XXIII.

XXIII.BUSKRUIT.Mijnheer James Harthouse begon bij zijne aangenomene partij spoedig opgang te maken. Met nog wat meer van buiten leeren voor de politieke wijshoofden, nog wat meer gepolijste flauwheid en lusteloosheid voor beschaafde gezelschappen, en een tamelijk behendig gebruik van de geveinsde eerlijkheid der oneerlijkheid—de schitterendste en meest gevierde der beschaafde doodzonden—kwam hij weldra zoo ver, dat men hem voor iemand hield van wien veel te verwachten was. Dat hij bijna niets in de wereldernstigopnam, was zeer in zijn voordeel, want daardoor was hij in staat om zich zoo gemakkelijk met de mannen van feiten te verbroederen, alsof hij onder hunne partij geboren was, en alle andere partijen voor opzettelijke bedriegers uit te maken.„Niemand van ons gelooft ze, mijne lieve mevrouw Bounderby, en zij gelooven zich zelvenniet. Het eenige verschil tusschen ons en de voorvechters van deugd, menschenliefde of philanthropie—de naam komt er niet op aan—is, dat wij weten dat die dingen woorden zonder beteekenis zijn, en dat wij dit zeggen; terwijl zij het evengoed weten, maar het nooit willen zeggen.”Waarom zou zij zich aan zulke herhaalde verklaringen ergeren, of er zich door laten waarschuwen? Deze leer verschilde niet zooveel van haar vaders grondbeginselen, die haar als kind waren ingeprent, om er van te moeten schrikken. Waarin bestond het groote onderscheid tusschen de twee scholen, daar beide haar aan het stoffelijke en werkelijke boeiden en haar geen geloof aan iets anders inboezemden? Was er iets in hare ziel, in haar staat van onschuld, door Thomas Gradgrind aangekweekt, dat James Harthouse nu had kunnen verwoesten?Het was thans zelfs des te erger voor haar, dat in haar gemoed eene worstelende neiging om aan eene grootere en hoogere bestemming des menschen te gelooven—daarin geplant, voordat haar uitstekend practische vader het begon te vormen—onophoudelijk met twijfeling en wrevelige gedachten kampte: met twijfelingen, omdat die neiging in hare jeugd zoo was gesmoord; met wrevelige gedachten, over het onrecht dat men haar had aangedaan, indien diefluisterendestem de waarheid sprak. Voor een gemoed, lang gewoon om zichzelf onder pijnlijk bedwang te houden, en aldus verscheurd en verdeeld, bracht de door Harthouse gepredikte philosophie eene verademing mede, dewijl zij haar voor zichzelve leerde rechtvaardigen. Daar alles even ledig en nietig was, had zij niets gemist en niets opgeofferd. Wat maakte het uit? had zij tot haar vader gezegd, toen hij haar dat huwelijk voorsloeg. Wat maakte het uit? zeide zij nog. Met alles verachtend zelfvertrouwen vroeg zij zichzelve: Wat maakte iets op de wereld uit?—en zoo ging zij al voort en voort.Waarheen? Stap voor stap, al verder en verder, altijd benedenwaarts, naar een zeker einde, maar toch zoo langzaam, dat zij zich verbeeldde te blijven stilstaan. Wat mijnheer Harthouse aangaat, waarheen hij zijne schreden richtte, had hij nooit bedacht en het was hem ook geheel onverschillig. Hij had geen bijzonder plan of oogmerk; geene krachtige opwelling van booze neigingen verstoorde ooit zijne kwijnende flauwheid. Hij was voor het oogenblik zoozeer geamuseerd en geïnteresseerd, als zulk een fijn beschaafdgentlemanvoegde, misschien meer dan hij, voor zijne reputatie, had kunnen bekennen. Kort na zijne aankomst schreef hij aan zijn broeder, het achtbare en luimige Parlementslid, dat de Bounderby’s heel amusant waren, en verder, dat de vrouwelijke Bounderby, in plaats van eene Medusa, gelijk hij verwacht had, jong en bijzonder mooi was. Naderhand schreef hij niet meer over hen, en bracht toch het grootste gedeelte van zijn ledigen tijd in hun huis door. Bij zijn omzwerven door het district vanCoketownkwam hij hen dikwijls bezoeken, en werd door mijnheer Bounderby zeer daarin aangemoedigd. Het was geheel in mijnheerBounderby’swinderige manier, er bij iedereen op te snoeven, dat hij niet om lieden van voorname familie gaf, maar dat als zijne vrouw, Tom Gradgrind’s dochter, dit deed, zij vrij gezelschap met hem mocht houden.Mijnheer James Harthouse begon te denken, dat het hem eene nieuwe aandoening zou geven, indien het gezichtje, dat voor „dien hondsvot” zoo treffend veranderde, eens voor hem wilde veranderen.Hij was vlug genoeg in het doen van waarnemingen; hij had een uitmuntend geheugen en hij vergat geen woord van de openbaringen, die haar broeder hem gedaan had. Hij bracht die in verband met alles wat hij van de zuster zag, en nu begon hij haar te begrijpen. Wel is waar lag het betere en diepere gedeelte van haar karakter niet binnen den kring van zijn begrip; want in zielen, gelijk in zeeën, roept de diepte tot de diepte; maar spoedig begon hij het overige met vorschende oogen te lezen.Mijnheer Bounderby was eigenaar van een landgoed geworden, dat omtrent vijftien mijlen van de stad gelegen was, en tot een paar mijlen afstands genaakbaar langs een spoorweg, die over vele bogen door eene woeste streek lands liep, door verlatene kolengroeven ondermijnd en des nachts met vuren en de zwarte gedaanten van machines overzaaid. Deze streek, die bij het naderen van Bounderby’s buitengoed langzamerhand vriendelijker werd, ging daar in een bevallig landschap over, in de lente verguld met heidebloesems en besneeuwd met bloeiende haagdoornen, en den geheelen zomer door bedekt met trillend loover en schemerende schaduwen. Het kantoor had op dit zoo vermakelijk gelegen buitengoed eene hypotheek gehad, door een der magnaten vanCoketowngenomen, die, verlangend om langs een korter weg dan den gewonen schatrijk te worden, ongeveer tweemaal honderdduizend pond te hoog had gespeculeerd. Zulke ongelukjes gebeurden somtijds in de deftigste en geregeldste familiën vanCoketown, hoewel de bankroetiers in geene de minste betrekking stonden met die klasse, welker gebrek aan overleg en voorzichtigheid zoo dikwijls ter sprake kwam.Het was voor mijnheer Bounderby een uitstekend genoegen dit bekoorlijke landgoedje in bezit te nemen en met pralende nederigheid den bloemtuin met kool te laten beplanten. Het was een genot voor hem, onder de elegante meubelen huis te houden alsof hij in eene kazerne was, en zelfs de schilderijen moesten verachtworden om op zijne lage afkomst te kunnen snoeven. „Ja, mijnheer,” zeide hij zoo tegen een gast, „ik heb gehoord, dat Nickits” (de vorige eigenaar) „zevenhonderd pond voor dat zeestrand heeft gegeven. Nu, om rondborstig te zijn, als ik er in geheel mijn leven zevenmaal naar kijk, tegen negenhonderd pond voor iederen keer, zal het al wel zijn. Neen, waarachtig, ik vergeet niet, dat ik Josiah Bounderby vanCoketownben. Jaar op jaar waren de eenige schilderijen in mijn bezit, ofdie ikzonder te stelen in mijn bezit had kunnen krijgen, de prentjes van een man, die zich in eene laars den baard schoor, op de schoensmeerflesschen, waarmee ik machtig blij was dat ik laarzen mocht poetsen, en die ik, als ze leeg waren, voor eenfarthinghet stuk verkocht; en dan was ik weer blij, dat ik er nog zóóveel voor kreeg.”MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).Tegen Harthouse zeide hij eens in denzelfden trant:„Harthouse, gij hebt hier een paar paarden. Laat er nog een half dozijn meer komen, als ge wilt, wij zullen er wel plaats voor vinden. Er is hier stalling voor wel twaalf paarden, en als mij Nickits niet beliegt, moet hij ook een vol dozijn hebben gehouden. Een vol dozijn, mijnheer. Toen die man een jongen was, ginghij naar de Westminster-school. Hij ging naar de Westminster-school, mijnheer, terwijl ik voornamelijk van groentenafval leefde en op de markt in eene ledige mand sliep. Wel, als ik twaalf paarden wilde houden—dat ik niet doe, omdat één genoeg voor mij is—zou ik ze nooit op stal kunnen zien staan, zonder er om te denken hoe ik zelf eens placht te wonen. Ik zou ze niet onder mijne oogen kunnen velen, mijnheer, maar ze moeten wegdoen. Maar zoo komen de dingen toch terecht. Gij ziet dit buiten, gij weet wat voor een buiten het is; gij weet, dat er voor zijne grootte geen completer buiten bestaat, hier in het land of ergens op de wereld—het kan mij niet schelen waar—en hier in het midden daarvan, gelijk een oorwurm in eene okkernoot, zit Josiah Bounderby; terwijl Nickits (dit heeft mij iemand, die gisteren op het kantoor kwam, verteld) Nickits, die op de Westminster-school in Latijnsche komedies placht mee te spelen, waar de adel van het land hem applaudisseerde tot ze bek af waren, op dit oogenblik half gek—half gek, mijnheer—teAntwerpenin een donker achterstraatje op de vijfde verdieping zit te mijmeren.”Het was onder de looverschaduwen van dit buitengoed, in de lange, zoele zomerdagen, dat mijnheer Harthouse begon te beproeven, of het gezichtje, waarover hij zich, toen hij het voor de eerste maal zag, zoozeer had verwonderd, ook voor hem zou willen veranderen.„Mevrouw Bounderby, ik houd het voor een zeer gelukkig toeval, dat ik u hier alleen vind. Ik heb reeds eenigen tijd bijzonder verlangd om u eens te spreken.”Het was geen zeer zonderling toeval, dat hij haar vond, daar zij op dien tijd van den dag altijd alleen, en dat plekje hare geliefkoosde rustplaats was. Het was eene opening in een donker bosch, waar eenige gevelde boomen lagen, en waar zij naar de afgevallen bladeren van het vorige jaar zat te turen, gelijk zij thuis naar de vallende vonken had getuurd.Hij zette zich naast haar neer en zag haar zijdelings in het gezicht.„Uw broeder, mijn jonge vriend Tom...,”Hare kleur werd hooger en zij keerde zich met een blik vol belangstelling naar hem om.„Ik heb nooit in mijn leven,” dacht hij, „iets zoo opmerkelijks en bekoorlijks gezien als het ophelderen van die trekken.”Zijn gezicht verried zijne gedachten—misschien zonder hem te verraden, want het kon wel met voordacht geschied zijn, dat het die uitdrukking teekende.„Excuseer mij. De uitdrukking uwer zusterlijke belangstelling is zoo schoon—Tom moest er zoo trotsch op wezen—ik weet wel, dat het onverschoonlijk is, maar mijne bewondering was onwillekeurig.”„Gij zijt altijd zoo naïef,” zeide zij bedaard.„Neen, mevrouw Bounderby, gij weet wel, dat ik voor u niet veinzen wil. Ik weet wel, dat ik een alledaagsch, baatzuchtig mensch ben, altijd gereed om mij zelve voor eene billijke som te verkoopen, en geheel onvatbaar voor alle Arcadisch gevoel.”„Ik wacht,” antwoordde zij, „wat gij verder van mijn broeder te zeggen hebt.”„Gij zijt stug tegen mij, en ik verdien het. Ik ben zulk een nietswaardig schepsel als er een op de wereld is, behalve dat ik niet valsch ben. Maar gij hebt mij door verrassing van mijn onderwerp afgebracht—uw broeder namelijk. Hij interesseert mij.”„Is er dan nog iets dat u interesseert, mijnheer Harthouse?” zeide zij, half ongeloovig en half dankbaar.„Als ge mij dat gevraagd hadt toen ik pas hier kwam, zou ik gezegd hebben „neen.” Nu moet ik „ja” antwoorden—zelfs op het gevaar af, dat ge mij van veinzerij zult verdenken en mij niet zult willen gelooven.”Zij maakte eene geringe beweging, alsof zij wilde spreken, maar geene stem had. Eindelijk zeide zij: „Mijnheer Harthouse, ik wil wel van u gelooven, dat gij u voor mijn broeder interesseert.”„Ik dank u. Ik zal pogen dat vertrouwen te verdienen. Gij weet wel op hoe weinig ik aanspraak maak, maar zoo ver wil ik toch gaan. Gij hebt zooveel voor hem gedaan, gij zijt zoo liefderijk voor hem; in geheel uw leven straalt zulk eene bekoorlijke zelfverloochening om zijnentwil door—nog eens excuseer mij—ik dwaal weder ver van mijn onderwerp af. Ik interesseer mij voor hem om zijn eigen wil.”Zij had de geringst mogelijke beweging gemaakt alsof zij haastig wilde opstaan en heengaan. Op hetzelfde oogenblik had hij echter zijn gezegde eene andere wending gegeven en zij bleef zitten.„Mevrouw Bounderby,” hervatte hij op een luchtiger toon, maar tegelijk liet hij duidelijk de inspanning zien, die het hem kostte om dien toon aan te nemen, en versterkte daardoor den gemaakten indruk; „het is geen onherstelbaar misdrijf bij een jongmensch van uw broeders jaren, als hij zorgeloos en onbedacht is, wat veel geld verteert—kortom, met de gewone uitdrukking, een weinigje losbandig is. Is hij dat niet?”„Ja.”„Veroorloof mij eens rondborstig te zijn. Denkt gij dat hij speelt?”„Ik geloof, dat hij wedt,” en daar Harthouse bleef wachten, alsof dit nog niet haar geheele antwoord was, voegde zij er bij: „Ik weet, dat hij dat doet.”„Natuurlijk verliest hij?”„Ja.”„Iedereen, die wedt, verliest. Mag ik de waarschijnlijkheid wel aanroeren, dat gij hem somtijds voor die liefhebberijen van geld voorziet?”Zij had voor zich neergezien; maar bij deze vraag sloeg zij hare oogen op en zag hem uitvorschend en met eenige verstoordheid aan.„Ik hoop, dat ge mij van alle onbescheidene nieuwsgierigheid zult vrijspreken, lieve mevrouw Bounderby. Ik geloof, dat Tom zich langzamerhand in moeielijkheden wikkelt, en ik wensch hem uit de diepte mijner ondeugende ervaring eene helpende hand toe te reiken. Zal ik nog eens zeggen, om zijnentwil? Is dat noodig?”Zij scheen te willen antwoorden, maar er kwam niets van.„Om u openhartig alles te bekennen wat mij wel eens in het hoofd is gekomen,” vervolgde Harthouse, wederom met dezelfde zichtbare inspanning zijn luchtigen toon aannemende, „wil ik u zeggen, dat ik er zeer aan twijfel of hij wel veel in zijn voordeel heeft gehad, of het—verschoon mijne lompheid—wel waarschijnlijk is, dat er groote vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn waardigen vader kan bestaan.”„Dat houd ik niet voor waarschijnlijk,” zeide Louisa, blozende bij hare eigene gewichtige herinnering in dit opzicht.„Of tusschen hem—ik vertrouw, dat gij mijne meening volkomen zult begrijpen—of tusschen hem en zijn hooggeachten schoonbroeder.”Zij bloosde al hooger en hooger, en was gloeiend rood toen zij met eene flauwe stem antwoordde: „Dat acht ik ook niet waarschijnlijk.”„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, na eene korte poos van stilte, „zou er niet meer vertrouwelijkheid tusschen u en mij kunnen zijn? Tom heeft eene aanmerkelijke som van u geleend, niet waar?”„Gij moet wel begrijpen, mijnheer Harthouse,” antwoordde zij, na een oogenblik van besluiteloosheid—zij was gedurende dit geheele gesprek min of meer onrustig en verlegen geweest, maar had toch over het geheel hare zelfbeheersching bewaard—„gij moet wel begrijpen, dat, als ik u zeggen zal wat gij mij dringt te zeggen, het niet bij wijze van klacht of uitdrukking van spijt is. Ik zou nooit over iets willen klagen, en van hetgeen ik gedaan heb, heb ik geen de minste spijt.”„Hoe fier ook!” dacht James Harthouse.„Toen ik trouwde, bevond ik dat mijn broeder toen reeds zwaar in schulden zat. Zwaar voor zijn doen, meen ik. Zwaar genoeg om mij tot het verkoopen van eenige sieraden te noodzaken. Dit was geene opoffering. Ik verkocht ze zeer gewillig. Ik hechtte er geene waarde aan. Voor mij waren zij niets waard.”Zij zag aan zijn gezicht, of haar geweten deed het haar vreezen, dat hij begreep dat zij van geschenken sprak, die haar man haar gegeven had. Indien hij dit nog niet begrepen had, zou hij het nu hebben gedaan, al was hij veel dommer geweest dan hij was.„Sedert heb ik mijn broeder van tijd tot tijd zooveel geld gegeven als ik missen kon, kortom zooveel geld als ik had. Als ik u vertrouw, omdat ik geloof aan de belangstelling, die gij voor hem betoont, wil ik het niet ten halve doen. Sedert gij gewoon zijt hier te komen, heeft hij in eens om eene som van honderd pond gevraagd. Ik was niet in staat om hem die te geven. Ik ben wel ongerust geweest over de gevolgen, die het hebben kon, als hij om dat geld verlegen bleef, maar ik heb het geheim bewaard tot op dit oogenblik, nu ik het aan uwe eer toevertrouw. Ik heb niemand in mijn vertrouwen genomen, omdat—gij hebt zoo even zelf de reden aangeduid.” En hier brak zij eensklaps af.Het ontbrak hem niet aan gevatheid, en hij nam terstond de gelegenheid waar om haar, onder den schijn van over haar broeder te spreken, haar eigen beeld voor te houden.„Mevrouw Bounderby, hoewel ik een man van de wereld en volstrekt niet sentimenteel ben, kan ik u toch verzekeren, dat het mij aandoet wat gij daar zegt. Het is mij niet mogelijk uw broeder hard te vallen. Ik begrijp de verstandige inschikkelijkheid, waarmede gij zijne dwalingen beschouwt, en stem geheel daarmede in. Met alle mogelijke hoogachting, zoowel voor mijnheer Gradgrind als mijnheer Bounderby, meen ik te bespeuren, dat zijne opleiding niet gelukkig is geweest. Door zijne opvoeding onbekend gebleven met de samenleving, waarin hij toch eene rol moest spelen, stort hij zich nu moedwillig in die uitersten, omdat de tegenovergestelde uitersten hem—zonder twijfel met de allerbeste oogmerken—zijn opgedwongen. Mijnheer Bounderby’s rondborstige, echt Engelsche onafhankelijkheid, hoewel een allerinnemendste karaktertrek van hem, lokt toch—daarover zijn wij het eens geworden—niet tot vertrouwen uit. Als ik het durfde zeggen, zou ik meenen, dat het hem, naar het mij voorkomt, wel zeer weinig, maar toch eenigermate ontbreekt aan die kieschheid, tot welke een jongmensch, die op een dwaalspoor is geraakt, wiens karakter men van zijne kindsheid af niet heeft begrepen, en wiens talenten daardoor eene verkeerde richting hebben genomen, zich zou willen wenden om hulp en bestuur te zoeken.”Terwijl zij recht voor zich uit zat te staren naar de afwisselende lichtspelingen op het gras en in de duisternis van het bosch, las hij in hare trekken de toepassing zijner woorden, die hij met de meest mogelijke duidelijkheid uitsprak.„Men moet hem veel toegeven,” vervolgde hij. „Maar ik vind in Tom toch één groot gebrek, dat ik hem niet vergeven kan, en hem als eene zware schuld aanreken.”Louisa sloeg hare oogen op en vroeg hem welk gebrek dit was.„Misschien heb ik genoeg gezegd,” antwoordde hij. „Misschien zou het over het geheel beter zijn geweest als er mij geen woord van ware ontsnapt.”„Gij maakt mij ongerust, mijnheer Harthouse. Zeg mij toch wat het is.”„Welnu, om u van noodelooze bezorgdheid te ontheffen—en daar wij, wat uw broeder aangaat, tot eene vertrouwelijkheid zijn gekomen, waarop ik boven alles prijs stel—zal ik u gehoorzamen. Ik kan het hem niet vergeven, dat hij zich in al wat hij zegt of doet niet meer gevoelig toont voor de genegenheid zijner beste vriendin—voor hare onbaatzuchtigheid, hare zelfopoffering en zelfverloochening. De belooning, welke hij haar daarvoor geeft, is, zooveel ik heb opgemerkt, al zeer gering. Wat zij voor hem gedaan heeft, moest met standvastige liefde en dankbaarheid, niet met opvliegendheid en kwade luimen vergolden worden. Welk een loszinnig schepsel ik ook wezen moge, ik ben niet zoo onverschillig, mevrouw Bounderby, dat ik deze ondeugd in uw broeder over het hoofd kan zien of genegen ben die voor een verschoonlijken misstap te houden.”Het bosch werd in een schemerenden nevel gehuld, want hare oogen stonden vol tranen. Zij ontsprongen uit eene diepe, lang verborgene bron, maar de kwellende smart, die haar hart vervulde, vond geene verlichting daarin.„Kortom, het zou mijn hoogste wensch zijn, mevrouw Bounderby, dat ik uw broeder in dit opzicht kon verbeteren. Mijne meerdere bekendheid met zijne omstandigheden, en mijn raad en bijstand om hem daaruit te redden—van eenige waarde, hoop ik, daar zij van iemand komen, die een deugniet op veel grootere schaal is geweest—zullen mij eenigen invloed op hem geven, en allen invloed, dien ik op hem verkrijg, zal ik zekerlijk tot dat oogmerk aanwenden. Ik heb genoeg gezegd, en meer dan genoeg. Het zou kunnen schijnen, dat ik mij wilde voordoen als een goedhartig mensch, terwijl ik, op mijne eer, geen het minste voornemen daartoe heb en openlijk verklaar, dat ik niets van dien aard ben. Daar onder de boomen,” vervolgde hij, nadat hij had opgekeken en rondgezien, want tot nog toe had hij scherp op haar gelet, „is uw broeder zelf, die zeker zoo pas is hier gekomen. Daar hij dezen kant schijnt heen te dwalen, zal het misschien niet kwaad zijn als wij naar hem toe wandelden en hem in den weg zochten te komen. Hij is sedert eenigen tijd zeer stil en verdrietig. Misschien is zijn broederlijk geweten getroffen—als er zulk een ding als een geweten is; want, op mijne eer, ik hoor er veel te dikwijls van om er aan te gelooven.”Hij hielp haar opstaan, zij nam zijn arm, en zij gingen den hondsvot te gemoet. Tom sloeg al voortslenterende met zijn rotting tegen de takken, en bleef tusschenbeide stilstaan om met zekere kwaadaardigheid het mos van de boomen te schrappen. Hij schrikte en verschoot van kleur, toen zij hem onder dit laatste tijdverdrijf onverwacht nabij kwamen.„Holla ho!” zeide hij stotterend. „Ik wist niet, dat gij hier waart.”„Wiens naam, Tom,” zeide Harthouse, hem de hand op den schouder leggende en hem zoodanig omdraaiende, dat zij nu alle drie naar het huis wandelden, „hebt gij daar op de boomen gesneden?”„Wiens naam?” antwoordde Tom. „O, gij meent welken meisjesnaam?”„Uw voorkomen brengt u onder sterke verdenking, Tom, dat ge juist bezig waart met den naam eener schoone op de schors te schrijven.”„Wel neen, mijnheer Harthouse, of eene schoone met een goed fortuin tot hare vrije beschikking moest eens zin in mij krijgen. Zij mocht zoo leelijk zijn als zij rijk ware, zij zou toch niet bang behoeven te wezen om mij te verliezen. Ik zou haar naam schrijven zoo dikwijls als zij maar wilde.”„Ik vrees dat gij zeer zelfzuchtig zijt, Tom.”„Zelfzuchtig,” herhaalde Tom. „Wie is niet zelfzuchtig. Vraag mijne zuster maar.”„Hebt gij zoo ondervonden, Tom, dat dit een gebrek van mij was?” zeide Louisa, zonder op andere wijze hare gevoeligheid over zijne norschheid en wreveligheid te toonen.„Gij moet zelf maar weten of de schoen u past, Louisa,” antwoordde haar broeder stuursch. „Zoo ja, trek hem dan maar aan.”„Tom is vandaag misanthropisch, gelijk alle menschen, die zich vervelen, nu en dan zijn,” liet Harthouse hierop volgen. „Geloof hem maar niet, mevrouw Bounderby; hij weet wel beter. Als hij niet wat vriendelijker wordt, zal ik u laten hooren, hoe hij mij eens heimelijk heeft gezegd, wat hij eigenlijk denkt.”„In allen gevalle, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, door de schertsende gemeenzaamheid van zijn voornamen vriend eenigszins verzacht, maar toch nog wrevelig zijn hoofd schuddende, „kunt gij haar niet zeggen, dat ik haar ooit geprezen heb omdat zij zelfzuchtig was. Misschien heb ik haar wel eens voor het tegendeel geprezen, en dat zou ik weder doen, als ik er evengoede reden toe had. Maar dat komt er nu niet op aan: het is voor u niet zeer belangrijk, en mij verveelt de zaak al lang.”Zij wandelden voor naar het huis, waar Louisa den arm van haar geleider losliet en binnenging. Hij stond haar na te kijken terwijl zij de stoep opwipte en in de schaduw van het portaal verdween; daarna legde hij zijne hand weder op haar broeders schouder en noodigde hem met een gemeenzaam, hoofdknikje tot eene wandeling in den tuin.„Tom, mijn beste jongen, ik heb een woordje met u te spreken.”Zij bleven staan tusschen een warboel van rozen—het behoorde tot mijnheer Bounderby’s nederigheid om de rozen van Nickits in het wild te laten groeien—en Tom zette zich op de balustrade van een terras, en begon de knoppen af te plukken en in stukjes te trekken; terwijl zijn geleigeest bij hem stond, met zijn eenen voet op de balustrade en het overgebogene bovenlijf rustende op den arm, welke door die knie werd ondersteund. Zij waren uit haar venster juist zichtbaar. Misschien zag zij hen.„Tom, wat scheelt er aan?”„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom met een zucht, „ik zit er zoo in; ik word half doodgeplaagd.”„Ik ook, mijn beste jongen.”„Gij?” hervatte Tom. „Gij zijt zoo onafhankelijk als iemand wezen kan. Ik zit schrikkelijk in het nauw, mijnheer Harthouse. Gij kunt u niet verbeelden, in welk een toestand ik mij gebracht heb—een toestand, waaruit mijne zuster mij had kunnen redden, als zij maar gewild had.”Hij begon nu de rozeknoppen aan stukken te bijten, en scheurde ze tusschen zijne tanden uit, met eene hand, welke beefde als die van een afgeleefd oud man. Na hem eerst met een zeer opmerkzamen blik te hebben aangezien, nam zijn makker zijn luchtigsten toon aan.„Maar, Tom, ge zijt onredelijk. Ge wilt al te veel van uw zuster hebben. Gij hebt immers reeds geld van haar gehad, gij, rekel—dat weet ik.”„Ja, mijnheer Harthouse, dat weet ik ook wel. Hoe zou ik er anders aan komen? Daar is oude Bounderby, die er altijd op snoeft dat hij, toen hij zoo oud was als ik, van een dubbeltje ’s maands leefde, of zoo iets van dien aard. Daar is mijn vader, die eene lijn trekt, zooals hij zegt, en mij van een kind af met handen en voeten daaraan vastbindt. Daar is mijne moeder, die nooit iets te veel heeft, behalve klachten. Wat zal iemand dan doen om aan geld te komen, en van wie heb ik iets te wachten, als het niet van mijne zuster is?”Hij huilde bijna en strooide de rozeknoppen bij dozijnen om zich heen.Harthouse pakte hem met vriendelijke overredingskracht bij zijn rok.„Maar, beste Tom, als uwe zuster het nu niet heeft....”„Het niet heeft, mijnheer Harthouse? Ik zeg niet dat zij het heeft. Ik had misschien meer noodig dan zij waarschijnlijk had. Maar dan moest zij maken dat zij het kreeg. Zij kan het wel krijgen. Ik behoef nu geen geheim van de zaak meer te maken, na alles wat ik u al gezegd hebt. Gij weet wel dat zij ouden Bounderby niet om harentwil heeft getrouwd, noch om zijnentwil, maar om mijnentwil. Waarom maakt zij dan niet om mijnentwil, dat zij van hem krijgt wat ik noodig heb? Zij behoeft niet te zeggen wat zij er mee doen zal; zij is slim genoeg; zij kon het wel met wat flikflooien van hem krijgen, als zij maar wilde. Waarom wil zij dan niet, als ik haar zeg van hoeveel belang het voor mij is? Maar neen. Daar zit zij bij hem als een stuk steen, in plaats van zich aangenaam te maken en het zoo met gemak van hem te krijgen. Ik weet niet hoe gij dit noemt, maar ik noem het een onnatuurlijk gedrag.”Vlak aan den anderen kant der balustrade was eene diepe vijver, en mijnheer James Harthouse had grooten lust om mijnheer Thomas Gradgrind Junior daarin te smijten, gelijk de mishandelde fabrikanten vanCoketowndreigden hun eigendom in zee te zullen werpen. Maar hij bewaarde zijne achtelooze houding, en er viel niets over de steenen balustrade, dan nog een hoop rozeknoppen, die nu met de anderen een drijvend eilandje vormden.„Beste Tom,” zeide Harthouse, „laat ik eens beproeven uw bankier te zijn.”„Om ’s Hemels wil,” antwoordde Tom verschrikt, „spreek toch niet van bankiers!” En in contrast met de rozen scheen hij geheel wit te worden.Harthouse, als een welopgevoed man, aan beschaafden omgang gewoon, liet zich niet verbazen—hij had zich evengoed kunnen laten ontroeren—maar hij opende zijne oogen een weinigje meer, alsof de leden door een flauwen zweem van verwondering werden opgetrokken, hoewel het evenzeer tegen de regelen zijner school streed zich over iets te verwonderen, als tegen de leer die Gradgrind predikte.„Hoeveel komt er op het oogenblik te kort, Tom? Drie cijfers? Voor den dag er mee! Zeg, hoe groot is de som?”„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom nu werkelijk schreiende; en welk eene jammerlijke figuur hij ook maakte, stonden zijne tranen hem toch beter dan zijne norschheid; „het is te laat. Het geld kan mij nu toch niet meer baten. Ik had het vroeger moeten hebben om mij van nut te wezen. Maar ik ben u toch zeer verplicht. Gij zijt een oprecht vriend.”Een oprecht vriend! „O, hondsvot!” dacht Harthouse, op zijne trage en flauwe manier, „welk een ezel zijt ge toch!”„En ik houd uw aanbod voor eene zeer groote vriendelijkheid,” vervolgde Tom, zijne hand vattende, „eene zeer groote vriendelijkheid.”„Wel,” hervatte de ander, „het zal u later misschien van meer nut kunnen zijn; en, mijn goede jongen, als ge mij uwe ongelegenheden wilt openbaren, wanneer ze u beginnen te overstelpen, zal ik u misschien een beter weg kunnen wijzen om er uit te komen dan gij zelf kunt vinden.”„Ik dank u,” zeide Tom, naargeestig zijn hoofd schuddende en rozeknopjes kauwende. „Ik wenschte wel, dat ik u vroeger had gekend, mijnheer Harthouse.”„Gij moet weten, Tom,” zeide Harthouse tot slot,zelfeen paar rozen over de balustrade werpende, als eene bijdrage tot het eilandje, dat steeds naar den muur bleef drijven, alsof het zich aan het vasteland wilde vasthechten: „alle menschen zijn zelfzuchtig in al wat zij doen, en ik ben eveneens als de rest van mijne natuurgenooten. Ik ben er razend op gesteld,”—de kwijnende flauwheid zijner razernij kon wel een gevolg der groote hitte zijn—„dat gij vriendelijker voor uwe zuster wordt—en dat zou u wel passen;—dat gij een beter en pleizieriger soort van broeder wordt—en dat zou wel zoo behoorlijk zijn.”„Dat zal ik, mijnheer Harthouse.”„Geen tijd zoo goed als de tegenwoordige, Tom. Begin dus terstond.”„Dat zal ik zeker; en mijne zuster Louisa zal het u zeggen.”„En nu wij dit accoord hebben gemaakt, Tom,” zeide Harthouse, hem nogmaals op den schouder kloppende op eene manier, die hem volle vrijheid liet te meenen—gelijk hij ook deed, arme dwaas—dat deze voorwaarde hem slechts uit goedhartigheid werd opgelegd, om zijn gevoel van verplichting te verminderen, „zullen wij ons tot etenstijd van elkander losrukken.”Toen Tom aan tafel kwam, scheen zijn gemoed nog wel bezwaard, maar zijn lichaam was toch vlugger, en hij kwam vóór mijnheer Bounderby.„Ik meende het niet toen ik zoo stuursch was, Louisa,” zeide hij, haar de hand en een kus gevende. „Ik weet wel, dat gij veel van mij houdt, en gij weet ook wel, dat ik veel van u houd.”Later op dien dag had Louisa’s gezichtje een glimlach voor iemand anders. Helaas, voor iemand anders!„Des te minder is die hondsvot de eenige om wien zij iets geeft,” zeide James Harthouse bij zich zelven, de gedachte omkeerende, die op den eersten dag, toen hij met haar bevallig gezichtje kennis gemaakt had, bij hem was opgekomen. „Des te minder, des te minder.”

XXIII.BUSKRUIT.Mijnheer James Harthouse begon bij zijne aangenomene partij spoedig opgang te maken. Met nog wat meer van buiten leeren voor de politieke wijshoofden, nog wat meer gepolijste flauwheid en lusteloosheid voor beschaafde gezelschappen, en een tamelijk behendig gebruik van de geveinsde eerlijkheid der oneerlijkheid—de schitterendste en meest gevierde der beschaafde doodzonden—kwam hij weldra zoo ver, dat men hem voor iemand hield van wien veel te verwachten was. Dat hij bijna niets in de wereldernstigopnam, was zeer in zijn voordeel, want daardoor was hij in staat om zich zoo gemakkelijk met de mannen van feiten te verbroederen, alsof hij onder hunne partij geboren was, en alle andere partijen voor opzettelijke bedriegers uit te maken.„Niemand van ons gelooft ze, mijne lieve mevrouw Bounderby, en zij gelooven zich zelvenniet. Het eenige verschil tusschen ons en de voorvechters van deugd, menschenliefde of philanthropie—de naam komt er niet op aan—is, dat wij weten dat die dingen woorden zonder beteekenis zijn, en dat wij dit zeggen; terwijl zij het evengoed weten, maar het nooit willen zeggen.”Waarom zou zij zich aan zulke herhaalde verklaringen ergeren, of er zich door laten waarschuwen? Deze leer verschilde niet zooveel van haar vaders grondbeginselen, die haar als kind waren ingeprent, om er van te moeten schrikken. Waarin bestond het groote onderscheid tusschen de twee scholen, daar beide haar aan het stoffelijke en werkelijke boeiden en haar geen geloof aan iets anders inboezemden? Was er iets in hare ziel, in haar staat van onschuld, door Thomas Gradgrind aangekweekt, dat James Harthouse nu had kunnen verwoesten?Het was thans zelfs des te erger voor haar, dat in haar gemoed eene worstelende neiging om aan eene grootere en hoogere bestemming des menschen te gelooven—daarin geplant, voordat haar uitstekend practische vader het begon te vormen—onophoudelijk met twijfeling en wrevelige gedachten kampte: met twijfelingen, omdat die neiging in hare jeugd zoo was gesmoord; met wrevelige gedachten, over het onrecht dat men haar had aangedaan, indien diefluisterendestem de waarheid sprak. Voor een gemoed, lang gewoon om zichzelf onder pijnlijk bedwang te houden, en aldus verscheurd en verdeeld, bracht de door Harthouse gepredikte philosophie eene verademing mede, dewijl zij haar voor zichzelve leerde rechtvaardigen. Daar alles even ledig en nietig was, had zij niets gemist en niets opgeofferd. Wat maakte het uit? had zij tot haar vader gezegd, toen hij haar dat huwelijk voorsloeg. Wat maakte het uit? zeide zij nog. Met alles verachtend zelfvertrouwen vroeg zij zichzelve: Wat maakte iets op de wereld uit?—en zoo ging zij al voort en voort.Waarheen? Stap voor stap, al verder en verder, altijd benedenwaarts, naar een zeker einde, maar toch zoo langzaam, dat zij zich verbeeldde te blijven stilstaan. Wat mijnheer Harthouse aangaat, waarheen hij zijne schreden richtte, had hij nooit bedacht en het was hem ook geheel onverschillig. Hij had geen bijzonder plan of oogmerk; geene krachtige opwelling van booze neigingen verstoorde ooit zijne kwijnende flauwheid. Hij was voor het oogenblik zoozeer geamuseerd en geïnteresseerd, als zulk een fijn beschaafdgentlemanvoegde, misschien meer dan hij, voor zijne reputatie, had kunnen bekennen. Kort na zijne aankomst schreef hij aan zijn broeder, het achtbare en luimige Parlementslid, dat de Bounderby’s heel amusant waren, en verder, dat de vrouwelijke Bounderby, in plaats van eene Medusa, gelijk hij verwacht had, jong en bijzonder mooi was. Naderhand schreef hij niet meer over hen, en bracht toch het grootste gedeelte van zijn ledigen tijd in hun huis door. Bij zijn omzwerven door het district vanCoketownkwam hij hen dikwijls bezoeken, en werd door mijnheer Bounderby zeer daarin aangemoedigd. Het was geheel in mijnheerBounderby’swinderige manier, er bij iedereen op te snoeven, dat hij niet om lieden van voorname familie gaf, maar dat als zijne vrouw, Tom Gradgrind’s dochter, dit deed, zij vrij gezelschap met hem mocht houden.Mijnheer James Harthouse begon te denken, dat het hem eene nieuwe aandoening zou geven, indien het gezichtje, dat voor „dien hondsvot” zoo treffend veranderde, eens voor hem wilde veranderen.Hij was vlug genoeg in het doen van waarnemingen; hij had een uitmuntend geheugen en hij vergat geen woord van de openbaringen, die haar broeder hem gedaan had. Hij bracht die in verband met alles wat hij van de zuster zag, en nu begon hij haar te begrijpen. Wel is waar lag het betere en diepere gedeelte van haar karakter niet binnen den kring van zijn begrip; want in zielen, gelijk in zeeën, roept de diepte tot de diepte; maar spoedig begon hij het overige met vorschende oogen te lezen.Mijnheer Bounderby was eigenaar van een landgoed geworden, dat omtrent vijftien mijlen van de stad gelegen was, en tot een paar mijlen afstands genaakbaar langs een spoorweg, die over vele bogen door eene woeste streek lands liep, door verlatene kolengroeven ondermijnd en des nachts met vuren en de zwarte gedaanten van machines overzaaid. Deze streek, die bij het naderen van Bounderby’s buitengoed langzamerhand vriendelijker werd, ging daar in een bevallig landschap over, in de lente verguld met heidebloesems en besneeuwd met bloeiende haagdoornen, en den geheelen zomer door bedekt met trillend loover en schemerende schaduwen. Het kantoor had op dit zoo vermakelijk gelegen buitengoed eene hypotheek gehad, door een der magnaten vanCoketowngenomen, die, verlangend om langs een korter weg dan den gewonen schatrijk te worden, ongeveer tweemaal honderdduizend pond te hoog had gespeculeerd. Zulke ongelukjes gebeurden somtijds in de deftigste en geregeldste familiën vanCoketown, hoewel de bankroetiers in geene de minste betrekking stonden met die klasse, welker gebrek aan overleg en voorzichtigheid zoo dikwijls ter sprake kwam.Het was voor mijnheer Bounderby een uitstekend genoegen dit bekoorlijke landgoedje in bezit te nemen en met pralende nederigheid den bloemtuin met kool te laten beplanten. Het was een genot voor hem, onder de elegante meubelen huis te houden alsof hij in eene kazerne was, en zelfs de schilderijen moesten verachtworden om op zijne lage afkomst te kunnen snoeven. „Ja, mijnheer,” zeide hij zoo tegen een gast, „ik heb gehoord, dat Nickits” (de vorige eigenaar) „zevenhonderd pond voor dat zeestrand heeft gegeven. Nu, om rondborstig te zijn, als ik er in geheel mijn leven zevenmaal naar kijk, tegen negenhonderd pond voor iederen keer, zal het al wel zijn. Neen, waarachtig, ik vergeet niet, dat ik Josiah Bounderby vanCoketownben. Jaar op jaar waren de eenige schilderijen in mijn bezit, ofdie ikzonder te stelen in mijn bezit had kunnen krijgen, de prentjes van een man, die zich in eene laars den baard schoor, op de schoensmeerflesschen, waarmee ik machtig blij was dat ik laarzen mocht poetsen, en die ik, als ze leeg waren, voor eenfarthinghet stuk verkocht; en dan was ik weer blij, dat ik er nog zóóveel voor kreeg.”MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).Tegen Harthouse zeide hij eens in denzelfden trant:„Harthouse, gij hebt hier een paar paarden. Laat er nog een half dozijn meer komen, als ge wilt, wij zullen er wel plaats voor vinden. Er is hier stalling voor wel twaalf paarden, en als mij Nickits niet beliegt, moet hij ook een vol dozijn hebben gehouden. Een vol dozijn, mijnheer. Toen die man een jongen was, ginghij naar de Westminster-school. Hij ging naar de Westminster-school, mijnheer, terwijl ik voornamelijk van groentenafval leefde en op de markt in eene ledige mand sliep. Wel, als ik twaalf paarden wilde houden—dat ik niet doe, omdat één genoeg voor mij is—zou ik ze nooit op stal kunnen zien staan, zonder er om te denken hoe ik zelf eens placht te wonen. Ik zou ze niet onder mijne oogen kunnen velen, mijnheer, maar ze moeten wegdoen. Maar zoo komen de dingen toch terecht. Gij ziet dit buiten, gij weet wat voor een buiten het is; gij weet, dat er voor zijne grootte geen completer buiten bestaat, hier in het land of ergens op de wereld—het kan mij niet schelen waar—en hier in het midden daarvan, gelijk een oorwurm in eene okkernoot, zit Josiah Bounderby; terwijl Nickits (dit heeft mij iemand, die gisteren op het kantoor kwam, verteld) Nickits, die op de Westminster-school in Latijnsche komedies placht mee te spelen, waar de adel van het land hem applaudisseerde tot ze bek af waren, op dit oogenblik half gek—half gek, mijnheer—teAntwerpenin een donker achterstraatje op de vijfde verdieping zit te mijmeren.”Het was onder de looverschaduwen van dit buitengoed, in de lange, zoele zomerdagen, dat mijnheer Harthouse begon te beproeven, of het gezichtje, waarover hij zich, toen hij het voor de eerste maal zag, zoozeer had verwonderd, ook voor hem zou willen veranderen.„Mevrouw Bounderby, ik houd het voor een zeer gelukkig toeval, dat ik u hier alleen vind. Ik heb reeds eenigen tijd bijzonder verlangd om u eens te spreken.”Het was geen zeer zonderling toeval, dat hij haar vond, daar zij op dien tijd van den dag altijd alleen, en dat plekje hare geliefkoosde rustplaats was. Het was eene opening in een donker bosch, waar eenige gevelde boomen lagen, en waar zij naar de afgevallen bladeren van het vorige jaar zat te turen, gelijk zij thuis naar de vallende vonken had getuurd.Hij zette zich naast haar neer en zag haar zijdelings in het gezicht.„Uw broeder, mijn jonge vriend Tom...,”Hare kleur werd hooger en zij keerde zich met een blik vol belangstelling naar hem om.„Ik heb nooit in mijn leven,” dacht hij, „iets zoo opmerkelijks en bekoorlijks gezien als het ophelderen van die trekken.”Zijn gezicht verried zijne gedachten—misschien zonder hem te verraden, want het kon wel met voordacht geschied zijn, dat het die uitdrukking teekende.„Excuseer mij. De uitdrukking uwer zusterlijke belangstelling is zoo schoon—Tom moest er zoo trotsch op wezen—ik weet wel, dat het onverschoonlijk is, maar mijne bewondering was onwillekeurig.”„Gij zijt altijd zoo naïef,” zeide zij bedaard.„Neen, mevrouw Bounderby, gij weet wel, dat ik voor u niet veinzen wil. Ik weet wel, dat ik een alledaagsch, baatzuchtig mensch ben, altijd gereed om mij zelve voor eene billijke som te verkoopen, en geheel onvatbaar voor alle Arcadisch gevoel.”„Ik wacht,” antwoordde zij, „wat gij verder van mijn broeder te zeggen hebt.”„Gij zijt stug tegen mij, en ik verdien het. Ik ben zulk een nietswaardig schepsel als er een op de wereld is, behalve dat ik niet valsch ben. Maar gij hebt mij door verrassing van mijn onderwerp afgebracht—uw broeder namelijk. Hij interesseert mij.”„Is er dan nog iets dat u interesseert, mijnheer Harthouse?” zeide zij, half ongeloovig en half dankbaar.„Als ge mij dat gevraagd hadt toen ik pas hier kwam, zou ik gezegd hebben „neen.” Nu moet ik „ja” antwoorden—zelfs op het gevaar af, dat ge mij van veinzerij zult verdenken en mij niet zult willen gelooven.”Zij maakte eene geringe beweging, alsof zij wilde spreken, maar geene stem had. Eindelijk zeide zij: „Mijnheer Harthouse, ik wil wel van u gelooven, dat gij u voor mijn broeder interesseert.”„Ik dank u. Ik zal pogen dat vertrouwen te verdienen. Gij weet wel op hoe weinig ik aanspraak maak, maar zoo ver wil ik toch gaan. Gij hebt zooveel voor hem gedaan, gij zijt zoo liefderijk voor hem; in geheel uw leven straalt zulk eene bekoorlijke zelfverloochening om zijnentwil door—nog eens excuseer mij—ik dwaal weder ver van mijn onderwerp af. Ik interesseer mij voor hem om zijn eigen wil.”Zij had de geringst mogelijke beweging gemaakt alsof zij haastig wilde opstaan en heengaan. Op hetzelfde oogenblik had hij echter zijn gezegde eene andere wending gegeven en zij bleef zitten.„Mevrouw Bounderby,” hervatte hij op een luchtiger toon, maar tegelijk liet hij duidelijk de inspanning zien, die het hem kostte om dien toon aan te nemen, en versterkte daardoor den gemaakten indruk; „het is geen onherstelbaar misdrijf bij een jongmensch van uw broeders jaren, als hij zorgeloos en onbedacht is, wat veel geld verteert—kortom, met de gewone uitdrukking, een weinigje losbandig is. Is hij dat niet?”„Ja.”„Veroorloof mij eens rondborstig te zijn. Denkt gij dat hij speelt?”„Ik geloof, dat hij wedt,” en daar Harthouse bleef wachten, alsof dit nog niet haar geheele antwoord was, voegde zij er bij: „Ik weet, dat hij dat doet.”„Natuurlijk verliest hij?”„Ja.”„Iedereen, die wedt, verliest. Mag ik de waarschijnlijkheid wel aanroeren, dat gij hem somtijds voor die liefhebberijen van geld voorziet?”Zij had voor zich neergezien; maar bij deze vraag sloeg zij hare oogen op en zag hem uitvorschend en met eenige verstoordheid aan.„Ik hoop, dat ge mij van alle onbescheidene nieuwsgierigheid zult vrijspreken, lieve mevrouw Bounderby. Ik geloof, dat Tom zich langzamerhand in moeielijkheden wikkelt, en ik wensch hem uit de diepte mijner ondeugende ervaring eene helpende hand toe te reiken. Zal ik nog eens zeggen, om zijnentwil? Is dat noodig?”Zij scheen te willen antwoorden, maar er kwam niets van.„Om u openhartig alles te bekennen wat mij wel eens in het hoofd is gekomen,” vervolgde Harthouse, wederom met dezelfde zichtbare inspanning zijn luchtigen toon aannemende, „wil ik u zeggen, dat ik er zeer aan twijfel of hij wel veel in zijn voordeel heeft gehad, of het—verschoon mijne lompheid—wel waarschijnlijk is, dat er groote vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn waardigen vader kan bestaan.”„Dat houd ik niet voor waarschijnlijk,” zeide Louisa, blozende bij hare eigene gewichtige herinnering in dit opzicht.„Of tusschen hem—ik vertrouw, dat gij mijne meening volkomen zult begrijpen—of tusschen hem en zijn hooggeachten schoonbroeder.”Zij bloosde al hooger en hooger, en was gloeiend rood toen zij met eene flauwe stem antwoordde: „Dat acht ik ook niet waarschijnlijk.”„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, na eene korte poos van stilte, „zou er niet meer vertrouwelijkheid tusschen u en mij kunnen zijn? Tom heeft eene aanmerkelijke som van u geleend, niet waar?”„Gij moet wel begrijpen, mijnheer Harthouse,” antwoordde zij, na een oogenblik van besluiteloosheid—zij was gedurende dit geheele gesprek min of meer onrustig en verlegen geweest, maar had toch over het geheel hare zelfbeheersching bewaard—„gij moet wel begrijpen, dat, als ik u zeggen zal wat gij mij dringt te zeggen, het niet bij wijze van klacht of uitdrukking van spijt is. Ik zou nooit over iets willen klagen, en van hetgeen ik gedaan heb, heb ik geen de minste spijt.”„Hoe fier ook!” dacht James Harthouse.„Toen ik trouwde, bevond ik dat mijn broeder toen reeds zwaar in schulden zat. Zwaar voor zijn doen, meen ik. Zwaar genoeg om mij tot het verkoopen van eenige sieraden te noodzaken. Dit was geene opoffering. Ik verkocht ze zeer gewillig. Ik hechtte er geene waarde aan. Voor mij waren zij niets waard.”Zij zag aan zijn gezicht, of haar geweten deed het haar vreezen, dat hij begreep dat zij van geschenken sprak, die haar man haar gegeven had. Indien hij dit nog niet begrepen had, zou hij het nu hebben gedaan, al was hij veel dommer geweest dan hij was.„Sedert heb ik mijn broeder van tijd tot tijd zooveel geld gegeven als ik missen kon, kortom zooveel geld als ik had. Als ik u vertrouw, omdat ik geloof aan de belangstelling, die gij voor hem betoont, wil ik het niet ten halve doen. Sedert gij gewoon zijt hier te komen, heeft hij in eens om eene som van honderd pond gevraagd. Ik was niet in staat om hem die te geven. Ik ben wel ongerust geweest over de gevolgen, die het hebben kon, als hij om dat geld verlegen bleef, maar ik heb het geheim bewaard tot op dit oogenblik, nu ik het aan uwe eer toevertrouw. Ik heb niemand in mijn vertrouwen genomen, omdat—gij hebt zoo even zelf de reden aangeduid.” En hier brak zij eensklaps af.Het ontbrak hem niet aan gevatheid, en hij nam terstond de gelegenheid waar om haar, onder den schijn van over haar broeder te spreken, haar eigen beeld voor te houden.„Mevrouw Bounderby, hoewel ik een man van de wereld en volstrekt niet sentimenteel ben, kan ik u toch verzekeren, dat het mij aandoet wat gij daar zegt. Het is mij niet mogelijk uw broeder hard te vallen. Ik begrijp de verstandige inschikkelijkheid, waarmede gij zijne dwalingen beschouwt, en stem geheel daarmede in. Met alle mogelijke hoogachting, zoowel voor mijnheer Gradgrind als mijnheer Bounderby, meen ik te bespeuren, dat zijne opleiding niet gelukkig is geweest. Door zijne opvoeding onbekend gebleven met de samenleving, waarin hij toch eene rol moest spelen, stort hij zich nu moedwillig in die uitersten, omdat de tegenovergestelde uitersten hem—zonder twijfel met de allerbeste oogmerken—zijn opgedwongen. Mijnheer Bounderby’s rondborstige, echt Engelsche onafhankelijkheid, hoewel een allerinnemendste karaktertrek van hem, lokt toch—daarover zijn wij het eens geworden—niet tot vertrouwen uit. Als ik het durfde zeggen, zou ik meenen, dat het hem, naar het mij voorkomt, wel zeer weinig, maar toch eenigermate ontbreekt aan die kieschheid, tot welke een jongmensch, die op een dwaalspoor is geraakt, wiens karakter men van zijne kindsheid af niet heeft begrepen, en wiens talenten daardoor eene verkeerde richting hebben genomen, zich zou willen wenden om hulp en bestuur te zoeken.”Terwijl zij recht voor zich uit zat te staren naar de afwisselende lichtspelingen op het gras en in de duisternis van het bosch, las hij in hare trekken de toepassing zijner woorden, die hij met de meest mogelijke duidelijkheid uitsprak.„Men moet hem veel toegeven,” vervolgde hij. „Maar ik vind in Tom toch één groot gebrek, dat ik hem niet vergeven kan, en hem als eene zware schuld aanreken.”Louisa sloeg hare oogen op en vroeg hem welk gebrek dit was.„Misschien heb ik genoeg gezegd,” antwoordde hij. „Misschien zou het over het geheel beter zijn geweest als er mij geen woord van ware ontsnapt.”„Gij maakt mij ongerust, mijnheer Harthouse. Zeg mij toch wat het is.”„Welnu, om u van noodelooze bezorgdheid te ontheffen—en daar wij, wat uw broeder aangaat, tot eene vertrouwelijkheid zijn gekomen, waarop ik boven alles prijs stel—zal ik u gehoorzamen. Ik kan het hem niet vergeven, dat hij zich in al wat hij zegt of doet niet meer gevoelig toont voor de genegenheid zijner beste vriendin—voor hare onbaatzuchtigheid, hare zelfopoffering en zelfverloochening. De belooning, welke hij haar daarvoor geeft, is, zooveel ik heb opgemerkt, al zeer gering. Wat zij voor hem gedaan heeft, moest met standvastige liefde en dankbaarheid, niet met opvliegendheid en kwade luimen vergolden worden. Welk een loszinnig schepsel ik ook wezen moge, ik ben niet zoo onverschillig, mevrouw Bounderby, dat ik deze ondeugd in uw broeder over het hoofd kan zien of genegen ben die voor een verschoonlijken misstap te houden.”Het bosch werd in een schemerenden nevel gehuld, want hare oogen stonden vol tranen. Zij ontsprongen uit eene diepe, lang verborgene bron, maar de kwellende smart, die haar hart vervulde, vond geene verlichting daarin.„Kortom, het zou mijn hoogste wensch zijn, mevrouw Bounderby, dat ik uw broeder in dit opzicht kon verbeteren. Mijne meerdere bekendheid met zijne omstandigheden, en mijn raad en bijstand om hem daaruit te redden—van eenige waarde, hoop ik, daar zij van iemand komen, die een deugniet op veel grootere schaal is geweest—zullen mij eenigen invloed op hem geven, en allen invloed, dien ik op hem verkrijg, zal ik zekerlijk tot dat oogmerk aanwenden. Ik heb genoeg gezegd, en meer dan genoeg. Het zou kunnen schijnen, dat ik mij wilde voordoen als een goedhartig mensch, terwijl ik, op mijne eer, geen het minste voornemen daartoe heb en openlijk verklaar, dat ik niets van dien aard ben. Daar onder de boomen,” vervolgde hij, nadat hij had opgekeken en rondgezien, want tot nog toe had hij scherp op haar gelet, „is uw broeder zelf, die zeker zoo pas is hier gekomen. Daar hij dezen kant schijnt heen te dwalen, zal het misschien niet kwaad zijn als wij naar hem toe wandelden en hem in den weg zochten te komen. Hij is sedert eenigen tijd zeer stil en verdrietig. Misschien is zijn broederlijk geweten getroffen—als er zulk een ding als een geweten is; want, op mijne eer, ik hoor er veel te dikwijls van om er aan te gelooven.”Hij hielp haar opstaan, zij nam zijn arm, en zij gingen den hondsvot te gemoet. Tom sloeg al voortslenterende met zijn rotting tegen de takken, en bleef tusschenbeide stilstaan om met zekere kwaadaardigheid het mos van de boomen te schrappen. Hij schrikte en verschoot van kleur, toen zij hem onder dit laatste tijdverdrijf onverwacht nabij kwamen.„Holla ho!” zeide hij stotterend. „Ik wist niet, dat gij hier waart.”„Wiens naam, Tom,” zeide Harthouse, hem de hand op den schouder leggende en hem zoodanig omdraaiende, dat zij nu alle drie naar het huis wandelden, „hebt gij daar op de boomen gesneden?”„Wiens naam?” antwoordde Tom. „O, gij meent welken meisjesnaam?”„Uw voorkomen brengt u onder sterke verdenking, Tom, dat ge juist bezig waart met den naam eener schoone op de schors te schrijven.”„Wel neen, mijnheer Harthouse, of eene schoone met een goed fortuin tot hare vrije beschikking moest eens zin in mij krijgen. Zij mocht zoo leelijk zijn als zij rijk ware, zij zou toch niet bang behoeven te wezen om mij te verliezen. Ik zou haar naam schrijven zoo dikwijls als zij maar wilde.”„Ik vrees dat gij zeer zelfzuchtig zijt, Tom.”„Zelfzuchtig,” herhaalde Tom. „Wie is niet zelfzuchtig. Vraag mijne zuster maar.”„Hebt gij zoo ondervonden, Tom, dat dit een gebrek van mij was?” zeide Louisa, zonder op andere wijze hare gevoeligheid over zijne norschheid en wreveligheid te toonen.„Gij moet zelf maar weten of de schoen u past, Louisa,” antwoordde haar broeder stuursch. „Zoo ja, trek hem dan maar aan.”„Tom is vandaag misanthropisch, gelijk alle menschen, die zich vervelen, nu en dan zijn,” liet Harthouse hierop volgen. „Geloof hem maar niet, mevrouw Bounderby; hij weet wel beter. Als hij niet wat vriendelijker wordt, zal ik u laten hooren, hoe hij mij eens heimelijk heeft gezegd, wat hij eigenlijk denkt.”„In allen gevalle, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, door de schertsende gemeenzaamheid van zijn voornamen vriend eenigszins verzacht, maar toch nog wrevelig zijn hoofd schuddende, „kunt gij haar niet zeggen, dat ik haar ooit geprezen heb omdat zij zelfzuchtig was. Misschien heb ik haar wel eens voor het tegendeel geprezen, en dat zou ik weder doen, als ik er evengoede reden toe had. Maar dat komt er nu niet op aan: het is voor u niet zeer belangrijk, en mij verveelt de zaak al lang.”Zij wandelden voor naar het huis, waar Louisa den arm van haar geleider losliet en binnenging. Hij stond haar na te kijken terwijl zij de stoep opwipte en in de schaduw van het portaal verdween; daarna legde hij zijne hand weder op haar broeders schouder en noodigde hem met een gemeenzaam, hoofdknikje tot eene wandeling in den tuin.„Tom, mijn beste jongen, ik heb een woordje met u te spreken.”Zij bleven staan tusschen een warboel van rozen—het behoorde tot mijnheer Bounderby’s nederigheid om de rozen van Nickits in het wild te laten groeien—en Tom zette zich op de balustrade van een terras, en begon de knoppen af te plukken en in stukjes te trekken; terwijl zijn geleigeest bij hem stond, met zijn eenen voet op de balustrade en het overgebogene bovenlijf rustende op den arm, welke door die knie werd ondersteund. Zij waren uit haar venster juist zichtbaar. Misschien zag zij hen.„Tom, wat scheelt er aan?”„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom met een zucht, „ik zit er zoo in; ik word half doodgeplaagd.”„Ik ook, mijn beste jongen.”„Gij?” hervatte Tom. „Gij zijt zoo onafhankelijk als iemand wezen kan. Ik zit schrikkelijk in het nauw, mijnheer Harthouse. Gij kunt u niet verbeelden, in welk een toestand ik mij gebracht heb—een toestand, waaruit mijne zuster mij had kunnen redden, als zij maar gewild had.”Hij begon nu de rozeknoppen aan stukken te bijten, en scheurde ze tusschen zijne tanden uit, met eene hand, welke beefde als die van een afgeleefd oud man. Na hem eerst met een zeer opmerkzamen blik te hebben aangezien, nam zijn makker zijn luchtigsten toon aan.„Maar, Tom, ge zijt onredelijk. Ge wilt al te veel van uw zuster hebben. Gij hebt immers reeds geld van haar gehad, gij, rekel—dat weet ik.”„Ja, mijnheer Harthouse, dat weet ik ook wel. Hoe zou ik er anders aan komen? Daar is oude Bounderby, die er altijd op snoeft dat hij, toen hij zoo oud was als ik, van een dubbeltje ’s maands leefde, of zoo iets van dien aard. Daar is mijn vader, die eene lijn trekt, zooals hij zegt, en mij van een kind af met handen en voeten daaraan vastbindt. Daar is mijne moeder, die nooit iets te veel heeft, behalve klachten. Wat zal iemand dan doen om aan geld te komen, en van wie heb ik iets te wachten, als het niet van mijne zuster is?”Hij huilde bijna en strooide de rozeknoppen bij dozijnen om zich heen.Harthouse pakte hem met vriendelijke overredingskracht bij zijn rok.„Maar, beste Tom, als uwe zuster het nu niet heeft....”„Het niet heeft, mijnheer Harthouse? Ik zeg niet dat zij het heeft. Ik had misschien meer noodig dan zij waarschijnlijk had. Maar dan moest zij maken dat zij het kreeg. Zij kan het wel krijgen. Ik behoef nu geen geheim van de zaak meer te maken, na alles wat ik u al gezegd hebt. Gij weet wel dat zij ouden Bounderby niet om harentwil heeft getrouwd, noch om zijnentwil, maar om mijnentwil. Waarom maakt zij dan niet om mijnentwil, dat zij van hem krijgt wat ik noodig heb? Zij behoeft niet te zeggen wat zij er mee doen zal; zij is slim genoeg; zij kon het wel met wat flikflooien van hem krijgen, als zij maar wilde. Waarom wil zij dan niet, als ik haar zeg van hoeveel belang het voor mij is? Maar neen. Daar zit zij bij hem als een stuk steen, in plaats van zich aangenaam te maken en het zoo met gemak van hem te krijgen. Ik weet niet hoe gij dit noemt, maar ik noem het een onnatuurlijk gedrag.”Vlak aan den anderen kant der balustrade was eene diepe vijver, en mijnheer James Harthouse had grooten lust om mijnheer Thomas Gradgrind Junior daarin te smijten, gelijk de mishandelde fabrikanten vanCoketowndreigden hun eigendom in zee te zullen werpen. Maar hij bewaarde zijne achtelooze houding, en er viel niets over de steenen balustrade, dan nog een hoop rozeknoppen, die nu met de anderen een drijvend eilandje vormden.„Beste Tom,” zeide Harthouse, „laat ik eens beproeven uw bankier te zijn.”„Om ’s Hemels wil,” antwoordde Tom verschrikt, „spreek toch niet van bankiers!” En in contrast met de rozen scheen hij geheel wit te worden.Harthouse, als een welopgevoed man, aan beschaafden omgang gewoon, liet zich niet verbazen—hij had zich evengoed kunnen laten ontroeren—maar hij opende zijne oogen een weinigje meer, alsof de leden door een flauwen zweem van verwondering werden opgetrokken, hoewel het evenzeer tegen de regelen zijner school streed zich over iets te verwonderen, als tegen de leer die Gradgrind predikte.„Hoeveel komt er op het oogenblik te kort, Tom? Drie cijfers? Voor den dag er mee! Zeg, hoe groot is de som?”„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom nu werkelijk schreiende; en welk eene jammerlijke figuur hij ook maakte, stonden zijne tranen hem toch beter dan zijne norschheid; „het is te laat. Het geld kan mij nu toch niet meer baten. Ik had het vroeger moeten hebben om mij van nut te wezen. Maar ik ben u toch zeer verplicht. Gij zijt een oprecht vriend.”Een oprecht vriend! „O, hondsvot!” dacht Harthouse, op zijne trage en flauwe manier, „welk een ezel zijt ge toch!”„En ik houd uw aanbod voor eene zeer groote vriendelijkheid,” vervolgde Tom, zijne hand vattende, „eene zeer groote vriendelijkheid.”„Wel,” hervatte de ander, „het zal u later misschien van meer nut kunnen zijn; en, mijn goede jongen, als ge mij uwe ongelegenheden wilt openbaren, wanneer ze u beginnen te overstelpen, zal ik u misschien een beter weg kunnen wijzen om er uit te komen dan gij zelf kunt vinden.”„Ik dank u,” zeide Tom, naargeestig zijn hoofd schuddende en rozeknopjes kauwende. „Ik wenschte wel, dat ik u vroeger had gekend, mijnheer Harthouse.”„Gij moet weten, Tom,” zeide Harthouse tot slot,zelfeen paar rozen over de balustrade werpende, als eene bijdrage tot het eilandje, dat steeds naar den muur bleef drijven, alsof het zich aan het vasteland wilde vasthechten: „alle menschen zijn zelfzuchtig in al wat zij doen, en ik ben eveneens als de rest van mijne natuurgenooten. Ik ben er razend op gesteld,”—de kwijnende flauwheid zijner razernij kon wel een gevolg der groote hitte zijn—„dat gij vriendelijker voor uwe zuster wordt—en dat zou u wel passen;—dat gij een beter en pleizieriger soort van broeder wordt—en dat zou wel zoo behoorlijk zijn.”„Dat zal ik, mijnheer Harthouse.”„Geen tijd zoo goed als de tegenwoordige, Tom. Begin dus terstond.”„Dat zal ik zeker; en mijne zuster Louisa zal het u zeggen.”„En nu wij dit accoord hebben gemaakt, Tom,” zeide Harthouse, hem nogmaals op den schouder kloppende op eene manier, die hem volle vrijheid liet te meenen—gelijk hij ook deed, arme dwaas—dat deze voorwaarde hem slechts uit goedhartigheid werd opgelegd, om zijn gevoel van verplichting te verminderen, „zullen wij ons tot etenstijd van elkander losrukken.”Toen Tom aan tafel kwam, scheen zijn gemoed nog wel bezwaard, maar zijn lichaam was toch vlugger, en hij kwam vóór mijnheer Bounderby.„Ik meende het niet toen ik zoo stuursch was, Louisa,” zeide hij, haar de hand en een kus gevende. „Ik weet wel, dat gij veel van mij houdt, en gij weet ook wel, dat ik veel van u houd.”Later op dien dag had Louisa’s gezichtje een glimlach voor iemand anders. Helaas, voor iemand anders!„Des te minder is die hondsvot de eenige om wien zij iets geeft,” zeide James Harthouse bij zich zelven, de gedachte omkeerende, die op den eersten dag, toen hij met haar bevallig gezichtje kennis gemaakt had, bij hem was opgekomen. „Des te minder, des te minder.”

XXIII.BUSKRUIT.Mijnheer James Harthouse begon bij zijne aangenomene partij spoedig opgang te maken. Met nog wat meer van buiten leeren voor de politieke wijshoofden, nog wat meer gepolijste flauwheid en lusteloosheid voor beschaafde gezelschappen, en een tamelijk behendig gebruik van de geveinsde eerlijkheid der oneerlijkheid—de schitterendste en meest gevierde der beschaafde doodzonden—kwam hij weldra zoo ver, dat men hem voor iemand hield van wien veel te verwachten was. Dat hij bijna niets in de wereldernstigopnam, was zeer in zijn voordeel, want daardoor was hij in staat om zich zoo gemakkelijk met de mannen van feiten te verbroederen, alsof hij onder hunne partij geboren was, en alle andere partijen voor opzettelijke bedriegers uit te maken.„Niemand van ons gelooft ze, mijne lieve mevrouw Bounderby, en zij gelooven zich zelvenniet. Het eenige verschil tusschen ons en de voorvechters van deugd, menschenliefde of philanthropie—de naam komt er niet op aan—is, dat wij weten dat die dingen woorden zonder beteekenis zijn, en dat wij dit zeggen; terwijl zij het evengoed weten, maar het nooit willen zeggen.”Waarom zou zij zich aan zulke herhaalde verklaringen ergeren, of er zich door laten waarschuwen? Deze leer verschilde niet zooveel van haar vaders grondbeginselen, die haar als kind waren ingeprent, om er van te moeten schrikken. Waarin bestond het groote onderscheid tusschen de twee scholen, daar beide haar aan het stoffelijke en werkelijke boeiden en haar geen geloof aan iets anders inboezemden? Was er iets in hare ziel, in haar staat van onschuld, door Thomas Gradgrind aangekweekt, dat James Harthouse nu had kunnen verwoesten?Het was thans zelfs des te erger voor haar, dat in haar gemoed eene worstelende neiging om aan eene grootere en hoogere bestemming des menschen te gelooven—daarin geplant, voordat haar uitstekend practische vader het begon te vormen—onophoudelijk met twijfeling en wrevelige gedachten kampte: met twijfelingen, omdat die neiging in hare jeugd zoo was gesmoord; met wrevelige gedachten, over het onrecht dat men haar had aangedaan, indien diefluisterendestem de waarheid sprak. Voor een gemoed, lang gewoon om zichzelf onder pijnlijk bedwang te houden, en aldus verscheurd en verdeeld, bracht de door Harthouse gepredikte philosophie eene verademing mede, dewijl zij haar voor zichzelve leerde rechtvaardigen. Daar alles even ledig en nietig was, had zij niets gemist en niets opgeofferd. Wat maakte het uit? had zij tot haar vader gezegd, toen hij haar dat huwelijk voorsloeg. Wat maakte het uit? zeide zij nog. Met alles verachtend zelfvertrouwen vroeg zij zichzelve: Wat maakte iets op de wereld uit?—en zoo ging zij al voort en voort.Waarheen? Stap voor stap, al verder en verder, altijd benedenwaarts, naar een zeker einde, maar toch zoo langzaam, dat zij zich verbeeldde te blijven stilstaan. Wat mijnheer Harthouse aangaat, waarheen hij zijne schreden richtte, had hij nooit bedacht en het was hem ook geheel onverschillig. Hij had geen bijzonder plan of oogmerk; geene krachtige opwelling van booze neigingen verstoorde ooit zijne kwijnende flauwheid. Hij was voor het oogenblik zoozeer geamuseerd en geïnteresseerd, als zulk een fijn beschaafdgentlemanvoegde, misschien meer dan hij, voor zijne reputatie, had kunnen bekennen. Kort na zijne aankomst schreef hij aan zijn broeder, het achtbare en luimige Parlementslid, dat de Bounderby’s heel amusant waren, en verder, dat de vrouwelijke Bounderby, in plaats van eene Medusa, gelijk hij verwacht had, jong en bijzonder mooi was. Naderhand schreef hij niet meer over hen, en bracht toch het grootste gedeelte van zijn ledigen tijd in hun huis door. Bij zijn omzwerven door het district vanCoketownkwam hij hen dikwijls bezoeken, en werd door mijnheer Bounderby zeer daarin aangemoedigd. Het was geheel in mijnheerBounderby’swinderige manier, er bij iedereen op te snoeven, dat hij niet om lieden van voorname familie gaf, maar dat als zijne vrouw, Tom Gradgrind’s dochter, dit deed, zij vrij gezelschap met hem mocht houden.Mijnheer James Harthouse begon te denken, dat het hem eene nieuwe aandoening zou geven, indien het gezichtje, dat voor „dien hondsvot” zoo treffend veranderde, eens voor hem wilde veranderen.Hij was vlug genoeg in het doen van waarnemingen; hij had een uitmuntend geheugen en hij vergat geen woord van de openbaringen, die haar broeder hem gedaan had. Hij bracht die in verband met alles wat hij van de zuster zag, en nu begon hij haar te begrijpen. Wel is waar lag het betere en diepere gedeelte van haar karakter niet binnen den kring van zijn begrip; want in zielen, gelijk in zeeën, roept de diepte tot de diepte; maar spoedig begon hij het overige met vorschende oogen te lezen.Mijnheer Bounderby was eigenaar van een landgoed geworden, dat omtrent vijftien mijlen van de stad gelegen was, en tot een paar mijlen afstands genaakbaar langs een spoorweg, die over vele bogen door eene woeste streek lands liep, door verlatene kolengroeven ondermijnd en des nachts met vuren en de zwarte gedaanten van machines overzaaid. Deze streek, die bij het naderen van Bounderby’s buitengoed langzamerhand vriendelijker werd, ging daar in een bevallig landschap over, in de lente verguld met heidebloesems en besneeuwd met bloeiende haagdoornen, en den geheelen zomer door bedekt met trillend loover en schemerende schaduwen. Het kantoor had op dit zoo vermakelijk gelegen buitengoed eene hypotheek gehad, door een der magnaten vanCoketowngenomen, die, verlangend om langs een korter weg dan den gewonen schatrijk te worden, ongeveer tweemaal honderdduizend pond te hoog had gespeculeerd. Zulke ongelukjes gebeurden somtijds in de deftigste en geregeldste familiën vanCoketown, hoewel de bankroetiers in geene de minste betrekking stonden met die klasse, welker gebrek aan overleg en voorzichtigheid zoo dikwijls ter sprake kwam.Het was voor mijnheer Bounderby een uitstekend genoegen dit bekoorlijke landgoedje in bezit te nemen en met pralende nederigheid den bloemtuin met kool te laten beplanten. Het was een genot voor hem, onder de elegante meubelen huis te houden alsof hij in eene kazerne was, en zelfs de schilderijen moesten verachtworden om op zijne lage afkomst te kunnen snoeven. „Ja, mijnheer,” zeide hij zoo tegen een gast, „ik heb gehoord, dat Nickits” (de vorige eigenaar) „zevenhonderd pond voor dat zeestrand heeft gegeven. Nu, om rondborstig te zijn, als ik er in geheel mijn leven zevenmaal naar kijk, tegen negenhonderd pond voor iederen keer, zal het al wel zijn. Neen, waarachtig, ik vergeet niet, dat ik Josiah Bounderby vanCoketownben. Jaar op jaar waren de eenige schilderijen in mijn bezit, ofdie ikzonder te stelen in mijn bezit had kunnen krijgen, de prentjes van een man, die zich in eene laars den baard schoor, op de schoensmeerflesschen, waarmee ik machtig blij was dat ik laarzen mocht poetsen, en die ik, als ze leeg waren, voor eenfarthinghet stuk verkocht; en dan was ik weer blij, dat ik er nog zóóveel voor kreeg.”MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).Tegen Harthouse zeide hij eens in denzelfden trant:„Harthouse, gij hebt hier een paar paarden. Laat er nog een half dozijn meer komen, als ge wilt, wij zullen er wel plaats voor vinden. Er is hier stalling voor wel twaalf paarden, en als mij Nickits niet beliegt, moet hij ook een vol dozijn hebben gehouden. Een vol dozijn, mijnheer. Toen die man een jongen was, ginghij naar de Westminster-school. Hij ging naar de Westminster-school, mijnheer, terwijl ik voornamelijk van groentenafval leefde en op de markt in eene ledige mand sliep. Wel, als ik twaalf paarden wilde houden—dat ik niet doe, omdat één genoeg voor mij is—zou ik ze nooit op stal kunnen zien staan, zonder er om te denken hoe ik zelf eens placht te wonen. Ik zou ze niet onder mijne oogen kunnen velen, mijnheer, maar ze moeten wegdoen. Maar zoo komen de dingen toch terecht. Gij ziet dit buiten, gij weet wat voor een buiten het is; gij weet, dat er voor zijne grootte geen completer buiten bestaat, hier in het land of ergens op de wereld—het kan mij niet schelen waar—en hier in het midden daarvan, gelijk een oorwurm in eene okkernoot, zit Josiah Bounderby; terwijl Nickits (dit heeft mij iemand, die gisteren op het kantoor kwam, verteld) Nickits, die op de Westminster-school in Latijnsche komedies placht mee te spelen, waar de adel van het land hem applaudisseerde tot ze bek af waren, op dit oogenblik half gek—half gek, mijnheer—teAntwerpenin een donker achterstraatje op de vijfde verdieping zit te mijmeren.”Het was onder de looverschaduwen van dit buitengoed, in de lange, zoele zomerdagen, dat mijnheer Harthouse begon te beproeven, of het gezichtje, waarover hij zich, toen hij het voor de eerste maal zag, zoozeer had verwonderd, ook voor hem zou willen veranderen.„Mevrouw Bounderby, ik houd het voor een zeer gelukkig toeval, dat ik u hier alleen vind. Ik heb reeds eenigen tijd bijzonder verlangd om u eens te spreken.”Het was geen zeer zonderling toeval, dat hij haar vond, daar zij op dien tijd van den dag altijd alleen, en dat plekje hare geliefkoosde rustplaats was. Het was eene opening in een donker bosch, waar eenige gevelde boomen lagen, en waar zij naar de afgevallen bladeren van het vorige jaar zat te turen, gelijk zij thuis naar de vallende vonken had getuurd.Hij zette zich naast haar neer en zag haar zijdelings in het gezicht.„Uw broeder, mijn jonge vriend Tom...,”Hare kleur werd hooger en zij keerde zich met een blik vol belangstelling naar hem om.„Ik heb nooit in mijn leven,” dacht hij, „iets zoo opmerkelijks en bekoorlijks gezien als het ophelderen van die trekken.”Zijn gezicht verried zijne gedachten—misschien zonder hem te verraden, want het kon wel met voordacht geschied zijn, dat het die uitdrukking teekende.„Excuseer mij. De uitdrukking uwer zusterlijke belangstelling is zoo schoon—Tom moest er zoo trotsch op wezen—ik weet wel, dat het onverschoonlijk is, maar mijne bewondering was onwillekeurig.”„Gij zijt altijd zoo naïef,” zeide zij bedaard.„Neen, mevrouw Bounderby, gij weet wel, dat ik voor u niet veinzen wil. Ik weet wel, dat ik een alledaagsch, baatzuchtig mensch ben, altijd gereed om mij zelve voor eene billijke som te verkoopen, en geheel onvatbaar voor alle Arcadisch gevoel.”„Ik wacht,” antwoordde zij, „wat gij verder van mijn broeder te zeggen hebt.”„Gij zijt stug tegen mij, en ik verdien het. Ik ben zulk een nietswaardig schepsel als er een op de wereld is, behalve dat ik niet valsch ben. Maar gij hebt mij door verrassing van mijn onderwerp afgebracht—uw broeder namelijk. Hij interesseert mij.”„Is er dan nog iets dat u interesseert, mijnheer Harthouse?” zeide zij, half ongeloovig en half dankbaar.„Als ge mij dat gevraagd hadt toen ik pas hier kwam, zou ik gezegd hebben „neen.” Nu moet ik „ja” antwoorden—zelfs op het gevaar af, dat ge mij van veinzerij zult verdenken en mij niet zult willen gelooven.”Zij maakte eene geringe beweging, alsof zij wilde spreken, maar geene stem had. Eindelijk zeide zij: „Mijnheer Harthouse, ik wil wel van u gelooven, dat gij u voor mijn broeder interesseert.”„Ik dank u. Ik zal pogen dat vertrouwen te verdienen. Gij weet wel op hoe weinig ik aanspraak maak, maar zoo ver wil ik toch gaan. Gij hebt zooveel voor hem gedaan, gij zijt zoo liefderijk voor hem; in geheel uw leven straalt zulk eene bekoorlijke zelfverloochening om zijnentwil door—nog eens excuseer mij—ik dwaal weder ver van mijn onderwerp af. Ik interesseer mij voor hem om zijn eigen wil.”Zij had de geringst mogelijke beweging gemaakt alsof zij haastig wilde opstaan en heengaan. Op hetzelfde oogenblik had hij echter zijn gezegde eene andere wending gegeven en zij bleef zitten.„Mevrouw Bounderby,” hervatte hij op een luchtiger toon, maar tegelijk liet hij duidelijk de inspanning zien, die het hem kostte om dien toon aan te nemen, en versterkte daardoor den gemaakten indruk; „het is geen onherstelbaar misdrijf bij een jongmensch van uw broeders jaren, als hij zorgeloos en onbedacht is, wat veel geld verteert—kortom, met de gewone uitdrukking, een weinigje losbandig is. Is hij dat niet?”„Ja.”„Veroorloof mij eens rondborstig te zijn. Denkt gij dat hij speelt?”„Ik geloof, dat hij wedt,” en daar Harthouse bleef wachten, alsof dit nog niet haar geheele antwoord was, voegde zij er bij: „Ik weet, dat hij dat doet.”„Natuurlijk verliest hij?”„Ja.”„Iedereen, die wedt, verliest. Mag ik de waarschijnlijkheid wel aanroeren, dat gij hem somtijds voor die liefhebberijen van geld voorziet?”Zij had voor zich neergezien; maar bij deze vraag sloeg zij hare oogen op en zag hem uitvorschend en met eenige verstoordheid aan.„Ik hoop, dat ge mij van alle onbescheidene nieuwsgierigheid zult vrijspreken, lieve mevrouw Bounderby. Ik geloof, dat Tom zich langzamerhand in moeielijkheden wikkelt, en ik wensch hem uit de diepte mijner ondeugende ervaring eene helpende hand toe te reiken. Zal ik nog eens zeggen, om zijnentwil? Is dat noodig?”Zij scheen te willen antwoorden, maar er kwam niets van.„Om u openhartig alles te bekennen wat mij wel eens in het hoofd is gekomen,” vervolgde Harthouse, wederom met dezelfde zichtbare inspanning zijn luchtigen toon aannemende, „wil ik u zeggen, dat ik er zeer aan twijfel of hij wel veel in zijn voordeel heeft gehad, of het—verschoon mijne lompheid—wel waarschijnlijk is, dat er groote vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn waardigen vader kan bestaan.”„Dat houd ik niet voor waarschijnlijk,” zeide Louisa, blozende bij hare eigene gewichtige herinnering in dit opzicht.„Of tusschen hem—ik vertrouw, dat gij mijne meening volkomen zult begrijpen—of tusschen hem en zijn hooggeachten schoonbroeder.”Zij bloosde al hooger en hooger, en was gloeiend rood toen zij met eene flauwe stem antwoordde: „Dat acht ik ook niet waarschijnlijk.”„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, na eene korte poos van stilte, „zou er niet meer vertrouwelijkheid tusschen u en mij kunnen zijn? Tom heeft eene aanmerkelijke som van u geleend, niet waar?”„Gij moet wel begrijpen, mijnheer Harthouse,” antwoordde zij, na een oogenblik van besluiteloosheid—zij was gedurende dit geheele gesprek min of meer onrustig en verlegen geweest, maar had toch over het geheel hare zelfbeheersching bewaard—„gij moet wel begrijpen, dat, als ik u zeggen zal wat gij mij dringt te zeggen, het niet bij wijze van klacht of uitdrukking van spijt is. Ik zou nooit over iets willen klagen, en van hetgeen ik gedaan heb, heb ik geen de minste spijt.”„Hoe fier ook!” dacht James Harthouse.„Toen ik trouwde, bevond ik dat mijn broeder toen reeds zwaar in schulden zat. Zwaar voor zijn doen, meen ik. Zwaar genoeg om mij tot het verkoopen van eenige sieraden te noodzaken. Dit was geene opoffering. Ik verkocht ze zeer gewillig. Ik hechtte er geene waarde aan. Voor mij waren zij niets waard.”Zij zag aan zijn gezicht, of haar geweten deed het haar vreezen, dat hij begreep dat zij van geschenken sprak, die haar man haar gegeven had. Indien hij dit nog niet begrepen had, zou hij het nu hebben gedaan, al was hij veel dommer geweest dan hij was.„Sedert heb ik mijn broeder van tijd tot tijd zooveel geld gegeven als ik missen kon, kortom zooveel geld als ik had. Als ik u vertrouw, omdat ik geloof aan de belangstelling, die gij voor hem betoont, wil ik het niet ten halve doen. Sedert gij gewoon zijt hier te komen, heeft hij in eens om eene som van honderd pond gevraagd. Ik was niet in staat om hem die te geven. Ik ben wel ongerust geweest over de gevolgen, die het hebben kon, als hij om dat geld verlegen bleef, maar ik heb het geheim bewaard tot op dit oogenblik, nu ik het aan uwe eer toevertrouw. Ik heb niemand in mijn vertrouwen genomen, omdat—gij hebt zoo even zelf de reden aangeduid.” En hier brak zij eensklaps af.Het ontbrak hem niet aan gevatheid, en hij nam terstond de gelegenheid waar om haar, onder den schijn van over haar broeder te spreken, haar eigen beeld voor te houden.„Mevrouw Bounderby, hoewel ik een man van de wereld en volstrekt niet sentimenteel ben, kan ik u toch verzekeren, dat het mij aandoet wat gij daar zegt. Het is mij niet mogelijk uw broeder hard te vallen. Ik begrijp de verstandige inschikkelijkheid, waarmede gij zijne dwalingen beschouwt, en stem geheel daarmede in. Met alle mogelijke hoogachting, zoowel voor mijnheer Gradgrind als mijnheer Bounderby, meen ik te bespeuren, dat zijne opleiding niet gelukkig is geweest. Door zijne opvoeding onbekend gebleven met de samenleving, waarin hij toch eene rol moest spelen, stort hij zich nu moedwillig in die uitersten, omdat de tegenovergestelde uitersten hem—zonder twijfel met de allerbeste oogmerken—zijn opgedwongen. Mijnheer Bounderby’s rondborstige, echt Engelsche onafhankelijkheid, hoewel een allerinnemendste karaktertrek van hem, lokt toch—daarover zijn wij het eens geworden—niet tot vertrouwen uit. Als ik het durfde zeggen, zou ik meenen, dat het hem, naar het mij voorkomt, wel zeer weinig, maar toch eenigermate ontbreekt aan die kieschheid, tot welke een jongmensch, die op een dwaalspoor is geraakt, wiens karakter men van zijne kindsheid af niet heeft begrepen, en wiens talenten daardoor eene verkeerde richting hebben genomen, zich zou willen wenden om hulp en bestuur te zoeken.”Terwijl zij recht voor zich uit zat te staren naar de afwisselende lichtspelingen op het gras en in de duisternis van het bosch, las hij in hare trekken de toepassing zijner woorden, die hij met de meest mogelijke duidelijkheid uitsprak.„Men moet hem veel toegeven,” vervolgde hij. „Maar ik vind in Tom toch één groot gebrek, dat ik hem niet vergeven kan, en hem als eene zware schuld aanreken.”Louisa sloeg hare oogen op en vroeg hem welk gebrek dit was.„Misschien heb ik genoeg gezegd,” antwoordde hij. „Misschien zou het over het geheel beter zijn geweest als er mij geen woord van ware ontsnapt.”„Gij maakt mij ongerust, mijnheer Harthouse. Zeg mij toch wat het is.”„Welnu, om u van noodelooze bezorgdheid te ontheffen—en daar wij, wat uw broeder aangaat, tot eene vertrouwelijkheid zijn gekomen, waarop ik boven alles prijs stel—zal ik u gehoorzamen. Ik kan het hem niet vergeven, dat hij zich in al wat hij zegt of doet niet meer gevoelig toont voor de genegenheid zijner beste vriendin—voor hare onbaatzuchtigheid, hare zelfopoffering en zelfverloochening. De belooning, welke hij haar daarvoor geeft, is, zooveel ik heb opgemerkt, al zeer gering. Wat zij voor hem gedaan heeft, moest met standvastige liefde en dankbaarheid, niet met opvliegendheid en kwade luimen vergolden worden. Welk een loszinnig schepsel ik ook wezen moge, ik ben niet zoo onverschillig, mevrouw Bounderby, dat ik deze ondeugd in uw broeder over het hoofd kan zien of genegen ben die voor een verschoonlijken misstap te houden.”Het bosch werd in een schemerenden nevel gehuld, want hare oogen stonden vol tranen. Zij ontsprongen uit eene diepe, lang verborgene bron, maar de kwellende smart, die haar hart vervulde, vond geene verlichting daarin.„Kortom, het zou mijn hoogste wensch zijn, mevrouw Bounderby, dat ik uw broeder in dit opzicht kon verbeteren. Mijne meerdere bekendheid met zijne omstandigheden, en mijn raad en bijstand om hem daaruit te redden—van eenige waarde, hoop ik, daar zij van iemand komen, die een deugniet op veel grootere schaal is geweest—zullen mij eenigen invloed op hem geven, en allen invloed, dien ik op hem verkrijg, zal ik zekerlijk tot dat oogmerk aanwenden. Ik heb genoeg gezegd, en meer dan genoeg. Het zou kunnen schijnen, dat ik mij wilde voordoen als een goedhartig mensch, terwijl ik, op mijne eer, geen het minste voornemen daartoe heb en openlijk verklaar, dat ik niets van dien aard ben. Daar onder de boomen,” vervolgde hij, nadat hij had opgekeken en rondgezien, want tot nog toe had hij scherp op haar gelet, „is uw broeder zelf, die zeker zoo pas is hier gekomen. Daar hij dezen kant schijnt heen te dwalen, zal het misschien niet kwaad zijn als wij naar hem toe wandelden en hem in den weg zochten te komen. Hij is sedert eenigen tijd zeer stil en verdrietig. Misschien is zijn broederlijk geweten getroffen—als er zulk een ding als een geweten is; want, op mijne eer, ik hoor er veel te dikwijls van om er aan te gelooven.”Hij hielp haar opstaan, zij nam zijn arm, en zij gingen den hondsvot te gemoet. Tom sloeg al voortslenterende met zijn rotting tegen de takken, en bleef tusschenbeide stilstaan om met zekere kwaadaardigheid het mos van de boomen te schrappen. Hij schrikte en verschoot van kleur, toen zij hem onder dit laatste tijdverdrijf onverwacht nabij kwamen.„Holla ho!” zeide hij stotterend. „Ik wist niet, dat gij hier waart.”„Wiens naam, Tom,” zeide Harthouse, hem de hand op den schouder leggende en hem zoodanig omdraaiende, dat zij nu alle drie naar het huis wandelden, „hebt gij daar op de boomen gesneden?”„Wiens naam?” antwoordde Tom. „O, gij meent welken meisjesnaam?”„Uw voorkomen brengt u onder sterke verdenking, Tom, dat ge juist bezig waart met den naam eener schoone op de schors te schrijven.”„Wel neen, mijnheer Harthouse, of eene schoone met een goed fortuin tot hare vrije beschikking moest eens zin in mij krijgen. Zij mocht zoo leelijk zijn als zij rijk ware, zij zou toch niet bang behoeven te wezen om mij te verliezen. Ik zou haar naam schrijven zoo dikwijls als zij maar wilde.”„Ik vrees dat gij zeer zelfzuchtig zijt, Tom.”„Zelfzuchtig,” herhaalde Tom. „Wie is niet zelfzuchtig. Vraag mijne zuster maar.”„Hebt gij zoo ondervonden, Tom, dat dit een gebrek van mij was?” zeide Louisa, zonder op andere wijze hare gevoeligheid over zijne norschheid en wreveligheid te toonen.„Gij moet zelf maar weten of de schoen u past, Louisa,” antwoordde haar broeder stuursch. „Zoo ja, trek hem dan maar aan.”„Tom is vandaag misanthropisch, gelijk alle menschen, die zich vervelen, nu en dan zijn,” liet Harthouse hierop volgen. „Geloof hem maar niet, mevrouw Bounderby; hij weet wel beter. Als hij niet wat vriendelijker wordt, zal ik u laten hooren, hoe hij mij eens heimelijk heeft gezegd, wat hij eigenlijk denkt.”„In allen gevalle, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, door de schertsende gemeenzaamheid van zijn voornamen vriend eenigszins verzacht, maar toch nog wrevelig zijn hoofd schuddende, „kunt gij haar niet zeggen, dat ik haar ooit geprezen heb omdat zij zelfzuchtig was. Misschien heb ik haar wel eens voor het tegendeel geprezen, en dat zou ik weder doen, als ik er evengoede reden toe had. Maar dat komt er nu niet op aan: het is voor u niet zeer belangrijk, en mij verveelt de zaak al lang.”Zij wandelden voor naar het huis, waar Louisa den arm van haar geleider losliet en binnenging. Hij stond haar na te kijken terwijl zij de stoep opwipte en in de schaduw van het portaal verdween; daarna legde hij zijne hand weder op haar broeders schouder en noodigde hem met een gemeenzaam, hoofdknikje tot eene wandeling in den tuin.„Tom, mijn beste jongen, ik heb een woordje met u te spreken.”Zij bleven staan tusschen een warboel van rozen—het behoorde tot mijnheer Bounderby’s nederigheid om de rozen van Nickits in het wild te laten groeien—en Tom zette zich op de balustrade van een terras, en begon de knoppen af te plukken en in stukjes te trekken; terwijl zijn geleigeest bij hem stond, met zijn eenen voet op de balustrade en het overgebogene bovenlijf rustende op den arm, welke door die knie werd ondersteund. Zij waren uit haar venster juist zichtbaar. Misschien zag zij hen.„Tom, wat scheelt er aan?”„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom met een zucht, „ik zit er zoo in; ik word half doodgeplaagd.”„Ik ook, mijn beste jongen.”„Gij?” hervatte Tom. „Gij zijt zoo onafhankelijk als iemand wezen kan. Ik zit schrikkelijk in het nauw, mijnheer Harthouse. Gij kunt u niet verbeelden, in welk een toestand ik mij gebracht heb—een toestand, waaruit mijne zuster mij had kunnen redden, als zij maar gewild had.”Hij begon nu de rozeknoppen aan stukken te bijten, en scheurde ze tusschen zijne tanden uit, met eene hand, welke beefde als die van een afgeleefd oud man. Na hem eerst met een zeer opmerkzamen blik te hebben aangezien, nam zijn makker zijn luchtigsten toon aan.„Maar, Tom, ge zijt onredelijk. Ge wilt al te veel van uw zuster hebben. Gij hebt immers reeds geld van haar gehad, gij, rekel—dat weet ik.”„Ja, mijnheer Harthouse, dat weet ik ook wel. Hoe zou ik er anders aan komen? Daar is oude Bounderby, die er altijd op snoeft dat hij, toen hij zoo oud was als ik, van een dubbeltje ’s maands leefde, of zoo iets van dien aard. Daar is mijn vader, die eene lijn trekt, zooals hij zegt, en mij van een kind af met handen en voeten daaraan vastbindt. Daar is mijne moeder, die nooit iets te veel heeft, behalve klachten. Wat zal iemand dan doen om aan geld te komen, en van wie heb ik iets te wachten, als het niet van mijne zuster is?”Hij huilde bijna en strooide de rozeknoppen bij dozijnen om zich heen.Harthouse pakte hem met vriendelijke overredingskracht bij zijn rok.„Maar, beste Tom, als uwe zuster het nu niet heeft....”„Het niet heeft, mijnheer Harthouse? Ik zeg niet dat zij het heeft. Ik had misschien meer noodig dan zij waarschijnlijk had. Maar dan moest zij maken dat zij het kreeg. Zij kan het wel krijgen. Ik behoef nu geen geheim van de zaak meer te maken, na alles wat ik u al gezegd hebt. Gij weet wel dat zij ouden Bounderby niet om harentwil heeft getrouwd, noch om zijnentwil, maar om mijnentwil. Waarom maakt zij dan niet om mijnentwil, dat zij van hem krijgt wat ik noodig heb? Zij behoeft niet te zeggen wat zij er mee doen zal; zij is slim genoeg; zij kon het wel met wat flikflooien van hem krijgen, als zij maar wilde. Waarom wil zij dan niet, als ik haar zeg van hoeveel belang het voor mij is? Maar neen. Daar zit zij bij hem als een stuk steen, in plaats van zich aangenaam te maken en het zoo met gemak van hem te krijgen. Ik weet niet hoe gij dit noemt, maar ik noem het een onnatuurlijk gedrag.”Vlak aan den anderen kant der balustrade was eene diepe vijver, en mijnheer James Harthouse had grooten lust om mijnheer Thomas Gradgrind Junior daarin te smijten, gelijk de mishandelde fabrikanten vanCoketowndreigden hun eigendom in zee te zullen werpen. Maar hij bewaarde zijne achtelooze houding, en er viel niets over de steenen balustrade, dan nog een hoop rozeknoppen, die nu met de anderen een drijvend eilandje vormden.„Beste Tom,” zeide Harthouse, „laat ik eens beproeven uw bankier te zijn.”„Om ’s Hemels wil,” antwoordde Tom verschrikt, „spreek toch niet van bankiers!” En in contrast met de rozen scheen hij geheel wit te worden.Harthouse, als een welopgevoed man, aan beschaafden omgang gewoon, liet zich niet verbazen—hij had zich evengoed kunnen laten ontroeren—maar hij opende zijne oogen een weinigje meer, alsof de leden door een flauwen zweem van verwondering werden opgetrokken, hoewel het evenzeer tegen de regelen zijner school streed zich over iets te verwonderen, als tegen de leer die Gradgrind predikte.„Hoeveel komt er op het oogenblik te kort, Tom? Drie cijfers? Voor den dag er mee! Zeg, hoe groot is de som?”„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom nu werkelijk schreiende; en welk eene jammerlijke figuur hij ook maakte, stonden zijne tranen hem toch beter dan zijne norschheid; „het is te laat. Het geld kan mij nu toch niet meer baten. Ik had het vroeger moeten hebben om mij van nut te wezen. Maar ik ben u toch zeer verplicht. Gij zijt een oprecht vriend.”Een oprecht vriend! „O, hondsvot!” dacht Harthouse, op zijne trage en flauwe manier, „welk een ezel zijt ge toch!”„En ik houd uw aanbod voor eene zeer groote vriendelijkheid,” vervolgde Tom, zijne hand vattende, „eene zeer groote vriendelijkheid.”„Wel,” hervatte de ander, „het zal u later misschien van meer nut kunnen zijn; en, mijn goede jongen, als ge mij uwe ongelegenheden wilt openbaren, wanneer ze u beginnen te overstelpen, zal ik u misschien een beter weg kunnen wijzen om er uit te komen dan gij zelf kunt vinden.”„Ik dank u,” zeide Tom, naargeestig zijn hoofd schuddende en rozeknopjes kauwende. „Ik wenschte wel, dat ik u vroeger had gekend, mijnheer Harthouse.”„Gij moet weten, Tom,” zeide Harthouse tot slot,zelfeen paar rozen over de balustrade werpende, als eene bijdrage tot het eilandje, dat steeds naar den muur bleef drijven, alsof het zich aan het vasteland wilde vasthechten: „alle menschen zijn zelfzuchtig in al wat zij doen, en ik ben eveneens als de rest van mijne natuurgenooten. Ik ben er razend op gesteld,”—de kwijnende flauwheid zijner razernij kon wel een gevolg der groote hitte zijn—„dat gij vriendelijker voor uwe zuster wordt—en dat zou u wel passen;—dat gij een beter en pleizieriger soort van broeder wordt—en dat zou wel zoo behoorlijk zijn.”„Dat zal ik, mijnheer Harthouse.”„Geen tijd zoo goed als de tegenwoordige, Tom. Begin dus terstond.”„Dat zal ik zeker; en mijne zuster Louisa zal het u zeggen.”„En nu wij dit accoord hebben gemaakt, Tom,” zeide Harthouse, hem nogmaals op den schouder kloppende op eene manier, die hem volle vrijheid liet te meenen—gelijk hij ook deed, arme dwaas—dat deze voorwaarde hem slechts uit goedhartigheid werd opgelegd, om zijn gevoel van verplichting te verminderen, „zullen wij ons tot etenstijd van elkander losrukken.”Toen Tom aan tafel kwam, scheen zijn gemoed nog wel bezwaard, maar zijn lichaam was toch vlugger, en hij kwam vóór mijnheer Bounderby.„Ik meende het niet toen ik zoo stuursch was, Louisa,” zeide hij, haar de hand en een kus gevende. „Ik weet wel, dat gij veel van mij houdt, en gij weet ook wel, dat ik veel van u houd.”Later op dien dag had Louisa’s gezichtje een glimlach voor iemand anders. Helaas, voor iemand anders!„Des te minder is die hondsvot de eenige om wien zij iets geeft,” zeide James Harthouse bij zich zelven, de gedachte omkeerende, die op den eersten dag, toen hij met haar bevallig gezichtje kennis gemaakt had, bij hem was opgekomen. „Des te minder, des te minder.”

XXIII.BUSKRUIT.

Mijnheer James Harthouse begon bij zijne aangenomene partij spoedig opgang te maken. Met nog wat meer van buiten leeren voor de politieke wijshoofden, nog wat meer gepolijste flauwheid en lusteloosheid voor beschaafde gezelschappen, en een tamelijk behendig gebruik van de geveinsde eerlijkheid der oneerlijkheid—de schitterendste en meest gevierde der beschaafde doodzonden—kwam hij weldra zoo ver, dat men hem voor iemand hield van wien veel te verwachten was. Dat hij bijna niets in de wereldernstigopnam, was zeer in zijn voordeel, want daardoor was hij in staat om zich zoo gemakkelijk met de mannen van feiten te verbroederen, alsof hij onder hunne partij geboren was, en alle andere partijen voor opzettelijke bedriegers uit te maken.„Niemand van ons gelooft ze, mijne lieve mevrouw Bounderby, en zij gelooven zich zelvenniet. Het eenige verschil tusschen ons en de voorvechters van deugd, menschenliefde of philanthropie—de naam komt er niet op aan—is, dat wij weten dat die dingen woorden zonder beteekenis zijn, en dat wij dit zeggen; terwijl zij het evengoed weten, maar het nooit willen zeggen.”Waarom zou zij zich aan zulke herhaalde verklaringen ergeren, of er zich door laten waarschuwen? Deze leer verschilde niet zooveel van haar vaders grondbeginselen, die haar als kind waren ingeprent, om er van te moeten schrikken. Waarin bestond het groote onderscheid tusschen de twee scholen, daar beide haar aan het stoffelijke en werkelijke boeiden en haar geen geloof aan iets anders inboezemden? Was er iets in hare ziel, in haar staat van onschuld, door Thomas Gradgrind aangekweekt, dat James Harthouse nu had kunnen verwoesten?Het was thans zelfs des te erger voor haar, dat in haar gemoed eene worstelende neiging om aan eene grootere en hoogere bestemming des menschen te gelooven—daarin geplant, voordat haar uitstekend practische vader het begon te vormen—onophoudelijk met twijfeling en wrevelige gedachten kampte: met twijfelingen, omdat die neiging in hare jeugd zoo was gesmoord; met wrevelige gedachten, over het onrecht dat men haar had aangedaan, indien diefluisterendestem de waarheid sprak. Voor een gemoed, lang gewoon om zichzelf onder pijnlijk bedwang te houden, en aldus verscheurd en verdeeld, bracht de door Harthouse gepredikte philosophie eene verademing mede, dewijl zij haar voor zichzelve leerde rechtvaardigen. Daar alles even ledig en nietig was, had zij niets gemist en niets opgeofferd. Wat maakte het uit? had zij tot haar vader gezegd, toen hij haar dat huwelijk voorsloeg. Wat maakte het uit? zeide zij nog. Met alles verachtend zelfvertrouwen vroeg zij zichzelve: Wat maakte iets op de wereld uit?—en zoo ging zij al voort en voort.Waarheen? Stap voor stap, al verder en verder, altijd benedenwaarts, naar een zeker einde, maar toch zoo langzaam, dat zij zich verbeeldde te blijven stilstaan. Wat mijnheer Harthouse aangaat, waarheen hij zijne schreden richtte, had hij nooit bedacht en het was hem ook geheel onverschillig. Hij had geen bijzonder plan of oogmerk; geene krachtige opwelling van booze neigingen verstoorde ooit zijne kwijnende flauwheid. Hij was voor het oogenblik zoozeer geamuseerd en geïnteresseerd, als zulk een fijn beschaafdgentlemanvoegde, misschien meer dan hij, voor zijne reputatie, had kunnen bekennen. Kort na zijne aankomst schreef hij aan zijn broeder, het achtbare en luimige Parlementslid, dat de Bounderby’s heel amusant waren, en verder, dat de vrouwelijke Bounderby, in plaats van eene Medusa, gelijk hij verwacht had, jong en bijzonder mooi was. Naderhand schreef hij niet meer over hen, en bracht toch het grootste gedeelte van zijn ledigen tijd in hun huis door. Bij zijn omzwerven door het district vanCoketownkwam hij hen dikwijls bezoeken, en werd door mijnheer Bounderby zeer daarin aangemoedigd. Het was geheel in mijnheerBounderby’swinderige manier, er bij iedereen op te snoeven, dat hij niet om lieden van voorname familie gaf, maar dat als zijne vrouw, Tom Gradgrind’s dochter, dit deed, zij vrij gezelschap met hem mocht houden.Mijnheer James Harthouse begon te denken, dat het hem eene nieuwe aandoening zou geven, indien het gezichtje, dat voor „dien hondsvot” zoo treffend veranderde, eens voor hem wilde veranderen.Hij was vlug genoeg in het doen van waarnemingen; hij had een uitmuntend geheugen en hij vergat geen woord van de openbaringen, die haar broeder hem gedaan had. Hij bracht die in verband met alles wat hij van de zuster zag, en nu begon hij haar te begrijpen. Wel is waar lag het betere en diepere gedeelte van haar karakter niet binnen den kring van zijn begrip; want in zielen, gelijk in zeeën, roept de diepte tot de diepte; maar spoedig begon hij het overige met vorschende oogen te lezen.Mijnheer Bounderby was eigenaar van een landgoed geworden, dat omtrent vijftien mijlen van de stad gelegen was, en tot een paar mijlen afstands genaakbaar langs een spoorweg, die over vele bogen door eene woeste streek lands liep, door verlatene kolengroeven ondermijnd en des nachts met vuren en de zwarte gedaanten van machines overzaaid. Deze streek, die bij het naderen van Bounderby’s buitengoed langzamerhand vriendelijker werd, ging daar in een bevallig landschap over, in de lente verguld met heidebloesems en besneeuwd met bloeiende haagdoornen, en den geheelen zomer door bedekt met trillend loover en schemerende schaduwen. Het kantoor had op dit zoo vermakelijk gelegen buitengoed eene hypotheek gehad, door een der magnaten vanCoketowngenomen, die, verlangend om langs een korter weg dan den gewonen schatrijk te worden, ongeveer tweemaal honderdduizend pond te hoog had gespeculeerd. Zulke ongelukjes gebeurden somtijds in de deftigste en geregeldste familiën vanCoketown, hoewel de bankroetiers in geene de minste betrekking stonden met die klasse, welker gebrek aan overleg en voorzichtigheid zoo dikwijls ter sprake kwam.Het was voor mijnheer Bounderby een uitstekend genoegen dit bekoorlijke landgoedje in bezit te nemen en met pralende nederigheid den bloemtuin met kool te laten beplanten. Het was een genot voor hem, onder de elegante meubelen huis te houden alsof hij in eene kazerne was, en zelfs de schilderijen moesten verachtworden om op zijne lage afkomst te kunnen snoeven. „Ja, mijnheer,” zeide hij zoo tegen een gast, „ik heb gehoord, dat Nickits” (de vorige eigenaar) „zevenhonderd pond voor dat zeestrand heeft gegeven. Nu, om rondborstig te zijn, als ik er in geheel mijn leven zevenmaal naar kijk, tegen negenhonderd pond voor iederen keer, zal het al wel zijn. Neen, waarachtig, ik vergeet niet, dat ik Josiah Bounderby vanCoketownben. Jaar op jaar waren de eenige schilderijen in mijn bezit, ofdie ikzonder te stelen in mijn bezit had kunnen krijgen, de prentjes van een man, die zich in eene laars den baard schoor, op de schoensmeerflesschen, waarmee ik machtig blij was dat ik laarzen mocht poetsen, en die ik, als ze leeg waren, voor eenfarthinghet stuk verkocht; en dan was ik weer blij, dat ik er nog zóóveel voor kreeg.”MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).Tegen Harthouse zeide hij eens in denzelfden trant:„Harthouse, gij hebt hier een paar paarden. Laat er nog een half dozijn meer komen, als ge wilt, wij zullen er wel plaats voor vinden. Er is hier stalling voor wel twaalf paarden, en als mij Nickits niet beliegt, moet hij ook een vol dozijn hebben gehouden. Een vol dozijn, mijnheer. Toen die man een jongen was, ginghij naar de Westminster-school. Hij ging naar de Westminster-school, mijnheer, terwijl ik voornamelijk van groentenafval leefde en op de markt in eene ledige mand sliep. Wel, als ik twaalf paarden wilde houden—dat ik niet doe, omdat één genoeg voor mij is—zou ik ze nooit op stal kunnen zien staan, zonder er om te denken hoe ik zelf eens placht te wonen. Ik zou ze niet onder mijne oogen kunnen velen, mijnheer, maar ze moeten wegdoen. Maar zoo komen de dingen toch terecht. Gij ziet dit buiten, gij weet wat voor een buiten het is; gij weet, dat er voor zijne grootte geen completer buiten bestaat, hier in het land of ergens op de wereld—het kan mij niet schelen waar—en hier in het midden daarvan, gelijk een oorwurm in eene okkernoot, zit Josiah Bounderby; terwijl Nickits (dit heeft mij iemand, die gisteren op het kantoor kwam, verteld) Nickits, die op de Westminster-school in Latijnsche komedies placht mee te spelen, waar de adel van het land hem applaudisseerde tot ze bek af waren, op dit oogenblik half gek—half gek, mijnheer—teAntwerpenin een donker achterstraatje op de vijfde verdieping zit te mijmeren.”Het was onder de looverschaduwen van dit buitengoed, in de lange, zoele zomerdagen, dat mijnheer Harthouse begon te beproeven, of het gezichtje, waarover hij zich, toen hij het voor de eerste maal zag, zoozeer had verwonderd, ook voor hem zou willen veranderen.„Mevrouw Bounderby, ik houd het voor een zeer gelukkig toeval, dat ik u hier alleen vind. Ik heb reeds eenigen tijd bijzonder verlangd om u eens te spreken.”Het was geen zeer zonderling toeval, dat hij haar vond, daar zij op dien tijd van den dag altijd alleen, en dat plekje hare geliefkoosde rustplaats was. Het was eene opening in een donker bosch, waar eenige gevelde boomen lagen, en waar zij naar de afgevallen bladeren van het vorige jaar zat te turen, gelijk zij thuis naar de vallende vonken had getuurd.Hij zette zich naast haar neer en zag haar zijdelings in het gezicht.„Uw broeder, mijn jonge vriend Tom...,”Hare kleur werd hooger en zij keerde zich met een blik vol belangstelling naar hem om.„Ik heb nooit in mijn leven,” dacht hij, „iets zoo opmerkelijks en bekoorlijks gezien als het ophelderen van die trekken.”Zijn gezicht verried zijne gedachten—misschien zonder hem te verraden, want het kon wel met voordacht geschied zijn, dat het die uitdrukking teekende.„Excuseer mij. De uitdrukking uwer zusterlijke belangstelling is zoo schoon—Tom moest er zoo trotsch op wezen—ik weet wel, dat het onverschoonlijk is, maar mijne bewondering was onwillekeurig.”„Gij zijt altijd zoo naïef,” zeide zij bedaard.„Neen, mevrouw Bounderby, gij weet wel, dat ik voor u niet veinzen wil. Ik weet wel, dat ik een alledaagsch, baatzuchtig mensch ben, altijd gereed om mij zelve voor eene billijke som te verkoopen, en geheel onvatbaar voor alle Arcadisch gevoel.”„Ik wacht,” antwoordde zij, „wat gij verder van mijn broeder te zeggen hebt.”„Gij zijt stug tegen mij, en ik verdien het. Ik ben zulk een nietswaardig schepsel als er een op de wereld is, behalve dat ik niet valsch ben. Maar gij hebt mij door verrassing van mijn onderwerp afgebracht—uw broeder namelijk. Hij interesseert mij.”„Is er dan nog iets dat u interesseert, mijnheer Harthouse?” zeide zij, half ongeloovig en half dankbaar.„Als ge mij dat gevraagd hadt toen ik pas hier kwam, zou ik gezegd hebben „neen.” Nu moet ik „ja” antwoorden—zelfs op het gevaar af, dat ge mij van veinzerij zult verdenken en mij niet zult willen gelooven.”Zij maakte eene geringe beweging, alsof zij wilde spreken, maar geene stem had. Eindelijk zeide zij: „Mijnheer Harthouse, ik wil wel van u gelooven, dat gij u voor mijn broeder interesseert.”„Ik dank u. Ik zal pogen dat vertrouwen te verdienen. Gij weet wel op hoe weinig ik aanspraak maak, maar zoo ver wil ik toch gaan. Gij hebt zooveel voor hem gedaan, gij zijt zoo liefderijk voor hem; in geheel uw leven straalt zulk eene bekoorlijke zelfverloochening om zijnentwil door—nog eens excuseer mij—ik dwaal weder ver van mijn onderwerp af. Ik interesseer mij voor hem om zijn eigen wil.”Zij had de geringst mogelijke beweging gemaakt alsof zij haastig wilde opstaan en heengaan. Op hetzelfde oogenblik had hij echter zijn gezegde eene andere wending gegeven en zij bleef zitten.„Mevrouw Bounderby,” hervatte hij op een luchtiger toon, maar tegelijk liet hij duidelijk de inspanning zien, die het hem kostte om dien toon aan te nemen, en versterkte daardoor den gemaakten indruk; „het is geen onherstelbaar misdrijf bij een jongmensch van uw broeders jaren, als hij zorgeloos en onbedacht is, wat veel geld verteert—kortom, met de gewone uitdrukking, een weinigje losbandig is. Is hij dat niet?”„Ja.”„Veroorloof mij eens rondborstig te zijn. Denkt gij dat hij speelt?”„Ik geloof, dat hij wedt,” en daar Harthouse bleef wachten, alsof dit nog niet haar geheele antwoord was, voegde zij er bij: „Ik weet, dat hij dat doet.”„Natuurlijk verliest hij?”„Ja.”„Iedereen, die wedt, verliest. Mag ik de waarschijnlijkheid wel aanroeren, dat gij hem somtijds voor die liefhebberijen van geld voorziet?”Zij had voor zich neergezien; maar bij deze vraag sloeg zij hare oogen op en zag hem uitvorschend en met eenige verstoordheid aan.„Ik hoop, dat ge mij van alle onbescheidene nieuwsgierigheid zult vrijspreken, lieve mevrouw Bounderby. Ik geloof, dat Tom zich langzamerhand in moeielijkheden wikkelt, en ik wensch hem uit de diepte mijner ondeugende ervaring eene helpende hand toe te reiken. Zal ik nog eens zeggen, om zijnentwil? Is dat noodig?”Zij scheen te willen antwoorden, maar er kwam niets van.„Om u openhartig alles te bekennen wat mij wel eens in het hoofd is gekomen,” vervolgde Harthouse, wederom met dezelfde zichtbare inspanning zijn luchtigen toon aannemende, „wil ik u zeggen, dat ik er zeer aan twijfel of hij wel veel in zijn voordeel heeft gehad, of het—verschoon mijne lompheid—wel waarschijnlijk is, dat er groote vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn waardigen vader kan bestaan.”„Dat houd ik niet voor waarschijnlijk,” zeide Louisa, blozende bij hare eigene gewichtige herinnering in dit opzicht.„Of tusschen hem—ik vertrouw, dat gij mijne meening volkomen zult begrijpen—of tusschen hem en zijn hooggeachten schoonbroeder.”Zij bloosde al hooger en hooger, en was gloeiend rood toen zij met eene flauwe stem antwoordde: „Dat acht ik ook niet waarschijnlijk.”„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, na eene korte poos van stilte, „zou er niet meer vertrouwelijkheid tusschen u en mij kunnen zijn? Tom heeft eene aanmerkelijke som van u geleend, niet waar?”„Gij moet wel begrijpen, mijnheer Harthouse,” antwoordde zij, na een oogenblik van besluiteloosheid—zij was gedurende dit geheele gesprek min of meer onrustig en verlegen geweest, maar had toch over het geheel hare zelfbeheersching bewaard—„gij moet wel begrijpen, dat, als ik u zeggen zal wat gij mij dringt te zeggen, het niet bij wijze van klacht of uitdrukking van spijt is. Ik zou nooit over iets willen klagen, en van hetgeen ik gedaan heb, heb ik geen de minste spijt.”„Hoe fier ook!” dacht James Harthouse.„Toen ik trouwde, bevond ik dat mijn broeder toen reeds zwaar in schulden zat. Zwaar voor zijn doen, meen ik. Zwaar genoeg om mij tot het verkoopen van eenige sieraden te noodzaken. Dit was geene opoffering. Ik verkocht ze zeer gewillig. Ik hechtte er geene waarde aan. Voor mij waren zij niets waard.”Zij zag aan zijn gezicht, of haar geweten deed het haar vreezen, dat hij begreep dat zij van geschenken sprak, die haar man haar gegeven had. Indien hij dit nog niet begrepen had, zou hij het nu hebben gedaan, al was hij veel dommer geweest dan hij was.„Sedert heb ik mijn broeder van tijd tot tijd zooveel geld gegeven als ik missen kon, kortom zooveel geld als ik had. Als ik u vertrouw, omdat ik geloof aan de belangstelling, die gij voor hem betoont, wil ik het niet ten halve doen. Sedert gij gewoon zijt hier te komen, heeft hij in eens om eene som van honderd pond gevraagd. Ik was niet in staat om hem die te geven. Ik ben wel ongerust geweest over de gevolgen, die het hebben kon, als hij om dat geld verlegen bleef, maar ik heb het geheim bewaard tot op dit oogenblik, nu ik het aan uwe eer toevertrouw. Ik heb niemand in mijn vertrouwen genomen, omdat—gij hebt zoo even zelf de reden aangeduid.” En hier brak zij eensklaps af.Het ontbrak hem niet aan gevatheid, en hij nam terstond de gelegenheid waar om haar, onder den schijn van over haar broeder te spreken, haar eigen beeld voor te houden.„Mevrouw Bounderby, hoewel ik een man van de wereld en volstrekt niet sentimenteel ben, kan ik u toch verzekeren, dat het mij aandoet wat gij daar zegt. Het is mij niet mogelijk uw broeder hard te vallen. Ik begrijp de verstandige inschikkelijkheid, waarmede gij zijne dwalingen beschouwt, en stem geheel daarmede in. Met alle mogelijke hoogachting, zoowel voor mijnheer Gradgrind als mijnheer Bounderby, meen ik te bespeuren, dat zijne opleiding niet gelukkig is geweest. Door zijne opvoeding onbekend gebleven met de samenleving, waarin hij toch eene rol moest spelen, stort hij zich nu moedwillig in die uitersten, omdat de tegenovergestelde uitersten hem—zonder twijfel met de allerbeste oogmerken—zijn opgedwongen. Mijnheer Bounderby’s rondborstige, echt Engelsche onafhankelijkheid, hoewel een allerinnemendste karaktertrek van hem, lokt toch—daarover zijn wij het eens geworden—niet tot vertrouwen uit. Als ik het durfde zeggen, zou ik meenen, dat het hem, naar het mij voorkomt, wel zeer weinig, maar toch eenigermate ontbreekt aan die kieschheid, tot welke een jongmensch, die op een dwaalspoor is geraakt, wiens karakter men van zijne kindsheid af niet heeft begrepen, en wiens talenten daardoor eene verkeerde richting hebben genomen, zich zou willen wenden om hulp en bestuur te zoeken.”Terwijl zij recht voor zich uit zat te staren naar de afwisselende lichtspelingen op het gras en in de duisternis van het bosch, las hij in hare trekken de toepassing zijner woorden, die hij met de meest mogelijke duidelijkheid uitsprak.„Men moet hem veel toegeven,” vervolgde hij. „Maar ik vind in Tom toch één groot gebrek, dat ik hem niet vergeven kan, en hem als eene zware schuld aanreken.”Louisa sloeg hare oogen op en vroeg hem welk gebrek dit was.„Misschien heb ik genoeg gezegd,” antwoordde hij. „Misschien zou het over het geheel beter zijn geweest als er mij geen woord van ware ontsnapt.”„Gij maakt mij ongerust, mijnheer Harthouse. Zeg mij toch wat het is.”„Welnu, om u van noodelooze bezorgdheid te ontheffen—en daar wij, wat uw broeder aangaat, tot eene vertrouwelijkheid zijn gekomen, waarop ik boven alles prijs stel—zal ik u gehoorzamen. Ik kan het hem niet vergeven, dat hij zich in al wat hij zegt of doet niet meer gevoelig toont voor de genegenheid zijner beste vriendin—voor hare onbaatzuchtigheid, hare zelfopoffering en zelfverloochening. De belooning, welke hij haar daarvoor geeft, is, zooveel ik heb opgemerkt, al zeer gering. Wat zij voor hem gedaan heeft, moest met standvastige liefde en dankbaarheid, niet met opvliegendheid en kwade luimen vergolden worden. Welk een loszinnig schepsel ik ook wezen moge, ik ben niet zoo onverschillig, mevrouw Bounderby, dat ik deze ondeugd in uw broeder over het hoofd kan zien of genegen ben die voor een verschoonlijken misstap te houden.”Het bosch werd in een schemerenden nevel gehuld, want hare oogen stonden vol tranen. Zij ontsprongen uit eene diepe, lang verborgene bron, maar de kwellende smart, die haar hart vervulde, vond geene verlichting daarin.„Kortom, het zou mijn hoogste wensch zijn, mevrouw Bounderby, dat ik uw broeder in dit opzicht kon verbeteren. Mijne meerdere bekendheid met zijne omstandigheden, en mijn raad en bijstand om hem daaruit te redden—van eenige waarde, hoop ik, daar zij van iemand komen, die een deugniet op veel grootere schaal is geweest—zullen mij eenigen invloed op hem geven, en allen invloed, dien ik op hem verkrijg, zal ik zekerlijk tot dat oogmerk aanwenden. Ik heb genoeg gezegd, en meer dan genoeg. Het zou kunnen schijnen, dat ik mij wilde voordoen als een goedhartig mensch, terwijl ik, op mijne eer, geen het minste voornemen daartoe heb en openlijk verklaar, dat ik niets van dien aard ben. Daar onder de boomen,” vervolgde hij, nadat hij had opgekeken en rondgezien, want tot nog toe had hij scherp op haar gelet, „is uw broeder zelf, die zeker zoo pas is hier gekomen. Daar hij dezen kant schijnt heen te dwalen, zal het misschien niet kwaad zijn als wij naar hem toe wandelden en hem in den weg zochten te komen. Hij is sedert eenigen tijd zeer stil en verdrietig. Misschien is zijn broederlijk geweten getroffen—als er zulk een ding als een geweten is; want, op mijne eer, ik hoor er veel te dikwijls van om er aan te gelooven.”Hij hielp haar opstaan, zij nam zijn arm, en zij gingen den hondsvot te gemoet. Tom sloeg al voortslenterende met zijn rotting tegen de takken, en bleef tusschenbeide stilstaan om met zekere kwaadaardigheid het mos van de boomen te schrappen. Hij schrikte en verschoot van kleur, toen zij hem onder dit laatste tijdverdrijf onverwacht nabij kwamen.„Holla ho!” zeide hij stotterend. „Ik wist niet, dat gij hier waart.”„Wiens naam, Tom,” zeide Harthouse, hem de hand op den schouder leggende en hem zoodanig omdraaiende, dat zij nu alle drie naar het huis wandelden, „hebt gij daar op de boomen gesneden?”„Wiens naam?” antwoordde Tom. „O, gij meent welken meisjesnaam?”„Uw voorkomen brengt u onder sterke verdenking, Tom, dat ge juist bezig waart met den naam eener schoone op de schors te schrijven.”„Wel neen, mijnheer Harthouse, of eene schoone met een goed fortuin tot hare vrije beschikking moest eens zin in mij krijgen. Zij mocht zoo leelijk zijn als zij rijk ware, zij zou toch niet bang behoeven te wezen om mij te verliezen. Ik zou haar naam schrijven zoo dikwijls als zij maar wilde.”„Ik vrees dat gij zeer zelfzuchtig zijt, Tom.”„Zelfzuchtig,” herhaalde Tom. „Wie is niet zelfzuchtig. Vraag mijne zuster maar.”„Hebt gij zoo ondervonden, Tom, dat dit een gebrek van mij was?” zeide Louisa, zonder op andere wijze hare gevoeligheid over zijne norschheid en wreveligheid te toonen.„Gij moet zelf maar weten of de schoen u past, Louisa,” antwoordde haar broeder stuursch. „Zoo ja, trek hem dan maar aan.”„Tom is vandaag misanthropisch, gelijk alle menschen, die zich vervelen, nu en dan zijn,” liet Harthouse hierop volgen. „Geloof hem maar niet, mevrouw Bounderby; hij weet wel beter. Als hij niet wat vriendelijker wordt, zal ik u laten hooren, hoe hij mij eens heimelijk heeft gezegd, wat hij eigenlijk denkt.”„In allen gevalle, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, door de schertsende gemeenzaamheid van zijn voornamen vriend eenigszins verzacht, maar toch nog wrevelig zijn hoofd schuddende, „kunt gij haar niet zeggen, dat ik haar ooit geprezen heb omdat zij zelfzuchtig was. Misschien heb ik haar wel eens voor het tegendeel geprezen, en dat zou ik weder doen, als ik er evengoede reden toe had. Maar dat komt er nu niet op aan: het is voor u niet zeer belangrijk, en mij verveelt de zaak al lang.”Zij wandelden voor naar het huis, waar Louisa den arm van haar geleider losliet en binnenging. Hij stond haar na te kijken terwijl zij de stoep opwipte en in de schaduw van het portaal verdween; daarna legde hij zijne hand weder op haar broeders schouder en noodigde hem met een gemeenzaam, hoofdknikje tot eene wandeling in den tuin.„Tom, mijn beste jongen, ik heb een woordje met u te spreken.”Zij bleven staan tusschen een warboel van rozen—het behoorde tot mijnheer Bounderby’s nederigheid om de rozen van Nickits in het wild te laten groeien—en Tom zette zich op de balustrade van een terras, en begon de knoppen af te plukken en in stukjes te trekken; terwijl zijn geleigeest bij hem stond, met zijn eenen voet op de balustrade en het overgebogene bovenlijf rustende op den arm, welke door die knie werd ondersteund. Zij waren uit haar venster juist zichtbaar. Misschien zag zij hen.„Tom, wat scheelt er aan?”„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom met een zucht, „ik zit er zoo in; ik word half doodgeplaagd.”„Ik ook, mijn beste jongen.”„Gij?” hervatte Tom. „Gij zijt zoo onafhankelijk als iemand wezen kan. Ik zit schrikkelijk in het nauw, mijnheer Harthouse. Gij kunt u niet verbeelden, in welk een toestand ik mij gebracht heb—een toestand, waaruit mijne zuster mij had kunnen redden, als zij maar gewild had.”Hij begon nu de rozeknoppen aan stukken te bijten, en scheurde ze tusschen zijne tanden uit, met eene hand, welke beefde als die van een afgeleefd oud man. Na hem eerst met een zeer opmerkzamen blik te hebben aangezien, nam zijn makker zijn luchtigsten toon aan.„Maar, Tom, ge zijt onredelijk. Ge wilt al te veel van uw zuster hebben. Gij hebt immers reeds geld van haar gehad, gij, rekel—dat weet ik.”„Ja, mijnheer Harthouse, dat weet ik ook wel. Hoe zou ik er anders aan komen? Daar is oude Bounderby, die er altijd op snoeft dat hij, toen hij zoo oud was als ik, van een dubbeltje ’s maands leefde, of zoo iets van dien aard. Daar is mijn vader, die eene lijn trekt, zooals hij zegt, en mij van een kind af met handen en voeten daaraan vastbindt. Daar is mijne moeder, die nooit iets te veel heeft, behalve klachten. Wat zal iemand dan doen om aan geld te komen, en van wie heb ik iets te wachten, als het niet van mijne zuster is?”Hij huilde bijna en strooide de rozeknoppen bij dozijnen om zich heen.Harthouse pakte hem met vriendelijke overredingskracht bij zijn rok.„Maar, beste Tom, als uwe zuster het nu niet heeft....”„Het niet heeft, mijnheer Harthouse? Ik zeg niet dat zij het heeft. Ik had misschien meer noodig dan zij waarschijnlijk had. Maar dan moest zij maken dat zij het kreeg. Zij kan het wel krijgen. Ik behoef nu geen geheim van de zaak meer te maken, na alles wat ik u al gezegd hebt. Gij weet wel dat zij ouden Bounderby niet om harentwil heeft getrouwd, noch om zijnentwil, maar om mijnentwil. Waarom maakt zij dan niet om mijnentwil, dat zij van hem krijgt wat ik noodig heb? Zij behoeft niet te zeggen wat zij er mee doen zal; zij is slim genoeg; zij kon het wel met wat flikflooien van hem krijgen, als zij maar wilde. Waarom wil zij dan niet, als ik haar zeg van hoeveel belang het voor mij is? Maar neen. Daar zit zij bij hem als een stuk steen, in plaats van zich aangenaam te maken en het zoo met gemak van hem te krijgen. Ik weet niet hoe gij dit noemt, maar ik noem het een onnatuurlijk gedrag.”Vlak aan den anderen kant der balustrade was eene diepe vijver, en mijnheer James Harthouse had grooten lust om mijnheer Thomas Gradgrind Junior daarin te smijten, gelijk de mishandelde fabrikanten vanCoketowndreigden hun eigendom in zee te zullen werpen. Maar hij bewaarde zijne achtelooze houding, en er viel niets over de steenen balustrade, dan nog een hoop rozeknoppen, die nu met de anderen een drijvend eilandje vormden.„Beste Tom,” zeide Harthouse, „laat ik eens beproeven uw bankier te zijn.”„Om ’s Hemels wil,” antwoordde Tom verschrikt, „spreek toch niet van bankiers!” En in contrast met de rozen scheen hij geheel wit te worden.Harthouse, als een welopgevoed man, aan beschaafden omgang gewoon, liet zich niet verbazen—hij had zich evengoed kunnen laten ontroeren—maar hij opende zijne oogen een weinigje meer, alsof de leden door een flauwen zweem van verwondering werden opgetrokken, hoewel het evenzeer tegen de regelen zijner school streed zich over iets te verwonderen, als tegen de leer die Gradgrind predikte.„Hoeveel komt er op het oogenblik te kort, Tom? Drie cijfers? Voor den dag er mee! Zeg, hoe groot is de som?”„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom nu werkelijk schreiende; en welk eene jammerlijke figuur hij ook maakte, stonden zijne tranen hem toch beter dan zijne norschheid; „het is te laat. Het geld kan mij nu toch niet meer baten. Ik had het vroeger moeten hebben om mij van nut te wezen. Maar ik ben u toch zeer verplicht. Gij zijt een oprecht vriend.”Een oprecht vriend! „O, hondsvot!” dacht Harthouse, op zijne trage en flauwe manier, „welk een ezel zijt ge toch!”„En ik houd uw aanbod voor eene zeer groote vriendelijkheid,” vervolgde Tom, zijne hand vattende, „eene zeer groote vriendelijkheid.”„Wel,” hervatte de ander, „het zal u later misschien van meer nut kunnen zijn; en, mijn goede jongen, als ge mij uwe ongelegenheden wilt openbaren, wanneer ze u beginnen te overstelpen, zal ik u misschien een beter weg kunnen wijzen om er uit te komen dan gij zelf kunt vinden.”„Ik dank u,” zeide Tom, naargeestig zijn hoofd schuddende en rozeknopjes kauwende. „Ik wenschte wel, dat ik u vroeger had gekend, mijnheer Harthouse.”„Gij moet weten, Tom,” zeide Harthouse tot slot,zelfeen paar rozen over de balustrade werpende, als eene bijdrage tot het eilandje, dat steeds naar den muur bleef drijven, alsof het zich aan het vasteland wilde vasthechten: „alle menschen zijn zelfzuchtig in al wat zij doen, en ik ben eveneens als de rest van mijne natuurgenooten. Ik ben er razend op gesteld,”—de kwijnende flauwheid zijner razernij kon wel een gevolg der groote hitte zijn—„dat gij vriendelijker voor uwe zuster wordt—en dat zou u wel passen;—dat gij een beter en pleizieriger soort van broeder wordt—en dat zou wel zoo behoorlijk zijn.”„Dat zal ik, mijnheer Harthouse.”„Geen tijd zoo goed als de tegenwoordige, Tom. Begin dus terstond.”„Dat zal ik zeker; en mijne zuster Louisa zal het u zeggen.”„En nu wij dit accoord hebben gemaakt, Tom,” zeide Harthouse, hem nogmaals op den schouder kloppende op eene manier, die hem volle vrijheid liet te meenen—gelijk hij ook deed, arme dwaas—dat deze voorwaarde hem slechts uit goedhartigheid werd opgelegd, om zijn gevoel van verplichting te verminderen, „zullen wij ons tot etenstijd van elkander losrukken.”Toen Tom aan tafel kwam, scheen zijn gemoed nog wel bezwaard, maar zijn lichaam was toch vlugger, en hij kwam vóór mijnheer Bounderby.„Ik meende het niet toen ik zoo stuursch was, Louisa,” zeide hij, haar de hand en een kus gevende. „Ik weet wel, dat gij veel van mij houdt, en gij weet ook wel, dat ik veel van u houd.”Later op dien dag had Louisa’s gezichtje een glimlach voor iemand anders. Helaas, voor iemand anders!„Des te minder is die hondsvot de eenige om wien zij iets geeft,” zeide James Harthouse bij zich zelven, de gedachte omkeerende, die op den eersten dag, toen hij met haar bevallig gezichtje kennis gemaakt had, bij hem was opgekomen. „Des te minder, des te minder.”

Mijnheer James Harthouse begon bij zijne aangenomene partij spoedig opgang te maken. Met nog wat meer van buiten leeren voor de politieke wijshoofden, nog wat meer gepolijste flauwheid en lusteloosheid voor beschaafde gezelschappen, en een tamelijk behendig gebruik van de geveinsde eerlijkheid der oneerlijkheid—de schitterendste en meest gevierde der beschaafde doodzonden—kwam hij weldra zoo ver, dat men hem voor iemand hield van wien veel te verwachten was. Dat hij bijna niets in de wereldernstigopnam, was zeer in zijn voordeel, want daardoor was hij in staat om zich zoo gemakkelijk met de mannen van feiten te verbroederen, alsof hij onder hunne partij geboren was, en alle andere partijen voor opzettelijke bedriegers uit te maken.

„Niemand van ons gelooft ze, mijne lieve mevrouw Bounderby, en zij gelooven zich zelvenniet. Het eenige verschil tusschen ons en de voorvechters van deugd, menschenliefde of philanthropie—de naam komt er niet op aan—is, dat wij weten dat die dingen woorden zonder beteekenis zijn, en dat wij dit zeggen; terwijl zij het evengoed weten, maar het nooit willen zeggen.”

Waarom zou zij zich aan zulke herhaalde verklaringen ergeren, of er zich door laten waarschuwen? Deze leer verschilde niet zooveel van haar vaders grondbeginselen, die haar als kind waren ingeprent, om er van te moeten schrikken. Waarin bestond het groote onderscheid tusschen de twee scholen, daar beide haar aan het stoffelijke en werkelijke boeiden en haar geen geloof aan iets anders inboezemden? Was er iets in hare ziel, in haar staat van onschuld, door Thomas Gradgrind aangekweekt, dat James Harthouse nu had kunnen verwoesten?

Het was thans zelfs des te erger voor haar, dat in haar gemoed eene worstelende neiging om aan eene grootere en hoogere bestemming des menschen te gelooven—daarin geplant, voordat haar uitstekend practische vader het begon te vormen—onophoudelijk met twijfeling en wrevelige gedachten kampte: met twijfelingen, omdat die neiging in hare jeugd zoo was gesmoord; met wrevelige gedachten, over het onrecht dat men haar had aangedaan, indien diefluisterendestem de waarheid sprak. Voor een gemoed, lang gewoon om zichzelf onder pijnlijk bedwang te houden, en aldus verscheurd en verdeeld, bracht de door Harthouse gepredikte philosophie eene verademing mede, dewijl zij haar voor zichzelve leerde rechtvaardigen. Daar alles even ledig en nietig was, had zij niets gemist en niets opgeofferd. Wat maakte het uit? had zij tot haar vader gezegd, toen hij haar dat huwelijk voorsloeg. Wat maakte het uit? zeide zij nog. Met alles verachtend zelfvertrouwen vroeg zij zichzelve: Wat maakte iets op de wereld uit?—en zoo ging zij al voort en voort.

Waarheen? Stap voor stap, al verder en verder, altijd benedenwaarts, naar een zeker einde, maar toch zoo langzaam, dat zij zich verbeeldde te blijven stilstaan. Wat mijnheer Harthouse aangaat, waarheen hij zijne schreden richtte, had hij nooit bedacht en het was hem ook geheel onverschillig. Hij had geen bijzonder plan of oogmerk; geene krachtige opwelling van booze neigingen verstoorde ooit zijne kwijnende flauwheid. Hij was voor het oogenblik zoozeer geamuseerd en geïnteresseerd, als zulk een fijn beschaafdgentlemanvoegde, misschien meer dan hij, voor zijne reputatie, had kunnen bekennen. Kort na zijne aankomst schreef hij aan zijn broeder, het achtbare en luimige Parlementslid, dat de Bounderby’s heel amusant waren, en verder, dat de vrouwelijke Bounderby, in plaats van eene Medusa, gelijk hij verwacht had, jong en bijzonder mooi was. Naderhand schreef hij niet meer over hen, en bracht toch het grootste gedeelte van zijn ledigen tijd in hun huis door. Bij zijn omzwerven door het district vanCoketownkwam hij hen dikwijls bezoeken, en werd door mijnheer Bounderby zeer daarin aangemoedigd. Het was geheel in mijnheerBounderby’swinderige manier, er bij iedereen op te snoeven, dat hij niet om lieden van voorname familie gaf, maar dat als zijne vrouw, Tom Gradgrind’s dochter, dit deed, zij vrij gezelschap met hem mocht houden.

Mijnheer James Harthouse begon te denken, dat het hem eene nieuwe aandoening zou geven, indien het gezichtje, dat voor „dien hondsvot” zoo treffend veranderde, eens voor hem wilde veranderen.

Hij was vlug genoeg in het doen van waarnemingen; hij had een uitmuntend geheugen en hij vergat geen woord van de openbaringen, die haar broeder hem gedaan had. Hij bracht die in verband met alles wat hij van de zuster zag, en nu begon hij haar te begrijpen. Wel is waar lag het betere en diepere gedeelte van haar karakter niet binnen den kring van zijn begrip; want in zielen, gelijk in zeeën, roept de diepte tot de diepte; maar spoedig begon hij het overige met vorschende oogen te lezen.

Mijnheer Bounderby was eigenaar van een landgoed geworden, dat omtrent vijftien mijlen van de stad gelegen was, en tot een paar mijlen afstands genaakbaar langs een spoorweg, die over vele bogen door eene woeste streek lands liep, door verlatene kolengroeven ondermijnd en des nachts met vuren en de zwarte gedaanten van machines overzaaid. Deze streek, die bij het naderen van Bounderby’s buitengoed langzamerhand vriendelijker werd, ging daar in een bevallig landschap over, in de lente verguld met heidebloesems en besneeuwd met bloeiende haagdoornen, en den geheelen zomer door bedekt met trillend loover en schemerende schaduwen. Het kantoor had op dit zoo vermakelijk gelegen buitengoed eene hypotheek gehad, door een der magnaten vanCoketowngenomen, die, verlangend om langs een korter weg dan den gewonen schatrijk te worden, ongeveer tweemaal honderdduizend pond te hoog had gespeculeerd. Zulke ongelukjes gebeurden somtijds in de deftigste en geregeldste familiën vanCoketown, hoewel de bankroetiers in geene de minste betrekking stonden met die klasse, welker gebrek aan overleg en voorzichtigheid zoo dikwijls ter sprake kwam.

Het was voor mijnheer Bounderby een uitstekend genoegen dit bekoorlijke landgoedje in bezit te nemen en met pralende nederigheid den bloemtuin met kool te laten beplanten. Het was een genot voor hem, onder de elegante meubelen huis te houden alsof hij in eene kazerne was, en zelfs de schilderijen moesten verachtworden om op zijne lage afkomst te kunnen snoeven. „Ja, mijnheer,” zeide hij zoo tegen een gast, „ik heb gehoord, dat Nickits” (de vorige eigenaar) „zevenhonderd pond voor dat zeestrand heeft gegeven. Nu, om rondborstig te zijn, als ik er in geheel mijn leven zevenmaal naar kijk, tegen negenhonderd pond voor iederen keer, zal het al wel zijn. Neen, waarachtig, ik vergeet niet, dat ik Josiah Bounderby vanCoketownben. Jaar op jaar waren de eenige schilderijen in mijn bezit, ofdie ikzonder te stelen in mijn bezit had kunnen krijgen, de prentjes van een man, die zich in eene laars den baard schoor, op de schoensmeerflesschen, waarmee ik machtig blij was dat ik laarzen mocht poetsen, en die ik, als ze leeg waren, voor eenfarthinghet stuk verkocht; en dan was ik weer blij, dat ik er nog zóóveel voor kreeg.”

MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).

MET HARE MOEDER ALLEEN GEBLEVEN, ZAG LOUISA EENE AKELIGE KALMTE OP HAAR GELAAT. (Blz. 96).

Tegen Harthouse zeide hij eens in denzelfden trant:

„Harthouse, gij hebt hier een paar paarden. Laat er nog een half dozijn meer komen, als ge wilt, wij zullen er wel plaats voor vinden. Er is hier stalling voor wel twaalf paarden, en als mij Nickits niet beliegt, moet hij ook een vol dozijn hebben gehouden. Een vol dozijn, mijnheer. Toen die man een jongen was, ginghij naar de Westminster-school. Hij ging naar de Westminster-school, mijnheer, terwijl ik voornamelijk van groentenafval leefde en op de markt in eene ledige mand sliep. Wel, als ik twaalf paarden wilde houden—dat ik niet doe, omdat één genoeg voor mij is—zou ik ze nooit op stal kunnen zien staan, zonder er om te denken hoe ik zelf eens placht te wonen. Ik zou ze niet onder mijne oogen kunnen velen, mijnheer, maar ze moeten wegdoen. Maar zoo komen de dingen toch terecht. Gij ziet dit buiten, gij weet wat voor een buiten het is; gij weet, dat er voor zijne grootte geen completer buiten bestaat, hier in het land of ergens op de wereld—het kan mij niet schelen waar—en hier in het midden daarvan, gelijk een oorwurm in eene okkernoot, zit Josiah Bounderby; terwijl Nickits (dit heeft mij iemand, die gisteren op het kantoor kwam, verteld) Nickits, die op de Westminster-school in Latijnsche komedies placht mee te spelen, waar de adel van het land hem applaudisseerde tot ze bek af waren, op dit oogenblik half gek—half gek, mijnheer—teAntwerpenin een donker achterstraatje op de vijfde verdieping zit te mijmeren.”

Het was onder de looverschaduwen van dit buitengoed, in de lange, zoele zomerdagen, dat mijnheer Harthouse begon te beproeven, of het gezichtje, waarover hij zich, toen hij het voor de eerste maal zag, zoozeer had verwonderd, ook voor hem zou willen veranderen.

„Mevrouw Bounderby, ik houd het voor een zeer gelukkig toeval, dat ik u hier alleen vind. Ik heb reeds eenigen tijd bijzonder verlangd om u eens te spreken.”

Het was geen zeer zonderling toeval, dat hij haar vond, daar zij op dien tijd van den dag altijd alleen, en dat plekje hare geliefkoosde rustplaats was. Het was eene opening in een donker bosch, waar eenige gevelde boomen lagen, en waar zij naar de afgevallen bladeren van het vorige jaar zat te turen, gelijk zij thuis naar de vallende vonken had getuurd.

Hij zette zich naast haar neer en zag haar zijdelings in het gezicht.

„Uw broeder, mijn jonge vriend Tom...,”

Hare kleur werd hooger en zij keerde zich met een blik vol belangstelling naar hem om.

„Ik heb nooit in mijn leven,” dacht hij, „iets zoo opmerkelijks en bekoorlijks gezien als het ophelderen van die trekken.”

Zijn gezicht verried zijne gedachten—misschien zonder hem te verraden, want het kon wel met voordacht geschied zijn, dat het die uitdrukking teekende.

„Excuseer mij. De uitdrukking uwer zusterlijke belangstelling is zoo schoon—Tom moest er zoo trotsch op wezen—ik weet wel, dat het onverschoonlijk is, maar mijne bewondering was onwillekeurig.”

„Gij zijt altijd zoo naïef,” zeide zij bedaard.

„Neen, mevrouw Bounderby, gij weet wel, dat ik voor u niet veinzen wil. Ik weet wel, dat ik een alledaagsch, baatzuchtig mensch ben, altijd gereed om mij zelve voor eene billijke som te verkoopen, en geheel onvatbaar voor alle Arcadisch gevoel.”

„Ik wacht,” antwoordde zij, „wat gij verder van mijn broeder te zeggen hebt.”

„Gij zijt stug tegen mij, en ik verdien het. Ik ben zulk een nietswaardig schepsel als er een op de wereld is, behalve dat ik niet valsch ben. Maar gij hebt mij door verrassing van mijn onderwerp afgebracht—uw broeder namelijk. Hij interesseert mij.”

„Is er dan nog iets dat u interesseert, mijnheer Harthouse?” zeide zij, half ongeloovig en half dankbaar.

„Als ge mij dat gevraagd hadt toen ik pas hier kwam, zou ik gezegd hebben „neen.” Nu moet ik „ja” antwoorden—zelfs op het gevaar af, dat ge mij van veinzerij zult verdenken en mij niet zult willen gelooven.”

Zij maakte eene geringe beweging, alsof zij wilde spreken, maar geene stem had. Eindelijk zeide zij: „Mijnheer Harthouse, ik wil wel van u gelooven, dat gij u voor mijn broeder interesseert.”

„Ik dank u. Ik zal pogen dat vertrouwen te verdienen. Gij weet wel op hoe weinig ik aanspraak maak, maar zoo ver wil ik toch gaan. Gij hebt zooveel voor hem gedaan, gij zijt zoo liefderijk voor hem; in geheel uw leven straalt zulk eene bekoorlijke zelfverloochening om zijnentwil door—nog eens excuseer mij—ik dwaal weder ver van mijn onderwerp af. Ik interesseer mij voor hem om zijn eigen wil.”

Zij had de geringst mogelijke beweging gemaakt alsof zij haastig wilde opstaan en heengaan. Op hetzelfde oogenblik had hij echter zijn gezegde eene andere wending gegeven en zij bleef zitten.

„Mevrouw Bounderby,” hervatte hij op een luchtiger toon, maar tegelijk liet hij duidelijk de inspanning zien, die het hem kostte om dien toon aan te nemen, en versterkte daardoor den gemaakten indruk; „het is geen onherstelbaar misdrijf bij een jongmensch van uw broeders jaren, als hij zorgeloos en onbedacht is, wat veel geld verteert—kortom, met de gewone uitdrukking, een weinigje losbandig is. Is hij dat niet?”

„Ja.”

„Veroorloof mij eens rondborstig te zijn. Denkt gij dat hij speelt?”

„Ik geloof, dat hij wedt,” en daar Harthouse bleef wachten, alsof dit nog niet haar geheele antwoord was, voegde zij er bij: „Ik weet, dat hij dat doet.”

„Natuurlijk verliest hij?”

„Ja.”

„Iedereen, die wedt, verliest. Mag ik de waarschijnlijkheid wel aanroeren, dat gij hem somtijds voor die liefhebberijen van geld voorziet?”

Zij had voor zich neergezien; maar bij deze vraag sloeg zij hare oogen op en zag hem uitvorschend en met eenige verstoordheid aan.

„Ik hoop, dat ge mij van alle onbescheidene nieuwsgierigheid zult vrijspreken, lieve mevrouw Bounderby. Ik geloof, dat Tom zich langzamerhand in moeielijkheden wikkelt, en ik wensch hem uit de diepte mijner ondeugende ervaring eene helpende hand toe te reiken. Zal ik nog eens zeggen, om zijnentwil? Is dat noodig?”

Zij scheen te willen antwoorden, maar er kwam niets van.

„Om u openhartig alles te bekennen wat mij wel eens in het hoofd is gekomen,” vervolgde Harthouse, wederom met dezelfde zichtbare inspanning zijn luchtigen toon aannemende, „wil ik u zeggen, dat ik er zeer aan twijfel of hij wel veel in zijn voordeel heeft gehad, of het—verschoon mijne lompheid—wel waarschijnlijk is, dat er groote vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn waardigen vader kan bestaan.”

„Dat houd ik niet voor waarschijnlijk,” zeide Louisa, blozende bij hare eigene gewichtige herinnering in dit opzicht.

„Of tusschen hem—ik vertrouw, dat gij mijne meening volkomen zult begrijpen—of tusschen hem en zijn hooggeachten schoonbroeder.”

Zij bloosde al hooger en hooger, en was gloeiend rood toen zij met eene flauwe stem antwoordde: „Dat acht ik ook niet waarschijnlijk.”

„Mevrouw Bounderby,” zeide Harthouse, na eene korte poos van stilte, „zou er niet meer vertrouwelijkheid tusschen u en mij kunnen zijn? Tom heeft eene aanmerkelijke som van u geleend, niet waar?”

„Gij moet wel begrijpen, mijnheer Harthouse,” antwoordde zij, na een oogenblik van besluiteloosheid—zij was gedurende dit geheele gesprek min of meer onrustig en verlegen geweest, maar had toch over het geheel hare zelfbeheersching bewaard—„gij moet wel begrijpen, dat, als ik u zeggen zal wat gij mij dringt te zeggen, het niet bij wijze van klacht of uitdrukking van spijt is. Ik zou nooit over iets willen klagen, en van hetgeen ik gedaan heb, heb ik geen de minste spijt.”

„Hoe fier ook!” dacht James Harthouse.

„Toen ik trouwde, bevond ik dat mijn broeder toen reeds zwaar in schulden zat. Zwaar voor zijn doen, meen ik. Zwaar genoeg om mij tot het verkoopen van eenige sieraden te noodzaken. Dit was geene opoffering. Ik verkocht ze zeer gewillig. Ik hechtte er geene waarde aan. Voor mij waren zij niets waard.”

Zij zag aan zijn gezicht, of haar geweten deed het haar vreezen, dat hij begreep dat zij van geschenken sprak, die haar man haar gegeven had. Indien hij dit nog niet begrepen had, zou hij het nu hebben gedaan, al was hij veel dommer geweest dan hij was.

„Sedert heb ik mijn broeder van tijd tot tijd zooveel geld gegeven als ik missen kon, kortom zooveel geld als ik had. Als ik u vertrouw, omdat ik geloof aan de belangstelling, die gij voor hem betoont, wil ik het niet ten halve doen. Sedert gij gewoon zijt hier te komen, heeft hij in eens om eene som van honderd pond gevraagd. Ik was niet in staat om hem die te geven. Ik ben wel ongerust geweest over de gevolgen, die het hebben kon, als hij om dat geld verlegen bleef, maar ik heb het geheim bewaard tot op dit oogenblik, nu ik het aan uwe eer toevertrouw. Ik heb niemand in mijn vertrouwen genomen, omdat—gij hebt zoo even zelf de reden aangeduid.” En hier brak zij eensklaps af.

Het ontbrak hem niet aan gevatheid, en hij nam terstond de gelegenheid waar om haar, onder den schijn van over haar broeder te spreken, haar eigen beeld voor te houden.

„Mevrouw Bounderby, hoewel ik een man van de wereld en volstrekt niet sentimenteel ben, kan ik u toch verzekeren, dat het mij aandoet wat gij daar zegt. Het is mij niet mogelijk uw broeder hard te vallen. Ik begrijp de verstandige inschikkelijkheid, waarmede gij zijne dwalingen beschouwt, en stem geheel daarmede in. Met alle mogelijke hoogachting, zoowel voor mijnheer Gradgrind als mijnheer Bounderby, meen ik te bespeuren, dat zijne opleiding niet gelukkig is geweest. Door zijne opvoeding onbekend gebleven met de samenleving, waarin hij toch eene rol moest spelen, stort hij zich nu moedwillig in die uitersten, omdat de tegenovergestelde uitersten hem—zonder twijfel met de allerbeste oogmerken—zijn opgedwongen. Mijnheer Bounderby’s rondborstige, echt Engelsche onafhankelijkheid, hoewel een allerinnemendste karaktertrek van hem, lokt toch—daarover zijn wij het eens geworden—niet tot vertrouwen uit. Als ik het durfde zeggen, zou ik meenen, dat het hem, naar het mij voorkomt, wel zeer weinig, maar toch eenigermate ontbreekt aan die kieschheid, tot welke een jongmensch, die op een dwaalspoor is geraakt, wiens karakter men van zijne kindsheid af niet heeft begrepen, en wiens talenten daardoor eene verkeerde richting hebben genomen, zich zou willen wenden om hulp en bestuur te zoeken.”

Terwijl zij recht voor zich uit zat te staren naar de afwisselende lichtspelingen op het gras en in de duisternis van het bosch, las hij in hare trekken de toepassing zijner woorden, die hij met de meest mogelijke duidelijkheid uitsprak.

„Men moet hem veel toegeven,” vervolgde hij. „Maar ik vind in Tom toch één groot gebrek, dat ik hem niet vergeven kan, en hem als eene zware schuld aanreken.”

Louisa sloeg hare oogen op en vroeg hem welk gebrek dit was.

„Misschien heb ik genoeg gezegd,” antwoordde hij. „Misschien zou het over het geheel beter zijn geweest als er mij geen woord van ware ontsnapt.”

„Gij maakt mij ongerust, mijnheer Harthouse. Zeg mij toch wat het is.”

„Welnu, om u van noodelooze bezorgdheid te ontheffen—en daar wij, wat uw broeder aangaat, tot eene vertrouwelijkheid zijn gekomen, waarop ik boven alles prijs stel—zal ik u gehoorzamen. Ik kan het hem niet vergeven, dat hij zich in al wat hij zegt of doet niet meer gevoelig toont voor de genegenheid zijner beste vriendin—voor hare onbaatzuchtigheid, hare zelfopoffering en zelfverloochening. De belooning, welke hij haar daarvoor geeft, is, zooveel ik heb opgemerkt, al zeer gering. Wat zij voor hem gedaan heeft, moest met standvastige liefde en dankbaarheid, niet met opvliegendheid en kwade luimen vergolden worden. Welk een loszinnig schepsel ik ook wezen moge, ik ben niet zoo onverschillig, mevrouw Bounderby, dat ik deze ondeugd in uw broeder over het hoofd kan zien of genegen ben die voor een verschoonlijken misstap te houden.”

Het bosch werd in een schemerenden nevel gehuld, want hare oogen stonden vol tranen. Zij ontsprongen uit eene diepe, lang verborgene bron, maar de kwellende smart, die haar hart vervulde, vond geene verlichting daarin.

„Kortom, het zou mijn hoogste wensch zijn, mevrouw Bounderby, dat ik uw broeder in dit opzicht kon verbeteren. Mijne meerdere bekendheid met zijne omstandigheden, en mijn raad en bijstand om hem daaruit te redden—van eenige waarde, hoop ik, daar zij van iemand komen, die een deugniet op veel grootere schaal is geweest—zullen mij eenigen invloed op hem geven, en allen invloed, dien ik op hem verkrijg, zal ik zekerlijk tot dat oogmerk aanwenden. Ik heb genoeg gezegd, en meer dan genoeg. Het zou kunnen schijnen, dat ik mij wilde voordoen als een goedhartig mensch, terwijl ik, op mijne eer, geen het minste voornemen daartoe heb en openlijk verklaar, dat ik niets van dien aard ben. Daar onder de boomen,” vervolgde hij, nadat hij had opgekeken en rondgezien, want tot nog toe had hij scherp op haar gelet, „is uw broeder zelf, die zeker zoo pas is hier gekomen. Daar hij dezen kant schijnt heen te dwalen, zal het misschien niet kwaad zijn als wij naar hem toe wandelden en hem in den weg zochten te komen. Hij is sedert eenigen tijd zeer stil en verdrietig. Misschien is zijn broederlijk geweten getroffen—als er zulk een ding als een geweten is; want, op mijne eer, ik hoor er veel te dikwijls van om er aan te gelooven.”

Hij hielp haar opstaan, zij nam zijn arm, en zij gingen den hondsvot te gemoet. Tom sloeg al voortslenterende met zijn rotting tegen de takken, en bleef tusschenbeide stilstaan om met zekere kwaadaardigheid het mos van de boomen te schrappen. Hij schrikte en verschoot van kleur, toen zij hem onder dit laatste tijdverdrijf onverwacht nabij kwamen.

„Holla ho!” zeide hij stotterend. „Ik wist niet, dat gij hier waart.”

„Wiens naam, Tom,” zeide Harthouse, hem de hand op den schouder leggende en hem zoodanig omdraaiende, dat zij nu alle drie naar het huis wandelden, „hebt gij daar op de boomen gesneden?”

„Wiens naam?” antwoordde Tom. „O, gij meent welken meisjesnaam?”

„Uw voorkomen brengt u onder sterke verdenking, Tom, dat ge juist bezig waart met den naam eener schoone op de schors te schrijven.”

„Wel neen, mijnheer Harthouse, of eene schoone met een goed fortuin tot hare vrije beschikking moest eens zin in mij krijgen. Zij mocht zoo leelijk zijn als zij rijk ware, zij zou toch niet bang behoeven te wezen om mij te verliezen. Ik zou haar naam schrijven zoo dikwijls als zij maar wilde.”

„Ik vrees dat gij zeer zelfzuchtig zijt, Tom.”

„Zelfzuchtig,” herhaalde Tom. „Wie is niet zelfzuchtig. Vraag mijne zuster maar.”

„Hebt gij zoo ondervonden, Tom, dat dit een gebrek van mij was?” zeide Louisa, zonder op andere wijze hare gevoeligheid over zijne norschheid en wreveligheid te toonen.

„Gij moet zelf maar weten of de schoen u past, Louisa,” antwoordde haar broeder stuursch. „Zoo ja, trek hem dan maar aan.”

„Tom is vandaag misanthropisch, gelijk alle menschen, die zich vervelen, nu en dan zijn,” liet Harthouse hierop volgen. „Geloof hem maar niet, mevrouw Bounderby; hij weet wel beter. Als hij niet wat vriendelijker wordt, zal ik u laten hooren, hoe hij mij eens heimelijk heeft gezegd, wat hij eigenlijk denkt.”

„In allen gevalle, mijnheer Harthouse,” zeide Tom, door de schertsende gemeenzaamheid van zijn voornamen vriend eenigszins verzacht, maar toch nog wrevelig zijn hoofd schuddende, „kunt gij haar niet zeggen, dat ik haar ooit geprezen heb omdat zij zelfzuchtig was. Misschien heb ik haar wel eens voor het tegendeel geprezen, en dat zou ik weder doen, als ik er evengoede reden toe had. Maar dat komt er nu niet op aan: het is voor u niet zeer belangrijk, en mij verveelt de zaak al lang.”

Zij wandelden voor naar het huis, waar Louisa den arm van haar geleider losliet en binnenging. Hij stond haar na te kijken terwijl zij de stoep opwipte en in de schaduw van het portaal verdween; daarna legde hij zijne hand weder op haar broeders schouder en noodigde hem met een gemeenzaam, hoofdknikje tot eene wandeling in den tuin.

„Tom, mijn beste jongen, ik heb een woordje met u te spreken.”

Zij bleven staan tusschen een warboel van rozen—het behoorde tot mijnheer Bounderby’s nederigheid om de rozen van Nickits in het wild te laten groeien—en Tom zette zich op de balustrade van een terras, en begon de knoppen af te plukken en in stukjes te trekken; terwijl zijn geleigeest bij hem stond, met zijn eenen voet op de balustrade en het overgebogene bovenlijf rustende op den arm, welke door die knie werd ondersteund. Zij waren uit haar venster juist zichtbaar. Misschien zag zij hen.

„Tom, wat scheelt er aan?”

„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom met een zucht, „ik zit er zoo in; ik word half doodgeplaagd.”

„Ik ook, mijn beste jongen.”

„Gij?” hervatte Tom. „Gij zijt zoo onafhankelijk als iemand wezen kan. Ik zit schrikkelijk in het nauw, mijnheer Harthouse. Gij kunt u niet verbeelden, in welk een toestand ik mij gebracht heb—een toestand, waaruit mijne zuster mij had kunnen redden, als zij maar gewild had.”

Hij begon nu de rozeknoppen aan stukken te bijten, en scheurde ze tusschen zijne tanden uit, met eene hand, welke beefde als die van een afgeleefd oud man. Na hem eerst met een zeer opmerkzamen blik te hebben aangezien, nam zijn makker zijn luchtigsten toon aan.

„Maar, Tom, ge zijt onredelijk. Ge wilt al te veel van uw zuster hebben. Gij hebt immers reeds geld van haar gehad, gij, rekel—dat weet ik.”

„Ja, mijnheer Harthouse, dat weet ik ook wel. Hoe zou ik er anders aan komen? Daar is oude Bounderby, die er altijd op snoeft dat hij, toen hij zoo oud was als ik, van een dubbeltje ’s maands leefde, of zoo iets van dien aard. Daar is mijn vader, die eene lijn trekt, zooals hij zegt, en mij van een kind af met handen en voeten daaraan vastbindt. Daar is mijne moeder, die nooit iets te veel heeft, behalve klachten. Wat zal iemand dan doen om aan geld te komen, en van wie heb ik iets te wachten, als het niet van mijne zuster is?”

Hij huilde bijna en strooide de rozeknoppen bij dozijnen om zich heen.

Harthouse pakte hem met vriendelijke overredingskracht bij zijn rok.

„Maar, beste Tom, als uwe zuster het nu niet heeft....”

„Het niet heeft, mijnheer Harthouse? Ik zeg niet dat zij het heeft. Ik had misschien meer noodig dan zij waarschijnlijk had. Maar dan moest zij maken dat zij het kreeg. Zij kan het wel krijgen. Ik behoef nu geen geheim van de zaak meer te maken, na alles wat ik u al gezegd hebt. Gij weet wel dat zij ouden Bounderby niet om harentwil heeft getrouwd, noch om zijnentwil, maar om mijnentwil. Waarom maakt zij dan niet om mijnentwil, dat zij van hem krijgt wat ik noodig heb? Zij behoeft niet te zeggen wat zij er mee doen zal; zij is slim genoeg; zij kon het wel met wat flikflooien van hem krijgen, als zij maar wilde. Waarom wil zij dan niet, als ik haar zeg van hoeveel belang het voor mij is? Maar neen. Daar zit zij bij hem als een stuk steen, in plaats van zich aangenaam te maken en het zoo met gemak van hem te krijgen. Ik weet niet hoe gij dit noemt, maar ik noem het een onnatuurlijk gedrag.”

Vlak aan den anderen kant der balustrade was eene diepe vijver, en mijnheer James Harthouse had grooten lust om mijnheer Thomas Gradgrind Junior daarin te smijten, gelijk de mishandelde fabrikanten vanCoketowndreigden hun eigendom in zee te zullen werpen. Maar hij bewaarde zijne achtelooze houding, en er viel niets over de steenen balustrade, dan nog een hoop rozeknoppen, die nu met de anderen een drijvend eilandje vormden.

„Beste Tom,” zeide Harthouse, „laat ik eens beproeven uw bankier te zijn.”

„Om ’s Hemels wil,” antwoordde Tom verschrikt, „spreek toch niet van bankiers!” En in contrast met de rozen scheen hij geheel wit te worden.

Harthouse, als een welopgevoed man, aan beschaafden omgang gewoon, liet zich niet verbazen—hij had zich evengoed kunnen laten ontroeren—maar hij opende zijne oogen een weinigje meer, alsof de leden door een flauwen zweem van verwondering werden opgetrokken, hoewel het evenzeer tegen de regelen zijner school streed zich over iets te verwonderen, als tegen de leer die Gradgrind predikte.

„Hoeveel komt er op het oogenblik te kort, Tom? Drie cijfers? Voor den dag er mee! Zeg, hoe groot is de som?”

„Och, mijnheer Harthouse,” antwoordde Tom nu werkelijk schreiende; en welk eene jammerlijke figuur hij ook maakte, stonden zijne tranen hem toch beter dan zijne norschheid; „het is te laat. Het geld kan mij nu toch niet meer baten. Ik had het vroeger moeten hebben om mij van nut te wezen. Maar ik ben u toch zeer verplicht. Gij zijt een oprecht vriend.”

Een oprecht vriend! „O, hondsvot!” dacht Harthouse, op zijne trage en flauwe manier, „welk een ezel zijt ge toch!”

„En ik houd uw aanbod voor eene zeer groote vriendelijkheid,” vervolgde Tom, zijne hand vattende, „eene zeer groote vriendelijkheid.”

„Wel,” hervatte de ander, „het zal u later misschien van meer nut kunnen zijn; en, mijn goede jongen, als ge mij uwe ongelegenheden wilt openbaren, wanneer ze u beginnen te overstelpen, zal ik u misschien een beter weg kunnen wijzen om er uit te komen dan gij zelf kunt vinden.”

„Ik dank u,” zeide Tom, naargeestig zijn hoofd schuddende en rozeknopjes kauwende. „Ik wenschte wel, dat ik u vroeger had gekend, mijnheer Harthouse.”

„Gij moet weten, Tom,” zeide Harthouse tot slot,zelfeen paar rozen over de balustrade werpende, als eene bijdrage tot het eilandje, dat steeds naar den muur bleef drijven, alsof het zich aan het vasteland wilde vasthechten: „alle menschen zijn zelfzuchtig in al wat zij doen, en ik ben eveneens als de rest van mijne natuurgenooten. Ik ben er razend op gesteld,”—de kwijnende flauwheid zijner razernij kon wel een gevolg der groote hitte zijn—„dat gij vriendelijker voor uwe zuster wordt—en dat zou u wel passen;—dat gij een beter en pleizieriger soort van broeder wordt—en dat zou wel zoo behoorlijk zijn.”

„Dat zal ik, mijnheer Harthouse.”

„Geen tijd zoo goed als de tegenwoordige, Tom. Begin dus terstond.”

„Dat zal ik zeker; en mijne zuster Louisa zal het u zeggen.”

„En nu wij dit accoord hebben gemaakt, Tom,” zeide Harthouse, hem nogmaals op den schouder kloppende op eene manier, die hem volle vrijheid liet te meenen—gelijk hij ook deed, arme dwaas—dat deze voorwaarde hem slechts uit goedhartigheid werd opgelegd, om zijn gevoel van verplichting te verminderen, „zullen wij ons tot etenstijd van elkander losrukken.”

Toen Tom aan tafel kwam, scheen zijn gemoed nog wel bezwaard, maar zijn lichaam was toch vlugger, en hij kwam vóór mijnheer Bounderby.

„Ik meende het niet toen ik zoo stuursch was, Louisa,” zeide hij, haar de hand en een kus gevende. „Ik weet wel, dat gij veel van mij houdt, en gij weet ook wel, dat ik veel van u houd.”

Later op dien dag had Louisa’s gezichtje een glimlach voor iemand anders. Helaas, voor iemand anders!

„Des te minder is die hondsvot de eenige om wien zij iets geeft,” zeide James Harthouse bij zich zelven, de gedachte omkeerende, die op den eersten dag, toen hij met haar bevallig gezichtje kennis gemaakt had, bij hem was opgekomen. „Des te minder, des te minder.”


Back to IndexNext