met meer oplettendheid aanziende; „hij was dat alles.”„En gezond,” zeide de oude vrouw, „zoo gezond als de frissche wind?”„Ja,” antwoordde Stephen. „Hij was aan het eten en drinken—hij was zoo dik en zwaar als een olifant.”„Dank je wel,” zeide de vrouw uiterst vergenoegd, „dank je wel.”Hij had die vrouw zeker nog nooit gezien; en toch kwam hem eene flauwe herinnering voor den geest, alsof hij eens van zulk eene oude vrouw had gedroomd.Zij stapte naast hem voort, en zich vriendelijk naar hare gemoedsstemming voegende, vroeg hij, of zij niet vond, datCoketowneene drukke stad was. „Ja zeker, schrikkelijk druk,” antwoordde zij. Toen gaf hij vragenderwijs te kennen, dat hij wel zag dat zij van buiten kwam, waarop zij bevestigend antwoordde.„Ik ben van morgen met den eersten spoortrein gekomen,” zeide zij. „Veertig mijlen ver ben ik van morgen gekomen, en ik ga van middag dezelfde veertig mijlen ver terug. Ik heb van morgen negen mijlen ver naar het station gewandeld, en als ik onderweg niemand vind, die mij een eindje laat mederijden, zal ik van avond weder die negen mijlen moeten terugwandelen. Dat is tamelijk wel op mijne jaren, mijnheer!” zeide de spraakzame oude vrouw, terwijl hare oogen van genoegen glinsterden.„Dat is het zeker. Maar dat doet gij toch niet dikwijls, juffrouw?”„Neen, maar eens in het jaar,” antwoordde zij, haar hoofd schuddende. „Eens in het jaar verteer ik zoo mijn spaargeld. Dan kom ik geregeld over, om door de straten te kuieren en de heeren te zien.”„Alleen om te zien?” hervatte Stephen.„Dat is genoeg voor mij,” antwoordde zij met grooten ernst en alsof het onderwerp van het gesprek haar bijzonder belang inboezemde. „Ik vraag niet meer. Ik ben aan dezen kant van de straat blijven wachten, om dien heer” (daarmede keek zij weder naar het huis van mijnheer Bounderby) „te zien buitenkomen. Maar hij blijft laat in huis dit jaar, en ik heb hem nog niet gezien. Gij zijt buitengekomen in plaats van hem. Als ik nu weder vertrekken moet, zonder hem even te hebben gezien—ik wil hem maar even te zien krijgen—welnu, dan heb ik u gezien, en gij hebt hem gezien, en daarmede moet ik mij maar vergenoegen.” Dit zeggende zag zij Stephen aan, alsof zij zijne gelaatstrekken in haar geheugen wilde prenten, en hare oogen waren zoo helder niet meer als zij geweest waren.Met alle inschikkelijkheid voor het verschil van smaak, en met alle onderdanigheid voor de patriciërs vanCoketown, kwam de belangstelling der oude vrouw hem toch zoo zonderling voor, dat hij niet wist wat hij van haar moest denken. Doch zij kwamen nu eene kerk voorbij, en toen de wijzerplaat der klok hem in het oog viel, versnelde hij zijne schreden.Hij ging zeker naar zijn werk, zeide de oude vrouw, en verhaastte insgelijks haar tred, hetgeen haar geene moeite scheen te kosten.—Ja, zijn tijd was bijna om. Toen hij haar zeide waar hij werkte, werd de oude vrouw nog zonderlinger dan te voren.„Zijt ge niet gelukkig?” vroeg zij hem.„Wel, juffrouw, er is bijna niemand of hij heeft zijn verdriet,” antwoordde hij ontwijkend, dewijl de oude vrouw het er voor scheen te houden, dat hij zeer gelukkig moest wezen en hij het hart niet had om haar teleur te stellen. Hij wist, dat er verdriet genoeg in de wereld was; en indien de oude vrouw zoo lang geleefd had en er toch op rekenen kon, dat hij zoo weinig verdriet had—wel, des te beter voor haar, en hij was er daarom ook niet erger aan toe.„Ja, ja! Gij hebt uw verdriet thuis, meent gij?” zeide zij.„Somtijds. Nu en dan,” antwoordde hij flauwtjes.„Maar als gij onder zulk een heer werkt, volgt het u toch niet in de fabriek?”Neen, het volgde hem daar niet, zeide Stephen. Daar was alles naar behooren. Hij ging zoover niet, om ten haren genoegen te zeggen, dat daar een soort van Goddelijk recht heerschte; maar ik heb in de laatste jaren bijna even hooge aanspraken voor de fabrieken hooren maken.Zij waren nu in een smal, zwart berookt straatje dicht bij het fabriekgebouw en de arbeiders kwamen bij troepen aan. De klok luidde, en de slang kronkelde zich door de lucht en de olifant stond gereed. Zelfs de klank der klok scheen de oude vrouw in verrukking te brengen.Het was de mooiste klok die zij ooit gehoord had, zeide zij, en zij klonk zoo deftig.Zij vroeg hem, toen hij haar goedhartig de hand gaf eer hij binnenging, hoelang hij daar gewerkt had.„Twaalf jaren,” antwoordde hij.„Ik moet de hand kussen,” zeide zij, „die twaalf jaren lang in die mooie fabriek gewerkt heeft!” En hoewel hij dit wilde verhinderen, tilde zij zijne hand op en bracht die aan hare lippen. Welke harmonie, behalve haar ouderdom en hare eenvoudigheid, haar eigen was, wist hij niet; maar zelfs in dit zonderlinge bedrijf lag iets, dat op dien tijd en die plaats niet ongepast scheen te wezen; iets, waardoor het scheen alsof niemand anders dit zoo ernstig of op zulk eene natuurlijke en treffende manier had kunnen doen.Hij had een half uur bij zijn weefgetouw gestaan, gedurig over die oude vrouw denkende, toen hij, om zijn getouw heen gaande, ten einde iets in orde te brengen, door een venster keek, en zag dat zij daar nog stond en in bewondering verzonken naar het gebouw opzag. Zonder aan den rook, de modder en het natte weder, of aan hare twee verre reizen te denken, stond zij het aan te staren, alsof het dreunende stampen, dat uit elk der vele verdiepingen klonk, eene heerlijke muziek voor haar was.Later verdween zij en de dag volgde haar voorbeeld, en de lichten werden weder aangestoken, en de laatste spoortrein snorde dicht bij het Tooverpaleis over de bogen eener brug, weinig gevoeld onder het dreunen der machinerie, en bijna niet gehoord onder het kletteren en ratelen. Lang voor dien tijd waren zijne gedachten weder teruggekeerd naar die akelige kamer boven het winkeltje en naar de afschuwelijke gedaante, die zoo zwaar op zijn bed, maar nog zwaarder op zijn hart lag.De machinerie werd trager; zij stampte nog maar flauw, alsof er een bezwijkende pols klopte, en bleef stilstaan. Wederom luidde de klok; de gloed van licht en hitte werd uitgedoofd; de fabriekgebouwen stonden als zwarte klompen in den donkeren, regenachtigen nacht, en de hooge schoorsteenen verhieven zich in de lucht gelijk wedijverende torens vanBabel.Hij had Rachel pas den vorigen avond gesproken, dat was waar, en een eind met haar medegegaan; maar hij had zijn nieuw ongeluk op het hart, waaronder niemand anders hem een oogenblik verademing kon geven, en daarom, en omdat hij wist dat hij behoefte had aan eene stem, die zijne gramschap kon verzachten, hetgeen geene andere stem dan de hare kon doen, begreep hij dat hij, in weerwil van wat zij den vorigen avond had gezegd, wel weder naar haar mocht wachten. Hij deed dit, maar zij was hem reeds ontsnapt. Zij kwam niet meer. Op geen anderen avond in het jaar had hij haar gezichtje vol zachtaardig geduld zoo slecht kunnen missen.O, beter geen thuis te hebben waar hij zijn hoofd kon neerleggen, dan een thuis te hebben en om zulk eene reden bevreesd te zijn er naar toe te gaan. Hij at en dronk, want hij was uitgeput, maar hij wist bijna niet wat hij at en dronk, hij dacht er niet eens aan, en hij bleef ronddwalen in den kouden regen, al denkende en morrende.Geen woord over een nieuw huwelijk was ooit tusschen hen gewisseld; maar Rachel had reeds jaren geleden innig medelijden met hem gekregen, en voor haar alleen had hij in al dien tijd zijn gesloten hart geopend en van de oorzaak zijner ellende gesproken; en hij wist zeer wel, dat zij hem zou hebben genomen, indien hij haar had kunnen vragen. Hij dacht aan het thuis, dat hij op dat oogenblik met trotsche blijdschap had kunnen opzoeken; hij dacht welk een geheel ander mensch hij dien avond had kunnen geweest zijn, hoe licht zijne nu zwaar beladene borst had kunnen wezen, hoe hij zijne eer, zijne achting voor zich zelven, zijne rust, die hij nu allen had verloren, had kunnen terugkrijgen. Hij dacht hoe het beste gedeelte van zijn leven verspild was, welk eene nadeelige verandering zijn karakter daardoor in alle opzichten had ondergaan, en hoe schrikkelijk en akelig zijn toestand was, zoo met handen en voeten aan eene doode vrouw gebonden en door een boozen geest in hare gedaante gepijnigd. Hij dacht aan Rachel, hoe jong zij waren toen zij elkander onder die omstandigheden voor het eerst ontmoetten, en hoe zij nu tot rijpen leeftijd waren gekomen en spoedig oud zouden worden. Hij dacht aan het aantal meisjes en vrouwen, dat zij had zien trouwen, hoeveel huisgezinnen met kinderen zij om zich heen had zien opgroeien, en hoe zij toch weltevreden haar eigen eenzaam pad was blijven bewandelen—om zijnentwil—en hoe hij somtijds eene schaduw van zwaarmoedigheid op haar hemelsch gezichtje had gezien, die hem met wroeging en wanhoop vervulde. Hij plaatste hare beeltenis naast het afschuwelijke beeld van den vorigen nacht, en peinsde er over, hoe het wezen kon, dat de geheele aardsche levensloop van een wezen, zoo goed, zoo zachtaardig en vol zelfverloochening, aan zulk eene rampzalige ondergeschikt moest wezen.Vol van zulke gedachten—zoo vol, dat hij een zonderling gevoel had, alsof hij zelf grooter werd en in eene nieuwe, onnatuurlijke betrekking werd geplaatst tot de voorwerpen welke hij voorbijging, en alsof de stralenkrans om ieder beneveld licht eene roodachtige kleur aannam—begaf hij zich naar zijne woning om schuilplaats te zoeken.
XII.DE OUDE VROUW.Oude Stephen ging de twee treden van de witte stoep af, en trok de zwarte deur met het koperen plaatje dicht, met behulp van het koperen sluitteeken, dat hij, eer hij verder ging, nog eens met zijn mouw afveegde, daar hij opmerkte, dat zijne heete hand het had doen beslaan. Hij stak de straat over met zijne oogen op den grond geslagen, en zoo stapte hij treurig heen, toen hij eene hand op zijn arm voelde.Het was niet die hand, waaraan hij op zulk een oogenblik de meeste behoefte had—niet de hand, die de woeste golven van zijn gemoed kon doen bedaren, gelijk de opgehevene hand der verhevenste, geduldigste liefde het woeden der zee kon stillen—maar het was toch ook de hand eener vrouw. Het was eene oude vrouw, nog rijzig en welgemaakt (hoewel de tijd haar had doen verwelken), die voor zijne oogen stond toen hij omkeek. Zij was zeer zindelijk en hoogst eenvoudig gekleed, had slijk van buiten de stad aan hare schoenen en was zoo pas van eene reis gekomen. De schuwheid van haar uitzicht bij het ongewone rumoer op straat; de losse omslagdoek, dien zij over haar arm had gehangen; de zware paraplu en het kleine sluitmandje; de wijde handschoenen met lange vingers, waaraan hare handen ongewoon waren, alles kenteekende eene oude vrouw van het land, in hare eenvoudige zondagskleeding, die bij eene zeer zeldzame gelegenheid naarCoketownwas gekomen. De scherpzinnigheid aan zijn stand eigen deed Stephen dit met den eersten blik opmerken, en hij boog zich naar haar over met zijn oplettend gezicht—dat gezicht, hetwelk, gelijk bij de meesten van zijn stand het geval was, door zoolang te midden van een vervaarlijk gedruisch met oogen en handen te werken, dien blik van strakke inspanning had verkregen, waaraan men bij dooven gewoon is—om des te beter te kunnen hooren wat zij hem vroeg.„Zeg eens, mijnheer,” zeide de oude vrouw,„heb ik u daar niet uit dat huis zien komen?” en zij wees naar het huis van mijnheer Bounderby. „Ik geloof, dat gij het waart, of ik moet bij ongeluk een verkeerden hebben nageloopen.”„Ja wel, juffrouw,” antwoordde Stephen, „dat was ik.”„Hebt gij—neem het niet kwalijk, dat eene oude vrouw nieuwsgierig is—hebt gij den heer, die daar woont, gezien?”„Ja, juffrouw.”„En hoe zag hij er uit, mijnheer? Was hij goed in het vleesch, forsch, hartelijk en ferm in zijn spreken?”Terwijl zij zelve hare gestalte oprichtte en haar hoofd ophield, om hare houding in overeenstemming met hare woorden te brengen, kwam bij Stephen het denkbeeld op, dat hij die oude vrouw vroeger had gezien en zij hem toen niet best was bevallen.„O ja,” antwoordde hij, haar met meer oplettendheid aanziende; „hij was dat alles.”„En gezond,” zeide de oude vrouw, „zoo gezond als de frissche wind?”„Ja,” antwoordde Stephen. „Hij was aan het eten en drinken—hij was zoo dik en zwaar als een olifant.”„Dank je wel,” zeide de vrouw uiterst vergenoegd, „dank je wel.”Hij had die vrouw zeker nog nooit gezien; en toch kwam hem eene flauwe herinnering voor den geest, alsof hij eens van zulk eene oude vrouw had gedroomd.Zij stapte naast hem voort, en zich vriendelijk naar hare gemoedsstemming voegende, vroeg hij, of zij niet vond, datCoketowneene drukke stad was. „Ja zeker, schrikkelijk druk,” antwoordde zij. Toen gaf hij vragenderwijs te kennen, dat hij wel zag dat zij van buiten kwam, waarop zij bevestigend antwoordde.„Ik ben van morgen met den eersten spoortrein gekomen,” zeide zij. „Veertig mijlen ver ben ik van morgen gekomen, en ik ga van middag dezelfde veertig mijlen ver terug. Ik heb van morgen negen mijlen ver naar het station gewandeld, en als ik onderweg niemand vind, die mij een eindje laat mederijden, zal ik van avond weder die negen mijlen moeten terugwandelen. Dat is tamelijk wel op mijne jaren, mijnheer!” zeide de spraakzame oude vrouw, terwijl hare oogen van genoegen glinsterden.„Dat is het zeker. Maar dat doet gij toch niet dikwijls, juffrouw?”„Neen, maar eens in het jaar,” antwoordde zij, haar hoofd schuddende. „Eens in het jaar verteer ik zoo mijn spaargeld. Dan kom ik geregeld over, om door de straten te kuieren en de heeren te zien.”„Alleen om te zien?” hervatte Stephen.„Dat is genoeg voor mij,” antwoordde zij met grooten ernst en alsof het onderwerp van het gesprek haar bijzonder belang inboezemde. „Ik vraag niet meer. Ik ben aan dezen kant van de straat blijven wachten, om dien heer” (daarmede keek zij weder naar het huis van mijnheer Bounderby) „te zien buitenkomen. Maar hij blijft laat in huis dit jaar, en ik heb hem nog niet gezien. Gij zijt buitengekomen in plaats van hem. Als ik nu weder vertrekken moet, zonder hem even te hebben gezien—ik wil hem maar even te zien krijgen—welnu, dan heb ik u gezien, en gij hebt hem gezien, en daarmede moet ik mij maar vergenoegen.” Dit zeggende zag zij Stephen aan, alsof zij zijne gelaatstrekken in haar geheugen wilde prenten, en hare oogen waren zoo helder niet meer als zij geweest waren.Met alle inschikkelijkheid voor het verschil van smaak, en met alle onderdanigheid voor de patriciërs vanCoketown, kwam de belangstelling der oude vrouw hem toch zoo zonderling voor, dat hij niet wist wat hij van haar moest denken. Doch zij kwamen nu eene kerk voorbij, en toen de wijzerplaat der klok hem in het oog viel, versnelde hij zijne schreden.Hij ging zeker naar zijn werk, zeide de oude vrouw, en verhaastte insgelijks haar tred, hetgeen haar geene moeite scheen te kosten.—Ja, zijn tijd was bijna om. Toen hij haar zeide waar hij werkte, werd de oude vrouw nog zonderlinger dan te voren.„Zijt ge niet gelukkig?” vroeg zij hem.„Wel, juffrouw, er is bijna niemand of hij heeft zijn verdriet,” antwoordde hij ontwijkend, dewijl de oude vrouw het er voor scheen te houden, dat hij zeer gelukkig moest wezen en hij het hart niet had om haar teleur te stellen. Hij wist, dat er verdriet genoeg in de wereld was; en indien de oude vrouw zoo lang geleefd had en er toch op rekenen kon, dat hij zoo weinig verdriet had—wel, des te beter voor haar, en hij was er daarom ook niet erger aan toe.„Ja, ja! Gij hebt uw verdriet thuis, meent gij?” zeide zij.„Somtijds. Nu en dan,” antwoordde hij flauwtjes.„Maar als gij onder zulk een heer werkt, volgt het u toch niet in de fabriek?”Neen, het volgde hem daar niet, zeide Stephen. Daar was alles naar behooren. Hij ging zoover niet, om ten haren genoegen te zeggen, dat daar een soort van Goddelijk recht heerschte; maar ik heb in de laatste jaren bijna even hooge aanspraken voor de fabrieken hooren maken.Zij waren nu in een smal, zwart berookt straatje dicht bij het fabriekgebouw en de arbeiders kwamen bij troepen aan. De klok luidde, en de slang kronkelde zich door de lucht en de olifant stond gereed. Zelfs de klank der klok scheen de oude vrouw in verrukking te brengen.Het was de mooiste klok die zij ooit gehoord had, zeide zij, en zij klonk zoo deftig.Zij vroeg hem, toen hij haar goedhartig de hand gaf eer hij binnenging, hoelang hij daar gewerkt had.„Twaalf jaren,” antwoordde hij.„Ik moet de hand kussen,” zeide zij, „die twaalf jaren lang in die mooie fabriek gewerkt heeft!” En hoewel hij dit wilde verhinderen, tilde zij zijne hand op en bracht die aan hare lippen. Welke harmonie, behalve haar ouderdom en hare eenvoudigheid, haar eigen was, wist hij niet; maar zelfs in dit zonderlinge bedrijf lag iets, dat op dien tijd en die plaats niet ongepast scheen te wezen; iets, waardoor het scheen alsof niemand anders dit zoo ernstig of op zulk eene natuurlijke en treffende manier had kunnen doen.Hij had een half uur bij zijn weefgetouw gestaan, gedurig over die oude vrouw denkende, toen hij, om zijn getouw heen gaande, ten einde iets in orde te brengen, door een venster keek, en zag dat zij daar nog stond en in bewondering verzonken naar het gebouw opzag. Zonder aan den rook, de modder en het natte weder, of aan hare twee verre reizen te denken, stond zij het aan te staren, alsof het dreunende stampen, dat uit elk der vele verdiepingen klonk, eene heerlijke muziek voor haar was.Later verdween zij en de dag volgde haar voorbeeld, en de lichten werden weder aangestoken, en de laatste spoortrein snorde dicht bij het Tooverpaleis over de bogen eener brug, weinig gevoeld onder het dreunen der machinerie, en bijna niet gehoord onder het kletteren en ratelen. Lang voor dien tijd waren zijne gedachten weder teruggekeerd naar die akelige kamer boven het winkeltje en naar de afschuwelijke gedaante, die zoo zwaar op zijn bed, maar nog zwaarder op zijn hart lag.De machinerie werd trager; zij stampte nog maar flauw, alsof er een bezwijkende pols klopte, en bleef stilstaan. Wederom luidde de klok; de gloed van licht en hitte werd uitgedoofd; de fabriekgebouwen stonden als zwarte klompen in den donkeren, regenachtigen nacht, en de hooge schoorsteenen verhieven zich in de lucht gelijk wedijverende torens vanBabel.Hij had Rachel pas den vorigen avond gesproken, dat was waar, en een eind met haar medegegaan; maar hij had zijn nieuw ongeluk op het hart, waaronder niemand anders hem een oogenblik verademing kon geven, en daarom, en omdat hij wist dat hij behoefte had aan eene stem, die zijne gramschap kon verzachten, hetgeen geene andere stem dan de hare kon doen, begreep hij dat hij, in weerwil van wat zij den vorigen avond had gezegd, wel weder naar haar mocht wachten. Hij deed dit, maar zij was hem reeds ontsnapt. Zij kwam niet meer. Op geen anderen avond in het jaar had hij haar gezichtje vol zachtaardig geduld zoo slecht kunnen missen.O, beter geen thuis te hebben waar hij zijn hoofd kon neerleggen, dan een thuis te hebben en om zulk eene reden bevreesd te zijn er naar toe te gaan. Hij at en dronk, want hij was uitgeput, maar hij wist bijna niet wat hij at en dronk, hij dacht er niet eens aan, en hij bleef ronddwalen in den kouden regen, al denkende en morrende.Geen woord over een nieuw huwelijk was ooit tusschen hen gewisseld; maar Rachel had reeds jaren geleden innig medelijden met hem gekregen, en voor haar alleen had hij in al dien tijd zijn gesloten hart geopend en van de oorzaak zijner ellende gesproken; en hij wist zeer wel, dat zij hem zou hebben genomen, indien hij haar had kunnen vragen. Hij dacht aan het thuis, dat hij op dat oogenblik met trotsche blijdschap had kunnen opzoeken; hij dacht welk een geheel ander mensch hij dien avond had kunnen geweest zijn, hoe licht zijne nu zwaar beladene borst had kunnen wezen, hoe hij zijne eer, zijne achting voor zich zelven, zijne rust, die hij nu allen had verloren, had kunnen terugkrijgen. Hij dacht hoe het beste gedeelte van zijn leven verspild was, welk eene nadeelige verandering zijn karakter daardoor in alle opzichten had ondergaan, en hoe schrikkelijk en akelig zijn toestand was, zoo met handen en voeten aan eene doode vrouw gebonden en door een boozen geest in hare gedaante gepijnigd. Hij dacht aan Rachel, hoe jong zij waren toen zij elkander onder die omstandigheden voor het eerst ontmoetten, en hoe zij nu tot rijpen leeftijd waren gekomen en spoedig oud zouden worden. Hij dacht aan het aantal meisjes en vrouwen, dat zij had zien trouwen, hoeveel huisgezinnen met kinderen zij om zich heen had zien opgroeien, en hoe zij toch weltevreden haar eigen eenzaam pad was blijven bewandelen—om zijnentwil—en hoe hij somtijds eene schaduw van zwaarmoedigheid op haar hemelsch gezichtje had gezien, die hem met wroeging en wanhoop vervulde. Hij plaatste hare beeltenis naast het afschuwelijke beeld van den vorigen nacht, en peinsde er over, hoe het wezen kon, dat de geheele aardsche levensloop van een wezen, zoo goed, zoo zachtaardig en vol zelfverloochening, aan zulk eene rampzalige ondergeschikt moest wezen.Vol van zulke gedachten—zoo vol, dat hij een zonderling gevoel had, alsof hij zelf grooter werd en in eene nieuwe, onnatuurlijke betrekking werd geplaatst tot de voorwerpen welke hij voorbijging, en alsof de stralenkrans om ieder beneveld licht eene roodachtige kleur aannam—begaf hij zich naar zijne woning om schuilplaats te zoeken.
XII.DE OUDE VROUW.
Oude Stephen ging de twee treden van de witte stoep af, en trok de zwarte deur met het koperen plaatje dicht, met behulp van het koperen sluitteeken, dat hij, eer hij verder ging, nog eens met zijn mouw afveegde, daar hij opmerkte, dat zijne heete hand het had doen beslaan. Hij stak de straat over met zijne oogen op den grond geslagen, en zoo stapte hij treurig heen, toen hij eene hand op zijn arm voelde.Het was niet die hand, waaraan hij op zulk een oogenblik de meeste behoefte had—niet de hand, die de woeste golven van zijn gemoed kon doen bedaren, gelijk de opgehevene hand der verhevenste, geduldigste liefde het woeden der zee kon stillen—maar het was toch ook de hand eener vrouw. Het was eene oude vrouw, nog rijzig en welgemaakt (hoewel de tijd haar had doen verwelken), die voor zijne oogen stond toen hij omkeek. Zij was zeer zindelijk en hoogst eenvoudig gekleed, had slijk van buiten de stad aan hare schoenen en was zoo pas van eene reis gekomen. De schuwheid van haar uitzicht bij het ongewone rumoer op straat; de losse omslagdoek, dien zij over haar arm had gehangen; de zware paraplu en het kleine sluitmandje; de wijde handschoenen met lange vingers, waaraan hare handen ongewoon waren, alles kenteekende eene oude vrouw van het land, in hare eenvoudige zondagskleeding, die bij eene zeer zeldzame gelegenheid naarCoketownwas gekomen. De scherpzinnigheid aan zijn stand eigen deed Stephen dit met den eersten blik opmerken, en hij boog zich naar haar over met zijn oplettend gezicht—dat gezicht, hetwelk, gelijk bij de meesten van zijn stand het geval was, door zoolang te midden van een vervaarlijk gedruisch met oogen en handen te werken, dien blik van strakke inspanning had verkregen, waaraan men bij dooven gewoon is—om des te beter te kunnen hooren wat zij hem vroeg.„Zeg eens, mijnheer,” zeide de oude vrouw,„heb ik u daar niet uit dat huis zien komen?” en zij wees naar het huis van mijnheer Bounderby. „Ik geloof, dat gij het waart, of ik moet bij ongeluk een verkeerden hebben nageloopen.”„Ja wel, juffrouw,” antwoordde Stephen, „dat was ik.”„Hebt gij—neem het niet kwalijk, dat eene oude vrouw nieuwsgierig is—hebt gij den heer, die daar woont, gezien?”„Ja, juffrouw.”„En hoe zag hij er uit, mijnheer? Was hij goed in het vleesch, forsch, hartelijk en ferm in zijn spreken?”Terwijl zij zelve hare gestalte oprichtte en haar hoofd ophield, om hare houding in overeenstemming met hare woorden te brengen, kwam bij Stephen het denkbeeld op, dat hij die oude vrouw vroeger had gezien en zij hem toen niet best was bevallen.„O ja,” antwoordde hij, haar met meer oplettendheid aanziende; „hij was dat alles.”„En gezond,” zeide de oude vrouw, „zoo gezond als de frissche wind?”„Ja,” antwoordde Stephen. „Hij was aan het eten en drinken—hij was zoo dik en zwaar als een olifant.”„Dank je wel,” zeide de vrouw uiterst vergenoegd, „dank je wel.”Hij had die vrouw zeker nog nooit gezien; en toch kwam hem eene flauwe herinnering voor den geest, alsof hij eens van zulk eene oude vrouw had gedroomd.Zij stapte naast hem voort, en zich vriendelijk naar hare gemoedsstemming voegende, vroeg hij, of zij niet vond, datCoketowneene drukke stad was. „Ja zeker, schrikkelijk druk,” antwoordde zij. Toen gaf hij vragenderwijs te kennen, dat hij wel zag dat zij van buiten kwam, waarop zij bevestigend antwoordde.„Ik ben van morgen met den eersten spoortrein gekomen,” zeide zij. „Veertig mijlen ver ben ik van morgen gekomen, en ik ga van middag dezelfde veertig mijlen ver terug. Ik heb van morgen negen mijlen ver naar het station gewandeld, en als ik onderweg niemand vind, die mij een eindje laat mederijden, zal ik van avond weder die negen mijlen moeten terugwandelen. Dat is tamelijk wel op mijne jaren, mijnheer!” zeide de spraakzame oude vrouw, terwijl hare oogen van genoegen glinsterden.„Dat is het zeker. Maar dat doet gij toch niet dikwijls, juffrouw?”„Neen, maar eens in het jaar,” antwoordde zij, haar hoofd schuddende. „Eens in het jaar verteer ik zoo mijn spaargeld. Dan kom ik geregeld over, om door de straten te kuieren en de heeren te zien.”„Alleen om te zien?” hervatte Stephen.„Dat is genoeg voor mij,” antwoordde zij met grooten ernst en alsof het onderwerp van het gesprek haar bijzonder belang inboezemde. „Ik vraag niet meer. Ik ben aan dezen kant van de straat blijven wachten, om dien heer” (daarmede keek zij weder naar het huis van mijnheer Bounderby) „te zien buitenkomen. Maar hij blijft laat in huis dit jaar, en ik heb hem nog niet gezien. Gij zijt buitengekomen in plaats van hem. Als ik nu weder vertrekken moet, zonder hem even te hebben gezien—ik wil hem maar even te zien krijgen—welnu, dan heb ik u gezien, en gij hebt hem gezien, en daarmede moet ik mij maar vergenoegen.” Dit zeggende zag zij Stephen aan, alsof zij zijne gelaatstrekken in haar geheugen wilde prenten, en hare oogen waren zoo helder niet meer als zij geweest waren.Met alle inschikkelijkheid voor het verschil van smaak, en met alle onderdanigheid voor de patriciërs vanCoketown, kwam de belangstelling der oude vrouw hem toch zoo zonderling voor, dat hij niet wist wat hij van haar moest denken. Doch zij kwamen nu eene kerk voorbij, en toen de wijzerplaat der klok hem in het oog viel, versnelde hij zijne schreden.Hij ging zeker naar zijn werk, zeide de oude vrouw, en verhaastte insgelijks haar tred, hetgeen haar geene moeite scheen te kosten.—Ja, zijn tijd was bijna om. Toen hij haar zeide waar hij werkte, werd de oude vrouw nog zonderlinger dan te voren.„Zijt ge niet gelukkig?” vroeg zij hem.„Wel, juffrouw, er is bijna niemand of hij heeft zijn verdriet,” antwoordde hij ontwijkend, dewijl de oude vrouw het er voor scheen te houden, dat hij zeer gelukkig moest wezen en hij het hart niet had om haar teleur te stellen. Hij wist, dat er verdriet genoeg in de wereld was; en indien de oude vrouw zoo lang geleefd had en er toch op rekenen kon, dat hij zoo weinig verdriet had—wel, des te beter voor haar, en hij was er daarom ook niet erger aan toe.„Ja, ja! Gij hebt uw verdriet thuis, meent gij?” zeide zij.„Somtijds. Nu en dan,” antwoordde hij flauwtjes.„Maar als gij onder zulk een heer werkt, volgt het u toch niet in de fabriek?”Neen, het volgde hem daar niet, zeide Stephen. Daar was alles naar behooren. Hij ging zoover niet, om ten haren genoegen te zeggen, dat daar een soort van Goddelijk recht heerschte; maar ik heb in de laatste jaren bijna even hooge aanspraken voor de fabrieken hooren maken.Zij waren nu in een smal, zwart berookt straatje dicht bij het fabriekgebouw en de arbeiders kwamen bij troepen aan. De klok luidde, en de slang kronkelde zich door de lucht en de olifant stond gereed. Zelfs de klank der klok scheen de oude vrouw in verrukking te brengen.Het was de mooiste klok die zij ooit gehoord had, zeide zij, en zij klonk zoo deftig.Zij vroeg hem, toen hij haar goedhartig de hand gaf eer hij binnenging, hoelang hij daar gewerkt had.„Twaalf jaren,” antwoordde hij.„Ik moet de hand kussen,” zeide zij, „die twaalf jaren lang in die mooie fabriek gewerkt heeft!” En hoewel hij dit wilde verhinderen, tilde zij zijne hand op en bracht die aan hare lippen. Welke harmonie, behalve haar ouderdom en hare eenvoudigheid, haar eigen was, wist hij niet; maar zelfs in dit zonderlinge bedrijf lag iets, dat op dien tijd en die plaats niet ongepast scheen te wezen; iets, waardoor het scheen alsof niemand anders dit zoo ernstig of op zulk eene natuurlijke en treffende manier had kunnen doen.Hij had een half uur bij zijn weefgetouw gestaan, gedurig over die oude vrouw denkende, toen hij, om zijn getouw heen gaande, ten einde iets in orde te brengen, door een venster keek, en zag dat zij daar nog stond en in bewondering verzonken naar het gebouw opzag. Zonder aan den rook, de modder en het natte weder, of aan hare twee verre reizen te denken, stond zij het aan te staren, alsof het dreunende stampen, dat uit elk der vele verdiepingen klonk, eene heerlijke muziek voor haar was.Later verdween zij en de dag volgde haar voorbeeld, en de lichten werden weder aangestoken, en de laatste spoortrein snorde dicht bij het Tooverpaleis over de bogen eener brug, weinig gevoeld onder het dreunen der machinerie, en bijna niet gehoord onder het kletteren en ratelen. Lang voor dien tijd waren zijne gedachten weder teruggekeerd naar die akelige kamer boven het winkeltje en naar de afschuwelijke gedaante, die zoo zwaar op zijn bed, maar nog zwaarder op zijn hart lag.De machinerie werd trager; zij stampte nog maar flauw, alsof er een bezwijkende pols klopte, en bleef stilstaan. Wederom luidde de klok; de gloed van licht en hitte werd uitgedoofd; de fabriekgebouwen stonden als zwarte klompen in den donkeren, regenachtigen nacht, en de hooge schoorsteenen verhieven zich in de lucht gelijk wedijverende torens vanBabel.Hij had Rachel pas den vorigen avond gesproken, dat was waar, en een eind met haar medegegaan; maar hij had zijn nieuw ongeluk op het hart, waaronder niemand anders hem een oogenblik verademing kon geven, en daarom, en omdat hij wist dat hij behoefte had aan eene stem, die zijne gramschap kon verzachten, hetgeen geene andere stem dan de hare kon doen, begreep hij dat hij, in weerwil van wat zij den vorigen avond had gezegd, wel weder naar haar mocht wachten. Hij deed dit, maar zij was hem reeds ontsnapt. Zij kwam niet meer. Op geen anderen avond in het jaar had hij haar gezichtje vol zachtaardig geduld zoo slecht kunnen missen.O, beter geen thuis te hebben waar hij zijn hoofd kon neerleggen, dan een thuis te hebben en om zulk eene reden bevreesd te zijn er naar toe te gaan. Hij at en dronk, want hij was uitgeput, maar hij wist bijna niet wat hij at en dronk, hij dacht er niet eens aan, en hij bleef ronddwalen in den kouden regen, al denkende en morrende.Geen woord over een nieuw huwelijk was ooit tusschen hen gewisseld; maar Rachel had reeds jaren geleden innig medelijden met hem gekregen, en voor haar alleen had hij in al dien tijd zijn gesloten hart geopend en van de oorzaak zijner ellende gesproken; en hij wist zeer wel, dat zij hem zou hebben genomen, indien hij haar had kunnen vragen. Hij dacht aan het thuis, dat hij op dat oogenblik met trotsche blijdschap had kunnen opzoeken; hij dacht welk een geheel ander mensch hij dien avond had kunnen geweest zijn, hoe licht zijne nu zwaar beladene borst had kunnen wezen, hoe hij zijne eer, zijne achting voor zich zelven, zijne rust, die hij nu allen had verloren, had kunnen terugkrijgen. Hij dacht hoe het beste gedeelte van zijn leven verspild was, welk eene nadeelige verandering zijn karakter daardoor in alle opzichten had ondergaan, en hoe schrikkelijk en akelig zijn toestand was, zoo met handen en voeten aan eene doode vrouw gebonden en door een boozen geest in hare gedaante gepijnigd. Hij dacht aan Rachel, hoe jong zij waren toen zij elkander onder die omstandigheden voor het eerst ontmoetten, en hoe zij nu tot rijpen leeftijd waren gekomen en spoedig oud zouden worden. Hij dacht aan het aantal meisjes en vrouwen, dat zij had zien trouwen, hoeveel huisgezinnen met kinderen zij om zich heen had zien opgroeien, en hoe zij toch weltevreden haar eigen eenzaam pad was blijven bewandelen—om zijnentwil—en hoe hij somtijds eene schaduw van zwaarmoedigheid op haar hemelsch gezichtje had gezien, die hem met wroeging en wanhoop vervulde. Hij plaatste hare beeltenis naast het afschuwelijke beeld van den vorigen nacht, en peinsde er over, hoe het wezen kon, dat de geheele aardsche levensloop van een wezen, zoo goed, zoo zachtaardig en vol zelfverloochening, aan zulk eene rampzalige ondergeschikt moest wezen.Vol van zulke gedachten—zoo vol, dat hij een zonderling gevoel had, alsof hij zelf grooter werd en in eene nieuwe, onnatuurlijke betrekking werd geplaatst tot de voorwerpen welke hij voorbijging, en alsof de stralenkrans om ieder beneveld licht eene roodachtige kleur aannam—begaf hij zich naar zijne woning om schuilplaats te zoeken.
Oude Stephen ging de twee treden van de witte stoep af, en trok de zwarte deur met het koperen plaatje dicht, met behulp van het koperen sluitteeken, dat hij, eer hij verder ging, nog eens met zijn mouw afveegde, daar hij opmerkte, dat zijne heete hand het had doen beslaan. Hij stak de straat over met zijne oogen op den grond geslagen, en zoo stapte hij treurig heen, toen hij eene hand op zijn arm voelde.
Het was niet die hand, waaraan hij op zulk een oogenblik de meeste behoefte had—niet de hand, die de woeste golven van zijn gemoed kon doen bedaren, gelijk de opgehevene hand der verhevenste, geduldigste liefde het woeden der zee kon stillen—maar het was toch ook de hand eener vrouw. Het was eene oude vrouw, nog rijzig en welgemaakt (hoewel de tijd haar had doen verwelken), die voor zijne oogen stond toen hij omkeek. Zij was zeer zindelijk en hoogst eenvoudig gekleed, had slijk van buiten de stad aan hare schoenen en was zoo pas van eene reis gekomen. De schuwheid van haar uitzicht bij het ongewone rumoer op straat; de losse omslagdoek, dien zij over haar arm had gehangen; de zware paraplu en het kleine sluitmandje; de wijde handschoenen met lange vingers, waaraan hare handen ongewoon waren, alles kenteekende eene oude vrouw van het land, in hare eenvoudige zondagskleeding, die bij eene zeer zeldzame gelegenheid naarCoketownwas gekomen. De scherpzinnigheid aan zijn stand eigen deed Stephen dit met den eersten blik opmerken, en hij boog zich naar haar over met zijn oplettend gezicht—dat gezicht, hetwelk, gelijk bij de meesten van zijn stand het geval was, door zoolang te midden van een vervaarlijk gedruisch met oogen en handen te werken, dien blik van strakke inspanning had verkregen, waaraan men bij dooven gewoon is—om des te beter te kunnen hooren wat zij hem vroeg.
„Zeg eens, mijnheer,” zeide de oude vrouw,„heb ik u daar niet uit dat huis zien komen?” en zij wees naar het huis van mijnheer Bounderby. „Ik geloof, dat gij het waart, of ik moet bij ongeluk een verkeerden hebben nageloopen.”
„Ja wel, juffrouw,” antwoordde Stephen, „dat was ik.”
„Hebt gij—neem het niet kwalijk, dat eene oude vrouw nieuwsgierig is—hebt gij den heer, die daar woont, gezien?”
„Ja, juffrouw.”
„En hoe zag hij er uit, mijnheer? Was hij goed in het vleesch, forsch, hartelijk en ferm in zijn spreken?”
Terwijl zij zelve hare gestalte oprichtte en haar hoofd ophield, om hare houding in overeenstemming met hare woorden te brengen, kwam bij Stephen het denkbeeld op, dat hij die oude vrouw vroeger had gezien en zij hem toen niet best was bevallen.
„O ja,” antwoordde hij, haar met meer oplettendheid aanziende; „hij was dat alles.”
„En gezond,” zeide de oude vrouw, „zoo gezond als de frissche wind?”
„Ja,” antwoordde Stephen. „Hij was aan het eten en drinken—hij was zoo dik en zwaar als een olifant.”
„Dank je wel,” zeide de vrouw uiterst vergenoegd, „dank je wel.”
Hij had die vrouw zeker nog nooit gezien; en toch kwam hem eene flauwe herinnering voor den geest, alsof hij eens van zulk eene oude vrouw had gedroomd.
Zij stapte naast hem voort, en zich vriendelijk naar hare gemoedsstemming voegende, vroeg hij, of zij niet vond, datCoketowneene drukke stad was. „Ja zeker, schrikkelijk druk,” antwoordde zij. Toen gaf hij vragenderwijs te kennen, dat hij wel zag dat zij van buiten kwam, waarop zij bevestigend antwoordde.
„Ik ben van morgen met den eersten spoortrein gekomen,” zeide zij. „Veertig mijlen ver ben ik van morgen gekomen, en ik ga van middag dezelfde veertig mijlen ver terug. Ik heb van morgen negen mijlen ver naar het station gewandeld, en als ik onderweg niemand vind, die mij een eindje laat mederijden, zal ik van avond weder die negen mijlen moeten terugwandelen. Dat is tamelijk wel op mijne jaren, mijnheer!” zeide de spraakzame oude vrouw, terwijl hare oogen van genoegen glinsterden.
„Dat is het zeker. Maar dat doet gij toch niet dikwijls, juffrouw?”
„Neen, maar eens in het jaar,” antwoordde zij, haar hoofd schuddende. „Eens in het jaar verteer ik zoo mijn spaargeld. Dan kom ik geregeld over, om door de straten te kuieren en de heeren te zien.”
„Alleen om te zien?” hervatte Stephen.
„Dat is genoeg voor mij,” antwoordde zij met grooten ernst en alsof het onderwerp van het gesprek haar bijzonder belang inboezemde. „Ik vraag niet meer. Ik ben aan dezen kant van de straat blijven wachten, om dien heer” (daarmede keek zij weder naar het huis van mijnheer Bounderby) „te zien buitenkomen. Maar hij blijft laat in huis dit jaar, en ik heb hem nog niet gezien. Gij zijt buitengekomen in plaats van hem. Als ik nu weder vertrekken moet, zonder hem even te hebben gezien—ik wil hem maar even te zien krijgen—welnu, dan heb ik u gezien, en gij hebt hem gezien, en daarmede moet ik mij maar vergenoegen.” Dit zeggende zag zij Stephen aan, alsof zij zijne gelaatstrekken in haar geheugen wilde prenten, en hare oogen waren zoo helder niet meer als zij geweest waren.
Met alle inschikkelijkheid voor het verschil van smaak, en met alle onderdanigheid voor de patriciërs vanCoketown, kwam de belangstelling der oude vrouw hem toch zoo zonderling voor, dat hij niet wist wat hij van haar moest denken. Doch zij kwamen nu eene kerk voorbij, en toen de wijzerplaat der klok hem in het oog viel, versnelde hij zijne schreden.
Hij ging zeker naar zijn werk, zeide de oude vrouw, en verhaastte insgelijks haar tred, hetgeen haar geene moeite scheen te kosten.—Ja, zijn tijd was bijna om. Toen hij haar zeide waar hij werkte, werd de oude vrouw nog zonderlinger dan te voren.
„Zijt ge niet gelukkig?” vroeg zij hem.
„Wel, juffrouw, er is bijna niemand of hij heeft zijn verdriet,” antwoordde hij ontwijkend, dewijl de oude vrouw het er voor scheen te houden, dat hij zeer gelukkig moest wezen en hij het hart niet had om haar teleur te stellen. Hij wist, dat er verdriet genoeg in de wereld was; en indien de oude vrouw zoo lang geleefd had en er toch op rekenen kon, dat hij zoo weinig verdriet had—wel, des te beter voor haar, en hij was er daarom ook niet erger aan toe.
„Ja, ja! Gij hebt uw verdriet thuis, meent gij?” zeide zij.
„Somtijds. Nu en dan,” antwoordde hij flauwtjes.
„Maar als gij onder zulk een heer werkt, volgt het u toch niet in de fabriek?”
Neen, het volgde hem daar niet, zeide Stephen. Daar was alles naar behooren. Hij ging zoover niet, om ten haren genoegen te zeggen, dat daar een soort van Goddelijk recht heerschte; maar ik heb in de laatste jaren bijna even hooge aanspraken voor de fabrieken hooren maken.
Zij waren nu in een smal, zwart berookt straatje dicht bij het fabriekgebouw en de arbeiders kwamen bij troepen aan. De klok luidde, en de slang kronkelde zich door de lucht en de olifant stond gereed. Zelfs de klank der klok scheen de oude vrouw in verrukking te brengen.Het was de mooiste klok die zij ooit gehoord had, zeide zij, en zij klonk zoo deftig.
Zij vroeg hem, toen hij haar goedhartig de hand gaf eer hij binnenging, hoelang hij daar gewerkt had.
„Twaalf jaren,” antwoordde hij.
„Ik moet de hand kussen,” zeide zij, „die twaalf jaren lang in die mooie fabriek gewerkt heeft!” En hoewel hij dit wilde verhinderen, tilde zij zijne hand op en bracht die aan hare lippen. Welke harmonie, behalve haar ouderdom en hare eenvoudigheid, haar eigen was, wist hij niet; maar zelfs in dit zonderlinge bedrijf lag iets, dat op dien tijd en die plaats niet ongepast scheen te wezen; iets, waardoor het scheen alsof niemand anders dit zoo ernstig of op zulk eene natuurlijke en treffende manier had kunnen doen.
Hij had een half uur bij zijn weefgetouw gestaan, gedurig over die oude vrouw denkende, toen hij, om zijn getouw heen gaande, ten einde iets in orde te brengen, door een venster keek, en zag dat zij daar nog stond en in bewondering verzonken naar het gebouw opzag. Zonder aan den rook, de modder en het natte weder, of aan hare twee verre reizen te denken, stond zij het aan te staren, alsof het dreunende stampen, dat uit elk der vele verdiepingen klonk, eene heerlijke muziek voor haar was.
Later verdween zij en de dag volgde haar voorbeeld, en de lichten werden weder aangestoken, en de laatste spoortrein snorde dicht bij het Tooverpaleis over de bogen eener brug, weinig gevoeld onder het dreunen der machinerie, en bijna niet gehoord onder het kletteren en ratelen. Lang voor dien tijd waren zijne gedachten weder teruggekeerd naar die akelige kamer boven het winkeltje en naar de afschuwelijke gedaante, die zoo zwaar op zijn bed, maar nog zwaarder op zijn hart lag.
De machinerie werd trager; zij stampte nog maar flauw, alsof er een bezwijkende pols klopte, en bleef stilstaan. Wederom luidde de klok; de gloed van licht en hitte werd uitgedoofd; de fabriekgebouwen stonden als zwarte klompen in den donkeren, regenachtigen nacht, en de hooge schoorsteenen verhieven zich in de lucht gelijk wedijverende torens vanBabel.
Hij had Rachel pas den vorigen avond gesproken, dat was waar, en een eind met haar medegegaan; maar hij had zijn nieuw ongeluk op het hart, waaronder niemand anders hem een oogenblik verademing kon geven, en daarom, en omdat hij wist dat hij behoefte had aan eene stem, die zijne gramschap kon verzachten, hetgeen geene andere stem dan de hare kon doen, begreep hij dat hij, in weerwil van wat zij den vorigen avond had gezegd, wel weder naar haar mocht wachten. Hij deed dit, maar zij was hem reeds ontsnapt. Zij kwam niet meer. Op geen anderen avond in het jaar had hij haar gezichtje vol zachtaardig geduld zoo slecht kunnen missen.
O, beter geen thuis te hebben waar hij zijn hoofd kon neerleggen, dan een thuis te hebben en om zulk eene reden bevreesd te zijn er naar toe te gaan. Hij at en dronk, want hij was uitgeput, maar hij wist bijna niet wat hij at en dronk, hij dacht er niet eens aan, en hij bleef ronddwalen in den kouden regen, al denkende en morrende.
Geen woord over een nieuw huwelijk was ooit tusschen hen gewisseld; maar Rachel had reeds jaren geleden innig medelijden met hem gekregen, en voor haar alleen had hij in al dien tijd zijn gesloten hart geopend en van de oorzaak zijner ellende gesproken; en hij wist zeer wel, dat zij hem zou hebben genomen, indien hij haar had kunnen vragen. Hij dacht aan het thuis, dat hij op dat oogenblik met trotsche blijdschap had kunnen opzoeken; hij dacht welk een geheel ander mensch hij dien avond had kunnen geweest zijn, hoe licht zijne nu zwaar beladene borst had kunnen wezen, hoe hij zijne eer, zijne achting voor zich zelven, zijne rust, die hij nu allen had verloren, had kunnen terugkrijgen. Hij dacht hoe het beste gedeelte van zijn leven verspild was, welk eene nadeelige verandering zijn karakter daardoor in alle opzichten had ondergaan, en hoe schrikkelijk en akelig zijn toestand was, zoo met handen en voeten aan eene doode vrouw gebonden en door een boozen geest in hare gedaante gepijnigd. Hij dacht aan Rachel, hoe jong zij waren toen zij elkander onder die omstandigheden voor het eerst ontmoetten, en hoe zij nu tot rijpen leeftijd waren gekomen en spoedig oud zouden worden. Hij dacht aan het aantal meisjes en vrouwen, dat zij had zien trouwen, hoeveel huisgezinnen met kinderen zij om zich heen had zien opgroeien, en hoe zij toch weltevreden haar eigen eenzaam pad was blijven bewandelen—om zijnentwil—en hoe hij somtijds eene schaduw van zwaarmoedigheid op haar hemelsch gezichtje had gezien, die hem met wroeging en wanhoop vervulde. Hij plaatste hare beeltenis naast het afschuwelijke beeld van den vorigen nacht, en peinsde er over, hoe het wezen kon, dat de geheele aardsche levensloop van een wezen, zoo goed, zoo zachtaardig en vol zelfverloochening, aan zulk eene rampzalige ondergeschikt moest wezen.
Vol van zulke gedachten—zoo vol, dat hij een zonderling gevoel had, alsof hij zelf grooter werd en in eene nieuwe, onnatuurlijke betrekking werd geplaatst tot de voorwerpen welke hij voorbijging, en alsof de stralenkrans om ieder beneveld licht eene roodachtige kleur aannam—begaf hij zich naar zijne woning om schuilplaats te zoeken.