XVI.

XVI.MAN EN VROUW.De eerste ongerustheid, die mijnheer Bounderby kwelde, nadat hij zijn geluk had vernomen, was de noodzakelijkheid om dit geluk aan mevrouw Sparsit mede te deelen. Hij kon het met zich zelven niet eens worden hoe hij dit zou doen en welke gevolgen die stap zou kunnen hebben. Of zij oogenblikkelijk met pak en zak zou opbreken en naar Lady Scadgers gaan, of dat zij hardnekkig weigeren zou het huis te verlaten; of zij zou jammeren en schelden, schreien of uitvaren; of het haar het hart zou breken, dan of zij den spiegel zou stuk slaan; mijnheer Bounderby was niet in staat om er iets van te berekenen. Evenwel, daar het moest gedaan worden, bleef hem geene andere keus dan het maar te doen: en nadat hij verscheidene malen had beproefd een brief te schrijven en dit hem telkens mislukt was, besloot hij het mondeling te wagen.Onderweg naar huis, op den avond die tot dat gewichtig doel was uitgekozen, nam hij de voorzorg van bij een apotheker aan te gaan en een fleschje allersterkste spiritus te koopen. „Waarachtig,” dacht mijnheer Bounderby, „als zij aan het flauwvallen verkiest te gaan, zal ik haar toch het vel van den neus branden.” Doch, niettegenstaande hij zich aldus had gewapend, trad hij met eene alles behalve moedige houding zijn huis binnen, en verscheen voor het voorwerp van zijn vreesachtig wantrouwen met het voorkomen van een hond, die bewust is dat hij zoo pas uit de etenskast komt.„Goedenavond, mijnheer Bounderby.”„Goedenavond, juffrouw, goedenavond.”Hij schoof zijn stoel bij, en mevrouw Sparsit schoof den haren achteruit, als wilde zij zeggen: „Het is uw haard, mijnheer. Dat geef ik gewillig toe. Gij kunt hem geheel in beslag nemen, als het u zoo belieft.”„Verhuis maar niet naar de noordpool, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby.„Wel verplicht, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schoof weder bij, hoewel niet zoo dicht als te voren.Mijnheer Bounderby bleef naar haar zitten kijken, terwijl zij met de punt eener scherpe, spitse schaar gaatjes in een lap kamerdoek stak, die op eene of andere onverklaarbare manier tot sieraad moest dienen; een werk, dat met de donkere oogen en den arendsneus in verband gebracht, aan een havik deed denken, die een klein vogeltje de oogen uitpikte. Zij vestigde zoozeer hare aandacht op deze bezigheid, dat er vele minuten verliepen eer zij van haar werk opkeek; toen zij dit eindelijk deed, verzocht mijnheer Bounderby, met eene zenuwachtige beweging van zijn hoofd, om hare opmerkzaamheid.„Mevrouw Sparsit,” zeide mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende, en zich met zijne rechterhand verzekerende of de kurk van het fleschje gemakkelijk losging. „Ik behoef u niet te zeggen, dat gij niet alleen eene geborene dame, maar ook eene drommels verstandige vrouw zijt.”„Mijnheer,” antwoordde de dame, „het is waarlijk de eerste maal niet, dat ge mij met dergelijke uitdrukkingen van uwe goede meening hebt vereerd.”„Mevrouw Sparsit,” hervatte mijnheer Bounderby. „Ik zal u eens doen verbazen.”„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit vragenderwijs en op den bedaardst mogelijken toon. Zij droeg gewoonlijk mofjes, en legde nu haar werk neer en streek die mofjes glad.„Juffrouw,” vervolgde mijnheer Bounderby, „ik zal met Tom Gradgrind’s dochter gaan trouwen.”„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit. „Dan hoop ik dat gij gelukkig zult wezen. Waarlijk, ik hoop, dat gij gelukkig zult wezen, mijnheer!” Zij zeide dit met zooveel nederbuigende goedheid en zooveel medelijden voor hem, dat mijnheer Bounderby—veel meer ontsteld, dan wanneer zij haar werkdoosje naar den spiegel had gesmeten, of op het haardkleedje was flauw gevallen—de kurk van het fleschje in zijn zak stijf vastduwde en dacht:„Dat drommelsche wijf! Wie zou gedacht hebben, dat zij het zóó zou opnemen?”„Ik wensch met al mijn hart, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, op een toon van hooge meerderheid (want zij scheen, hoe dan ook, in een oogenblik het recht te hebben verkregen om hem voortaan ten diepste te beklagen), „dat gij in alle opzichten zeer gelukkig zult zijn.”„Wel, juffrouw,” antwoordde mijnheer Bounderby, met zekere geraaktheid in zijn toon, die echter, hoewel zijns ondanks, aanmerkelijk lager werd; „ik ben u zeer verplicht. Ik hoop het ook.”„Doet ge, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met buitengemeene vriendelijkheid. „Maar dat is natuurlijk. Het spreekt vanzelf, dat gij het doet.”Er volgde eene stilte, die voor mijnheer Bounderby zeer lastig was. Mevrouw Sparsit nam zeer bedaard haar werk weder op en liet nu en dan een kuchje hooren, waaruit de bewustheid van overmacht en goedertierenheid scheen te klinken.„Wel, juffrouw,” hervatte mijnheer Bounderby, „onder deze omstandigheden verbeeld ik mij, dat het voor iemand van uw karakter niet aangenaam zou zijn om hier in huis te blijven, hoewel gij hier zeer welkom zoudt zijn.”„O Heere, neen, mijnheer, daaraan zou ik nooit kunnen denken!”Mevrouw Sparsit schudde zeer deftig haar hoofd en veranderde het kuchje een weinig—nu zóó kuchende alsof de geest der profetie in haar opsteeg, maar liever gesmoord moest worden.„Evenwel, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby, „er zijn aan het kantoor nog kamers open. Eene geborene dame daar tot huishoudster te hebben, zou eene soort van recommandatie zijn; en als dezelfde condities...”„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Gij zijt zoo goed geweest mij te beloven, dat gij altijd de uitdrukking van jaarlijksch compliment zoudt bezigen.”„Welnu dan, juffrouw, jaarlijksch compliment. Als hetzelfde jaarlijksche compliment u voldoende mocht zijn, dan zie ik geene reden waarom wij zouden scheiden, of gij moest dat willen.”„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat is een voorstel, waarin ik uwe gewone manier van handelen herken; en als de positie, die ik aan het kantoor zal verkrijgen, zoodanig is, dat ik die kan aannemen zonder tot een lager trap in de maatschappij te dalen...”„O, dat spreekt vanzelf,” zeide Bounderby. „Als het zoo niet was, juffrouw, denkt gij dan dat ik ze zou aanbieden aan eene dame, die in de kringen heeft verkeerd, waarin gij verkeerd hebt? Niet datikom zulke kringen geef, dat weet gij. Maar gij doet het wel.”„Ge zijt zeer beleefd, mijnheer Bounderby.”„Gij zult uwe eigene kamers hebben, en uwe steenkolen en kaarsen en dat alles, en gij zult eene meid hebben om u te bedienen, en een kantoorknecht, die in huis slaapt tot uwe veiligheid, en gij zult een leventje hebben, dat ik zoo vrij ben voor een heerlijk, gemakkelijk leventje te houden,” zeide Bounderby.„Zeg niets meer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Als ik mijn post hier verlaat, zal ik niet bevrijd zijn van de noodzakelijkheid om het brood der afhankelijkheid te eten;” zij had wel mogen zeggen debestellender afhankelijkheid,want dat fijne gebak met eene lekkere bruine saus was haar geliefkoosd avondmaal; „en ik wilde dat liever uit uwe hand ontvangen, dan uit eene andere. Ik neem dus uw aanbod met dankbaarheid aan, mijnheer, en betuig u mijne oprechte erkentelijkheid voor uwe vroegere gunsten. En ik hoop, mijnheer,” zoo besloot zij op een deftig medelijdenden toon, „ik hoop hartelijk, dat Miss Gradgrind alles mag wezen wat gij verwacht en verdient!”Niets was verder in staat om mevrouw Sparsit uit deze stemming te brengen. Het was vruchteloos, dat mijnheer Bounderby snoefde of zich op zijne opvliegende manier liet gelden; mevrouw Sparsit had zich voorgenomen medelijden met hem te hebben als een ongelukkig slachtoffer. Zij was beleefd, oplettend, opgeruimd en gemoedelijk; maar hoe beleefder, oplettender, opgeruimder en gemoedelijker zij was, des te ongelukkiger slachtoffer was hij. Zij had zulk een teeder medelijden met zijn droevig lot, dat zijn groot rood gezicht in een koud zweet uitbrak als zij hem maar aanzag.Intusschen werd er bepaald, dat het huwelijk over acht weken zou worden voltrokken, en elken avond ging mijnheer Bounderby als erkend minnaar naarStone Lodge. Zijne vrijage had den vorm van braceletten, en nam gedurende de bruidsdagen bij alle gelegenheden een fabriekmatig voorkomen aan. Er werden kleedjes gefabriceerd, kleinooden gefabriceerd, taarten en handschoenen gefabriceerd, huwelijksvoorwaarden gefabriceerd—een geheel assortiment van feiten deed het contract eene gepaste eer aan. De zaak was geheelprozaïschvan het begin tot het einde. De uren maakten geen van die rooskleurige kunstjes, welke dwaze poëten hun in zulke dagen hebben toegeschreven; en de klokken liepen, ook niet sneller of langzamer dan in ieder ander tijdperk.De statistieke tijdmeter in het observatorium van mijnheer Gradgrind bleef elke seconde, die geboren werd, met zijne gewone regelmatigheid op den kop tikken en begraven.Zoo kwam de dag, gelijk alle andere dagen komen voor menschen, die zich maar bij het gezond, verstand houden; en toen hij kwam, werden in de kerk met de geornamenteerde houten beenen Josiah BounderbyEsquirevanCoketown, en Louisa, oudste dochter van Thomas GradgrindEsquirevanStone Lodge, lid van het Parlement voor genoemde stad, met elkander getrouwd. En toen zij in den heiligen echt vereenigd waren, begaven zij zich naarStone Lodgeom te ontbijten.Er was bij die heilspellende gelegenheid een gezelschap van wel onderwezen lieden verzameld, die wisten waarvan alles wat zij te eten en te drinken kregen gemaakt was, en hoe het ingevoerd of uitgevoerd werd, in welke hoeveelheden én welke bodems, en of het inlandsch of buitenlandsch product was, en zoo voorts. De speelnootjes der bruid, zelfs tot aan de kleine Jane Gradgrind toe, hadden gevoeglijk met den vermaarden kleinen rekenmeester, die een jeugdig wonder van aangeboren rekentalent was, gepaard kunnen worden; en niemand van het gezelschap had eenige malligheid over zich.Na het déjeuné sprak de bruidegom de gasten met de volgende woorden aan:„Heeren en dames, ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Daar gij mijne vrouw en mij de eer hebt bewezen van op onze gezondheid en geluk te drinken, vermeen ik u daarvoor te moeten dankzeggen; hoewel gij, die mij allen kent en weet wie ik ben, geene mooie redevoering zult verwachten van een man die, als hij een paal ziet, zegt: „dat is een paal,” en als hij eene pomp ziet, zegt: „dat is eene pomp,” en er niet toe te krijgen is om den paal eene pomp of de pomp een paal, of een van beide een tandenstoker te noemen. Als gij van morgen eene redevoering wilt hebben, mijn vriend en schoonvader, Tom Gradgrind, is lid van het Parlement, en dus weet gij waar gij terecht kunt komen. Ik ben uw man niet. Evenwel, als ik mij eenigszins onafhankelijk gevoel, wanneer ik vandaag deze tafel rondzie, en bedenk hoe weinig ik er aan dacht om Tom Gradgrind’s dochter te trouwen, toen ik nog een havelooze straatjongen was, die nooit zijn gezicht waschte of het was op straat aan eene pomp, en dat niet meer dan eens om de veertien dagen, hoop ik dat men mij verontschuldigen zal. Ik hoop dus dat het u niet mishaagt, dat ik mij onafhankelijk gevoel; zoo ja, dan kan ik het niet helpen. Ik gevoel mij toch onafhankelijk. Nu heb ik er van gesproken, en gij hebt er van gesproken, dat ik vandaag met Tom Gradgrind’s dochter ben getrouwd. Ik ben zeer blij, dat het zoo is. Het is lang mijn wensch geweest dat het eens zoo wezen zou. Ik heb hare opvoeding gadegeslagen, en ik geloof, dat zij mijner waardig is. Tegelijkertijd—om er maar geen doekjes om te winden—geloof ik, dat ook ik harer waardig ben. Ik dank u dus in ons beider naam voor de welwillendheid, die gij ons bewezen hebt, en de beste wensch, dien ik voor het ongetrouwde gedeelte van het aanwezige gezelschap kan uitbrengen, is deze: ik hoop, dat ieder ongetrouwd vrijer zulk eene goede vrouw mag vinden als ik gevonden heb. En ik hoop, dat elke ongetrouwde vrijster zulk een goed man mag vinden als mijne vrouw heeft gevonden.”Kort na deze redevoering—want men zou een bruiloftstoertje naarLyonsdoen, dewijl mijnheer Bounderby de gelegenheid wilde waarnemen, om te zien hoe de fabrieksarbeiders het in die streken maakten, en of zij ook met gouden lepels wilden gevoerd worden—begaf het gelukkige paar zich naar den spoorweg. Toende bruid, voor de reis gekleed, de trap afkwam, vond zij Tom naar haar staan wachten, met een gloeiend rood gezicht, hetzij van aandoening of van den wijn, dien hij onder het déjeuné had gedronken.„Welk eene cordate meid zijt ge toch, en welk eene allerbeste zuster, Louisa!” fluisterde Tom.Zij sloot hem in hare armen, gelijk zij dien dag een wezen van veel beter aard in hare armen had moeten sluiten, en voor de eerste maal scheen hare strakke bedaardheid eenigszins geschokt te worden.„Oude Bounderby is al klaar,” zeide Tom. „Het is tijd. Goedendag. Ik zal naar u staan uitkijken, als ge terugkomt. Zeg eens, lieve Louisa, is dat nu niet razend prettig!”

XVI.MAN EN VROUW.De eerste ongerustheid, die mijnheer Bounderby kwelde, nadat hij zijn geluk had vernomen, was de noodzakelijkheid om dit geluk aan mevrouw Sparsit mede te deelen. Hij kon het met zich zelven niet eens worden hoe hij dit zou doen en welke gevolgen die stap zou kunnen hebben. Of zij oogenblikkelijk met pak en zak zou opbreken en naar Lady Scadgers gaan, of dat zij hardnekkig weigeren zou het huis te verlaten; of zij zou jammeren en schelden, schreien of uitvaren; of het haar het hart zou breken, dan of zij den spiegel zou stuk slaan; mijnheer Bounderby was niet in staat om er iets van te berekenen. Evenwel, daar het moest gedaan worden, bleef hem geene andere keus dan het maar te doen: en nadat hij verscheidene malen had beproefd een brief te schrijven en dit hem telkens mislukt was, besloot hij het mondeling te wagen.Onderweg naar huis, op den avond die tot dat gewichtig doel was uitgekozen, nam hij de voorzorg van bij een apotheker aan te gaan en een fleschje allersterkste spiritus te koopen. „Waarachtig,” dacht mijnheer Bounderby, „als zij aan het flauwvallen verkiest te gaan, zal ik haar toch het vel van den neus branden.” Doch, niettegenstaande hij zich aldus had gewapend, trad hij met eene alles behalve moedige houding zijn huis binnen, en verscheen voor het voorwerp van zijn vreesachtig wantrouwen met het voorkomen van een hond, die bewust is dat hij zoo pas uit de etenskast komt.„Goedenavond, mijnheer Bounderby.”„Goedenavond, juffrouw, goedenavond.”Hij schoof zijn stoel bij, en mevrouw Sparsit schoof den haren achteruit, als wilde zij zeggen: „Het is uw haard, mijnheer. Dat geef ik gewillig toe. Gij kunt hem geheel in beslag nemen, als het u zoo belieft.”„Verhuis maar niet naar de noordpool, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby.„Wel verplicht, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schoof weder bij, hoewel niet zoo dicht als te voren.Mijnheer Bounderby bleef naar haar zitten kijken, terwijl zij met de punt eener scherpe, spitse schaar gaatjes in een lap kamerdoek stak, die op eene of andere onverklaarbare manier tot sieraad moest dienen; een werk, dat met de donkere oogen en den arendsneus in verband gebracht, aan een havik deed denken, die een klein vogeltje de oogen uitpikte. Zij vestigde zoozeer hare aandacht op deze bezigheid, dat er vele minuten verliepen eer zij van haar werk opkeek; toen zij dit eindelijk deed, verzocht mijnheer Bounderby, met eene zenuwachtige beweging van zijn hoofd, om hare opmerkzaamheid.„Mevrouw Sparsit,” zeide mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende, en zich met zijne rechterhand verzekerende of de kurk van het fleschje gemakkelijk losging. „Ik behoef u niet te zeggen, dat gij niet alleen eene geborene dame, maar ook eene drommels verstandige vrouw zijt.”„Mijnheer,” antwoordde de dame, „het is waarlijk de eerste maal niet, dat ge mij met dergelijke uitdrukkingen van uwe goede meening hebt vereerd.”„Mevrouw Sparsit,” hervatte mijnheer Bounderby. „Ik zal u eens doen verbazen.”„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit vragenderwijs en op den bedaardst mogelijken toon. Zij droeg gewoonlijk mofjes, en legde nu haar werk neer en streek die mofjes glad.„Juffrouw,” vervolgde mijnheer Bounderby, „ik zal met Tom Gradgrind’s dochter gaan trouwen.”„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit. „Dan hoop ik dat gij gelukkig zult wezen. Waarlijk, ik hoop, dat gij gelukkig zult wezen, mijnheer!” Zij zeide dit met zooveel nederbuigende goedheid en zooveel medelijden voor hem, dat mijnheer Bounderby—veel meer ontsteld, dan wanneer zij haar werkdoosje naar den spiegel had gesmeten, of op het haardkleedje was flauw gevallen—de kurk van het fleschje in zijn zak stijf vastduwde en dacht:„Dat drommelsche wijf! Wie zou gedacht hebben, dat zij het zóó zou opnemen?”„Ik wensch met al mijn hart, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, op een toon van hooge meerderheid (want zij scheen, hoe dan ook, in een oogenblik het recht te hebben verkregen om hem voortaan ten diepste te beklagen), „dat gij in alle opzichten zeer gelukkig zult zijn.”„Wel, juffrouw,” antwoordde mijnheer Bounderby, met zekere geraaktheid in zijn toon, die echter, hoewel zijns ondanks, aanmerkelijk lager werd; „ik ben u zeer verplicht. Ik hoop het ook.”„Doet ge, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met buitengemeene vriendelijkheid. „Maar dat is natuurlijk. Het spreekt vanzelf, dat gij het doet.”Er volgde eene stilte, die voor mijnheer Bounderby zeer lastig was. Mevrouw Sparsit nam zeer bedaard haar werk weder op en liet nu en dan een kuchje hooren, waaruit de bewustheid van overmacht en goedertierenheid scheen te klinken.„Wel, juffrouw,” hervatte mijnheer Bounderby, „onder deze omstandigheden verbeeld ik mij, dat het voor iemand van uw karakter niet aangenaam zou zijn om hier in huis te blijven, hoewel gij hier zeer welkom zoudt zijn.”„O Heere, neen, mijnheer, daaraan zou ik nooit kunnen denken!”Mevrouw Sparsit schudde zeer deftig haar hoofd en veranderde het kuchje een weinig—nu zóó kuchende alsof de geest der profetie in haar opsteeg, maar liever gesmoord moest worden.„Evenwel, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby, „er zijn aan het kantoor nog kamers open. Eene geborene dame daar tot huishoudster te hebben, zou eene soort van recommandatie zijn; en als dezelfde condities...”„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Gij zijt zoo goed geweest mij te beloven, dat gij altijd de uitdrukking van jaarlijksch compliment zoudt bezigen.”„Welnu dan, juffrouw, jaarlijksch compliment. Als hetzelfde jaarlijksche compliment u voldoende mocht zijn, dan zie ik geene reden waarom wij zouden scheiden, of gij moest dat willen.”„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat is een voorstel, waarin ik uwe gewone manier van handelen herken; en als de positie, die ik aan het kantoor zal verkrijgen, zoodanig is, dat ik die kan aannemen zonder tot een lager trap in de maatschappij te dalen...”„O, dat spreekt vanzelf,” zeide Bounderby. „Als het zoo niet was, juffrouw, denkt gij dan dat ik ze zou aanbieden aan eene dame, die in de kringen heeft verkeerd, waarin gij verkeerd hebt? Niet datikom zulke kringen geef, dat weet gij. Maar gij doet het wel.”„Ge zijt zeer beleefd, mijnheer Bounderby.”„Gij zult uwe eigene kamers hebben, en uwe steenkolen en kaarsen en dat alles, en gij zult eene meid hebben om u te bedienen, en een kantoorknecht, die in huis slaapt tot uwe veiligheid, en gij zult een leventje hebben, dat ik zoo vrij ben voor een heerlijk, gemakkelijk leventje te houden,” zeide Bounderby.„Zeg niets meer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Als ik mijn post hier verlaat, zal ik niet bevrijd zijn van de noodzakelijkheid om het brood der afhankelijkheid te eten;” zij had wel mogen zeggen debestellender afhankelijkheid,want dat fijne gebak met eene lekkere bruine saus was haar geliefkoosd avondmaal; „en ik wilde dat liever uit uwe hand ontvangen, dan uit eene andere. Ik neem dus uw aanbod met dankbaarheid aan, mijnheer, en betuig u mijne oprechte erkentelijkheid voor uwe vroegere gunsten. En ik hoop, mijnheer,” zoo besloot zij op een deftig medelijdenden toon, „ik hoop hartelijk, dat Miss Gradgrind alles mag wezen wat gij verwacht en verdient!”Niets was verder in staat om mevrouw Sparsit uit deze stemming te brengen. Het was vruchteloos, dat mijnheer Bounderby snoefde of zich op zijne opvliegende manier liet gelden; mevrouw Sparsit had zich voorgenomen medelijden met hem te hebben als een ongelukkig slachtoffer. Zij was beleefd, oplettend, opgeruimd en gemoedelijk; maar hoe beleefder, oplettender, opgeruimder en gemoedelijker zij was, des te ongelukkiger slachtoffer was hij. Zij had zulk een teeder medelijden met zijn droevig lot, dat zijn groot rood gezicht in een koud zweet uitbrak als zij hem maar aanzag.Intusschen werd er bepaald, dat het huwelijk over acht weken zou worden voltrokken, en elken avond ging mijnheer Bounderby als erkend minnaar naarStone Lodge. Zijne vrijage had den vorm van braceletten, en nam gedurende de bruidsdagen bij alle gelegenheden een fabriekmatig voorkomen aan. Er werden kleedjes gefabriceerd, kleinooden gefabriceerd, taarten en handschoenen gefabriceerd, huwelijksvoorwaarden gefabriceerd—een geheel assortiment van feiten deed het contract eene gepaste eer aan. De zaak was geheelprozaïschvan het begin tot het einde. De uren maakten geen van die rooskleurige kunstjes, welke dwaze poëten hun in zulke dagen hebben toegeschreven; en de klokken liepen, ook niet sneller of langzamer dan in ieder ander tijdperk.De statistieke tijdmeter in het observatorium van mijnheer Gradgrind bleef elke seconde, die geboren werd, met zijne gewone regelmatigheid op den kop tikken en begraven.Zoo kwam de dag, gelijk alle andere dagen komen voor menschen, die zich maar bij het gezond, verstand houden; en toen hij kwam, werden in de kerk met de geornamenteerde houten beenen Josiah BounderbyEsquirevanCoketown, en Louisa, oudste dochter van Thomas GradgrindEsquirevanStone Lodge, lid van het Parlement voor genoemde stad, met elkander getrouwd. En toen zij in den heiligen echt vereenigd waren, begaven zij zich naarStone Lodgeom te ontbijten.Er was bij die heilspellende gelegenheid een gezelschap van wel onderwezen lieden verzameld, die wisten waarvan alles wat zij te eten en te drinken kregen gemaakt was, en hoe het ingevoerd of uitgevoerd werd, in welke hoeveelheden én welke bodems, en of het inlandsch of buitenlandsch product was, en zoo voorts. De speelnootjes der bruid, zelfs tot aan de kleine Jane Gradgrind toe, hadden gevoeglijk met den vermaarden kleinen rekenmeester, die een jeugdig wonder van aangeboren rekentalent was, gepaard kunnen worden; en niemand van het gezelschap had eenige malligheid over zich.Na het déjeuné sprak de bruidegom de gasten met de volgende woorden aan:„Heeren en dames, ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Daar gij mijne vrouw en mij de eer hebt bewezen van op onze gezondheid en geluk te drinken, vermeen ik u daarvoor te moeten dankzeggen; hoewel gij, die mij allen kent en weet wie ik ben, geene mooie redevoering zult verwachten van een man die, als hij een paal ziet, zegt: „dat is een paal,” en als hij eene pomp ziet, zegt: „dat is eene pomp,” en er niet toe te krijgen is om den paal eene pomp of de pomp een paal, of een van beide een tandenstoker te noemen. Als gij van morgen eene redevoering wilt hebben, mijn vriend en schoonvader, Tom Gradgrind, is lid van het Parlement, en dus weet gij waar gij terecht kunt komen. Ik ben uw man niet. Evenwel, als ik mij eenigszins onafhankelijk gevoel, wanneer ik vandaag deze tafel rondzie, en bedenk hoe weinig ik er aan dacht om Tom Gradgrind’s dochter te trouwen, toen ik nog een havelooze straatjongen was, die nooit zijn gezicht waschte of het was op straat aan eene pomp, en dat niet meer dan eens om de veertien dagen, hoop ik dat men mij verontschuldigen zal. Ik hoop dus dat het u niet mishaagt, dat ik mij onafhankelijk gevoel; zoo ja, dan kan ik het niet helpen. Ik gevoel mij toch onafhankelijk. Nu heb ik er van gesproken, en gij hebt er van gesproken, dat ik vandaag met Tom Gradgrind’s dochter ben getrouwd. Ik ben zeer blij, dat het zoo is. Het is lang mijn wensch geweest dat het eens zoo wezen zou. Ik heb hare opvoeding gadegeslagen, en ik geloof, dat zij mijner waardig is. Tegelijkertijd—om er maar geen doekjes om te winden—geloof ik, dat ook ik harer waardig ben. Ik dank u dus in ons beider naam voor de welwillendheid, die gij ons bewezen hebt, en de beste wensch, dien ik voor het ongetrouwde gedeelte van het aanwezige gezelschap kan uitbrengen, is deze: ik hoop, dat ieder ongetrouwd vrijer zulk eene goede vrouw mag vinden als ik gevonden heb. En ik hoop, dat elke ongetrouwde vrijster zulk een goed man mag vinden als mijne vrouw heeft gevonden.”Kort na deze redevoering—want men zou een bruiloftstoertje naarLyonsdoen, dewijl mijnheer Bounderby de gelegenheid wilde waarnemen, om te zien hoe de fabrieksarbeiders het in die streken maakten, en of zij ook met gouden lepels wilden gevoerd worden—begaf het gelukkige paar zich naar den spoorweg. Toende bruid, voor de reis gekleed, de trap afkwam, vond zij Tom naar haar staan wachten, met een gloeiend rood gezicht, hetzij van aandoening of van den wijn, dien hij onder het déjeuné had gedronken.„Welk eene cordate meid zijt ge toch, en welk eene allerbeste zuster, Louisa!” fluisterde Tom.Zij sloot hem in hare armen, gelijk zij dien dag een wezen van veel beter aard in hare armen had moeten sluiten, en voor de eerste maal scheen hare strakke bedaardheid eenigszins geschokt te worden.„Oude Bounderby is al klaar,” zeide Tom. „Het is tijd. Goedendag. Ik zal naar u staan uitkijken, als ge terugkomt. Zeg eens, lieve Louisa, is dat nu niet razend prettig!”

XVI.MAN EN VROUW.De eerste ongerustheid, die mijnheer Bounderby kwelde, nadat hij zijn geluk had vernomen, was de noodzakelijkheid om dit geluk aan mevrouw Sparsit mede te deelen. Hij kon het met zich zelven niet eens worden hoe hij dit zou doen en welke gevolgen die stap zou kunnen hebben. Of zij oogenblikkelijk met pak en zak zou opbreken en naar Lady Scadgers gaan, of dat zij hardnekkig weigeren zou het huis te verlaten; of zij zou jammeren en schelden, schreien of uitvaren; of het haar het hart zou breken, dan of zij den spiegel zou stuk slaan; mijnheer Bounderby was niet in staat om er iets van te berekenen. Evenwel, daar het moest gedaan worden, bleef hem geene andere keus dan het maar te doen: en nadat hij verscheidene malen had beproefd een brief te schrijven en dit hem telkens mislukt was, besloot hij het mondeling te wagen.Onderweg naar huis, op den avond die tot dat gewichtig doel was uitgekozen, nam hij de voorzorg van bij een apotheker aan te gaan en een fleschje allersterkste spiritus te koopen. „Waarachtig,” dacht mijnheer Bounderby, „als zij aan het flauwvallen verkiest te gaan, zal ik haar toch het vel van den neus branden.” Doch, niettegenstaande hij zich aldus had gewapend, trad hij met eene alles behalve moedige houding zijn huis binnen, en verscheen voor het voorwerp van zijn vreesachtig wantrouwen met het voorkomen van een hond, die bewust is dat hij zoo pas uit de etenskast komt.„Goedenavond, mijnheer Bounderby.”„Goedenavond, juffrouw, goedenavond.”Hij schoof zijn stoel bij, en mevrouw Sparsit schoof den haren achteruit, als wilde zij zeggen: „Het is uw haard, mijnheer. Dat geef ik gewillig toe. Gij kunt hem geheel in beslag nemen, als het u zoo belieft.”„Verhuis maar niet naar de noordpool, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby.„Wel verplicht, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schoof weder bij, hoewel niet zoo dicht als te voren.Mijnheer Bounderby bleef naar haar zitten kijken, terwijl zij met de punt eener scherpe, spitse schaar gaatjes in een lap kamerdoek stak, die op eene of andere onverklaarbare manier tot sieraad moest dienen; een werk, dat met de donkere oogen en den arendsneus in verband gebracht, aan een havik deed denken, die een klein vogeltje de oogen uitpikte. Zij vestigde zoozeer hare aandacht op deze bezigheid, dat er vele minuten verliepen eer zij van haar werk opkeek; toen zij dit eindelijk deed, verzocht mijnheer Bounderby, met eene zenuwachtige beweging van zijn hoofd, om hare opmerkzaamheid.„Mevrouw Sparsit,” zeide mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende, en zich met zijne rechterhand verzekerende of de kurk van het fleschje gemakkelijk losging. „Ik behoef u niet te zeggen, dat gij niet alleen eene geborene dame, maar ook eene drommels verstandige vrouw zijt.”„Mijnheer,” antwoordde de dame, „het is waarlijk de eerste maal niet, dat ge mij met dergelijke uitdrukkingen van uwe goede meening hebt vereerd.”„Mevrouw Sparsit,” hervatte mijnheer Bounderby. „Ik zal u eens doen verbazen.”„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit vragenderwijs en op den bedaardst mogelijken toon. Zij droeg gewoonlijk mofjes, en legde nu haar werk neer en streek die mofjes glad.„Juffrouw,” vervolgde mijnheer Bounderby, „ik zal met Tom Gradgrind’s dochter gaan trouwen.”„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit. „Dan hoop ik dat gij gelukkig zult wezen. Waarlijk, ik hoop, dat gij gelukkig zult wezen, mijnheer!” Zij zeide dit met zooveel nederbuigende goedheid en zooveel medelijden voor hem, dat mijnheer Bounderby—veel meer ontsteld, dan wanneer zij haar werkdoosje naar den spiegel had gesmeten, of op het haardkleedje was flauw gevallen—de kurk van het fleschje in zijn zak stijf vastduwde en dacht:„Dat drommelsche wijf! Wie zou gedacht hebben, dat zij het zóó zou opnemen?”„Ik wensch met al mijn hart, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, op een toon van hooge meerderheid (want zij scheen, hoe dan ook, in een oogenblik het recht te hebben verkregen om hem voortaan ten diepste te beklagen), „dat gij in alle opzichten zeer gelukkig zult zijn.”„Wel, juffrouw,” antwoordde mijnheer Bounderby, met zekere geraaktheid in zijn toon, die echter, hoewel zijns ondanks, aanmerkelijk lager werd; „ik ben u zeer verplicht. Ik hoop het ook.”„Doet ge, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met buitengemeene vriendelijkheid. „Maar dat is natuurlijk. Het spreekt vanzelf, dat gij het doet.”Er volgde eene stilte, die voor mijnheer Bounderby zeer lastig was. Mevrouw Sparsit nam zeer bedaard haar werk weder op en liet nu en dan een kuchje hooren, waaruit de bewustheid van overmacht en goedertierenheid scheen te klinken.„Wel, juffrouw,” hervatte mijnheer Bounderby, „onder deze omstandigheden verbeeld ik mij, dat het voor iemand van uw karakter niet aangenaam zou zijn om hier in huis te blijven, hoewel gij hier zeer welkom zoudt zijn.”„O Heere, neen, mijnheer, daaraan zou ik nooit kunnen denken!”Mevrouw Sparsit schudde zeer deftig haar hoofd en veranderde het kuchje een weinig—nu zóó kuchende alsof de geest der profetie in haar opsteeg, maar liever gesmoord moest worden.„Evenwel, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby, „er zijn aan het kantoor nog kamers open. Eene geborene dame daar tot huishoudster te hebben, zou eene soort van recommandatie zijn; en als dezelfde condities...”„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Gij zijt zoo goed geweest mij te beloven, dat gij altijd de uitdrukking van jaarlijksch compliment zoudt bezigen.”„Welnu dan, juffrouw, jaarlijksch compliment. Als hetzelfde jaarlijksche compliment u voldoende mocht zijn, dan zie ik geene reden waarom wij zouden scheiden, of gij moest dat willen.”„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat is een voorstel, waarin ik uwe gewone manier van handelen herken; en als de positie, die ik aan het kantoor zal verkrijgen, zoodanig is, dat ik die kan aannemen zonder tot een lager trap in de maatschappij te dalen...”„O, dat spreekt vanzelf,” zeide Bounderby. „Als het zoo niet was, juffrouw, denkt gij dan dat ik ze zou aanbieden aan eene dame, die in de kringen heeft verkeerd, waarin gij verkeerd hebt? Niet datikom zulke kringen geef, dat weet gij. Maar gij doet het wel.”„Ge zijt zeer beleefd, mijnheer Bounderby.”„Gij zult uwe eigene kamers hebben, en uwe steenkolen en kaarsen en dat alles, en gij zult eene meid hebben om u te bedienen, en een kantoorknecht, die in huis slaapt tot uwe veiligheid, en gij zult een leventje hebben, dat ik zoo vrij ben voor een heerlijk, gemakkelijk leventje te houden,” zeide Bounderby.„Zeg niets meer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Als ik mijn post hier verlaat, zal ik niet bevrijd zijn van de noodzakelijkheid om het brood der afhankelijkheid te eten;” zij had wel mogen zeggen debestellender afhankelijkheid,want dat fijne gebak met eene lekkere bruine saus was haar geliefkoosd avondmaal; „en ik wilde dat liever uit uwe hand ontvangen, dan uit eene andere. Ik neem dus uw aanbod met dankbaarheid aan, mijnheer, en betuig u mijne oprechte erkentelijkheid voor uwe vroegere gunsten. En ik hoop, mijnheer,” zoo besloot zij op een deftig medelijdenden toon, „ik hoop hartelijk, dat Miss Gradgrind alles mag wezen wat gij verwacht en verdient!”Niets was verder in staat om mevrouw Sparsit uit deze stemming te brengen. Het was vruchteloos, dat mijnheer Bounderby snoefde of zich op zijne opvliegende manier liet gelden; mevrouw Sparsit had zich voorgenomen medelijden met hem te hebben als een ongelukkig slachtoffer. Zij was beleefd, oplettend, opgeruimd en gemoedelijk; maar hoe beleefder, oplettender, opgeruimder en gemoedelijker zij was, des te ongelukkiger slachtoffer was hij. Zij had zulk een teeder medelijden met zijn droevig lot, dat zijn groot rood gezicht in een koud zweet uitbrak als zij hem maar aanzag.Intusschen werd er bepaald, dat het huwelijk over acht weken zou worden voltrokken, en elken avond ging mijnheer Bounderby als erkend minnaar naarStone Lodge. Zijne vrijage had den vorm van braceletten, en nam gedurende de bruidsdagen bij alle gelegenheden een fabriekmatig voorkomen aan. Er werden kleedjes gefabriceerd, kleinooden gefabriceerd, taarten en handschoenen gefabriceerd, huwelijksvoorwaarden gefabriceerd—een geheel assortiment van feiten deed het contract eene gepaste eer aan. De zaak was geheelprozaïschvan het begin tot het einde. De uren maakten geen van die rooskleurige kunstjes, welke dwaze poëten hun in zulke dagen hebben toegeschreven; en de klokken liepen, ook niet sneller of langzamer dan in ieder ander tijdperk.De statistieke tijdmeter in het observatorium van mijnheer Gradgrind bleef elke seconde, die geboren werd, met zijne gewone regelmatigheid op den kop tikken en begraven.Zoo kwam de dag, gelijk alle andere dagen komen voor menschen, die zich maar bij het gezond, verstand houden; en toen hij kwam, werden in de kerk met de geornamenteerde houten beenen Josiah BounderbyEsquirevanCoketown, en Louisa, oudste dochter van Thomas GradgrindEsquirevanStone Lodge, lid van het Parlement voor genoemde stad, met elkander getrouwd. En toen zij in den heiligen echt vereenigd waren, begaven zij zich naarStone Lodgeom te ontbijten.Er was bij die heilspellende gelegenheid een gezelschap van wel onderwezen lieden verzameld, die wisten waarvan alles wat zij te eten en te drinken kregen gemaakt was, en hoe het ingevoerd of uitgevoerd werd, in welke hoeveelheden én welke bodems, en of het inlandsch of buitenlandsch product was, en zoo voorts. De speelnootjes der bruid, zelfs tot aan de kleine Jane Gradgrind toe, hadden gevoeglijk met den vermaarden kleinen rekenmeester, die een jeugdig wonder van aangeboren rekentalent was, gepaard kunnen worden; en niemand van het gezelschap had eenige malligheid over zich.Na het déjeuné sprak de bruidegom de gasten met de volgende woorden aan:„Heeren en dames, ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Daar gij mijne vrouw en mij de eer hebt bewezen van op onze gezondheid en geluk te drinken, vermeen ik u daarvoor te moeten dankzeggen; hoewel gij, die mij allen kent en weet wie ik ben, geene mooie redevoering zult verwachten van een man die, als hij een paal ziet, zegt: „dat is een paal,” en als hij eene pomp ziet, zegt: „dat is eene pomp,” en er niet toe te krijgen is om den paal eene pomp of de pomp een paal, of een van beide een tandenstoker te noemen. Als gij van morgen eene redevoering wilt hebben, mijn vriend en schoonvader, Tom Gradgrind, is lid van het Parlement, en dus weet gij waar gij terecht kunt komen. Ik ben uw man niet. Evenwel, als ik mij eenigszins onafhankelijk gevoel, wanneer ik vandaag deze tafel rondzie, en bedenk hoe weinig ik er aan dacht om Tom Gradgrind’s dochter te trouwen, toen ik nog een havelooze straatjongen was, die nooit zijn gezicht waschte of het was op straat aan eene pomp, en dat niet meer dan eens om de veertien dagen, hoop ik dat men mij verontschuldigen zal. Ik hoop dus dat het u niet mishaagt, dat ik mij onafhankelijk gevoel; zoo ja, dan kan ik het niet helpen. Ik gevoel mij toch onafhankelijk. Nu heb ik er van gesproken, en gij hebt er van gesproken, dat ik vandaag met Tom Gradgrind’s dochter ben getrouwd. Ik ben zeer blij, dat het zoo is. Het is lang mijn wensch geweest dat het eens zoo wezen zou. Ik heb hare opvoeding gadegeslagen, en ik geloof, dat zij mijner waardig is. Tegelijkertijd—om er maar geen doekjes om te winden—geloof ik, dat ook ik harer waardig ben. Ik dank u dus in ons beider naam voor de welwillendheid, die gij ons bewezen hebt, en de beste wensch, dien ik voor het ongetrouwde gedeelte van het aanwezige gezelschap kan uitbrengen, is deze: ik hoop, dat ieder ongetrouwd vrijer zulk eene goede vrouw mag vinden als ik gevonden heb. En ik hoop, dat elke ongetrouwde vrijster zulk een goed man mag vinden als mijne vrouw heeft gevonden.”Kort na deze redevoering—want men zou een bruiloftstoertje naarLyonsdoen, dewijl mijnheer Bounderby de gelegenheid wilde waarnemen, om te zien hoe de fabrieksarbeiders het in die streken maakten, en of zij ook met gouden lepels wilden gevoerd worden—begaf het gelukkige paar zich naar den spoorweg. Toende bruid, voor de reis gekleed, de trap afkwam, vond zij Tom naar haar staan wachten, met een gloeiend rood gezicht, hetzij van aandoening of van den wijn, dien hij onder het déjeuné had gedronken.„Welk eene cordate meid zijt ge toch, en welk eene allerbeste zuster, Louisa!” fluisterde Tom.Zij sloot hem in hare armen, gelijk zij dien dag een wezen van veel beter aard in hare armen had moeten sluiten, en voor de eerste maal scheen hare strakke bedaardheid eenigszins geschokt te worden.„Oude Bounderby is al klaar,” zeide Tom. „Het is tijd. Goedendag. Ik zal naar u staan uitkijken, als ge terugkomt. Zeg eens, lieve Louisa, is dat nu niet razend prettig!”

XVI.MAN EN VROUW.

De eerste ongerustheid, die mijnheer Bounderby kwelde, nadat hij zijn geluk had vernomen, was de noodzakelijkheid om dit geluk aan mevrouw Sparsit mede te deelen. Hij kon het met zich zelven niet eens worden hoe hij dit zou doen en welke gevolgen die stap zou kunnen hebben. Of zij oogenblikkelijk met pak en zak zou opbreken en naar Lady Scadgers gaan, of dat zij hardnekkig weigeren zou het huis te verlaten; of zij zou jammeren en schelden, schreien of uitvaren; of het haar het hart zou breken, dan of zij den spiegel zou stuk slaan; mijnheer Bounderby was niet in staat om er iets van te berekenen. Evenwel, daar het moest gedaan worden, bleef hem geene andere keus dan het maar te doen: en nadat hij verscheidene malen had beproefd een brief te schrijven en dit hem telkens mislukt was, besloot hij het mondeling te wagen.Onderweg naar huis, op den avond die tot dat gewichtig doel was uitgekozen, nam hij de voorzorg van bij een apotheker aan te gaan en een fleschje allersterkste spiritus te koopen. „Waarachtig,” dacht mijnheer Bounderby, „als zij aan het flauwvallen verkiest te gaan, zal ik haar toch het vel van den neus branden.” Doch, niettegenstaande hij zich aldus had gewapend, trad hij met eene alles behalve moedige houding zijn huis binnen, en verscheen voor het voorwerp van zijn vreesachtig wantrouwen met het voorkomen van een hond, die bewust is dat hij zoo pas uit de etenskast komt.„Goedenavond, mijnheer Bounderby.”„Goedenavond, juffrouw, goedenavond.”Hij schoof zijn stoel bij, en mevrouw Sparsit schoof den haren achteruit, als wilde zij zeggen: „Het is uw haard, mijnheer. Dat geef ik gewillig toe. Gij kunt hem geheel in beslag nemen, als het u zoo belieft.”„Verhuis maar niet naar de noordpool, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby.„Wel verplicht, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schoof weder bij, hoewel niet zoo dicht als te voren.Mijnheer Bounderby bleef naar haar zitten kijken, terwijl zij met de punt eener scherpe, spitse schaar gaatjes in een lap kamerdoek stak, die op eene of andere onverklaarbare manier tot sieraad moest dienen; een werk, dat met de donkere oogen en den arendsneus in verband gebracht, aan een havik deed denken, die een klein vogeltje de oogen uitpikte. Zij vestigde zoozeer hare aandacht op deze bezigheid, dat er vele minuten verliepen eer zij van haar werk opkeek; toen zij dit eindelijk deed, verzocht mijnheer Bounderby, met eene zenuwachtige beweging van zijn hoofd, om hare opmerkzaamheid.„Mevrouw Sparsit,” zeide mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende, en zich met zijne rechterhand verzekerende of de kurk van het fleschje gemakkelijk losging. „Ik behoef u niet te zeggen, dat gij niet alleen eene geborene dame, maar ook eene drommels verstandige vrouw zijt.”„Mijnheer,” antwoordde de dame, „het is waarlijk de eerste maal niet, dat ge mij met dergelijke uitdrukkingen van uwe goede meening hebt vereerd.”„Mevrouw Sparsit,” hervatte mijnheer Bounderby. „Ik zal u eens doen verbazen.”„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit vragenderwijs en op den bedaardst mogelijken toon. Zij droeg gewoonlijk mofjes, en legde nu haar werk neer en streek die mofjes glad.„Juffrouw,” vervolgde mijnheer Bounderby, „ik zal met Tom Gradgrind’s dochter gaan trouwen.”„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit. „Dan hoop ik dat gij gelukkig zult wezen. Waarlijk, ik hoop, dat gij gelukkig zult wezen, mijnheer!” Zij zeide dit met zooveel nederbuigende goedheid en zooveel medelijden voor hem, dat mijnheer Bounderby—veel meer ontsteld, dan wanneer zij haar werkdoosje naar den spiegel had gesmeten, of op het haardkleedje was flauw gevallen—de kurk van het fleschje in zijn zak stijf vastduwde en dacht:„Dat drommelsche wijf! Wie zou gedacht hebben, dat zij het zóó zou opnemen?”„Ik wensch met al mijn hart, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, op een toon van hooge meerderheid (want zij scheen, hoe dan ook, in een oogenblik het recht te hebben verkregen om hem voortaan ten diepste te beklagen), „dat gij in alle opzichten zeer gelukkig zult zijn.”„Wel, juffrouw,” antwoordde mijnheer Bounderby, met zekere geraaktheid in zijn toon, die echter, hoewel zijns ondanks, aanmerkelijk lager werd; „ik ben u zeer verplicht. Ik hoop het ook.”„Doet ge, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met buitengemeene vriendelijkheid. „Maar dat is natuurlijk. Het spreekt vanzelf, dat gij het doet.”Er volgde eene stilte, die voor mijnheer Bounderby zeer lastig was. Mevrouw Sparsit nam zeer bedaard haar werk weder op en liet nu en dan een kuchje hooren, waaruit de bewustheid van overmacht en goedertierenheid scheen te klinken.„Wel, juffrouw,” hervatte mijnheer Bounderby, „onder deze omstandigheden verbeeld ik mij, dat het voor iemand van uw karakter niet aangenaam zou zijn om hier in huis te blijven, hoewel gij hier zeer welkom zoudt zijn.”„O Heere, neen, mijnheer, daaraan zou ik nooit kunnen denken!”Mevrouw Sparsit schudde zeer deftig haar hoofd en veranderde het kuchje een weinig—nu zóó kuchende alsof de geest der profetie in haar opsteeg, maar liever gesmoord moest worden.„Evenwel, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby, „er zijn aan het kantoor nog kamers open. Eene geborene dame daar tot huishoudster te hebben, zou eene soort van recommandatie zijn; en als dezelfde condities...”„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Gij zijt zoo goed geweest mij te beloven, dat gij altijd de uitdrukking van jaarlijksch compliment zoudt bezigen.”„Welnu dan, juffrouw, jaarlijksch compliment. Als hetzelfde jaarlijksche compliment u voldoende mocht zijn, dan zie ik geene reden waarom wij zouden scheiden, of gij moest dat willen.”„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat is een voorstel, waarin ik uwe gewone manier van handelen herken; en als de positie, die ik aan het kantoor zal verkrijgen, zoodanig is, dat ik die kan aannemen zonder tot een lager trap in de maatschappij te dalen...”„O, dat spreekt vanzelf,” zeide Bounderby. „Als het zoo niet was, juffrouw, denkt gij dan dat ik ze zou aanbieden aan eene dame, die in de kringen heeft verkeerd, waarin gij verkeerd hebt? Niet datikom zulke kringen geef, dat weet gij. Maar gij doet het wel.”„Ge zijt zeer beleefd, mijnheer Bounderby.”„Gij zult uwe eigene kamers hebben, en uwe steenkolen en kaarsen en dat alles, en gij zult eene meid hebben om u te bedienen, en een kantoorknecht, die in huis slaapt tot uwe veiligheid, en gij zult een leventje hebben, dat ik zoo vrij ben voor een heerlijk, gemakkelijk leventje te houden,” zeide Bounderby.„Zeg niets meer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Als ik mijn post hier verlaat, zal ik niet bevrijd zijn van de noodzakelijkheid om het brood der afhankelijkheid te eten;” zij had wel mogen zeggen debestellender afhankelijkheid,want dat fijne gebak met eene lekkere bruine saus was haar geliefkoosd avondmaal; „en ik wilde dat liever uit uwe hand ontvangen, dan uit eene andere. Ik neem dus uw aanbod met dankbaarheid aan, mijnheer, en betuig u mijne oprechte erkentelijkheid voor uwe vroegere gunsten. En ik hoop, mijnheer,” zoo besloot zij op een deftig medelijdenden toon, „ik hoop hartelijk, dat Miss Gradgrind alles mag wezen wat gij verwacht en verdient!”Niets was verder in staat om mevrouw Sparsit uit deze stemming te brengen. Het was vruchteloos, dat mijnheer Bounderby snoefde of zich op zijne opvliegende manier liet gelden; mevrouw Sparsit had zich voorgenomen medelijden met hem te hebben als een ongelukkig slachtoffer. Zij was beleefd, oplettend, opgeruimd en gemoedelijk; maar hoe beleefder, oplettender, opgeruimder en gemoedelijker zij was, des te ongelukkiger slachtoffer was hij. Zij had zulk een teeder medelijden met zijn droevig lot, dat zijn groot rood gezicht in een koud zweet uitbrak als zij hem maar aanzag.Intusschen werd er bepaald, dat het huwelijk over acht weken zou worden voltrokken, en elken avond ging mijnheer Bounderby als erkend minnaar naarStone Lodge. Zijne vrijage had den vorm van braceletten, en nam gedurende de bruidsdagen bij alle gelegenheden een fabriekmatig voorkomen aan. Er werden kleedjes gefabriceerd, kleinooden gefabriceerd, taarten en handschoenen gefabriceerd, huwelijksvoorwaarden gefabriceerd—een geheel assortiment van feiten deed het contract eene gepaste eer aan. De zaak was geheelprozaïschvan het begin tot het einde. De uren maakten geen van die rooskleurige kunstjes, welke dwaze poëten hun in zulke dagen hebben toegeschreven; en de klokken liepen, ook niet sneller of langzamer dan in ieder ander tijdperk.De statistieke tijdmeter in het observatorium van mijnheer Gradgrind bleef elke seconde, die geboren werd, met zijne gewone regelmatigheid op den kop tikken en begraven.Zoo kwam de dag, gelijk alle andere dagen komen voor menschen, die zich maar bij het gezond, verstand houden; en toen hij kwam, werden in de kerk met de geornamenteerde houten beenen Josiah BounderbyEsquirevanCoketown, en Louisa, oudste dochter van Thomas GradgrindEsquirevanStone Lodge, lid van het Parlement voor genoemde stad, met elkander getrouwd. En toen zij in den heiligen echt vereenigd waren, begaven zij zich naarStone Lodgeom te ontbijten.Er was bij die heilspellende gelegenheid een gezelschap van wel onderwezen lieden verzameld, die wisten waarvan alles wat zij te eten en te drinken kregen gemaakt was, en hoe het ingevoerd of uitgevoerd werd, in welke hoeveelheden én welke bodems, en of het inlandsch of buitenlandsch product was, en zoo voorts. De speelnootjes der bruid, zelfs tot aan de kleine Jane Gradgrind toe, hadden gevoeglijk met den vermaarden kleinen rekenmeester, die een jeugdig wonder van aangeboren rekentalent was, gepaard kunnen worden; en niemand van het gezelschap had eenige malligheid over zich.Na het déjeuné sprak de bruidegom de gasten met de volgende woorden aan:„Heeren en dames, ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Daar gij mijne vrouw en mij de eer hebt bewezen van op onze gezondheid en geluk te drinken, vermeen ik u daarvoor te moeten dankzeggen; hoewel gij, die mij allen kent en weet wie ik ben, geene mooie redevoering zult verwachten van een man die, als hij een paal ziet, zegt: „dat is een paal,” en als hij eene pomp ziet, zegt: „dat is eene pomp,” en er niet toe te krijgen is om den paal eene pomp of de pomp een paal, of een van beide een tandenstoker te noemen. Als gij van morgen eene redevoering wilt hebben, mijn vriend en schoonvader, Tom Gradgrind, is lid van het Parlement, en dus weet gij waar gij terecht kunt komen. Ik ben uw man niet. Evenwel, als ik mij eenigszins onafhankelijk gevoel, wanneer ik vandaag deze tafel rondzie, en bedenk hoe weinig ik er aan dacht om Tom Gradgrind’s dochter te trouwen, toen ik nog een havelooze straatjongen was, die nooit zijn gezicht waschte of het was op straat aan eene pomp, en dat niet meer dan eens om de veertien dagen, hoop ik dat men mij verontschuldigen zal. Ik hoop dus dat het u niet mishaagt, dat ik mij onafhankelijk gevoel; zoo ja, dan kan ik het niet helpen. Ik gevoel mij toch onafhankelijk. Nu heb ik er van gesproken, en gij hebt er van gesproken, dat ik vandaag met Tom Gradgrind’s dochter ben getrouwd. Ik ben zeer blij, dat het zoo is. Het is lang mijn wensch geweest dat het eens zoo wezen zou. Ik heb hare opvoeding gadegeslagen, en ik geloof, dat zij mijner waardig is. Tegelijkertijd—om er maar geen doekjes om te winden—geloof ik, dat ook ik harer waardig ben. Ik dank u dus in ons beider naam voor de welwillendheid, die gij ons bewezen hebt, en de beste wensch, dien ik voor het ongetrouwde gedeelte van het aanwezige gezelschap kan uitbrengen, is deze: ik hoop, dat ieder ongetrouwd vrijer zulk eene goede vrouw mag vinden als ik gevonden heb. En ik hoop, dat elke ongetrouwde vrijster zulk een goed man mag vinden als mijne vrouw heeft gevonden.”Kort na deze redevoering—want men zou een bruiloftstoertje naarLyonsdoen, dewijl mijnheer Bounderby de gelegenheid wilde waarnemen, om te zien hoe de fabrieksarbeiders het in die streken maakten, en of zij ook met gouden lepels wilden gevoerd worden—begaf het gelukkige paar zich naar den spoorweg. Toende bruid, voor de reis gekleed, de trap afkwam, vond zij Tom naar haar staan wachten, met een gloeiend rood gezicht, hetzij van aandoening of van den wijn, dien hij onder het déjeuné had gedronken.„Welk eene cordate meid zijt ge toch, en welk eene allerbeste zuster, Louisa!” fluisterde Tom.Zij sloot hem in hare armen, gelijk zij dien dag een wezen van veel beter aard in hare armen had moeten sluiten, en voor de eerste maal scheen hare strakke bedaardheid eenigszins geschokt te worden.„Oude Bounderby is al klaar,” zeide Tom. „Het is tijd. Goedendag. Ik zal naar u staan uitkijken, als ge terugkomt. Zeg eens, lieve Louisa, is dat nu niet razend prettig!”

De eerste ongerustheid, die mijnheer Bounderby kwelde, nadat hij zijn geluk had vernomen, was de noodzakelijkheid om dit geluk aan mevrouw Sparsit mede te deelen. Hij kon het met zich zelven niet eens worden hoe hij dit zou doen en welke gevolgen die stap zou kunnen hebben. Of zij oogenblikkelijk met pak en zak zou opbreken en naar Lady Scadgers gaan, of dat zij hardnekkig weigeren zou het huis te verlaten; of zij zou jammeren en schelden, schreien of uitvaren; of het haar het hart zou breken, dan of zij den spiegel zou stuk slaan; mijnheer Bounderby was niet in staat om er iets van te berekenen. Evenwel, daar het moest gedaan worden, bleef hem geene andere keus dan het maar te doen: en nadat hij verscheidene malen had beproefd een brief te schrijven en dit hem telkens mislukt was, besloot hij het mondeling te wagen.

Onderweg naar huis, op den avond die tot dat gewichtig doel was uitgekozen, nam hij de voorzorg van bij een apotheker aan te gaan en een fleschje allersterkste spiritus te koopen. „Waarachtig,” dacht mijnheer Bounderby, „als zij aan het flauwvallen verkiest te gaan, zal ik haar toch het vel van den neus branden.” Doch, niettegenstaande hij zich aldus had gewapend, trad hij met eene alles behalve moedige houding zijn huis binnen, en verscheen voor het voorwerp van zijn vreesachtig wantrouwen met het voorkomen van een hond, die bewust is dat hij zoo pas uit de etenskast komt.

„Goedenavond, mijnheer Bounderby.”

„Goedenavond, juffrouw, goedenavond.”

Hij schoof zijn stoel bij, en mevrouw Sparsit schoof den haren achteruit, als wilde zij zeggen: „Het is uw haard, mijnheer. Dat geef ik gewillig toe. Gij kunt hem geheel in beslag nemen, als het u zoo belieft.”

„Verhuis maar niet naar de noordpool, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby.

„Wel verplicht, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schoof weder bij, hoewel niet zoo dicht als te voren.

Mijnheer Bounderby bleef naar haar zitten kijken, terwijl zij met de punt eener scherpe, spitse schaar gaatjes in een lap kamerdoek stak, die op eene of andere onverklaarbare manier tot sieraad moest dienen; een werk, dat met de donkere oogen en den arendsneus in verband gebracht, aan een havik deed denken, die een klein vogeltje de oogen uitpikte. Zij vestigde zoozeer hare aandacht op deze bezigheid, dat er vele minuten verliepen eer zij van haar werk opkeek; toen zij dit eindelijk deed, verzocht mijnheer Bounderby, met eene zenuwachtige beweging van zijn hoofd, om hare opmerkzaamheid.

„Mevrouw Sparsit,” zeide mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende, en zich met zijne rechterhand verzekerende of de kurk van het fleschje gemakkelijk losging. „Ik behoef u niet te zeggen, dat gij niet alleen eene geborene dame, maar ook eene drommels verstandige vrouw zijt.”

„Mijnheer,” antwoordde de dame, „het is waarlijk de eerste maal niet, dat ge mij met dergelijke uitdrukkingen van uwe goede meening hebt vereerd.”

„Mevrouw Sparsit,” hervatte mijnheer Bounderby. „Ik zal u eens doen verbazen.”

„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit vragenderwijs en op den bedaardst mogelijken toon. Zij droeg gewoonlijk mofjes, en legde nu haar werk neer en streek die mofjes glad.

„Juffrouw,” vervolgde mijnheer Bounderby, „ik zal met Tom Gradgrind’s dochter gaan trouwen.”

„Zoo, mijnheer?” antwoordde mevrouw Sparsit. „Dan hoop ik dat gij gelukkig zult wezen. Waarlijk, ik hoop, dat gij gelukkig zult wezen, mijnheer!” Zij zeide dit met zooveel nederbuigende goedheid en zooveel medelijden voor hem, dat mijnheer Bounderby—veel meer ontsteld, dan wanneer zij haar werkdoosje naar den spiegel had gesmeten, of op het haardkleedje was flauw gevallen—de kurk van het fleschje in zijn zak stijf vastduwde en dacht:

„Dat drommelsche wijf! Wie zou gedacht hebben, dat zij het zóó zou opnemen?”

„Ik wensch met al mijn hart, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, op een toon van hooge meerderheid (want zij scheen, hoe dan ook, in een oogenblik het recht te hebben verkregen om hem voortaan ten diepste te beklagen), „dat gij in alle opzichten zeer gelukkig zult zijn.”

„Wel, juffrouw,” antwoordde mijnheer Bounderby, met zekere geraaktheid in zijn toon, die echter, hoewel zijns ondanks, aanmerkelijk lager werd; „ik ben u zeer verplicht. Ik hoop het ook.”

„Doet ge, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit met buitengemeene vriendelijkheid. „Maar dat is natuurlijk. Het spreekt vanzelf, dat gij het doet.”

Er volgde eene stilte, die voor mijnheer Bounderby zeer lastig was. Mevrouw Sparsit nam zeer bedaard haar werk weder op en liet nu en dan een kuchje hooren, waaruit de bewustheid van overmacht en goedertierenheid scheen te klinken.

„Wel, juffrouw,” hervatte mijnheer Bounderby, „onder deze omstandigheden verbeeld ik mij, dat het voor iemand van uw karakter niet aangenaam zou zijn om hier in huis te blijven, hoewel gij hier zeer welkom zoudt zijn.”

„O Heere, neen, mijnheer, daaraan zou ik nooit kunnen denken!”

Mevrouw Sparsit schudde zeer deftig haar hoofd en veranderde het kuchje een weinig—nu zóó kuchende alsof de geest der profetie in haar opsteeg, maar liever gesmoord moest worden.

„Evenwel, juffrouw,” zeide mijnheer Bounderby, „er zijn aan het kantoor nog kamers open. Eene geborene dame daar tot huishoudster te hebben, zou eene soort van recommandatie zijn; en als dezelfde condities...”

„Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Gij zijt zoo goed geweest mij te beloven, dat gij altijd de uitdrukking van jaarlijksch compliment zoudt bezigen.”

„Welnu dan, juffrouw, jaarlijksch compliment. Als hetzelfde jaarlijksche compliment u voldoende mocht zijn, dan zie ik geene reden waarom wij zouden scheiden, of gij moest dat willen.”

„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „dat is een voorstel, waarin ik uwe gewone manier van handelen herken; en als de positie, die ik aan het kantoor zal verkrijgen, zoodanig is, dat ik die kan aannemen zonder tot een lager trap in de maatschappij te dalen...”

„O, dat spreekt vanzelf,” zeide Bounderby. „Als het zoo niet was, juffrouw, denkt gij dan dat ik ze zou aanbieden aan eene dame, die in de kringen heeft verkeerd, waarin gij verkeerd hebt? Niet datikom zulke kringen geef, dat weet gij. Maar gij doet het wel.”

„Ge zijt zeer beleefd, mijnheer Bounderby.”

„Gij zult uwe eigene kamers hebben, en uwe steenkolen en kaarsen en dat alles, en gij zult eene meid hebben om u te bedienen, en een kantoorknecht, die in huis slaapt tot uwe veiligheid, en gij zult een leventje hebben, dat ik zoo vrij ben voor een heerlijk, gemakkelijk leventje te houden,” zeide Bounderby.

„Zeg niets meer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Als ik mijn post hier verlaat, zal ik niet bevrijd zijn van de noodzakelijkheid om het brood der afhankelijkheid te eten;” zij had wel mogen zeggen debestellender afhankelijkheid,want dat fijne gebak met eene lekkere bruine saus was haar geliefkoosd avondmaal; „en ik wilde dat liever uit uwe hand ontvangen, dan uit eene andere. Ik neem dus uw aanbod met dankbaarheid aan, mijnheer, en betuig u mijne oprechte erkentelijkheid voor uwe vroegere gunsten. En ik hoop, mijnheer,” zoo besloot zij op een deftig medelijdenden toon, „ik hoop hartelijk, dat Miss Gradgrind alles mag wezen wat gij verwacht en verdient!”

Niets was verder in staat om mevrouw Sparsit uit deze stemming te brengen. Het was vruchteloos, dat mijnheer Bounderby snoefde of zich op zijne opvliegende manier liet gelden; mevrouw Sparsit had zich voorgenomen medelijden met hem te hebben als een ongelukkig slachtoffer. Zij was beleefd, oplettend, opgeruimd en gemoedelijk; maar hoe beleefder, oplettender, opgeruimder en gemoedelijker zij was, des te ongelukkiger slachtoffer was hij. Zij had zulk een teeder medelijden met zijn droevig lot, dat zijn groot rood gezicht in een koud zweet uitbrak als zij hem maar aanzag.

Intusschen werd er bepaald, dat het huwelijk over acht weken zou worden voltrokken, en elken avond ging mijnheer Bounderby als erkend minnaar naarStone Lodge. Zijne vrijage had den vorm van braceletten, en nam gedurende de bruidsdagen bij alle gelegenheden een fabriekmatig voorkomen aan. Er werden kleedjes gefabriceerd, kleinooden gefabriceerd, taarten en handschoenen gefabriceerd, huwelijksvoorwaarden gefabriceerd—een geheel assortiment van feiten deed het contract eene gepaste eer aan. De zaak was geheelprozaïschvan het begin tot het einde. De uren maakten geen van die rooskleurige kunstjes, welke dwaze poëten hun in zulke dagen hebben toegeschreven; en de klokken liepen, ook niet sneller of langzamer dan in ieder ander tijdperk.De statistieke tijdmeter in het observatorium van mijnheer Gradgrind bleef elke seconde, die geboren werd, met zijne gewone regelmatigheid op den kop tikken en begraven.

Zoo kwam de dag, gelijk alle andere dagen komen voor menschen, die zich maar bij het gezond, verstand houden; en toen hij kwam, werden in de kerk met de geornamenteerde houten beenen Josiah BounderbyEsquirevanCoketown, en Louisa, oudste dochter van Thomas GradgrindEsquirevanStone Lodge, lid van het Parlement voor genoemde stad, met elkander getrouwd. En toen zij in den heiligen echt vereenigd waren, begaven zij zich naarStone Lodgeom te ontbijten.

Er was bij die heilspellende gelegenheid een gezelschap van wel onderwezen lieden verzameld, die wisten waarvan alles wat zij te eten en te drinken kregen gemaakt was, en hoe het ingevoerd of uitgevoerd werd, in welke hoeveelheden én welke bodems, en of het inlandsch of buitenlandsch product was, en zoo voorts. De speelnootjes der bruid, zelfs tot aan de kleine Jane Gradgrind toe, hadden gevoeglijk met den vermaarden kleinen rekenmeester, die een jeugdig wonder van aangeboren rekentalent was, gepaard kunnen worden; en niemand van het gezelschap had eenige malligheid over zich.

Na het déjeuné sprak de bruidegom de gasten met de volgende woorden aan:

„Heeren en dames, ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Daar gij mijne vrouw en mij de eer hebt bewezen van op onze gezondheid en geluk te drinken, vermeen ik u daarvoor te moeten dankzeggen; hoewel gij, die mij allen kent en weet wie ik ben, geene mooie redevoering zult verwachten van een man die, als hij een paal ziet, zegt: „dat is een paal,” en als hij eene pomp ziet, zegt: „dat is eene pomp,” en er niet toe te krijgen is om den paal eene pomp of de pomp een paal, of een van beide een tandenstoker te noemen. Als gij van morgen eene redevoering wilt hebben, mijn vriend en schoonvader, Tom Gradgrind, is lid van het Parlement, en dus weet gij waar gij terecht kunt komen. Ik ben uw man niet. Evenwel, als ik mij eenigszins onafhankelijk gevoel, wanneer ik vandaag deze tafel rondzie, en bedenk hoe weinig ik er aan dacht om Tom Gradgrind’s dochter te trouwen, toen ik nog een havelooze straatjongen was, die nooit zijn gezicht waschte of het was op straat aan eene pomp, en dat niet meer dan eens om de veertien dagen, hoop ik dat men mij verontschuldigen zal. Ik hoop dus dat het u niet mishaagt, dat ik mij onafhankelijk gevoel; zoo ja, dan kan ik het niet helpen. Ik gevoel mij toch onafhankelijk. Nu heb ik er van gesproken, en gij hebt er van gesproken, dat ik vandaag met Tom Gradgrind’s dochter ben getrouwd. Ik ben zeer blij, dat het zoo is. Het is lang mijn wensch geweest dat het eens zoo wezen zou. Ik heb hare opvoeding gadegeslagen, en ik geloof, dat zij mijner waardig is. Tegelijkertijd—om er maar geen doekjes om te winden—geloof ik, dat ook ik harer waardig ben. Ik dank u dus in ons beider naam voor de welwillendheid, die gij ons bewezen hebt, en de beste wensch, dien ik voor het ongetrouwde gedeelte van het aanwezige gezelschap kan uitbrengen, is deze: ik hoop, dat ieder ongetrouwd vrijer zulk eene goede vrouw mag vinden als ik gevonden heb. En ik hoop, dat elke ongetrouwde vrijster zulk een goed man mag vinden als mijne vrouw heeft gevonden.”

Kort na deze redevoering—want men zou een bruiloftstoertje naarLyonsdoen, dewijl mijnheer Bounderby de gelegenheid wilde waarnemen, om te zien hoe de fabrieksarbeiders het in die streken maakten, en of zij ook met gouden lepels wilden gevoerd worden—begaf het gelukkige paar zich naar den spoorweg. Toende bruid, voor de reis gekleed, de trap afkwam, vond zij Tom naar haar staan wachten, met een gloeiend rood gezicht, hetzij van aandoening of van den wijn, dien hij onder het déjeuné had gedronken.

„Welk eene cordate meid zijt ge toch, en welk eene allerbeste zuster, Louisa!” fluisterde Tom.

Zij sloot hem in hare armen, gelijk zij dien dag een wezen van veel beter aard in hare armen had moeten sluiten, en voor de eerste maal scheen hare strakke bedaardheid eenigszins geschokt te worden.

„Oude Bounderby is al klaar,” zeide Tom. „Het is tijd. Goedendag. Ik zal naar u staan uitkijken, als ge terugkomt. Zeg eens, lieve Louisa, is dat nu niet razend prettig!”


Back to IndexNext