XV.

XV.VADER EN DOCHTER.Hoewel mijnheer Gradgrind niet naar Blauwbaard aardde, had men zijne kamer toch wel de blauwe kamer mogen noemen, zulk eene menigte van blauwe boeken (de welbekende Parlements-rapporten met hunne blauwe omslagen) lag daar altijd voor de hand. Wat deze blauwe boeken maar konden bewijzen (en gewoonlijk is dit al wat men maar wil), bewezen zij daar in een leger, dat gedurig door de aankomst van nieuwe recruten werd versterkt. In dat betooverde vertrek werden de ingewikkeldste maatschappelijke quaestiën becijferd, tot juiste totale sommen gebracht en voorgoed afgedaan—als zij, die er in betrokken waren, het maar hadden willen gelooven. Alsof men een sterrenkundig observatorium zonder vensters had gemaakt, en de sterrenkundige daarbinnen het sterrenheelal enkel met pen, papier en inkt naar zijn zin in orde had gebracht, zoo behoefde mijnheer Gradgrind in zijn observatorium (en er zijn vele dergelijke) geen oog te werpen op de door elkander wemelende millioenen van menschelijke wezens om hem heen, maar kon al hunne aangelegenheden op een lei uitcijferen en al hunne tranen met een vochtig stukje spons wegvegen.Naar dit observatorium dus—een sombere kamer, met eene doodelijke statistieke klok er in, die elke seconde aftelde met een tik, alsof men op het deksel eener doodkist klopte—begaf zich Louisa op den bepaalden ochtend. Het venster zag naarCoketownuit; en toen zij zich aan de tafel van haar vader neerzette, zag zij de hooge schoorsteenen en de lange rookwimpels, die in de benevelde lucht zwaarmoedig voortkronkelden.„Lieve Louisa,” zeide haar vader, „ik heb er u gisteren op voorbereid om mij uwe ernstige aandacht te verleenen onder het gesprek, dat wij nu met elkander zullen houden. Gij zijt zoo wel onderwezen, en gij doet, tot mijn genoegen, zooveel eer aan de opvoeding, die gij ontvangen hebt, dat ik het volste vertrouwen stel in uw gezond verstand. Gij zijt niet hartstochtelijk, gij zijt niet romanesk; gij zijt gewend om alles uit het onpartijdig en onbevooroordeeld oogpunt van redeneering te beschouwen. Uit dat oogpunt alleen, weet ik wel, dat gij datgene, wat ik u nu ga mededeelen, zult beschouwen en overwegen.”Hij wachtte alsof hij gaarne had gewild dat zij iets zeide; maar zij sprak geen woord.„Louisa, kindlief, gij zijt het onderwerp van een huwelijksvoorstel, dat mij gedaan is.”Wederom wachtte hij, en wederom antwoordde zij geen enkel woord. Dit verraste hem zoozeer, dat hij zachtjes herhaalde: „Een huwelijksvoorstel, kindlief.” Waarop zij, zonder eenige zichtbare aandoening hoegenaamd, antwoordde:„Ik hoor u wel, vader. Ik luister met aandacht, dat verzeker ik u.”„Wel!” zeide mijnheer Gradgrind, tot een glimlach overgaande, nadat hij een oogenblik verlegen had gestaan, „gij zijt nog minder hartstochtelijk dan ik verwacht had, Louisa. Of misschien zijt gij niet onvoorbereid op het bericht, dat ik belast ben u te geven?”„Dat kan ik niet zeggen, vader, eer ik het hoor. Voorbereid of niet, ik wensch het alles van u te hooren. Ik wensch het u te hooren uiteenzetten, vader.”Hoe vreemd hetluidde, mijnheer Gradgrind was op ditoogenblikniet zoo bedaard als zijne dochter. Hij nam een papiermes in de hand,draaide het om en om, legde het neer, nam het weer op, en moest het toen nog een poos bekijken, terwijl hij zich bedacht hoe hij zou voortgaan.„Wat gij zegt, Louisa, is volkomen redelijk en billijk. Ik heb op mij genomen u te doen weten, dat—dat mijnheer Bounderby mij kennis heeft gegeven, dat hij uwe ontwikkeling langen tijd met bijzondere belangstelling en genoegen heeft gadegeslagen, en lang gehoopt heeft, dat eindelijk de tijd zou komen, wanneer hij u zijne hand ten huwelijk zou kunnen aanbieden. Die tijd, dien hij zoolang, en voorzeker met groote standvastigheid, heeft afgewacht, is nu gekomen. Mijnheer Bounderby heeft mij zijn huwelijksvoorstel gedaan, en hij heeft mij verzocht het u mede te deelen en zijne hoop te kennen te geven, dat gij het in gunstige overweging zult nemen.”Beiden zwegen—het tikken der doodelijk-statistieke klok klonk luid en hol—de rook in de verte dwarrelde woest en zwart.„Vader,” zeide Louisa, „denkt gij, dat ik mijnheer Bounderby liefheb?”Mijnheer Gradgrind werd door deze onverwachte vraag zeer uit het veld geslagen.„Wel, mijn kind,” antwoordde hij, „dat zou ik—waarlijk niet durven zeggen.”„Vader,” hervatte Louisa, met juist dezelfde stem als te voren, „eischt ge van mij, dat ik mijnheer Bounderby zal liefhebben?”„Neen, lieve Louisa, neen, ik eisch niets.”„Vader,” hernam zij weder, „eischt mijnheer Bounderby, dat ik hem zal liefhebben?”„Inderdaad, melieve,” antwoordde mijnheer Gradgrind, „het is moeielijk die vraag te beantwoorden...”„Moeielijk om er ja of neen op te antwoorden, vader?”„Zeker, melieve, omdat” (hier was iets te demonstreeren en dit hielp hem weder op weg) „omdat het antwoord geheel afhangt, Louisa, van den zin waarin men die uitdrukking gebruikt. Nu doet mijnheer Bounderby u zooveel onrecht niet aan, en ook zich zelven niet, om iets romanesks of hersenschimmigs, of (ik gebruik die woorden als synoniemen) of sentimenteels van u te verlangen. Mijnheer Bounderby zou u met zeer weinig nut onder zijne oogen hebben zien opgroeien, indien hij zoo ver kon vergeten wat hij aan u, om niet te zeggen aan zijn eigen gezond verstand, verschuldigd is, om u op zulk een voet aan zich te willen verbinden. Derhalve zal misschien de uitdrukking zelve—ik geef u dit maar in bedenking, lieve—een weinig misplaatst wezen.”„Welk woord zoudt ge mij raden, in plaats daarvan te gebruiken, vader?”„Wel, mijn lieve Louisa,” zeide mijnheer Gradgrind, die zich nu geheel hersteld had, „daar ge mij dit vraagt, zou ik u raden om dit onderwerp eenvoudig in het licht van een tastbaar feit te beschouwen, gelijk ik u alle andere dingen heb leeren beschouwen. Onkundige en ijlhoofdige jongelieden mogen zulke onderwerpen met onwezenlijke hersenschimmen en andere ongerijmdheden, die geen werkelijk bestaan hebben, verdonkeren, maar het is geen compliment u te zeggen, dat gij beter weet. Wat zijn nu de feiten in dit geval? Gij zijt, wij zullen maar een rond getal nemen, twintig jaren oud; mijnheer Bounderby, wij nemen wederom maar een rond getal, is vijftig. Er bestaat eenige ongelijkheid in uwe jaren, maar in uwe positie en middelen bestaat deze ongelijkheid niet; integendeel, daarin past alles zeer wel bij elkander. Dan komt de vraag: Is zulk eene ongelijkheid genoegzaam, om een beletsel voor zulk een huwelijk uit te maken? Bij het beschouwen dezer vraag is het niet ongewichtig, de statistiek van het huwelijk, gelijk men die inEngelandenWallisheeft opgemaakt, in overweging te nemen. Ik vind, wanneer ik de cijfers naga, dat een groot getal dezer huwelijken wordt aangegaan tusschen personen van zeer ongelijke jaren en dat bij meer dan drie vierden dezer voorbeelden de oudste der twee contracteerende partijen de bruidegom is. Het is opmerkelijk—daar het de uitgebreide heerschappij van dezen regel aantoont—dat de beste middelen van berekening, die ons nog door reizigers zijn geleverd, ook onder de inboorlingen der Engelsche bezittingen inIndië, in een aanzienlijk gedeelte vanChina, en bij de Kalmukken inTartarije, dergelijke uitkomsten geven. De ongelijkheid, die ik vermeld heb, houdt dus bijna op eene onmogelijkheid te zijn, is om zoo te zeggen als verdwenen.„Wat raadt gij dan, vader,” zeide Louisa, zonder dat hare strakke bedaardheid in het minst door die streelende uitkomsten werd geschokt, „dat ik in de plaats zal stellen voor de woorden, die ik zoo even heb gebruikt—voor die misplaatste uitdrukking?”„Louisa,” antwoordde haar vader, „het komt mij voor, dat niets duidelijker kan wezen. Als gij u stiptelijk bij de feiten bepaalt, is het feitelijke, dat gij u zelve afvraagt, dit: Vraagt mijnheer Bounderby mij om hem te trouwen? Ja, dat doet bij. De eenige overblijvende vraag is dan: Zal ik hem trouwen? Mij dunkt, dat niets duidelijker kan zijn dan dit.”„Zal ik hem trouwen?” herhaalde Louisa met groote bedaardheid.„Juist. En het is eene gerustheid voor mij, als uw vader, mijne lieve Louisa, te weten, dat gij die vraag niet in overweging gaat nemen met die dwaze aanwensels van denk- en levenswijze, die vele jonge vrouwen eigen zijn.”„Neen, vader,” antwoordde zij, „dat doe ik niet.”„Ik laat u nu voor u zelve oordeelen,” hervatte mijnheer Gradgrind. „Ik heb de zaak voorgesteld, gelijk zulke zaken gewoonlijk tusschen practische menschen voorgesteld worden; ik heb ze voorgesteld, gelijk de zaak tusschen uwe moeder en mij indertijd voorgesteld werd. Het overige, mijne lieve Louisa, staat aan u te beslissen.”„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).Van het begin af had zij hem strak zitten aanzien. Terwijl hij nu in zijn stoel achterover leunde en op zijne beurt zijne diepliggende oogen op haar vestigde, had hij misschien een weifelend oogenblik bij haar kunnen waarnemen, waarin zij eene aandrift gevoelde om zich aan zijne borst te werpen en het opgekropte vertrouwen van haar hart voor hem uit te storten. Maar om dit te zien, had hij zich met een sprong over de kunstmatige scheidsmuren moeten heenzetten, welke hij sedert vele jaren tusschen zich zelven en de fijne roerselen van het menschelijk gemoed, die alle rekenkunst teleurstellen, had opgericht. De scheidsmuren waren te veel en te hoog voor zulk een sprong. Hij zag hetniet. Met zijn strak rekenaarsgezicht verhardde hij haar weder; en het oogenblik snelde voorbij en stortte in de peillooze diepte van het verledene, om zich te vermengen met al de verlorene gelegenheden, die daar verdronken liggen.Hare oogen van hem afwendende, zat zij zoo lang in stilte naar de stad te turen, dat hij eindelijk zeide: „Raadpleegt gij de schoorsteenen van de fabrieken teCoketown, Louisa?”„Daar schijnt niets te wezen dan trage, eentonige rook. En toch, wanneer de nacht komt, barst het vuur uit, vader,” antwoordde zij, zich snel naar hem omkeerende.„Dat weet ik waarlijk wel, Louisa. Ik zie het toepasselijke van die aanmerking niet.” Om hem recht te doen, hij deed het waarlijk niet.Zij wuifde even met hare hand, alsof zij daarmede van de zaak wilde afstappen, en wederom hare aandacht op hem vestigende, zeide zij:„Vader, ik heb dikwijls gedacht, dat het leven zeer kort is.”Dit punt was zoo bepaald een der onderwerpen zijner studie, dat hij er dadelijk op inviel:„Het is kort zonder twijfel, melieve. Maar toch is het bewezen, dat de duur van het menschelijk leven over het algemeen in de laatste jaren verlengd is. De berekeningen van verschillende levensverzekerings-maatschappijen en kantoren van lijfrenten, onder andere cijfers, die niet kunnen missen, hebben dat feit bevestigd.”„Ik spreek van mijn eigen leven, vader.”„Ei zoo?” zeide mijnheer Gradgrind. „Maar ik zal u toch niet behoeven te zeggen, Louisa, dat dit beheerscht wordt door dezelfde wetten, die het leven in het algemeen beheerschen.”„Zoolang het duurt, zou ik wenschen dat weinige te doen wat ik kan en waartoe ik geschikt ben. Wat maakt het uit?”Mijnheer Gradgrind scheen niet wel te weten hoe hij de vier laatste woorden moest verstaan, en antwoordde: „Hoe uitmaken? Wat uitmaken, kindlief?”„Mijnheer Bounderby,” vervolgde zij op hare strakke, stroeve manier, zonder hierop te letten, „vraagt mij ten huwelijk. De vraag, die ik mij zelve te doen heb, is: Zal ik hem trouwen? Zoo is het, vader, niet waar? Gij hebt mij zoo gezegd, vader, hebt ge niet?”„Zekerlijk, kindlief.”„Laat het dan zoo zijn. Daar het mijnheer Bounderby behaagt mij te nemen, ben ik genegen om zijn voorslag te aanvaarden. Zeg hem, vader, zoo spoedig als het u belieft, dat dit mijn antwoord was. Breng het hem woord voor woord over, als ge kunt, want ik had gaarne dat hij wist wat ik zeide.”„Het is zeer goed, kindlief,” antwoordde haar vader weltevreden, „zeer goed om nauwkeurig te zijn. Ik zal uw zeer gepast verzoek in acht nemen. Hebt gij eenig verlangen, mijn kind, wat den tijd van het huwelijk betreft?”„Neen, vader. Wat maakt dat uit!”Mijnheer Gradgrind had zijn stoel een weinig naderbij geschoven en haar bij de hand gevat; maar de herhaling dezer woorden scheen hem wanluidend in het oor te klinken. Hij zag haar met bevreemding aan, en haar nog steeds bij de hand houdende, zeide hij:„Louisa, ik heb het niet van belang geacht u ééne vraag te doen, omdat de mogelijkheid, die zij vooronderstelde, mij al te ver verwijderd voorkwam. Maar misschien behoor ik haar toch te doen. Hebt gij ooit in het geheim eenig ander voorstel aangenomen?”„Vader,” antwoordde zij, bijna met verachting, „welk ander voorstel kon mij gedaan zijn? Wie heb ik gezien? Waar ben ik geweest? Welke ervaring heeft mijn hart gehad?”„Mijne lieve Louisa,” hervatte mijnheer Gradgrind gerustgesteld en tevreden, „gij hebt gelijk, dat ge mij zoo terecht wijst. Ik wenschte alleen aan mijn plicht te voldoen.”„Wat weet ik, vader,” zeide Louisa op haar bedaarden toon, „van smaak en verbeelding, van verlangens en neigingen, van eene plaats in mijn gemoed, waar zulke beuzelachtige dingen konden aangekweekt zijn? Wanneer ben ik ooit vrij geweest van problema’s, die men demonstreeren, en werkelijkheden, die men tasten kan?” Terwijl zij dit zeide, sloot zij onwillekeurig hare hand, alsof zij een tastbaar voorwerp greep, en opende ze weder langzaam, alsof zij er stof en asch uit liet vallen.„Zeer waar, kindlief, zeer waar,” zeide haar uitnemend practische vader.„Wel, vader,” vervolgde zij, „welk eene zonderlinge vraag dan ommijte doen! Zelfs de kinderlijke voorkeur, die ik gehoord heb dat bij kinderen gewoon is, heeft nooit hare onschuldige rustplaats in mijne borst gehad. Gij hebt zoo goed op mij gepast, dat ik nooit een kinderhart gehad heb. Gij hebt mij zoo goed onder tucht gehouden, dat ik nooit een kinderdroom heb gedroomd. Gij hebt zoo verstandig voor mij gezorgd, vader, dat ik, van mijne wieg af tot op dit uur, nooit kinderlijk geloof of kinderlijke vrees heb gekend.”„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).Mijnheer Gradgrind was opgetogen en aangedaan over den gelukkigen uitslag van zijn opvoedingsstelsel en deze getuigenis daarvan.„Mijne lieve Louisa,” zeide hij, „gij beloont mij rijkelijk voor al mijne zorg. Geef mij een kus, meisjelief.”Zijne dochter gaf hem een kus. En haar in zijne armen houdende, vervolgde hij:„Ik mag u nu verzekeren, mijn geliefkoosd kind, dat het verstandige besluit, waartoe gij gekomen zijt, mij gelukkig maakt. Mijnheer Bounderby is een uitstekend man: en welke kleine ongelijkheid men ook tusschen u kan vinden—indien er eenige bestaat—zij wordt meer dan opgewogen door de stemming, die uw gemoed heeft verkregen. Het is altijd mijndoel geweest u zoo op te voeden, dat gij, terwijl gij nog in uwe prille jeugd waart (als ikmij zoo mag uitdrukken) bijna stokoud zoudt wezen. Geef mij nog een kus, Louisa. En laten wij nu uwe moeder gaan opzoeken.”Zij gingen naar het salon, waar de achtenswaardige dame, die van geene malligheid wist, volgens gewoonte op eene sofa lag, terwijl Sissy bij haar zat te werken. Toen zij binnenkwamen, gaf zij eenige flauwe teekenen van herleving, en weldra kwam het schemerachtige damesportret overeind.„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot, die met eenig ongeduld naar het volbrengen van dit kunststuk had gewacht, „laat ik u mevrouw Bounderby mogen presenteeren.”„Zoo!” zeide mevrouw Gradgrind; „dus hebt gij het in orde gebracht? Nu, Louisa, ik hoop, dat gij eene goede gezondheid moogt houden; want als uw hoofd begint te splijten zoodra gij getrouwd zijt, gelijk met het mijne gebeurd is, kan ik u niet benijdenswaardig vinden, hoewel gij dat nu zeker doet, evenals alle meisjes. Evenwel, ik feliciteer u, kindlief,—en ik hoop, dat gij nu nut zult hebben van al uwe ologische studiën, dat doe ik. Ik moet u een felicitatie-kus geven, Louisa; maar raak mijn rechterschouder niet aan, want het is mij al den geheelen dag alsof er ik weet niet wat langs loopt. En nu, ziet ge,” vervolgde zij op een jammerenden toon, terwijl zij na den afloop der aandoenlijke plechtigheid hare shawls weder terecht schikte, „zal ik mij zelve nacht en dag, ochtend en avond moeten martelen, om te weten hoe ik hem zal moeten noemen!”„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot op plechtigen toon, „wat meent gij?”„Hoe ik hem zal moeten noemen, mijnheer Gradgrind, als hij met Louisa getrouwd is. Ik moet hem toch iets noemen. Het is onmogelijk,” vervolgde mevrouw Gradgrind, met eene mengeling van beleefdheid en wreveligheid, „hem gedurig aan te spreken en hem nooit een naam te geven. Ik kan hem geen Josiah noemen, want die naam is mij onuitstaanbaar. Gij zoudt niet van Joe willen hooren, dat weet ge zelf wel. Zal ik mijn eigen schoonzoon dan mijnheer moeten noemen? Ik geloof van neen, of de tijd moet gekomen zijn, dat ik als eene arme zieke door mijne betrekkingen vertrapt moet worden. Hoe zal ik hem dan moeten noemen?”Daar geen der aanwezigen in deze buitengewone verlegenheid eenigen raad had aan te bieden, liet mevrouw Gradgrind zich voorshands weder in hare levenloosheid verzinken, nadat zij bij het reeds gezegde nog het volgende codicil had gevoegd:„Wat de bruiloft betreft, Louisa, is al wat ik vraag—en dat vraag ik met eene hartklopping, die ik tot in mijne teenen voel—dat zij spoedig mag plaats hebben. Anders weet ik wel, dat zij weder een van die dingen zal zijn, waarvan ik nooit het einde zal hooren.”Toen mijnheer Gradgrind zijne dochter als mevrouw Bounderby presenteerde, hief Sissy eensklaps haar hoofd op en zag Louisa met eene mengeling van aandoeningen aan—verwondering, medelijden, spijt en twijfel. Louisa had dit opgemerkt zonder haar aan te zien. Van dit oogenblik af was zij stug, koud en trotsch—hield zij Sissy op een afstand—en was voor deze geheel veranderd.

XV.VADER EN DOCHTER.Hoewel mijnheer Gradgrind niet naar Blauwbaard aardde, had men zijne kamer toch wel de blauwe kamer mogen noemen, zulk eene menigte van blauwe boeken (de welbekende Parlements-rapporten met hunne blauwe omslagen) lag daar altijd voor de hand. Wat deze blauwe boeken maar konden bewijzen (en gewoonlijk is dit al wat men maar wil), bewezen zij daar in een leger, dat gedurig door de aankomst van nieuwe recruten werd versterkt. In dat betooverde vertrek werden de ingewikkeldste maatschappelijke quaestiën becijferd, tot juiste totale sommen gebracht en voorgoed afgedaan—als zij, die er in betrokken waren, het maar hadden willen gelooven. Alsof men een sterrenkundig observatorium zonder vensters had gemaakt, en de sterrenkundige daarbinnen het sterrenheelal enkel met pen, papier en inkt naar zijn zin in orde had gebracht, zoo behoefde mijnheer Gradgrind in zijn observatorium (en er zijn vele dergelijke) geen oog te werpen op de door elkander wemelende millioenen van menschelijke wezens om hem heen, maar kon al hunne aangelegenheden op een lei uitcijferen en al hunne tranen met een vochtig stukje spons wegvegen.Naar dit observatorium dus—een sombere kamer, met eene doodelijke statistieke klok er in, die elke seconde aftelde met een tik, alsof men op het deksel eener doodkist klopte—begaf zich Louisa op den bepaalden ochtend. Het venster zag naarCoketownuit; en toen zij zich aan de tafel van haar vader neerzette, zag zij de hooge schoorsteenen en de lange rookwimpels, die in de benevelde lucht zwaarmoedig voortkronkelden.„Lieve Louisa,” zeide haar vader, „ik heb er u gisteren op voorbereid om mij uwe ernstige aandacht te verleenen onder het gesprek, dat wij nu met elkander zullen houden. Gij zijt zoo wel onderwezen, en gij doet, tot mijn genoegen, zooveel eer aan de opvoeding, die gij ontvangen hebt, dat ik het volste vertrouwen stel in uw gezond verstand. Gij zijt niet hartstochtelijk, gij zijt niet romanesk; gij zijt gewend om alles uit het onpartijdig en onbevooroordeeld oogpunt van redeneering te beschouwen. Uit dat oogpunt alleen, weet ik wel, dat gij datgene, wat ik u nu ga mededeelen, zult beschouwen en overwegen.”Hij wachtte alsof hij gaarne had gewild dat zij iets zeide; maar zij sprak geen woord.„Louisa, kindlief, gij zijt het onderwerp van een huwelijksvoorstel, dat mij gedaan is.”Wederom wachtte hij, en wederom antwoordde zij geen enkel woord. Dit verraste hem zoozeer, dat hij zachtjes herhaalde: „Een huwelijksvoorstel, kindlief.” Waarop zij, zonder eenige zichtbare aandoening hoegenaamd, antwoordde:„Ik hoor u wel, vader. Ik luister met aandacht, dat verzeker ik u.”„Wel!” zeide mijnheer Gradgrind, tot een glimlach overgaande, nadat hij een oogenblik verlegen had gestaan, „gij zijt nog minder hartstochtelijk dan ik verwacht had, Louisa. Of misschien zijt gij niet onvoorbereid op het bericht, dat ik belast ben u te geven?”„Dat kan ik niet zeggen, vader, eer ik het hoor. Voorbereid of niet, ik wensch het alles van u te hooren. Ik wensch het u te hooren uiteenzetten, vader.”Hoe vreemd hetluidde, mijnheer Gradgrind was op ditoogenblikniet zoo bedaard als zijne dochter. Hij nam een papiermes in de hand,draaide het om en om, legde het neer, nam het weer op, en moest het toen nog een poos bekijken, terwijl hij zich bedacht hoe hij zou voortgaan.„Wat gij zegt, Louisa, is volkomen redelijk en billijk. Ik heb op mij genomen u te doen weten, dat—dat mijnheer Bounderby mij kennis heeft gegeven, dat hij uwe ontwikkeling langen tijd met bijzondere belangstelling en genoegen heeft gadegeslagen, en lang gehoopt heeft, dat eindelijk de tijd zou komen, wanneer hij u zijne hand ten huwelijk zou kunnen aanbieden. Die tijd, dien hij zoolang, en voorzeker met groote standvastigheid, heeft afgewacht, is nu gekomen. Mijnheer Bounderby heeft mij zijn huwelijksvoorstel gedaan, en hij heeft mij verzocht het u mede te deelen en zijne hoop te kennen te geven, dat gij het in gunstige overweging zult nemen.”Beiden zwegen—het tikken der doodelijk-statistieke klok klonk luid en hol—de rook in de verte dwarrelde woest en zwart.„Vader,” zeide Louisa, „denkt gij, dat ik mijnheer Bounderby liefheb?”Mijnheer Gradgrind werd door deze onverwachte vraag zeer uit het veld geslagen.„Wel, mijn kind,” antwoordde hij, „dat zou ik—waarlijk niet durven zeggen.”„Vader,” hervatte Louisa, met juist dezelfde stem als te voren, „eischt ge van mij, dat ik mijnheer Bounderby zal liefhebben?”„Neen, lieve Louisa, neen, ik eisch niets.”„Vader,” hernam zij weder, „eischt mijnheer Bounderby, dat ik hem zal liefhebben?”„Inderdaad, melieve,” antwoordde mijnheer Gradgrind, „het is moeielijk die vraag te beantwoorden...”„Moeielijk om er ja of neen op te antwoorden, vader?”„Zeker, melieve, omdat” (hier was iets te demonstreeren en dit hielp hem weder op weg) „omdat het antwoord geheel afhangt, Louisa, van den zin waarin men die uitdrukking gebruikt. Nu doet mijnheer Bounderby u zooveel onrecht niet aan, en ook zich zelven niet, om iets romanesks of hersenschimmigs, of (ik gebruik die woorden als synoniemen) of sentimenteels van u te verlangen. Mijnheer Bounderby zou u met zeer weinig nut onder zijne oogen hebben zien opgroeien, indien hij zoo ver kon vergeten wat hij aan u, om niet te zeggen aan zijn eigen gezond verstand, verschuldigd is, om u op zulk een voet aan zich te willen verbinden. Derhalve zal misschien de uitdrukking zelve—ik geef u dit maar in bedenking, lieve—een weinig misplaatst wezen.”„Welk woord zoudt ge mij raden, in plaats daarvan te gebruiken, vader?”„Wel, mijn lieve Louisa,” zeide mijnheer Gradgrind, die zich nu geheel hersteld had, „daar ge mij dit vraagt, zou ik u raden om dit onderwerp eenvoudig in het licht van een tastbaar feit te beschouwen, gelijk ik u alle andere dingen heb leeren beschouwen. Onkundige en ijlhoofdige jongelieden mogen zulke onderwerpen met onwezenlijke hersenschimmen en andere ongerijmdheden, die geen werkelijk bestaan hebben, verdonkeren, maar het is geen compliment u te zeggen, dat gij beter weet. Wat zijn nu de feiten in dit geval? Gij zijt, wij zullen maar een rond getal nemen, twintig jaren oud; mijnheer Bounderby, wij nemen wederom maar een rond getal, is vijftig. Er bestaat eenige ongelijkheid in uwe jaren, maar in uwe positie en middelen bestaat deze ongelijkheid niet; integendeel, daarin past alles zeer wel bij elkander. Dan komt de vraag: Is zulk eene ongelijkheid genoegzaam, om een beletsel voor zulk een huwelijk uit te maken? Bij het beschouwen dezer vraag is het niet ongewichtig, de statistiek van het huwelijk, gelijk men die inEngelandenWallisheeft opgemaakt, in overweging te nemen. Ik vind, wanneer ik de cijfers naga, dat een groot getal dezer huwelijken wordt aangegaan tusschen personen van zeer ongelijke jaren en dat bij meer dan drie vierden dezer voorbeelden de oudste der twee contracteerende partijen de bruidegom is. Het is opmerkelijk—daar het de uitgebreide heerschappij van dezen regel aantoont—dat de beste middelen van berekening, die ons nog door reizigers zijn geleverd, ook onder de inboorlingen der Engelsche bezittingen inIndië, in een aanzienlijk gedeelte vanChina, en bij de Kalmukken inTartarije, dergelijke uitkomsten geven. De ongelijkheid, die ik vermeld heb, houdt dus bijna op eene onmogelijkheid te zijn, is om zoo te zeggen als verdwenen.„Wat raadt gij dan, vader,” zeide Louisa, zonder dat hare strakke bedaardheid in het minst door die streelende uitkomsten werd geschokt, „dat ik in de plaats zal stellen voor de woorden, die ik zoo even heb gebruikt—voor die misplaatste uitdrukking?”„Louisa,” antwoordde haar vader, „het komt mij voor, dat niets duidelijker kan wezen. Als gij u stiptelijk bij de feiten bepaalt, is het feitelijke, dat gij u zelve afvraagt, dit: Vraagt mijnheer Bounderby mij om hem te trouwen? Ja, dat doet bij. De eenige overblijvende vraag is dan: Zal ik hem trouwen? Mij dunkt, dat niets duidelijker kan zijn dan dit.”„Zal ik hem trouwen?” herhaalde Louisa met groote bedaardheid.„Juist. En het is eene gerustheid voor mij, als uw vader, mijne lieve Louisa, te weten, dat gij die vraag niet in overweging gaat nemen met die dwaze aanwensels van denk- en levenswijze, die vele jonge vrouwen eigen zijn.”„Neen, vader,” antwoordde zij, „dat doe ik niet.”„Ik laat u nu voor u zelve oordeelen,” hervatte mijnheer Gradgrind. „Ik heb de zaak voorgesteld, gelijk zulke zaken gewoonlijk tusschen practische menschen voorgesteld worden; ik heb ze voorgesteld, gelijk de zaak tusschen uwe moeder en mij indertijd voorgesteld werd. Het overige, mijne lieve Louisa, staat aan u te beslissen.”„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).Van het begin af had zij hem strak zitten aanzien. Terwijl hij nu in zijn stoel achterover leunde en op zijne beurt zijne diepliggende oogen op haar vestigde, had hij misschien een weifelend oogenblik bij haar kunnen waarnemen, waarin zij eene aandrift gevoelde om zich aan zijne borst te werpen en het opgekropte vertrouwen van haar hart voor hem uit te storten. Maar om dit te zien, had hij zich met een sprong over de kunstmatige scheidsmuren moeten heenzetten, welke hij sedert vele jaren tusschen zich zelven en de fijne roerselen van het menschelijk gemoed, die alle rekenkunst teleurstellen, had opgericht. De scheidsmuren waren te veel en te hoog voor zulk een sprong. Hij zag hetniet. Met zijn strak rekenaarsgezicht verhardde hij haar weder; en het oogenblik snelde voorbij en stortte in de peillooze diepte van het verledene, om zich te vermengen met al de verlorene gelegenheden, die daar verdronken liggen.Hare oogen van hem afwendende, zat zij zoo lang in stilte naar de stad te turen, dat hij eindelijk zeide: „Raadpleegt gij de schoorsteenen van de fabrieken teCoketown, Louisa?”„Daar schijnt niets te wezen dan trage, eentonige rook. En toch, wanneer de nacht komt, barst het vuur uit, vader,” antwoordde zij, zich snel naar hem omkeerende.„Dat weet ik waarlijk wel, Louisa. Ik zie het toepasselijke van die aanmerking niet.” Om hem recht te doen, hij deed het waarlijk niet.Zij wuifde even met hare hand, alsof zij daarmede van de zaak wilde afstappen, en wederom hare aandacht op hem vestigende, zeide zij:„Vader, ik heb dikwijls gedacht, dat het leven zeer kort is.”Dit punt was zoo bepaald een der onderwerpen zijner studie, dat hij er dadelijk op inviel:„Het is kort zonder twijfel, melieve. Maar toch is het bewezen, dat de duur van het menschelijk leven over het algemeen in de laatste jaren verlengd is. De berekeningen van verschillende levensverzekerings-maatschappijen en kantoren van lijfrenten, onder andere cijfers, die niet kunnen missen, hebben dat feit bevestigd.”„Ik spreek van mijn eigen leven, vader.”„Ei zoo?” zeide mijnheer Gradgrind. „Maar ik zal u toch niet behoeven te zeggen, Louisa, dat dit beheerscht wordt door dezelfde wetten, die het leven in het algemeen beheerschen.”„Zoolang het duurt, zou ik wenschen dat weinige te doen wat ik kan en waartoe ik geschikt ben. Wat maakt het uit?”Mijnheer Gradgrind scheen niet wel te weten hoe hij de vier laatste woorden moest verstaan, en antwoordde: „Hoe uitmaken? Wat uitmaken, kindlief?”„Mijnheer Bounderby,” vervolgde zij op hare strakke, stroeve manier, zonder hierop te letten, „vraagt mij ten huwelijk. De vraag, die ik mij zelve te doen heb, is: Zal ik hem trouwen? Zoo is het, vader, niet waar? Gij hebt mij zoo gezegd, vader, hebt ge niet?”„Zekerlijk, kindlief.”„Laat het dan zoo zijn. Daar het mijnheer Bounderby behaagt mij te nemen, ben ik genegen om zijn voorslag te aanvaarden. Zeg hem, vader, zoo spoedig als het u belieft, dat dit mijn antwoord was. Breng het hem woord voor woord over, als ge kunt, want ik had gaarne dat hij wist wat ik zeide.”„Het is zeer goed, kindlief,” antwoordde haar vader weltevreden, „zeer goed om nauwkeurig te zijn. Ik zal uw zeer gepast verzoek in acht nemen. Hebt gij eenig verlangen, mijn kind, wat den tijd van het huwelijk betreft?”„Neen, vader. Wat maakt dat uit!”Mijnheer Gradgrind had zijn stoel een weinig naderbij geschoven en haar bij de hand gevat; maar de herhaling dezer woorden scheen hem wanluidend in het oor te klinken. Hij zag haar met bevreemding aan, en haar nog steeds bij de hand houdende, zeide hij:„Louisa, ik heb het niet van belang geacht u ééne vraag te doen, omdat de mogelijkheid, die zij vooronderstelde, mij al te ver verwijderd voorkwam. Maar misschien behoor ik haar toch te doen. Hebt gij ooit in het geheim eenig ander voorstel aangenomen?”„Vader,” antwoordde zij, bijna met verachting, „welk ander voorstel kon mij gedaan zijn? Wie heb ik gezien? Waar ben ik geweest? Welke ervaring heeft mijn hart gehad?”„Mijne lieve Louisa,” hervatte mijnheer Gradgrind gerustgesteld en tevreden, „gij hebt gelijk, dat ge mij zoo terecht wijst. Ik wenschte alleen aan mijn plicht te voldoen.”„Wat weet ik, vader,” zeide Louisa op haar bedaarden toon, „van smaak en verbeelding, van verlangens en neigingen, van eene plaats in mijn gemoed, waar zulke beuzelachtige dingen konden aangekweekt zijn? Wanneer ben ik ooit vrij geweest van problema’s, die men demonstreeren, en werkelijkheden, die men tasten kan?” Terwijl zij dit zeide, sloot zij onwillekeurig hare hand, alsof zij een tastbaar voorwerp greep, en opende ze weder langzaam, alsof zij er stof en asch uit liet vallen.„Zeer waar, kindlief, zeer waar,” zeide haar uitnemend practische vader.„Wel, vader,” vervolgde zij, „welk eene zonderlinge vraag dan ommijte doen! Zelfs de kinderlijke voorkeur, die ik gehoord heb dat bij kinderen gewoon is, heeft nooit hare onschuldige rustplaats in mijne borst gehad. Gij hebt zoo goed op mij gepast, dat ik nooit een kinderhart gehad heb. Gij hebt mij zoo goed onder tucht gehouden, dat ik nooit een kinderdroom heb gedroomd. Gij hebt zoo verstandig voor mij gezorgd, vader, dat ik, van mijne wieg af tot op dit uur, nooit kinderlijk geloof of kinderlijke vrees heb gekend.”„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).Mijnheer Gradgrind was opgetogen en aangedaan over den gelukkigen uitslag van zijn opvoedingsstelsel en deze getuigenis daarvan.„Mijne lieve Louisa,” zeide hij, „gij beloont mij rijkelijk voor al mijne zorg. Geef mij een kus, meisjelief.”Zijne dochter gaf hem een kus. En haar in zijne armen houdende, vervolgde hij:„Ik mag u nu verzekeren, mijn geliefkoosd kind, dat het verstandige besluit, waartoe gij gekomen zijt, mij gelukkig maakt. Mijnheer Bounderby is een uitstekend man: en welke kleine ongelijkheid men ook tusschen u kan vinden—indien er eenige bestaat—zij wordt meer dan opgewogen door de stemming, die uw gemoed heeft verkregen. Het is altijd mijndoel geweest u zoo op te voeden, dat gij, terwijl gij nog in uwe prille jeugd waart (als ikmij zoo mag uitdrukken) bijna stokoud zoudt wezen. Geef mij nog een kus, Louisa. En laten wij nu uwe moeder gaan opzoeken.”Zij gingen naar het salon, waar de achtenswaardige dame, die van geene malligheid wist, volgens gewoonte op eene sofa lag, terwijl Sissy bij haar zat te werken. Toen zij binnenkwamen, gaf zij eenige flauwe teekenen van herleving, en weldra kwam het schemerachtige damesportret overeind.„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot, die met eenig ongeduld naar het volbrengen van dit kunststuk had gewacht, „laat ik u mevrouw Bounderby mogen presenteeren.”„Zoo!” zeide mevrouw Gradgrind; „dus hebt gij het in orde gebracht? Nu, Louisa, ik hoop, dat gij eene goede gezondheid moogt houden; want als uw hoofd begint te splijten zoodra gij getrouwd zijt, gelijk met het mijne gebeurd is, kan ik u niet benijdenswaardig vinden, hoewel gij dat nu zeker doet, evenals alle meisjes. Evenwel, ik feliciteer u, kindlief,—en ik hoop, dat gij nu nut zult hebben van al uwe ologische studiën, dat doe ik. Ik moet u een felicitatie-kus geven, Louisa; maar raak mijn rechterschouder niet aan, want het is mij al den geheelen dag alsof er ik weet niet wat langs loopt. En nu, ziet ge,” vervolgde zij op een jammerenden toon, terwijl zij na den afloop der aandoenlijke plechtigheid hare shawls weder terecht schikte, „zal ik mij zelve nacht en dag, ochtend en avond moeten martelen, om te weten hoe ik hem zal moeten noemen!”„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot op plechtigen toon, „wat meent gij?”„Hoe ik hem zal moeten noemen, mijnheer Gradgrind, als hij met Louisa getrouwd is. Ik moet hem toch iets noemen. Het is onmogelijk,” vervolgde mevrouw Gradgrind, met eene mengeling van beleefdheid en wreveligheid, „hem gedurig aan te spreken en hem nooit een naam te geven. Ik kan hem geen Josiah noemen, want die naam is mij onuitstaanbaar. Gij zoudt niet van Joe willen hooren, dat weet ge zelf wel. Zal ik mijn eigen schoonzoon dan mijnheer moeten noemen? Ik geloof van neen, of de tijd moet gekomen zijn, dat ik als eene arme zieke door mijne betrekkingen vertrapt moet worden. Hoe zal ik hem dan moeten noemen?”Daar geen der aanwezigen in deze buitengewone verlegenheid eenigen raad had aan te bieden, liet mevrouw Gradgrind zich voorshands weder in hare levenloosheid verzinken, nadat zij bij het reeds gezegde nog het volgende codicil had gevoegd:„Wat de bruiloft betreft, Louisa, is al wat ik vraag—en dat vraag ik met eene hartklopping, die ik tot in mijne teenen voel—dat zij spoedig mag plaats hebben. Anders weet ik wel, dat zij weder een van die dingen zal zijn, waarvan ik nooit het einde zal hooren.”Toen mijnheer Gradgrind zijne dochter als mevrouw Bounderby presenteerde, hief Sissy eensklaps haar hoofd op en zag Louisa met eene mengeling van aandoeningen aan—verwondering, medelijden, spijt en twijfel. Louisa had dit opgemerkt zonder haar aan te zien. Van dit oogenblik af was zij stug, koud en trotsch—hield zij Sissy op een afstand—en was voor deze geheel veranderd.

XV.VADER EN DOCHTER.Hoewel mijnheer Gradgrind niet naar Blauwbaard aardde, had men zijne kamer toch wel de blauwe kamer mogen noemen, zulk eene menigte van blauwe boeken (de welbekende Parlements-rapporten met hunne blauwe omslagen) lag daar altijd voor de hand. Wat deze blauwe boeken maar konden bewijzen (en gewoonlijk is dit al wat men maar wil), bewezen zij daar in een leger, dat gedurig door de aankomst van nieuwe recruten werd versterkt. In dat betooverde vertrek werden de ingewikkeldste maatschappelijke quaestiën becijferd, tot juiste totale sommen gebracht en voorgoed afgedaan—als zij, die er in betrokken waren, het maar hadden willen gelooven. Alsof men een sterrenkundig observatorium zonder vensters had gemaakt, en de sterrenkundige daarbinnen het sterrenheelal enkel met pen, papier en inkt naar zijn zin in orde had gebracht, zoo behoefde mijnheer Gradgrind in zijn observatorium (en er zijn vele dergelijke) geen oog te werpen op de door elkander wemelende millioenen van menschelijke wezens om hem heen, maar kon al hunne aangelegenheden op een lei uitcijferen en al hunne tranen met een vochtig stukje spons wegvegen.Naar dit observatorium dus—een sombere kamer, met eene doodelijke statistieke klok er in, die elke seconde aftelde met een tik, alsof men op het deksel eener doodkist klopte—begaf zich Louisa op den bepaalden ochtend. Het venster zag naarCoketownuit; en toen zij zich aan de tafel van haar vader neerzette, zag zij de hooge schoorsteenen en de lange rookwimpels, die in de benevelde lucht zwaarmoedig voortkronkelden.„Lieve Louisa,” zeide haar vader, „ik heb er u gisteren op voorbereid om mij uwe ernstige aandacht te verleenen onder het gesprek, dat wij nu met elkander zullen houden. Gij zijt zoo wel onderwezen, en gij doet, tot mijn genoegen, zooveel eer aan de opvoeding, die gij ontvangen hebt, dat ik het volste vertrouwen stel in uw gezond verstand. Gij zijt niet hartstochtelijk, gij zijt niet romanesk; gij zijt gewend om alles uit het onpartijdig en onbevooroordeeld oogpunt van redeneering te beschouwen. Uit dat oogpunt alleen, weet ik wel, dat gij datgene, wat ik u nu ga mededeelen, zult beschouwen en overwegen.”Hij wachtte alsof hij gaarne had gewild dat zij iets zeide; maar zij sprak geen woord.„Louisa, kindlief, gij zijt het onderwerp van een huwelijksvoorstel, dat mij gedaan is.”Wederom wachtte hij, en wederom antwoordde zij geen enkel woord. Dit verraste hem zoozeer, dat hij zachtjes herhaalde: „Een huwelijksvoorstel, kindlief.” Waarop zij, zonder eenige zichtbare aandoening hoegenaamd, antwoordde:„Ik hoor u wel, vader. Ik luister met aandacht, dat verzeker ik u.”„Wel!” zeide mijnheer Gradgrind, tot een glimlach overgaande, nadat hij een oogenblik verlegen had gestaan, „gij zijt nog minder hartstochtelijk dan ik verwacht had, Louisa. Of misschien zijt gij niet onvoorbereid op het bericht, dat ik belast ben u te geven?”„Dat kan ik niet zeggen, vader, eer ik het hoor. Voorbereid of niet, ik wensch het alles van u te hooren. Ik wensch het u te hooren uiteenzetten, vader.”Hoe vreemd hetluidde, mijnheer Gradgrind was op ditoogenblikniet zoo bedaard als zijne dochter. Hij nam een papiermes in de hand,draaide het om en om, legde het neer, nam het weer op, en moest het toen nog een poos bekijken, terwijl hij zich bedacht hoe hij zou voortgaan.„Wat gij zegt, Louisa, is volkomen redelijk en billijk. Ik heb op mij genomen u te doen weten, dat—dat mijnheer Bounderby mij kennis heeft gegeven, dat hij uwe ontwikkeling langen tijd met bijzondere belangstelling en genoegen heeft gadegeslagen, en lang gehoopt heeft, dat eindelijk de tijd zou komen, wanneer hij u zijne hand ten huwelijk zou kunnen aanbieden. Die tijd, dien hij zoolang, en voorzeker met groote standvastigheid, heeft afgewacht, is nu gekomen. Mijnheer Bounderby heeft mij zijn huwelijksvoorstel gedaan, en hij heeft mij verzocht het u mede te deelen en zijne hoop te kennen te geven, dat gij het in gunstige overweging zult nemen.”Beiden zwegen—het tikken der doodelijk-statistieke klok klonk luid en hol—de rook in de verte dwarrelde woest en zwart.„Vader,” zeide Louisa, „denkt gij, dat ik mijnheer Bounderby liefheb?”Mijnheer Gradgrind werd door deze onverwachte vraag zeer uit het veld geslagen.„Wel, mijn kind,” antwoordde hij, „dat zou ik—waarlijk niet durven zeggen.”„Vader,” hervatte Louisa, met juist dezelfde stem als te voren, „eischt ge van mij, dat ik mijnheer Bounderby zal liefhebben?”„Neen, lieve Louisa, neen, ik eisch niets.”„Vader,” hernam zij weder, „eischt mijnheer Bounderby, dat ik hem zal liefhebben?”„Inderdaad, melieve,” antwoordde mijnheer Gradgrind, „het is moeielijk die vraag te beantwoorden...”„Moeielijk om er ja of neen op te antwoorden, vader?”„Zeker, melieve, omdat” (hier was iets te demonstreeren en dit hielp hem weder op weg) „omdat het antwoord geheel afhangt, Louisa, van den zin waarin men die uitdrukking gebruikt. Nu doet mijnheer Bounderby u zooveel onrecht niet aan, en ook zich zelven niet, om iets romanesks of hersenschimmigs, of (ik gebruik die woorden als synoniemen) of sentimenteels van u te verlangen. Mijnheer Bounderby zou u met zeer weinig nut onder zijne oogen hebben zien opgroeien, indien hij zoo ver kon vergeten wat hij aan u, om niet te zeggen aan zijn eigen gezond verstand, verschuldigd is, om u op zulk een voet aan zich te willen verbinden. Derhalve zal misschien de uitdrukking zelve—ik geef u dit maar in bedenking, lieve—een weinig misplaatst wezen.”„Welk woord zoudt ge mij raden, in plaats daarvan te gebruiken, vader?”„Wel, mijn lieve Louisa,” zeide mijnheer Gradgrind, die zich nu geheel hersteld had, „daar ge mij dit vraagt, zou ik u raden om dit onderwerp eenvoudig in het licht van een tastbaar feit te beschouwen, gelijk ik u alle andere dingen heb leeren beschouwen. Onkundige en ijlhoofdige jongelieden mogen zulke onderwerpen met onwezenlijke hersenschimmen en andere ongerijmdheden, die geen werkelijk bestaan hebben, verdonkeren, maar het is geen compliment u te zeggen, dat gij beter weet. Wat zijn nu de feiten in dit geval? Gij zijt, wij zullen maar een rond getal nemen, twintig jaren oud; mijnheer Bounderby, wij nemen wederom maar een rond getal, is vijftig. Er bestaat eenige ongelijkheid in uwe jaren, maar in uwe positie en middelen bestaat deze ongelijkheid niet; integendeel, daarin past alles zeer wel bij elkander. Dan komt de vraag: Is zulk eene ongelijkheid genoegzaam, om een beletsel voor zulk een huwelijk uit te maken? Bij het beschouwen dezer vraag is het niet ongewichtig, de statistiek van het huwelijk, gelijk men die inEngelandenWallisheeft opgemaakt, in overweging te nemen. Ik vind, wanneer ik de cijfers naga, dat een groot getal dezer huwelijken wordt aangegaan tusschen personen van zeer ongelijke jaren en dat bij meer dan drie vierden dezer voorbeelden de oudste der twee contracteerende partijen de bruidegom is. Het is opmerkelijk—daar het de uitgebreide heerschappij van dezen regel aantoont—dat de beste middelen van berekening, die ons nog door reizigers zijn geleverd, ook onder de inboorlingen der Engelsche bezittingen inIndië, in een aanzienlijk gedeelte vanChina, en bij de Kalmukken inTartarije, dergelijke uitkomsten geven. De ongelijkheid, die ik vermeld heb, houdt dus bijna op eene onmogelijkheid te zijn, is om zoo te zeggen als verdwenen.„Wat raadt gij dan, vader,” zeide Louisa, zonder dat hare strakke bedaardheid in het minst door die streelende uitkomsten werd geschokt, „dat ik in de plaats zal stellen voor de woorden, die ik zoo even heb gebruikt—voor die misplaatste uitdrukking?”„Louisa,” antwoordde haar vader, „het komt mij voor, dat niets duidelijker kan wezen. Als gij u stiptelijk bij de feiten bepaalt, is het feitelijke, dat gij u zelve afvraagt, dit: Vraagt mijnheer Bounderby mij om hem te trouwen? Ja, dat doet bij. De eenige overblijvende vraag is dan: Zal ik hem trouwen? Mij dunkt, dat niets duidelijker kan zijn dan dit.”„Zal ik hem trouwen?” herhaalde Louisa met groote bedaardheid.„Juist. En het is eene gerustheid voor mij, als uw vader, mijne lieve Louisa, te weten, dat gij die vraag niet in overweging gaat nemen met die dwaze aanwensels van denk- en levenswijze, die vele jonge vrouwen eigen zijn.”„Neen, vader,” antwoordde zij, „dat doe ik niet.”„Ik laat u nu voor u zelve oordeelen,” hervatte mijnheer Gradgrind. „Ik heb de zaak voorgesteld, gelijk zulke zaken gewoonlijk tusschen practische menschen voorgesteld worden; ik heb ze voorgesteld, gelijk de zaak tusschen uwe moeder en mij indertijd voorgesteld werd. Het overige, mijne lieve Louisa, staat aan u te beslissen.”„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).Van het begin af had zij hem strak zitten aanzien. Terwijl hij nu in zijn stoel achterover leunde en op zijne beurt zijne diepliggende oogen op haar vestigde, had hij misschien een weifelend oogenblik bij haar kunnen waarnemen, waarin zij eene aandrift gevoelde om zich aan zijne borst te werpen en het opgekropte vertrouwen van haar hart voor hem uit te storten. Maar om dit te zien, had hij zich met een sprong over de kunstmatige scheidsmuren moeten heenzetten, welke hij sedert vele jaren tusschen zich zelven en de fijne roerselen van het menschelijk gemoed, die alle rekenkunst teleurstellen, had opgericht. De scheidsmuren waren te veel en te hoog voor zulk een sprong. Hij zag hetniet. Met zijn strak rekenaarsgezicht verhardde hij haar weder; en het oogenblik snelde voorbij en stortte in de peillooze diepte van het verledene, om zich te vermengen met al de verlorene gelegenheden, die daar verdronken liggen.Hare oogen van hem afwendende, zat zij zoo lang in stilte naar de stad te turen, dat hij eindelijk zeide: „Raadpleegt gij de schoorsteenen van de fabrieken teCoketown, Louisa?”„Daar schijnt niets te wezen dan trage, eentonige rook. En toch, wanneer de nacht komt, barst het vuur uit, vader,” antwoordde zij, zich snel naar hem omkeerende.„Dat weet ik waarlijk wel, Louisa. Ik zie het toepasselijke van die aanmerking niet.” Om hem recht te doen, hij deed het waarlijk niet.Zij wuifde even met hare hand, alsof zij daarmede van de zaak wilde afstappen, en wederom hare aandacht op hem vestigende, zeide zij:„Vader, ik heb dikwijls gedacht, dat het leven zeer kort is.”Dit punt was zoo bepaald een der onderwerpen zijner studie, dat hij er dadelijk op inviel:„Het is kort zonder twijfel, melieve. Maar toch is het bewezen, dat de duur van het menschelijk leven over het algemeen in de laatste jaren verlengd is. De berekeningen van verschillende levensverzekerings-maatschappijen en kantoren van lijfrenten, onder andere cijfers, die niet kunnen missen, hebben dat feit bevestigd.”„Ik spreek van mijn eigen leven, vader.”„Ei zoo?” zeide mijnheer Gradgrind. „Maar ik zal u toch niet behoeven te zeggen, Louisa, dat dit beheerscht wordt door dezelfde wetten, die het leven in het algemeen beheerschen.”„Zoolang het duurt, zou ik wenschen dat weinige te doen wat ik kan en waartoe ik geschikt ben. Wat maakt het uit?”Mijnheer Gradgrind scheen niet wel te weten hoe hij de vier laatste woorden moest verstaan, en antwoordde: „Hoe uitmaken? Wat uitmaken, kindlief?”„Mijnheer Bounderby,” vervolgde zij op hare strakke, stroeve manier, zonder hierop te letten, „vraagt mij ten huwelijk. De vraag, die ik mij zelve te doen heb, is: Zal ik hem trouwen? Zoo is het, vader, niet waar? Gij hebt mij zoo gezegd, vader, hebt ge niet?”„Zekerlijk, kindlief.”„Laat het dan zoo zijn. Daar het mijnheer Bounderby behaagt mij te nemen, ben ik genegen om zijn voorslag te aanvaarden. Zeg hem, vader, zoo spoedig als het u belieft, dat dit mijn antwoord was. Breng het hem woord voor woord over, als ge kunt, want ik had gaarne dat hij wist wat ik zeide.”„Het is zeer goed, kindlief,” antwoordde haar vader weltevreden, „zeer goed om nauwkeurig te zijn. Ik zal uw zeer gepast verzoek in acht nemen. Hebt gij eenig verlangen, mijn kind, wat den tijd van het huwelijk betreft?”„Neen, vader. Wat maakt dat uit!”Mijnheer Gradgrind had zijn stoel een weinig naderbij geschoven en haar bij de hand gevat; maar de herhaling dezer woorden scheen hem wanluidend in het oor te klinken. Hij zag haar met bevreemding aan, en haar nog steeds bij de hand houdende, zeide hij:„Louisa, ik heb het niet van belang geacht u ééne vraag te doen, omdat de mogelijkheid, die zij vooronderstelde, mij al te ver verwijderd voorkwam. Maar misschien behoor ik haar toch te doen. Hebt gij ooit in het geheim eenig ander voorstel aangenomen?”„Vader,” antwoordde zij, bijna met verachting, „welk ander voorstel kon mij gedaan zijn? Wie heb ik gezien? Waar ben ik geweest? Welke ervaring heeft mijn hart gehad?”„Mijne lieve Louisa,” hervatte mijnheer Gradgrind gerustgesteld en tevreden, „gij hebt gelijk, dat ge mij zoo terecht wijst. Ik wenschte alleen aan mijn plicht te voldoen.”„Wat weet ik, vader,” zeide Louisa op haar bedaarden toon, „van smaak en verbeelding, van verlangens en neigingen, van eene plaats in mijn gemoed, waar zulke beuzelachtige dingen konden aangekweekt zijn? Wanneer ben ik ooit vrij geweest van problema’s, die men demonstreeren, en werkelijkheden, die men tasten kan?” Terwijl zij dit zeide, sloot zij onwillekeurig hare hand, alsof zij een tastbaar voorwerp greep, en opende ze weder langzaam, alsof zij er stof en asch uit liet vallen.„Zeer waar, kindlief, zeer waar,” zeide haar uitnemend practische vader.„Wel, vader,” vervolgde zij, „welk eene zonderlinge vraag dan ommijte doen! Zelfs de kinderlijke voorkeur, die ik gehoord heb dat bij kinderen gewoon is, heeft nooit hare onschuldige rustplaats in mijne borst gehad. Gij hebt zoo goed op mij gepast, dat ik nooit een kinderhart gehad heb. Gij hebt mij zoo goed onder tucht gehouden, dat ik nooit een kinderdroom heb gedroomd. Gij hebt zoo verstandig voor mij gezorgd, vader, dat ik, van mijne wieg af tot op dit uur, nooit kinderlijk geloof of kinderlijke vrees heb gekend.”„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).Mijnheer Gradgrind was opgetogen en aangedaan over den gelukkigen uitslag van zijn opvoedingsstelsel en deze getuigenis daarvan.„Mijne lieve Louisa,” zeide hij, „gij beloont mij rijkelijk voor al mijne zorg. Geef mij een kus, meisjelief.”Zijne dochter gaf hem een kus. En haar in zijne armen houdende, vervolgde hij:„Ik mag u nu verzekeren, mijn geliefkoosd kind, dat het verstandige besluit, waartoe gij gekomen zijt, mij gelukkig maakt. Mijnheer Bounderby is een uitstekend man: en welke kleine ongelijkheid men ook tusschen u kan vinden—indien er eenige bestaat—zij wordt meer dan opgewogen door de stemming, die uw gemoed heeft verkregen. Het is altijd mijndoel geweest u zoo op te voeden, dat gij, terwijl gij nog in uwe prille jeugd waart (als ikmij zoo mag uitdrukken) bijna stokoud zoudt wezen. Geef mij nog een kus, Louisa. En laten wij nu uwe moeder gaan opzoeken.”Zij gingen naar het salon, waar de achtenswaardige dame, die van geene malligheid wist, volgens gewoonte op eene sofa lag, terwijl Sissy bij haar zat te werken. Toen zij binnenkwamen, gaf zij eenige flauwe teekenen van herleving, en weldra kwam het schemerachtige damesportret overeind.„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot, die met eenig ongeduld naar het volbrengen van dit kunststuk had gewacht, „laat ik u mevrouw Bounderby mogen presenteeren.”„Zoo!” zeide mevrouw Gradgrind; „dus hebt gij het in orde gebracht? Nu, Louisa, ik hoop, dat gij eene goede gezondheid moogt houden; want als uw hoofd begint te splijten zoodra gij getrouwd zijt, gelijk met het mijne gebeurd is, kan ik u niet benijdenswaardig vinden, hoewel gij dat nu zeker doet, evenals alle meisjes. Evenwel, ik feliciteer u, kindlief,—en ik hoop, dat gij nu nut zult hebben van al uwe ologische studiën, dat doe ik. Ik moet u een felicitatie-kus geven, Louisa; maar raak mijn rechterschouder niet aan, want het is mij al den geheelen dag alsof er ik weet niet wat langs loopt. En nu, ziet ge,” vervolgde zij op een jammerenden toon, terwijl zij na den afloop der aandoenlijke plechtigheid hare shawls weder terecht schikte, „zal ik mij zelve nacht en dag, ochtend en avond moeten martelen, om te weten hoe ik hem zal moeten noemen!”„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot op plechtigen toon, „wat meent gij?”„Hoe ik hem zal moeten noemen, mijnheer Gradgrind, als hij met Louisa getrouwd is. Ik moet hem toch iets noemen. Het is onmogelijk,” vervolgde mevrouw Gradgrind, met eene mengeling van beleefdheid en wreveligheid, „hem gedurig aan te spreken en hem nooit een naam te geven. Ik kan hem geen Josiah noemen, want die naam is mij onuitstaanbaar. Gij zoudt niet van Joe willen hooren, dat weet ge zelf wel. Zal ik mijn eigen schoonzoon dan mijnheer moeten noemen? Ik geloof van neen, of de tijd moet gekomen zijn, dat ik als eene arme zieke door mijne betrekkingen vertrapt moet worden. Hoe zal ik hem dan moeten noemen?”Daar geen der aanwezigen in deze buitengewone verlegenheid eenigen raad had aan te bieden, liet mevrouw Gradgrind zich voorshands weder in hare levenloosheid verzinken, nadat zij bij het reeds gezegde nog het volgende codicil had gevoegd:„Wat de bruiloft betreft, Louisa, is al wat ik vraag—en dat vraag ik met eene hartklopping, die ik tot in mijne teenen voel—dat zij spoedig mag plaats hebben. Anders weet ik wel, dat zij weder een van die dingen zal zijn, waarvan ik nooit het einde zal hooren.”Toen mijnheer Gradgrind zijne dochter als mevrouw Bounderby presenteerde, hief Sissy eensklaps haar hoofd op en zag Louisa met eene mengeling van aandoeningen aan—verwondering, medelijden, spijt en twijfel. Louisa had dit opgemerkt zonder haar aan te zien. Van dit oogenblik af was zij stug, koud en trotsch—hield zij Sissy op een afstand—en was voor deze geheel veranderd.

XV.VADER EN DOCHTER.

Hoewel mijnheer Gradgrind niet naar Blauwbaard aardde, had men zijne kamer toch wel de blauwe kamer mogen noemen, zulk eene menigte van blauwe boeken (de welbekende Parlements-rapporten met hunne blauwe omslagen) lag daar altijd voor de hand. Wat deze blauwe boeken maar konden bewijzen (en gewoonlijk is dit al wat men maar wil), bewezen zij daar in een leger, dat gedurig door de aankomst van nieuwe recruten werd versterkt. In dat betooverde vertrek werden de ingewikkeldste maatschappelijke quaestiën becijferd, tot juiste totale sommen gebracht en voorgoed afgedaan—als zij, die er in betrokken waren, het maar hadden willen gelooven. Alsof men een sterrenkundig observatorium zonder vensters had gemaakt, en de sterrenkundige daarbinnen het sterrenheelal enkel met pen, papier en inkt naar zijn zin in orde had gebracht, zoo behoefde mijnheer Gradgrind in zijn observatorium (en er zijn vele dergelijke) geen oog te werpen op de door elkander wemelende millioenen van menschelijke wezens om hem heen, maar kon al hunne aangelegenheden op een lei uitcijferen en al hunne tranen met een vochtig stukje spons wegvegen.Naar dit observatorium dus—een sombere kamer, met eene doodelijke statistieke klok er in, die elke seconde aftelde met een tik, alsof men op het deksel eener doodkist klopte—begaf zich Louisa op den bepaalden ochtend. Het venster zag naarCoketownuit; en toen zij zich aan de tafel van haar vader neerzette, zag zij de hooge schoorsteenen en de lange rookwimpels, die in de benevelde lucht zwaarmoedig voortkronkelden.„Lieve Louisa,” zeide haar vader, „ik heb er u gisteren op voorbereid om mij uwe ernstige aandacht te verleenen onder het gesprek, dat wij nu met elkander zullen houden. Gij zijt zoo wel onderwezen, en gij doet, tot mijn genoegen, zooveel eer aan de opvoeding, die gij ontvangen hebt, dat ik het volste vertrouwen stel in uw gezond verstand. Gij zijt niet hartstochtelijk, gij zijt niet romanesk; gij zijt gewend om alles uit het onpartijdig en onbevooroordeeld oogpunt van redeneering te beschouwen. Uit dat oogpunt alleen, weet ik wel, dat gij datgene, wat ik u nu ga mededeelen, zult beschouwen en overwegen.”Hij wachtte alsof hij gaarne had gewild dat zij iets zeide; maar zij sprak geen woord.„Louisa, kindlief, gij zijt het onderwerp van een huwelijksvoorstel, dat mij gedaan is.”Wederom wachtte hij, en wederom antwoordde zij geen enkel woord. Dit verraste hem zoozeer, dat hij zachtjes herhaalde: „Een huwelijksvoorstel, kindlief.” Waarop zij, zonder eenige zichtbare aandoening hoegenaamd, antwoordde:„Ik hoor u wel, vader. Ik luister met aandacht, dat verzeker ik u.”„Wel!” zeide mijnheer Gradgrind, tot een glimlach overgaande, nadat hij een oogenblik verlegen had gestaan, „gij zijt nog minder hartstochtelijk dan ik verwacht had, Louisa. Of misschien zijt gij niet onvoorbereid op het bericht, dat ik belast ben u te geven?”„Dat kan ik niet zeggen, vader, eer ik het hoor. Voorbereid of niet, ik wensch het alles van u te hooren. Ik wensch het u te hooren uiteenzetten, vader.”Hoe vreemd hetluidde, mijnheer Gradgrind was op ditoogenblikniet zoo bedaard als zijne dochter. Hij nam een papiermes in de hand,draaide het om en om, legde het neer, nam het weer op, en moest het toen nog een poos bekijken, terwijl hij zich bedacht hoe hij zou voortgaan.„Wat gij zegt, Louisa, is volkomen redelijk en billijk. Ik heb op mij genomen u te doen weten, dat—dat mijnheer Bounderby mij kennis heeft gegeven, dat hij uwe ontwikkeling langen tijd met bijzondere belangstelling en genoegen heeft gadegeslagen, en lang gehoopt heeft, dat eindelijk de tijd zou komen, wanneer hij u zijne hand ten huwelijk zou kunnen aanbieden. Die tijd, dien hij zoolang, en voorzeker met groote standvastigheid, heeft afgewacht, is nu gekomen. Mijnheer Bounderby heeft mij zijn huwelijksvoorstel gedaan, en hij heeft mij verzocht het u mede te deelen en zijne hoop te kennen te geven, dat gij het in gunstige overweging zult nemen.”Beiden zwegen—het tikken der doodelijk-statistieke klok klonk luid en hol—de rook in de verte dwarrelde woest en zwart.„Vader,” zeide Louisa, „denkt gij, dat ik mijnheer Bounderby liefheb?”Mijnheer Gradgrind werd door deze onverwachte vraag zeer uit het veld geslagen.„Wel, mijn kind,” antwoordde hij, „dat zou ik—waarlijk niet durven zeggen.”„Vader,” hervatte Louisa, met juist dezelfde stem als te voren, „eischt ge van mij, dat ik mijnheer Bounderby zal liefhebben?”„Neen, lieve Louisa, neen, ik eisch niets.”„Vader,” hernam zij weder, „eischt mijnheer Bounderby, dat ik hem zal liefhebben?”„Inderdaad, melieve,” antwoordde mijnheer Gradgrind, „het is moeielijk die vraag te beantwoorden...”„Moeielijk om er ja of neen op te antwoorden, vader?”„Zeker, melieve, omdat” (hier was iets te demonstreeren en dit hielp hem weder op weg) „omdat het antwoord geheel afhangt, Louisa, van den zin waarin men die uitdrukking gebruikt. Nu doet mijnheer Bounderby u zooveel onrecht niet aan, en ook zich zelven niet, om iets romanesks of hersenschimmigs, of (ik gebruik die woorden als synoniemen) of sentimenteels van u te verlangen. Mijnheer Bounderby zou u met zeer weinig nut onder zijne oogen hebben zien opgroeien, indien hij zoo ver kon vergeten wat hij aan u, om niet te zeggen aan zijn eigen gezond verstand, verschuldigd is, om u op zulk een voet aan zich te willen verbinden. Derhalve zal misschien de uitdrukking zelve—ik geef u dit maar in bedenking, lieve—een weinig misplaatst wezen.”„Welk woord zoudt ge mij raden, in plaats daarvan te gebruiken, vader?”„Wel, mijn lieve Louisa,” zeide mijnheer Gradgrind, die zich nu geheel hersteld had, „daar ge mij dit vraagt, zou ik u raden om dit onderwerp eenvoudig in het licht van een tastbaar feit te beschouwen, gelijk ik u alle andere dingen heb leeren beschouwen. Onkundige en ijlhoofdige jongelieden mogen zulke onderwerpen met onwezenlijke hersenschimmen en andere ongerijmdheden, die geen werkelijk bestaan hebben, verdonkeren, maar het is geen compliment u te zeggen, dat gij beter weet. Wat zijn nu de feiten in dit geval? Gij zijt, wij zullen maar een rond getal nemen, twintig jaren oud; mijnheer Bounderby, wij nemen wederom maar een rond getal, is vijftig. Er bestaat eenige ongelijkheid in uwe jaren, maar in uwe positie en middelen bestaat deze ongelijkheid niet; integendeel, daarin past alles zeer wel bij elkander. Dan komt de vraag: Is zulk eene ongelijkheid genoegzaam, om een beletsel voor zulk een huwelijk uit te maken? Bij het beschouwen dezer vraag is het niet ongewichtig, de statistiek van het huwelijk, gelijk men die inEngelandenWallisheeft opgemaakt, in overweging te nemen. Ik vind, wanneer ik de cijfers naga, dat een groot getal dezer huwelijken wordt aangegaan tusschen personen van zeer ongelijke jaren en dat bij meer dan drie vierden dezer voorbeelden de oudste der twee contracteerende partijen de bruidegom is. Het is opmerkelijk—daar het de uitgebreide heerschappij van dezen regel aantoont—dat de beste middelen van berekening, die ons nog door reizigers zijn geleverd, ook onder de inboorlingen der Engelsche bezittingen inIndië, in een aanzienlijk gedeelte vanChina, en bij de Kalmukken inTartarije, dergelijke uitkomsten geven. De ongelijkheid, die ik vermeld heb, houdt dus bijna op eene onmogelijkheid te zijn, is om zoo te zeggen als verdwenen.„Wat raadt gij dan, vader,” zeide Louisa, zonder dat hare strakke bedaardheid in het minst door die streelende uitkomsten werd geschokt, „dat ik in de plaats zal stellen voor de woorden, die ik zoo even heb gebruikt—voor die misplaatste uitdrukking?”„Louisa,” antwoordde haar vader, „het komt mij voor, dat niets duidelijker kan wezen. Als gij u stiptelijk bij de feiten bepaalt, is het feitelijke, dat gij u zelve afvraagt, dit: Vraagt mijnheer Bounderby mij om hem te trouwen? Ja, dat doet bij. De eenige overblijvende vraag is dan: Zal ik hem trouwen? Mij dunkt, dat niets duidelijker kan zijn dan dit.”„Zal ik hem trouwen?” herhaalde Louisa met groote bedaardheid.„Juist. En het is eene gerustheid voor mij, als uw vader, mijne lieve Louisa, te weten, dat gij die vraag niet in overweging gaat nemen met die dwaze aanwensels van denk- en levenswijze, die vele jonge vrouwen eigen zijn.”„Neen, vader,” antwoordde zij, „dat doe ik niet.”„Ik laat u nu voor u zelve oordeelen,” hervatte mijnheer Gradgrind. „Ik heb de zaak voorgesteld, gelijk zulke zaken gewoonlijk tusschen practische menschen voorgesteld worden; ik heb ze voorgesteld, gelijk de zaak tusschen uwe moeder en mij indertijd voorgesteld werd. Het overige, mijne lieve Louisa, staat aan u te beslissen.”„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).Van het begin af had zij hem strak zitten aanzien. Terwijl hij nu in zijn stoel achterover leunde en op zijne beurt zijne diepliggende oogen op haar vestigde, had hij misschien een weifelend oogenblik bij haar kunnen waarnemen, waarin zij eene aandrift gevoelde om zich aan zijne borst te werpen en het opgekropte vertrouwen van haar hart voor hem uit te storten. Maar om dit te zien, had hij zich met een sprong over de kunstmatige scheidsmuren moeten heenzetten, welke hij sedert vele jaren tusschen zich zelven en de fijne roerselen van het menschelijk gemoed, die alle rekenkunst teleurstellen, had opgericht. De scheidsmuren waren te veel en te hoog voor zulk een sprong. Hij zag hetniet. Met zijn strak rekenaarsgezicht verhardde hij haar weder; en het oogenblik snelde voorbij en stortte in de peillooze diepte van het verledene, om zich te vermengen met al de verlorene gelegenheden, die daar verdronken liggen.Hare oogen van hem afwendende, zat zij zoo lang in stilte naar de stad te turen, dat hij eindelijk zeide: „Raadpleegt gij de schoorsteenen van de fabrieken teCoketown, Louisa?”„Daar schijnt niets te wezen dan trage, eentonige rook. En toch, wanneer de nacht komt, barst het vuur uit, vader,” antwoordde zij, zich snel naar hem omkeerende.„Dat weet ik waarlijk wel, Louisa. Ik zie het toepasselijke van die aanmerking niet.” Om hem recht te doen, hij deed het waarlijk niet.Zij wuifde even met hare hand, alsof zij daarmede van de zaak wilde afstappen, en wederom hare aandacht op hem vestigende, zeide zij:„Vader, ik heb dikwijls gedacht, dat het leven zeer kort is.”Dit punt was zoo bepaald een der onderwerpen zijner studie, dat hij er dadelijk op inviel:„Het is kort zonder twijfel, melieve. Maar toch is het bewezen, dat de duur van het menschelijk leven over het algemeen in de laatste jaren verlengd is. De berekeningen van verschillende levensverzekerings-maatschappijen en kantoren van lijfrenten, onder andere cijfers, die niet kunnen missen, hebben dat feit bevestigd.”„Ik spreek van mijn eigen leven, vader.”„Ei zoo?” zeide mijnheer Gradgrind. „Maar ik zal u toch niet behoeven te zeggen, Louisa, dat dit beheerscht wordt door dezelfde wetten, die het leven in het algemeen beheerschen.”„Zoolang het duurt, zou ik wenschen dat weinige te doen wat ik kan en waartoe ik geschikt ben. Wat maakt het uit?”Mijnheer Gradgrind scheen niet wel te weten hoe hij de vier laatste woorden moest verstaan, en antwoordde: „Hoe uitmaken? Wat uitmaken, kindlief?”„Mijnheer Bounderby,” vervolgde zij op hare strakke, stroeve manier, zonder hierop te letten, „vraagt mij ten huwelijk. De vraag, die ik mij zelve te doen heb, is: Zal ik hem trouwen? Zoo is het, vader, niet waar? Gij hebt mij zoo gezegd, vader, hebt ge niet?”„Zekerlijk, kindlief.”„Laat het dan zoo zijn. Daar het mijnheer Bounderby behaagt mij te nemen, ben ik genegen om zijn voorslag te aanvaarden. Zeg hem, vader, zoo spoedig als het u belieft, dat dit mijn antwoord was. Breng het hem woord voor woord over, als ge kunt, want ik had gaarne dat hij wist wat ik zeide.”„Het is zeer goed, kindlief,” antwoordde haar vader weltevreden, „zeer goed om nauwkeurig te zijn. Ik zal uw zeer gepast verzoek in acht nemen. Hebt gij eenig verlangen, mijn kind, wat den tijd van het huwelijk betreft?”„Neen, vader. Wat maakt dat uit!”Mijnheer Gradgrind had zijn stoel een weinig naderbij geschoven en haar bij de hand gevat; maar de herhaling dezer woorden scheen hem wanluidend in het oor te klinken. Hij zag haar met bevreemding aan, en haar nog steeds bij de hand houdende, zeide hij:„Louisa, ik heb het niet van belang geacht u ééne vraag te doen, omdat de mogelijkheid, die zij vooronderstelde, mij al te ver verwijderd voorkwam. Maar misschien behoor ik haar toch te doen. Hebt gij ooit in het geheim eenig ander voorstel aangenomen?”„Vader,” antwoordde zij, bijna met verachting, „welk ander voorstel kon mij gedaan zijn? Wie heb ik gezien? Waar ben ik geweest? Welke ervaring heeft mijn hart gehad?”„Mijne lieve Louisa,” hervatte mijnheer Gradgrind gerustgesteld en tevreden, „gij hebt gelijk, dat ge mij zoo terecht wijst. Ik wenschte alleen aan mijn plicht te voldoen.”„Wat weet ik, vader,” zeide Louisa op haar bedaarden toon, „van smaak en verbeelding, van verlangens en neigingen, van eene plaats in mijn gemoed, waar zulke beuzelachtige dingen konden aangekweekt zijn? Wanneer ben ik ooit vrij geweest van problema’s, die men demonstreeren, en werkelijkheden, die men tasten kan?” Terwijl zij dit zeide, sloot zij onwillekeurig hare hand, alsof zij een tastbaar voorwerp greep, en opende ze weder langzaam, alsof zij er stof en asch uit liet vallen.„Zeer waar, kindlief, zeer waar,” zeide haar uitnemend practische vader.„Wel, vader,” vervolgde zij, „welk eene zonderlinge vraag dan ommijte doen! Zelfs de kinderlijke voorkeur, die ik gehoord heb dat bij kinderen gewoon is, heeft nooit hare onschuldige rustplaats in mijne borst gehad. Gij hebt zoo goed op mij gepast, dat ik nooit een kinderhart gehad heb. Gij hebt mij zoo goed onder tucht gehouden, dat ik nooit een kinderdroom heb gedroomd. Gij hebt zoo verstandig voor mij gezorgd, vader, dat ik, van mijne wieg af tot op dit uur, nooit kinderlijk geloof of kinderlijke vrees heb gekend.”„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).Mijnheer Gradgrind was opgetogen en aangedaan over den gelukkigen uitslag van zijn opvoedingsstelsel en deze getuigenis daarvan.„Mijne lieve Louisa,” zeide hij, „gij beloont mij rijkelijk voor al mijne zorg. Geef mij een kus, meisjelief.”Zijne dochter gaf hem een kus. En haar in zijne armen houdende, vervolgde hij:„Ik mag u nu verzekeren, mijn geliefkoosd kind, dat het verstandige besluit, waartoe gij gekomen zijt, mij gelukkig maakt. Mijnheer Bounderby is een uitstekend man: en welke kleine ongelijkheid men ook tusschen u kan vinden—indien er eenige bestaat—zij wordt meer dan opgewogen door de stemming, die uw gemoed heeft verkregen. Het is altijd mijndoel geweest u zoo op te voeden, dat gij, terwijl gij nog in uwe prille jeugd waart (als ikmij zoo mag uitdrukken) bijna stokoud zoudt wezen. Geef mij nog een kus, Louisa. En laten wij nu uwe moeder gaan opzoeken.”Zij gingen naar het salon, waar de achtenswaardige dame, die van geene malligheid wist, volgens gewoonte op eene sofa lag, terwijl Sissy bij haar zat te werken. Toen zij binnenkwamen, gaf zij eenige flauwe teekenen van herleving, en weldra kwam het schemerachtige damesportret overeind.„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot, die met eenig ongeduld naar het volbrengen van dit kunststuk had gewacht, „laat ik u mevrouw Bounderby mogen presenteeren.”„Zoo!” zeide mevrouw Gradgrind; „dus hebt gij het in orde gebracht? Nu, Louisa, ik hoop, dat gij eene goede gezondheid moogt houden; want als uw hoofd begint te splijten zoodra gij getrouwd zijt, gelijk met het mijne gebeurd is, kan ik u niet benijdenswaardig vinden, hoewel gij dat nu zeker doet, evenals alle meisjes. Evenwel, ik feliciteer u, kindlief,—en ik hoop, dat gij nu nut zult hebben van al uwe ologische studiën, dat doe ik. Ik moet u een felicitatie-kus geven, Louisa; maar raak mijn rechterschouder niet aan, want het is mij al den geheelen dag alsof er ik weet niet wat langs loopt. En nu, ziet ge,” vervolgde zij op een jammerenden toon, terwijl zij na den afloop der aandoenlijke plechtigheid hare shawls weder terecht schikte, „zal ik mij zelve nacht en dag, ochtend en avond moeten martelen, om te weten hoe ik hem zal moeten noemen!”„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot op plechtigen toon, „wat meent gij?”„Hoe ik hem zal moeten noemen, mijnheer Gradgrind, als hij met Louisa getrouwd is. Ik moet hem toch iets noemen. Het is onmogelijk,” vervolgde mevrouw Gradgrind, met eene mengeling van beleefdheid en wreveligheid, „hem gedurig aan te spreken en hem nooit een naam te geven. Ik kan hem geen Josiah noemen, want die naam is mij onuitstaanbaar. Gij zoudt niet van Joe willen hooren, dat weet ge zelf wel. Zal ik mijn eigen schoonzoon dan mijnheer moeten noemen? Ik geloof van neen, of de tijd moet gekomen zijn, dat ik als eene arme zieke door mijne betrekkingen vertrapt moet worden. Hoe zal ik hem dan moeten noemen?”Daar geen der aanwezigen in deze buitengewone verlegenheid eenigen raad had aan te bieden, liet mevrouw Gradgrind zich voorshands weder in hare levenloosheid verzinken, nadat zij bij het reeds gezegde nog het volgende codicil had gevoegd:„Wat de bruiloft betreft, Louisa, is al wat ik vraag—en dat vraag ik met eene hartklopping, die ik tot in mijne teenen voel—dat zij spoedig mag plaats hebben. Anders weet ik wel, dat zij weder een van die dingen zal zijn, waarvan ik nooit het einde zal hooren.”Toen mijnheer Gradgrind zijne dochter als mevrouw Bounderby presenteerde, hief Sissy eensklaps haar hoofd op en zag Louisa met eene mengeling van aandoeningen aan—verwondering, medelijden, spijt en twijfel. Louisa had dit opgemerkt zonder haar aan te zien. Van dit oogenblik af was zij stug, koud en trotsch—hield zij Sissy op een afstand—en was voor deze geheel veranderd.

Hoewel mijnheer Gradgrind niet naar Blauwbaard aardde, had men zijne kamer toch wel de blauwe kamer mogen noemen, zulk eene menigte van blauwe boeken (de welbekende Parlements-rapporten met hunne blauwe omslagen) lag daar altijd voor de hand. Wat deze blauwe boeken maar konden bewijzen (en gewoonlijk is dit al wat men maar wil), bewezen zij daar in een leger, dat gedurig door de aankomst van nieuwe recruten werd versterkt. In dat betooverde vertrek werden de ingewikkeldste maatschappelijke quaestiën becijferd, tot juiste totale sommen gebracht en voorgoed afgedaan—als zij, die er in betrokken waren, het maar hadden willen gelooven. Alsof men een sterrenkundig observatorium zonder vensters had gemaakt, en de sterrenkundige daarbinnen het sterrenheelal enkel met pen, papier en inkt naar zijn zin in orde had gebracht, zoo behoefde mijnheer Gradgrind in zijn observatorium (en er zijn vele dergelijke) geen oog te werpen op de door elkander wemelende millioenen van menschelijke wezens om hem heen, maar kon al hunne aangelegenheden op een lei uitcijferen en al hunne tranen met een vochtig stukje spons wegvegen.

Naar dit observatorium dus—een sombere kamer, met eene doodelijke statistieke klok er in, die elke seconde aftelde met een tik, alsof men op het deksel eener doodkist klopte—begaf zich Louisa op den bepaalden ochtend. Het venster zag naarCoketownuit; en toen zij zich aan de tafel van haar vader neerzette, zag zij de hooge schoorsteenen en de lange rookwimpels, die in de benevelde lucht zwaarmoedig voortkronkelden.

„Lieve Louisa,” zeide haar vader, „ik heb er u gisteren op voorbereid om mij uwe ernstige aandacht te verleenen onder het gesprek, dat wij nu met elkander zullen houden. Gij zijt zoo wel onderwezen, en gij doet, tot mijn genoegen, zooveel eer aan de opvoeding, die gij ontvangen hebt, dat ik het volste vertrouwen stel in uw gezond verstand. Gij zijt niet hartstochtelijk, gij zijt niet romanesk; gij zijt gewend om alles uit het onpartijdig en onbevooroordeeld oogpunt van redeneering te beschouwen. Uit dat oogpunt alleen, weet ik wel, dat gij datgene, wat ik u nu ga mededeelen, zult beschouwen en overwegen.”

Hij wachtte alsof hij gaarne had gewild dat zij iets zeide; maar zij sprak geen woord.

„Louisa, kindlief, gij zijt het onderwerp van een huwelijksvoorstel, dat mij gedaan is.”

Wederom wachtte hij, en wederom antwoordde zij geen enkel woord. Dit verraste hem zoozeer, dat hij zachtjes herhaalde: „Een huwelijksvoorstel, kindlief.” Waarop zij, zonder eenige zichtbare aandoening hoegenaamd, antwoordde:

„Ik hoor u wel, vader. Ik luister met aandacht, dat verzeker ik u.”

„Wel!” zeide mijnheer Gradgrind, tot een glimlach overgaande, nadat hij een oogenblik verlegen had gestaan, „gij zijt nog minder hartstochtelijk dan ik verwacht had, Louisa. Of misschien zijt gij niet onvoorbereid op het bericht, dat ik belast ben u te geven?”

„Dat kan ik niet zeggen, vader, eer ik het hoor. Voorbereid of niet, ik wensch het alles van u te hooren. Ik wensch het u te hooren uiteenzetten, vader.”

Hoe vreemd hetluidde, mijnheer Gradgrind was op ditoogenblikniet zoo bedaard als zijne dochter. Hij nam een papiermes in de hand,draaide het om en om, legde het neer, nam het weer op, en moest het toen nog een poos bekijken, terwijl hij zich bedacht hoe hij zou voortgaan.

„Wat gij zegt, Louisa, is volkomen redelijk en billijk. Ik heb op mij genomen u te doen weten, dat—dat mijnheer Bounderby mij kennis heeft gegeven, dat hij uwe ontwikkeling langen tijd met bijzondere belangstelling en genoegen heeft gadegeslagen, en lang gehoopt heeft, dat eindelijk de tijd zou komen, wanneer hij u zijne hand ten huwelijk zou kunnen aanbieden. Die tijd, dien hij zoolang, en voorzeker met groote standvastigheid, heeft afgewacht, is nu gekomen. Mijnheer Bounderby heeft mij zijn huwelijksvoorstel gedaan, en hij heeft mij verzocht het u mede te deelen en zijne hoop te kennen te geven, dat gij het in gunstige overweging zult nemen.”

Beiden zwegen—het tikken der doodelijk-statistieke klok klonk luid en hol—de rook in de verte dwarrelde woest en zwart.

„Vader,” zeide Louisa, „denkt gij, dat ik mijnheer Bounderby liefheb?”

Mijnheer Gradgrind werd door deze onverwachte vraag zeer uit het veld geslagen.

„Wel, mijn kind,” antwoordde hij, „dat zou ik—waarlijk niet durven zeggen.”

„Vader,” hervatte Louisa, met juist dezelfde stem als te voren, „eischt ge van mij, dat ik mijnheer Bounderby zal liefhebben?”

„Neen, lieve Louisa, neen, ik eisch niets.”

„Vader,” hernam zij weder, „eischt mijnheer Bounderby, dat ik hem zal liefhebben?”

„Inderdaad, melieve,” antwoordde mijnheer Gradgrind, „het is moeielijk die vraag te beantwoorden...”

„Moeielijk om er ja of neen op te antwoorden, vader?”

„Zeker, melieve, omdat” (hier was iets te demonstreeren en dit hielp hem weder op weg) „omdat het antwoord geheel afhangt, Louisa, van den zin waarin men die uitdrukking gebruikt. Nu doet mijnheer Bounderby u zooveel onrecht niet aan, en ook zich zelven niet, om iets romanesks of hersenschimmigs, of (ik gebruik die woorden als synoniemen) of sentimenteels van u te verlangen. Mijnheer Bounderby zou u met zeer weinig nut onder zijne oogen hebben zien opgroeien, indien hij zoo ver kon vergeten wat hij aan u, om niet te zeggen aan zijn eigen gezond verstand, verschuldigd is, om u op zulk een voet aan zich te willen verbinden. Derhalve zal misschien de uitdrukking zelve—ik geef u dit maar in bedenking, lieve—een weinig misplaatst wezen.”

„Welk woord zoudt ge mij raden, in plaats daarvan te gebruiken, vader?”

„Wel, mijn lieve Louisa,” zeide mijnheer Gradgrind, die zich nu geheel hersteld had, „daar ge mij dit vraagt, zou ik u raden om dit onderwerp eenvoudig in het licht van een tastbaar feit te beschouwen, gelijk ik u alle andere dingen heb leeren beschouwen. Onkundige en ijlhoofdige jongelieden mogen zulke onderwerpen met onwezenlijke hersenschimmen en andere ongerijmdheden, die geen werkelijk bestaan hebben, verdonkeren, maar het is geen compliment u te zeggen, dat gij beter weet. Wat zijn nu de feiten in dit geval? Gij zijt, wij zullen maar een rond getal nemen, twintig jaren oud; mijnheer Bounderby, wij nemen wederom maar een rond getal, is vijftig. Er bestaat eenige ongelijkheid in uwe jaren, maar in uwe positie en middelen bestaat deze ongelijkheid niet; integendeel, daarin past alles zeer wel bij elkander. Dan komt de vraag: Is zulk eene ongelijkheid genoegzaam, om een beletsel voor zulk een huwelijk uit te maken? Bij het beschouwen dezer vraag is het niet ongewichtig, de statistiek van het huwelijk, gelijk men die inEngelandenWallisheeft opgemaakt, in overweging te nemen. Ik vind, wanneer ik de cijfers naga, dat een groot getal dezer huwelijken wordt aangegaan tusschen personen van zeer ongelijke jaren en dat bij meer dan drie vierden dezer voorbeelden de oudste der twee contracteerende partijen de bruidegom is. Het is opmerkelijk—daar het de uitgebreide heerschappij van dezen regel aantoont—dat de beste middelen van berekening, die ons nog door reizigers zijn geleverd, ook onder de inboorlingen der Engelsche bezittingen inIndië, in een aanzienlijk gedeelte vanChina, en bij de Kalmukken inTartarije, dergelijke uitkomsten geven. De ongelijkheid, die ik vermeld heb, houdt dus bijna op eene onmogelijkheid te zijn, is om zoo te zeggen als verdwenen.

„Wat raadt gij dan, vader,” zeide Louisa, zonder dat hare strakke bedaardheid in het minst door die streelende uitkomsten werd geschokt, „dat ik in de plaats zal stellen voor de woorden, die ik zoo even heb gebruikt—voor die misplaatste uitdrukking?”

„Louisa,” antwoordde haar vader, „het komt mij voor, dat niets duidelijker kan wezen. Als gij u stiptelijk bij de feiten bepaalt, is het feitelijke, dat gij u zelve afvraagt, dit: Vraagt mijnheer Bounderby mij om hem te trouwen? Ja, dat doet bij. De eenige overblijvende vraag is dan: Zal ik hem trouwen? Mij dunkt, dat niets duidelijker kan zijn dan dit.”

„Zal ik hem trouwen?” herhaalde Louisa met groote bedaardheid.

„Juist. En het is eene gerustheid voor mij, als uw vader, mijne lieve Louisa, te weten, dat gij die vraag niet in overweging gaat nemen met die dwaze aanwensels van denk- en levenswijze, die vele jonge vrouwen eigen zijn.”

„Neen, vader,” antwoordde zij, „dat doe ik niet.”

„Ik laat u nu voor u zelve oordeelen,” hervatte mijnheer Gradgrind. „Ik heb de zaak voorgesteld, gelijk zulke zaken gewoonlijk tusschen practische menschen voorgesteld worden; ik heb ze voorgesteld, gelijk de zaak tusschen uwe moeder en mij indertijd voorgesteld werd. Het overige, mijne lieve Louisa, staat aan u te beslissen.”

„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).

„LOUISA, KINDLIEF, GIJ ZIJT HET ONDERWERP VAN EEN HUWELIJKSVOORSTEL, DAT MIJ GEDAAN IS.” (Blz. 46).

Van het begin af had zij hem strak zitten aanzien. Terwijl hij nu in zijn stoel achterover leunde en op zijne beurt zijne diepliggende oogen op haar vestigde, had hij misschien een weifelend oogenblik bij haar kunnen waarnemen, waarin zij eene aandrift gevoelde om zich aan zijne borst te werpen en het opgekropte vertrouwen van haar hart voor hem uit te storten. Maar om dit te zien, had hij zich met een sprong over de kunstmatige scheidsmuren moeten heenzetten, welke hij sedert vele jaren tusschen zich zelven en de fijne roerselen van het menschelijk gemoed, die alle rekenkunst teleurstellen, had opgericht. De scheidsmuren waren te veel en te hoog voor zulk een sprong. Hij zag hetniet. Met zijn strak rekenaarsgezicht verhardde hij haar weder; en het oogenblik snelde voorbij en stortte in de peillooze diepte van het verledene, om zich te vermengen met al de verlorene gelegenheden, die daar verdronken liggen.

Hare oogen van hem afwendende, zat zij zoo lang in stilte naar de stad te turen, dat hij eindelijk zeide: „Raadpleegt gij de schoorsteenen van de fabrieken teCoketown, Louisa?”

„Daar schijnt niets te wezen dan trage, eentonige rook. En toch, wanneer de nacht komt, barst het vuur uit, vader,” antwoordde zij, zich snel naar hem omkeerende.

„Dat weet ik waarlijk wel, Louisa. Ik zie het toepasselijke van die aanmerking niet.” Om hem recht te doen, hij deed het waarlijk niet.

Zij wuifde even met hare hand, alsof zij daarmede van de zaak wilde afstappen, en wederom hare aandacht op hem vestigende, zeide zij:

„Vader, ik heb dikwijls gedacht, dat het leven zeer kort is.”

Dit punt was zoo bepaald een der onderwerpen zijner studie, dat hij er dadelijk op inviel:

„Het is kort zonder twijfel, melieve. Maar toch is het bewezen, dat de duur van het menschelijk leven over het algemeen in de laatste jaren verlengd is. De berekeningen van verschillende levensverzekerings-maatschappijen en kantoren van lijfrenten, onder andere cijfers, die niet kunnen missen, hebben dat feit bevestigd.”

„Ik spreek van mijn eigen leven, vader.”

„Ei zoo?” zeide mijnheer Gradgrind. „Maar ik zal u toch niet behoeven te zeggen, Louisa, dat dit beheerscht wordt door dezelfde wetten, die het leven in het algemeen beheerschen.”

„Zoolang het duurt, zou ik wenschen dat weinige te doen wat ik kan en waartoe ik geschikt ben. Wat maakt het uit?”

Mijnheer Gradgrind scheen niet wel te weten hoe hij de vier laatste woorden moest verstaan, en antwoordde: „Hoe uitmaken? Wat uitmaken, kindlief?”

„Mijnheer Bounderby,” vervolgde zij op hare strakke, stroeve manier, zonder hierop te letten, „vraagt mij ten huwelijk. De vraag, die ik mij zelve te doen heb, is: Zal ik hem trouwen? Zoo is het, vader, niet waar? Gij hebt mij zoo gezegd, vader, hebt ge niet?”

„Zekerlijk, kindlief.”

„Laat het dan zoo zijn. Daar het mijnheer Bounderby behaagt mij te nemen, ben ik genegen om zijn voorslag te aanvaarden. Zeg hem, vader, zoo spoedig als het u belieft, dat dit mijn antwoord was. Breng het hem woord voor woord over, als ge kunt, want ik had gaarne dat hij wist wat ik zeide.”

„Het is zeer goed, kindlief,” antwoordde haar vader weltevreden, „zeer goed om nauwkeurig te zijn. Ik zal uw zeer gepast verzoek in acht nemen. Hebt gij eenig verlangen, mijn kind, wat den tijd van het huwelijk betreft?”

„Neen, vader. Wat maakt dat uit!”

Mijnheer Gradgrind had zijn stoel een weinig naderbij geschoven en haar bij de hand gevat; maar de herhaling dezer woorden scheen hem wanluidend in het oor te klinken. Hij zag haar met bevreemding aan, en haar nog steeds bij de hand houdende, zeide hij:

„Louisa, ik heb het niet van belang geacht u ééne vraag te doen, omdat de mogelijkheid, die zij vooronderstelde, mij al te ver verwijderd voorkwam. Maar misschien behoor ik haar toch te doen. Hebt gij ooit in het geheim eenig ander voorstel aangenomen?”

„Vader,” antwoordde zij, bijna met verachting, „welk ander voorstel kon mij gedaan zijn? Wie heb ik gezien? Waar ben ik geweest? Welke ervaring heeft mijn hart gehad?”

„Mijne lieve Louisa,” hervatte mijnheer Gradgrind gerustgesteld en tevreden, „gij hebt gelijk, dat ge mij zoo terecht wijst. Ik wenschte alleen aan mijn plicht te voldoen.”

„Wat weet ik, vader,” zeide Louisa op haar bedaarden toon, „van smaak en verbeelding, van verlangens en neigingen, van eene plaats in mijn gemoed, waar zulke beuzelachtige dingen konden aangekweekt zijn? Wanneer ben ik ooit vrij geweest van problema’s, die men demonstreeren, en werkelijkheden, die men tasten kan?” Terwijl zij dit zeide, sloot zij onwillekeurig hare hand, alsof zij een tastbaar voorwerp greep, en opende ze weder langzaam, alsof zij er stof en asch uit liet vallen.

„Zeer waar, kindlief, zeer waar,” zeide haar uitnemend practische vader.

„Wel, vader,” vervolgde zij, „welk eene zonderlinge vraag dan ommijte doen! Zelfs de kinderlijke voorkeur, die ik gehoord heb dat bij kinderen gewoon is, heeft nooit hare onschuldige rustplaats in mijne borst gehad. Gij hebt zoo goed op mij gepast, dat ik nooit een kinderhart gehad heb. Gij hebt mij zoo goed onder tucht gehouden, dat ik nooit een kinderdroom heb gedroomd. Gij hebt zoo verstandig voor mij gezorgd, vader, dat ik, van mijne wieg af tot op dit uur, nooit kinderlijk geloof of kinderlijke vrees heb gekend.”

„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).

„DIT, MIJNHEER,” ZEIDE BOUNDERBY, „IS MIJNE VROUW, MEVROUW BOUNDERBY.” (Blz. 62).

Mijnheer Gradgrind was opgetogen en aangedaan over den gelukkigen uitslag van zijn opvoedingsstelsel en deze getuigenis daarvan.

„Mijne lieve Louisa,” zeide hij, „gij beloont mij rijkelijk voor al mijne zorg. Geef mij een kus, meisjelief.”

Zijne dochter gaf hem een kus. En haar in zijne armen houdende, vervolgde hij:

„Ik mag u nu verzekeren, mijn geliefkoosd kind, dat het verstandige besluit, waartoe gij gekomen zijt, mij gelukkig maakt. Mijnheer Bounderby is een uitstekend man: en welke kleine ongelijkheid men ook tusschen u kan vinden—indien er eenige bestaat—zij wordt meer dan opgewogen door de stemming, die uw gemoed heeft verkregen. Het is altijd mijndoel geweest u zoo op te voeden, dat gij, terwijl gij nog in uwe prille jeugd waart (als ikmij zoo mag uitdrukken) bijna stokoud zoudt wezen. Geef mij nog een kus, Louisa. En laten wij nu uwe moeder gaan opzoeken.”

Zij gingen naar het salon, waar de achtenswaardige dame, die van geene malligheid wist, volgens gewoonte op eene sofa lag, terwijl Sissy bij haar zat te werken. Toen zij binnenkwamen, gaf zij eenige flauwe teekenen van herleving, en weldra kwam het schemerachtige damesportret overeind.

„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot, die met eenig ongeduld naar het volbrengen van dit kunststuk had gewacht, „laat ik u mevrouw Bounderby mogen presenteeren.”

„Zoo!” zeide mevrouw Gradgrind; „dus hebt gij het in orde gebracht? Nu, Louisa, ik hoop, dat gij eene goede gezondheid moogt houden; want als uw hoofd begint te splijten zoodra gij getrouwd zijt, gelijk met het mijne gebeurd is, kan ik u niet benijdenswaardig vinden, hoewel gij dat nu zeker doet, evenals alle meisjes. Evenwel, ik feliciteer u, kindlief,—en ik hoop, dat gij nu nut zult hebben van al uwe ologische studiën, dat doe ik. Ik moet u een felicitatie-kus geven, Louisa; maar raak mijn rechterschouder niet aan, want het is mij al den geheelen dag alsof er ik weet niet wat langs loopt. En nu, ziet ge,” vervolgde zij op een jammerenden toon, terwijl zij na den afloop der aandoenlijke plechtigheid hare shawls weder terecht schikte, „zal ik mij zelve nacht en dag, ochtend en avond moeten martelen, om te weten hoe ik hem zal moeten noemen!”

„Mevrouw Gradgrind,” zeide haar echtgenoot op plechtigen toon, „wat meent gij?”

„Hoe ik hem zal moeten noemen, mijnheer Gradgrind, als hij met Louisa getrouwd is. Ik moet hem toch iets noemen. Het is onmogelijk,” vervolgde mevrouw Gradgrind, met eene mengeling van beleefdheid en wreveligheid, „hem gedurig aan te spreken en hem nooit een naam te geven. Ik kan hem geen Josiah noemen, want die naam is mij onuitstaanbaar. Gij zoudt niet van Joe willen hooren, dat weet ge zelf wel. Zal ik mijn eigen schoonzoon dan mijnheer moeten noemen? Ik geloof van neen, of de tijd moet gekomen zijn, dat ik als eene arme zieke door mijne betrekkingen vertrapt moet worden. Hoe zal ik hem dan moeten noemen?”

Daar geen der aanwezigen in deze buitengewone verlegenheid eenigen raad had aan te bieden, liet mevrouw Gradgrind zich voorshands weder in hare levenloosheid verzinken, nadat zij bij het reeds gezegde nog het volgende codicil had gevoegd:

„Wat de bruiloft betreft, Louisa, is al wat ik vraag—en dat vraag ik met eene hartklopping, die ik tot in mijne teenen voel—dat zij spoedig mag plaats hebben. Anders weet ik wel, dat zij weder een van die dingen zal zijn, waarvan ik nooit het einde zal hooren.”

Toen mijnheer Gradgrind zijne dochter als mevrouw Bounderby presenteerde, hief Sissy eensklaps haar hoofd op en zag Louisa met eene mengeling van aandoeningen aan—verwondering, medelijden, spijt en twijfel. Louisa had dit opgemerkt zonder haar aan te zien. Van dit oogenblik af was zij stug, koud en trotsch—hield zij Sissy op een afstand—en was voor deze geheel veranderd.


Back to IndexNext