XXII.

XXII.STEPHEN BLACKPOOL VERDWIJNT.Het was tusschen licht en donker toen Stephen bij mijnheer Bounderby de deur uitkwam. De nachtelijke schaduw was zoo snel neergedaald, dat hij, toen hij de deur had toegetrokken, niet eens om zich heen zag, maar met loomen tred rechtuit de straat langs ging. Niets was verder uit zijne gedachten dan de zonderlinge oude vrouw, die hij bij zijn vorig bezoek aan hetzelfde huis had ontmoet, toen hij een voetstap achter zich hoorde dien hij kende, en zich omkeerende, die vrouw wederzag, thans in gezelschap van Rachel.Hij zag Rachel het eerst, gelijk hij haar alleen had gehoord.„Ha, Rachel, mijn beste! Gij bij haar, juffrouw!”„Ja, gij zijt zeker wel verwonderd, en dat met reden, moet ik zeggen,” antwoordde de oude vrouw. „Daar ben ik alweer, ziet ge.”„Maar hoe zoo met Rachel?” zeide Stephen, terwijl hij zijn stap naar dien der vrouwen schikte en tusschen de twee in ging, nu naar de eene en dan naar de andere omkijkende.„Wel, ik ben omtrent eveneens aan dit goede meisje gekomen als ik aan u gekomen ben,” antwoordde de oude vrouw, op vroolijken toon het woord opvattende. „Ik kom hier dit jaar wat later dan gewoonlijk, want ik ben eenigszins met kortademigheid gekweld, en heb dus mijne reis uitgesteld tot wij warm en mooi weer hadden. Om dezelfde reden doe ik nu mijne reis niet geheel op één dag, maar neem er twee dagen toe, en slaap van nacht in het Reizigers-Koffiehuis bij den spoorweg (een knap, zindelijk huis) en ga morgenochtend om zes uur met den eersten trein weer heen. Maar wat heeft dat met dit goede meisje te doen, zult gij zeggen. Dat zal ik u vertellen. Ik heb gehoord, dat mijnheer Bounderby getrouwd is. Ik heb het in de courant gelezen, waar het wat heerlijk in stond—machtig mooi!” De oude vrouw zeide dit met eene zonderlinge opgetogenheid. „En nu wilde ik zijne vrouw zien. Ik heb haar nog nooit gezien. Zoudt ge nu gelooven, zij is sedert van middag twaalf uur de deur niet uitgekomen. Om het dus nu niet te licht op te geven, bleef ik voor het laatst nog een beetje wachten, en toen ging ik dit goede meisje twee- of driemaal voorbij; en daar zij zulk een vriendelijk gezichtje had, sprak ik haar aan, en zij bleef met mij aan de praat. Daar,” zeide de oude vrouw tot Stephen, „nu kunt ge al de rest wel zelf raden, veel korter dan ik het vertellen kan, mag ik wel zeggen.”Wederom had Stephen moeite om een onwillekeurigen afkeer van die oude vrouw te overwinnen, hoewel haar uitzicht en toon zoo eerlijk en eenvoudig waren als zij maar konden zijn. Met eene goedwilligheid, welke hem even natuurlijk was als hij wist dat zij dit Rachel was, bleef hij bij het onderwerp, dat haar in haar ouderdom nog zooveel belang inboezemde.„Wel, juffrouw,” zeide hij, „ik heb die dame gezien, en zij was jong en mooi. Met heerlijke, donkere, peinzende oogen, en zulk eene stille manier, Rachel, als ik nog nooit iemand anders gezien heb.”„Jong en mooi. Zoo zoo!” riep de oude vrouw vol blijdschap uit. „Bloeiend als eene roos! En zeker eene gelukkige vrouw!”„O ja, juffrouw, dat zou ik wel denken,” zeide Stephen, maar met een twijfelachtigen blik naar Rachel.„Zoudt gij denken? Dat moet zij wel wezen. Zij is immers uw meesters vrouw?” hervatte de oude vrouw.Stephen knikte toestemmend. „Hoewel wat dat meester aangaat,” zeide hij, wederom met een blik naar Rachel, „hij is nu mijn meester niet meer. Het is alles gedaan tusschen hem en mij.”„Hebt gij voor zijn werk bedankt, Stephen?” vroeg Rachel angstig en snel.„Wel, Rachel,” antwoordde hij, „of ik voor zijn werk heb bedankt, of hij mij afdankte, komt op hetzelfde neer. Zijn werk en ik zijn gescheiden. Het is ook al goed zoo—het beste misschien, dacht ik, juist toen ik u mij achterop hoorde komen. Het zou maar allerlei moeite veroorzaakt hebben als ik daar gebleven was. Misschien is het een geluk voor velen, dat ik heenga, misschien een geluk voor mij zelven; in allen gevalle het moet nu zoo wezen. Ik moetCoketownden rug toekeeren en mijn fortuin zoeken, beste, met opnieuw te beginnen.”„Waar zult ge naar toe gaan, Stephen?”„Dat weet ik van avond nog niet,” zeide hij, zijn hoed afnemend en zijne dunne haren met de vlakke hand gladstrijkende. „Maar ik ga van avond nog niet, Rachel, en morgen ook nog niet. Het is niet heel gemakkelijk te verzinnen waar ik naar toe zal gaan; maar ik zal wel moed houden.”In dit opzicht hielp hem de bewustheid, dat hij niet slechts onbaatzuchtig handelde, maar zelfs onbaatzuchtig dacht. Eer hij nog mijnheer Bounderby’s deur had toegetrokken, had hij overwogen, dat het ten minste voor haar goed was, dat hij genoodzaakt was om heen te gaan, dewijl zij dan geen gevaar meer zou loopen van insgelijks verdacht te worden, omdat zij zich niet van hem afzonderde. Hoewel het hem veel kosten zou haar te verlaten, en hoewel hij geene stad bedenken kon waar zijn vonnis hem niet volgen zou, was het misschien toch eene verademing voor hem, dat hij met geweld van het leed der vier laatste dagen werd ontheven al was het zelf om onbekende rampen en bezwarentegemoette gaan.Hij zeide dus naar waarheid: „Ik ben er kalmer onder, Rachel, dan ik had kunnen denken.”Het was hare taak niet zijn last te verzwaren; zij antwoordde dus met haar opbeurenden glimlach, en het drietal wandelde te zamen voort.Oude lieden, vooral wanneer zij hun best doen om vroolijk te zijn en anderen niet tot last te wezen, worden onder de armen algemeen geacht en geëerd. De oude vrouw had zulk een fatsoenlijk voorkomen, was zoo vergenoegd, en nam hare zwakheden, hoewel zij sedert haar vorig onderhoud met Stephen waren toegenomen, zoo licht op, dat beiden eene welwillende belangstelling voor haar begonnen te gevoelen. Zij was te vlug om te willen toelaten, dat men om harentwil langzamer ging, maar zij was zeer dankbaar dat men met haar praatte, en zelve zeer genegen om te praten; zoodat zij, toen men aan dat gedeelte der stad gekomen was, waar hare geleiders woonden, levendiger en luchtiger was geworden dan ooit.„Kom bij mij binnen, juffrouw,” zeide Stephen, „en drink een kopje thee. Rachel zal dan ook binnenkomen en u naderhand veilig naar uw logement brengen. Het zal misschien lang duren, Rachel, eer ik weder eens kans heb op uw gezelschap.”Men bewilligde, en de drie gingen verder naar het huis waar hij woonde. Toen men de smalle straat insloeg, keek Stephen naar zijn venster op met een angst, die hem altijd kwelde als hij naar huis ging; maar het venster stond open gelijk hij het gelaten had, en niemand was daar. De booze geest van zijn leven was maanden geleden weder verdwenen; en hij had sedert niet meer van haar gehoord. De eenige blijken harer laatste terugkomst waren thans het karigerhuisraadin zijne kamer en het grijzere haar op zijn hoofd.Hij stak eene kaars aan, zette zijn theeblad gereed, haalde heet water van beneden, en brood, boter en eene kleine portie thee en suiker in den naasten winkel. Het brood was versch en bros van korst, de boter niet lang geleden gemaakt en de suiker wit, natuurlijk—om de standvastige getuigenis der magnaten vanCoketownte bewaarheden, dat die menschen leefden als prinsen, mijnheer. Rachel zette thee (zulk een groot gezelschap maakte het noodzakelijk een kopje te leenen), en de vreemde oude vrouw was machtig in haar schik. Het was de eerste zweem van gezelligheid, dien de gastheer in vele dagen had gehad. Ook hij, met de wereld als eene barre, uitgestrekte heide voor zich, genoot dezen maaltijd—wederom ter bevestiging van de getuigenis der magnaten—als een voorbeeld van het volslagen gebrek aan overleg bij die menschen, mijnheer.„Ik heb er nog niet aan gedacht om naar uw naam te vragen, juffrouw,” zeide Stephen.De oude vrouw maakte zich bekend als „juffrouw Pegler.”„Eene weduwe, denk ik?” zeide Stephen.„O, vele jaren lang!”Juffrouw Pegler’s echtgenoot (een van de beste mannen, die er ooit geweest waren) was, volgens hare berekening, reeds dood toen Stephen geboren werd.„Het was wel een ongeluk, zoo’n goed man te verliezen. En kinderen?”Het kopje van juffrouw Pegler, dat tegen het schoteltje rinkelde, duidde eenige zenuwachtigheid bij haar aan. „Neen,” zeide zij. „Nu niet, nu niet.”„Dood, Stephen,” fluisterde Rachel hem zachtjes toe.„Het spijt me dat ik er van gesproken heb,” zeide Stephen. „Ik had moeten bedenken, dat ik eene pijnlijke plek kon treffen. Ik—ik had beter moeten weten.”Terwijl hij zich zoo verontschuldigde, rinkelde het kopje der oude vrouw al meer en meer. „Ik heb een zoon gehad,” zeide zij met eene zonderlinge aandoening, welke niets van de gewone teekenen van droefheid had, „en het ging hem goed, verbazend goed. Maar laat er niet meer van hem gesproken worden als het u belieft. Hij is,”—zij zette haar kopje neer en maakte eene beweging met hare handen, alsof zij er met dat gebaar wilde bijvoegen: „dood!” Daarna zeide zij overluid: „Ik heb hem verloren.”Stephen was het onaangename gevoel nog niet te boven gekomen, dat hij de oude vrouw leed had gedaan, toen zijne huiswaardin de smalle trap kwam opstommelen, hem naar dedeur riep en hem iets in het oor fluisterde. Juffrouw Pegler was lang niet doof, want zij ving een der zacht gesprokene woorden op.„Bounderby!” riep zij met eene gesmoorde stem, van haar stoel bij de tafel opspringende. „O, verberg mij! Laat ik toch om ’s Hemels wil niet gezien worden. Laat hij niet boven komen eer ik weg ben. Ik bid u, ik bid u!”Zij beefde van ontroering, kroop achter Rachel, toen deze haar poogde gerust te stellen, en scheen niet te weten wat zij deed.„Maar luister, juffrouw, luister toch!” zeide Stephen verbaasd. „Het is mijnheer Bounderby niet; het is zijne vrouw. Gij zijt toch niet bang voor haar. Nog geen uur geleden waart ge zoo machtig blij iets van haar te hooren.”„Maar weet ge wel zeker, dat het mevrouw en niet mijnheer is?” vroeg zij nog bevende.„Zoo zeker als iets.”„Wel, als ik u bidden mag, spreek dan toch niet tegen mij, en let maar geheel niet op mij,” zeide de oude vrouw. „Laat ik maar stil in dit hoekje blijven zitten.”Stephen knikte en zag Rachel aan alsof hij van haar eene opheldering verlangde, die zij buiten staat was hem te geven. Hij nam vervolgens de kaars, ging naar beneden, kwam weldra terug, en liet Louisa binnen, die door haar broeder Tom gevolgd werd.Rachel was opgestaan en stond met haar hoed en doek in de hand, toen Stephen, zelf ten hoogste verbaasd over dit bezoek, de kaars weder op tafel zette. Toen bleef hij ook staan, met zijne geslotene hand op de tafel leunende, en wachtte tot men hem zou aanspreken.Voor de eerste maal in haar leven was Louisa in de woning van een fabriek-arbeider gekomen; voor de eerste maal in haar leven was zij in iets getreden, dat naar persoonlijke betrekking met een van die lieden zweemde. Zij wist van hun bestaan bij honderden en duizenden. Zij wist welk eene hoeveelheid arbeids zeker getal van hen in zekeren tijd kan voort brengen. Zij had hen bij troepen gelijk mieren of wespen zien voorbijgaan, als zij hunne nesten verlieten of daarheen terugkeerden. Maar zij wist door hare lectuur oneindig meer van de levenswijs dier ijverige insecten, dan van deze nijvere mannen en vrouwen.Zij waren iets dat zóóveel moest werken en zóóveel loon krijgen, en daarmede gedaan; iets dat onfeilbaar door dezelfde wetten werd beheerscht, welke de aanvraag en den toevoer op elke markt beheerschen; iets dat domme misslagen tegen die wetten maakte en dan in moeielijkheden kwam; iets dat zich wat bekrimpen moest als het koren duur was, en zich overat als het goedkoop was, en dat zich in zekere evenredigheid vermenigvuldigde, dat zekere evenredigheid van misdaden en zekere evenredigheid van pauperisme opleverde; iets waarmede, als kapitaal gebruikt, groote fortuinen werden gemaakt; iets dat somtijds in woeling kwam evenals de zee, en eenig kwaad deed (voornamelijk zich zelven), en dan weder bedaarde. Dit wist zij van de fabriek-arbeiders. Maar zij had er bijna evenmin aan gedacht om deze massa in eenheden te verdeelen, als om de zee zelve in de droppels af te zonderen, waaruit zij is samengesteld.Zij stond eene poos in de kamer rond te zien. Van de weinige stoelen, de weinige boeken, de gemeene schilderijtjes en het bed liet zij haar blik naar de twee vrouwen en naar Stephen dwalen.„Ik ben hier gekomen om eens met u te spreken over wat daar straks voorgevallen is. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn, als ge mij dat wilt toelaten. Is dit uwe vrouw?”Rachel sloeg hare oogen op en liet ze weder neerzinken; die blik zeide duidelijk genoeg: „Neen.”„Ik bedenk mij,” zeide Louisa, blozende over hare vergissing. „Ik herinner mij nu dat ik van uwe huiselijke rampen heb hooren spreken, hoewel ik toen niet op de bijzonderheden lette. Het was mijne meening niet eene vraag te doen, die hier iemand onaangenaam kon wezen. Als ik weer eene vraag mocht doen, die dat gevolg kon hebben, verontschuldig mij dan daarmede, verzoek ik u, dat ik niet recht weet hoe ik met u behoor te spreken.”Gelijk Stephen zich eene poos geleden onwillekeurig tot haar gericht had, zoo richtte zij zich nu onwillekeurig tot Rachel. Hare manier van spreken was kort en stroef, en toch aarzelend en schroomvallig.„Hij heeft u gezegd wat er tusschen hem en mijn man is voorgevallen? Gij zult wel de eerste geweest zijn, bij wie hij troost gezocht heeft, denk ik?”„Ik heb het voornaamste er van gehoord, mevrouw,” antwoordde Rachel.„Heb ik het wel verstaan, dat hij, door één fabrikant afgedankt, nu waarschijnlijk door allen zal worden afgewezen? Ik meende hem dit te hooren zeggen.”„De kans is heel gering, mevrouw—bijna geheel geene kans meer—voor iemand, die een slechten naam onder hen krijgt.”„Wat moet ik begrijpen, dat gij meent met een slechten naam?”„De naam van lastig te wezen.”„Dus zou hij evenzeer door de vooroordeelen zijner eigene klasse als die der andere in den ban gedaan worden? Zijn die twee in deze stad door zulk een diepte gescheiden, dat er tusschen in geheel geene plaats voor een eerlijk werkman is?”Rachel schudde zwijgend haar hoofd.„Hij kwam bij zijne makkers in verdenking,” hervatte Louisa, „omdat hij eene belofte gedaanhad om niet met hen mede te doen. Ik denk dat gij het moet geweest zijn aan wie hij die belofte had gedaan. Zou ik u mogen vragen waarom hij die gedaan heeft?”Rachel barstte in tranen uit.„Ik heb het niet van hem gevergd, arme man! Ik heb hem gebeden tot zijn eigen bestwil zich niet in moeite te steken, weinig denkende dat hij er door mij in zou komen. Maar ik weet dat hij liever honderd dooden zou willen sterven dan ooit zijn woord te breken. Dat weet ik wel van hem.”Stephen was stil en aandachtig blijven staan in zijne gewone peinzende houding, met de hand aan zijne kin. Hij sprak nu met eene stem, die eenigszins minder vast was dan gewoonlijk:„Niemand, behalve ik zelf, kan weten hoeveel achting, liefde en eerbied ik Rachel toedraag, of met hoeveel reden. Toen ik die belofte gaf, heb ik met waarheid gezegd, dat zij de engel van mijn leven was. Het was eene plechtige belofte. Ik heb haar gegeven voor altijd.”Louisa keerde zich naar hem om en boog haar hoofd voor hem met eene eerbiedigheid, die bij haar geheel iets nieuws was. Zij zag van hem naar Rachel, en hare trekken werden zachter. „Wat zult gij nu doen?” vroeg zij hem; en hare stem was ook zachter geworden.„Wel, mevrouw,” antwoordde Stephen, met een glimlach om zich goed te houden, „als ik mijn werk af heb, moet ik hier vandaan en het ergens anders gaan probeeren. Gelukkig of ongelukkig, iemand moet maar probeeren; er is niets te doen zonder probeeren—behalve te gaan liggen en te sterven.”„Hoe zult gij reizen?”„Te voet, lieve mevrouw, te voet.”Louisa kleurde, en eene beurs vertoonde zich in hare hand. Het ritselen eener banknoot was hoorbaar, terwijl zij die openvouwde en op de tafel legde.„Rachel, wilt gij hem zeggen—want gij weet het best hoe dat te doen zonder hem te beleedigen—dat dit hem volgaarne gegeven wordt om hem voort te helpen? Wilt gij hem bidden om het aan te nemen?”„Dat kan ik niet doen, mevrouw,” antwoordde zij, haar hoofd omkeerende. „God zegene u, dat gij zoo liefderijk over den armen man denkt. Maar hij moet zelf zijn hart kennen, en weten of het hem zegt, dat het recht is.”Louisa zag ten deele ongeloovig, ten deele verschrikt, ten deele ontroerd door medelijdend gevoel, naar dien man, die eerst zooveel zelfbeheersching bezat, die onder het jongste gesprek zoo kalm en standvastig was gebleven, en die nu in een oogenblik zijne bedaardheid verloor, en met zijne hand voor zijn gezicht voor haar stond. Zij stak hare hand uit alsof zij hem wilde aanraken, maar bedwong zich toen en hield zich stil.„Zelfs Rachel,” zeide Stephen nadat hij zijn gezicht weder ontbloot had, „zou geene woorden kunnen bedenken om zulk een vriendelijk aanbod vriendelijker te maken. Om te toonen, dat ik geen mensch zonder verstand en dankbaarheid ben, zal ik twee pond aannemen. Ik zal ze leenen om ze terug te geven. Het zal het pleizierigste werk zijn dat ik ooit gedaan heb, als ik eens iets doen kan om mijne blijvende dankbaarheid voor deze hulp te bewijzen.”Zij was genoodzaakt de banknoot terug te nemen en de veel kleinere som, die hij genoemd had, daarvoor in de plaats te stellen. Hij was in geenerlei opzicht een hoffelijk, behaaglijk of schilderachtig personage, en toch had de houding, waarmede hij dit geld aannam en zonder meer te spreken zijne dankbaarheid aanduidde, een gratie, die Lord Chesterfield zijn zoon in geene eeuw had kunnen leeren.Tom was op het bed blijven zitten, onverschillig met zijn eene been heen en weer zwaaiende en aan zijn rottingknop zuigende, tot hij zijne zuster gereed zag om weder te vertrekken. Toen stond hij eenigszins haastig op en nam het woord.„Wacht nog eventjes, Louisa. Eer wij weggaan, zou ik hem een oogenblik willen spreken. Er valt mij daar iets in. Als gij even op het portaal wilt komen, Blackpool, zal ik het u zeggen. Neem maar geen licht mede.” Tom werd bijzonder ongeduldig toen Stephen naar de kast ging om eene kaars te krijgen. „Er is geen licht bij noodig.”Stephen volgde hem naar buiten. Tom sloot de kamerdeur en hield zijne hand aan het slot.„Zeg eens,” fluisterde hij, „ik geloof dat ik u een goeden dienst kan doen. Vraag mij niet wat het is, want het kan nog wel op niemendal uitloopen. Maar het kan toch geen kwaad als ik het probeer.”Zijn adem sloeg als de vlam van een vuur tegen Stephen’s oor aan, zoo heet was hij.„Dat was onze kantoorlooper,” vervolgde Tom, „die u van avond de boodschap bracht. Ik zeg onze kantoorlooper, omdat ik ook op het kantoor ben.”„Wat heeft hij een haast!” dacht Stephen. Hij sprak zoo onduidelijk.„Nu,” zeide Tom, „wacht eens. Wanneer gaat gij heen?”„Vandaag is het maandag,” antwoordde Stephen, zich bedenkende. „Wel, mijnheer, zoo wat vrijdag of zaterdag.”„Vrijdag of zaterdag,” zeide Tom. „Let nu eens op. Ik ben er niet zeker van, of ik u den dienst kan doen, dien ik meen—dat is mijne zuster, weet ge, daar in de kamer—maar misschien zal ik er toe in staat zijn, en zoo niet, dan kan het toch geen kwaad. Ik zal u dus eens wat zeggen. Gij zoudt onzen kantoorlooper wel weerom kennen?”„O ja zeker,” antwoordde Stephen.„Heel goed,” hervatte Tom. „Als gij tusschen vandaag en den dag waarop ge heengaat, des avonds met werken uitscheidt, kuier dan een uurtje of zoo voor het kantoor heen en weer. Doe niet alsof dat iets beduidde, als hij u daar zien mocht, want ik zal hem niet zeggen u aan te spreken, of ik moet begrijpen dat ik u den dienst kan doen, dien ik meen. In dat geval zal hij een briefje of eene boodschap voor u hebben, maar anders niet. Let wel daarop. Hebt ge mij goed begrepen?”Hij had in het donker een vinger door een knoopsgat van Stephen’s rok gewrongen, en draaide nu die punt van dat kleedingstuk al om en om en dicht in elkander, op eene zeer buitengewone manier.„Ik heb het heel wel begrepen, mijnheer,” antwoordde Stephen.„Pas dan op dat gij het niet vergeet en u niet vergist,” zeide Tom. „Ik zal mijne zuster onder het naar huis gaan zeggen wat ik op het oog heb, en ik weet zeker dat zij het zal goedkeuren. Pas op nu. Gij hebt alles onthouden, niet waar? Gij hebt het wel begrepen? Heel goed dan. Komaan, Louisa!”Terwijl hij haar riep, stiet hij de deur open, maar hij kwam de kamer niet weder binnen en wachtte ook niet tot men hem de smalle trap aflichtte. Hij was al beneden toen zijne zuster pas de deur uitkwam, en al op straat eer zij hem bereiken kon.Juffrouw Pegler bleef in haar hoekje zitten tot broeder en zuster vertrokken waren en Stephen met de kaars in de hand terugkwam. Zij was onuitsprekelijk opgetogen over mevrouw Bounderby, en schreide—die onbegrijpelijke oude vrouw!—„omdat zij zulk een lief hartje was.” En toch was juffrouw Pegler zoo angstig dat het voorwerp harer bewondering bij toeval zou terugkomen, dat het voor dien avond met hare vroolijkheid gedaan was. Het was ook laat voor menschen, die vroeg opstonden en zwaar werkten. Het gezelschap scheidde dus, en Stephen en Rachel brachten hunne geheimzinnige bekende tot aan de deur van het Reizigers-Koffiehuis, waar zij afscheid van haar namen.Zij gingen te zamen terug tot aan den hoek van de straat waar Rachel woonde, en toen zij deze nader kwamen, werden zij al stiller en stiller. Toen zij aan den donkeren hoek kwamen, waar hunne zeldzame samenkomsten altijd afgebroken werden, bleven zij stilstaan en zwegen geheel, alsof beiden bevreesd waren om te spreken.„Ik zal mijn best doen om u nog eens te zien, Rachel, eer ik ga, maar zoo niet...”„Dat zult ge niet, Stephen, dat weet ik wel. Het is beter dat wij maar besluiten om openhartig voor elkander te zijn.”„Ja, gij hebt altijd gelijk. Dat is moediger en beter. Ik heb dus gedacht, Rachel, dat het, daar ik nog maar een paar dagen hier blijf, beter voor u zou zijn, beste, dat ge niet meer met mij gezien werdt. Het zou u in moeielijkheid kunnen brengen, zonder eenig nut.”„Het is niet daarom, Stephen, dat ik er tegen heb. Maar gij weet onze oude afspraak. Het is om die reden.”„Ja,” zeide hij. „Het is op alle manieren beter.”„Gij zult aan mij schrijven, Stephen, en mij alles zeggen wat er met u gebeurt?”„Ja. Wat kan ik nu anders zeggen dan: de Hemel zij met u, de Hemel zegene u, de Hemel danke u en beloone u!”„Moge Hij u ook zegenen, Stephen, in al uw zwerven, en u eindelijk rust en vrede zenden!”„Ik heb u gezegd, beste,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb u dien nacht gezegd, dat ik nooit iets zien of aan iets denken zou dat mij driftig maakte, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zoudt daarnaast staan. Gij staat nu daarnaast. Gij doet het mij met betere oogen zien. God zegene u! Goedennacht en vaarwel!”Het was maar een haastig afscheid op den hoek eener gemeene straat, maar het bleef eene heilige herinnering voor die twee gemeene lieden. Gij bekrompene staathuishoudkundigen, gij geraamten van schoolmeesters, gij mannen van feiten en cijfers, gij fijn beschaafde, geblazeerde ongeloovigen, gij kakelende predikers van allerlei kleingeestige stelsels, de armen zult gij altijd met u hebben. Kweekt bij hen, terwijl het nog tijd is, alle schoonheden van gevoel en verbeelding aan, om hun leven, dat dit zoo grootelijks behoeft, tot sieraad te strekken; of in het oogenblik uwer zegepraal, wanneer al het romaneske geheel uit hunne ziel verdreven is, en zij en de prozaïsche werkelijkheid elkander recht in de oogen zien, zal de werkelijkheid een wolvenaard aannemen, zich tegen u omkeeren en een eind aan u maken.Stephen werkte de twee volgende dagen zonder ooit door iemand met een enkel woord te worden opgebeurd; bij zijn komen en gaan ontweek men hem gelijk te voren. Aan den avond van den tweeden dag zag hij land; aan den avond van den derden stond zijn weefgetouw ledig.Op de twee vorige avonden was hij langer dan een uur op de straat voor het kantoor blijven heen en weer dwalen, en er was niets gebeurd, goed noch kwaad. Om van zijn kant niets te verzuimen, besloot hij dezen derden en laatsten avond twee uren lang te blijven wachten.Hij zag de dame, die eens bij mijnheer Bounderby had huisgehouden, voor het venster eener bovenkamer zitten gelijk hij haar te voren had gezien; en hij zag den kantoorlooper, die somtijds daar met haar praatte en somtijds benedenover het horretje keek waarop het woord „kantoor” te lezen stond en somtijds naar de deur kwam en op de stoep een luchtje bleef staan scheppen. Toen hij het eerst buiten kwam, dacht Stephen dat hij misschien naar hem zocht en ging hem dicht voorbij; maar de kantoorlooper zag hem met zijne lichte, knippende oogen slechts even aan en zeide niets.Twee uren waren een lange tijd om zoo rond te drentelen na een lang dagwerk. Stephen ging eens op eene stoep zitten, of tegen een muur of onder eene poort staan leunen, wandelde een eind heen en weder, luisterde naar het slaan der klok, en bleef dan weder staan om naar de op straat spelende kinderen te kijken. Een of ander doel te hebben is voor iedereen iets zoo natuurlijks, dat iemand, die ergens doelloos ronddwaalt, altijd iets opmerkelijks heeft en dit zelf gevoelt. Toen het eerste uur om was, begon Stephen zelfs eene onaangename gewaarwording te krijgen, alsof hij voor het oogenblik een verdacht persoon was.Toen kwam de lantaarnaansteker en zag men langs het geheele verschiet der straat twee lange lichtstrepen flikkeren, tot zij zich in de verte met elkander vereenigden. Mevrouw Sparsit sloot het venster, liet het gordijn zakken en ging de trap op, eene verdieping hooger. Weldra ging een licht haar na naar boven; het scheen eerst door het halfronde venster boven de deur en vervolgens door de twee trapvenstertjes. Spoedig werd van het gordijn voor een venster op de bovenste verdieping een hoekje opgetild, alsof mevrouw Sparsit daar haar oog hield, en ook aan den anderen kant, alsof de kantoorlooper daar zijn oog hield. Maar nog ontving Stephen taal noch teeken. Hij was blijde toen de twee uren eindelijk om waren, en ging met snelle schreden heen om zich zelven zulk een langen tijd van drentelen te vergoeden.Hij had nog maar van zijne huiswaardin afscheid te nemen en zich dan neer te leggen op een op den vloer gespreid kermisbed; want hij had zijn goed reeds gepakt en alles voor zijn vertrek in gereedheid gebracht. Hij wilde den volgenden ochtend zeer vroeg de stad uit zijn, eer de fabriek-arbeiders op straat waren.De dag begon pas aan te breken, toen hij, een afscheidsblik in zijne kamer om zich heen werpende, en treurig bij zich zelven denkende, of hij die ooit zou wederzien, naar buiten ging. De stad was zoo stil, alsof al de inwoners haar verlaten hadden, uit vrees van gemeenschap met hem te houden. Alles zag er op dat uur even bleek en ziekelijk uit. Zelfs de rijzende zon maakte slechts eene bleeke plek in de lucht, gelijk eene treurig stille zee.Voorbij het huis waar Rachel woonde, hoewel die straat niet in zijn weg lag; langs de met roode steenen bezoomde straten; langs de groote stille fabriekgebouwen, die nog niet trilden en dreunden; langs den spoorweg, waar de seinlichten voor het toenemende daglicht verbleekten; langs de woestenij om den spoorweg, met half afgebrokene en half opgebouwde huizen; langs verspreide roode buitentjes, waar de berookte heesters met vuil poeier waren bestrooid, gelijk morsige snuivers; langs paden van kolenstof en allerlei verscheidenheden van leelijkheid, kwam Stephen op den top van den heuvel en keek toen om.Het daglicht bescheen nu de stad met heldere stralen en de klokken luidden voor het ochtendwerk. De keukenvuren waren nog niet aangelegd, en de hooge schoorsteenen hadden de lucht alleen. Het zou niet lang duren, of zij zouden haar door het uitblazen hunner giftige rookwolken verbergen; maar voor een half uur flikkerden sommige der talrijke vensters, welke de lieden vanCoketown, door de berookte glazen heen, de zon lieten zien, alsof zij in eene eeuwigdurende eclips verkeerde.Hoe vreemd was het, zich van de schoorsteenen naar de vogelen te wenden! Hoe vreemd het stof van den buitenweg in plaats van het kolengruis op zijne schoenen te zien! Hoe vreemd, zoo oud te zijn geworden en toch dien zomerochtend te beginnen alsof hij nog een knaap was. Met zulke gepeinzen in zijn gemoed en zijn pak onder den arm, stapte Stephen met zijn oplettend gezicht langs den buitenweg voort: en de boomen welfden zich over hem en fluisterden, dat hij een trouw en liefderijk hart achterliet.

XXII.STEPHEN BLACKPOOL VERDWIJNT.Het was tusschen licht en donker toen Stephen bij mijnheer Bounderby de deur uitkwam. De nachtelijke schaduw was zoo snel neergedaald, dat hij, toen hij de deur had toegetrokken, niet eens om zich heen zag, maar met loomen tred rechtuit de straat langs ging. Niets was verder uit zijne gedachten dan de zonderlinge oude vrouw, die hij bij zijn vorig bezoek aan hetzelfde huis had ontmoet, toen hij een voetstap achter zich hoorde dien hij kende, en zich omkeerende, die vrouw wederzag, thans in gezelschap van Rachel.Hij zag Rachel het eerst, gelijk hij haar alleen had gehoord.„Ha, Rachel, mijn beste! Gij bij haar, juffrouw!”„Ja, gij zijt zeker wel verwonderd, en dat met reden, moet ik zeggen,” antwoordde de oude vrouw. „Daar ben ik alweer, ziet ge.”„Maar hoe zoo met Rachel?” zeide Stephen, terwijl hij zijn stap naar dien der vrouwen schikte en tusschen de twee in ging, nu naar de eene en dan naar de andere omkijkende.„Wel, ik ben omtrent eveneens aan dit goede meisje gekomen als ik aan u gekomen ben,” antwoordde de oude vrouw, op vroolijken toon het woord opvattende. „Ik kom hier dit jaar wat later dan gewoonlijk, want ik ben eenigszins met kortademigheid gekweld, en heb dus mijne reis uitgesteld tot wij warm en mooi weer hadden. Om dezelfde reden doe ik nu mijne reis niet geheel op één dag, maar neem er twee dagen toe, en slaap van nacht in het Reizigers-Koffiehuis bij den spoorweg (een knap, zindelijk huis) en ga morgenochtend om zes uur met den eersten trein weer heen. Maar wat heeft dat met dit goede meisje te doen, zult gij zeggen. Dat zal ik u vertellen. Ik heb gehoord, dat mijnheer Bounderby getrouwd is. Ik heb het in de courant gelezen, waar het wat heerlijk in stond—machtig mooi!” De oude vrouw zeide dit met eene zonderlinge opgetogenheid. „En nu wilde ik zijne vrouw zien. Ik heb haar nog nooit gezien. Zoudt ge nu gelooven, zij is sedert van middag twaalf uur de deur niet uitgekomen. Om het dus nu niet te licht op te geven, bleef ik voor het laatst nog een beetje wachten, en toen ging ik dit goede meisje twee- of driemaal voorbij; en daar zij zulk een vriendelijk gezichtje had, sprak ik haar aan, en zij bleef met mij aan de praat. Daar,” zeide de oude vrouw tot Stephen, „nu kunt ge al de rest wel zelf raden, veel korter dan ik het vertellen kan, mag ik wel zeggen.”Wederom had Stephen moeite om een onwillekeurigen afkeer van die oude vrouw te overwinnen, hoewel haar uitzicht en toon zoo eerlijk en eenvoudig waren als zij maar konden zijn. Met eene goedwilligheid, welke hem even natuurlijk was als hij wist dat zij dit Rachel was, bleef hij bij het onderwerp, dat haar in haar ouderdom nog zooveel belang inboezemde.„Wel, juffrouw,” zeide hij, „ik heb die dame gezien, en zij was jong en mooi. Met heerlijke, donkere, peinzende oogen, en zulk eene stille manier, Rachel, als ik nog nooit iemand anders gezien heb.”„Jong en mooi. Zoo zoo!” riep de oude vrouw vol blijdschap uit. „Bloeiend als eene roos! En zeker eene gelukkige vrouw!”„O ja, juffrouw, dat zou ik wel denken,” zeide Stephen, maar met een twijfelachtigen blik naar Rachel.„Zoudt gij denken? Dat moet zij wel wezen. Zij is immers uw meesters vrouw?” hervatte de oude vrouw.Stephen knikte toestemmend. „Hoewel wat dat meester aangaat,” zeide hij, wederom met een blik naar Rachel, „hij is nu mijn meester niet meer. Het is alles gedaan tusschen hem en mij.”„Hebt gij voor zijn werk bedankt, Stephen?” vroeg Rachel angstig en snel.„Wel, Rachel,” antwoordde hij, „of ik voor zijn werk heb bedankt, of hij mij afdankte, komt op hetzelfde neer. Zijn werk en ik zijn gescheiden. Het is ook al goed zoo—het beste misschien, dacht ik, juist toen ik u mij achterop hoorde komen. Het zou maar allerlei moeite veroorzaakt hebben als ik daar gebleven was. Misschien is het een geluk voor velen, dat ik heenga, misschien een geluk voor mij zelven; in allen gevalle het moet nu zoo wezen. Ik moetCoketownden rug toekeeren en mijn fortuin zoeken, beste, met opnieuw te beginnen.”„Waar zult ge naar toe gaan, Stephen?”„Dat weet ik van avond nog niet,” zeide hij, zijn hoed afnemend en zijne dunne haren met de vlakke hand gladstrijkende. „Maar ik ga van avond nog niet, Rachel, en morgen ook nog niet. Het is niet heel gemakkelijk te verzinnen waar ik naar toe zal gaan; maar ik zal wel moed houden.”In dit opzicht hielp hem de bewustheid, dat hij niet slechts onbaatzuchtig handelde, maar zelfs onbaatzuchtig dacht. Eer hij nog mijnheer Bounderby’s deur had toegetrokken, had hij overwogen, dat het ten minste voor haar goed was, dat hij genoodzaakt was om heen te gaan, dewijl zij dan geen gevaar meer zou loopen van insgelijks verdacht te worden, omdat zij zich niet van hem afzonderde. Hoewel het hem veel kosten zou haar te verlaten, en hoewel hij geene stad bedenken kon waar zijn vonnis hem niet volgen zou, was het misschien toch eene verademing voor hem, dat hij met geweld van het leed der vier laatste dagen werd ontheven al was het zelf om onbekende rampen en bezwarentegemoette gaan.Hij zeide dus naar waarheid: „Ik ben er kalmer onder, Rachel, dan ik had kunnen denken.”Het was hare taak niet zijn last te verzwaren; zij antwoordde dus met haar opbeurenden glimlach, en het drietal wandelde te zamen voort.Oude lieden, vooral wanneer zij hun best doen om vroolijk te zijn en anderen niet tot last te wezen, worden onder de armen algemeen geacht en geëerd. De oude vrouw had zulk een fatsoenlijk voorkomen, was zoo vergenoegd, en nam hare zwakheden, hoewel zij sedert haar vorig onderhoud met Stephen waren toegenomen, zoo licht op, dat beiden eene welwillende belangstelling voor haar begonnen te gevoelen. Zij was te vlug om te willen toelaten, dat men om harentwil langzamer ging, maar zij was zeer dankbaar dat men met haar praatte, en zelve zeer genegen om te praten; zoodat zij, toen men aan dat gedeelte der stad gekomen was, waar hare geleiders woonden, levendiger en luchtiger was geworden dan ooit.„Kom bij mij binnen, juffrouw,” zeide Stephen, „en drink een kopje thee. Rachel zal dan ook binnenkomen en u naderhand veilig naar uw logement brengen. Het zal misschien lang duren, Rachel, eer ik weder eens kans heb op uw gezelschap.”Men bewilligde, en de drie gingen verder naar het huis waar hij woonde. Toen men de smalle straat insloeg, keek Stephen naar zijn venster op met een angst, die hem altijd kwelde als hij naar huis ging; maar het venster stond open gelijk hij het gelaten had, en niemand was daar. De booze geest van zijn leven was maanden geleden weder verdwenen; en hij had sedert niet meer van haar gehoord. De eenige blijken harer laatste terugkomst waren thans het karigerhuisraadin zijne kamer en het grijzere haar op zijn hoofd.Hij stak eene kaars aan, zette zijn theeblad gereed, haalde heet water van beneden, en brood, boter en eene kleine portie thee en suiker in den naasten winkel. Het brood was versch en bros van korst, de boter niet lang geleden gemaakt en de suiker wit, natuurlijk—om de standvastige getuigenis der magnaten vanCoketownte bewaarheden, dat die menschen leefden als prinsen, mijnheer. Rachel zette thee (zulk een groot gezelschap maakte het noodzakelijk een kopje te leenen), en de vreemde oude vrouw was machtig in haar schik. Het was de eerste zweem van gezelligheid, dien de gastheer in vele dagen had gehad. Ook hij, met de wereld als eene barre, uitgestrekte heide voor zich, genoot dezen maaltijd—wederom ter bevestiging van de getuigenis der magnaten—als een voorbeeld van het volslagen gebrek aan overleg bij die menschen, mijnheer.„Ik heb er nog niet aan gedacht om naar uw naam te vragen, juffrouw,” zeide Stephen.De oude vrouw maakte zich bekend als „juffrouw Pegler.”„Eene weduwe, denk ik?” zeide Stephen.„O, vele jaren lang!”Juffrouw Pegler’s echtgenoot (een van de beste mannen, die er ooit geweest waren) was, volgens hare berekening, reeds dood toen Stephen geboren werd.„Het was wel een ongeluk, zoo’n goed man te verliezen. En kinderen?”Het kopje van juffrouw Pegler, dat tegen het schoteltje rinkelde, duidde eenige zenuwachtigheid bij haar aan. „Neen,” zeide zij. „Nu niet, nu niet.”„Dood, Stephen,” fluisterde Rachel hem zachtjes toe.„Het spijt me dat ik er van gesproken heb,” zeide Stephen. „Ik had moeten bedenken, dat ik eene pijnlijke plek kon treffen. Ik—ik had beter moeten weten.”Terwijl hij zich zoo verontschuldigde, rinkelde het kopje der oude vrouw al meer en meer. „Ik heb een zoon gehad,” zeide zij met eene zonderlinge aandoening, welke niets van de gewone teekenen van droefheid had, „en het ging hem goed, verbazend goed. Maar laat er niet meer van hem gesproken worden als het u belieft. Hij is,”—zij zette haar kopje neer en maakte eene beweging met hare handen, alsof zij er met dat gebaar wilde bijvoegen: „dood!” Daarna zeide zij overluid: „Ik heb hem verloren.”Stephen was het onaangename gevoel nog niet te boven gekomen, dat hij de oude vrouw leed had gedaan, toen zijne huiswaardin de smalle trap kwam opstommelen, hem naar dedeur riep en hem iets in het oor fluisterde. Juffrouw Pegler was lang niet doof, want zij ving een der zacht gesprokene woorden op.„Bounderby!” riep zij met eene gesmoorde stem, van haar stoel bij de tafel opspringende. „O, verberg mij! Laat ik toch om ’s Hemels wil niet gezien worden. Laat hij niet boven komen eer ik weg ben. Ik bid u, ik bid u!”Zij beefde van ontroering, kroop achter Rachel, toen deze haar poogde gerust te stellen, en scheen niet te weten wat zij deed.„Maar luister, juffrouw, luister toch!” zeide Stephen verbaasd. „Het is mijnheer Bounderby niet; het is zijne vrouw. Gij zijt toch niet bang voor haar. Nog geen uur geleden waart ge zoo machtig blij iets van haar te hooren.”„Maar weet ge wel zeker, dat het mevrouw en niet mijnheer is?” vroeg zij nog bevende.„Zoo zeker als iets.”„Wel, als ik u bidden mag, spreek dan toch niet tegen mij, en let maar geheel niet op mij,” zeide de oude vrouw. „Laat ik maar stil in dit hoekje blijven zitten.”Stephen knikte en zag Rachel aan alsof hij van haar eene opheldering verlangde, die zij buiten staat was hem te geven. Hij nam vervolgens de kaars, ging naar beneden, kwam weldra terug, en liet Louisa binnen, die door haar broeder Tom gevolgd werd.Rachel was opgestaan en stond met haar hoed en doek in de hand, toen Stephen, zelf ten hoogste verbaasd over dit bezoek, de kaars weder op tafel zette. Toen bleef hij ook staan, met zijne geslotene hand op de tafel leunende, en wachtte tot men hem zou aanspreken.Voor de eerste maal in haar leven was Louisa in de woning van een fabriek-arbeider gekomen; voor de eerste maal in haar leven was zij in iets getreden, dat naar persoonlijke betrekking met een van die lieden zweemde. Zij wist van hun bestaan bij honderden en duizenden. Zij wist welk eene hoeveelheid arbeids zeker getal van hen in zekeren tijd kan voort brengen. Zij had hen bij troepen gelijk mieren of wespen zien voorbijgaan, als zij hunne nesten verlieten of daarheen terugkeerden. Maar zij wist door hare lectuur oneindig meer van de levenswijs dier ijverige insecten, dan van deze nijvere mannen en vrouwen.Zij waren iets dat zóóveel moest werken en zóóveel loon krijgen, en daarmede gedaan; iets dat onfeilbaar door dezelfde wetten werd beheerscht, welke de aanvraag en den toevoer op elke markt beheerschen; iets dat domme misslagen tegen die wetten maakte en dan in moeielijkheden kwam; iets dat zich wat bekrimpen moest als het koren duur was, en zich overat als het goedkoop was, en dat zich in zekere evenredigheid vermenigvuldigde, dat zekere evenredigheid van misdaden en zekere evenredigheid van pauperisme opleverde; iets waarmede, als kapitaal gebruikt, groote fortuinen werden gemaakt; iets dat somtijds in woeling kwam evenals de zee, en eenig kwaad deed (voornamelijk zich zelven), en dan weder bedaarde. Dit wist zij van de fabriek-arbeiders. Maar zij had er bijna evenmin aan gedacht om deze massa in eenheden te verdeelen, als om de zee zelve in de droppels af te zonderen, waaruit zij is samengesteld.Zij stond eene poos in de kamer rond te zien. Van de weinige stoelen, de weinige boeken, de gemeene schilderijtjes en het bed liet zij haar blik naar de twee vrouwen en naar Stephen dwalen.„Ik ben hier gekomen om eens met u te spreken over wat daar straks voorgevallen is. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn, als ge mij dat wilt toelaten. Is dit uwe vrouw?”Rachel sloeg hare oogen op en liet ze weder neerzinken; die blik zeide duidelijk genoeg: „Neen.”„Ik bedenk mij,” zeide Louisa, blozende over hare vergissing. „Ik herinner mij nu dat ik van uwe huiselijke rampen heb hooren spreken, hoewel ik toen niet op de bijzonderheden lette. Het was mijne meening niet eene vraag te doen, die hier iemand onaangenaam kon wezen. Als ik weer eene vraag mocht doen, die dat gevolg kon hebben, verontschuldig mij dan daarmede, verzoek ik u, dat ik niet recht weet hoe ik met u behoor te spreken.”Gelijk Stephen zich eene poos geleden onwillekeurig tot haar gericht had, zoo richtte zij zich nu onwillekeurig tot Rachel. Hare manier van spreken was kort en stroef, en toch aarzelend en schroomvallig.„Hij heeft u gezegd wat er tusschen hem en mijn man is voorgevallen? Gij zult wel de eerste geweest zijn, bij wie hij troost gezocht heeft, denk ik?”„Ik heb het voornaamste er van gehoord, mevrouw,” antwoordde Rachel.„Heb ik het wel verstaan, dat hij, door één fabrikant afgedankt, nu waarschijnlijk door allen zal worden afgewezen? Ik meende hem dit te hooren zeggen.”„De kans is heel gering, mevrouw—bijna geheel geene kans meer—voor iemand, die een slechten naam onder hen krijgt.”„Wat moet ik begrijpen, dat gij meent met een slechten naam?”„De naam van lastig te wezen.”„Dus zou hij evenzeer door de vooroordeelen zijner eigene klasse als die der andere in den ban gedaan worden? Zijn die twee in deze stad door zulk een diepte gescheiden, dat er tusschen in geheel geene plaats voor een eerlijk werkman is?”Rachel schudde zwijgend haar hoofd.„Hij kwam bij zijne makkers in verdenking,” hervatte Louisa, „omdat hij eene belofte gedaanhad om niet met hen mede te doen. Ik denk dat gij het moet geweest zijn aan wie hij die belofte had gedaan. Zou ik u mogen vragen waarom hij die gedaan heeft?”Rachel barstte in tranen uit.„Ik heb het niet van hem gevergd, arme man! Ik heb hem gebeden tot zijn eigen bestwil zich niet in moeite te steken, weinig denkende dat hij er door mij in zou komen. Maar ik weet dat hij liever honderd dooden zou willen sterven dan ooit zijn woord te breken. Dat weet ik wel van hem.”Stephen was stil en aandachtig blijven staan in zijne gewone peinzende houding, met de hand aan zijne kin. Hij sprak nu met eene stem, die eenigszins minder vast was dan gewoonlijk:„Niemand, behalve ik zelf, kan weten hoeveel achting, liefde en eerbied ik Rachel toedraag, of met hoeveel reden. Toen ik die belofte gaf, heb ik met waarheid gezegd, dat zij de engel van mijn leven was. Het was eene plechtige belofte. Ik heb haar gegeven voor altijd.”Louisa keerde zich naar hem om en boog haar hoofd voor hem met eene eerbiedigheid, die bij haar geheel iets nieuws was. Zij zag van hem naar Rachel, en hare trekken werden zachter. „Wat zult gij nu doen?” vroeg zij hem; en hare stem was ook zachter geworden.„Wel, mevrouw,” antwoordde Stephen, met een glimlach om zich goed te houden, „als ik mijn werk af heb, moet ik hier vandaan en het ergens anders gaan probeeren. Gelukkig of ongelukkig, iemand moet maar probeeren; er is niets te doen zonder probeeren—behalve te gaan liggen en te sterven.”„Hoe zult gij reizen?”„Te voet, lieve mevrouw, te voet.”Louisa kleurde, en eene beurs vertoonde zich in hare hand. Het ritselen eener banknoot was hoorbaar, terwijl zij die openvouwde en op de tafel legde.„Rachel, wilt gij hem zeggen—want gij weet het best hoe dat te doen zonder hem te beleedigen—dat dit hem volgaarne gegeven wordt om hem voort te helpen? Wilt gij hem bidden om het aan te nemen?”„Dat kan ik niet doen, mevrouw,” antwoordde zij, haar hoofd omkeerende. „God zegene u, dat gij zoo liefderijk over den armen man denkt. Maar hij moet zelf zijn hart kennen, en weten of het hem zegt, dat het recht is.”Louisa zag ten deele ongeloovig, ten deele verschrikt, ten deele ontroerd door medelijdend gevoel, naar dien man, die eerst zooveel zelfbeheersching bezat, die onder het jongste gesprek zoo kalm en standvastig was gebleven, en die nu in een oogenblik zijne bedaardheid verloor, en met zijne hand voor zijn gezicht voor haar stond. Zij stak hare hand uit alsof zij hem wilde aanraken, maar bedwong zich toen en hield zich stil.„Zelfs Rachel,” zeide Stephen nadat hij zijn gezicht weder ontbloot had, „zou geene woorden kunnen bedenken om zulk een vriendelijk aanbod vriendelijker te maken. Om te toonen, dat ik geen mensch zonder verstand en dankbaarheid ben, zal ik twee pond aannemen. Ik zal ze leenen om ze terug te geven. Het zal het pleizierigste werk zijn dat ik ooit gedaan heb, als ik eens iets doen kan om mijne blijvende dankbaarheid voor deze hulp te bewijzen.”Zij was genoodzaakt de banknoot terug te nemen en de veel kleinere som, die hij genoemd had, daarvoor in de plaats te stellen. Hij was in geenerlei opzicht een hoffelijk, behaaglijk of schilderachtig personage, en toch had de houding, waarmede hij dit geld aannam en zonder meer te spreken zijne dankbaarheid aanduidde, een gratie, die Lord Chesterfield zijn zoon in geene eeuw had kunnen leeren.Tom was op het bed blijven zitten, onverschillig met zijn eene been heen en weer zwaaiende en aan zijn rottingknop zuigende, tot hij zijne zuster gereed zag om weder te vertrekken. Toen stond hij eenigszins haastig op en nam het woord.„Wacht nog eventjes, Louisa. Eer wij weggaan, zou ik hem een oogenblik willen spreken. Er valt mij daar iets in. Als gij even op het portaal wilt komen, Blackpool, zal ik het u zeggen. Neem maar geen licht mede.” Tom werd bijzonder ongeduldig toen Stephen naar de kast ging om eene kaars te krijgen. „Er is geen licht bij noodig.”Stephen volgde hem naar buiten. Tom sloot de kamerdeur en hield zijne hand aan het slot.„Zeg eens,” fluisterde hij, „ik geloof dat ik u een goeden dienst kan doen. Vraag mij niet wat het is, want het kan nog wel op niemendal uitloopen. Maar het kan toch geen kwaad als ik het probeer.”Zijn adem sloeg als de vlam van een vuur tegen Stephen’s oor aan, zoo heet was hij.„Dat was onze kantoorlooper,” vervolgde Tom, „die u van avond de boodschap bracht. Ik zeg onze kantoorlooper, omdat ik ook op het kantoor ben.”„Wat heeft hij een haast!” dacht Stephen. Hij sprak zoo onduidelijk.„Nu,” zeide Tom, „wacht eens. Wanneer gaat gij heen?”„Vandaag is het maandag,” antwoordde Stephen, zich bedenkende. „Wel, mijnheer, zoo wat vrijdag of zaterdag.”„Vrijdag of zaterdag,” zeide Tom. „Let nu eens op. Ik ben er niet zeker van, of ik u den dienst kan doen, dien ik meen—dat is mijne zuster, weet ge, daar in de kamer—maar misschien zal ik er toe in staat zijn, en zoo niet, dan kan het toch geen kwaad. Ik zal u dus eens wat zeggen. Gij zoudt onzen kantoorlooper wel weerom kennen?”„O ja zeker,” antwoordde Stephen.„Heel goed,” hervatte Tom. „Als gij tusschen vandaag en den dag waarop ge heengaat, des avonds met werken uitscheidt, kuier dan een uurtje of zoo voor het kantoor heen en weer. Doe niet alsof dat iets beduidde, als hij u daar zien mocht, want ik zal hem niet zeggen u aan te spreken, of ik moet begrijpen dat ik u den dienst kan doen, dien ik meen. In dat geval zal hij een briefje of eene boodschap voor u hebben, maar anders niet. Let wel daarop. Hebt ge mij goed begrepen?”Hij had in het donker een vinger door een knoopsgat van Stephen’s rok gewrongen, en draaide nu die punt van dat kleedingstuk al om en om en dicht in elkander, op eene zeer buitengewone manier.„Ik heb het heel wel begrepen, mijnheer,” antwoordde Stephen.„Pas dan op dat gij het niet vergeet en u niet vergist,” zeide Tom. „Ik zal mijne zuster onder het naar huis gaan zeggen wat ik op het oog heb, en ik weet zeker dat zij het zal goedkeuren. Pas op nu. Gij hebt alles onthouden, niet waar? Gij hebt het wel begrepen? Heel goed dan. Komaan, Louisa!”Terwijl hij haar riep, stiet hij de deur open, maar hij kwam de kamer niet weder binnen en wachtte ook niet tot men hem de smalle trap aflichtte. Hij was al beneden toen zijne zuster pas de deur uitkwam, en al op straat eer zij hem bereiken kon.Juffrouw Pegler bleef in haar hoekje zitten tot broeder en zuster vertrokken waren en Stephen met de kaars in de hand terugkwam. Zij was onuitsprekelijk opgetogen over mevrouw Bounderby, en schreide—die onbegrijpelijke oude vrouw!—„omdat zij zulk een lief hartje was.” En toch was juffrouw Pegler zoo angstig dat het voorwerp harer bewondering bij toeval zou terugkomen, dat het voor dien avond met hare vroolijkheid gedaan was. Het was ook laat voor menschen, die vroeg opstonden en zwaar werkten. Het gezelschap scheidde dus, en Stephen en Rachel brachten hunne geheimzinnige bekende tot aan de deur van het Reizigers-Koffiehuis, waar zij afscheid van haar namen.Zij gingen te zamen terug tot aan den hoek van de straat waar Rachel woonde, en toen zij deze nader kwamen, werden zij al stiller en stiller. Toen zij aan den donkeren hoek kwamen, waar hunne zeldzame samenkomsten altijd afgebroken werden, bleven zij stilstaan en zwegen geheel, alsof beiden bevreesd waren om te spreken.„Ik zal mijn best doen om u nog eens te zien, Rachel, eer ik ga, maar zoo niet...”„Dat zult ge niet, Stephen, dat weet ik wel. Het is beter dat wij maar besluiten om openhartig voor elkander te zijn.”„Ja, gij hebt altijd gelijk. Dat is moediger en beter. Ik heb dus gedacht, Rachel, dat het, daar ik nog maar een paar dagen hier blijf, beter voor u zou zijn, beste, dat ge niet meer met mij gezien werdt. Het zou u in moeielijkheid kunnen brengen, zonder eenig nut.”„Het is niet daarom, Stephen, dat ik er tegen heb. Maar gij weet onze oude afspraak. Het is om die reden.”„Ja,” zeide hij. „Het is op alle manieren beter.”„Gij zult aan mij schrijven, Stephen, en mij alles zeggen wat er met u gebeurt?”„Ja. Wat kan ik nu anders zeggen dan: de Hemel zij met u, de Hemel zegene u, de Hemel danke u en beloone u!”„Moge Hij u ook zegenen, Stephen, in al uw zwerven, en u eindelijk rust en vrede zenden!”„Ik heb u gezegd, beste,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb u dien nacht gezegd, dat ik nooit iets zien of aan iets denken zou dat mij driftig maakte, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zoudt daarnaast staan. Gij staat nu daarnaast. Gij doet het mij met betere oogen zien. God zegene u! Goedennacht en vaarwel!”Het was maar een haastig afscheid op den hoek eener gemeene straat, maar het bleef eene heilige herinnering voor die twee gemeene lieden. Gij bekrompene staathuishoudkundigen, gij geraamten van schoolmeesters, gij mannen van feiten en cijfers, gij fijn beschaafde, geblazeerde ongeloovigen, gij kakelende predikers van allerlei kleingeestige stelsels, de armen zult gij altijd met u hebben. Kweekt bij hen, terwijl het nog tijd is, alle schoonheden van gevoel en verbeelding aan, om hun leven, dat dit zoo grootelijks behoeft, tot sieraad te strekken; of in het oogenblik uwer zegepraal, wanneer al het romaneske geheel uit hunne ziel verdreven is, en zij en de prozaïsche werkelijkheid elkander recht in de oogen zien, zal de werkelijkheid een wolvenaard aannemen, zich tegen u omkeeren en een eind aan u maken.Stephen werkte de twee volgende dagen zonder ooit door iemand met een enkel woord te worden opgebeurd; bij zijn komen en gaan ontweek men hem gelijk te voren. Aan den avond van den tweeden dag zag hij land; aan den avond van den derden stond zijn weefgetouw ledig.Op de twee vorige avonden was hij langer dan een uur op de straat voor het kantoor blijven heen en weer dwalen, en er was niets gebeurd, goed noch kwaad. Om van zijn kant niets te verzuimen, besloot hij dezen derden en laatsten avond twee uren lang te blijven wachten.Hij zag de dame, die eens bij mijnheer Bounderby had huisgehouden, voor het venster eener bovenkamer zitten gelijk hij haar te voren had gezien; en hij zag den kantoorlooper, die somtijds daar met haar praatte en somtijds benedenover het horretje keek waarop het woord „kantoor” te lezen stond en somtijds naar de deur kwam en op de stoep een luchtje bleef staan scheppen. Toen hij het eerst buiten kwam, dacht Stephen dat hij misschien naar hem zocht en ging hem dicht voorbij; maar de kantoorlooper zag hem met zijne lichte, knippende oogen slechts even aan en zeide niets.Twee uren waren een lange tijd om zoo rond te drentelen na een lang dagwerk. Stephen ging eens op eene stoep zitten, of tegen een muur of onder eene poort staan leunen, wandelde een eind heen en weder, luisterde naar het slaan der klok, en bleef dan weder staan om naar de op straat spelende kinderen te kijken. Een of ander doel te hebben is voor iedereen iets zoo natuurlijks, dat iemand, die ergens doelloos ronddwaalt, altijd iets opmerkelijks heeft en dit zelf gevoelt. Toen het eerste uur om was, begon Stephen zelfs eene onaangename gewaarwording te krijgen, alsof hij voor het oogenblik een verdacht persoon was.Toen kwam de lantaarnaansteker en zag men langs het geheele verschiet der straat twee lange lichtstrepen flikkeren, tot zij zich in de verte met elkander vereenigden. Mevrouw Sparsit sloot het venster, liet het gordijn zakken en ging de trap op, eene verdieping hooger. Weldra ging een licht haar na naar boven; het scheen eerst door het halfronde venster boven de deur en vervolgens door de twee trapvenstertjes. Spoedig werd van het gordijn voor een venster op de bovenste verdieping een hoekje opgetild, alsof mevrouw Sparsit daar haar oog hield, en ook aan den anderen kant, alsof de kantoorlooper daar zijn oog hield. Maar nog ontving Stephen taal noch teeken. Hij was blijde toen de twee uren eindelijk om waren, en ging met snelle schreden heen om zich zelven zulk een langen tijd van drentelen te vergoeden.Hij had nog maar van zijne huiswaardin afscheid te nemen en zich dan neer te leggen op een op den vloer gespreid kermisbed; want hij had zijn goed reeds gepakt en alles voor zijn vertrek in gereedheid gebracht. Hij wilde den volgenden ochtend zeer vroeg de stad uit zijn, eer de fabriek-arbeiders op straat waren.De dag begon pas aan te breken, toen hij, een afscheidsblik in zijne kamer om zich heen werpende, en treurig bij zich zelven denkende, of hij die ooit zou wederzien, naar buiten ging. De stad was zoo stil, alsof al de inwoners haar verlaten hadden, uit vrees van gemeenschap met hem te houden. Alles zag er op dat uur even bleek en ziekelijk uit. Zelfs de rijzende zon maakte slechts eene bleeke plek in de lucht, gelijk eene treurig stille zee.Voorbij het huis waar Rachel woonde, hoewel die straat niet in zijn weg lag; langs de met roode steenen bezoomde straten; langs de groote stille fabriekgebouwen, die nog niet trilden en dreunden; langs den spoorweg, waar de seinlichten voor het toenemende daglicht verbleekten; langs de woestenij om den spoorweg, met half afgebrokene en half opgebouwde huizen; langs verspreide roode buitentjes, waar de berookte heesters met vuil poeier waren bestrooid, gelijk morsige snuivers; langs paden van kolenstof en allerlei verscheidenheden van leelijkheid, kwam Stephen op den top van den heuvel en keek toen om.Het daglicht bescheen nu de stad met heldere stralen en de klokken luidden voor het ochtendwerk. De keukenvuren waren nog niet aangelegd, en de hooge schoorsteenen hadden de lucht alleen. Het zou niet lang duren, of zij zouden haar door het uitblazen hunner giftige rookwolken verbergen; maar voor een half uur flikkerden sommige der talrijke vensters, welke de lieden vanCoketown, door de berookte glazen heen, de zon lieten zien, alsof zij in eene eeuwigdurende eclips verkeerde.Hoe vreemd was het, zich van de schoorsteenen naar de vogelen te wenden! Hoe vreemd het stof van den buitenweg in plaats van het kolengruis op zijne schoenen te zien! Hoe vreemd, zoo oud te zijn geworden en toch dien zomerochtend te beginnen alsof hij nog een knaap was. Met zulke gepeinzen in zijn gemoed en zijn pak onder den arm, stapte Stephen met zijn oplettend gezicht langs den buitenweg voort: en de boomen welfden zich over hem en fluisterden, dat hij een trouw en liefderijk hart achterliet.

XXII.STEPHEN BLACKPOOL VERDWIJNT.Het was tusschen licht en donker toen Stephen bij mijnheer Bounderby de deur uitkwam. De nachtelijke schaduw was zoo snel neergedaald, dat hij, toen hij de deur had toegetrokken, niet eens om zich heen zag, maar met loomen tred rechtuit de straat langs ging. Niets was verder uit zijne gedachten dan de zonderlinge oude vrouw, die hij bij zijn vorig bezoek aan hetzelfde huis had ontmoet, toen hij een voetstap achter zich hoorde dien hij kende, en zich omkeerende, die vrouw wederzag, thans in gezelschap van Rachel.Hij zag Rachel het eerst, gelijk hij haar alleen had gehoord.„Ha, Rachel, mijn beste! Gij bij haar, juffrouw!”„Ja, gij zijt zeker wel verwonderd, en dat met reden, moet ik zeggen,” antwoordde de oude vrouw. „Daar ben ik alweer, ziet ge.”„Maar hoe zoo met Rachel?” zeide Stephen, terwijl hij zijn stap naar dien der vrouwen schikte en tusschen de twee in ging, nu naar de eene en dan naar de andere omkijkende.„Wel, ik ben omtrent eveneens aan dit goede meisje gekomen als ik aan u gekomen ben,” antwoordde de oude vrouw, op vroolijken toon het woord opvattende. „Ik kom hier dit jaar wat later dan gewoonlijk, want ik ben eenigszins met kortademigheid gekweld, en heb dus mijne reis uitgesteld tot wij warm en mooi weer hadden. Om dezelfde reden doe ik nu mijne reis niet geheel op één dag, maar neem er twee dagen toe, en slaap van nacht in het Reizigers-Koffiehuis bij den spoorweg (een knap, zindelijk huis) en ga morgenochtend om zes uur met den eersten trein weer heen. Maar wat heeft dat met dit goede meisje te doen, zult gij zeggen. Dat zal ik u vertellen. Ik heb gehoord, dat mijnheer Bounderby getrouwd is. Ik heb het in de courant gelezen, waar het wat heerlijk in stond—machtig mooi!” De oude vrouw zeide dit met eene zonderlinge opgetogenheid. „En nu wilde ik zijne vrouw zien. Ik heb haar nog nooit gezien. Zoudt ge nu gelooven, zij is sedert van middag twaalf uur de deur niet uitgekomen. Om het dus nu niet te licht op te geven, bleef ik voor het laatst nog een beetje wachten, en toen ging ik dit goede meisje twee- of driemaal voorbij; en daar zij zulk een vriendelijk gezichtje had, sprak ik haar aan, en zij bleef met mij aan de praat. Daar,” zeide de oude vrouw tot Stephen, „nu kunt ge al de rest wel zelf raden, veel korter dan ik het vertellen kan, mag ik wel zeggen.”Wederom had Stephen moeite om een onwillekeurigen afkeer van die oude vrouw te overwinnen, hoewel haar uitzicht en toon zoo eerlijk en eenvoudig waren als zij maar konden zijn. Met eene goedwilligheid, welke hem even natuurlijk was als hij wist dat zij dit Rachel was, bleef hij bij het onderwerp, dat haar in haar ouderdom nog zooveel belang inboezemde.„Wel, juffrouw,” zeide hij, „ik heb die dame gezien, en zij was jong en mooi. Met heerlijke, donkere, peinzende oogen, en zulk eene stille manier, Rachel, als ik nog nooit iemand anders gezien heb.”„Jong en mooi. Zoo zoo!” riep de oude vrouw vol blijdschap uit. „Bloeiend als eene roos! En zeker eene gelukkige vrouw!”„O ja, juffrouw, dat zou ik wel denken,” zeide Stephen, maar met een twijfelachtigen blik naar Rachel.„Zoudt gij denken? Dat moet zij wel wezen. Zij is immers uw meesters vrouw?” hervatte de oude vrouw.Stephen knikte toestemmend. „Hoewel wat dat meester aangaat,” zeide hij, wederom met een blik naar Rachel, „hij is nu mijn meester niet meer. Het is alles gedaan tusschen hem en mij.”„Hebt gij voor zijn werk bedankt, Stephen?” vroeg Rachel angstig en snel.„Wel, Rachel,” antwoordde hij, „of ik voor zijn werk heb bedankt, of hij mij afdankte, komt op hetzelfde neer. Zijn werk en ik zijn gescheiden. Het is ook al goed zoo—het beste misschien, dacht ik, juist toen ik u mij achterop hoorde komen. Het zou maar allerlei moeite veroorzaakt hebben als ik daar gebleven was. Misschien is het een geluk voor velen, dat ik heenga, misschien een geluk voor mij zelven; in allen gevalle het moet nu zoo wezen. Ik moetCoketownden rug toekeeren en mijn fortuin zoeken, beste, met opnieuw te beginnen.”„Waar zult ge naar toe gaan, Stephen?”„Dat weet ik van avond nog niet,” zeide hij, zijn hoed afnemend en zijne dunne haren met de vlakke hand gladstrijkende. „Maar ik ga van avond nog niet, Rachel, en morgen ook nog niet. Het is niet heel gemakkelijk te verzinnen waar ik naar toe zal gaan; maar ik zal wel moed houden.”In dit opzicht hielp hem de bewustheid, dat hij niet slechts onbaatzuchtig handelde, maar zelfs onbaatzuchtig dacht. Eer hij nog mijnheer Bounderby’s deur had toegetrokken, had hij overwogen, dat het ten minste voor haar goed was, dat hij genoodzaakt was om heen te gaan, dewijl zij dan geen gevaar meer zou loopen van insgelijks verdacht te worden, omdat zij zich niet van hem afzonderde. Hoewel het hem veel kosten zou haar te verlaten, en hoewel hij geene stad bedenken kon waar zijn vonnis hem niet volgen zou, was het misschien toch eene verademing voor hem, dat hij met geweld van het leed der vier laatste dagen werd ontheven al was het zelf om onbekende rampen en bezwarentegemoette gaan.Hij zeide dus naar waarheid: „Ik ben er kalmer onder, Rachel, dan ik had kunnen denken.”Het was hare taak niet zijn last te verzwaren; zij antwoordde dus met haar opbeurenden glimlach, en het drietal wandelde te zamen voort.Oude lieden, vooral wanneer zij hun best doen om vroolijk te zijn en anderen niet tot last te wezen, worden onder de armen algemeen geacht en geëerd. De oude vrouw had zulk een fatsoenlijk voorkomen, was zoo vergenoegd, en nam hare zwakheden, hoewel zij sedert haar vorig onderhoud met Stephen waren toegenomen, zoo licht op, dat beiden eene welwillende belangstelling voor haar begonnen te gevoelen. Zij was te vlug om te willen toelaten, dat men om harentwil langzamer ging, maar zij was zeer dankbaar dat men met haar praatte, en zelve zeer genegen om te praten; zoodat zij, toen men aan dat gedeelte der stad gekomen was, waar hare geleiders woonden, levendiger en luchtiger was geworden dan ooit.„Kom bij mij binnen, juffrouw,” zeide Stephen, „en drink een kopje thee. Rachel zal dan ook binnenkomen en u naderhand veilig naar uw logement brengen. Het zal misschien lang duren, Rachel, eer ik weder eens kans heb op uw gezelschap.”Men bewilligde, en de drie gingen verder naar het huis waar hij woonde. Toen men de smalle straat insloeg, keek Stephen naar zijn venster op met een angst, die hem altijd kwelde als hij naar huis ging; maar het venster stond open gelijk hij het gelaten had, en niemand was daar. De booze geest van zijn leven was maanden geleden weder verdwenen; en hij had sedert niet meer van haar gehoord. De eenige blijken harer laatste terugkomst waren thans het karigerhuisraadin zijne kamer en het grijzere haar op zijn hoofd.Hij stak eene kaars aan, zette zijn theeblad gereed, haalde heet water van beneden, en brood, boter en eene kleine portie thee en suiker in den naasten winkel. Het brood was versch en bros van korst, de boter niet lang geleden gemaakt en de suiker wit, natuurlijk—om de standvastige getuigenis der magnaten vanCoketownte bewaarheden, dat die menschen leefden als prinsen, mijnheer. Rachel zette thee (zulk een groot gezelschap maakte het noodzakelijk een kopje te leenen), en de vreemde oude vrouw was machtig in haar schik. Het was de eerste zweem van gezelligheid, dien de gastheer in vele dagen had gehad. Ook hij, met de wereld als eene barre, uitgestrekte heide voor zich, genoot dezen maaltijd—wederom ter bevestiging van de getuigenis der magnaten—als een voorbeeld van het volslagen gebrek aan overleg bij die menschen, mijnheer.„Ik heb er nog niet aan gedacht om naar uw naam te vragen, juffrouw,” zeide Stephen.De oude vrouw maakte zich bekend als „juffrouw Pegler.”„Eene weduwe, denk ik?” zeide Stephen.„O, vele jaren lang!”Juffrouw Pegler’s echtgenoot (een van de beste mannen, die er ooit geweest waren) was, volgens hare berekening, reeds dood toen Stephen geboren werd.„Het was wel een ongeluk, zoo’n goed man te verliezen. En kinderen?”Het kopje van juffrouw Pegler, dat tegen het schoteltje rinkelde, duidde eenige zenuwachtigheid bij haar aan. „Neen,” zeide zij. „Nu niet, nu niet.”„Dood, Stephen,” fluisterde Rachel hem zachtjes toe.„Het spijt me dat ik er van gesproken heb,” zeide Stephen. „Ik had moeten bedenken, dat ik eene pijnlijke plek kon treffen. Ik—ik had beter moeten weten.”Terwijl hij zich zoo verontschuldigde, rinkelde het kopje der oude vrouw al meer en meer. „Ik heb een zoon gehad,” zeide zij met eene zonderlinge aandoening, welke niets van de gewone teekenen van droefheid had, „en het ging hem goed, verbazend goed. Maar laat er niet meer van hem gesproken worden als het u belieft. Hij is,”—zij zette haar kopje neer en maakte eene beweging met hare handen, alsof zij er met dat gebaar wilde bijvoegen: „dood!” Daarna zeide zij overluid: „Ik heb hem verloren.”Stephen was het onaangename gevoel nog niet te boven gekomen, dat hij de oude vrouw leed had gedaan, toen zijne huiswaardin de smalle trap kwam opstommelen, hem naar dedeur riep en hem iets in het oor fluisterde. Juffrouw Pegler was lang niet doof, want zij ving een der zacht gesprokene woorden op.„Bounderby!” riep zij met eene gesmoorde stem, van haar stoel bij de tafel opspringende. „O, verberg mij! Laat ik toch om ’s Hemels wil niet gezien worden. Laat hij niet boven komen eer ik weg ben. Ik bid u, ik bid u!”Zij beefde van ontroering, kroop achter Rachel, toen deze haar poogde gerust te stellen, en scheen niet te weten wat zij deed.„Maar luister, juffrouw, luister toch!” zeide Stephen verbaasd. „Het is mijnheer Bounderby niet; het is zijne vrouw. Gij zijt toch niet bang voor haar. Nog geen uur geleden waart ge zoo machtig blij iets van haar te hooren.”„Maar weet ge wel zeker, dat het mevrouw en niet mijnheer is?” vroeg zij nog bevende.„Zoo zeker als iets.”„Wel, als ik u bidden mag, spreek dan toch niet tegen mij, en let maar geheel niet op mij,” zeide de oude vrouw. „Laat ik maar stil in dit hoekje blijven zitten.”Stephen knikte en zag Rachel aan alsof hij van haar eene opheldering verlangde, die zij buiten staat was hem te geven. Hij nam vervolgens de kaars, ging naar beneden, kwam weldra terug, en liet Louisa binnen, die door haar broeder Tom gevolgd werd.Rachel was opgestaan en stond met haar hoed en doek in de hand, toen Stephen, zelf ten hoogste verbaasd over dit bezoek, de kaars weder op tafel zette. Toen bleef hij ook staan, met zijne geslotene hand op de tafel leunende, en wachtte tot men hem zou aanspreken.Voor de eerste maal in haar leven was Louisa in de woning van een fabriek-arbeider gekomen; voor de eerste maal in haar leven was zij in iets getreden, dat naar persoonlijke betrekking met een van die lieden zweemde. Zij wist van hun bestaan bij honderden en duizenden. Zij wist welk eene hoeveelheid arbeids zeker getal van hen in zekeren tijd kan voort brengen. Zij had hen bij troepen gelijk mieren of wespen zien voorbijgaan, als zij hunne nesten verlieten of daarheen terugkeerden. Maar zij wist door hare lectuur oneindig meer van de levenswijs dier ijverige insecten, dan van deze nijvere mannen en vrouwen.Zij waren iets dat zóóveel moest werken en zóóveel loon krijgen, en daarmede gedaan; iets dat onfeilbaar door dezelfde wetten werd beheerscht, welke de aanvraag en den toevoer op elke markt beheerschen; iets dat domme misslagen tegen die wetten maakte en dan in moeielijkheden kwam; iets dat zich wat bekrimpen moest als het koren duur was, en zich overat als het goedkoop was, en dat zich in zekere evenredigheid vermenigvuldigde, dat zekere evenredigheid van misdaden en zekere evenredigheid van pauperisme opleverde; iets waarmede, als kapitaal gebruikt, groote fortuinen werden gemaakt; iets dat somtijds in woeling kwam evenals de zee, en eenig kwaad deed (voornamelijk zich zelven), en dan weder bedaarde. Dit wist zij van de fabriek-arbeiders. Maar zij had er bijna evenmin aan gedacht om deze massa in eenheden te verdeelen, als om de zee zelve in de droppels af te zonderen, waaruit zij is samengesteld.Zij stond eene poos in de kamer rond te zien. Van de weinige stoelen, de weinige boeken, de gemeene schilderijtjes en het bed liet zij haar blik naar de twee vrouwen en naar Stephen dwalen.„Ik ben hier gekomen om eens met u te spreken over wat daar straks voorgevallen is. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn, als ge mij dat wilt toelaten. Is dit uwe vrouw?”Rachel sloeg hare oogen op en liet ze weder neerzinken; die blik zeide duidelijk genoeg: „Neen.”„Ik bedenk mij,” zeide Louisa, blozende over hare vergissing. „Ik herinner mij nu dat ik van uwe huiselijke rampen heb hooren spreken, hoewel ik toen niet op de bijzonderheden lette. Het was mijne meening niet eene vraag te doen, die hier iemand onaangenaam kon wezen. Als ik weer eene vraag mocht doen, die dat gevolg kon hebben, verontschuldig mij dan daarmede, verzoek ik u, dat ik niet recht weet hoe ik met u behoor te spreken.”Gelijk Stephen zich eene poos geleden onwillekeurig tot haar gericht had, zoo richtte zij zich nu onwillekeurig tot Rachel. Hare manier van spreken was kort en stroef, en toch aarzelend en schroomvallig.„Hij heeft u gezegd wat er tusschen hem en mijn man is voorgevallen? Gij zult wel de eerste geweest zijn, bij wie hij troost gezocht heeft, denk ik?”„Ik heb het voornaamste er van gehoord, mevrouw,” antwoordde Rachel.„Heb ik het wel verstaan, dat hij, door één fabrikant afgedankt, nu waarschijnlijk door allen zal worden afgewezen? Ik meende hem dit te hooren zeggen.”„De kans is heel gering, mevrouw—bijna geheel geene kans meer—voor iemand, die een slechten naam onder hen krijgt.”„Wat moet ik begrijpen, dat gij meent met een slechten naam?”„De naam van lastig te wezen.”„Dus zou hij evenzeer door de vooroordeelen zijner eigene klasse als die der andere in den ban gedaan worden? Zijn die twee in deze stad door zulk een diepte gescheiden, dat er tusschen in geheel geene plaats voor een eerlijk werkman is?”Rachel schudde zwijgend haar hoofd.„Hij kwam bij zijne makkers in verdenking,” hervatte Louisa, „omdat hij eene belofte gedaanhad om niet met hen mede te doen. Ik denk dat gij het moet geweest zijn aan wie hij die belofte had gedaan. Zou ik u mogen vragen waarom hij die gedaan heeft?”Rachel barstte in tranen uit.„Ik heb het niet van hem gevergd, arme man! Ik heb hem gebeden tot zijn eigen bestwil zich niet in moeite te steken, weinig denkende dat hij er door mij in zou komen. Maar ik weet dat hij liever honderd dooden zou willen sterven dan ooit zijn woord te breken. Dat weet ik wel van hem.”Stephen was stil en aandachtig blijven staan in zijne gewone peinzende houding, met de hand aan zijne kin. Hij sprak nu met eene stem, die eenigszins minder vast was dan gewoonlijk:„Niemand, behalve ik zelf, kan weten hoeveel achting, liefde en eerbied ik Rachel toedraag, of met hoeveel reden. Toen ik die belofte gaf, heb ik met waarheid gezegd, dat zij de engel van mijn leven was. Het was eene plechtige belofte. Ik heb haar gegeven voor altijd.”Louisa keerde zich naar hem om en boog haar hoofd voor hem met eene eerbiedigheid, die bij haar geheel iets nieuws was. Zij zag van hem naar Rachel, en hare trekken werden zachter. „Wat zult gij nu doen?” vroeg zij hem; en hare stem was ook zachter geworden.„Wel, mevrouw,” antwoordde Stephen, met een glimlach om zich goed te houden, „als ik mijn werk af heb, moet ik hier vandaan en het ergens anders gaan probeeren. Gelukkig of ongelukkig, iemand moet maar probeeren; er is niets te doen zonder probeeren—behalve te gaan liggen en te sterven.”„Hoe zult gij reizen?”„Te voet, lieve mevrouw, te voet.”Louisa kleurde, en eene beurs vertoonde zich in hare hand. Het ritselen eener banknoot was hoorbaar, terwijl zij die openvouwde en op de tafel legde.„Rachel, wilt gij hem zeggen—want gij weet het best hoe dat te doen zonder hem te beleedigen—dat dit hem volgaarne gegeven wordt om hem voort te helpen? Wilt gij hem bidden om het aan te nemen?”„Dat kan ik niet doen, mevrouw,” antwoordde zij, haar hoofd omkeerende. „God zegene u, dat gij zoo liefderijk over den armen man denkt. Maar hij moet zelf zijn hart kennen, en weten of het hem zegt, dat het recht is.”Louisa zag ten deele ongeloovig, ten deele verschrikt, ten deele ontroerd door medelijdend gevoel, naar dien man, die eerst zooveel zelfbeheersching bezat, die onder het jongste gesprek zoo kalm en standvastig was gebleven, en die nu in een oogenblik zijne bedaardheid verloor, en met zijne hand voor zijn gezicht voor haar stond. Zij stak hare hand uit alsof zij hem wilde aanraken, maar bedwong zich toen en hield zich stil.„Zelfs Rachel,” zeide Stephen nadat hij zijn gezicht weder ontbloot had, „zou geene woorden kunnen bedenken om zulk een vriendelijk aanbod vriendelijker te maken. Om te toonen, dat ik geen mensch zonder verstand en dankbaarheid ben, zal ik twee pond aannemen. Ik zal ze leenen om ze terug te geven. Het zal het pleizierigste werk zijn dat ik ooit gedaan heb, als ik eens iets doen kan om mijne blijvende dankbaarheid voor deze hulp te bewijzen.”Zij was genoodzaakt de banknoot terug te nemen en de veel kleinere som, die hij genoemd had, daarvoor in de plaats te stellen. Hij was in geenerlei opzicht een hoffelijk, behaaglijk of schilderachtig personage, en toch had de houding, waarmede hij dit geld aannam en zonder meer te spreken zijne dankbaarheid aanduidde, een gratie, die Lord Chesterfield zijn zoon in geene eeuw had kunnen leeren.Tom was op het bed blijven zitten, onverschillig met zijn eene been heen en weer zwaaiende en aan zijn rottingknop zuigende, tot hij zijne zuster gereed zag om weder te vertrekken. Toen stond hij eenigszins haastig op en nam het woord.„Wacht nog eventjes, Louisa. Eer wij weggaan, zou ik hem een oogenblik willen spreken. Er valt mij daar iets in. Als gij even op het portaal wilt komen, Blackpool, zal ik het u zeggen. Neem maar geen licht mede.” Tom werd bijzonder ongeduldig toen Stephen naar de kast ging om eene kaars te krijgen. „Er is geen licht bij noodig.”Stephen volgde hem naar buiten. Tom sloot de kamerdeur en hield zijne hand aan het slot.„Zeg eens,” fluisterde hij, „ik geloof dat ik u een goeden dienst kan doen. Vraag mij niet wat het is, want het kan nog wel op niemendal uitloopen. Maar het kan toch geen kwaad als ik het probeer.”Zijn adem sloeg als de vlam van een vuur tegen Stephen’s oor aan, zoo heet was hij.„Dat was onze kantoorlooper,” vervolgde Tom, „die u van avond de boodschap bracht. Ik zeg onze kantoorlooper, omdat ik ook op het kantoor ben.”„Wat heeft hij een haast!” dacht Stephen. Hij sprak zoo onduidelijk.„Nu,” zeide Tom, „wacht eens. Wanneer gaat gij heen?”„Vandaag is het maandag,” antwoordde Stephen, zich bedenkende. „Wel, mijnheer, zoo wat vrijdag of zaterdag.”„Vrijdag of zaterdag,” zeide Tom. „Let nu eens op. Ik ben er niet zeker van, of ik u den dienst kan doen, dien ik meen—dat is mijne zuster, weet ge, daar in de kamer—maar misschien zal ik er toe in staat zijn, en zoo niet, dan kan het toch geen kwaad. Ik zal u dus eens wat zeggen. Gij zoudt onzen kantoorlooper wel weerom kennen?”„O ja zeker,” antwoordde Stephen.„Heel goed,” hervatte Tom. „Als gij tusschen vandaag en den dag waarop ge heengaat, des avonds met werken uitscheidt, kuier dan een uurtje of zoo voor het kantoor heen en weer. Doe niet alsof dat iets beduidde, als hij u daar zien mocht, want ik zal hem niet zeggen u aan te spreken, of ik moet begrijpen dat ik u den dienst kan doen, dien ik meen. In dat geval zal hij een briefje of eene boodschap voor u hebben, maar anders niet. Let wel daarop. Hebt ge mij goed begrepen?”Hij had in het donker een vinger door een knoopsgat van Stephen’s rok gewrongen, en draaide nu die punt van dat kleedingstuk al om en om en dicht in elkander, op eene zeer buitengewone manier.„Ik heb het heel wel begrepen, mijnheer,” antwoordde Stephen.„Pas dan op dat gij het niet vergeet en u niet vergist,” zeide Tom. „Ik zal mijne zuster onder het naar huis gaan zeggen wat ik op het oog heb, en ik weet zeker dat zij het zal goedkeuren. Pas op nu. Gij hebt alles onthouden, niet waar? Gij hebt het wel begrepen? Heel goed dan. Komaan, Louisa!”Terwijl hij haar riep, stiet hij de deur open, maar hij kwam de kamer niet weder binnen en wachtte ook niet tot men hem de smalle trap aflichtte. Hij was al beneden toen zijne zuster pas de deur uitkwam, en al op straat eer zij hem bereiken kon.Juffrouw Pegler bleef in haar hoekje zitten tot broeder en zuster vertrokken waren en Stephen met de kaars in de hand terugkwam. Zij was onuitsprekelijk opgetogen over mevrouw Bounderby, en schreide—die onbegrijpelijke oude vrouw!—„omdat zij zulk een lief hartje was.” En toch was juffrouw Pegler zoo angstig dat het voorwerp harer bewondering bij toeval zou terugkomen, dat het voor dien avond met hare vroolijkheid gedaan was. Het was ook laat voor menschen, die vroeg opstonden en zwaar werkten. Het gezelschap scheidde dus, en Stephen en Rachel brachten hunne geheimzinnige bekende tot aan de deur van het Reizigers-Koffiehuis, waar zij afscheid van haar namen.Zij gingen te zamen terug tot aan den hoek van de straat waar Rachel woonde, en toen zij deze nader kwamen, werden zij al stiller en stiller. Toen zij aan den donkeren hoek kwamen, waar hunne zeldzame samenkomsten altijd afgebroken werden, bleven zij stilstaan en zwegen geheel, alsof beiden bevreesd waren om te spreken.„Ik zal mijn best doen om u nog eens te zien, Rachel, eer ik ga, maar zoo niet...”„Dat zult ge niet, Stephen, dat weet ik wel. Het is beter dat wij maar besluiten om openhartig voor elkander te zijn.”„Ja, gij hebt altijd gelijk. Dat is moediger en beter. Ik heb dus gedacht, Rachel, dat het, daar ik nog maar een paar dagen hier blijf, beter voor u zou zijn, beste, dat ge niet meer met mij gezien werdt. Het zou u in moeielijkheid kunnen brengen, zonder eenig nut.”„Het is niet daarom, Stephen, dat ik er tegen heb. Maar gij weet onze oude afspraak. Het is om die reden.”„Ja,” zeide hij. „Het is op alle manieren beter.”„Gij zult aan mij schrijven, Stephen, en mij alles zeggen wat er met u gebeurt?”„Ja. Wat kan ik nu anders zeggen dan: de Hemel zij met u, de Hemel zegene u, de Hemel danke u en beloone u!”„Moge Hij u ook zegenen, Stephen, in al uw zwerven, en u eindelijk rust en vrede zenden!”„Ik heb u gezegd, beste,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb u dien nacht gezegd, dat ik nooit iets zien of aan iets denken zou dat mij driftig maakte, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zoudt daarnaast staan. Gij staat nu daarnaast. Gij doet het mij met betere oogen zien. God zegene u! Goedennacht en vaarwel!”Het was maar een haastig afscheid op den hoek eener gemeene straat, maar het bleef eene heilige herinnering voor die twee gemeene lieden. Gij bekrompene staathuishoudkundigen, gij geraamten van schoolmeesters, gij mannen van feiten en cijfers, gij fijn beschaafde, geblazeerde ongeloovigen, gij kakelende predikers van allerlei kleingeestige stelsels, de armen zult gij altijd met u hebben. Kweekt bij hen, terwijl het nog tijd is, alle schoonheden van gevoel en verbeelding aan, om hun leven, dat dit zoo grootelijks behoeft, tot sieraad te strekken; of in het oogenblik uwer zegepraal, wanneer al het romaneske geheel uit hunne ziel verdreven is, en zij en de prozaïsche werkelijkheid elkander recht in de oogen zien, zal de werkelijkheid een wolvenaard aannemen, zich tegen u omkeeren en een eind aan u maken.Stephen werkte de twee volgende dagen zonder ooit door iemand met een enkel woord te worden opgebeurd; bij zijn komen en gaan ontweek men hem gelijk te voren. Aan den avond van den tweeden dag zag hij land; aan den avond van den derden stond zijn weefgetouw ledig.Op de twee vorige avonden was hij langer dan een uur op de straat voor het kantoor blijven heen en weer dwalen, en er was niets gebeurd, goed noch kwaad. Om van zijn kant niets te verzuimen, besloot hij dezen derden en laatsten avond twee uren lang te blijven wachten.Hij zag de dame, die eens bij mijnheer Bounderby had huisgehouden, voor het venster eener bovenkamer zitten gelijk hij haar te voren had gezien; en hij zag den kantoorlooper, die somtijds daar met haar praatte en somtijds benedenover het horretje keek waarop het woord „kantoor” te lezen stond en somtijds naar de deur kwam en op de stoep een luchtje bleef staan scheppen. Toen hij het eerst buiten kwam, dacht Stephen dat hij misschien naar hem zocht en ging hem dicht voorbij; maar de kantoorlooper zag hem met zijne lichte, knippende oogen slechts even aan en zeide niets.Twee uren waren een lange tijd om zoo rond te drentelen na een lang dagwerk. Stephen ging eens op eene stoep zitten, of tegen een muur of onder eene poort staan leunen, wandelde een eind heen en weder, luisterde naar het slaan der klok, en bleef dan weder staan om naar de op straat spelende kinderen te kijken. Een of ander doel te hebben is voor iedereen iets zoo natuurlijks, dat iemand, die ergens doelloos ronddwaalt, altijd iets opmerkelijks heeft en dit zelf gevoelt. Toen het eerste uur om was, begon Stephen zelfs eene onaangename gewaarwording te krijgen, alsof hij voor het oogenblik een verdacht persoon was.Toen kwam de lantaarnaansteker en zag men langs het geheele verschiet der straat twee lange lichtstrepen flikkeren, tot zij zich in de verte met elkander vereenigden. Mevrouw Sparsit sloot het venster, liet het gordijn zakken en ging de trap op, eene verdieping hooger. Weldra ging een licht haar na naar boven; het scheen eerst door het halfronde venster boven de deur en vervolgens door de twee trapvenstertjes. Spoedig werd van het gordijn voor een venster op de bovenste verdieping een hoekje opgetild, alsof mevrouw Sparsit daar haar oog hield, en ook aan den anderen kant, alsof de kantoorlooper daar zijn oog hield. Maar nog ontving Stephen taal noch teeken. Hij was blijde toen de twee uren eindelijk om waren, en ging met snelle schreden heen om zich zelven zulk een langen tijd van drentelen te vergoeden.Hij had nog maar van zijne huiswaardin afscheid te nemen en zich dan neer te leggen op een op den vloer gespreid kermisbed; want hij had zijn goed reeds gepakt en alles voor zijn vertrek in gereedheid gebracht. Hij wilde den volgenden ochtend zeer vroeg de stad uit zijn, eer de fabriek-arbeiders op straat waren.De dag begon pas aan te breken, toen hij, een afscheidsblik in zijne kamer om zich heen werpende, en treurig bij zich zelven denkende, of hij die ooit zou wederzien, naar buiten ging. De stad was zoo stil, alsof al de inwoners haar verlaten hadden, uit vrees van gemeenschap met hem te houden. Alles zag er op dat uur even bleek en ziekelijk uit. Zelfs de rijzende zon maakte slechts eene bleeke plek in de lucht, gelijk eene treurig stille zee.Voorbij het huis waar Rachel woonde, hoewel die straat niet in zijn weg lag; langs de met roode steenen bezoomde straten; langs de groote stille fabriekgebouwen, die nog niet trilden en dreunden; langs den spoorweg, waar de seinlichten voor het toenemende daglicht verbleekten; langs de woestenij om den spoorweg, met half afgebrokene en half opgebouwde huizen; langs verspreide roode buitentjes, waar de berookte heesters met vuil poeier waren bestrooid, gelijk morsige snuivers; langs paden van kolenstof en allerlei verscheidenheden van leelijkheid, kwam Stephen op den top van den heuvel en keek toen om.Het daglicht bescheen nu de stad met heldere stralen en de klokken luidden voor het ochtendwerk. De keukenvuren waren nog niet aangelegd, en de hooge schoorsteenen hadden de lucht alleen. Het zou niet lang duren, of zij zouden haar door het uitblazen hunner giftige rookwolken verbergen; maar voor een half uur flikkerden sommige der talrijke vensters, welke de lieden vanCoketown, door de berookte glazen heen, de zon lieten zien, alsof zij in eene eeuwigdurende eclips verkeerde.Hoe vreemd was het, zich van de schoorsteenen naar de vogelen te wenden! Hoe vreemd het stof van den buitenweg in plaats van het kolengruis op zijne schoenen te zien! Hoe vreemd, zoo oud te zijn geworden en toch dien zomerochtend te beginnen alsof hij nog een knaap was. Met zulke gepeinzen in zijn gemoed en zijn pak onder den arm, stapte Stephen met zijn oplettend gezicht langs den buitenweg voort: en de boomen welfden zich over hem en fluisterden, dat hij een trouw en liefderijk hart achterliet.

XXII.STEPHEN BLACKPOOL VERDWIJNT.

Het was tusschen licht en donker toen Stephen bij mijnheer Bounderby de deur uitkwam. De nachtelijke schaduw was zoo snel neergedaald, dat hij, toen hij de deur had toegetrokken, niet eens om zich heen zag, maar met loomen tred rechtuit de straat langs ging. Niets was verder uit zijne gedachten dan de zonderlinge oude vrouw, die hij bij zijn vorig bezoek aan hetzelfde huis had ontmoet, toen hij een voetstap achter zich hoorde dien hij kende, en zich omkeerende, die vrouw wederzag, thans in gezelschap van Rachel.Hij zag Rachel het eerst, gelijk hij haar alleen had gehoord.„Ha, Rachel, mijn beste! Gij bij haar, juffrouw!”„Ja, gij zijt zeker wel verwonderd, en dat met reden, moet ik zeggen,” antwoordde de oude vrouw. „Daar ben ik alweer, ziet ge.”„Maar hoe zoo met Rachel?” zeide Stephen, terwijl hij zijn stap naar dien der vrouwen schikte en tusschen de twee in ging, nu naar de eene en dan naar de andere omkijkende.„Wel, ik ben omtrent eveneens aan dit goede meisje gekomen als ik aan u gekomen ben,” antwoordde de oude vrouw, op vroolijken toon het woord opvattende. „Ik kom hier dit jaar wat later dan gewoonlijk, want ik ben eenigszins met kortademigheid gekweld, en heb dus mijne reis uitgesteld tot wij warm en mooi weer hadden. Om dezelfde reden doe ik nu mijne reis niet geheel op één dag, maar neem er twee dagen toe, en slaap van nacht in het Reizigers-Koffiehuis bij den spoorweg (een knap, zindelijk huis) en ga morgenochtend om zes uur met den eersten trein weer heen. Maar wat heeft dat met dit goede meisje te doen, zult gij zeggen. Dat zal ik u vertellen. Ik heb gehoord, dat mijnheer Bounderby getrouwd is. Ik heb het in de courant gelezen, waar het wat heerlijk in stond—machtig mooi!” De oude vrouw zeide dit met eene zonderlinge opgetogenheid. „En nu wilde ik zijne vrouw zien. Ik heb haar nog nooit gezien. Zoudt ge nu gelooven, zij is sedert van middag twaalf uur de deur niet uitgekomen. Om het dus nu niet te licht op te geven, bleef ik voor het laatst nog een beetje wachten, en toen ging ik dit goede meisje twee- of driemaal voorbij; en daar zij zulk een vriendelijk gezichtje had, sprak ik haar aan, en zij bleef met mij aan de praat. Daar,” zeide de oude vrouw tot Stephen, „nu kunt ge al de rest wel zelf raden, veel korter dan ik het vertellen kan, mag ik wel zeggen.”Wederom had Stephen moeite om een onwillekeurigen afkeer van die oude vrouw te overwinnen, hoewel haar uitzicht en toon zoo eerlijk en eenvoudig waren als zij maar konden zijn. Met eene goedwilligheid, welke hem even natuurlijk was als hij wist dat zij dit Rachel was, bleef hij bij het onderwerp, dat haar in haar ouderdom nog zooveel belang inboezemde.„Wel, juffrouw,” zeide hij, „ik heb die dame gezien, en zij was jong en mooi. Met heerlijke, donkere, peinzende oogen, en zulk eene stille manier, Rachel, als ik nog nooit iemand anders gezien heb.”„Jong en mooi. Zoo zoo!” riep de oude vrouw vol blijdschap uit. „Bloeiend als eene roos! En zeker eene gelukkige vrouw!”„O ja, juffrouw, dat zou ik wel denken,” zeide Stephen, maar met een twijfelachtigen blik naar Rachel.„Zoudt gij denken? Dat moet zij wel wezen. Zij is immers uw meesters vrouw?” hervatte de oude vrouw.Stephen knikte toestemmend. „Hoewel wat dat meester aangaat,” zeide hij, wederom met een blik naar Rachel, „hij is nu mijn meester niet meer. Het is alles gedaan tusschen hem en mij.”„Hebt gij voor zijn werk bedankt, Stephen?” vroeg Rachel angstig en snel.„Wel, Rachel,” antwoordde hij, „of ik voor zijn werk heb bedankt, of hij mij afdankte, komt op hetzelfde neer. Zijn werk en ik zijn gescheiden. Het is ook al goed zoo—het beste misschien, dacht ik, juist toen ik u mij achterop hoorde komen. Het zou maar allerlei moeite veroorzaakt hebben als ik daar gebleven was. Misschien is het een geluk voor velen, dat ik heenga, misschien een geluk voor mij zelven; in allen gevalle het moet nu zoo wezen. Ik moetCoketownden rug toekeeren en mijn fortuin zoeken, beste, met opnieuw te beginnen.”„Waar zult ge naar toe gaan, Stephen?”„Dat weet ik van avond nog niet,” zeide hij, zijn hoed afnemend en zijne dunne haren met de vlakke hand gladstrijkende. „Maar ik ga van avond nog niet, Rachel, en morgen ook nog niet. Het is niet heel gemakkelijk te verzinnen waar ik naar toe zal gaan; maar ik zal wel moed houden.”In dit opzicht hielp hem de bewustheid, dat hij niet slechts onbaatzuchtig handelde, maar zelfs onbaatzuchtig dacht. Eer hij nog mijnheer Bounderby’s deur had toegetrokken, had hij overwogen, dat het ten minste voor haar goed was, dat hij genoodzaakt was om heen te gaan, dewijl zij dan geen gevaar meer zou loopen van insgelijks verdacht te worden, omdat zij zich niet van hem afzonderde. Hoewel het hem veel kosten zou haar te verlaten, en hoewel hij geene stad bedenken kon waar zijn vonnis hem niet volgen zou, was het misschien toch eene verademing voor hem, dat hij met geweld van het leed der vier laatste dagen werd ontheven al was het zelf om onbekende rampen en bezwarentegemoette gaan.Hij zeide dus naar waarheid: „Ik ben er kalmer onder, Rachel, dan ik had kunnen denken.”Het was hare taak niet zijn last te verzwaren; zij antwoordde dus met haar opbeurenden glimlach, en het drietal wandelde te zamen voort.Oude lieden, vooral wanneer zij hun best doen om vroolijk te zijn en anderen niet tot last te wezen, worden onder de armen algemeen geacht en geëerd. De oude vrouw had zulk een fatsoenlijk voorkomen, was zoo vergenoegd, en nam hare zwakheden, hoewel zij sedert haar vorig onderhoud met Stephen waren toegenomen, zoo licht op, dat beiden eene welwillende belangstelling voor haar begonnen te gevoelen. Zij was te vlug om te willen toelaten, dat men om harentwil langzamer ging, maar zij was zeer dankbaar dat men met haar praatte, en zelve zeer genegen om te praten; zoodat zij, toen men aan dat gedeelte der stad gekomen was, waar hare geleiders woonden, levendiger en luchtiger was geworden dan ooit.„Kom bij mij binnen, juffrouw,” zeide Stephen, „en drink een kopje thee. Rachel zal dan ook binnenkomen en u naderhand veilig naar uw logement brengen. Het zal misschien lang duren, Rachel, eer ik weder eens kans heb op uw gezelschap.”Men bewilligde, en de drie gingen verder naar het huis waar hij woonde. Toen men de smalle straat insloeg, keek Stephen naar zijn venster op met een angst, die hem altijd kwelde als hij naar huis ging; maar het venster stond open gelijk hij het gelaten had, en niemand was daar. De booze geest van zijn leven was maanden geleden weder verdwenen; en hij had sedert niet meer van haar gehoord. De eenige blijken harer laatste terugkomst waren thans het karigerhuisraadin zijne kamer en het grijzere haar op zijn hoofd.Hij stak eene kaars aan, zette zijn theeblad gereed, haalde heet water van beneden, en brood, boter en eene kleine portie thee en suiker in den naasten winkel. Het brood was versch en bros van korst, de boter niet lang geleden gemaakt en de suiker wit, natuurlijk—om de standvastige getuigenis der magnaten vanCoketownte bewaarheden, dat die menschen leefden als prinsen, mijnheer. Rachel zette thee (zulk een groot gezelschap maakte het noodzakelijk een kopje te leenen), en de vreemde oude vrouw was machtig in haar schik. Het was de eerste zweem van gezelligheid, dien de gastheer in vele dagen had gehad. Ook hij, met de wereld als eene barre, uitgestrekte heide voor zich, genoot dezen maaltijd—wederom ter bevestiging van de getuigenis der magnaten—als een voorbeeld van het volslagen gebrek aan overleg bij die menschen, mijnheer.„Ik heb er nog niet aan gedacht om naar uw naam te vragen, juffrouw,” zeide Stephen.De oude vrouw maakte zich bekend als „juffrouw Pegler.”„Eene weduwe, denk ik?” zeide Stephen.„O, vele jaren lang!”Juffrouw Pegler’s echtgenoot (een van de beste mannen, die er ooit geweest waren) was, volgens hare berekening, reeds dood toen Stephen geboren werd.„Het was wel een ongeluk, zoo’n goed man te verliezen. En kinderen?”Het kopje van juffrouw Pegler, dat tegen het schoteltje rinkelde, duidde eenige zenuwachtigheid bij haar aan. „Neen,” zeide zij. „Nu niet, nu niet.”„Dood, Stephen,” fluisterde Rachel hem zachtjes toe.„Het spijt me dat ik er van gesproken heb,” zeide Stephen. „Ik had moeten bedenken, dat ik eene pijnlijke plek kon treffen. Ik—ik had beter moeten weten.”Terwijl hij zich zoo verontschuldigde, rinkelde het kopje der oude vrouw al meer en meer. „Ik heb een zoon gehad,” zeide zij met eene zonderlinge aandoening, welke niets van de gewone teekenen van droefheid had, „en het ging hem goed, verbazend goed. Maar laat er niet meer van hem gesproken worden als het u belieft. Hij is,”—zij zette haar kopje neer en maakte eene beweging met hare handen, alsof zij er met dat gebaar wilde bijvoegen: „dood!” Daarna zeide zij overluid: „Ik heb hem verloren.”Stephen was het onaangename gevoel nog niet te boven gekomen, dat hij de oude vrouw leed had gedaan, toen zijne huiswaardin de smalle trap kwam opstommelen, hem naar dedeur riep en hem iets in het oor fluisterde. Juffrouw Pegler was lang niet doof, want zij ving een der zacht gesprokene woorden op.„Bounderby!” riep zij met eene gesmoorde stem, van haar stoel bij de tafel opspringende. „O, verberg mij! Laat ik toch om ’s Hemels wil niet gezien worden. Laat hij niet boven komen eer ik weg ben. Ik bid u, ik bid u!”Zij beefde van ontroering, kroop achter Rachel, toen deze haar poogde gerust te stellen, en scheen niet te weten wat zij deed.„Maar luister, juffrouw, luister toch!” zeide Stephen verbaasd. „Het is mijnheer Bounderby niet; het is zijne vrouw. Gij zijt toch niet bang voor haar. Nog geen uur geleden waart ge zoo machtig blij iets van haar te hooren.”„Maar weet ge wel zeker, dat het mevrouw en niet mijnheer is?” vroeg zij nog bevende.„Zoo zeker als iets.”„Wel, als ik u bidden mag, spreek dan toch niet tegen mij, en let maar geheel niet op mij,” zeide de oude vrouw. „Laat ik maar stil in dit hoekje blijven zitten.”Stephen knikte en zag Rachel aan alsof hij van haar eene opheldering verlangde, die zij buiten staat was hem te geven. Hij nam vervolgens de kaars, ging naar beneden, kwam weldra terug, en liet Louisa binnen, die door haar broeder Tom gevolgd werd.Rachel was opgestaan en stond met haar hoed en doek in de hand, toen Stephen, zelf ten hoogste verbaasd over dit bezoek, de kaars weder op tafel zette. Toen bleef hij ook staan, met zijne geslotene hand op de tafel leunende, en wachtte tot men hem zou aanspreken.Voor de eerste maal in haar leven was Louisa in de woning van een fabriek-arbeider gekomen; voor de eerste maal in haar leven was zij in iets getreden, dat naar persoonlijke betrekking met een van die lieden zweemde. Zij wist van hun bestaan bij honderden en duizenden. Zij wist welk eene hoeveelheid arbeids zeker getal van hen in zekeren tijd kan voort brengen. Zij had hen bij troepen gelijk mieren of wespen zien voorbijgaan, als zij hunne nesten verlieten of daarheen terugkeerden. Maar zij wist door hare lectuur oneindig meer van de levenswijs dier ijverige insecten, dan van deze nijvere mannen en vrouwen.Zij waren iets dat zóóveel moest werken en zóóveel loon krijgen, en daarmede gedaan; iets dat onfeilbaar door dezelfde wetten werd beheerscht, welke de aanvraag en den toevoer op elke markt beheerschen; iets dat domme misslagen tegen die wetten maakte en dan in moeielijkheden kwam; iets dat zich wat bekrimpen moest als het koren duur was, en zich overat als het goedkoop was, en dat zich in zekere evenredigheid vermenigvuldigde, dat zekere evenredigheid van misdaden en zekere evenredigheid van pauperisme opleverde; iets waarmede, als kapitaal gebruikt, groote fortuinen werden gemaakt; iets dat somtijds in woeling kwam evenals de zee, en eenig kwaad deed (voornamelijk zich zelven), en dan weder bedaarde. Dit wist zij van de fabriek-arbeiders. Maar zij had er bijna evenmin aan gedacht om deze massa in eenheden te verdeelen, als om de zee zelve in de droppels af te zonderen, waaruit zij is samengesteld.Zij stond eene poos in de kamer rond te zien. Van de weinige stoelen, de weinige boeken, de gemeene schilderijtjes en het bed liet zij haar blik naar de twee vrouwen en naar Stephen dwalen.„Ik ben hier gekomen om eens met u te spreken over wat daar straks voorgevallen is. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn, als ge mij dat wilt toelaten. Is dit uwe vrouw?”Rachel sloeg hare oogen op en liet ze weder neerzinken; die blik zeide duidelijk genoeg: „Neen.”„Ik bedenk mij,” zeide Louisa, blozende over hare vergissing. „Ik herinner mij nu dat ik van uwe huiselijke rampen heb hooren spreken, hoewel ik toen niet op de bijzonderheden lette. Het was mijne meening niet eene vraag te doen, die hier iemand onaangenaam kon wezen. Als ik weer eene vraag mocht doen, die dat gevolg kon hebben, verontschuldig mij dan daarmede, verzoek ik u, dat ik niet recht weet hoe ik met u behoor te spreken.”Gelijk Stephen zich eene poos geleden onwillekeurig tot haar gericht had, zoo richtte zij zich nu onwillekeurig tot Rachel. Hare manier van spreken was kort en stroef, en toch aarzelend en schroomvallig.„Hij heeft u gezegd wat er tusschen hem en mijn man is voorgevallen? Gij zult wel de eerste geweest zijn, bij wie hij troost gezocht heeft, denk ik?”„Ik heb het voornaamste er van gehoord, mevrouw,” antwoordde Rachel.„Heb ik het wel verstaan, dat hij, door één fabrikant afgedankt, nu waarschijnlijk door allen zal worden afgewezen? Ik meende hem dit te hooren zeggen.”„De kans is heel gering, mevrouw—bijna geheel geene kans meer—voor iemand, die een slechten naam onder hen krijgt.”„Wat moet ik begrijpen, dat gij meent met een slechten naam?”„De naam van lastig te wezen.”„Dus zou hij evenzeer door de vooroordeelen zijner eigene klasse als die der andere in den ban gedaan worden? Zijn die twee in deze stad door zulk een diepte gescheiden, dat er tusschen in geheel geene plaats voor een eerlijk werkman is?”Rachel schudde zwijgend haar hoofd.„Hij kwam bij zijne makkers in verdenking,” hervatte Louisa, „omdat hij eene belofte gedaanhad om niet met hen mede te doen. Ik denk dat gij het moet geweest zijn aan wie hij die belofte had gedaan. Zou ik u mogen vragen waarom hij die gedaan heeft?”Rachel barstte in tranen uit.„Ik heb het niet van hem gevergd, arme man! Ik heb hem gebeden tot zijn eigen bestwil zich niet in moeite te steken, weinig denkende dat hij er door mij in zou komen. Maar ik weet dat hij liever honderd dooden zou willen sterven dan ooit zijn woord te breken. Dat weet ik wel van hem.”Stephen was stil en aandachtig blijven staan in zijne gewone peinzende houding, met de hand aan zijne kin. Hij sprak nu met eene stem, die eenigszins minder vast was dan gewoonlijk:„Niemand, behalve ik zelf, kan weten hoeveel achting, liefde en eerbied ik Rachel toedraag, of met hoeveel reden. Toen ik die belofte gaf, heb ik met waarheid gezegd, dat zij de engel van mijn leven was. Het was eene plechtige belofte. Ik heb haar gegeven voor altijd.”Louisa keerde zich naar hem om en boog haar hoofd voor hem met eene eerbiedigheid, die bij haar geheel iets nieuws was. Zij zag van hem naar Rachel, en hare trekken werden zachter. „Wat zult gij nu doen?” vroeg zij hem; en hare stem was ook zachter geworden.„Wel, mevrouw,” antwoordde Stephen, met een glimlach om zich goed te houden, „als ik mijn werk af heb, moet ik hier vandaan en het ergens anders gaan probeeren. Gelukkig of ongelukkig, iemand moet maar probeeren; er is niets te doen zonder probeeren—behalve te gaan liggen en te sterven.”„Hoe zult gij reizen?”„Te voet, lieve mevrouw, te voet.”Louisa kleurde, en eene beurs vertoonde zich in hare hand. Het ritselen eener banknoot was hoorbaar, terwijl zij die openvouwde en op de tafel legde.„Rachel, wilt gij hem zeggen—want gij weet het best hoe dat te doen zonder hem te beleedigen—dat dit hem volgaarne gegeven wordt om hem voort te helpen? Wilt gij hem bidden om het aan te nemen?”„Dat kan ik niet doen, mevrouw,” antwoordde zij, haar hoofd omkeerende. „God zegene u, dat gij zoo liefderijk over den armen man denkt. Maar hij moet zelf zijn hart kennen, en weten of het hem zegt, dat het recht is.”Louisa zag ten deele ongeloovig, ten deele verschrikt, ten deele ontroerd door medelijdend gevoel, naar dien man, die eerst zooveel zelfbeheersching bezat, die onder het jongste gesprek zoo kalm en standvastig was gebleven, en die nu in een oogenblik zijne bedaardheid verloor, en met zijne hand voor zijn gezicht voor haar stond. Zij stak hare hand uit alsof zij hem wilde aanraken, maar bedwong zich toen en hield zich stil.„Zelfs Rachel,” zeide Stephen nadat hij zijn gezicht weder ontbloot had, „zou geene woorden kunnen bedenken om zulk een vriendelijk aanbod vriendelijker te maken. Om te toonen, dat ik geen mensch zonder verstand en dankbaarheid ben, zal ik twee pond aannemen. Ik zal ze leenen om ze terug te geven. Het zal het pleizierigste werk zijn dat ik ooit gedaan heb, als ik eens iets doen kan om mijne blijvende dankbaarheid voor deze hulp te bewijzen.”Zij was genoodzaakt de banknoot terug te nemen en de veel kleinere som, die hij genoemd had, daarvoor in de plaats te stellen. Hij was in geenerlei opzicht een hoffelijk, behaaglijk of schilderachtig personage, en toch had de houding, waarmede hij dit geld aannam en zonder meer te spreken zijne dankbaarheid aanduidde, een gratie, die Lord Chesterfield zijn zoon in geene eeuw had kunnen leeren.Tom was op het bed blijven zitten, onverschillig met zijn eene been heen en weer zwaaiende en aan zijn rottingknop zuigende, tot hij zijne zuster gereed zag om weder te vertrekken. Toen stond hij eenigszins haastig op en nam het woord.„Wacht nog eventjes, Louisa. Eer wij weggaan, zou ik hem een oogenblik willen spreken. Er valt mij daar iets in. Als gij even op het portaal wilt komen, Blackpool, zal ik het u zeggen. Neem maar geen licht mede.” Tom werd bijzonder ongeduldig toen Stephen naar de kast ging om eene kaars te krijgen. „Er is geen licht bij noodig.”Stephen volgde hem naar buiten. Tom sloot de kamerdeur en hield zijne hand aan het slot.„Zeg eens,” fluisterde hij, „ik geloof dat ik u een goeden dienst kan doen. Vraag mij niet wat het is, want het kan nog wel op niemendal uitloopen. Maar het kan toch geen kwaad als ik het probeer.”Zijn adem sloeg als de vlam van een vuur tegen Stephen’s oor aan, zoo heet was hij.„Dat was onze kantoorlooper,” vervolgde Tom, „die u van avond de boodschap bracht. Ik zeg onze kantoorlooper, omdat ik ook op het kantoor ben.”„Wat heeft hij een haast!” dacht Stephen. Hij sprak zoo onduidelijk.„Nu,” zeide Tom, „wacht eens. Wanneer gaat gij heen?”„Vandaag is het maandag,” antwoordde Stephen, zich bedenkende. „Wel, mijnheer, zoo wat vrijdag of zaterdag.”„Vrijdag of zaterdag,” zeide Tom. „Let nu eens op. Ik ben er niet zeker van, of ik u den dienst kan doen, dien ik meen—dat is mijne zuster, weet ge, daar in de kamer—maar misschien zal ik er toe in staat zijn, en zoo niet, dan kan het toch geen kwaad. Ik zal u dus eens wat zeggen. Gij zoudt onzen kantoorlooper wel weerom kennen?”„O ja zeker,” antwoordde Stephen.„Heel goed,” hervatte Tom. „Als gij tusschen vandaag en den dag waarop ge heengaat, des avonds met werken uitscheidt, kuier dan een uurtje of zoo voor het kantoor heen en weer. Doe niet alsof dat iets beduidde, als hij u daar zien mocht, want ik zal hem niet zeggen u aan te spreken, of ik moet begrijpen dat ik u den dienst kan doen, dien ik meen. In dat geval zal hij een briefje of eene boodschap voor u hebben, maar anders niet. Let wel daarop. Hebt ge mij goed begrepen?”Hij had in het donker een vinger door een knoopsgat van Stephen’s rok gewrongen, en draaide nu die punt van dat kleedingstuk al om en om en dicht in elkander, op eene zeer buitengewone manier.„Ik heb het heel wel begrepen, mijnheer,” antwoordde Stephen.„Pas dan op dat gij het niet vergeet en u niet vergist,” zeide Tom. „Ik zal mijne zuster onder het naar huis gaan zeggen wat ik op het oog heb, en ik weet zeker dat zij het zal goedkeuren. Pas op nu. Gij hebt alles onthouden, niet waar? Gij hebt het wel begrepen? Heel goed dan. Komaan, Louisa!”Terwijl hij haar riep, stiet hij de deur open, maar hij kwam de kamer niet weder binnen en wachtte ook niet tot men hem de smalle trap aflichtte. Hij was al beneden toen zijne zuster pas de deur uitkwam, en al op straat eer zij hem bereiken kon.Juffrouw Pegler bleef in haar hoekje zitten tot broeder en zuster vertrokken waren en Stephen met de kaars in de hand terugkwam. Zij was onuitsprekelijk opgetogen over mevrouw Bounderby, en schreide—die onbegrijpelijke oude vrouw!—„omdat zij zulk een lief hartje was.” En toch was juffrouw Pegler zoo angstig dat het voorwerp harer bewondering bij toeval zou terugkomen, dat het voor dien avond met hare vroolijkheid gedaan was. Het was ook laat voor menschen, die vroeg opstonden en zwaar werkten. Het gezelschap scheidde dus, en Stephen en Rachel brachten hunne geheimzinnige bekende tot aan de deur van het Reizigers-Koffiehuis, waar zij afscheid van haar namen.Zij gingen te zamen terug tot aan den hoek van de straat waar Rachel woonde, en toen zij deze nader kwamen, werden zij al stiller en stiller. Toen zij aan den donkeren hoek kwamen, waar hunne zeldzame samenkomsten altijd afgebroken werden, bleven zij stilstaan en zwegen geheel, alsof beiden bevreesd waren om te spreken.„Ik zal mijn best doen om u nog eens te zien, Rachel, eer ik ga, maar zoo niet...”„Dat zult ge niet, Stephen, dat weet ik wel. Het is beter dat wij maar besluiten om openhartig voor elkander te zijn.”„Ja, gij hebt altijd gelijk. Dat is moediger en beter. Ik heb dus gedacht, Rachel, dat het, daar ik nog maar een paar dagen hier blijf, beter voor u zou zijn, beste, dat ge niet meer met mij gezien werdt. Het zou u in moeielijkheid kunnen brengen, zonder eenig nut.”„Het is niet daarom, Stephen, dat ik er tegen heb. Maar gij weet onze oude afspraak. Het is om die reden.”„Ja,” zeide hij. „Het is op alle manieren beter.”„Gij zult aan mij schrijven, Stephen, en mij alles zeggen wat er met u gebeurt?”„Ja. Wat kan ik nu anders zeggen dan: de Hemel zij met u, de Hemel zegene u, de Hemel danke u en beloone u!”„Moge Hij u ook zegenen, Stephen, in al uw zwerven, en u eindelijk rust en vrede zenden!”„Ik heb u gezegd, beste,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb u dien nacht gezegd, dat ik nooit iets zien of aan iets denken zou dat mij driftig maakte, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zoudt daarnaast staan. Gij staat nu daarnaast. Gij doet het mij met betere oogen zien. God zegene u! Goedennacht en vaarwel!”Het was maar een haastig afscheid op den hoek eener gemeene straat, maar het bleef eene heilige herinnering voor die twee gemeene lieden. Gij bekrompene staathuishoudkundigen, gij geraamten van schoolmeesters, gij mannen van feiten en cijfers, gij fijn beschaafde, geblazeerde ongeloovigen, gij kakelende predikers van allerlei kleingeestige stelsels, de armen zult gij altijd met u hebben. Kweekt bij hen, terwijl het nog tijd is, alle schoonheden van gevoel en verbeelding aan, om hun leven, dat dit zoo grootelijks behoeft, tot sieraad te strekken; of in het oogenblik uwer zegepraal, wanneer al het romaneske geheel uit hunne ziel verdreven is, en zij en de prozaïsche werkelijkheid elkander recht in de oogen zien, zal de werkelijkheid een wolvenaard aannemen, zich tegen u omkeeren en een eind aan u maken.Stephen werkte de twee volgende dagen zonder ooit door iemand met een enkel woord te worden opgebeurd; bij zijn komen en gaan ontweek men hem gelijk te voren. Aan den avond van den tweeden dag zag hij land; aan den avond van den derden stond zijn weefgetouw ledig.Op de twee vorige avonden was hij langer dan een uur op de straat voor het kantoor blijven heen en weer dwalen, en er was niets gebeurd, goed noch kwaad. Om van zijn kant niets te verzuimen, besloot hij dezen derden en laatsten avond twee uren lang te blijven wachten.Hij zag de dame, die eens bij mijnheer Bounderby had huisgehouden, voor het venster eener bovenkamer zitten gelijk hij haar te voren had gezien; en hij zag den kantoorlooper, die somtijds daar met haar praatte en somtijds benedenover het horretje keek waarop het woord „kantoor” te lezen stond en somtijds naar de deur kwam en op de stoep een luchtje bleef staan scheppen. Toen hij het eerst buiten kwam, dacht Stephen dat hij misschien naar hem zocht en ging hem dicht voorbij; maar de kantoorlooper zag hem met zijne lichte, knippende oogen slechts even aan en zeide niets.Twee uren waren een lange tijd om zoo rond te drentelen na een lang dagwerk. Stephen ging eens op eene stoep zitten, of tegen een muur of onder eene poort staan leunen, wandelde een eind heen en weder, luisterde naar het slaan der klok, en bleef dan weder staan om naar de op straat spelende kinderen te kijken. Een of ander doel te hebben is voor iedereen iets zoo natuurlijks, dat iemand, die ergens doelloos ronddwaalt, altijd iets opmerkelijks heeft en dit zelf gevoelt. Toen het eerste uur om was, begon Stephen zelfs eene onaangename gewaarwording te krijgen, alsof hij voor het oogenblik een verdacht persoon was.Toen kwam de lantaarnaansteker en zag men langs het geheele verschiet der straat twee lange lichtstrepen flikkeren, tot zij zich in de verte met elkander vereenigden. Mevrouw Sparsit sloot het venster, liet het gordijn zakken en ging de trap op, eene verdieping hooger. Weldra ging een licht haar na naar boven; het scheen eerst door het halfronde venster boven de deur en vervolgens door de twee trapvenstertjes. Spoedig werd van het gordijn voor een venster op de bovenste verdieping een hoekje opgetild, alsof mevrouw Sparsit daar haar oog hield, en ook aan den anderen kant, alsof de kantoorlooper daar zijn oog hield. Maar nog ontving Stephen taal noch teeken. Hij was blijde toen de twee uren eindelijk om waren, en ging met snelle schreden heen om zich zelven zulk een langen tijd van drentelen te vergoeden.Hij had nog maar van zijne huiswaardin afscheid te nemen en zich dan neer te leggen op een op den vloer gespreid kermisbed; want hij had zijn goed reeds gepakt en alles voor zijn vertrek in gereedheid gebracht. Hij wilde den volgenden ochtend zeer vroeg de stad uit zijn, eer de fabriek-arbeiders op straat waren.De dag begon pas aan te breken, toen hij, een afscheidsblik in zijne kamer om zich heen werpende, en treurig bij zich zelven denkende, of hij die ooit zou wederzien, naar buiten ging. De stad was zoo stil, alsof al de inwoners haar verlaten hadden, uit vrees van gemeenschap met hem te houden. Alles zag er op dat uur even bleek en ziekelijk uit. Zelfs de rijzende zon maakte slechts eene bleeke plek in de lucht, gelijk eene treurig stille zee.Voorbij het huis waar Rachel woonde, hoewel die straat niet in zijn weg lag; langs de met roode steenen bezoomde straten; langs de groote stille fabriekgebouwen, die nog niet trilden en dreunden; langs den spoorweg, waar de seinlichten voor het toenemende daglicht verbleekten; langs de woestenij om den spoorweg, met half afgebrokene en half opgebouwde huizen; langs verspreide roode buitentjes, waar de berookte heesters met vuil poeier waren bestrooid, gelijk morsige snuivers; langs paden van kolenstof en allerlei verscheidenheden van leelijkheid, kwam Stephen op den top van den heuvel en keek toen om.Het daglicht bescheen nu de stad met heldere stralen en de klokken luidden voor het ochtendwerk. De keukenvuren waren nog niet aangelegd, en de hooge schoorsteenen hadden de lucht alleen. Het zou niet lang duren, of zij zouden haar door het uitblazen hunner giftige rookwolken verbergen; maar voor een half uur flikkerden sommige der talrijke vensters, welke de lieden vanCoketown, door de berookte glazen heen, de zon lieten zien, alsof zij in eene eeuwigdurende eclips verkeerde.Hoe vreemd was het, zich van de schoorsteenen naar de vogelen te wenden! Hoe vreemd het stof van den buitenweg in plaats van het kolengruis op zijne schoenen te zien! Hoe vreemd, zoo oud te zijn geworden en toch dien zomerochtend te beginnen alsof hij nog een knaap was. Met zulke gepeinzen in zijn gemoed en zijn pak onder den arm, stapte Stephen met zijn oplettend gezicht langs den buitenweg voort: en de boomen welfden zich over hem en fluisterden, dat hij een trouw en liefderijk hart achterliet.

Het was tusschen licht en donker toen Stephen bij mijnheer Bounderby de deur uitkwam. De nachtelijke schaduw was zoo snel neergedaald, dat hij, toen hij de deur had toegetrokken, niet eens om zich heen zag, maar met loomen tred rechtuit de straat langs ging. Niets was verder uit zijne gedachten dan de zonderlinge oude vrouw, die hij bij zijn vorig bezoek aan hetzelfde huis had ontmoet, toen hij een voetstap achter zich hoorde dien hij kende, en zich omkeerende, die vrouw wederzag, thans in gezelschap van Rachel.

Hij zag Rachel het eerst, gelijk hij haar alleen had gehoord.

„Ha, Rachel, mijn beste! Gij bij haar, juffrouw!”

„Ja, gij zijt zeker wel verwonderd, en dat met reden, moet ik zeggen,” antwoordde de oude vrouw. „Daar ben ik alweer, ziet ge.”

„Maar hoe zoo met Rachel?” zeide Stephen, terwijl hij zijn stap naar dien der vrouwen schikte en tusschen de twee in ging, nu naar de eene en dan naar de andere omkijkende.

„Wel, ik ben omtrent eveneens aan dit goede meisje gekomen als ik aan u gekomen ben,” antwoordde de oude vrouw, op vroolijken toon het woord opvattende. „Ik kom hier dit jaar wat later dan gewoonlijk, want ik ben eenigszins met kortademigheid gekweld, en heb dus mijne reis uitgesteld tot wij warm en mooi weer hadden. Om dezelfde reden doe ik nu mijne reis niet geheel op één dag, maar neem er twee dagen toe, en slaap van nacht in het Reizigers-Koffiehuis bij den spoorweg (een knap, zindelijk huis) en ga morgenochtend om zes uur met den eersten trein weer heen. Maar wat heeft dat met dit goede meisje te doen, zult gij zeggen. Dat zal ik u vertellen. Ik heb gehoord, dat mijnheer Bounderby getrouwd is. Ik heb het in de courant gelezen, waar het wat heerlijk in stond—machtig mooi!” De oude vrouw zeide dit met eene zonderlinge opgetogenheid. „En nu wilde ik zijne vrouw zien. Ik heb haar nog nooit gezien. Zoudt ge nu gelooven, zij is sedert van middag twaalf uur de deur niet uitgekomen. Om het dus nu niet te licht op te geven, bleef ik voor het laatst nog een beetje wachten, en toen ging ik dit goede meisje twee- of driemaal voorbij; en daar zij zulk een vriendelijk gezichtje had, sprak ik haar aan, en zij bleef met mij aan de praat. Daar,” zeide de oude vrouw tot Stephen, „nu kunt ge al de rest wel zelf raden, veel korter dan ik het vertellen kan, mag ik wel zeggen.”

Wederom had Stephen moeite om een onwillekeurigen afkeer van die oude vrouw te overwinnen, hoewel haar uitzicht en toon zoo eerlijk en eenvoudig waren als zij maar konden zijn. Met eene goedwilligheid, welke hem even natuurlijk was als hij wist dat zij dit Rachel was, bleef hij bij het onderwerp, dat haar in haar ouderdom nog zooveel belang inboezemde.

„Wel, juffrouw,” zeide hij, „ik heb die dame gezien, en zij was jong en mooi. Met heerlijke, donkere, peinzende oogen, en zulk eene stille manier, Rachel, als ik nog nooit iemand anders gezien heb.”

„Jong en mooi. Zoo zoo!” riep de oude vrouw vol blijdschap uit. „Bloeiend als eene roos! En zeker eene gelukkige vrouw!”

„O ja, juffrouw, dat zou ik wel denken,” zeide Stephen, maar met een twijfelachtigen blik naar Rachel.

„Zoudt gij denken? Dat moet zij wel wezen. Zij is immers uw meesters vrouw?” hervatte de oude vrouw.

Stephen knikte toestemmend. „Hoewel wat dat meester aangaat,” zeide hij, wederom met een blik naar Rachel, „hij is nu mijn meester niet meer. Het is alles gedaan tusschen hem en mij.”

„Hebt gij voor zijn werk bedankt, Stephen?” vroeg Rachel angstig en snel.

„Wel, Rachel,” antwoordde hij, „of ik voor zijn werk heb bedankt, of hij mij afdankte, komt op hetzelfde neer. Zijn werk en ik zijn gescheiden. Het is ook al goed zoo—het beste misschien, dacht ik, juist toen ik u mij achterop hoorde komen. Het zou maar allerlei moeite veroorzaakt hebben als ik daar gebleven was. Misschien is het een geluk voor velen, dat ik heenga, misschien een geluk voor mij zelven; in allen gevalle het moet nu zoo wezen. Ik moetCoketownden rug toekeeren en mijn fortuin zoeken, beste, met opnieuw te beginnen.”

„Waar zult ge naar toe gaan, Stephen?”

„Dat weet ik van avond nog niet,” zeide hij, zijn hoed afnemend en zijne dunne haren met de vlakke hand gladstrijkende. „Maar ik ga van avond nog niet, Rachel, en morgen ook nog niet. Het is niet heel gemakkelijk te verzinnen waar ik naar toe zal gaan; maar ik zal wel moed houden.”

In dit opzicht hielp hem de bewustheid, dat hij niet slechts onbaatzuchtig handelde, maar zelfs onbaatzuchtig dacht. Eer hij nog mijnheer Bounderby’s deur had toegetrokken, had hij overwogen, dat het ten minste voor haar goed was, dat hij genoodzaakt was om heen te gaan, dewijl zij dan geen gevaar meer zou loopen van insgelijks verdacht te worden, omdat zij zich niet van hem afzonderde. Hoewel het hem veel kosten zou haar te verlaten, en hoewel hij geene stad bedenken kon waar zijn vonnis hem niet volgen zou, was het misschien toch eene verademing voor hem, dat hij met geweld van het leed der vier laatste dagen werd ontheven al was het zelf om onbekende rampen en bezwarentegemoette gaan.

Hij zeide dus naar waarheid: „Ik ben er kalmer onder, Rachel, dan ik had kunnen denken.”

Het was hare taak niet zijn last te verzwaren; zij antwoordde dus met haar opbeurenden glimlach, en het drietal wandelde te zamen voort.

Oude lieden, vooral wanneer zij hun best doen om vroolijk te zijn en anderen niet tot last te wezen, worden onder de armen algemeen geacht en geëerd. De oude vrouw had zulk een fatsoenlijk voorkomen, was zoo vergenoegd, en nam hare zwakheden, hoewel zij sedert haar vorig onderhoud met Stephen waren toegenomen, zoo licht op, dat beiden eene welwillende belangstelling voor haar begonnen te gevoelen. Zij was te vlug om te willen toelaten, dat men om harentwil langzamer ging, maar zij was zeer dankbaar dat men met haar praatte, en zelve zeer genegen om te praten; zoodat zij, toen men aan dat gedeelte der stad gekomen was, waar hare geleiders woonden, levendiger en luchtiger was geworden dan ooit.

„Kom bij mij binnen, juffrouw,” zeide Stephen, „en drink een kopje thee. Rachel zal dan ook binnenkomen en u naderhand veilig naar uw logement brengen. Het zal misschien lang duren, Rachel, eer ik weder eens kans heb op uw gezelschap.”

Men bewilligde, en de drie gingen verder naar het huis waar hij woonde. Toen men de smalle straat insloeg, keek Stephen naar zijn venster op met een angst, die hem altijd kwelde als hij naar huis ging; maar het venster stond open gelijk hij het gelaten had, en niemand was daar. De booze geest van zijn leven was maanden geleden weder verdwenen; en hij had sedert niet meer van haar gehoord. De eenige blijken harer laatste terugkomst waren thans het karigerhuisraadin zijne kamer en het grijzere haar op zijn hoofd.

Hij stak eene kaars aan, zette zijn theeblad gereed, haalde heet water van beneden, en brood, boter en eene kleine portie thee en suiker in den naasten winkel. Het brood was versch en bros van korst, de boter niet lang geleden gemaakt en de suiker wit, natuurlijk—om de standvastige getuigenis der magnaten vanCoketownte bewaarheden, dat die menschen leefden als prinsen, mijnheer. Rachel zette thee (zulk een groot gezelschap maakte het noodzakelijk een kopje te leenen), en de vreemde oude vrouw was machtig in haar schik. Het was de eerste zweem van gezelligheid, dien de gastheer in vele dagen had gehad. Ook hij, met de wereld als eene barre, uitgestrekte heide voor zich, genoot dezen maaltijd—wederom ter bevestiging van de getuigenis der magnaten—als een voorbeeld van het volslagen gebrek aan overleg bij die menschen, mijnheer.

„Ik heb er nog niet aan gedacht om naar uw naam te vragen, juffrouw,” zeide Stephen.

De oude vrouw maakte zich bekend als „juffrouw Pegler.”

„Eene weduwe, denk ik?” zeide Stephen.

„O, vele jaren lang!”

Juffrouw Pegler’s echtgenoot (een van de beste mannen, die er ooit geweest waren) was, volgens hare berekening, reeds dood toen Stephen geboren werd.

„Het was wel een ongeluk, zoo’n goed man te verliezen. En kinderen?”

Het kopje van juffrouw Pegler, dat tegen het schoteltje rinkelde, duidde eenige zenuwachtigheid bij haar aan. „Neen,” zeide zij. „Nu niet, nu niet.”

„Dood, Stephen,” fluisterde Rachel hem zachtjes toe.

„Het spijt me dat ik er van gesproken heb,” zeide Stephen. „Ik had moeten bedenken, dat ik eene pijnlijke plek kon treffen. Ik—ik had beter moeten weten.”

Terwijl hij zich zoo verontschuldigde, rinkelde het kopje der oude vrouw al meer en meer. „Ik heb een zoon gehad,” zeide zij met eene zonderlinge aandoening, welke niets van de gewone teekenen van droefheid had, „en het ging hem goed, verbazend goed. Maar laat er niet meer van hem gesproken worden als het u belieft. Hij is,”—zij zette haar kopje neer en maakte eene beweging met hare handen, alsof zij er met dat gebaar wilde bijvoegen: „dood!” Daarna zeide zij overluid: „Ik heb hem verloren.”

Stephen was het onaangename gevoel nog niet te boven gekomen, dat hij de oude vrouw leed had gedaan, toen zijne huiswaardin de smalle trap kwam opstommelen, hem naar dedeur riep en hem iets in het oor fluisterde. Juffrouw Pegler was lang niet doof, want zij ving een der zacht gesprokene woorden op.

„Bounderby!” riep zij met eene gesmoorde stem, van haar stoel bij de tafel opspringende. „O, verberg mij! Laat ik toch om ’s Hemels wil niet gezien worden. Laat hij niet boven komen eer ik weg ben. Ik bid u, ik bid u!”

Zij beefde van ontroering, kroop achter Rachel, toen deze haar poogde gerust te stellen, en scheen niet te weten wat zij deed.

„Maar luister, juffrouw, luister toch!” zeide Stephen verbaasd. „Het is mijnheer Bounderby niet; het is zijne vrouw. Gij zijt toch niet bang voor haar. Nog geen uur geleden waart ge zoo machtig blij iets van haar te hooren.”

„Maar weet ge wel zeker, dat het mevrouw en niet mijnheer is?” vroeg zij nog bevende.

„Zoo zeker als iets.”

„Wel, als ik u bidden mag, spreek dan toch niet tegen mij, en let maar geheel niet op mij,” zeide de oude vrouw. „Laat ik maar stil in dit hoekje blijven zitten.”

Stephen knikte en zag Rachel aan alsof hij van haar eene opheldering verlangde, die zij buiten staat was hem te geven. Hij nam vervolgens de kaars, ging naar beneden, kwam weldra terug, en liet Louisa binnen, die door haar broeder Tom gevolgd werd.

Rachel was opgestaan en stond met haar hoed en doek in de hand, toen Stephen, zelf ten hoogste verbaasd over dit bezoek, de kaars weder op tafel zette. Toen bleef hij ook staan, met zijne geslotene hand op de tafel leunende, en wachtte tot men hem zou aanspreken.

Voor de eerste maal in haar leven was Louisa in de woning van een fabriek-arbeider gekomen; voor de eerste maal in haar leven was zij in iets getreden, dat naar persoonlijke betrekking met een van die lieden zweemde. Zij wist van hun bestaan bij honderden en duizenden. Zij wist welk eene hoeveelheid arbeids zeker getal van hen in zekeren tijd kan voort brengen. Zij had hen bij troepen gelijk mieren of wespen zien voorbijgaan, als zij hunne nesten verlieten of daarheen terugkeerden. Maar zij wist door hare lectuur oneindig meer van de levenswijs dier ijverige insecten, dan van deze nijvere mannen en vrouwen.

Zij waren iets dat zóóveel moest werken en zóóveel loon krijgen, en daarmede gedaan; iets dat onfeilbaar door dezelfde wetten werd beheerscht, welke de aanvraag en den toevoer op elke markt beheerschen; iets dat domme misslagen tegen die wetten maakte en dan in moeielijkheden kwam; iets dat zich wat bekrimpen moest als het koren duur was, en zich overat als het goedkoop was, en dat zich in zekere evenredigheid vermenigvuldigde, dat zekere evenredigheid van misdaden en zekere evenredigheid van pauperisme opleverde; iets waarmede, als kapitaal gebruikt, groote fortuinen werden gemaakt; iets dat somtijds in woeling kwam evenals de zee, en eenig kwaad deed (voornamelijk zich zelven), en dan weder bedaarde. Dit wist zij van de fabriek-arbeiders. Maar zij had er bijna evenmin aan gedacht om deze massa in eenheden te verdeelen, als om de zee zelve in de droppels af te zonderen, waaruit zij is samengesteld.

Zij stond eene poos in de kamer rond te zien. Van de weinige stoelen, de weinige boeken, de gemeene schilderijtjes en het bed liet zij haar blik naar de twee vrouwen en naar Stephen dwalen.

„Ik ben hier gekomen om eens met u te spreken over wat daar straks voorgevallen is. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn, als ge mij dat wilt toelaten. Is dit uwe vrouw?”

Rachel sloeg hare oogen op en liet ze weder neerzinken; die blik zeide duidelijk genoeg: „Neen.”

„Ik bedenk mij,” zeide Louisa, blozende over hare vergissing. „Ik herinner mij nu dat ik van uwe huiselijke rampen heb hooren spreken, hoewel ik toen niet op de bijzonderheden lette. Het was mijne meening niet eene vraag te doen, die hier iemand onaangenaam kon wezen. Als ik weer eene vraag mocht doen, die dat gevolg kon hebben, verontschuldig mij dan daarmede, verzoek ik u, dat ik niet recht weet hoe ik met u behoor te spreken.”

Gelijk Stephen zich eene poos geleden onwillekeurig tot haar gericht had, zoo richtte zij zich nu onwillekeurig tot Rachel. Hare manier van spreken was kort en stroef, en toch aarzelend en schroomvallig.

„Hij heeft u gezegd wat er tusschen hem en mijn man is voorgevallen? Gij zult wel de eerste geweest zijn, bij wie hij troost gezocht heeft, denk ik?”

„Ik heb het voornaamste er van gehoord, mevrouw,” antwoordde Rachel.

„Heb ik het wel verstaan, dat hij, door één fabrikant afgedankt, nu waarschijnlijk door allen zal worden afgewezen? Ik meende hem dit te hooren zeggen.”

„De kans is heel gering, mevrouw—bijna geheel geene kans meer—voor iemand, die een slechten naam onder hen krijgt.”

„Wat moet ik begrijpen, dat gij meent met een slechten naam?”

„De naam van lastig te wezen.”

„Dus zou hij evenzeer door de vooroordeelen zijner eigene klasse als die der andere in den ban gedaan worden? Zijn die twee in deze stad door zulk een diepte gescheiden, dat er tusschen in geheel geene plaats voor een eerlijk werkman is?”

Rachel schudde zwijgend haar hoofd.

„Hij kwam bij zijne makkers in verdenking,” hervatte Louisa, „omdat hij eene belofte gedaanhad om niet met hen mede te doen. Ik denk dat gij het moet geweest zijn aan wie hij die belofte had gedaan. Zou ik u mogen vragen waarom hij die gedaan heeft?”

Rachel barstte in tranen uit.

„Ik heb het niet van hem gevergd, arme man! Ik heb hem gebeden tot zijn eigen bestwil zich niet in moeite te steken, weinig denkende dat hij er door mij in zou komen. Maar ik weet dat hij liever honderd dooden zou willen sterven dan ooit zijn woord te breken. Dat weet ik wel van hem.”

Stephen was stil en aandachtig blijven staan in zijne gewone peinzende houding, met de hand aan zijne kin. Hij sprak nu met eene stem, die eenigszins minder vast was dan gewoonlijk:

„Niemand, behalve ik zelf, kan weten hoeveel achting, liefde en eerbied ik Rachel toedraag, of met hoeveel reden. Toen ik die belofte gaf, heb ik met waarheid gezegd, dat zij de engel van mijn leven was. Het was eene plechtige belofte. Ik heb haar gegeven voor altijd.”

Louisa keerde zich naar hem om en boog haar hoofd voor hem met eene eerbiedigheid, die bij haar geheel iets nieuws was. Zij zag van hem naar Rachel, en hare trekken werden zachter. „Wat zult gij nu doen?” vroeg zij hem; en hare stem was ook zachter geworden.

„Wel, mevrouw,” antwoordde Stephen, met een glimlach om zich goed te houden, „als ik mijn werk af heb, moet ik hier vandaan en het ergens anders gaan probeeren. Gelukkig of ongelukkig, iemand moet maar probeeren; er is niets te doen zonder probeeren—behalve te gaan liggen en te sterven.”

„Hoe zult gij reizen?”

„Te voet, lieve mevrouw, te voet.”

Louisa kleurde, en eene beurs vertoonde zich in hare hand. Het ritselen eener banknoot was hoorbaar, terwijl zij die openvouwde en op de tafel legde.

„Rachel, wilt gij hem zeggen—want gij weet het best hoe dat te doen zonder hem te beleedigen—dat dit hem volgaarne gegeven wordt om hem voort te helpen? Wilt gij hem bidden om het aan te nemen?”

„Dat kan ik niet doen, mevrouw,” antwoordde zij, haar hoofd omkeerende. „God zegene u, dat gij zoo liefderijk over den armen man denkt. Maar hij moet zelf zijn hart kennen, en weten of het hem zegt, dat het recht is.”

Louisa zag ten deele ongeloovig, ten deele verschrikt, ten deele ontroerd door medelijdend gevoel, naar dien man, die eerst zooveel zelfbeheersching bezat, die onder het jongste gesprek zoo kalm en standvastig was gebleven, en die nu in een oogenblik zijne bedaardheid verloor, en met zijne hand voor zijn gezicht voor haar stond. Zij stak hare hand uit alsof zij hem wilde aanraken, maar bedwong zich toen en hield zich stil.

„Zelfs Rachel,” zeide Stephen nadat hij zijn gezicht weder ontbloot had, „zou geene woorden kunnen bedenken om zulk een vriendelijk aanbod vriendelijker te maken. Om te toonen, dat ik geen mensch zonder verstand en dankbaarheid ben, zal ik twee pond aannemen. Ik zal ze leenen om ze terug te geven. Het zal het pleizierigste werk zijn dat ik ooit gedaan heb, als ik eens iets doen kan om mijne blijvende dankbaarheid voor deze hulp te bewijzen.”

Zij was genoodzaakt de banknoot terug te nemen en de veel kleinere som, die hij genoemd had, daarvoor in de plaats te stellen. Hij was in geenerlei opzicht een hoffelijk, behaaglijk of schilderachtig personage, en toch had de houding, waarmede hij dit geld aannam en zonder meer te spreken zijne dankbaarheid aanduidde, een gratie, die Lord Chesterfield zijn zoon in geene eeuw had kunnen leeren.

Tom was op het bed blijven zitten, onverschillig met zijn eene been heen en weer zwaaiende en aan zijn rottingknop zuigende, tot hij zijne zuster gereed zag om weder te vertrekken. Toen stond hij eenigszins haastig op en nam het woord.

„Wacht nog eventjes, Louisa. Eer wij weggaan, zou ik hem een oogenblik willen spreken. Er valt mij daar iets in. Als gij even op het portaal wilt komen, Blackpool, zal ik het u zeggen. Neem maar geen licht mede.” Tom werd bijzonder ongeduldig toen Stephen naar de kast ging om eene kaars te krijgen. „Er is geen licht bij noodig.”

Stephen volgde hem naar buiten. Tom sloot de kamerdeur en hield zijne hand aan het slot.

„Zeg eens,” fluisterde hij, „ik geloof dat ik u een goeden dienst kan doen. Vraag mij niet wat het is, want het kan nog wel op niemendal uitloopen. Maar het kan toch geen kwaad als ik het probeer.”

Zijn adem sloeg als de vlam van een vuur tegen Stephen’s oor aan, zoo heet was hij.

„Dat was onze kantoorlooper,” vervolgde Tom, „die u van avond de boodschap bracht. Ik zeg onze kantoorlooper, omdat ik ook op het kantoor ben.”

„Wat heeft hij een haast!” dacht Stephen. Hij sprak zoo onduidelijk.

„Nu,” zeide Tom, „wacht eens. Wanneer gaat gij heen?”

„Vandaag is het maandag,” antwoordde Stephen, zich bedenkende. „Wel, mijnheer, zoo wat vrijdag of zaterdag.”

„Vrijdag of zaterdag,” zeide Tom. „Let nu eens op. Ik ben er niet zeker van, of ik u den dienst kan doen, dien ik meen—dat is mijne zuster, weet ge, daar in de kamer—maar misschien zal ik er toe in staat zijn, en zoo niet, dan kan het toch geen kwaad. Ik zal u dus eens wat zeggen. Gij zoudt onzen kantoorlooper wel weerom kennen?”

„O ja zeker,” antwoordde Stephen.

„Heel goed,” hervatte Tom. „Als gij tusschen vandaag en den dag waarop ge heengaat, des avonds met werken uitscheidt, kuier dan een uurtje of zoo voor het kantoor heen en weer. Doe niet alsof dat iets beduidde, als hij u daar zien mocht, want ik zal hem niet zeggen u aan te spreken, of ik moet begrijpen dat ik u den dienst kan doen, dien ik meen. In dat geval zal hij een briefje of eene boodschap voor u hebben, maar anders niet. Let wel daarop. Hebt ge mij goed begrepen?”

Hij had in het donker een vinger door een knoopsgat van Stephen’s rok gewrongen, en draaide nu die punt van dat kleedingstuk al om en om en dicht in elkander, op eene zeer buitengewone manier.

„Ik heb het heel wel begrepen, mijnheer,” antwoordde Stephen.

„Pas dan op dat gij het niet vergeet en u niet vergist,” zeide Tom. „Ik zal mijne zuster onder het naar huis gaan zeggen wat ik op het oog heb, en ik weet zeker dat zij het zal goedkeuren. Pas op nu. Gij hebt alles onthouden, niet waar? Gij hebt het wel begrepen? Heel goed dan. Komaan, Louisa!”

Terwijl hij haar riep, stiet hij de deur open, maar hij kwam de kamer niet weder binnen en wachtte ook niet tot men hem de smalle trap aflichtte. Hij was al beneden toen zijne zuster pas de deur uitkwam, en al op straat eer zij hem bereiken kon.

Juffrouw Pegler bleef in haar hoekje zitten tot broeder en zuster vertrokken waren en Stephen met de kaars in de hand terugkwam. Zij was onuitsprekelijk opgetogen over mevrouw Bounderby, en schreide—die onbegrijpelijke oude vrouw!—„omdat zij zulk een lief hartje was.” En toch was juffrouw Pegler zoo angstig dat het voorwerp harer bewondering bij toeval zou terugkomen, dat het voor dien avond met hare vroolijkheid gedaan was. Het was ook laat voor menschen, die vroeg opstonden en zwaar werkten. Het gezelschap scheidde dus, en Stephen en Rachel brachten hunne geheimzinnige bekende tot aan de deur van het Reizigers-Koffiehuis, waar zij afscheid van haar namen.

Zij gingen te zamen terug tot aan den hoek van de straat waar Rachel woonde, en toen zij deze nader kwamen, werden zij al stiller en stiller. Toen zij aan den donkeren hoek kwamen, waar hunne zeldzame samenkomsten altijd afgebroken werden, bleven zij stilstaan en zwegen geheel, alsof beiden bevreesd waren om te spreken.

„Ik zal mijn best doen om u nog eens te zien, Rachel, eer ik ga, maar zoo niet...”

„Dat zult ge niet, Stephen, dat weet ik wel. Het is beter dat wij maar besluiten om openhartig voor elkander te zijn.”

„Ja, gij hebt altijd gelijk. Dat is moediger en beter. Ik heb dus gedacht, Rachel, dat het, daar ik nog maar een paar dagen hier blijf, beter voor u zou zijn, beste, dat ge niet meer met mij gezien werdt. Het zou u in moeielijkheid kunnen brengen, zonder eenig nut.”

„Het is niet daarom, Stephen, dat ik er tegen heb. Maar gij weet onze oude afspraak. Het is om die reden.”

„Ja,” zeide hij. „Het is op alle manieren beter.”

„Gij zult aan mij schrijven, Stephen, en mij alles zeggen wat er met u gebeurt?”

„Ja. Wat kan ik nu anders zeggen dan: de Hemel zij met u, de Hemel zegene u, de Hemel danke u en beloone u!”

„Moge Hij u ook zegenen, Stephen, in al uw zwerven, en u eindelijk rust en vrede zenden!”

„Ik heb u gezegd, beste,” zeide Stephen Blackpool, „ik heb u dien nacht gezegd, dat ik nooit iets zien of aan iets denken zou dat mij driftig maakte, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zoudt daarnaast staan. Gij staat nu daarnaast. Gij doet het mij met betere oogen zien. God zegene u! Goedennacht en vaarwel!”

Het was maar een haastig afscheid op den hoek eener gemeene straat, maar het bleef eene heilige herinnering voor die twee gemeene lieden. Gij bekrompene staathuishoudkundigen, gij geraamten van schoolmeesters, gij mannen van feiten en cijfers, gij fijn beschaafde, geblazeerde ongeloovigen, gij kakelende predikers van allerlei kleingeestige stelsels, de armen zult gij altijd met u hebben. Kweekt bij hen, terwijl het nog tijd is, alle schoonheden van gevoel en verbeelding aan, om hun leven, dat dit zoo grootelijks behoeft, tot sieraad te strekken; of in het oogenblik uwer zegepraal, wanneer al het romaneske geheel uit hunne ziel verdreven is, en zij en de prozaïsche werkelijkheid elkander recht in de oogen zien, zal de werkelijkheid een wolvenaard aannemen, zich tegen u omkeeren en een eind aan u maken.

Stephen werkte de twee volgende dagen zonder ooit door iemand met een enkel woord te worden opgebeurd; bij zijn komen en gaan ontweek men hem gelijk te voren. Aan den avond van den tweeden dag zag hij land; aan den avond van den derden stond zijn weefgetouw ledig.

Op de twee vorige avonden was hij langer dan een uur op de straat voor het kantoor blijven heen en weer dwalen, en er was niets gebeurd, goed noch kwaad. Om van zijn kant niets te verzuimen, besloot hij dezen derden en laatsten avond twee uren lang te blijven wachten.

Hij zag de dame, die eens bij mijnheer Bounderby had huisgehouden, voor het venster eener bovenkamer zitten gelijk hij haar te voren had gezien; en hij zag den kantoorlooper, die somtijds daar met haar praatte en somtijds benedenover het horretje keek waarop het woord „kantoor” te lezen stond en somtijds naar de deur kwam en op de stoep een luchtje bleef staan scheppen. Toen hij het eerst buiten kwam, dacht Stephen dat hij misschien naar hem zocht en ging hem dicht voorbij; maar de kantoorlooper zag hem met zijne lichte, knippende oogen slechts even aan en zeide niets.

Twee uren waren een lange tijd om zoo rond te drentelen na een lang dagwerk. Stephen ging eens op eene stoep zitten, of tegen een muur of onder eene poort staan leunen, wandelde een eind heen en weder, luisterde naar het slaan der klok, en bleef dan weder staan om naar de op straat spelende kinderen te kijken. Een of ander doel te hebben is voor iedereen iets zoo natuurlijks, dat iemand, die ergens doelloos ronddwaalt, altijd iets opmerkelijks heeft en dit zelf gevoelt. Toen het eerste uur om was, begon Stephen zelfs eene onaangename gewaarwording te krijgen, alsof hij voor het oogenblik een verdacht persoon was.

Toen kwam de lantaarnaansteker en zag men langs het geheele verschiet der straat twee lange lichtstrepen flikkeren, tot zij zich in de verte met elkander vereenigden. Mevrouw Sparsit sloot het venster, liet het gordijn zakken en ging de trap op, eene verdieping hooger. Weldra ging een licht haar na naar boven; het scheen eerst door het halfronde venster boven de deur en vervolgens door de twee trapvenstertjes. Spoedig werd van het gordijn voor een venster op de bovenste verdieping een hoekje opgetild, alsof mevrouw Sparsit daar haar oog hield, en ook aan den anderen kant, alsof de kantoorlooper daar zijn oog hield. Maar nog ontving Stephen taal noch teeken. Hij was blijde toen de twee uren eindelijk om waren, en ging met snelle schreden heen om zich zelven zulk een langen tijd van drentelen te vergoeden.

Hij had nog maar van zijne huiswaardin afscheid te nemen en zich dan neer te leggen op een op den vloer gespreid kermisbed; want hij had zijn goed reeds gepakt en alles voor zijn vertrek in gereedheid gebracht. Hij wilde den volgenden ochtend zeer vroeg de stad uit zijn, eer de fabriek-arbeiders op straat waren.

De dag begon pas aan te breken, toen hij, een afscheidsblik in zijne kamer om zich heen werpende, en treurig bij zich zelven denkende, of hij die ooit zou wederzien, naar buiten ging. De stad was zoo stil, alsof al de inwoners haar verlaten hadden, uit vrees van gemeenschap met hem te houden. Alles zag er op dat uur even bleek en ziekelijk uit. Zelfs de rijzende zon maakte slechts eene bleeke plek in de lucht, gelijk eene treurig stille zee.

Voorbij het huis waar Rachel woonde, hoewel die straat niet in zijn weg lag; langs de met roode steenen bezoomde straten; langs de groote stille fabriekgebouwen, die nog niet trilden en dreunden; langs den spoorweg, waar de seinlichten voor het toenemende daglicht verbleekten; langs de woestenij om den spoorweg, met half afgebrokene en half opgebouwde huizen; langs verspreide roode buitentjes, waar de berookte heesters met vuil poeier waren bestrooid, gelijk morsige snuivers; langs paden van kolenstof en allerlei verscheidenheden van leelijkheid, kwam Stephen op den top van den heuvel en keek toen om.

Het daglicht bescheen nu de stad met heldere stralen en de klokken luidden voor het ochtendwerk. De keukenvuren waren nog niet aangelegd, en de hooge schoorsteenen hadden de lucht alleen. Het zou niet lang duren, of zij zouden haar door het uitblazen hunner giftige rookwolken verbergen; maar voor een half uur flikkerden sommige der talrijke vensters, welke de lieden vanCoketown, door de berookte glazen heen, de zon lieten zien, alsof zij in eene eeuwigdurende eclips verkeerde.

Hoe vreemd was het, zich van de schoorsteenen naar de vogelen te wenden! Hoe vreemd het stof van den buitenweg in plaats van het kolengruis op zijne schoenen te zien! Hoe vreemd, zoo oud te zijn geworden en toch dien zomerochtend te beginnen alsof hij nog een knaap was. Met zulke gepeinzen in zijn gemoed en zijn pak onder den arm, stapte Stephen met zijn oplettend gezicht langs den buitenweg voort: en de boomen welfden zich over hem en fluisterden, dat hij een trouw en liefderijk hart achterliet.


Back to IndexNext