XIX.DE HONDSVOT.Het was zeker opmerkelijk, dat een jong heer, die onder zulk een stelsel van onnatuurlijk bedwang was opgevoed, juist een huichelaar zou worden; maar toch was dit het geval met Tom. Het was zeker vreemd, dat een jong heer, die nooit vijf minuten lang aan zijn eigen bestuurwas overgelaten, eindelijk geheel buiten staat zou zijn om zich zelven te besturen, maar zoo was het evenwel met Tom. Het was geheel onverklaarbaar, dat een jong heer, wiens verbeelding in de wieg was gesmoord, nog door het spook daarvan, in de gedaante eener grove zinnelijkheid zou worden lastig gevallen; maar zulk een monster was toch Tom.„Rookt gij?” zeide mijnheer James Harthouse, toen zij aan het hotel kwamen.„Dat zou ik denken,” antwoordde Tom.Hij kon niet minder doen dan Tom boven verzoeken; en Tom kon niet minder doen dan met hem naar boven gaan. Onder den invloed van een verkoelenden drank, geschikt voor zulk een weder, maar niet zoo flauw als koel, en van fijner sigaren dan daar in de stad te koop waren, zat Tom spoedig en op zijn gemak aan zijn kant van de sofa, meer dan ooit genegen om zijn nieuwen vriend aan den anderen kant te bewonderen.Na een poosje gerookt te hebben, blies Tom den rook op zijde, om zijn vriend eens op te nemen.„Hij schijnt zich niets om zijne kleeren te bekreunen,” dacht Tom, „en hoe heerlijk kleedt hij zich toch. Wat een gepoetste klant is hij!”Mijnheer James Harthouse, die toevallig den blik van Tom opving, merkte nu aan, dat hij niet dronk, en schonk zijn glas met achtelooze hand opnieuw vol.„Wel bedankt,” zeide Tom. „Wel bedankt! Nu, mijnheer Harthouse, hoop ik, dat ge van avond omtrent uw bekomst van ouden Bounderby hebt gekregen.” Terwijl Tom dit zeide, kneep hij zijn eene oog dicht en keek met het andere schalkachtig over den rand van zijn glas heen.„Een heel goede kerel, inderdaad,” antwoordde mijnheer James Harthouse.„Ei zoo, vindt ge dat?” zeide Tom en kneep weder zijn oog dicht.Mijnheer James Harthouse glimlachte, stond van de sofa op, kuierde naar den schoorsteen en bleef met zijn rug tegen den mantel staan rooken. Zoo vlak voor Tom staande en op dezen neerziende, merkte hij aan:„Welk een comisch schoonbroeder zijt gij toch!”„Welk een comisch schoonbroeder is oude Bounderby, meent gij, naar ik denk,” zeide Tom.„Ge zijt bijtend scherp, Tom,” liet mijnheer James Harthouse hierop volgen.Er lag iets zoo streelends in, zoo goede vrienden met zulk een vest te wezen, door zulk eene stem Tom genoemd te worden, zoo spoedig op zulk een familiaren voet met zulk een bakkebaard te zijn, dat Tom ongemeen met zich zelven in zijn schik was.„Och, ik geef niet om ouden Bounderby, als ge dat meent,” zeide hij. „Ik heb hem altijd ouden Bounderby genoemd als ik van hem sprak, en ik heb altijd op dezelfde manier over hem gedacht. Ik zal nu niet gaan beginnen met naar beleefde woorden te zoeken, als ik van ouden Bounderby spreek. Dat zou nu wat laat wezen.”„Om mij behoeft ge niet te geven,” hervatte James; „maar pas op als zijne vrouw er bij is, weet ge.”„Zijne vrouw?” zeide Tom. „Mijne zuster Louisa? O ja!” Hij lachte en nam nog een slok van den verkoelenden drank.James Harthouse bleef op dezelfde plek en in dezelfde houding op zijn gemak zijne sigaar staan rooken en zag den hondsvot genoeglijk aan, alsof hij wist dat hij zelf een booze geest in de gedaante van een innemendgentlemanwas, die slechts over hem behoefde te zweven om hem te dwingen zijne geheele ziel aan hem over te geven. Het scheen te blijken, dat de hondsvot voor dien invloed zwichtte. Hij zag zijn makker eerst benepen, toen met bewondering, toen met onbeschaamde stoutheid aan, en trok zijn eene been op de sofa.„Mijne zuster Louisa?” zeide Tom. „Zij heeft nooit om Bounderby gegeven.”„Dat is de verledene tijd, Tom,” hervatte mijnheer James Harthouse, en sloeg met zijn pink de asch van zijne sigaar. „Wij zijn in den tegenwoordigen tijd.”„Onzijdig werkwoord: niet om geven. Aantoonende wijs, tegenwoordige tijd. Eerste persoon enkelvoud, ik geef niet om hem; tweede persoon, gij geeft niet om hem; derde persoon, zij geeft niet om hem,” antwoordde Tom.„Aardig! Heel aardig!” zeide zijn vriend. „Maar gij meent het toch niet.”„Of ik het meen!” riep Tom uit. „Op mijne eer! Wel, gij wilt mij toch niet zeggen, mijnheer Harthouse, dat gij werkelijk denkt, dat mijne zuster om ouden Bounderby geeft.”„Lieve vriend,” antwoordde James, „wat ben ik anders verplicht te denken, als ik twee getrouwde lieden vind, die tevreden en vergenoegd met elkander leven?”Tom had nu zijne beide beenen op de sofa. Indien zijn tweede been niet reeds daarop ware geweest, toen hij zoo „lieve vriend” genoemd werd, zou hij het in dit gewichtig oogenblik van het gesprek er op hebben getrokken. Daar hij het noodig gevoelde iets te doen, rekte hij zich meer in de lengte uit, liet zijn achterhoofd op den kant der sofa zinken, en zoo met eene matelooze affectatie van onbekommerdheid voortrookende, keerde hij zijn gemeen gezicht en zijne twee niet al te nuchtere oogen naar dat gelaat, dat zoo onverschillig en toch met zulk een machtigen invloed op hem neerzag.„Gij kent onzen oude, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, „en dus behoeft het u niet te verwonderen,dat Louisa met ouden Bounderby trouwde. Zij had nooit een vrijer gehad, en de oude stelde haar Bounderby voor, en toen nam zij hem.”„Zeer gehoorzaam van uwe interessante zuster,” zeide mijnheer James Harthouse.„Ja, maar zij zou zoo gehoorzaam niet zijn geweest, en het zou niet zoo gemakkelijk gegaan zijn,” antwoordde de hondsvot, „als het niet om mij geweest ware.”„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).De verzoeker trok slechts zijne wenkbrauwen op, maar de hondsvot was genoodzaakt voort te gaan.„Ikoverreedde haar,” zeide hij met een zeer stichtelijk voorkomen van meerderheid. „Ik was bij ouden Bounderby op het kantoor geplakt—waar ik nooit had willen wezen—en ik wist wel, dat ik daar in moeite zou komen als zij ouden Bounderby den zak gaf; en zoo zeide ik haar wat ik van haar wenschte, en zij deed het. Zij zou alles voor mij gedaan hebben. Het was heel mooi van haar, niet waar?”„Het was verrukkelijk, Tom!”„Niet dat het voor haar van zooveel gewicht was als voor mij,” vervolgde Tom koeltjes, „omdat mijne vrijheid, mijn pleizier en misschien mijn vooruitkomen er van afhingen; zij had toch geen anderen vrijer, en thuisblijven was zoo goed als in de gevangenis zitten—vooral toen ik weg was. Het ware nog watanders geweest als zij een anderen vrijer voor ouden Bounderby had laten loopen; maar het was toch goed van haar.”„Het was heerlijk gedaan. En nu leeft zij weltevreden voort.”„O,” antwoordde Tom met eene mengeling van lof en minachting, „zij is een meisje. Een meisje kan zich overal in schikken. Zij heeft nu eene vaste positie en zij geeft er niet om. Dat leven is voor haar evengoed als ieder ander leven. Bovendien, al is Louisa een meisje, zij is toch geen gewoon meisje. Zij kan zich in zich zelve opsluiten en een uur achtereen zitten denken, gelijk ik haar dikwijls naar het vuur heb zien zitten kijken.”„Zoo, zoo? Zij weet zich zelve dus bezig te houden,” zeide Harthouse al rookende.„Niet zooveel als gij wel denken zoudt,” antwoordde Tom, „want onze oude heeft haar met allerlei droge studiën laten volproppen. Dat is zijn systeem.”„Hij heeft dus zijne dochter naar zijn eigen model gevormd,” merkte Harthouse aan.„Zijne dochter? Ja, en iedereen dien hij maar kon. Hij heeft mij ook op die manier gevormd,” zeide Tom.„Onmogelijk!”„Ja zeker,” zeide Tom en schudde zijn hoofd. „Ik kan u zeggen, mijnheer Harthouse, dat ik, toen ik pas de deur uitkwam en naar ouden Bounderby ging, zoo droog was als een stokvisch en niet meer van het leven wist dan eene oester.”„Kom, kom, Tom! Dat kan ik haast niet gelooven. Gekheid is gekheid.”„Bij mijne ziel,” zeide de hondsvot, „ik spreek in ernst. Dat doe ik waarlijk.” Hij rookte een poosje met groote deftigheid en vervolgde toen met buitengemeene zelfvoldoening: „Ik heb sedert een beetje geleerd, dat ontken ik niet. Maar daarvoor heb ik zelf gezorgd; dat heb ik mijn vader niet te danken.”„En uwe schrandere zuster?”„Mijne schrandere zuster is omtrent waar zij voorheen was. Zij placht mij te klagen dat zij niets had om zich bezig te houden, gelijk de andere meisjes hebben, en ik begrijp niet hoe zij dat sedert te boven is gekomen. Maar zij geeft daar niet om,” voegde hij er scherpzinnig bij, en trok weder aan zijne sigaar. „Een meisje kan altijd haar tijd klein krijgen.”„Toen ik gisteravond aan het kantoor aanging, om het adres van mijnheer Bounderby te vragen, vond ik daar eene oude dame, die eene bijzondere hoogachting voor uwe zuster scheen te koesteren,” merkte mijnheer James Harthouse aan, terwijl hij het stompje van de sigaar, die hij opgerookt had, wegwierp.„Moeder Sparsit?” zeide Tom. „Wat, hebt gij haar al gezien?”Zijn vriend knikte. Tom nam zijne sigaar uit den mond, om zijn oog, dat eenigszins weerbarstig begon te worden, te beter te kunnen dichtknijpen, en eenige malen met zijn vinger tegen zijn neus te tikken.„Moeder Sparsit gevoelt voor Louisa veel meer dan achting, zou ik denken,” zeide Tom. „Zeg liever: liefde en dankbaarheid. Moeder Sparsit heeft zelve nooit naar Bounderby gehengeld toen hij nog vrijgezel was. Wel neen!”Dit waren de laatste woorden, die de hondsvot sprak, eer hem eene duizeligheid en slaperigheid overvielen, die door eene volkomene vergetelheid werden gevolgd. Hij werd uit dezen laatsten toestand opgewekt door te droomen van een onaangenaam gevoel, alsof hij met eene laars werd geschopt, en tegelijk hoorde hij eene stem, die zeide: „Kom, het wordt laat. Maak je nu weg!”„Wel,” zeide hij, van de sofa opkrabbelende, „dan zal ik afscheid van u moeten nemen. Zeg eens. Gij hebt heel goede sigaren, maar ze zijn wat al te licht.”„Ja, ze zijn al te licht,” antwoordde zijn gastheer.„Het is zot, zoo licht als ze zijn,” zeide Tom.„Waar is de deur? Goedennacht.”Hij had nog een zonderlingen droom van een knecht, die hem voorttrok door een nevel, welke, nadat hij hem vrij wat moeite had veroorzaakt, in zooverre optrok, dat hij de straat kon zien, waarop hij alleen was blijven staan. Toen ging hij tamelijk gemakkelijk naar huis, hoewel niet vrij van een gevoel, alsof zijn nieuwe vriend nog bij hem was en invloed op hem uitoefende—alsof hij nog hier of daar in dezelfde achtelooze houding stond te leunen en hem met denzelfden blik aanzag.De hondsvot ging naar huis en naar bed. Indien hij er eenige bewustheid van had gehad wat hij dien avond had gedaan, en wat minder van een hondsvot en wat meer van een broeder had gehad, zou hij misschien onderweg omgekeerd en naar de stinkende, zwart geverfde rivier geloopen zijn, om daarin voorgoed ter ruste te gaan en zijn hoofd voor altijd onder het gordijn van haar modderig water te verschuilen.
XIX.DE HONDSVOT.Het was zeker opmerkelijk, dat een jong heer, die onder zulk een stelsel van onnatuurlijk bedwang was opgevoed, juist een huichelaar zou worden; maar toch was dit het geval met Tom. Het was zeker vreemd, dat een jong heer, die nooit vijf minuten lang aan zijn eigen bestuurwas overgelaten, eindelijk geheel buiten staat zou zijn om zich zelven te besturen, maar zoo was het evenwel met Tom. Het was geheel onverklaarbaar, dat een jong heer, wiens verbeelding in de wieg was gesmoord, nog door het spook daarvan, in de gedaante eener grove zinnelijkheid zou worden lastig gevallen; maar zulk een monster was toch Tom.„Rookt gij?” zeide mijnheer James Harthouse, toen zij aan het hotel kwamen.„Dat zou ik denken,” antwoordde Tom.Hij kon niet minder doen dan Tom boven verzoeken; en Tom kon niet minder doen dan met hem naar boven gaan. Onder den invloed van een verkoelenden drank, geschikt voor zulk een weder, maar niet zoo flauw als koel, en van fijner sigaren dan daar in de stad te koop waren, zat Tom spoedig en op zijn gemak aan zijn kant van de sofa, meer dan ooit genegen om zijn nieuwen vriend aan den anderen kant te bewonderen.Na een poosje gerookt te hebben, blies Tom den rook op zijde, om zijn vriend eens op te nemen.„Hij schijnt zich niets om zijne kleeren te bekreunen,” dacht Tom, „en hoe heerlijk kleedt hij zich toch. Wat een gepoetste klant is hij!”Mijnheer James Harthouse, die toevallig den blik van Tom opving, merkte nu aan, dat hij niet dronk, en schonk zijn glas met achtelooze hand opnieuw vol.„Wel bedankt,” zeide Tom. „Wel bedankt! Nu, mijnheer Harthouse, hoop ik, dat ge van avond omtrent uw bekomst van ouden Bounderby hebt gekregen.” Terwijl Tom dit zeide, kneep hij zijn eene oog dicht en keek met het andere schalkachtig over den rand van zijn glas heen.„Een heel goede kerel, inderdaad,” antwoordde mijnheer James Harthouse.„Ei zoo, vindt ge dat?” zeide Tom en kneep weder zijn oog dicht.Mijnheer James Harthouse glimlachte, stond van de sofa op, kuierde naar den schoorsteen en bleef met zijn rug tegen den mantel staan rooken. Zoo vlak voor Tom staande en op dezen neerziende, merkte hij aan:„Welk een comisch schoonbroeder zijt gij toch!”„Welk een comisch schoonbroeder is oude Bounderby, meent gij, naar ik denk,” zeide Tom.„Ge zijt bijtend scherp, Tom,” liet mijnheer James Harthouse hierop volgen.Er lag iets zoo streelends in, zoo goede vrienden met zulk een vest te wezen, door zulk eene stem Tom genoemd te worden, zoo spoedig op zulk een familiaren voet met zulk een bakkebaard te zijn, dat Tom ongemeen met zich zelven in zijn schik was.„Och, ik geef niet om ouden Bounderby, als ge dat meent,” zeide hij. „Ik heb hem altijd ouden Bounderby genoemd als ik van hem sprak, en ik heb altijd op dezelfde manier over hem gedacht. Ik zal nu niet gaan beginnen met naar beleefde woorden te zoeken, als ik van ouden Bounderby spreek. Dat zou nu wat laat wezen.”„Om mij behoeft ge niet te geven,” hervatte James; „maar pas op als zijne vrouw er bij is, weet ge.”„Zijne vrouw?” zeide Tom. „Mijne zuster Louisa? O ja!” Hij lachte en nam nog een slok van den verkoelenden drank.James Harthouse bleef op dezelfde plek en in dezelfde houding op zijn gemak zijne sigaar staan rooken en zag den hondsvot genoeglijk aan, alsof hij wist dat hij zelf een booze geest in de gedaante van een innemendgentlemanwas, die slechts over hem behoefde te zweven om hem te dwingen zijne geheele ziel aan hem over te geven. Het scheen te blijken, dat de hondsvot voor dien invloed zwichtte. Hij zag zijn makker eerst benepen, toen met bewondering, toen met onbeschaamde stoutheid aan, en trok zijn eene been op de sofa.„Mijne zuster Louisa?” zeide Tom. „Zij heeft nooit om Bounderby gegeven.”„Dat is de verledene tijd, Tom,” hervatte mijnheer James Harthouse, en sloeg met zijn pink de asch van zijne sigaar. „Wij zijn in den tegenwoordigen tijd.”„Onzijdig werkwoord: niet om geven. Aantoonende wijs, tegenwoordige tijd. Eerste persoon enkelvoud, ik geef niet om hem; tweede persoon, gij geeft niet om hem; derde persoon, zij geeft niet om hem,” antwoordde Tom.„Aardig! Heel aardig!” zeide zijn vriend. „Maar gij meent het toch niet.”„Of ik het meen!” riep Tom uit. „Op mijne eer! Wel, gij wilt mij toch niet zeggen, mijnheer Harthouse, dat gij werkelijk denkt, dat mijne zuster om ouden Bounderby geeft.”„Lieve vriend,” antwoordde James, „wat ben ik anders verplicht te denken, als ik twee getrouwde lieden vind, die tevreden en vergenoegd met elkander leven?”Tom had nu zijne beide beenen op de sofa. Indien zijn tweede been niet reeds daarop ware geweest, toen hij zoo „lieve vriend” genoemd werd, zou hij het in dit gewichtig oogenblik van het gesprek er op hebben getrokken. Daar hij het noodig gevoelde iets te doen, rekte hij zich meer in de lengte uit, liet zijn achterhoofd op den kant der sofa zinken, en zoo met eene matelooze affectatie van onbekommerdheid voortrookende, keerde hij zijn gemeen gezicht en zijne twee niet al te nuchtere oogen naar dat gelaat, dat zoo onverschillig en toch met zulk een machtigen invloed op hem neerzag.„Gij kent onzen oude, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, „en dus behoeft het u niet te verwonderen,dat Louisa met ouden Bounderby trouwde. Zij had nooit een vrijer gehad, en de oude stelde haar Bounderby voor, en toen nam zij hem.”„Zeer gehoorzaam van uwe interessante zuster,” zeide mijnheer James Harthouse.„Ja, maar zij zou zoo gehoorzaam niet zijn geweest, en het zou niet zoo gemakkelijk gegaan zijn,” antwoordde de hondsvot, „als het niet om mij geweest ware.”„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).De verzoeker trok slechts zijne wenkbrauwen op, maar de hondsvot was genoodzaakt voort te gaan.„Ikoverreedde haar,” zeide hij met een zeer stichtelijk voorkomen van meerderheid. „Ik was bij ouden Bounderby op het kantoor geplakt—waar ik nooit had willen wezen—en ik wist wel, dat ik daar in moeite zou komen als zij ouden Bounderby den zak gaf; en zoo zeide ik haar wat ik van haar wenschte, en zij deed het. Zij zou alles voor mij gedaan hebben. Het was heel mooi van haar, niet waar?”„Het was verrukkelijk, Tom!”„Niet dat het voor haar van zooveel gewicht was als voor mij,” vervolgde Tom koeltjes, „omdat mijne vrijheid, mijn pleizier en misschien mijn vooruitkomen er van afhingen; zij had toch geen anderen vrijer, en thuisblijven was zoo goed als in de gevangenis zitten—vooral toen ik weg was. Het ware nog watanders geweest als zij een anderen vrijer voor ouden Bounderby had laten loopen; maar het was toch goed van haar.”„Het was heerlijk gedaan. En nu leeft zij weltevreden voort.”„O,” antwoordde Tom met eene mengeling van lof en minachting, „zij is een meisje. Een meisje kan zich overal in schikken. Zij heeft nu eene vaste positie en zij geeft er niet om. Dat leven is voor haar evengoed als ieder ander leven. Bovendien, al is Louisa een meisje, zij is toch geen gewoon meisje. Zij kan zich in zich zelve opsluiten en een uur achtereen zitten denken, gelijk ik haar dikwijls naar het vuur heb zien zitten kijken.”„Zoo, zoo? Zij weet zich zelve dus bezig te houden,” zeide Harthouse al rookende.„Niet zooveel als gij wel denken zoudt,” antwoordde Tom, „want onze oude heeft haar met allerlei droge studiën laten volproppen. Dat is zijn systeem.”„Hij heeft dus zijne dochter naar zijn eigen model gevormd,” merkte Harthouse aan.„Zijne dochter? Ja, en iedereen dien hij maar kon. Hij heeft mij ook op die manier gevormd,” zeide Tom.„Onmogelijk!”„Ja zeker,” zeide Tom en schudde zijn hoofd. „Ik kan u zeggen, mijnheer Harthouse, dat ik, toen ik pas de deur uitkwam en naar ouden Bounderby ging, zoo droog was als een stokvisch en niet meer van het leven wist dan eene oester.”„Kom, kom, Tom! Dat kan ik haast niet gelooven. Gekheid is gekheid.”„Bij mijne ziel,” zeide de hondsvot, „ik spreek in ernst. Dat doe ik waarlijk.” Hij rookte een poosje met groote deftigheid en vervolgde toen met buitengemeene zelfvoldoening: „Ik heb sedert een beetje geleerd, dat ontken ik niet. Maar daarvoor heb ik zelf gezorgd; dat heb ik mijn vader niet te danken.”„En uwe schrandere zuster?”„Mijne schrandere zuster is omtrent waar zij voorheen was. Zij placht mij te klagen dat zij niets had om zich bezig te houden, gelijk de andere meisjes hebben, en ik begrijp niet hoe zij dat sedert te boven is gekomen. Maar zij geeft daar niet om,” voegde hij er scherpzinnig bij, en trok weder aan zijne sigaar. „Een meisje kan altijd haar tijd klein krijgen.”„Toen ik gisteravond aan het kantoor aanging, om het adres van mijnheer Bounderby te vragen, vond ik daar eene oude dame, die eene bijzondere hoogachting voor uwe zuster scheen te koesteren,” merkte mijnheer James Harthouse aan, terwijl hij het stompje van de sigaar, die hij opgerookt had, wegwierp.„Moeder Sparsit?” zeide Tom. „Wat, hebt gij haar al gezien?”Zijn vriend knikte. Tom nam zijne sigaar uit den mond, om zijn oog, dat eenigszins weerbarstig begon te worden, te beter te kunnen dichtknijpen, en eenige malen met zijn vinger tegen zijn neus te tikken.„Moeder Sparsit gevoelt voor Louisa veel meer dan achting, zou ik denken,” zeide Tom. „Zeg liever: liefde en dankbaarheid. Moeder Sparsit heeft zelve nooit naar Bounderby gehengeld toen hij nog vrijgezel was. Wel neen!”Dit waren de laatste woorden, die de hondsvot sprak, eer hem eene duizeligheid en slaperigheid overvielen, die door eene volkomene vergetelheid werden gevolgd. Hij werd uit dezen laatsten toestand opgewekt door te droomen van een onaangenaam gevoel, alsof hij met eene laars werd geschopt, en tegelijk hoorde hij eene stem, die zeide: „Kom, het wordt laat. Maak je nu weg!”„Wel,” zeide hij, van de sofa opkrabbelende, „dan zal ik afscheid van u moeten nemen. Zeg eens. Gij hebt heel goede sigaren, maar ze zijn wat al te licht.”„Ja, ze zijn al te licht,” antwoordde zijn gastheer.„Het is zot, zoo licht als ze zijn,” zeide Tom.„Waar is de deur? Goedennacht.”Hij had nog een zonderlingen droom van een knecht, die hem voorttrok door een nevel, welke, nadat hij hem vrij wat moeite had veroorzaakt, in zooverre optrok, dat hij de straat kon zien, waarop hij alleen was blijven staan. Toen ging hij tamelijk gemakkelijk naar huis, hoewel niet vrij van een gevoel, alsof zijn nieuwe vriend nog bij hem was en invloed op hem uitoefende—alsof hij nog hier of daar in dezelfde achtelooze houding stond te leunen en hem met denzelfden blik aanzag.De hondsvot ging naar huis en naar bed. Indien hij er eenige bewustheid van had gehad wat hij dien avond had gedaan, en wat minder van een hondsvot en wat meer van een broeder had gehad, zou hij misschien onderweg omgekeerd en naar de stinkende, zwart geverfde rivier geloopen zijn, om daarin voorgoed ter ruste te gaan en zijn hoofd voor altijd onder het gordijn van haar modderig water te verschuilen.
XIX.DE HONDSVOT.Het was zeker opmerkelijk, dat een jong heer, die onder zulk een stelsel van onnatuurlijk bedwang was opgevoed, juist een huichelaar zou worden; maar toch was dit het geval met Tom. Het was zeker vreemd, dat een jong heer, die nooit vijf minuten lang aan zijn eigen bestuurwas overgelaten, eindelijk geheel buiten staat zou zijn om zich zelven te besturen, maar zoo was het evenwel met Tom. Het was geheel onverklaarbaar, dat een jong heer, wiens verbeelding in de wieg was gesmoord, nog door het spook daarvan, in de gedaante eener grove zinnelijkheid zou worden lastig gevallen; maar zulk een monster was toch Tom.„Rookt gij?” zeide mijnheer James Harthouse, toen zij aan het hotel kwamen.„Dat zou ik denken,” antwoordde Tom.Hij kon niet minder doen dan Tom boven verzoeken; en Tom kon niet minder doen dan met hem naar boven gaan. Onder den invloed van een verkoelenden drank, geschikt voor zulk een weder, maar niet zoo flauw als koel, en van fijner sigaren dan daar in de stad te koop waren, zat Tom spoedig en op zijn gemak aan zijn kant van de sofa, meer dan ooit genegen om zijn nieuwen vriend aan den anderen kant te bewonderen.Na een poosje gerookt te hebben, blies Tom den rook op zijde, om zijn vriend eens op te nemen.„Hij schijnt zich niets om zijne kleeren te bekreunen,” dacht Tom, „en hoe heerlijk kleedt hij zich toch. Wat een gepoetste klant is hij!”Mijnheer James Harthouse, die toevallig den blik van Tom opving, merkte nu aan, dat hij niet dronk, en schonk zijn glas met achtelooze hand opnieuw vol.„Wel bedankt,” zeide Tom. „Wel bedankt! Nu, mijnheer Harthouse, hoop ik, dat ge van avond omtrent uw bekomst van ouden Bounderby hebt gekregen.” Terwijl Tom dit zeide, kneep hij zijn eene oog dicht en keek met het andere schalkachtig over den rand van zijn glas heen.„Een heel goede kerel, inderdaad,” antwoordde mijnheer James Harthouse.„Ei zoo, vindt ge dat?” zeide Tom en kneep weder zijn oog dicht.Mijnheer James Harthouse glimlachte, stond van de sofa op, kuierde naar den schoorsteen en bleef met zijn rug tegen den mantel staan rooken. Zoo vlak voor Tom staande en op dezen neerziende, merkte hij aan:„Welk een comisch schoonbroeder zijt gij toch!”„Welk een comisch schoonbroeder is oude Bounderby, meent gij, naar ik denk,” zeide Tom.„Ge zijt bijtend scherp, Tom,” liet mijnheer James Harthouse hierop volgen.Er lag iets zoo streelends in, zoo goede vrienden met zulk een vest te wezen, door zulk eene stem Tom genoemd te worden, zoo spoedig op zulk een familiaren voet met zulk een bakkebaard te zijn, dat Tom ongemeen met zich zelven in zijn schik was.„Och, ik geef niet om ouden Bounderby, als ge dat meent,” zeide hij. „Ik heb hem altijd ouden Bounderby genoemd als ik van hem sprak, en ik heb altijd op dezelfde manier over hem gedacht. Ik zal nu niet gaan beginnen met naar beleefde woorden te zoeken, als ik van ouden Bounderby spreek. Dat zou nu wat laat wezen.”„Om mij behoeft ge niet te geven,” hervatte James; „maar pas op als zijne vrouw er bij is, weet ge.”„Zijne vrouw?” zeide Tom. „Mijne zuster Louisa? O ja!” Hij lachte en nam nog een slok van den verkoelenden drank.James Harthouse bleef op dezelfde plek en in dezelfde houding op zijn gemak zijne sigaar staan rooken en zag den hondsvot genoeglijk aan, alsof hij wist dat hij zelf een booze geest in de gedaante van een innemendgentlemanwas, die slechts over hem behoefde te zweven om hem te dwingen zijne geheele ziel aan hem over te geven. Het scheen te blijken, dat de hondsvot voor dien invloed zwichtte. Hij zag zijn makker eerst benepen, toen met bewondering, toen met onbeschaamde stoutheid aan, en trok zijn eene been op de sofa.„Mijne zuster Louisa?” zeide Tom. „Zij heeft nooit om Bounderby gegeven.”„Dat is de verledene tijd, Tom,” hervatte mijnheer James Harthouse, en sloeg met zijn pink de asch van zijne sigaar. „Wij zijn in den tegenwoordigen tijd.”„Onzijdig werkwoord: niet om geven. Aantoonende wijs, tegenwoordige tijd. Eerste persoon enkelvoud, ik geef niet om hem; tweede persoon, gij geeft niet om hem; derde persoon, zij geeft niet om hem,” antwoordde Tom.„Aardig! Heel aardig!” zeide zijn vriend. „Maar gij meent het toch niet.”„Of ik het meen!” riep Tom uit. „Op mijne eer! Wel, gij wilt mij toch niet zeggen, mijnheer Harthouse, dat gij werkelijk denkt, dat mijne zuster om ouden Bounderby geeft.”„Lieve vriend,” antwoordde James, „wat ben ik anders verplicht te denken, als ik twee getrouwde lieden vind, die tevreden en vergenoegd met elkander leven?”Tom had nu zijne beide beenen op de sofa. Indien zijn tweede been niet reeds daarop ware geweest, toen hij zoo „lieve vriend” genoemd werd, zou hij het in dit gewichtig oogenblik van het gesprek er op hebben getrokken. Daar hij het noodig gevoelde iets te doen, rekte hij zich meer in de lengte uit, liet zijn achterhoofd op den kant der sofa zinken, en zoo met eene matelooze affectatie van onbekommerdheid voortrookende, keerde hij zijn gemeen gezicht en zijne twee niet al te nuchtere oogen naar dat gelaat, dat zoo onverschillig en toch met zulk een machtigen invloed op hem neerzag.„Gij kent onzen oude, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, „en dus behoeft het u niet te verwonderen,dat Louisa met ouden Bounderby trouwde. Zij had nooit een vrijer gehad, en de oude stelde haar Bounderby voor, en toen nam zij hem.”„Zeer gehoorzaam van uwe interessante zuster,” zeide mijnheer James Harthouse.„Ja, maar zij zou zoo gehoorzaam niet zijn geweest, en het zou niet zoo gemakkelijk gegaan zijn,” antwoordde de hondsvot, „als het niet om mij geweest ware.”„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).De verzoeker trok slechts zijne wenkbrauwen op, maar de hondsvot was genoodzaakt voort te gaan.„Ikoverreedde haar,” zeide hij met een zeer stichtelijk voorkomen van meerderheid. „Ik was bij ouden Bounderby op het kantoor geplakt—waar ik nooit had willen wezen—en ik wist wel, dat ik daar in moeite zou komen als zij ouden Bounderby den zak gaf; en zoo zeide ik haar wat ik van haar wenschte, en zij deed het. Zij zou alles voor mij gedaan hebben. Het was heel mooi van haar, niet waar?”„Het was verrukkelijk, Tom!”„Niet dat het voor haar van zooveel gewicht was als voor mij,” vervolgde Tom koeltjes, „omdat mijne vrijheid, mijn pleizier en misschien mijn vooruitkomen er van afhingen; zij had toch geen anderen vrijer, en thuisblijven was zoo goed als in de gevangenis zitten—vooral toen ik weg was. Het ware nog watanders geweest als zij een anderen vrijer voor ouden Bounderby had laten loopen; maar het was toch goed van haar.”„Het was heerlijk gedaan. En nu leeft zij weltevreden voort.”„O,” antwoordde Tom met eene mengeling van lof en minachting, „zij is een meisje. Een meisje kan zich overal in schikken. Zij heeft nu eene vaste positie en zij geeft er niet om. Dat leven is voor haar evengoed als ieder ander leven. Bovendien, al is Louisa een meisje, zij is toch geen gewoon meisje. Zij kan zich in zich zelve opsluiten en een uur achtereen zitten denken, gelijk ik haar dikwijls naar het vuur heb zien zitten kijken.”„Zoo, zoo? Zij weet zich zelve dus bezig te houden,” zeide Harthouse al rookende.„Niet zooveel als gij wel denken zoudt,” antwoordde Tom, „want onze oude heeft haar met allerlei droge studiën laten volproppen. Dat is zijn systeem.”„Hij heeft dus zijne dochter naar zijn eigen model gevormd,” merkte Harthouse aan.„Zijne dochter? Ja, en iedereen dien hij maar kon. Hij heeft mij ook op die manier gevormd,” zeide Tom.„Onmogelijk!”„Ja zeker,” zeide Tom en schudde zijn hoofd. „Ik kan u zeggen, mijnheer Harthouse, dat ik, toen ik pas de deur uitkwam en naar ouden Bounderby ging, zoo droog was als een stokvisch en niet meer van het leven wist dan eene oester.”„Kom, kom, Tom! Dat kan ik haast niet gelooven. Gekheid is gekheid.”„Bij mijne ziel,” zeide de hondsvot, „ik spreek in ernst. Dat doe ik waarlijk.” Hij rookte een poosje met groote deftigheid en vervolgde toen met buitengemeene zelfvoldoening: „Ik heb sedert een beetje geleerd, dat ontken ik niet. Maar daarvoor heb ik zelf gezorgd; dat heb ik mijn vader niet te danken.”„En uwe schrandere zuster?”„Mijne schrandere zuster is omtrent waar zij voorheen was. Zij placht mij te klagen dat zij niets had om zich bezig te houden, gelijk de andere meisjes hebben, en ik begrijp niet hoe zij dat sedert te boven is gekomen. Maar zij geeft daar niet om,” voegde hij er scherpzinnig bij, en trok weder aan zijne sigaar. „Een meisje kan altijd haar tijd klein krijgen.”„Toen ik gisteravond aan het kantoor aanging, om het adres van mijnheer Bounderby te vragen, vond ik daar eene oude dame, die eene bijzondere hoogachting voor uwe zuster scheen te koesteren,” merkte mijnheer James Harthouse aan, terwijl hij het stompje van de sigaar, die hij opgerookt had, wegwierp.„Moeder Sparsit?” zeide Tom. „Wat, hebt gij haar al gezien?”Zijn vriend knikte. Tom nam zijne sigaar uit den mond, om zijn oog, dat eenigszins weerbarstig begon te worden, te beter te kunnen dichtknijpen, en eenige malen met zijn vinger tegen zijn neus te tikken.„Moeder Sparsit gevoelt voor Louisa veel meer dan achting, zou ik denken,” zeide Tom. „Zeg liever: liefde en dankbaarheid. Moeder Sparsit heeft zelve nooit naar Bounderby gehengeld toen hij nog vrijgezel was. Wel neen!”Dit waren de laatste woorden, die de hondsvot sprak, eer hem eene duizeligheid en slaperigheid overvielen, die door eene volkomene vergetelheid werden gevolgd. Hij werd uit dezen laatsten toestand opgewekt door te droomen van een onaangenaam gevoel, alsof hij met eene laars werd geschopt, en tegelijk hoorde hij eene stem, die zeide: „Kom, het wordt laat. Maak je nu weg!”„Wel,” zeide hij, van de sofa opkrabbelende, „dan zal ik afscheid van u moeten nemen. Zeg eens. Gij hebt heel goede sigaren, maar ze zijn wat al te licht.”„Ja, ze zijn al te licht,” antwoordde zijn gastheer.„Het is zot, zoo licht als ze zijn,” zeide Tom.„Waar is de deur? Goedennacht.”Hij had nog een zonderlingen droom van een knecht, die hem voorttrok door een nevel, welke, nadat hij hem vrij wat moeite had veroorzaakt, in zooverre optrok, dat hij de straat kon zien, waarop hij alleen was blijven staan. Toen ging hij tamelijk gemakkelijk naar huis, hoewel niet vrij van een gevoel, alsof zijn nieuwe vriend nog bij hem was en invloed op hem uitoefende—alsof hij nog hier of daar in dezelfde achtelooze houding stond te leunen en hem met denzelfden blik aanzag.De hondsvot ging naar huis en naar bed. Indien hij er eenige bewustheid van had gehad wat hij dien avond had gedaan, en wat minder van een hondsvot en wat meer van een broeder had gehad, zou hij misschien onderweg omgekeerd en naar de stinkende, zwart geverfde rivier geloopen zijn, om daarin voorgoed ter ruste te gaan en zijn hoofd voor altijd onder het gordijn van haar modderig water te verschuilen.
XIX.DE HONDSVOT.
Het was zeker opmerkelijk, dat een jong heer, die onder zulk een stelsel van onnatuurlijk bedwang was opgevoed, juist een huichelaar zou worden; maar toch was dit het geval met Tom. Het was zeker vreemd, dat een jong heer, die nooit vijf minuten lang aan zijn eigen bestuurwas overgelaten, eindelijk geheel buiten staat zou zijn om zich zelven te besturen, maar zoo was het evenwel met Tom. Het was geheel onverklaarbaar, dat een jong heer, wiens verbeelding in de wieg was gesmoord, nog door het spook daarvan, in de gedaante eener grove zinnelijkheid zou worden lastig gevallen; maar zulk een monster was toch Tom.„Rookt gij?” zeide mijnheer James Harthouse, toen zij aan het hotel kwamen.„Dat zou ik denken,” antwoordde Tom.Hij kon niet minder doen dan Tom boven verzoeken; en Tom kon niet minder doen dan met hem naar boven gaan. Onder den invloed van een verkoelenden drank, geschikt voor zulk een weder, maar niet zoo flauw als koel, en van fijner sigaren dan daar in de stad te koop waren, zat Tom spoedig en op zijn gemak aan zijn kant van de sofa, meer dan ooit genegen om zijn nieuwen vriend aan den anderen kant te bewonderen.Na een poosje gerookt te hebben, blies Tom den rook op zijde, om zijn vriend eens op te nemen.„Hij schijnt zich niets om zijne kleeren te bekreunen,” dacht Tom, „en hoe heerlijk kleedt hij zich toch. Wat een gepoetste klant is hij!”Mijnheer James Harthouse, die toevallig den blik van Tom opving, merkte nu aan, dat hij niet dronk, en schonk zijn glas met achtelooze hand opnieuw vol.„Wel bedankt,” zeide Tom. „Wel bedankt! Nu, mijnheer Harthouse, hoop ik, dat ge van avond omtrent uw bekomst van ouden Bounderby hebt gekregen.” Terwijl Tom dit zeide, kneep hij zijn eene oog dicht en keek met het andere schalkachtig over den rand van zijn glas heen.„Een heel goede kerel, inderdaad,” antwoordde mijnheer James Harthouse.„Ei zoo, vindt ge dat?” zeide Tom en kneep weder zijn oog dicht.Mijnheer James Harthouse glimlachte, stond van de sofa op, kuierde naar den schoorsteen en bleef met zijn rug tegen den mantel staan rooken. Zoo vlak voor Tom staande en op dezen neerziende, merkte hij aan:„Welk een comisch schoonbroeder zijt gij toch!”„Welk een comisch schoonbroeder is oude Bounderby, meent gij, naar ik denk,” zeide Tom.„Ge zijt bijtend scherp, Tom,” liet mijnheer James Harthouse hierop volgen.Er lag iets zoo streelends in, zoo goede vrienden met zulk een vest te wezen, door zulk eene stem Tom genoemd te worden, zoo spoedig op zulk een familiaren voet met zulk een bakkebaard te zijn, dat Tom ongemeen met zich zelven in zijn schik was.„Och, ik geef niet om ouden Bounderby, als ge dat meent,” zeide hij. „Ik heb hem altijd ouden Bounderby genoemd als ik van hem sprak, en ik heb altijd op dezelfde manier over hem gedacht. Ik zal nu niet gaan beginnen met naar beleefde woorden te zoeken, als ik van ouden Bounderby spreek. Dat zou nu wat laat wezen.”„Om mij behoeft ge niet te geven,” hervatte James; „maar pas op als zijne vrouw er bij is, weet ge.”„Zijne vrouw?” zeide Tom. „Mijne zuster Louisa? O ja!” Hij lachte en nam nog een slok van den verkoelenden drank.James Harthouse bleef op dezelfde plek en in dezelfde houding op zijn gemak zijne sigaar staan rooken en zag den hondsvot genoeglijk aan, alsof hij wist dat hij zelf een booze geest in de gedaante van een innemendgentlemanwas, die slechts over hem behoefde te zweven om hem te dwingen zijne geheele ziel aan hem over te geven. Het scheen te blijken, dat de hondsvot voor dien invloed zwichtte. Hij zag zijn makker eerst benepen, toen met bewondering, toen met onbeschaamde stoutheid aan, en trok zijn eene been op de sofa.„Mijne zuster Louisa?” zeide Tom. „Zij heeft nooit om Bounderby gegeven.”„Dat is de verledene tijd, Tom,” hervatte mijnheer James Harthouse, en sloeg met zijn pink de asch van zijne sigaar. „Wij zijn in den tegenwoordigen tijd.”„Onzijdig werkwoord: niet om geven. Aantoonende wijs, tegenwoordige tijd. Eerste persoon enkelvoud, ik geef niet om hem; tweede persoon, gij geeft niet om hem; derde persoon, zij geeft niet om hem,” antwoordde Tom.„Aardig! Heel aardig!” zeide zijn vriend. „Maar gij meent het toch niet.”„Of ik het meen!” riep Tom uit. „Op mijne eer! Wel, gij wilt mij toch niet zeggen, mijnheer Harthouse, dat gij werkelijk denkt, dat mijne zuster om ouden Bounderby geeft.”„Lieve vriend,” antwoordde James, „wat ben ik anders verplicht te denken, als ik twee getrouwde lieden vind, die tevreden en vergenoegd met elkander leven?”Tom had nu zijne beide beenen op de sofa. Indien zijn tweede been niet reeds daarop ware geweest, toen hij zoo „lieve vriend” genoemd werd, zou hij het in dit gewichtig oogenblik van het gesprek er op hebben getrokken. Daar hij het noodig gevoelde iets te doen, rekte hij zich meer in de lengte uit, liet zijn achterhoofd op den kant der sofa zinken, en zoo met eene matelooze affectatie van onbekommerdheid voortrookende, keerde hij zijn gemeen gezicht en zijne twee niet al te nuchtere oogen naar dat gelaat, dat zoo onverschillig en toch met zulk een machtigen invloed op hem neerzag.„Gij kent onzen oude, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, „en dus behoeft het u niet te verwonderen,dat Louisa met ouden Bounderby trouwde. Zij had nooit een vrijer gehad, en de oude stelde haar Bounderby voor, en toen nam zij hem.”„Zeer gehoorzaam van uwe interessante zuster,” zeide mijnheer James Harthouse.„Ja, maar zij zou zoo gehoorzaam niet zijn geweest, en het zou niet zoo gemakkelijk gegaan zijn,” antwoordde de hondsvot, „als het niet om mij geweest ware.”„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).De verzoeker trok slechts zijne wenkbrauwen op, maar de hondsvot was genoodzaakt voort te gaan.„Ikoverreedde haar,” zeide hij met een zeer stichtelijk voorkomen van meerderheid. „Ik was bij ouden Bounderby op het kantoor geplakt—waar ik nooit had willen wezen—en ik wist wel, dat ik daar in moeite zou komen als zij ouden Bounderby den zak gaf; en zoo zeide ik haar wat ik van haar wenschte, en zij deed het. Zij zou alles voor mij gedaan hebben. Het was heel mooi van haar, niet waar?”„Het was verrukkelijk, Tom!”„Niet dat het voor haar van zooveel gewicht was als voor mij,” vervolgde Tom koeltjes, „omdat mijne vrijheid, mijn pleizier en misschien mijn vooruitkomen er van afhingen; zij had toch geen anderen vrijer, en thuisblijven was zoo goed als in de gevangenis zitten—vooral toen ik weg was. Het ware nog watanders geweest als zij een anderen vrijer voor ouden Bounderby had laten loopen; maar het was toch goed van haar.”„Het was heerlijk gedaan. En nu leeft zij weltevreden voort.”„O,” antwoordde Tom met eene mengeling van lof en minachting, „zij is een meisje. Een meisje kan zich overal in schikken. Zij heeft nu eene vaste positie en zij geeft er niet om. Dat leven is voor haar evengoed als ieder ander leven. Bovendien, al is Louisa een meisje, zij is toch geen gewoon meisje. Zij kan zich in zich zelve opsluiten en een uur achtereen zitten denken, gelijk ik haar dikwijls naar het vuur heb zien zitten kijken.”„Zoo, zoo? Zij weet zich zelve dus bezig te houden,” zeide Harthouse al rookende.„Niet zooveel als gij wel denken zoudt,” antwoordde Tom, „want onze oude heeft haar met allerlei droge studiën laten volproppen. Dat is zijn systeem.”„Hij heeft dus zijne dochter naar zijn eigen model gevormd,” merkte Harthouse aan.„Zijne dochter? Ja, en iedereen dien hij maar kon. Hij heeft mij ook op die manier gevormd,” zeide Tom.„Onmogelijk!”„Ja zeker,” zeide Tom en schudde zijn hoofd. „Ik kan u zeggen, mijnheer Harthouse, dat ik, toen ik pas de deur uitkwam en naar ouden Bounderby ging, zoo droog was als een stokvisch en niet meer van het leven wist dan eene oester.”„Kom, kom, Tom! Dat kan ik haast niet gelooven. Gekheid is gekheid.”„Bij mijne ziel,” zeide de hondsvot, „ik spreek in ernst. Dat doe ik waarlijk.” Hij rookte een poosje met groote deftigheid en vervolgde toen met buitengemeene zelfvoldoening: „Ik heb sedert een beetje geleerd, dat ontken ik niet. Maar daarvoor heb ik zelf gezorgd; dat heb ik mijn vader niet te danken.”„En uwe schrandere zuster?”„Mijne schrandere zuster is omtrent waar zij voorheen was. Zij placht mij te klagen dat zij niets had om zich bezig te houden, gelijk de andere meisjes hebben, en ik begrijp niet hoe zij dat sedert te boven is gekomen. Maar zij geeft daar niet om,” voegde hij er scherpzinnig bij, en trok weder aan zijne sigaar. „Een meisje kan altijd haar tijd klein krijgen.”„Toen ik gisteravond aan het kantoor aanging, om het adres van mijnheer Bounderby te vragen, vond ik daar eene oude dame, die eene bijzondere hoogachting voor uwe zuster scheen te koesteren,” merkte mijnheer James Harthouse aan, terwijl hij het stompje van de sigaar, die hij opgerookt had, wegwierp.„Moeder Sparsit?” zeide Tom. „Wat, hebt gij haar al gezien?”Zijn vriend knikte. Tom nam zijne sigaar uit den mond, om zijn oog, dat eenigszins weerbarstig begon te worden, te beter te kunnen dichtknijpen, en eenige malen met zijn vinger tegen zijn neus te tikken.„Moeder Sparsit gevoelt voor Louisa veel meer dan achting, zou ik denken,” zeide Tom. „Zeg liever: liefde en dankbaarheid. Moeder Sparsit heeft zelve nooit naar Bounderby gehengeld toen hij nog vrijgezel was. Wel neen!”Dit waren de laatste woorden, die de hondsvot sprak, eer hem eene duizeligheid en slaperigheid overvielen, die door eene volkomene vergetelheid werden gevolgd. Hij werd uit dezen laatsten toestand opgewekt door te droomen van een onaangenaam gevoel, alsof hij met eene laars werd geschopt, en tegelijk hoorde hij eene stem, die zeide: „Kom, het wordt laat. Maak je nu weg!”„Wel,” zeide hij, van de sofa opkrabbelende, „dan zal ik afscheid van u moeten nemen. Zeg eens. Gij hebt heel goede sigaren, maar ze zijn wat al te licht.”„Ja, ze zijn al te licht,” antwoordde zijn gastheer.„Het is zot, zoo licht als ze zijn,” zeide Tom.„Waar is de deur? Goedennacht.”Hij had nog een zonderlingen droom van een knecht, die hem voorttrok door een nevel, welke, nadat hij hem vrij wat moeite had veroorzaakt, in zooverre optrok, dat hij de straat kon zien, waarop hij alleen was blijven staan. Toen ging hij tamelijk gemakkelijk naar huis, hoewel niet vrij van een gevoel, alsof zijn nieuwe vriend nog bij hem was en invloed op hem uitoefende—alsof hij nog hier of daar in dezelfde achtelooze houding stond te leunen en hem met denzelfden blik aanzag.De hondsvot ging naar huis en naar bed. Indien hij er eenige bewustheid van had gehad wat hij dien avond had gedaan, en wat minder van een hondsvot en wat meer van een broeder had gehad, zou hij misschien onderweg omgekeerd en naar de stinkende, zwart geverfde rivier geloopen zijn, om daarin voorgoed ter ruste te gaan en zijn hoofd voor altijd onder het gordijn van haar modderig water te verschuilen.
Het was zeker opmerkelijk, dat een jong heer, die onder zulk een stelsel van onnatuurlijk bedwang was opgevoed, juist een huichelaar zou worden; maar toch was dit het geval met Tom. Het was zeker vreemd, dat een jong heer, die nooit vijf minuten lang aan zijn eigen bestuurwas overgelaten, eindelijk geheel buiten staat zou zijn om zich zelven te besturen, maar zoo was het evenwel met Tom. Het was geheel onverklaarbaar, dat een jong heer, wiens verbeelding in de wieg was gesmoord, nog door het spook daarvan, in de gedaante eener grove zinnelijkheid zou worden lastig gevallen; maar zulk een monster was toch Tom.
„Rookt gij?” zeide mijnheer James Harthouse, toen zij aan het hotel kwamen.
„Dat zou ik denken,” antwoordde Tom.
Hij kon niet minder doen dan Tom boven verzoeken; en Tom kon niet minder doen dan met hem naar boven gaan. Onder den invloed van een verkoelenden drank, geschikt voor zulk een weder, maar niet zoo flauw als koel, en van fijner sigaren dan daar in de stad te koop waren, zat Tom spoedig en op zijn gemak aan zijn kant van de sofa, meer dan ooit genegen om zijn nieuwen vriend aan den anderen kant te bewonderen.
Na een poosje gerookt te hebben, blies Tom den rook op zijde, om zijn vriend eens op te nemen.
„Hij schijnt zich niets om zijne kleeren te bekreunen,” dacht Tom, „en hoe heerlijk kleedt hij zich toch. Wat een gepoetste klant is hij!”
Mijnheer James Harthouse, die toevallig den blik van Tom opving, merkte nu aan, dat hij niet dronk, en schonk zijn glas met achtelooze hand opnieuw vol.
„Wel bedankt,” zeide Tom. „Wel bedankt! Nu, mijnheer Harthouse, hoop ik, dat ge van avond omtrent uw bekomst van ouden Bounderby hebt gekregen.” Terwijl Tom dit zeide, kneep hij zijn eene oog dicht en keek met het andere schalkachtig over den rand van zijn glas heen.
„Een heel goede kerel, inderdaad,” antwoordde mijnheer James Harthouse.
„Ei zoo, vindt ge dat?” zeide Tom en kneep weder zijn oog dicht.
Mijnheer James Harthouse glimlachte, stond van de sofa op, kuierde naar den schoorsteen en bleef met zijn rug tegen den mantel staan rooken. Zoo vlak voor Tom staande en op dezen neerziende, merkte hij aan:
„Welk een comisch schoonbroeder zijt gij toch!”
„Welk een comisch schoonbroeder is oude Bounderby, meent gij, naar ik denk,” zeide Tom.
„Ge zijt bijtend scherp, Tom,” liet mijnheer James Harthouse hierop volgen.
Er lag iets zoo streelends in, zoo goede vrienden met zulk een vest te wezen, door zulk eene stem Tom genoemd te worden, zoo spoedig op zulk een familiaren voet met zulk een bakkebaard te zijn, dat Tom ongemeen met zich zelven in zijn schik was.
„Och, ik geef niet om ouden Bounderby, als ge dat meent,” zeide hij. „Ik heb hem altijd ouden Bounderby genoemd als ik van hem sprak, en ik heb altijd op dezelfde manier over hem gedacht. Ik zal nu niet gaan beginnen met naar beleefde woorden te zoeken, als ik van ouden Bounderby spreek. Dat zou nu wat laat wezen.”
„Om mij behoeft ge niet te geven,” hervatte James; „maar pas op als zijne vrouw er bij is, weet ge.”
„Zijne vrouw?” zeide Tom. „Mijne zuster Louisa? O ja!” Hij lachte en nam nog een slok van den verkoelenden drank.
James Harthouse bleef op dezelfde plek en in dezelfde houding op zijn gemak zijne sigaar staan rooken en zag den hondsvot genoeglijk aan, alsof hij wist dat hij zelf een booze geest in de gedaante van een innemendgentlemanwas, die slechts over hem behoefde te zweven om hem te dwingen zijne geheele ziel aan hem over te geven. Het scheen te blijken, dat de hondsvot voor dien invloed zwichtte. Hij zag zijn makker eerst benepen, toen met bewondering, toen met onbeschaamde stoutheid aan, en trok zijn eene been op de sofa.
„Mijne zuster Louisa?” zeide Tom. „Zij heeft nooit om Bounderby gegeven.”
„Dat is de verledene tijd, Tom,” hervatte mijnheer James Harthouse, en sloeg met zijn pink de asch van zijne sigaar. „Wij zijn in den tegenwoordigen tijd.”
„Onzijdig werkwoord: niet om geven. Aantoonende wijs, tegenwoordige tijd. Eerste persoon enkelvoud, ik geef niet om hem; tweede persoon, gij geeft niet om hem; derde persoon, zij geeft niet om hem,” antwoordde Tom.
„Aardig! Heel aardig!” zeide zijn vriend. „Maar gij meent het toch niet.”
„Of ik het meen!” riep Tom uit. „Op mijne eer! Wel, gij wilt mij toch niet zeggen, mijnheer Harthouse, dat gij werkelijk denkt, dat mijne zuster om ouden Bounderby geeft.”
„Lieve vriend,” antwoordde James, „wat ben ik anders verplicht te denken, als ik twee getrouwde lieden vind, die tevreden en vergenoegd met elkander leven?”
Tom had nu zijne beide beenen op de sofa. Indien zijn tweede been niet reeds daarop ware geweest, toen hij zoo „lieve vriend” genoemd werd, zou hij het in dit gewichtig oogenblik van het gesprek er op hebben getrokken. Daar hij het noodig gevoelde iets te doen, rekte hij zich meer in de lengte uit, liet zijn achterhoofd op den kant der sofa zinken, en zoo met eene matelooze affectatie van onbekommerdheid voortrookende, keerde hij zijn gemeen gezicht en zijne twee niet al te nuchtere oogen naar dat gelaat, dat zoo onverschillig en toch met zulk een machtigen invloed op hem neerzag.
„Gij kent onzen oude, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, „en dus behoeft het u niet te verwonderen,dat Louisa met ouden Bounderby trouwde. Zij had nooit een vrijer gehad, en de oude stelde haar Bounderby voor, en toen nam zij hem.”
„Zeer gehoorzaam van uwe interessante zuster,” zeide mijnheer James Harthouse.
„Ja, maar zij zou zoo gehoorzaam niet zijn geweest, en het zou niet zoo gemakkelijk gegaan zijn,” antwoordde de hondsvot, „als het niet om mij geweest ware.”
„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).
„DE HEMEL HELPE ONS ALLEN IN DEZE WERELD.” (Blz. 74).
De verzoeker trok slechts zijne wenkbrauwen op, maar de hondsvot was genoodzaakt voort te gaan.
„Ikoverreedde haar,” zeide hij met een zeer stichtelijk voorkomen van meerderheid. „Ik was bij ouden Bounderby op het kantoor geplakt—waar ik nooit had willen wezen—en ik wist wel, dat ik daar in moeite zou komen als zij ouden Bounderby den zak gaf; en zoo zeide ik haar wat ik van haar wenschte, en zij deed het. Zij zou alles voor mij gedaan hebben. Het was heel mooi van haar, niet waar?”
„Het was verrukkelijk, Tom!”
„Niet dat het voor haar van zooveel gewicht was als voor mij,” vervolgde Tom koeltjes, „omdat mijne vrijheid, mijn pleizier en misschien mijn vooruitkomen er van afhingen; zij had toch geen anderen vrijer, en thuisblijven was zoo goed als in de gevangenis zitten—vooral toen ik weg was. Het ware nog watanders geweest als zij een anderen vrijer voor ouden Bounderby had laten loopen; maar het was toch goed van haar.”
„Het was heerlijk gedaan. En nu leeft zij weltevreden voort.”
„O,” antwoordde Tom met eene mengeling van lof en minachting, „zij is een meisje. Een meisje kan zich overal in schikken. Zij heeft nu eene vaste positie en zij geeft er niet om. Dat leven is voor haar evengoed als ieder ander leven. Bovendien, al is Louisa een meisje, zij is toch geen gewoon meisje. Zij kan zich in zich zelve opsluiten en een uur achtereen zitten denken, gelijk ik haar dikwijls naar het vuur heb zien zitten kijken.”
„Zoo, zoo? Zij weet zich zelve dus bezig te houden,” zeide Harthouse al rookende.
„Niet zooveel als gij wel denken zoudt,” antwoordde Tom, „want onze oude heeft haar met allerlei droge studiën laten volproppen. Dat is zijn systeem.”
„Hij heeft dus zijne dochter naar zijn eigen model gevormd,” merkte Harthouse aan.
„Zijne dochter? Ja, en iedereen dien hij maar kon. Hij heeft mij ook op die manier gevormd,” zeide Tom.
„Onmogelijk!”
„Ja zeker,” zeide Tom en schudde zijn hoofd. „Ik kan u zeggen, mijnheer Harthouse, dat ik, toen ik pas de deur uitkwam en naar ouden Bounderby ging, zoo droog was als een stokvisch en niet meer van het leven wist dan eene oester.”
„Kom, kom, Tom! Dat kan ik haast niet gelooven. Gekheid is gekheid.”
„Bij mijne ziel,” zeide de hondsvot, „ik spreek in ernst. Dat doe ik waarlijk.” Hij rookte een poosje met groote deftigheid en vervolgde toen met buitengemeene zelfvoldoening: „Ik heb sedert een beetje geleerd, dat ontken ik niet. Maar daarvoor heb ik zelf gezorgd; dat heb ik mijn vader niet te danken.”
„En uwe schrandere zuster?”
„Mijne schrandere zuster is omtrent waar zij voorheen was. Zij placht mij te klagen dat zij niets had om zich bezig te houden, gelijk de andere meisjes hebben, en ik begrijp niet hoe zij dat sedert te boven is gekomen. Maar zij geeft daar niet om,” voegde hij er scherpzinnig bij, en trok weder aan zijne sigaar. „Een meisje kan altijd haar tijd klein krijgen.”
„Toen ik gisteravond aan het kantoor aanging, om het adres van mijnheer Bounderby te vragen, vond ik daar eene oude dame, die eene bijzondere hoogachting voor uwe zuster scheen te koesteren,” merkte mijnheer James Harthouse aan, terwijl hij het stompje van de sigaar, die hij opgerookt had, wegwierp.
„Moeder Sparsit?” zeide Tom. „Wat, hebt gij haar al gezien?”
Zijn vriend knikte. Tom nam zijne sigaar uit den mond, om zijn oog, dat eenigszins weerbarstig begon te worden, te beter te kunnen dichtknijpen, en eenige malen met zijn vinger tegen zijn neus te tikken.
„Moeder Sparsit gevoelt voor Louisa veel meer dan achting, zou ik denken,” zeide Tom. „Zeg liever: liefde en dankbaarheid. Moeder Sparsit heeft zelve nooit naar Bounderby gehengeld toen hij nog vrijgezel was. Wel neen!”
Dit waren de laatste woorden, die de hondsvot sprak, eer hem eene duizeligheid en slaperigheid overvielen, die door eene volkomene vergetelheid werden gevolgd. Hij werd uit dezen laatsten toestand opgewekt door te droomen van een onaangenaam gevoel, alsof hij met eene laars werd geschopt, en tegelijk hoorde hij eene stem, die zeide: „Kom, het wordt laat. Maak je nu weg!”
„Wel,” zeide hij, van de sofa opkrabbelende, „dan zal ik afscheid van u moeten nemen. Zeg eens. Gij hebt heel goede sigaren, maar ze zijn wat al te licht.”
„Ja, ze zijn al te licht,” antwoordde zijn gastheer.
„Het is zot, zoo licht als ze zijn,” zeide Tom.„Waar is de deur? Goedennacht.”
Hij had nog een zonderlingen droom van een knecht, die hem voorttrok door een nevel, welke, nadat hij hem vrij wat moeite had veroorzaakt, in zooverre optrok, dat hij de straat kon zien, waarop hij alleen was blijven staan. Toen ging hij tamelijk gemakkelijk naar huis, hoewel niet vrij van een gevoel, alsof zijn nieuwe vriend nog bij hem was en invloed op hem uitoefende—alsof hij nog hier of daar in dezelfde achtelooze houding stond te leunen en hem met denzelfden blik aanzag.
De hondsvot ging naar huis en naar bed. Indien hij er eenige bewustheid van had gehad wat hij dien avond had gedaan, en wat minder van een hondsvot en wat meer van een broeder had gehad, zou hij misschien onderweg omgekeerd en naar de stinkende, zwart geverfde rivier geloopen zijn, om daarin voorgoed ter ruste te gaan en zijn hoofd voor altijd onder het gordijn van haar modderig water te verschuilen.