XIV.

XIV.DE GROOTE FABRIKANT.De tijd liep teCoketownvoort gelijk eene machine in eene fabriek:—zóóveel grondstof verwerkt, zóóveel brandstof verteerd, zóóveel kracht versleten en zóóveel geld gewonnen. Doch minder onbarmhartig dan ijzer, staal en koper, bracht die tijd ook de afwisselende jaargetijden mede, zelfs in die woestenij van rook en baksteenen, en hij alleen bestond den kamp tegen de akelige eentonigheid, die de stad beheerschte.„Louisa wordt haast een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind.De tijd, met zijne onberekenbare paardekracht, werkte voort, zonder er zich aan te storen wat iemand zeide, en weldra bleek het dat de jonge Thomas een voet langer was dan de laatste maal toen zijn vader bijzonder op hem had gelet.„Thomas,” zeide mijnheer Gradgrind, „wordt haast een volwassen jongmensch.”De tijd werkte aan Thomas voort, terwijl zijn vader er over dacht, en daar stond hij, met zijn rok met lange panden en stijve boordjes.„Waarlijk,” zeide mijnheer Gradgrind, „het is tijd geworden dat Thomas naar Bounderby behoort te gaan.”De tijd bleef met Thomas bezig, schoof hem voort in Bounderby’s kantoor, maakte hem een bewoner van Bounderby’s huis, noodzaakte hem tot het koopen van zijn eerste scheermes en oefende hem vlijtig in zijne berekeningen betrekkelijk nommer een.Dezelfde groote fabrikant, altijd met eene ontzaglijke verscheidenheid van werk onderhanden, bleef ook met Sissy bezig en maakte haar waarlijk tot een heel aardig dingetje.„Ik vrees, Jupe,” zeide mijnheer Gradgrind, „dat het nutteloos zou zijn u langer te laten schoolgaan.”„Dat vrees ik ook, mijnheer,” antwoordde Sissy, voor hem nijgende.„Ik kan het u niet ontveinzen, Jupe,” hervatte mijnheer Gradgrind, zijn voorhoofd fronsende, „dat de uitslag van uw proeftijd op school mij teleurgesteld heeft—mij grootelijks teleurgesteld heeft. Gij hebt onder mijnheer en mevrouw Choakumchild lang niet zoovele nuttige kundigheden verkregen als ik verwacht had. Gij zijt nog zeer achterlijk in de kennis van feiten, en uwe wetenschap van cijfers is zeer beperkt. Gij zijt over het geheel zeer achterlijk en staat lang niet met anderen gelijk.”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” antwoordde zij; „maar ik weet wel, dat het de waarheid is. En toch heb ik mij veel moeite gegeven, mijnheer.”„Ja,” zeide mijnheer Gradgrind, „ja, ik geloof wel dat gij u veel moeite hebt gegeven. Ik heb op u gelet en ik kan in dat opzicht niet over u klagen.”„Ik dank u wel, mijnheer. Maar ik heb wel eens gedacht” (Sissy sprak nu zeer schroomvallig) „dat ik misschien al te veel poogde te leeren, en dat, als ik vergunning had gevraagd om het met wat minder te beproeven, ik misschien...”„Neen, Jupe, neen,” zeide mijnheer Gradgrind, op zijne diepzinnigste en stelligste manier zijn hoofd schuddende. „Neen. De cursus, dien gij hebt gevolgd, was naar het systeem ingericht—naar het systeem—en daarop is dus niets te zeggen. Ik kan alleen onderstellen, dat de vroegere omstandigheden van uw leven al te ongunstig waren voor de ontwikkeling uwer redelijke vermogens, en dat wij te laat begonnen zijn. Maar toch, gelijk ik reeds gezegd heb, ik ben teleurgesteld.”„Ik wenschte, dat ik meer erkentelijkheid had kunnen bewijzen, mijnheer, voor uwe goedheid voor een arm, ongelukkig, meisje, dat geene aanspraak op uwe bescherming had.”„Schrei maar niet,” zeide mijnheer Gradgrind. „Schrei maar niet. Ik klaag niet over u. Gij zijt een goed, ijverig en hartelijk meisje, en—en daarmede moeten wij maar tevreden zijn.”„Ik dank u wel, mijnheer, dat ge dit zegt,” zeide Sissy met werkelijke dankbaarheid en ootmoedig voor hem nijgende.„Gij zijt nuttig bij mevrouw Gradgrind, en gij zijt ook (zoo in het algemeen) aan de familie van dienst; zoo hoor ik van Miss Louisa, en ik heb het ook zelf opgemerkt. Ik hoop dus,” ging mijnheer Gradgrind voort, „dat gij u in deze betrekkingen kunt tevreden stellen en vergenoegd zijn.”„Ik zou niets meer te wenschen hebben, mijnheer, als...”„Ik begrijp u,” zeide mijnheer Gradgrind, „gij doelt weer op uw vader. Ik heb van Miss Louisa gehoord, dat gij nog altijd dat fleschjebewaart. Nu, als uwe opleiding in de redeneerkunde beter geslaagd was, zoudt gij in dit opzicht wijzer zijn geweest. Ik wil er niets meer van zeggen.”Hij hield inderdaad te veel van Sissy om verachting voor haar te koesteren; anders hield hij haar redeneervermogen voor zoo uiterst gering, dat hij tot die gevolgtrekking had moeten geraken. Hij was, hoe dan ook, op het denkbeeld gekomen, dat dit meisje iets in zich had, dat moeielijk in eene tabel gebracht kon worden. Hare vatbaarheid voor definitiën kon men gemakkelijk als zeer gering opgeven; hare mathematische kundigheden als nul; en toch twijfelde hij er aan, of hij, indien hij haar bij voorbeeld in de kolommen eener statistieke opgaaf had moeten becijferen, wel recht zou geweten hebben, onder welke hoofden hij haar moest verdeelen.Op sommige trappen van zijn fabriekarbeid met den mensch werkt de tijd zeer snel voort; en daar de jonge Thomas en Sissy zich juist op zulk een trap bevonden, werden deze snelle veranderingen in een jaar of twee bij hen tot stand gebracht, terwijl mijnheer Gradgrind zelf op zijne baan scheen te blijven stilstaan en geene verandering onderging—ééne uitgezonderd, die echter met zijne overige noodzakelijke bewerking in de fabriek des tijds in geen verband stond. De tijd stopte hem in eene kleine, veel gerucht makende en tamelijk smerige machine, die in een hoek achteraf stond, en maakte hem tot lid van het Parlement voorCoketown: tot een der hooggeachte vertegenwoordigers van maten, gewichten en cijfers, een dierhonourable gentlemen, die voor alle andere dingen doof, stom, blind, lam en dood zijn. Waarvoor leven wij ook anders in een Christelijk land, achttienhonderd en ettelijke jaren na onzen Meester?Al dien tijd was Louisa blijven voortleven zoo stil en afgetrokken, zoo gewend om in de schemering naar de gloeiende vonken te turen, die door den haardrooster vielen en in de asch wegstierven, dat zij van den dag af, toen haar vader had gezegd, dat zij haast een volwassen meisje werd—en dit scheen pas gisteren te zijn geweest—nauwelijks zijne aandacht wederom getrokken had, tot hij bevond dat zij geheel een volwassen meisje was geworden.„Geheel een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende. „Wel, wel!”Kort na deze ontdekking werd hij eenige dagen lang meer nadenkend dan gewoonlijk, en scheen hij zich geheel in één onderwerp te verdiepen. Op zekeren avond toen hij uitging en Louisa vóór zijn vertrek goedennacht kwam zeggen—daar hij eerst laat zou thuis komen en zij hem niet voor den volgenden ochtend zou terugzien—sloot hij haar in zijne armen, zag haar op zijne vriendelijkste manier aan, en zeide:„Mijne lieve Louisa, gij zijt nu eene volwassene vrouw.”Zij antwoordde met den scherpen, uitvorschenden blik van dien avond, toen zij bij het paardenspel werd betrapt. Daarna sloeg zij hare oogen neer en zeide: „Ja, vader.”„Kindlief,” hervatte mijnheer Gradgrind, „ik moet eens alleen en ernstig met u spreken. Kom morgenochtend na het ontbijt in mijne kamer. Zult gij?”„Ja, vader.”„Uwe handen zijn eenigszins koud, Louisa. Zijt gij niet wel?”„Heel wel, vader.”„En vroolijk?”Zij zag hem weder aan en glimlachte op hare eigenaardige manier. „Ik ben zoo vroolijk, vader, als ik gewoonlijk ben, of gewoonlijk ben geweest.”„Dat is goed,” zeide mijnheer Gradgrind.Zoo gaf hij haar een kus en ging heen, en Louisa keerde terug naar het vroolijke vertrek, dat zoo naar de kamer van een haarsnijder geleek, liet haar elleboog in hare hand rusten en tuurde weder naar de vonken, die zoo kort leefden en zoo spoedig tot asch werden.„Zijt gij daar, Louisa?” zeide haar broeder, zijn hoofd binnen de deur stekende. Hij was nu een echte lichtmis geworden en niet zeer innemend van voorkomen en manieren.„Beste Tom!” antwoordde zij, terwijl zij opstond en hem omhelsde. „Hoelang is het geleden, dat ge mij niet eens hebt opgezocht?”„Och, ’s avonds heb ik andere dingen te doen, en over dag houdt oude Bounderby mij tamelijk vast. Maar ik maak hem bang met u, als hij te lastig wordt, en zoo blijven wij op een goeden voet. Zeg eens! Heeft vader u vandaag of gisteren iets bijzonders gezegd, Louisa?”„Neen, Tom. Maar van avond heeft hij mij gezegd, dat hij dat morgenochtend wilde doen.”„Juist! Dat is het wat ik meen,” zeide Tom. „Weet gij wel waar hij van avond heen is?” En daarbij zette hij een zeer slim gezicht.„Neen!”„Dan zal ik het u zeggen. Hij is naar ouden Bounderby. Zij hebben eene ernstige onderhandeling aan het kantoor. En waarom aan het kantoor zoudt ge denken? Wel, dat kan ik u ook zeggen. Om de ooren van mevrouw Sparsit op een goeden afstand te houden, geloof ik.”Met hare hand op haar broeders schouder bleef Louisa in het vuur staan turen. Haar broeder zag haar met meer belangstelling dan gewoonlijk in de oogen, sloeg zijn arm om haar middel en trok haar liefkoozend naar zich toe.„Gij houdt veel van mij, niet waar, Louisa?”„Dat doe ik waarlijk, Tom, hoewel gij zulk een langen tijd laat verloopen, zonder mij eens te komen zien.”„Wel, zusje,” hervatte Tom, „als gij datzegt, zijt ge niet ver van mijne gedachten. Wij zouden veel meer bij elkander kunnen wezen, niet waar? Het zou mij veel goed doen, als gij besluiten kondt tot iets dat ik weet, Louisa. Het zou een heerlijk ding voor mij zijn. Het zou allerpleizierigst voor mij wezen.”Haar peinzenden blik verijdelde zijne listige nasporing. Hij kon uit haar gezicht niets opmaken. Hij drukte haar in zijn arm en gaf haar een kus op de wang. Zij beantwoordde den kus, maar bleef nog naar het vuur staren.„Zeg eens, Louisa. Ik dacht dat ik eens moest aankomen en u even een wenk geven van wat er omgaat; hoewel ik dacht, dat gij het wel raden zoudt, al wist gij het niet zeker. Ik kan niet blijven, omdat ik van avond afspraak heb met eenige vrienden. Gij zult niet vergeten hoeveel gij van mij houdt?”„Neen, lieve Tom, dat zal ik niet vergeten.”„Gij zijt een best meisje,” zeide Tom. „Goedennacht, Louisa.”Zij wenschte hem hartelijk een goedennacht en ging met hem naar de deur, waar men de fornuizen vanCoketownkon zien, die den hemel in de verte met een rooden gloed kleurden. Zij bleef daar staan, strak naar dat licht starende en naar zijne voetstappen luisterende. Zij verwijderden zich snel, alsof hij blijde was dat hijStone Lodgeachter den rug had; en zij bleef nog daar staan toen zij niets meer hoorde. Het scheen alsof zij, eerst in het vuur in haar eigen huis, en toen in den vurigen nevel in de verte, poogde te ontdekken, welk soort van webbe de oude Tijd, de grootste en langst gevestigde fabrikant van allen wel weven zou van de draden, die hij reeds tot eene volwassene vrouw gesponnen had. Maar zijne fabriek is eene geheime plaats, zijn werk maakt geen gerucht en zijne arbeiders zijn stom.

XIV.DE GROOTE FABRIKANT.De tijd liep teCoketownvoort gelijk eene machine in eene fabriek:—zóóveel grondstof verwerkt, zóóveel brandstof verteerd, zóóveel kracht versleten en zóóveel geld gewonnen. Doch minder onbarmhartig dan ijzer, staal en koper, bracht die tijd ook de afwisselende jaargetijden mede, zelfs in die woestenij van rook en baksteenen, en hij alleen bestond den kamp tegen de akelige eentonigheid, die de stad beheerschte.„Louisa wordt haast een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind.De tijd, met zijne onberekenbare paardekracht, werkte voort, zonder er zich aan te storen wat iemand zeide, en weldra bleek het dat de jonge Thomas een voet langer was dan de laatste maal toen zijn vader bijzonder op hem had gelet.„Thomas,” zeide mijnheer Gradgrind, „wordt haast een volwassen jongmensch.”De tijd werkte aan Thomas voort, terwijl zijn vader er over dacht, en daar stond hij, met zijn rok met lange panden en stijve boordjes.„Waarlijk,” zeide mijnheer Gradgrind, „het is tijd geworden dat Thomas naar Bounderby behoort te gaan.”De tijd bleef met Thomas bezig, schoof hem voort in Bounderby’s kantoor, maakte hem een bewoner van Bounderby’s huis, noodzaakte hem tot het koopen van zijn eerste scheermes en oefende hem vlijtig in zijne berekeningen betrekkelijk nommer een.Dezelfde groote fabrikant, altijd met eene ontzaglijke verscheidenheid van werk onderhanden, bleef ook met Sissy bezig en maakte haar waarlijk tot een heel aardig dingetje.„Ik vrees, Jupe,” zeide mijnheer Gradgrind, „dat het nutteloos zou zijn u langer te laten schoolgaan.”„Dat vrees ik ook, mijnheer,” antwoordde Sissy, voor hem nijgende.„Ik kan het u niet ontveinzen, Jupe,” hervatte mijnheer Gradgrind, zijn voorhoofd fronsende, „dat de uitslag van uw proeftijd op school mij teleurgesteld heeft—mij grootelijks teleurgesteld heeft. Gij hebt onder mijnheer en mevrouw Choakumchild lang niet zoovele nuttige kundigheden verkregen als ik verwacht had. Gij zijt nog zeer achterlijk in de kennis van feiten, en uwe wetenschap van cijfers is zeer beperkt. Gij zijt over het geheel zeer achterlijk en staat lang niet met anderen gelijk.”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” antwoordde zij; „maar ik weet wel, dat het de waarheid is. En toch heb ik mij veel moeite gegeven, mijnheer.”„Ja,” zeide mijnheer Gradgrind, „ja, ik geloof wel dat gij u veel moeite hebt gegeven. Ik heb op u gelet en ik kan in dat opzicht niet over u klagen.”„Ik dank u wel, mijnheer. Maar ik heb wel eens gedacht” (Sissy sprak nu zeer schroomvallig) „dat ik misschien al te veel poogde te leeren, en dat, als ik vergunning had gevraagd om het met wat minder te beproeven, ik misschien...”„Neen, Jupe, neen,” zeide mijnheer Gradgrind, op zijne diepzinnigste en stelligste manier zijn hoofd schuddende. „Neen. De cursus, dien gij hebt gevolgd, was naar het systeem ingericht—naar het systeem—en daarop is dus niets te zeggen. Ik kan alleen onderstellen, dat de vroegere omstandigheden van uw leven al te ongunstig waren voor de ontwikkeling uwer redelijke vermogens, en dat wij te laat begonnen zijn. Maar toch, gelijk ik reeds gezegd heb, ik ben teleurgesteld.”„Ik wenschte, dat ik meer erkentelijkheid had kunnen bewijzen, mijnheer, voor uwe goedheid voor een arm, ongelukkig, meisje, dat geene aanspraak op uwe bescherming had.”„Schrei maar niet,” zeide mijnheer Gradgrind. „Schrei maar niet. Ik klaag niet over u. Gij zijt een goed, ijverig en hartelijk meisje, en—en daarmede moeten wij maar tevreden zijn.”„Ik dank u wel, mijnheer, dat ge dit zegt,” zeide Sissy met werkelijke dankbaarheid en ootmoedig voor hem nijgende.„Gij zijt nuttig bij mevrouw Gradgrind, en gij zijt ook (zoo in het algemeen) aan de familie van dienst; zoo hoor ik van Miss Louisa, en ik heb het ook zelf opgemerkt. Ik hoop dus,” ging mijnheer Gradgrind voort, „dat gij u in deze betrekkingen kunt tevreden stellen en vergenoegd zijn.”„Ik zou niets meer te wenschen hebben, mijnheer, als...”„Ik begrijp u,” zeide mijnheer Gradgrind, „gij doelt weer op uw vader. Ik heb van Miss Louisa gehoord, dat gij nog altijd dat fleschjebewaart. Nu, als uwe opleiding in de redeneerkunde beter geslaagd was, zoudt gij in dit opzicht wijzer zijn geweest. Ik wil er niets meer van zeggen.”Hij hield inderdaad te veel van Sissy om verachting voor haar te koesteren; anders hield hij haar redeneervermogen voor zoo uiterst gering, dat hij tot die gevolgtrekking had moeten geraken. Hij was, hoe dan ook, op het denkbeeld gekomen, dat dit meisje iets in zich had, dat moeielijk in eene tabel gebracht kon worden. Hare vatbaarheid voor definitiën kon men gemakkelijk als zeer gering opgeven; hare mathematische kundigheden als nul; en toch twijfelde hij er aan, of hij, indien hij haar bij voorbeeld in de kolommen eener statistieke opgaaf had moeten becijferen, wel recht zou geweten hebben, onder welke hoofden hij haar moest verdeelen.Op sommige trappen van zijn fabriekarbeid met den mensch werkt de tijd zeer snel voort; en daar de jonge Thomas en Sissy zich juist op zulk een trap bevonden, werden deze snelle veranderingen in een jaar of twee bij hen tot stand gebracht, terwijl mijnheer Gradgrind zelf op zijne baan scheen te blijven stilstaan en geene verandering onderging—ééne uitgezonderd, die echter met zijne overige noodzakelijke bewerking in de fabriek des tijds in geen verband stond. De tijd stopte hem in eene kleine, veel gerucht makende en tamelijk smerige machine, die in een hoek achteraf stond, en maakte hem tot lid van het Parlement voorCoketown: tot een der hooggeachte vertegenwoordigers van maten, gewichten en cijfers, een dierhonourable gentlemen, die voor alle andere dingen doof, stom, blind, lam en dood zijn. Waarvoor leven wij ook anders in een Christelijk land, achttienhonderd en ettelijke jaren na onzen Meester?Al dien tijd was Louisa blijven voortleven zoo stil en afgetrokken, zoo gewend om in de schemering naar de gloeiende vonken te turen, die door den haardrooster vielen en in de asch wegstierven, dat zij van den dag af, toen haar vader had gezegd, dat zij haast een volwassen meisje werd—en dit scheen pas gisteren te zijn geweest—nauwelijks zijne aandacht wederom getrokken had, tot hij bevond dat zij geheel een volwassen meisje was geworden.„Geheel een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende. „Wel, wel!”Kort na deze ontdekking werd hij eenige dagen lang meer nadenkend dan gewoonlijk, en scheen hij zich geheel in één onderwerp te verdiepen. Op zekeren avond toen hij uitging en Louisa vóór zijn vertrek goedennacht kwam zeggen—daar hij eerst laat zou thuis komen en zij hem niet voor den volgenden ochtend zou terugzien—sloot hij haar in zijne armen, zag haar op zijne vriendelijkste manier aan, en zeide:„Mijne lieve Louisa, gij zijt nu eene volwassene vrouw.”Zij antwoordde met den scherpen, uitvorschenden blik van dien avond, toen zij bij het paardenspel werd betrapt. Daarna sloeg zij hare oogen neer en zeide: „Ja, vader.”„Kindlief,” hervatte mijnheer Gradgrind, „ik moet eens alleen en ernstig met u spreken. Kom morgenochtend na het ontbijt in mijne kamer. Zult gij?”„Ja, vader.”„Uwe handen zijn eenigszins koud, Louisa. Zijt gij niet wel?”„Heel wel, vader.”„En vroolijk?”Zij zag hem weder aan en glimlachte op hare eigenaardige manier. „Ik ben zoo vroolijk, vader, als ik gewoonlijk ben, of gewoonlijk ben geweest.”„Dat is goed,” zeide mijnheer Gradgrind.Zoo gaf hij haar een kus en ging heen, en Louisa keerde terug naar het vroolijke vertrek, dat zoo naar de kamer van een haarsnijder geleek, liet haar elleboog in hare hand rusten en tuurde weder naar de vonken, die zoo kort leefden en zoo spoedig tot asch werden.„Zijt gij daar, Louisa?” zeide haar broeder, zijn hoofd binnen de deur stekende. Hij was nu een echte lichtmis geworden en niet zeer innemend van voorkomen en manieren.„Beste Tom!” antwoordde zij, terwijl zij opstond en hem omhelsde. „Hoelang is het geleden, dat ge mij niet eens hebt opgezocht?”„Och, ’s avonds heb ik andere dingen te doen, en over dag houdt oude Bounderby mij tamelijk vast. Maar ik maak hem bang met u, als hij te lastig wordt, en zoo blijven wij op een goeden voet. Zeg eens! Heeft vader u vandaag of gisteren iets bijzonders gezegd, Louisa?”„Neen, Tom. Maar van avond heeft hij mij gezegd, dat hij dat morgenochtend wilde doen.”„Juist! Dat is het wat ik meen,” zeide Tom. „Weet gij wel waar hij van avond heen is?” En daarbij zette hij een zeer slim gezicht.„Neen!”„Dan zal ik het u zeggen. Hij is naar ouden Bounderby. Zij hebben eene ernstige onderhandeling aan het kantoor. En waarom aan het kantoor zoudt ge denken? Wel, dat kan ik u ook zeggen. Om de ooren van mevrouw Sparsit op een goeden afstand te houden, geloof ik.”Met hare hand op haar broeders schouder bleef Louisa in het vuur staan turen. Haar broeder zag haar met meer belangstelling dan gewoonlijk in de oogen, sloeg zijn arm om haar middel en trok haar liefkoozend naar zich toe.„Gij houdt veel van mij, niet waar, Louisa?”„Dat doe ik waarlijk, Tom, hoewel gij zulk een langen tijd laat verloopen, zonder mij eens te komen zien.”„Wel, zusje,” hervatte Tom, „als gij datzegt, zijt ge niet ver van mijne gedachten. Wij zouden veel meer bij elkander kunnen wezen, niet waar? Het zou mij veel goed doen, als gij besluiten kondt tot iets dat ik weet, Louisa. Het zou een heerlijk ding voor mij zijn. Het zou allerpleizierigst voor mij wezen.”Haar peinzenden blik verijdelde zijne listige nasporing. Hij kon uit haar gezicht niets opmaken. Hij drukte haar in zijn arm en gaf haar een kus op de wang. Zij beantwoordde den kus, maar bleef nog naar het vuur staren.„Zeg eens, Louisa. Ik dacht dat ik eens moest aankomen en u even een wenk geven van wat er omgaat; hoewel ik dacht, dat gij het wel raden zoudt, al wist gij het niet zeker. Ik kan niet blijven, omdat ik van avond afspraak heb met eenige vrienden. Gij zult niet vergeten hoeveel gij van mij houdt?”„Neen, lieve Tom, dat zal ik niet vergeten.”„Gij zijt een best meisje,” zeide Tom. „Goedennacht, Louisa.”Zij wenschte hem hartelijk een goedennacht en ging met hem naar de deur, waar men de fornuizen vanCoketownkon zien, die den hemel in de verte met een rooden gloed kleurden. Zij bleef daar staan, strak naar dat licht starende en naar zijne voetstappen luisterende. Zij verwijderden zich snel, alsof hij blijde was dat hijStone Lodgeachter den rug had; en zij bleef nog daar staan toen zij niets meer hoorde. Het scheen alsof zij, eerst in het vuur in haar eigen huis, en toen in den vurigen nevel in de verte, poogde te ontdekken, welk soort van webbe de oude Tijd, de grootste en langst gevestigde fabrikant van allen wel weven zou van de draden, die hij reeds tot eene volwassene vrouw gesponnen had. Maar zijne fabriek is eene geheime plaats, zijn werk maakt geen gerucht en zijne arbeiders zijn stom.

XIV.DE GROOTE FABRIKANT.De tijd liep teCoketownvoort gelijk eene machine in eene fabriek:—zóóveel grondstof verwerkt, zóóveel brandstof verteerd, zóóveel kracht versleten en zóóveel geld gewonnen. Doch minder onbarmhartig dan ijzer, staal en koper, bracht die tijd ook de afwisselende jaargetijden mede, zelfs in die woestenij van rook en baksteenen, en hij alleen bestond den kamp tegen de akelige eentonigheid, die de stad beheerschte.„Louisa wordt haast een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind.De tijd, met zijne onberekenbare paardekracht, werkte voort, zonder er zich aan te storen wat iemand zeide, en weldra bleek het dat de jonge Thomas een voet langer was dan de laatste maal toen zijn vader bijzonder op hem had gelet.„Thomas,” zeide mijnheer Gradgrind, „wordt haast een volwassen jongmensch.”De tijd werkte aan Thomas voort, terwijl zijn vader er over dacht, en daar stond hij, met zijn rok met lange panden en stijve boordjes.„Waarlijk,” zeide mijnheer Gradgrind, „het is tijd geworden dat Thomas naar Bounderby behoort te gaan.”De tijd bleef met Thomas bezig, schoof hem voort in Bounderby’s kantoor, maakte hem een bewoner van Bounderby’s huis, noodzaakte hem tot het koopen van zijn eerste scheermes en oefende hem vlijtig in zijne berekeningen betrekkelijk nommer een.Dezelfde groote fabrikant, altijd met eene ontzaglijke verscheidenheid van werk onderhanden, bleef ook met Sissy bezig en maakte haar waarlijk tot een heel aardig dingetje.„Ik vrees, Jupe,” zeide mijnheer Gradgrind, „dat het nutteloos zou zijn u langer te laten schoolgaan.”„Dat vrees ik ook, mijnheer,” antwoordde Sissy, voor hem nijgende.„Ik kan het u niet ontveinzen, Jupe,” hervatte mijnheer Gradgrind, zijn voorhoofd fronsende, „dat de uitslag van uw proeftijd op school mij teleurgesteld heeft—mij grootelijks teleurgesteld heeft. Gij hebt onder mijnheer en mevrouw Choakumchild lang niet zoovele nuttige kundigheden verkregen als ik verwacht had. Gij zijt nog zeer achterlijk in de kennis van feiten, en uwe wetenschap van cijfers is zeer beperkt. Gij zijt over het geheel zeer achterlijk en staat lang niet met anderen gelijk.”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” antwoordde zij; „maar ik weet wel, dat het de waarheid is. En toch heb ik mij veel moeite gegeven, mijnheer.”„Ja,” zeide mijnheer Gradgrind, „ja, ik geloof wel dat gij u veel moeite hebt gegeven. Ik heb op u gelet en ik kan in dat opzicht niet over u klagen.”„Ik dank u wel, mijnheer. Maar ik heb wel eens gedacht” (Sissy sprak nu zeer schroomvallig) „dat ik misschien al te veel poogde te leeren, en dat, als ik vergunning had gevraagd om het met wat minder te beproeven, ik misschien...”„Neen, Jupe, neen,” zeide mijnheer Gradgrind, op zijne diepzinnigste en stelligste manier zijn hoofd schuddende. „Neen. De cursus, dien gij hebt gevolgd, was naar het systeem ingericht—naar het systeem—en daarop is dus niets te zeggen. Ik kan alleen onderstellen, dat de vroegere omstandigheden van uw leven al te ongunstig waren voor de ontwikkeling uwer redelijke vermogens, en dat wij te laat begonnen zijn. Maar toch, gelijk ik reeds gezegd heb, ik ben teleurgesteld.”„Ik wenschte, dat ik meer erkentelijkheid had kunnen bewijzen, mijnheer, voor uwe goedheid voor een arm, ongelukkig, meisje, dat geene aanspraak op uwe bescherming had.”„Schrei maar niet,” zeide mijnheer Gradgrind. „Schrei maar niet. Ik klaag niet over u. Gij zijt een goed, ijverig en hartelijk meisje, en—en daarmede moeten wij maar tevreden zijn.”„Ik dank u wel, mijnheer, dat ge dit zegt,” zeide Sissy met werkelijke dankbaarheid en ootmoedig voor hem nijgende.„Gij zijt nuttig bij mevrouw Gradgrind, en gij zijt ook (zoo in het algemeen) aan de familie van dienst; zoo hoor ik van Miss Louisa, en ik heb het ook zelf opgemerkt. Ik hoop dus,” ging mijnheer Gradgrind voort, „dat gij u in deze betrekkingen kunt tevreden stellen en vergenoegd zijn.”„Ik zou niets meer te wenschen hebben, mijnheer, als...”„Ik begrijp u,” zeide mijnheer Gradgrind, „gij doelt weer op uw vader. Ik heb van Miss Louisa gehoord, dat gij nog altijd dat fleschjebewaart. Nu, als uwe opleiding in de redeneerkunde beter geslaagd was, zoudt gij in dit opzicht wijzer zijn geweest. Ik wil er niets meer van zeggen.”Hij hield inderdaad te veel van Sissy om verachting voor haar te koesteren; anders hield hij haar redeneervermogen voor zoo uiterst gering, dat hij tot die gevolgtrekking had moeten geraken. Hij was, hoe dan ook, op het denkbeeld gekomen, dat dit meisje iets in zich had, dat moeielijk in eene tabel gebracht kon worden. Hare vatbaarheid voor definitiën kon men gemakkelijk als zeer gering opgeven; hare mathematische kundigheden als nul; en toch twijfelde hij er aan, of hij, indien hij haar bij voorbeeld in de kolommen eener statistieke opgaaf had moeten becijferen, wel recht zou geweten hebben, onder welke hoofden hij haar moest verdeelen.Op sommige trappen van zijn fabriekarbeid met den mensch werkt de tijd zeer snel voort; en daar de jonge Thomas en Sissy zich juist op zulk een trap bevonden, werden deze snelle veranderingen in een jaar of twee bij hen tot stand gebracht, terwijl mijnheer Gradgrind zelf op zijne baan scheen te blijven stilstaan en geene verandering onderging—ééne uitgezonderd, die echter met zijne overige noodzakelijke bewerking in de fabriek des tijds in geen verband stond. De tijd stopte hem in eene kleine, veel gerucht makende en tamelijk smerige machine, die in een hoek achteraf stond, en maakte hem tot lid van het Parlement voorCoketown: tot een der hooggeachte vertegenwoordigers van maten, gewichten en cijfers, een dierhonourable gentlemen, die voor alle andere dingen doof, stom, blind, lam en dood zijn. Waarvoor leven wij ook anders in een Christelijk land, achttienhonderd en ettelijke jaren na onzen Meester?Al dien tijd was Louisa blijven voortleven zoo stil en afgetrokken, zoo gewend om in de schemering naar de gloeiende vonken te turen, die door den haardrooster vielen en in de asch wegstierven, dat zij van den dag af, toen haar vader had gezegd, dat zij haast een volwassen meisje werd—en dit scheen pas gisteren te zijn geweest—nauwelijks zijne aandacht wederom getrokken had, tot hij bevond dat zij geheel een volwassen meisje was geworden.„Geheel een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende. „Wel, wel!”Kort na deze ontdekking werd hij eenige dagen lang meer nadenkend dan gewoonlijk, en scheen hij zich geheel in één onderwerp te verdiepen. Op zekeren avond toen hij uitging en Louisa vóór zijn vertrek goedennacht kwam zeggen—daar hij eerst laat zou thuis komen en zij hem niet voor den volgenden ochtend zou terugzien—sloot hij haar in zijne armen, zag haar op zijne vriendelijkste manier aan, en zeide:„Mijne lieve Louisa, gij zijt nu eene volwassene vrouw.”Zij antwoordde met den scherpen, uitvorschenden blik van dien avond, toen zij bij het paardenspel werd betrapt. Daarna sloeg zij hare oogen neer en zeide: „Ja, vader.”„Kindlief,” hervatte mijnheer Gradgrind, „ik moet eens alleen en ernstig met u spreken. Kom morgenochtend na het ontbijt in mijne kamer. Zult gij?”„Ja, vader.”„Uwe handen zijn eenigszins koud, Louisa. Zijt gij niet wel?”„Heel wel, vader.”„En vroolijk?”Zij zag hem weder aan en glimlachte op hare eigenaardige manier. „Ik ben zoo vroolijk, vader, als ik gewoonlijk ben, of gewoonlijk ben geweest.”„Dat is goed,” zeide mijnheer Gradgrind.Zoo gaf hij haar een kus en ging heen, en Louisa keerde terug naar het vroolijke vertrek, dat zoo naar de kamer van een haarsnijder geleek, liet haar elleboog in hare hand rusten en tuurde weder naar de vonken, die zoo kort leefden en zoo spoedig tot asch werden.„Zijt gij daar, Louisa?” zeide haar broeder, zijn hoofd binnen de deur stekende. Hij was nu een echte lichtmis geworden en niet zeer innemend van voorkomen en manieren.„Beste Tom!” antwoordde zij, terwijl zij opstond en hem omhelsde. „Hoelang is het geleden, dat ge mij niet eens hebt opgezocht?”„Och, ’s avonds heb ik andere dingen te doen, en over dag houdt oude Bounderby mij tamelijk vast. Maar ik maak hem bang met u, als hij te lastig wordt, en zoo blijven wij op een goeden voet. Zeg eens! Heeft vader u vandaag of gisteren iets bijzonders gezegd, Louisa?”„Neen, Tom. Maar van avond heeft hij mij gezegd, dat hij dat morgenochtend wilde doen.”„Juist! Dat is het wat ik meen,” zeide Tom. „Weet gij wel waar hij van avond heen is?” En daarbij zette hij een zeer slim gezicht.„Neen!”„Dan zal ik het u zeggen. Hij is naar ouden Bounderby. Zij hebben eene ernstige onderhandeling aan het kantoor. En waarom aan het kantoor zoudt ge denken? Wel, dat kan ik u ook zeggen. Om de ooren van mevrouw Sparsit op een goeden afstand te houden, geloof ik.”Met hare hand op haar broeders schouder bleef Louisa in het vuur staan turen. Haar broeder zag haar met meer belangstelling dan gewoonlijk in de oogen, sloeg zijn arm om haar middel en trok haar liefkoozend naar zich toe.„Gij houdt veel van mij, niet waar, Louisa?”„Dat doe ik waarlijk, Tom, hoewel gij zulk een langen tijd laat verloopen, zonder mij eens te komen zien.”„Wel, zusje,” hervatte Tom, „als gij datzegt, zijt ge niet ver van mijne gedachten. Wij zouden veel meer bij elkander kunnen wezen, niet waar? Het zou mij veel goed doen, als gij besluiten kondt tot iets dat ik weet, Louisa. Het zou een heerlijk ding voor mij zijn. Het zou allerpleizierigst voor mij wezen.”Haar peinzenden blik verijdelde zijne listige nasporing. Hij kon uit haar gezicht niets opmaken. Hij drukte haar in zijn arm en gaf haar een kus op de wang. Zij beantwoordde den kus, maar bleef nog naar het vuur staren.„Zeg eens, Louisa. Ik dacht dat ik eens moest aankomen en u even een wenk geven van wat er omgaat; hoewel ik dacht, dat gij het wel raden zoudt, al wist gij het niet zeker. Ik kan niet blijven, omdat ik van avond afspraak heb met eenige vrienden. Gij zult niet vergeten hoeveel gij van mij houdt?”„Neen, lieve Tom, dat zal ik niet vergeten.”„Gij zijt een best meisje,” zeide Tom. „Goedennacht, Louisa.”Zij wenschte hem hartelijk een goedennacht en ging met hem naar de deur, waar men de fornuizen vanCoketownkon zien, die den hemel in de verte met een rooden gloed kleurden. Zij bleef daar staan, strak naar dat licht starende en naar zijne voetstappen luisterende. Zij verwijderden zich snel, alsof hij blijde was dat hijStone Lodgeachter den rug had; en zij bleef nog daar staan toen zij niets meer hoorde. Het scheen alsof zij, eerst in het vuur in haar eigen huis, en toen in den vurigen nevel in de verte, poogde te ontdekken, welk soort van webbe de oude Tijd, de grootste en langst gevestigde fabrikant van allen wel weven zou van de draden, die hij reeds tot eene volwassene vrouw gesponnen had. Maar zijne fabriek is eene geheime plaats, zijn werk maakt geen gerucht en zijne arbeiders zijn stom.

XIV.DE GROOTE FABRIKANT.

De tijd liep teCoketownvoort gelijk eene machine in eene fabriek:—zóóveel grondstof verwerkt, zóóveel brandstof verteerd, zóóveel kracht versleten en zóóveel geld gewonnen. Doch minder onbarmhartig dan ijzer, staal en koper, bracht die tijd ook de afwisselende jaargetijden mede, zelfs in die woestenij van rook en baksteenen, en hij alleen bestond den kamp tegen de akelige eentonigheid, die de stad beheerschte.„Louisa wordt haast een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind.De tijd, met zijne onberekenbare paardekracht, werkte voort, zonder er zich aan te storen wat iemand zeide, en weldra bleek het dat de jonge Thomas een voet langer was dan de laatste maal toen zijn vader bijzonder op hem had gelet.„Thomas,” zeide mijnheer Gradgrind, „wordt haast een volwassen jongmensch.”De tijd werkte aan Thomas voort, terwijl zijn vader er over dacht, en daar stond hij, met zijn rok met lange panden en stijve boordjes.„Waarlijk,” zeide mijnheer Gradgrind, „het is tijd geworden dat Thomas naar Bounderby behoort te gaan.”De tijd bleef met Thomas bezig, schoof hem voort in Bounderby’s kantoor, maakte hem een bewoner van Bounderby’s huis, noodzaakte hem tot het koopen van zijn eerste scheermes en oefende hem vlijtig in zijne berekeningen betrekkelijk nommer een.Dezelfde groote fabrikant, altijd met eene ontzaglijke verscheidenheid van werk onderhanden, bleef ook met Sissy bezig en maakte haar waarlijk tot een heel aardig dingetje.„Ik vrees, Jupe,” zeide mijnheer Gradgrind, „dat het nutteloos zou zijn u langer te laten schoolgaan.”„Dat vrees ik ook, mijnheer,” antwoordde Sissy, voor hem nijgende.„Ik kan het u niet ontveinzen, Jupe,” hervatte mijnheer Gradgrind, zijn voorhoofd fronsende, „dat de uitslag van uw proeftijd op school mij teleurgesteld heeft—mij grootelijks teleurgesteld heeft. Gij hebt onder mijnheer en mevrouw Choakumchild lang niet zoovele nuttige kundigheden verkregen als ik verwacht had. Gij zijt nog zeer achterlijk in de kennis van feiten, en uwe wetenschap van cijfers is zeer beperkt. Gij zijt over het geheel zeer achterlijk en staat lang niet met anderen gelijk.”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” antwoordde zij; „maar ik weet wel, dat het de waarheid is. En toch heb ik mij veel moeite gegeven, mijnheer.”„Ja,” zeide mijnheer Gradgrind, „ja, ik geloof wel dat gij u veel moeite hebt gegeven. Ik heb op u gelet en ik kan in dat opzicht niet over u klagen.”„Ik dank u wel, mijnheer. Maar ik heb wel eens gedacht” (Sissy sprak nu zeer schroomvallig) „dat ik misschien al te veel poogde te leeren, en dat, als ik vergunning had gevraagd om het met wat minder te beproeven, ik misschien...”„Neen, Jupe, neen,” zeide mijnheer Gradgrind, op zijne diepzinnigste en stelligste manier zijn hoofd schuddende. „Neen. De cursus, dien gij hebt gevolgd, was naar het systeem ingericht—naar het systeem—en daarop is dus niets te zeggen. Ik kan alleen onderstellen, dat de vroegere omstandigheden van uw leven al te ongunstig waren voor de ontwikkeling uwer redelijke vermogens, en dat wij te laat begonnen zijn. Maar toch, gelijk ik reeds gezegd heb, ik ben teleurgesteld.”„Ik wenschte, dat ik meer erkentelijkheid had kunnen bewijzen, mijnheer, voor uwe goedheid voor een arm, ongelukkig, meisje, dat geene aanspraak op uwe bescherming had.”„Schrei maar niet,” zeide mijnheer Gradgrind. „Schrei maar niet. Ik klaag niet over u. Gij zijt een goed, ijverig en hartelijk meisje, en—en daarmede moeten wij maar tevreden zijn.”„Ik dank u wel, mijnheer, dat ge dit zegt,” zeide Sissy met werkelijke dankbaarheid en ootmoedig voor hem nijgende.„Gij zijt nuttig bij mevrouw Gradgrind, en gij zijt ook (zoo in het algemeen) aan de familie van dienst; zoo hoor ik van Miss Louisa, en ik heb het ook zelf opgemerkt. Ik hoop dus,” ging mijnheer Gradgrind voort, „dat gij u in deze betrekkingen kunt tevreden stellen en vergenoegd zijn.”„Ik zou niets meer te wenschen hebben, mijnheer, als...”„Ik begrijp u,” zeide mijnheer Gradgrind, „gij doelt weer op uw vader. Ik heb van Miss Louisa gehoord, dat gij nog altijd dat fleschjebewaart. Nu, als uwe opleiding in de redeneerkunde beter geslaagd was, zoudt gij in dit opzicht wijzer zijn geweest. Ik wil er niets meer van zeggen.”Hij hield inderdaad te veel van Sissy om verachting voor haar te koesteren; anders hield hij haar redeneervermogen voor zoo uiterst gering, dat hij tot die gevolgtrekking had moeten geraken. Hij was, hoe dan ook, op het denkbeeld gekomen, dat dit meisje iets in zich had, dat moeielijk in eene tabel gebracht kon worden. Hare vatbaarheid voor definitiën kon men gemakkelijk als zeer gering opgeven; hare mathematische kundigheden als nul; en toch twijfelde hij er aan, of hij, indien hij haar bij voorbeeld in de kolommen eener statistieke opgaaf had moeten becijferen, wel recht zou geweten hebben, onder welke hoofden hij haar moest verdeelen.Op sommige trappen van zijn fabriekarbeid met den mensch werkt de tijd zeer snel voort; en daar de jonge Thomas en Sissy zich juist op zulk een trap bevonden, werden deze snelle veranderingen in een jaar of twee bij hen tot stand gebracht, terwijl mijnheer Gradgrind zelf op zijne baan scheen te blijven stilstaan en geene verandering onderging—ééne uitgezonderd, die echter met zijne overige noodzakelijke bewerking in de fabriek des tijds in geen verband stond. De tijd stopte hem in eene kleine, veel gerucht makende en tamelijk smerige machine, die in een hoek achteraf stond, en maakte hem tot lid van het Parlement voorCoketown: tot een der hooggeachte vertegenwoordigers van maten, gewichten en cijfers, een dierhonourable gentlemen, die voor alle andere dingen doof, stom, blind, lam en dood zijn. Waarvoor leven wij ook anders in een Christelijk land, achttienhonderd en ettelijke jaren na onzen Meester?Al dien tijd was Louisa blijven voortleven zoo stil en afgetrokken, zoo gewend om in de schemering naar de gloeiende vonken te turen, die door den haardrooster vielen en in de asch wegstierven, dat zij van den dag af, toen haar vader had gezegd, dat zij haast een volwassen meisje werd—en dit scheen pas gisteren te zijn geweest—nauwelijks zijne aandacht wederom getrokken had, tot hij bevond dat zij geheel een volwassen meisje was geworden.„Geheel een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende. „Wel, wel!”Kort na deze ontdekking werd hij eenige dagen lang meer nadenkend dan gewoonlijk, en scheen hij zich geheel in één onderwerp te verdiepen. Op zekeren avond toen hij uitging en Louisa vóór zijn vertrek goedennacht kwam zeggen—daar hij eerst laat zou thuis komen en zij hem niet voor den volgenden ochtend zou terugzien—sloot hij haar in zijne armen, zag haar op zijne vriendelijkste manier aan, en zeide:„Mijne lieve Louisa, gij zijt nu eene volwassene vrouw.”Zij antwoordde met den scherpen, uitvorschenden blik van dien avond, toen zij bij het paardenspel werd betrapt. Daarna sloeg zij hare oogen neer en zeide: „Ja, vader.”„Kindlief,” hervatte mijnheer Gradgrind, „ik moet eens alleen en ernstig met u spreken. Kom morgenochtend na het ontbijt in mijne kamer. Zult gij?”„Ja, vader.”„Uwe handen zijn eenigszins koud, Louisa. Zijt gij niet wel?”„Heel wel, vader.”„En vroolijk?”Zij zag hem weder aan en glimlachte op hare eigenaardige manier. „Ik ben zoo vroolijk, vader, als ik gewoonlijk ben, of gewoonlijk ben geweest.”„Dat is goed,” zeide mijnheer Gradgrind.Zoo gaf hij haar een kus en ging heen, en Louisa keerde terug naar het vroolijke vertrek, dat zoo naar de kamer van een haarsnijder geleek, liet haar elleboog in hare hand rusten en tuurde weder naar de vonken, die zoo kort leefden en zoo spoedig tot asch werden.„Zijt gij daar, Louisa?” zeide haar broeder, zijn hoofd binnen de deur stekende. Hij was nu een echte lichtmis geworden en niet zeer innemend van voorkomen en manieren.„Beste Tom!” antwoordde zij, terwijl zij opstond en hem omhelsde. „Hoelang is het geleden, dat ge mij niet eens hebt opgezocht?”„Och, ’s avonds heb ik andere dingen te doen, en over dag houdt oude Bounderby mij tamelijk vast. Maar ik maak hem bang met u, als hij te lastig wordt, en zoo blijven wij op een goeden voet. Zeg eens! Heeft vader u vandaag of gisteren iets bijzonders gezegd, Louisa?”„Neen, Tom. Maar van avond heeft hij mij gezegd, dat hij dat morgenochtend wilde doen.”„Juist! Dat is het wat ik meen,” zeide Tom. „Weet gij wel waar hij van avond heen is?” En daarbij zette hij een zeer slim gezicht.„Neen!”„Dan zal ik het u zeggen. Hij is naar ouden Bounderby. Zij hebben eene ernstige onderhandeling aan het kantoor. En waarom aan het kantoor zoudt ge denken? Wel, dat kan ik u ook zeggen. Om de ooren van mevrouw Sparsit op een goeden afstand te houden, geloof ik.”Met hare hand op haar broeders schouder bleef Louisa in het vuur staan turen. Haar broeder zag haar met meer belangstelling dan gewoonlijk in de oogen, sloeg zijn arm om haar middel en trok haar liefkoozend naar zich toe.„Gij houdt veel van mij, niet waar, Louisa?”„Dat doe ik waarlijk, Tom, hoewel gij zulk een langen tijd laat verloopen, zonder mij eens te komen zien.”„Wel, zusje,” hervatte Tom, „als gij datzegt, zijt ge niet ver van mijne gedachten. Wij zouden veel meer bij elkander kunnen wezen, niet waar? Het zou mij veel goed doen, als gij besluiten kondt tot iets dat ik weet, Louisa. Het zou een heerlijk ding voor mij zijn. Het zou allerpleizierigst voor mij wezen.”Haar peinzenden blik verijdelde zijne listige nasporing. Hij kon uit haar gezicht niets opmaken. Hij drukte haar in zijn arm en gaf haar een kus op de wang. Zij beantwoordde den kus, maar bleef nog naar het vuur staren.„Zeg eens, Louisa. Ik dacht dat ik eens moest aankomen en u even een wenk geven van wat er omgaat; hoewel ik dacht, dat gij het wel raden zoudt, al wist gij het niet zeker. Ik kan niet blijven, omdat ik van avond afspraak heb met eenige vrienden. Gij zult niet vergeten hoeveel gij van mij houdt?”„Neen, lieve Tom, dat zal ik niet vergeten.”„Gij zijt een best meisje,” zeide Tom. „Goedennacht, Louisa.”Zij wenschte hem hartelijk een goedennacht en ging met hem naar de deur, waar men de fornuizen vanCoketownkon zien, die den hemel in de verte met een rooden gloed kleurden. Zij bleef daar staan, strak naar dat licht starende en naar zijne voetstappen luisterende. Zij verwijderden zich snel, alsof hij blijde was dat hijStone Lodgeachter den rug had; en zij bleef nog daar staan toen zij niets meer hoorde. Het scheen alsof zij, eerst in het vuur in haar eigen huis, en toen in den vurigen nevel in de verte, poogde te ontdekken, welk soort van webbe de oude Tijd, de grootste en langst gevestigde fabrikant van allen wel weven zou van de draden, die hij reeds tot eene volwassene vrouw gesponnen had. Maar zijne fabriek is eene geheime plaats, zijn werk maakt geen gerucht en zijne arbeiders zijn stom.

De tijd liep teCoketownvoort gelijk eene machine in eene fabriek:—zóóveel grondstof verwerkt, zóóveel brandstof verteerd, zóóveel kracht versleten en zóóveel geld gewonnen. Doch minder onbarmhartig dan ijzer, staal en koper, bracht die tijd ook de afwisselende jaargetijden mede, zelfs in die woestenij van rook en baksteenen, en hij alleen bestond den kamp tegen de akelige eentonigheid, die de stad beheerschte.

„Louisa wordt haast een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind.

De tijd, met zijne onberekenbare paardekracht, werkte voort, zonder er zich aan te storen wat iemand zeide, en weldra bleek het dat de jonge Thomas een voet langer was dan de laatste maal toen zijn vader bijzonder op hem had gelet.

„Thomas,” zeide mijnheer Gradgrind, „wordt haast een volwassen jongmensch.”

De tijd werkte aan Thomas voort, terwijl zijn vader er over dacht, en daar stond hij, met zijn rok met lange panden en stijve boordjes.

„Waarlijk,” zeide mijnheer Gradgrind, „het is tijd geworden dat Thomas naar Bounderby behoort te gaan.”

De tijd bleef met Thomas bezig, schoof hem voort in Bounderby’s kantoor, maakte hem een bewoner van Bounderby’s huis, noodzaakte hem tot het koopen van zijn eerste scheermes en oefende hem vlijtig in zijne berekeningen betrekkelijk nommer een.

Dezelfde groote fabrikant, altijd met eene ontzaglijke verscheidenheid van werk onderhanden, bleef ook met Sissy bezig en maakte haar waarlijk tot een heel aardig dingetje.

„Ik vrees, Jupe,” zeide mijnheer Gradgrind, „dat het nutteloos zou zijn u langer te laten schoolgaan.”

„Dat vrees ik ook, mijnheer,” antwoordde Sissy, voor hem nijgende.

„Ik kan het u niet ontveinzen, Jupe,” hervatte mijnheer Gradgrind, zijn voorhoofd fronsende, „dat de uitslag van uw proeftijd op school mij teleurgesteld heeft—mij grootelijks teleurgesteld heeft. Gij hebt onder mijnheer en mevrouw Choakumchild lang niet zoovele nuttige kundigheden verkregen als ik verwacht had. Gij zijt nog zeer achterlijk in de kennis van feiten, en uwe wetenschap van cijfers is zeer beperkt. Gij zijt over het geheel zeer achterlijk en staat lang niet met anderen gelijk.”

„Het spijt mij zeer, mijnheer,” antwoordde zij; „maar ik weet wel, dat het de waarheid is. En toch heb ik mij veel moeite gegeven, mijnheer.”

„Ja,” zeide mijnheer Gradgrind, „ja, ik geloof wel dat gij u veel moeite hebt gegeven. Ik heb op u gelet en ik kan in dat opzicht niet over u klagen.”

„Ik dank u wel, mijnheer. Maar ik heb wel eens gedacht” (Sissy sprak nu zeer schroomvallig) „dat ik misschien al te veel poogde te leeren, en dat, als ik vergunning had gevraagd om het met wat minder te beproeven, ik misschien...”

„Neen, Jupe, neen,” zeide mijnheer Gradgrind, op zijne diepzinnigste en stelligste manier zijn hoofd schuddende. „Neen. De cursus, dien gij hebt gevolgd, was naar het systeem ingericht—naar het systeem—en daarop is dus niets te zeggen. Ik kan alleen onderstellen, dat de vroegere omstandigheden van uw leven al te ongunstig waren voor de ontwikkeling uwer redelijke vermogens, en dat wij te laat begonnen zijn. Maar toch, gelijk ik reeds gezegd heb, ik ben teleurgesteld.”

„Ik wenschte, dat ik meer erkentelijkheid had kunnen bewijzen, mijnheer, voor uwe goedheid voor een arm, ongelukkig, meisje, dat geene aanspraak op uwe bescherming had.”

„Schrei maar niet,” zeide mijnheer Gradgrind. „Schrei maar niet. Ik klaag niet over u. Gij zijt een goed, ijverig en hartelijk meisje, en—en daarmede moeten wij maar tevreden zijn.”

„Ik dank u wel, mijnheer, dat ge dit zegt,” zeide Sissy met werkelijke dankbaarheid en ootmoedig voor hem nijgende.

„Gij zijt nuttig bij mevrouw Gradgrind, en gij zijt ook (zoo in het algemeen) aan de familie van dienst; zoo hoor ik van Miss Louisa, en ik heb het ook zelf opgemerkt. Ik hoop dus,” ging mijnheer Gradgrind voort, „dat gij u in deze betrekkingen kunt tevreden stellen en vergenoegd zijn.”

„Ik zou niets meer te wenschen hebben, mijnheer, als...”

„Ik begrijp u,” zeide mijnheer Gradgrind, „gij doelt weer op uw vader. Ik heb van Miss Louisa gehoord, dat gij nog altijd dat fleschjebewaart. Nu, als uwe opleiding in de redeneerkunde beter geslaagd was, zoudt gij in dit opzicht wijzer zijn geweest. Ik wil er niets meer van zeggen.”

Hij hield inderdaad te veel van Sissy om verachting voor haar te koesteren; anders hield hij haar redeneervermogen voor zoo uiterst gering, dat hij tot die gevolgtrekking had moeten geraken. Hij was, hoe dan ook, op het denkbeeld gekomen, dat dit meisje iets in zich had, dat moeielijk in eene tabel gebracht kon worden. Hare vatbaarheid voor definitiën kon men gemakkelijk als zeer gering opgeven; hare mathematische kundigheden als nul; en toch twijfelde hij er aan, of hij, indien hij haar bij voorbeeld in de kolommen eener statistieke opgaaf had moeten becijferen, wel recht zou geweten hebben, onder welke hoofden hij haar moest verdeelen.

Op sommige trappen van zijn fabriekarbeid met den mensch werkt de tijd zeer snel voort; en daar de jonge Thomas en Sissy zich juist op zulk een trap bevonden, werden deze snelle veranderingen in een jaar of twee bij hen tot stand gebracht, terwijl mijnheer Gradgrind zelf op zijne baan scheen te blijven stilstaan en geene verandering onderging—ééne uitgezonderd, die echter met zijne overige noodzakelijke bewerking in de fabriek des tijds in geen verband stond. De tijd stopte hem in eene kleine, veel gerucht makende en tamelijk smerige machine, die in een hoek achteraf stond, en maakte hem tot lid van het Parlement voorCoketown: tot een der hooggeachte vertegenwoordigers van maten, gewichten en cijfers, een dierhonourable gentlemen, die voor alle andere dingen doof, stom, blind, lam en dood zijn. Waarvoor leven wij ook anders in een Christelijk land, achttienhonderd en ettelijke jaren na onzen Meester?

Al dien tijd was Louisa blijven voortleven zoo stil en afgetrokken, zoo gewend om in de schemering naar de gloeiende vonken te turen, die door den haardrooster vielen en in de asch wegstierven, dat zij van den dag af, toen haar vader had gezegd, dat zij haast een volwassen meisje werd—en dit scheen pas gisteren te zijn geweest—nauwelijks zijne aandacht wederom getrokken had, tot hij bevond dat zij geheel een volwassen meisje was geworden.

„Geheel een volwassen meisje,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende. „Wel, wel!”

Kort na deze ontdekking werd hij eenige dagen lang meer nadenkend dan gewoonlijk, en scheen hij zich geheel in één onderwerp te verdiepen. Op zekeren avond toen hij uitging en Louisa vóór zijn vertrek goedennacht kwam zeggen—daar hij eerst laat zou thuis komen en zij hem niet voor den volgenden ochtend zou terugzien—sloot hij haar in zijne armen, zag haar op zijne vriendelijkste manier aan, en zeide:

„Mijne lieve Louisa, gij zijt nu eene volwassene vrouw.”

Zij antwoordde met den scherpen, uitvorschenden blik van dien avond, toen zij bij het paardenspel werd betrapt. Daarna sloeg zij hare oogen neer en zeide: „Ja, vader.”

„Kindlief,” hervatte mijnheer Gradgrind, „ik moet eens alleen en ernstig met u spreken. Kom morgenochtend na het ontbijt in mijne kamer. Zult gij?”

„Ja, vader.”

„Uwe handen zijn eenigszins koud, Louisa. Zijt gij niet wel?”

„Heel wel, vader.”

„En vroolijk?”

Zij zag hem weder aan en glimlachte op hare eigenaardige manier. „Ik ben zoo vroolijk, vader, als ik gewoonlijk ben, of gewoonlijk ben geweest.”

„Dat is goed,” zeide mijnheer Gradgrind.

Zoo gaf hij haar een kus en ging heen, en Louisa keerde terug naar het vroolijke vertrek, dat zoo naar de kamer van een haarsnijder geleek, liet haar elleboog in hare hand rusten en tuurde weder naar de vonken, die zoo kort leefden en zoo spoedig tot asch werden.

„Zijt gij daar, Louisa?” zeide haar broeder, zijn hoofd binnen de deur stekende. Hij was nu een echte lichtmis geworden en niet zeer innemend van voorkomen en manieren.

„Beste Tom!” antwoordde zij, terwijl zij opstond en hem omhelsde. „Hoelang is het geleden, dat ge mij niet eens hebt opgezocht?”

„Och, ’s avonds heb ik andere dingen te doen, en over dag houdt oude Bounderby mij tamelijk vast. Maar ik maak hem bang met u, als hij te lastig wordt, en zoo blijven wij op een goeden voet. Zeg eens! Heeft vader u vandaag of gisteren iets bijzonders gezegd, Louisa?”

„Neen, Tom. Maar van avond heeft hij mij gezegd, dat hij dat morgenochtend wilde doen.”

„Juist! Dat is het wat ik meen,” zeide Tom. „Weet gij wel waar hij van avond heen is?” En daarbij zette hij een zeer slim gezicht.

„Neen!”

„Dan zal ik het u zeggen. Hij is naar ouden Bounderby. Zij hebben eene ernstige onderhandeling aan het kantoor. En waarom aan het kantoor zoudt ge denken? Wel, dat kan ik u ook zeggen. Om de ooren van mevrouw Sparsit op een goeden afstand te houden, geloof ik.”

Met hare hand op haar broeders schouder bleef Louisa in het vuur staan turen. Haar broeder zag haar met meer belangstelling dan gewoonlijk in de oogen, sloeg zijn arm om haar middel en trok haar liefkoozend naar zich toe.

„Gij houdt veel van mij, niet waar, Louisa?”

„Dat doe ik waarlijk, Tom, hoewel gij zulk een langen tijd laat verloopen, zonder mij eens te komen zien.”

„Wel, zusje,” hervatte Tom, „als gij datzegt, zijt ge niet ver van mijne gedachten. Wij zouden veel meer bij elkander kunnen wezen, niet waar? Het zou mij veel goed doen, als gij besluiten kondt tot iets dat ik weet, Louisa. Het zou een heerlijk ding voor mij zijn. Het zou allerpleizierigst voor mij wezen.”

Haar peinzenden blik verijdelde zijne listige nasporing. Hij kon uit haar gezicht niets opmaken. Hij drukte haar in zijn arm en gaf haar een kus op de wang. Zij beantwoordde den kus, maar bleef nog naar het vuur staren.

„Zeg eens, Louisa. Ik dacht dat ik eens moest aankomen en u even een wenk geven van wat er omgaat; hoewel ik dacht, dat gij het wel raden zoudt, al wist gij het niet zeker. Ik kan niet blijven, omdat ik van avond afspraak heb met eenige vrienden. Gij zult niet vergeten hoeveel gij van mij houdt?”

„Neen, lieve Tom, dat zal ik niet vergeten.”

„Gij zijt een best meisje,” zeide Tom. „Goedennacht, Louisa.”

Zij wenschte hem hartelijk een goedennacht en ging met hem naar de deur, waar men de fornuizen vanCoketownkon zien, die den hemel in de verte met een rooden gloed kleurden. Zij bleef daar staan, strak naar dat licht starende en naar zijne voetstappen luisterende. Zij verwijderden zich snel, alsof hij blijde was dat hijStone Lodgeachter den rug had; en zij bleef nog daar staan toen zij niets meer hoorde. Het scheen alsof zij, eerst in het vuur in haar eigen huis, en toen in den vurigen nevel in de verte, poogde te ontdekken, welk soort van webbe de oude Tijd, de grootste en langst gevestigde fabrikant van allen wel weven zou van de draden, die hij reeds tot eene volwassene vrouw gesponnen had. Maar zijne fabriek is eene geheime plaats, zijn werk maakt geen gerucht en zijne arbeiders zijn stom.


Back to IndexNext