XX.MANNEN EN BROEDERS.„O, mijne vrienden, gij werklieden vanCoketown, die in het stof vertreden wordt! O, mijne vrienden en landgenooten, slaven eener dwingelandij, die u met ijzeren vuist verplettert! O, mijne vrienden, medemenschen, die met mij arbeidt en met mij lijdt! Ik zeg u, dat hetuur gekomen is, waarin wij met elkander moeten pal staan als eene vereenigde macht, en de onderdrukkers tot stof vergruizen, die zich maar al te lang hebben vetgemest met den roof onzer huisgezinnen, met het zweet onzer aangezichten, met den arbeid onzer handen, met de kracht onzer spieren, met de heerlijke, door God geschonkene rechten der Menschheid en de heilige en eeuwige aanspraken der Broederschap!”„Goed zoo! Hoort, hoort, hoort! Hoera!” en andere dergelijke kreten rezen met luide stemmen op uit alle hoeken der volgepropte en stinkend benauwde zaal, waarin de redenaar, op eene stellage staande, zich van dezen en meer anderen wind en damp, dien hij in zich had, ontlastte. Hij had zich met zijn declameeren tot eene geweldige hitte gebracht, en was even schor als warm. Door onder eene flikkerende gasvlam uit alle macht te staan schreeuwen, zijne vuisten dicht te knijpen, zijn voorhoofd te fronsen, zijne tanden opeen te klemmen en met zijne armen te schermen, had hij zijne krachten zoozeer uitgeput, dat hij nu moest ophouden en om een glas water vragen.Terwijl hij daar stond en zijn vurig gezicht met eene teug water poogde te blusschen, was de vergelijking tusschen den redenaar en de menigte, die met aandachtige gezichten naar hem stond te turen, geweldig in zijn nadeel. Op de getuigenis der natuur afgaande, was hij door weinig meer, dan door de stellage, waarop hij stond, boven de massa verheven. In vele opzichten was hij beneden de lieden, die zijn gehoor uitmaakten. Hij was niet zoo eerlijk, niet zoo mannelijk, niet zoo welgezind; slimheid verving bij hem hunne eenvoudigheid, en hartstochtelijkheid hun degelijk gezond verstand. Met zijne bijna mismaakte gestalte, zijne hooge schouders, zijn overhangend voorhoofd, zijne trekken, waarin eene uitdrukking van wreveligheid tot eene gewoonte was geworden, stak hij, zelfs met zijne zwierige kleeding, ongunstig af bij de meerderheid zijner hoorders in hun eenvoudig werkpak. Zoo vreemd als het altijd is eene vergadering zich lijdzaam te zien onderwerpen aan de langdradigheid van een vervelenden en verwaanden redenaar, hetzij een lord of een ongetiteld burger, zóó diep beneden drie vierde zijner toehoorders in den poel zijner geesteloosheid verzonken, dat zij hem door geene menschelijke middelen tot hunne eigene intellectueele hoogte konden verheffen, was het zelfs bijzonder treurig en treffend, die menigte van ernstige aangezichten te zien, aan wier eerlijkheid over het geheel door geen bevoegd en onbevooroordeeld waarnemer kon getwijfeld worden, en die door zulk een leidsman tot zulk eene opgewondenheid werden gebracht.„Goed zoo! Hoort, hoort! Hoera!” Het vuur zoowel van aandacht als van wil, dat van al die aangezichten straalde, maakte ze tot een zeer indrukwekkend schouwspel. Hier was geene verveling, geene lusteloosheid, geene ijdele nieuwsgierigheid, geene van die vele trappen van onverschilligheid, welke men in alle andere vergaderingen ziet, voor een oogenblik zichtbaar. Dat ieder zijn toestand in een of ander opzicht erger vond dan die zijn moest; dat ieder zich verplicht achtte om zich met de anderen te vereenigen ten einde dien toestand te verbeteren; dat ieder gevoelde dat zijne eenige hoop daarin gelegen was, dat hij zich met de makkers, die hem omringden, verbond; en dat in dit geloof, het mocht dan het ware of onware zijn (ongelukkig was het toen het onware), die geheele menigte ernstig en oprecht was, dit had iedereen, die zich daar bevond en maar verkoos te zien wat er gebeurde, even duidelijk moeten wezen als de ongeverfde balken van den zolder en de gewitte muren van het vertrek. Ook had zulk een toeschouwer niet kunnen missen in zijn hart te gevoelen, dat deze lieden zelf door hunne dwalingen toonden, dat zij groote eigenschappen bezaten, vatbaar om tot het beste en gelukkigste doel te worden aangewend; en dat het voorgeven (op grond van algemeene beweringen, hoe stout en meesterachtig ook geuit), alsof zij geheel zonder reden en alleen uit hun eigen onredelijken wil dien dwaalweg opgingen, hetzelfde was, als te beweren dat er rook kon zijn zonder vuur, dood zonder geboorte, oogst zonder zaad, of iets wat het ook wezen mocht, dat uit niets voortkwam.Toen de redenaar zich verfrischt had, veegde hij zijn gerimpeld voorhoofd af, door er verscheidene malen van den linker- naar den rechterkant met zijn tot een kussentje opgevouwen zakdoek overheen te strijken, en spande toen al zijne verlevendigde krachten in om een hoonenden glimlach vol smaad en bitterheid voort te brengen.„Maar, mijne vrienden en broeders! Mannen en Engelschen, vertrapte werklieden vanCoketown! Wat zullen wij zeggen van dien man, dien werkman—dat ik het noodig moet bevinden om dien roemrijken naam zoodanig te verguizen!—die, bij ondervinding bekend met het onrecht en het leed, dat gij te lijden hebt, gij, hoe ook miskend, de kracht en het merg van dit eiland, en die gehoord heeft hoe gij met eene edele en grootsche eenstemmigheid die dwingelanden zult doen beven, besloten hebt tot de fondsen van het Vereenigd Gezamenlijk Tribunaal bij te dragen, en u te houden aan de voorschriften, welke zij ook mogen zijn, door dat lichaam tot uw welzijn uitgevaardigd—wat, vraag ik u, zult gij zeggen van dien werkman, wien ik tot mijne spijt als zoodanig moet erkennen, die op zulk een tijd zijn post verlaat en zijne vlag verkoopt; die op zulk een tijd een verrader, een lafhartige eneen afvallige wordt; die op zulk een tijd zich niet schaamt u de schandelijke en vernederende bekentenis te doen, dat hij op zichzelf wil blijven en niet een van de vereenigden zijn, die dapper voor de Vrijheid en het Recht pal staan?”De vergadering was op dit punt verdeeld. Er werd wel gebromd en gefloten, maar het algemeen gevoel van eer was veel te sterk om iemand ongehoord te veroordeelen.„Pas op, dat gij het recht hebt, Slackbridge.”—„Laat hij voor den dag komen.”—„Laten wij hem hooren!”—Zulke dingen werden van verschillende kanten geroepen. Eindelijk riep eene krachtige stem: „Is de man hier? Als de man hier is, Slackbridge, laten wij dan den man zelf hooren, in plaats van u,” en dit voorstel werd met algemeene toejuiching ontvangen.Slackbridge, de redenaar, zag met een verdelgenden glimlach om zich heen, en zijne rechterhand op armslengte uitstekende (gelijk de manier van alle Slackbridge’s is), om de bulderende zee te stillen, wachtte hij tot er eene diepe stilte was ontstaan.„O, mijne vrienden en medemenschen!” zeide Slackbridge toen, met geweldige verontwaardiging zijn hoofd schuddende, „ik verwonder mij niet, dat gij, de mishandelde zonen des arbeids, ongeloovig zijt aan het bestaan van zulk een man. Maar hij, die zijn geboorterecht voor een schotel moes verkocht, heeft bestaan, Judas Iscarioth heeft bestaan, Castlereagh heeft bestaan, en die man bestaat!”Nu volgde eene korte verwarring en een gedrang naar de stellage, daarmede eindigende, dat de man zelf naast den redenaar voor de vergadering stond. Hij was bleek en zijn gezicht duidde eenige ontroering aan, die vooral aan zijne lippen zichtbaar was; maar hij stond daar rustig, met de linkerhand aan de kin, wachtende om gehoord te worden. Er was een voorzitter om de handelingen der vergadering te besturen, en deze persoon nam nu de zaak in handen.„Mijne vrienden,” zeide hij, „uit kracht van mijn post als uw president, verzoek ik onzen vriend Slackbridge, die in deze zaak misschien een weinigje al te ver gaat, om te gaan zitten, terwijl deze man, Stephen Blackpool, gehoord wordt. Gij allen kent dezen man, Stephen Blackpool. Gij kent hem sedert lang door zijne ongelukken en zijn goeden naam.”Daarmede drukte de president hem hartelijk de hand en ging weder zitten. Slackbridge zette zich insgelijks en veegde zijn gloeiend voorhoofd af, altijd van den linker- naar den rechterkant en nooit andersom.„Mijne vrienden,” begon Stephen, te midden eener doodsche stilte, „ik heb gehoord wat er van mij gezegd is, en het is waarschijnlijk, dat ik het niet verbeteren zal. Maar ik heb liever, dat gij de waarheid over mij zelven uit mijn eigen mond hoort, dan uit die van een ander, hoewel ik nooit voor zoovelen kon spreken zonder in de war te raken en verlegen te worden.”Slackbridge schudde in zijne bitterheid zijn hoofd alsof hij het wilde afschudden.„Ik ben de eenige werkman in de fabriek van Bounderby, van al de werklieden daar, die niet tot de voorgestelde bepalingen toetreed. Ik kan er niet in toetreden. Mijne vrienden, ik twijfel of zij u eenig goed zullen doen. Denkelijk zullen zij u kwaaddoen.”Slackbridge lachte, sloeg zijne armen over elkaar en zette met een gefronst voorhoofd een spottend gezicht.„Maar het is niet zoozeer daarom, dat ik er buiten blijf. Als dat alles was, zou ik wel met de anderen meedoen. Maar ik heb mijne redenen—mijne eigene redenen, ziet ge—die mij verhinderen; niet alleen nu, maar altijd—altijd—mijn leven lang.”Slackbridge stond op, knarste op zijne tanden en plaatste zich met woeste gebaren naast hem.„O, mijne vrienden,” riep hij uit, „wat anders dan dit heb ik u gezegd? O, mijne landgenooten, welke andere waarschuwing dan deze heb ik u gegeven? En hoe staat zulk eene lafhartigheid aan een man, op wien men weet dat ongelijke wetten zoo zwaar hebben gedrukt? O, gij Engelschen, ik vraag u, hoe staat zulk een verraad aan een van uw eigen volk, die aldus bewilligt in zijn eigen verderf en het uwe, en in dat van uwe kinderen en kindskinderen?”Sommigen applaudisseerden, anderen riepen „foei!” en „schande!” maar de meesten van het gehoor hielden zich stil. Zij zagen naar Stephen’s uitgeteerd gelaat, nog roerender door de oprechte aandoening, die het vertoonde, en in de goedheid van hun hart waren zij meer bedroefd dan verontwaardigd.„Het ambacht van dezen afgevaardigde is het spreken,” zeide Stephen. „Hij wordt er voor betaald en hij verstaat zijn werk. Laat hij er zich maar bij houden. Laat hij niet letten op alles wat ik te dragen heb gehad. Dat gaat hem niet aan. Dat gaat niemand aan dan mij.”Er lag eene gepastheid, om niet te zeggen eene deftigheid in deze woorden, die zijne hoorders nog stiller en aandachtiger deed worden. Dezelfde krachtige stem riep: „Slackbridge, laat de man gehoord worden en houd je bek!” Toen werd alles verwonderlijk stil.„Mijne broeders,” zeide Stephen, wiens zachte stem men duidelijk hoorde, „mijne medearbeiders—want dat zijt ge van mij, hoewel niet, zoover ik weet, van dezen afgevaardigde hier,—ik heb maar één woord te zeggen, en ik zou niet meer kunnen zeggen, al mocht ik sprekentot den jongsten dag. Ik weet wel wat ik voor mij heb. Ik weet wel, dat gij allen besloten hebt om niets meer te doen te hebben met iemand, die in deze zaak niet met u meedoet. Ik weet wel, als ik stervende aan den weg lag, zoudt gij het voor recht houden om mij als een vreemdeling voorbij te gaan. Maar ik moet er mij in schikken zooals het is.”„Stephen Blackpool,” zeide de president opstaande, „denk er nog eens over. Bedenk het nog eens, jongen, eer gij door alle oude vrienden wordt gemeden.”Er volgde een algemeen gebrom, dat dezelfde beteekenis had, hoewel niemand een woord sprak. Aller oogen waren op Stephen gevestigd. Als hij van zijn besluit terugkwam, zou ieder een pak van het hart worden genomen. Hij zag om zich heen en gevoelde dat het zoo was. Geen zweem van gramschap tegen hen kwam in hem op; hij kende hen en doorzag hen, ver beneden hunne oppervlakkige zwakheden en wanbegrippen, gelijk niemand dan een makker kon doen.„Ik heb er over gedacht, meer dan een beetje, mijnheer. Ik kan eenvoudig niet toetreden. Ik moet den weg gaan, die voor mij ligt. Ik moet van allen hier afscheid nemen.”Hij maakte een soort van afscheidsgebaar, door zijne armen op te houden, en bleef een oogenblik in die houding staan, niet sprekende voordat zij langzaam weder neerzakten.„Menig pleizierig woord hebben sommigen hier met mij gesproken; menig gezicht zie ik hier, dat ik het eerst gezien heb toen ik nog jong was en een lichter hart had dan nu. Ik heb nog nooit zoolang ik leef ongenoegen gehad met iemand van mijns gelijken; en God weet, het ongenoegen dat ik nu heb is mijne schuld niet. Gij hebt mij een verrader en zoo al meer genoemd—gij, wil ik zeggen,” hierbij keerde hij zich naar Slackbridge, „maar het is gemakkelijker zoo iets ze zeggen, dan het te bewijzen. Laat het dus maar blijven.”Hij had een paar schreden gedaan om zich van de stellage te verwijderen, toen hij zich iets herinnerde dat hij nog niet gezegd had, en daarom terugkwam.„Misschien,” zeide hij, zijn gerimpeld gezicht langzaam heen en weder keerende, als wilde hij zijn geheel gehoor hoofd voor hoofd aanspreken; „misschien, als er over mijn geval gehandeld is, zal er een dreigement komen om het werk te staken, als men mij onder u laat werken. Ik hoop, dat ik sterven zal eer dat gebeurt, maar zoolang het niet gebeurt, zal ik in eenzaamheid onder ublijvenwerken—want waarlijk, ik moet dat doen, mijne vrienden, niet om u te sarren, maar om te leven. Ik heb niets dan mijn werk om van te leven; en waar kan ik heengaan, ik, die van klein kind af hier inCoketownheb gewerkt? Ik klaag er niet over, dat ik van nu af in den ban gedaan en niet meer aangezien word, maar ik hoop, dat men mij zal laten werken. Als er iets is, waarop ik recht heb, mijne vrienden, dan is het, geloof ik, dat.”Er werd geen woord gesproken. Geen geluid werd in het geheele gebouw gehoord, behalve een zacht geschoffel langs het midden der zaal, waar de toehoorders een weinig opschoven, om een vrij pad te laten voor den man, met wien zij voortaan alle gemeenschap zouden verzaken. Niemand aanziende en langzaam voortstappende, met eene mengeling van nederigheid en standvastigheid, evenmin smeekend als uitdagend, ging oude Stephen, met al zijne rampen en bezwaren beladen, zijns weegs.Slackbridge, die, terwijl Stephen heenging, zijn oratorischen arm uitgestrekt had gehouden, alsof hij met oneindige bekommering en door een wonderbaar zedelijk vermogen de geweldige hartstochten der menigte in bedwang hield, aanvaardde nu de taak om de vergadering weder op te beuren. „Heeft niet de Romeinsche Brutus, mijne Britsche landgenooten, zijn zoon ter dood veroordeeld; en hebben niet de Spartaansche moeders, o mijne weldra zegevierende vrienden, hare vluchtende kinderen in de spitsen der vijandelijke zwaarden gedreven? Is het dan niet de heilige plicht der mannen vanCoketown, met hunne voorvaderen voor zich, met eene bewonderende wereld in hun gezelschap en een nakomelingschap, die achter hen zal komen, de verraders uit de tenten te slingeren, die zij in eene heilige en Godgewijde zaak hebben opgeslagen? De winden des hemels antwoorden ja, en voeren dat ja naar het oosten en westen, het noorden en zuiden. En daarom driemaal hoera voor het Vereenigd Gemeenschappelijk Tribunaal!”Slackbridge speelde voor voorzanger en gaf de maat aan. De menigte van twijfelachtige gezichten (wier geweten eenigszins knaagde) verhelderde op dat geluid en stemde er mede in. Ieders bijzonder gevoel moest voor de algemeene zaak zwichten. Hoera! De zoldering dreunde nog van het gejuich toen de vergadering uiteenging.Zoo gemakkelijk kwam Stephen Blackpool tot het eenzaamste leven dat men bedenken kan, een leven van eenzaamheid onder eene menigte van gemeenzame bekenden. De vreemdeling in het land, die onder tienduizend gezichten naar een blik zoekt, welke den zijnen beantwoordt, en dien niet vindt, is nog in vroolijk gezelschap, vergeleken bij hem, die dagelijks tien afgewende gezichten voorbijgaat, welke voorheen de gezichten van vrienden waren. Zoo iets ondervond Stephen nu in ieder wakend oogenblik van zijn leven, aan zijn werk, op weg daarheen en naar huis, aan zijne deur, voor zijn venster en overal. Bij algemeene afspraak vermeed men zelfs dien kant der straat waarlangs hij gewoon was tegaan, en liet dezen, voor zoover de werklieden betrof, voor hem alleen over.Hij was vele jaren lang een stil, eenzelvig mensch geweest, die weinig met anderen verkeerde en gewoon was zijne eigene gedachten tot gezelschap te hebben. Hij had nooit te voren geweten, welke sterke behoefte er in zijn hart woonde aan het gedurig beantwoorden van een hoofdknik, een blik, een enkel woord, of welk eene onberekenbare mate van verademing door zulke geringe middelen hem droppel voor droppel in de ziel was gestort. Het was zelfs moeielijker dan hij voor mogelijk had gehouden, zijne verbanning van al zijne makkers, in zijn eigen geweten, van een ongegrond gevoel van schande en schaamte afgezonderd te houden.De eerste vier dagen zijner volharding waren zoo lang en drukkend, dat hij zich begon te ontzetten voor het uitzicht dat voor hem lag. Niet alleen had hij Rachel in al dien tijd niet gezien, maar hij had zelfs alle gelegenheid om haar te zien vermeden: want hoewel hij wist, dat het verbod zich niet eigenlijk tot de vrouwen, die in de fabrieken werkten, uitstrekte, bevond hij toch, dat sommige van die, met welke hij bekend was, voor hem veranderd waren, en vreesde hij met anderen de proef te nemen, terwijl hij beducht was, dat ook Rachel door hare gezellinnen mocht worden uitgebannen, indien men haar in zijn gezelschap zag. Zoo was hij dan die vier dagen lang geheel alleen geweest en had hij met niemand een woord gewisseld, toen hij des avonds, van zijn werk terugkomende, op straat door een jonkman werd aangesproken, die zich door zijne bijzondere lichte kleur onderscheidde.„Gij heet Blackpool, niet waar?” zeide de jonkman.Stephen kleurde toen hij er zich op betrapte, dat hij uit dankbaarheid voor die toespraak, of uithoofde van het onverwachte daarvan, of wel om beide redenen tegelijk, met zijn hoed in de hand stond. Hij hield zich alsof hij iets aan de voering deed en antwoordde: „Ja.”„Gij zijt de werkman, dien zij in den ban gedaan hebben, naar ik meen?” zeide Bitzer, de jonkman met de lichte kleur.„Ja,” antwoordde Stephen wederom.„Dat dacht ik wel, omdat zij zich allen van u schijnen af te houden. Mijnheer Bounderby wil u spreken. Gij weet zijn huis wel, niet waar?”„Ja,” herhaalde Stephen.„Ga dan dadelijk daarheen, zult ge?” zeide Bitzer. „Ge wordt gewacht, en hebt de meid maar te zeggen, dat gij het zijt. Ik behoor tot het kantoor; als ge dus dadelijk zonder mij daarheen gaat—ik ben gezonden om u te halen—haalt gij mij eene wandeling uit.”Stephen, die den anderen kant opging, keerde om en begaf zich, gelijk hem gelast was, naar het roode kasteel van den reus Bounderby.
XX.MANNEN EN BROEDERS.„O, mijne vrienden, gij werklieden vanCoketown, die in het stof vertreden wordt! O, mijne vrienden en landgenooten, slaven eener dwingelandij, die u met ijzeren vuist verplettert! O, mijne vrienden, medemenschen, die met mij arbeidt en met mij lijdt! Ik zeg u, dat hetuur gekomen is, waarin wij met elkander moeten pal staan als eene vereenigde macht, en de onderdrukkers tot stof vergruizen, die zich maar al te lang hebben vetgemest met den roof onzer huisgezinnen, met het zweet onzer aangezichten, met den arbeid onzer handen, met de kracht onzer spieren, met de heerlijke, door God geschonkene rechten der Menschheid en de heilige en eeuwige aanspraken der Broederschap!”„Goed zoo! Hoort, hoort, hoort! Hoera!” en andere dergelijke kreten rezen met luide stemmen op uit alle hoeken der volgepropte en stinkend benauwde zaal, waarin de redenaar, op eene stellage staande, zich van dezen en meer anderen wind en damp, dien hij in zich had, ontlastte. Hij had zich met zijn declameeren tot eene geweldige hitte gebracht, en was even schor als warm. Door onder eene flikkerende gasvlam uit alle macht te staan schreeuwen, zijne vuisten dicht te knijpen, zijn voorhoofd te fronsen, zijne tanden opeen te klemmen en met zijne armen te schermen, had hij zijne krachten zoozeer uitgeput, dat hij nu moest ophouden en om een glas water vragen.Terwijl hij daar stond en zijn vurig gezicht met eene teug water poogde te blusschen, was de vergelijking tusschen den redenaar en de menigte, die met aandachtige gezichten naar hem stond te turen, geweldig in zijn nadeel. Op de getuigenis der natuur afgaande, was hij door weinig meer, dan door de stellage, waarop hij stond, boven de massa verheven. In vele opzichten was hij beneden de lieden, die zijn gehoor uitmaakten. Hij was niet zoo eerlijk, niet zoo mannelijk, niet zoo welgezind; slimheid verving bij hem hunne eenvoudigheid, en hartstochtelijkheid hun degelijk gezond verstand. Met zijne bijna mismaakte gestalte, zijne hooge schouders, zijn overhangend voorhoofd, zijne trekken, waarin eene uitdrukking van wreveligheid tot eene gewoonte was geworden, stak hij, zelfs met zijne zwierige kleeding, ongunstig af bij de meerderheid zijner hoorders in hun eenvoudig werkpak. Zoo vreemd als het altijd is eene vergadering zich lijdzaam te zien onderwerpen aan de langdradigheid van een vervelenden en verwaanden redenaar, hetzij een lord of een ongetiteld burger, zóó diep beneden drie vierde zijner toehoorders in den poel zijner geesteloosheid verzonken, dat zij hem door geene menschelijke middelen tot hunne eigene intellectueele hoogte konden verheffen, was het zelfs bijzonder treurig en treffend, die menigte van ernstige aangezichten te zien, aan wier eerlijkheid over het geheel door geen bevoegd en onbevooroordeeld waarnemer kon getwijfeld worden, en die door zulk een leidsman tot zulk eene opgewondenheid werden gebracht.„Goed zoo! Hoort, hoort! Hoera!” Het vuur zoowel van aandacht als van wil, dat van al die aangezichten straalde, maakte ze tot een zeer indrukwekkend schouwspel. Hier was geene verveling, geene lusteloosheid, geene ijdele nieuwsgierigheid, geene van die vele trappen van onverschilligheid, welke men in alle andere vergaderingen ziet, voor een oogenblik zichtbaar. Dat ieder zijn toestand in een of ander opzicht erger vond dan die zijn moest; dat ieder zich verplicht achtte om zich met de anderen te vereenigen ten einde dien toestand te verbeteren; dat ieder gevoelde dat zijne eenige hoop daarin gelegen was, dat hij zich met de makkers, die hem omringden, verbond; en dat in dit geloof, het mocht dan het ware of onware zijn (ongelukkig was het toen het onware), die geheele menigte ernstig en oprecht was, dit had iedereen, die zich daar bevond en maar verkoos te zien wat er gebeurde, even duidelijk moeten wezen als de ongeverfde balken van den zolder en de gewitte muren van het vertrek. Ook had zulk een toeschouwer niet kunnen missen in zijn hart te gevoelen, dat deze lieden zelf door hunne dwalingen toonden, dat zij groote eigenschappen bezaten, vatbaar om tot het beste en gelukkigste doel te worden aangewend; en dat het voorgeven (op grond van algemeene beweringen, hoe stout en meesterachtig ook geuit), alsof zij geheel zonder reden en alleen uit hun eigen onredelijken wil dien dwaalweg opgingen, hetzelfde was, als te beweren dat er rook kon zijn zonder vuur, dood zonder geboorte, oogst zonder zaad, of iets wat het ook wezen mocht, dat uit niets voortkwam.Toen de redenaar zich verfrischt had, veegde hij zijn gerimpeld voorhoofd af, door er verscheidene malen van den linker- naar den rechterkant met zijn tot een kussentje opgevouwen zakdoek overheen te strijken, en spande toen al zijne verlevendigde krachten in om een hoonenden glimlach vol smaad en bitterheid voort te brengen.„Maar, mijne vrienden en broeders! Mannen en Engelschen, vertrapte werklieden vanCoketown! Wat zullen wij zeggen van dien man, dien werkman—dat ik het noodig moet bevinden om dien roemrijken naam zoodanig te verguizen!—die, bij ondervinding bekend met het onrecht en het leed, dat gij te lijden hebt, gij, hoe ook miskend, de kracht en het merg van dit eiland, en die gehoord heeft hoe gij met eene edele en grootsche eenstemmigheid die dwingelanden zult doen beven, besloten hebt tot de fondsen van het Vereenigd Gezamenlijk Tribunaal bij te dragen, en u te houden aan de voorschriften, welke zij ook mogen zijn, door dat lichaam tot uw welzijn uitgevaardigd—wat, vraag ik u, zult gij zeggen van dien werkman, wien ik tot mijne spijt als zoodanig moet erkennen, die op zulk een tijd zijn post verlaat en zijne vlag verkoopt; die op zulk een tijd een verrader, een lafhartige eneen afvallige wordt; die op zulk een tijd zich niet schaamt u de schandelijke en vernederende bekentenis te doen, dat hij op zichzelf wil blijven en niet een van de vereenigden zijn, die dapper voor de Vrijheid en het Recht pal staan?”De vergadering was op dit punt verdeeld. Er werd wel gebromd en gefloten, maar het algemeen gevoel van eer was veel te sterk om iemand ongehoord te veroordeelen.„Pas op, dat gij het recht hebt, Slackbridge.”—„Laat hij voor den dag komen.”—„Laten wij hem hooren!”—Zulke dingen werden van verschillende kanten geroepen. Eindelijk riep eene krachtige stem: „Is de man hier? Als de man hier is, Slackbridge, laten wij dan den man zelf hooren, in plaats van u,” en dit voorstel werd met algemeene toejuiching ontvangen.Slackbridge, de redenaar, zag met een verdelgenden glimlach om zich heen, en zijne rechterhand op armslengte uitstekende (gelijk de manier van alle Slackbridge’s is), om de bulderende zee te stillen, wachtte hij tot er eene diepe stilte was ontstaan.„O, mijne vrienden en medemenschen!” zeide Slackbridge toen, met geweldige verontwaardiging zijn hoofd schuddende, „ik verwonder mij niet, dat gij, de mishandelde zonen des arbeids, ongeloovig zijt aan het bestaan van zulk een man. Maar hij, die zijn geboorterecht voor een schotel moes verkocht, heeft bestaan, Judas Iscarioth heeft bestaan, Castlereagh heeft bestaan, en die man bestaat!”Nu volgde eene korte verwarring en een gedrang naar de stellage, daarmede eindigende, dat de man zelf naast den redenaar voor de vergadering stond. Hij was bleek en zijn gezicht duidde eenige ontroering aan, die vooral aan zijne lippen zichtbaar was; maar hij stond daar rustig, met de linkerhand aan de kin, wachtende om gehoord te worden. Er was een voorzitter om de handelingen der vergadering te besturen, en deze persoon nam nu de zaak in handen.„Mijne vrienden,” zeide hij, „uit kracht van mijn post als uw president, verzoek ik onzen vriend Slackbridge, die in deze zaak misschien een weinigje al te ver gaat, om te gaan zitten, terwijl deze man, Stephen Blackpool, gehoord wordt. Gij allen kent dezen man, Stephen Blackpool. Gij kent hem sedert lang door zijne ongelukken en zijn goeden naam.”Daarmede drukte de president hem hartelijk de hand en ging weder zitten. Slackbridge zette zich insgelijks en veegde zijn gloeiend voorhoofd af, altijd van den linker- naar den rechterkant en nooit andersom.„Mijne vrienden,” begon Stephen, te midden eener doodsche stilte, „ik heb gehoord wat er van mij gezegd is, en het is waarschijnlijk, dat ik het niet verbeteren zal. Maar ik heb liever, dat gij de waarheid over mij zelven uit mijn eigen mond hoort, dan uit die van een ander, hoewel ik nooit voor zoovelen kon spreken zonder in de war te raken en verlegen te worden.”Slackbridge schudde in zijne bitterheid zijn hoofd alsof hij het wilde afschudden.„Ik ben de eenige werkman in de fabriek van Bounderby, van al de werklieden daar, die niet tot de voorgestelde bepalingen toetreed. Ik kan er niet in toetreden. Mijne vrienden, ik twijfel of zij u eenig goed zullen doen. Denkelijk zullen zij u kwaaddoen.”Slackbridge lachte, sloeg zijne armen over elkaar en zette met een gefronst voorhoofd een spottend gezicht.„Maar het is niet zoozeer daarom, dat ik er buiten blijf. Als dat alles was, zou ik wel met de anderen meedoen. Maar ik heb mijne redenen—mijne eigene redenen, ziet ge—die mij verhinderen; niet alleen nu, maar altijd—altijd—mijn leven lang.”Slackbridge stond op, knarste op zijne tanden en plaatste zich met woeste gebaren naast hem.„O, mijne vrienden,” riep hij uit, „wat anders dan dit heb ik u gezegd? O, mijne landgenooten, welke andere waarschuwing dan deze heb ik u gegeven? En hoe staat zulk eene lafhartigheid aan een man, op wien men weet dat ongelijke wetten zoo zwaar hebben gedrukt? O, gij Engelschen, ik vraag u, hoe staat zulk een verraad aan een van uw eigen volk, die aldus bewilligt in zijn eigen verderf en het uwe, en in dat van uwe kinderen en kindskinderen?”Sommigen applaudisseerden, anderen riepen „foei!” en „schande!” maar de meesten van het gehoor hielden zich stil. Zij zagen naar Stephen’s uitgeteerd gelaat, nog roerender door de oprechte aandoening, die het vertoonde, en in de goedheid van hun hart waren zij meer bedroefd dan verontwaardigd.„Het ambacht van dezen afgevaardigde is het spreken,” zeide Stephen. „Hij wordt er voor betaald en hij verstaat zijn werk. Laat hij er zich maar bij houden. Laat hij niet letten op alles wat ik te dragen heb gehad. Dat gaat hem niet aan. Dat gaat niemand aan dan mij.”Er lag eene gepastheid, om niet te zeggen eene deftigheid in deze woorden, die zijne hoorders nog stiller en aandachtiger deed worden. Dezelfde krachtige stem riep: „Slackbridge, laat de man gehoord worden en houd je bek!” Toen werd alles verwonderlijk stil.„Mijne broeders,” zeide Stephen, wiens zachte stem men duidelijk hoorde, „mijne medearbeiders—want dat zijt ge van mij, hoewel niet, zoover ik weet, van dezen afgevaardigde hier,—ik heb maar één woord te zeggen, en ik zou niet meer kunnen zeggen, al mocht ik sprekentot den jongsten dag. Ik weet wel wat ik voor mij heb. Ik weet wel, dat gij allen besloten hebt om niets meer te doen te hebben met iemand, die in deze zaak niet met u meedoet. Ik weet wel, als ik stervende aan den weg lag, zoudt gij het voor recht houden om mij als een vreemdeling voorbij te gaan. Maar ik moet er mij in schikken zooals het is.”„Stephen Blackpool,” zeide de president opstaande, „denk er nog eens over. Bedenk het nog eens, jongen, eer gij door alle oude vrienden wordt gemeden.”Er volgde een algemeen gebrom, dat dezelfde beteekenis had, hoewel niemand een woord sprak. Aller oogen waren op Stephen gevestigd. Als hij van zijn besluit terugkwam, zou ieder een pak van het hart worden genomen. Hij zag om zich heen en gevoelde dat het zoo was. Geen zweem van gramschap tegen hen kwam in hem op; hij kende hen en doorzag hen, ver beneden hunne oppervlakkige zwakheden en wanbegrippen, gelijk niemand dan een makker kon doen.„Ik heb er over gedacht, meer dan een beetje, mijnheer. Ik kan eenvoudig niet toetreden. Ik moet den weg gaan, die voor mij ligt. Ik moet van allen hier afscheid nemen.”Hij maakte een soort van afscheidsgebaar, door zijne armen op te houden, en bleef een oogenblik in die houding staan, niet sprekende voordat zij langzaam weder neerzakten.„Menig pleizierig woord hebben sommigen hier met mij gesproken; menig gezicht zie ik hier, dat ik het eerst gezien heb toen ik nog jong was en een lichter hart had dan nu. Ik heb nog nooit zoolang ik leef ongenoegen gehad met iemand van mijns gelijken; en God weet, het ongenoegen dat ik nu heb is mijne schuld niet. Gij hebt mij een verrader en zoo al meer genoemd—gij, wil ik zeggen,” hierbij keerde hij zich naar Slackbridge, „maar het is gemakkelijker zoo iets ze zeggen, dan het te bewijzen. Laat het dus maar blijven.”Hij had een paar schreden gedaan om zich van de stellage te verwijderen, toen hij zich iets herinnerde dat hij nog niet gezegd had, en daarom terugkwam.„Misschien,” zeide hij, zijn gerimpeld gezicht langzaam heen en weder keerende, als wilde hij zijn geheel gehoor hoofd voor hoofd aanspreken; „misschien, als er over mijn geval gehandeld is, zal er een dreigement komen om het werk te staken, als men mij onder u laat werken. Ik hoop, dat ik sterven zal eer dat gebeurt, maar zoolang het niet gebeurt, zal ik in eenzaamheid onder ublijvenwerken—want waarlijk, ik moet dat doen, mijne vrienden, niet om u te sarren, maar om te leven. Ik heb niets dan mijn werk om van te leven; en waar kan ik heengaan, ik, die van klein kind af hier inCoketownheb gewerkt? Ik klaag er niet over, dat ik van nu af in den ban gedaan en niet meer aangezien word, maar ik hoop, dat men mij zal laten werken. Als er iets is, waarop ik recht heb, mijne vrienden, dan is het, geloof ik, dat.”Er werd geen woord gesproken. Geen geluid werd in het geheele gebouw gehoord, behalve een zacht geschoffel langs het midden der zaal, waar de toehoorders een weinig opschoven, om een vrij pad te laten voor den man, met wien zij voortaan alle gemeenschap zouden verzaken. Niemand aanziende en langzaam voortstappende, met eene mengeling van nederigheid en standvastigheid, evenmin smeekend als uitdagend, ging oude Stephen, met al zijne rampen en bezwaren beladen, zijns weegs.Slackbridge, die, terwijl Stephen heenging, zijn oratorischen arm uitgestrekt had gehouden, alsof hij met oneindige bekommering en door een wonderbaar zedelijk vermogen de geweldige hartstochten der menigte in bedwang hield, aanvaardde nu de taak om de vergadering weder op te beuren. „Heeft niet de Romeinsche Brutus, mijne Britsche landgenooten, zijn zoon ter dood veroordeeld; en hebben niet de Spartaansche moeders, o mijne weldra zegevierende vrienden, hare vluchtende kinderen in de spitsen der vijandelijke zwaarden gedreven? Is het dan niet de heilige plicht der mannen vanCoketown, met hunne voorvaderen voor zich, met eene bewonderende wereld in hun gezelschap en een nakomelingschap, die achter hen zal komen, de verraders uit de tenten te slingeren, die zij in eene heilige en Godgewijde zaak hebben opgeslagen? De winden des hemels antwoorden ja, en voeren dat ja naar het oosten en westen, het noorden en zuiden. En daarom driemaal hoera voor het Vereenigd Gemeenschappelijk Tribunaal!”Slackbridge speelde voor voorzanger en gaf de maat aan. De menigte van twijfelachtige gezichten (wier geweten eenigszins knaagde) verhelderde op dat geluid en stemde er mede in. Ieders bijzonder gevoel moest voor de algemeene zaak zwichten. Hoera! De zoldering dreunde nog van het gejuich toen de vergadering uiteenging.Zoo gemakkelijk kwam Stephen Blackpool tot het eenzaamste leven dat men bedenken kan, een leven van eenzaamheid onder eene menigte van gemeenzame bekenden. De vreemdeling in het land, die onder tienduizend gezichten naar een blik zoekt, welke den zijnen beantwoordt, en dien niet vindt, is nog in vroolijk gezelschap, vergeleken bij hem, die dagelijks tien afgewende gezichten voorbijgaat, welke voorheen de gezichten van vrienden waren. Zoo iets ondervond Stephen nu in ieder wakend oogenblik van zijn leven, aan zijn werk, op weg daarheen en naar huis, aan zijne deur, voor zijn venster en overal. Bij algemeene afspraak vermeed men zelfs dien kant der straat waarlangs hij gewoon was tegaan, en liet dezen, voor zoover de werklieden betrof, voor hem alleen over.Hij was vele jaren lang een stil, eenzelvig mensch geweest, die weinig met anderen verkeerde en gewoon was zijne eigene gedachten tot gezelschap te hebben. Hij had nooit te voren geweten, welke sterke behoefte er in zijn hart woonde aan het gedurig beantwoorden van een hoofdknik, een blik, een enkel woord, of welk eene onberekenbare mate van verademing door zulke geringe middelen hem droppel voor droppel in de ziel was gestort. Het was zelfs moeielijker dan hij voor mogelijk had gehouden, zijne verbanning van al zijne makkers, in zijn eigen geweten, van een ongegrond gevoel van schande en schaamte afgezonderd te houden.De eerste vier dagen zijner volharding waren zoo lang en drukkend, dat hij zich begon te ontzetten voor het uitzicht dat voor hem lag. Niet alleen had hij Rachel in al dien tijd niet gezien, maar hij had zelfs alle gelegenheid om haar te zien vermeden: want hoewel hij wist, dat het verbod zich niet eigenlijk tot de vrouwen, die in de fabrieken werkten, uitstrekte, bevond hij toch, dat sommige van die, met welke hij bekend was, voor hem veranderd waren, en vreesde hij met anderen de proef te nemen, terwijl hij beducht was, dat ook Rachel door hare gezellinnen mocht worden uitgebannen, indien men haar in zijn gezelschap zag. Zoo was hij dan die vier dagen lang geheel alleen geweest en had hij met niemand een woord gewisseld, toen hij des avonds, van zijn werk terugkomende, op straat door een jonkman werd aangesproken, die zich door zijne bijzondere lichte kleur onderscheidde.„Gij heet Blackpool, niet waar?” zeide de jonkman.Stephen kleurde toen hij er zich op betrapte, dat hij uit dankbaarheid voor die toespraak, of uithoofde van het onverwachte daarvan, of wel om beide redenen tegelijk, met zijn hoed in de hand stond. Hij hield zich alsof hij iets aan de voering deed en antwoordde: „Ja.”„Gij zijt de werkman, dien zij in den ban gedaan hebben, naar ik meen?” zeide Bitzer, de jonkman met de lichte kleur.„Ja,” antwoordde Stephen wederom.„Dat dacht ik wel, omdat zij zich allen van u schijnen af te houden. Mijnheer Bounderby wil u spreken. Gij weet zijn huis wel, niet waar?”„Ja,” herhaalde Stephen.„Ga dan dadelijk daarheen, zult ge?” zeide Bitzer. „Ge wordt gewacht, en hebt de meid maar te zeggen, dat gij het zijt. Ik behoor tot het kantoor; als ge dus dadelijk zonder mij daarheen gaat—ik ben gezonden om u te halen—haalt gij mij eene wandeling uit.”Stephen, die den anderen kant opging, keerde om en begaf zich, gelijk hem gelast was, naar het roode kasteel van den reus Bounderby.
XX.MANNEN EN BROEDERS.„O, mijne vrienden, gij werklieden vanCoketown, die in het stof vertreden wordt! O, mijne vrienden en landgenooten, slaven eener dwingelandij, die u met ijzeren vuist verplettert! O, mijne vrienden, medemenschen, die met mij arbeidt en met mij lijdt! Ik zeg u, dat hetuur gekomen is, waarin wij met elkander moeten pal staan als eene vereenigde macht, en de onderdrukkers tot stof vergruizen, die zich maar al te lang hebben vetgemest met den roof onzer huisgezinnen, met het zweet onzer aangezichten, met den arbeid onzer handen, met de kracht onzer spieren, met de heerlijke, door God geschonkene rechten der Menschheid en de heilige en eeuwige aanspraken der Broederschap!”„Goed zoo! Hoort, hoort, hoort! Hoera!” en andere dergelijke kreten rezen met luide stemmen op uit alle hoeken der volgepropte en stinkend benauwde zaal, waarin de redenaar, op eene stellage staande, zich van dezen en meer anderen wind en damp, dien hij in zich had, ontlastte. Hij had zich met zijn declameeren tot eene geweldige hitte gebracht, en was even schor als warm. Door onder eene flikkerende gasvlam uit alle macht te staan schreeuwen, zijne vuisten dicht te knijpen, zijn voorhoofd te fronsen, zijne tanden opeen te klemmen en met zijne armen te schermen, had hij zijne krachten zoozeer uitgeput, dat hij nu moest ophouden en om een glas water vragen.Terwijl hij daar stond en zijn vurig gezicht met eene teug water poogde te blusschen, was de vergelijking tusschen den redenaar en de menigte, die met aandachtige gezichten naar hem stond te turen, geweldig in zijn nadeel. Op de getuigenis der natuur afgaande, was hij door weinig meer, dan door de stellage, waarop hij stond, boven de massa verheven. In vele opzichten was hij beneden de lieden, die zijn gehoor uitmaakten. Hij was niet zoo eerlijk, niet zoo mannelijk, niet zoo welgezind; slimheid verving bij hem hunne eenvoudigheid, en hartstochtelijkheid hun degelijk gezond verstand. Met zijne bijna mismaakte gestalte, zijne hooge schouders, zijn overhangend voorhoofd, zijne trekken, waarin eene uitdrukking van wreveligheid tot eene gewoonte was geworden, stak hij, zelfs met zijne zwierige kleeding, ongunstig af bij de meerderheid zijner hoorders in hun eenvoudig werkpak. Zoo vreemd als het altijd is eene vergadering zich lijdzaam te zien onderwerpen aan de langdradigheid van een vervelenden en verwaanden redenaar, hetzij een lord of een ongetiteld burger, zóó diep beneden drie vierde zijner toehoorders in den poel zijner geesteloosheid verzonken, dat zij hem door geene menschelijke middelen tot hunne eigene intellectueele hoogte konden verheffen, was het zelfs bijzonder treurig en treffend, die menigte van ernstige aangezichten te zien, aan wier eerlijkheid over het geheel door geen bevoegd en onbevooroordeeld waarnemer kon getwijfeld worden, en die door zulk een leidsman tot zulk eene opgewondenheid werden gebracht.„Goed zoo! Hoort, hoort! Hoera!” Het vuur zoowel van aandacht als van wil, dat van al die aangezichten straalde, maakte ze tot een zeer indrukwekkend schouwspel. Hier was geene verveling, geene lusteloosheid, geene ijdele nieuwsgierigheid, geene van die vele trappen van onverschilligheid, welke men in alle andere vergaderingen ziet, voor een oogenblik zichtbaar. Dat ieder zijn toestand in een of ander opzicht erger vond dan die zijn moest; dat ieder zich verplicht achtte om zich met de anderen te vereenigen ten einde dien toestand te verbeteren; dat ieder gevoelde dat zijne eenige hoop daarin gelegen was, dat hij zich met de makkers, die hem omringden, verbond; en dat in dit geloof, het mocht dan het ware of onware zijn (ongelukkig was het toen het onware), die geheele menigte ernstig en oprecht was, dit had iedereen, die zich daar bevond en maar verkoos te zien wat er gebeurde, even duidelijk moeten wezen als de ongeverfde balken van den zolder en de gewitte muren van het vertrek. Ook had zulk een toeschouwer niet kunnen missen in zijn hart te gevoelen, dat deze lieden zelf door hunne dwalingen toonden, dat zij groote eigenschappen bezaten, vatbaar om tot het beste en gelukkigste doel te worden aangewend; en dat het voorgeven (op grond van algemeene beweringen, hoe stout en meesterachtig ook geuit), alsof zij geheel zonder reden en alleen uit hun eigen onredelijken wil dien dwaalweg opgingen, hetzelfde was, als te beweren dat er rook kon zijn zonder vuur, dood zonder geboorte, oogst zonder zaad, of iets wat het ook wezen mocht, dat uit niets voortkwam.Toen de redenaar zich verfrischt had, veegde hij zijn gerimpeld voorhoofd af, door er verscheidene malen van den linker- naar den rechterkant met zijn tot een kussentje opgevouwen zakdoek overheen te strijken, en spande toen al zijne verlevendigde krachten in om een hoonenden glimlach vol smaad en bitterheid voort te brengen.„Maar, mijne vrienden en broeders! Mannen en Engelschen, vertrapte werklieden vanCoketown! Wat zullen wij zeggen van dien man, dien werkman—dat ik het noodig moet bevinden om dien roemrijken naam zoodanig te verguizen!—die, bij ondervinding bekend met het onrecht en het leed, dat gij te lijden hebt, gij, hoe ook miskend, de kracht en het merg van dit eiland, en die gehoord heeft hoe gij met eene edele en grootsche eenstemmigheid die dwingelanden zult doen beven, besloten hebt tot de fondsen van het Vereenigd Gezamenlijk Tribunaal bij te dragen, en u te houden aan de voorschriften, welke zij ook mogen zijn, door dat lichaam tot uw welzijn uitgevaardigd—wat, vraag ik u, zult gij zeggen van dien werkman, wien ik tot mijne spijt als zoodanig moet erkennen, die op zulk een tijd zijn post verlaat en zijne vlag verkoopt; die op zulk een tijd een verrader, een lafhartige eneen afvallige wordt; die op zulk een tijd zich niet schaamt u de schandelijke en vernederende bekentenis te doen, dat hij op zichzelf wil blijven en niet een van de vereenigden zijn, die dapper voor de Vrijheid en het Recht pal staan?”De vergadering was op dit punt verdeeld. Er werd wel gebromd en gefloten, maar het algemeen gevoel van eer was veel te sterk om iemand ongehoord te veroordeelen.„Pas op, dat gij het recht hebt, Slackbridge.”—„Laat hij voor den dag komen.”—„Laten wij hem hooren!”—Zulke dingen werden van verschillende kanten geroepen. Eindelijk riep eene krachtige stem: „Is de man hier? Als de man hier is, Slackbridge, laten wij dan den man zelf hooren, in plaats van u,” en dit voorstel werd met algemeene toejuiching ontvangen.Slackbridge, de redenaar, zag met een verdelgenden glimlach om zich heen, en zijne rechterhand op armslengte uitstekende (gelijk de manier van alle Slackbridge’s is), om de bulderende zee te stillen, wachtte hij tot er eene diepe stilte was ontstaan.„O, mijne vrienden en medemenschen!” zeide Slackbridge toen, met geweldige verontwaardiging zijn hoofd schuddende, „ik verwonder mij niet, dat gij, de mishandelde zonen des arbeids, ongeloovig zijt aan het bestaan van zulk een man. Maar hij, die zijn geboorterecht voor een schotel moes verkocht, heeft bestaan, Judas Iscarioth heeft bestaan, Castlereagh heeft bestaan, en die man bestaat!”Nu volgde eene korte verwarring en een gedrang naar de stellage, daarmede eindigende, dat de man zelf naast den redenaar voor de vergadering stond. Hij was bleek en zijn gezicht duidde eenige ontroering aan, die vooral aan zijne lippen zichtbaar was; maar hij stond daar rustig, met de linkerhand aan de kin, wachtende om gehoord te worden. Er was een voorzitter om de handelingen der vergadering te besturen, en deze persoon nam nu de zaak in handen.„Mijne vrienden,” zeide hij, „uit kracht van mijn post als uw president, verzoek ik onzen vriend Slackbridge, die in deze zaak misschien een weinigje al te ver gaat, om te gaan zitten, terwijl deze man, Stephen Blackpool, gehoord wordt. Gij allen kent dezen man, Stephen Blackpool. Gij kent hem sedert lang door zijne ongelukken en zijn goeden naam.”Daarmede drukte de president hem hartelijk de hand en ging weder zitten. Slackbridge zette zich insgelijks en veegde zijn gloeiend voorhoofd af, altijd van den linker- naar den rechterkant en nooit andersom.„Mijne vrienden,” begon Stephen, te midden eener doodsche stilte, „ik heb gehoord wat er van mij gezegd is, en het is waarschijnlijk, dat ik het niet verbeteren zal. Maar ik heb liever, dat gij de waarheid over mij zelven uit mijn eigen mond hoort, dan uit die van een ander, hoewel ik nooit voor zoovelen kon spreken zonder in de war te raken en verlegen te worden.”Slackbridge schudde in zijne bitterheid zijn hoofd alsof hij het wilde afschudden.„Ik ben de eenige werkman in de fabriek van Bounderby, van al de werklieden daar, die niet tot de voorgestelde bepalingen toetreed. Ik kan er niet in toetreden. Mijne vrienden, ik twijfel of zij u eenig goed zullen doen. Denkelijk zullen zij u kwaaddoen.”Slackbridge lachte, sloeg zijne armen over elkaar en zette met een gefronst voorhoofd een spottend gezicht.„Maar het is niet zoozeer daarom, dat ik er buiten blijf. Als dat alles was, zou ik wel met de anderen meedoen. Maar ik heb mijne redenen—mijne eigene redenen, ziet ge—die mij verhinderen; niet alleen nu, maar altijd—altijd—mijn leven lang.”Slackbridge stond op, knarste op zijne tanden en plaatste zich met woeste gebaren naast hem.„O, mijne vrienden,” riep hij uit, „wat anders dan dit heb ik u gezegd? O, mijne landgenooten, welke andere waarschuwing dan deze heb ik u gegeven? En hoe staat zulk eene lafhartigheid aan een man, op wien men weet dat ongelijke wetten zoo zwaar hebben gedrukt? O, gij Engelschen, ik vraag u, hoe staat zulk een verraad aan een van uw eigen volk, die aldus bewilligt in zijn eigen verderf en het uwe, en in dat van uwe kinderen en kindskinderen?”Sommigen applaudisseerden, anderen riepen „foei!” en „schande!” maar de meesten van het gehoor hielden zich stil. Zij zagen naar Stephen’s uitgeteerd gelaat, nog roerender door de oprechte aandoening, die het vertoonde, en in de goedheid van hun hart waren zij meer bedroefd dan verontwaardigd.„Het ambacht van dezen afgevaardigde is het spreken,” zeide Stephen. „Hij wordt er voor betaald en hij verstaat zijn werk. Laat hij er zich maar bij houden. Laat hij niet letten op alles wat ik te dragen heb gehad. Dat gaat hem niet aan. Dat gaat niemand aan dan mij.”Er lag eene gepastheid, om niet te zeggen eene deftigheid in deze woorden, die zijne hoorders nog stiller en aandachtiger deed worden. Dezelfde krachtige stem riep: „Slackbridge, laat de man gehoord worden en houd je bek!” Toen werd alles verwonderlijk stil.„Mijne broeders,” zeide Stephen, wiens zachte stem men duidelijk hoorde, „mijne medearbeiders—want dat zijt ge van mij, hoewel niet, zoover ik weet, van dezen afgevaardigde hier,—ik heb maar één woord te zeggen, en ik zou niet meer kunnen zeggen, al mocht ik sprekentot den jongsten dag. Ik weet wel wat ik voor mij heb. Ik weet wel, dat gij allen besloten hebt om niets meer te doen te hebben met iemand, die in deze zaak niet met u meedoet. Ik weet wel, als ik stervende aan den weg lag, zoudt gij het voor recht houden om mij als een vreemdeling voorbij te gaan. Maar ik moet er mij in schikken zooals het is.”„Stephen Blackpool,” zeide de president opstaande, „denk er nog eens over. Bedenk het nog eens, jongen, eer gij door alle oude vrienden wordt gemeden.”Er volgde een algemeen gebrom, dat dezelfde beteekenis had, hoewel niemand een woord sprak. Aller oogen waren op Stephen gevestigd. Als hij van zijn besluit terugkwam, zou ieder een pak van het hart worden genomen. Hij zag om zich heen en gevoelde dat het zoo was. Geen zweem van gramschap tegen hen kwam in hem op; hij kende hen en doorzag hen, ver beneden hunne oppervlakkige zwakheden en wanbegrippen, gelijk niemand dan een makker kon doen.„Ik heb er over gedacht, meer dan een beetje, mijnheer. Ik kan eenvoudig niet toetreden. Ik moet den weg gaan, die voor mij ligt. Ik moet van allen hier afscheid nemen.”Hij maakte een soort van afscheidsgebaar, door zijne armen op te houden, en bleef een oogenblik in die houding staan, niet sprekende voordat zij langzaam weder neerzakten.„Menig pleizierig woord hebben sommigen hier met mij gesproken; menig gezicht zie ik hier, dat ik het eerst gezien heb toen ik nog jong was en een lichter hart had dan nu. Ik heb nog nooit zoolang ik leef ongenoegen gehad met iemand van mijns gelijken; en God weet, het ongenoegen dat ik nu heb is mijne schuld niet. Gij hebt mij een verrader en zoo al meer genoemd—gij, wil ik zeggen,” hierbij keerde hij zich naar Slackbridge, „maar het is gemakkelijker zoo iets ze zeggen, dan het te bewijzen. Laat het dus maar blijven.”Hij had een paar schreden gedaan om zich van de stellage te verwijderen, toen hij zich iets herinnerde dat hij nog niet gezegd had, en daarom terugkwam.„Misschien,” zeide hij, zijn gerimpeld gezicht langzaam heen en weder keerende, als wilde hij zijn geheel gehoor hoofd voor hoofd aanspreken; „misschien, als er over mijn geval gehandeld is, zal er een dreigement komen om het werk te staken, als men mij onder u laat werken. Ik hoop, dat ik sterven zal eer dat gebeurt, maar zoolang het niet gebeurt, zal ik in eenzaamheid onder ublijvenwerken—want waarlijk, ik moet dat doen, mijne vrienden, niet om u te sarren, maar om te leven. Ik heb niets dan mijn werk om van te leven; en waar kan ik heengaan, ik, die van klein kind af hier inCoketownheb gewerkt? Ik klaag er niet over, dat ik van nu af in den ban gedaan en niet meer aangezien word, maar ik hoop, dat men mij zal laten werken. Als er iets is, waarop ik recht heb, mijne vrienden, dan is het, geloof ik, dat.”Er werd geen woord gesproken. Geen geluid werd in het geheele gebouw gehoord, behalve een zacht geschoffel langs het midden der zaal, waar de toehoorders een weinig opschoven, om een vrij pad te laten voor den man, met wien zij voortaan alle gemeenschap zouden verzaken. Niemand aanziende en langzaam voortstappende, met eene mengeling van nederigheid en standvastigheid, evenmin smeekend als uitdagend, ging oude Stephen, met al zijne rampen en bezwaren beladen, zijns weegs.Slackbridge, die, terwijl Stephen heenging, zijn oratorischen arm uitgestrekt had gehouden, alsof hij met oneindige bekommering en door een wonderbaar zedelijk vermogen de geweldige hartstochten der menigte in bedwang hield, aanvaardde nu de taak om de vergadering weder op te beuren. „Heeft niet de Romeinsche Brutus, mijne Britsche landgenooten, zijn zoon ter dood veroordeeld; en hebben niet de Spartaansche moeders, o mijne weldra zegevierende vrienden, hare vluchtende kinderen in de spitsen der vijandelijke zwaarden gedreven? Is het dan niet de heilige plicht der mannen vanCoketown, met hunne voorvaderen voor zich, met eene bewonderende wereld in hun gezelschap en een nakomelingschap, die achter hen zal komen, de verraders uit de tenten te slingeren, die zij in eene heilige en Godgewijde zaak hebben opgeslagen? De winden des hemels antwoorden ja, en voeren dat ja naar het oosten en westen, het noorden en zuiden. En daarom driemaal hoera voor het Vereenigd Gemeenschappelijk Tribunaal!”Slackbridge speelde voor voorzanger en gaf de maat aan. De menigte van twijfelachtige gezichten (wier geweten eenigszins knaagde) verhelderde op dat geluid en stemde er mede in. Ieders bijzonder gevoel moest voor de algemeene zaak zwichten. Hoera! De zoldering dreunde nog van het gejuich toen de vergadering uiteenging.Zoo gemakkelijk kwam Stephen Blackpool tot het eenzaamste leven dat men bedenken kan, een leven van eenzaamheid onder eene menigte van gemeenzame bekenden. De vreemdeling in het land, die onder tienduizend gezichten naar een blik zoekt, welke den zijnen beantwoordt, en dien niet vindt, is nog in vroolijk gezelschap, vergeleken bij hem, die dagelijks tien afgewende gezichten voorbijgaat, welke voorheen de gezichten van vrienden waren. Zoo iets ondervond Stephen nu in ieder wakend oogenblik van zijn leven, aan zijn werk, op weg daarheen en naar huis, aan zijne deur, voor zijn venster en overal. Bij algemeene afspraak vermeed men zelfs dien kant der straat waarlangs hij gewoon was tegaan, en liet dezen, voor zoover de werklieden betrof, voor hem alleen over.Hij was vele jaren lang een stil, eenzelvig mensch geweest, die weinig met anderen verkeerde en gewoon was zijne eigene gedachten tot gezelschap te hebben. Hij had nooit te voren geweten, welke sterke behoefte er in zijn hart woonde aan het gedurig beantwoorden van een hoofdknik, een blik, een enkel woord, of welk eene onberekenbare mate van verademing door zulke geringe middelen hem droppel voor droppel in de ziel was gestort. Het was zelfs moeielijker dan hij voor mogelijk had gehouden, zijne verbanning van al zijne makkers, in zijn eigen geweten, van een ongegrond gevoel van schande en schaamte afgezonderd te houden.De eerste vier dagen zijner volharding waren zoo lang en drukkend, dat hij zich begon te ontzetten voor het uitzicht dat voor hem lag. Niet alleen had hij Rachel in al dien tijd niet gezien, maar hij had zelfs alle gelegenheid om haar te zien vermeden: want hoewel hij wist, dat het verbod zich niet eigenlijk tot de vrouwen, die in de fabrieken werkten, uitstrekte, bevond hij toch, dat sommige van die, met welke hij bekend was, voor hem veranderd waren, en vreesde hij met anderen de proef te nemen, terwijl hij beducht was, dat ook Rachel door hare gezellinnen mocht worden uitgebannen, indien men haar in zijn gezelschap zag. Zoo was hij dan die vier dagen lang geheel alleen geweest en had hij met niemand een woord gewisseld, toen hij des avonds, van zijn werk terugkomende, op straat door een jonkman werd aangesproken, die zich door zijne bijzondere lichte kleur onderscheidde.„Gij heet Blackpool, niet waar?” zeide de jonkman.Stephen kleurde toen hij er zich op betrapte, dat hij uit dankbaarheid voor die toespraak, of uithoofde van het onverwachte daarvan, of wel om beide redenen tegelijk, met zijn hoed in de hand stond. Hij hield zich alsof hij iets aan de voering deed en antwoordde: „Ja.”„Gij zijt de werkman, dien zij in den ban gedaan hebben, naar ik meen?” zeide Bitzer, de jonkman met de lichte kleur.„Ja,” antwoordde Stephen wederom.„Dat dacht ik wel, omdat zij zich allen van u schijnen af te houden. Mijnheer Bounderby wil u spreken. Gij weet zijn huis wel, niet waar?”„Ja,” herhaalde Stephen.„Ga dan dadelijk daarheen, zult ge?” zeide Bitzer. „Ge wordt gewacht, en hebt de meid maar te zeggen, dat gij het zijt. Ik behoor tot het kantoor; als ge dus dadelijk zonder mij daarheen gaat—ik ben gezonden om u te halen—haalt gij mij eene wandeling uit.”Stephen, die den anderen kant opging, keerde om en begaf zich, gelijk hem gelast was, naar het roode kasteel van den reus Bounderby.
XX.MANNEN EN BROEDERS.
„O, mijne vrienden, gij werklieden vanCoketown, die in het stof vertreden wordt! O, mijne vrienden en landgenooten, slaven eener dwingelandij, die u met ijzeren vuist verplettert! O, mijne vrienden, medemenschen, die met mij arbeidt en met mij lijdt! Ik zeg u, dat hetuur gekomen is, waarin wij met elkander moeten pal staan als eene vereenigde macht, en de onderdrukkers tot stof vergruizen, die zich maar al te lang hebben vetgemest met den roof onzer huisgezinnen, met het zweet onzer aangezichten, met den arbeid onzer handen, met de kracht onzer spieren, met de heerlijke, door God geschonkene rechten der Menschheid en de heilige en eeuwige aanspraken der Broederschap!”„Goed zoo! Hoort, hoort, hoort! Hoera!” en andere dergelijke kreten rezen met luide stemmen op uit alle hoeken der volgepropte en stinkend benauwde zaal, waarin de redenaar, op eene stellage staande, zich van dezen en meer anderen wind en damp, dien hij in zich had, ontlastte. Hij had zich met zijn declameeren tot eene geweldige hitte gebracht, en was even schor als warm. Door onder eene flikkerende gasvlam uit alle macht te staan schreeuwen, zijne vuisten dicht te knijpen, zijn voorhoofd te fronsen, zijne tanden opeen te klemmen en met zijne armen te schermen, had hij zijne krachten zoozeer uitgeput, dat hij nu moest ophouden en om een glas water vragen.Terwijl hij daar stond en zijn vurig gezicht met eene teug water poogde te blusschen, was de vergelijking tusschen den redenaar en de menigte, die met aandachtige gezichten naar hem stond te turen, geweldig in zijn nadeel. Op de getuigenis der natuur afgaande, was hij door weinig meer, dan door de stellage, waarop hij stond, boven de massa verheven. In vele opzichten was hij beneden de lieden, die zijn gehoor uitmaakten. Hij was niet zoo eerlijk, niet zoo mannelijk, niet zoo welgezind; slimheid verving bij hem hunne eenvoudigheid, en hartstochtelijkheid hun degelijk gezond verstand. Met zijne bijna mismaakte gestalte, zijne hooge schouders, zijn overhangend voorhoofd, zijne trekken, waarin eene uitdrukking van wreveligheid tot eene gewoonte was geworden, stak hij, zelfs met zijne zwierige kleeding, ongunstig af bij de meerderheid zijner hoorders in hun eenvoudig werkpak. Zoo vreemd als het altijd is eene vergadering zich lijdzaam te zien onderwerpen aan de langdradigheid van een vervelenden en verwaanden redenaar, hetzij een lord of een ongetiteld burger, zóó diep beneden drie vierde zijner toehoorders in den poel zijner geesteloosheid verzonken, dat zij hem door geene menschelijke middelen tot hunne eigene intellectueele hoogte konden verheffen, was het zelfs bijzonder treurig en treffend, die menigte van ernstige aangezichten te zien, aan wier eerlijkheid over het geheel door geen bevoegd en onbevooroordeeld waarnemer kon getwijfeld worden, en die door zulk een leidsman tot zulk eene opgewondenheid werden gebracht.„Goed zoo! Hoort, hoort! Hoera!” Het vuur zoowel van aandacht als van wil, dat van al die aangezichten straalde, maakte ze tot een zeer indrukwekkend schouwspel. Hier was geene verveling, geene lusteloosheid, geene ijdele nieuwsgierigheid, geene van die vele trappen van onverschilligheid, welke men in alle andere vergaderingen ziet, voor een oogenblik zichtbaar. Dat ieder zijn toestand in een of ander opzicht erger vond dan die zijn moest; dat ieder zich verplicht achtte om zich met de anderen te vereenigen ten einde dien toestand te verbeteren; dat ieder gevoelde dat zijne eenige hoop daarin gelegen was, dat hij zich met de makkers, die hem omringden, verbond; en dat in dit geloof, het mocht dan het ware of onware zijn (ongelukkig was het toen het onware), die geheele menigte ernstig en oprecht was, dit had iedereen, die zich daar bevond en maar verkoos te zien wat er gebeurde, even duidelijk moeten wezen als de ongeverfde balken van den zolder en de gewitte muren van het vertrek. Ook had zulk een toeschouwer niet kunnen missen in zijn hart te gevoelen, dat deze lieden zelf door hunne dwalingen toonden, dat zij groote eigenschappen bezaten, vatbaar om tot het beste en gelukkigste doel te worden aangewend; en dat het voorgeven (op grond van algemeene beweringen, hoe stout en meesterachtig ook geuit), alsof zij geheel zonder reden en alleen uit hun eigen onredelijken wil dien dwaalweg opgingen, hetzelfde was, als te beweren dat er rook kon zijn zonder vuur, dood zonder geboorte, oogst zonder zaad, of iets wat het ook wezen mocht, dat uit niets voortkwam.Toen de redenaar zich verfrischt had, veegde hij zijn gerimpeld voorhoofd af, door er verscheidene malen van den linker- naar den rechterkant met zijn tot een kussentje opgevouwen zakdoek overheen te strijken, en spande toen al zijne verlevendigde krachten in om een hoonenden glimlach vol smaad en bitterheid voort te brengen.„Maar, mijne vrienden en broeders! Mannen en Engelschen, vertrapte werklieden vanCoketown! Wat zullen wij zeggen van dien man, dien werkman—dat ik het noodig moet bevinden om dien roemrijken naam zoodanig te verguizen!—die, bij ondervinding bekend met het onrecht en het leed, dat gij te lijden hebt, gij, hoe ook miskend, de kracht en het merg van dit eiland, en die gehoord heeft hoe gij met eene edele en grootsche eenstemmigheid die dwingelanden zult doen beven, besloten hebt tot de fondsen van het Vereenigd Gezamenlijk Tribunaal bij te dragen, en u te houden aan de voorschriften, welke zij ook mogen zijn, door dat lichaam tot uw welzijn uitgevaardigd—wat, vraag ik u, zult gij zeggen van dien werkman, wien ik tot mijne spijt als zoodanig moet erkennen, die op zulk een tijd zijn post verlaat en zijne vlag verkoopt; die op zulk een tijd een verrader, een lafhartige eneen afvallige wordt; die op zulk een tijd zich niet schaamt u de schandelijke en vernederende bekentenis te doen, dat hij op zichzelf wil blijven en niet een van de vereenigden zijn, die dapper voor de Vrijheid en het Recht pal staan?”De vergadering was op dit punt verdeeld. Er werd wel gebromd en gefloten, maar het algemeen gevoel van eer was veel te sterk om iemand ongehoord te veroordeelen.„Pas op, dat gij het recht hebt, Slackbridge.”—„Laat hij voor den dag komen.”—„Laten wij hem hooren!”—Zulke dingen werden van verschillende kanten geroepen. Eindelijk riep eene krachtige stem: „Is de man hier? Als de man hier is, Slackbridge, laten wij dan den man zelf hooren, in plaats van u,” en dit voorstel werd met algemeene toejuiching ontvangen.Slackbridge, de redenaar, zag met een verdelgenden glimlach om zich heen, en zijne rechterhand op armslengte uitstekende (gelijk de manier van alle Slackbridge’s is), om de bulderende zee te stillen, wachtte hij tot er eene diepe stilte was ontstaan.„O, mijne vrienden en medemenschen!” zeide Slackbridge toen, met geweldige verontwaardiging zijn hoofd schuddende, „ik verwonder mij niet, dat gij, de mishandelde zonen des arbeids, ongeloovig zijt aan het bestaan van zulk een man. Maar hij, die zijn geboorterecht voor een schotel moes verkocht, heeft bestaan, Judas Iscarioth heeft bestaan, Castlereagh heeft bestaan, en die man bestaat!”Nu volgde eene korte verwarring en een gedrang naar de stellage, daarmede eindigende, dat de man zelf naast den redenaar voor de vergadering stond. Hij was bleek en zijn gezicht duidde eenige ontroering aan, die vooral aan zijne lippen zichtbaar was; maar hij stond daar rustig, met de linkerhand aan de kin, wachtende om gehoord te worden. Er was een voorzitter om de handelingen der vergadering te besturen, en deze persoon nam nu de zaak in handen.„Mijne vrienden,” zeide hij, „uit kracht van mijn post als uw president, verzoek ik onzen vriend Slackbridge, die in deze zaak misschien een weinigje al te ver gaat, om te gaan zitten, terwijl deze man, Stephen Blackpool, gehoord wordt. Gij allen kent dezen man, Stephen Blackpool. Gij kent hem sedert lang door zijne ongelukken en zijn goeden naam.”Daarmede drukte de president hem hartelijk de hand en ging weder zitten. Slackbridge zette zich insgelijks en veegde zijn gloeiend voorhoofd af, altijd van den linker- naar den rechterkant en nooit andersom.„Mijne vrienden,” begon Stephen, te midden eener doodsche stilte, „ik heb gehoord wat er van mij gezegd is, en het is waarschijnlijk, dat ik het niet verbeteren zal. Maar ik heb liever, dat gij de waarheid over mij zelven uit mijn eigen mond hoort, dan uit die van een ander, hoewel ik nooit voor zoovelen kon spreken zonder in de war te raken en verlegen te worden.”Slackbridge schudde in zijne bitterheid zijn hoofd alsof hij het wilde afschudden.„Ik ben de eenige werkman in de fabriek van Bounderby, van al de werklieden daar, die niet tot de voorgestelde bepalingen toetreed. Ik kan er niet in toetreden. Mijne vrienden, ik twijfel of zij u eenig goed zullen doen. Denkelijk zullen zij u kwaaddoen.”Slackbridge lachte, sloeg zijne armen over elkaar en zette met een gefronst voorhoofd een spottend gezicht.„Maar het is niet zoozeer daarom, dat ik er buiten blijf. Als dat alles was, zou ik wel met de anderen meedoen. Maar ik heb mijne redenen—mijne eigene redenen, ziet ge—die mij verhinderen; niet alleen nu, maar altijd—altijd—mijn leven lang.”Slackbridge stond op, knarste op zijne tanden en plaatste zich met woeste gebaren naast hem.„O, mijne vrienden,” riep hij uit, „wat anders dan dit heb ik u gezegd? O, mijne landgenooten, welke andere waarschuwing dan deze heb ik u gegeven? En hoe staat zulk eene lafhartigheid aan een man, op wien men weet dat ongelijke wetten zoo zwaar hebben gedrukt? O, gij Engelschen, ik vraag u, hoe staat zulk een verraad aan een van uw eigen volk, die aldus bewilligt in zijn eigen verderf en het uwe, en in dat van uwe kinderen en kindskinderen?”Sommigen applaudisseerden, anderen riepen „foei!” en „schande!” maar de meesten van het gehoor hielden zich stil. Zij zagen naar Stephen’s uitgeteerd gelaat, nog roerender door de oprechte aandoening, die het vertoonde, en in de goedheid van hun hart waren zij meer bedroefd dan verontwaardigd.„Het ambacht van dezen afgevaardigde is het spreken,” zeide Stephen. „Hij wordt er voor betaald en hij verstaat zijn werk. Laat hij er zich maar bij houden. Laat hij niet letten op alles wat ik te dragen heb gehad. Dat gaat hem niet aan. Dat gaat niemand aan dan mij.”Er lag eene gepastheid, om niet te zeggen eene deftigheid in deze woorden, die zijne hoorders nog stiller en aandachtiger deed worden. Dezelfde krachtige stem riep: „Slackbridge, laat de man gehoord worden en houd je bek!” Toen werd alles verwonderlijk stil.„Mijne broeders,” zeide Stephen, wiens zachte stem men duidelijk hoorde, „mijne medearbeiders—want dat zijt ge van mij, hoewel niet, zoover ik weet, van dezen afgevaardigde hier,—ik heb maar één woord te zeggen, en ik zou niet meer kunnen zeggen, al mocht ik sprekentot den jongsten dag. Ik weet wel wat ik voor mij heb. Ik weet wel, dat gij allen besloten hebt om niets meer te doen te hebben met iemand, die in deze zaak niet met u meedoet. Ik weet wel, als ik stervende aan den weg lag, zoudt gij het voor recht houden om mij als een vreemdeling voorbij te gaan. Maar ik moet er mij in schikken zooals het is.”„Stephen Blackpool,” zeide de president opstaande, „denk er nog eens over. Bedenk het nog eens, jongen, eer gij door alle oude vrienden wordt gemeden.”Er volgde een algemeen gebrom, dat dezelfde beteekenis had, hoewel niemand een woord sprak. Aller oogen waren op Stephen gevestigd. Als hij van zijn besluit terugkwam, zou ieder een pak van het hart worden genomen. Hij zag om zich heen en gevoelde dat het zoo was. Geen zweem van gramschap tegen hen kwam in hem op; hij kende hen en doorzag hen, ver beneden hunne oppervlakkige zwakheden en wanbegrippen, gelijk niemand dan een makker kon doen.„Ik heb er over gedacht, meer dan een beetje, mijnheer. Ik kan eenvoudig niet toetreden. Ik moet den weg gaan, die voor mij ligt. Ik moet van allen hier afscheid nemen.”Hij maakte een soort van afscheidsgebaar, door zijne armen op te houden, en bleef een oogenblik in die houding staan, niet sprekende voordat zij langzaam weder neerzakten.„Menig pleizierig woord hebben sommigen hier met mij gesproken; menig gezicht zie ik hier, dat ik het eerst gezien heb toen ik nog jong was en een lichter hart had dan nu. Ik heb nog nooit zoolang ik leef ongenoegen gehad met iemand van mijns gelijken; en God weet, het ongenoegen dat ik nu heb is mijne schuld niet. Gij hebt mij een verrader en zoo al meer genoemd—gij, wil ik zeggen,” hierbij keerde hij zich naar Slackbridge, „maar het is gemakkelijker zoo iets ze zeggen, dan het te bewijzen. Laat het dus maar blijven.”Hij had een paar schreden gedaan om zich van de stellage te verwijderen, toen hij zich iets herinnerde dat hij nog niet gezegd had, en daarom terugkwam.„Misschien,” zeide hij, zijn gerimpeld gezicht langzaam heen en weder keerende, als wilde hij zijn geheel gehoor hoofd voor hoofd aanspreken; „misschien, als er over mijn geval gehandeld is, zal er een dreigement komen om het werk te staken, als men mij onder u laat werken. Ik hoop, dat ik sterven zal eer dat gebeurt, maar zoolang het niet gebeurt, zal ik in eenzaamheid onder ublijvenwerken—want waarlijk, ik moet dat doen, mijne vrienden, niet om u te sarren, maar om te leven. Ik heb niets dan mijn werk om van te leven; en waar kan ik heengaan, ik, die van klein kind af hier inCoketownheb gewerkt? Ik klaag er niet over, dat ik van nu af in den ban gedaan en niet meer aangezien word, maar ik hoop, dat men mij zal laten werken. Als er iets is, waarop ik recht heb, mijne vrienden, dan is het, geloof ik, dat.”Er werd geen woord gesproken. Geen geluid werd in het geheele gebouw gehoord, behalve een zacht geschoffel langs het midden der zaal, waar de toehoorders een weinig opschoven, om een vrij pad te laten voor den man, met wien zij voortaan alle gemeenschap zouden verzaken. Niemand aanziende en langzaam voortstappende, met eene mengeling van nederigheid en standvastigheid, evenmin smeekend als uitdagend, ging oude Stephen, met al zijne rampen en bezwaren beladen, zijns weegs.Slackbridge, die, terwijl Stephen heenging, zijn oratorischen arm uitgestrekt had gehouden, alsof hij met oneindige bekommering en door een wonderbaar zedelijk vermogen de geweldige hartstochten der menigte in bedwang hield, aanvaardde nu de taak om de vergadering weder op te beuren. „Heeft niet de Romeinsche Brutus, mijne Britsche landgenooten, zijn zoon ter dood veroordeeld; en hebben niet de Spartaansche moeders, o mijne weldra zegevierende vrienden, hare vluchtende kinderen in de spitsen der vijandelijke zwaarden gedreven? Is het dan niet de heilige plicht der mannen vanCoketown, met hunne voorvaderen voor zich, met eene bewonderende wereld in hun gezelschap en een nakomelingschap, die achter hen zal komen, de verraders uit de tenten te slingeren, die zij in eene heilige en Godgewijde zaak hebben opgeslagen? De winden des hemels antwoorden ja, en voeren dat ja naar het oosten en westen, het noorden en zuiden. En daarom driemaal hoera voor het Vereenigd Gemeenschappelijk Tribunaal!”Slackbridge speelde voor voorzanger en gaf de maat aan. De menigte van twijfelachtige gezichten (wier geweten eenigszins knaagde) verhelderde op dat geluid en stemde er mede in. Ieders bijzonder gevoel moest voor de algemeene zaak zwichten. Hoera! De zoldering dreunde nog van het gejuich toen de vergadering uiteenging.Zoo gemakkelijk kwam Stephen Blackpool tot het eenzaamste leven dat men bedenken kan, een leven van eenzaamheid onder eene menigte van gemeenzame bekenden. De vreemdeling in het land, die onder tienduizend gezichten naar een blik zoekt, welke den zijnen beantwoordt, en dien niet vindt, is nog in vroolijk gezelschap, vergeleken bij hem, die dagelijks tien afgewende gezichten voorbijgaat, welke voorheen de gezichten van vrienden waren. Zoo iets ondervond Stephen nu in ieder wakend oogenblik van zijn leven, aan zijn werk, op weg daarheen en naar huis, aan zijne deur, voor zijn venster en overal. Bij algemeene afspraak vermeed men zelfs dien kant der straat waarlangs hij gewoon was tegaan, en liet dezen, voor zoover de werklieden betrof, voor hem alleen over.Hij was vele jaren lang een stil, eenzelvig mensch geweest, die weinig met anderen verkeerde en gewoon was zijne eigene gedachten tot gezelschap te hebben. Hij had nooit te voren geweten, welke sterke behoefte er in zijn hart woonde aan het gedurig beantwoorden van een hoofdknik, een blik, een enkel woord, of welk eene onberekenbare mate van verademing door zulke geringe middelen hem droppel voor droppel in de ziel was gestort. Het was zelfs moeielijker dan hij voor mogelijk had gehouden, zijne verbanning van al zijne makkers, in zijn eigen geweten, van een ongegrond gevoel van schande en schaamte afgezonderd te houden.De eerste vier dagen zijner volharding waren zoo lang en drukkend, dat hij zich begon te ontzetten voor het uitzicht dat voor hem lag. Niet alleen had hij Rachel in al dien tijd niet gezien, maar hij had zelfs alle gelegenheid om haar te zien vermeden: want hoewel hij wist, dat het verbod zich niet eigenlijk tot de vrouwen, die in de fabrieken werkten, uitstrekte, bevond hij toch, dat sommige van die, met welke hij bekend was, voor hem veranderd waren, en vreesde hij met anderen de proef te nemen, terwijl hij beducht was, dat ook Rachel door hare gezellinnen mocht worden uitgebannen, indien men haar in zijn gezelschap zag. Zoo was hij dan die vier dagen lang geheel alleen geweest en had hij met niemand een woord gewisseld, toen hij des avonds, van zijn werk terugkomende, op straat door een jonkman werd aangesproken, die zich door zijne bijzondere lichte kleur onderscheidde.„Gij heet Blackpool, niet waar?” zeide de jonkman.Stephen kleurde toen hij er zich op betrapte, dat hij uit dankbaarheid voor die toespraak, of uithoofde van het onverwachte daarvan, of wel om beide redenen tegelijk, met zijn hoed in de hand stond. Hij hield zich alsof hij iets aan de voering deed en antwoordde: „Ja.”„Gij zijt de werkman, dien zij in den ban gedaan hebben, naar ik meen?” zeide Bitzer, de jonkman met de lichte kleur.„Ja,” antwoordde Stephen wederom.„Dat dacht ik wel, omdat zij zich allen van u schijnen af te houden. Mijnheer Bounderby wil u spreken. Gij weet zijn huis wel, niet waar?”„Ja,” herhaalde Stephen.„Ga dan dadelijk daarheen, zult ge?” zeide Bitzer. „Ge wordt gewacht, en hebt de meid maar te zeggen, dat gij het zijt. Ik behoor tot het kantoor; als ge dus dadelijk zonder mij daarheen gaat—ik ben gezonden om u te halen—haalt gij mij eene wandeling uit.”Stephen, die den anderen kant opging, keerde om en begaf zich, gelijk hem gelast was, naar het roode kasteel van den reus Bounderby.
„O, mijne vrienden, gij werklieden vanCoketown, die in het stof vertreden wordt! O, mijne vrienden en landgenooten, slaven eener dwingelandij, die u met ijzeren vuist verplettert! O, mijne vrienden, medemenschen, die met mij arbeidt en met mij lijdt! Ik zeg u, dat hetuur gekomen is, waarin wij met elkander moeten pal staan als eene vereenigde macht, en de onderdrukkers tot stof vergruizen, die zich maar al te lang hebben vetgemest met den roof onzer huisgezinnen, met het zweet onzer aangezichten, met den arbeid onzer handen, met de kracht onzer spieren, met de heerlijke, door God geschonkene rechten der Menschheid en de heilige en eeuwige aanspraken der Broederschap!”
„Goed zoo! Hoort, hoort, hoort! Hoera!” en andere dergelijke kreten rezen met luide stemmen op uit alle hoeken der volgepropte en stinkend benauwde zaal, waarin de redenaar, op eene stellage staande, zich van dezen en meer anderen wind en damp, dien hij in zich had, ontlastte. Hij had zich met zijn declameeren tot eene geweldige hitte gebracht, en was even schor als warm. Door onder eene flikkerende gasvlam uit alle macht te staan schreeuwen, zijne vuisten dicht te knijpen, zijn voorhoofd te fronsen, zijne tanden opeen te klemmen en met zijne armen te schermen, had hij zijne krachten zoozeer uitgeput, dat hij nu moest ophouden en om een glas water vragen.
Terwijl hij daar stond en zijn vurig gezicht met eene teug water poogde te blusschen, was de vergelijking tusschen den redenaar en de menigte, die met aandachtige gezichten naar hem stond te turen, geweldig in zijn nadeel. Op de getuigenis der natuur afgaande, was hij door weinig meer, dan door de stellage, waarop hij stond, boven de massa verheven. In vele opzichten was hij beneden de lieden, die zijn gehoor uitmaakten. Hij was niet zoo eerlijk, niet zoo mannelijk, niet zoo welgezind; slimheid verving bij hem hunne eenvoudigheid, en hartstochtelijkheid hun degelijk gezond verstand. Met zijne bijna mismaakte gestalte, zijne hooge schouders, zijn overhangend voorhoofd, zijne trekken, waarin eene uitdrukking van wreveligheid tot eene gewoonte was geworden, stak hij, zelfs met zijne zwierige kleeding, ongunstig af bij de meerderheid zijner hoorders in hun eenvoudig werkpak. Zoo vreemd als het altijd is eene vergadering zich lijdzaam te zien onderwerpen aan de langdradigheid van een vervelenden en verwaanden redenaar, hetzij een lord of een ongetiteld burger, zóó diep beneden drie vierde zijner toehoorders in den poel zijner geesteloosheid verzonken, dat zij hem door geene menschelijke middelen tot hunne eigene intellectueele hoogte konden verheffen, was het zelfs bijzonder treurig en treffend, die menigte van ernstige aangezichten te zien, aan wier eerlijkheid over het geheel door geen bevoegd en onbevooroordeeld waarnemer kon getwijfeld worden, en die door zulk een leidsman tot zulk eene opgewondenheid werden gebracht.
„Goed zoo! Hoort, hoort! Hoera!” Het vuur zoowel van aandacht als van wil, dat van al die aangezichten straalde, maakte ze tot een zeer indrukwekkend schouwspel. Hier was geene verveling, geene lusteloosheid, geene ijdele nieuwsgierigheid, geene van die vele trappen van onverschilligheid, welke men in alle andere vergaderingen ziet, voor een oogenblik zichtbaar. Dat ieder zijn toestand in een of ander opzicht erger vond dan die zijn moest; dat ieder zich verplicht achtte om zich met de anderen te vereenigen ten einde dien toestand te verbeteren; dat ieder gevoelde dat zijne eenige hoop daarin gelegen was, dat hij zich met de makkers, die hem omringden, verbond; en dat in dit geloof, het mocht dan het ware of onware zijn (ongelukkig was het toen het onware), die geheele menigte ernstig en oprecht was, dit had iedereen, die zich daar bevond en maar verkoos te zien wat er gebeurde, even duidelijk moeten wezen als de ongeverfde balken van den zolder en de gewitte muren van het vertrek. Ook had zulk een toeschouwer niet kunnen missen in zijn hart te gevoelen, dat deze lieden zelf door hunne dwalingen toonden, dat zij groote eigenschappen bezaten, vatbaar om tot het beste en gelukkigste doel te worden aangewend; en dat het voorgeven (op grond van algemeene beweringen, hoe stout en meesterachtig ook geuit), alsof zij geheel zonder reden en alleen uit hun eigen onredelijken wil dien dwaalweg opgingen, hetzelfde was, als te beweren dat er rook kon zijn zonder vuur, dood zonder geboorte, oogst zonder zaad, of iets wat het ook wezen mocht, dat uit niets voortkwam.
Toen de redenaar zich verfrischt had, veegde hij zijn gerimpeld voorhoofd af, door er verscheidene malen van den linker- naar den rechterkant met zijn tot een kussentje opgevouwen zakdoek overheen te strijken, en spande toen al zijne verlevendigde krachten in om een hoonenden glimlach vol smaad en bitterheid voort te brengen.
„Maar, mijne vrienden en broeders! Mannen en Engelschen, vertrapte werklieden vanCoketown! Wat zullen wij zeggen van dien man, dien werkman—dat ik het noodig moet bevinden om dien roemrijken naam zoodanig te verguizen!—die, bij ondervinding bekend met het onrecht en het leed, dat gij te lijden hebt, gij, hoe ook miskend, de kracht en het merg van dit eiland, en die gehoord heeft hoe gij met eene edele en grootsche eenstemmigheid die dwingelanden zult doen beven, besloten hebt tot de fondsen van het Vereenigd Gezamenlijk Tribunaal bij te dragen, en u te houden aan de voorschriften, welke zij ook mogen zijn, door dat lichaam tot uw welzijn uitgevaardigd—wat, vraag ik u, zult gij zeggen van dien werkman, wien ik tot mijne spijt als zoodanig moet erkennen, die op zulk een tijd zijn post verlaat en zijne vlag verkoopt; die op zulk een tijd een verrader, een lafhartige eneen afvallige wordt; die op zulk een tijd zich niet schaamt u de schandelijke en vernederende bekentenis te doen, dat hij op zichzelf wil blijven en niet een van de vereenigden zijn, die dapper voor de Vrijheid en het Recht pal staan?”
De vergadering was op dit punt verdeeld. Er werd wel gebromd en gefloten, maar het algemeen gevoel van eer was veel te sterk om iemand ongehoord te veroordeelen.„Pas op, dat gij het recht hebt, Slackbridge.”—„Laat hij voor den dag komen.”—„Laten wij hem hooren!”—Zulke dingen werden van verschillende kanten geroepen. Eindelijk riep eene krachtige stem: „Is de man hier? Als de man hier is, Slackbridge, laten wij dan den man zelf hooren, in plaats van u,” en dit voorstel werd met algemeene toejuiching ontvangen.
Slackbridge, de redenaar, zag met een verdelgenden glimlach om zich heen, en zijne rechterhand op armslengte uitstekende (gelijk de manier van alle Slackbridge’s is), om de bulderende zee te stillen, wachtte hij tot er eene diepe stilte was ontstaan.
„O, mijne vrienden en medemenschen!” zeide Slackbridge toen, met geweldige verontwaardiging zijn hoofd schuddende, „ik verwonder mij niet, dat gij, de mishandelde zonen des arbeids, ongeloovig zijt aan het bestaan van zulk een man. Maar hij, die zijn geboorterecht voor een schotel moes verkocht, heeft bestaan, Judas Iscarioth heeft bestaan, Castlereagh heeft bestaan, en die man bestaat!”
Nu volgde eene korte verwarring en een gedrang naar de stellage, daarmede eindigende, dat de man zelf naast den redenaar voor de vergadering stond. Hij was bleek en zijn gezicht duidde eenige ontroering aan, die vooral aan zijne lippen zichtbaar was; maar hij stond daar rustig, met de linkerhand aan de kin, wachtende om gehoord te worden. Er was een voorzitter om de handelingen der vergadering te besturen, en deze persoon nam nu de zaak in handen.
„Mijne vrienden,” zeide hij, „uit kracht van mijn post als uw president, verzoek ik onzen vriend Slackbridge, die in deze zaak misschien een weinigje al te ver gaat, om te gaan zitten, terwijl deze man, Stephen Blackpool, gehoord wordt. Gij allen kent dezen man, Stephen Blackpool. Gij kent hem sedert lang door zijne ongelukken en zijn goeden naam.”
Daarmede drukte de president hem hartelijk de hand en ging weder zitten. Slackbridge zette zich insgelijks en veegde zijn gloeiend voorhoofd af, altijd van den linker- naar den rechterkant en nooit andersom.
„Mijne vrienden,” begon Stephen, te midden eener doodsche stilte, „ik heb gehoord wat er van mij gezegd is, en het is waarschijnlijk, dat ik het niet verbeteren zal. Maar ik heb liever, dat gij de waarheid over mij zelven uit mijn eigen mond hoort, dan uit die van een ander, hoewel ik nooit voor zoovelen kon spreken zonder in de war te raken en verlegen te worden.”
Slackbridge schudde in zijne bitterheid zijn hoofd alsof hij het wilde afschudden.
„Ik ben de eenige werkman in de fabriek van Bounderby, van al de werklieden daar, die niet tot de voorgestelde bepalingen toetreed. Ik kan er niet in toetreden. Mijne vrienden, ik twijfel of zij u eenig goed zullen doen. Denkelijk zullen zij u kwaaddoen.”
Slackbridge lachte, sloeg zijne armen over elkaar en zette met een gefronst voorhoofd een spottend gezicht.
„Maar het is niet zoozeer daarom, dat ik er buiten blijf. Als dat alles was, zou ik wel met de anderen meedoen. Maar ik heb mijne redenen—mijne eigene redenen, ziet ge—die mij verhinderen; niet alleen nu, maar altijd—altijd—mijn leven lang.”
Slackbridge stond op, knarste op zijne tanden en plaatste zich met woeste gebaren naast hem.
„O, mijne vrienden,” riep hij uit, „wat anders dan dit heb ik u gezegd? O, mijne landgenooten, welke andere waarschuwing dan deze heb ik u gegeven? En hoe staat zulk eene lafhartigheid aan een man, op wien men weet dat ongelijke wetten zoo zwaar hebben gedrukt? O, gij Engelschen, ik vraag u, hoe staat zulk een verraad aan een van uw eigen volk, die aldus bewilligt in zijn eigen verderf en het uwe, en in dat van uwe kinderen en kindskinderen?”
Sommigen applaudisseerden, anderen riepen „foei!” en „schande!” maar de meesten van het gehoor hielden zich stil. Zij zagen naar Stephen’s uitgeteerd gelaat, nog roerender door de oprechte aandoening, die het vertoonde, en in de goedheid van hun hart waren zij meer bedroefd dan verontwaardigd.
„Het ambacht van dezen afgevaardigde is het spreken,” zeide Stephen. „Hij wordt er voor betaald en hij verstaat zijn werk. Laat hij er zich maar bij houden. Laat hij niet letten op alles wat ik te dragen heb gehad. Dat gaat hem niet aan. Dat gaat niemand aan dan mij.”
Er lag eene gepastheid, om niet te zeggen eene deftigheid in deze woorden, die zijne hoorders nog stiller en aandachtiger deed worden. Dezelfde krachtige stem riep: „Slackbridge, laat de man gehoord worden en houd je bek!” Toen werd alles verwonderlijk stil.
„Mijne broeders,” zeide Stephen, wiens zachte stem men duidelijk hoorde, „mijne medearbeiders—want dat zijt ge van mij, hoewel niet, zoover ik weet, van dezen afgevaardigde hier,—ik heb maar één woord te zeggen, en ik zou niet meer kunnen zeggen, al mocht ik sprekentot den jongsten dag. Ik weet wel wat ik voor mij heb. Ik weet wel, dat gij allen besloten hebt om niets meer te doen te hebben met iemand, die in deze zaak niet met u meedoet. Ik weet wel, als ik stervende aan den weg lag, zoudt gij het voor recht houden om mij als een vreemdeling voorbij te gaan. Maar ik moet er mij in schikken zooals het is.”
„Stephen Blackpool,” zeide de president opstaande, „denk er nog eens over. Bedenk het nog eens, jongen, eer gij door alle oude vrienden wordt gemeden.”
Er volgde een algemeen gebrom, dat dezelfde beteekenis had, hoewel niemand een woord sprak. Aller oogen waren op Stephen gevestigd. Als hij van zijn besluit terugkwam, zou ieder een pak van het hart worden genomen. Hij zag om zich heen en gevoelde dat het zoo was. Geen zweem van gramschap tegen hen kwam in hem op; hij kende hen en doorzag hen, ver beneden hunne oppervlakkige zwakheden en wanbegrippen, gelijk niemand dan een makker kon doen.
„Ik heb er over gedacht, meer dan een beetje, mijnheer. Ik kan eenvoudig niet toetreden. Ik moet den weg gaan, die voor mij ligt. Ik moet van allen hier afscheid nemen.”
Hij maakte een soort van afscheidsgebaar, door zijne armen op te houden, en bleef een oogenblik in die houding staan, niet sprekende voordat zij langzaam weder neerzakten.
„Menig pleizierig woord hebben sommigen hier met mij gesproken; menig gezicht zie ik hier, dat ik het eerst gezien heb toen ik nog jong was en een lichter hart had dan nu. Ik heb nog nooit zoolang ik leef ongenoegen gehad met iemand van mijns gelijken; en God weet, het ongenoegen dat ik nu heb is mijne schuld niet. Gij hebt mij een verrader en zoo al meer genoemd—gij, wil ik zeggen,” hierbij keerde hij zich naar Slackbridge, „maar het is gemakkelijker zoo iets ze zeggen, dan het te bewijzen. Laat het dus maar blijven.”
Hij had een paar schreden gedaan om zich van de stellage te verwijderen, toen hij zich iets herinnerde dat hij nog niet gezegd had, en daarom terugkwam.
„Misschien,” zeide hij, zijn gerimpeld gezicht langzaam heen en weder keerende, als wilde hij zijn geheel gehoor hoofd voor hoofd aanspreken; „misschien, als er over mijn geval gehandeld is, zal er een dreigement komen om het werk te staken, als men mij onder u laat werken. Ik hoop, dat ik sterven zal eer dat gebeurt, maar zoolang het niet gebeurt, zal ik in eenzaamheid onder ublijvenwerken—want waarlijk, ik moet dat doen, mijne vrienden, niet om u te sarren, maar om te leven. Ik heb niets dan mijn werk om van te leven; en waar kan ik heengaan, ik, die van klein kind af hier inCoketownheb gewerkt? Ik klaag er niet over, dat ik van nu af in den ban gedaan en niet meer aangezien word, maar ik hoop, dat men mij zal laten werken. Als er iets is, waarop ik recht heb, mijne vrienden, dan is het, geloof ik, dat.”
Er werd geen woord gesproken. Geen geluid werd in het geheele gebouw gehoord, behalve een zacht geschoffel langs het midden der zaal, waar de toehoorders een weinig opschoven, om een vrij pad te laten voor den man, met wien zij voortaan alle gemeenschap zouden verzaken. Niemand aanziende en langzaam voortstappende, met eene mengeling van nederigheid en standvastigheid, evenmin smeekend als uitdagend, ging oude Stephen, met al zijne rampen en bezwaren beladen, zijns weegs.
Slackbridge, die, terwijl Stephen heenging, zijn oratorischen arm uitgestrekt had gehouden, alsof hij met oneindige bekommering en door een wonderbaar zedelijk vermogen de geweldige hartstochten der menigte in bedwang hield, aanvaardde nu de taak om de vergadering weder op te beuren. „Heeft niet de Romeinsche Brutus, mijne Britsche landgenooten, zijn zoon ter dood veroordeeld; en hebben niet de Spartaansche moeders, o mijne weldra zegevierende vrienden, hare vluchtende kinderen in de spitsen der vijandelijke zwaarden gedreven? Is het dan niet de heilige plicht der mannen vanCoketown, met hunne voorvaderen voor zich, met eene bewonderende wereld in hun gezelschap en een nakomelingschap, die achter hen zal komen, de verraders uit de tenten te slingeren, die zij in eene heilige en Godgewijde zaak hebben opgeslagen? De winden des hemels antwoorden ja, en voeren dat ja naar het oosten en westen, het noorden en zuiden. En daarom driemaal hoera voor het Vereenigd Gemeenschappelijk Tribunaal!”
Slackbridge speelde voor voorzanger en gaf de maat aan. De menigte van twijfelachtige gezichten (wier geweten eenigszins knaagde) verhelderde op dat geluid en stemde er mede in. Ieders bijzonder gevoel moest voor de algemeene zaak zwichten. Hoera! De zoldering dreunde nog van het gejuich toen de vergadering uiteenging.
Zoo gemakkelijk kwam Stephen Blackpool tot het eenzaamste leven dat men bedenken kan, een leven van eenzaamheid onder eene menigte van gemeenzame bekenden. De vreemdeling in het land, die onder tienduizend gezichten naar een blik zoekt, welke den zijnen beantwoordt, en dien niet vindt, is nog in vroolijk gezelschap, vergeleken bij hem, die dagelijks tien afgewende gezichten voorbijgaat, welke voorheen de gezichten van vrienden waren. Zoo iets ondervond Stephen nu in ieder wakend oogenblik van zijn leven, aan zijn werk, op weg daarheen en naar huis, aan zijne deur, voor zijn venster en overal. Bij algemeene afspraak vermeed men zelfs dien kant der straat waarlangs hij gewoon was tegaan, en liet dezen, voor zoover de werklieden betrof, voor hem alleen over.
Hij was vele jaren lang een stil, eenzelvig mensch geweest, die weinig met anderen verkeerde en gewoon was zijne eigene gedachten tot gezelschap te hebben. Hij had nooit te voren geweten, welke sterke behoefte er in zijn hart woonde aan het gedurig beantwoorden van een hoofdknik, een blik, een enkel woord, of welk eene onberekenbare mate van verademing door zulke geringe middelen hem droppel voor droppel in de ziel was gestort. Het was zelfs moeielijker dan hij voor mogelijk had gehouden, zijne verbanning van al zijne makkers, in zijn eigen geweten, van een ongegrond gevoel van schande en schaamte afgezonderd te houden.
De eerste vier dagen zijner volharding waren zoo lang en drukkend, dat hij zich begon te ontzetten voor het uitzicht dat voor hem lag. Niet alleen had hij Rachel in al dien tijd niet gezien, maar hij had zelfs alle gelegenheid om haar te zien vermeden: want hoewel hij wist, dat het verbod zich niet eigenlijk tot de vrouwen, die in de fabrieken werkten, uitstrekte, bevond hij toch, dat sommige van die, met welke hij bekend was, voor hem veranderd waren, en vreesde hij met anderen de proef te nemen, terwijl hij beducht was, dat ook Rachel door hare gezellinnen mocht worden uitgebannen, indien men haar in zijn gezelschap zag. Zoo was hij dan die vier dagen lang geheel alleen geweest en had hij met niemand een woord gewisseld, toen hij des avonds, van zijn werk terugkomende, op straat door een jonkman werd aangesproken, die zich door zijne bijzondere lichte kleur onderscheidde.
„Gij heet Blackpool, niet waar?” zeide de jonkman.
Stephen kleurde toen hij er zich op betrapte, dat hij uit dankbaarheid voor die toespraak, of uithoofde van het onverwachte daarvan, of wel om beide redenen tegelijk, met zijn hoed in de hand stond. Hij hield zich alsof hij iets aan de voering deed en antwoordde: „Ja.”
„Gij zijt de werkman, dien zij in den ban gedaan hebben, naar ik meen?” zeide Bitzer, de jonkman met de lichte kleur.
„Ja,” antwoordde Stephen wederom.
„Dat dacht ik wel, omdat zij zich allen van u schijnen af te houden. Mijnheer Bounderby wil u spreken. Gij weet zijn huis wel, niet waar?”
„Ja,” herhaalde Stephen.
„Ga dan dadelijk daarheen, zult ge?” zeide Bitzer. „Ge wordt gewacht, en hebt de meid maar te zeggen, dat gij het zijt. Ik behoor tot het kantoor; als ge dus dadelijk zonder mij daarheen gaat—ik ben gezonden om u te halen—haalt gij mij eene wandeling uit.”
Stephen, die den anderen kant opging, keerde om en begaf zich, gelijk hem gelast was, naar het roode kasteel van den reus Bounderby.