XXV.DE LAATSTE WOORDEN.Terwijl mevrouw Sparsit in de haar door mijnheer Bounderby verleende schuilplaats voor anker bleef liggen, om de aan hare zenuwen geledene schade te herstellen, hield zij onder hare zwarte wenkbrauwen dag en nacht zulk eene scherpe wacht, dat hare oogen, gelijk een paar vuurbakens op eene rotsige kust, alle voorzichtige zeelieden zouden gewaarschuwd hebben om zich niet te dicht bij het steile voorgebergte van haar Romeinschen neus en het nabijgelegene donkere en klippige gewest te wagen, indien de zachtzinnigheid harer manieren daarentegen niet zoo geruststellend ware geweest. Hoewel het moeielijk te gelooven was, dat zij zich des avonds niet maar pro forma naar bed begaf, zoo wakker bleven altijd hare klassieke oogen, en zoo onmogelijk scheenhet dat haar scherpe neus voor eenigen verzachtenden invloed kon zwichten, was toch de manier, waarop zij hare ruige, omniet te zeggen raspige mofjes (want zij schenen wel van ijzerdraad gebreid te zijn) gladstreek of met haar voet in haar katoenen stijgbeugel naar onbekende plaatsen van bestemming galoppeerde, zoo uitnemend vreedzaam en vriendelijk, dat de meeste waarnemers haar voor eene duif moesten houden, die door eene of andere luim der natuur in den aardschen tabernakel van een vogel van het valkengeslacht was gehuisvest.Het was verbazend, welk eene bijzondere gaaf zij bezat om overal in huis rond te loeren. Hoe zij van de eene verdieping naar de andere kwam, was een geheim dat niemand kon oplossen. Men kon niet wel vermoeden, dat eene deftige dame, die zulke aanzienlijke betrekkingen had, over de leuning van de trap zou naar beneden springen, of zich daarlangs laten afglijden, en toch moest hare buitengemeene vlugheid iemand op dat ongerijmde denkbeeld doen komen. Eene andere opmerkelijke eigenschap van mevrouw Sparsit was, dat zij zich nooit haastte. Zij vloog met de uiterste snelheid van de vliering naar het voorhuis, en was toch op het oogenblik, dat zij dien tocht volbracht had, in het volle bezit van haar adem en hare deftigheid. Ook zag nooit eenig menschelijk oog haar hard loopen.Zij hield zich voor mijnheer Harthouse zeer vriendelijk, en had kort na hare aankomst een genoeglijk gesprek met hem. Op een ochtend voor het ontbijt ontmoette zij hem in den tuin en zeide, statig voor hem nijgende:„Het is alsof het pas gisteren was, mijnheer, dat ik de eer had u aan het kantoor te ontvangen, toen gij zoo goed waart om naar het adres van mijnheer Bounderby te willen vernemen.”„Eene kennismaking, dit verzeker ik u, die ik zelf in geene eeuwen zal vergeten,” antwoordde mijnheer Harthouse, met eene buiging zoo flauw en traag als men zich maar verbeelden kan.„Wij leven in eene zonderlinge wereld, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit.„Ik heb eens de eer gehad, door eene toevalligheid, waarop ik bijna trotsch ben, eene aanmerking van bijna denzelfden inhoud te maken, hoewel niet met zulk eene puntige kortheid uitgedrukt.”„Eene zonderlinge wereld, wilde ik zeggen, mijnheer,” vervolgde mevrouw Sparsit, nadat zij voor het compliment had bedankt door hare zwarte wenkbrauwen te laten zakken, die niet geheel zulk eene vriendelijke uitdrukking hadden als de fleemende tonen harer stem, „wat de gemeenzame betrekkingen aangaat, die wij op den eenen tijd vormen met lieden, welke wij op een anderen tijd nog geheel niet kenden. Ik herinner mij, mijnheer, dat gij bij die gelegenheid zelfs zoover zijt gegaan om te zeggen, dat gij werkelijk bang waart voor Miss Gradgrind.”„Uw geheugen bewijst mij meer eer dan mijne onbeduidendheid verdient. Ik heb van uwe vriendelijke wenken partij getrokken om mijne schroomvalligheid te boven te komen, en het is noodeloos te zeggen, dat gij volkomen gelijk hadt. Uw talent, mevrouw Sparsit, voor—voor alles, kortom, waarbij het op nauwkeurige waarneming aankomt—natuurlijk vereenigd met uwe kracht van geest—en uwe aanzienlijke afkomst—blinkt altijd te duidelijk uit om ooit betwijfeld te kunnen worden.” Hij viel bijna in slaap onder dit compliment, zoolang duurde het eer hij er doorheen kwam, en zoozeer dwaalden zijne gedachten af terwijl hij het uitbracht.„Gij hebt zeker gevonden, dat Miss Gradgrind—het is een zonderling zwak van mij, maar ik kan haar onmogelijk mevrouw Bounderby noemen—zoo jeugdig is als ik haar beschreven had?” zeide mevrouw Sparsit met zoetsappige vriendelijkheid.„Gij hebt een volmaakt portret van haar geschilderd,” antwoordde Harthouse; „een trouw beeld van haar gegeven.”„Zeer innemend, niet waar, mijnheer?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij hare mofjes om elkander liet ronddraaien.„Buitengemeen.”„Men placht het er voor te houden, dat Miss Gradgrind niet levendig genoeg was,” zeide mevrouw Sparsit, „maar ik moet bekennen, dat het mij voorkomt alsof zij in dat opzicht aanmerkelijk verbeterd is. O, daar is waarlijk mijnheer Bounderby!” riep zij uit, verscheidene malen knikkende alsof zij aan niemand anders gedacht en van niemand anders gesproken had. „Hoe bevindt gij u van morgen, mijnheer? O, laten wij u toch eens weer vroolijk zien, mijnheer.”Deze aanhoudende pogingen om zijne ellende te verzachten en zijn last te verlichten begonnen reeds ten gevolge te hebben, dat mijnheer Bounderby vriendelijker dan gewoonlijk voor alle andere menschen werd, zoowel voor zijne vrouw als voor ieder ander. Toen dus mevrouw Sparsit met zichtbaar gedwongene luchthartigheid zeide: „Gij zult wel naar uw ontbijt verlangen, mijnheer; maar ik denk ook wel, dat Miss Gradgrind spoedig hier zal zijn om zich aan het hoofd van de tafel te plaatsen,” antwoordde Bounderby: „Als ik wilde wachten tot mijne vrouw voor mij zorgde, juffrouw, geloof ik, zooals gij tamelijk wel weet, dat ik tot den jongsten dag zou kunnen wachten, en dus zal ikulastig vallen om den post aan den trekpot waar te nemen.” Mevrouw Sparsit gehoorzaamde en hernam hare oude plaats aan de tafel.Dit deed de uitmuntende vrouw wederom zeer sentimenteel worden; maar zij bleef met dat al toch zoo nederig, dat zij, zoodra Louisaverscheen, opstond en betuigde, dat zij er niet aan denken kon om onder deze omstandigheden daar te blijven zitten, hoe dikwijls zij ook de eer had gehad van mijnheer Bounderby’s ontbijt gereed te maken, eer Miss Bounderby—zij verzocht wel verschooning, zij wilde zeggen mevrouw Gradgrind—zij hoopte, dat men haar zou excuseeren, maar zij kon waarlijk nog niet met den naam terecht, hoewel zij vertrouwde, dat zij er zich door den tijd wel aan zou gewennen—hare tegenwoordige positie had verkregen. Het was alleen, merkte zij aan, omdat Miss Gradgrind toevallig een weinigje laat kwam, en mijnheer Bounderby’s tijd zoo kostbaar was, en zij vanouds wist van hoeveel belang het voor hem was, dat hij op de minuut af kon ontbijten, dat zij de vrijheid had genomen van aan zijn verzoek te voldoen; zoo lang toch was zijn wil haar eene wet geweest.„Blijf maar zitten waar gij zit, juffrouw,” zeide Bounderby, „blijf gerust zitten. Mevrouw Bounderby zal heel blij wezen, geloof ik, als gij haar van dien last ontheft.”„Zeg dat niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, bijna met strengheid, „want dat is heel onvriendelijk voor mevrouw Bounderby, en onvriendelijkheid ben ik niet van u gewend, mijnheer.”„Wees maar gerust, juffrouw.—Gij kunt het heel bedaard opnemen, niet waar, Louisa?” zeide Bounderby op zijn winderigsten toon tot zijne vrouw.„O ja, natuurlijk. Het is van geen belang. Waarom zou het van eenig gewicht voor mij zijn?”„Waarom zou het van eenig gewicht voor iemand zijn, mevrouw Sparsit?” zeide Bounderby, eene hooge borst zettende met het gevoel van gekrenkte waardigheid. „Gij hecht veel te veel gewicht aan die dingen, juffrouw. Waarachtig, sommige begrippen van u zullen hier wel terechtgebracht worden. Gij zijt nog ouderwetsch, juffrouw. Bij de kinderen van Tom Gradgrind zijt ge heel ver ten achteren.”„Wat scheelt u?” vroeg Louisa met koele verwondering. „Wat heeft u aanstoot gegeven?”„Aanstoot!” herhaalde Bounderby. „Denkt gij, als iets mij aanstoot gaf, dat ik het niet zou zeggen en verzoeken het te veranderen? Ik ben een rondborstig man, geloof ik. Ik wind nergens doekjes om.”„Ik geloof, dat niemand ooit gelegenheid heeft gehad om u voor al te bedeesd of al te kiesch te houden,” antwoordde Louisa zeer bedaard. „Ik heb u dat nooit ten laste gelegd, noch als kind noch als vrouw. Ikbegrijpniet wat gij hebben wilt.”„Hebben wilt?” hervatte Bounderby. „Niets. Weet gij anders niet heel goed, Louisa Bounderby, dat ik, Josiah Bounderby vanCoketown, het ook hebben zou?”Met deze woorden gaf hij een slag op de tafel, die de kopjes deed rinkelen. Zij zag hem aan met eene trotsche kleur in haar gezicht, die, gelijk mijnheer Harthouse dacht, eene nieuwe verandering was.„Gij zijt van morgen onbegrijpelijk,” zeideLouisa. „Maar geef u geene verdere moeite om u te verklaren; ik ben volstrekt niets nieuwsgierig naar uwe meening. Wat maakt het uit!”Er werd niets meer over de zaak gesproken, en mijnheer Harthouse was weldra met luchtige vroolijkheid over onverschillige onderwerpen aan het praten. Maar van dien dag af bracht de invloed van mevrouw Sparsit op mijnheer Bounderby Louisa en James Harthouse meer bij elkander en vergrootte zoowel hare gevaarlijke verwijdering van haar man als hare vertrouwelijkheid met een ander, waartoe zij met zoo geringe schreden gekomen was, dat zij die, al had zij het beproefd, niet weder had kunnen herdoen. Maar of zij dit ooit beproefde of niet, lag in haar eigen gesloten hart verborgen.Mevrouw Sparsit was bij het zoo even verhaalde voorval zoodanig ontroerd, dat zij, toen zij mijnheer Bounderby na het ontbijt zijn hoed aangaf en toen juist met hem alleen in het voorhuis was, een kuischen kus op zijne hand drukte, de woorden, „mijn weldoener!” prevelde, en zich overstelpt van smart verwijderde. Evenwel is het een ontwijfelbaar feit, waarvan deze geschiedenis melding moet maken, dat vijf minuten nadat hij met denzelfden hoed het huis had verlaten, dezelfde afstammelinge der Scadgers’ en aanverwante der Powler’s haar rechtermofje dreigend tegen zijn portret ophief, eene verachtelijke grimas tegen dat kunstwerk maakte en daarbij zeide: „Het is uw verdiende loon, gij domkop, en ik ben er blij om.”Mijnheer Bounderby was nog niet lang vertrokken, toen Bitzer verscheen. Met den spoortrein, die gillend en ratelend over de bogen vloog door de woeste landstreek van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen, was Bitzer met eene haastige boodschap vanStone Lodgegekomen met een briefje namelijk, om Louisa te berichten dat hare moeder zeer ziek lag. Zij was, zoolang hare dochter heugde, nooit recht gezond geweest; maar in de laatste dagen was zij zeer verzwakt en in dien nacht zoo verminderd, dat zij thans werkelijk zoo nabij den dood scheen te zijn als zij zich dit zoovele jaren lang dagelijks had verbeeld.Vergezeld door den kleurloozen kantoorlooper, door zijne bleekheid wel geschikt voor de rol van bode des doods, snorde Louisa naarCoketown. Binnen de berookte stad gekomen, liet zij haar bode vrijheid om zijn eigen weg te gaan en nam een rijtuig om haar naar haar ouderlijk huis te brengen.Zij was sedert haar huwelijk zelden daargeweest. Haar vader was doorgaans in Londen aan het ziften van zijn parlementairen aschhoop (zonder dat men ooit vernam dat hij veel kostbaars daarin vond) en nu nog druk met dien arbeid bezig. Hare moeder had het altijd eenigszins als eene lastige stoornis opgenomen, wanneer hare dochter haar, terwijl zij op de sofa lag, kwam bezoeken; voor den omgang met kinderen gevoelde Louisa zich geheel ongeschikt; voor Sissy was zij nooit weder vriendelijk geworden sedert dien avond toen het kind van den armen kunstenmaker hare oogen had opgeslagen om de aanstaande vrouw van mijnheer Bounderby aan te zien. Er was niets dat haar uitlokte om het ouderlijke huis te bezoeken, en zij deed dit dus zelden.Thans, nu zij het naderde, ontwaarde zij ook niets van dien gezegenden invloed, welken het ouderlijke huis in latere jaren nog kan blijven uitoefenen. De droomen der kindsheid met hunne hersenschimmen en fabelen, die de nog vergelegene wereld met zoovele schoone onmogelijkheden versieren—zoo heilzaam, dat men ze zich nog herinnert als men ze ontwassen is, want dan openen zij het hart weder voor zachte aandoeningen bij de gedachte, hoe kleine kinderen met reine handjes een bloemenhof planten in het midden der steenachtige wereld, waarin het voor alle kinderen van Adam goed zou zijn zich nog dikwijls, met eenvoudig geloof en zonder wereldsche wijsheid, te komen verlustigen—wat had zij met die droomen te doen? Herinneringen, hoe zij langs de betooverde paden eener hoop en verbeelding, die duizend onschuldige kleinen met haar deelden, tot het weinige dat zij wist gekomen was; hoe zij, door het zachte licht der fantasie tot het verstand gevoerd, dit eene weldadige godheid had bevonden, die andere even machtige goden naast zich plaats gunde, geen gruwelijken afgod, wreed en koud, die zijne slachtoffers aan handen en voeten laat boeien, en wiens reusachtige stomme gedaante, altijd voor zich starende zonder ooit iets te zien, nooit door iets te bewegen is dan door een hefboom van welberekende materieele kracht—wat had zij met zulke herinneringen te doen? Wat zij zich van het ouderlijke huis en hare kindsheid herinnerde, was het opdrogen van alle springbronnen en fonteinen, die in haar jeugdig hart opwelden. De levende wateren vloeiden daar niet meer. Zij vloeiden ter bevochtiging van het land, waar men druiven van doornen en vijgen van distelen plukt.Zij ging met eene doffe smart in het hart, die haar veeleer verhardde dan verteederde, het huis en de kamer harer moeder binnen. Sedert haar vertrek had Sissy met de overigen van het gezin op gelijken voet geleefd. Sissy was bij hare moeder, en Jane, hare zuster, nu tien of twaalf jaren oud, was insgelijks in de kamer.Men had veel moeite eer men mevrouw Gradgrind kon doen begrijpen, dat hare oudste dochter daar was. Zij lag, door kussens overeind gehouden, omdat zij dit zoo gewoon was, op eene sofa, zoo nabij mogelijk in hare gewone houding als men een zoo geheel hulpeloos wezen kon houden. Zij had volstrekt niet naar bed gebracht willen worden, omdat zij, als zij dit liet doen, nooit het eind ervan zou hooren.Hare zwakke stem klonk onder haar hoop omslagdoeken zoo uit de verte, en de klank eener andere stem, die haar aansprak, scheen zooveel tijd noodig te hebben om door die doeken tot hare ooren te komen, dat zij evengoed op den bodem van een put had kunnen liggen. De arme vrouw was inderdaad dichter bij de waarheid op den bodem van haar put, dan zij nog ooit geweest was, en dit had veel met de zaak te maken.Toen men haar zeide, dat mevrouw Bounderby daar was, verstond zij dit maar half en antwoordde verkeerd, dat zij hem nooit bij dien naam had genoemd zoolang hij met Louisa getrouwd was; dat zij, terwijl zij zich bedacht op een naam, waartegen niet het een of ander was in te brengen, hem maar J. had genoemd, en dat zij, daar zij nog niets beters had gevonden, niet van dien regel kon afgaan. Louisa had reeds eene poos bij haar gezeten en verscheidene malen tegen haar gesproken, eer zij duidelijk begreep wie er was. Toen scheen zij er in eens op te komen.„Wel, melieve,” zeide mevrouw Gradgrind, „ik hoop dat het u wel naar uw zin gaat. Het was alles uw vaders bedrijf. Hij had er zijn hart op gesteld. En hij moest het weten.”„Ik wilde van u hooren, moeder, niet van mij zelve.”„Gij wilt van mij hooren, melieve? Dat is waarlijk wel iets nieuws, dat iemand van mij hooren wil. Lang niet wel, Louisa. Heel flauw en duizelig.”„Hebt gij ergens pijn, lieve moeder?”„Ik geloof wel dat er pijn ergens in de kamer is,” antwoordde mevrouw Gradgrind, „maar ik zou niet stellig kunnen zeggen dat ik ze heb.”Na dit zonderlinge gezegde bleef zij eenigen tijd stil liggen. Louisa, die hare hand vasthield, kon geen pols voelen; maar toen zij er een kus op drukte, zag zij een dun draadje levens in trillende beweging.„Gij ziet uwe zuster zeer zelden,” zeide mevrouw Gradgrind. „Zij begint veel naar u te gelijken. Gij moest haar eens aanzien. Sissy, breng haar hier.”Het kind werd gehaald, gaf hare zuster de hand en bleef zoo staan. Louisa had haar met haar arm om Sissy’s hals gezien en gevoelde het verschil dezer toenadering.„Ziet gij de gelijkenis, Louisa?”„Ja, moeder. Ik vind wel dat zij naar mij gelijkt, maar...”„He? Ja, dat zeg ik ook altijd,” riepmevrouwGradgrind met onverwachte vlugheid uit. „En dat doet mij bedenken—ik moet u spreken, melieve. Sissy, goed meisje, laat ons een oogenblik alleen.”Louisa had hare hand losgelaten, had gedacht, dat het gezichtje harer zuster schooner en helderder was dan het hare ooit geweest was; had daarna, niet zonder eene opwelling van wrevel, zelfs daar en op dat oogenblik, iets gezien van de zachtheid die het andere gezichtje in de kamer eigen was—het lieve gezichtje met de oprechte, vertrouwelijke oogen, dat door het glanzige donkere haar nog bleeker scheen, dan het door droevig medelijden en nachtwaken was geworden.Met hare moeder alleen gebleven, zag Louisa eene akelige kalmte op haar gelaat, gelijk die van een drenkeling wezen zou, die, zonder eenigen tegenstand meer te bieden, zich met den stroom liet wegdrijven. Zij bracht de uitgeteerde hand, slechts de schim eener hand, weder aan hare lippen, en poogde haar zoo tot bezinning te brengen.„Gij hadt mij willen spreken, moeder?”„He? O ja zeker, melieve. Gij weet wel, uw vader is tegenwoordig haast altijd weg, en ik moet er hem dus over schrijven.”„Waarover, moeder? Ontrust u maar niet. Waarover?”„Gij moet nog wel weten, kind, dat ik, als ik ooit iets over iets zeide, er nooit het eind van hoorde, en dat ik dus al sedert lang nooit meer iets over iets gezegd heb.”„Ik hoor u wel, moeder.” Maar het was alleen door laag te bukken en tegelijk oplettend naar de lippen der kranke te zien, dat zij zulke flauwe afgebrokene klanken tot eenigen samenhang kon brengen.„Gij hebt veel geleerd, Louisa, en uw broeder ook. Ologies van allerlei soort, van den ochtend tot den avond. Als er nog eene ologie over is, van wat soort ook, die hier in huis niet is afgezaagd, kan ik er niets meer van zeggen, dan dat ik hoop, dat ik ze nooit zal hooren noemen.”„Ik kan u wel hooren, moeder, als gij kracht hebt om voort te spreken.” Dit diende slechts om haar te verhinderen nog verder af te dwalen.„Maar er is toch iets—geen ologie, gansch niet—dat uw vader gemist of vergeten heeft, Louisa! Ik weet niet wat het is. Ik heb er dikwijls over gedacht, terwijl Sissy bij mij zat. Ik zal er nu wel niet meer opkomen. Maar uw vader misschien. Dat maakt mij zoo rusteloos. Ik wil hem schrijven, dat hij om ’s Hemels wil poogt te vinden wat het is. Geef mij eene pen, geef mij eene pen.”Zelfs het vermogen om rusteloos te zijn was verdwenen, behalve uit het arme hoofd, dat zich nog even heen en weder kon keeren.Zij verbeeldde zich echter, dat er aan haar verzoek voldaan was en zij de pen, die zij niet had kunnen vasthouden, in de hand had. Het is van weinig belang, welke verwonderlijke figuren zonder beteekenis zij op haar dek begon te schrijven. Weldra hield hare hand te midden daarvan stil; het licht, dat altijd zoo flauw en zwak had gebrand, ging uit; zelfs mevrouw Gradgrind, uit die schaduw gekomen waarin de mensch wandelt en zich vruchteloos ontrust, verkreeg een voorkomen zoo statig en ontzagwekkend als dat van een der oude wijzen en patriarchen.
XXV.DE LAATSTE WOORDEN.Terwijl mevrouw Sparsit in de haar door mijnheer Bounderby verleende schuilplaats voor anker bleef liggen, om de aan hare zenuwen geledene schade te herstellen, hield zij onder hare zwarte wenkbrauwen dag en nacht zulk eene scherpe wacht, dat hare oogen, gelijk een paar vuurbakens op eene rotsige kust, alle voorzichtige zeelieden zouden gewaarschuwd hebben om zich niet te dicht bij het steile voorgebergte van haar Romeinschen neus en het nabijgelegene donkere en klippige gewest te wagen, indien de zachtzinnigheid harer manieren daarentegen niet zoo geruststellend ware geweest. Hoewel het moeielijk te gelooven was, dat zij zich des avonds niet maar pro forma naar bed begaf, zoo wakker bleven altijd hare klassieke oogen, en zoo onmogelijk scheenhet dat haar scherpe neus voor eenigen verzachtenden invloed kon zwichten, was toch de manier, waarop zij hare ruige, omniet te zeggen raspige mofjes (want zij schenen wel van ijzerdraad gebreid te zijn) gladstreek of met haar voet in haar katoenen stijgbeugel naar onbekende plaatsen van bestemming galoppeerde, zoo uitnemend vreedzaam en vriendelijk, dat de meeste waarnemers haar voor eene duif moesten houden, die door eene of andere luim der natuur in den aardschen tabernakel van een vogel van het valkengeslacht was gehuisvest.Het was verbazend, welk eene bijzondere gaaf zij bezat om overal in huis rond te loeren. Hoe zij van de eene verdieping naar de andere kwam, was een geheim dat niemand kon oplossen. Men kon niet wel vermoeden, dat eene deftige dame, die zulke aanzienlijke betrekkingen had, over de leuning van de trap zou naar beneden springen, of zich daarlangs laten afglijden, en toch moest hare buitengemeene vlugheid iemand op dat ongerijmde denkbeeld doen komen. Eene andere opmerkelijke eigenschap van mevrouw Sparsit was, dat zij zich nooit haastte. Zij vloog met de uiterste snelheid van de vliering naar het voorhuis, en was toch op het oogenblik, dat zij dien tocht volbracht had, in het volle bezit van haar adem en hare deftigheid. Ook zag nooit eenig menschelijk oog haar hard loopen.Zij hield zich voor mijnheer Harthouse zeer vriendelijk, en had kort na hare aankomst een genoeglijk gesprek met hem. Op een ochtend voor het ontbijt ontmoette zij hem in den tuin en zeide, statig voor hem nijgende:„Het is alsof het pas gisteren was, mijnheer, dat ik de eer had u aan het kantoor te ontvangen, toen gij zoo goed waart om naar het adres van mijnheer Bounderby te willen vernemen.”„Eene kennismaking, dit verzeker ik u, die ik zelf in geene eeuwen zal vergeten,” antwoordde mijnheer Harthouse, met eene buiging zoo flauw en traag als men zich maar verbeelden kan.„Wij leven in eene zonderlinge wereld, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit.„Ik heb eens de eer gehad, door eene toevalligheid, waarop ik bijna trotsch ben, eene aanmerking van bijna denzelfden inhoud te maken, hoewel niet met zulk eene puntige kortheid uitgedrukt.”„Eene zonderlinge wereld, wilde ik zeggen, mijnheer,” vervolgde mevrouw Sparsit, nadat zij voor het compliment had bedankt door hare zwarte wenkbrauwen te laten zakken, die niet geheel zulk eene vriendelijke uitdrukking hadden als de fleemende tonen harer stem, „wat de gemeenzame betrekkingen aangaat, die wij op den eenen tijd vormen met lieden, welke wij op een anderen tijd nog geheel niet kenden. Ik herinner mij, mijnheer, dat gij bij die gelegenheid zelfs zoover zijt gegaan om te zeggen, dat gij werkelijk bang waart voor Miss Gradgrind.”„Uw geheugen bewijst mij meer eer dan mijne onbeduidendheid verdient. Ik heb van uwe vriendelijke wenken partij getrokken om mijne schroomvalligheid te boven te komen, en het is noodeloos te zeggen, dat gij volkomen gelijk hadt. Uw talent, mevrouw Sparsit, voor—voor alles, kortom, waarbij het op nauwkeurige waarneming aankomt—natuurlijk vereenigd met uwe kracht van geest—en uwe aanzienlijke afkomst—blinkt altijd te duidelijk uit om ooit betwijfeld te kunnen worden.” Hij viel bijna in slaap onder dit compliment, zoolang duurde het eer hij er doorheen kwam, en zoozeer dwaalden zijne gedachten af terwijl hij het uitbracht.„Gij hebt zeker gevonden, dat Miss Gradgrind—het is een zonderling zwak van mij, maar ik kan haar onmogelijk mevrouw Bounderby noemen—zoo jeugdig is als ik haar beschreven had?” zeide mevrouw Sparsit met zoetsappige vriendelijkheid.„Gij hebt een volmaakt portret van haar geschilderd,” antwoordde Harthouse; „een trouw beeld van haar gegeven.”„Zeer innemend, niet waar, mijnheer?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij hare mofjes om elkander liet ronddraaien.„Buitengemeen.”„Men placht het er voor te houden, dat Miss Gradgrind niet levendig genoeg was,” zeide mevrouw Sparsit, „maar ik moet bekennen, dat het mij voorkomt alsof zij in dat opzicht aanmerkelijk verbeterd is. O, daar is waarlijk mijnheer Bounderby!” riep zij uit, verscheidene malen knikkende alsof zij aan niemand anders gedacht en van niemand anders gesproken had. „Hoe bevindt gij u van morgen, mijnheer? O, laten wij u toch eens weer vroolijk zien, mijnheer.”Deze aanhoudende pogingen om zijne ellende te verzachten en zijn last te verlichten begonnen reeds ten gevolge te hebben, dat mijnheer Bounderby vriendelijker dan gewoonlijk voor alle andere menschen werd, zoowel voor zijne vrouw als voor ieder ander. Toen dus mevrouw Sparsit met zichtbaar gedwongene luchthartigheid zeide: „Gij zult wel naar uw ontbijt verlangen, mijnheer; maar ik denk ook wel, dat Miss Gradgrind spoedig hier zal zijn om zich aan het hoofd van de tafel te plaatsen,” antwoordde Bounderby: „Als ik wilde wachten tot mijne vrouw voor mij zorgde, juffrouw, geloof ik, zooals gij tamelijk wel weet, dat ik tot den jongsten dag zou kunnen wachten, en dus zal ikulastig vallen om den post aan den trekpot waar te nemen.” Mevrouw Sparsit gehoorzaamde en hernam hare oude plaats aan de tafel.Dit deed de uitmuntende vrouw wederom zeer sentimenteel worden; maar zij bleef met dat al toch zoo nederig, dat zij, zoodra Louisaverscheen, opstond en betuigde, dat zij er niet aan denken kon om onder deze omstandigheden daar te blijven zitten, hoe dikwijls zij ook de eer had gehad van mijnheer Bounderby’s ontbijt gereed te maken, eer Miss Bounderby—zij verzocht wel verschooning, zij wilde zeggen mevrouw Gradgrind—zij hoopte, dat men haar zou excuseeren, maar zij kon waarlijk nog niet met den naam terecht, hoewel zij vertrouwde, dat zij er zich door den tijd wel aan zou gewennen—hare tegenwoordige positie had verkregen. Het was alleen, merkte zij aan, omdat Miss Gradgrind toevallig een weinigje laat kwam, en mijnheer Bounderby’s tijd zoo kostbaar was, en zij vanouds wist van hoeveel belang het voor hem was, dat hij op de minuut af kon ontbijten, dat zij de vrijheid had genomen van aan zijn verzoek te voldoen; zoo lang toch was zijn wil haar eene wet geweest.„Blijf maar zitten waar gij zit, juffrouw,” zeide Bounderby, „blijf gerust zitten. Mevrouw Bounderby zal heel blij wezen, geloof ik, als gij haar van dien last ontheft.”„Zeg dat niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, bijna met strengheid, „want dat is heel onvriendelijk voor mevrouw Bounderby, en onvriendelijkheid ben ik niet van u gewend, mijnheer.”„Wees maar gerust, juffrouw.—Gij kunt het heel bedaard opnemen, niet waar, Louisa?” zeide Bounderby op zijn winderigsten toon tot zijne vrouw.„O ja, natuurlijk. Het is van geen belang. Waarom zou het van eenig gewicht voor mij zijn?”„Waarom zou het van eenig gewicht voor iemand zijn, mevrouw Sparsit?” zeide Bounderby, eene hooge borst zettende met het gevoel van gekrenkte waardigheid. „Gij hecht veel te veel gewicht aan die dingen, juffrouw. Waarachtig, sommige begrippen van u zullen hier wel terechtgebracht worden. Gij zijt nog ouderwetsch, juffrouw. Bij de kinderen van Tom Gradgrind zijt ge heel ver ten achteren.”„Wat scheelt u?” vroeg Louisa met koele verwondering. „Wat heeft u aanstoot gegeven?”„Aanstoot!” herhaalde Bounderby. „Denkt gij, als iets mij aanstoot gaf, dat ik het niet zou zeggen en verzoeken het te veranderen? Ik ben een rondborstig man, geloof ik. Ik wind nergens doekjes om.”„Ik geloof, dat niemand ooit gelegenheid heeft gehad om u voor al te bedeesd of al te kiesch te houden,” antwoordde Louisa zeer bedaard. „Ik heb u dat nooit ten laste gelegd, noch als kind noch als vrouw. Ikbegrijpniet wat gij hebben wilt.”„Hebben wilt?” hervatte Bounderby. „Niets. Weet gij anders niet heel goed, Louisa Bounderby, dat ik, Josiah Bounderby vanCoketown, het ook hebben zou?”Met deze woorden gaf hij een slag op de tafel, die de kopjes deed rinkelen. Zij zag hem aan met eene trotsche kleur in haar gezicht, die, gelijk mijnheer Harthouse dacht, eene nieuwe verandering was.„Gij zijt van morgen onbegrijpelijk,” zeideLouisa. „Maar geef u geene verdere moeite om u te verklaren; ik ben volstrekt niets nieuwsgierig naar uwe meening. Wat maakt het uit!”Er werd niets meer over de zaak gesproken, en mijnheer Harthouse was weldra met luchtige vroolijkheid over onverschillige onderwerpen aan het praten. Maar van dien dag af bracht de invloed van mevrouw Sparsit op mijnheer Bounderby Louisa en James Harthouse meer bij elkander en vergrootte zoowel hare gevaarlijke verwijdering van haar man als hare vertrouwelijkheid met een ander, waartoe zij met zoo geringe schreden gekomen was, dat zij die, al had zij het beproefd, niet weder had kunnen herdoen. Maar of zij dit ooit beproefde of niet, lag in haar eigen gesloten hart verborgen.Mevrouw Sparsit was bij het zoo even verhaalde voorval zoodanig ontroerd, dat zij, toen zij mijnheer Bounderby na het ontbijt zijn hoed aangaf en toen juist met hem alleen in het voorhuis was, een kuischen kus op zijne hand drukte, de woorden, „mijn weldoener!” prevelde, en zich overstelpt van smart verwijderde. Evenwel is het een ontwijfelbaar feit, waarvan deze geschiedenis melding moet maken, dat vijf minuten nadat hij met denzelfden hoed het huis had verlaten, dezelfde afstammelinge der Scadgers’ en aanverwante der Powler’s haar rechtermofje dreigend tegen zijn portret ophief, eene verachtelijke grimas tegen dat kunstwerk maakte en daarbij zeide: „Het is uw verdiende loon, gij domkop, en ik ben er blij om.”Mijnheer Bounderby was nog niet lang vertrokken, toen Bitzer verscheen. Met den spoortrein, die gillend en ratelend over de bogen vloog door de woeste landstreek van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen, was Bitzer met eene haastige boodschap vanStone Lodgegekomen met een briefje namelijk, om Louisa te berichten dat hare moeder zeer ziek lag. Zij was, zoolang hare dochter heugde, nooit recht gezond geweest; maar in de laatste dagen was zij zeer verzwakt en in dien nacht zoo verminderd, dat zij thans werkelijk zoo nabij den dood scheen te zijn als zij zich dit zoovele jaren lang dagelijks had verbeeld.Vergezeld door den kleurloozen kantoorlooper, door zijne bleekheid wel geschikt voor de rol van bode des doods, snorde Louisa naarCoketown. Binnen de berookte stad gekomen, liet zij haar bode vrijheid om zijn eigen weg te gaan en nam een rijtuig om haar naar haar ouderlijk huis te brengen.Zij was sedert haar huwelijk zelden daargeweest. Haar vader was doorgaans in Londen aan het ziften van zijn parlementairen aschhoop (zonder dat men ooit vernam dat hij veel kostbaars daarin vond) en nu nog druk met dien arbeid bezig. Hare moeder had het altijd eenigszins als eene lastige stoornis opgenomen, wanneer hare dochter haar, terwijl zij op de sofa lag, kwam bezoeken; voor den omgang met kinderen gevoelde Louisa zich geheel ongeschikt; voor Sissy was zij nooit weder vriendelijk geworden sedert dien avond toen het kind van den armen kunstenmaker hare oogen had opgeslagen om de aanstaande vrouw van mijnheer Bounderby aan te zien. Er was niets dat haar uitlokte om het ouderlijke huis te bezoeken, en zij deed dit dus zelden.Thans, nu zij het naderde, ontwaarde zij ook niets van dien gezegenden invloed, welken het ouderlijke huis in latere jaren nog kan blijven uitoefenen. De droomen der kindsheid met hunne hersenschimmen en fabelen, die de nog vergelegene wereld met zoovele schoone onmogelijkheden versieren—zoo heilzaam, dat men ze zich nog herinnert als men ze ontwassen is, want dan openen zij het hart weder voor zachte aandoeningen bij de gedachte, hoe kleine kinderen met reine handjes een bloemenhof planten in het midden der steenachtige wereld, waarin het voor alle kinderen van Adam goed zou zijn zich nog dikwijls, met eenvoudig geloof en zonder wereldsche wijsheid, te komen verlustigen—wat had zij met die droomen te doen? Herinneringen, hoe zij langs de betooverde paden eener hoop en verbeelding, die duizend onschuldige kleinen met haar deelden, tot het weinige dat zij wist gekomen was; hoe zij, door het zachte licht der fantasie tot het verstand gevoerd, dit eene weldadige godheid had bevonden, die andere even machtige goden naast zich plaats gunde, geen gruwelijken afgod, wreed en koud, die zijne slachtoffers aan handen en voeten laat boeien, en wiens reusachtige stomme gedaante, altijd voor zich starende zonder ooit iets te zien, nooit door iets te bewegen is dan door een hefboom van welberekende materieele kracht—wat had zij met zulke herinneringen te doen? Wat zij zich van het ouderlijke huis en hare kindsheid herinnerde, was het opdrogen van alle springbronnen en fonteinen, die in haar jeugdig hart opwelden. De levende wateren vloeiden daar niet meer. Zij vloeiden ter bevochtiging van het land, waar men druiven van doornen en vijgen van distelen plukt.Zij ging met eene doffe smart in het hart, die haar veeleer verhardde dan verteederde, het huis en de kamer harer moeder binnen. Sedert haar vertrek had Sissy met de overigen van het gezin op gelijken voet geleefd. Sissy was bij hare moeder, en Jane, hare zuster, nu tien of twaalf jaren oud, was insgelijks in de kamer.Men had veel moeite eer men mevrouw Gradgrind kon doen begrijpen, dat hare oudste dochter daar was. Zij lag, door kussens overeind gehouden, omdat zij dit zoo gewoon was, op eene sofa, zoo nabij mogelijk in hare gewone houding als men een zoo geheel hulpeloos wezen kon houden. Zij had volstrekt niet naar bed gebracht willen worden, omdat zij, als zij dit liet doen, nooit het eind ervan zou hooren.Hare zwakke stem klonk onder haar hoop omslagdoeken zoo uit de verte, en de klank eener andere stem, die haar aansprak, scheen zooveel tijd noodig te hebben om door die doeken tot hare ooren te komen, dat zij evengoed op den bodem van een put had kunnen liggen. De arme vrouw was inderdaad dichter bij de waarheid op den bodem van haar put, dan zij nog ooit geweest was, en dit had veel met de zaak te maken.Toen men haar zeide, dat mevrouw Bounderby daar was, verstond zij dit maar half en antwoordde verkeerd, dat zij hem nooit bij dien naam had genoemd zoolang hij met Louisa getrouwd was; dat zij, terwijl zij zich bedacht op een naam, waartegen niet het een of ander was in te brengen, hem maar J. had genoemd, en dat zij, daar zij nog niets beters had gevonden, niet van dien regel kon afgaan. Louisa had reeds eene poos bij haar gezeten en verscheidene malen tegen haar gesproken, eer zij duidelijk begreep wie er was. Toen scheen zij er in eens op te komen.„Wel, melieve,” zeide mevrouw Gradgrind, „ik hoop dat het u wel naar uw zin gaat. Het was alles uw vaders bedrijf. Hij had er zijn hart op gesteld. En hij moest het weten.”„Ik wilde van u hooren, moeder, niet van mij zelve.”„Gij wilt van mij hooren, melieve? Dat is waarlijk wel iets nieuws, dat iemand van mij hooren wil. Lang niet wel, Louisa. Heel flauw en duizelig.”„Hebt gij ergens pijn, lieve moeder?”„Ik geloof wel dat er pijn ergens in de kamer is,” antwoordde mevrouw Gradgrind, „maar ik zou niet stellig kunnen zeggen dat ik ze heb.”Na dit zonderlinge gezegde bleef zij eenigen tijd stil liggen. Louisa, die hare hand vasthield, kon geen pols voelen; maar toen zij er een kus op drukte, zag zij een dun draadje levens in trillende beweging.„Gij ziet uwe zuster zeer zelden,” zeide mevrouw Gradgrind. „Zij begint veel naar u te gelijken. Gij moest haar eens aanzien. Sissy, breng haar hier.”Het kind werd gehaald, gaf hare zuster de hand en bleef zoo staan. Louisa had haar met haar arm om Sissy’s hals gezien en gevoelde het verschil dezer toenadering.„Ziet gij de gelijkenis, Louisa?”„Ja, moeder. Ik vind wel dat zij naar mij gelijkt, maar...”„He? Ja, dat zeg ik ook altijd,” riepmevrouwGradgrind met onverwachte vlugheid uit. „En dat doet mij bedenken—ik moet u spreken, melieve. Sissy, goed meisje, laat ons een oogenblik alleen.”Louisa had hare hand losgelaten, had gedacht, dat het gezichtje harer zuster schooner en helderder was dan het hare ooit geweest was; had daarna, niet zonder eene opwelling van wrevel, zelfs daar en op dat oogenblik, iets gezien van de zachtheid die het andere gezichtje in de kamer eigen was—het lieve gezichtje met de oprechte, vertrouwelijke oogen, dat door het glanzige donkere haar nog bleeker scheen, dan het door droevig medelijden en nachtwaken was geworden.Met hare moeder alleen gebleven, zag Louisa eene akelige kalmte op haar gelaat, gelijk die van een drenkeling wezen zou, die, zonder eenigen tegenstand meer te bieden, zich met den stroom liet wegdrijven. Zij bracht de uitgeteerde hand, slechts de schim eener hand, weder aan hare lippen, en poogde haar zoo tot bezinning te brengen.„Gij hadt mij willen spreken, moeder?”„He? O ja zeker, melieve. Gij weet wel, uw vader is tegenwoordig haast altijd weg, en ik moet er hem dus over schrijven.”„Waarover, moeder? Ontrust u maar niet. Waarover?”„Gij moet nog wel weten, kind, dat ik, als ik ooit iets over iets zeide, er nooit het eind van hoorde, en dat ik dus al sedert lang nooit meer iets over iets gezegd heb.”„Ik hoor u wel, moeder.” Maar het was alleen door laag te bukken en tegelijk oplettend naar de lippen der kranke te zien, dat zij zulke flauwe afgebrokene klanken tot eenigen samenhang kon brengen.„Gij hebt veel geleerd, Louisa, en uw broeder ook. Ologies van allerlei soort, van den ochtend tot den avond. Als er nog eene ologie over is, van wat soort ook, die hier in huis niet is afgezaagd, kan ik er niets meer van zeggen, dan dat ik hoop, dat ik ze nooit zal hooren noemen.”„Ik kan u wel hooren, moeder, als gij kracht hebt om voort te spreken.” Dit diende slechts om haar te verhinderen nog verder af te dwalen.„Maar er is toch iets—geen ologie, gansch niet—dat uw vader gemist of vergeten heeft, Louisa! Ik weet niet wat het is. Ik heb er dikwijls over gedacht, terwijl Sissy bij mij zat. Ik zal er nu wel niet meer opkomen. Maar uw vader misschien. Dat maakt mij zoo rusteloos. Ik wil hem schrijven, dat hij om ’s Hemels wil poogt te vinden wat het is. Geef mij eene pen, geef mij eene pen.”Zelfs het vermogen om rusteloos te zijn was verdwenen, behalve uit het arme hoofd, dat zich nog even heen en weder kon keeren.Zij verbeeldde zich echter, dat er aan haar verzoek voldaan was en zij de pen, die zij niet had kunnen vasthouden, in de hand had. Het is van weinig belang, welke verwonderlijke figuren zonder beteekenis zij op haar dek begon te schrijven. Weldra hield hare hand te midden daarvan stil; het licht, dat altijd zoo flauw en zwak had gebrand, ging uit; zelfs mevrouw Gradgrind, uit die schaduw gekomen waarin de mensch wandelt en zich vruchteloos ontrust, verkreeg een voorkomen zoo statig en ontzagwekkend als dat van een der oude wijzen en patriarchen.
XXV.DE LAATSTE WOORDEN.Terwijl mevrouw Sparsit in de haar door mijnheer Bounderby verleende schuilplaats voor anker bleef liggen, om de aan hare zenuwen geledene schade te herstellen, hield zij onder hare zwarte wenkbrauwen dag en nacht zulk eene scherpe wacht, dat hare oogen, gelijk een paar vuurbakens op eene rotsige kust, alle voorzichtige zeelieden zouden gewaarschuwd hebben om zich niet te dicht bij het steile voorgebergte van haar Romeinschen neus en het nabijgelegene donkere en klippige gewest te wagen, indien de zachtzinnigheid harer manieren daarentegen niet zoo geruststellend ware geweest. Hoewel het moeielijk te gelooven was, dat zij zich des avonds niet maar pro forma naar bed begaf, zoo wakker bleven altijd hare klassieke oogen, en zoo onmogelijk scheenhet dat haar scherpe neus voor eenigen verzachtenden invloed kon zwichten, was toch de manier, waarop zij hare ruige, omniet te zeggen raspige mofjes (want zij schenen wel van ijzerdraad gebreid te zijn) gladstreek of met haar voet in haar katoenen stijgbeugel naar onbekende plaatsen van bestemming galoppeerde, zoo uitnemend vreedzaam en vriendelijk, dat de meeste waarnemers haar voor eene duif moesten houden, die door eene of andere luim der natuur in den aardschen tabernakel van een vogel van het valkengeslacht was gehuisvest.Het was verbazend, welk eene bijzondere gaaf zij bezat om overal in huis rond te loeren. Hoe zij van de eene verdieping naar de andere kwam, was een geheim dat niemand kon oplossen. Men kon niet wel vermoeden, dat eene deftige dame, die zulke aanzienlijke betrekkingen had, over de leuning van de trap zou naar beneden springen, of zich daarlangs laten afglijden, en toch moest hare buitengemeene vlugheid iemand op dat ongerijmde denkbeeld doen komen. Eene andere opmerkelijke eigenschap van mevrouw Sparsit was, dat zij zich nooit haastte. Zij vloog met de uiterste snelheid van de vliering naar het voorhuis, en was toch op het oogenblik, dat zij dien tocht volbracht had, in het volle bezit van haar adem en hare deftigheid. Ook zag nooit eenig menschelijk oog haar hard loopen.Zij hield zich voor mijnheer Harthouse zeer vriendelijk, en had kort na hare aankomst een genoeglijk gesprek met hem. Op een ochtend voor het ontbijt ontmoette zij hem in den tuin en zeide, statig voor hem nijgende:„Het is alsof het pas gisteren was, mijnheer, dat ik de eer had u aan het kantoor te ontvangen, toen gij zoo goed waart om naar het adres van mijnheer Bounderby te willen vernemen.”„Eene kennismaking, dit verzeker ik u, die ik zelf in geene eeuwen zal vergeten,” antwoordde mijnheer Harthouse, met eene buiging zoo flauw en traag als men zich maar verbeelden kan.„Wij leven in eene zonderlinge wereld, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit.„Ik heb eens de eer gehad, door eene toevalligheid, waarop ik bijna trotsch ben, eene aanmerking van bijna denzelfden inhoud te maken, hoewel niet met zulk eene puntige kortheid uitgedrukt.”„Eene zonderlinge wereld, wilde ik zeggen, mijnheer,” vervolgde mevrouw Sparsit, nadat zij voor het compliment had bedankt door hare zwarte wenkbrauwen te laten zakken, die niet geheel zulk eene vriendelijke uitdrukking hadden als de fleemende tonen harer stem, „wat de gemeenzame betrekkingen aangaat, die wij op den eenen tijd vormen met lieden, welke wij op een anderen tijd nog geheel niet kenden. Ik herinner mij, mijnheer, dat gij bij die gelegenheid zelfs zoover zijt gegaan om te zeggen, dat gij werkelijk bang waart voor Miss Gradgrind.”„Uw geheugen bewijst mij meer eer dan mijne onbeduidendheid verdient. Ik heb van uwe vriendelijke wenken partij getrokken om mijne schroomvalligheid te boven te komen, en het is noodeloos te zeggen, dat gij volkomen gelijk hadt. Uw talent, mevrouw Sparsit, voor—voor alles, kortom, waarbij het op nauwkeurige waarneming aankomt—natuurlijk vereenigd met uwe kracht van geest—en uwe aanzienlijke afkomst—blinkt altijd te duidelijk uit om ooit betwijfeld te kunnen worden.” Hij viel bijna in slaap onder dit compliment, zoolang duurde het eer hij er doorheen kwam, en zoozeer dwaalden zijne gedachten af terwijl hij het uitbracht.„Gij hebt zeker gevonden, dat Miss Gradgrind—het is een zonderling zwak van mij, maar ik kan haar onmogelijk mevrouw Bounderby noemen—zoo jeugdig is als ik haar beschreven had?” zeide mevrouw Sparsit met zoetsappige vriendelijkheid.„Gij hebt een volmaakt portret van haar geschilderd,” antwoordde Harthouse; „een trouw beeld van haar gegeven.”„Zeer innemend, niet waar, mijnheer?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij hare mofjes om elkander liet ronddraaien.„Buitengemeen.”„Men placht het er voor te houden, dat Miss Gradgrind niet levendig genoeg was,” zeide mevrouw Sparsit, „maar ik moet bekennen, dat het mij voorkomt alsof zij in dat opzicht aanmerkelijk verbeterd is. O, daar is waarlijk mijnheer Bounderby!” riep zij uit, verscheidene malen knikkende alsof zij aan niemand anders gedacht en van niemand anders gesproken had. „Hoe bevindt gij u van morgen, mijnheer? O, laten wij u toch eens weer vroolijk zien, mijnheer.”Deze aanhoudende pogingen om zijne ellende te verzachten en zijn last te verlichten begonnen reeds ten gevolge te hebben, dat mijnheer Bounderby vriendelijker dan gewoonlijk voor alle andere menschen werd, zoowel voor zijne vrouw als voor ieder ander. Toen dus mevrouw Sparsit met zichtbaar gedwongene luchthartigheid zeide: „Gij zult wel naar uw ontbijt verlangen, mijnheer; maar ik denk ook wel, dat Miss Gradgrind spoedig hier zal zijn om zich aan het hoofd van de tafel te plaatsen,” antwoordde Bounderby: „Als ik wilde wachten tot mijne vrouw voor mij zorgde, juffrouw, geloof ik, zooals gij tamelijk wel weet, dat ik tot den jongsten dag zou kunnen wachten, en dus zal ikulastig vallen om den post aan den trekpot waar te nemen.” Mevrouw Sparsit gehoorzaamde en hernam hare oude plaats aan de tafel.Dit deed de uitmuntende vrouw wederom zeer sentimenteel worden; maar zij bleef met dat al toch zoo nederig, dat zij, zoodra Louisaverscheen, opstond en betuigde, dat zij er niet aan denken kon om onder deze omstandigheden daar te blijven zitten, hoe dikwijls zij ook de eer had gehad van mijnheer Bounderby’s ontbijt gereed te maken, eer Miss Bounderby—zij verzocht wel verschooning, zij wilde zeggen mevrouw Gradgrind—zij hoopte, dat men haar zou excuseeren, maar zij kon waarlijk nog niet met den naam terecht, hoewel zij vertrouwde, dat zij er zich door den tijd wel aan zou gewennen—hare tegenwoordige positie had verkregen. Het was alleen, merkte zij aan, omdat Miss Gradgrind toevallig een weinigje laat kwam, en mijnheer Bounderby’s tijd zoo kostbaar was, en zij vanouds wist van hoeveel belang het voor hem was, dat hij op de minuut af kon ontbijten, dat zij de vrijheid had genomen van aan zijn verzoek te voldoen; zoo lang toch was zijn wil haar eene wet geweest.„Blijf maar zitten waar gij zit, juffrouw,” zeide Bounderby, „blijf gerust zitten. Mevrouw Bounderby zal heel blij wezen, geloof ik, als gij haar van dien last ontheft.”„Zeg dat niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, bijna met strengheid, „want dat is heel onvriendelijk voor mevrouw Bounderby, en onvriendelijkheid ben ik niet van u gewend, mijnheer.”„Wees maar gerust, juffrouw.—Gij kunt het heel bedaard opnemen, niet waar, Louisa?” zeide Bounderby op zijn winderigsten toon tot zijne vrouw.„O ja, natuurlijk. Het is van geen belang. Waarom zou het van eenig gewicht voor mij zijn?”„Waarom zou het van eenig gewicht voor iemand zijn, mevrouw Sparsit?” zeide Bounderby, eene hooge borst zettende met het gevoel van gekrenkte waardigheid. „Gij hecht veel te veel gewicht aan die dingen, juffrouw. Waarachtig, sommige begrippen van u zullen hier wel terechtgebracht worden. Gij zijt nog ouderwetsch, juffrouw. Bij de kinderen van Tom Gradgrind zijt ge heel ver ten achteren.”„Wat scheelt u?” vroeg Louisa met koele verwondering. „Wat heeft u aanstoot gegeven?”„Aanstoot!” herhaalde Bounderby. „Denkt gij, als iets mij aanstoot gaf, dat ik het niet zou zeggen en verzoeken het te veranderen? Ik ben een rondborstig man, geloof ik. Ik wind nergens doekjes om.”„Ik geloof, dat niemand ooit gelegenheid heeft gehad om u voor al te bedeesd of al te kiesch te houden,” antwoordde Louisa zeer bedaard. „Ik heb u dat nooit ten laste gelegd, noch als kind noch als vrouw. Ikbegrijpniet wat gij hebben wilt.”„Hebben wilt?” hervatte Bounderby. „Niets. Weet gij anders niet heel goed, Louisa Bounderby, dat ik, Josiah Bounderby vanCoketown, het ook hebben zou?”Met deze woorden gaf hij een slag op de tafel, die de kopjes deed rinkelen. Zij zag hem aan met eene trotsche kleur in haar gezicht, die, gelijk mijnheer Harthouse dacht, eene nieuwe verandering was.„Gij zijt van morgen onbegrijpelijk,” zeideLouisa. „Maar geef u geene verdere moeite om u te verklaren; ik ben volstrekt niets nieuwsgierig naar uwe meening. Wat maakt het uit!”Er werd niets meer over de zaak gesproken, en mijnheer Harthouse was weldra met luchtige vroolijkheid over onverschillige onderwerpen aan het praten. Maar van dien dag af bracht de invloed van mevrouw Sparsit op mijnheer Bounderby Louisa en James Harthouse meer bij elkander en vergrootte zoowel hare gevaarlijke verwijdering van haar man als hare vertrouwelijkheid met een ander, waartoe zij met zoo geringe schreden gekomen was, dat zij die, al had zij het beproefd, niet weder had kunnen herdoen. Maar of zij dit ooit beproefde of niet, lag in haar eigen gesloten hart verborgen.Mevrouw Sparsit was bij het zoo even verhaalde voorval zoodanig ontroerd, dat zij, toen zij mijnheer Bounderby na het ontbijt zijn hoed aangaf en toen juist met hem alleen in het voorhuis was, een kuischen kus op zijne hand drukte, de woorden, „mijn weldoener!” prevelde, en zich overstelpt van smart verwijderde. Evenwel is het een ontwijfelbaar feit, waarvan deze geschiedenis melding moet maken, dat vijf minuten nadat hij met denzelfden hoed het huis had verlaten, dezelfde afstammelinge der Scadgers’ en aanverwante der Powler’s haar rechtermofje dreigend tegen zijn portret ophief, eene verachtelijke grimas tegen dat kunstwerk maakte en daarbij zeide: „Het is uw verdiende loon, gij domkop, en ik ben er blij om.”Mijnheer Bounderby was nog niet lang vertrokken, toen Bitzer verscheen. Met den spoortrein, die gillend en ratelend over de bogen vloog door de woeste landstreek van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen, was Bitzer met eene haastige boodschap vanStone Lodgegekomen met een briefje namelijk, om Louisa te berichten dat hare moeder zeer ziek lag. Zij was, zoolang hare dochter heugde, nooit recht gezond geweest; maar in de laatste dagen was zij zeer verzwakt en in dien nacht zoo verminderd, dat zij thans werkelijk zoo nabij den dood scheen te zijn als zij zich dit zoovele jaren lang dagelijks had verbeeld.Vergezeld door den kleurloozen kantoorlooper, door zijne bleekheid wel geschikt voor de rol van bode des doods, snorde Louisa naarCoketown. Binnen de berookte stad gekomen, liet zij haar bode vrijheid om zijn eigen weg te gaan en nam een rijtuig om haar naar haar ouderlijk huis te brengen.Zij was sedert haar huwelijk zelden daargeweest. Haar vader was doorgaans in Londen aan het ziften van zijn parlementairen aschhoop (zonder dat men ooit vernam dat hij veel kostbaars daarin vond) en nu nog druk met dien arbeid bezig. Hare moeder had het altijd eenigszins als eene lastige stoornis opgenomen, wanneer hare dochter haar, terwijl zij op de sofa lag, kwam bezoeken; voor den omgang met kinderen gevoelde Louisa zich geheel ongeschikt; voor Sissy was zij nooit weder vriendelijk geworden sedert dien avond toen het kind van den armen kunstenmaker hare oogen had opgeslagen om de aanstaande vrouw van mijnheer Bounderby aan te zien. Er was niets dat haar uitlokte om het ouderlijke huis te bezoeken, en zij deed dit dus zelden.Thans, nu zij het naderde, ontwaarde zij ook niets van dien gezegenden invloed, welken het ouderlijke huis in latere jaren nog kan blijven uitoefenen. De droomen der kindsheid met hunne hersenschimmen en fabelen, die de nog vergelegene wereld met zoovele schoone onmogelijkheden versieren—zoo heilzaam, dat men ze zich nog herinnert als men ze ontwassen is, want dan openen zij het hart weder voor zachte aandoeningen bij de gedachte, hoe kleine kinderen met reine handjes een bloemenhof planten in het midden der steenachtige wereld, waarin het voor alle kinderen van Adam goed zou zijn zich nog dikwijls, met eenvoudig geloof en zonder wereldsche wijsheid, te komen verlustigen—wat had zij met die droomen te doen? Herinneringen, hoe zij langs de betooverde paden eener hoop en verbeelding, die duizend onschuldige kleinen met haar deelden, tot het weinige dat zij wist gekomen was; hoe zij, door het zachte licht der fantasie tot het verstand gevoerd, dit eene weldadige godheid had bevonden, die andere even machtige goden naast zich plaats gunde, geen gruwelijken afgod, wreed en koud, die zijne slachtoffers aan handen en voeten laat boeien, en wiens reusachtige stomme gedaante, altijd voor zich starende zonder ooit iets te zien, nooit door iets te bewegen is dan door een hefboom van welberekende materieele kracht—wat had zij met zulke herinneringen te doen? Wat zij zich van het ouderlijke huis en hare kindsheid herinnerde, was het opdrogen van alle springbronnen en fonteinen, die in haar jeugdig hart opwelden. De levende wateren vloeiden daar niet meer. Zij vloeiden ter bevochtiging van het land, waar men druiven van doornen en vijgen van distelen plukt.Zij ging met eene doffe smart in het hart, die haar veeleer verhardde dan verteederde, het huis en de kamer harer moeder binnen. Sedert haar vertrek had Sissy met de overigen van het gezin op gelijken voet geleefd. Sissy was bij hare moeder, en Jane, hare zuster, nu tien of twaalf jaren oud, was insgelijks in de kamer.Men had veel moeite eer men mevrouw Gradgrind kon doen begrijpen, dat hare oudste dochter daar was. Zij lag, door kussens overeind gehouden, omdat zij dit zoo gewoon was, op eene sofa, zoo nabij mogelijk in hare gewone houding als men een zoo geheel hulpeloos wezen kon houden. Zij had volstrekt niet naar bed gebracht willen worden, omdat zij, als zij dit liet doen, nooit het eind ervan zou hooren.Hare zwakke stem klonk onder haar hoop omslagdoeken zoo uit de verte, en de klank eener andere stem, die haar aansprak, scheen zooveel tijd noodig te hebben om door die doeken tot hare ooren te komen, dat zij evengoed op den bodem van een put had kunnen liggen. De arme vrouw was inderdaad dichter bij de waarheid op den bodem van haar put, dan zij nog ooit geweest was, en dit had veel met de zaak te maken.Toen men haar zeide, dat mevrouw Bounderby daar was, verstond zij dit maar half en antwoordde verkeerd, dat zij hem nooit bij dien naam had genoemd zoolang hij met Louisa getrouwd was; dat zij, terwijl zij zich bedacht op een naam, waartegen niet het een of ander was in te brengen, hem maar J. had genoemd, en dat zij, daar zij nog niets beters had gevonden, niet van dien regel kon afgaan. Louisa had reeds eene poos bij haar gezeten en verscheidene malen tegen haar gesproken, eer zij duidelijk begreep wie er was. Toen scheen zij er in eens op te komen.„Wel, melieve,” zeide mevrouw Gradgrind, „ik hoop dat het u wel naar uw zin gaat. Het was alles uw vaders bedrijf. Hij had er zijn hart op gesteld. En hij moest het weten.”„Ik wilde van u hooren, moeder, niet van mij zelve.”„Gij wilt van mij hooren, melieve? Dat is waarlijk wel iets nieuws, dat iemand van mij hooren wil. Lang niet wel, Louisa. Heel flauw en duizelig.”„Hebt gij ergens pijn, lieve moeder?”„Ik geloof wel dat er pijn ergens in de kamer is,” antwoordde mevrouw Gradgrind, „maar ik zou niet stellig kunnen zeggen dat ik ze heb.”Na dit zonderlinge gezegde bleef zij eenigen tijd stil liggen. Louisa, die hare hand vasthield, kon geen pols voelen; maar toen zij er een kus op drukte, zag zij een dun draadje levens in trillende beweging.„Gij ziet uwe zuster zeer zelden,” zeide mevrouw Gradgrind. „Zij begint veel naar u te gelijken. Gij moest haar eens aanzien. Sissy, breng haar hier.”Het kind werd gehaald, gaf hare zuster de hand en bleef zoo staan. Louisa had haar met haar arm om Sissy’s hals gezien en gevoelde het verschil dezer toenadering.„Ziet gij de gelijkenis, Louisa?”„Ja, moeder. Ik vind wel dat zij naar mij gelijkt, maar...”„He? Ja, dat zeg ik ook altijd,” riepmevrouwGradgrind met onverwachte vlugheid uit. „En dat doet mij bedenken—ik moet u spreken, melieve. Sissy, goed meisje, laat ons een oogenblik alleen.”Louisa had hare hand losgelaten, had gedacht, dat het gezichtje harer zuster schooner en helderder was dan het hare ooit geweest was; had daarna, niet zonder eene opwelling van wrevel, zelfs daar en op dat oogenblik, iets gezien van de zachtheid die het andere gezichtje in de kamer eigen was—het lieve gezichtje met de oprechte, vertrouwelijke oogen, dat door het glanzige donkere haar nog bleeker scheen, dan het door droevig medelijden en nachtwaken was geworden.Met hare moeder alleen gebleven, zag Louisa eene akelige kalmte op haar gelaat, gelijk die van een drenkeling wezen zou, die, zonder eenigen tegenstand meer te bieden, zich met den stroom liet wegdrijven. Zij bracht de uitgeteerde hand, slechts de schim eener hand, weder aan hare lippen, en poogde haar zoo tot bezinning te brengen.„Gij hadt mij willen spreken, moeder?”„He? O ja zeker, melieve. Gij weet wel, uw vader is tegenwoordig haast altijd weg, en ik moet er hem dus over schrijven.”„Waarover, moeder? Ontrust u maar niet. Waarover?”„Gij moet nog wel weten, kind, dat ik, als ik ooit iets over iets zeide, er nooit het eind van hoorde, en dat ik dus al sedert lang nooit meer iets over iets gezegd heb.”„Ik hoor u wel, moeder.” Maar het was alleen door laag te bukken en tegelijk oplettend naar de lippen der kranke te zien, dat zij zulke flauwe afgebrokene klanken tot eenigen samenhang kon brengen.„Gij hebt veel geleerd, Louisa, en uw broeder ook. Ologies van allerlei soort, van den ochtend tot den avond. Als er nog eene ologie over is, van wat soort ook, die hier in huis niet is afgezaagd, kan ik er niets meer van zeggen, dan dat ik hoop, dat ik ze nooit zal hooren noemen.”„Ik kan u wel hooren, moeder, als gij kracht hebt om voort te spreken.” Dit diende slechts om haar te verhinderen nog verder af te dwalen.„Maar er is toch iets—geen ologie, gansch niet—dat uw vader gemist of vergeten heeft, Louisa! Ik weet niet wat het is. Ik heb er dikwijls over gedacht, terwijl Sissy bij mij zat. Ik zal er nu wel niet meer opkomen. Maar uw vader misschien. Dat maakt mij zoo rusteloos. Ik wil hem schrijven, dat hij om ’s Hemels wil poogt te vinden wat het is. Geef mij eene pen, geef mij eene pen.”Zelfs het vermogen om rusteloos te zijn was verdwenen, behalve uit het arme hoofd, dat zich nog even heen en weder kon keeren.Zij verbeeldde zich echter, dat er aan haar verzoek voldaan was en zij de pen, die zij niet had kunnen vasthouden, in de hand had. Het is van weinig belang, welke verwonderlijke figuren zonder beteekenis zij op haar dek begon te schrijven. Weldra hield hare hand te midden daarvan stil; het licht, dat altijd zoo flauw en zwak had gebrand, ging uit; zelfs mevrouw Gradgrind, uit die schaduw gekomen waarin de mensch wandelt en zich vruchteloos ontrust, verkreeg een voorkomen zoo statig en ontzagwekkend als dat van een der oude wijzen en patriarchen.
XXV.DE LAATSTE WOORDEN.
Terwijl mevrouw Sparsit in de haar door mijnheer Bounderby verleende schuilplaats voor anker bleef liggen, om de aan hare zenuwen geledene schade te herstellen, hield zij onder hare zwarte wenkbrauwen dag en nacht zulk eene scherpe wacht, dat hare oogen, gelijk een paar vuurbakens op eene rotsige kust, alle voorzichtige zeelieden zouden gewaarschuwd hebben om zich niet te dicht bij het steile voorgebergte van haar Romeinschen neus en het nabijgelegene donkere en klippige gewest te wagen, indien de zachtzinnigheid harer manieren daarentegen niet zoo geruststellend ware geweest. Hoewel het moeielijk te gelooven was, dat zij zich des avonds niet maar pro forma naar bed begaf, zoo wakker bleven altijd hare klassieke oogen, en zoo onmogelijk scheenhet dat haar scherpe neus voor eenigen verzachtenden invloed kon zwichten, was toch de manier, waarop zij hare ruige, omniet te zeggen raspige mofjes (want zij schenen wel van ijzerdraad gebreid te zijn) gladstreek of met haar voet in haar katoenen stijgbeugel naar onbekende plaatsen van bestemming galoppeerde, zoo uitnemend vreedzaam en vriendelijk, dat de meeste waarnemers haar voor eene duif moesten houden, die door eene of andere luim der natuur in den aardschen tabernakel van een vogel van het valkengeslacht was gehuisvest.Het was verbazend, welk eene bijzondere gaaf zij bezat om overal in huis rond te loeren. Hoe zij van de eene verdieping naar de andere kwam, was een geheim dat niemand kon oplossen. Men kon niet wel vermoeden, dat eene deftige dame, die zulke aanzienlijke betrekkingen had, over de leuning van de trap zou naar beneden springen, of zich daarlangs laten afglijden, en toch moest hare buitengemeene vlugheid iemand op dat ongerijmde denkbeeld doen komen. Eene andere opmerkelijke eigenschap van mevrouw Sparsit was, dat zij zich nooit haastte. Zij vloog met de uiterste snelheid van de vliering naar het voorhuis, en was toch op het oogenblik, dat zij dien tocht volbracht had, in het volle bezit van haar adem en hare deftigheid. Ook zag nooit eenig menschelijk oog haar hard loopen.Zij hield zich voor mijnheer Harthouse zeer vriendelijk, en had kort na hare aankomst een genoeglijk gesprek met hem. Op een ochtend voor het ontbijt ontmoette zij hem in den tuin en zeide, statig voor hem nijgende:„Het is alsof het pas gisteren was, mijnheer, dat ik de eer had u aan het kantoor te ontvangen, toen gij zoo goed waart om naar het adres van mijnheer Bounderby te willen vernemen.”„Eene kennismaking, dit verzeker ik u, die ik zelf in geene eeuwen zal vergeten,” antwoordde mijnheer Harthouse, met eene buiging zoo flauw en traag als men zich maar verbeelden kan.„Wij leven in eene zonderlinge wereld, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit.„Ik heb eens de eer gehad, door eene toevalligheid, waarop ik bijna trotsch ben, eene aanmerking van bijna denzelfden inhoud te maken, hoewel niet met zulk eene puntige kortheid uitgedrukt.”„Eene zonderlinge wereld, wilde ik zeggen, mijnheer,” vervolgde mevrouw Sparsit, nadat zij voor het compliment had bedankt door hare zwarte wenkbrauwen te laten zakken, die niet geheel zulk eene vriendelijke uitdrukking hadden als de fleemende tonen harer stem, „wat de gemeenzame betrekkingen aangaat, die wij op den eenen tijd vormen met lieden, welke wij op een anderen tijd nog geheel niet kenden. Ik herinner mij, mijnheer, dat gij bij die gelegenheid zelfs zoover zijt gegaan om te zeggen, dat gij werkelijk bang waart voor Miss Gradgrind.”„Uw geheugen bewijst mij meer eer dan mijne onbeduidendheid verdient. Ik heb van uwe vriendelijke wenken partij getrokken om mijne schroomvalligheid te boven te komen, en het is noodeloos te zeggen, dat gij volkomen gelijk hadt. Uw talent, mevrouw Sparsit, voor—voor alles, kortom, waarbij het op nauwkeurige waarneming aankomt—natuurlijk vereenigd met uwe kracht van geest—en uwe aanzienlijke afkomst—blinkt altijd te duidelijk uit om ooit betwijfeld te kunnen worden.” Hij viel bijna in slaap onder dit compliment, zoolang duurde het eer hij er doorheen kwam, en zoozeer dwaalden zijne gedachten af terwijl hij het uitbracht.„Gij hebt zeker gevonden, dat Miss Gradgrind—het is een zonderling zwak van mij, maar ik kan haar onmogelijk mevrouw Bounderby noemen—zoo jeugdig is als ik haar beschreven had?” zeide mevrouw Sparsit met zoetsappige vriendelijkheid.„Gij hebt een volmaakt portret van haar geschilderd,” antwoordde Harthouse; „een trouw beeld van haar gegeven.”„Zeer innemend, niet waar, mijnheer?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij hare mofjes om elkander liet ronddraaien.„Buitengemeen.”„Men placht het er voor te houden, dat Miss Gradgrind niet levendig genoeg was,” zeide mevrouw Sparsit, „maar ik moet bekennen, dat het mij voorkomt alsof zij in dat opzicht aanmerkelijk verbeterd is. O, daar is waarlijk mijnheer Bounderby!” riep zij uit, verscheidene malen knikkende alsof zij aan niemand anders gedacht en van niemand anders gesproken had. „Hoe bevindt gij u van morgen, mijnheer? O, laten wij u toch eens weer vroolijk zien, mijnheer.”Deze aanhoudende pogingen om zijne ellende te verzachten en zijn last te verlichten begonnen reeds ten gevolge te hebben, dat mijnheer Bounderby vriendelijker dan gewoonlijk voor alle andere menschen werd, zoowel voor zijne vrouw als voor ieder ander. Toen dus mevrouw Sparsit met zichtbaar gedwongene luchthartigheid zeide: „Gij zult wel naar uw ontbijt verlangen, mijnheer; maar ik denk ook wel, dat Miss Gradgrind spoedig hier zal zijn om zich aan het hoofd van de tafel te plaatsen,” antwoordde Bounderby: „Als ik wilde wachten tot mijne vrouw voor mij zorgde, juffrouw, geloof ik, zooals gij tamelijk wel weet, dat ik tot den jongsten dag zou kunnen wachten, en dus zal ikulastig vallen om den post aan den trekpot waar te nemen.” Mevrouw Sparsit gehoorzaamde en hernam hare oude plaats aan de tafel.Dit deed de uitmuntende vrouw wederom zeer sentimenteel worden; maar zij bleef met dat al toch zoo nederig, dat zij, zoodra Louisaverscheen, opstond en betuigde, dat zij er niet aan denken kon om onder deze omstandigheden daar te blijven zitten, hoe dikwijls zij ook de eer had gehad van mijnheer Bounderby’s ontbijt gereed te maken, eer Miss Bounderby—zij verzocht wel verschooning, zij wilde zeggen mevrouw Gradgrind—zij hoopte, dat men haar zou excuseeren, maar zij kon waarlijk nog niet met den naam terecht, hoewel zij vertrouwde, dat zij er zich door den tijd wel aan zou gewennen—hare tegenwoordige positie had verkregen. Het was alleen, merkte zij aan, omdat Miss Gradgrind toevallig een weinigje laat kwam, en mijnheer Bounderby’s tijd zoo kostbaar was, en zij vanouds wist van hoeveel belang het voor hem was, dat hij op de minuut af kon ontbijten, dat zij de vrijheid had genomen van aan zijn verzoek te voldoen; zoo lang toch was zijn wil haar eene wet geweest.„Blijf maar zitten waar gij zit, juffrouw,” zeide Bounderby, „blijf gerust zitten. Mevrouw Bounderby zal heel blij wezen, geloof ik, als gij haar van dien last ontheft.”„Zeg dat niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, bijna met strengheid, „want dat is heel onvriendelijk voor mevrouw Bounderby, en onvriendelijkheid ben ik niet van u gewend, mijnheer.”„Wees maar gerust, juffrouw.—Gij kunt het heel bedaard opnemen, niet waar, Louisa?” zeide Bounderby op zijn winderigsten toon tot zijne vrouw.„O ja, natuurlijk. Het is van geen belang. Waarom zou het van eenig gewicht voor mij zijn?”„Waarom zou het van eenig gewicht voor iemand zijn, mevrouw Sparsit?” zeide Bounderby, eene hooge borst zettende met het gevoel van gekrenkte waardigheid. „Gij hecht veel te veel gewicht aan die dingen, juffrouw. Waarachtig, sommige begrippen van u zullen hier wel terechtgebracht worden. Gij zijt nog ouderwetsch, juffrouw. Bij de kinderen van Tom Gradgrind zijt ge heel ver ten achteren.”„Wat scheelt u?” vroeg Louisa met koele verwondering. „Wat heeft u aanstoot gegeven?”„Aanstoot!” herhaalde Bounderby. „Denkt gij, als iets mij aanstoot gaf, dat ik het niet zou zeggen en verzoeken het te veranderen? Ik ben een rondborstig man, geloof ik. Ik wind nergens doekjes om.”„Ik geloof, dat niemand ooit gelegenheid heeft gehad om u voor al te bedeesd of al te kiesch te houden,” antwoordde Louisa zeer bedaard. „Ik heb u dat nooit ten laste gelegd, noch als kind noch als vrouw. Ikbegrijpniet wat gij hebben wilt.”„Hebben wilt?” hervatte Bounderby. „Niets. Weet gij anders niet heel goed, Louisa Bounderby, dat ik, Josiah Bounderby vanCoketown, het ook hebben zou?”Met deze woorden gaf hij een slag op de tafel, die de kopjes deed rinkelen. Zij zag hem aan met eene trotsche kleur in haar gezicht, die, gelijk mijnheer Harthouse dacht, eene nieuwe verandering was.„Gij zijt van morgen onbegrijpelijk,” zeideLouisa. „Maar geef u geene verdere moeite om u te verklaren; ik ben volstrekt niets nieuwsgierig naar uwe meening. Wat maakt het uit!”Er werd niets meer over de zaak gesproken, en mijnheer Harthouse was weldra met luchtige vroolijkheid over onverschillige onderwerpen aan het praten. Maar van dien dag af bracht de invloed van mevrouw Sparsit op mijnheer Bounderby Louisa en James Harthouse meer bij elkander en vergrootte zoowel hare gevaarlijke verwijdering van haar man als hare vertrouwelijkheid met een ander, waartoe zij met zoo geringe schreden gekomen was, dat zij die, al had zij het beproefd, niet weder had kunnen herdoen. Maar of zij dit ooit beproefde of niet, lag in haar eigen gesloten hart verborgen.Mevrouw Sparsit was bij het zoo even verhaalde voorval zoodanig ontroerd, dat zij, toen zij mijnheer Bounderby na het ontbijt zijn hoed aangaf en toen juist met hem alleen in het voorhuis was, een kuischen kus op zijne hand drukte, de woorden, „mijn weldoener!” prevelde, en zich overstelpt van smart verwijderde. Evenwel is het een ontwijfelbaar feit, waarvan deze geschiedenis melding moet maken, dat vijf minuten nadat hij met denzelfden hoed het huis had verlaten, dezelfde afstammelinge der Scadgers’ en aanverwante der Powler’s haar rechtermofje dreigend tegen zijn portret ophief, eene verachtelijke grimas tegen dat kunstwerk maakte en daarbij zeide: „Het is uw verdiende loon, gij domkop, en ik ben er blij om.”Mijnheer Bounderby was nog niet lang vertrokken, toen Bitzer verscheen. Met den spoortrein, die gillend en ratelend over de bogen vloog door de woeste landstreek van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen, was Bitzer met eene haastige boodschap vanStone Lodgegekomen met een briefje namelijk, om Louisa te berichten dat hare moeder zeer ziek lag. Zij was, zoolang hare dochter heugde, nooit recht gezond geweest; maar in de laatste dagen was zij zeer verzwakt en in dien nacht zoo verminderd, dat zij thans werkelijk zoo nabij den dood scheen te zijn als zij zich dit zoovele jaren lang dagelijks had verbeeld.Vergezeld door den kleurloozen kantoorlooper, door zijne bleekheid wel geschikt voor de rol van bode des doods, snorde Louisa naarCoketown. Binnen de berookte stad gekomen, liet zij haar bode vrijheid om zijn eigen weg te gaan en nam een rijtuig om haar naar haar ouderlijk huis te brengen.Zij was sedert haar huwelijk zelden daargeweest. Haar vader was doorgaans in Londen aan het ziften van zijn parlementairen aschhoop (zonder dat men ooit vernam dat hij veel kostbaars daarin vond) en nu nog druk met dien arbeid bezig. Hare moeder had het altijd eenigszins als eene lastige stoornis opgenomen, wanneer hare dochter haar, terwijl zij op de sofa lag, kwam bezoeken; voor den omgang met kinderen gevoelde Louisa zich geheel ongeschikt; voor Sissy was zij nooit weder vriendelijk geworden sedert dien avond toen het kind van den armen kunstenmaker hare oogen had opgeslagen om de aanstaande vrouw van mijnheer Bounderby aan te zien. Er was niets dat haar uitlokte om het ouderlijke huis te bezoeken, en zij deed dit dus zelden.Thans, nu zij het naderde, ontwaarde zij ook niets van dien gezegenden invloed, welken het ouderlijke huis in latere jaren nog kan blijven uitoefenen. De droomen der kindsheid met hunne hersenschimmen en fabelen, die de nog vergelegene wereld met zoovele schoone onmogelijkheden versieren—zoo heilzaam, dat men ze zich nog herinnert als men ze ontwassen is, want dan openen zij het hart weder voor zachte aandoeningen bij de gedachte, hoe kleine kinderen met reine handjes een bloemenhof planten in het midden der steenachtige wereld, waarin het voor alle kinderen van Adam goed zou zijn zich nog dikwijls, met eenvoudig geloof en zonder wereldsche wijsheid, te komen verlustigen—wat had zij met die droomen te doen? Herinneringen, hoe zij langs de betooverde paden eener hoop en verbeelding, die duizend onschuldige kleinen met haar deelden, tot het weinige dat zij wist gekomen was; hoe zij, door het zachte licht der fantasie tot het verstand gevoerd, dit eene weldadige godheid had bevonden, die andere even machtige goden naast zich plaats gunde, geen gruwelijken afgod, wreed en koud, die zijne slachtoffers aan handen en voeten laat boeien, en wiens reusachtige stomme gedaante, altijd voor zich starende zonder ooit iets te zien, nooit door iets te bewegen is dan door een hefboom van welberekende materieele kracht—wat had zij met zulke herinneringen te doen? Wat zij zich van het ouderlijke huis en hare kindsheid herinnerde, was het opdrogen van alle springbronnen en fonteinen, die in haar jeugdig hart opwelden. De levende wateren vloeiden daar niet meer. Zij vloeiden ter bevochtiging van het land, waar men druiven van doornen en vijgen van distelen plukt.Zij ging met eene doffe smart in het hart, die haar veeleer verhardde dan verteederde, het huis en de kamer harer moeder binnen. Sedert haar vertrek had Sissy met de overigen van het gezin op gelijken voet geleefd. Sissy was bij hare moeder, en Jane, hare zuster, nu tien of twaalf jaren oud, was insgelijks in de kamer.Men had veel moeite eer men mevrouw Gradgrind kon doen begrijpen, dat hare oudste dochter daar was. Zij lag, door kussens overeind gehouden, omdat zij dit zoo gewoon was, op eene sofa, zoo nabij mogelijk in hare gewone houding als men een zoo geheel hulpeloos wezen kon houden. Zij had volstrekt niet naar bed gebracht willen worden, omdat zij, als zij dit liet doen, nooit het eind ervan zou hooren.Hare zwakke stem klonk onder haar hoop omslagdoeken zoo uit de verte, en de klank eener andere stem, die haar aansprak, scheen zooveel tijd noodig te hebben om door die doeken tot hare ooren te komen, dat zij evengoed op den bodem van een put had kunnen liggen. De arme vrouw was inderdaad dichter bij de waarheid op den bodem van haar put, dan zij nog ooit geweest was, en dit had veel met de zaak te maken.Toen men haar zeide, dat mevrouw Bounderby daar was, verstond zij dit maar half en antwoordde verkeerd, dat zij hem nooit bij dien naam had genoemd zoolang hij met Louisa getrouwd was; dat zij, terwijl zij zich bedacht op een naam, waartegen niet het een of ander was in te brengen, hem maar J. had genoemd, en dat zij, daar zij nog niets beters had gevonden, niet van dien regel kon afgaan. Louisa had reeds eene poos bij haar gezeten en verscheidene malen tegen haar gesproken, eer zij duidelijk begreep wie er was. Toen scheen zij er in eens op te komen.„Wel, melieve,” zeide mevrouw Gradgrind, „ik hoop dat het u wel naar uw zin gaat. Het was alles uw vaders bedrijf. Hij had er zijn hart op gesteld. En hij moest het weten.”„Ik wilde van u hooren, moeder, niet van mij zelve.”„Gij wilt van mij hooren, melieve? Dat is waarlijk wel iets nieuws, dat iemand van mij hooren wil. Lang niet wel, Louisa. Heel flauw en duizelig.”„Hebt gij ergens pijn, lieve moeder?”„Ik geloof wel dat er pijn ergens in de kamer is,” antwoordde mevrouw Gradgrind, „maar ik zou niet stellig kunnen zeggen dat ik ze heb.”Na dit zonderlinge gezegde bleef zij eenigen tijd stil liggen. Louisa, die hare hand vasthield, kon geen pols voelen; maar toen zij er een kus op drukte, zag zij een dun draadje levens in trillende beweging.„Gij ziet uwe zuster zeer zelden,” zeide mevrouw Gradgrind. „Zij begint veel naar u te gelijken. Gij moest haar eens aanzien. Sissy, breng haar hier.”Het kind werd gehaald, gaf hare zuster de hand en bleef zoo staan. Louisa had haar met haar arm om Sissy’s hals gezien en gevoelde het verschil dezer toenadering.„Ziet gij de gelijkenis, Louisa?”„Ja, moeder. Ik vind wel dat zij naar mij gelijkt, maar...”„He? Ja, dat zeg ik ook altijd,” riepmevrouwGradgrind met onverwachte vlugheid uit. „En dat doet mij bedenken—ik moet u spreken, melieve. Sissy, goed meisje, laat ons een oogenblik alleen.”Louisa had hare hand losgelaten, had gedacht, dat het gezichtje harer zuster schooner en helderder was dan het hare ooit geweest was; had daarna, niet zonder eene opwelling van wrevel, zelfs daar en op dat oogenblik, iets gezien van de zachtheid die het andere gezichtje in de kamer eigen was—het lieve gezichtje met de oprechte, vertrouwelijke oogen, dat door het glanzige donkere haar nog bleeker scheen, dan het door droevig medelijden en nachtwaken was geworden.Met hare moeder alleen gebleven, zag Louisa eene akelige kalmte op haar gelaat, gelijk die van een drenkeling wezen zou, die, zonder eenigen tegenstand meer te bieden, zich met den stroom liet wegdrijven. Zij bracht de uitgeteerde hand, slechts de schim eener hand, weder aan hare lippen, en poogde haar zoo tot bezinning te brengen.„Gij hadt mij willen spreken, moeder?”„He? O ja zeker, melieve. Gij weet wel, uw vader is tegenwoordig haast altijd weg, en ik moet er hem dus over schrijven.”„Waarover, moeder? Ontrust u maar niet. Waarover?”„Gij moet nog wel weten, kind, dat ik, als ik ooit iets over iets zeide, er nooit het eind van hoorde, en dat ik dus al sedert lang nooit meer iets over iets gezegd heb.”„Ik hoor u wel, moeder.” Maar het was alleen door laag te bukken en tegelijk oplettend naar de lippen der kranke te zien, dat zij zulke flauwe afgebrokene klanken tot eenigen samenhang kon brengen.„Gij hebt veel geleerd, Louisa, en uw broeder ook. Ologies van allerlei soort, van den ochtend tot den avond. Als er nog eene ologie over is, van wat soort ook, die hier in huis niet is afgezaagd, kan ik er niets meer van zeggen, dan dat ik hoop, dat ik ze nooit zal hooren noemen.”„Ik kan u wel hooren, moeder, als gij kracht hebt om voort te spreken.” Dit diende slechts om haar te verhinderen nog verder af te dwalen.„Maar er is toch iets—geen ologie, gansch niet—dat uw vader gemist of vergeten heeft, Louisa! Ik weet niet wat het is. Ik heb er dikwijls over gedacht, terwijl Sissy bij mij zat. Ik zal er nu wel niet meer opkomen. Maar uw vader misschien. Dat maakt mij zoo rusteloos. Ik wil hem schrijven, dat hij om ’s Hemels wil poogt te vinden wat het is. Geef mij eene pen, geef mij eene pen.”Zelfs het vermogen om rusteloos te zijn was verdwenen, behalve uit het arme hoofd, dat zich nog even heen en weder kon keeren.Zij verbeeldde zich echter, dat er aan haar verzoek voldaan was en zij de pen, die zij niet had kunnen vasthouden, in de hand had. Het is van weinig belang, welke verwonderlijke figuren zonder beteekenis zij op haar dek begon te schrijven. Weldra hield hare hand te midden daarvan stil; het licht, dat altijd zoo flauw en zwak had gebrand, ging uit; zelfs mevrouw Gradgrind, uit die schaduw gekomen waarin de mensch wandelt en zich vruchteloos ontrust, verkreeg een voorkomen zoo statig en ontzagwekkend als dat van een der oude wijzen en patriarchen.
Terwijl mevrouw Sparsit in de haar door mijnheer Bounderby verleende schuilplaats voor anker bleef liggen, om de aan hare zenuwen geledene schade te herstellen, hield zij onder hare zwarte wenkbrauwen dag en nacht zulk eene scherpe wacht, dat hare oogen, gelijk een paar vuurbakens op eene rotsige kust, alle voorzichtige zeelieden zouden gewaarschuwd hebben om zich niet te dicht bij het steile voorgebergte van haar Romeinschen neus en het nabijgelegene donkere en klippige gewest te wagen, indien de zachtzinnigheid harer manieren daarentegen niet zoo geruststellend ware geweest. Hoewel het moeielijk te gelooven was, dat zij zich des avonds niet maar pro forma naar bed begaf, zoo wakker bleven altijd hare klassieke oogen, en zoo onmogelijk scheenhet dat haar scherpe neus voor eenigen verzachtenden invloed kon zwichten, was toch de manier, waarop zij hare ruige, omniet te zeggen raspige mofjes (want zij schenen wel van ijzerdraad gebreid te zijn) gladstreek of met haar voet in haar katoenen stijgbeugel naar onbekende plaatsen van bestemming galoppeerde, zoo uitnemend vreedzaam en vriendelijk, dat de meeste waarnemers haar voor eene duif moesten houden, die door eene of andere luim der natuur in den aardschen tabernakel van een vogel van het valkengeslacht was gehuisvest.
Het was verbazend, welk eene bijzondere gaaf zij bezat om overal in huis rond te loeren. Hoe zij van de eene verdieping naar de andere kwam, was een geheim dat niemand kon oplossen. Men kon niet wel vermoeden, dat eene deftige dame, die zulke aanzienlijke betrekkingen had, over de leuning van de trap zou naar beneden springen, of zich daarlangs laten afglijden, en toch moest hare buitengemeene vlugheid iemand op dat ongerijmde denkbeeld doen komen. Eene andere opmerkelijke eigenschap van mevrouw Sparsit was, dat zij zich nooit haastte. Zij vloog met de uiterste snelheid van de vliering naar het voorhuis, en was toch op het oogenblik, dat zij dien tocht volbracht had, in het volle bezit van haar adem en hare deftigheid. Ook zag nooit eenig menschelijk oog haar hard loopen.
Zij hield zich voor mijnheer Harthouse zeer vriendelijk, en had kort na hare aankomst een genoeglijk gesprek met hem. Op een ochtend voor het ontbijt ontmoette zij hem in den tuin en zeide, statig voor hem nijgende:
„Het is alsof het pas gisteren was, mijnheer, dat ik de eer had u aan het kantoor te ontvangen, toen gij zoo goed waart om naar het adres van mijnheer Bounderby te willen vernemen.”
„Eene kennismaking, dit verzeker ik u, die ik zelf in geene eeuwen zal vergeten,” antwoordde mijnheer Harthouse, met eene buiging zoo flauw en traag als men zich maar verbeelden kan.
„Wij leven in eene zonderlinge wereld, mijnheer,” hervatte mevrouw Sparsit.
„Ik heb eens de eer gehad, door eene toevalligheid, waarop ik bijna trotsch ben, eene aanmerking van bijna denzelfden inhoud te maken, hoewel niet met zulk eene puntige kortheid uitgedrukt.”
„Eene zonderlinge wereld, wilde ik zeggen, mijnheer,” vervolgde mevrouw Sparsit, nadat zij voor het compliment had bedankt door hare zwarte wenkbrauwen te laten zakken, die niet geheel zulk eene vriendelijke uitdrukking hadden als de fleemende tonen harer stem, „wat de gemeenzame betrekkingen aangaat, die wij op den eenen tijd vormen met lieden, welke wij op een anderen tijd nog geheel niet kenden. Ik herinner mij, mijnheer, dat gij bij die gelegenheid zelfs zoover zijt gegaan om te zeggen, dat gij werkelijk bang waart voor Miss Gradgrind.”
„Uw geheugen bewijst mij meer eer dan mijne onbeduidendheid verdient. Ik heb van uwe vriendelijke wenken partij getrokken om mijne schroomvalligheid te boven te komen, en het is noodeloos te zeggen, dat gij volkomen gelijk hadt. Uw talent, mevrouw Sparsit, voor—voor alles, kortom, waarbij het op nauwkeurige waarneming aankomt—natuurlijk vereenigd met uwe kracht van geest—en uwe aanzienlijke afkomst—blinkt altijd te duidelijk uit om ooit betwijfeld te kunnen worden.” Hij viel bijna in slaap onder dit compliment, zoolang duurde het eer hij er doorheen kwam, en zoozeer dwaalden zijne gedachten af terwijl hij het uitbracht.
„Gij hebt zeker gevonden, dat Miss Gradgrind—het is een zonderling zwak van mij, maar ik kan haar onmogelijk mevrouw Bounderby noemen—zoo jeugdig is als ik haar beschreven had?” zeide mevrouw Sparsit met zoetsappige vriendelijkheid.
„Gij hebt een volmaakt portret van haar geschilderd,” antwoordde Harthouse; „een trouw beeld van haar gegeven.”
„Zeer innemend, niet waar, mijnheer?” hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij hare mofjes om elkander liet ronddraaien.
„Buitengemeen.”
„Men placht het er voor te houden, dat Miss Gradgrind niet levendig genoeg was,” zeide mevrouw Sparsit, „maar ik moet bekennen, dat het mij voorkomt alsof zij in dat opzicht aanmerkelijk verbeterd is. O, daar is waarlijk mijnheer Bounderby!” riep zij uit, verscheidene malen knikkende alsof zij aan niemand anders gedacht en van niemand anders gesproken had. „Hoe bevindt gij u van morgen, mijnheer? O, laten wij u toch eens weer vroolijk zien, mijnheer.”
Deze aanhoudende pogingen om zijne ellende te verzachten en zijn last te verlichten begonnen reeds ten gevolge te hebben, dat mijnheer Bounderby vriendelijker dan gewoonlijk voor alle andere menschen werd, zoowel voor zijne vrouw als voor ieder ander. Toen dus mevrouw Sparsit met zichtbaar gedwongene luchthartigheid zeide: „Gij zult wel naar uw ontbijt verlangen, mijnheer; maar ik denk ook wel, dat Miss Gradgrind spoedig hier zal zijn om zich aan het hoofd van de tafel te plaatsen,” antwoordde Bounderby: „Als ik wilde wachten tot mijne vrouw voor mij zorgde, juffrouw, geloof ik, zooals gij tamelijk wel weet, dat ik tot den jongsten dag zou kunnen wachten, en dus zal ikulastig vallen om den post aan den trekpot waar te nemen.” Mevrouw Sparsit gehoorzaamde en hernam hare oude plaats aan de tafel.
Dit deed de uitmuntende vrouw wederom zeer sentimenteel worden; maar zij bleef met dat al toch zoo nederig, dat zij, zoodra Louisaverscheen, opstond en betuigde, dat zij er niet aan denken kon om onder deze omstandigheden daar te blijven zitten, hoe dikwijls zij ook de eer had gehad van mijnheer Bounderby’s ontbijt gereed te maken, eer Miss Bounderby—zij verzocht wel verschooning, zij wilde zeggen mevrouw Gradgrind—zij hoopte, dat men haar zou excuseeren, maar zij kon waarlijk nog niet met den naam terecht, hoewel zij vertrouwde, dat zij er zich door den tijd wel aan zou gewennen—hare tegenwoordige positie had verkregen. Het was alleen, merkte zij aan, omdat Miss Gradgrind toevallig een weinigje laat kwam, en mijnheer Bounderby’s tijd zoo kostbaar was, en zij vanouds wist van hoeveel belang het voor hem was, dat hij op de minuut af kon ontbijten, dat zij de vrijheid had genomen van aan zijn verzoek te voldoen; zoo lang toch was zijn wil haar eene wet geweest.
„Blijf maar zitten waar gij zit, juffrouw,” zeide Bounderby, „blijf gerust zitten. Mevrouw Bounderby zal heel blij wezen, geloof ik, als gij haar van dien last ontheft.”
„Zeg dat niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, bijna met strengheid, „want dat is heel onvriendelijk voor mevrouw Bounderby, en onvriendelijkheid ben ik niet van u gewend, mijnheer.”
„Wees maar gerust, juffrouw.—Gij kunt het heel bedaard opnemen, niet waar, Louisa?” zeide Bounderby op zijn winderigsten toon tot zijne vrouw.
„O ja, natuurlijk. Het is van geen belang. Waarom zou het van eenig gewicht voor mij zijn?”
„Waarom zou het van eenig gewicht voor iemand zijn, mevrouw Sparsit?” zeide Bounderby, eene hooge borst zettende met het gevoel van gekrenkte waardigheid. „Gij hecht veel te veel gewicht aan die dingen, juffrouw. Waarachtig, sommige begrippen van u zullen hier wel terechtgebracht worden. Gij zijt nog ouderwetsch, juffrouw. Bij de kinderen van Tom Gradgrind zijt ge heel ver ten achteren.”
„Wat scheelt u?” vroeg Louisa met koele verwondering. „Wat heeft u aanstoot gegeven?”
„Aanstoot!” herhaalde Bounderby. „Denkt gij, als iets mij aanstoot gaf, dat ik het niet zou zeggen en verzoeken het te veranderen? Ik ben een rondborstig man, geloof ik. Ik wind nergens doekjes om.”
„Ik geloof, dat niemand ooit gelegenheid heeft gehad om u voor al te bedeesd of al te kiesch te houden,” antwoordde Louisa zeer bedaard. „Ik heb u dat nooit ten laste gelegd, noch als kind noch als vrouw. Ikbegrijpniet wat gij hebben wilt.”
„Hebben wilt?” hervatte Bounderby. „Niets. Weet gij anders niet heel goed, Louisa Bounderby, dat ik, Josiah Bounderby vanCoketown, het ook hebben zou?”
Met deze woorden gaf hij een slag op de tafel, die de kopjes deed rinkelen. Zij zag hem aan met eene trotsche kleur in haar gezicht, die, gelijk mijnheer Harthouse dacht, eene nieuwe verandering was.
„Gij zijt van morgen onbegrijpelijk,” zeideLouisa. „Maar geef u geene verdere moeite om u te verklaren; ik ben volstrekt niets nieuwsgierig naar uwe meening. Wat maakt het uit!”
Er werd niets meer over de zaak gesproken, en mijnheer Harthouse was weldra met luchtige vroolijkheid over onverschillige onderwerpen aan het praten. Maar van dien dag af bracht de invloed van mevrouw Sparsit op mijnheer Bounderby Louisa en James Harthouse meer bij elkander en vergrootte zoowel hare gevaarlijke verwijdering van haar man als hare vertrouwelijkheid met een ander, waartoe zij met zoo geringe schreden gekomen was, dat zij die, al had zij het beproefd, niet weder had kunnen herdoen. Maar of zij dit ooit beproefde of niet, lag in haar eigen gesloten hart verborgen.
Mevrouw Sparsit was bij het zoo even verhaalde voorval zoodanig ontroerd, dat zij, toen zij mijnheer Bounderby na het ontbijt zijn hoed aangaf en toen juist met hem alleen in het voorhuis was, een kuischen kus op zijne hand drukte, de woorden, „mijn weldoener!” prevelde, en zich overstelpt van smart verwijderde. Evenwel is het een ontwijfelbaar feit, waarvan deze geschiedenis melding moet maken, dat vijf minuten nadat hij met denzelfden hoed het huis had verlaten, dezelfde afstammelinge der Scadgers’ en aanverwante der Powler’s haar rechtermofje dreigend tegen zijn portret ophief, eene verachtelijke grimas tegen dat kunstwerk maakte en daarbij zeide: „Het is uw verdiende loon, gij domkop, en ik ben er blij om.”
Mijnheer Bounderby was nog niet lang vertrokken, toen Bitzer verscheen. Met den spoortrein, die gillend en ratelend over de bogen vloog door de woeste landstreek van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen, was Bitzer met eene haastige boodschap vanStone Lodgegekomen met een briefje namelijk, om Louisa te berichten dat hare moeder zeer ziek lag. Zij was, zoolang hare dochter heugde, nooit recht gezond geweest; maar in de laatste dagen was zij zeer verzwakt en in dien nacht zoo verminderd, dat zij thans werkelijk zoo nabij den dood scheen te zijn als zij zich dit zoovele jaren lang dagelijks had verbeeld.
Vergezeld door den kleurloozen kantoorlooper, door zijne bleekheid wel geschikt voor de rol van bode des doods, snorde Louisa naarCoketown. Binnen de berookte stad gekomen, liet zij haar bode vrijheid om zijn eigen weg te gaan en nam een rijtuig om haar naar haar ouderlijk huis te brengen.
Zij was sedert haar huwelijk zelden daargeweest. Haar vader was doorgaans in Londen aan het ziften van zijn parlementairen aschhoop (zonder dat men ooit vernam dat hij veel kostbaars daarin vond) en nu nog druk met dien arbeid bezig. Hare moeder had het altijd eenigszins als eene lastige stoornis opgenomen, wanneer hare dochter haar, terwijl zij op de sofa lag, kwam bezoeken; voor den omgang met kinderen gevoelde Louisa zich geheel ongeschikt; voor Sissy was zij nooit weder vriendelijk geworden sedert dien avond toen het kind van den armen kunstenmaker hare oogen had opgeslagen om de aanstaande vrouw van mijnheer Bounderby aan te zien. Er was niets dat haar uitlokte om het ouderlijke huis te bezoeken, en zij deed dit dus zelden.
Thans, nu zij het naderde, ontwaarde zij ook niets van dien gezegenden invloed, welken het ouderlijke huis in latere jaren nog kan blijven uitoefenen. De droomen der kindsheid met hunne hersenschimmen en fabelen, die de nog vergelegene wereld met zoovele schoone onmogelijkheden versieren—zoo heilzaam, dat men ze zich nog herinnert als men ze ontwassen is, want dan openen zij het hart weder voor zachte aandoeningen bij de gedachte, hoe kleine kinderen met reine handjes een bloemenhof planten in het midden der steenachtige wereld, waarin het voor alle kinderen van Adam goed zou zijn zich nog dikwijls, met eenvoudig geloof en zonder wereldsche wijsheid, te komen verlustigen—wat had zij met die droomen te doen? Herinneringen, hoe zij langs de betooverde paden eener hoop en verbeelding, die duizend onschuldige kleinen met haar deelden, tot het weinige dat zij wist gekomen was; hoe zij, door het zachte licht der fantasie tot het verstand gevoerd, dit eene weldadige godheid had bevonden, die andere even machtige goden naast zich plaats gunde, geen gruwelijken afgod, wreed en koud, die zijne slachtoffers aan handen en voeten laat boeien, en wiens reusachtige stomme gedaante, altijd voor zich starende zonder ooit iets te zien, nooit door iets te bewegen is dan door een hefboom van welberekende materieele kracht—wat had zij met zulke herinneringen te doen? Wat zij zich van het ouderlijke huis en hare kindsheid herinnerde, was het opdrogen van alle springbronnen en fonteinen, die in haar jeugdig hart opwelden. De levende wateren vloeiden daar niet meer. Zij vloeiden ter bevochtiging van het land, waar men druiven van doornen en vijgen van distelen plukt.
Zij ging met eene doffe smart in het hart, die haar veeleer verhardde dan verteederde, het huis en de kamer harer moeder binnen. Sedert haar vertrek had Sissy met de overigen van het gezin op gelijken voet geleefd. Sissy was bij hare moeder, en Jane, hare zuster, nu tien of twaalf jaren oud, was insgelijks in de kamer.
Men had veel moeite eer men mevrouw Gradgrind kon doen begrijpen, dat hare oudste dochter daar was. Zij lag, door kussens overeind gehouden, omdat zij dit zoo gewoon was, op eene sofa, zoo nabij mogelijk in hare gewone houding als men een zoo geheel hulpeloos wezen kon houden. Zij had volstrekt niet naar bed gebracht willen worden, omdat zij, als zij dit liet doen, nooit het eind ervan zou hooren.
Hare zwakke stem klonk onder haar hoop omslagdoeken zoo uit de verte, en de klank eener andere stem, die haar aansprak, scheen zooveel tijd noodig te hebben om door die doeken tot hare ooren te komen, dat zij evengoed op den bodem van een put had kunnen liggen. De arme vrouw was inderdaad dichter bij de waarheid op den bodem van haar put, dan zij nog ooit geweest was, en dit had veel met de zaak te maken.
Toen men haar zeide, dat mevrouw Bounderby daar was, verstond zij dit maar half en antwoordde verkeerd, dat zij hem nooit bij dien naam had genoemd zoolang hij met Louisa getrouwd was; dat zij, terwijl zij zich bedacht op een naam, waartegen niet het een of ander was in te brengen, hem maar J. had genoemd, en dat zij, daar zij nog niets beters had gevonden, niet van dien regel kon afgaan. Louisa had reeds eene poos bij haar gezeten en verscheidene malen tegen haar gesproken, eer zij duidelijk begreep wie er was. Toen scheen zij er in eens op te komen.
„Wel, melieve,” zeide mevrouw Gradgrind, „ik hoop dat het u wel naar uw zin gaat. Het was alles uw vaders bedrijf. Hij had er zijn hart op gesteld. En hij moest het weten.”
„Ik wilde van u hooren, moeder, niet van mij zelve.”
„Gij wilt van mij hooren, melieve? Dat is waarlijk wel iets nieuws, dat iemand van mij hooren wil. Lang niet wel, Louisa. Heel flauw en duizelig.”
„Hebt gij ergens pijn, lieve moeder?”
„Ik geloof wel dat er pijn ergens in de kamer is,” antwoordde mevrouw Gradgrind, „maar ik zou niet stellig kunnen zeggen dat ik ze heb.”
Na dit zonderlinge gezegde bleef zij eenigen tijd stil liggen. Louisa, die hare hand vasthield, kon geen pols voelen; maar toen zij er een kus op drukte, zag zij een dun draadje levens in trillende beweging.
„Gij ziet uwe zuster zeer zelden,” zeide mevrouw Gradgrind. „Zij begint veel naar u te gelijken. Gij moest haar eens aanzien. Sissy, breng haar hier.”
Het kind werd gehaald, gaf hare zuster de hand en bleef zoo staan. Louisa had haar met haar arm om Sissy’s hals gezien en gevoelde het verschil dezer toenadering.
„Ziet gij de gelijkenis, Louisa?”
„Ja, moeder. Ik vind wel dat zij naar mij gelijkt, maar...”
„He? Ja, dat zeg ik ook altijd,” riepmevrouwGradgrind met onverwachte vlugheid uit. „En dat doet mij bedenken—ik moet u spreken, melieve. Sissy, goed meisje, laat ons een oogenblik alleen.”
Louisa had hare hand losgelaten, had gedacht, dat het gezichtje harer zuster schooner en helderder was dan het hare ooit geweest was; had daarna, niet zonder eene opwelling van wrevel, zelfs daar en op dat oogenblik, iets gezien van de zachtheid die het andere gezichtje in de kamer eigen was—het lieve gezichtje met de oprechte, vertrouwelijke oogen, dat door het glanzige donkere haar nog bleeker scheen, dan het door droevig medelijden en nachtwaken was geworden.
Met hare moeder alleen gebleven, zag Louisa eene akelige kalmte op haar gelaat, gelijk die van een drenkeling wezen zou, die, zonder eenigen tegenstand meer te bieden, zich met den stroom liet wegdrijven. Zij bracht de uitgeteerde hand, slechts de schim eener hand, weder aan hare lippen, en poogde haar zoo tot bezinning te brengen.
„Gij hadt mij willen spreken, moeder?”
„He? O ja zeker, melieve. Gij weet wel, uw vader is tegenwoordig haast altijd weg, en ik moet er hem dus over schrijven.”
„Waarover, moeder? Ontrust u maar niet. Waarover?”
„Gij moet nog wel weten, kind, dat ik, als ik ooit iets over iets zeide, er nooit het eind van hoorde, en dat ik dus al sedert lang nooit meer iets over iets gezegd heb.”
„Ik hoor u wel, moeder.” Maar het was alleen door laag te bukken en tegelijk oplettend naar de lippen der kranke te zien, dat zij zulke flauwe afgebrokene klanken tot eenigen samenhang kon brengen.
„Gij hebt veel geleerd, Louisa, en uw broeder ook. Ologies van allerlei soort, van den ochtend tot den avond. Als er nog eene ologie over is, van wat soort ook, die hier in huis niet is afgezaagd, kan ik er niets meer van zeggen, dan dat ik hoop, dat ik ze nooit zal hooren noemen.”
„Ik kan u wel hooren, moeder, als gij kracht hebt om voort te spreken.” Dit diende slechts om haar te verhinderen nog verder af te dwalen.
„Maar er is toch iets—geen ologie, gansch niet—dat uw vader gemist of vergeten heeft, Louisa! Ik weet niet wat het is. Ik heb er dikwijls over gedacht, terwijl Sissy bij mij zat. Ik zal er nu wel niet meer opkomen. Maar uw vader misschien. Dat maakt mij zoo rusteloos. Ik wil hem schrijven, dat hij om ’s Hemels wil poogt te vinden wat het is. Geef mij eene pen, geef mij eene pen.”
Zelfs het vermogen om rusteloos te zijn was verdwenen, behalve uit het arme hoofd, dat zich nog even heen en weder kon keeren.
Zij verbeeldde zich echter, dat er aan haar verzoek voldaan was en zij de pen, die zij niet had kunnen vasthouden, in de hand had. Het is van weinig belang, welke verwonderlijke figuren zonder beteekenis zij op haar dek begon te schrijven. Weldra hield hare hand te midden daarvan stil; het licht, dat altijd zoo flauw en zwak had gebrand, ging uit; zelfs mevrouw Gradgrind, uit die schaduw gekomen waarin de mensch wandelt en zich vruchteloos ontrust, verkreeg een voorkomen zoo statig en ontzagwekkend als dat van een der oude wijzen en patriarchen.