XXVI.

XXVI.DE GROOTE TRAP.Daar de zenuwen van mevrouw Sparsit zich slechts zeer langzaam herstelden, werd het verblijf dezer brave vrouw op het buiten van mijnheer Bounderby tot verscheidene weken gerekt, en in weerwil van hare zucht tot een streng en treurig kluizenaars-leven, schikte zij zich met eene edele grootheid van ziel naar de noodzakelijkheid, om zich als het ware in eene klaverweide te legeren en zich met het vette des lands de voeden. In dit geheele tijdperk der schorsing van hare verantwoordelijkheid als voogdes van het kantoor, bleef mevrouw Sparsit zich in haar gedrag zoo volkomen gelijk, dat zij in dit opzicht tot een voorbeeld kon gesteld worden; bij voortduring bewees zij mijnheer Bounderby in zijn gezicht zulk een medelijden als maar zelden iemand bewezen wordt, en bleef zij hem voor het geschilderde gezicht van zijn portret met de bitterste verachting een domkop noemen.Nu mijnheer Bounderby eens was gewaar geworden, dat mevrouw Sparsit eene hoog begaafde vrouw moest wezen, om zoo te ontdekken dat hij niet naar verdienste werd gewaardeerd en in een of ander opzicht bitter teleurgesteld was (in welk opzicht had hij nog niet met zich zelven uitgemaakt) en verder dat Louisa zich zeker tegen haar zoo lang gerekt verblijf zou verklaard hebben, indien zijne grootheid had geduld, dat zij zich tegen iets verklaarde wat hij verkoos te doen, besloot hij, zijne vroegere huishoudster niet licht weder geheel uit het oog te verliezen. Toen zij dus hare zenuwen sterk genoeg voelde om weder in eenzaamheid bestellen te gaan eten, zeide hij, terwijl men daags voor haar vertrek aan tafel zat:„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw. Gijmoet, zoolang het mooi weer blijft, alle zaterdagen hier komen en tot maandag blijven.”En mevrouw Sparsit, hoewel zij niet tot de Mahomedaansche religie behoorde, antwoordde daarop met een duidelijk gebaar: „Hooren is gehoorzamen.”Nu had mevrouw Sparsit geene poëtische verbeelding, maar toch kreeg zij een denkbeeld in het hoofd, dat veel van een allegorisch tafereel had. Haar gedurig bespionneeren van Louisa en het waarnemen van de ondoordringbare terughouding dezer jonge dame, moet haar vernuft gescherpt en haar eene soort van inspiratie hebben gegeven. Zij schiep in haar geest eene reusachtige trap, met een donkeren afgrond van schande en ongeluk aan den voet daarvan; en langs die trap zag zij van dag tot dag en van uur tot uur Louisa al verder en verder naar beneden dalen.„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).Het werd nu de hoofdzaak van haar leven naar die trap te staren en acht te geven hoe Louisa die afdaalde—somtijds langzaam ensomtijds snel, somtijds verscheidene treden op eens, somtijds stilstaande, maar nooit terugkeerende. Als zij ooit ware omgekeerd, had mevrouw Sparsit het van spijt en kwaadheid kunnen besterven.Tot aan dien dag en zelfs op dien dag, toen mijnheer Bounderby de bovengemelde wekelijksche noodiging uitvaardigde, was Louisa steedslager en lager afgedaald; en mevrouw Sparsit was dus zeer opgeruimd en had lust tot een gezellig praatje.„Ei, mijnheer,” zeide zij, „als ik het wagen mag iets te vragen aangaande eene zaak waarover gij het stilzwijgen schijnt te bewaren—en dat zou ik waarlijk haast niet durven, want ik weet wel, dat gij eene reden hebt voor al wat gij doet—hebt gij ook al nadere inlichtingen aangaande dien diefstal gekregen?”„Neen, juffrouw, nog niet. Onder de bestaande omstandigheden had ik het ook nog niet verwacht.Romeis niet op één dag gebouwd, juffrouw.”„Wel waar, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar hoofd schuddende.„En niet in ééne week, juffrouw.”„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit op een droevigen toon.„Dus kan ik ook wel wachten, weet ge,” hervatte Bounderby. „Als Romulus en Remus konden wachten, kan Josiah Bounderby ook wel wachten. Zij waren er evenwel in hunne jeugd beter aan toe dan ik. Zij hadden eene wolvin tot voedster; ik had maar eene wolvin tot grootmoeder. En zij gaf geene melk; zij gaf stompen en stooten. In dat opzicht stond ze met de beste koe gelijk.”„Ach!” zuchtte mevrouw Sparsit en huiverde.„Neen, juffrouw,” vervolgde Bounderby, „ik heb er nog niets meer van gehoord. Maar het blijft onderhanden; en de jonge Tom, die tegenwoordig tamelijk wel op zijne zaken past—dat is iets nieuws voor hem; hij is niet zoo gedresseerd als ik—helpt daaraan mee. Ik zeg maar, houd het stil en laat het schijnen als ware het overgewaaid. Doe wat gij wilt onder de roos, maar laat niet blijken waar gij het op toelegt, of honderd van dat volk zullen zich combineeren en dien kerel, die zich te zoek heeft gemaakt, geheel buiten bereik helpen. Houd het stil en de dieven zullen langzamerhand brutaal worden, en zoo zullen wij hen krijgen.”„Zeer schrander overlegd, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „en zeer interessant. De oude vrouw, van wie gij gesproken hebt, mijnheer...”„De oude vrouw, van wie ik gesproken heb, juffrouw,” viel Bounderby er op in, de zaak kort afbrekende, daar zij geene gelegenheid gaf om te snoeven, „is nog niet gepakt, maar zij mag er wel op zweren dat zij het zal worden, als dat zulk eene kwaadaardige heks eenig pleizier doet. Ondertusschen, juffrouw, ben ik van gevoelen, als gij naar mijn gevoelen vraagt, dat het best is maar zoo weinig mogelijk van haar te spreken.”Dienzelfden avond zat mevrouw Sparsit, nadat zij haar goed had gepakt, voor het venster harer kamer van haar arbeid uit te rusten en zag Louisa steeds lager en lager afdalen.Deze zat bij mijnheer Harthouse in een priëeltje in den tuin. Hij stond, terwijl zij te zamen fluisterden, zoo laag over haar heen gebukt, dat zijn gezicht bijna hare haren aanraakte. „Zoo het dat niet werkelijk doet!” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij hare valkenoogen zooveel mogelijk inspande. Zij zat te ver af om een woord van hun gesprek te hooren, of zelfs te kunnen weten, dat zij zacht met elkander spraken, als zij het niet aan de beweging hunner lippen had gezien; maar wat zij zeiden, was dit:„Gij herinnert u dien man wel, mijnheer Harthouse?”„O ja, volkomen.”„Zijn gezicht, zijne manieren en wat hij zeide?”„Volkomen, en ik vond hem een schrikkelijk vervelend personage. Zoo langdradig en temerig als maar mogelijk was. Het was heel slim van hem zoo te declameeren alsof hij de nederige deugd in eigen persoon was; maar ik verzeker u, ik dacht toen al bij mij zelven: „Goede man, gij overdrijft uwe rol.”„Het is mij zeer moeielijk geweest van dien man kwaad te denken.”„Lieve Louisa—gelijk Tom zegt,” (hij zeide dit nooit) „gij weet toch geen goed van den man?”„Neen, dat zeker niet.”„Of van een van die lieden.”„Hoe kan ik,” antwoordde zij, met meer van haar vroegeren toon dan hij in den laatsten tijd bij haar had waargenomen, „als ik geheel niets van hen weet?”„Waarde mevrouw Bounderby, wees dan zoo goed om naar de onderdanige meening van uw getrouwen vriend te luisteren, die wel iets van de verschillende variëteiten zijner brave medemenschen weet—want braaf zijn zij, daaraan twijfel ik niet, in spijt van hunne kleine zwakheden, bijv. die van altijd te nemen wat zij maar kunnen krijgen. Die man praat. Welnu, iedereen praat. Dat hij zich voor zoo gemoedelijk uitgeeft, verdient slechts daarom een oogenblik in aanmerking te worden genomen, omdat het eene zeer verdachte omstandigheid is. Alle soorten van bedriegers geven zich voor gemoedelijk uit, zij mogen in het huis der gemeente of het huis van correctie zitten, behalve onze lieden, en dat is juist de uitzondering, die onze lieden zoo onderhoudend maakt. Gij hebt de zaak gezien en gehoord. Het was een gemeen man, buitengewoon kort gehouden door mijn hooggeachten vriend, mijnheer Bounderby—die, gelijk wij weten, niet in het bezit is van die kieschheid, welke hem zijn forschen greep eenigszins zou leeren verzachten. De gemeene man was gekrenkt, verbitterd, gaat brommend de deur uit, ontmoet iemand, die hem voorstelt om op eene of andere manier aan het karreweitje in het kantoor deel te nemen,doet mede, steekt iets in zijn zak, die eerst leeg was, en gevoelt zijn gemoed buitengemeen verlicht. Hij zou inderdaad een ongemeen, in plaats van een gemeen man zijn geweest, als hij zulk eene gelegenheid niet had waargenomen. Of hij mag die ook geheel en al zelf uitgevonden hebben, als hij daartoe knap genoeg was. Even waarschijnlijk!”„Het is mij bijna alsof ik er kwaad aan doe,” antwoordde Louisa, nadat zij eene poos had zitten peinzen, „dat ik zoo gereed ben u toe te stemmen wat gij daar zegt en dat ik mijn hart daardoor zoo verlicht gevoel.”„Ik zeg maar wat redelijk is en niets meer. Ik heb er meer dan eens met mijn vriend Tom over gepraat—ik blijf natuurlijk op den vertrouwelijksten voet met Tom—en hij is volkomen van mijn gevoelen, en ik van het zijne. Wilt gij eens wandelen?”Zij dwaalden door de lanen om, die reeds door de schemering verdonkerd werden. Zij leunde op zijn arm, en weinig dacht zij, hoe zij de trap van mevrouw Sparsit al verder en verder afdaalde.Nacht en dag hield mevrouw Sparsit die trap in het oog. Wanneer Louisa aan den voet gekomen en in den afgrond verdwenen was, mocht zij instorten en op haar nedervallen, maar tot zoolang moest zij daar blijven staan, als een onwankelbaar gebouw voor mevrouw Sparsit’s oogen. En altijd zag zij Louisa daarop, telkens al verder en verder afdalende.Mevrouw Sparsit zag James Harthouse komen en gaan, zij hoorde van hem hier en daar; zij zag de veranderingen in het gezichtje, dat hij bestudeerd had; ook zij merkte met de uiterste nauwkeurigheid op, wanneer en hoe liet bewolkte, wanneer en hoe het ophelderde; zij hield hare zwarte oogen wijd open, zonder eenigen zweem van mededoogen, zonder eenigen zweem van leedwezen, geheel in het belangrijke schouwspel verdiept, van haar, zonder dat eenige hand haar stuitte, al nader en nader bij den voet van deze nieuwe Reuzentrap te zien komen.Met al hare eerbiedige gehechtheid aan mijnheer Bounderby, wel te onderscheiden van zijn portret, had mevrouw Sparsit niet het geringste voornemen, om die afdaling te stuiten. Gretig om die volbracht te zien, en toch geduldig, wachtte zij naar den laatsten val, als naar de rijpheid en volheid van den oogst harer hoop. Met stille aandacht hield zij haar bespiedenden blik op de trap gevestigd, en slechts zelden schudde zij haar dreigend rechtermofje, met hare vuist er in, tegen de nederdalende gedaante.

XXVI.DE GROOTE TRAP.Daar de zenuwen van mevrouw Sparsit zich slechts zeer langzaam herstelden, werd het verblijf dezer brave vrouw op het buiten van mijnheer Bounderby tot verscheidene weken gerekt, en in weerwil van hare zucht tot een streng en treurig kluizenaars-leven, schikte zij zich met eene edele grootheid van ziel naar de noodzakelijkheid, om zich als het ware in eene klaverweide te legeren en zich met het vette des lands de voeden. In dit geheele tijdperk der schorsing van hare verantwoordelijkheid als voogdes van het kantoor, bleef mevrouw Sparsit zich in haar gedrag zoo volkomen gelijk, dat zij in dit opzicht tot een voorbeeld kon gesteld worden; bij voortduring bewees zij mijnheer Bounderby in zijn gezicht zulk een medelijden als maar zelden iemand bewezen wordt, en bleef zij hem voor het geschilderde gezicht van zijn portret met de bitterste verachting een domkop noemen.Nu mijnheer Bounderby eens was gewaar geworden, dat mevrouw Sparsit eene hoog begaafde vrouw moest wezen, om zoo te ontdekken dat hij niet naar verdienste werd gewaardeerd en in een of ander opzicht bitter teleurgesteld was (in welk opzicht had hij nog niet met zich zelven uitgemaakt) en verder dat Louisa zich zeker tegen haar zoo lang gerekt verblijf zou verklaard hebben, indien zijne grootheid had geduld, dat zij zich tegen iets verklaarde wat hij verkoos te doen, besloot hij, zijne vroegere huishoudster niet licht weder geheel uit het oog te verliezen. Toen zij dus hare zenuwen sterk genoeg voelde om weder in eenzaamheid bestellen te gaan eten, zeide hij, terwijl men daags voor haar vertrek aan tafel zat:„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw. Gijmoet, zoolang het mooi weer blijft, alle zaterdagen hier komen en tot maandag blijven.”En mevrouw Sparsit, hoewel zij niet tot de Mahomedaansche religie behoorde, antwoordde daarop met een duidelijk gebaar: „Hooren is gehoorzamen.”Nu had mevrouw Sparsit geene poëtische verbeelding, maar toch kreeg zij een denkbeeld in het hoofd, dat veel van een allegorisch tafereel had. Haar gedurig bespionneeren van Louisa en het waarnemen van de ondoordringbare terughouding dezer jonge dame, moet haar vernuft gescherpt en haar eene soort van inspiratie hebben gegeven. Zij schiep in haar geest eene reusachtige trap, met een donkeren afgrond van schande en ongeluk aan den voet daarvan; en langs die trap zag zij van dag tot dag en van uur tot uur Louisa al verder en verder naar beneden dalen.„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).Het werd nu de hoofdzaak van haar leven naar die trap te staren en acht te geven hoe Louisa die afdaalde—somtijds langzaam ensomtijds snel, somtijds verscheidene treden op eens, somtijds stilstaande, maar nooit terugkeerende. Als zij ooit ware omgekeerd, had mevrouw Sparsit het van spijt en kwaadheid kunnen besterven.Tot aan dien dag en zelfs op dien dag, toen mijnheer Bounderby de bovengemelde wekelijksche noodiging uitvaardigde, was Louisa steedslager en lager afgedaald; en mevrouw Sparsit was dus zeer opgeruimd en had lust tot een gezellig praatje.„Ei, mijnheer,” zeide zij, „als ik het wagen mag iets te vragen aangaande eene zaak waarover gij het stilzwijgen schijnt te bewaren—en dat zou ik waarlijk haast niet durven, want ik weet wel, dat gij eene reden hebt voor al wat gij doet—hebt gij ook al nadere inlichtingen aangaande dien diefstal gekregen?”„Neen, juffrouw, nog niet. Onder de bestaande omstandigheden had ik het ook nog niet verwacht.Romeis niet op één dag gebouwd, juffrouw.”„Wel waar, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar hoofd schuddende.„En niet in ééne week, juffrouw.”„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit op een droevigen toon.„Dus kan ik ook wel wachten, weet ge,” hervatte Bounderby. „Als Romulus en Remus konden wachten, kan Josiah Bounderby ook wel wachten. Zij waren er evenwel in hunne jeugd beter aan toe dan ik. Zij hadden eene wolvin tot voedster; ik had maar eene wolvin tot grootmoeder. En zij gaf geene melk; zij gaf stompen en stooten. In dat opzicht stond ze met de beste koe gelijk.”„Ach!” zuchtte mevrouw Sparsit en huiverde.„Neen, juffrouw,” vervolgde Bounderby, „ik heb er nog niets meer van gehoord. Maar het blijft onderhanden; en de jonge Tom, die tegenwoordig tamelijk wel op zijne zaken past—dat is iets nieuws voor hem; hij is niet zoo gedresseerd als ik—helpt daaraan mee. Ik zeg maar, houd het stil en laat het schijnen als ware het overgewaaid. Doe wat gij wilt onder de roos, maar laat niet blijken waar gij het op toelegt, of honderd van dat volk zullen zich combineeren en dien kerel, die zich te zoek heeft gemaakt, geheel buiten bereik helpen. Houd het stil en de dieven zullen langzamerhand brutaal worden, en zoo zullen wij hen krijgen.”„Zeer schrander overlegd, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „en zeer interessant. De oude vrouw, van wie gij gesproken hebt, mijnheer...”„De oude vrouw, van wie ik gesproken heb, juffrouw,” viel Bounderby er op in, de zaak kort afbrekende, daar zij geene gelegenheid gaf om te snoeven, „is nog niet gepakt, maar zij mag er wel op zweren dat zij het zal worden, als dat zulk eene kwaadaardige heks eenig pleizier doet. Ondertusschen, juffrouw, ben ik van gevoelen, als gij naar mijn gevoelen vraagt, dat het best is maar zoo weinig mogelijk van haar te spreken.”Dienzelfden avond zat mevrouw Sparsit, nadat zij haar goed had gepakt, voor het venster harer kamer van haar arbeid uit te rusten en zag Louisa steeds lager en lager afdalen.Deze zat bij mijnheer Harthouse in een priëeltje in den tuin. Hij stond, terwijl zij te zamen fluisterden, zoo laag over haar heen gebukt, dat zijn gezicht bijna hare haren aanraakte. „Zoo het dat niet werkelijk doet!” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij hare valkenoogen zooveel mogelijk inspande. Zij zat te ver af om een woord van hun gesprek te hooren, of zelfs te kunnen weten, dat zij zacht met elkander spraken, als zij het niet aan de beweging hunner lippen had gezien; maar wat zij zeiden, was dit:„Gij herinnert u dien man wel, mijnheer Harthouse?”„O ja, volkomen.”„Zijn gezicht, zijne manieren en wat hij zeide?”„Volkomen, en ik vond hem een schrikkelijk vervelend personage. Zoo langdradig en temerig als maar mogelijk was. Het was heel slim van hem zoo te declameeren alsof hij de nederige deugd in eigen persoon was; maar ik verzeker u, ik dacht toen al bij mij zelven: „Goede man, gij overdrijft uwe rol.”„Het is mij zeer moeielijk geweest van dien man kwaad te denken.”„Lieve Louisa—gelijk Tom zegt,” (hij zeide dit nooit) „gij weet toch geen goed van den man?”„Neen, dat zeker niet.”„Of van een van die lieden.”„Hoe kan ik,” antwoordde zij, met meer van haar vroegeren toon dan hij in den laatsten tijd bij haar had waargenomen, „als ik geheel niets van hen weet?”„Waarde mevrouw Bounderby, wees dan zoo goed om naar de onderdanige meening van uw getrouwen vriend te luisteren, die wel iets van de verschillende variëteiten zijner brave medemenschen weet—want braaf zijn zij, daaraan twijfel ik niet, in spijt van hunne kleine zwakheden, bijv. die van altijd te nemen wat zij maar kunnen krijgen. Die man praat. Welnu, iedereen praat. Dat hij zich voor zoo gemoedelijk uitgeeft, verdient slechts daarom een oogenblik in aanmerking te worden genomen, omdat het eene zeer verdachte omstandigheid is. Alle soorten van bedriegers geven zich voor gemoedelijk uit, zij mogen in het huis der gemeente of het huis van correctie zitten, behalve onze lieden, en dat is juist de uitzondering, die onze lieden zoo onderhoudend maakt. Gij hebt de zaak gezien en gehoord. Het was een gemeen man, buitengewoon kort gehouden door mijn hooggeachten vriend, mijnheer Bounderby—die, gelijk wij weten, niet in het bezit is van die kieschheid, welke hem zijn forschen greep eenigszins zou leeren verzachten. De gemeene man was gekrenkt, verbitterd, gaat brommend de deur uit, ontmoet iemand, die hem voorstelt om op eene of andere manier aan het karreweitje in het kantoor deel te nemen,doet mede, steekt iets in zijn zak, die eerst leeg was, en gevoelt zijn gemoed buitengemeen verlicht. Hij zou inderdaad een ongemeen, in plaats van een gemeen man zijn geweest, als hij zulk eene gelegenheid niet had waargenomen. Of hij mag die ook geheel en al zelf uitgevonden hebben, als hij daartoe knap genoeg was. Even waarschijnlijk!”„Het is mij bijna alsof ik er kwaad aan doe,” antwoordde Louisa, nadat zij eene poos had zitten peinzen, „dat ik zoo gereed ben u toe te stemmen wat gij daar zegt en dat ik mijn hart daardoor zoo verlicht gevoel.”„Ik zeg maar wat redelijk is en niets meer. Ik heb er meer dan eens met mijn vriend Tom over gepraat—ik blijf natuurlijk op den vertrouwelijksten voet met Tom—en hij is volkomen van mijn gevoelen, en ik van het zijne. Wilt gij eens wandelen?”Zij dwaalden door de lanen om, die reeds door de schemering verdonkerd werden. Zij leunde op zijn arm, en weinig dacht zij, hoe zij de trap van mevrouw Sparsit al verder en verder afdaalde.Nacht en dag hield mevrouw Sparsit die trap in het oog. Wanneer Louisa aan den voet gekomen en in den afgrond verdwenen was, mocht zij instorten en op haar nedervallen, maar tot zoolang moest zij daar blijven staan, als een onwankelbaar gebouw voor mevrouw Sparsit’s oogen. En altijd zag zij Louisa daarop, telkens al verder en verder afdalende.Mevrouw Sparsit zag James Harthouse komen en gaan, zij hoorde van hem hier en daar; zij zag de veranderingen in het gezichtje, dat hij bestudeerd had; ook zij merkte met de uiterste nauwkeurigheid op, wanneer en hoe liet bewolkte, wanneer en hoe het ophelderde; zij hield hare zwarte oogen wijd open, zonder eenigen zweem van mededoogen, zonder eenigen zweem van leedwezen, geheel in het belangrijke schouwspel verdiept, van haar, zonder dat eenige hand haar stuitte, al nader en nader bij den voet van deze nieuwe Reuzentrap te zien komen.Met al hare eerbiedige gehechtheid aan mijnheer Bounderby, wel te onderscheiden van zijn portret, had mevrouw Sparsit niet het geringste voornemen, om die afdaling te stuiten. Gretig om die volbracht te zien, en toch geduldig, wachtte zij naar den laatsten val, als naar de rijpheid en volheid van den oogst harer hoop. Met stille aandacht hield zij haar bespiedenden blik op de trap gevestigd, en slechts zelden schudde zij haar dreigend rechtermofje, met hare vuist er in, tegen de nederdalende gedaante.

XXVI.DE GROOTE TRAP.Daar de zenuwen van mevrouw Sparsit zich slechts zeer langzaam herstelden, werd het verblijf dezer brave vrouw op het buiten van mijnheer Bounderby tot verscheidene weken gerekt, en in weerwil van hare zucht tot een streng en treurig kluizenaars-leven, schikte zij zich met eene edele grootheid van ziel naar de noodzakelijkheid, om zich als het ware in eene klaverweide te legeren en zich met het vette des lands de voeden. In dit geheele tijdperk der schorsing van hare verantwoordelijkheid als voogdes van het kantoor, bleef mevrouw Sparsit zich in haar gedrag zoo volkomen gelijk, dat zij in dit opzicht tot een voorbeeld kon gesteld worden; bij voortduring bewees zij mijnheer Bounderby in zijn gezicht zulk een medelijden als maar zelden iemand bewezen wordt, en bleef zij hem voor het geschilderde gezicht van zijn portret met de bitterste verachting een domkop noemen.Nu mijnheer Bounderby eens was gewaar geworden, dat mevrouw Sparsit eene hoog begaafde vrouw moest wezen, om zoo te ontdekken dat hij niet naar verdienste werd gewaardeerd en in een of ander opzicht bitter teleurgesteld was (in welk opzicht had hij nog niet met zich zelven uitgemaakt) en verder dat Louisa zich zeker tegen haar zoo lang gerekt verblijf zou verklaard hebben, indien zijne grootheid had geduld, dat zij zich tegen iets verklaarde wat hij verkoos te doen, besloot hij, zijne vroegere huishoudster niet licht weder geheel uit het oog te verliezen. Toen zij dus hare zenuwen sterk genoeg voelde om weder in eenzaamheid bestellen te gaan eten, zeide hij, terwijl men daags voor haar vertrek aan tafel zat:„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw. Gijmoet, zoolang het mooi weer blijft, alle zaterdagen hier komen en tot maandag blijven.”En mevrouw Sparsit, hoewel zij niet tot de Mahomedaansche religie behoorde, antwoordde daarop met een duidelijk gebaar: „Hooren is gehoorzamen.”Nu had mevrouw Sparsit geene poëtische verbeelding, maar toch kreeg zij een denkbeeld in het hoofd, dat veel van een allegorisch tafereel had. Haar gedurig bespionneeren van Louisa en het waarnemen van de ondoordringbare terughouding dezer jonge dame, moet haar vernuft gescherpt en haar eene soort van inspiratie hebben gegeven. Zij schiep in haar geest eene reusachtige trap, met een donkeren afgrond van schande en ongeluk aan den voet daarvan; en langs die trap zag zij van dag tot dag en van uur tot uur Louisa al verder en verder naar beneden dalen.„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).Het werd nu de hoofdzaak van haar leven naar die trap te staren en acht te geven hoe Louisa die afdaalde—somtijds langzaam ensomtijds snel, somtijds verscheidene treden op eens, somtijds stilstaande, maar nooit terugkeerende. Als zij ooit ware omgekeerd, had mevrouw Sparsit het van spijt en kwaadheid kunnen besterven.Tot aan dien dag en zelfs op dien dag, toen mijnheer Bounderby de bovengemelde wekelijksche noodiging uitvaardigde, was Louisa steedslager en lager afgedaald; en mevrouw Sparsit was dus zeer opgeruimd en had lust tot een gezellig praatje.„Ei, mijnheer,” zeide zij, „als ik het wagen mag iets te vragen aangaande eene zaak waarover gij het stilzwijgen schijnt te bewaren—en dat zou ik waarlijk haast niet durven, want ik weet wel, dat gij eene reden hebt voor al wat gij doet—hebt gij ook al nadere inlichtingen aangaande dien diefstal gekregen?”„Neen, juffrouw, nog niet. Onder de bestaande omstandigheden had ik het ook nog niet verwacht.Romeis niet op één dag gebouwd, juffrouw.”„Wel waar, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar hoofd schuddende.„En niet in ééne week, juffrouw.”„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit op een droevigen toon.„Dus kan ik ook wel wachten, weet ge,” hervatte Bounderby. „Als Romulus en Remus konden wachten, kan Josiah Bounderby ook wel wachten. Zij waren er evenwel in hunne jeugd beter aan toe dan ik. Zij hadden eene wolvin tot voedster; ik had maar eene wolvin tot grootmoeder. En zij gaf geene melk; zij gaf stompen en stooten. In dat opzicht stond ze met de beste koe gelijk.”„Ach!” zuchtte mevrouw Sparsit en huiverde.„Neen, juffrouw,” vervolgde Bounderby, „ik heb er nog niets meer van gehoord. Maar het blijft onderhanden; en de jonge Tom, die tegenwoordig tamelijk wel op zijne zaken past—dat is iets nieuws voor hem; hij is niet zoo gedresseerd als ik—helpt daaraan mee. Ik zeg maar, houd het stil en laat het schijnen als ware het overgewaaid. Doe wat gij wilt onder de roos, maar laat niet blijken waar gij het op toelegt, of honderd van dat volk zullen zich combineeren en dien kerel, die zich te zoek heeft gemaakt, geheel buiten bereik helpen. Houd het stil en de dieven zullen langzamerhand brutaal worden, en zoo zullen wij hen krijgen.”„Zeer schrander overlegd, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „en zeer interessant. De oude vrouw, van wie gij gesproken hebt, mijnheer...”„De oude vrouw, van wie ik gesproken heb, juffrouw,” viel Bounderby er op in, de zaak kort afbrekende, daar zij geene gelegenheid gaf om te snoeven, „is nog niet gepakt, maar zij mag er wel op zweren dat zij het zal worden, als dat zulk eene kwaadaardige heks eenig pleizier doet. Ondertusschen, juffrouw, ben ik van gevoelen, als gij naar mijn gevoelen vraagt, dat het best is maar zoo weinig mogelijk van haar te spreken.”Dienzelfden avond zat mevrouw Sparsit, nadat zij haar goed had gepakt, voor het venster harer kamer van haar arbeid uit te rusten en zag Louisa steeds lager en lager afdalen.Deze zat bij mijnheer Harthouse in een priëeltje in den tuin. Hij stond, terwijl zij te zamen fluisterden, zoo laag over haar heen gebukt, dat zijn gezicht bijna hare haren aanraakte. „Zoo het dat niet werkelijk doet!” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij hare valkenoogen zooveel mogelijk inspande. Zij zat te ver af om een woord van hun gesprek te hooren, of zelfs te kunnen weten, dat zij zacht met elkander spraken, als zij het niet aan de beweging hunner lippen had gezien; maar wat zij zeiden, was dit:„Gij herinnert u dien man wel, mijnheer Harthouse?”„O ja, volkomen.”„Zijn gezicht, zijne manieren en wat hij zeide?”„Volkomen, en ik vond hem een schrikkelijk vervelend personage. Zoo langdradig en temerig als maar mogelijk was. Het was heel slim van hem zoo te declameeren alsof hij de nederige deugd in eigen persoon was; maar ik verzeker u, ik dacht toen al bij mij zelven: „Goede man, gij overdrijft uwe rol.”„Het is mij zeer moeielijk geweest van dien man kwaad te denken.”„Lieve Louisa—gelijk Tom zegt,” (hij zeide dit nooit) „gij weet toch geen goed van den man?”„Neen, dat zeker niet.”„Of van een van die lieden.”„Hoe kan ik,” antwoordde zij, met meer van haar vroegeren toon dan hij in den laatsten tijd bij haar had waargenomen, „als ik geheel niets van hen weet?”„Waarde mevrouw Bounderby, wees dan zoo goed om naar de onderdanige meening van uw getrouwen vriend te luisteren, die wel iets van de verschillende variëteiten zijner brave medemenschen weet—want braaf zijn zij, daaraan twijfel ik niet, in spijt van hunne kleine zwakheden, bijv. die van altijd te nemen wat zij maar kunnen krijgen. Die man praat. Welnu, iedereen praat. Dat hij zich voor zoo gemoedelijk uitgeeft, verdient slechts daarom een oogenblik in aanmerking te worden genomen, omdat het eene zeer verdachte omstandigheid is. Alle soorten van bedriegers geven zich voor gemoedelijk uit, zij mogen in het huis der gemeente of het huis van correctie zitten, behalve onze lieden, en dat is juist de uitzondering, die onze lieden zoo onderhoudend maakt. Gij hebt de zaak gezien en gehoord. Het was een gemeen man, buitengewoon kort gehouden door mijn hooggeachten vriend, mijnheer Bounderby—die, gelijk wij weten, niet in het bezit is van die kieschheid, welke hem zijn forschen greep eenigszins zou leeren verzachten. De gemeene man was gekrenkt, verbitterd, gaat brommend de deur uit, ontmoet iemand, die hem voorstelt om op eene of andere manier aan het karreweitje in het kantoor deel te nemen,doet mede, steekt iets in zijn zak, die eerst leeg was, en gevoelt zijn gemoed buitengemeen verlicht. Hij zou inderdaad een ongemeen, in plaats van een gemeen man zijn geweest, als hij zulk eene gelegenheid niet had waargenomen. Of hij mag die ook geheel en al zelf uitgevonden hebben, als hij daartoe knap genoeg was. Even waarschijnlijk!”„Het is mij bijna alsof ik er kwaad aan doe,” antwoordde Louisa, nadat zij eene poos had zitten peinzen, „dat ik zoo gereed ben u toe te stemmen wat gij daar zegt en dat ik mijn hart daardoor zoo verlicht gevoel.”„Ik zeg maar wat redelijk is en niets meer. Ik heb er meer dan eens met mijn vriend Tom over gepraat—ik blijf natuurlijk op den vertrouwelijksten voet met Tom—en hij is volkomen van mijn gevoelen, en ik van het zijne. Wilt gij eens wandelen?”Zij dwaalden door de lanen om, die reeds door de schemering verdonkerd werden. Zij leunde op zijn arm, en weinig dacht zij, hoe zij de trap van mevrouw Sparsit al verder en verder afdaalde.Nacht en dag hield mevrouw Sparsit die trap in het oog. Wanneer Louisa aan den voet gekomen en in den afgrond verdwenen was, mocht zij instorten en op haar nedervallen, maar tot zoolang moest zij daar blijven staan, als een onwankelbaar gebouw voor mevrouw Sparsit’s oogen. En altijd zag zij Louisa daarop, telkens al verder en verder afdalende.Mevrouw Sparsit zag James Harthouse komen en gaan, zij hoorde van hem hier en daar; zij zag de veranderingen in het gezichtje, dat hij bestudeerd had; ook zij merkte met de uiterste nauwkeurigheid op, wanneer en hoe liet bewolkte, wanneer en hoe het ophelderde; zij hield hare zwarte oogen wijd open, zonder eenigen zweem van mededoogen, zonder eenigen zweem van leedwezen, geheel in het belangrijke schouwspel verdiept, van haar, zonder dat eenige hand haar stuitte, al nader en nader bij den voet van deze nieuwe Reuzentrap te zien komen.Met al hare eerbiedige gehechtheid aan mijnheer Bounderby, wel te onderscheiden van zijn portret, had mevrouw Sparsit niet het geringste voornemen, om die afdaling te stuiten. Gretig om die volbracht te zien, en toch geduldig, wachtte zij naar den laatsten val, als naar de rijpheid en volheid van den oogst harer hoop. Met stille aandacht hield zij haar bespiedenden blik op de trap gevestigd, en slechts zelden schudde zij haar dreigend rechtermofje, met hare vuist er in, tegen de nederdalende gedaante.

XXVI.DE GROOTE TRAP.

Daar de zenuwen van mevrouw Sparsit zich slechts zeer langzaam herstelden, werd het verblijf dezer brave vrouw op het buiten van mijnheer Bounderby tot verscheidene weken gerekt, en in weerwil van hare zucht tot een streng en treurig kluizenaars-leven, schikte zij zich met eene edele grootheid van ziel naar de noodzakelijkheid, om zich als het ware in eene klaverweide te legeren en zich met het vette des lands de voeden. In dit geheele tijdperk der schorsing van hare verantwoordelijkheid als voogdes van het kantoor, bleef mevrouw Sparsit zich in haar gedrag zoo volkomen gelijk, dat zij in dit opzicht tot een voorbeeld kon gesteld worden; bij voortduring bewees zij mijnheer Bounderby in zijn gezicht zulk een medelijden als maar zelden iemand bewezen wordt, en bleef zij hem voor het geschilderde gezicht van zijn portret met de bitterste verachting een domkop noemen.Nu mijnheer Bounderby eens was gewaar geworden, dat mevrouw Sparsit eene hoog begaafde vrouw moest wezen, om zoo te ontdekken dat hij niet naar verdienste werd gewaardeerd en in een of ander opzicht bitter teleurgesteld was (in welk opzicht had hij nog niet met zich zelven uitgemaakt) en verder dat Louisa zich zeker tegen haar zoo lang gerekt verblijf zou verklaard hebben, indien zijne grootheid had geduld, dat zij zich tegen iets verklaarde wat hij verkoos te doen, besloot hij, zijne vroegere huishoudster niet licht weder geheel uit het oog te verliezen. Toen zij dus hare zenuwen sterk genoeg voelde om weder in eenzaamheid bestellen te gaan eten, zeide hij, terwijl men daags voor haar vertrek aan tafel zat:„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw. Gijmoet, zoolang het mooi weer blijft, alle zaterdagen hier komen en tot maandag blijven.”En mevrouw Sparsit, hoewel zij niet tot de Mahomedaansche religie behoorde, antwoordde daarop met een duidelijk gebaar: „Hooren is gehoorzamen.”Nu had mevrouw Sparsit geene poëtische verbeelding, maar toch kreeg zij een denkbeeld in het hoofd, dat veel van een allegorisch tafereel had. Haar gedurig bespionneeren van Louisa en het waarnemen van de ondoordringbare terughouding dezer jonge dame, moet haar vernuft gescherpt en haar eene soort van inspiratie hebben gegeven. Zij schiep in haar geest eene reusachtige trap, met een donkeren afgrond van schande en ongeluk aan den voet daarvan; en langs die trap zag zij van dag tot dag en van uur tot uur Louisa al verder en verder naar beneden dalen.„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).Het werd nu de hoofdzaak van haar leven naar die trap te staren en acht te geven hoe Louisa die afdaalde—somtijds langzaam ensomtijds snel, somtijds verscheidene treden op eens, somtijds stilstaande, maar nooit terugkeerende. Als zij ooit ware omgekeerd, had mevrouw Sparsit het van spijt en kwaadheid kunnen besterven.Tot aan dien dag en zelfs op dien dag, toen mijnheer Bounderby de bovengemelde wekelijksche noodiging uitvaardigde, was Louisa steedslager en lager afgedaald; en mevrouw Sparsit was dus zeer opgeruimd en had lust tot een gezellig praatje.„Ei, mijnheer,” zeide zij, „als ik het wagen mag iets te vragen aangaande eene zaak waarover gij het stilzwijgen schijnt te bewaren—en dat zou ik waarlijk haast niet durven, want ik weet wel, dat gij eene reden hebt voor al wat gij doet—hebt gij ook al nadere inlichtingen aangaande dien diefstal gekregen?”„Neen, juffrouw, nog niet. Onder de bestaande omstandigheden had ik het ook nog niet verwacht.Romeis niet op één dag gebouwd, juffrouw.”„Wel waar, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar hoofd schuddende.„En niet in ééne week, juffrouw.”„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit op een droevigen toon.„Dus kan ik ook wel wachten, weet ge,” hervatte Bounderby. „Als Romulus en Remus konden wachten, kan Josiah Bounderby ook wel wachten. Zij waren er evenwel in hunne jeugd beter aan toe dan ik. Zij hadden eene wolvin tot voedster; ik had maar eene wolvin tot grootmoeder. En zij gaf geene melk; zij gaf stompen en stooten. In dat opzicht stond ze met de beste koe gelijk.”„Ach!” zuchtte mevrouw Sparsit en huiverde.„Neen, juffrouw,” vervolgde Bounderby, „ik heb er nog niets meer van gehoord. Maar het blijft onderhanden; en de jonge Tom, die tegenwoordig tamelijk wel op zijne zaken past—dat is iets nieuws voor hem; hij is niet zoo gedresseerd als ik—helpt daaraan mee. Ik zeg maar, houd het stil en laat het schijnen als ware het overgewaaid. Doe wat gij wilt onder de roos, maar laat niet blijken waar gij het op toelegt, of honderd van dat volk zullen zich combineeren en dien kerel, die zich te zoek heeft gemaakt, geheel buiten bereik helpen. Houd het stil en de dieven zullen langzamerhand brutaal worden, en zoo zullen wij hen krijgen.”„Zeer schrander overlegd, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „en zeer interessant. De oude vrouw, van wie gij gesproken hebt, mijnheer...”„De oude vrouw, van wie ik gesproken heb, juffrouw,” viel Bounderby er op in, de zaak kort afbrekende, daar zij geene gelegenheid gaf om te snoeven, „is nog niet gepakt, maar zij mag er wel op zweren dat zij het zal worden, als dat zulk eene kwaadaardige heks eenig pleizier doet. Ondertusschen, juffrouw, ben ik van gevoelen, als gij naar mijn gevoelen vraagt, dat het best is maar zoo weinig mogelijk van haar te spreken.”Dienzelfden avond zat mevrouw Sparsit, nadat zij haar goed had gepakt, voor het venster harer kamer van haar arbeid uit te rusten en zag Louisa steeds lager en lager afdalen.Deze zat bij mijnheer Harthouse in een priëeltje in den tuin. Hij stond, terwijl zij te zamen fluisterden, zoo laag over haar heen gebukt, dat zijn gezicht bijna hare haren aanraakte. „Zoo het dat niet werkelijk doet!” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij hare valkenoogen zooveel mogelijk inspande. Zij zat te ver af om een woord van hun gesprek te hooren, of zelfs te kunnen weten, dat zij zacht met elkander spraken, als zij het niet aan de beweging hunner lippen had gezien; maar wat zij zeiden, was dit:„Gij herinnert u dien man wel, mijnheer Harthouse?”„O ja, volkomen.”„Zijn gezicht, zijne manieren en wat hij zeide?”„Volkomen, en ik vond hem een schrikkelijk vervelend personage. Zoo langdradig en temerig als maar mogelijk was. Het was heel slim van hem zoo te declameeren alsof hij de nederige deugd in eigen persoon was; maar ik verzeker u, ik dacht toen al bij mij zelven: „Goede man, gij overdrijft uwe rol.”„Het is mij zeer moeielijk geweest van dien man kwaad te denken.”„Lieve Louisa—gelijk Tom zegt,” (hij zeide dit nooit) „gij weet toch geen goed van den man?”„Neen, dat zeker niet.”„Of van een van die lieden.”„Hoe kan ik,” antwoordde zij, met meer van haar vroegeren toon dan hij in den laatsten tijd bij haar had waargenomen, „als ik geheel niets van hen weet?”„Waarde mevrouw Bounderby, wees dan zoo goed om naar de onderdanige meening van uw getrouwen vriend te luisteren, die wel iets van de verschillende variëteiten zijner brave medemenschen weet—want braaf zijn zij, daaraan twijfel ik niet, in spijt van hunne kleine zwakheden, bijv. die van altijd te nemen wat zij maar kunnen krijgen. Die man praat. Welnu, iedereen praat. Dat hij zich voor zoo gemoedelijk uitgeeft, verdient slechts daarom een oogenblik in aanmerking te worden genomen, omdat het eene zeer verdachte omstandigheid is. Alle soorten van bedriegers geven zich voor gemoedelijk uit, zij mogen in het huis der gemeente of het huis van correctie zitten, behalve onze lieden, en dat is juist de uitzondering, die onze lieden zoo onderhoudend maakt. Gij hebt de zaak gezien en gehoord. Het was een gemeen man, buitengewoon kort gehouden door mijn hooggeachten vriend, mijnheer Bounderby—die, gelijk wij weten, niet in het bezit is van die kieschheid, welke hem zijn forschen greep eenigszins zou leeren verzachten. De gemeene man was gekrenkt, verbitterd, gaat brommend de deur uit, ontmoet iemand, die hem voorstelt om op eene of andere manier aan het karreweitje in het kantoor deel te nemen,doet mede, steekt iets in zijn zak, die eerst leeg was, en gevoelt zijn gemoed buitengemeen verlicht. Hij zou inderdaad een ongemeen, in plaats van een gemeen man zijn geweest, als hij zulk eene gelegenheid niet had waargenomen. Of hij mag die ook geheel en al zelf uitgevonden hebben, als hij daartoe knap genoeg was. Even waarschijnlijk!”„Het is mij bijna alsof ik er kwaad aan doe,” antwoordde Louisa, nadat zij eene poos had zitten peinzen, „dat ik zoo gereed ben u toe te stemmen wat gij daar zegt en dat ik mijn hart daardoor zoo verlicht gevoel.”„Ik zeg maar wat redelijk is en niets meer. Ik heb er meer dan eens met mijn vriend Tom over gepraat—ik blijf natuurlijk op den vertrouwelijksten voet met Tom—en hij is volkomen van mijn gevoelen, en ik van het zijne. Wilt gij eens wandelen?”Zij dwaalden door de lanen om, die reeds door de schemering verdonkerd werden. Zij leunde op zijn arm, en weinig dacht zij, hoe zij de trap van mevrouw Sparsit al verder en verder afdaalde.Nacht en dag hield mevrouw Sparsit die trap in het oog. Wanneer Louisa aan den voet gekomen en in den afgrond verdwenen was, mocht zij instorten en op haar nedervallen, maar tot zoolang moest zij daar blijven staan, als een onwankelbaar gebouw voor mevrouw Sparsit’s oogen. En altijd zag zij Louisa daarop, telkens al verder en verder afdalende.Mevrouw Sparsit zag James Harthouse komen en gaan, zij hoorde van hem hier en daar; zij zag de veranderingen in het gezichtje, dat hij bestudeerd had; ook zij merkte met de uiterste nauwkeurigheid op, wanneer en hoe liet bewolkte, wanneer en hoe het ophelderde; zij hield hare zwarte oogen wijd open, zonder eenigen zweem van mededoogen, zonder eenigen zweem van leedwezen, geheel in het belangrijke schouwspel verdiept, van haar, zonder dat eenige hand haar stuitte, al nader en nader bij den voet van deze nieuwe Reuzentrap te zien komen.Met al hare eerbiedige gehechtheid aan mijnheer Bounderby, wel te onderscheiden van zijn portret, had mevrouw Sparsit niet het geringste voornemen, om die afdaling te stuiten. Gretig om die volbracht te zien, en toch geduldig, wachtte zij naar den laatsten val, als naar de rijpheid en volheid van den oogst harer hoop. Met stille aandacht hield zij haar bespiedenden blik op de trap gevestigd, en slechts zelden schudde zij haar dreigend rechtermofje, met hare vuist er in, tegen de nederdalende gedaante.

Daar de zenuwen van mevrouw Sparsit zich slechts zeer langzaam herstelden, werd het verblijf dezer brave vrouw op het buiten van mijnheer Bounderby tot verscheidene weken gerekt, en in weerwil van hare zucht tot een streng en treurig kluizenaars-leven, schikte zij zich met eene edele grootheid van ziel naar de noodzakelijkheid, om zich als het ware in eene klaverweide te legeren en zich met het vette des lands de voeden. In dit geheele tijdperk der schorsing van hare verantwoordelijkheid als voogdes van het kantoor, bleef mevrouw Sparsit zich in haar gedrag zoo volkomen gelijk, dat zij in dit opzicht tot een voorbeeld kon gesteld worden; bij voortduring bewees zij mijnheer Bounderby in zijn gezicht zulk een medelijden als maar zelden iemand bewezen wordt, en bleef zij hem voor het geschilderde gezicht van zijn portret met de bitterste verachting een domkop noemen.

Nu mijnheer Bounderby eens was gewaar geworden, dat mevrouw Sparsit eene hoog begaafde vrouw moest wezen, om zoo te ontdekken dat hij niet naar verdienste werd gewaardeerd en in een of ander opzicht bitter teleurgesteld was (in welk opzicht had hij nog niet met zich zelven uitgemaakt) en verder dat Louisa zich zeker tegen haar zoo lang gerekt verblijf zou verklaard hebben, indien zijne grootheid had geduld, dat zij zich tegen iets verklaarde wat hij verkoos te doen, besloot hij, zijne vroegere huishoudster niet licht weder geheel uit het oog te verliezen. Toen zij dus hare zenuwen sterk genoeg voelde om weder in eenzaamheid bestellen te gaan eten, zeide hij, terwijl men daags voor haar vertrek aan tafel zat:

„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw. Gijmoet, zoolang het mooi weer blijft, alle zaterdagen hier komen en tot maandag blijven.”

En mevrouw Sparsit, hoewel zij niet tot de Mahomedaansche religie behoorde, antwoordde daarop met een duidelijk gebaar: „Hooren is gehoorzamen.”

Nu had mevrouw Sparsit geene poëtische verbeelding, maar toch kreeg zij een denkbeeld in het hoofd, dat veel van een allegorisch tafereel had. Haar gedurig bespionneeren van Louisa en het waarnemen van de ondoordringbare terughouding dezer jonge dame, moet haar vernuft gescherpt en haar eene soort van inspiratie hebben gegeven. Zij schiep in haar geest eene reusachtige trap, met een donkeren afgrond van schande en ongeluk aan den voet daarvan; en langs die trap zag zij van dag tot dag en van uur tot uur Louisa al verder en verder naar beneden dalen.

„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).

„IK BID U ALLEEN, MIJN GELIEFKOOSD KIND, GELOOF TOCH DAT IK GEDACHT HEB WÈL TE DOEN.” (Blz. 107).

Het werd nu de hoofdzaak van haar leven naar die trap te staren en acht te geven hoe Louisa die afdaalde—somtijds langzaam en

somtijds snel, somtijds verscheidene treden op eens, somtijds stilstaande, maar nooit terugkeerende. Als zij ooit ware omgekeerd, had mevrouw Sparsit het van spijt en kwaadheid kunnen besterven.

Tot aan dien dag en zelfs op dien dag, toen mijnheer Bounderby de bovengemelde wekelijksche noodiging uitvaardigde, was Louisa steedslager en lager afgedaald; en mevrouw Sparsit was dus zeer opgeruimd en had lust tot een gezellig praatje.

„Ei, mijnheer,” zeide zij, „als ik het wagen mag iets te vragen aangaande eene zaak waarover gij het stilzwijgen schijnt te bewaren—en dat zou ik waarlijk haast niet durven, want ik weet wel, dat gij eene reden hebt voor al wat gij doet—hebt gij ook al nadere inlichtingen aangaande dien diefstal gekregen?”

„Neen, juffrouw, nog niet. Onder de bestaande omstandigheden had ik het ook nog niet verwacht.Romeis niet op één dag gebouwd, juffrouw.”

„Wel waar, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, haar hoofd schuddende.

„En niet in ééne week, juffrouw.”

„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit op een droevigen toon.

„Dus kan ik ook wel wachten, weet ge,” hervatte Bounderby. „Als Romulus en Remus konden wachten, kan Josiah Bounderby ook wel wachten. Zij waren er evenwel in hunne jeugd beter aan toe dan ik. Zij hadden eene wolvin tot voedster; ik had maar eene wolvin tot grootmoeder. En zij gaf geene melk; zij gaf stompen en stooten. In dat opzicht stond ze met de beste koe gelijk.”

„Ach!” zuchtte mevrouw Sparsit en huiverde.

„Neen, juffrouw,” vervolgde Bounderby, „ik heb er nog niets meer van gehoord. Maar het blijft onderhanden; en de jonge Tom, die tegenwoordig tamelijk wel op zijne zaken past—dat is iets nieuws voor hem; hij is niet zoo gedresseerd als ik—helpt daaraan mee. Ik zeg maar, houd het stil en laat het schijnen als ware het overgewaaid. Doe wat gij wilt onder de roos, maar laat niet blijken waar gij het op toelegt, of honderd van dat volk zullen zich combineeren en dien kerel, die zich te zoek heeft gemaakt, geheel buiten bereik helpen. Houd het stil en de dieven zullen langzamerhand brutaal worden, en zoo zullen wij hen krijgen.”

„Zeer schrander overlegd, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit, „en zeer interessant. De oude vrouw, van wie gij gesproken hebt, mijnheer...”

„De oude vrouw, van wie ik gesproken heb, juffrouw,” viel Bounderby er op in, de zaak kort afbrekende, daar zij geene gelegenheid gaf om te snoeven, „is nog niet gepakt, maar zij mag er wel op zweren dat zij het zal worden, als dat zulk eene kwaadaardige heks eenig pleizier doet. Ondertusschen, juffrouw, ben ik van gevoelen, als gij naar mijn gevoelen vraagt, dat het best is maar zoo weinig mogelijk van haar te spreken.”

Dienzelfden avond zat mevrouw Sparsit, nadat zij haar goed had gepakt, voor het venster harer kamer van haar arbeid uit te rusten en zag Louisa steeds lager en lager afdalen.

Deze zat bij mijnheer Harthouse in een priëeltje in den tuin. Hij stond, terwijl zij te zamen fluisterden, zoo laag over haar heen gebukt, dat zijn gezicht bijna hare haren aanraakte. „Zoo het dat niet werkelijk doet!” zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij hare valkenoogen zooveel mogelijk inspande. Zij zat te ver af om een woord van hun gesprek te hooren, of zelfs te kunnen weten, dat zij zacht met elkander spraken, als zij het niet aan de beweging hunner lippen had gezien; maar wat zij zeiden, was dit:

„Gij herinnert u dien man wel, mijnheer Harthouse?”

„O ja, volkomen.”

„Zijn gezicht, zijne manieren en wat hij zeide?”

„Volkomen, en ik vond hem een schrikkelijk vervelend personage. Zoo langdradig en temerig als maar mogelijk was. Het was heel slim van hem zoo te declameeren alsof hij de nederige deugd in eigen persoon was; maar ik verzeker u, ik dacht toen al bij mij zelven: „Goede man, gij overdrijft uwe rol.”

„Het is mij zeer moeielijk geweest van dien man kwaad te denken.”

„Lieve Louisa—gelijk Tom zegt,” (hij zeide dit nooit) „gij weet toch geen goed van den man?”

„Neen, dat zeker niet.”

„Of van een van die lieden.”

„Hoe kan ik,” antwoordde zij, met meer van haar vroegeren toon dan hij in den laatsten tijd bij haar had waargenomen, „als ik geheel niets van hen weet?”

„Waarde mevrouw Bounderby, wees dan zoo goed om naar de onderdanige meening van uw getrouwen vriend te luisteren, die wel iets van de verschillende variëteiten zijner brave medemenschen weet—want braaf zijn zij, daaraan twijfel ik niet, in spijt van hunne kleine zwakheden, bijv. die van altijd te nemen wat zij maar kunnen krijgen. Die man praat. Welnu, iedereen praat. Dat hij zich voor zoo gemoedelijk uitgeeft, verdient slechts daarom een oogenblik in aanmerking te worden genomen, omdat het eene zeer verdachte omstandigheid is. Alle soorten van bedriegers geven zich voor gemoedelijk uit, zij mogen in het huis der gemeente of het huis van correctie zitten, behalve onze lieden, en dat is juist de uitzondering, die onze lieden zoo onderhoudend maakt. Gij hebt de zaak gezien en gehoord. Het was een gemeen man, buitengewoon kort gehouden door mijn hooggeachten vriend, mijnheer Bounderby—die, gelijk wij weten, niet in het bezit is van die kieschheid, welke hem zijn forschen greep eenigszins zou leeren verzachten. De gemeene man was gekrenkt, verbitterd, gaat brommend de deur uit, ontmoet iemand, die hem voorstelt om op eene of andere manier aan het karreweitje in het kantoor deel te nemen,doet mede, steekt iets in zijn zak, die eerst leeg was, en gevoelt zijn gemoed buitengemeen verlicht. Hij zou inderdaad een ongemeen, in plaats van een gemeen man zijn geweest, als hij zulk eene gelegenheid niet had waargenomen. Of hij mag die ook geheel en al zelf uitgevonden hebben, als hij daartoe knap genoeg was. Even waarschijnlijk!”

„Het is mij bijna alsof ik er kwaad aan doe,” antwoordde Louisa, nadat zij eene poos had zitten peinzen, „dat ik zoo gereed ben u toe te stemmen wat gij daar zegt en dat ik mijn hart daardoor zoo verlicht gevoel.”

„Ik zeg maar wat redelijk is en niets meer. Ik heb er meer dan eens met mijn vriend Tom over gepraat—ik blijf natuurlijk op den vertrouwelijksten voet met Tom—en hij is volkomen van mijn gevoelen, en ik van het zijne. Wilt gij eens wandelen?”

Zij dwaalden door de lanen om, die reeds door de schemering verdonkerd werden. Zij leunde op zijn arm, en weinig dacht zij, hoe zij de trap van mevrouw Sparsit al verder en verder afdaalde.

Nacht en dag hield mevrouw Sparsit die trap in het oog. Wanneer Louisa aan den voet gekomen en in den afgrond verdwenen was, mocht zij instorten en op haar nedervallen, maar tot zoolang moest zij daar blijven staan, als een onwankelbaar gebouw voor mevrouw Sparsit’s oogen. En altijd zag zij Louisa daarop, telkens al verder en verder afdalende.

Mevrouw Sparsit zag James Harthouse komen en gaan, zij hoorde van hem hier en daar; zij zag de veranderingen in het gezichtje, dat hij bestudeerd had; ook zij merkte met de uiterste nauwkeurigheid op, wanneer en hoe liet bewolkte, wanneer en hoe het ophelderde; zij hield hare zwarte oogen wijd open, zonder eenigen zweem van mededoogen, zonder eenigen zweem van leedwezen, geheel in het belangrijke schouwspel verdiept, van haar, zonder dat eenige hand haar stuitte, al nader en nader bij den voet van deze nieuwe Reuzentrap te zien komen.

Met al hare eerbiedige gehechtheid aan mijnheer Bounderby, wel te onderscheiden van zijn portret, had mevrouw Sparsit niet het geringste voornemen, om die afdaling te stuiten. Gretig om die volbracht te zien, en toch geduldig, wachtte zij naar den laatsten val, als naar de rijpheid en volheid van den oogst harer hoop. Met stille aandacht hield zij haar bespiedenden blik op de trap gevestigd, en slechts zelden schudde zij haar dreigend rechtermofje, met hare vuist er in, tegen de nederdalende gedaante.


Back to IndexNext