XIII.RACHEL.Een flauw kaarslicht brandde voor het venster, waartegen dikwijls de zwarte ladder was opgezet, om alles wat voor eene radelooze vrouw en een troep hongerige kinderen het dierbaarste in deze wereld was, te laten wegglijden; en bij Stephen’s andere gepeinzen kwam nog de wrevelige gedachte, dat van alle wisselvalligheden van dit aardsche leven geene met grilliger hand en ongelijker werd uitgedeeld dan de dood. De ongelijkheid van geboorte was nog niets daarbij; want indien bij voorbeeld het kind van een koning en dat van een wever dien nacht op hetzelfde oogenblik geboren werden, wat was die ongelijkheid bij den dood van een menschelijk wezen, dat voor een ander nuttig of dierbaar was, terwijl deze losbandige vrouw bleef voortleven!Zoo dacht hij terwijl hij, buiten staande, naar zijne kamer opzag, en met ingehouden adem en langzamen tred ging hij naar binnen. Hij klom de trap op, opende zijne deur en kwam zoo de kamer in.Stilte en rust heerschten daar. Rachel was daar en zat bij het bed.Zij keerde haar hoofd naar hem om en het licht van haar aangezicht scheen in den middernacht van zijn gemoed. Zij zat bij het bed en waakte bij zijne vrouw. Dat is te zeggen, hij zag dat er iemand in het bed lag en wist maar al te wel dat zij het moest wezen; maar Rachel’s handen hadden eene gordijn opgehangen, zoodat zij voor zijne oogen verborgen was. Hare afzichtelijke kleeren waren weggeruimd, en er lagen eenige kleeren van Rachel in de kamer. Alles was op zijne plaats en in orde, gelijk hij het altijd gehouden had; het vuur was pas bijgelegd en de haard was pas aangeveegd. Het kwam hem voor, dat hij dit alles in Rachel’s gezicht zag en naar niets anders omkeek. Terwijl hij haar aanzag, werd haar beeld beneveld door de weemoedige tranen, die zijne oogen vulden, maar niet voordat hij gezien had hoe ernstig zij hem aanzag en hoe hare eigene oogen ook vol tranen stonden.Zij keerde zich weder naar het bed, en na zich overtuigd te hebben dat alles daar stil was, sprak zij met eene zachte, kalme, heldere stem:„Ik ben blij, dat gij eindelijk komt, Stephen. Gij komt heel laat.”„Ik heb wat op en neer gewandeld.”„Dat dacht ik wel. Maar het is van avond te slecht weer daartoe. Het regent aanhoudend en de wind is opgestoken.”De wind? ’t is waar, het waaide hard. Hoor maar naar dat bulderen in den schoorsteen en dat geloei. Dat iemand in zulk een wind buiten was geweest en niet eens wist dat het waaide!„Ik ben hier vandaag al eens geweest, Stephen. De juffrouw hier uit het huis kwam in het etensuur naar mij toe. Er was iemand hier, die noodig had dat er naar haar omgekeken werd, zeide zij. En zij had wel gelijk. Geheel buiten besef, Stephen; en ook gekwetst en gekneusd.”Hij ging langzaam naar een stoel, zette zich neer en liet het hoofd hangen.„Ik ben hier gekomen om het weinigje te doen dat ik kon; vooreerst, omdat ze met mij gewerkt heeft toen wij beiden nog jonge meisjes waren, en omdat gij haar gevrijd en getrouwd hebt toen ik hare vriendin was—”Hij liet zijn gerimpeld voorhoofd in zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.„En vervolgens omdat ik uw hart kende en zeker weet, dat gij veel te barmhartig zijt om haar hulpeloos te laten sterven, of ook maar gebrek te laten lijden. Gij weet wel wie gezegd heeft: „Laat hij, die onder u zonder zonde is, den eersten steen op haar werpen.” Er zijn er genoeg geweest om dat te doen; maar gij zijt de man niet om den laatsten steen te werpen, Stephen, nu zij zoo diep ellendig is.”„O Rachel, Rachel!”„Gij hebt schrikkelijk geleden, de Hemel loone het u,” zeide zij op medelijdenden toon. „Ik ben uwe arme vriendin, met al mijn hart en ziel.”De kwetsuren, waarvan zij gesproken had, schenen aan den hals der ellendige te zijn, die zich zelve uit de maatschappij had verstooten. Rachel verbond ze nu, maar nog zonder haar zichtbaar te laten worden. Zij doopte een linnen lap in eene kom, waarin zij zeker vocht uit een flesch had gegoten, en legde die met zachte hand op de gekwetste en ontstokene plek. Het ronde tafeltje was dicht bij het bed geschoven, en twee flesschen stonden daarop;—deze was de eene.Zij zat niet zoo ver af, of Stephen, die hare handen met zijne oogen volgde, kon het woord lezen, dat met groote letters op de flesch stond. Hij werd doodsbleek, en eene plotselinge huivering van afgrijzen scheen hem te bevangen.„Ik zal hier blijven, Stephen,” zeide Rachel, terwijl zij stil weder ging zitten, „tot de klok drie slaat. Om drie ure moet het nog eens gedaan worden, en dan kan zij zoo blijven tot morgenochtend.”„Maar gij moet toch rust hebben om morgen te kunnen werken, beste Rachel.”„Ik heb van nacht goed geslapen. Ik kan nachten achtereen waken, als het van mij gevergd wordt. Gij zijt het, die rust noodig hebt: gij ziet er zoo bleek en vermoeid uit. Beproef eens of gij daar op dien stoel kunt slapen, terwijlik waak. Gij hebt verleden nacht geen slaap gehad, dat kan ik wel gelooven, en morgen moet gij zwaarder werken dan ik.”Hij hoorde het bulderen en loeien buiten de deur, en het was hem alsof zijne vorige toornige stemming daar rondwaarde en beproefde om weder bij hem te komen. Zij had die weggedreven en zou haar van hem afhouden; hij verliet zich op haar, om hem tegen zich zelven te verdedigen.HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).„Zij kent mij niet, Stephen. Zij kijkt mij maar slaperig aan en mompelt verwarde woorden. Ik heb meer dan eens tegen haar gesproken, maar zij let er niet op. Het is zóó wèl zoo goed. Als zij weder bij hare zinnen komt, zal ik gedaan hebben wat ik kan en zij behoeft er niets van te weten.”„Hoelang, Rachel, is het te denken dat zij zoo blijven zal?”„De dokter zeide, dat zij misschien morgen weder bij hare zinnen zou komen.”Zijne oogen vielen weder op de flesch en eene siddering liep door al zijne leden. Zij dacht, dat hij van koude verkleumd was. „Neen,” zeide hij, „dat was het niet. Hij had een schrik gehad.”„Een schrik?”„Ja, toen ik binnenkwam. Toen ik zoo ronddwaalde. Toen ik aan het denken was. Toen ik—”Het tastte hem weder aan; en hij stond op, zich aan den schoorsteenmantel vasthoudende, terwijl hij zijne koude, klamme haren gladstreek met eene hand, die beefde alsof hij de koorts had.„Stephen!”Zij kwam naar hem toe, maar hij strekte zijn arm uit om haar tegen te houden.„Neen! Och neen, doe dat niet. Laat ik u maar bij het bed zien zitten. Laat ik u maar zien, zoo goed en barmhartig. Laat ik u zien zooals ik u zag toen ik binnenkwam. Ik kan u nooit beter zien dan zoo. Nooit, nooit, nooit!”Hij begon nog sterker te beven en zonk toen op zijn stoel neder. Na eene poos bedwong hij zich, en kon, met den eenen elleboog op eene knie en zijn hoofd op die hand, naar Rachel opzien. Met zijne vochtige oogen voorbij het flauwe kaarslicht gezien, was het alsof zij een blinkenden stralenkrans om het hoofd had. Hij had kunnen gelooven, dat het zoo was. Hij geloofde het werkelijk, toen het gerucht van buiten het venster schudde, de deur beneden deed klapperen en huilend door het huis gierde.„Als zij beter wordt, Stephen, is het te hopen, dat zij u weder alleen zal laten en u niet meer plagen. In allen gevalle, wij willen nu zoo maar hopen. En nu zal ik mij stilhouden, want ik zou u gaarne zien slapen.”Hij sloot zijne oogen, meer om haar genoegen te geven dan om zijn vermoeid hoofd te laten rusten; maar terwijl hij naar het geloei van den wind luisterde, hoorde hij dit langzamerhand niet meer, of het kwam hem voor, dat het overging in het geraas van zijn weefgetouw, of in de stemmen, welke hij dien dag had gehoord (zijne eigene ingesloten), en die weder zeiden wat er werkelijk gezegd was. Zelfs deze onvolkomene bewustheid verdween eindelijk, en hij droomde een langen, onrustigen droom.Hij dacht, dat hij en eene vrouw, op welke hij lang zijn hart had gezet—maar het was Rachel niet en dit verwonderde hem, zelfs te midden van zijn ingebeeld geluk—in de kerk stonden om zich te laten trouwen. Terwijl de plechtigheid verricht werd, en terwijl hij onder de getuigen sommige menschen herkende, die hij wist dat nog leefden, en velen, die hij wist dat reeds dood waren, kwam er eene duisternis, opgevolgd door den glans van een schrikkelijk licht. Dit licht straalde van een regel in de tafel der tien geboden af en verspreidde den glans dier woorden door de geheele kerk. Zij klonken door het gebouw, alsof elk dier vurige letteren eene stem had gekregen. Daarop veranderde alles om hem heen en niets bleef gelijk het geweest was, behalve hij zelve en de geestelijke. Zij stonden in het daglicht voor een volkshoop zoo groot, dat, naar hij dacht, indien alle menschen in de wereld op ééne plek bij elkander hadden gestaan, het getal hem niet grooter had kunnen voorkomen, en zij allen verafschuwden hem, en er was geen enkel medelijdend of vriendelijk oog onder al de millioenen, die op zijn gelaat gevestigd waren. Hij stond op eene verhevene stellage onder zijn eigen weefstoel; en toen hij opzag naar de gedaante, welke de weefstoel aannam, en duidelijk den lijkdienst hoorde lezen, begreep hij, dat hij daar was om den dood te ondergaan. In een oogenblik zonk datgene, waarop hij stond, onder hem weg en hij was dood.Uit welken geheimzinnigen toestand hij tot het gewone leven en de hem bekende plaatsen terugkeerde, kon hij niet nagaan; maar hij keerde op eene of andere wijze daarheen terug, met dezen vloek beladen, dat hij nooit, in deze wereld of de volgende, door alle eeuwen der eeuwigheid heen, het aangezicht van Rachel weder zou zien of hare stem hooren. Zonder rust en zonder hoop heen en weder dwalende, en zoekende naar hij wist niet wat (hij wist alleen dat hij gedoemd was het te zoeken), werd hij gekweld door een onbeschrijfelijken, gruwelijken angst, eene doodelijke vrees voor zekere bijzondere gedaante, welke alle dingen aannamen. Al wat hij aanzag, herschiep zich vroeger of later in dat voorwerp. Het doel van zijn ellendig aanzijn was, te verhoeden dat dit voorwerp aan een der verschillende personen, welke hij ontmoette, bekend werd. Hopelooze arbeid! Indien hij het uit de kamer bracht waar het was, indien hij de kas sloot waar het stond, indien hij de nieuwsgierigen van de plaats verwijderde waar hij wist dat het verborgen was, en hen buiten op straat voerde, namen zelfs de schoorsteenen der fabrieken die gedaante aan, en was het gedrukte woord daaromheen te lezen.De wind loeide weder, de regen kletterde, en de uitgestrekte ruimte, door welke hij had omgedwaald, kromp ineen tot de plek tusschen de vier muren zijner kamer. Behalve dat het vuur was uitgegaan, was zij nog eveneens als toen hij zijne oogen had gesloten. Rachel scheen op den stoel voor het bed te zijn ingesluimerd. Zij zat in haar omslagdoek gewikkeld onbeweeglijk stil. De tafel stond op dezelfde plaats, dicht naast het bed, en daarop, in hare werkelijke grootte en met alle werkelijke eigenschappen, stond het voorwerp dat hij overal had gezien.Hij meende de gordijn te zien bewegen. Hij keek nog eens en was er nu zeker van dat zij zich bewoog. Hij zag eene hand te voorschijn komen en zoekend rondtasten. Toen bewoog de gordijn zich nog duidelijker; eene vrouw, die in het bed lag, sloeg haar open en kwam overeind.Met hare jammervolle oogen, zoo woest en wanhopig, zoo groot en zoo dof, zag zij in de geheele kamer rond, en haar blik gleed over den hoek heen waar hij op zijn stoel zat te slapen. Hare oogen keerden naar dien hoek terug, en zij hield hare hand als een scherm er boven, terwijl zij er in tuurde. Nogmaals dwaalden zij door de kamer rond, maar zonder bijna op Rachel te letten, en keerden weder naar dien hoek terug. Terwijl zij zoo weder met de rechterhand boven de oogen zat te turen—niet zoozeer hem aanziende, als wel naar hem zoekende, met een dierlijk instinct dat hij daar wezen moest—dacht hij bij zich zelven, dat er in die misvormde trekken en in den geest, dien ze afspiegelden, geen spoor meer bestond van de vrouw, die hij achttien jaren geleden getrouwd had. Indien hij haar niet stap voor stap zoover had zien komen, had hij nooit kunnen gelooven dat zij dezelfde was.Al dien tijd bleef hij als door een toovermacht geboeid, roerloos en machteloos zitten, zonder iets anders te kunnen doen dan op haar te letten.Dof suffende of mijmerende, zonder zelve te weten waarom, bleef zij eene poos met het hoofd tusschen de handen zitten. Daarna begon zijweder starend in de kamer rond te kijken, en nu vielen hare oogen voor het eerst op de tafel met de twee flesschen daarop.Aanstonds keerde zij hare oogen weder naar zijn hoek, met den uitdagenden blik van den vorigen nacht, en zeer langzaam en voorzichtig stak zij hare gretige hand uit. Zij haalde eerst een tinnen beker naar zich toe, en bedacht zich toen eene poos, welke van de twee flesschen zij zou kiezen. Eindelijk greep hare verstandelooze hand de flesch, die een snellen, onvermijdelijken dood bevatte, en voor zijne oogen trok zij met hare tanden de kurk er af.Het mocht een droom of werkelijkheid zijn, hij had geene stem en geen vermogen om zich te bewegen. Als dit eene werkelijkheid, en haar bestemde tijd nog niet gekomen is, ontwaak dan, Rachel, ontwaak!Zij dacht ook daaraan. Zij keek naar Rachel en schonk zeer langzaam en voorzichtig den inhoud der flesch in den beker. Zij had het vocht aan hare lippen. Nog een oogenblik, en zij was buiten bereik van alle hulp, al ontwaakte ook de geheele wereld om haar met alle macht bij te staan. Maar op dat oogenblik sprong Rachel met een gesmoorden gil overeind. Het schepsel worstelde, sloeg naar haar, greep haar bij de haren; maar Rachel had den beker.Stephen ontrukte zich aan zijn stoel.„Rachel, ben ik wakker of ben ik dezen ganschen akeligen nacht aan het droomen?”„Het is alles wel, Stephen. Ik ben zelf in slaap geweest. Het is haast drie ure. Stil, ik hoor de klok.”De wind voerde hun den klank der kerkklok toe. Zij luisterden en het sloeg drie. Stephen keek haar aan en zag hoe bleek zij was, lette op de wanorde harer haren en de roode sporen van vingers op haar voorhoofd, en was nu overtuigd, dat zijn gehoor en gezicht wakker waren geweest. Zij had zelfs den beker nu nog in hare hand.„Ik dacht wel, dat het bij drieën moest wezen,” zeide zij, terwijl zij met bedaardheid het vocht uit den beker in de kom schonk en het linnen daarin doopte. „Ik ben blij dat ik zoolang ben gebleven. Het is nu gedaan, als ik er dit heb opgelegd. Daar! En nu is zij weer stil. Ik zal het weinigje, dat nog in de kom is, weggieten, want het is gevaarlijk goed om te laten staan, al is het nog zoo weinig.” En zoo sprekende goot zij de kom in de asch ledig en sloeg de flesch op het haardijzer aan stukken.Zij had toen niets meer te doen dan zich met haar omslagdoek te dekken, eer zij in den regen en wind naar buiten ging.„Gij zult mij toch met u mee laten gaan nu het zoo laat is, Rachel?”„Neen, Stephen. Ik ben in een oogenblik thuis.”„Gij zijt niet bang,” zeide hij met eene zachte stem, toen zij de kamerdeur uitgingen, „om mij met haar alleen te laten?”Zij zag hem aan en zeide: „Stephen!”Hij zonk op zijne knie voor haar neer, op de morsige trap, en bracht een tip van haar omslagdoek aan zijne lippen.„Gij zijt een engel! God zegene u!”„Ik ben, gelijk ik u gezegd heb, Stephen, uwe arme vriendin. Engelen gelijken niet naar mij. Tusschen hen en eene arme vrouw vol gebreken is nog eene diepe kloof. Mijn zusje is onder de engelen, maar zij is veranderd.”Zij sloeg hare oogen even naar omhoog toen zij dit zeide; en toen werden zij, met al hunne vriendelijkheid en zachtmoedigheid, weder op hem gevestigd.„Rachel! gij verandert mij van kwaad in goed. Gij doet mij nederig verlangen om meer naar u te gelijken, en vreezen om u te verliezen als dit leven voorbij is en die geheele warboel is opgeruimd. Gij zijt een engel; het kan wel zijn dat gij mijne levende ziel behouden hebt.”Zij zag hem aan, gelijk hij daar voor haar op zijne knie lag met een tip van haar doek in zijne hand, en de woorden van berisping stierven op hare lippen, toen zij in zijne trekken zijne ontroering opmerkte.„Ik kwam wanhopig naar huis. Ik kwam naar huis zonder eenige hoop, en dol van de gedachte, dat ik voor een onredelijk onvergenoegd mensch werd gehouden, als ik maar een enkel woord klaagde. Ik zeide u, dat ik een schrik had gehad. Dat was de flesch met vergif op de tafel. Ik heb nog nooit een levend wezen kwaad gedaan; maar toen ik dat zoo kort daarop zag, dacht ik: Hoe kan ik zeggen wat ik mij zelven, of haar, of ons beiden had kunnen doen?”Zij legde, met een gezicht vol schrik, hare beide handen op zijn mond om hem te beletten iets meer te zeggen. Hij vatte hare handen met de hand, die hij vrij had, en terwijl hij nog den rand van haar doek vasthield, vervolgde hij haastig:„Maar ik zag u zoo bij het bed zitten, Rachel. Ik heb u dezen geheelen nacht gezien. In mijn onrustigen slaap wist ik toch, dat gij daar nog waart. Altijd zal ik u daar zoo zien. Nooit zal ik haar meer zien of om haar denken, of gij zult naast haar wezen. Ik zal nooit iets zien of om iets denken, dat mij kwaad maakt, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zult er naast wezen. En zoo zal ik mijn best doen om te wachten naar den tijd, en op dien tijd vertrouwen, wanneer gij en ik eindelijk vereenigd zullen zijn ver van hier, aan den overkant van die diepe kloof, in het land waar uw zusje nu al is.”Hij kuste nog eens den rand van haar doek en liet haar gaan. Zij wenschte hem meteene haperende stem goedennacht en ging de straat op.De wind waaide met kracht van den kant waar spoedig de dag zou aanbreken. De lucht was aan dien kant opgehelderd, en de regenwolken hadden zich geledigd of waren verder gedreven. Hij stond blootshoofds op straat en zag haar na tot zij verdween. Gelijk de helder blinkende sterren bij de duister brandende kaars voor het venster, zoo was Rachel, voor de onbeschaafde verbeelding van dien man, bij de gewone ervaring van zijn leven.
XIII.RACHEL.Een flauw kaarslicht brandde voor het venster, waartegen dikwijls de zwarte ladder was opgezet, om alles wat voor eene radelooze vrouw en een troep hongerige kinderen het dierbaarste in deze wereld was, te laten wegglijden; en bij Stephen’s andere gepeinzen kwam nog de wrevelige gedachte, dat van alle wisselvalligheden van dit aardsche leven geene met grilliger hand en ongelijker werd uitgedeeld dan de dood. De ongelijkheid van geboorte was nog niets daarbij; want indien bij voorbeeld het kind van een koning en dat van een wever dien nacht op hetzelfde oogenblik geboren werden, wat was die ongelijkheid bij den dood van een menschelijk wezen, dat voor een ander nuttig of dierbaar was, terwijl deze losbandige vrouw bleef voortleven!Zoo dacht hij terwijl hij, buiten staande, naar zijne kamer opzag, en met ingehouden adem en langzamen tred ging hij naar binnen. Hij klom de trap op, opende zijne deur en kwam zoo de kamer in.Stilte en rust heerschten daar. Rachel was daar en zat bij het bed.Zij keerde haar hoofd naar hem om en het licht van haar aangezicht scheen in den middernacht van zijn gemoed. Zij zat bij het bed en waakte bij zijne vrouw. Dat is te zeggen, hij zag dat er iemand in het bed lag en wist maar al te wel dat zij het moest wezen; maar Rachel’s handen hadden eene gordijn opgehangen, zoodat zij voor zijne oogen verborgen was. Hare afzichtelijke kleeren waren weggeruimd, en er lagen eenige kleeren van Rachel in de kamer. Alles was op zijne plaats en in orde, gelijk hij het altijd gehouden had; het vuur was pas bijgelegd en de haard was pas aangeveegd. Het kwam hem voor, dat hij dit alles in Rachel’s gezicht zag en naar niets anders omkeek. Terwijl hij haar aanzag, werd haar beeld beneveld door de weemoedige tranen, die zijne oogen vulden, maar niet voordat hij gezien had hoe ernstig zij hem aanzag en hoe hare eigene oogen ook vol tranen stonden.Zij keerde zich weder naar het bed, en na zich overtuigd te hebben dat alles daar stil was, sprak zij met eene zachte, kalme, heldere stem:„Ik ben blij, dat gij eindelijk komt, Stephen. Gij komt heel laat.”„Ik heb wat op en neer gewandeld.”„Dat dacht ik wel. Maar het is van avond te slecht weer daartoe. Het regent aanhoudend en de wind is opgestoken.”De wind? ’t is waar, het waaide hard. Hoor maar naar dat bulderen in den schoorsteen en dat geloei. Dat iemand in zulk een wind buiten was geweest en niet eens wist dat het waaide!„Ik ben hier vandaag al eens geweest, Stephen. De juffrouw hier uit het huis kwam in het etensuur naar mij toe. Er was iemand hier, die noodig had dat er naar haar omgekeken werd, zeide zij. En zij had wel gelijk. Geheel buiten besef, Stephen; en ook gekwetst en gekneusd.”Hij ging langzaam naar een stoel, zette zich neer en liet het hoofd hangen.„Ik ben hier gekomen om het weinigje te doen dat ik kon; vooreerst, omdat ze met mij gewerkt heeft toen wij beiden nog jonge meisjes waren, en omdat gij haar gevrijd en getrouwd hebt toen ik hare vriendin was—”Hij liet zijn gerimpeld voorhoofd in zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.„En vervolgens omdat ik uw hart kende en zeker weet, dat gij veel te barmhartig zijt om haar hulpeloos te laten sterven, of ook maar gebrek te laten lijden. Gij weet wel wie gezegd heeft: „Laat hij, die onder u zonder zonde is, den eersten steen op haar werpen.” Er zijn er genoeg geweest om dat te doen; maar gij zijt de man niet om den laatsten steen te werpen, Stephen, nu zij zoo diep ellendig is.”„O Rachel, Rachel!”„Gij hebt schrikkelijk geleden, de Hemel loone het u,” zeide zij op medelijdenden toon. „Ik ben uwe arme vriendin, met al mijn hart en ziel.”De kwetsuren, waarvan zij gesproken had, schenen aan den hals der ellendige te zijn, die zich zelve uit de maatschappij had verstooten. Rachel verbond ze nu, maar nog zonder haar zichtbaar te laten worden. Zij doopte een linnen lap in eene kom, waarin zij zeker vocht uit een flesch had gegoten, en legde die met zachte hand op de gekwetste en ontstokene plek. Het ronde tafeltje was dicht bij het bed geschoven, en twee flesschen stonden daarop;—deze was de eene.Zij zat niet zoo ver af, of Stephen, die hare handen met zijne oogen volgde, kon het woord lezen, dat met groote letters op de flesch stond. Hij werd doodsbleek, en eene plotselinge huivering van afgrijzen scheen hem te bevangen.„Ik zal hier blijven, Stephen,” zeide Rachel, terwijl zij stil weder ging zitten, „tot de klok drie slaat. Om drie ure moet het nog eens gedaan worden, en dan kan zij zoo blijven tot morgenochtend.”„Maar gij moet toch rust hebben om morgen te kunnen werken, beste Rachel.”„Ik heb van nacht goed geslapen. Ik kan nachten achtereen waken, als het van mij gevergd wordt. Gij zijt het, die rust noodig hebt: gij ziet er zoo bleek en vermoeid uit. Beproef eens of gij daar op dien stoel kunt slapen, terwijlik waak. Gij hebt verleden nacht geen slaap gehad, dat kan ik wel gelooven, en morgen moet gij zwaarder werken dan ik.”Hij hoorde het bulderen en loeien buiten de deur, en het was hem alsof zijne vorige toornige stemming daar rondwaarde en beproefde om weder bij hem te komen. Zij had die weggedreven en zou haar van hem afhouden; hij verliet zich op haar, om hem tegen zich zelven te verdedigen.HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).„Zij kent mij niet, Stephen. Zij kijkt mij maar slaperig aan en mompelt verwarde woorden. Ik heb meer dan eens tegen haar gesproken, maar zij let er niet op. Het is zóó wèl zoo goed. Als zij weder bij hare zinnen komt, zal ik gedaan hebben wat ik kan en zij behoeft er niets van te weten.”„Hoelang, Rachel, is het te denken dat zij zoo blijven zal?”„De dokter zeide, dat zij misschien morgen weder bij hare zinnen zou komen.”Zijne oogen vielen weder op de flesch en eene siddering liep door al zijne leden. Zij dacht, dat hij van koude verkleumd was. „Neen,” zeide hij, „dat was het niet. Hij had een schrik gehad.”„Een schrik?”„Ja, toen ik binnenkwam. Toen ik zoo ronddwaalde. Toen ik aan het denken was. Toen ik—”Het tastte hem weder aan; en hij stond op, zich aan den schoorsteenmantel vasthoudende, terwijl hij zijne koude, klamme haren gladstreek met eene hand, die beefde alsof hij de koorts had.„Stephen!”Zij kwam naar hem toe, maar hij strekte zijn arm uit om haar tegen te houden.„Neen! Och neen, doe dat niet. Laat ik u maar bij het bed zien zitten. Laat ik u maar zien, zoo goed en barmhartig. Laat ik u zien zooals ik u zag toen ik binnenkwam. Ik kan u nooit beter zien dan zoo. Nooit, nooit, nooit!”Hij begon nog sterker te beven en zonk toen op zijn stoel neder. Na eene poos bedwong hij zich, en kon, met den eenen elleboog op eene knie en zijn hoofd op die hand, naar Rachel opzien. Met zijne vochtige oogen voorbij het flauwe kaarslicht gezien, was het alsof zij een blinkenden stralenkrans om het hoofd had. Hij had kunnen gelooven, dat het zoo was. Hij geloofde het werkelijk, toen het gerucht van buiten het venster schudde, de deur beneden deed klapperen en huilend door het huis gierde.„Als zij beter wordt, Stephen, is het te hopen, dat zij u weder alleen zal laten en u niet meer plagen. In allen gevalle, wij willen nu zoo maar hopen. En nu zal ik mij stilhouden, want ik zou u gaarne zien slapen.”Hij sloot zijne oogen, meer om haar genoegen te geven dan om zijn vermoeid hoofd te laten rusten; maar terwijl hij naar het geloei van den wind luisterde, hoorde hij dit langzamerhand niet meer, of het kwam hem voor, dat het overging in het geraas van zijn weefgetouw, of in de stemmen, welke hij dien dag had gehoord (zijne eigene ingesloten), en die weder zeiden wat er werkelijk gezegd was. Zelfs deze onvolkomene bewustheid verdween eindelijk, en hij droomde een langen, onrustigen droom.Hij dacht, dat hij en eene vrouw, op welke hij lang zijn hart had gezet—maar het was Rachel niet en dit verwonderde hem, zelfs te midden van zijn ingebeeld geluk—in de kerk stonden om zich te laten trouwen. Terwijl de plechtigheid verricht werd, en terwijl hij onder de getuigen sommige menschen herkende, die hij wist dat nog leefden, en velen, die hij wist dat reeds dood waren, kwam er eene duisternis, opgevolgd door den glans van een schrikkelijk licht. Dit licht straalde van een regel in de tafel der tien geboden af en verspreidde den glans dier woorden door de geheele kerk. Zij klonken door het gebouw, alsof elk dier vurige letteren eene stem had gekregen. Daarop veranderde alles om hem heen en niets bleef gelijk het geweest was, behalve hij zelve en de geestelijke. Zij stonden in het daglicht voor een volkshoop zoo groot, dat, naar hij dacht, indien alle menschen in de wereld op ééne plek bij elkander hadden gestaan, het getal hem niet grooter had kunnen voorkomen, en zij allen verafschuwden hem, en er was geen enkel medelijdend of vriendelijk oog onder al de millioenen, die op zijn gelaat gevestigd waren. Hij stond op eene verhevene stellage onder zijn eigen weefstoel; en toen hij opzag naar de gedaante, welke de weefstoel aannam, en duidelijk den lijkdienst hoorde lezen, begreep hij, dat hij daar was om den dood te ondergaan. In een oogenblik zonk datgene, waarop hij stond, onder hem weg en hij was dood.Uit welken geheimzinnigen toestand hij tot het gewone leven en de hem bekende plaatsen terugkeerde, kon hij niet nagaan; maar hij keerde op eene of andere wijze daarheen terug, met dezen vloek beladen, dat hij nooit, in deze wereld of de volgende, door alle eeuwen der eeuwigheid heen, het aangezicht van Rachel weder zou zien of hare stem hooren. Zonder rust en zonder hoop heen en weder dwalende, en zoekende naar hij wist niet wat (hij wist alleen dat hij gedoemd was het te zoeken), werd hij gekweld door een onbeschrijfelijken, gruwelijken angst, eene doodelijke vrees voor zekere bijzondere gedaante, welke alle dingen aannamen. Al wat hij aanzag, herschiep zich vroeger of later in dat voorwerp. Het doel van zijn ellendig aanzijn was, te verhoeden dat dit voorwerp aan een der verschillende personen, welke hij ontmoette, bekend werd. Hopelooze arbeid! Indien hij het uit de kamer bracht waar het was, indien hij de kas sloot waar het stond, indien hij de nieuwsgierigen van de plaats verwijderde waar hij wist dat het verborgen was, en hen buiten op straat voerde, namen zelfs de schoorsteenen der fabrieken die gedaante aan, en was het gedrukte woord daaromheen te lezen.De wind loeide weder, de regen kletterde, en de uitgestrekte ruimte, door welke hij had omgedwaald, kromp ineen tot de plek tusschen de vier muren zijner kamer. Behalve dat het vuur was uitgegaan, was zij nog eveneens als toen hij zijne oogen had gesloten. Rachel scheen op den stoel voor het bed te zijn ingesluimerd. Zij zat in haar omslagdoek gewikkeld onbeweeglijk stil. De tafel stond op dezelfde plaats, dicht naast het bed, en daarop, in hare werkelijke grootte en met alle werkelijke eigenschappen, stond het voorwerp dat hij overal had gezien.Hij meende de gordijn te zien bewegen. Hij keek nog eens en was er nu zeker van dat zij zich bewoog. Hij zag eene hand te voorschijn komen en zoekend rondtasten. Toen bewoog de gordijn zich nog duidelijker; eene vrouw, die in het bed lag, sloeg haar open en kwam overeind.Met hare jammervolle oogen, zoo woest en wanhopig, zoo groot en zoo dof, zag zij in de geheele kamer rond, en haar blik gleed over den hoek heen waar hij op zijn stoel zat te slapen. Hare oogen keerden naar dien hoek terug, en zij hield hare hand als een scherm er boven, terwijl zij er in tuurde. Nogmaals dwaalden zij door de kamer rond, maar zonder bijna op Rachel te letten, en keerden weder naar dien hoek terug. Terwijl zij zoo weder met de rechterhand boven de oogen zat te turen—niet zoozeer hem aanziende, als wel naar hem zoekende, met een dierlijk instinct dat hij daar wezen moest—dacht hij bij zich zelven, dat er in die misvormde trekken en in den geest, dien ze afspiegelden, geen spoor meer bestond van de vrouw, die hij achttien jaren geleden getrouwd had. Indien hij haar niet stap voor stap zoover had zien komen, had hij nooit kunnen gelooven dat zij dezelfde was.Al dien tijd bleef hij als door een toovermacht geboeid, roerloos en machteloos zitten, zonder iets anders te kunnen doen dan op haar te letten.Dof suffende of mijmerende, zonder zelve te weten waarom, bleef zij eene poos met het hoofd tusschen de handen zitten. Daarna begon zijweder starend in de kamer rond te kijken, en nu vielen hare oogen voor het eerst op de tafel met de twee flesschen daarop.Aanstonds keerde zij hare oogen weder naar zijn hoek, met den uitdagenden blik van den vorigen nacht, en zeer langzaam en voorzichtig stak zij hare gretige hand uit. Zij haalde eerst een tinnen beker naar zich toe, en bedacht zich toen eene poos, welke van de twee flesschen zij zou kiezen. Eindelijk greep hare verstandelooze hand de flesch, die een snellen, onvermijdelijken dood bevatte, en voor zijne oogen trok zij met hare tanden de kurk er af.Het mocht een droom of werkelijkheid zijn, hij had geene stem en geen vermogen om zich te bewegen. Als dit eene werkelijkheid, en haar bestemde tijd nog niet gekomen is, ontwaak dan, Rachel, ontwaak!Zij dacht ook daaraan. Zij keek naar Rachel en schonk zeer langzaam en voorzichtig den inhoud der flesch in den beker. Zij had het vocht aan hare lippen. Nog een oogenblik, en zij was buiten bereik van alle hulp, al ontwaakte ook de geheele wereld om haar met alle macht bij te staan. Maar op dat oogenblik sprong Rachel met een gesmoorden gil overeind. Het schepsel worstelde, sloeg naar haar, greep haar bij de haren; maar Rachel had den beker.Stephen ontrukte zich aan zijn stoel.„Rachel, ben ik wakker of ben ik dezen ganschen akeligen nacht aan het droomen?”„Het is alles wel, Stephen. Ik ben zelf in slaap geweest. Het is haast drie ure. Stil, ik hoor de klok.”De wind voerde hun den klank der kerkklok toe. Zij luisterden en het sloeg drie. Stephen keek haar aan en zag hoe bleek zij was, lette op de wanorde harer haren en de roode sporen van vingers op haar voorhoofd, en was nu overtuigd, dat zijn gehoor en gezicht wakker waren geweest. Zij had zelfs den beker nu nog in hare hand.„Ik dacht wel, dat het bij drieën moest wezen,” zeide zij, terwijl zij met bedaardheid het vocht uit den beker in de kom schonk en het linnen daarin doopte. „Ik ben blij dat ik zoolang ben gebleven. Het is nu gedaan, als ik er dit heb opgelegd. Daar! En nu is zij weer stil. Ik zal het weinigje, dat nog in de kom is, weggieten, want het is gevaarlijk goed om te laten staan, al is het nog zoo weinig.” En zoo sprekende goot zij de kom in de asch ledig en sloeg de flesch op het haardijzer aan stukken.Zij had toen niets meer te doen dan zich met haar omslagdoek te dekken, eer zij in den regen en wind naar buiten ging.„Gij zult mij toch met u mee laten gaan nu het zoo laat is, Rachel?”„Neen, Stephen. Ik ben in een oogenblik thuis.”„Gij zijt niet bang,” zeide hij met eene zachte stem, toen zij de kamerdeur uitgingen, „om mij met haar alleen te laten?”Zij zag hem aan en zeide: „Stephen!”Hij zonk op zijne knie voor haar neer, op de morsige trap, en bracht een tip van haar omslagdoek aan zijne lippen.„Gij zijt een engel! God zegene u!”„Ik ben, gelijk ik u gezegd heb, Stephen, uwe arme vriendin. Engelen gelijken niet naar mij. Tusschen hen en eene arme vrouw vol gebreken is nog eene diepe kloof. Mijn zusje is onder de engelen, maar zij is veranderd.”Zij sloeg hare oogen even naar omhoog toen zij dit zeide; en toen werden zij, met al hunne vriendelijkheid en zachtmoedigheid, weder op hem gevestigd.„Rachel! gij verandert mij van kwaad in goed. Gij doet mij nederig verlangen om meer naar u te gelijken, en vreezen om u te verliezen als dit leven voorbij is en die geheele warboel is opgeruimd. Gij zijt een engel; het kan wel zijn dat gij mijne levende ziel behouden hebt.”Zij zag hem aan, gelijk hij daar voor haar op zijne knie lag met een tip van haar doek in zijne hand, en de woorden van berisping stierven op hare lippen, toen zij in zijne trekken zijne ontroering opmerkte.„Ik kwam wanhopig naar huis. Ik kwam naar huis zonder eenige hoop, en dol van de gedachte, dat ik voor een onredelijk onvergenoegd mensch werd gehouden, als ik maar een enkel woord klaagde. Ik zeide u, dat ik een schrik had gehad. Dat was de flesch met vergif op de tafel. Ik heb nog nooit een levend wezen kwaad gedaan; maar toen ik dat zoo kort daarop zag, dacht ik: Hoe kan ik zeggen wat ik mij zelven, of haar, of ons beiden had kunnen doen?”Zij legde, met een gezicht vol schrik, hare beide handen op zijn mond om hem te beletten iets meer te zeggen. Hij vatte hare handen met de hand, die hij vrij had, en terwijl hij nog den rand van haar doek vasthield, vervolgde hij haastig:„Maar ik zag u zoo bij het bed zitten, Rachel. Ik heb u dezen geheelen nacht gezien. In mijn onrustigen slaap wist ik toch, dat gij daar nog waart. Altijd zal ik u daar zoo zien. Nooit zal ik haar meer zien of om haar denken, of gij zult naast haar wezen. Ik zal nooit iets zien of om iets denken, dat mij kwaad maakt, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zult er naast wezen. En zoo zal ik mijn best doen om te wachten naar den tijd, en op dien tijd vertrouwen, wanneer gij en ik eindelijk vereenigd zullen zijn ver van hier, aan den overkant van die diepe kloof, in het land waar uw zusje nu al is.”Hij kuste nog eens den rand van haar doek en liet haar gaan. Zij wenschte hem meteene haperende stem goedennacht en ging de straat op.De wind waaide met kracht van den kant waar spoedig de dag zou aanbreken. De lucht was aan dien kant opgehelderd, en de regenwolken hadden zich geledigd of waren verder gedreven. Hij stond blootshoofds op straat en zag haar na tot zij verdween. Gelijk de helder blinkende sterren bij de duister brandende kaars voor het venster, zoo was Rachel, voor de onbeschaafde verbeelding van dien man, bij de gewone ervaring van zijn leven.
XIII.RACHEL.Een flauw kaarslicht brandde voor het venster, waartegen dikwijls de zwarte ladder was opgezet, om alles wat voor eene radelooze vrouw en een troep hongerige kinderen het dierbaarste in deze wereld was, te laten wegglijden; en bij Stephen’s andere gepeinzen kwam nog de wrevelige gedachte, dat van alle wisselvalligheden van dit aardsche leven geene met grilliger hand en ongelijker werd uitgedeeld dan de dood. De ongelijkheid van geboorte was nog niets daarbij; want indien bij voorbeeld het kind van een koning en dat van een wever dien nacht op hetzelfde oogenblik geboren werden, wat was die ongelijkheid bij den dood van een menschelijk wezen, dat voor een ander nuttig of dierbaar was, terwijl deze losbandige vrouw bleef voortleven!Zoo dacht hij terwijl hij, buiten staande, naar zijne kamer opzag, en met ingehouden adem en langzamen tred ging hij naar binnen. Hij klom de trap op, opende zijne deur en kwam zoo de kamer in.Stilte en rust heerschten daar. Rachel was daar en zat bij het bed.Zij keerde haar hoofd naar hem om en het licht van haar aangezicht scheen in den middernacht van zijn gemoed. Zij zat bij het bed en waakte bij zijne vrouw. Dat is te zeggen, hij zag dat er iemand in het bed lag en wist maar al te wel dat zij het moest wezen; maar Rachel’s handen hadden eene gordijn opgehangen, zoodat zij voor zijne oogen verborgen was. Hare afzichtelijke kleeren waren weggeruimd, en er lagen eenige kleeren van Rachel in de kamer. Alles was op zijne plaats en in orde, gelijk hij het altijd gehouden had; het vuur was pas bijgelegd en de haard was pas aangeveegd. Het kwam hem voor, dat hij dit alles in Rachel’s gezicht zag en naar niets anders omkeek. Terwijl hij haar aanzag, werd haar beeld beneveld door de weemoedige tranen, die zijne oogen vulden, maar niet voordat hij gezien had hoe ernstig zij hem aanzag en hoe hare eigene oogen ook vol tranen stonden.Zij keerde zich weder naar het bed, en na zich overtuigd te hebben dat alles daar stil was, sprak zij met eene zachte, kalme, heldere stem:„Ik ben blij, dat gij eindelijk komt, Stephen. Gij komt heel laat.”„Ik heb wat op en neer gewandeld.”„Dat dacht ik wel. Maar het is van avond te slecht weer daartoe. Het regent aanhoudend en de wind is opgestoken.”De wind? ’t is waar, het waaide hard. Hoor maar naar dat bulderen in den schoorsteen en dat geloei. Dat iemand in zulk een wind buiten was geweest en niet eens wist dat het waaide!„Ik ben hier vandaag al eens geweest, Stephen. De juffrouw hier uit het huis kwam in het etensuur naar mij toe. Er was iemand hier, die noodig had dat er naar haar omgekeken werd, zeide zij. En zij had wel gelijk. Geheel buiten besef, Stephen; en ook gekwetst en gekneusd.”Hij ging langzaam naar een stoel, zette zich neer en liet het hoofd hangen.„Ik ben hier gekomen om het weinigje te doen dat ik kon; vooreerst, omdat ze met mij gewerkt heeft toen wij beiden nog jonge meisjes waren, en omdat gij haar gevrijd en getrouwd hebt toen ik hare vriendin was—”Hij liet zijn gerimpeld voorhoofd in zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.„En vervolgens omdat ik uw hart kende en zeker weet, dat gij veel te barmhartig zijt om haar hulpeloos te laten sterven, of ook maar gebrek te laten lijden. Gij weet wel wie gezegd heeft: „Laat hij, die onder u zonder zonde is, den eersten steen op haar werpen.” Er zijn er genoeg geweest om dat te doen; maar gij zijt de man niet om den laatsten steen te werpen, Stephen, nu zij zoo diep ellendig is.”„O Rachel, Rachel!”„Gij hebt schrikkelijk geleden, de Hemel loone het u,” zeide zij op medelijdenden toon. „Ik ben uwe arme vriendin, met al mijn hart en ziel.”De kwetsuren, waarvan zij gesproken had, schenen aan den hals der ellendige te zijn, die zich zelve uit de maatschappij had verstooten. Rachel verbond ze nu, maar nog zonder haar zichtbaar te laten worden. Zij doopte een linnen lap in eene kom, waarin zij zeker vocht uit een flesch had gegoten, en legde die met zachte hand op de gekwetste en ontstokene plek. Het ronde tafeltje was dicht bij het bed geschoven, en twee flesschen stonden daarop;—deze was de eene.Zij zat niet zoo ver af, of Stephen, die hare handen met zijne oogen volgde, kon het woord lezen, dat met groote letters op de flesch stond. Hij werd doodsbleek, en eene plotselinge huivering van afgrijzen scheen hem te bevangen.„Ik zal hier blijven, Stephen,” zeide Rachel, terwijl zij stil weder ging zitten, „tot de klok drie slaat. Om drie ure moet het nog eens gedaan worden, en dan kan zij zoo blijven tot morgenochtend.”„Maar gij moet toch rust hebben om morgen te kunnen werken, beste Rachel.”„Ik heb van nacht goed geslapen. Ik kan nachten achtereen waken, als het van mij gevergd wordt. Gij zijt het, die rust noodig hebt: gij ziet er zoo bleek en vermoeid uit. Beproef eens of gij daar op dien stoel kunt slapen, terwijlik waak. Gij hebt verleden nacht geen slaap gehad, dat kan ik wel gelooven, en morgen moet gij zwaarder werken dan ik.”Hij hoorde het bulderen en loeien buiten de deur, en het was hem alsof zijne vorige toornige stemming daar rondwaarde en beproefde om weder bij hem te komen. Zij had die weggedreven en zou haar van hem afhouden; hij verliet zich op haar, om hem tegen zich zelven te verdedigen.HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).„Zij kent mij niet, Stephen. Zij kijkt mij maar slaperig aan en mompelt verwarde woorden. Ik heb meer dan eens tegen haar gesproken, maar zij let er niet op. Het is zóó wèl zoo goed. Als zij weder bij hare zinnen komt, zal ik gedaan hebben wat ik kan en zij behoeft er niets van te weten.”„Hoelang, Rachel, is het te denken dat zij zoo blijven zal?”„De dokter zeide, dat zij misschien morgen weder bij hare zinnen zou komen.”Zijne oogen vielen weder op de flesch en eene siddering liep door al zijne leden. Zij dacht, dat hij van koude verkleumd was. „Neen,” zeide hij, „dat was het niet. Hij had een schrik gehad.”„Een schrik?”„Ja, toen ik binnenkwam. Toen ik zoo ronddwaalde. Toen ik aan het denken was. Toen ik—”Het tastte hem weder aan; en hij stond op, zich aan den schoorsteenmantel vasthoudende, terwijl hij zijne koude, klamme haren gladstreek met eene hand, die beefde alsof hij de koorts had.„Stephen!”Zij kwam naar hem toe, maar hij strekte zijn arm uit om haar tegen te houden.„Neen! Och neen, doe dat niet. Laat ik u maar bij het bed zien zitten. Laat ik u maar zien, zoo goed en barmhartig. Laat ik u zien zooals ik u zag toen ik binnenkwam. Ik kan u nooit beter zien dan zoo. Nooit, nooit, nooit!”Hij begon nog sterker te beven en zonk toen op zijn stoel neder. Na eene poos bedwong hij zich, en kon, met den eenen elleboog op eene knie en zijn hoofd op die hand, naar Rachel opzien. Met zijne vochtige oogen voorbij het flauwe kaarslicht gezien, was het alsof zij een blinkenden stralenkrans om het hoofd had. Hij had kunnen gelooven, dat het zoo was. Hij geloofde het werkelijk, toen het gerucht van buiten het venster schudde, de deur beneden deed klapperen en huilend door het huis gierde.„Als zij beter wordt, Stephen, is het te hopen, dat zij u weder alleen zal laten en u niet meer plagen. In allen gevalle, wij willen nu zoo maar hopen. En nu zal ik mij stilhouden, want ik zou u gaarne zien slapen.”Hij sloot zijne oogen, meer om haar genoegen te geven dan om zijn vermoeid hoofd te laten rusten; maar terwijl hij naar het geloei van den wind luisterde, hoorde hij dit langzamerhand niet meer, of het kwam hem voor, dat het overging in het geraas van zijn weefgetouw, of in de stemmen, welke hij dien dag had gehoord (zijne eigene ingesloten), en die weder zeiden wat er werkelijk gezegd was. Zelfs deze onvolkomene bewustheid verdween eindelijk, en hij droomde een langen, onrustigen droom.Hij dacht, dat hij en eene vrouw, op welke hij lang zijn hart had gezet—maar het was Rachel niet en dit verwonderde hem, zelfs te midden van zijn ingebeeld geluk—in de kerk stonden om zich te laten trouwen. Terwijl de plechtigheid verricht werd, en terwijl hij onder de getuigen sommige menschen herkende, die hij wist dat nog leefden, en velen, die hij wist dat reeds dood waren, kwam er eene duisternis, opgevolgd door den glans van een schrikkelijk licht. Dit licht straalde van een regel in de tafel der tien geboden af en verspreidde den glans dier woorden door de geheele kerk. Zij klonken door het gebouw, alsof elk dier vurige letteren eene stem had gekregen. Daarop veranderde alles om hem heen en niets bleef gelijk het geweest was, behalve hij zelve en de geestelijke. Zij stonden in het daglicht voor een volkshoop zoo groot, dat, naar hij dacht, indien alle menschen in de wereld op ééne plek bij elkander hadden gestaan, het getal hem niet grooter had kunnen voorkomen, en zij allen verafschuwden hem, en er was geen enkel medelijdend of vriendelijk oog onder al de millioenen, die op zijn gelaat gevestigd waren. Hij stond op eene verhevene stellage onder zijn eigen weefstoel; en toen hij opzag naar de gedaante, welke de weefstoel aannam, en duidelijk den lijkdienst hoorde lezen, begreep hij, dat hij daar was om den dood te ondergaan. In een oogenblik zonk datgene, waarop hij stond, onder hem weg en hij was dood.Uit welken geheimzinnigen toestand hij tot het gewone leven en de hem bekende plaatsen terugkeerde, kon hij niet nagaan; maar hij keerde op eene of andere wijze daarheen terug, met dezen vloek beladen, dat hij nooit, in deze wereld of de volgende, door alle eeuwen der eeuwigheid heen, het aangezicht van Rachel weder zou zien of hare stem hooren. Zonder rust en zonder hoop heen en weder dwalende, en zoekende naar hij wist niet wat (hij wist alleen dat hij gedoemd was het te zoeken), werd hij gekweld door een onbeschrijfelijken, gruwelijken angst, eene doodelijke vrees voor zekere bijzondere gedaante, welke alle dingen aannamen. Al wat hij aanzag, herschiep zich vroeger of later in dat voorwerp. Het doel van zijn ellendig aanzijn was, te verhoeden dat dit voorwerp aan een der verschillende personen, welke hij ontmoette, bekend werd. Hopelooze arbeid! Indien hij het uit de kamer bracht waar het was, indien hij de kas sloot waar het stond, indien hij de nieuwsgierigen van de plaats verwijderde waar hij wist dat het verborgen was, en hen buiten op straat voerde, namen zelfs de schoorsteenen der fabrieken die gedaante aan, en was het gedrukte woord daaromheen te lezen.De wind loeide weder, de regen kletterde, en de uitgestrekte ruimte, door welke hij had omgedwaald, kromp ineen tot de plek tusschen de vier muren zijner kamer. Behalve dat het vuur was uitgegaan, was zij nog eveneens als toen hij zijne oogen had gesloten. Rachel scheen op den stoel voor het bed te zijn ingesluimerd. Zij zat in haar omslagdoek gewikkeld onbeweeglijk stil. De tafel stond op dezelfde plaats, dicht naast het bed, en daarop, in hare werkelijke grootte en met alle werkelijke eigenschappen, stond het voorwerp dat hij overal had gezien.Hij meende de gordijn te zien bewegen. Hij keek nog eens en was er nu zeker van dat zij zich bewoog. Hij zag eene hand te voorschijn komen en zoekend rondtasten. Toen bewoog de gordijn zich nog duidelijker; eene vrouw, die in het bed lag, sloeg haar open en kwam overeind.Met hare jammervolle oogen, zoo woest en wanhopig, zoo groot en zoo dof, zag zij in de geheele kamer rond, en haar blik gleed over den hoek heen waar hij op zijn stoel zat te slapen. Hare oogen keerden naar dien hoek terug, en zij hield hare hand als een scherm er boven, terwijl zij er in tuurde. Nogmaals dwaalden zij door de kamer rond, maar zonder bijna op Rachel te letten, en keerden weder naar dien hoek terug. Terwijl zij zoo weder met de rechterhand boven de oogen zat te turen—niet zoozeer hem aanziende, als wel naar hem zoekende, met een dierlijk instinct dat hij daar wezen moest—dacht hij bij zich zelven, dat er in die misvormde trekken en in den geest, dien ze afspiegelden, geen spoor meer bestond van de vrouw, die hij achttien jaren geleden getrouwd had. Indien hij haar niet stap voor stap zoover had zien komen, had hij nooit kunnen gelooven dat zij dezelfde was.Al dien tijd bleef hij als door een toovermacht geboeid, roerloos en machteloos zitten, zonder iets anders te kunnen doen dan op haar te letten.Dof suffende of mijmerende, zonder zelve te weten waarom, bleef zij eene poos met het hoofd tusschen de handen zitten. Daarna begon zijweder starend in de kamer rond te kijken, en nu vielen hare oogen voor het eerst op de tafel met de twee flesschen daarop.Aanstonds keerde zij hare oogen weder naar zijn hoek, met den uitdagenden blik van den vorigen nacht, en zeer langzaam en voorzichtig stak zij hare gretige hand uit. Zij haalde eerst een tinnen beker naar zich toe, en bedacht zich toen eene poos, welke van de twee flesschen zij zou kiezen. Eindelijk greep hare verstandelooze hand de flesch, die een snellen, onvermijdelijken dood bevatte, en voor zijne oogen trok zij met hare tanden de kurk er af.Het mocht een droom of werkelijkheid zijn, hij had geene stem en geen vermogen om zich te bewegen. Als dit eene werkelijkheid, en haar bestemde tijd nog niet gekomen is, ontwaak dan, Rachel, ontwaak!Zij dacht ook daaraan. Zij keek naar Rachel en schonk zeer langzaam en voorzichtig den inhoud der flesch in den beker. Zij had het vocht aan hare lippen. Nog een oogenblik, en zij was buiten bereik van alle hulp, al ontwaakte ook de geheele wereld om haar met alle macht bij te staan. Maar op dat oogenblik sprong Rachel met een gesmoorden gil overeind. Het schepsel worstelde, sloeg naar haar, greep haar bij de haren; maar Rachel had den beker.Stephen ontrukte zich aan zijn stoel.„Rachel, ben ik wakker of ben ik dezen ganschen akeligen nacht aan het droomen?”„Het is alles wel, Stephen. Ik ben zelf in slaap geweest. Het is haast drie ure. Stil, ik hoor de klok.”De wind voerde hun den klank der kerkklok toe. Zij luisterden en het sloeg drie. Stephen keek haar aan en zag hoe bleek zij was, lette op de wanorde harer haren en de roode sporen van vingers op haar voorhoofd, en was nu overtuigd, dat zijn gehoor en gezicht wakker waren geweest. Zij had zelfs den beker nu nog in hare hand.„Ik dacht wel, dat het bij drieën moest wezen,” zeide zij, terwijl zij met bedaardheid het vocht uit den beker in de kom schonk en het linnen daarin doopte. „Ik ben blij dat ik zoolang ben gebleven. Het is nu gedaan, als ik er dit heb opgelegd. Daar! En nu is zij weer stil. Ik zal het weinigje, dat nog in de kom is, weggieten, want het is gevaarlijk goed om te laten staan, al is het nog zoo weinig.” En zoo sprekende goot zij de kom in de asch ledig en sloeg de flesch op het haardijzer aan stukken.Zij had toen niets meer te doen dan zich met haar omslagdoek te dekken, eer zij in den regen en wind naar buiten ging.„Gij zult mij toch met u mee laten gaan nu het zoo laat is, Rachel?”„Neen, Stephen. Ik ben in een oogenblik thuis.”„Gij zijt niet bang,” zeide hij met eene zachte stem, toen zij de kamerdeur uitgingen, „om mij met haar alleen te laten?”Zij zag hem aan en zeide: „Stephen!”Hij zonk op zijne knie voor haar neer, op de morsige trap, en bracht een tip van haar omslagdoek aan zijne lippen.„Gij zijt een engel! God zegene u!”„Ik ben, gelijk ik u gezegd heb, Stephen, uwe arme vriendin. Engelen gelijken niet naar mij. Tusschen hen en eene arme vrouw vol gebreken is nog eene diepe kloof. Mijn zusje is onder de engelen, maar zij is veranderd.”Zij sloeg hare oogen even naar omhoog toen zij dit zeide; en toen werden zij, met al hunne vriendelijkheid en zachtmoedigheid, weder op hem gevestigd.„Rachel! gij verandert mij van kwaad in goed. Gij doet mij nederig verlangen om meer naar u te gelijken, en vreezen om u te verliezen als dit leven voorbij is en die geheele warboel is opgeruimd. Gij zijt een engel; het kan wel zijn dat gij mijne levende ziel behouden hebt.”Zij zag hem aan, gelijk hij daar voor haar op zijne knie lag met een tip van haar doek in zijne hand, en de woorden van berisping stierven op hare lippen, toen zij in zijne trekken zijne ontroering opmerkte.„Ik kwam wanhopig naar huis. Ik kwam naar huis zonder eenige hoop, en dol van de gedachte, dat ik voor een onredelijk onvergenoegd mensch werd gehouden, als ik maar een enkel woord klaagde. Ik zeide u, dat ik een schrik had gehad. Dat was de flesch met vergif op de tafel. Ik heb nog nooit een levend wezen kwaad gedaan; maar toen ik dat zoo kort daarop zag, dacht ik: Hoe kan ik zeggen wat ik mij zelven, of haar, of ons beiden had kunnen doen?”Zij legde, met een gezicht vol schrik, hare beide handen op zijn mond om hem te beletten iets meer te zeggen. Hij vatte hare handen met de hand, die hij vrij had, en terwijl hij nog den rand van haar doek vasthield, vervolgde hij haastig:„Maar ik zag u zoo bij het bed zitten, Rachel. Ik heb u dezen geheelen nacht gezien. In mijn onrustigen slaap wist ik toch, dat gij daar nog waart. Altijd zal ik u daar zoo zien. Nooit zal ik haar meer zien of om haar denken, of gij zult naast haar wezen. Ik zal nooit iets zien of om iets denken, dat mij kwaad maakt, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zult er naast wezen. En zoo zal ik mijn best doen om te wachten naar den tijd, en op dien tijd vertrouwen, wanneer gij en ik eindelijk vereenigd zullen zijn ver van hier, aan den overkant van die diepe kloof, in het land waar uw zusje nu al is.”Hij kuste nog eens den rand van haar doek en liet haar gaan. Zij wenschte hem meteene haperende stem goedennacht en ging de straat op.De wind waaide met kracht van den kant waar spoedig de dag zou aanbreken. De lucht was aan dien kant opgehelderd, en de regenwolken hadden zich geledigd of waren verder gedreven. Hij stond blootshoofds op straat en zag haar na tot zij verdween. Gelijk de helder blinkende sterren bij de duister brandende kaars voor het venster, zoo was Rachel, voor de onbeschaafde verbeelding van dien man, bij de gewone ervaring van zijn leven.
XIII.RACHEL.
Een flauw kaarslicht brandde voor het venster, waartegen dikwijls de zwarte ladder was opgezet, om alles wat voor eene radelooze vrouw en een troep hongerige kinderen het dierbaarste in deze wereld was, te laten wegglijden; en bij Stephen’s andere gepeinzen kwam nog de wrevelige gedachte, dat van alle wisselvalligheden van dit aardsche leven geene met grilliger hand en ongelijker werd uitgedeeld dan de dood. De ongelijkheid van geboorte was nog niets daarbij; want indien bij voorbeeld het kind van een koning en dat van een wever dien nacht op hetzelfde oogenblik geboren werden, wat was die ongelijkheid bij den dood van een menschelijk wezen, dat voor een ander nuttig of dierbaar was, terwijl deze losbandige vrouw bleef voortleven!Zoo dacht hij terwijl hij, buiten staande, naar zijne kamer opzag, en met ingehouden adem en langzamen tred ging hij naar binnen. Hij klom de trap op, opende zijne deur en kwam zoo de kamer in.Stilte en rust heerschten daar. Rachel was daar en zat bij het bed.Zij keerde haar hoofd naar hem om en het licht van haar aangezicht scheen in den middernacht van zijn gemoed. Zij zat bij het bed en waakte bij zijne vrouw. Dat is te zeggen, hij zag dat er iemand in het bed lag en wist maar al te wel dat zij het moest wezen; maar Rachel’s handen hadden eene gordijn opgehangen, zoodat zij voor zijne oogen verborgen was. Hare afzichtelijke kleeren waren weggeruimd, en er lagen eenige kleeren van Rachel in de kamer. Alles was op zijne plaats en in orde, gelijk hij het altijd gehouden had; het vuur was pas bijgelegd en de haard was pas aangeveegd. Het kwam hem voor, dat hij dit alles in Rachel’s gezicht zag en naar niets anders omkeek. Terwijl hij haar aanzag, werd haar beeld beneveld door de weemoedige tranen, die zijne oogen vulden, maar niet voordat hij gezien had hoe ernstig zij hem aanzag en hoe hare eigene oogen ook vol tranen stonden.Zij keerde zich weder naar het bed, en na zich overtuigd te hebben dat alles daar stil was, sprak zij met eene zachte, kalme, heldere stem:„Ik ben blij, dat gij eindelijk komt, Stephen. Gij komt heel laat.”„Ik heb wat op en neer gewandeld.”„Dat dacht ik wel. Maar het is van avond te slecht weer daartoe. Het regent aanhoudend en de wind is opgestoken.”De wind? ’t is waar, het waaide hard. Hoor maar naar dat bulderen in den schoorsteen en dat geloei. Dat iemand in zulk een wind buiten was geweest en niet eens wist dat het waaide!„Ik ben hier vandaag al eens geweest, Stephen. De juffrouw hier uit het huis kwam in het etensuur naar mij toe. Er was iemand hier, die noodig had dat er naar haar omgekeken werd, zeide zij. En zij had wel gelijk. Geheel buiten besef, Stephen; en ook gekwetst en gekneusd.”Hij ging langzaam naar een stoel, zette zich neer en liet het hoofd hangen.„Ik ben hier gekomen om het weinigje te doen dat ik kon; vooreerst, omdat ze met mij gewerkt heeft toen wij beiden nog jonge meisjes waren, en omdat gij haar gevrijd en getrouwd hebt toen ik hare vriendin was—”Hij liet zijn gerimpeld voorhoofd in zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.„En vervolgens omdat ik uw hart kende en zeker weet, dat gij veel te barmhartig zijt om haar hulpeloos te laten sterven, of ook maar gebrek te laten lijden. Gij weet wel wie gezegd heeft: „Laat hij, die onder u zonder zonde is, den eersten steen op haar werpen.” Er zijn er genoeg geweest om dat te doen; maar gij zijt de man niet om den laatsten steen te werpen, Stephen, nu zij zoo diep ellendig is.”„O Rachel, Rachel!”„Gij hebt schrikkelijk geleden, de Hemel loone het u,” zeide zij op medelijdenden toon. „Ik ben uwe arme vriendin, met al mijn hart en ziel.”De kwetsuren, waarvan zij gesproken had, schenen aan den hals der ellendige te zijn, die zich zelve uit de maatschappij had verstooten. Rachel verbond ze nu, maar nog zonder haar zichtbaar te laten worden. Zij doopte een linnen lap in eene kom, waarin zij zeker vocht uit een flesch had gegoten, en legde die met zachte hand op de gekwetste en ontstokene plek. Het ronde tafeltje was dicht bij het bed geschoven, en twee flesschen stonden daarop;—deze was de eene.Zij zat niet zoo ver af, of Stephen, die hare handen met zijne oogen volgde, kon het woord lezen, dat met groote letters op de flesch stond. Hij werd doodsbleek, en eene plotselinge huivering van afgrijzen scheen hem te bevangen.„Ik zal hier blijven, Stephen,” zeide Rachel, terwijl zij stil weder ging zitten, „tot de klok drie slaat. Om drie ure moet het nog eens gedaan worden, en dan kan zij zoo blijven tot morgenochtend.”„Maar gij moet toch rust hebben om morgen te kunnen werken, beste Rachel.”„Ik heb van nacht goed geslapen. Ik kan nachten achtereen waken, als het van mij gevergd wordt. Gij zijt het, die rust noodig hebt: gij ziet er zoo bleek en vermoeid uit. Beproef eens of gij daar op dien stoel kunt slapen, terwijlik waak. Gij hebt verleden nacht geen slaap gehad, dat kan ik wel gelooven, en morgen moet gij zwaarder werken dan ik.”Hij hoorde het bulderen en loeien buiten de deur, en het was hem alsof zijne vorige toornige stemming daar rondwaarde en beproefde om weder bij hem te komen. Zij had die weggedreven en zou haar van hem afhouden; hij verliet zich op haar, om hem tegen zich zelven te verdedigen.HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).„Zij kent mij niet, Stephen. Zij kijkt mij maar slaperig aan en mompelt verwarde woorden. Ik heb meer dan eens tegen haar gesproken, maar zij let er niet op. Het is zóó wèl zoo goed. Als zij weder bij hare zinnen komt, zal ik gedaan hebben wat ik kan en zij behoeft er niets van te weten.”„Hoelang, Rachel, is het te denken dat zij zoo blijven zal?”„De dokter zeide, dat zij misschien morgen weder bij hare zinnen zou komen.”Zijne oogen vielen weder op de flesch en eene siddering liep door al zijne leden. Zij dacht, dat hij van koude verkleumd was. „Neen,” zeide hij, „dat was het niet. Hij had een schrik gehad.”„Een schrik?”„Ja, toen ik binnenkwam. Toen ik zoo ronddwaalde. Toen ik aan het denken was. Toen ik—”Het tastte hem weder aan; en hij stond op, zich aan den schoorsteenmantel vasthoudende, terwijl hij zijne koude, klamme haren gladstreek met eene hand, die beefde alsof hij de koorts had.„Stephen!”Zij kwam naar hem toe, maar hij strekte zijn arm uit om haar tegen te houden.„Neen! Och neen, doe dat niet. Laat ik u maar bij het bed zien zitten. Laat ik u maar zien, zoo goed en barmhartig. Laat ik u zien zooals ik u zag toen ik binnenkwam. Ik kan u nooit beter zien dan zoo. Nooit, nooit, nooit!”Hij begon nog sterker te beven en zonk toen op zijn stoel neder. Na eene poos bedwong hij zich, en kon, met den eenen elleboog op eene knie en zijn hoofd op die hand, naar Rachel opzien. Met zijne vochtige oogen voorbij het flauwe kaarslicht gezien, was het alsof zij een blinkenden stralenkrans om het hoofd had. Hij had kunnen gelooven, dat het zoo was. Hij geloofde het werkelijk, toen het gerucht van buiten het venster schudde, de deur beneden deed klapperen en huilend door het huis gierde.„Als zij beter wordt, Stephen, is het te hopen, dat zij u weder alleen zal laten en u niet meer plagen. In allen gevalle, wij willen nu zoo maar hopen. En nu zal ik mij stilhouden, want ik zou u gaarne zien slapen.”Hij sloot zijne oogen, meer om haar genoegen te geven dan om zijn vermoeid hoofd te laten rusten; maar terwijl hij naar het geloei van den wind luisterde, hoorde hij dit langzamerhand niet meer, of het kwam hem voor, dat het overging in het geraas van zijn weefgetouw, of in de stemmen, welke hij dien dag had gehoord (zijne eigene ingesloten), en die weder zeiden wat er werkelijk gezegd was. Zelfs deze onvolkomene bewustheid verdween eindelijk, en hij droomde een langen, onrustigen droom.Hij dacht, dat hij en eene vrouw, op welke hij lang zijn hart had gezet—maar het was Rachel niet en dit verwonderde hem, zelfs te midden van zijn ingebeeld geluk—in de kerk stonden om zich te laten trouwen. Terwijl de plechtigheid verricht werd, en terwijl hij onder de getuigen sommige menschen herkende, die hij wist dat nog leefden, en velen, die hij wist dat reeds dood waren, kwam er eene duisternis, opgevolgd door den glans van een schrikkelijk licht. Dit licht straalde van een regel in de tafel der tien geboden af en verspreidde den glans dier woorden door de geheele kerk. Zij klonken door het gebouw, alsof elk dier vurige letteren eene stem had gekregen. Daarop veranderde alles om hem heen en niets bleef gelijk het geweest was, behalve hij zelve en de geestelijke. Zij stonden in het daglicht voor een volkshoop zoo groot, dat, naar hij dacht, indien alle menschen in de wereld op ééne plek bij elkander hadden gestaan, het getal hem niet grooter had kunnen voorkomen, en zij allen verafschuwden hem, en er was geen enkel medelijdend of vriendelijk oog onder al de millioenen, die op zijn gelaat gevestigd waren. Hij stond op eene verhevene stellage onder zijn eigen weefstoel; en toen hij opzag naar de gedaante, welke de weefstoel aannam, en duidelijk den lijkdienst hoorde lezen, begreep hij, dat hij daar was om den dood te ondergaan. In een oogenblik zonk datgene, waarop hij stond, onder hem weg en hij was dood.Uit welken geheimzinnigen toestand hij tot het gewone leven en de hem bekende plaatsen terugkeerde, kon hij niet nagaan; maar hij keerde op eene of andere wijze daarheen terug, met dezen vloek beladen, dat hij nooit, in deze wereld of de volgende, door alle eeuwen der eeuwigheid heen, het aangezicht van Rachel weder zou zien of hare stem hooren. Zonder rust en zonder hoop heen en weder dwalende, en zoekende naar hij wist niet wat (hij wist alleen dat hij gedoemd was het te zoeken), werd hij gekweld door een onbeschrijfelijken, gruwelijken angst, eene doodelijke vrees voor zekere bijzondere gedaante, welke alle dingen aannamen. Al wat hij aanzag, herschiep zich vroeger of later in dat voorwerp. Het doel van zijn ellendig aanzijn was, te verhoeden dat dit voorwerp aan een der verschillende personen, welke hij ontmoette, bekend werd. Hopelooze arbeid! Indien hij het uit de kamer bracht waar het was, indien hij de kas sloot waar het stond, indien hij de nieuwsgierigen van de plaats verwijderde waar hij wist dat het verborgen was, en hen buiten op straat voerde, namen zelfs de schoorsteenen der fabrieken die gedaante aan, en was het gedrukte woord daaromheen te lezen.De wind loeide weder, de regen kletterde, en de uitgestrekte ruimte, door welke hij had omgedwaald, kromp ineen tot de plek tusschen de vier muren zijner kamer. Behalve dat het vuur was uitgegaan, was zij nog eveneens als toen hij zijne oogen had gesloten. Rachel scheen op den stoel voor het bed te zijn ingesluimerd. Zij zat in haar omslagdoek gewikkeld onbeweeglijk stil. De tafel stond op dezelfde plaats, dicht naast het bed, en daarop, in hare werkelijke grootte en met alle werkelijke eigenschappen, stond het voorwerp dat hij overal had gezien.Hij meende de gordijn te zien bewegen. Hij keek nog eens en was er nu zeker van dat zij zich bewoog. Hij zag eene hand te voorschijn komen en zoekend rondtasten. Toen bewoog de gordijn zich nog duidelijker; eene vrouw, die in het bed lag, sloeg haar open en kwam overeind.Met hare jammervolle oogen, zoo woest en wanhopig, zoo groot en zoo dof, zag zij in de geheele kamer rond, en haar blik gleed over den hoek heen waar hij op zijn stoel zat te slapen. Hare oogen keerden naar dien hoek terug, en zij hield hare hand als een scherm er boven, terwijl zij er in tuurde. Nogmaals dwaalden zij door de kamer rond, maar zonder bijna op Rachel te letten, en keerden weder naar dien hoek terug. Terwijl zij zoo weder met de rechterhand boven de oogen zat te turen—niet zoozeer hem aanziende, als wel naar hem zoekende, met een dierlijk instinct dat hij daar wezen moest—dacht hij bij zich zelven, dat er in die misvormde trekken en in den geest, dien ze afspiegelden, geen spoor meer bestond van de vrouw, die hij achttien jaren geleden getrouwd had. Indien hij haar niet stap voor stap zoover had zien komen, had hij nooit kunnen gelooven dat zij dezelfde was.Al dien tijd bleef hij als door een toovermacht geboeid, roerloos en machteloos zitten, zonder iets anders te kunnen doen dan op haar te letten.Dof suffende of mijmerende, zonder zelve te weten waarom, bleef zij eene poos met het hoofd tusschen de handen zitten. Daarna begon zijweder starend in de kamer rond te kijken, en nu vielen hare oogen voor het eerst op de tafel met de twee flesschen daarop.Aanstonds keerde zij hare oogen weder naar zijn hoek, met den uitdagenden blik van den vorigen nacht, en zeer langzaam en voorzichtig stak zij hare gretige hand uit. Zij haalde eerst een tinnen beker naar zich toe, en bedacht zich toen eene poos, welke van de twee flesschen zij zou kiezen. Eindelijk greep hare verstandelooze hand de flesch, die een snellen, onvermijdelijken dood bevatte, en voor zijne oogen trok zij met hare tanden de kurk er af.Het mocht een droom of werkelijkheid zijn, hij had geene stem en geen vermogen om zich te bewegen. Als dit eene werkelijkheid, en haar bestemde tijd nog niet gekomen is, ontwaak dan, Rachel, ontwaak!Zij dacht ook daaraan. Zij keek naar Rachel en schonk zeer langzaam en voorzichtig den inhoud der flesch in den beker. Zij had het vocht aan hare lippen. Nog een oogenblik, en zij was buiten bereik van alle hulp, al ontwaakte ook de geheele wereld om haar met alle macht bij te staan. Maar op dat oogenblik sprong Rachel met een gesmoorden gil overeind. Het schepsel worstelde, sloeg naar haar, greep haar bij de haren; maar Rachel had den beker.Stephen ontrukte zich aan zijn stoel.„Rachel, ben ik wakker of ben ik dezen ganschen akeligen nacht aan het droomen?”„Het is alles wel, Stephen. Ik ben zelf in slaap geweest. Het is haast drie ure. Stil, ik hoor de klok.”De wind voerde hun den klank der kerkklok toe. Zij luisterden en het sloeg drie. Stephen keek haar aan en zag hoe bleek zij was, lette op de wanorde harer haren en de roode sporen van vingers op haar voorhoofd, en was nu overtuigd, dat zijn gehoor en gezicht wakker waren geweest. Zij had zelfs den beker nu nog in hare hand.„Ik dacht wel, dat het bij drieën moest wezen,” zeide zij, terwijl zij met bedaardheid het vocht uit den beker in de kom schonk en het linnen daarin doopte. „Ik ben blij dat ik zoolang ben gebleven. Het is nu gedaan, als ik er dit heb opgelegd. Daar! En nu is zij weer stil. Ik zal het weinigje, dat nog in de kom is, weggieten, want het is gevaarlijk goed om te laten staan, al is het nog zoo weinig.” En zoo sprekende goot zij de kom in de asch ledig en sloeg de flesch op het haardijzer aan stukken.Zij had toen niets meer te doen dan zich met haar omslagdoek te dekken, eer zij in den regen en wind naar buiten ging.„Gij zult mij toch met u mee laten gaan nu het zoo laat is, Rachel?”„Neen, Stephen. Ik ben in een oogenblik thuis.”„Gij zijt niet bang,” zeide hij met eene zachte stem, toen zij de kamerdeur uitgingen, „om mij met haar alleen te laten?”Zij zag hem aan en zeide: „Stephen!”Hij zonk op zijne knie voor haar neer, op de morsige trap, en bracht een tip van haar omslagdoek aan zijne lippen.„Gij zijt een engel! God zegene u!”„Ik ben, gelijk ik u gezegd heb, Stephen, uwe arme vriendin. Engelen gelijken niet naar mij. Tusschen hen en eene arme vrouw vol gebreken is nog eene diepe kloof. Mijn zusje is onder de engelen, maar zij is veranderd.”Zij sloeg hare oogen even naar omhoog toen zij dit zeide; en toen werden zij, met al hunne vriendelijkheid en zachtmoedigheid, weder op hem gevestigd.„Rachel! gij verandert mij van kwaad in goed. Gij doet mij nederig verlangen om meer naar u te gelijken, en vreezen om u te verliezen als dit leven voorbij is en die geheele warboel is opgeruimd. Gij zijt een engel; het kan wel zijn dat gij mijne levende ziel behouden hebt.”Zij zag hem aan, gelijk hij daar voor haar op zijne knie lag met een tip van haar doek in zijne hand, en de woorden van berisping stierven op hare lippen, toen zij in zijne trekken zijne ontroering opmerkte.„Ik kwam wanhopig naar huis. Ik kwam naar huis zonder eenige hoop, en dol van de gedachte, dat ik voor een onredelijk onvergenoegd mensch werd gehouden, als ik maar een enkel woord klaagde. Ik zeide u, dat ik een schrik had gehad. Dat was de flesch met vergif op de tafel. Ik heb nog nooit een levend wezen kwaad gedaan; maar toen ik dat zoo kort daarop zag, dacht ik: Hoe kan ik zeggen wat ik mij zelven, of haar, of ons beiden had kunnen doen?”Zij legde, met een gezicht vol schrik, hare beide handen op zijn mond om hem te beletten iets meer te zeggen. Hij vatte hare handen met de hand, die hij vrij had, en terwijl hij nog den rand van haar doek vasthield, vervolgde hij haastig:„Maar ik zag u zoo bij het bed zitten, Rachel. Ik heb u dezen geheelen nacht gezien. In mijn onrustigen slaap wist ik toch, dat gij daar nog waart. Altijd zal ik u daar zoo zien. Nooit zal ik haar meer zien of om haar denken, of gij zult naast haar wezen. Ik zal nooit iets zien of om iets denken, dat mij kwaad maakt, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zult er naast wezen. En zoo zal ik mijn best doen om te wachten naar den tijd, en op dien tijd vertrouwen, wanneer gij en ik eindelijk vereenigd zullen zijn ver van hier, aan den overkant van die diepe kloof, in het land waar uw zusje nu al is.”Hij kuste nog eens den rand van haar doek en liet haar gaan. Zij wenschte hem meteene haperende stem goedennacht en ging de straat op.De wind waaide met kracht van den kant waar spoedig de dag zou aanbreken. De lucht was aan dien kant opgehelderd, en de regenwolken hadden zich geledigd of waren verder gedreven. Hij stond blootshoofds op straat en zag haar na tot zij verdween. Gelijk de helder blinkende sterren bij de duister brandende kaars voor het venster, zoo was Rachel, voor de onbeschaafde verbeelding van dien man, bij de gewone ervaring van zijn leven.
Een flauw kaarslicht brandde voor het venster, waartegen dikwijls de zwarte ladder was opgezet, om alles wat voor eene radelooze vrouw en een troep hongerige kinderen het dierbaarste in deze wereld was, te laten wegglijden; en bij Stephen’s andere gepeinzen kwam nog de wrevelige gedachte, dat van alle wisselvalligheden van dit aardsche leven geene met grilliger hand en ongelijker werd uitgedeeld dan de dood. De ongelijkheid van geboorte was nog niets daarbij; want indien bij voorbeeld het kind van een koning en dat van een wever dien nacht op hetzelfde oogenblik geboren werden, wat was die ongelijkheid bij den dood van een menschelijk wezen, dat voor een ander nuttig of dierbaar was, terwijl deze losbandige vrouw bleef voortleven!
Zoo dacht hij terwijl hij, buiten staande, naar zijne kamer opzag, en met ingehouden adem en langzamen tred ging hij naar binnen. Hij klom de trap op, opende zijne deur en kwam zoo de kamer in.
Stilte en rust heerschten daar. Rachel was daar en zat bij het bed.
Zij keerde haar hoofd naar hem om en het licht van haar aangezicht scheen in den middernacht van zijn gemoed. Zij zat bij het bed en waakte bij zijne vrouw. Dat is te zeggen, hij zag dat er iemand in het bed lag en wist maar al te wel dat zij het moest wezen; maar Rachel’s handen hadden eene gordijn opgehangen, zoodat zij voor zijne oogen verborgen was. Hare afzichtelijke kleeren waren weggeruimd, en er lagen eenige kleeren van Rachel in de kamer. Alles was op zijne plaats en in orde, gelijk hij het altijd gehouden had; het vuur was pas bijgelegd en de haard was pas aangeveegd. Het kwam hem voor, dat hij dit alles in Rachel’s gezicht zag en naar niets anders omkeek. Terwijl hij haar aanzag, werd haar beeld beneveld door de weemoedige tranen, die zijne oogen vulden, maar niet voordat hij gezien had hoe ernstig zij hem aanzag en hoe hare eigene oogen ook vol tranen stonden.
Zij keerde zich weder naar het bed, en na zich overtuigd te hebben dat alles daar stil was, sprak zij met eene zachte, kalme, heldere stem:
„Ik ben blij, dat gij eindelijk komt, Stephen. Gij komt heel laat.”
„Ik heb wat op en neer gewandeld.”
„Dat dacht ik wel. Maar het is van avond te slecht weer daartoe. Het regent aanhoudend en de wind is opgestoken.”
De wind? ’t is waar, het waaide hard. Hoor maar naar dat bulderen in den schoorsteen en dat geloei. Dat iemand in zulk een wind buiten was geweest en niet eens wist dat het waaide!
„Ik ben hier vandaag al eens geweest, Stephen. De juffrouw hier uit het huis kwam in het etensuur naar mij toe. Er was iemand hier, die noodig had dat er naar haar omgekeken werd, zeide zij. En zij had wel gelijk. Geheel buiten besef, Stephen; en ook gekwetst en gekneusd.”
Hij ging langzaam naar een stoel, zette zich neer en liet het hoofd hangen.
„Ik ben hier gekomen om het weinigje te doen dat ik kon; vooreerst, omdat ze met mij gewerkt heeft toen wij beiden nog jonge meisjes waren, en omdat gij haar gevrijd en getrouwd hebt toen ik hare vriendin was—”
Hij liet zijn gerimpeld voorhoofd in zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.
„En vervolgens omdat ik uw hart kende en zeker weet, dat gij veel te barmhartig zijt om haar hulpeloos te laten sterven, of ook maar gebrek te laten lijden. Gij weet wel wie gezegd heeft: „Laat hij, die onder u zonder zonde is, den eersten steen op haar werpen.” Er zijn er genoeg geweest om dat te doen; maar gij zijt de man niet om den laatsten steen te werpen, Stephen, nu zij zoo diep ellendig is.”
„O Rachel, Rachel!”
„Gij hebt schrikkelijk geleden, de Hemel loone het u,” zeide zij op medelijdenden toon. „Ik ben uwe arme vriendin, met al mijn hart en ziel.”
De kwetsuren, waarvan zij gesproken had, schenen aan den hals der ellendige te zijn, die zich zelve uit de maatschappij had verstooten. Rachel verbond ze nu, maar nog zonder haar zichtbaar te laten worden. Zij doopte een linnen lap in eene kom, waarin zij zeker vocht uit een flesch had gegoten, en legde die met zachte hand op de gekwetste en ontstokene plek. Het ronde tafeltje was dicht bij het bed geschoven, en twee flesschen stonden daarop;—deze was de eene.
Zij zat niet zoo ver af, of Stephen, die hare handen met zijne oogen volgde, kon het woord lezen, dat met groote letters op de flesch stond. Hij werd doodsbleek, en eene plotselinge huivering van afgrijzen scheen hem te bevangen.
„Ik zal hier blijven, Stephen,” zeide Rachel, terwijl zij stil weder ging zitten, „tot de klok drie slaat. Om drie ure moet het nog eens gedaan worden, en dan kan zij zoo blijven tot morgenochtend.”
„Maar gij moet toch rust hebben om morgen te kunnen werken, beste Rachel.”
„Ik heb van nacht goed geslapen. Ik kan nachten achtereen waken, als het van mij gevergd wordt. Gij zijt het, die rust noodig hebt: gij ziet er zoo bleek en vermoeid uit. Beproef eens of gij daar op dien stoel kunt slapen, terwijlik waak. Gij hebt verleden nacht geen slaap gehad, dat kan ik wel gelooven, en morgen moet gij zwaarder werken dan ik.”
Hij hoorde het bulderen en loeien buiten de deur, en het was hem alsof zijne vorige toornige stemming daar rondwaarde en beproefde om weder bij hem te komen. Zij had die weggedreven en zou haar van hem afhouden; hij verliet zich op haar, om hem tegen zich zelven te verdedigen.
HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).
HIJ ZONK OP ZIJNE KNIE VOOR HAAR NEER, OP DE MORSIGE TRAP, EN BRACHT EEN TIP VAN HAAR OMSLAGDOEK AAN ZIJNE LIPPEN. (Blz. 43).
„Zij kent mij niet, Stephen. Zij kijkt mij maar slaperig aan en mompelt verwarde woorden. Ik heb meer dan eens tegen haar gesproken, maar zij let er niet op. Het is zóó wèl zoo goed. Als zij weder bij hare zinnen komt, zal ik gedaan hebben wat ik kan en zij behoeft er niets van te weten.”
„Hoelang, Rachel, is het te denken dat zij zoo blijven zal?”
„De dokter zeide, dat zij misschien morgen weder bij hare zinnen zou komen.”
Zijne oogen vielen weder op de flesch en eene siddering liep door al zijne leden. Zij dacht, dat hij van koude verkleumd was. „Neen,” zeide hij, „dat was het niet. Hij had een schrik gehad.”
„Een schrik?”
„Ja, toen ik binnenkwam. Toen ik zoo ronddwaalde. Toen ik aan het denken was. Toen ik—”
Het tastte hem weder aan; en hij stond op, zich aan den schoorsteenmantel vasthoudende, terwijl hij zijne koude, klamme haren gladstreek met eene hand, die beefde alsof hij de koorts had.
„Stephen!”
Zij kwam naar hem toe, maar hij strekte zijn arm uit om haar tegen te houden.
„Neen! Och neen, doe dat niet. Laat ik u maar bij het bed zien zitten. Laat ik u maar zien, zoo goed en barmhartig. Laat ik u zien zooals ik u zag toen ik binnenkwam. Ik kan u nooit beter zien dan zoo. Nooit, nooit, nooit!”
Hij begon nog sterker te beven en zonk toen op zijn stoel neder. Na eene poos bedwong hij zich, en kon, met den eenen elleboog op eene knie en zijn hoofd op die hand, naar Rachel opzien. Met zijne vochtige oogen voorbij het flauwe kaarslicht gezien, was het alsof zij een blinkenden stralenkrans om het hoofd had. Hij had kunnen gelooven, dat het zoo was. Hij geloofde het werkelijk, toen het gerucht van buiten het venster schudde, de deur beneden deed klapperen en huilend door het huis gierde.
„Als zij beter wordt, Stephen, is het te hopen, dat zij u weder alleen zal laten en u niet meer plagen. In allen gevalle, wij willen nu zoo maar hopen. En nu zal ik mij stilhouden, want ik zou u gaarne zien slapen.”
Hij sloot zijne oogen, meer om haar genoegen te geven dan om zijn vermoeid hoofd te laten rusten; maar terwijl hij naar het geloei van den wind luisterde, hoorde hij dit langzamerhand niet meer, of het kwam hem voor, dat het overging in het geraas van zijn weefgetouw, of in de stemmen, welke hij dien dag had gehoord (zijne eigene ingesloten), en die weder zeiden wat er werkelijk gezegd was. Zelfs deze onvolkomene bewustheid verdween eindelijk, en hij droomde een langen, onrustigen droom.
Hij dacht, dat hij en eene vrouw, op welke hij lang zijn hart had gezet—maar het was Rachel niet en dit verwonderde hem, zelfs te midden van zijn ingebeeld geluk—in de kerk stonden om zich te laten trouwen. Terwijl de plechtigheid verricht werd, en terwijl hij onder de getuigen sommige menschen herkende, die hij wist dat nog leefden, en velen, die hij wist dat reeds dood waren, kwam er eene duisternis, opgevolgd door den glans van een schrikkelijk licht. Dit licht straalde van een regel in de tafel der tien geboden af en verspreidde den glans dier woorden door de geheele kerk. Zij klonken door het gebouw, alsof elk dier vurige letteren eene stem had gekregen. Daarop veranderde alles om hem heen en niets bleef gelijk het geweest was, behalve hij zelve en de geestelijke. Zij stonden in het daglicht voor een volkshoop zoo groot, dat, naar hij dacht, indien alle menschen in de wereld op ééne plek bij elkander hadden gestaan, het getal hem niet grooter had kunnen voorkomen, en zij allen verafschuwden hem, en er was geen enkel medelijdend of vriendelijk oog onder al de millioenen, die op zijn gelaat gevestigd waren. Hij stond op eene verhevene stellage onder zijn eigen weefstoel; en toen hij opzag naar de gedaante, welke de weefstoel aannam, en duidelijk den lijkdienst hoorde lezen, begreep hij, dat hij daar was om den dood te ondergaan. In een oogenblik zonk datgene, waarop hij stond, onder hem weg en hij was dood.
Uit welken geheimzinnigen toestand hij tot het gewone leven en de hem bekende plaatsen terugkeerde, kon hij niet nagaan; maar hij keerde op eene of andere wijze daarheen terug, met dezen vloek beladen, dat hij nooit, in deze wereld of de volgende, door alle eeuwen der eeuwigheid heen, het aangezicht van Rachel weder zou zien of hare stem hooren. Zonder rust en zonder hoop heen en weder dwalende, en zoekende naar hij wist niet wat (hij wist alleen dat hij gedoemd was het te zoeken), werd hij gekweld door een onbeschrijfelijken, gruwelijken angst, eene doodelijke vrees voor zekere bijzondere gedaante, welke alle dingen aannamen. Al wat hij aanzag, herschiep zich vroeger of later in dat voorwerp. Het doel van zijn ellendig aanzijn was, te verhoeden dat dit voorwerp aan een der verschillende personen, welke hij ontmoette, bekend werd. Hopelooze arbeid! Indien hij het uit de kamer bracht waar het was, indien hij de kas sloot waar het stond, indien hij de nieuwsgierigen van de plaats verwijderde waar hij wist dat het verborgen was, en hen buiten op straat voerde, namen zelfs de schoorsteenen der fabrieken die gedaante aan, en was het gedrukte woord daaromheen te lezen.
De wind loeide weder, de regen kletterde, en de uitgestrekte ruimte, door welke hij had omgedwaald, kromp ineen tot de plek tusschen de vier muren zijner kamer. Behalve dat het vuur was uitgegaan, was zij nog eveneens als toen hij zijne oogen had gesloten. Rachel scheen op den stoel voor het bed te zijn ingesluimerd. Zij zat in haar omslagdoek gewikkeld onbeweeglijk stil. De tafel stond op dezelfde plaats, dicht naast het bed, en daarop, in hare werkelijke grootte en met alle werkelijke eigenschappen, stond het voorwerp dat hij overal had gezien.
Hij meende de gordijn te zien bewegen. Hij keek nog eens en was er nu zeker van dat zij zich bewoog. Hij zag eene hand te voorschijn komen en zoekend rondtasten. Toen bewoog de gordijn zich nog duidelijker; eene vrouw, die in het bed lag, sloeg haar open en kwam overeind.
Met hare jammervolle oogen, zoo woest en wanhopig, zoo groot en zoo dof, zag zij in de geheele kamer rond, en haar blik gleed over den hoek heen waar hij op zijn stoel zat te slapen. Hare oogen keerden naar dien hoek terug, en zij hield hare hand als een scherm er boven, terwijl zij er in tuurde. Nogmaals dwaalden zij door de kamer rond, maar zonder bijna op Rachel te letten, en keerden weder naar dien hoek terug. Terwijl zij zoo weder met de rechterhand boven de oogen zat te turen—niet zoozeer hem aanziende, als wel naar hem zoekende, met een dierlijk instinct dat hij daar wezen moest—dacht hij bij zich zelven, dat er in die misvormde trekken en in den geest, dien ze afspiegelden, geen spoor meer bestond van de vrouw, die hij achttien jaren geleden getrouwd had. Indien hij haar niet stap voor stap zoover had zien komen, had hij nooit kunnen gelooven dat zij dezelfde was.
Al dien tijd bleef hij als door een toovermacht geboeid, roerloos en machteloos zitten, zonder iets anders te kunnen doen dan op haar te letten.
Dof suffende of mijmerende, zonder zelve te weten waarom, bleef zij eene poos met het hoofd tusschen de handen zitten. Daarna begon zijweder starend in de kamer rond te kijken, en nu vielen hare oogen voor het eerst op de tafel met de twee flesschen daarop.
Aanstonds keerde zij hare oogen weder naar zijn hoek, met den uitdagenden blik van den vorigen nacht, en zeer langzaam en voorzichtig stak zij hare gretige hand uit. Zij haalde eerst een tinnen beker naar zich toe, en bedacht zich toen eene poos, welke van de twee flesschen zij zou kiezen. Eindelijk greep hare verstandelooze hand de flesch, die een snellen, onvermijdelijken dood bevatte, en voor zijne oogen trok zij met hare tanden de kurk er af.
Het mocht een droom of werkelijkheid zijn, hij had geene stem en geen vermogen om zich te bewegen. Als dit eene werkelijkheid, en haar bestemde tijd nog niet gekomen is, ontwaak dan, Rachel, ontwaak!
Zij dacht ook daaraan. Zij keek naar Rachel en schonk zeer langzaam en voorzichtig den inhoud der flesch in den beker. Zij had het vocht aan hare lippen. Nog een oogenblik, en zij was buiten bereik van alle hulp, al ontwaakte ook de geheele wereld om haar met alle macht bij te staan. Maar op dat oogenblik sprong Rachel met een gesmoorden gil overeind. Het schepsel worstelde, sloeg naar haar, greep haar bij de haren; maar Rachel had den beker.
Stephen ontrukte zich aan zijn stoel.
„Rachel, ben ik wakker of ben ik dezen ganschen akeligen nacht aan het droomen?”
„Het is alles wel, Stephen. Ik ben zelf in slaap geweest. Het is haast drie ure. Stil, ik hoor de klok.”
De wind voerde hun den klank der kerkklok toe. Zij luisterden en het sloeg drie. Stephen keek haar aan en zag hoe bleek zij was, lette op de wanorde harer haren en de roode sporen van vingers op haar voorhoofd, en was nu overtuigd, dat zijn gehoor en gezicht wakker waren geweest. Zij had zelfs den beker nu nog in hare hand.
„Ik dacht wel, dat het bij drieën moest wezen,” zeide zij, terwijl zij met bedaardheid het vocht uit den beker in de kom schonk en het linnen daarin doopte. „Ik ben blij dat ik zoolang ben gebleven. Het is nu gedaan, als ik er dit heb opgelegd. Daar! En nu is zij weer stil. Ik zal het weinigje, dat nog in de kom is, weggieten, want het is gevaarlijk goed om te laten staan, al is het nog zoo weinig.” En zoo sprekende goot zij de kom in de asch ledig en sloeg de flesch op het haardijzer aan stukken.
Zij had toen niets meer te doen dan zich met haar omslagdoek te dekken, eer zij in den regen en wind naar buiten ging.
„Gij zult mij toch met u mee laten gaan nu het zoo laat is, Rachel?”
„Neen, Stephen. Ik ben in een oogenblik thuis.”
„Gij zijt niet bang,” zeide hij met eene zachte stem, toen zij de kamerdeur uitgingen, „om mij met haar alleen te laten?”
Zij zag hem aan en zeide: „Stephen!”
Hij zonk op zijne knie voor haar neer, op de morsige trap, en bracht een tip van haar omslagdoek aan zijne lippen.
„Gij zijt een engel! God zegene u!”
„Ik ben, gelijk ik u gezegd heb, Stephen, uwe arme vriendin. Engelen gelijken niet naar mij. Tusschen hen en eene arme vrouw vol gebreken is nog eene diepe kloof. Mijn zusje is onder de engelen, maar zij is veranderd.”
Zij sloeg hare oogen even naar omhoog toen zij dit zeide; en toen werden zij, met al hunne vriendelijkheid en zachtmoedigheid, weder op hem gevestigd.
„Rachel! gij verandert mij van kwaad in goed. Gij doet mij nederig verlangen om meer naar u te gelijken, en vreezen om u te verliezen als dit leven voorbij is en die geheele warboel is opgeruimd. Gij zijt een engel; het kan wel zijn dat gij mijne levende ziel behouden hebt.”
Zij zag hem aan, gelijk hij daar voor haar op zijne knie lag met een tip van haar doek in zijne hand, en de woorden van berisping stierven op hare lippen, toen zij in zijne trekken zijne ontroering opmerkte.
„Ik kwam wanhopig naar huis. Ik kwam naar huis zonder eenige hoop, en dol van de gedachte, dat ik voor een onredelijk onvergenoegd mensch werd gehouden, als ik maar een enkel woord klaagde. Ik zeide u, dat ik een schrik had gehad. Dat was de flesch met vergif op de tafel. Ik heb nog nooit een levend wezen kwaad gedaan; maar toen ik dat zoo kort daarop zag, dacht ik: Hoe kan ik zeggen wat ik mij zelven, of haar, of ons beiden had kunnen doen?”
Zij legde, met een gezicht vol schrik, hare beide handen op zijn mond om hem te beletten iets meer te zeggen. Hij vatte hare handen met de hand, die hij vrij had, en terwijl hij nog den rand van haar doek vasthield, vervolgde hij haastig:
„Maar ik zag u zoo bij het bed zitten, Rachel. Ik heb u dezen geheelen nacht gezien. In mijn onrustigen slaap wist ik toch, dat gij daar nog waart. Altijd zal ik u daar zoo zien. Nooit zal ik haar meer zien of om haar denken, of gij zult naast haar wezen. Ik zal nooit iets zien of om iets denken, dat mij kwaad maakt, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zult er naast wezen. En zoo zal ik mijn best doen om te wachten naar den tijd, en op dien tijd vertrouwen, wanneer gij en ik eindelijk vereenigd zullen zijn ver van hier, aan den overkant van die diepe kloof, in het land waar uw zusje nu al is.”
Hij kuste nog eens den rand van haar doek en liet haar gaan. Zij wenschte hem meteene haperende stem goedennacht en ging de straat op.
De wind waaide met kracht van den kant waar spoedig de dag zou aanbreken. De lucht was aan dien kant opgehelderd, en de regenwolken hadden zich geledigd of waren verder gedreven. Hij stond blootshoofds op straat en zag haar na tot zij verdween. Gelijk de helder blinkende sterren bij de duister brandende kaars voor het venster, zoo was Rachel, voor de onbeschaafde verbeelding van dien man, bij de gewone ervaring van zijn leven.