XXIV.DE UITBARSTING.De volgende morgen was te helder om te blijven slapen, en James Harthouse stond dus vroeg op en zette zich voor het opene uitstekvenster zijner kleedkamer met een dier fijne sigaren in den mond, die zulk een heilzamen invloed op zijn jongen vriend hadden gehad. In den zonneschijn rustende, terwijl de geur van het edele kruid hem omhulde en de droomerige rookwolkjes in de lucht opstegen, reeds vervuld met de welriekende uitwasemingen der zomerbloemen, telde hij zijne reeds behaalde voordeelen op, gelijk een onverschillig speler zijne winsten optelt. Voor het oogenblik was niemand hem lastig, en kon hij zich ongestoord daarmede bezighouden.Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, waar haar echtgenoot buitengesloten bleef. Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, die juist uit hare onverschilligheid voor haar man en het gebrek aan overeenstemming tusschen dit paar was ontsproten. Hij had haar op eene behendige manier, maar toch duidelijk, te verstaan gegeven, dat hij haar hart tot in de geheimste schuilhoeken kende; hij was juist door het teederste gevoel van dat hart haar nabijgekomen, en de ijskorst, die het als een muur omringde, was gesmolten. Alles zeer vreemd, en zeer streelend.En toch had hij, zelf nu nog, geene ernstige slechte voornemens. In het openbare en bijzondere leven zou het voor onze eeuw veel beter zijn, dat hij en het legioen zijner gelijken opzettelijk slecht waren, dan zoo onverschillig en doelloos. Het zijn de drijvende ijsbergen, met elken stroom overal heen zwalkende, die de schepen doen vergaan.Wanneer de duivel rondgaat gelijk een brullende leeuw, gaat hij rond in eene gedaante, waardoor weinigen dan wilden en jagers zich laten verlokken om hem te naderen. Maar wanneer hij naar de mode is opgekleed en opgepolijst; wanneer deugd en ondeugd hem evenzeer vervelen; wanneer hij den zwavelpoel en de zaligheid evenzeer moede is, dan is hij eerst de echte duivel.Zoo bleef James Harthouse voor het venster zitten, op zijn gemak rookende en de schreden tellende, welke hij gedaan had op den weg, dien hij toevallig had ingeslagen. Het einde, waartoe die weg voerde, lag vrij duidelijk voor hem, maar daarom bekommerde hij zich niet het minste. Wat gebeuren moet, moet gebeuren.Daar hij dien dag een tamelijk verren weg te rijden had—want er zou ergens eene openbare vergadering plaats hebben, die hem gelegenheid zou geven om stemmen te winnen—kleedde hij zich vroeg en ging toen naar beneden om te ontbijten. Hij was verlangend om te zien, of zij sedert den vorigen avond weder verkoeld was. Neen. Hij kon weder beginnen waar hij het gelaten had.Er was weder een blik vol vriendelijke belangstelling voor hem gereed.Hij kwam zoozeer (of zoo weinig), naar zijn genoegen door den dag heen, als onder de omstandigheden, die zulk eene vermoeienis van hem vergden, te wachten was, en kwam tegen zes ure terugrijden. De laan tusschen de portierswoning en het huis, die eene sierlijke bocht maakte, had eene tamelijke lengte, en hij reed stapvoets daarlangs voort, toen mijnheer Bounderby op eens het heesterplantsoen uitkwam, zoo driftig en onverwacht, dat het paard schichtig terugdeinsde.„Harthouse!” riep mijnheer Bounderby luidkeels. „Hebt gij het gehoord?”„Wat gehoord?” zeide Harthouse, zijn paard streelende om het te bedaren, onder het heimelijk uiten van een wensch, die niet veel goeds voor mijnheer Bounderby bevatte.„Dus hebt gijnietsgehoord?”„Ik heb u gehoord, en dat heeft dit beest ook. Anders niets.”Mijnheer Bounderby, die gloeiend rood was, plaatste zich midden op den weg, vlak voor het paard, om zijne bom met meer effect te laten springen.„Het kantoor is bestolen!”„Dat meent ge toch niet in ernst!”„Van nacht bestolen, mijnheer! Op een buitengewone manier bestolen! Met een valschen sleutel bestolen!”„Is het verlies groot?”Het scheen Bounderby, bij zijn verlangen om zooveel mogelijk gerucht van de zaak te maken, inderdaad te spijten, dat hij genoodzaakt was te antwoorden: „Neen, niet heel groot. Maar dat had het wel kunnen zijn?”„Hoe groot is het?”„O, wat de som betreft—als gij bij de som blijft—niet meer dan honderd vijftig pond,” antwoordde Bounderby wrevelig. „Maar het is de som niet; het is het feit. Het feit, dat het kantoor bestolen is, dat is eigenlijk het gewichtige. Het verwondert mij, dat gij dit niet begrijpt.”„Mijn beste Bounderby,” zeide James, terwijl hij van zijn paard stapte en de teugels aan zijn knecht overgaf, „dat begrijp ik zeer wel, en ik ben zoo erg, als gij maar verlangen kunt, ontsteld van het schouwspel, dat zich voor de oogen van mijn geest vertoont. Evenwel hoop ik, u te mogen feliciteeren dat gij geen grooter verlies hebt geleden, en ik verzeker u, dat doe ik met al mijn hart.”„Dank je,” antwoordde Bounderby op een stroeven toon. „Maar laat ik u eens wat zeggen. Het had ook twintig duizend pond kunnen zijn.”„Wel te denken.”„Wel te denken? Het is waarachtig wel te denken,” zeide Bounderby, gramstorig knikkende. „Het had tweemaal twintig kunnen zijn. Het is niet te zeggen hoeveel het had kunnen zijn, of niet kunnen zijn, als de kerels niet gestoord waren.”Louisa was nu aangekomen, tegelijk met mevrouw Sparsit en Bitzer.„Daar is Tom Gradgrind’s dochter, die tamelijk wel weet hoeveel het had kunnen zijn, als gij het niet weet,” hervatte Bounderby op zijn winderigsten toon. „Zij viel neer, alsof ze doodgeschoten was, toen zij het hoorde. Ik heb nooit te voren zoo iets van haar gezien. Het strekt haar onder deze omstandigheden tot eer, naar mijne gedachten.”Zij zag er nog bleek en ontsteld uit. James Harthouse bood haar zijn arm aan, en terwijl zij zeer langzaam voortwandelden, vroeg hij, hoe de diefstal gepleegd was.„Wel, dat wilde ik u juist vertellen,” zeide Bounderby, korzelig zijn arm aan mevrouw Sparsit gevende. „Als ge niet zoo machtig precies op de som waart geweest, zou ik daarmee begonnen zijn. Gij kent deze dame (want zij is eene geboren dame), mevrouw Sparsit?”„Ik heb reeds de eer gehad...”„Heel goed. En dit jonge mensch, Bitzer, hebt gij ook bij dezelfde gelegenheid gezien?”Mijnheer Harthouse knikte toestemmend, en Bitzer duwde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.„Heel goed. Zij wonen aan het kantoor. Gij weet misschien al, dat zij daar wonen? Heel goed. Gisteravond na den kantoortijd werd alles naar gewoonte geborgen en gesloten. In de ijzeren kamer, waarvoor die jongen slaapt, was—het doet er niet toe hoeveel. In het ijzeren kistje in de kamer van Tom, het kistje dat voor kleine sommen wordt gebruikt, was honderdvijftig pond of wat meer.”„Honderd vier en vijftig, zeven en een,” zeide Bitzer.„Pas op!” voer Bounderby uit, stilstaande om zich naar hem toe te keeren. „Val gij mij niet in de rede. Het is al genoeg bestolen te worden terwijl gij ligt te snorken, omdat gij het al te goed hebt, zonder dat gij mij in de rede behoeft te vallen om mij in een beuzeling terecht te zetten. Ik snorkte niet, toen ik zoo oud was als gij, laat ik u dat zeggen. Ik kreeg geen eten genoeg om te snorken. En ik viel iemand nietmetbeuzelingen in de rede, al wist ik er van.”Bitzer duwde op eene kruiperige manier zijne kneukels tegen zijn voorhoofd en scheen vooral door het laatste gezegde van zijn patroon zeer getroffen en verslagen.„Honderd vijftig pond ongeveer,” hervatte mijnheer Bounderby. „Die som had Tom in zijne geldkist gesloten; geen heel sterke kist, maar dat doet er nu niet toe. Alles was in orde toen men heenging. Op zekeren tijd van den nacht, toen die knaap lag te snorken—mevrouw Sparsit, gij zegt immers, dat gij hem hebt hooren snorken?”„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik kan niet zeggen, dat ik hem eigenlijk heb hooren snorken, en daarom mag ik zoo iets niet verklaren. Maar ’s avonds, in den winter, als hij op zijn stoel in slaap viel, heb ik hem wel eens een geluid hooren maken, om zoo te zeggen alsof hij half geworgd werd—het was omtrent hetzelfde geluid dat men somtijds in eene houten klok hoort. Niet,” vervolgde zij, met de verhevene bewustheid dat zij de waarheid huldigde door eene streng onpartijdige getuigenis te geven, „dat ik eenige blaam op zijn zedelijk karakter zou willen werpen. Ver van daar. Ik heb Bitzer altijd voor een jongmensch van de standvastigste beginselen gehouden, dat verzoek ik te mogen zeggen.”„Welnu,” hernam de vergramde Bounderby, „terwijl hij dan snorkte, of half geworgd werd, of een geluid maakte als eene houten klok, of iets van dien aard—terwijl hij lag te slapen, kortom—zijn eenige kerels—of zij te voren in huis verscholen waren of niet, staat nog te bezien—op eene of andere manier bij het geldkistje van Tom gekomen, hebben het opengebroken en weggepakt wat er in was. Toen gestoord wordende, hebben zij zich voortgemaakt, zich zelven de deur uitgelaten, en die weer op het nachtslot gedraaid—zij was op het nachtslot, en mevrouw Sparsit had den sleutel onder haar kussen—met een valschen sleutel, dien men vandaag tegen twaalf uur op straat, dicht bij het kantoor, heeft opgeraapt. Er werd geen alarm gemaakt, voordat deze knaap, Bitzer, des morgens opstond en de kamer in orde ging brengen. Toen ziet hij de deur van Tom’s kamer aanstaan, vindt het kistje opengebroken en het geld weg.”„A propos, waar is Tom?” vroeg Harthouse, in het rond kijkende.„Hij heeft de politie geholpen,” antwoordde Bounderby, „en is nog aan het kantoor. Ik wou, dat die kerels geprobeerd hadden om mij te bestelen toen ik zoo oud was als hij. Zij zouden er bij verloren hebben, al hadden zij maar achttien stuivers onkosten voor het karreweitje gemaakt, dat kan ik hun zeggen.”„Wordt er niemand verdacht?”„Verdacht? Dat zou ik denken!” antwoordde Bounderby, den arm van mevrouw Sparsit loslatende om zijn gloeiend voorhoofd af te vegen. „Waarachtig, Josiah Bounderby vanCoketownzal niet bestolen worden, zonder dat er iemand verdacht werdt. Neen, wel verplicht!”Mocht mijnheer Harthouse vragen wie er verdacht werd?„Wel, dat zal ik u zeggen,” antwoordde Bounderby, stilstaande en zich omdraaiende om al de anderen aan te zien. „Maar het moet niet verder verteld worden. Niemand moet er iets van hooren, om de schelmen, die er in betrokken zijn—het is eene geheele bende—niet te waarschuwen. Dit dus in vertrouwen. Wat zoudt gij zeggen,” barstte hij geweldig uit, „als er een van mijne werklieden in betrokken was?”„Ik hoop niet onze vriend Blackpot?” zeide Harthouse op een onverschilligen, slependen toon.„Zeg Pool in plaats van Pot, mijnheer,” antwoordde Bounderby, „en het is de man.”Louisa liet een flauwen uitroep van verwondering en ongeloof hooren.„O ja, dat weet ik wel,” zeide Bounderby, hierop terstond vuur vattende. „Daaraan ben ik gewend. Dat ken ik alles van buiten. Zij zijn de braafste menschen van de wereld, dat volk. Zij kunnen machtig mooi praten. Zij willen maar hebben dat men hun verklaart welke rechten zij hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Wijs mij een onvergenoegd werkman, en ik zal u iemand wijzen, die tot alle slechtheid in staat is, onverschillig welke.”Dit was weder een der algemeenheden vanCoketown, welke men met tamelijk veel moeite had verspreid, waaraan sommige menschen werkelijk geloofden.„Maar ik ken die knapen,” hervatte Bounderby. „Ik kan hen lezen als een boek. Mevrouw Sparsit, ik beroep mij op u. Welke waarschuwing heb ik dien kerel gegeven, de eerste maal toen hij een voet bij mij in huis zette, en zijn uitdrukkelijk oogmerk was te komen vragen, hoe hij de godsdienst en de gevestigde Kerk zou kunnen overhoop smijten? Mevrouw Sparsit, wat aanzienlijkheid van betrekkingen aangaat, staat gij gelijk met de aristocratie—heb ik toen niet tegen dien kerel gezegd: „Gij kunt de waarheid niet voor mij verbergen; gij zijt geen man die mij bevalt en het zal niet goed met u afloopen?”„Zeer zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „gij hebt hem op eene zeer nadrukkelijke manier eene vermaning van dien aard gegeven.”„Toen hij u zoo geërgerd en uw gevoel zoo gekwetst had, juffrouw?” zeide Bounderby.„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schudde met zachtaardige treurigheid haar hoofd, „dat had hij wèl gedaan. Hoewel ik niet wil tegenspreken, dat mijn gevoel op zulke punten teerder is—overdrevener, als men die uitdrukking beter vindt—dan het wezen zou, indien ik altijd mijne tegenwoordige betrekking had bekleed.”Bijna barstende van hoogmoed, staarde Bounderby zijn vriend aan, als wilde hij zeggen: „ik ben de eigenaar van die vrouw, en zij is uwe aandacht wel waardig, zou ik denken?” Daarop hervatte hij zijne rede.„Gij zult u wel herinneren, Harthouse, wat ik tegen hem zeide toen gij hem zaagt. Ik wond er volstrekt geen doekjes om. Ik ben nooitzoetsappig met hen. Ik ken ze. Heel goed, mijnheer. Drie dagen naderhand liep hij weg—ging voort, niemand weet waarheen—gelijk mijne moeder gedaan heeft toen ik een kind was, alleen met dit verschil, dat hij zoo mogelijk nog slechter was dan mijne moeder. En wat heeft hij nu gedaan eer hij heenging? Wat zegt gij er van,”—met zijn hoed in de hand, gaf de spreker bij elke afdeeling zijner rede een tik op den bol, alsof het eene tamboerijn was—„dat men hem avond op avond bij het kantoor op de wacht heeft gezien—dat hij na den donker daar bleef loeren—dat het mevrouw Sparsit dadelijk inviel, dat hij met geen goed oogmerk zoo loeren kon—dat zij Bitzer opmerkzaam op hem maakte en zij hem alle twee in het oog hielden—en dat het vandaag door navraag gebleken is, dat ook de buren op hem gelet hebben?” Tot dit toppunt zijner welsprekendheid gekomen, zette Bounderby, gelijk een Oostersche danser, zijne tamboerijn op het hoofd.„Dat luidt zeker verdacht,” zeide James Harthouse.„Dat dunkt mij ook, mijnheer,” hervatte Bounderby, met een uitdagend knikje. „Dat dunkt mij ook. Maar er zijn er nog meer in betrokken. Er is eene oude vrouw. Men hoort nooit van die dingen eer het kwaad gebeurd is; men vindt allerlei gebreken aan de staldeur als het paard gestolen is. Nu komt er een oud wijf voor den dag, een oud wijf, dat naar het schijnt, van tijd tot tijd op een bezemstok naar de stad is komen vliegen. Zij houdt een geheelen dag de wacht voor het kantoor eer die kerel begint, en op den avond toen gij hem gezien hebt, sluipt zij met hem heen om overleg met hem te houden—denkelijk om rapport te doen eer zij haar post verliet—dat duivelsche wijf.”Er was dien avond zulk eene vrouw in de kamer, en zij scheen zich te willen schuilhouden, dacht Louisa.KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).„Dit zijn ze nog niet eens allen, zooveel wij nu reeds weten,” zeide Bounderby, verscheidene malen geheimzinnig knikkende. „Maar ik heb voor het oogenblik genoegd gezegd. Gij zult wel zoo goed zijn om het stil te houden en er niemand over te spreken. Het zal misschien tijd kosten, maar wij zullen hen wel krijgen. Het is voorzichtig hen niet ongerust te maken, en het kan geen kwaad, dat zij vrij spel schijnen te hebben.”„Natuurlijk zullen zij met de grootste strengheid der wet gestraft worden, gelijk de publicaties zeggen,” antwoordde James Harthouse, „en dat is goed ook. Kerels, die kantoren bestelen,moeten de gevolgen maar ondervinden. Als er geene gevolgen waren zou iedereen kantoren gaan bestelen.”Hij had Louisa zacht hare parasol uit de hand genomen en voor haar opgezet; en zij wandelden onder dier schaduw, hoewel de zon daar niet scheen.„Vooreerst, Louisa Bounderby,” zeide haar echtgenoot, „moet er om mevrouw Sparsit gedacht worden. Hare zenuwen hebben door die historie een schok gekregen, en zij zal een paar dagen hier blijven. Maak dus, dat zij het hier naar haar genoegen heeft.”„Ik dank u wel zeer, mijnheer,” zeide deze bescheidene dame hierop, „maar ik bid u, laat mijn genoegen niemand bekommeren. Voor mij is alles goed genoeg.”Het bleek spoedig, dat, indien mevrouw Sparsit in het huiselijke verkeer één gebrek had, het dit was, dat zij buitengemeen weinig werk van zich zelve en zooveel van anderen maakte, dat zij daardoor zeer onaangenaam en lastig werd. Toen men haar hare kamer wees, was zij zoo schrikkelijk gevoelig voor hetcomfortabledaarvan, dat zij niet nalaten kon te zeggen, dat zij liever op den mangel in de strijkkamer den nacht had willen doorbrengen. ’t Was waar, de Powler’s en de Scadgers’ waren aan weelde gewoon; „maar het is mijn plicht te onthouden,” merkte mevrouw Sparsit gaarne met deftige minzaamheid aan, inzonderheid als er dienstboden bij waren, „dat ik niet meer ben wat ik was. Inderdaad,” zeide zij, „als ik geheel en al de herinnering kon uitwisschen, dat mijnheer Sparsit een Powler was, en dat ik zelf met de familie Scadgers vermaagschapt ben; of als ik zelf dat feit kon herroepen en mij zelve tot een persoon van gemeene afkomst en burgerlijke betrekkingen maken, zou ik het zeer gaarne doen. Ik zou onder de bestaande omstandigheden denken, dat ik daaraan wèl zou doen.” Dezelfde ootmoedige nederigheid deed haar aan tafel alle kunstmatig toebereide schotels afwijzen en voor wijn bedanken, totdat mijnheer Bounderby haar ronduit gebood om er van te gebruiken; waarna zij zeide: „Gij zijt waarlijk wel goed, mijnheer,” en daarmede haar openlijk met vrij veel deftigheid aangekondigd besluit verzaakte „om op den eenvoudigen schapebout te wachten.” Zij verzocht ook met diepe nederigheid verschooning als zij het zout verlangde; en zich verplicht achtende, om de getuigenis, die mijnheer Bounderby van hare zenuwen had gegeven, ten volle te bekrachtigen, liet zij zich nu en dan op haar stoel achteroverzakken om stil te schreien, en dan kon men (of liever moest men, want de zaak drong zich met geweld aan de aandacht op) een traan, zoo groot als eene kristallen oorbel, langs haar Romeinschen neus zien afrollen.Hare grootste kracht evenwel, van het begin tot het einde, lag in de hardnekkigheid van haar medelijden met mijnheer Bounderby. Het gebeurde dikwijls dat zij, als zij hem aanzag, onwillekeurig haar hoofd moest schudden, alsof zij wilde zeggen: „Helaas, arme Job.” Nadat zij zich tot zulk een blijk van aandoening had laten verleiden, dwong zij zich tot eene opflikkering van vroolijkheid, en zeide dan met in het oog loopende opgeruimdheid: „Gij zijt altijd nog frisch en vroolijk, mijnheer; ik ben hartelijk blijde dit te zien;” en het scheen dan, dat zij het voor een soort van wonder hield dat mijnheer Bounderby zoo gezond en welgemoed bleef. Eén zwak, waarvoor zij dikwijls verschooning verzocht, vond zij bijzonder moeielijk te verwinnen. Zij had eene zonderlinge neiging om mevrouw Bounderby Miss Gradgrind te noemen, en liet zich vijftig- of zestigmaal op een avond daardoor verrassen. De gedurige herhaling van dat verspreken overstelpte haar met verlegenheid en schaamte; maar, zeide zij, het was haar zoo gewoon en natuurlijk, Miss Gradgrind te zeggen, terwijl het haar bijna onmogelijk was zich te overreden, dat de jongejuffer, die zij het geluk had gehad van een kind af te kennen, nu waarlijk en werkelijk mevrouw Bounderby kon wezen. Eene verdere bijzonderheid van dit opmerkelijk geval was, dat het haar, hoe meer zij er over nadacht, des te onmogelijker voorkwam, „want het verschil,” zeide zij, „was toch zoo verbazend groot.”Na den maaltijd begon mijnheer Bounderby in het salon zelf aan het proces over den diefstal, verhoorde de getuigen, vond de verdachte personen schuldig, en veroordeelde hen tot de strengste straf welke de wet toeliet. Dit gedaan zijnde, werd Bitzer naar de stad gezonden, om Tom met den laatsten spoortrein naar huis te doen komen.Toen er licht was binnengebracht, prevelde mevrouw Sparsit: „Wees nu niet neerslachtig, mijnheer. Ik bid u, laat ik u weer zoo opgeruimd zien als gij placht te zijn.”Mijnheer Bounderby,bij wien deze troostredenen teweegbrachten dat hij op eene botte, stommelige manier sentimenteel begon te worden, slaakte een zucht als een groot zeemonster.„Ik kan u zoo niet zien, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Ga eens een spelletje triktrak spelen, gelijk gij placht te doen toen ik de eer had van onder uw dak te wonen.”„Ik heb sedert geentriktrakmeer gespeeld, juffrouw,” antwoordde Bounderby.„Neen, mijnheer, dat weet ik wel,” hervatte mevrouw Sparsit troostend. „Ik herinner mij, dat Miss Gradgrind geene liefhebberij heeft in dat spel. Maar ik zou het zeer gaarne nog eens willen doen, als gij zoo goed woudt zijn.”Zij zaten te spelen bij een venster, dat op den tuin uitzag. Het was een heerlijke avond,wel zonder maneschijn, maar zoel en geurig. Louisa en mijnheer Harthouse wandelden door den tuin, waar men in stilte hunne stemmen kon hooren, hoewel niet verstaan wat zij zeiden. Mevrouw Sparsit, voor het bord gezeten, spande gedurig hare oogen in om door de duisternis daar buiten heen te boren.„Wat is er, juffrouw?” zeide Bounderby. „Gij ziet toch geen brand?”„O Heere neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Ik dacht aan den dauw.”„Wat hebt gij met den dauw te maken, juffrouw?” hervatte Bounderby.„Het is niet voor mij zelve, mijnheer,” was het antwoord, „maar ik ben bang, dat Miss Gradgrind kou zal vatten.”„Zij vat nooit kou,” zeide Bounderby.„Inderdaad, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit hierop, en kreeg toen een kuchje.Toen het tijd werd om naar bed te gaan, nam mijnheer Bounderby een glas water.„O, mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit, „niet uw warmen wijn met citroenschillen en muskaat?”„Och, dat ben ik tegenwoordig afgewend, juffrouw,” antwoordde Bounderby.„Dat is wèl jammer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Gij verliest al uwe goede oude gewoonten. Kom, beur u wat op, mijnheer! Als Miss Gradgrind het mij vergunt, zal ik een glas voor u klaarmaken, zooals ik dikwijls gedaan heb.”Daar Miss Gradgrind bereid was om mevrouw Sparsit alles te vergunnen wat haar maar beliefde, maakte die bedachtzame dame een glas van den bedoelden smakelijken drank gereed en gaf het aan mijnheer Bounderby.„Het zal u goeddoen, mijnheer. Het zal uw hart verwarmen,” zeide zij. „Het is juist wat gij noodig hebt en altijd moest gebruiken.”En toen mijnheer Bounderby zeide: „Uwe gezondheid, juffrouw,” antwoordde zij met diep gevoel: „Dank u, mijnheer. Ik wensch u hetzelfde, en ook dat gij gelukkig moogt zijn.”Eindelijk wenschte zij hem met buitengemeene aandoening goedennacht; en mijnheer Bounderby ging naar bed met eene benevelde bewustheid, dat hij in een of ander opzicht ongelukkig was, hoewel hij, al ware het om zijn leven te doen geweest, niet had kunnen zeggen wat hem eigenlijk scheelde.Lang nadat Louisa zich had ontkleed en te bed begeven, bleef zij wakend naar de thuiskomst van haar broeder liggen wachten. Hij kon niet wel vroeger komen, dit wist zij, dan een uur na middernacht; maar in de landelijke stilte, die het onrustige harer gedachten veeleer vergrootte dan bedaarde, ging de tijd zeer langzaam om. Eindelijk toen de duisternis en de stilte, die elkander wederkeerig nog drukkender maakten, uren lang schenen geduurd te hebben, hoorde zij de schel aan het hek. Het was haar of zij blijde zou zijn geweest, als die schel tot aan den dageraad was blijven luiden; maar het hield op, de kringen van den laatsten klank breidden zich al verder en flauwer in de lucht uit, en alles was weder doodstil.Zij wachtte nog een kwartier uurs naar hare gissing. Toen stond zij op, trok een los kleed aan, en ging in het donker hare kamer uit en de trap op naar haar broeders vertrek. Daar de deur gesloten was, opende zij die en sprak om hem te waarschuwen dat zij het was, terwijl zij op de teenen naar zijn bed kwam.Zij knielde daarbij neer, sloeg haar arm om zijn hals en trok zijn gezicht naar het hare toe. Zij wist wel, dat hij slechts veinsde te slapen, maar zeide nog niets.Weldra maakte hij eene beweging alsof hij toen pas ontwaakte, en vroeg wie daar was en wat er te doen was.„Tom,” zeide zij, „hebt gij mij niet iets te zeggen? Als gij mij ooit in uw leven liefgehad hebt, en iets hebt, dat gij voor alle andere menschen verborgen houdt, zeg het mij dan.”„Ik weet niet wat gij meent, Louisa. Gij moet gedroomd hebben.”„Lieve broeder,”—zij liet haar hoofd op zijn kussen zinken, en hare haren golfden over hem heen, alsof zij hem voor iedereen wilde verbergen—„is er niets, dat gij mij te zeggen hebt? Is er niets, dat ge mij zeggen kunt, als gij wilt? Gij kunt mij niets zeggen, dat mij voor u zal doen veranderen. O Tom, zeg mij de waarheid.”„Ik weet niet wat gij meent, Louisa.”„Gelijk gij daar alleen ligt, lieve broeder, in den akeligen nacht, zoo moet gij eens in een anderen nacht ergens liggen, wanneer zelfs ik, als ik dan nog leef, u zal verlaten hebben. Gelijk ik hier naast u ben, blootsvoets, ongekleed, onherkenbaar in de duisternis, zoo moet ik liggen door den ganschen nacht mijner ontbinding, totdat ik stof ben. In den naam van dien tijd, Tom, zeg mij nu de waarheid.”„Wat is het, dat gij weten wilt?”„Gij kunt zeker zijn,” en in het vuur harer liefde drukte zij hem aan hare borst alsof hij een kind was, „dat ik u geen verwijt zal doen. Gij kunt zeker zijn, dat ik medelijden met u zal hebben en u trouw zal zijn. Gij kunt zeker zijn dat ik u zal redden, wat het ook mag kosten. O Tom, hebt ge mij niets te zeggen? Fluister het maar heel zacht. Zeg maar „ja,” en ik zal u verstaan.”Zij keerde haar oor naar zijn mond, maar hij bleef stug stilzwijgen.„Geen woord, Tom?”„Hoe kan ik ja zeggen, of hoe kan ik neen zeggen, als ik niet weet wat gij meent? Louisa, gij zijt eene goede, brave meid, en een beterbroeder waard dan ik ben, begin ik nu te denken. Maar ik heb niets meer te zeggen. Ga naar bed, ga naar bed.”„Gij zijt vermoeid,” fluisterde zij nu, meer op haar gewonen toon.„Ja, ik ben geheel afgemat.”„Gij hebt vandaag zooveel onrust en gewoel gehad. Zijn er nog nieuwe ontdekkingen gedaan?”„Alleen die, waarvan gij gehoord hebt, van—hem.”„Tom, hebt gij iemand gezegd, dat wij die menschen hebben opgezocht, en dat wij die drie bij elkander hebben gezien?”„Neen. Hebt ge mij zelve niet uitdrukkelijk verzocht om het stil te houden, toen ge mij vroegt om met u daarheen te gaan?”„Ja. Maar ik wist toen niet wat er gebeuren zou.”„Ik ook niet. Hoe zou ik het geweten hebben?”Hij gaf dit antwoord zeer snel en eenigszins bits.„Zou ik, na hetgeen er gebeurd is, behooren te zeggen, dat ik daar geweest ben?” zeide zijne zuster, bij het bed staande—zij had zich langzamerhand teruggetrokken en was overeind gaan staan. „Zou ik het zeggen? Moet ik het zeggen?”„Goede Hemel, Louisa,” antwoordde haar broeder, „ge zijt niet gewoon mij om raad te vragen. Zeg wat gij wilt. Als gij het voor u zelve houdt, zal ik het ook voor mij zelven houden. Als gij het openbaart, is het mij ook wel.”Het was te donker dan dat zij elkanders gezicht konden zien; maar beiden schenen zeer oplettend te zijn en zich te bedenken eer zij spraken.„Tom, gelooft gij, dat de man, aan wien ik dat geld gegeven heb, werkelijk in deze misdaad betrokken is?”„Dat weet ik niet. Ik zie niet in waarom niet.”„Hij kwam mij toen een eerlijk man voor.”„Iemand anders kan u oneerlijk voorkomen en het toch niet zijn.”Er volgde eene poos van stilte, want hij had gehaperd toen hij verder wilde spreken, en daarna gezwegen.„Kortom,” hervatte hij, alsof hij zijn besluit had genomen, „als gij daarop komt, was ik er misschien zoo ver van af om volkomen gunstig over hem te denken, dat ik hem buiten de deur nam om hem in stilte te zeggen, dat hij er, naar mijne gedachten, zeer wel afkwam met nog zulk een buitenkansje van mijne zuster te krijgen, en dat ik hoopte, dat hij er een goed gebruik van zou maken. Ik zeg evenwel niets tegen den man. Hij mag een heel brave kerel zijn, voor zooveel ik weet. Ik hoop, dat hij het is.”„Was hij beleedigd door dat zeggen van u?”„Neen, hij nam het tamelijk wel op; hij was beleefd genoeg. Waar zijt ge, Louisa?” Hij kwam in het bed overeind en kuste haar. „Goeden nacht, lieve, goedenacht!”„Gij hebt mij niets meer te zeggen?”„Neen. Wat zou ik te zeggen hebben? Of zoudt ge willen, dat ik eene leugen vertelde?”„Van nacht vooral zou ik dat niet willen, Tom, onder al de nachten van uw leven, hoevelen en hoeveel gelukkiger ik ook hoop dat zij zijn zullen.”„Dank u, lieve Louisa. Ik ben zoo moe, dat ik mij haast verwonder dat ik niet alles zeg wat gij wilt, om maar te kunnen gaan slapen. Ga naar bed, ga naar bed.”Hij gaf haar nog een kus, keerde zich toen om, trok het dek over zijn hoofd, en bleef zoo stil liggen alsof de tijd, waarbij zij hem bezworen had, reeds gekomen was. Zij bleef nog eene poos bij het bed staan, eer zij langzaam heenging. Bij de deur bleef zij weder staan, keek nog eens om toen zij die reeds geopend had, en vroeg of hij haar had geroepen. Maar hij bleef stil liggen, en zij sloot zachtjes de deur en ging weder naar hare kamer.Toen keek de rampzalige voorzichtig op, en ziende dat zij weg was, kroop hij zijn bed uit, draaide de deur op het nachtslot, en wierp zich weder op zijn leger. Daar lag hij zijne haren uit te trekken, schreiende van wrevelige spijt, vol wangunstige liefde voor haar, zich zelven verwenschende en verachtende, met bitterheid, maar zonder boetvaardig berouw, en vervuld van haat en wrok tegen al het goede op de wereld, dat hij in zijne verblinding even nietswaardig noemde als hij zelf was.
XXIV.DE UITBARSTING.De volgende morgen was te helder om te blijven slapen, en James Harthouse stond dus vroeg op en zette zich voor het opene uitstekvenster zijner kleedkamer met een dier fijne sigaren in den mond, die zulk een heilzamen invloed op zijn jongen vriend hadden gehad. In den zonneschijn rustende, terwijl de geur van het edele kruid hem omhulde en de droomerige rookwolkjes in de lucht opstegen, reeds vervuld met de welriekende uitwasemingen der zomerbloemen, telde hij zijne reeds behaalde voordeelen op, gelijk een onverschillig speler zijne winsten optelt. Voor het oogenblik was niemand hem lastig, en kon hij zich ongestoord daarmede bezighouden.Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, waar haar echtgenoot buitengesloten bleef. Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, die juist uit hare onverschilligheid voor haar man en het gebrek aan overeenstemming tusschen dit paar was ontsproten. Hij had haar op eene behendige manier, maar toch duidelijk, te verstaan gegeven, dat hij haar hart tot in de geheimste schuilhoeken kende; hij was juist door het teederste gevoel van dat hart haar nabijgekomen, en de ijskorst, die het als een muur omringde, was gesmolten. Alles zeer vreemd, en zeer streelend.En toch had hij, zelf nu nog, geene ernstige slechte voornemens. In het openbare en bijzondere leven zou het voor onze eeuw veel beter zijn, dat hij en het legioen zijner gelijken opzettelijk slecht waren, dan zoo onverschillig en doelloos. Het zijn de drijvende ijsbergen, met elken stroom overal heen zwalkende, die de schepen doen vergaan.Wanneer de duivel rondgaat gelijk een brullende leeuw, gaat hij rond in eene gedaante, waardoor weinigen dan wilden en jagers zich laten verlokken om hem te naderen. Maar wanneer hij naar de mode is opgekleed en opgepolijst; wanneer deugd en ondeugd hem evenzeer vervelen; wanneer hij den zwavelpoel en de zaligheid evenzeer moede is, dan is hij eerst de echte duivel.Zoo bleef James Harthouse voor het venster zitten, op zijn gemak rookende en de schreden tellende, welke hij gedaan had op den weg, dien hij toevallig had ingeslagen. Het einde, waartoe die weg voerde, lag vrij duidelijk voor hem, maar daarom bekommerde hij zich niet het minste. Wat gebeuren moet, moet gebeuren.Daar hij dien dag een tamelijk verren weg te rijden had—want er zou ergens eene openbare vergadering plaats hebben, die hem gelegenheid zou geven om stemmen te winnen—kleedde hij zich vroeg en ging toen naar beneden om te ontbijten. Hij was verlangend om te zien, of zij sedert den vorigen avond weder verkoeld was. Neen. Hij kon weder beginnen waar hij het gelaten had.Er was weder een blik vol vriendelijke belangstelling voor hem gereed.Hij kwam zoozeer (of zoo weinig), naar zijn genoegen door den dag heen, als onder de omstandigheden, die zulk eene vermoeienis van hem vergden, te wachten was, en kwam tegen zes ure terugrijden. De laan tusschen de portierswoning en het huis, die eene sierlijke bocht maakte, had eene tamelijke lengte, en hij reed stapvoets daarlangs voort, toen mijnheer Bounderby op eens het heesterplantsoen uitkwam, zoo driftig en onverwacht, dat het paard schichtig terugdeinsde.„Harthouse!” riep mijnheer Bounderby luidkeels. „Hebt gij het gehoord?”„Wat gehoord?” zeide Harthouse, zijn paard streelende om het te bedaren, onder het heimelijk uiten van een wensch, die niet veel goeds voor mijnheer Bounderby bevatte.„Dus hebt gijnietsgehoord?”„Ik heb u gehoord, en dat heeft dit beest ook. Anders niets.”Mijnheer Bounderby, die gloeiend rood was, plaatste zich midden op den weg, vlak voor het paard, om zijne bom met meer effect te laten springen.„Het kantoor is bestolen!”„Dat meent ge toch niet in ernst!”„Van nacht bestolen, mijnheer! Op een buitengewone manier bestolen! Met een valschen sleutel bestolen!”„Is het verlies groot?”Het scheen Bounderby, bij zijn verlangen om zooveel mogelijk gerucht van de zaak te maken, inderdaad te spijten, dat hij genoodzaakt was te antwoorden: „Neen, niet heel groot. Maar dat had het wel kunnen zijn?”„Hoe groot is het?”„O, wat de som betreft—als gij bij de som blijft—niet meer dan honderd vijftig pond,” antwoordde Bounderby wrevelig. „Maar het is de som niet; het is het feit. Het feit, dat het kantoor bestolen is, dat is eigenlijk het gewichtige. Het verwondert mij, dat gij dit niet begrijpt.”„Mijn beste Bounderby,” zeide James, terwijl hij van zijn paard stapte en de teugels aan zijn knecht overgaf, „dat begrijp ik zeer wel, en ik ben zoo erg, als gij maar verlangen kunt, ontsteld van het schouwspel, dat zich voor de oogen van mijn geest vertoont. Evenwel hoop ik, u te mogen feliciteeren dat gij geen grooter verlies hebt geleden, en ik verzeker u, dat doe ik met al mijn hart.”„Dank je,” antwoordde Bounderby op een stroeven toon. „Maar laat ik u eens wat zeggen. Het had ook twintig duizend pond kunnen zijn.”„Wel te denken.”„Wel te denken? Het is waarachtig wel te denken,” zeide Bounderby, gramstorig knikkende. „Het had tweemaal twintig kunnen zijn. Het is niet te zeggen hoeveel het had kunnen zijn, of niet kunnen zijn, als de kerels niet gestoord waren.”Louisa was nu aangekomen, tegelijk met mevrouw Sparsit en Bitzer.„Daar is Tom Gradgrind’s dochter, die tamelijk wel weet hoeveel het had kunnen zijn, als gij het niet weet,” hervatte Bounderby op zijn winderigsten toon. „Zij viel neer, alsof ze doodgeschoten was, toen zij het hoorde. Ik heb nooit te voren zoo iets van haar gezien. Het strekt haar onder deze omstandigheden tot eer, naar mijne gedachten.”Zij zag er nog bleek en ontsteld uit. James Harthouse bood haar zijn arm aan, en terwijl zij zeer langzaam voortwandelden, vroeg hij, hoe de diefstal gepleegd was.„Wel, dat wilde ik u juist vertellen,” zeide Bounderby, korzelig zijn arm aan mevrouw Sparsit gevende. „Als ge niet zoo machtig precies op de som waart geweest, zou ik daarmee begonnen zijn. Gij kent deze dame (want zij is eene geboren dame), mevrouw Sparsit?”„Ik heb reeds de eer gehad...”„Heel goed. En dit jonge mensch, Bitzer, hebt gij ook bij dezelfde gelegenheid gezien?”Mijnheer Harthouse knikte toestemmend, en Bitzer duwde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.„Heel goed. Zij wonen aan het kantoor. Gij weet misschien al, dat zij daar wonen? Heel goed. Gisteravond na den kantoortijd werd alles naar gewoonte geborgen en gesloten. In de ijzeren kamer, waarvoor die jongen slaapt, was—het doet er niet toe hoeveel. In het ijzeren kistje in de kamer van Tom, het kistje dat voor kleine sommen wordt gebruikt, was honderdvijftig pond of wat meer.”„Honderd vier en vijftig, zeven en een,” zeide Bitzer.„Pas op!” voer Bounderby uit, stilstaande om zich naar hem toe te keeren. „Val gij mij niet in de rede. Het is al genoeg bestolen te worden terwijl gij ligt te snorken, omdat gij het al te goed hebt, zonder dat gij mij in de rede behoeft te vallen om mij in een beuzeling terecht te zetten. Ik snorkte niet, toen ik zoo oud was als gij, laat ik u dat zeggen. Ik kreeg geen eten genoeg om te snorken. En ik viel iemand nietmetbeuzelingen in de rede, al wist ik er van.”Bitzer duwde op eene kruiperige manier zijne kneukels tegen zijn voorhoofd en scheen vooral door het laatste gezegde van zijn patroon zeer getroffen en verslagen.„Honderd vijftig pond ongeveer,” hervatte mijnheer Bounderby. „Die som had Tom in zijne geldkist gesloten; geen heel sterke kist, maar dat doet er nu niet toe. Alles was in orde toen men heenging. Op zekeren tijd van den nacht, toen die knaap lag te snorken—mevrouw Sparsit, gij zegt immers, dat gij hem hebt hooren snorken?”„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik kan niet zeggen, dat ik hem eigenlijk heb hooren snorken, en daarom mag ik zoo iets niet verklaren. Maar ’s avonds, in den winter, als hij op zijn stoel in slaap viel, heb ik hem wel eens een geluid hooren maken, om zoo te zeggen alsof hij half geworgd werd—het was omtrent hetzelfde geluid dat men somtijds in eene houten klok hoort. Niet,” vervolgde zij, met de verhevene bewustheid dat zij de waarheid huldigde door eene streng onpartijdige getuigenis te geven, „dat ik eenige blaam op zijn zedelijk karakter zou willen werpen. Ver van daar. Ik heb Bitzer altijd voor een jongmensch van de standvastigste beginselen gehouden, dat verzoek ik te mogen zeggen.”„Welnu,” hernam de vergramde Bounderby, „terwijl hij dan snorkte, of half geworgd werd, of een geluid maakte als eene houten klok, of iets van dien aard—terwijl hij lag te slapen, kortom—zijn eenige kerels—of zij te voren in huis verscholen waren of niet, staat nog te bezien—op eene of andere manier bij het geldkistje van Tom gekomen, hebben het opengebroken en weggepakt wat er in was. Toen gestoord wordende, hebben zij zich voortgemaakt, zich zelven de deur uitgelaten, en die weer op het nachtslot gedraaid—zij was op het nachtslot, en mevrouw Sparsit had den sleutel onder haar kussen—met een valschen sleutel, dien men vandaag tegen twaalf uur op straat, dicht bij het kantoor, heeft opgeraapt. Er werd geen alarm gemaakt, voordat deze knaap, Bitzer, des morgens opstond en de kamer in orde ging brengen. Toen ziet hij de deur van Tom’s kamer aanstaan, vindt het kistje opengebroken en het geld weg.”„A propos, waar is Tom?” vroeg Harthouse, in het rond kijkende.„Hij heeft de politie geholpen,” antwoordde Bounderby, „en is nog aan het kantoor. Ik wou, dat die kerels geprobeerd hadden om mij te bestelen toen ik zoo oud was als hij. Zij zouden er bij verloren hebben, al hadden zij maar achttien stuivers onkosten voor het karreweitje gemaakt, dat kan ik hun zeggen.”„Wordt er niemand verdacht?”„Verdacht? Dat zou ik denken!” antwoordde Bounderby, den arm van mevrouw Sparsit loslatende om zijn gloeiend voorhoofd af te vegen. „Waarachtig, Josiah Bounderby vanCoketownzal niet bestolen worden, zonder dat er iemand verdacht werdt. Neen, wel verplicht!”Mocht mijnheer Harthouse vragen wie er verdacht werd?„Wel, dat zal ik u zeggen,” antwoordde Bounderby, stilstaande en zich omdraaiende om al de anderen aan te zien. „Maar het moet niet verder verteld worden. Niemand moet er iets van hooren, om de schelmen, die er in betrokken zijn—het is eene geheele bende—niet te waarschuwen. Dit dus in vertrouwen. Wat zoudt gij zeggen,” barstte hij geweldig uit, „als er een van mijne werklieden in betrokken was?”„Ik hoop niet onze vriend Blackpot?” zeide Harthouse op een onverschilligen, slependen toon.„Zeg Pool in plaats van Pot, mijnheer,” antwoordde Bounderby, „en het is de man.”Louisa liet een flauwen uitroep van verwondering en ongeloof hooren.„O ja, dat weet ik wel,” zeide Bounderby, hierop terstond vuur vattende. „Daaraan ben ik gewend. Dat ken ik alles van buiten. Zij zijn de braafste menschen van de wereld, dat volk. Zij kunnen machtig mooi praten. Zij willen maar hebben dat men hun verklaart welke rechten zij hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Wijs mij een onvergenoegd werkman, en ik zal u iemand wijzen, die tot alle slechtheid in staat is, onverschillig welke.”Dit was weder een der algemeenheden vanCoketown, welke men met tamelijk veel moeite had verspreid, waaraan sommige menschen werkelijk geloofden.„Maar ik ken die knapen,” hervatte Bounderby. „Ik kan hen lezen als een boek. Mevrouw Sparsit, ik beroep mij op u. Welke waarschuwing heb ik dien kerel gegeven, de eerste maal toen hij een voet bij mij in huis zette, en zijn uitdrukkelijk oogmerk was te komen vragen, hoe hij de godsdienst en de gevestigde Kerk zou kunnen overhoop smijten? Mevrouw Sparsit, wat aanzienlijkheid van betrekkingen aangaat, staat gij gelijk met de aristocratie—heb ik toen niet tegen dien kerel gezegd: „Gij kunt de waarheid niet voor mij verbergen; gij zijt geen man die mij bevalt en het zal niet goed met u afloopen?”„Zeer zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „gij hebt hem op eene zeer nadrukkelijke manier eene vermaning van dien aard gegeven.”„Toen hij u zoo geërgerd en uw gevoel zoo gekwetst had, juffrouw?” zeide Bounderby.„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schudde met zachtaardige treurigheid haar hoofd, „dat had hij wèl gedaan. Hoewel ik niet wil tegenspreken, dat mijn gevoel op zulke punten teerder is—overdrevener, als men die uitdrukking beter vindt—dan het wezen zou, indien ik altijd mijne tegenwoordige betrekking had bekleed.”Bijna barstende van hoogmoed, staarde Bounderby zijn vriend aan, als wilde hij zeggen: „ik ben de eigenaar van die vrouw, en zij is uwe aandacht wel waardig, zou ik denken?” Daarop hervatte hij zijne rede.„Gij zult u wel herinneren, Harthouse, wat ik tegen hem zeide toen gij hem zaagt. Ik wond er volstrekt geen doekjes om. Ik ben nooitzoetsappig met hen. Ik ken ze. Heel goed, mijnheer. Drie dagen naderhand liep hij weg—ging voort, niemand weet waarheen—gelijk mijne moeder gedaan heeft toen ik een kind was, alleen met dit verschil, dat hij zoo mogelijk nog slechter was dan mijne moeder. En wat heeft hij nu gedaan eer hij heenging? Wat zegt gij er van,”—met zijn hoed in de hand, gaf de spreker bij elke afdeeling zijner rede een tik op den bol, alsof het eene tamboerijn was—„dat men hem avond op avond bij het kantoor op de wacht heeft gezien—dat hij na den donker daar bleef loeren—dat het mevrouw Sparsit dadelijk inviel, dat hij met geen goed oogmerk zoo loeren kon—dat zij Bitzer opmerkzaam op hem maakte en zij hem alle twee in het oog hielden—en dat het vandaag door navraag gebleken is, dat ook de buren op hem gelet hebben?” Tot dit toppunt zijner welsprekendheid gekomen, zette Bounderby, gelijk een Oostersche danser, zijne tamboerijn op het hoofd.„Dat luidt zeker verdacht,” zeide James Harthouse.„Dat dunkt mij ook, mijnheer,” hervatte Bounderby, met een uitdagend knikje. „Dat dunkt mij ook. Maar er zijn er nog meer in betrokken. Er is eene oude vrouw. Men hoort nooit van die dingen eer het kwaad gebeurd is; men vindt allerlei gebreken aan de staldeur als het paard gestolen is. Nu komt er een oud wijf voor den dag, een oud wijf, dat naar het schijnt, van tijd tot tijd op een bezemstok naar de stad is komen vliegen. Zij houdt een geheelen dag de wacht voor het kantoor eer die kerel begint, en op den avond toen gij hem gezien hebt, sluipt zij met hem heen om overleg met hem te houden—denkelijk om rapport te doen eer zij haar post verliet—dat duivelsche wijf.”Er was dien avond zulk eene vrouw in de kamer, en zij scheen zich te willen schuilhouden, dacht Louisa.KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).„Dit zijn ze nog niet eens allen, zooveel wij nu reeds weten,” zeide Bounderby, verscheidene malen geheimzinnig knikkende. „Maar ik heb voor het oogenblik genoegd gezegd. Gij zult wel zoo goed zijn om het stil te houden en er niemand over te spreken. Het zal misschien tijd kosten, maar wij zullen hen wel krijgen. Het is voorzichtig hen niet ongerust te maken, en het kan geen kwaad, dat zij vrij spel schijnen te hebben.”„Natuurlijk zullen zij met de grootste strengheid der wet gestraft worden, gelijk de publicaties zeggen,” antwoordde James Harthouse, „en dat is goed ook. Kerels, die kantoren bestelen,moeten de gevolgen maar ondervinden. Als er geene gevolgen waren zou iedereen kantoren gaan bestelen.”Hij had Louisa zacht hare parasol uit de hand genomen en voor haar opgezet; en zij wandelden onder dier schaduw, hoewel de zon daar niet scheen.„Vooreerst, Louisa Bounderby,” zeide haar echtgenoot, „moet er om mevrouw Sparsit gedacht worden. Hare zenuwen hebben door die historie een schok gekregen, en zij zal een paar dagen hier blijven. Maak dus, dat zij het hier naar haar genoegen heeft.”„Ik dank u wel zeer, mijnheer,” zeide deze bescheidene dame hierop, „maar ik bid u, laat mijn genoegen niemand bekommeren. Voor mij is alles goed genoeg.”Het bleek spoedig, dat, indien mevrouw Sparsit in het huiselijke verkeer één gebrek had, het dit was, dat zij buitengemeen weinig werk van zich zelve en zooveel van anderen maakte, dat zij daardoor zeer onaangenaam en lastig werd. Toen men haar hare kamer wees, was zij zoo schrikkelijk gevoelig voor hetcomfortabledaarvan, dat zij niet nalaten kon te zeggen, dat zij liever op den mangel in de strijkkamer den nacht had willen doorbrengen. ’t Was waar, de Powler’s en de Scadgers’ waren aan weelde gewoon; „maar het is mijn plicht te onthouden,” merkte mevrouw Sparsit gaarne met deftige minzaamheid aan, inzonderheid als er dienstboden bij waren, „dat ik niet meer ben wat ik was. Inderdaad,” zeide zij, „als ik geheel en al de herinnering kon uitwisschen, dat mijnheer Sparsit een Powler was, en dat ik zelf met de familie Scadgers vermaagschapt ben; of als ik zelf dat feit kon herroepen en mij zelve tot een persoon van gemeene afkomst en burgerlijke betrekkingen maken, zou ik het zeer gaarne doen. Ik zou onder de bestaande omstandigheden denken, dat ik daaraan wèl zou doen.” Dezelfde ootmoedige nederigheid deed haar aan tafel alle kunstmatig toebereide schotels afwijzen en voor wijn bedanken, totdat mijnheer Bounderby haar ronduit gebood om er van te gebruiken; waarna zij zeide: „Gij zijt waarlijk wel goed, mijnheer,” en daarmede haar openlijk met vrij veel deftigheid aangekondigd besluit verzaakte „om op den eenvoudigen schapebout te wachten.” Zij verzocht ook met diepe nederigheid verschooning als zij het zout verlangde; en zich verplicht achtende, om de getuigenis, die mijnheer Bounderby van hare zenuwen had gegeven, ten volle te bekrachtigen, liet zij zich nu en dan op haar stoel achteroverzakken om stil te schreien, en dan kon men (of liever moest men, want de zaak drong zich met geweld aan de aandacht op) een traan, zoo groot als eene kristallen oorbel, langs haar Romeinschen neus zien afrollen.Hare grootste kracht evenwel, van het begin tot het einde, lag in de hardnekkigheid van haar medelijden met mijnheer Bounderby. Het gebeurde dikwijls dat zij, als zij hem aanzag, onwillekeurig haar hoofd moest schudden, alsof zij wilde zeggen: „Helaas, arme Job.” Nadat zij zich tot zulk een blijk van aandoening had laten verleiden, dwong zij zich tot eene opflikkering van vroolijkheid, en zeide dan met in het oog loopende opgeruimdheid: „Gij zijt altijd nog frisch en vroolijk, mijnheer; ik ben hartelijk blijde dit te zien;” en het scheen dan, dat zij het voor een soort van wonder hield dat mijnheer Bounderby zoo gezond en welgemoed bleef. Eén zwak, waarvoor zij dikwijls verschooning verzocht, vond zij bijzonder moeielijk te verwinnen. Zij had eene zonderlinge neiging om mevrouw Bounderby Miss Gradgrind te noemen, en liet zich vijftig- of zestigmaal op een avond daardoor verrassen. De gedurige herhaling van dat verspreken overstelpte haar met verlegenheid en schaamte; maar, zeide zij, het was haar zoo gewoon en natuurlijk, Miss Gradgrind te zeggen, terwijl het haar bijna onmogelijk was zich te overreden, dat de jongejuffer, die zij het geluk had gehad van een kind af te kennen, nu waarlijk en werkelijk mevrouw Bounderby kon wezen. Eene verdere bijzonderheid van dit opmerkelijk geval was, dat het haar, hoe meer zij er over nadacht, des te onmogelijker voorkwam, „want het verschil,” zeide zij, „was toch zoo verbazend groot.”Na den maaltijd begon mijnheer Bounderby in het salon zelf aan het proces over den diefstal, verhoorde de getuigen, vond de verdachte personen schuldig, en veroordeelde hen tot de strengste straf welke de wet toeliet. Dit gedaan zijnde, werd Bitzer naar de stad gezonden, om Tom met den laatsten spoortrein naar huis te doen komen.Toen er licht was binnengebracht, prevelde mevrouw Sparsit: „Wees nu niet neerslachtig, mijnheer. Ik bid u, laat ik u weer zoo opgeruimd zien als gij placht te zijn.”Mijnheer Bounderby,bij wien deze troostredenen teweegbrachten dat hij op eene botte, stommelige manier sentimenteel begon te worden, slaakte een zucht als een groot zeemonster.„Ik kan u zoo niet zien, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Ga eens een spelletje triktrak spelen, gelijk gij placht te doen toen ik de eer had van onder uw dak te wonen.”„Ik heb sedert geentriktrakmeer gespeeld, juffrouw,” antwoordde Bounderby.„Neen, mijnheer, dat weet ik wel,” hervatte mevrouw Sparsit troostend. „Ik herinner mij, dat Miss Gradgrind geene liefhebberij heeft in dat spel. Maar ik zou het zeer gaarne nog eens willen doen, als gij zoo goed woudt zijn.”Zij zaten te spelen bij een venster, dat op den tuin uitzag. Het was een heerlijke avond,wel zonder maneschijn, maar zoel en geurig. Louisa en mijnheer Harthouse wandelden door den tuin, waar men in stilte hunne stemmen kon hooren, hoewel niet verstaan wat zij zeiden. Mevrouw Sparsit, voor het bord gezeten, spande gedurig hare oogen in om door de duisternis daar buiten heen te boren.„Wat is er, juffrouw?” zeide Bounderby. „Gij ziet toch geen brand?”„O Heere neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Ik dacht aan den dauw.”„Wat hebt gij met den dauw te maken, juffrouw?” hervatte Bounderby.„Het is niet voor mij zelve, mijnheer,” was het antwoord, „maar ik ben bang, dat Miss Gradgrind kou zal vatten.”„Zij vat nooit kou,” zeide Bounderby.„Inderdaad, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit hierop, en kreeg toen een kuchje.Toen het tijd werd om naar bed te gaan, nam mijnheer Bounderby een glas water.„O, mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit, „niet uw warmen wijn met citroenschillen en muskaat?”„Och, dat ben ik tegenwoordig afgewend, juffrouw,” antwoordde Bounderby.„Dat is wèl jammer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Gij verliest al uwe goede oude gewoonten. Kom, beur u wat op, mijnheer! Als Miss Gradgrind het mij vergunt, zal ik een glas voor u klaarmaken, zooals ik dikwijls gedaan heb.”Daar Miss Gradgrind bereid was om mevrouw Sparsit alles te vergunnen wat haar maar beliefde, maakte die bedachtzame dame een glas van den bedoelden smakelijken drank gereed en gaf het aan mijnheer Bounderby.„Het zal u goeddoen, mijnheer. Het zal uw hart verwarmen,” zeide zij. „Het is juist wat gij noodig hebt en altijd moest gebruiken.”En toen mijnheer Bounderby zeide: „Uwe gezondheid, juffrouw,” antwoordde zij met diep gevoel: „Dank u, mijnheer. Ik wensch u hetzelfde, en ook dat gij gelukkig moogt zijn.”Eindelijk wenschte zij hem met buitengemeene aandoening goedennacht; en mijnheer Bounderby ging naar bed met eene benevelde bewustheid, dat hij in een of ander opzicht ongelukkig was, hoewel hij, al ware het om zijn leven te doen geweest, niet had kunnen zeggen wat hem eigenlijk scheelde.Lang nadat Louisa zich had ontkleed en te bed begeven, bleef zij wakend naar de thuiskomst van haar broeder liggen wachten. Hij kon niet wel vroeger komen, dit wist zij, dan een uur na middernacht; maar in de landelijke stilte, die het onrustige harer gedachten veeleer vergrootte dan bedaarde, ging de tijd zeer langzaam om. Eindelijk toen de duisternis en de stilte, die elkander wederkeerig nog drukkender maakten, uren lang schenen geduurd te hebben, hoorde zij de schel aan het hek. Het was haar of zij blijde zou zijn geweest, als die schel tot aan den dageraad was blijven luiden; maar het hield op, de kringen van den laatsten klank breidden zich al verder en flauwer in de lucht uit, en alles was weder doodstil.Zij wachtte nog een kwartier uurs naar hare gissing. Toen stond zij op, trok een los kleed aan, en ging in het donker hare kamer uit en de trap op naar haar broeders vertrek. Daar de deur gesloten was, opende zij die en sprak om hem te waarschuwen dat zij het was, terwijl zij op de teenen naar zijn bed kwam.Zij knielde daarbij neer, sloeg haar arm om zijn hals en trok zijn gezicht naar het hare toe. Zij wist wel, dat hij slechts veinsde te slapen, maar zeide nog niets.Weldra maakte hij eene beweging alsof hij toen pas ontwaakte, en vroeg wie daar was en wat er te doen was.„Tom,” zeide zij, „hebt gij mij niet iets te zeggen? Als gij mij ooit in uw leven liefgehad hebt, en iets hebt, dat gij voor alle andere menschen verborgen houdt, zeg het mij dan.”„Ik weet niet wat gij meent, Louisa. Gij moet gedroomd hebben.”„Lieve broeder,”—zij liet haar hoofd op zijn kussen zinken, en hare haren golfden over hem heen, alsof zij hem voor iedereen wilde verbergen—„is er niets, dat gij mij te zeggen hebt? Is er niets, dat ge mij zeggen kunt, als gij wilt? Gij kunt mij niets zeggen, dat mij voor u zal doen veranderen. O Tom, zeg mij de waarheid.”„Ik weet niet wat gij meent, Louisa.”„Gelijk gij daar alleen ligt, lieve broeder, in den akeligen nacht, zoo moet gij eens in een anderen nacht ergens liggen, wanneer zelfs ik, als ik dan nog leef, u zal verlaten hebben. Gelijk ik hier naast u ben, blootsvoets, ongekleed, onherkenbaar in de duisternis, zoo moet ik liggen door den ganschen nacht mijner ontbinding, totdat ik stof ben. In den naam van dien tijd, Tom, zeg mij nu de waarheid.”„Wat is het, dat gij weten wilt?”„Gij kunt zeker zijn,” en in het vuur harer liefde drukte zij hem aan hare borst alsof hij een kind was, „dat ik u geen verwijt zal doen. Gij kunt zeker zijn, dat ik medelijden met u zal hebben en u trouw zal zijn. Gij kunt zeker zijn dat ik u zal redden, wat het ook mag kosten. O Tom, hebt ge mij niets te zeggen? Fluister het maar heel zacht. Zeg maar „ja,” en ik zal u verstaan.”Zij keerde haar oor naar zijn mond, maar hij bleef stug stilzwijgen.„Geen woord, Tom?”„Hoe kan ik ja zeggen, of hoe kan ik neen zeggen, als ik niet weet wat gij meent? Louisa, gij zijt eene goede, brave meid, en een beterbroeder waard dan ik ben, begin ik nu te denken. Maar ik heb niets meer te zeggen. Ga naar bed, ga naar bed.”„Gij zijt vermoeid,” fluisterde zij nu, meer op haar gewonen toon.„Ja, ik ben geheel afgemat.”„Gij hebt vandaag zooveel onrust en gewoel gehad. Zijn er nog nieuwe ontdekkingen gedaan?”„Alleen die, waarvan gij gehoord hebt, van—hem.”„Tom, hebt gij iemand gezegd, dat wij die menschen hebben opgezocht, en dat wij die drie bij elkander hebben gezien?”„Neen. Hebt ge mij zelve niet uitdrukkelijk verzocht om het stil te houden, toen ge mij vroegt om met u daarheen te gaan?”„Ja. Maar ik wist toen niet wat er gebeuren zou.”„Ik ook niet. Hoe zou ik het geweten hebben?”Hij gaf dit antwoord zeer snel en eenigszins bits.„Zou ik, na hetgeen er gebeurd is, behooren te zeggen, dat ik daar geweest ben?” zeide zijne zuster, bij het bed staande—zij had zich langzamerhand teruggetrokken en was overeind gaan staan. „Zou ik het zeggen? Moet ik het zeggen?”„Goede Hemel, Louisa,” antwoordde haar broeder, „ge zijt niet gewoon mij om raad te vragen. Zeg wat gij wilt. Als gij het voor u zelve houdt, zal ik het ook voor mij zelven houden. Als gij het openbaart, is het mij ook wel.”Het was te donker dan dat zij elkanders gezicht konden zien; maar beiden schenen zeer oplettend te zijn en zich te bedenken eer zij spraken.„Tom, gelooft gij, dat de man, aan wien ik dat geld gegeven heb, werkelijk in deze misdaad betrokken is?”„Dat weet ik niet. Ik zie niet in waarom niet.”„Hij kwam mij toen een eerlijk man voor.”„Iemand anders kan u oneerlijk voorkomen en het toch niet zijn.”Er volgde eene poos van stilte, want hij had gehaperd toen hij verder wilde spreken, en daarna gezwegen.„Kortom,” hervatte hij, alsof hij zijn besluit had genomen, „als gij daarop komt, was ik er misschien zoo ver van af om volkomen gunstig over hem te denken, dat ik hem buiten de deur nam om hem in stilte te zeggen, dat hij er, naar mijne gedachten, zeer wel afkwam met nog zulk een buitenkansje van mijne zuster te krijgen, en dat ik hoopte, dat hij er een goed gebruik van zou maken. Ik zeg evenwel niets tegen den man. Hij mag een heel brave kerel zijn, voor zooveel ik weet. Ik hoop, dat hij het is.”„Was hij beleedigd door dat zeggen van u?”„Neen, hij nam het tamelijk wel op; hij was beleefd genoeg. Waar zijt ge, Louisa?” Hij kwam in het bed overeind en kuste haar. „Goeden nacht, lieve, goedenacht!”„Gij hebt mij niets meer te zeggen?”„Neen. Wat zou ik te zeggen hebben? Of zoudt ge willen, dat ik eene leugen vertelde?”„Van nacht vooral zou ik dat niet willen, Tom, onder al de nachten van uw leven, hoevelen en hoeveel gelukkiger ik ook hoop dat zij zijn zullen.”„Dank u, lieve Louisa. Ik ben zoo moe, dat ik mij haast verwonder dat ik niet alles zeg wat gij wilt, om maar te kunnen gaan slapen. Ga naar bed, ga naar bed.”Hij gaf haar nog een kus, keerde zich toen om, trok het dek over zijn hoofd, en bleef zoo stil liggen alsof de tijd, waarbij zij hem bezworen had, reeds gekomen was. Zij bleef nog eene poos bij het bed staan, eer zij langzaam heenging. Bij de deur bleef zij weder staan, keek nog eens om toen zij die reeds geopend had, en vroeg of hij haar had geroepen. Maar hij bleef stil liggen, en zij sloot zachtjes de deur en ging weder naar hare kamer.Toen keek de rampzalige voorzichtig op, en ziende dat zij weg was, kroop hij zijn bed uit, draaide de deur op het nachtslot, en wierp zich weder op zijn leger. Daar lag hij zijne haren uit te trekken, schreiende van wrevelige spijt, vol wangunstige liefde voor haar, zich zelven verwenschende en verachtende, met bitterheid, maar zonder boetvaardig berouw, en vervuld van haat en wrok tegen al het goede op de wereld, dat hij in zijne verblinding even nietswaardig noemde als hij zelf was.
XXIV.DE UITBARSTING.De volgende morgen was te helder om te blijven slapen, en James Harthouse stond dus vroeg op en zette zich voor het opene uitstekvenster zijner kleedkamer met een dier fijne sigaren in den mond, die zulk een heilzamen invloed op zijn jongen vriend hadden gehad. In den zonneschijn rustende, terwijl de geur van het edele kruid hem omhulde en de droomerige rookwolkjes in de lucht opstegen, reeds vervuld met de welriekende uitwasemingen der zomerbloemen, telde hij zijne reeds behaalde voordeelen op, gelijk een onverschillig speler zijne winsten optelt. Voor het oogenblik was niemand hem lastig, en kon hij zich ongestoord daarmede bezighouden.Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, waar haar echtgenoot buitengesloten bleef. Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, die juist uit hare onverschilligheid voor haar man en het gebrek aan overeenstemming tusschen dit paar was ontsproten. Hij had haar op eene behendige manier, maar toch duidelijk, te verstaan gegeven, dat hij haar hart tot in de geheimste schuilhoeken kende; hij was juist door het teederste gevoel van dat hart haar nabijgekomen, en de ijskorst, die het als een muur omringde, was gesmolten. Alles zeer vreemd, en zeer streelend.En toch had hij, zelf nu nog, geene ernstige slechte voornemens. In het openbare en bijzondere leven zou het voor onze eeuw veel beter zijn, dat hij en het legioen zijner gelijken opzettelijk slecht waren, dan zoo onverschillig en doelloos. Het zijn de drijvende ijsbergen, met elken stroom overal heen zwalkende, die de schepen doen vergaan.Wanneer de duivel rondgaat gelijk een brullende leeuw, gaat hij rond in eene gedaante, waardoor weinigen dan wilden en jagers zich laten verlokken om hem te naderen. Maar wanneer hij naar de mode is opgekleed en opgepolijst; wanneer deugd en ondeugd hem evenzeer vervelen; wanneer hij den zwavelpoel en de zaligheid evenzeer moede is, dan is hij eerst de echte duivel.Zoo bleef James Harthouse voor het venster zitten, op zijn gemak rookende en de schreden tellende, welke hij gedaan had op den weg, dien hij toevallig had ingeslagen. Het einde, waartoe die weg voerde, lag vrij duidelijk voor hem, maar daarom bekommerde hij zich niet het minste. Wat gebeuren moet, moet gebeuren.Daar hij dien dag een tamelijk verren weg te rijden had—want er zou ergens eene openbare vergadering plaats hebben, die hem gelegenheid zou geven om stemmen te winnen—kleedde hij zich vroeg en ging toen naar beneden om te ontbijten. Hij was verlangend om te zien, of zij sedert den vorigen avond weder verkoeld was. Neen. Hij kon weder beginnen waar hij het gelaten had.Er was weder een blik vol vriendelijke belangstelling voor hem gereed.Hij kwam zoozeer (of zoo weinig), naar zijn genoegen door den dag heen, als onder de omstandigheden, die zulk eene vermoeienis van hem vergden, te wachten was, en kwam tegen zes ure terugrijden. De laan tusschen de portierswoning en het huis, die eene sierlijke bocht maakte, had eene tamelijke lengte, en hij reed stapvoets daarlangs voort, toen mijnheer Bounderby op eens het heesterplantsoen uitkwam, zoo driftig en onverwacht, dat het paard schichtig terugdeinsde.„Harthouse!” riep mijnheer Bounderby luidkeels. „Hebt gij het gehoord?”„Wat gehoord?” zeide Harthouse, zijn paard streelende om het te bedaren, onder het heimelijk uiten van een wensch, die niet veel goeds voor mijnheer Bounderby bevatte.„Dus hebt gijnietsgehoord?”„Ik heb u gehoord, en dat heeft dit beest ook. Anders niets.”Mijnheer Bounderby, die gloeiend rood was, plaatste zich midden op den weg, vlak voor het paard, om zijne bom met meer effect te laten springen.„Het kantoor is bestolen!”„Dat meent ge toch niet in ernst!”„Van nacht bestolen, mijnheer! Op een buitengewone manier bestolen! Met een valschen sleutel bestolen!”„Is het verlies groot?”Het scheen Bounderby, bij zijn verlangen om zooveel mogelijk gerucht van de zaak te maken, inderdaad te spijten, dat hij genoodzaakt was te antwoorden: „Neen, niet heel groot. Maar dat had het wel kunnen zijn?”„Hoe groot is het?”„O, wat de som betreft—als gij bij de som blijft—niet meer dan honderd vijftig pond,” antwoordde Bounderby wrevelig. „Maar het is de som niet; het is het feit. Het feit, dat het kantoor bestolen is, dat is eigenlijk het gewichtige. Het verwondert mij, dat gij dit niet begrijpt.”„Mijn beste Bounderby,” zeide James, terwijl hij van zijn paard stapte en de teugels aan zijn knecht overgaf, „dat begrijp ik zeer wel, en ik ben zoo erg, als gij maar verlangen kunt, ontsteld van het schouwspel, dat zich voor de oogen van mijn geest vertoont. Evenwel hoop ik, u te mogen feliciteeren dat gij geen grooter verlies hebt geleden, en ik verzeker u, dat doe ik met al mijn hart.”„Dank je,” antwoordde Bounderby op een stroeven toon. „Maar laat ik u eens wat zeggen. Het had ook twintig duizend pond kunnen zijn.”„Wel te denken.”„Wel te denken? Het is waarachtig wel te denken,” zeide Bounderby, gramstorig knikkende. „Het had tweemaal twintig kunnen zijn. Het is niet te zeggen hoeveel het had kunnen zijn, of niet kunnen zijn, als de kerels niet gestoord waren.”Louisa was nu aangekomen, tegelijk met mevrouw Sparsit en Bitzer.„Daar is Tom Gradgrind’s dochter, die tamelijk wel weet hoeveel het had kunnen zijn, als gij het niet weet,” hervatte Bounderby op zijn winderigsten toon. „Zij viel neer, alsof ze doodgeschoten was, toen zij het hoorde. Ik heb nooit te voren zoo iets van haar gezien. Het strekt haar onder deze omstandigheden tot eer, naar mijne gedachten.”Zij zag er nog bleek en ontsteld uit. James Harthouse bood haar zijn arm aan, en terwijl zij zeer langzaam voortwandelden, vroeg hij, hoe de diefstal gepleegd was.„Wel, dat wilde ik u juist vertellen,” zeide Bounderby, korzelig zijn arm aan mevrouw Sparsit gevende. „Als ge niet zoo machtig precies op de som waart geweest, zou ik daarmee begonnen zijn. Gij kent deze dame (want zij is eene geboren dame), mevrouw Sparsit?”„Ik heb reeds de eer gehad...”„Heel goed. En dit jonge mensch, Bitzer, hebt gij ook bij dezelfde gelegenheid gezien?”Mijnheer Harthouse knikte toestemmend, en Bitzer duwde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.„Heel goed. Zij wonen aan het kantoor. Gij weet misschien al, dat zij daar wonen? Heel goed. Gisteravond na den kantoortijd werd alles naar gewoonte geborgen en gesloten. In de ijzeren kamer, waarvoor die jongen slaapt, was—het doet er niet toe hoeveel. In het ijzeren kistje in de kamer van Tom, het kistje dat voor kleine sommen wordt gebruikt, was honderdvijftig pond of wat meer.”„Honderd vier en vijftig, zeven en een,” zeide Bitzer.„Pas op!” voer Bounderby uit, stilstaande om zich naar hem toe te keeren. „Val gij mij niet in de rede. Het is al genoeg bestolen te worden terwijl gij ligt te snorken, omdat gij het al te goed hebt, zonder dat gij mij in de rede behoeft te vallen om mij in een beuzeling terecht te zetten. Ik snorkte niet, toen ik zoo oud was als gij, laat ik u dat zeggen. Ik kreeg geen eten genoeg om te snorken. En ik viel iemand nietmetbeuzelingen in de rede, al wist ik er van.”Bitzer duwde op eene kruiperige manier zijne kneukels tegen zijn voorhoofd en scheen vooral door het laatste gezegde van zijn patroon zeer getroffen en verslagen.„Honderd vijftig pond ongeveer,” hervatte mijnheer Bounderby. „Die som had Tom in zijne geldkist gesloten; geen heel sterke kist, maar dat doet er nu niet toe. Alles was in orde toen men heenging. Op zekeren tijd van den nacht, toen die knaap lag te snorken—mevrouw Sparsit, gij zegt immers, dat gij hem hebt hooren snorken?”„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik kan niet zeggen, dat ik hem eigenlijk heb hooren snorken, en daarom mag ik zoo iets niet verklaren. Maar ’s avonds, in den winter, als hij op zijn stoel in slaap viel, heb ik hem wel eens een geluid hooren maken, om zoo te zeggen alsof hij half geworgd werd—het was omtrent hetzelfde geluid dat men somtijds in eene houten klok hoort. Niet,” vervolgde zij, met de verhevene bewustheid dat zij de waarheid huldigde door eene streng onpartijdige getuigenis te geven, „dat ik eenige blaam op zijn zedelijk karakter zou willen werpen. Ver van daar. Ik heb Bitzer altijd voor een jongmensch van de standvastigste beginselen gehouden, dat verzoek ik te mogen zeggen.”„Welnu,” hernam de vergramde Bounderby, „terwijl hij dan snorkte, of half geworgd werd, of een geluid maakte als eene houten klok, of iets van dien aard—terwijl hij lag te slapen, kortom—zijn eenige kerels—of zij te voren in huis verscholen waren of niet, staat nog te bezien—op eene of andere manier bij het geldkistje van Tom gekomen, hebben het opengebroken en weggepakt wat er in was. Toen gestoord wordende, hebben zij zich voortgemaakt, zich zelven de deur uitgelaten, en die weer op het nachtslot gedraaid—zij was op het nachtslot, en mevrouw Sparsit had den sleutel onder haar kussen—met een valschen sleutel, dien men vandaag tegen twaalf uur op straat, dicht bij het kantoor, heeft opgeraapt. Er werd geen alarm gemaakt, voordat deze knaap, Bitzer, des morgens opstond en de kamer in orde ging brengen. Toen ziet hij de deur van Tom’s kamer aanstaan, vindt het kistje opengebroken en het geld weg.”„A propos, waar is Tom?” vroeg Harthouse, in het rond kijkende.„Hij heeft de politie geholpen,” antwoordde Bounderby, „en is nog aan het kantoor. Ik wou, dat die kerels geprobeerd hadden om mij te bestelen toen ik zoo oud was als hij. Zij zouden er bij verloren hebben, al hadden zij maar achttien stuivers onkosten voor het karreweitje gemaakt, dat kan ik hun zeggen.”„Wordt er niemand verdacht?”„Verdacht? Dat zou ik denken!” antwoordde Bounderby, den arm van mevrouw Sparsit loslatende om zijn gloeiend voorhoofd af te vegen. „Waarachtig, Josiah Bounderby vanCoketownzal niet bestolen worden, zonder dat er iemand verdacht werdt. Neen, wel verplicht!”Mocht mijnheer Harthouse vragen wie er verdacht werd?„Wel, dat zal ik u zeggen,” antwoordde Bounderby, stilstaande en zich omdraaiende om al de anderen aan te zien. „Maar het moet niet verder verteld worden. Niemand moet er iets van hooren, om de schelmen, die er in betrokken zijn—het is eene geheele bende—niet te waarschuwen. Dit dus in vertrouwen. Wat zoudt gij zeggen,” barstte hij geweldig uit, „als er een van mijne werklieden in betrokken was?”„Ik hoop niet onze vriend Blackpot?” zeide Harthouse op een onverschilligen, slependen toon.„Zeg Pool in plaats van Pot, mijnheer,” antwoordde Bounderby, „en het is de man.”Louisa liet een flauwen uitroep van verwondering en ongeloof hooren.„O ja, dat weet ik wel,” zeide Bounderby, hierop terstond vuur vattende. „Daaraan ben ik gewend. Dat ken ik alles van buiten. Zij zijn de braafste menschen van de wereld, dat volk. Zij kunnen machtig mooi praten. Zij willen maar hebben dat men hun verklaart welke rechten zij hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Wijs mij een onvergenoegd werkman, en ik zal u iemand wijzen, die tot alle slechtheid in staat is, onverschillig welke.”Dit was weder een der algemeenheden vanCoketown, welke men met tamelijk veel moeite had verspreid, waaraan sommige menschen werkelijk geloofden.„Maar ik ken die knapen,” hervatte Bounderby. „Ik kan hen lezen als een boek. Mevrouw Sparsit, ik beroep mij op u. Welke waarschuwing heb ik dien kerel gegeven, de eerste maal toen hij een voet bij mij in huis zette, en zijn uitdrukkelijk oogmerk was te komen vragen, hoe hij de godsdienst en de gevestigde Kerk zou kunnen overhoop smijten? Mevrouw Sparsit, wat aanzienlijkheid van betrekkingen aangaat, staat gij gelijk met de aristocratie—heb ik toen niet tegen dien kerel gezegd: „Gij kunt de waarheid niet voor mij verbergen; gij zijt geen man die mij bevalt en het zal niet goed met u afloopen?”„Zeer zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „gij hebt hem op eene zeer nadrukkelijke manier eene vermaning van dien aard gegeven.”„Toen hij u zoo geërgerd en uw gevoel zoo gekwetst had, juffrouw?” zeide Bounderby.„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schudde met zachtaardige treurigheid haar hoofd, „dat had hij wèl gedaan. Hoewel ik niet wil tegenspreken, dat mijn gevoel op zulke punten teerder is—overdrevener, als men die uitdrukking beter vindt—dan het wezen zou, indien ik altijd mijne tegenwoordige betrekking had bekleed.”Bijna barstende van hoogmoed, staarde Bounderby zijn vriend aan, als wilde hij zeggen: „ik ben de eigenaar van die vrouw, en zij is uwe aandacht wel waardig, zou ik denken?” Daarop hervatte hij zijne rede.„Gij zult u wel herinneren, Harthouse, wat ik tegen hem zeide toen gij hem zaagt. Ik wond er volstrekt geen doekjes om. Ik ben nooitzoetsappig met hen. Ik ken ze. Heel goed, mijnheer. Drie dagen naderhand liep hij weg—ging voort, niemand weet waarheen—gelijk mijne moeder gedaan heeft toen ik een kind was, alleen met dit verschil, dat hij zoo mogelijk nog slechter was dan mijne moeder. En wat heeft hij nu gedaan eer hij heenging? Wat zegt gij er van,”—met zijn hoed in de hand, gaf de spreker bij elke afdeeling zijner rede een tik op den bol, alsof het eene tamboerijn was—„dat men hem avond op avond bij het kantoor op de wacht heeft gezien—dat hij na den donker daar bleef loeren—dat het mevrouw Sparsit dadelijk inviel, dat hij met geen goed oogmerk zoo loeren kon—dat zij Bitzer opmerkzaam op hem maakte en zij hem alle twee in het oog hielden—en dat het vandaag door navraag gebleken is, dat ook de buren op hem gelet hebben?” Tot dit toppunt zijner welsprekendheid gekomen, zette Bounderby, gelijk een Oostersche danser, zijne tamboerijn op het hoofd.„Dat luidt zeker verdacht,” zeide James Harthouse.„Dat dunkt mij ook, mijnheer,” hervatte Bounderby, met een uitdagend knikje. „Dat dunkt mij ook. Maar er zijn er nog meer in betrokken. Er is eene oude vrouw. Men hoort nooit van die dingen eer het kwaad gebeurd is; men vindt allerlei gebreken aan de staldeur als het paard gestolen is. Nu komt er een oud wijf voor den dag, een oud wijf, dat naar het schijnt, van tijd tot tijd op een bezemstok naar de stad is komen vliegen. Zij houdt een geheelen dag de wacht voor het kantoor eer die kerel begint, en op den avond toen gij hem gezien hebt, sluipt zij met hem heen om overleg met hem te houden—denkelijk om rapport te doen eer zij haar post verliet—dat duivelsche wijf.”Er was dien avond zulk eene vrouw in de kamer, en zij scheen zich te willen schuilhouden, dacht Louisa.KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).„Dit zijn ze nog niet eens allen, zooveel wij nu reeds weten,” zeide Bounderby, verscheidene malen geheimzinnig knikkende. „Maar ik heb voor het oogenblik genoegd gezegd. Gij zult wel zoo goed zijn om het stil te houden en er niemand over te spreken. Het zal misschien tijd kosten, maar wij zullen hen wel krijgen. Het is voorzichtig hen niet ongerust te maken, en het kan geen kwaad, dat zij vrij spel schijnen te hebben.”„Natuurlijk zullen zij met de grootste strengheid der wet gestraft worden, gelijk de publicaties zeggen,” antwoordde James Harthouse, „en dat is goed ook. Kerels, die kantoren bestelen,moeten de gevolgen maar ondervinden. Als er geene gevolgen waren zou iedereen kantoren gaan bestelen.”Hij had Louisa zacht hare parasol uit de hand genomen en voor haar opgezet; en zij wandelden onder dier schaduw, hoewel de zon daar niet scheen.„Vooreerst, Louisa Bounderby,” zeide haar echtgenoot, „moet er om mevrouw Sparsit gedacht worden. Hare zenuwen hebben door die historie een schok gekregen, en zij zal een paar dagen hier blijven. Maak dus, dat zij het hier naar haar genoegen heeft.”„Ik dank u wel zeer, mijnheer,” zeide deze bescheidene dame hierop, „maar ik bid u, laat mijn genoegen niemand bekommeren. Voor mij is alles goed genoeg.”Het bleek spoedig, dat, indien mevrouw Sparsit in het huiselijke verkeer één gebrek had, het dit was, dat zij buitengemeen weinig werk van zich zelve en zooveel van anderen maakte, dat zij daardoor zeer onaangenaam en lastig werd. Toen men haar hare kamer wees, was zij zoo schrikkelijk gevoelig voor hetcomfortabledaarvan, dat zij niet nalaten kon te zeggen, dat zij liever op den mangel in de strijkkamer den nacht had willen doorbrengen. ’t Was waar, de Powler’s en de Scadgers’ waren aan weelde gewoon; „maar het is mijn plicht te onthouden,” merkte mevrouw Sparsit gaarne met deftige minzaamheid aan, inzonderheid als er dienstboden bij waren, „dat ik niet meer ben wat ik was. Inderdaad,” zeide zij, „als ik geheel en al de herinnering kon uitwisschen, dat mijnheer Sparsit een Powler was, en dat ik zelf met de familie Scadgers vermaagschapt ben; of als ik zelf dat feit kon herroepen en mij zelve tot een persoon van gemeene afkomst en burgerlijke betrekkingen maken, zou ik het zeer gaarne doen. Ik zou onder de bestaande omstandigheden denken, dat ik daaraan wèl zou doen.” Dezelfde ootmoedige nederigheid deed haar aan tafel alle kunstmatig toebereide schotels afwijzen en voor wijn bedanken, totdat mijnheer Bounderby haar ronduit gebood om er van te gebruiken; waarna zij zeide: „Gij zijt waarlijk wel goed, mijnheer,” en daarmede haar openlijk met vrij veel deftigheid aangekondigd besluit verzaakte „om op den eenvoudigen schapebout te wachten.” Zij verzocht ook met diepe nederigheid verschooning als zij het zout verlangde; en zich verplicht achtende, om de getuigenis, die mijnheer Bounderby van hare zenuwen had gegeven, ten volle te bekrachtigen, liet zij zich nu en dan op haar stoel achteroverzakken om stil te schreien, en dan kon men (of liever moest men, want de zaak drong zich met geweld aan de aandacht op) een traan, zoo groot als eene kristallen oorbel, langs haar Romeinschen neus zien afrollen.Hare grootste kracht evenwel, van het begin tot het einde, lag in de hardnekkigheid van haar medelijden met mijnheer Bounderby. Het gebeurde dikwijls dat zij, als zij hem aanzag, onwillekeurig haar hoofd moest schudden, alsof zij wilde zeggen: „Helaas, arme Job.” Nadat zij zich tot zulk een blijk van aandoening had laten verleiden, dwong zij zich tot eene opflikkering van vroolijkheid, en zeide dan met in het oog loopende opgeruimdheid: „Gij zijt altijd nog frisch en vroolijk, mijnheer; ik ben hartelijk blijde dit te zien;” en het scheen dan, dat zij het voor een soort van wonder hield dat mijnheer Bounderby zoo gezond en welgemoed bleef. Eén zwak, waarvoor zij dikwijls verschooning verzocht, vond zij bijzonder moeielijk te verwinnen. Zij had eene zonderlinge neiging om mevrouw Bounderby Miss Gradgrind te noemen, en liet zich vijftig- of zestigmaal op een avond daardoor verrassen. De gedurige herhaling van dat verspreken overstelpte haar met verlegenheid en schaamte; maar, zeide zij, het was haar zoo gewoon en natuurlijk, Miss Gradgrind te zeggen, terwijl het haar bijna onmogelijk was zich te overreden, dat de jongejuffer, die zij het geluk had gehad van een kind af te kennen, nu waarlijk en werkelijk mevrouw Bounderby kon wezen. Eene verdere bijzonderheid van dit opmerkelijk geval was, dat het haar, hoe meer zij er over nadacht, des te onmogelijker voorkwam, „want het verschil,” zeide zij, „was toch zoo verbazend groot.”Na den maaltijd begon mijnheer Bounderby in het salon zelf aan het proces over den diefstal, verhoorde de getuigen, vond de verdachte personen schuldig, en veroordeelde hen tot de strengste straf welke de wet toeliet. Dit gedaan zijnde, werd Bitzer naar de stad gezonden, om Tom met den laatsten spoortrein naar huis te doen komen.Toen er licht was binnengebracht, prevelde mevrouw Sparsit: „Wees nu niet neerslachtig, mijnheer. Ik bid u, laat ik u weer zoo opgeruimd zien als gij placht te zijn.”Mijnheer Bounderby,bij wien deze troostredenen teweegbrachten dat hij op eene botte, stommelige manier sentimenteel begon te worden, slaakte een zucht als een groot zeemonster.„Ik kan u zoo niet zien, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Ga eens een spelletje triktrak spelen, gelijk gij placht te doen toen ik de eer had van onder uw dak te wonen.”„Ik heb sedert geentriktrakmeer gespeeld, juffrouw,” antwoordde Bounderby.„Neen, mijnheer, dat weet ik wel,” hervatte mevrouw Sparsit troostend. „Ik herinner mij, dat Miss Gradgrind geene liefhebberij heeft in dat spel. Maar ik zou het zeer gaarne nog eens willen doen, als gij zoo goed woudt zijn.”Zij zaten te spelen bij een venster, dat op den tuin uitzag. Het was een heerlijke avond,wel zonder maneschijn, maar zoel en geurig. Louisa en mijnheer Harthouse wandelden door den tuin, waar men in stilte hunne stemmen kon hooren, hoewel niet verstaan wat zij zeiden. Mevrouw Sparsit, voor het bord gezeten, spande gedurig hare oogen in om door de duisternis daar buiten heen te boren.„Wat is er, juffrouw?” zeide Bounderby. „Gij ziet toch geen brand?”„O Heere neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Ik dacht aan den dauw.”„Wat hebt gij met den dauw te maken, juffrouw?” hervatte Bounderby.„Het is niet voor mij zelve, mijnheer,” was het antwoord, „maar ik ben bang, dat Miss Gradgrind kou zal vatten.”„Zij vat nooit kou,” zeide Bounderby.„Inderdaad, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit hierop, en kreeg toen een kuchje.Toen het tijd werd om naar bed te gaan, nam mijnheer Bounderby een glas water.„O, mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit, „niet uw warmen wijn met citroenschillen en muskaat?”„Och, dat ben ik tegenwoordig afgewend, juffrouw,” antwoordde Bounderby.„Dat is wèl jammer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Gij verliest al uwe goede oude gewoonten. Kom, beur u wat op, mijnheer! Als Miss Gradgrind het mij vergunt, zal ik een glas voor u klaarmaken, zooals ik dikwijls gedaan heb.”Daar Miss Gradgrind bereid was om mevrouw Sparsit alles te vergunnen wat haar maar beliefde, maakte die bedachtzame dame een glas van den bedoelden smakelijken drank gereed en gaf het aan mijnheer Bounderby.„Het zal u goeddoen, mijnheer. Het zal uw hart verwarmen,” zeide zij. „Het is juist wat gij noodig hebt en altijd moest gebruiken.”En toen mijnheer Bounderby zeide: „Uwe gezondheid, juffrouw,” antwoordde zij met diep gevoel: „Dank u, mijnheer. Ik wensch u hetzelfde, en ook dat gij gelukkig moogt zijn.”Eindelijk wenschte zij hem met buitengemeene aandoening goedennacht; en mijnheer Bounderby ging naar bed met eene benevelde bewustheid, dat hij in een of ander opzicht ongelukkig was, hoewel hij, al ware het om zijn leven te doen geweest, niet had kunnen zeggen wat hem eigenlijk scheelde.Lang nadat Louisa zich had ontkleed en te bed begeven, bleef zij wakend naar de thuiskomst van haar broeder liggen wachten. Hij kon niet wel vroeger komen, dit wist zij, dan een uur na middernacht; maar in de landelijke stilte, die het onrustige harer gedachten veeleer vergrootte dan bedaarde, ging de tijd zeer langzaam om. Eindelijk toen de duisternis en de stilte, die elkander wederkeerig nog drukkender maakten, uren lang schenen geduurd te hebben, hoorde zij de schel aan het hek. Het was haar of zij blijde zou zijn geweest, als die schel tot aan den dageraad was blijven luiden; maar het hield op, de kringen van den laatsten klank breidden zich al verder en flauwer in de lucht uit, en alles was weder doodstil.Zij wachtte nog een kwartier uurs naar hare gissing. Toen stond zij op, trok een los kleed aan, en ging in het donker hare kamer uit en de trap op naar haar broeders vertrek. Daar de deur gesloten was, opende zij die en sprak om hem te waarschuwen dat zij het was, terwijl zij op de teenen naar zijn bed kwam.Zij knielde daarbij neer, sloeg haar arm om zijn hals en trok zijn gezicht naar het hare toe. Zij wist wel, dat hij slechts veinsde te slapen, maar zeide nog niets.Weldra maakte hij eene beweging alsof hij toen pas ontwaakte, en vroeg wie daar was en wat er te doen was.„Tom,” zeide zij, „hebt gij mij niet iets te zeggen? Als gij mij ooit in uw leven liefgehad hebt, en iets hebt, dat gij voor alle andere menschen verborgen houdt, zeg het mij dan.”„Ik weet niet wat gij meent, Louisa. Gij moet gedroomd hebben.”„Lieve broeder,”—zij liet haar hoofd op zijn kussen zinken, en hare haren golfden over hem heen, alsof zij hem voor iedereen wilde verbergen—„is er niets, dat gij mij te zeggen hebt? Is er niets, dat ge mij zeggen kunt, als gij wilt? Gij kunt mij niets zeggen, dat mij voor u zal doen veranderen. O Tom, zeg mij de waarheid.”„Ik weet niet wat gij meent, Louisa.”„Gelijk gij daar alleen ligt, lieve broeder, in den akeligen nacht, zoo moet gij eens in een anderen nacht ergens liggen, wanneer zelfs ik, als ik dan nog leef, u zal verlaten hebben. Gelijk ik hier naast u ben, blootsvoets, ongekleed, onherkenbaar in de duisternis, zoo moet ik liggen door den ganschen nacht mijner ontbinding, totdat ik stof ben. In den naam van dien tijd, Tom, zeg mij nu de waarheid.”„Wat is het, dat gij weten wilt?”„Gij kunt zeker zijn,” en in het vuur harer liefde drukte zij hem aan hare borst alsof hij een kind was, „dat ik u geen verwijt zal doen. Gij kunt zeker zijn, dat ik medelijden met u zal hebben en u trouw zal zijn. Gij kunt zeker zijn dat ik u zal redden, wat het ook mag kosten. O Tom, hebt ge mij niets te zeggen? Fluister het maar heel zacht. Zeg maar „ja,” en ik zal u verstaan.”Zij keerde haar oor naar zijn mond, maar hij bleef stug stilzwijgen.„Geen woord, Tom?”„Hoe kan ik ja zeggen, of hoe kan ik neen zeggen, als ik niet weet wat gij meent? Louisa, gij zijt eene goede, brave meid, en een beterbroeder waard dan ik ben, begin ik nu te denken. Maar ik heb niets meer te zeggen. Ga naar bed, ga naar bed.”„Gij zijt vermoeid,” fluisterde zij nu, meer op haar gewonen toon.„Ja, ik ben geheel afgemat.”„Gij hebt vandaag zooveel onrust en gewoel gehad. Zijn er nog nieuwe ontdekkingen gedaan?”„Alleen die, waarvan gij gehoord hebt, van—hem.”„Tom, hebt gij iemand gezegd, dat wij die menschen hebben opgezocht, en dat wij die drie bij elkander hebben gezien?”„Neen. Hebt ge mij zelve niet uitdrukkelijk verzocht om het stil te houden, toen ge mij vroegt om met u daarheen te gaan?”„Ja. Maar ik wist toen niet wat er gebeuren zou.”„Ik ook niet. Hoe zou ik het geweten hebben?”Hij gaf dit antwoord zeer snel en eenigszins bits.„Zou ik, na hetgeen er gebeurd is, behooren te zeggen, dat ik daar geweest ben?” zeide zijne zuster, bij het bed staande—zij had zich langzamerhand teruggetrokken en was overeind gaan staan. „Zou ik het zeggen? Moet ik het zeggen?”„Goede Hemel, Louisa,” antwoordde haar broeder, „ge zijt niet gewoon mij om raad te vragen. Zeg wat gij wilt. Als gij het voor u zelve houdt, zal ik het ook voor mij zelven houden. Als gij het openbaart, is het mij ook wel.”Het was te donker dan dat zij elkanders gezicht konden zien; maar beiden schenen zeer oplettend te zijn en zich te bedenken eer zij spraken.„Tom, gelooft gij, dat de man, aan wien ik dat geld gegeven heb, werkelijk in deze misdaad betrokken is?”„Dat weet ik niet. Ik zie niet in waarom niet.”„Hij kwam mij toen een eerlijk man voor.”„Iemand anders kan u oneerlijk voorkomen en het toch niet zijn.”Er volgde eene poos van stilte, want hij had gehaperd toen hij verder wilde spreken, en daarna gezwegen.„Kortom,” hervatte hij, alsof hij zijn besluit had genomen, „als gij daarop komt, was ik er misschien zoo ver van af om volkomen gunstig over hem te denken, dat ik hem buiten de deur nam om hem in stilte te zeggen, dat hij er, naar mijne gedachten, zeer wel afkwam met nog zulk een buitenkansje van mijne zuster te krijgen, en dat ik hoopte, dat hij er een goed gebruik van zou maken. Ik zeg evenwel niets tegen den man. Hij mag een heel brave kerel zijn, voor zooveel ik weet. Ik hoop, dat hij het is.”„Was hij beleedigd door dat zeggen van u?”„Neen, hij nam het tamelijk wel op; hij was beleefd genoeg. Waar zijt ge, Louisa?” Hij kwam in het bed overeind en kuste haar. „Goeden nacht, lieve, goedenacht!”„Gij hebt mij niets meer te zeggen?”„Neen. Wat zou ik te zeggen hebben? Of zoudt ge willen, dat ik eene leugen vertelde?”„Van nacht vooral zou ik dat niet willen, Tom, onder al de nachten van uw leven, hoevelen en hoeveel gelukkiger ik ook hoop dat zij zijn zullen.”„Dank u, lieve Louisa. Ik ben zoo moe, dat ik mij haast verwonder dat ik niet alles zeg wat gij wilt, om maar te kunnen gaan slapen. Ga naar bed, ga naar bed.”Hij gaf haar nog een kus, keerde zich toen om, trok het dek over zijn hoofd, en bleef zoo stil liggen alsof de tijd, waarbij zij hem bezworen had, reeds gekomen was. Zij bleef nog eene poos bij het bed staan, eer zij langzaam heenging. Bij de deur bleef zij weder staan, keek nog eens om toen zij die reeds geopend had, en vroeg of hij haar had geroepen. Maar hij bleef stil liggen, en zij sloot zachtjes de deur en ging weder naar hare kamer.Toen keek de rampzalige voorzichtig op, en ziende dat zij weg was, kroop hij zijn bed uit, draaide de deur op het nachtslot, en wierp zich weder op zijn leger. Daar lag hij zijne haren uit te trekken, schreiende van wrevelige spijt, vol wangunstige liefde voor haar, zich zelven verwenschende en verachtende, met bitterheid, maar zonder boetvaardig berouw, en vervuld van haat en wrok tegen al het goede op de wereld, dat hij in zijne verblinding even nietswaardig noemde als hij zelf was.
XXIV.DE UITBARSTING.
De volgende morgen was te helder om te blijven slapen, en James Harthouse stond dus vroeg op en zette zich voor het opene uitstekvenster zijner kleedkamer met een dier fijne sigaren in den mond, die zulk een heilzamen invloed op zijn jongen vriend hadden gehad. In den zonneschijn rustende, terwijl de geur van het edele kruid hem omhulde en de droomerige rookwolkjes in de lucht opstegen, reeds vervuld met de welriekende uitwasemingen der zomerbloemen, telde hij zijne reeds behaalde voordeelen op, gelijk een onverschillig speler zijne winsten optelt. Voor het oogenblik was niemand hem lastig, en kon hij zich ongestoord daarmede bezighouden.Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, waar haar echtgenoot buitengesloten bleef. Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, die juist uit hare onverschilligheid voor haar man en het gebrek aan overeenstemming tusschen dit paar was ontsproten. Hij had haar op eene behendige manier, maar toch duidelijk, te verstaan gegeven, dat hij haar hart tot in de geheimste schuilhoeken kende; hij was juist door het teederste gevoel van dat hart haar nabijgekomen, en de ijskorst, die het als een muur omringde, was gesmolten. Alles zeer vreemd, en zeer streelend.En toch had hij, zelf nu nog, geene ernstige slechte voornemens. In het openbare en bijzondere leven zou het voor onze eeuw veel beter zijn, dat hij en het legioen zijner gelijken opzettelijk slecht waren, dan zoo onverschillig en doelloos. Het zijn de drijvende ijsbergen, met elken stroom overal heen zwalkende, die de schepen doen vergaan.Wanneer de duivel rondgaat gelijk een brullende leeuw, gaat hij rond in eene gedaante, waardoor weinigen dan wilden en jagers zich laten verlokken om hem te naderen. Maar wanneer hij naar de mode is opgekleed en opgepolijst; wanneer deugd en ondeugd hem evenzeer vervelen; wanneer hij den zwavelpoel en de zaligheid evenzeer moede is, dan is hij eerst de echte duivel.Zoo bleef James Harthouse voor het venster zitten, op zijn gemak rookende en de schreden tellende, welke hij gedaan had op den weg, dien hij toevallig had ingeslagen. Het einde, waartoe die weg voerde, lag vrij duidelijk voor hem, maar daarom bekommerde hij zich niet het minste. Wat gebeuren moet, moet gebeuren.Daar hij dien dag een tamelijk verren weg te rijden had—want er zou ergens eene openbare vergadering plaats hebben, die hem gelegenheid zou geven om stemmen te winnen—kleedde hij zich vroeg en ging toen naar beneden om te ontbijten. Hij was verlangend om te zien, of zij sedert den vorigen avond weder verkoeld was. Neen. Hij kon weder beginnen waar hij het gelaten had.Er was weder een blik vol vriendelijke belangstelling voor hem gereed.Hij kwam zoozeer (of zoo weinig), naar zijn genoegen door den dag heen, als onder de omstandigheden, die zulk eene vermoeienis van hem vergden, te wachten was, en kwam tegen zes ure terugrijden. De laan tusschen de portierswoning en het huis, die eene sierlijke bocht maakte, had eene tamelijke lengte, en hij reed stapvoets daarlangs voort, toen mijnheer Bounderby op eens het heesterplantsoen uitkwam, zoo driftig en onverwacht, dat het paard schichtig terugdeinsde.„Harthouse!” riep mijnheer Bounderby luidkeels. „Hebt gij het gehoord?”„Wat gehoord?” zeide Harthouse, zijn paard streelende om het te bedaren, onder het heimelijk uiten van een wensch, die niet veel goeds voor mijnheer Bounderby bevatte.„Dus hebt gijnietsgehoord?”„Ik heb u gehoord, en dat heeft dit beest ook. Anders niets.”Mijnheer Bounderby, die gloeiend rood was, plaatste zich midden op den weg, vlak voor het paard, om zijne bom met meer effect te laten springen.„Het kantoor is bestolen!”„Dat meent ge toch niet in ernst!”„Van nacht bestolen, mijnheer! Op een buitengewone manier bestolen! Met een valschen sleutel bestolen!”„Is het verlies groot?”Het scheen Bounderby, bij zijn verlangen om zooveel mogelijk gerucht van de zaak te maken, inderdaad te spijten, dat hij genoodzaakt was te antwoorden: „Neen, niet heel groot. Maar dat had het wel kunnen zijn?”„Hoe groot is het?”„O, wat de som betreft—als gij bij de som blijft—niet meer dan honderd vijftig pond,” antwoordde Bounderby wrevelig. „Maar het is de som niet; het is het feit. Het feit, dat het kantoor bestolen is, dat is eigenlijk het gewichtige. Het verwondert mij, dat gij dit niet begrijpt.”„Mijn beste Bounderby,” zeide James, terwijl hij van zijn paard stapte en de teugels aan zijn knecht overgaf, „dat begrijp ik zeer wel, en ik ben zoo erg, als gij maar verlangen kunt, ontsteld van het schouwspel, dat zich voor de oogen van mijn geest vertoont. Evenwel hoop ik, u te mogen feliciteeren dat gij geen grooter verlies hebt geleden, en ik verzeker u, dat doe ik met al mijn hart.”„Dank je,” antwoordde Bounderby op een stroeven toon. „Maar laat ik u eens wat zeggen. Het had ook twintig duizend pond kunnen zijn.”„Wel te denken.”„Wel te denken? Het is waarachtig wel te denken,” zeide Bounderby, gramstorig knikkende. „Het had tweemaal twintig kunnen zijn. Het is niet te zeggen hoeveel het had kunnen zijn, of niet kunnen zijn, als de kerels niet gestoord waren.”Louisa was nu aangekomen, tegelijk met mevrouw Sparsit en Bitzer.„Daar is Tom Gradgrind’s dochter, die tamelijk wel weet hoeveel het had kunnen zijn, als gij het niet weet,” hervatte Bounderby op zijn winderigsten toon. „Zij viel neer, alsof ze doodgeschoten was, toen zij het hoorde. Ik heb nooit te voren zoo iets van haar gezien. Het strekt haar onder deze omstandigheden tot eer, naar mijne gedachten.”Zij zag er nog bleek en ontsteld uit. James Harthouse bood haar zijn arm aan, en terwijl zij zeer langzaam voortwandelden, vroeg hij, hoe de diefstal gepleegd was.„Wel, dat wilde ik u juist vertellen,” zeide Bounderby, korzelig zijn arm aan mevrouw Sparsit gevende. „Als ge niet zoo machtig precies op de som waart geweest, zou ik daarmee begonnen zijn. Gij kent deze dame (want zij is eene geboren dame), mevrouw Sparsit?”„Ik heb reeds de eer gehad...”„Heel goed. En dit jonge mensch, Bitzer, hebt gij ook bij dezelfde gelegenheid gezien?”Mijnheer Harthouse knikte toestemmend, en Bitzer duwde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.„Heel goed. Zij wonen aan het kantoor. Gij weet misschien al, dat zij daar wonen? Heel goed. Gisteravond na den kantoortijd werd alles naar gewoonte geborgen en gesloten. In de ijzeren kamer, waarvoor die jongen slaapt, was—het doet er niet toe hoeveel. In het ijzeren kistje in de kamer van Tom, het kistje dat voor kleine sommen wordt gebruikt, was honderdvijftig pond of wat meer.”„Honderd vier en vijftig, zeven en een,” zeide Bitzer.„Pas op!” voer Bounderby uit, stilstaande om zich naar hem toe te keeren. „Val gij mij niet in de rede. Het is al genoeg bestolen te worden terwijl gij ligt te snorken, omdat gij het al te goed hebt, zonder dat gij mij in de rede behoeft te vallen om mij in een beuzeling terecht te zetten. Ik snorkte niet, toen ik zoo oud was als gij, laat ik u dat zeggen. Ik kreeg geen eten genoeg om te snorken. En ik viel iemand nietmetbeuzelingen in de rede, al wist ik er van.”Bitzer duwde op eene kruiperige manier zijne kneukels tegen zijn voorhoofd en scheen vooral door het laatste gezegde van zijn patroon zeer getroffen en verslagen.„Honderd vijftig pond ongeveer,” hervatte mijnheer Bounderby. „Die som had Tom in zijne geldkist gesloten; geen heel sterke kist, maar dat doet er nu niet toe. Alles was in orde toen men heenging. Op zekeren tijd van den nacht, toen die knaap lag te snorken—mevrouw Sparsit, gij zegt immers, dat gij hem hebt hooren snorken?”„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik kan niet zeggen, dat ik hem eigenlijk heb hooren snorken, en daarom mag ik zoo iets niet verklaren. Maar ’s avonds, in den winter, als hij op zijn stoel in slaap viel, heb ik hem wel eens een geluid hooren maken, om zoo te zeggen alsof hij half geworgd werd—het was omtrent hetzelfde geluid dat men somtijds in eene houten klok hoort. Niet,” vervolgde zij, met de verhevene bewustheid dat zij de waarheid huldigde door eene streng onpartijdige getuigenis te geven, „dat ik eenige blaam op zijn zedelijk karakter zou willen werpen. Ver van daar. Ik heb Bitzer altijd voor een jongmensch van de standvastigste beginselen gehouden, dat verzoek ik te mogen zeggen.”„Welnu,” hernam de vergramde Bounderby, „terwijl hij dan snorkte, of half geworgd werd, of een geluid maakte als eene houten klok, of iets van dien aard—terwijl hij lag te slapen, kortom—zijn eenige kerels—of zij te voren in huis verscholen waren of niet, staat nog te bezien—op eene of andere manier bij het geldkistje van Tom gekomen, hebben het opengebroken en weggepakt wat er in was. Toen gestoord wordende, hebben zij zich voortgemaakt, zich zelven de deur uitgelaten, en die weer op het nachtslot gedraaid—zij was op het nachtslot, en mevrouw Sparsit had den sleutel onder haar kussen—met een valschen sleutel, dien men vandaag tegen twaalf uur op straat, dicht bij het kantoor, heeft opgeraapt. Er werd geen alarm gemaakt, voordat deze knaap, Bitzer, des morgens opstond en de kamer in orde ging brengen. Toen ziet hij de deur van Tom’s kamer aanstaan, vindt het kistje opengebroken en het geld weg.”„A propos, waar is Tom?” vroeg Harthouse, in het rond kijkende.„Hij heeft de politie geholpen,” antwoordde Bounderby, „en is nog aan het kantoor. Ik wou, dat die kerels geprobeerd hadden om mij te bestelen toen ik zoo oud was als hij. Zij zouden er bij verloren hebben, al hadden zij maar achttien stuivers onkosten voor het karreweitje gemaakt, dat kan ik hun zeggen.”„Wordt er niemand verdacht?”„Verdacht? Dat zou ik denken!” antwoordde Bounderby, den arm van mevrouw Sparsit loslatende om zijn gloeiend voorhoofd af te vegen. „Waarachtig, Josiah Bounderby vanCoketownzal niet bestolen worden, zonder dat er iemand verdacht werdt. Neen, wel verplicht!”Mocht mijnheer Harthouse vragen wie er verdacht werd?„Wel, dat zal ik u zeggen,” antwoordde Bounderby, stilstaande en zich omdraaiende om al de anderen aan te zien. „Maar het moet niet verder verteld worden. Niemand moet er iets van hooren, om de schelmen, die er in betrokken zijn—het is eene geheele bende—niet te waarschuwen. Dit dus in vertrouwen. Wat zoudt gij zeggen,” barstte hij geweldig uit, „als er een van mijne werklieden in betrokken was?”„Ik hoop niet onze vriend Blackpot?” zeide Harthouse op een onverschilligen, slependen toon.„Zeg Pool in plaats van Pot, mijnheer,” antwoordde Bounderby, „en het is de man.”Louisa liet een flauwen uitroep van verwondering en ongeloof hooren.„O ja, dat weet ik wel,” zeide Bounderby, hierop terstond vuur vattende. „Daaraan ben ik gewend. Dat ken ik alles van buiten. Zij zijn de braafste menschen van de wereld, dat volk. Zij kunnen machtig mooi praten. Zij willen maar hebben dat men hun verklaart welke rechten zij hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Wijs mij een onvergenoegd werkman, en ik zal u iemand wijzen, die tot alle slechtheid in staat is, onverschillig welke.”Dit was weder een der algemeenheden vanCoketown, welke men met tamelijk veel moeite had verspreid, waaraan sommige menschen werkelijk geloofden.„Maar ik ken die knapen,” hervatte Bounderby. „Ik kan hen lezen als een boek. Mevrouw Sparsit, ik beroep mij op u. Welke waarschuwing heb ik dien kerel gegeven, de eerste maal toen hij een voet bij mij in huis zette, en zijn uitdrukkelijk oogmerk was te komen vragen, hoe hij de godsdienst en de gevestigde Kerk zou kunnen overhoop smijten? Mevrouw Sparsit, wat aanzienlijkheid van betrekkingen aangaat, staat gij gelijk met de aristocratie—heb ik toen niet tegen dien kerel gezegd: „Gij kunt de waarheid niet voor mij verbergen; gij zijt geen man die mij bevalt en het zal niet goed met u afloopen?”„Zeer zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „gij hebt hem op eene zeer nadrukkelijke manier eene vermaning van dien aard gegeven.”„Toen hij u zoo geërgerd en uw gevoel zoo gekwetst had, juffrouw?” zeide Bounderby.„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schudde met zachtaardige treurigheid haar hoofd, „dat had hij wèl gedaan. Hoewel ik niet wil tegenspreken, dat mijn gevoel op zulke punten teerder is—overdrevener, als men die uitdrukking beter vindt—dan het wezen zou, indien ik altijd mijne tegenwoordige betrekking had bekleed.”Bijna barstende van hoogmoed, staarde Bounderby zijn vriend aan, als wilde hij zeggen: „ik ben de eigenaar van die vrouw, en zij is uwe aandacht wel waardig, zou ik denken?” Daarop hervatte hij zijne rede.„Gij zult u wel herinneren, Harthouse, wat ik tegen hem zeide toen gij hem zaagt. Ik wond er volstrekt geen doekjes om. Ik ben nooitzoetsappig met hen. Ik ken ze. Heel goed, mijnheer. Drie dagen naderhand liep hij weg—ging voort, niemand weet waarheen—gelijk mijne moeder gedaan heeft toen ik een kind was, alleen met dit verschil, dat hij zoo mogelijk nog slechter was dan mijne moeder. En wat heeft hij nu gedaan eer hij heenging? Wat zegt gij er van,”—met zijn hoed in de hand, gaf de spreker bij elke afdeeling zijner rede een tik op den bol, alsof het eene tamboerijn was—„dat men hem avond op avond bij het kantoor op de wacht heeft gezien—dat hij na den donker daar bleef loeren—dat het mevrouw Sparsit dadelijk inviel, dat hij met geen goed oogmerk zoo loeren kon—dat zij Bitzer opmerkzaam op hem maakte en zij hem alle twee in het oog hielden—en dat het vandaag door navraag gebleken is, dat ook de buren op hem gelet hebben?” Tot dit toppunt zijner welsprekendheid gekomen, zette Bounderby, gelijk een Oostersche danser, zijne tamboerijn op het hoofd.„Dat luidt zeker verdacht,” zeide James Harthouse.„Dat dunkt mij ook, mijnheer,” hervatte Bounderby, met een uitdagend knikje. „Dat dunkt mij ook. Maar er zijn er nog meer in betrokken. Er is eene oude vrouw. Men hoort nooit van die dingen eer het kwaad gebeurd is; men vindt allerlei gebreken aan de staldeur als het paard gestolen is. Nu komt er een oud wijf voor den dag, een oud wijf, dat naar het schijnt, van tijd tot tijd op een bezemstok naar de stad is komen vliegen. Zij houdt een geheelen dag de wacht voor het kantoor eer die kerel begint, en op den avond toen gij hem gezien hebt, sluipt zij met hem heen om overleg met hem te houden—denkelijk om rapport te doen eer zij haar post verliet—dat duivelsche wijf.”Er was dien avond zulk eene vrouw in de kamer, en zij scheen zich te willen schuilhouden, dacht Louisa.KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).„Dit zijn ze nog niet eens allen, zooveel wij nu reeds weten,” zeide Bounderby, verscheidene malen geheimzinnig knikkende. „Maar ik heb voor het oogenblik genoegd gezegd. Gij zult wel zoo goed zijn om het stil te houden en er niemand over te spreken. Het zal misschien tijd kosten, maar wij zullen hen wel krijgen. Het is voorzichtig hen niet ongerust te maken, en het kan geen kwaad, dat zij vrij spel schijnen te hebben.”„Natuurlijk zullen zij met de grootste strengheid der wet gestraft worden, gelijk de publicaties zeggen,” antwoordde James Harthouse, „en dat is goed ook. Kerels, die kantoren bestelen,moeten de gevolgen maar ondervinden. Als er geene gevolgen waren zou iedereen kantoren gaan bestelen.”Hij had Louisa zacht hare parasol uit de hand genomen en voor haar opgezet; en zij wandelden onder dier schaduw, hoewel de zon daar niet scheen.„Vooreerst, Louisa Bounderby,” zeide haar echtgenoot, „moet er om mevrouw Sparsit gedacht worden. Hare zenuwen hebben door die historie een schok gekregen, en zij zal een paar dagen hier blijven. Maak dus, dat zij het hier naar haar genoegen heeft.”„Ik dank u wel zeer, mijnheer,” zeide deze bescheidene dame hierop, „maar ik bid u, laat mijn genoegen niemand bekommeren. Voor mij is alles goed genoeg.”Het bleek spoedig, dat, indien mevrouw Sparsit in het huiselijke verkeer één gebrek had, het dit was, dat zij buitengemeen weinig werk van zich zelve en zooveel van anderen maakte, dat zij daardoor zeer onaangenaam en lastig werd. Toen men haar hare kamer wees, was zij zoo schrikkelijk gevoelig voor hetcomfortabledaarvan, dat zij niet nalaten kon te zeggen, dat zij liever op den mangel in de strijkkamer den nacht had willen doorbrengen. ’t Was waar, de Powler’s en de Scadgers’ waren aan weelde gewoon; „maar het is mijn plicht te onthouden,” merkte mevrouw Sparsit gaarne met deftige minzaamheid aan, inzonderheid als er dienstboden bij waren, „dat ik niet meer ben wat ik was. Inderdaad,” zeide zij, „als ik geheel en al de herinnering kon uitwisschen, dat mijnheer Sparsit een Powler was, en dat ik zelf met de familie Scadgers vermaagschapt ben; of als ik zelf dat feit kon herroepen en mij zelve tot een persoon van gemeene afkomst en burgerlijke betrekkingen maken, zou ik het zeer gaarne doen. Ik zou onder de bestaande omstandigheden denken, dat ik daaraan wèl zou doen.” Dezelfde ootmoedige nederigheid deed haar aan tafel alle kunstmatig toebereide schotels afwijzen en voor wijn bedanken, totdat mijnheer Bounderby haar ronduit gebood om er van te gebruiken; waarna zij zeide: „Gij zijt waarlijk wel goed, mijnheer,” en daarmede haar openlijk met vrij veel deftigheid aangekondigd besluit verzaakte „om op den eenvoudigen schapebout te wachten.” Zij verzocht ook met diepe nederigheid verschooning als zij het zout verlangde; en zich verplicht achtende, om de getuigenis, die mijnheer Bounderby van hare zenuwen had gegeven, ten volle te bekrachtigen, liet zij zich nu en dan op haar stoel achteroverzakken om stil te schreien, en dan kon men (of liever moest men, want de zaak drong zich met geweld aan de aandacht op) een traan, zoo groot als eene kristallen oorbel, langs haar Romeinschen neus zien afrollen.Hare grootste kracht evenwel, van het begin tot het einde, lag in de hardnekkigheid van haar medelijden met mijnheer Bounderby. Het gebeurde dikwijls dat zij, als zij hem aanzag, onwillekeurig haar hoofd moest schudden, alsof zij wilde zeggen: „Helaas, arme Job.” Nadat zij zich tot zulk een blijk van aandoening had laten verleiden, dwong zij zich tot eene opflikkering van vroolijkheid, en zeide dan met in het oog loopende opgeruimdheid: „Gij zijt altijd nog frisch en vroolijk, mijnheer; ik ben hartelijk blijde dit te zien;” en het scheen dan, dat zij het voor een soort van wonder hield dat mijnheer Bounderby zoo gezond en welgemoed bleef. Eén zwak, waarvoor zij dikwijls verschooning verzocht, vond zij bijzonder moeielijk te verwinnen. Zij had eene zonderlinge neiging om mevrouw Bounderby Miss Gradgrind te noemen, en liet zich vijftig- of zestigmaal op een avond daardoor verrassen. De gedurige herhaling van dat verspreken overstelpte haar met verlegenheid en schaamte; maar, zeide zij, het was haar zoo gewoon en natuurlijk, Miss Gradgrind te zeggen, terwijl het haar bijna onmogelijk was zich te overreden, dat de jongejuffer, die zij het geluk had gehad van een kind af te kennen, nu waarlijk en werkelijk mevrouw Bounderby kon wezen. Eene verdere bijzonderheid van dit opmerkelijk geval was, dat het haar, hoe meer zij er over nadacht, des te onmogelijker voorkwam, „want het verschil,” zeide zij, „was toch zoo verbazend groot.”Na den maaltijd begon mijnheer Bounderby in het salon zelf aan het proces over den diefstal, verhoorde de getuigen, vond de verdachte personen schuldig, en veroordeelde hen tot de strengste straf welke de wet toeliet. Dit gedaan zijnde, werd Bitzer naar de stad gezonden, om Tom met den laatsten spoortrein naar huis te doen komen.Toen er licht was binnengebracht, prevelde mevrouw Sparsit: „Wees nu niet neerslachtig, mijnheer. Ik bid u, laat ik u weer zoo opgeruimd zien als gij placht te zijn.”Mijnheer Bounderby,bij wien deze troostredenen teweegbrachten dat hij op eene botte, stommelige manier sentimenteel begon te worden, slaakte een zucht als een groot zeemonster.„Ik kan u zoo niet zien, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Ga eens een spelletje triktrak spelen, gelijk gij placht te doen toen ik de eer had van onder uw dak te wonen.”„Ik heb sedert geentriktrakmeer gespeeld, juffrouw,” antwoordde Bounderby.„Neen, mijnheer, dat weet ik wel,” hervatte mevrouw Sparsit troostend. „Ik herinner mij, dat Miss Gradgrind geene liefhebberij heeft in dat spel. Maar ik zou het zeer gaarne nog eens willen doen, als gij zoo goed woudt zijn.”Zij zaten te spelen bij een venster, dat op den tuin uitzag. Het was een heerlijke avond,wel zonder maneschijn, maar zoel en geurig. Louisa en mijnheer Harthouse wandelden door den tuin, waar men in stilte hunne stemmen kon hooren, hoewel niet verstaan wat zij zeiden. Mevrouw Sparsit, voor het bord gezeten, spande gedurig hare oogen in om door de duisternis daar buiten heen te boren.„Wat is er, juffrouw?” zeide Bounderby. „Gij ziet toch geen brand?”„O Heere neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Ik dacht aan den dauw.”„Wat hebt gij met den dauw te maken, juffrouw?” hervatte Bounderby.„Het is niet voor mij zelve, mijnheer,” was het antwoord, „maar ik ben bang, dat Miss Gradgrind kou zal vatten.”„Zij vat nooit kou,” zeide Bounderby.„Inderdaad, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit hierop, en kreeg toen een kuchje.Toen het tijd werd om naar bed te gaan, nam mijnheer Bounderby een glas water.„O, mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit, „niet uw warmen wijn met citroenschillen en muskaat?”„Och, dat ben ik tegenwoordig afgewend, juffrouw,” antwoordde Bounderby.„Dat is wèl jammer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Gij verliest al uwe goede oude gewoonten. Kom, beur u wat op, mijnheer! Als Miss Gradgrind het mij vergunt, zal ik een glas voor u klaarmaken, zooals ik dikwijls gedaan heb.”Daar Miss Gradgrind bereid was om mevrouw Sparsit alles te vergunnen wat haar maar beliefde, maakte die bedachtzame dame een glas van den bedoelden smakelijken drank gereed en gaf het aan mijnheer Bounderby.„Het zal u goeddoen, mijnheer. Het zal uw hart verwarmen,” zeide zij. „Het is juist wat gij noodig hebt en altijd moest gebruiken.”En toen mijnheer Bounderby zeide: „Uwe gezondheid, juffrouw,” antwoordde zij met diep gevoel: „Dank u, mijnheer. Ik wensch u hetzelfde, en ook dat gij gelukkig moogt zijn.”Eindelijk wenschte zij hem met buitengemeene aandoening goedennacht; en mijnheer Bounderby ging naar bed met eene benevelde bewustheid, dat hij in een of ander opzicht ongelukkig was, hoewel hij, al ware het om zijn leven te doen geweest, niet had kunnen zeggen wat hem eigenlijk scheelde.Lang nadat Louisa zich had ontkleed en te bed begeven, bleef zij wakend naar de thuiskomst van haar broeder liggen wachten. Hij kon niet wel vroeger komen, dit wist zij, dan een uur na middernacht; maar in de landelijke stilte, die het onrustige harer gedachten veeleer vergrootte dan bedaarde, ging de tijd zeer langzaam om. Eindelijk toen de duisternis en de stilte, die elkander wederkeerig nog drukkender maakten, uren lang schenen geduurd te hebben, hoorde zij de schel aan het hek. Het was haar of zij blijde zou zijn geweest, als die schel tot aan den dageraad was blijven luiden; maar het hield op, de kringen van den laatsten klank breidden zich al verder en flauwer in de lucht uit, en alles was weder doodstil.Zij wachtte nog een kwartier uurs naar hare gissing. Toen stond zij op, trok een los kleed aan, en ging in het donker hare kamer uit en de trap op naar haar broeders vertrek. Daar de deur gesloten was, opende zij die en sprak om hem te waarschuwen dat zij het was, terwijl zij op de teenen naar zijn bed kwam.Zij knielde daarbij neer, sloeg haar arm om zijn hals en trok zijn gezicht naar het hare toe. Zij wist wel, dat hij slechts veinsde te slapen, maar zeide nog niets.Weldra maakte hij eene beweging alsof hij toen pas ontwaakte, en vroeg wie daar was en wat er te doen was.„Tom,” zeide zij, „hebt gij mij niet iets te zeggen? Als gij mij ooit in uw leven liefgehad hebt, en iets hebt, dat gij voor alle andere menschen verborgen houdt, zeg het mij dan.”„Ik weet niet wat gij meent, Louisa. Gij moet gedroomd hebben.”„Lieve broeder,”—zij liet haar hoofd op zijn kussen zinken, en hare haren golfden over hem heen, alsof zij hem voor iedereen wilde verbergen—„is er niets, dat gij mij te zeggen hebt? Is er niets, dat ge mij zeggen kunt, als gij wilt? Gij kunt mij niets zeggen, dat mij voor u zal doen veranderen. O Tom, zeg mij de waarheid.”„Ik weet niet wat gij meent, Louisa.”„Gelijk gij daar alleen ligt, lieve broeder, in den akeligen nacht, zoo moet gij eens in een anderen nacht ergens liggen, wanneer zelfs ik, als ik dan nog leef, u zal verlaten hebben. Gelijk ik hier naast u ben, blootsvoets, ongekleed, onherkenbaar in de duisternis, zoo moet ik liggen door den ganschen nacht mijner ontbinding, totdat ik stof ben. In den naam van dien tijd, Tom, zeg mij nu de waarheid.”„Wat is het, dat gij weten wilt?”„Gij kunt zeker zijn,” en in het vuur harer liefde drukte zij hem aan hare borst alsof hij een kind was, „dat ik u geen verwijt zal doen. Gij kunt zeker zijn, dat ik medelijden met u zal hebben en u trouw zal zijn. Gij kunt zeker zijn dat ik u zal redden, wat het ook mag kosten. O Tom, hebt ge mij niets te zeggen? Fluister het maar heel zacht. Zeg maar „ja,” en ik zal u verstaan.”Zij keerde haar oor naar zijn mond, maar hij bleef stug stilzwijgen.„Geen woord, Tom?”„Hoe kan ik ja zeggen, of hoe kan ik neen zeggen, als ik niet weet wat gij meent? Louisa, gij zijt eene goede, brave meid, en een beterbroeder waard dan ik ben, begin ik nu te denken. Maar ik heb niets meer te zeggen. Ga naar bed, ga naar bed.”„Gij zijt vermoeid,” fluisterde zij nu, meer op haar gewonen toon.„Ja, ik ben geheel afgemat.”„Gij hebt vandaag zooveel onrust en gewoel gehad. Zijn er nog nieuwe ontdekkingen gedaan?”„Alleen die, waarvan gij gehoord hebt, van—hem.”„Tom, hebt gij iemand gezegd, dat wij die menschen hebben opgezocht, en dat wij die drie bij elkander hebben gezien?”„Neen. Hebt ge mij zelve niet uitdrukkelijk verzocht om het stil te houden, toen ge mij vroegt om met u daarheen te gaan?”„Ja. Maar ik wist toen niet wat er gebeuren zou.”„Ik ook niet. Hoe zou ik het geweten hebben?”Hij gaf dit antwoord zeer snel en eenigszins bits.„Zou ik, na hetgeen er gebeurd is, behooren te zeggen, dat ik daar geweest ben?” zeide zijne zuster, bij het bed staande—zij had zich langzamerhand teruggetrokken en was overeind gaan staan. „Zou ik het zeggen? Moet ik het zeggen?”„Goede Hemel, Louisa,” antwoordde haar broeder, „ge zijt niet gewoon mij om raad te vragen. Zeg wat gij wilt. Als gij het voor u zelve houdt, zal ik het ook voor mij zelven houden. Als gij het openbaart, is het mij ook wel.”Het was te donker dan dat zij elkanders gezicht konden zien; maar beiden schenen zeer oplettend te zijn en zich te bedenken eer zij spraken.„Tom, gelooft gij, dat de man, aan wien ik dat geld gegeven heb, werkelijk in deze misdaad betrokken is?”„Dat weet ik niet. Ik zie niet in waarom niet.”„Hij kwam mij toen een eerlijk man voor.”„Iemand anders kan u oneerlijk voorkomen en het toch niet zijn.”Er volgde eene poos van stilte, want hij had gehaperd toen hij verder wilde spreken, en daarna gezwegen.„Kortom,” hervatte hij, alsof hij zijn besluit had genomen, „als gij daarop komt, was ik er misschien zoo ver van af om volkomen gunstig over hem te denken, dat ik hem buiten de deur nam om hem in stilte te zeggen, dat hij er, naar mijne gedachten, zeer wel afkwam met nog zulk een buitenkansje van mijne zuster te krijgen, en dat ik hoopte, dat hij er een goed gebruik van zou maken. Ik zeg evenwel niets tegen den man. Hij mag een heel brave kerel zijn, voor zooveel ik weet. Ik hoop, dat hij het is.”„Was hij beleedigd door dat zeggen van u?”„Neen, hij nam het tamelijk wel op; hij was beleefd genoeg. Waar zijt ge, Louisa?” Hij kwam in het bed overeind en kuste haar. „Goeden nacht, lieve, goedenacht!”„Gij hebt mij niets meer te zeggen?”„Neen. Wat zou ik te zeggen hebben? Of zoudt ge willen, dat ik eene leugen vertelde?”„Van nacht vooral zou ik dat niet willen, Tom, onder al de nachten van uw leven, hoevelen en hoeveel gelukkiger ik ook hoop dat zij zijn zullen.”„Dank u, lieve Louisa. Ik ben zoo moe, dat ik mij haast verwonder dat ik niet alles zeg wat gij wilt, om maar te kunnen gaan slapen. Ga naar bed, ga naar bed.”Hij gaf haar nog een kus, keerde zich toen om, trok het dek over zijn hoofd, en bleef zoo stil liggen alsof de tijd, waarbij zij hem bezworen had, reeds gekomen was. Zij bleef nog eene poos bij het bed staan, eer zij langzaam heenging. Bij de deur bleef zij weder staan, keek nog eens om toen zij die reeds geopend had, en vroeg of hij haar had geroepen. Maar hij bleef stil liggen, en zij sloot zachtjes de deur en ging weder naar hare kamer.Toen keek de rampzalige voorzichtig op, en ziende dat zij weg was, kroop hij zijn bed uit, draaide de deur op het nachtslot, en wierp zich weder op zijn leger. Daar lag hij zijne haren uit te trekken, schreiende van wrevelige spijt, vol wangunstige liefde voor haar, zich zelven verwenschende en verachtende, met bitterheid, maar zonder boetvaardig berouw, en vervuld van haat en wrok tegen al het goede op de wereld, dat hij in zijne verblinding even nietswaardig noemde als hij zelf was.
De volgende morgen was te helder om te blijven slapen, en James Harthouse stond dus vroeg op en zette zich voor het opene uitstekvenster zijner kleedkamer met een dier fijne sigaren in den mond, die zulk een heilzamen invloed op zijn jongen vriend hadden gehad. In den zonneschijn rustende, terwijl de geur van het edele kruid hem omhulde en de droomerige rookwolkjes in de lucht opstegen, reeds vervuld met de welriekende uitwasemingen der zomerbloemen, telde hij zijne reeds behaalde voordeelen op, gelijk een onverschillig speler zijne winsten optelt. Voor het oogenblik was niemand hem lastig, en kon hij zich ongestoord daarmede bezighouden.
Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, waar haar echtgenoot buitengesloten bleef. Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, die juist uit hare onverschilligheid voor haar man en het gebrek aan overeenstemming tusschen dit paar was ontsproten. Hij had haar op eene behendige manier, maar toch duidelijk, te verstaan gegeven, dat hij haar hart tot in de geheimste schuilhoeken kende; hij was juist door het teederste gevoel van dat hart haar nabijgekomen, en de ijskorst, die het als een muur omringde, was gesmolten. Alles zeer vreemd, en zeer streelend.
En toch had hij, zelf nu nog, geene ernstige slechte voornemens. In het openbare en bijzondere leven zou het voor onze eeuw veel beter zijn, dat hij en het legioen zijner gelijken opzettelijk slecht waren, dan zoo onverschillig en doelloos. Het zijn de drijvende ijsbergen, met elken stroom overal heen zwalkende, die de schepen doen vergaan.
Wanneer de duivel rondgaat gelijk een brullende leeuw, gaat hij rond in eene gedaante, waardoor weinigen dan wilden en jagers zich laten verlokken om hem te naderen. Maar wanneer hij naar de mode is opgekleed en opgepolijst; wanneer deugd en ondeugd hem evenzeer vervelen; wanneer hij den zwavelpoel en de zaligheid evenzeer moede is, dan is hij eerst de echte duivel.
Zoo bleef James Harthouse voor het venster zitten, op zijn gemak rookende en de schreden tellende, welke hij gedaan had op den weg, dien hij toevallig had ingeslagen. Het einde, waartoe die weg voerde, lag vrij duidelijk voor hem, maar daarom bekommerde hij zich niet het minste. Wat gebeuren moet, moet gebeuren.
Daar hij dien dag een tamelijk verren weg te rijden had—want er zou ergens eene openbare vergadering plaats hebben, die hem gelegenheid zou geven om stemmen te winnen—kleedde hij zich vroeg en ging toen naar beneden om te ontbijten. Hij was verlangend om te zien, of zij sedert den vorigen avond weder verkoeld was. Neen. Hij kon weder beginnen waar hij het gelaten had.
Er was weder een blik vol vriendelijke belangstelling voor hem gereed.
Hij kwam zoozeer (of zoo weinig), naar zijn genoegen door den dag heen, als onder de omstandigheden, die zulk eene vermoeienis van hem vergden, te wachten was, en kwam tegen zes ure terugrijden. De laan tusschen de portierswoning en het huis, die eene sierlijke bocht maakte, had eene tamelijke lengte, en hij reed stapvoets daarlangs voort, toen mijnheer Bounderby op eens het heesterplantsoen uitkwam, zoo driftig en onverwacht, dat het paard schichtig terugdeinsde.
„Harthouse!” riep mijnheer Bounderby luidkeels. „Hebt gij het gehoord?”
„Wat gehoord?” zeide Harthouse, zijn paard streelende om het te bedaren, onder het heimelijk uiten van een wensch, die niet veel goeds voor mijnheer Bounderby bevatte.
„Dus hebt gijnietsgehoord?”
„Ik heb u gehoord, en dat heeft dit beest ook. Anders niets.”
Mijnheer Bounderby, die gloeiend rood was, plaatste zich midden op den weg, vlak voor het paard, om zijne bom met meer effect te laten springen.
„Het kantoor is bestolen!”
„Dat meent ge toch niet in ernst!”
„Van nacht bestolen, mijnheer! Op een buitengewone manier bestolen! Met een valschen sleutel bestolen!”
„Is het verlies groot?”
Het scheen Bounderby, bij zijn verlangen om zooveel mogelijk gerucht van de zaak te maken, inderdaad te spijten, dat hij genoodzaakt was te antwoorden: „Neen, niet heel groot. Maar dat had het wel kunnen zijn?”
„Hoe groot is het?”
„O, wat de som betreft—als gij bij de som blijft—niet meer dan honderd vijftig pond,” antwoordde Bounderby wrevelig. „Maar het is de som niet; het is het feit. Het feit, dat het kantoor bestolen is, dat is eigenlijk het gewichtige. Het verwondert mij, dat gij dit niet begrijpt.”
„Mijn beste Bounderby,” zeide James, terwijl hij van zijn paard stapte en de teugels aan zijn knecht overgaf, „dat begrijp ik zeer wel, en ik ben zoo erg, als gij maar verlangen kunt, ontsteld van het schouwspel, dat zich voor de oogen van mijn geest vertoont. Evenwel hoop ik, u te mogen feliciteeren dat gij geen grooter verlies hebt geleden, en ik verzeker u, dat doe ik met al mijn hart.”
„Dank je,” antwoordde Bounderby op een stroeven toon. „Maar laat ik u eens wat zeggen. Het had ook twintig duizend pond kunnen zijn.”
„Wel te denken.”
„Wel te denken? Het is waarachtig wel te denken,” zeide Bounderby, gramstorig knikkende. „Het had tweemaal twintig kunnen zijn. Het is niet te zeggen hoeveel het had kunnen zijn, of niet kunnen zijn, als de kerels niet gestoord waren.”
Louisa was nu aangekomen, tegelijk met mevrouw Sparsit en Bitzer.
„Daar is Tom Gradgrind’s dochter, die tamelijk wel weet hoeveel het had kunnen zijn, als gij het niet weet,” hervatte Bounderby op zijn winderigsten toon. „Zij viel neer, alsof ze doodgeschoten was, toen zij het hoorde. Ik heb nooit te voren zoo iets van haar gezien. Het strekt haar onder deze omstandigheden tot eer, naar mijne gedachten.”
Zij zag er nog bleek en ontsteld uit. James Harthouse bood haar zijn arm aan, en terwijl zij zeer langzaam voortwandelden, vroeg hij, hoe de diefstal gepleegd was.
„Wel, dat wilde ik u juist vertellen,” zeide Bounderby, korzelig zijn arm aan mevrouw Sparsit gevende. „Als ge niet zoo machtig precies op de som waart geweest, zou ik daarmee begonnen zijn. Gij kent deze dame (want zij is eene geboren dame), mevrouw Sparsit?”
„Ik heb reeds de eer gehad...”
„Heel goed. En dit jonge mensch, Bitzer, hebt gij ook bij dezelfde gelegenheid gezien?”
Mijnheer Harthouse knikte toestemmend, en Bitzer duwde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.
„Heel goed. Zij wonen aan het kantoor. Gij weet misschien al, dat zij daar wonen? Heel goed. Gisteravond na den kantoortijd werd alles naar gewoonte geborgen en gesloten. In de ijzeren kamer, waarvoor die jongen slaapt, was—het doet er niet toe hoeveel. In het ijzeren kistje in de kamer van Tom, het kistje dat voor kleine sommen wordt gebruikt, was honderdvijftig pond of wat meer.”
„Honderd vier en vijftig, zeven en een,” zeide Bitzer.
„Pas op!” voer Bounderby uit, stilstaande om zich naar hem toe te keeren. „Val gij mij niet in de rede. Het is al genoeg bestolen te worden terwijl gij ligt te snorken, omdat gij het al te goed hebt, zonder dat gij mij in de rede behoeft te vallen om mij in een beuzeling terecht te zetten. Ik snorkte niet, toen ik zoo oud was als gij, laat ik u dat zeggen. Ik kreeg geen eten genoeg om te snorken. En ik viel iemand nietmetbeuzelingen in de rede, al wist ik er van.”
Bitzer duwde op eene kruiperige manier zijne kneukels tegen zijn voorhoofd en scheen vooral door het laatste gezegde van zijn patroon zeer getroffen en verslagen.
„Honderd vijftig pond ongeveer,” hervatte mijnheer Bounderby. „Die som had Tom in zijne geldkist gesloten; geen heel sterke kist, maar dat doet er nu niet toe. Alles was in orde toen men heenging. Op zekeren tijd van den nacht, toen die knaap lag te snorken—mevrouw Sparsit, gij zegt immers, dat gij hem hebt hooren snorken?”
„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik kan niet zeggen, dat ik hem eigenlijk heb hooren snorken, en daarom mag ik zoo iets niet verklaren. Maar ’s avonds, in den winter, als hij op zijn stoel in slaap viel, heb ik hem wel eens een geluid hooren maken, om zoo te zeggen alsof hij half geworgd werd—het was omtrent hetzelfde geluid dat men somtijds in eene houten klok hoort. Niet,” vervolgde zij, met de verhevene bewustheid dat zij de waarheid huldigde door eene streng onpartijdige getuigenis te geven, „dat ik eenige blaam op zijn zedelijk karakter zou willen werpen. Ver van daar. Ik heb Bitzer altijd voor een jongmensch van de standvastigste beginselen gehouden, dat verzoek ik te mogen zeggen.”
„Welnu,” hernam de vergramde Bounderby, „terwijl hij dan snorkte, of half geworgd werd, of een geluid maakte als eene houten klok, of iets van dien aard—terwijl hij lag te slapen, kortom—zijn eenige kerels—of zij te voren in huis verscholen waren of niet, staat nog te bezien—op eene of andere manier bij het geldkistje van Tom gekomen, hebben het opengebroken en weggepakt wat er in was. Toen gestoord wordende, hebben zij zich voortgemaakt, zich zelven de deur uitgelaten, en die weer op het nachtslot gedraaid—zij was op het nachtslot, en mevrouw Sparsit had den sleutel onder haar kussen—met een valschen sleutel, dien men vandaag tegen twaalf uur op straat, dicht bij het kantoor, heeft opgeraapt. Er werd geen alarm gemaakt, voordat deze knaap, Bitzer, des morgens opstond en de kamer in orde ging brengen. Toen ziet hij de deur van Tom’s kamer aanstaan, vindt het kistje opengebroken en het geld weg.”
„A propos, waar is Tom?” vroeg Harthouse, in het rond kijkende.
„Hij heeft de politie geholpen,” antwoordde Bounderby, „en is nog aan het kantoor. Ik wou, dat die kerels geprobeerd hadden om mij te bestelen toen ik zoo oud was als hij. Zij zouden er bij verloren hebben, al hadden zij maar achttien stuivers onkosten voor het karreweitje gemaakt, dat kan ik hun zeggen.”
„Wordt er niemand verdacht?”
„Verdacht? Dat zou ik denken!” antwoordde Bounderby, den arm van mevrouw Sparsit loslatende om zijn gloeiend voorhoofd af te vegen. „Waarachtig, Josiah Bounderby vanCoketownzal niet bestolen worden, zonder dat er iemand verdacht werdt. Neen, wel verplicht!”
Mocht mijnheer Harthouse vragen wie er verdacht werd?
„Wel, dat zal ik u zeggen,” antwoordde Bounderby, stilstaande en zich omdraaiende om al de anderen aan te zien. „Maar het moet niet verder verteld worden. Niemand moet er iets van hooren, om de schelmen, die er in betrokken zijn—het is eene geheele bende—niet te waarschuwen. Dit dus in vertrouwen. Wat zoudt gij zeggen,” barstte hij geweldig uit, „als er een van mijne werklieden in betrokken was?”
„Ik hoop niet onze vriend Blackpot?” zeide Harthouse op een onverschilligen, slependen toon.
„Zeg Pool in plaats van Pot, mijnheer,” antwoordde Bounderby, „en het is de man.”
Louisa liet een flauwen uitroep van verwondering en ongeloof hooren.
„O ja, dat weet ik wel,” zeide Bounderby, hierop terstond vuur vattende. „Daaraan ben ik gewend. Dat ken ik alles van buiten. Zij zijn de braafste menschen van de wereld, dat volk. Zij kunnen machtig mooi praten. Zij willen maar hebben dat men hun verklaart welke rechten zij hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Wijs mij een onvergenoegd werkman, en ik zal u iemand wijzen, die tot alle slechtheid in staat is, onverschillig welke.”
Dit was weder een der algemeenheden vanCoketown, welke men met tamelijk veel moeite had verspreid, waaraan sommige menschen werkelijk geloofden.
„Maar ik ken die knapen,” hervatte Bounderby. „Ik kan hen lezen als een boek. Mevrouw Sparsit, ik beroep mij op u. Welke waarschuwing heb ik dien kerel gegeven, de eerste maal toen hij een voet bij mij in huis zette, en zijn uitdrukkelijk oogmerk was te komen vragen, hoe hij de godsdienst en de gevestigde Kerk zou kunnen overhoop smijten? Mevrouw Sparsit, wat aanzienlijkheid van betrekkingen aangaat, staat gij gelijk met de aristocratie—heb ik toen niet tegen dien kerel gezegd: „Gij kunt de waarheid niet voor mij verbergen; gij zijt geen man die mij bevalt en het zal niet goed met u afloopen?”
„Zeer zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „gij hebt hem op eene zeer nadrukkelijke manier eene vermaning van dien aard gegeven.”
„Toen hij u zoo geërgerd en uw gevoel zoo gekwetst had, juffrouw?” zeide Bounderby.
„Ja, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit en schudde met zachtaardige treurigheid haar hoofd, „dat had hij wèl gedaan. Hoewel ik niet wil tegenspreken, dat mijn gevoel op zulke punten teerder is—overdrevener, als men die uitdrukking beter vindt—dan het wezen zou, indien ik altijd mijne tegenwoordige betrekking had bekleed.”
Bijna barstende van hoogmoed, staarde Bounderby zijn vriend aan, als wilde hij zeggen: „ik ben de eigenaar van die vrouw, en zij is uwe aandacht wel waardig, zou ik denken?” Daarop hervatte hij zijne rede.
„Gij zult u wel herinneren, Harthouse, wat ik tegen hem zeide toen gij hem zaagt. Ik wond er volstrekt geen doekjes om. Ik ben nooitzoetsappig met hen. Ik ken ze. Heel goed, mijnheer. Drie dagen naderhand liep hij weg—ging voort, niemand weet waarheen—gelijk mijne moeder gedaan heeft toen ik een kind was, alleen met dit verschil, dat hij zoo mogelijk nog slechter was dan mijne moeder. En wat heeft hij nu gedaan eer hij heenging? Wat zegt gij er van,”—met zijn hoed in de hand, gaf de spreker bij elke afdeeling zijner rede een tik op den bol, alsof het eene tamboerijn was—„dat men hem avond op avond bij het kantoor op de wacht heeft gezien—dat hij na den donker daar bleef loeren—dat het mevrouw Sparsit dadelijk inviel, dat hij met geen goed oogmerk zoo loeren kon—dat zij Bitzer opmerkzaam op hem maakte en zij hem alle twee in het oog hielden—en dat het vandaag door navraag gebleken is, dat ook de buren op hem gelet hebben?” Tot dit toppunt zijner welsprekendheid gekomen, zette Bounderby, gelijk een Oostersche danser, zijne tamboerijn op het hoofd.
„Dat luidt zeker verdacht,” zeide James Harthouse.
„Dat dunkt mij ook, mijnheer,” hervatte Bounderby, met een uitdagend knikje. „Dat dunkt mij ook. Maar er zijn er nog meer in betrokken. Er is eene oude vrouw. Men hoort nooit van die dingen eer het kwaad gebeurd is; men vindt allerlei gebreken aan de staldeur als het paard gestolen is. Nu komt er een oud wijf voor den dag, een oud wijf, dat naar het schijnt, van tijd tot tijd op een bezemstok naar de stad is komen vliegen. Zij houdt een geheelen dag de wacht voor het kantoor eer die kerel begint, en op den avond toen gij hem gezien hebt, sluipt zij met hem heen om overleg met hem te houden—denkelijk om rapport te doen eer zij haar post verliet—dat duivelsche wijf.”
Er was dien avond zulk eene vrouw in de kamer, en zij scheen zich te willen schuilhouden, dacht Louisa.
KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).
KROOP MEVROUW SPARSIT DICHTER NAAR HEN TOE. (Blz. 101).
„Dit zijn ze nog niet eens allen, zooveel wij nu reeds weten,” zeide Bounderby, verscheidene malen geheimzinnig knikkende. „Maar ik heb voor het oogenblik genoegd gezegd. Gij zult wel zoo goed zijn om het stil te houden en er niemand over te spreken. Het zal misschien tijd kosten, maar wij zullen hen wel krijgen. Het is voorzichtig hen niet ongerust te maken, en het kan geen kwaad, dat zij vrij spel schijnen te hebben.”
„Natuurlijk zullen zij met de grootste strengheid der wet gestraft worden, gelijk de publicaties zeggen,” antwoordde James Harthouse, „en dat is goed ook. Kerels, die kantoren bestelen,moeten de gevolgen maar ondervinden. Als er geene gevolgen waren zou iedereen kantoren gaan bestelen.”
Hij had Louisa zacht hare parasol uit de hand genomen en voor haar opgezet; en zij wandelden onder dier schaduw, hoewel de zon daar niet scheen.
„Vooreerst, Louisa Bounderby,” zeide haar echtgenoot, „moet er om mevrouw Sparsit gedacht worden. Hare zenuwen hebben door die historie een schok gekregen, en zij zal een paar dagen hier blijven. Maak dus, dat zij het hier naar haar genoegen heeft.”
„Ik dank u wel zeer, mijnheer,” zeide deze bescheidene dame hierop, „maar ik bid u, laat mijn genoegen niemand bekommeren. Voor mij is alles goed genoeg.”
Het bleek spoedig, dat, indien mevrouw Sparsit in het huiselijke verkeer één gebrek had, het dit was, dat zij buitengemeen weinig werk van zich zelve en zooveel van anderen maakte, dat zij daardoor zeer onaangenaam en lastig werd. Toen men haar hare kamer wees, was zij zoo schrikkelijk gevoelig voor hetcomfortabledaarvan, dat zij niet nalaten kon te zeggen, dat zij liever op den mangel in de strijkkamer den nacht had willen doorbrengen. ’t Was waar, de Powler’s en de Scadgers’ waren aan weelde gewoon; „maar het is mijn plicht te onthouden,” merkte mevrouw Sparsit gaarne met deftige minzaamheid aan, inzonderheid als er dienstboden bij waren, „dat ik niet meer ben wat ik was. Inderdaad,” zeide zij, „als ik geheel en al de herinnering kon uitwisschen, dat mijnheer Sparsit een Powler was, en dat ik zelf met de familie Scadgers vermaagschapt ben; of als ik zelf dat feit kon herroepen en mij zelve tot een persoon van gemeene afkomst en burgerlijke betrekkingen maken, zou ik het zeer gaarne doen. Ik zou onder de bestaande omstandigheden denken, dat ik daaraan wèl zou doen.” Dezelfde ootmoedige nederigheid deed haar aan tafel alle kunstmatig toebereide schotels afwijzen en voor wijn bedanken, totdat mijnheer Bounderby haar ronduit gebood om er van te gebruiken; waarna zij zeide: „Gij zijt waarlijk wel goed, mijnheer,” en daarmede haar openlijk met vrij veel deftigheid aangekondigd besluit verzaakte „om op den eenvoudigen schapebout te wachten.” Zij verzocht ook met diepe nederigheid verschooning als zij het zout verlangde; en zich verplicht achtende, om de getuigenis, die mijnheer Bounderby van hare zenuwen had gegeven, ten volle te bekrachtigen, liet zij zich nu en dan op haar stoel achteroverzakken om stil te schreien, en dan kon men (of liever moest men, want de zaak drong zich met geweld aan de aandacht op) een traan, zoo groot als eene kristallen oorbel, langs haar Romeinschen neus zien afrollen.
Hare grootste kracht evenwel, van het begin tot het einde, lag in de hardnekkigheid van haar medelijden met mijnheer Bounderby. Het gebeurde dikwijls dat zij, als zij hem aanzag, onwillekeurig haar hoofd moest schudden, alsof zij wilde zeggen: „Helaas, arme Job.” Nadat zij zich tot zulk een blijk van aandoening had laten verleiden, dwong zij zich tot eene opflikkering van vroolijkheid, en zeide dan met in het oog loopende opgeruimdheid: „Gij zijt altijd nog frisch en vroolijk, mijnheer; ik ben hartelijk blijde dit te zien;” en het scheen dan, dat zij het voor een soort van wonder hield dat mijnheer Bounderby zoo gezond en welgemoed bleef. Eén zwak, waarvoor zij dikwijls verschooning verzocht, vond zij bijzonder moeielijk te verwinnen. Zij had eene zonderlinge neiging om mevrouw Bounderby Miss Gradgrind te noemen, en liet zich vijftig- of zestigmaal op een avond daardoor verrassen. De gedurige herhaling van dat verspreken overstelpte haar met verlegenheid en schaamte; maar, zeide zij, het was haar zoo gewoon en natuurlijk, Miss Gradgrind te zeggen, terwijl het haar bijna onmogelijk was zich te overreden, dat de jongejuffer, die zij het geluk had gehad van een kind af te kennen, nu waarlijk en werkelijk mevrouw Bounderby kon wezen. Eene verdere bijzonderheid van dit opmerkelijk geval was, dat het haar, hoe meer zij er over nadacht, des te onmogelijker voorkwam, „want het verschil,” zeide zij, „was toch zoo verbazend groot.”
Na den maaltijd begon mijnheer Bounderby in het salon zelf aan het proces over den diefstal, verhoorde de getuigen, vond de verdachte personen schuldig, en veroordeelde hen tot de strengste straf welke de wet toeliet. Dit gedaan zijnde, werd Bitzer naar de stad gezonden, om Tom met den laatsten spoortrein naar huis te doen komen.
Toen er licht was binnengebracht, prevelde mevrouw Sparsit: „Wees nu niet neerslachtig, mijnheer. Ik bid u, laat ik u weer zoo opgeruimd zien als gij placht te zijn.”
Mijnheer Bounderby,bij wien deze troostredenen teweegbrachten dat hij op eene botte, stommelige manier sentimenteel begon te worden, slaakte een zucht als een groot zeemonster.
„Ik kan u zoo niet zien, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit. „Ga eens een spelletje triktrak spelen, gelijk gij placht te doen toen ik de eer had van onder uw dak te wonen.”
„Ik heb sedert geentriktrakmeer gespeeld, juffrouw,” antwoordde Bounderby.
„Neen, mijnheer, dat weet ik wel,” hervatte mevrouw Sparsit troostend. „Ik herinner mij, dat Miss Gradgrind geene liefhebberij heeft in dat spel. Maar ik zou het zeer gaarne nog eens willen doen, als gij zoo goed woudt zijn.”
Zij zaten te spelen bij een venster, dat op den tuin uitzag. Het was een heerlijke avond,wel zonder maneschijn, maar zoel en geurig. Louisa en mijnheer Harthouse wandelden door den tuin, waar men in stilte hunne stemmen kon hooren, hoewel niet verstaan wat zij zeiden. Mevrouw Sparsit, voor het bord gezeten, spande gedurig hare oogen in om door de duisternis daar buiten heen te boren.
„Wat is er, juffrouw?” zeide Bounderby. „Gij ziet toch geen brand?”
„O Heere neen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Ik dacht aan den dauw.”
„Wat hebt gij met den dauw te maken, juffrouw?” hervatte Bounderby.
„Het is niet voor mij zelve, mijnheer,” was het antwoord, „maar ik ben bang, dat Miss Gradgrind kou zal vatten.”
„Zij vat nooit kou,” zeide Bounderby.
„Inderdaad, mijnheer?” zeide mevrouw Sparsit hierop, en kreeg toen een kuchje.
Toen het tijd werd om naar bed te gaan, nam mijnheer Bounderby een glas water.
„O, mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit, „niet uw warmen wijn met citroenschillen en muskaat?”
„Och, dat ben ik tegenwoordig afgewend, juffrouw,” antwoordde Bounderby.
„Dat is wèl jammer, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit. „Gij verliest al uwe goede oude gewoonten. Kom, beur u wat op, mijnheer! Als Miss Gradgrind het mij vergunt, zal ik een glas voor u klaarmaken, zooals ik dikwijls gedaan heb.”
Daar Miss Gradgrind bereid was om mevrouw Sparsit alles te vergunnen wat haar maar beliefde, maakte die bedachtzame dame een glas van den bedoelden smakelijken drank gereed en gaf het aan mijnheer Bounderby.
„Het zal u goeddoen, mijnheer. Het zal uw hart verwarmen,” zeide zij. „Het is juist wat gij noodig hebt en altijd moest gebruiken.”
En toen mijnheer Bounderby zeide: „Uwe gezondheid, juffrouw,” antwoordde zij met diep gevoel: „Dank u, mijnheer. Ik wensch u hetzelfde, en ook dat gij gelukkig moogt zijn.”
Eindelijk wenschte zij hem met buitengemeene aandoening goedennacht; en mijnheer Bounderby ging naar bed met eene benevelde bewustheid, dat hij in een of ander opzicht ongelukkig was, hoewel hij, al ware het om zijn leven te doen geweest, niet had kunnen zeggen wat hem eigenlijk scheelde.
Lang nadat Louisa zich had ontkleed en te bed begeven, bleef zij wakend naar de thuiskomst van haar broeder liggen wachten. Hij kon niet wel vroeger komen, dit wist zij, dan een uur na middernacht; maar in de landelijke stilte, die het onrustige harer gedachten veeleer vergrootte dan bedaarde, ging de tijd zeer langzaam om. Eindelijk toen de duisternis en de stilte, die elkander wederkeerig nog drukkender maakten, uren lang schenen geduurd te hebben, hoorde zij de schel aan het hek. Het was haar of zij blijde zou zijn geweest, als die schel tot aan den dageraad was blijven luiden; maar het hield op, de kringen van den laatsten klank breidden zich al verder en flauwer in de lucht uit, en alles was weder doodstil.
Zij wachtte nog een kwartier uurs naar hare gissing. Toen stond zij op, trok een los kleed aan, en ging in het donker hare kamer uit en de trap op naar haar broeders vertrek. Daar de deur gesloten was, opende zij die en sprak om hem te waarschuwen dat zij het was, terwijl zij op de teenen naar zijn bed kwam.
Zij knielde daarbij neer, sloeg haar arm om zijn hals en trok zijn gezicht naar het hare toe. Zij wist wel, dat hij slechts veinsde te slapen, maar zeide nog niets.
Weldra maakte hij eene beweging alsof hij toen pas ontwaakte, en vroeg wie daar was en wat er te doen was.
„Tom,” zeide zij, „hebt gij mij niet iets te zeggen? Als gij mij ooit in uw leven liefgehad hebt, en iets hebt, dat gij voor alle andere menschen verborgen houdt, zeg het mij dan.”
„Ik weet niet wat gij meent, Louisa. Gij moet gedroomd hebben.”
„Lieve broeder,”—zij liet haar hoofd op zijn kussen zinken, en hare haren golfden over hem heen, alsof zij hem voor iedereen wilde verbergen—„is er niets, dat gij mij te zeggen hebt? Is er niets, dat ge mij zeggen kunt, als gij wilt? Gij kunt mij niets zeggen, dat mij voor u zal doen veranderen. O Tom, zeg mij de waarheid.”
„Ik weet niet wat gij meent, Louisa.”
„Gelijk gij daar alleen ligt, lieve broeder, in den akeligen nacht, zoo moet gij eens in een anderen nacht ergens liggen, wanneer zelfs ik, als ik dan nog leef, u zal verlaten hebben. Gelijk ik hier naast u ben, blootsvoets, ongekleed, onherkenbaar in de duisternis, zoo moet ik liggen door den ganschen nacht mijner ontbinding, totdat ik stof ben. In den naam van dien tijd, Tom, zeg mij nu de waarheid.”
„Wat is het, dat gij weten wilt?”
„Gij kunt zeker zijn,” en in het vuur harer liefde drukte zij hem aan hare borst alsof hij een kind was, „dat ik u geen verwijt zal doen. Gij kunt zeker zijn, dat ik medelijden met u zal hebben en u trouw zal zijn. Gij kunt zeker zijn dat ik u zal redden, wat het ook mag kosten. O Tom, hebt ge mij niets te zeggen? Fluister het maar heel zacht. Zeg maar „ja,” en ik zal u verstaan.”
Zij keerde haar oor naar zijn mond, maar hij bleef stug stilzwijgen.
„Geen woord, Tom?”
„Hoe kan ik ja zeggen, of hoe kan ik neen zeggen, als ik niet weet wat gij meent? Louisa, gij zijt eene goede, brave meid, en een beterbroeder waard dan ik ben, begin ik nu te denken. Maar ik heb niets meer te zeggen. Ga naar bed, ga naar bed.”
„Gij zijt vermoeid,” fluisterde zij nu, meer op haar gewonen toon.
„Ja, ik ben geheel afgemat.”
„Gij hebt vandaag zooveel onrust en gewoel gehad. Zijn er nog nieuwe ontdekkingen gedaan?”
„Alleen die, waarvan gij gehoord hebt, van—hem.”
„Tom, hebt gij iemand gezegd, dat wij die menschen hebben opgezocht, en dat wij die drie bij elkander hebben gezien?”
„Neen. Hebt ge mij zelve niet uitdrukkelijk verzocht om het stil te houden, toen ge mij vroegt om met u daarheen te gaan?”
„Ja. Maar ik wist toen niet wat er gebeuren zou.”
„Ik ook niet. Hoe zou ik het geweten hebben?”
Hij gaf dit antwoord zeer snel en eenigszins bits.
„Zou ik, na hetgeen er gebeurd is, behooren te zeggen, dat ik daar geweest ben?” zeide zijne zuster, bij het bed staande—zij had zich langzamerhand teruggetrokken en was overeind gaan staan. „Zou ik het zeggen? Moet ik het zeggen?”
„Goede Hemel, Louisa,” antwoordde haar broeder, „ge zijt niet gewoon mij om raad te vragen. Zeg wat gij wilt. Als gij het voor u zelve houdt, zal ik het ook voor mij zelven houden. Als gij het openbaart, is het mij ook wel.”
Het was te donker dan dat zij elkanders gezicht konden zien; maar beiden schenen zeer oplettend te zijn en zich te bedenken eer zij spraken.
„Tom, gelooft gij, dat de man, aan wien ik dat geld gegeven heb, werkelijk in deze misdaad betrokken is?”
„Dat weet ik niet. Ik zie niet in waarom niet.”
„Hij kwam mij toen een eerlijk man voor.”
„Iemand anders kan u oneerlijk voorkomen en het toch niet zijn.”
Er volgde eene poos van stilte, want hij had gehaperd toen hij verder wilde spreken, en daarna gezwegen.
„Kortom,” hervatte hij, alsof hij zijn besluit had genomen, „als gij daarop komt, was ik er misschien zoo ver van af om volkomen gunstig over hem te denken, dat ik hem buiten de deur nam om hem in stilte te zeggen, dat hij er, naar mijne gedachten, zeer wel afkwam met nog zulk een buitenkansje van mijne zuster te krijgen, en dat ik hoopte, dat hij er een goed gebruik van zou maken. Ik zeg evenwel niets tegen den man. Hij mag een heel brave kerel zijn, voor zooveel ik weet. Ik hoop, dat hij het is.”
„Was hij beleedigd door dat zeggen van u?”
„Neen, hij nam het tamelijk wel op; hij was beleefd genoeg. Waar zijt ge, Louisa?” Hij kwam in het bed overeind en kuste haar. „Goeden nacht, lieve, goedenacht!”
„Gij hebt mij niets meer te zeggen?”
„Neen. Wat zou ik te zeggen hebben? Of zoudt ge willen, dat ik eene leugen vertelde?”
„Van nacht vooral zou ik dat niet willen, Tom, onder al de nachten van uw leven, hoevelen en hoeveel gelukkiger ik ook hoop dat zij zijn zullen.”
„Dank u, lieve Louisa. Ik ben zoo moe, dat ik mij haast verwonder dat ik niet alles zeg wat gij wilt, om maar te kunnen gaan slapen. Ga naar bed, ga naar bed.”
Hij gaf haar nog een kus, keerde zich toen om, trok het dek over zijn hoofd, en bleef zoo stil liggen alsof de tijd, waarbij zij hem bezworen had, reeds gekomen was. Zij bleef nog eene poos bij het bed staan, eer zij langzaam heenging. Bij de deur bleef zij weder staan, keek nog eens om toen zij die reeds geopend had, en vroeg of hij haar had geroepen. Maar hij bleef stil liggen, en zij sloot zachtjes de deur en ging weder naar hare kamer.
Toen keek de rampzalige voorzichtig op, en ziende dat zij weg was, kroop hij zijn bed uit, draaide de deur op het nachtslot, en wierp zich weder op zijn leger. Daar lag hij zijne haren uit te trekken, schreiende van wrevelige spijt, vol wangunstige liefde voor haar, zich zelven verwenschende en verachtende, met bitterheid, maar zonder boetvaardig berouw, en vervuld van haat en wrok tegen al het goede op de wereld, dat hij in zijne verblinding even nietswaardig noemde als hij zelf was.