XXI.

XXI.MANNEN EN MEESTERS.„Wel, Stephen,” zeide Bounderby op zijne winderige manier, „wat heb ik gehoord? Wat hebben die pesten der maatschappij met u gedaan? Kom binnen en spreek op.”Het was het salon, waar hij dus verzocht werd binnen te treden. De theetafel stond gereed, en mijnheer Bounderby’s jeugdige vrouw, en haar broeder, en een groot heer uitLondenwaren aanwezig. Voor al deze personen maakte Stephen eene buiging, sloot de deur en bleef met den hoed in de hand daarbij staan.„Dit is de man, van wien ik u zoo even gesproken heb, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby.De heer, tot wien hij het woord richtte en die met mevrouw Bounderby op de sofa zat te praten, stond op, zeide op een slependen toon: „Ei zoo!” en kuierde onverschillig en dralend naar het haardkleedje, waar mijnheer Bounderby stond.„Komaan,” zeide Bounderby, „spreek nu maar op.”Na de vier verloopene dagen klonk deze toespraak Stephen rauw en wanluidend in de ooren. Behalve dat zijn gewond gemoed daardoor onzacht werd aangetast, scheen men ook te onderstellen, dat hij werkelijk uit eigenbelang zijne makkers had verlaten, gelijk men hem verweten had.„Wat was het, mijnheer,” zeide Stephen, „dat het u beliefde van mij te willen hebben?”„Wel, dat heb ik u gezegd,” antwoordde Bounderby. „Spreek op als een man, daar gij een man zijt, en vertel ons van u zelven en die combinatie.”„Met uw believen, mijnheer,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb er niets van te zeggen.”Mijnheer Bounderby, die altijd meer of min naar den wind geleek en nu iets in zijn weg vond staan, begon er terstond tegen te blazen.„Zie nu eens hier, Harthouse,” zeide hij, „daar hebt gij nu een van hen. Toen deze man vroeger eens hier was, heb ik hem gewaarschuwd voor de kwaadwillige vreemdelingen, die altijd rondloopen—en die, waar men ze vond, behoorden opgehangen te worden—en ik heb dien man toen gezegd, dat hij een verkeerden weg opging. Zoudt gij het nu gelooven, dat hij, hoewel zij hem zoo geteekend hebben, nog zulk een slaaf van hen is, dat hij bang is om zijn mond over hen open te doen!”„Ik heb gezegd, dat ik niets te zeggen had, mijnheer; niet dat ik bang was om mijn mond open te doen.”„Zegt gij zoo? Ja, ik weet wel wat gij gezegd hebt, en nog meer; ik weet ook wat gijmeent, begrijpt ge! Dat is waarachtig niet altijd hetzelfde. Dikwijls geheel iets anders. Gij moest ons liever maar zeggen, dat die kerel, Slackbridge, niet in de stad is om het werkvolk tot muiterij op te stoken; en dat hij geen volksleider van de echte soort, dat wil zeggen een doortrapte schobbejak is. Gij moest ons dat liever maar dadelijk zeggen; gij kunt mij toch niet bedriegen. Gij wilt ons dat immers zeggen? Waarom doet gij het dan niet?”„Het spijt mij evenzeer als u, mijnheer, als het volk slechte leidslieden heeft,” antwoordde Stephen, zijn hoofd schuddende. „Zij nemen maar degenen, die zich voordoen. Misschien is het niet het kleinste van hunne ongelukken, dat zij geen betere kunnen krijgen.”De wind begon onstuimig te worden.„Gij vindt dit zeker al tamelijk wel, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby; „gij vindt dit zeker al vrij sterk. Gij zult wel zeggen, bij mijne ziel, dat is een aardig staaltje van de soort van lieden waarmede mijne vrienden moeten omspringen; maar dit is nog niemendal, mijnheer. Gij zult mij dien man eene vraag hooren doen. Zeg eens, mijnheer Blackpool,”—de wind stak al meer en meer op—„mag ik zoo vrij zijn van u te vragen hoe het komt, dat gij geweigerd hebt tot die combinatie toe te treden?”„Hoe het komt?”„Ja,” zeide mijnheer Bounderby, met zijne duimen in de mouwen van zijn rok, terwijl hij met zijn hoofd knikte en zijne oogen dichtkneep, als ware het in vertrouwen tegen den muur aan den overkant, „hoe het komt.”„Ik had er liever niet van willen spreken, mijnheer; maar daar gij het mij vraagt, en ik niet ongemanierd wil zijn, zal ik toch antwoorden: ik had mijn woord gegeven.”„Niet aan mij, dat weet gij wel,” zeide Bounderby. (Stormachtig weer, met bedrieglijke tusschenpoozen van kalmte, waarvan er nu juist een heerschte).„O neen, mijnheer, niet aan u.”„Wat mij aangaat, alle betrekking tot mij heeft er volstrekt geen deel aan,” zeide Bounderby, nog in vertrouwen tegen den muur. „Als het alleen om Josiah Bounderby vanCoketownware te doen geweest, hadt gij zeker medegedaan en er geen been in gevonden?”„Ja wel, mijnheer, dat is waar.”„Ofschoon hij weet,” zeide mijnheer Bounderby, nu in eene stormvlaag uitbarstende, „dat die kerels een troep rebellen en schelmen zijn, voor wie het nog te weinig zou zijn als zij gedeporteerd werden! Nu, mijnheer Harthouse, gij hebt eenigen tijd in de wereld rondgezworven. Hebt gij buiten dit gezegende land ooit iets gevonden, dat naar dien man geleek?” En mijnheer Bounderby wees naar hem met een van gramschap trillenden vinger.„Neen, mevrouw,” zeide Stephen Blackpool, in manhaftig protest tegen de gebezigde woorden, en zich onwillekeurig tot Louisa richtende, nadat hij haar even in de oogen had gezien. „Geene rebellen of schelmen. Niets van dien aard, mevrouw, niets van dien aard. Zij hebben mij niet vriendelijk behandeld, mevrouw, dat weet en gevoel ik wel. Maar er zijn er geen twaalf onder hen, mevrouw—geen twaalf?—geen zes, of ieder gelooft dat hij zijn plicht heeft gedaan jegens de anderen en zich zelven. God verhoede dat ik, die al mijn leven deze menschen gekend heb en ondervinding van hen heb gehad—ik, die met hen gegeten en gedronken heb, en bij hen gezeten en met hen gewerkt en hen liefgehad heb, zou nalaten om de waarheid van hen te getuigen, al hadden zij mij nog zooveel kwaad gedaan.”Hij sprak met den stroeven ernst van zijn stand en zijn karakter, misschien nog verhoogd door de trotsche bewustheid, dat hij zijne klasse, onder al haar wantrouwen, getrouw was gebleven; maar hij herinnerde zich volkomen waar hij was en verhief zelfs zijne stem niet.„Neen, mevrouw, neen. Zij zijn elkander trouw en zijn liefderijk voor elkander, zelfs tot in den dood. Wees onder hen arm, wees onder hen ziek, wees onder hen bedroefd, om een van de vele oorzaken, die den armen man droefenis in huis brengen, en zij zullen goed voor u zijn, zacht voor u zijn, troostrijk voor u zijn, christelijk voor u zijn. Daarvan kunt gij zeker wezen, mevrouw. Zij zouden aan stukken geplukt moeten worden, eer zij anders werden.”„Kortom,” zeide mijnheer Bounderby, „het is zeker omdat zij zoo vol deugden steken, dat zij u hebben weggejaagd. Ga er maar mede voort, nu gij er toch aan begonnen zijt. Spreek maar op.”„Hoe het komt, mevrouw,” hervatte Stephen, die nog zijne natuurlijke toevlucht in Louisa’s gezicht scheen te vinden, „dat juist datgene, wat in onze lieden het beste is, het meest tot ons nadeel en ongeluk schijnt uit te loopen en ons het meest op een dwaalweg schijnt te brengen, weet ik niet. Maar het is zoo. Ik weet dat het zoo is, evengoed als ik weet, dat er een hemel boven mij is achter den rook. Wij zijn toch ook geduldig en willen over het geheel doen wat recht is. Ik kan niet denken, dat de schuld geheel bij ons ligt.”„Nu, mijn vriend,” zeide mijnheer Bounderby, wien Stephen niet méér had kunnen vertoornen, hoewel hij daarvan geheel onbewust was, dan door zich naar het scheen op iemand anders te beroepen, „als gemijnu een halve minuut uwe aandacht wilt verleenen, heb ik een paar woorden met u te spreken. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij ons niets over die zaak te zeggen hadt. Zijt ge daarvan geheel zeker, eer wij verder gaan?”„Ja, mijnheer, daarvan ben ik zeker.”„Hier is een heer uitLonden,”—mijnheer Bounderby wees achterwaarts met zijn duim naar mijnheer James Harthouse—„een heer van het Parlement. Ik zou gaarne hebben, dat hij een kort gesprek tusschen u en mij aanhoorde, in plaats van den inhoud daarvan—ik weet al vooruit wat die zijn zal; niemand weet dat beter dan ik, onthoud dat wel—op goed vertrouwen uit mijn mond te moeten aannemen.”Stephen boog zijn hoofd voor den heer uitLondenen toonde zich wat meer ontrust en verlegen dan gewoonlijk. Onwillekeurig zochten zijne oogen zijne vorige toevlucht, maar op een wenk van dien kant (nadrukkelijk, hoewel oogenblikkelijk) vestigde hij ze weder op mijnheer Bounderby.„Zeg nu eens, waarover klaagt gij?” vroeg mijnheer Bounderby.„Ik ben niet hier gekomen om te klagen, mijnheer,” antwoordde Stephen. „Ik kom omdat ik geroepen ben.”„Wel,” hervatte mijnheer Bounderby, zijne armen over elkander slaande, „waarover klaagt gijlieden dan in het algemeen?”Stephen zag een oogenblik eenigszins weifelend om zich heen en scheen toen tot een besluit te komen.„Mijnheer, ik ben nooit heel knap geweest om dat te zeggen, al heb ik van het gevoel er van zoo goed mijn deel gehad als iemand anders. Inderdaad, wij zitten in een warboel, mijnheer. Zie maar eens rond in deze stad—zoo rijk als zij is—en zie dan de menigte van menschen, die hier in de stad zijn gekomen om voor hun brood te weven, te kaarden en zoo al meer, altijd eenerlei, van hunne wieg tot aan het graf. Zie hoe wij leven en waar wij leven, en in welk eene menigte, en hoe eentonig ons leven en hoe wisselvallig ons bestaan is; en zie hoe de fabrieken altijd aan het werk blijven, en hoe zij ons met dat werk nooit nader tot iets brengen—behalve alleen aan den dood. Zie hoe gij over ons denkt, en over ons schrijft, en over ons praat, en met uwe deputaties naar ministers over ons gaat, en hoe gij altijd gelijk hebt en hoe wij altijd ongelijk hebben, en er nooit iets redelijks en verstandigs in ons te vinden is. Zie hoe dit is toegenomen, mijnheer, al grooter en grooter geworden, al zwaarder en zwaarder, en al harder en harder, van jaar tot jaar, van geslacht tot geslacht. Wie kan dat aanzien, mijnheer, en dan nog goedsmoeds zeggen, dat dit geen warboel is?”„Natuurlijk,” zeide mijnheer Bounderby, „En nu zult gij misschien dien heer ook wel laten weten, hoe gij dien warboel (gelijk gij het zoo gaarne noemt) terecht zoudt willen brengen?”„Dat weet ik niet, mijnheer. Dat is niet van mij te wachten. Ik ben het niet, van wien dat gevergd moet worden. Dat zijn diegenen, die over ons gesteld zijn en over al de rest van ons. Waarvoor zijn zij anders, mijnheer, als zij dat niet doen?”„Dan zal ik u iets zeggen, wat er ten minste aan te doen is,” antwoordde mijnheer Bounderby. „Wij zullen een voorbeeld maken van een half dozijn Slackbridge’s. Wij zullen die schavuiten voor de rechtbank brengen en naar de straf-koloniën zenden.”Stephen schudde ernstig zijn hoofd.„Zeg mij niet van neen, man,” vervolgde mijnheer Bounderby, en nu waaide het een orkaan, „want dat zullen wij, zeg ik u.”„Mijnheer,” antwoordde Stephen, met de kalme vastheid eener onwankelbare overtuiging, „al zoudt ge honderd Slackbridge’s nemen—allen die er maar zijn, zelfs tienmaal zooveel—en ze ieder in een zak naaien, en in de diepste zee laten zinken, die er ooit geweest is eer er nog droog land was, dan zoudt gij toch den warboel eveneens laten als hij is. Opruiende vreemdelingen!” vervolgde Stephen met een glimlach, „wanneer, zoolang wij ons kunnen herinneren, hebben wij niet van opruiende vreemdelingen gehoord! Het is niet door hen dat er onrust komt, mijnheer. Het is niet bij hen dat het begint. Ik ben geen vriend van hen—ik heb geen reden om hun vriend te zijn—maar het is hopeloos en nutteloos, die lieden voor hun handwerk te willen straffen, in plaats van dat handwerk zelf te beletten. Allen die nu hier in de kamer om mij heen zijn, waren hier eer ik kwam, en zullen nog hier zijn als ik weg ben. Breng die klok aan boord van een schip en zend ze weg naar het eilandNorfolk, en de tijd zal toch eveneens voortgaan. Zoo is het ook met Slackbridge.”Zich voor een oogenblik naar zijne vorige toevlucht keerende, nam hij eene waarschuwende beweging harer oogen naar de deur waar. Terugtredende sloeg hij zijne hand aan de kruk. Maar hij had niet uit eigen wil en verlangen gesproken, en hij gevoelde in zijn hart, dat het eene edele vergelding van het geledene onrecht zou zijn, indien hij hun, die hem zoo verzaakt hadden, tot het laatste toe getrouw bleef. Hij bleef dus staan om geheel te zeggen wat hij nog op het gemoed had.„Mijnheer, ik kan met mijn beetje kennis en mijne gemeene manier van spreken dezen heer niet zeggen, wat dit alles zou kunnen verbeteren,—hoewel sommige werklieden hier in de stad het wel konden doen, veel beter dan ik; maar ik kan hem toch wel zeggen wat ik weet dat nooit baten zal. De sterke hand zal het nooit doen. Overwinning en zegepraal zullen het nooit doen. Eene afspraak om den eenen kant op eene onnatuurlijke manier altijd gelijk te geven, en den anderen kant altijd ongelijk,zal het nooit, nooit doen. En ze zoo maar hun gang te laten gaan, zal het ook nooit doen. Laat duizenden bij duizenden zoo maar hun gang gaan, allen hetzelfde leven leiden en altijd in denzelfden warboel blijven, en zij zullen aan den éénen kant blijven staan, en gij aan den anderen, met eene zwarte, onoverkomelijke diepte tusschen u, juist zoo lang en zoo kort als zulk eene ellende kan duren. Nooit met die menschen meer eigen te willen worden, door goedheid en geduld en opbeurende manieren, die hen zoo aan elkander hechten onder hunne vele bezwaren en elkander zoo doen bijstaan in hun nood met wat zij zelven wel konden gebruiken—gelijk ik nederig geloof dat door geen volk, dat die heer op zijne reizen gezien heeft, ooit kan overtroffen worden—ook dat zal het nooit doen, voordat de zon in ijs verandert. En voor het laatst, hen maar in rekening te brengen als zooveel stoomkracht, en te behandelen alsof zij cijfers van eene som of doode machines waren, zonder liefde of voorkeur, zonder geheugen of neigingen, zonder zielen, die moede kunnen worden en zielen die kunnen hopen; als alles rustig is, hen maar te laten voortzwoegen alsof zij niets van dien aard bezaten, en als alles onrustig is, hun te verwijten, dat zij in hunne betrekking tot u geen menschelijk gevoel toonen,—dat zal het nooit doen, mijnheer, eer de menschen geheel anders worden dan God hen geschapen heeft.”„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).Stephen stond met de hand aan de opene deur te wachten of er nog iets meer van hem verlangd werd.„Blijf nog een oogenblikje,” zeide mijnheer Bounderby met een bloedrood gezicht. „Ik heb u gezegd, toen gij de laatste maal met eene klacht hier kwaamt, dat gij liever moest omkeeren en u daarvan afhouden. En ik heb u ook gezegd, als gij het nog weet,dat ik het wel begreep als men den gouden lepel in het oog had.”„Ik zelf heb nooit zoo iets in het oog gehad, mijnheer, dat verzeker ik u.”„Nu is het mij duidelijk geworden,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat gij een van die snaken zijt, die altijd grieven hebben, en dat gij rondloopt om die grieven uit te zaaien en voort te planten. Dit is het werk van uw leven, mijn vriend.”Stephen schudde zijn hoofd,—een zwijgende betuiging dat hij wel ander werk had.„Gij zijt zulk een netelige, hatelijke, onverdraaglijke kerel,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat zelfs uwe eigene vereeniging, de menschen die u het best kennen, niets met u te doen willen hebben. Ik had nooit gedacht dat die knapen in iets gelijk konden hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Voor de aardigheidzal ik hen nu eens zoo ver gelijk geven, dat ik ook niets meer met u te doen wil hebben.”Stephen sloeg snel zijne oogen op om hem aan te zien.„Gij kunt afmaken waaraan gij bezig zijt,” zeide mijnheer Bounderby met een veelbeduidend knikje, „en dan ergens anders heen gaan.”„Mijnheer, gij weet wel,” zeide Stephen met nadruk, „dat ik, als ik bij u geen werk kan krijgen, het ook nergens anders krijgen kan.”„Wat ik weet, dat weet ik,” luidde het antwoord, „en wat gij weet, dat weet gij. Ik heb er niets meer over te zeggen.”Stephen zag nog eens naar Louisa om, maar hare oogen waren niet meer naar de zijne opgeslagen; hij slaakte dus een zucht, en met de woorden: „De Hemel helpe ons allen in deze wereld,” die hij maar weinig harder dan fluisterend uitsprak, ging hij heen.

XXI.MANNEN EN MEESTERS.„Wel, Stephen,” zeide Bounderby op zijne winderige manier, „wat heb ik gehoord? Wat hebben die pesten der maatschappij met u gedaan? Kom binnen en spreek op.”Het was het salon, waar hij dus verzocht werd binnen te treden. De theetafel stond gereed, en mijnheer Bounderby’s jeugdige vrouw, en haar broeder, en een groot heer uitLondenwaren aanwezig. Voor al deze personen maakte Stephen eene buiging, sloot de deur en bleef met den hoed in de hand daarbij staan.„Dit is de man, van wien ik u zoo even gesproken heb, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby.De heer, tot wien hij het woord richtte en die met mevrouw Bounderby op de sofa zat te praten, stond op, zeide op een slependen toon: „Ei zoo!” en kuierde onverschillig en dralend naar het haardkleedje, waar mijnheer Bounderby stond.„Komaan,” zeide Bounderby, „spreek nu maar op.”Na de vier verloopene dagen klonk deze toespraak Stephen rauw en wanluidend in de ooren. Behalve dat zijn gewond gemoed daardoor onzacht werd aangetast, scheen men ook te onderstellen, dat hij werkelijk uit eigenbelang zijne makkers had verlaten, gelijk men hem verweten had.„Wat was het, mijnheer,” zeide Stephen, „dat het u beliefde van mij te willen hebben?”„Wel, dat heb ik u gezegd,” antwoordde Bounderby. „Spreek op als een man, daar gij een man zijt, en vertel ons van u zelven en die combinatie.”„Met uw believen, mijnheer,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb er niets van te zeggen.”Mijnheer Bounderby, die altijd meer of min naar den wind geleek en nu iets in zijn weg vond staan, begon er terstond tegen te blazen.„Zie nu eens hier, Harthouse,” zeide hij, „daar hebt gij nu een van hen. Toen deze man vroeger eens hier was, heb ik hem gewaarschuwd voor de kwaadwillige vreemdelingen, die altijd rondloopen—en die, waar men ze vond, behoorden opgehangen te worden—en ik heb dien man toen gezegd, dat hij een verkeerden weg opging. Zoudt gij het nu gelooven, dat hij, hoewel zij hem zoo geteekend hebben, nog zulk een slaaf van hen is, dat hij bang is om zijn mond over hen open te doen!”„Ik heb gezegd, dat ik niets te zeggen had, mijnheer; niet dat ik bang was om mijn mond open te doen.”„Zegt gij zoo? Ja, ik weet wel wat gij gezegd hebt, en nog meer; ik weet ook wat gijmeent, begrijpt ge! Dat is waarachtig niet altijd hetzelfde. Dikwijls geheel iets anders. Gij moest ons liever maar zeggen, dat die kerel, Slackbridge, niet in de stad is om het werkvolk tot muiterij op te stoken; en dat hij geen volksleider van de echte soort, dat wil zeggen een doortrapte schobbejak is. Gij moest ons dat liever maar dadelijk zeggen; gij kunt mij toch niet bedriegen. Gij wilt ons dat immers zeggen? Waarom doet gij het dan niet?”„Het spijt mij evenzeer als u, mijnheer, als het volk slechte leidslieden heeft,” antwoordde Stephen, zijn hoofd schuddende. „Zij nemen maar degenen, die zich voordoen. Misschien is het niet het kleinste van hunne ongelukken, dat zij geen betere kunnen krijgen.”De wind begon onstuimig te worden.„Gij vindt dit zeker al tamelijk wel, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby; „gij vindt dit zeker al vrij sterk. Gij zult wel zeggen, bij mijne ziel, dat is een aardig staaltje van de soort van lieden waarmede mijne vrienden moeten omspringen; maar dit is nog niemendal, mijnheer. Gij zult mij dien man eene vraag hooren doen. Zeg eens, mijnheer Blackpool,”—de wind stak al meer en meer op—„mag ik zoo vrij zijn van u te vragen hoe het komt, dat gij geweigerd hebt tot die combinatie toe te treden?”„Hoe het komt?”„Ja,” zeide mijnheer Bounderby, met zijne duimen in de mouwen van zijn rok, terwijl hij met zijn hoofd knikte en zijne oogen dichtkneep, als ware het in vertrouwen tegen den muur aan den overkant, „hoe het komt.”„Ik had er liever niet van willen spreken, mijnheer; maar daar gij het mij vraagt, en ik niet ongemanierd wil zijn, zal ik toch antwoorden: ik had mijn woord gegeven.”„Niet aan mij, dat weet gij wel,” zeide Bounderby. (Stormachtig weer, met bedrieglijke tusschenpoozen van kalmte, waarvan er nu juist een heerschte).„O neen, mijnheer, niet aan u.”„Wat mij aangaat, alle betrekking tot mij heeft er volstrekt geen deel aan,” zeide Bounderby, nog in vertrouwen tegen den muur. „Als het alleen om Josiah Bounderby vanCoketownware te doen geweest, hadt gij zeker medegedaan en er geen been in gevonden?”„Ja wel, mijnheer, dat is waar.”„Ofschoon hij weet,” zeide mijnheer Bounderby, nu in eene stormvlaag uitbarstende, „dat die kerels een troep rebellen en schelmen zijn, voor wie het nog te weinig zou zijn als zij gedeporteerd werden! Nu, mijnheer Harthouse, gij hebt eenigen tijd in de wereld rondgezworven. Hebt gij buiten dit gezegende land ooit iets gevonden, dat naar dien man geleek?” En mijnheer Bounderby wees naar hem met een van gramschap trillenden vinger.„Neen, mevrouw,” zeide Stephen Blackpool, in manhaftig protest tegen de gebezigde woorden, en zich onwillekeurig tot Louisa richtende, nadat hij haar even in de oogen had gezien. „Geene rebellen of schelmen. Niets van dien aard, mevrouw, niets van dien aard. Zij hebben mij niet vriendelijk behandeld, mevrouw, dat weet en gevoel ik wel. Maar er zijn er geen twaalf onder hen, mevrouw—geen twaalf?—geen zes, of ieder gelooft dat hij zijn plicht heeft gedaan jegens de anderen en zich zelven. God verhoede dat ik, die al mijn leven deze menschen gekend heb en ondervinding van hen heb gehad—ik, die met hen gegeten en gedronken heb, en bij hen gezeten en met hen gewerkt en hen liefgehad heb, zou nalaten om de waarheid van hen te getuigen, al hadden zij mij nog zooveel kwaad gedaan.”Hij sprak met den stroeven ernst van zijn stand en zijn karakter, misschien nog verhoogd door de trotsche bewustheid, dat hij zijne klasse, onder al haar wantrouwen, getrouw was gebleven; maar hij herinnerde zich volkomen waar hij was en verhief zelfs zijne stem niet.„Neen, mevrouw, neen. Zij zijn elkander trouw en zijn liefderijk voor elkander, zelfs tot in den dood. Wees onder hen arm, wees onder hen ziek, wees onder hen bedroefd, om een van de vele oorzaken, die den armen man droefenis in huis brengen, en zij zullen goed voor u zijn, zacht voor u zijn, troostrijk voor u zijn, christelijk voor u zijn. Daarvan kunt gij zeker wezen, mevrouw. Zij zouden aan stukken geplukt moeten worden, eer zij anders werden.”„Kortom,” zeide mijnheer Bounderby, „het is zeker omdat zij zoo vol deugden steken, dat zij u hebben weggejaagd. Ga er maar mede voort, nu gij er toch aan begonnen zijt. Spreek maar op.”„Hoe het komt, mevrouw,” hervatte Stephen, die nog zijne natuurlijke toevlucht in Louisa’s gezicht scheen te vinden, „dat juist datgene, wat in onze lieden het beste is, het meest tot ons nadeel en ongeluk schijnt uit te loopen en ons het meest op een dwaalweg schijnt te brengen, weet ik niet. Maar het is zoo. Ik weet dat het zoo is, evengoed als ik weet, dat er een hemel boven mij is achter den rook. Wij zijn toch ook geduldig en willen over het geheel doen wat recht is. Ik kan niet denken, dat de schuld geheel bij ons ligt.”„Nu, mijn vriend,” zeide mijnheer Bounderby, wien Stephen niet méér had kunnen vertoornen, hoewel hij daarvan geheel onbewust was, dan door zich naar het scheen op iemand anders te beroepen, „als gemijnu een halve minuut uwe aandacht wilt verleenen, heb ik een paar woorden met u te spreken. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij ons niets over die zaak te zeggen hadt. Zijt ge daarvan geheel zeker, eer wij verder gaan?”„Ja, mijnheer, daarvan ben ik zeker.”„Hier is een heer uitLonden,”—mijnheer Bounderby wees achterwaarts met zijn duim naar mijnheer James Harthouse—„een heer van het Parlement. Ik zou gaarne hebben, dat hij een kort gesprek tusschen u en mij aanhoorde, in plaats van den inhoud daarvan—ik weet al vooruit wat die zijn zal; niemand weet dat beter dan ik, onthoud dat wel—op goed vertrouwen uit mijn mond te moeten aannemen.”Stephen boog zijn hoofd voor den heer uitLondenen toonde zich wat meer ontrust en verlegen dan gewoonlijk. Onwillekeurig zochten zijne oogen zijne vorige toevlucht, maar op een wenk van dien kant (nadrukkelijk, hoewel oogenblikkelijk) vestigde hij ze weder op mijnheer Bounderby.„Zeg nu eens, waarover klaagt gij?” vroeg mijnheer Bounderby.„Ik ben niet hier gekomen om te klagen, mijnheer,” antwoordde Stephen. „Ik kom omdat ik geroepen ben.”„Wel,” hervatte mijnheer Bounderby, zijne armen over elkander slaande, „waarover klaagt gijlieden dan in het algemeen?”Stephen zag een oogenblik eenigszins weifelend om zich heen en scheen toen tot een besluit te komen.„Mijnheer, ik ben nooit heel knap geweest om dat te zeggen, al heb ik van het gevoel er van zoo goed mijn deel gehad als iemand anders. Inderdaad, wij zitten in een warboel, mijnheer. Zie maar eens rond in deze stad—zoo rijk als zij is—en zie dan de menigte van menschen, die hier in de stad zijn gekomen om voor hun brood te weven, te kaarden en zoo al meer, altijd eenerlei, van hunne wieg tot aan het graf. Zie hoe wij leven en waar wij leven, en in welk eene menigte, en hoe eentonig ons leven en hoe wisselvallig ons bestaan is; en zie hoe de fabrieken altijd aan het werk blijven, en hoe zij ons met dat werk nooit nader tot iets brengen—behalve alleen aan den dood. Zie hoe gij over ons denkt, en over ons schrijft, en over ons praat, en met uwe deputaties naar ministers over ons gaat, en hoe gij altijd gelijk hebt en hoe wij altijd ongelijk hebben, en er nooit iets redelijks en verstandigs in ons te vinden is. Zie hoe dit is toegenomen, mijnheer, al grooter en grooter geworden, al zwaarder en zwaarder, en al harder en harder, van jaar tot jaar, van geslacht tot geslacht. Wie kan dat aanzien, mijnheer, en dan nog goedsmoeds zeggen, dat dit geen warboel is?”„Natuurlijk,” zeide mijnheer Bounderby, „En nu zult gij misschien dien heer ook wel laten weten, hoe gij dien warboel (gelijk gij het zoo gaarne noemt) terecht zoudt willen brengen?”„Dat weet ik niet, mijnheer. Dat is niet van mij te wachten. Ik ben het niet, van wien dat gevergd moet worden. Dat zijn diegenen, die over ons gesteld zijn en over al de rest van ons. Waarvoor zijn zij anders, mijnheer, als zij dat niet doen?”„Dan zal ik u iets zeggen, wat er ten minste aan te doen is,” antwoordde mijnheer Bounderby. „Wij zullen een voorbeeld maken van een half dozijn Slackbridge’s. Wij zullen die schavuiten voor de rechtbank brengen en naar de straf-koloniën zenden.”Stephen schudde ernstig zijn hoofd.„Zeg mij niet van neen, man,” vervolgde mijnheer Bounderby, en nu waaide het een orkaan, „want dat zullen wij, zeg ik u.”„Mijnheer,” antwoordde Stephen, met de kalme vastheid eener onwankelbare overtuiging, „al zoudt ge honderd Slackbridge’s nemen—allen die er maar zijn, zelfs tienmaal zooveel—en ze ieder in een zak naaien, en in de diepste zee laten zinken, die er ooit geweest is eer er nog droog land was, dan zoudt gij toch den warboel eveneens laten als hij is. Opruiende vreemdelingen!” vervolgde Stephen met een glimlach, „wanneer, zoolang wij ons kunnen herinneren, hebben wij niet van opruiende vreemdelingen gehoord! Het is niet door hen dat er onrust komt, mijnheer. Het is niet bij hen dat het begint. Ik ben geen vriend van hen—ik heb geen reden om hun vriend te zijn—maar het is hopeloos en nutteloos, die lieden voor hun handwerk te willen straffen, in plaats van dat handwerk zelf te beletten. Allen die nu hier in de kamer om mij heen zijn, waren hier eer ik kwam, en zullen nog hier zijn als ik weg ben. Breng die klok aan boord van een schip en zend ze weg naar het eilandNorfolk, en de tijd zal toch eveneens voortgaan. Zoo is het ook met Slackbridge.”Zich voor een oogenblik naar zijne vorige toevlucht keerende, nam hij eene waarschuwende beweging harer oogen naar de deur waar. Terugtredende sloeg hij zijne hand aan de kruk. Maar hij had niet uit eigen wil en verlangen gesproken, en hij gevoelde in zijn hart, dat het eene edele vergelding van het geledene onrecht zou zijn, indien hij hun, die hem zoo verzaakt hadden, tot het laatste toe getrouw bleef. Hij bleef dus staan om geheel te zeggen wat hij nog op het gemoed had.„Mijnheer, ik kan met mijn beetje kennis en mijne gemeene manier van spreken dezen heer niet zeggen, wat dit alles zou kunnen verbeteren,—hoewel sommige werklieden hier in de stad het wel konden doen, veel beter dan ik; maar ik kan hem toch wel zeggen wat ik weet dat nooit baten zal. De sterke hand zal het nooit doen. Overwinning en zegepraal zullen het nooit doen. Eene afspraak om den eenen kant op eene onnatuurlijke manier altijd gelijk te geven, en den anderen kant altijd ongelijk,zal het nooit, nooit doen. En ze zoo maar hun gang te laten gaan, zal het ook nooit doen. Laat duizenden bij duizenden zoo maar hun gang gaan, allen hetzelfde leven leiden en altijd in denzelfden warboel blijven, en zij zullen aan den éénen kant blijven staan, en gij aan den anderen, met eene zwarte, onoverkomelijke diepte tusschen u, juist zoo lang en zoo kort als zulk eene ellende kan duren. Nooit met die menschen meer eigen te willen worden, door goedheid en geduld en opbeurende manieren, die hen zoo aan elkander hechten onder hunne vele bezwaren en elkander zoo doen bijstaan in hun nood met wat zij zelven wel konden gebruiken—gelijk ik nederig geloof dat door geen volk, dat die heer op zijne reizen gezien heeft, ooit kan overtroffen worden—ook dat zal het nooit doen, voordat de zon in ijs verandert. En voor het laatst, hen maar in rekening te brengen als zooveel stoomkracht, en te behandelen alsof zij cijfers van eene som of doode machines waren, zonder liefde of voorkeur, zonder geheugen of neigingen, zonder zielen, die moede kunnen worden en zielen die kunnen hopen; als alles rustig is, hen maar te laten voortzwoegen alsof zij niets van dien aard bezaten, en als alles onrustig is, hun te verwijten, dat zij in hunne betrekking tot u geen menschelijk gevoel toonen,—dat zal het nooit doen, mijnheer, eer de menschen geheel anders worden dan God hen geschapen heeft.”„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).Stephen stond met de hand aan de opene deur te wachten of er nog iets meer van hem verlangd werd.„Blijf nog een oogenblikje,” zeide mijnheer Bounderby met een bloedrood gezicht. „Ik heb u gezegd, toen gij de laatste maal met eene klacht hier kwaamt, dat gij liever moest omkeeren en u daarvan afhouden. En ik heb u ook gezegd, als gij het nog weet,dat ik het wel begreep als men den gouden lepel in het oog had.”„Ik zelf heb nooit zoo iets in het oog gehad, mijnheer, dat verzeker ik u.”„Nu is het mij duidelijk geworden,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat gij een van die snaken zijt, die altijd grieven hebben, en dat gij rondloopt om die grieven uit te zaaien en voort te planten. Dit is het werk van uw leven, mijn vriend.”Stephen schudde zijn hoofd,—een zwijgende betuiging dat hij wel ander werk had.„Gij zijt zulk een netelige, hatelijke, onverdraaglijke kerel,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat zelfs uwe eigene vereeniging, de menschen die u het best kennen, niets met u te doen willen hebben. Ik had nooit gedacht dat die knapen in iets gelijk konden hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Voor de aardigheidzal ik hen nu eens zoo ver gelijk geven, dat ik ook niets meer met u te doen wil hebben.”Stephen sloeg snel zijne oogen op om hem aan te zien.„Gij kunt afmaken waaraan gij bezig zijt,” zeide mijnheer Bounderby met een veelbeduidend knikje, „en dan ergens anders heen gaan.”„Mijnheer, gij weet wel,” zeide Stephen met nadruk, „dat ik, als ik bij u geen werk kan krijgen, het ook nergens anders krijgen kan.”„Wat ik weet, dat weet ik,” luidde het antwoord, „en wat gij weet, dat weet gij. Ik heb er niets meer over te zeggen.”Stephen zag nog eens naar Louisa om, maar hare oogen waren niet meer naar de zijne opgeslagen; hij slaakte dus een zucht, en met de woorden: „De Hemel helpe ons allen in deze wereld,” die hij maar weinig harder dan fluisterend uitsprak, ging hij heen.

XXI.MANNEN EN MEESTERS.„Wel, Stephen,” zeide Bounderby op zijne winderige manier, „wat heb ik gehoord? Wat hebben die pesten der maatschappij met u gedaan? Kom binnen en spreek op.”Het was het salon, waar hij dus verzocht werd binnen te treden. De theetafel stond gereed, en mijnheer Bounderby’s jeugdige vrouw, en haar broeder, en een groot heer uitLondenwaren aanwezig. Voor al deze personen maakte Stephen eene buiging, sloot de deur en bleef met den hoed in de hand daarbij staan.„Dit is de man, van wien ik u zoo even gesproken heb, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby.De heer, tot wien hij het woord richtte en die met mevrouw Bounderby op de sofa zat te praten, stond op, zeide op een slependen toon: „Ei zoo!” en kuierde onverschillig en dralend naar het haardkleedje, waar mijnheer Bounderby stond.„Komaan,” zeide Bounderby, „spreek nu maar op.”Na de vier verloopene dagen klonk deze toespraak Stephen rauw en wanluidend in de ooren. Behalve dat zijn gewond gemoed daardoor onzacht werd aangetast, scheen men ook te onderstellen, dat hij werkelijk uit eigenbelang zijne makkers had verlaten, gelijk men hem verweten had.„Wat was het, mijnheer,” zeide Stephen, „dat het u beliefde van mij te willen hebben?”„Wel, dat heb ik u gezegd,” antwoordde Bounderby. „Spreek op als een man, daar gij een man zijt, en vertel ons van u zelven en die combinatie.”„Met uw believen, mijnheer,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb er niets van te zeggen.”Mijnheer Bounderby, die altijd meer of min naar den wind geleek en nu iets in zijn weg vond staan, begon er terstond tegen te blazen.„Zie nu eens hier, Harthouse,” zeide hij, „daar hebt gij nu een van hen. Toen deze man vroeger eens hier was, heb ik hem gewaarschuwd voor de kwaadwillige vreemdelingen, die altijd rondloopen—en die, waar men ze vond, behoorden opgehangen te worden—en ik heb dien man toen gezegd, dat hij een verkeerden weg opging. Zoudt gij het nu gelooven, dat hij, hoewel zij hem zoo geteekend hebben, nog zulk een slaaf van hen is, dat hij bang is om zijn mond over hen open te doen!”„Ik heb gezegd, dat ik niets te zeggen had, mijnheer; niet dat ik bang was om mijn mond open te doen.”„Zegt gij zoo? Ja, ik weet wel wat gij gezegd hebt, en nog meer; ik weet ook wat gijmeent, begrijpt ge! Dat is waarachtig niet altijd hetzelfde. Dikwijls geheel iets anders. Gij moest ons liever maar zeggen, dat die kerel, Slackbridge, niet in de stad is om het werkvolk tot muiterij op te stoken; en dat hij geen volksleider van de echte soort, dat wil zeggen een doortrapte schobbejak is. Gij moest ons dat liever maar dadelijk zeggen; gij kunt mij toch niet bedriegen. Gij wilt ons dat immers zeggen? Waarom doet gij het dan niet?”„Het spijt mij evenzeer als u, mijnheer, als het volk slechte leidslieden heeft,” antwoordde Stephen, zijn hoofd schuddende. „Zij nemen maar degenen, die zich voordoen. Misschien is het niet het kleinste van hunne ongelukken, dat zij geen betere kunnen krijgen.”De wind begon onstuimig te worden.„Gij vindt dit zeker al tamelijk wel, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby; „gij vindt dit zeker al vrij sterk. Gij zult wel zeggen, bij mijne ziel, dat is een aardig staaltje van de soort van lieden waarmede mijne vrienden moeten omspringen; maar dit is nog niemendal, mijnheer. Gij zult mij dien man eene vraag hooren doen. Zeg eens, mijnheer Blackpool,”—de wind stak al meer en meer op—„mag ik zoo vrij zijn van u te vragen hoe het komt, dat gij geweigerd hebt tot die combinatie toe te treden?”„Hoe het komt?”„Ja,” zeide mijnheer Bounderby, met zijne duimen in de mouwen van zijn rok, terwijl hij met zijn hoofd knikte en zijne oogen dichtkneep, als ware het in vertrouwen tegen den muur aan den overkant, „hoe het komt.”„Ik had er liever niet van willen spreken, mijnheer; maar daar gij het mij vraagt, en ik niet ongemanierd wil zijn, zal ik toch antwoorden: ik had mijn woord gegeven.”„Niet aan mij, dat weet gij wel,” zeide Bounderby. (Stormachtig weer, met bedrieglijke tusschenpoozen van kalmte, waarvan er nu juist een heerschte).„O neen, mijnheer, niet aan u.”„Wat mij aangaat, alle betrekking tot mij heeft er volstrekt geen deel aan,” zeide Bounderby, nog in vertrouwen tegen den muur. „Als het alleen om Josiah Bounderby vanCoketownware te doen geweest, hadt gij zeker medegedaan en er geen been in gevonden?”„Ja wel, mijnheer, dat is waar.”„Ofschoon hij weet,” zeide mijnheer Bounderby, nu in eene stormvlaag uitbarstende, „dat die kerels een troep rebellen en schelmen zijn, voor wie het nog te weinig zou zijn als zij gedeporteerd werden! Nu, mijnheer Harthouse, gij hebt eenigen tijd in de wereld rondgezworven. Hebt gij buiten dit gezegende land ooit iets gevonden, dat naar dien man geleek?” En mijnheer Bounderby wees naar hem met een van gramschap trillenden vinger.„Neen, mevrouw,” zeide Stephen Blackpool, in manhaftig protest tegen de gebezigde woorden, en zich onwillekeurig tot Louisa richtende, nadat hij haar even in de oogen had gezien. „Geene rebellen of schelmen. Niets van dien aard, mevrouw, niets van dien aard. Zij hebben mij niet vriendelijk behandeld, mevrouw, dat weet en gevoel ik wel. Maar er zijn er geen twaalf onder hen, mevrouw—geen twaalf?—geen zes, of ieder gelooft dat hij zijn plicht heeft gedaan jegens de anderen en zich zelven. God verhoede dat ik, die al mijn leven deze menschen gekend heb en ondervinding van hen heb gehad—ik, die met hen gegeten en gedronken heb, en bij hen gezeten en met hen gewerkt en hen liefgehad heb, zou nalaten om de waarheid van hen te getuigen, al hadden zij mij nog zooveel kwaad gedaan.”Hij sprak met den stroeven ernst van zijn stand en zijn karakter, misschien nog verhoogd door de trotsche bewustheid, dat hij zijne klasse, onder al haar wantrouwen, getrouw was gebleven; maar hij herinnerde zich volkomen waar hij was en verhief zelfs zijne stem niet.„Neen, mevrouw, neen. Zij zijn elkander trouw en zijn liefderijk voor elkander, zelfs tot in den dood. Wees onder hen arm, wees onder hen ziek, wees onder hen bedroefd, om een van de vele oorzaken, die den armen man droefenis in huis brengen, en zij zullen goed voor u zijn, zacht voor u zijn, troostrijk voor u zijn, christelijk voor u zijn. Daarvan kunt gij zeker wezen, mevrouw. Zij zouden aan stukken geplukt moeten worden, eer zij anders werden.”„Kortom,” zeide mijnheer Bounderby, „het is zeker omdat zij zoo vol deugden steken, dat zij u hebben weggejaagd. Ga er maar mede voort, nu gij er toch aan begonnen zijt. Spreek maar op.”„Hoe het komt, mevrouw,” hervatte Stephen, die nog zijne natuurlijke toevlucht in Louisa’s gezicht scheen te vinden, „dat juist datgene, wat in onze lieden het beste is, het meest tot ons nadeel en ongeluk schijnt uit te loopen en ons het meest op een dwaalweg schijnt te brengen, weet ik niet. Maar het is zoo. Ik weet dat het zoo is, evengoed als ik weet, dat er een hemel boven mij is achter den rook. Wij zijn toch ook geduldig en willen over het geheel doen wat recht is. Ik kan niet denken, dat de schuld geheel bij ons ligt.”„Nu, mijn vriend,” zeide mijnheer Bounderby, wien Stephen niet méér had kunnen vertoornen, hoewel hij daarvan geheel onbewust was, dan door zich naar het scheen op iemand anders te beroepen, „als gemijnu een halve minuut uwe aandacht wilt verleenen, heb ik een paar woorden met u te spreken. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij ons niets over die zaak te zeggen hadt. Zijt ge daarvan geheel zeker, eer wij verder gaan?”„Ja, mijnheer, daarvan ben ik zeker.”„Hier is een heer uitLonden,”—mijnheer Bounderby wees achterwaarts met zijn duim naar mijnheer James Harthouse—„een heer van het Parlement. Ik zou gaarne hebben, dat hij een kort gesprek tusschen u en mij aanhoorde, in plaats van den inhoud daarvan—ik weet al vooruit wat die zijn zal; niemand weet dat beter dan ik, onthoud dat wel—op goed vertrouwen uit mijn mond te moeten aannemen.”Stephen boog zijn hoofd voor den heer uitLondenen toonde zich wat meer ontrust en verlegen dan gewoonlijk. Onwillekeurig zochten zijne oogen zijne vorige toevlucht, maar op een wenk van dien kant (nadrukkelijk, hoewel oogenblikkelijk) vestigde hij ze weder op mijnheer Bounderby.„Zeg nu eens, waarover klaagt gij?” vroeg mijnheer Bounderby.„Ik ben niet hier gekomen om te klagen, mijnheer,” antwoordde Stephen. „Ik kom omdat ik geroepen ben.”„Wel,” hervatte mijnheer Bounderby, zijne armen over elkander slaande, „waarover klaagt gijlieden dan in het algemeen?”Stephen zag een oogenblik eenigszins weifelend om zich heen en scheen toen tot een besluit te komen.„Mijnheer, ik ben nooit heel knap geweest om dat te zeggen, al heb ik van het gevoel er van zoo goed mijn deel gehad als iemand anders. Inderdaad, wij zitten in een warboel, mijnheer. Zie maar eens rond in deze stad—zoo rijk als zij is—en zie dan de menigte van menschen, die hier in de stad zijn gekomen om voor hun brood te weven, te kaarden en zoo al meer, altijd eenerlei, van hunne wieg tot aan het graf. Zie hoe wij leven en waar wij leven, en in welk eene menigte, en hoe eentonig ons leven en hoe wisselvallig ons bestaan is; en zie hoe de fabrieken altijd aan het werk blijven, en hoe zij ons met dat werk nooit nader tot iets brengen—behalve alleen aan den dood. Zie hoe gij over ons denkt, en over ons schrijft, en over ons praat, en met uwe deputaties naar ministers over ons gaat, en hoe gij altijd gelijk hebt en hoe wij altijd ongelijk hebben, en er nooit iets redelijks en verstandigs in ons te vinden is. Zie hoe dit is toegenomen, mijnheer, al grooter en grooter geworden, al zwaarder en zwaarder, en al harder en harder, van jaar tot jaar, van geslacht tot geslacht. Wie kan dat aanzien, mijnheer, en dan nog goedsmoeds zeggen, dat dit geen warboel is?”„Natuurlijk,” zeide mijnheer Bounderby, „En nu zult gij misschien dien heer ook wel laten weten, hoe gij dien warboel (gelijk gij het zoo gaarne noemt) terecht zoudt willen brengen?”„Dat weet ik niet, mijnheer. Dat is niet van mij te wachten. Ik ben het niet, van wien dat gevergd moet worden. Dat zijn diegenen, die over ons gesteld zijn en over al de rest van ons. Waarvoor zijn zij anders, mijnheer, als zij dat niet doen?”„Dan zal ik u iets zeggen, wat er ten minste aan te doen is,” antwoordde mijnheer Bounderby. „Wij zullen een voorbeeld maken van een half dozijn Slackbridge’s. Wij zullen die schavuiten voor de rechtbank brengen en naar de straf-koloniën zenden.”Stephen schudde ernstig zijn hoofd.„Zeg mij niet van neen, man,” vervolgde mijnheer Bounderby, en nu waaide het een orkaan, „want dat zullen wij, zeg ik u.”„Mijnheer,” antwoordde Stephen, met de kalme vastheid eener onwankelbare overtuiging, „al zoudt ge honderd Slackbridge’s nemen—allen die er maar zijn, zelfs tienmaal zooveel—en ze ieder in een zak naaien, en in de diepste zee laten zinken, die er ooit geweest is eer er nog droog land was, dan zoudt gij toch den warboel eveneens laten als hij is. Opruiende vreemdelingen!” vervolgde Stephen met een glimlach, „wanneer, zoolang wij ons kunnen herinneren, hebben wij niet van opruiende vreemdelingen gehoord! Het is niet door hen dat er onrust komt, mijnheer. Het is niet bij hen dat het begint. Ik ben geen vriend van hen—ik heb geen reden om hun vriend te zijn—maar het is hopeloos en nutteloos, die lieden voor hun handwerk te willen straffen, in plaats van dat handwerk zelf te beletten. Allen die nu hier in de kamer om mij heen zijn, waren hier eer ik kwam, en zullen nog hier zijn als ik weg ben. Breng die klok aan boord van een schip en zend ze weg naar het eilandNorfolk, en de tijd zal toch eveneens voortgaan. Zoo is het ook met Slackbridge.”Zich voor een oogenblik naar zijne vorige toevlucht keerende, nam hij eene waarschuwende beweging harer oogen naar de deur waar. Terugtredende sloeg hij zijne hand aan de kruk. Maar hij had niet uit eigen wil en verlangen gesproken, en hij gevoelde in zijn hart, dat het eene edele vergelding van het geledene onrecht zou zijn, indien hij hun, die hem zoo verzaakt hadden, tot het laatste toe getrouw bleef. Hij bleef dus staan om geheel te zeggen wat hij nog op het gemoed had.„Mijnheer, ik kan met mijn beetje kennis en mijne gemeene manier van spreken dezen heer niet zeggen, wat dit alles zou kunnen verbeteren,—hoewel sommige werklieden hier in de stad het wel konden doen, veel beter dan ik; maar ik kan hem toch wel zeggen wat ik weet dat nooit baten zal. De sterke hand zal het nooit doen. Overwinning en zegepraal zullen het nooit doen. Eene afspraak om den eenen kant op eene onnatuurlijke manier altijd gelijk te geven, en den anderen kant altijd ongelijk,zal het nooit, nooit doen. En ze zoo maar hun gang te laten gaan, zal het ook nooit doen. Laat duizenden bij duizenden zoo maar hun gang gaan, allen hetzelfde leven leiden en altijd in denzelfden warboel blijven, en zij zullen aan den éénen kant blijven staan, en gij aan den anderen, met eene zwarte, onoverkomelijke diepte tusschen u, juist zoo lang en zoo kort als zulk eene ellende kan duren. Nooit met die menschen meer eigen te willen worden, door goedheid en geduld en opbeurende manieren, die hen zoo aan elkander hechten onder hunne vele bezwaren en elkander zoo doen bijstaan in hun nood met wat zij zelven wel konden gebruiken—gelijk ik nederig geloof dat door geen volk, dat die heer op zijne reizen gezien heeft, ooit kan overtroffen worden—ook dat zal het nooit doen, voordat de zon in ijs verandert. En voor het laatst, hen maar in rekening te brengen als zooveel stoomkracht, en te behandelen alsof zij cijfers van eene som of doode machines waren, zonder liefde of voorkeur, zonder geheugen of neigingen, zonder zielen, die moede kunnen worden en zielen die kunnen hopen; als alles rustig is, hen maar te laten voortzwoegen alsof zij niets van dien aard bezaten, en als alles onrustig is, hun te verwijten, dat zij in hunne betrekking tot u geen menschelijk gevoel toonen,—dat zal het nooit doen, mijnheer, eer de menschen geheel anders worden dan God hen geschapen heeft.”„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).Stephen stond met de hand aan de opene deur te wachten of er nog iets meer van hem verlangd werd.„Blijf nog een oogenblikje,” zeide mijnheer Bounderby met een bloedrood gezicht. „Ik heb u gezegd, toen gij de laatste maal met eene klacht hier kwaamt, dat gij liever moest omkeeren en u daarvan afhouden. En ik heb u ook gezegd, als gij het nog weet,dat ik het wel begreep als men den gouden lepel in het oog had.”„Ik zelf heb nooit zoo iets in het oog gehad, mijnheer, dat verzeker ik u.”„Nu is het mij duidelijk geworden,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat gij een van die snaken zijt, die altijd grieven hebben, en dat gij rondloopt om die grieven uit te zaaien en voort te planten. Dit is het werk van uw leven, mijn vriend.”Stephen schudde zijn hoofd,—een zwijgende betuiging dat hij wel ander werk had.„Gij zijt zulk een netelige, hatelijke, onverdraaglijke kerel,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat zelfs uwe eigene vereeniging, de menschen die u het best kennen, niets met u te doen willen hebben. Ik had nooit gedacht dat die knapen in iets gelijk konden hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Voor de aardigheidzal ik hen nu eens zoo ver gelijk geven, dat ik ook niets meer met u te doen wil hebben.”Stephen sloeg snel zijne oogen op om hem aan te zien.„Gij kunt afmaken waaraan gij bezig zijt,” zeide mijnheer Bounderby met een veelbeduidend knikje, „en dan ergens anders heen gaan.”„Mijnheer, gij weet wel,” zeide Stephen met nadruk, „dat ik, als ik bij u geen werk kan krijgen, het ook nergens anders krijgen kan.”„Wat ik weet, dat weet ik,” luidde het antwoord, „en wat gij weet, dat weet gij. Ik heb er niets meer over te zeggen.”Stephen zag nog eens naar Louisa om, maar hare oogen waren niet meer naar de zijne opgeslagen; hij slaakte dus een zucht, en met de woorden: „De Hemel helpe ons allen in deze wereld,” die hij maar weinig harder dan fluisterend uitsprak, ging hij heen.

XXI.MANNEN EN MEESTERS.

„Wel, Stephen,” zeide Bounderby op zijne winderige manier, „wat heb ik gehoord? Wat hebben die pesten der maatschappij met u gedaan? Kom binnen en spreek op.”Het was het salon, waar hij dus verzocht werd binnen te treden. De theetafel stond gereed, en mijnheer Bounderby’s jeugdige vrouw, en haar broeder, en een groot heer uitLondenwaren aanwezig. Voor al deze personen maakte Stephen eene buiging, sloot de deur en bleef met den hoed in de hand daarbij staan.„Dit is de man, van wien ik u zoo even gesproken heb, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby.De heer, tot wien hij het woord richtte en die met mevrouw Bounderby op de sofa zat te praten, stond op, zeide op een slependen toon: „Ei zoo!” en kuierde onverschillig en dralend naar het haardkleedje, waar mijnheer Bounderby stond.„Komaan,” zeide Bounderby, „spreek nu maar op.”Na de vier verloopene dagen klonk deze toespraak Stephen rauw en wanluidend in de ooren. Behalve dat zijn gewond gemoed daardoor onzacht werd aangetast, scheen men ook te onderstellen, dat hij werkelijk uit eigenbelang zijne makkers had verlaten, gelijk men hem verweten had.„Wat was het, mijnheer,” zeide Stephen, „dat het u beliefde van mij te willen hebben?”„Wel, dat heb ik u gezegd,” antwoordde Bounderby. „Spreek op als een man, daar gij een man zijt, en vertel ons van u zelven en die combinatie.”„Met uw believen, mijnheer,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb er niets van te zeggen.”Mijnheer Bounderby, die altijd meer of min naar den wind geleek en nu iets in zijn weg vond staan, begon er terstond tegen te blazen.„Zie nu eens hier, Harthouse,” zeide hij, „daar hebt gij nu een van hen. Toen deze man vroeger eens hier was, heb ik hem gewaarschuwd voor de kwaadwillige vreemdelingen, die altijd rondloopen—en die, waar men ze vond, behoorden opgehangen te worden—en ik heb dien man toen gezegd, dat hij een verkeerden weg opging. Zoudt gij het nu gelooven, dat hij, hoewel zij hem zoo geteekend hebben, nog zulk een slaaf van hen is, dat hij bang is om zijn mond over hen open te doen!”„Ik heb gezegd, dat ik niets te zeggen had, mijnheer; niet dat ik bang was om mijn mond open te doen.”„Zegt gij zoo? Ja, ik weet wel wat gij gezegd hebt, en nog meer; ik weet ook wat gijmeent, begrijpt ge! Dat is waarachtig niet altijd hetzelfde. Dikwijls geheel iets anders. Gij moest ons liever maar zeggen, dat die kerel, Slackbridge, niet in de stad is om het werkvolk tot muiterij op te stoken; en dat hij geen volksleider van de echte soort, dat wil zeggen een doortrapte schobbejak is. Gij moest ons dat liever maar dadelijk zeggen; gij kunt mij toch niet bedriegen. Gij wilt ons dat immers zeggen? Waarom doet gij het dan niet?”„Het spijt mij evenzeer als u, mijnheer, als het volk slechte leidslieden heeft,” antwoordde Stephen, zijn hoofd schuddende. „Zij nemen maar degenen, die zich voordoen. Misschien is het niet het kleinste van hunne ongelukken, dat zij geen betere kunnen krijgen.”De wind begon onstuimig te worden.„Gij vindt dit zeker al tamelijk wel, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby; „gij vindt dit zeker al vrij sterk. Gij zult wel zeggen, bij mijne ziel, dat is een aardig staaltje van de soort van lieden waarmede mijne vrienden moeten omspringen; maar dit is nog niemendal, mijnheer. Gij zult mij dien man eene vraag hooren doen. Zeg eens, mijnheer Blackpool,”—de wind stak al meer en meer op—„mag ik zoo vrij zijn van u te vragen hoe het komt, dat gij geweigerd hebt tot die combinatie toe te treden?”„Hoe het komt?”„Ja,” zeide mijnheer Bounderby, met zijne duimen in de mouwen van zijn rok, terwijl hij met zijn hoofd knikte en zijne oogen dichtkneep, als ware het in vertrouwen tegen den muur aan den overkant, „hoe het komt.”„Ik had er liever niet van willen spreken, mijnheer; maar daar gij het mij vraagt, en ik niet ongemanierd wil zijn, zal ik toch antwoorden: ik had mijn woord gegeven.”„Niet aan mij, dat weet gij wel,” zeide Bounderby. (Stormachtig weer, met bedrieglijke tusschenpoozen van kalmte, waarvan er nu juist een heerschte).„O neen, mijnheer, niet aan u.”„Wat mij aangaat, alle betrekking tot mij heeft er volstrekt geen deel aan,” zeide Bounderby, nog in vertrouwen tegen den muur. „Als het alleen om Josiah Bounderby vanCoketownware te doen geweest, hadt gij zeker medegedaan en er geen been in gevonden?”„Ja wel, mijnheer, dat is waar.”„Ofschoon hij weet,” zeide mijnheer Bounderby, nu in eene stormvlaag uitbarstende, „dat die kerels een troep rebellen en schelmen zijn, voor wie het nog te weinig zou zijn als zij gedeporteerd werden! Nu, mijnheer Harthouse, gij hebt eenigen tijd in de wereld rondgezworven. Hebt gij buiten dit gezegende land ooit iets gevonden, dat naar dien man geleek?” En mijnheer Bounderby wees naar hem met een van gramschap trillenden vinger.„Neen, mevrouw,” zeide Stephen Blackpool, in manhaftig protest tegen de gebezigde woorden, en zich onwillekeurig tot Louisa richtende, nadat hij haar even in de oogen had gezien. „Geene rebellen of schelmen. Niets van dien aard, mevrouw, niets van dien aard. Zij hebben mij niet vriendelijk behandeld, mevrouw, dat weet en gevoel ik wel. Maar er zijn er geen twaalf onder hen, mevrouw—geen twaalf?—geen zes, of ieder gelooft dat hij zijn plicht heeft gedaan jegens de anderen en zich zelven. God verhoede dat ik, die al mijn leven deze menschen gekend heb en ondervinding van hen heb gehad—ik, die met hen gegeten en gedronken heb, en bij hen gezeten en met hen gewerkt en hen liefgehad heb, zou nalaten om de waarheid van hen te getuigen, al hadden zij mij nog zooveel kwaad gedaan.”Hij sprak met den stroeven ernst van zijn stand en zijn karakter, misschien nog verhoogd door de trotsche bewustheid, dat hij zijne klasse, onder al haar wantrouwen, getrouw was gebleven; maar hij herinnerde zich volkomen waar hij was en verhief zelfs zijne stem niet.„Neen, mevrouw, neen. Zij zijn elkander trouw en zijn liefderijk voor elkander, zelfs tot in den dood. Wees onder hen arm, wees onder hen ziek, wees onder hen bedroefd, om een van de vele oorzaken, die den armen man droefenis in huis brengen, en zij zullen goed voor u zijn, zacht voor u zijn, troostrijk voor u zijn, christelijk voor u zijn. Daarvan kunt gij zeker wezen, mevrouw. Zij zouden aan stukken geplukt moeten worden, eer zij anders werden.”„Kortom,” zeide mijnheer Bounderby, „het is zeker omdat zij zoo vol deugden steken, dat zij u hebben weggejaagd. Ga er maar mede voort, nu gij er toch aan begonnen zijt. Spreek maar op.”„Hoe het komt, mevrouw,” hervatte Stephen, die nog zijne natuurlijke toevlucht in Louisa’s gezicht scheen te vinden, „dat juist datgene, wat in onze lieden het beste is, het meest tot ons nadeel en ongeluk schijnt uit te loopen en ons het meest op een dwaalweg schijnt te brengen, weet ik niet. Maar het is zoo. Ik weet dat het zoo is, evengoed als ik weet, dat er een hemel boven mij is achter den rook. Wij zijn toch ook geduldig en willen over het geheel doen wat recht is. Ik kan niet denken, dat de schuld geheel bij ons ligt.”„Nu, mijn vriend,” zeide mijnheer Bounderby, wien Stephen niet méér had kunnen vertoornen, hoewel hij daarvan geheel onbewust was, dan door zich naar het scheen op iemand anders te beroepen, „als gemijnu een halve minuut uwe aandacht wilt verleenen, heb ik een paar woorden met u te spreken. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij ons niets over die zaak te zeggen hadt. Zijt ge daarvan geheel zeker, eer wij verder gaan?”„Ja, mijnheer, daarvan ben ik zeker.”„Hier is een heer uitLonden,”—mijnheer Bounderby wees achterwaarts met zijn duim naar mijnheer James Harthouse—„een heer van het Parlement. Ik zou gaarne hebben, dat hij een kort gesprek tusschen u en mij aanhoorde, in plaats van den inhoud daarvan—ik weet al vooruit wat die zijn zal; niemand weet dat beter dan ik, onthoud dat wel—op goed vertrouwen uit mijn mond te moeten aannemen.”Stephen boog zijn hoofd voor den heer uitLondenen toonde zich wat meer ontrust en verlegen dan gewoonlijk. Onwillekeurig zochten zijne oogen zijne vorige toevlucht, maar op een wenk van dien kant (nadrukkelijk, hoewel oogenblikkelijk) vestigde hij ze weder op mijnheer Bounderby.„Zeg nu eens, waarover klaagt gij?” vroeg mijnheer Bounderby.„Ik ben niet hier gekomen om te klagen, mijnheer,” antwoordde Stephen. „Ik kom omdat ik geroepen ben.”„Wel,” hervatte mijnheer Bounderby, zijne armen over elkander slaande, „waarover klaagt gijlieden dan in het algemeen?”Stephen zag een oogenblik eenigszins weifelend om zich heen en scheen toen tot een besluit te komen.„Mijnheer, ik ben nooit heel knap geweest om dat te zeggen, al heb ik van het gevoel er van zoo goed mijn deel gehad als iemand anders. Inderdaad, wij zitten in een warboel, mijnheer. Zie maar eens rond in deze stad—zoo rijk als zij is—en zie dan de menigte van menschen, die hier in de stad zijn gekomen om voor hun brood te weven, te kaarden en zoo al meer, altijd eenerlei, van hunne wieg tot aan het graf. Zie hoe wij leven en waar wij leven, en in welk eene menigte, en hoe eentonig ons leven en hoe wisselvallig ons bestaan is; en zie hoe de fabrieken altijd aan het werk blijven, en hoe zij ons met dat werk nooit nader tot iets brengen—behalve alleen aan den dood. Zie hoe gij over ons denkt, en over ons schrijft, en over ons praat, en met uwe deputaties naar ministers over ons gaat, en hoe gij altijd gelijk hebt en hoe wij altijd ongelijk hebben, en er nooit iets redelijks en verstandigs in ons te vinden is. Zie hoe dit is toegenomen, mijnheer, al grooter en grooter geworden, al zwaarder en zwaarder, en al harder en harder, van jaar tot jaar, van geslacht tot geslacht. Wie kan dat aanzien, mijnheer, en dan nog goedsmoeds zeggen, dat dit geen warboel is?”„Natuurlijk,” zeide mijnheer Bounderby, „En nu zult gij misschien dien heer ook wel laten weten, hoe gij dien warboel (gelijk gij het zoo gaarne noemt) terecht zoudt willen brengen?”„Dat weet ik niet, mijnheer. Dat is niet van mij te wachten. Ik ben het niet, van wien dat gevergd moet worden. Dat zijn diegenen, die over ons gesteld zijn en over al de rest van ons. Waarvoor zijn zij anders, mijnheer, als zij dat niet doen?”„Dan zal ik u iets zeggen, wat er ten minste aan te doen is,” antwoordde mijnheer Bounderby. „Wij zullen een voorbeeld maken van een half dozijn Slackbridge’s. Wij zullen die schavuiten voor de rechtbank brengen en naar de straf-koloniën zenden.”Stephen schudde ernstig zijn hoofd.„Zeg mij niet van neen, man,” vervolgde mijnheer Bounderby, en nu waaide het een orkaan, „want dat zullen wij, zeg ik u.”„Mijnheer,” antwoordde Stephen, met de kalme vastheid eener onwankelbare overtuiging, „al zoudt ge honderd Slackbridge’s nemen—allen die er maar zijn, zelfs tienmaal zooveel—en ze ieder in een zak naaien, en in de diepste zee laten zinken, die er ooit geweest is eer er nog droog land was, dan zoudt gij toch den warboel eveneens laten als hij is. Opruiende vreemdelingen!” vervolgde Stephen met een glimlach, „wanneer, zoolang wij ons kunnen herinneren, hebben wij niet van opruiende vreemdelingen gehoord! Het is niet door hen dat er onrust komt, mijnheer. Het is niet bij hen dat het begint. Ik ben geen vriend van hen—ik heb geen reden om hun vriend te zijn—maar het is hopeloos en nutteloos, die lieden voor hun handwerk te willen straffen, in plaats van dat handwerk zelf te beletten. Allen die nu hier in de kamer om mij heen zijn, waren hier eer ik kwam, en zullen nog hier zijn als ik weg ben. Breng die klok aan boord van een schip en zend ze weg naar het eilandNorfolk, en de tijd zal toch eveneens voortgaan. Zoo is het ook met Slackbridge.”Zich voor een oogenblik naar zijne vorige toevlucht keerende, nam hij eene waarschuwende beweging harer oogen naar de deur waar. Terugtredende sloeg hij zijne hand aan de kruk. Maar hij had niet uit eigen wil en verlangen gesproken, en hij gevoelde in zijn hart, dat het eene edele vergelding van het geledene onrecht zou zijn, indien hij hun, die hem zoo verzaakt hadden, tot het laatste toe getrouw bleef. Hij bleef dus staan om geheel te zeggen wat hij nog op het gemoed had.„Mijnheer, ik kan met mijn beetje kennis en mijne gemeene manier van spreken dezen heer niet zeggen, wat dit alles zou kunnen verbeteren,—hoewel sommige werklieden hier in de stad het wel konden doen, veel beter dan ik; maar ik kan hem toch wel zeggen wat ik weet dat nooit baten zal. De sterke hand zal het nooit doen. Overwinning en zegepraal zullen het nooit doen. Eene afspraak om den eenen kant op eene onnatuurlijke manier altijd gelijk te geven, en den anderen kant altijd ongelijk,zal het nooit, nooit doen. En ze zoo maar hun gang te laten gaan, zal het ook nooit doen. Laat duizenden bij duizenden zoo maar hun gang gaan, allen hetzelfde leven leiden en altijd in denzelfden warboel blijven, en zij zullen aan den éénen kant blijven staan, en gij aan den anderen, met eene zwarte, onoverkomelijke diepte tusschen u, juist zoo lang en zoo kort als zulk eene ellende kan duren. Nooit met die menschen meer eigen te willen worden, door goedheid en geduld en opbeurende manieren, die hen zoo aan elkander hechten onder hunne vele bezwaren en elkander zoo doen bijstaan in hun nood met wat zij zelven wel konden gebruiken—gelijk ik nederig geloof dat door geen volk, dat die heer op zijne reizen gezien heeft, ooit kan overtroffen worden—ook dat zal het nooit doen, voordat de zon in ijs verandert. En voor het laatst, hen maar in rekening te brengen als zooveel stoomkracht, en te behandelen alsof zij cijfers van eene som of doode machines waren, zonder liefde of voorkeur, zonder geheugen of neigingen, zonder zielen, die moede kunnen worden en zielen die kunnen hopen; als alles rustig is, hen maar te laten voortzwoegen alsof zij niets van dien aard bezaten, en als alles onrustig is, hun te verwijten, dat zij in hunne betrekking tot u geen menschelijk gevoel toonen,—dat zal het nooit doen, mijnheer, eer de menschen geheel anders worden dan God hen geschapen heeft.”„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).Stephen stond met de hand aan de opene deur te wachten of er nog iets meer van hem verlangd werd.„Blijf nog een oogenblikje,” zeide mijnheer Bounderby met een bloedrood gezicht. „Ik heb u gezegd, toen gij de laatste maal met eene klacht hier kwaamt, dat gij liever moest omkeeren en u daarvan afhouden. En ik heb u ook gezegd, als gij het nog weet,dat ik het wel begreep als men den gouden lepel in het oog had.”„Ik zelf heb nooit zoo iets in het oog gehad, mijnheer, dat verzeker ik u.”„Nu is het mij duidelijk geworden,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat gij een van die snaken zijt, die altijd grieven hebben, en dat gij rondloopt om die grieven uit te zaaien en voort te planten. Dit is het werk van uw leven, mijn vriend.”Stephen schudde zijn hoofd,—een zwijgende betuiging dat hij wel ander werk had.„Gij zijt zulk een netelige, hatelijke, onverdraaglijke kerel,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat zelfs uwe eigene vereeniging, de menschen die u het best kennen, niets met u te doen willen hebben. Ik had nooit gedacht dat die knapen in iets gelijk konden hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Voor de aardigheidzal ik hen nu eens zoo ver gelijk geven, dat ik ook niets meer met u te doen wil hebben.”Stephen sloeg snel zijne oogen op om hem aan te zien.„Gij kunt afmaken waaraan gij bezig zijt,” zeide mijnheer Bounderby met een veelbeduidend knikje, „en dan ergens anders heen gaan.”„Mijnheer, gij weet wel,” zeide Stephen met nadruk, „dat ik, als ik bij u geen werk kan krijgen, het ook nergens anders krijgen kan.”„Wat ik weet, dat weet ik,” luidde het antwoord, „en wat gij weet, dat weet gij. Ik heb er niets meer over te zeggen.”Stephen zag nog eens naar Louisa om, maar hare oogen waren niet meer naar de zijne opgeslagen; hij slaakte dus een zucht, en met de woorden: „De Hemel helpe ons allen in deze wereld,” die hij maar weinig harder dan fluisterend uitsprak, ging hij heen.

„Wel, Stephen,” zeide Bounderby op zijne winderige manier, „wat heb ik gehoord? Wat hebben die pesten der maatschappij met u gedaan? Kom binnen en spreek op.”

Het was het salon, waar hij dus verzocht werd binnen te treden. De theetafel stond gereed, en mijnheer Bounderby’s jeugdige vrouw, en haar broeder, en een groot heer uitLondenwaren aanwezig. Voor al deze personen maakte Stephen eene buiging, sloot de deur en bleef met den hoed in de hand daarbij staan.

„Dit is de man, van wien ik u zoo even gesproken heb, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby.

De heer, tot wien hij het woord richtte en die met mevrouw Bounderby op de sofa zat te praten, stond op, zeide op een slependen toon: „Ei zoo!” en kuierde onverschillig en dralend naar het haardkleedje, waar mijnheer Bounderby stond.

„Komaan,” zeide Bounderby, „spreek nu maar op.”

Na de vier verloopene dagen klonk deze toespraak Stephen rauw en wanluidend in de ooren. Behalve dat zijn gewond gemoed daardoor onzacht werd aangetast, scheen men ook te onderstellen, dat hij werkelijk uit eigenbelang zijne makkers had verlaten, gelijk men hem verweten had.

„Wat was het, mijnheer,” zeide Stephen, „dat het u beliefde van mij te willen hebben?”

„Wel, dat heb ik u gezegd,” antwoordde Bounderby. „Spreek op als een man, daar gij een man zijt, en vertel ons van u zelven en die combinatie.”

„Met uw believen, mijnheer,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb er niets van te zeggen.”

Mijnheer Bounderby, die altijd meer of min naar den wind geleek en nu iets in zijn weg vond staan, begon er terstond tegen te blazen.

„Zie nu eens hier, Harthouse,” zeide hij, „daar hebt gij nu een van hen. Toen deze man vroeger eens hier was, heb ik hem gewaarschuwd voor de kwaadwillige vreemdelingen, die altijd rondloopen—en die, waar men ze vond, behoorden opgehangen te worden—en ik heb dien man toen gezegd, dat hij een verkeerden weg opging. Zoudt gij het nu gelooven, dat hij, hoewel zij hem zoo geteekend hebben, nog zulk een slaaf van hen is, dat hij bang is om zijn mond over hen open te doen!”

„Ik heb gezegd, dat ik niets te zeggen had, mijnheer; niet dat ik bang was om mijn mond open te doen.”

„Zegt gij zoo? Ja, ik weet wel wat gij gezegd hebt, en nog meer; ik weet ook wat gijmeent, begrijpt ge! Dat is waarachtig niet altijd hetzelfde. Dikwijls geheel iets anders. Gij moest ons liever maar zeggen, dat die kerel, Slackbridge, niet in de stad is om het werkvolk tot muiterij op te stoken; en dat hij geen volksleider van de echte soort, dat wil zeggen een doortrapte schobbejak is. Gij moest ons dat liever maar dadelijk zeggen; gij kunt mij toch niet bedriegen. Gij wilt ons dat immers zeggen? Waarom doet gij het dan niet?”

„Het spijt mij evenzeer als u, mijnheer, als het volk slechte leidslieden heeft,” antwoordde Stephen, zijn hoofd schuddende. „Zij nemen maar degenen, die zich voordoen. Misschien is het niet het kleinste van hunne ongelukken, dat zij geen betere kunnen krijgen.”

De wind begon onstuimig te worden.

„Gij vindt dit zeker al tamelijk wel, Harthouse,” zeide mijnheer Bounderby; „gij vindt dit zeker al vrij sterk. Gij zult wel zeggen, bij mijne ziel, dat is een aardig staaltje van de soort van lieden waarmede mijne vrienden moeten omspringen; maar dit is nog niemendal, mijnheer. Gij zult mij dien man eene vraag hooren doen. Zeg eens, mijnheer Blackpool,”—de wind stak al meer en meer op—„mag ik zoo vrij zijn van u te vragen hoe het komt, dat gij geweigerd hebt tot die combinatie toe te treden?”

„Hoe het komt?”

„Ja,” zeide mijnheer Bounderby, met zijne duimen in de mouwen van zijn rok, terwijl hij met zijn hoofd knikte en zijne oogen dichtkneep, als ware het in vertrouwen tegen den muur aan den overkant, „hoe het komt.”

„Ik had er liever niet van willen spreken, mijnheer; maar daar gij het mij vraagt, en ik niet ongemanierd wil zijn, zal ik toch antwoorden: ik had mijn woord gegeven.”

„Niet aan mij, dat weet gij wel,” zeide Bounderby. (Stormachtig weer, met bedrieglijke tusschenpoozen van kalmte, waarvan er nu juist een heerschte).

„O neen, mijnheer, niet aan u.”

„Wat mij aangaat, alle betrekking tot mij heeft er volstrekt geen deel aan,” zeide Bounderby, nog in vertrouwen tegen den muur. „Als het alleen om Josiah Bounderby vanCoketownware te doen geweest, hadt gij zeker medegedaan en er geen been in gevonden?”

„Ja wel, mijnheer, dat is waar.”

„Ofschoon hij weet,” zeide mijnheer Bounderby, nu in eene stormvlaag uitbarstende, „dat die kerels een troep rebellen en schelmen zijn, voor wie het nog te weinig zou zijn als zij gedeporteerd werden! Nu, mijnheer Harthouse, gij hebt eenigen tijd in de wereld rondgezworven. Hebt gij buiten dit gezegende land ooit iets gevonden, dat naar dien man geleek?” En mijnheer Bounderby wees naar hem met een van gramschap trillenden vinger.

„Neen, mevrouw,” zeide Stephen Blackpool, in manhaftig protest tegen de gebezigde woorden, en zich onwillekeurig tot Louisa richtende, nadat hij haar even in de oogen had gezien. „Geene rebellen of schelmen. Niets van dien aard, mevrouw, niets van dien aard. Zij hebben mij niet vriendelijk behandeld, mevrouw, dat weet en gevoel ik wel. Maar er zijn er geen twaalf onder hen, mevrouw—geen twaalf?—geen zes, of ieder gelooft dat hij zijn plicht heeft gedaan jegens de anderen en zich zelven. God verhoede dat ik, die al mijn leven deze menschen gekend heb en ondervinding van hen heb gehad—ik, die met hen gegeten en gedronken heb, en bij hen gezeten en met hen gewerkt en hen liefgehad heb, zou nalaten om de waarheid van hen te getuigen, al hadden zij mij nog zooveel kwaad gedaan.”

Hij sprak met den stroeven ernst van zijn stand en zijn karakter, misschien nog verhoogd door de trotsche bewustheid, dat hij zijne klasse, onder al haar wantrouwen, getrouw was gebleven; maar hij herinnerde zich volkomen waar hij was en verhief zelfs zijne stem niet.

„Neen, mevrouw, neen. Zij zijn elkander trouw en zijn liefderijk voor elkander, zelfs tot in den dood. Wees onder hen arm, wees onder hen ziek, wees onder hen bedroefd, om een van de vele oorzaken, die den armen man droefenis in huis brengen, en zij zullen goed voor u zijn, zacht voor u zijn, troostrijk voor u zijn, christelijk voor u zijn. Daarvan kunt gij zeker wezen, mevrouw. Zij zouden aan stukken geplukt moeten worden, eer zij anders werden.”

„Kortom,” zeide mijnheer Bounderby, „het is zeker omdat zij zoo vol deugden steken, dat zij u hebben weggejaagd. Ga er maar mede voort, nu gij er toch aan begonnen zijt. Spreek maar op.”

„Hoe het komt, mevrouw,” hervatte Stephen, die nog zijne natuurlijke toevlucht in Louisa’s gezicht scheen te vinden, „dat juist datgene, wat in onze lieden het beste is, het meest tot ons nadeel en ongeluk schijnt uit te loopen en ons het meest op een dwaalweg schijnt te brengen, weet ik niet. Maar het is zoo. Ik weet dat het zoo is, evengoed als ik weet, dat er een hemel boven mij is achter den rook. Wij zijn toch ook geduldig en willen over het geheel doen wat recht is. Ik kan niet denken, dat de schuld geheel bij ons ligt.”

„Nu, mijn vriend,” zeide mijnheer Bounderby, wien Stephen niet méér had kunnen vertoornen, hoewel hij daarvan geheel onbewust was, dan door zich naar het scheen op iemand anders te beroepen, „als gemijnu een halve minuut uwe aandacht wilt verleenen, heb ik een paar woorden met u te spreken. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij ons niets over die zaak te zeggen hadt. Zijt ge daarvan geheel zeker, eer wij verder gaan?”

„Ja, mijnheer, daarvan ben ik zeker.”

„Hier is een heer uitLonden,”—mijnheer Bounderby wees achterwaarts met zijn duim naar mijnheer James Harthouse—„een heer van het Parlement. Ik zou gaarne hebben, dat hij een kort gesprek tusschen u en mij aanhoorde, in plaats van den inhoud daarvan—ik weet al vooruit wat die zijn zal; niemand weet dat beter dan ik, onthoud dat wel—op goed vertrouwen uit mijn mond te moeten aannemen.”

Stephen boog zijn hoofd voor den heer uitLondenen toonde zich wat meer ontrust en verlegen dan gewoonlijk. Onwillekeurig zochten zijne oogen zijne vorige toevlucht, maar op een wenk van dien kant (nadrukkelijk, hoewel oogenblikkelijk) vestigde hij ze weder op mijnheer Bounderby.

„Zeg nu eens, waarover klaagt gij?” vroeg mijnheer Bounderby.

„Ik ben niet hier gekomen om te klagen, mijnheer,” antwoordde Stephen. „Ik kom omdat ik geroepen ben.”

„Wel,” hervatte mijnheer Bounderby, zijne armen over elkander slaande, „waarover klaagt gijlieden dan in het algemeen?”

Stephen zag een oogenblik eenigszins weifelend om zich heen en scheen toen tot een besluit te komen.

„Mijnheer, ik ben nooit heel knap geweest om dat te zeggen, al heb ik van het gevoel er van zoo goed mijn deel gehad als iemand anders. Inderdaad, wij zitten in een warboel, mijnheer. Zie maar eens rond in deze stad—zoo rijk als zij is—en zie dan de menigte van menschen, die hier in de stad zijn gekomen om voor hun brood te weven, te kaarden en zoo al meer, altijd eenerlei, van hunne wieg tot aan het graf. Zie hoe wij leven en waar wij leven, en in welk eene menigte, en hoe eentonig ons leven en hoe wisselvallig ons bestaan is; en zie hoe de fabrieken altijd aan het werk blijven, en hoe zij ons met dat werk nooit nader tot iets brengen—behalve alleen aan den dood. Zie hoe gij over ons denkt, en over ons schrijft, en over ons praat, en met uwe deputaties naar ministers over ons gaat, en hoe gij altijd gelijk hebt en hoe wij altijd ongelijk hebben, en er nooit iets redelijks en verstandigs in ons te vinden is. Zie hoe dit is toegenomen, mijnheer, al grooter en grooter geworden, al zwaarder en zwaarder, en al harder en harder, van jaar tot jaar, van geslacht tot geslacht. Wie kan dat aanzien, mijnheer, en dan nog goedsmoeds zeggen, dat dit geen warboel is?”

„Natuurlijk,” zeide mijnheer Bounderby, „En nu zult gij misschien dien heer ook wel laten weten, hoe gij dien warboel (gelijk gij het zoo gaarne noemt) terecht zoudt willen brengen?”

„Dat weet ik niet, mijnheer. Dat is niet van mij te wachten. Ik ben het niet, van wien dat gevergd moet worden. Dat zijn diegenen, die over ons gesteld zijn en over al de rest van ons. Waarvoor zijn zij anders, mijnheer, als zij dat niet doen?”

„Dan zal ik u iets zeggen, wat er ten minste aan te doen is,” antwoordde mijnheer Bounderby. „Wij zullen een voorbeeld maken van een half dozijn Slackbridge’s. Wij zullen die schavuiten voor de rechtbank brengen en naar de straf-koloniën zenden.”

Stephen schudde ernstig zijn hoofd.

„Zeg mij niet van neen, man,” vervolgde mijnheer Bounderby, en nu waaide het een orkaan, „want dat zullen wij, zeg ik u.”

„Mijnheer,” antwoordde Stephen, met de kalme vastheid eener onwankelbare overtuiging, „al zoudt ge honderd Slackbridge’s nemen—allen die er maar zijn, zelfs tienmaal zooveel—en ze ieder in een zak naaien, en in de diepste zee laten zinken, die er ooit geweest is eer er nog droog land was, dan zoudt gij toch den warboel eveneens laten als hij is. Opruiende vreemdelingen!” vervolgde Stephen met een glimlach, „wanneer, zoolang wij ons kunnen herinneren, hebben wij niet van opruiende vreemdelingen gehoord! Het is niet door hen dat er onrust komt, mijnheer. Het is niet bij hen dat het begint. Ik ben geen vriend van hen—ik heb geen reden om hun vriend te zijn—maar het is hopeloos en nutteloos, die lieden voor hun handwerk te willen straffen, in plaats van dat handwerk zelf te beletten. Allen die nu hier in de kamer om mij heen zijn, waren hier eer ik kwam, en zullen nog hier zijn als ik weg ben. Breng die klok aan boord van een schip en zend ze weg naar het eilandNorfolk, en de tijd zal toch eveneens voortgaan. Zoo is het ook met Slackbridge.”

Zich voor een oogenblik naar zijne vorige toevlucht keerende, nam hij eene waarschuwende beweging harer oogen naar de deur waar. Terugtredende sloeg hij zijne hand aan de kruk. Maar hij had niet uit eigen wil en verlangen gesproken, en hij gevoelde in zijn hart, dat het eene edele vergelding van het geledene onrecht zou zijn, indien hij hun, die hem zoo verzaakt hadden, tot het laatste toe getrouw bleef. Hij bleef dus staan om geheel te zeggen wat hij nog op het gemoed had.

„Mijnheer, ik kan met mijn beetje kennis en mijne gemeene manier van spreken dezen heer niet zeggen, wat dit alles zou kunnen verbeteren,—hoewel sommige werklieden hier in de stad het wel konden doen, veel beter dan ik; maar ik kan hem toch wel zeggen wat ik weet dat nooit baten zal. De sterke hand zal het nooit doen. Overwinning en zegepraal zullen het nooit doen. Eene afspraak om den eenen kant op eene onnatuurlijke manier altijd gelijk te geven, en den anderen kant altijd ongelijk,zal het nooit, nooit doen. En ze zoo maar hun gang te laten gaan, zal het ook nooit doen. Laat duizenden bij duizenden zoo maar hun gang gaan, allen hetzelfde leven leiden en altijd in denzelfden warboel blijven, en zij zullen aan den éénen kant blijven staan, en gij aan den anderen, met eene zwarte, onoverkomelijke diepte tusschen u, juist zoo lang en zoo kort als zulk eene ellende kan duren. Nooit met die menschen meer eigen te willen worden, door goedheid en geduld en opbeurende manieren, die hen zoo aan elkander hechten onder hunne vele bezwaren en elkander zoo doen bijstaan in hun nood met wat zij zelven wel konden gebruiken—gelijk ik nederig geloof dat door geen volk, dat die heer op zijne reizen gezien heeft, ooit kan overtroffen worden—ook dat zal het nooit doen, voordat de zon in ijs verandert. En voor het laatst, hen maar in rekening te brengen als zooveel stoomkracht, en te behandelen alsof zij cijfers van eene som of doode machines waren, zonder liefde of voorkeur, zonder geheugen of neigingen, zonder zielen, die moede kunnen worden en zielen die kunnen hopen; als alles rustig is, hen maar te laten voortzwoegen alsof zij niets van dien aard bezaten, en als alles onrustig is, hun te verwijten, dat zij in hunne betrekking tot u geen menschelijk gevoel toonen,—dat zal het nooit doen, mijnheer, eer de menschen geheel anders worden dan God hen geschapen heeft.”

„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).

„MEVROUW BOUNDERBY, IK HOUD HET VOOR EEN ZEER GELUKKIG TOEVAL, DAT IK U HIER ALLEEN VIND.” (Blz. 82).

Stephen stond met de hand aan de opene deur te wachten of er nog iets meer van hem verlangd werd.

„Blijf nog een oogenblikje,” zeide mijnheer Bounderby met een bloedrood gezicht. „Ik heb u gezegd, toen gij de laatste maal met eene klacht hier kwaamt, dat gij liever moest omkeeren en u daarvan afhouden. En ik heb u ook gezegd, als gij het nog weet,dat ik het wel begreep als men den gouden lepel in het oog had.”

„Ik zelf heb nooit zoo iets in het oog gehad, mijnheer, dat verzeker ik u.”

„Nu is het mij duidelijk geworden,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat gij een van die snaken zijt, die altijd grieven hebben, en dat gij rondloopt om die grieven uit te zaaien en voort te planten. Dit is het werk van uw leven, mijn vriend.”

Stephen schudde zijn hoofd,—een zwijgende betuiging dat hij wel ander werk had.

„Gij zijt zulk een netelige, hatelijke, onverdraaglijke kerel,” vervolgde mijnheer Bounderby, „dat zelfs uwe eigene vereeniging, de menschen die u het best kennen, niets met u te doen willen hebben. Ik had nooit gedacht dat die knapen in iets gelijk konden hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Voor de aardigheidzal ik hen nu eens zoo ver gelijk geven, dat ik ook niets meer met u te doen wil hebben.”

Stephen sloeg snel zijne oogen op om hem aan te zien.

„Gij kunt afmaken waaraan gij bezig zijt,” zeide mijnheer Bounderby met een veelbeduidend knikje, „en dan ergens anders heen gaan.”

„Mijnheer, gij weet wel,” zeide Stephen met nadruk, „dat ik, als ik bij u geen werk kan krijgen, het ook nergens anders krijgen kan.”

„Wat ik weet, dat weet ik,” luidde het antwoord, „en wat gij weet, dat weet gij. Ik heb er niets meer over te zeggen.”

Stephen zag nog eens naar Louisa om, maar hare oogen waren niet meer naar de zijne opgeslagen; hij slaakte dus een zucht, en met de woorden: „De Hemel helpe ons allen in deze wereld,” die hij maar weinig harder dan fluisterend uitsprak, ging hij heen.


Back to IndexNext