XXVII.

XXVII.AL LAGER EN LAGER.De gedaante daalde de groote trap af, steeds lager en lager aangetrokken, naar het scheen, gelijk een zwaar gewicht in diep water, door den zwarten afgrond beneden.Mijnheer Gradgrind onderricht van het overlijden zijner vrouw, kwam vanLondenover en begroef haar naar behooren. Daarna keerde hij met allen spoed naar de nationale aschbelt terug en ging weder aan het ziften, om de nesterijen, die hij zocht, er uit te halen, en andere lieden, die andere nesterijen zochten, het stof in de oogen te strooien—kortom, begaf zich weder aan de vervulling zijner parlementaire plichten.Ondertusschen hield mevrouw Sparsit onvermoeid de wacht. Hoewel zij de geheele week door zoo ver van hare trap verwijderd was, als de geheele lengte van den spoorweg tusschenCoketownen het buitengoed bedroeg, bleef zij toch door haar man, door haar broeder, door James Harthouse, door het adres van brieven en pakjes, door alles wat nu en dan naar de trap ging, eene katachtige waakzaamheid over Louisa uitoefenen. „Uw voet op de laatste trede, mevrouwtje,” zeide mevrouw Sparsit, de nederdalende gedaante aansprekende en met haar mofje dreigende, „en al uwe kunsten zullen mij niet verblinden.”Doch het mocht kunst of natuurlijke aanleg zijn—de oorspronkelijke aard van Louisa’s karakter, of de wijziging welke de omstandigheden daaraan hadden gegeven—hare zonderlinge achterhoudendheid stelde toch mevrouw Sparsit met al hare schranderheid teleur, terwijl hare nieuwsgierigheid daardoor nog te meer werd geprikkeld. Er waren dagen wanneer zelfs James Harthouse niet zeker van haar was. Er waren dagen, wanneer hij het gezichtje, dat hij zoo lang had bestudeerd, niet lezen kon, en die eenzame jonge vrouw een geheimzinniger raadsel voor hem was, dan eenige vrouw uit de groote wereld, door een kring van satellieten bijgestaan.Zoo verliep de tijd, tot het gebeurde dat mijnheer Bounderby van huis werd geroepen door zaken, die voor drie of vier dagen zijne tegenwoordigheid elders vorderden. Het was op een vrijdag dat hij dit aan mevrouw Sparsit op het kantoor mededeelde, en erbijvoegde: „Maar gij gaat morgen toch maar eveneens naar buiten, juffrouw. Gij gaat maar even alsof ik er ware. Dat zal geen verschil voor u maken.”„O, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „laat ik u mogen verzoeken om dat niet te zeggen. Uwe afwezigheid zal een groot verschilvoor mij maken, mijnheer, gelijk ik denk dat gij zeer wel weet.”„Wel, juffrouw, dan moet gij het in mijne afwezigheid maar zoo goed maken als gij kunt,” zeide Bounderby lang niet misnoegd.„Mijnheer Bounderby,” hervatte mevrouw Sparsit, „uw wil is mij een wet; anders zou ik wel genegen zijn mij tegen uw vriendelijk bevel te verzetten, daar ik mij niet zeker acht, of mijne komst wel zoo aangenaam voor Miss Gradgrind zal wezen, als zij voor uwe eigene milde gastvrijheid altijd geweest is. Maar ik zal er niets meer van zeggen, mijnheer. Op uwe uitnoodiging zal ik gaan.”„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, met wijd geopende oogen, „als ik u bij mij aan huis noodig, zou ik toch denken, dat gij geene andere uitnoodiging behoeft.”„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik zou ook wel denken van neen. Zeg niets meer, mijnheer. Ik wenschte maar, dat ik u weder vroolijk kon zien.”„Wat meent ge, juffrouw?” viel Bounderby uit.„Mijnheer,” antwoordde zij, „gij placht eene levendigheid van geest te hebben, die ik nu met leedwezen mis. Gij moest u wat opbeuren, mijnheer!”Op dezen raad door een medelijdenden blik aangedrongen, wist mijnheer Bounderby niets anders te doen dan op eene flauwe, belachelijke manier zijn hoofd te krabben, en naderhand zijn gevoel van eigenwaarde te handhaven, door den geheelen ochtend tegen alle ondergeschikten, die hem in den weg kwamen, uit te bulderen.„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit dien namiddag, toen haar patroon zijne reis had aanvaard, eer het kantoor gesloten werd, „ga eens mijn compliment doen aan den jongen heer Thomas, en vraag hem of hij wil bovenkomen en eene lamskarbonade met een glas oude ale gebruiken?”De jongeheer Thomas, die doorgaans voor zoo iets te vinden was, liet een gunstig antwoord terugbrengen en volgde dit zelf op de hielen.„Mijnheer Thomas,” zeide mevrouw Sparsit, „daar ik deze kleinigheid juist op tafel had, dacht ik dat ge misschien trek zoudt hebben.”„Zeker, dank je wel, mevrouw Sparsit,” antwoordde de hondsvot, en ging met sombere gretigheid aan het eten.„Hoe vaart mijnheer Harthouse, mijnheer Tom?” vroeg mevrouw Sparsit.„O, heel wel,” antwoordde Tom.„Waar zou hij tegenwoordig zijn?” vroeg mevrouw Sparsit, op een toon alsof zij maar een gezellig praatje zocht, nadat zij bij zich zelve den hondsvot, om zijn gebrek aan spraakzaamheid, aan de Furiën had gewijd.„Hij is inYorkshireaan het jagen,” antwoordde Tom. „Hij heeft Louisa gisteren eene mand met wild gezonden zoo groot als eene halve kerk.”„Hij is juist iemand,” zeide mevrouw Sparsit zeer vriendelijk, „van wien men wel zou durven wedden dat hij een knap schutter moest wezen.”„Duivelsch knap,” zeide Tom.Sedert langen tijd was Tom gewoon meestal voor zich op den grond te kijken, maar sedert kort was deze gewoonte zoozeer toegenomen, dat hij nooit meer iemand drie seconden lang in het gezicht zag. Mevrouw Sparsit had dus ruim gelegenheid om zijn uitzicht waar te nemen, indien zij daartoe genegen was.„Ik vind mijnheer Harthouse een heel pleizierig man,” zeide zij, „gelijk ook inderdaad de meeste menschen hem vinden. Zouden wij mogen hopen hem binnenkort hier te zien, Tom?”„Wel, ik denk hem morgen te zien,” antwoordde de hondsvot.„Goed nieuws!” zeide mevrouw Sparsit zeer zoetsappig.„Ik heb afspraak met hem gemaakt, om hem tegen den avond hier aan het station op te wachten,” hervatte Tom, „en zal dan met hem gaan dineeren, geloof ik. Hij zal nog in geene week op het buiten komen, want hij is ergens anders gevraagd. Hij zegt zoo ten minste, maar het zou mij niet verwonderen als hij zondag hier overbleef en dan eens naar buiten ging.”„Dat doet mij ergens aan denken,” zeide mevrouw Sparsit. „Zoudt gij eene boodschap aan uwe zuster kunnen onthouden, mijnheer Tom, als ik er een meegaf?”„Wel, ik zal het probeeren,” antwoordde de onwillige hondsvot,„als de boodschap niet te lang is.”„Het is alleen mijn eerbiedig compliment,” hervatte mevrouw Sparsit, „en dat ik vrees dat ik haar deze week niet met mijn gezelschap zal lastig vallen, daar ik nog wat zenuwachtig ben en misschien beter in mijne eenzaamheid blijf.”„O, als dat alles is,” merkte Tom aan, „zou het er niet veel op aan komen, al vergat ik het, want als Louisa u niet ziet, zal zij waarschijnlijk niet eens aan u denken.”Nadat hij zijn onthaal met dit vleiende compliment had betaald, verzonk hij weder in zijne norsche stilte, tot de gebottelde ale op was, en toen zeide hij: „Wel, mevrouw Sparsit, nu moet ik voort.” En daarmede vertrok hij.Den volgenden dag, zaterdag, zat mevrouw Sparsit den geheelen dag voor haar venster naar de beweging op straat te kijken, inzonderheid acht gevende op de brievenbestellers en allen die het kantoor uit- en ingingen, terwijl zij ondertusschen hare gedachten over allerlei dingen liet gaan, maar hare aandachtvooral op de trap gevestigd hield. Toen de avond naderde, zette zij haar hoed op, sloeg haar doek om, en ging stil uit, daar zij hare redenen had om, zich zooveel mogelijk schuilhoudende, om het station heen te dwalen, waar een passagier uitYorkshirezou aankomen, en liever achter een pilaar, uit een hoekje of uit het venster eener dames-wachtkamer te gluren, dan zich openlijk daar te laten zien.Tom was op zijn post en bleef heen en weder kuieren tot de verwachte trein aankwam. Deze bracht geen mijnheer Harthouse mede. Tom wachtte tot de menigte zich verstrooid had en het gewoel voorbij was, bekeek toen de aangeplakte lijst der treinen en raadpleegde de kruiers; en dit gedaan hebbende, stapte hij dralend heen, bleef nu en dan op straat staan om heen en weer te kijken, nam zijn hoed af en zette dien weder op, geeuwde en rekte zich uit, en vertoonde al de verschijnselen van doodelijke verveling, welke men van iemand verwachten kon, die nog moest blijven rondslenteren tot de volgende trein over een uur en veertig minuten zou aankomen.„Dit is een streek om hem uit den weg te houden,” zeide mevrouw Sparsit, van het doffe kantoorvenstertje opstaande, waarvoor zij het laatst had wacht gehouden.Deze gedachte was eene ingeving, en zij snelde heen om die ingeving te volgen. Het station van den spoorweg, die naar het buiten voerde, was aan het andere eind der stad; de tijd was kort, de weg niet gemakkelijk; maar zij was zoo vlug om eene nog ledige koets in beslag te nemen, er weder uit te springen, haar geld te passen, haar plaatsbriefje te grijpen en een rijtuig van den trein binnen te stommelen, dat zij over de bogen door het land van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen vloog, alsof zij door eene wolk opgenomen en weggevoerd was.Zoolang de reis duurde, ontwaarde zij onbeweeglijk in de lucht, maar toch nooit verflauwende, ja, even duidelijk voor de scherpe oogen van haar geest als de electrieke draden, welke de avondlucht als een kolossale strook muziekpapier linieerden, voor de oogen van haar lichaam zichtbaar waren, hare trap en de afdalende gedaante—thans zeer dicht bij den voet, op den rand van den afgrond.Een betrokken September-avond zag, juist bij het vallen van den nacht, onder zijne half gelokene oogleden, mevrouw Sparsit uit haar rijtuig stappen; de houten trap van het kleine station af- en den puinweg opgaan, een laantje inslaan en tusschen de takken en bladeren van het zomerloof verdwijnen. Een of twee nog laat wakkere vogeltjes, die slaperig in hun nestje zaten te tjilpen, eene vleermuis, die met logge vlucht om haar heen fladderde, en het schoffelen van haar eigen tred in het dikke stof, dat op het gevoel naar fluweel geleek, waren al wat mevrouw Sparsit hoorde of zag, totdat zij zeer zacht een hek achter zich sloot.Zij sloeg den weg naar het huis in, tusschen het heesterplantsoen blijvende en ging er omheen, om door de vensters der benedenverdieping binnen te kijken. De meesten daarvan stonden open, gelijk met zulk warm weder doorgaans het geval was, maar er was nog geen licht en alles was stil. Zij doorzocht den tuin met geen beter gevolg. Toen dacht zij aan het bosch, en sloop daarheen zonder zich aan het lange gras en struiken, of aan de wormen, slakken en allerlei andere kruipende dingen te storen. Met hare donkere oogen en haar haakneus voorzichtig vooruit, drong zij behoedzaam door de dichte struweelen, zoo geheel vervuld van haar doel, dat zij waarschijnlijk eveneens zou gedaan hebben al ware het bosch vol adders geweest.Luister!De vogeltjes hadden wel uit hunne nestjes kunnen tuimelen, betooverd door het glinsteren van mevrouw Sparsit’s oogen in de duisternis, toen zij bleef stilstaan om te luisteren.Zachte stemmen dichtbij. Zijne stem en de hare. De afspraak om hem op te wachten was dus inderdaad eene list om den broeder weg te houden! Daar ginds waren zij, bij dien gevelden boom!Laag bukkende tusschen het bedauwde gras, kroop mevrouw Sparsit dichter naar hen toe. Zij richtte zich op en bleef achter een boom staan, gelijk Robinson Crusoë in zijne hinderlaag tegen de wilden; zoo dichtbij, dat zij met een sprong, en dat geen grooten, beiden had kunnen aanraken. Hij was daar heimelijk gekomen en had zich niet aan huis vertoond. Hij was te paard gekomen, en moest door de naburige velden zijn gereden, want zijn paard was op weinige schreden afstands buiten aan het staketsel gebonden.„Mijn liefste lief,” zeide hij, „wat kon ik doen? Toen ik wist dat gij alleen waart, was het toen mogelijk dat ik kon wegblijven?”„Ja, gij moogt uw hoofd wel laten hangen om u meer aantrekkelijk te maken; ik weet niet wat zij aan u zien als gij het ophoudt,” dacht mevrouw Sparsit, „maar gij denkt weinig, mijn liefste lief, wie u in het oog houdt!”Dat zij haar hoofd liet hangen, was zeker. Zij drong hem om heen te gaan; zij beval hem heen te gaan; maar zij keerde haar gezicht niet naar hem toe, hief het zelfs niet op. En toch was het opmerkelijk, dat zij zoo stil zat als de goede vrouw in de hinderlaag haar ooit had zien zitten. Hare handen lagen in elkander, gelijk de handen van een steenen beeld; en zelfs hare manier van spreken was niet haastig.„Kindlief,” zeide Harthouse (mevrouw Sparsit zag met verrukking, dat hij zijn arm om haar heen sloeg), „wilt ge dan mijn gezelschap niet een kort poosje dulden?”„Hier niet.”„Waar dan, Louisa?”„Hier niet.”„Maar wij hebben zoo weinig tijd om ons ten nutte te maken, en ik ben zoo ver gekomen, en ben zoo onrustig en verlangend. Nooit werd een slaaf, zoo getrouw en onderdanig, zoo door zijne meesteres mishandeld. Uwe vroolijke welkomst te verwachten, die mij levenswarmte heeft gegeven, en zulk eene ijskoude ontvangst te vinden, is hartverscheurend.”„Moet ik nog eens zeggen, dat ik hier alleen gelaten moet worden?”„Maar wij moeten elkander wederzien, dierbare Louisa. Waar zullen wij elkander spreken?”Beiden schrikten. De luisteraarster schrikte insgelijks, want zij dacht, dat er nog iemand anders tusschen de boomen stond te luisteren. Het was slechts de regen, die met zware droppels begon te vallen.„Zal ik zoo straks naar het huis rijden, in de eenvoudige meening, dat de meester thuis en verheugd zal zijn mij te zien?”„Neen.”„Uwe wreede bevelen moeten onvoorwaardelijk gehoorzaamd worden; hoewel ik, naar mij dunkt, de ongelukkigste man van de wereld ben, dat ik voor alle andere vrouwen ongevoelig ben gebleven, en eindelijk neergevallen ben voor en onder den voet van de schoonste, de innemendste en de heerschzuchtigste van allen. Dierbare Louisa, ik kan niet heengaan, of u laten gaan, terwijl gij uwe macht zoo onbarmhartig misbruikt.”Mevrouw Sparsit zag hoe hij haar met den arm, die haar omringde, vasthield, en hoorde hoe hij voor hare (mevrouw Sparsit’s) gretig luisterende ooren verklaarde dat hij haar beminde, en dat zij de prijs was, waarvoor hij vurig verlangde al wat hij op de wereld bezat en het leven hem aanbood te verspelen. Het doel, waarnaar hij in den jongsten tijd had gestreefd, verloor, bij haar vergeleken, alle waarde; de zegepraal, die bijna in zijn bereik was, wierp hij om harentwil als eene ellendige beuzeling weg. Evenwel, dat doel te vervolgen, als het hem in hare nabijheid hield, of er van af te zien als het hem van haar verwijderde, of de vlucht, wanneer zij daarin deelde, of geheimhouding, wanneer zij hem die gebood, of welk lot het ook wezen mocht, alles was hem onverschillig, als zij hem maar trouw bleef—den man, die gezien had hoe eenzaam zij was en hoe weinig gewaardeerd, wien zij bij hunne eerste ontmoeting eene bewondering en belangstelling inboezemde, waartoe hij zich zelven buiten staat had geacht, wien zij in haar vertrouwen had genomen, die geheel aan haar was toegewijd en haar aanbad. Dit alles en meer, haastig en zacht gesproken, hoorde mevrouw Sparsit aan in de bedwelming harer bevredigde boosheid, onder den indruk der vrees van ontdekt te worden, en onder het toenemende gedruisch van den regen tusschen het gebladerte en van eene naderende onweersbui; en zoo verward en onduidelijk moest alles daardoor voor haar worden, dat zij, toen hij eindelijk het staketsel overklom en zijn paard aan de hand heenleidde, niet zeker wist waar zij elkander zouden opwachten of wanneer, behalve dat hij gezegd had dat het dien nacht zou zijn.Doch een van hen bleef nog binnen haar bereik in de duisternis, en zoolang zij deze in het oog hield, moest zij op den rechten weg zijn. „O mijn liefste lief,” dacht mevrouw Sparsit, „weinig denkt gij hoe goed er op u gepast wordt.”Mevrouw Sparsit volgde haar het bosch uit en zag haar het huis binnengaan. Wat verder te doen? Het stortregende nu. Mevrouw Sparsit’s witte kousen hadden allerlei kleuren aangenomen, waaronder het groen den boventoon had; er waren stekelige dingen in hare schoenen geraakt; rupsen hingen in hangmatten van eigen maaksel aan verschillende deelen harer kleeding te wiegelen; beekjes liepen langs haar hoed en haar Romeinschen neus af. In zulk een toestand stond mevrouw Sparsit in het dichtst van het heesterplantsoen verborgen en overwoog wat nu te doen.Zie, daar komt Louisa het huis uit. Haastig, in een mantel gewikkeld, sluipt zij heen. Zij neemt met haar minnaar de vlucht! Zij valt van de laagste trede en wordt door den afgrond verzwolgen!Onverschillig voor den regen en met snelle en vaste schreden voorstappende, sloeg zij een zijpad in, dat evenwijdig met de oprijlaan liep. Mevrouw Sparsit volgde haar tusschen het geboomte op zeer korten afstand; want het was niet gemakkelijk eene gedaante, die zich snel door de beschaduwde duisternis bewoog, in het oog te houden.Toen zij bleef stilstaan om het zijhekje zonder gerucht te sluiten, stond mevrouw Sparsit ook stil. Toen zij weder voortstapte, stapte mevrouw Sparsit insgelijks voort. Louisa volgde den weg, dien mevrouw Sparsit gekomen was, ging het groene laantje door, den puinweg over en de houten trap van het station op. Een trein naarCoketownzou spoedig voorbijkomen, dit wist mevrouw Sparsit, en zij begreep dus, datCoketownhare eerste plaats van bestemming was.Druipnat en gehavend als zij was, behoefde mevrouw Sparsit geene uitgebreide voorzorgen aan te wenden om haar gewoon voorkomen te veranderen; maar zij bleef toch bij den muur van het station in de schaduw staan, trok haardoek op eene vreemde manier over hare schouders en sloeg hem over haar hoed. Zoo vermomd, was zij niet bevreesd herkend te zullen worden, toen zij insgelijks de houten trap opging en in het kantoortje haar geld betaalde. Louisa bleef in een hoek zitten wachten, mevrouw Sparsit in een anderen hoek. Beiden luisterden naar de zware donderslagen en naar den regen, die over het dak stroomde en kletterend over de goten stortte. Twee of drie lantarens waren uitgeregend en uitgewaaid, en zoo konden beiden den bliksem, die over de ijzeren sporen heen en weder speelde, zeer voordeelig zien uitkomen.Het trillen van het station, langzamerhand in een dreunend schokken overgaande, kondigde de nadering van den trein aan. Vuur, stoom, rook en rood licht; een gesis, een gekraak, een klokgelui en een gillend fluiten; Louisa stapte in een rijtuig, mevrouw Sparsit in een ander, en het kleine station was weder eene eenzame plek in den donderstorm.Hoewel de vochtige koude haar deed klappertanden, verheugde mevrouw Sparsit zich bovenmate. De gedaante was van de steilte afgestort, en zij hield als het ware de wacht bij het lijk. Kon zij, die zoo werkzaam was geweest om een statelijke begrafenis aan te leggen, minder doen dan inwendig juichen? „Zij zal lang vóór hem teCoketownzijn,” dacht mevrouw Sparsit, „al heeft hij nog zulk een goed paard. Waar zal zij hem wachten? Geduld. Wij zullen zien.”De geweldige regen veroorzaakte eene geduchte verwarring, toen de trein op de plaats zijner bestemming stilhield. Goten en waterpijpen waren gebarsten, riolen waren overgeloopen en straten stonden onder water. Terwijl zij afstapte, richtte mevrouw Sparsit hare verbijsterde oogen naar de wachtende koetsen, waarvan men zich om strijd meester wilde maken. „Zij zal in een daarvan stappen,” dacht zij, „en voort zijn eer ik haar met eene andere kan narijden. Al zou ik overreden worden, ik moet het nommer zien en hooren wat zij tegen den koetsier zegt.”Doch mevrouw Sparsit maakte eene verkeerde berekening. Louisa stapte niet in eene koets en was reeds weg. De zwarte oogen, die het spoorrijtuig, waarmede zij gekomen was, bewaakten, hadden zich een oogenblik te laat daarop gevestigd. Daar het portier na verloop van verscheidene minuten niet geopend werd, ging mevrouw Sparsit het een paar malen voorbij, zag niets, keek binnen en vond het ledig. Door en door nat,terwijl het water met elken stap, dien zij deed, uit hare doorweekte schoenen spoot, en de regen nog steeds hare classieke trekken bleef bekletteren; met een hoed, die naar eene onrijpe vijg geleek; met al hare kleederen bedorven; met vochtige indrukselen van elken knoop, ieder bandje, elk haakje en oogje op haar aanzienlijk geparenteerden rug; met een schimmelig groen, gelijk zich op een oud staketsel langs een vochtig laantje aanzet, over geheel haar uitwendigen mensch—had mevrouw Sparsit geene andere toevlucht meer dan in bittere tranen uit te barsten en te jammeren: „Ik ben haar kwijt!”

XXVII.AL LAGER EN LAGER.De gedaante daalde de groote trap af, steeds lager en lager aangetrokken, naar het scheen, gelijk een zwaar gewicht in diep water, door den zwarten afgrond beneden.Mijnheer Gradgrind onderricht van het overlijden zijner vrouw, kwam vanLondenover en begroef haar naar behooren. Daarna keerde hij met allen spoed naar de nationale aschbelt terug en ging weder aan het ziften, om de nesterijen, die hij zocht, er uit te halen, en andere lieden, die andere nesterijen zochten, het stof in de oogen te strooien—kortom, begaf zich weder aan de vervulling zijner parlementaire plichten.Ondertusschen hield mevrouw Sparsit onvermoeid de wacht. Hoewel zij de geheele week door zoo ver van hare trap verwijderd was, als de geheele lengte van den spoorweg tusschenCoketownen het buitengoed bedroeg, bleef zij toch door haar man, door haar broeder, door James Harthouse, door het adres van brieven en pakjes, door alles wat nu en dan naar de trap ging, eene katachtige waakzaamheid over Louisa uitoefenen. „Uw voet op de laatste trede, mevrouwtje,” zeide mevrouw Sparsit, de nederdalende gedaante aansprekende en met haar mofje dreigende, „en al uwe kunsten zullen mij niet verblinden.”Doch het mocht kunst of natuurlijke aanleg zijn—de oorspronkelijke aard van Louisa’s karakter, of de wijziging welke de omstandigheden daaraan hadden gegeven—hare zonderlinge achterhoudendheid stelde toch mevrouw Sparsit met al hare schranderheid teleur, terwijl hare nieuwsgierigheid daardoor nog te meer werd geprikkeld. Er waren dagen wanneer zelfs James Harthouse niet zeker van haar was. Er waren dagen, wanneer hij het gezichtje, dat hij zoo lang had bestudeerd, niet lezen kon, en die eenzame jonge vrouw een geheimzinniger raadsel voor hem was, dan eenige vrouw uit de groote wereld, door een kring van satellieten bijgestaan.Zoo verliep de tijd, tot het gebeurde dat mijnheer Bounderby van huis werd geroepen door zaken, die voor drie of vier dagen zijne tegenwoordigheid elders vorderden. Het was op een vrijdag dat hij dit aan mevrouw Sparsit op het kantoor mededeelde, en erbijvoegde: „Maar gij gaat morgen toch maar eveneens naar buiten, juffrouw. Gij gaat maar even alsof ik er ware. Dat zal geen verschil voor u maken.”„O, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „laat ik u mogen verzoeken om dat niet te zeggen. Uwe afwezigheid zal een groot verschilvoor mij maken, mijnheer, gelijk ik denk dat gij zeer wel weet.”„Wel, juffrouw, dan moet gij het in mijne afwezigheid maar zoo goed maken als gij kunt,” zeide Bounderby lang niet misnoegd.„Mijnheer Bounderby,” hervatte mevrouw Sparsit, „uw wil is mij een wet; anders zou ik wel genegen zijn mij tegen uw vriendelijk bevel te verzetten, daar ik mij niet zeker acht, of mijne komst wel zoo aangenaam voor Miss Gradgrind zal wezen, als zij voor uwe eigene milde gastvrijheid altijd geweest is. Maar ik zal er niets meer van zeggen, mijnheer. Op uwe uitnoodiging zal ik gaan.”„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, met wijd geopende oogen, „als ik u bij mij aan huis noodig, zou ik toch denken, dat gij geene andere uitnoodiging behoeft.”„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik zou ook wel denken van neen. Zeg niets meer, mijnheer. Ik wenschte maar, dat ik u weder vroolijk kon zien.”„Wat meent ge, juffrouw?” viel Bounderby uit.„Mijnheer,” antwoordde zij, „gij placht eene levendigheid van geest te hebben, die ik nu met leedwezen mis. Gij moest u wat opbeuren, mijnheer!”Op dezen raad door een medelijdenden blik aangedrongen, wist mijnheer Bounderby niets anders te doen dan op eene flauwe, belachelijke manier zijn hoofd te krabben, en naderhand zijn gevoel van eigenwaarde te handhaven, door den geheelen ochtend tegen alle ondergeschikten, die hem in den weg kwamen, uit te bulderen.„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit dien namiddag, toen haar patroon zijne reis had aanvaard, eer het kantoor gesloten werd, „ga eens mijn compliment doen aan den jongen heer Thomas, en vraag hem of hij wil bovenkomen en eene lamskarbonade met een glas oude ale gebruiken?”De jongeheer Thomas, die doorgaans voor zoo iets te vinden was, liet een gunstig antwoord terugbrengen en volgde dit zelf op de hielen.„Mijnheer Thomas,” zeide mevrouw Sparsit, „daar ik deze kleinigheid juist op tafel had, dacht ik dat ge misschien trek zoudt hebben.”„Zeker, dank je wel, mevrouw Sparsit,” antwoordde de hondsvot, en ging met sombere gretigheid aan het eten.„Hoe vaart mijnheer Harthouse, mijnheer Tom?” vroeg mevrouw Sparsit.„O, heel wel,” antwoordde Tom.„Waar zou hij tegenwoordig zijn?” vroeg mevrouw Sparsit, op een toon alsof zij maar een gezellig praatje zocht, nadat zij bij zich zelve den hondsvot, om zijn gebrek aan spraakzaamheid, aan de Furiën had gewijd.„Hij is inYorkshireaan het jagen,” antwoordde Tom. „Hij heeft Louisa gisteren eene mand met wild gezonden zoo groot als eene halve kerk.”„Hij is juist iemand,” zeide mevrouw Sparsit zeer vriendelijk, „van wien men wel zou durven wedden dat hij een knap schutter moest wezen.”„Duivelsch knap,” zeide Tom.Sedert langen tijd was Tom gewoon meestal voor zich op den grond te kijken, maar sedert kort was deze gewoonte zoozeer toegenomen, dat hij nooit meer iemand drie seconden lang in het gezicht zag. Mevrouw Sparsit had dus ruim gelegenheid om zijn uitzicht waar te nemen, indien zij daartoe genegen was.„Ik vind mijnheer Harthouse een heel pleizierig man,” zeide zij, „gelijk ook inderdaad de meeste menschen hem vinden. Zouden wij mogen hopen hem binnenkort hier te zien, Tom?”„Wel, ik denk hem morgen te zien,” antwoordde de hondsvot.„Goed nieuws!” zeide mevrouw Sparsit zeer zoetsappig.„Ik heb afspraak met hem gemaakt, om hem tegen den avond hier aan het station op te wachten,” hervatte Tom, „en zal dan met hem gaan dineeren, geloof ik. Hij zal nog in geene week op het buiten komen, want hij is ergens anders gevraagd. Hij zegt zoo ten minste, maar het zou mij niet verwonderen als hij zondag hier overbleef en dan eens naar buiten ging.”„Dat doet mij ergens aan denken,” zeide mevrouw Sparsit. „Zoudt gij eene boodschap aan uwe zuster kunnen onthouden, mijnheer Tom, als ik er een meegaf?”„Wel, ik zal het probeeren,” antwoordde de onwillige hondsvot,„als de boodschap niet te lang is.”„Het is alleen mijn eerbiedig compliment,” hervatte mevrouw Sparsit, „en dat ik vrees dat ik haar deze week niet met mijn gezelschap zal lastig vallen, daar ik nog wat zenuwachtig ben en misschien beter in mijne eenzaamheid blijf.”„O, als dat alles is,” merkte Tom aan, „zou het er niet veel op aan komen, al vergat ik het, want als Louisa u niet ziet, zal zij waarschijnlijk niet eens aan u denken.”Nadat hij zijn onthaal met dit vleiende compliment had betaald, verzonk hij weder in zijne norsche stilte, tot de gebottelde ale op was, en toen zeide hij: „Wel, mevrouw Sparsit, nu moet ik voort.” En daarmede vertrok hij.Den volgenden dag, zaterdag, zat mevrouw Sparsit den geheelen dag voor haar venster naar de beweging op straat te kijken, inzonderheid acht gevende op de brievenbestellers en allen die het kantoor uit- en ingingen, terwijl zij ondertusschen hare gedachten over allerlei dingen liet gaan, maar hare aandachtvooral op de trap gevestigd hield. Toen de avond naderde, zette zij haar hoed op, sloeg haar doek om, en ging stil uit, daar zij hare redenen had om, zich zooveel mogelijk schuilhoudende, om het station heen te dwalen, waar een passagier uitYorkshirezou aankomen, en liever achter een pilaar, uit een hoekje of uit het venster eener dames-wachtkamer te gluren, dan zich openlijk daar te laten zien.Tom was op zijn post en bleef heen en weder kuieren tot de verwachte trein aankwam. Deze bracht geen mijnheer Harthouse mede. Tom wachtte tot de menigte zich verstrooid had en het gewoel voorbij was, bekeek toen de aangeplakte lijst der treinen en raadpleegde de kruiers; en dit gedaan hebbende, stapte hij dralend heen, bleef nu en dan op straat staan om heen en weer te kijken, nam zijn hoed af en zette dien weder op, geeuwde en rekte zich uit, en vertoonde al de verschijnselen van doodelijke verveling, welke men van iemand verwachten kon, die nog moest blijven rondslenteren tot de volgende trein over een uur en veertig minuten zou aankomen.„Dit is een streek om hem uit den weg te houden,” zeide mevrouw Sparsit, van het doffe kantoorvenstertje opstaande, waarvoor zij het laatst had wacht gehouden.Deze gedachte was eene ingeving, en zij snelde heen om die ingeving te volgen. Het station van den spoorweg, die naar het buiten voerde, was aan het andere eind der stad; de tijd was kort, de weg niet gemakkelijk; maar zij was zoo vlug om eene nog ledige koets in beslag te nemen, er weder uit te springen, haar geld te passen, haar plaatsbriefje te grijpen en een rijtuig van den trein binnen te stommelen, dat zij over de bogen door het land van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen vloog, alsof zij door eene wolk opgenomen en weggevoerd was.Zoolang de reis duurde, ontwaarde zij onbeweeglijk in de lucht, maar toch nooit verflauwende, ja, even duidelijk voor de scherpe oogen van haar geest als de electrieke draden, welke de avondlucht als een kolossale strook muziekpapier linieerden, voor de oogen van haar lichaam zichtbaar waren, hare trap en de afdalende gedaante—thans zeer dicht bij den voet, op den rand van den afgrond.Een betrokken September-avond zag, juist bij het vallen van den nacht, onder zijne half gelokene oogleden, mevrouw Sparsit uit haar rijtuig stappen; de houten trap van het kleine station af- en den puinweg opgaan, een laantje inslaan en tusschen de takken en bladeren van het zomerloof verdwijnen. Een of twee nog laat wakkere vogeltjes, die slaperig in hun nestje zaten te tjilpen, eene vleermuis, die met logge vlucht om haar heen fladderde, en het schoffelen van haar eigen tred in het dikke stof, dat op het gevoel naar fluweel geleek, waren al wat mevrouw Sparsit hoorde of zag, totdat zij zeer zacht een hek achter zich sloot.Zij sloeg den weg naar het huis in, tusschen het heesterplantsoen blijvende en ging er omheen, om door de vensters der benedenverdieping binnen te kijken. De meesten daarvan stonden open, gelijk met zulk warm weder doorgaans het geval was, maar er was nog geen licht en alles was stil. Zij doorzocht den tuin met geen beter gevolg. Toen dacht zij aan het bosch, en sloop daarheen zonder zich aan het lange gras en struiken, of aan de wormen, slakken en allerlei andere kruipende dingen te storen. Met hare donkere oogen en haar haakneus voorzichtig vooruit, drong zij behoedzaam door de dichte struweelen, zoo geheel vervuld van haar doel, dat zij waarschijnlijk eveneens zou gedaan hebben al ware het bosch vol adders geweest.Luister!De vogeltjes hadden wel uit hunne nestjes kunnen tuimelen, betooverd door het glinsteren van mevrouw Sparsit’s oogen in de duisternis, toen zij bleef stilstaan om te luisteren.Zachte stemmen dichtbij. Zijne stem en de hare. De afspraak om hem op te wachten was dus inderdaad eene list om den broeder weg te houden! Daar ginds waren zij, bij dien gevelden boom!Laag bukkende tusschen het bedauwde gras, kroop mevrouw Sparsit dichter naar hen toe. Zij richtte zich op en bleef achter een boom staan, gelijk Robinson Crusoë in zijne hinderlaag tegen de wilden; zoo dichtbij, dat zij met een sprong, en dat geen grooten, beiden had kunnen aanraken. Hij was daar heimelijk gekomen en had zich niet aan huis vertoond. Hij was te paard gekomen, en moest door de naburige velden zijn gereden, want zijn paard was op weinige schreden afstands buiten aan het staketsel gebonden.„Mijn liefste lief,” zeide hij, „wat kon ik doen? Toen ik wist dat gij alleen waart, was het toen mogelijk dat ik kon wegblijven?”„Ja, gij moogt uw hoofd wel laten hangen om u meer aantrekkelijk te maken; ik weet niet wat zij aan u zien als gij het ophoudt,” dacht mevrouw Sparsit, „maar gij denkt weinig, mijn liefste lief, wie u in het oog houdt!”Dat zij haar hoofd liet hangen, was zeker. Zij drong hem om heen te gaan; zij beval hem heen te gaan; maar zij keerde haar gezicht niet naar hem toe, hief het zelfs niet op. En toch was het opmerkelijk, dat zij zoo stil zat als de goede vrouw in de hinderlaag haar ooit had zien zitten. Hare handen lagen in elkander, gelijk de handen van een steenen beeld; en zelfs hare manier van spreken was niet haastig.„Kindlief,” zeide Harthouse (mevrouw Sparsit zag met verrukking, dat hij zijn arm om haar heen sloeg), „wilt ge dan mijn gezelschap niet een kort poosje dulden?”„Hier niet.”„Waar dan, Louisa?”„Hier niet.”„Maar wij hebben zoo weinig tijd om ons ten nutte te maken, en ik ben zoo ver gekomen, en ben zoo onrustig en verlangend. Nooit werd een slaaf, zoo getrouw en onderdanig, zoo door zijne meesteres mishandeld. Uwe vroolijke welkomst te verwachten, die mij levenswarmte heeft gegeven, en zulk eene ijskoude ontvangst te vinden, is hartverscheurend.”„Moet ik nog eens zeggen, dat ik hier alleen gelaten moet worden?”„Maar wij moeten elkander wederzien, dierbare Louisa. Waar zullen wij elkander spreken?”Beiden schrikten. De luisteraarster schrikte insgelijks, want zij dacht, dat er nog iemand anders tusschen de boomen stond te luisteren. Het was slechts de regen, die met zware droppels begon te vallen.„Zal ik zoo straks naar het huis rijden, in de eenvoudige meening, dat de meester thuis en verheugd zal zijn mij te zien?”„Neen.”„Uwe wreede bevelen moeten onvoorwaardelijk gehoorzaamd worden; hoewel ik, naar mij dunkt, de ongelukkigste man van de wereld ben, dat ik voor alle andere vrouwen ongevoelig ben gebleven, en eindelijk neergevallen ben voor en onder den voet van de schoonste, de innemendste en de heerschzuchtigste van allen. Dierbare Louisa, ik kan niet heengaan, of u laten gaan, terwijl gij uwe macht zoo onbarmhartig misbruikt.”Mevrouw Sparsit zag hoe hij haar met den arm, die haar omringde, vasthield, en hoorde hoe hij voor hare (mevrouw Sparsit’s) gretig luisterende ooren verklaarde dat hij haar beminde, en dat zij de prijs was, waarvoor hij vurig verlangde al wat hij op de wereld bezat en het leven hem aanbood te verspelen. Het doel, waarnaar hij in den jongsten tijd had gestreefd, verloor, bij haar vergeleken, alle waarde; de zegepraal, die bijna in zijn bereik was, wierp hij om harentwil als eene ellendige beuzeling weg. Evenwel, dat doel te vervolgen, als het hem in hare nabijheid hield, of er van af te zien als het hem van haar verwijderde, of de vlucht, wanneer zij daarin deelde, of geheimhouding, wanneer zij hem die gebood, of welk lot het ook wezen mocht, alles was hem onverschillig, als zij hem maar trouw bleef—den man, die gezien had hoe eenzaam zij was en hoe weinig gewaardeerd, wien zij bij hunne eerste ontmoeting eene bewondering en belangstelling inboezemde, waartoe hij zich zelven buiten staat had geacht, wien zij in haar vertrouwen had genomen, die geheel aan haar was toegewijd en haar aanbad. Dit alles en meer, haastig en zacht gesproken, hoorde mevrouw Sparsit aan in de bedwelming harer bevredigde boosheid, onder den indruk der vrees van ontdekt te worden, en onder het toenemende gedruisch van den regen tusschen het gebladerte en van eene naderende onweersbui; en zoo verward en onduidelijk moest alles daardoor voor haar worden, dat zij, toen hij eindelijk het staketsel overklom en zijn paard aan de hand heenleidde, niet zeker wist waar zij elkander zouden opwachten of wanneer, behalve dat hij gezegd had dat het dien nacht zou zijn.Doch een van hen bleef nog binnen haar bereik in de duisternis, en zoolang zij deze in het oog hield, moest zij op den rechten weg zijn. „O mijn liefste lief,” dacht mevrouw Sparsit, „weinig denkt gij hoe goed er op u gepast wordt.”Mevrouw Sparsit volgde haar het bosch uit en zag haar het huis binnengaan. Wat verder te doen? Het stortregende nu. Mevrouw Sparsit’s witte kousen hadden allerlei kleuren aangenomen, waaronder het groen den boventoon had; er waren stekelige dingen in hare schoenen geraakt; rupsen hingen in hangmatten van eigen maaksel aan verschillende deelen harer kleeding te wiegelen; beekjes liepen langs haar hoed en haar Romeinschen neus af. In zulk een toestand stond mevrouw Sparsit in het dichtst van het heesterplantsoen verborgen en overwoog wat nu te doen.Zie, daar komt Louisa het huis uit. Haastig, in een mantel gewikkeld, sluipt zij heen. Zij neemt met haar minnaar de vlucht! Zij valt van de laagste trede en wordt door den afgrond verzwolgen!Onverschillig voor den regen en met snelle en vaste schreden voorstappende, sloeg zij een zijpad in, dat evenwijdig met de oprijlaan liep. Mevrouw Sparsit volgde haar tusschen het geboomte op zeer korten afstand; want het was niet gemakkelijk eene gedaante, die zich snel door de beschaduwde duisternis bewoog, in het oog te houden.Toen zij bleef stilstaan om het zijhekje zonder gerucht te sluiten, stond mevrouw Sparsit ook stil. Toen zij weder voortstapte, stapte mevrouw Sparsit insgelijks voort. Louisa volgde den weg, dien mevrouw Sparsit gekomen was, ging het groene laantje door, den puinweg over en de houten trap van het station op. Een trein naarCoketownzou spoedig voorbijkomen, dit wist mevrouw Sparsit, en zij begreep dus, datCoketownhare eerste plaats van bestemming was.Druipnat en gehavend als zij was, behoefde mevrouw Sparsit geene uitgebreide voorzorgen aan te wenden om haar gewoon voorkomen te veranderen; maar zij bleef toch bij den muur van het station in de schaduw staan, trok haardoek op eene vreemde manier over hare schouders en sloeg hem over haar hoed. Zoo vermomd, was zij niet bevreesd herkend te zullen worden, toen zij insgelijks de houten trap opging en in het kantoortje haar geld betaalde. Louisa bleef in een hoek zitten wachten, mevrouw Sparsit in een anderen hoek. Beiden luisterden naar de zware donderslagen en naar den regen, die over het dak stroomde en kletterend over de goten stortte. Twee of drie lantarens waren uitgeregend en uitgewaaid, en zoo konden beiden den bliksem, die over de ijzeren sporen heen en weder speelde, zeer voordeelig zien uitkomen.Het trillen van het station, langzamerhand in een dreunend schokken overgaande, kondigde de nadering van den trein aan. Vuur, stoom, rook en rood licht; een gesis, een gekraak, een klokgelui en een gillend fluiten; Louisa stapte in een rijtuig, mevrouw Sparsit in een ander, en het kleine station was weder eene eenzame plek in den donderstorm.Hoewel de vochtige koude haar deed klappertanden, verheugde mevrouw Sparsit zich bovenmate. De gedaante was van de steilte afgestort, en zij hield als het ware de wacht bij het lijk. Kon zij, die zoo werkzaam was geweest om een statelijke begrafenis aan te leggen, minder doen dan inwendig juichen? „Zij zal lang vóór hem teCoketownzijn,” dacht mevrouw Sparsit, „al heeft hij nog zulk een goed paard. Waar zal zij hem wachten? Geduld. Wij zullen zien.”De geweldige regen veroorzaakte eene geduchte verwarring, toen de trein op de plaats zijner bestemming stilhield. Goten en waterpijpen waren gebarsten, riolen waren overgeloopen en straten stonden onder water. Terwijl zij afstapte, richtte mevrouw Sparsit hare verbijsterde oogen naar de wachtende koetsen, waarvan men zich om strijd meester wilde maken. „Zij zal in een daarvan stappen,” dacht zij, „en voort zijn eer ik haar met eene andere kan narijden. Al zou ik overreden worden, ik moet het nommer zien en hooren wat zij tegen den koetsier zegt.”Doch mevrouw Sparsit maakte eene verkeerde berekening. Louisa stapte niet in eene koets en was reeds weg. De zwarte oogen, die het spoorrijtuig, waarmede zij gekomen was, bewaakten, hadden zich een oogenblik te laat daarop gevestigd. Daar het portier na verloop van verscheidene minuten niet geopend werd, ging mevrouw Sparsit het een paar malen voorbij, zag niets, keek binnen en vond het ledig. Door en door nat,terwijl het water met elken stap, dien zij deed, uit hare doorweekte schoenen spoot, en de regen nog steeds hare classieke trekken bleef bekletteren; met een hoed, die naar eene onrijpe vijg geleek; met al hare kleederen bedorven; met vochtige indrukselen van elken knoop, ieder bandje, elk haakje en oogje op haar aanzienlijk geparenteerden rug; met een schimmelig groen, gelijk zich op een oud staketsel langs een vochtig laantje aanzet, over geheel haar uitwendigen mensch—had mevrouw Sparsit geene andere toevlucht meer dan in bittere tranen uit te barsten en te jammeren: „Ik ben haar kwijt!”

XXVII.AL LAGER EN LAGER.De gedaante daalde de groote trap af, steeds lager en lager aangetrokken, naar het scheen, gelijk een zwaar gewicht in diep water, door den zwarten afgrond beneden.Mijnheer Gradgrind onderricht van het overlijden zijner vrouw, kwam vanLondenover en begroef haar naar behooren. Daarna keerde hij met allen spoed naar de nationale aschbelt terug en ging weder aan het ziften, om de nesterijen, die hij zocht, er uit te halen, en andere lieden, die andere nesterijen zochten, het stof in de oogen te strooien—kortom, begaf zich weder aan de vervulling zijner parlementaire plichten.Ondertusschen hield mevrouw Sparsit onvermoeid de wacht. Hoewel zij de geheele week door zoo ver van hare trap verwijderd was, als de geheele lengte van den spoorweg tusschenCoketownen het buitengoed bedroeg, bleef zij toch door haar man, door haar broeder, door James Harthouse, door het adres van brieven en pakjes, door alles wat nu en dan naar de trap ging, eene katachtige waakzaamheid over Louisa uitoefenen. „Uw voet op de laatste trede, mevrouwtje,” zeide mevrouw Sparsit, de nederdalende gedaante aansprekende en met haar mofje dreigende, „en al uwe kunsten zullen mij niet verblinden.”Doch het mocht kunst of natuurlijke aanleg zijn—de oorspronkelijke aard van Louisa’s karakter, of de wijziging welke de omstandigheden daaraan hadden gegeven—hare zonderlinge achterhoudendheid stelde toch mevrouw Sparsit met al hare schranderheid teleur, terwijl hare nieuwsgierigheid daardoor nog te meer werd geprikkeld. Er waren dagen wanneer zelfs James Harthouse niet zeker van haar was. Er waren dagen, wanneer hij het gezichtje, dat hij zoo lang had bestudeerd, niet lezen kon, en die eenzame jonge vrouw een geheimzinniger raadsel voor hem was, dan eenige vrouw uit de groote wereld, door een kring van satellieten bijgestaan.Zoo verliep de tijd, tot het gebeurde dat mijnheer Bounderby van huis werd geroepen door zaken, die voor drie of vier dagen zijne tegenwoordigheid elders vorderden. Het was op een vrijdag dat hij dit aan mevrouw Sparsit op het kantoor mededeelde, en erbijvoegde: „Maar gij gaat morgen toch maar eveneens naar buiten, juffrouw. Gij gaat maar even alsof ik er ware. Dat zal geen verschil voor u maken.”„O, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „laat ik u mogen verzoeken om dat niet te zeggen. Uwe afwezigheid zal een groot verschilvoor mij maken, mijnheer, gelijk ik denk dat gij zeer wel weet.”„Wel, juffrouw, dan moet gij het in mijne afwezigheid maar zoo goed maken als gij kunt,” zeide Bounderby lang niet misnoegd.„Mijnheer Bounderby,” hervatte mevrouw Sparsit, „uw wil is mij een wet; anders zou ik wel genegen zijn mij tegen uw vriendelijk bevel te verzetten, daar ik mij niet zeker acht, of mijne komst wel zoo aangenaam voor Miss Gradgrind zal wezen, als zij voor uwe eigene milde gastvrijheid altijd geweest is. Maar ik zal er niets meer van zeggen, mijnheer. Op uwe uitnoodiging zal ik gaan.”„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, met wijd geopende oogen, „als ik u bij mij aan huis noodig, zou ik toch denken, dat gij geene andere uitnoodiging behoeft.”„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik zou ook wel denken van neen. Zeg niets meer, mijnheer. Ik wenschte maar, dat ik u weder vroolijk kon zien.”„Wat meent ge, juffrouw?” viel Bounderby uit.„Mijnheer,” antwoordde zij, „gij placht eene levendigheid van geest te hebben, die ik nu met leedwezen mis. Gij moest u wat opbeuren, mijnheer!”Op dezen raad door een medelijdenden blik aangedrongen, wist mijnheer Bounderby niets anders te doen dan op eene flauwe, belachelijke manier zijn hoofd te krabben, en naderhand zijn gevoel van eigenwaarde te handhaven, door den geheelen ochtend tegen alle ondergeschikten, die hem in den weg kwamen, uit te bulderen.„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit dien namiddag, toen haar patroon zijne reis had aanvaard, eer het kantoor gesloten werd, „ga eens mijn compliment doen aan den jongen heer Thomas, en vraag hem of hij wil bovenkomen en eene lamskarbonade met een glas oude ale gebruiken?”De jongeheer Thomas, die doorgaans voor zoo iets te vinden was, liet een gunstig antwoord terugbrengen en volgde dit zelf op de hielen.„Mijnheer Thomas,” zeide mevrouw Sparsit, „daar ik deze kleinigheid juist op tafel had, dacht ik dat ge misschien trek zoudt hebben.”„Zeker, dank je wel, mevrouw Sparsit,” antwoordde de hondsvot, en ging met sombere gretigheid aan het eten.„Hoe vaart mijnheer Harthouse, mijnheer Tom?” vroeg mevrouw Sparsit.„O, heel wel,” antwoordde Tom.„Waar zou hij tegenwoordig zijn?” vroeg mevrouw Sparsit, op een toon alsof zij maar een gezellig praatje zocht, nadat zij bij zich zelve den hondsvot, om zijn gebrek aan spraakzaamheid, aan de Furiën had gewijd.„Hij is inYorkshireaan het jagen,” antwoordde Tom. „Hij heeft Louisa gisteren eene mand met wild gezonden zoo groot als eene halve kerk.”„Hij is juist iemand,” zeide mevrouw Sparsit zeer vriendelijk, „van wien men wel zou durven wedden dat hij een knap schutter moest wezen.”„Duivelsch knap,” zeide Tom.Sedert langen tijd was Tom gewoon meestal voor zich op den grond te kijken, maar sedert kort was deze gewoonte zoozeer toegenomen, dat hij nooit meer iemand drie seconden lang in het gezicht zag. Mevrouw Sparsit had dus ruim gelegenheid om zijn uitzicht waar te nemen, indien zij daartoe genegen was.„Ik vind mijnheer Harthouse een heel pleizierig man,” zeide zij, „gelijk ook inderdaad de meeste menschen hem vinden. Zouden wij mogen hopen hem binnenkort hier te zien, Tom?”„Wel, ik denk hem morgen te zien,” antwoordde de hondsvot.„Goed nieuws!” zeide mevrouw Sparsit zeer zoetsappig.„Ik heb afspraak met hem gemaakt, om hem tegen den avond hier aan het station op te wachten,” hervatte Tom, „en zal dan met hem gaan dineeren, geloof ik. Hij zal nog in geene week op het buiten komen, want hij is ergens anders gevraagd. Hij zegt zoo ten minste, maar het zou mij niet verwonderen als hij zondag hier overbleef en dan eens naar buiten ging.”„Dat doet mij ergens aan denken,” zeide mevrouw Sparsit. „Zoudt gij eene boodschap aan uwe zuster kunnen onthouden, mijnheer Tom, als ik er een meegaf?”„Wel, ik zal het probeeren,” antwoordde de onwillige hondsvot,„als de boodschap niet te lang is.”„Het is alleen mijn eerbiedig compliment,” hervatte mevrouw Sparsit, „en dat ik vrees dat ik haar deze week niet met mijn gezelschap zal lastig vallen, daar ik nog wat zenuwachtig ben en misschien beter in mijne eenzaamheid blijf.”„O, als dat alles is,” merkte Tom aan, „zou het er niet veel op aan komen, al vergat ik het, want als Louisa u niet ziet, zal zij waarschijnlijk niet eens aan u denken.”Nadat hij zijn onthaal met dit vleiende compliment had betaald, verzonk hij weder in zijne norsche stilte, tot de gebottelde ale op was, en toen zeide hij: „Wel, mevrouw Sparsit, nu moet ik voort.” En daarmede vertrok hij.Den volgenden dag, zaterdag, zat mevrouw Sparsit den geheelen dag voor haar venster naar de beweging op straat te kijken, inzonderheid acht gevende op de brievenbestellers en allen die het kantoor uit- en ingingen, terwijl zij ondertusschen hare gedachten over allerlei dingen liet gaan, maar hare aandachtvooral op de trap gevestigd hield. Toen de avond naderde, zette zij haar hoed op, sloeg haar doek om, en ging stil uit, daar zij hare redenen had om, zich zooveel mogelijk schuilhoudende, om het station heen te dwalen, waar een passagier uitYorkshirezou aankomen, en liever achter een pilaar, uit een hoekje of uit het venster eener dames-wachtkamer te gluren, dan zich openlijk daar te laten zien.Tom was op zijn post en bleef heen en weder kuieren tot de verwachte trein aankwam. Deze bracht geen mijnheer Harthouse mede. Tom wachtte tot de menigte zich verstrooid had en het gewoel voorbij was, bekeek toen de aangeplakte lijst der treinen en raadpleegde de kruiers; en dit gedaan hebbende, stapte hij dralend heen, bleef nu en dan op straat staan om heen en weer te kijken, nam zijn hoed af en zette dien weder op, geeuwde en rekte zich uit, en vertoonde al de verschijnselen van doodelijke verveling, welke men van iemand verwachten kon, die nog moest blijven rondslenteren tot de volgende trein over een uur en veertig minuten zou aankomen.„Dit is een streek om hem uit den weg te houden,” zeide mevrouw Sparsit, van het doffe kantoorvenstertje opstaande, waarvoor zij het laatst had wacht gehouden.Deze gedachte was eene ingeving, en zij snelde heen om die ingeving te volgen. Het station van den spoorweg, die naar het buiten voerde, was aan het andere eind der stad; de tijd was kort, de weg niet gemakkelijk; maar zij was zoo vlug om eene nog ledige koets in beslag te nemen, er weder uit te springen, haar geld te passen, haar plaatsbriefje te grijpen en een rijtuig van den trein binnen te stommelen, dat zij over de bogen door het land van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen vloog, alsof zij door eene wolk opgenomen en weggevoerd was.Zoolang de reis duurde, ontwaarde zij onbeweeglijk in de lucht, maar toch nooit verflauwende, ja, even duidelijk voor de scherpe oogen van haar geest als de electrieke draden, welke de avondlucht als een kolossale strook muziekpapier linieerden, voor de oogen van haar lichaam zichtbaar waren, hare trap en de afdalende gedaante—thans zeer dicht bij den voet, op den rand van den afgrond.Een betrokken September-avond zag, juist bij het vallen van den nacht, onder zijne half gelokene oogleden, mevrouw Sparsit uit haar rijtuig stappen; de houten trap van het kleine station af- en den puinweg opgaan, een laantje inslaan en tusschen de takken en bladeren van het zomerloof verdwijnen. Een of twee nog laat wakkere vogeltjes, die slaperig in hun nestje zaten te tjilpen, eene vleermuis, die met logge vlucht om haar heen fladderde, en het schoffelen van haar eigen tred in het dikke stof, dat op het gevoel naar fluweel geleek, waren al wat mevrouw Sparsit hoorde of zag, totdat zij zeer zacht een hek achter zich sloot.Zij sloeg den weg naar het huis in, tusschen het heesterplantsoen blijvende en ging er omheen, om door de vensters der benedenverdieping binnen te kijken. De meesten daarvan stonden open, gelijk met zulk warm weder doorgaans het geval was, maar er was nog geen licht en alles was stil. Zij doorzocht den tuin met geen beter gevolg. Toen dacht zij aan het bosch, en sloop daarheen zonder zich aan het lange gras en struiken, of aan de wormen, slakken en allerlei andere kruipende dingen te storen. Met hare donkere oogen en haar haakneus voorzichtig vooruit, drong zij behoedzaam door de dichte struweelen, zoo geheel vervuld van haar doel, dat zij waarschijnlijk eveneens zou gedaan hebben al ware het bosch vol adders geweest.Luister!De vogeltjes hadden wel uit hunne nestjes kunnen tuimelen, betooverd door het glinsteren van mevrouw Sparsit’s oogen in de duisternis, toen zij bleef stilstaan om te luisteren.Zachte stemmen dichtbij. Zijne stem en de hare. De afspraak om hem op te wachten was dus inderdaad eene list om den broeder weg te houden! Daar ginds waren zij, bij dien gevelden boom!Laag bukkende tusschen het bedauwde gras, kroop mevrouw Sparsit dichter naar hen toe. Zij richtte zich op en bleef achter een boom staan, gelijk Robinson Crusoë in zijne hinderlaag tegen de wilden; zoo dichtbij, dat zij met een sprong, en dat geen grooten, beiden had kunnen aanraken. Hij was daar heimelijk gekomen en had zich niet aan huis vertoond. Hij was te paard gekomen, en moest door de naburige velden zijn gereden, want zijn paard was op weinige schreden afstands buiten aan het staketsel gebonden.„Mijn liefste lief,” zeide hij, „wat kon ik doen? Toen ik wist dat gij alleen waart, was het toen mogelijk dat ik kon wegblijven?”„Ja, gij moogt uw hoofd wel laten hangen om u meer aantrekkelijk te maken; ik weet niet wat zij aan u zien als gij het ophoudt,” dacht mevrouw Sparsit, „maar gij denkt weinig, mijn liefste lief, wie u in het oog houdt!”Dat zij haar hoofd liet hangen, was zeker. Zij drong hem om heen te gaan; zij beval hem heen te gaan; maar zij keerde haar gezicht niet naar hem toe, hief het zelfs niet op. En toch was het opmerkelijk, dat zij zoo stil zat als de goede vrouw in de hinderlaag haar ooit had zien zitten. Hare handen lagen in elkander, gelijk de handen van een steenen beeld; en zelfs hare manier van spreken was niet haastig.„Kindlief,” zeide Harthouse (mevrouw Sparsit zag met verrukking, dat hij zijn arm om haar heen sloeg), „wilt ge dan mijn gezelschap niet een kort poosje dulden?”„Hier niet.”„Waar dan, Louisa?”„Hier niet.”„Maar wij hebben zoo weinig tijd om ons ten nutte te maken, en ik ben zoo ver gekomen, en ben zoo onrustig en verlangend. Nooit werd een slaaf, zoo getrouw en onderdanig, zoo door zijne meesteres mishandeld. Uwe vroolijke welkomst te verwachten, die mij levenswarmte heeft gegeven, en zulk eene ijskoude ontvangst te vinden, is hartverscheurend.”„Moet ik nog eens zeggen, dat ik hier alleen gelaten moet worden?”„Maar wij moeten elkander wederzien, dierbare Louisa. Waar zullen wij elkander spreken?”Beiden schrikten. De luisteraarster schrikte insgelijks, want zij dacht, dat er nog iemand anders tusschen de boomen stond te luisteren. Het was slechts de regen, die met zware droppels begon te vallen.„Zal ik zoo straks naar het huis rijden, in de eenvoudige meening, dat de meester thuis en verheugd zal zijn mij te zien?”„Neen.”„Uwe wreede bevelen moeten onvoorwaardelijk gehoorzaamd worden; hoewel ik, naar mij dunkt, de ongelukkigste man van de wereld ben, dat ik voor alle andere vrouwen ongevoelig ben gebleven, en eindelijk neergevallen ben voor en onder den voet van de schoonste, de innemendste en de heerschzuchtigste van allen. Dierbare Louisa, ik kan niet heengaan, of u laten gaan, terwijl gij uwe macht zoo onbarmhartig misbruikt.”Mevrouw Sparsit zag hoe hij haar met den arm, die haar omringde, vasthield, en hoorde hoe hij voor hare (mevrouw Sparsit’s) gretig luisterende ooren verklaarde dat hij haar beminde, en dat zij de prijs was, waarvoor hij vurig verlangde al wat hij op de wereld bezat en het leven hem aanbood te verspelen. Het doel, waarnaar hij in den jongsten tijd had gestreefd, verloor, bij haar vergeleken, alle waarde; de zegepraal, die bijna in zijn bereik was, wierp hij om harentwil als eene ellendige beuzeling weg. Evenwel, dat doel te vervolgen, als het hem in hare nabijheid hield, of er van af te zien als het hem van haar verwijderde, of de vlucht, wanneer zij daarin deelde, of geheimhouding, wanneer zij hem die gebood, of welk lot het ook wezen mocht, alles was hem onverschillig, als zij hem maar trouw bleef—den man, die gezien had hoe eenzaam zij was en hoe weinig gewaardeerd, wien zij bij hunne eerste ontmoeting eene bewondering en belangstelling inboezemde, waartoe hij zich zelven buiten staat had geacht, wien zij in haar vertrouwen had genomen, die geheel aan haar was toegewijd en haar aanbad. Dit alles en meer, haastig en zacht gesproken, hoorde mevrouw Sparsit aan in de bedwelming harer bevredigde boosheid, onder den indruk der vrees van ontdekt te worden, en onder het toenemende gedruisch van den regen tusschen het gebladerte en van eene naderende onweersbui; en zoo verward en onduidelijk moest alles daardoor voor haar worden, dat zij, toen hij eindelijk het staketsel overklom en zijn paard aan de hand heenleidde, niet zeker wist waar zij elkander zouden opwachten of wanneer, behalve dat hij gezegd had dat het dien nacht zou zijn.Doch een van hen bleef nog binnen haar bereik in de duisternis, en zoolang zij deze in het oog hield, moest zij op den rechten weg zijn. „O mijn liefste lief,” dacht mevrouw Sparsit, „weinig denkt gij hoe goed er op u gepast wordt.”Mevrouw Sparsit volgde haar het bosch uit en zag haar het huis binnengaan. Wat verder te doen? Het stortregende nu. Mevrouw Sparsit’s witte kousen hadden allerlei kleuren aangenomen, waaronder het groen den boventoon had; er waren stekelige dingen in hare schoenen geraakt; rupsen hingen in hangmatten van eigen maaksel aan verschillende deelen harer kleeding te wiegelen; beekjes liepen langs haar hoed en haar Romeinschen neus af. In zulk een toestand stond mevrouw Sparsit in het dichtst van het heesterplantsoen verborgen en overwoog wat nu te doen.Zie, daar komt Louisa het huis uit. Haastig, in een mantel gewikkeld, sluipt zij heen. Zij neemt met haar minnaar de vlucht! Zij valt van de laagste trede en wordt door den afgrond verzwolgen!Onverschillig voor den regen en met snelle en vaste schreden voorstappende, sloeg zij een zijpad in, dat evenwijdig met de oprijlaan liep. Mevrouw Sparsit volgde haar tusschen het geboomte op zeer korten afstand; want het was niet gemakkelijk eene gedaante, die zich snel door de beschaduwde duisternis bewoog, in het oog te houden.Toen zij bleef stilstaan om het zijhekje zonder gerucht te sluiten, stond mevrouw Sparsit ook stil. Toen zij weder voortstapte, stapte mevrouw Sparsit insgelijks voort. Louisa volgde den weg, dien mevrouw Sparsit gekomen was, ging het groene laantje door, den puinweg over en de houten trap van het station op. Een trein naarCoketownzou spoedig voorbijkomen, dit wist mevrouw Sparsit, en zij begreep dus, datCoketownhare eerste plaats van bestemming was.Druipnat en gehavend als zij was, behoefde mevrouw Sparsit geene uitgebreide voorzorgen aan te wenden om haar gewoon voorkomen te veranderen; maar zij bleef toch bij den muur van het station in de schaduw staan, trok haardoek op eene vreemde manier over hare schouders en sloeg hem over haar hoed. Zoo vermomd, was zij niet bevreesd herkend te zullen worden, toen zij insgelijks de houten trap opging en in het kantoortje haar geld betaalde. Louisa bleef in een hoek zitten wachten, mevrouw Sparsit in een anderen hoek. Beiden luisterden naar de zware donderslagen en naar den regen, die over het dak stroomde en kletterend over de goten stortte. Twee of drie lantarens waren uitgeregend en uitgewaaid, en zoo konden beiden den bliksem, die over de ijzeren sporen heen en weder speelde, zeer voordeelig zien uitkomen.Het trillen van het station, langzamerhand in een dreunend schokken overgaande, kondigde de nadering van den trein aan. Vuur, stoom, rook en rood licht; een gesis, een gekraak, een klokgelui en een gillend fluiten; Louisa stapte in een rijtuig, mevrouw Sparsit in een ander, en het kleine station was weder eene eenzame plek in den donderstorm.Hoewel de vochtige koude haar deed klappertanden, verheugde mevrouw Sparsit zich bovenmate. De gedaante was van de steilte afgestort, en zij hield als het ware de wacht bij het lijk. Kon zij, die zoo werkzaam was geweest om een statelijke begrafenis aan te leggen, minder doen dan inwendig juichen? „Zij zal lang vóór hem teCoketownzijn,” dacht mevrouw Sparsit, „al heeft hij nog zulk een goed paard. Waar zal zij hem wachten? Geduld. Wij zullen zien.”De geweldige regen veroorzaakte eene geduchte verwarring, toen de trein op de plaats zijner bestemming stilhield. Goten en waterpijpen waren gebarsten, riolen waren overgeloopen en straten stonden onder water. Terwijl zij afstapte, richtte mevrouw Sparsit hare verbijsterde oogen naar de wachtende koetsen, waarvan men zich om strijd meester wilde maken. „Zij zal in een daarvan stappen,” dacht zij, „en voort zijn eer ik haar met eene andere kan narijden. Al zou ik overreden worden, ik moet het nommer zien en hooren wat zij tegen den koetsier zegt.”Doch mevrouw Sparsit maakte eene verkeerde berekening. Louisa stapte niet in eene koets en was reeds weg. De zwarte oogen, die het spoorrijtuig, waarmede zij gekomen was, bewaakten, hadden zich een oogenblik te laat daarop gevestigd. Daar het portier na verloop van verscheidene minuten niet geopend werd, ging mevrouw Sparsit het een paar malen voorbij, zag niets, keek binnen en vond het ledig. Door en door nat,terwijl het water met elken stap, dien zij deed, uit hare doorweekte schoenen spoot, en de regen nog steeds hare classieke trekken bleef bekletteren; met een hoed, die naar eene onrijpe vijg geleek; met al hare kleederen bedorven; met vochtige indrukselen van elken knoop, ieder bandje, elk haakje en oogje op haar aanzienlijk geparenteerden rug; met een schimmelig groen, gelijk zich op een oud staketsel langs een vochtig laantje aanzet, over geheel haar uitwendigen mensch—had mevrouw Sparsit geene andere toevlucht meer dan in bittere tranen uit te barsten en te jammeren: „Ik ben haar kwijt!”

XXVII.AL LAGER EN LAGER.

De gedaante daalde de groote trap af, steeds lager en lager aangetrokken, naar het scheen, gelijk een zwaar gewicht in diep water, door den zwarten afgrond beneden.Mijnheer Gradgrind onderricht van het overlijden zijner vrouw, kwam vanLondenover en begroef haar naar behooren. Daarna keerde hij met allen spoed naar de nationale aschbelt terug en ging weder aan het ziften, om de nesterijen, die hij zocht, er uit te halen, en andere lieden, die andere nesterijen zochten, het stof in de oogen te strooien—kortom, begaf zich weder aan de vervulling zijner parlementaire plichten.Ondertusschen hield mevrouw Sparsit onvermoeid de wacht. Hoewel zij de geheele week door zoo ver van hare trap verwijderd was, als de geheele lengte van den spoorweg tusschenCoketownen het buitengoed bedroeg, bleef zij toch door haar man, door haar broeder, door James Harthouse, door het adres van brieven en pakjes, door alles wat nu en dan naar de trap ging, eene katachtige waakzaamheid over Louisa uitoefenen. „Uw voet op de laatste trede, mevrouwtje,” zeide mevrouw Sparsit, de nederdalende gedaante aansprekende en met haar mofje dreigende, „en al uwe kunsten zullen mij niet verblinden.”Doch het mocht kunst of natuurlijke aanleg zijn—de oorspronkelijke aard van Louisa’s karakter, of de wijziging welke de omstandigheden daaraan hadden gegeven—hare zonderlinge achterhoudendheid stelde toch mevrouw Sparsit met al hare schranderheid teleur, terwijl hare nieuwsgierigheid daardoor nog te meer werd geprikkeld. Er waren dagen wanneer zelfs James Harthouse niet zeker van haar was. Er waren dagen, wanneer hij het gezichtje, dat hij zoo lang had bestudeerd, niet lezen kon, en die eenzame jonge vrouw een geheimzinniger raadsel voor hem was, dan eenige vrouw uit de groote wereld, door een kring van satellieten bijgestaan.Zoo verliep de tijd, tot het gebeurde dat mijnheer Bounderby van huis werd geroepen door zaken, die voor drie of vier dagen zijne tegenwoordigheid elders vorderden. Het was op een vrijdag dat hij dit aan mevrouw Sparsit op het kantoor mededeelde, en erbijvoegde: „Maar gij gaat morgen toch maar eveneens naar buiten, juffrouw. Gij gaat maar even alsof ik er ware. Dat zal geen verschil voor u maken.”„O, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „laat ik u mogen verzoeken om dat niet te zeggen. Uwe afwezigheid zal een groot verschilvoor mij maken, mijnheer, gelijk ik denk dat gij zeer wel weet.”„Wel, juffrouw, dan moet gij het in mijne afwezigheid maar zoo goed maken als gij kunt,” zeide Bounderby lang niet misnoegd.„Mijnheer Bounderby,” hervatte mevrouw Sparsit, „uw wil is mij een wet; anders zou ik wel genegen zijn mij tegen uw vriendelijk bevel te verzetten, daar ik mij niet zeker acht, of mijne komst wel zoo aangenaam voor Miss Gradgrind zal wezen, als zij voor uwe eigene milde gastvrijheid altijd geweest is. Maar ik zal er niets meer van zeggen, mijnheer. Op uwe uitnoodiging zal ik gaan.”„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, met wijd geopende oogen, „als ik u bij mij aan huis noodig, zou ik toch denken, dat gij geene andere uitnoodiging behoeft.”„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik zou ook wel denken van neen. Zeg niets meer, mijnheer. Ik wenschte maar, dat ik u weder vroolijk kon zien.”„Wat meent ge, juffrouw?” viel Bounderby uit.„Mijnheer,” antwoordde zij, „gij placht eene levendigheid van geest te hebben, die ik nu met leedwezen mis. Gij moest u wat opbeuren, mijnheer!”Op dezen raad door een medelijdenden blik aangedrongen, wist mijnheer Bounderby niets anders te doen dan op eene flauwe, belachelijke manier zijn hoofd te krabben, en naderhand zijn gevoel van eigenwaarde te handhaven, door den geheelen ochtend tegen alle ondergeschikten, die hem in den weg kwamen, uit te bulderen.„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit dien namiddag, toen haar patroon zijne reis had aanvaard, eer het kantoor gesloten werd, „ga eens mijn compliment doen aan den jongen heer Thomas, en vraag hem of hij wil bovenkomen en eene lamskarbonade met een glas oude ale gebruiken?”De jongeheer Thomas, die doorgaans voor zoo iets te vinden was, liet een gunstig antwoord terugbrengen en volgde dit zelf op de hielen.„Mijnheer Thomas,” zeide mevrouw Sparsit, „daar ik deze kleinigheid juist op tafel had, dacht ik dat ge misschien trek zoudt hebben.”„Zeker, dank je wel, mevrouw Sparsit,” antwoordde de hondsvot, en ging met sombere gretigheid aan het eten.„Hoe vaart mijnheer Harthouse, mijnheer Tom?” vroeg mevrouw Sparsit.„O, heel wel,” antwoordde Tom.„Waar zou hij tegenwoordig zijn?” vroeg mevrouw Sparsit, op een toon alsof zij maar een gezellig praatje zocht, nadat zij bij zich zelve den hondsvot, om zijn gebrek aan spraakzaamheid, aan de Furiën had gewijd.„Hij is inYorkshireaan het jagen,” antwoordde Tom. „Hij heeft Louisa gisteren eene mand met wild gezonden zoo groot als eene halve kerk.”„Hij is juist iemand,” zeide mevrouw Sparsit zeer vriendelijk, „van wien men wel zou durven wedden dat hij een knap schutter moest wezen.”„Duivelsch knap,” zeide Tom.Sedert langen tijd was Tom gewoon meestal voor zich op den grond te kijken, maar sedert kort was deze gewoonte zoozeer toegenomen, dat hij nooit meer iemand drie seconden lang in het gezicht zag. Mevrouw Sparsit had dus ruim gelegenheid om zijn uitzicht waar te nemen, indien zij daartoe genegen was.„Ik vind mijnheer Harthouse een heel pleizierig man,” zeide zij, „gelijk ook inderdaad de meeste menschen hem vinden. Zouden wij mogen hopen hem binnenkort hier te zien, Tom?”„Wel, ik denk hem morgen te zien,” antwoordde de hondsvot.„Goed nieuws!” zeide mevrouw Sparsit zeer zoetsappig.„Ik heb afspraak met hem gemaakt, om hem tegen den avond hier aan het station op te wachten,” hervatte Tom, „en zal dan met hem gaan dineeren, geloof ik. Hij zal nog in geene week op het buiten komen, want hij is ergens anders gevraagd. Hij zegt zoo ten minste, maar het zou mij niet verwonderen als hij zondag hier overbleef en dan eens naar buiten ging.”„Dat doet mij ergens aan denken,” zeide mevrouw Sparsit. „Zoudt gij eene boodschap aan uwe zuster kunnen onthouden, mijnheer Tom, als ik er een meegaf?”„Wel, ik zal het probeeren,” antwoordde de onwillige hondsvot,„als de boodschap niet te lang is.”„Het is alleen mijn eerbiedig compliment,” hervatte mevrouw Sparsit, „en dat ik vrees dat ik haar deze week niet met mijn gezelschap zal lastig vallen, daar ik nog wat zenuwachtig ben en misschien beter in mijne eenzaamheid blijf.”„O, als dat alles is,” merkte Tom aan, „zou het er niet veel op aan komen, al vergat ik het, want als Louisa u niet ziet, zal zij waarschijnlijk niet eens aan u denken.”Nadat hij zijn onthaal met dit vleiende compliment had betaald, verzonk hij weder in zijne norsche stilte, tot de gebottelde ale op was, en toen zeide hij: „Wel, mevrouw Sparsit, nu moet ik voort.” En daarmede vertrok hij.Den volgenden dag, zaterdag, zat mevrouw Sparsit den geheelen dag voor haar venster naar de beweging op straat te kijken, inzonderheid acht gevende op de brievenbestellers en allen die het kantoor uit- en ingingen, terwijl zij ondertusschen hare gedachten over allerlei dingen liet gaan, maar hare aandachtvooral op de trap gevestigd hield. Toen de avond naderde, zette zij haar hoed op, sloeg haar doek om, en ging stil uit, daar zij hare redenen had om, zich zooveel mogelijk schuilhoudende, om het station heen te dwalen, waar een passagier uitYorkshirezou aankomen, en liever achter een pilaar, uit een hoekje of uit het venster eener dames-wachtkamer te gluren, dan zich openlijk daar te laten zien.Tom was op zijn post en bleef heen en weder kuieren tot de verwachte trein aankwam. Deze bracht geen mijnheer Harthouse mede. Tom wachtte tot de menigte zich verstrooid had en het gewoel voorbij was, bekeek toen de aangeplakte lijst der treinen en raadpleegde de kruiers; en dit gedaan hebbende, stapte hij dralend heen, bleef nu en dan op straat staan om heen en weer te kijken, nam zijn hoed af en zette dien weder op, geeuwde en rekte zich uit, en vertoonde al de verschijnselen van doodelijke verveling, welke men van iemand verwachten kon, die nog moest blijven rondslenteren tot de volgende trein over een uur en veertig minuten zou aankomen.„Dit is een streek om hem uit den weg te houden,” zeide mevrouw Sparsit, van het doffe kantoorvenstertje opstaande, waarvoor zij het laatst had wacht gehouden.Deze gedachte was eene ingeving, en zij snelde heen om die ingeving te volgen. Het station van den spoorweg, die naar het buiten voerde, was aan het andere eind der stad; de tijd was kort, de weg niet gemakkelijk; maar zij was zoo vlug om eene nog ledige koets in beslag te nemen, er weder uit te springen, haar geld te passen, haar plaatsbriefje te grijpen en een rijtuig van den trein binnen te stommelen, dat zij over de bogen door het land van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen vloog, alsof zij door eene wolk opgenomen en weggevoerd was.Zoolang de reis duurde, ontwaarde zij onbeweeglijk in de lucht, maar toch nooit verflauwende, ja, even duidelijk voor de scherpe oogen van haar geest als de electrieke draden, welke de avondlucht als een kolossale strook muziekpapier linieerden, voor de oogen van haar lichaam zichtbaar waren, hare trap en de afdalende gedaante—thans zeer dicht bij den voet, op den rand van den afgrond.Een betrokken September-avond zag, juist bij het vallen van den nacht, onder zijne half gelokene oogleden, mevrouw Sparsit uit haar rijtuig stappen; de houten trap van het kleine station af- en den puinweg opgaan, een laantje inslaan en tusschen de takken en bladeren van het zomerloof verdwijnen. Een of twee nog laat wakkere vogeltjes, die slaperig in hun nestje zaten te tjilpen, eene vleermuis, die met logge vlucht om haar heen fladderde, en het schoffelen van haar eigen tred in het dikke stof, dat op het gevoel naar fluweel geleek, waren al wat mevrouw Sparsit hoorde of zag, totdat zij zeer zacht een hek achter zich sloot.Zij sloeg den weg naar het huis in, tusschen het heesterplantsoen blijvende en ging er omheen, om door de vensters der benedenverdieping binnen te kijken. De meesten daarvan stonden open, gelijk met zulk warm weder doorgaans het geval was, maar er was nog geen licht en alles was stil. Zij doorzocht den tuin met geen beter gevolg. Toen dacht zij aan het bosch, en sloop daarheen zonder zich aan het lange gras en struiken, of aan de wormen, slakken en allerlei andere kruipende dingen te storen. Met hare donkere oogen en haar haakneus voorzichtig vooruit, drong zij behoedzaam door de dichte struweelen, zoo geheel vervuld van haar doel, dat zij waarschijnlijk eveneens zou gedaan hebben al ware het bosch vol adders geweest.Luister!De vogeltjes hadden wel uit hunne nestjes kunnen tuimelen, betooverd door het glinsteren van mevrouw Sparsit’s oogen in de duisternis, toen zij bleef stilstaan om te luisteren.Zachte stemmen dichtbij. Zijne stem en de hare. De afspraak om hem op te wachten was dus inderdaad eene list om den broeder weg te houden! Daar ginds waren zij, bij dien gevelden boom!Laag bukkende tusschen het bedauwde gras, kroop mevrouw Sparsit dichter naar hen toe. Zij richtte zich op en bleef achter een boom staan, gelijk Robinson Crusoë in zijne hinderlaag tegen de wilden; zoo dichtbij, dat zij met een sprong, en dat geen grooten, beiden had kunnen aanraken. Hij was daar heimelijk gekomen en had zich niet aan huis vertoond. Hij was te paard gekomen, en moest door de naburige velden zijn gereden, want zijn paard was op weinige schreden afstands buiten aan het staketsel gebonden.„Mijn liefste lief,” zeide hij, „wat kon ik doen? Toen ik wist dat gij alleen waart, was het toen mogelijk dat ik kon wegblijven?”„Ja, gij moogt uw hoofd wel laten hangen om u meer aantrekkelijk te maken; ik weet niet wat zij aan u zien als gij het ophoudt,” dacht mevrouw Sparsit, „maar gij denkt weinig, mijn liefste lief, wie u in het oog houdt!”Dat zij haar hoofd liet hangen, was zeker. Zij drong hem om heen te gaan; zij beval hem heen te gaan; maar zij keerde haar gezicht niet naar hem toe, hief het zelfs niet op. En toch was het opmerkelijk, dat zij zoo stil zat als de goede vrouw in de hinderlaag haar ooit had zien zitten. Hare handen lagen in elkander, gelijk de handen van een steenen beeld; en zelfs hare manier van spreken was niet haastig.„Kindlief,” zeide Harthouse (mevrouw Sparsit zag met verrukking, dat hij zijn arm om haar heen sloeg), „wilt ge dan mijn gezelschap niet een kort poosje dulden?”„Hier niet.”„Waar dan, Louisa?”„Hier niet.”„Maar wij hebben zoo weinig tijd om ons ten nutte te maken, en ik ben zoo ver gekomen, en ben zoo onrustig en verlangend. Nooit werd een slaaf, zoo getrouw en onderdanig, zoo door zijne meesteres mishandeld. Uwe vroolijke welkomst te verwachten, die mij levenswarmte heeft gegeven, en zulk eene ijskoude ontvangst te vinden, is hartverscheurend.”„Moet ik nog eens zeggen, dat ik hier alleen gelaten moet worden?”„Maar wij moeten elkander wederzien, dierbare Louisa. Waar zullen wij elkander spreken?”Beiden schrikten. De luisteraarster schrikte insgelijks, want zij dacht, dat er nog iemand anders tusschen de boomen stond te luisteren. Het was slechts de regen, die met zware droppels begon te vallen.„Zal ik zoo straks naar het huis rijden, in de eenvoudige meening, dat de meester thuis en verheugd zal zijn mij te zien?”„Neen.”„Uwe wreede bevelen moeten onvoorwaardelijk gehoorzaamd worden; hoewel ik, naar mij dunkt, de ongelukkigste man van de wereld ben, dat ik voor alle andere vrouwen ongevoelig ben gebleven, en eindelijk neergevallen ben voor en onder den voet van de schoonste, de innemendste en de heerschzuchtigste van allen. Dierbare Louisa, ik kan niet heengaan, of u laten gaan, terwijl gij uwe macht zoo onbarmhartig misbruikt.”Mevrouw Sparsit zag hoe hij haar met den arm, die haar omringde, vasthield, en hoorde hoe hij voor hare (mevrouw Sparsit’s) gretig luisterende ooren verklaarde dat hij haar beminde, en dat zij de prijs was, waarvoor hij vurig verlangde al wat hij op de wereld bezat en het leven hem aanbood te verspelen. Het doel, waarnaar hij in den jongsten tijd had gestreefd, verloor, bij haar vergeleken, alle waarde; de zegepraal, die bijna in zijn bereik was, wierp hij om harentwil als eene ellendige beuzeling weg. Evenwel, dat doel te vervolgen, als het hem in hare nabijheid hield, of er van af te zien als het hem van haar verwijderde, of de vlucht, wanneer zij daarin deelde, of geheimhouding, wanneer zij hem die gebood, of welk lot het ook wezen mocht, alles was hem onverschillig, als zij hem maar trouw bleef—den man, die gezien had hoe eenzaam zij was en hoe weinig gewaardeerd, wien zij bij hunne eerste ontmoeting eene bewondering en belangstelling inboezemde, waartoe hij zich zelven buiten staat had geacht, wien zij in haar vertrouwen had genomen, die geheel aan haar was toegewijd en haar aanbad. Dit alles en meer, haastig en zacht gesproken, hoorde mevrouw Sparsit aan in de bedwelming harer bevredigde boosheid, onder den indruk der vrees van ontdekt te worden, en onder het toenemende gedruisch van den regen tusschen het gebladerte en van eene naderende onweersbui; en zoo verward en onduidelijk moest alles daardoor voor haar worden, dat zij, toen hij eindelijk het staketsel overklom en zijn paard aan de hand heenleidde, niet zeker wist waar zij elkander zouden opwachten of wanneer, behalve dat hij gezegd had dat het dien nacht zou zijn.Doch een van hen bleef nog binnen haar bereik in de duisternis, en zoolang zij deze in het oog hield, moest zij op den rechten weg zijn. „O mijn liefste lief,” dacht mevrouw Sparsit, „weinig denkt gij hoe goed er op u gepast wordt.”Mevrouw Sparsit volgde haar het bosch uit en zag haar het huis binnengaan. Wat verder te doen? Het stortregende nu. Mevrouw Sparsit’s witte kousen hadden allerlei kleuren aangenomen, waaronder het groen den boventoon had; er waren stekelige dingen in hare schoenen geraakt; rupsen hingen in hangmatten van eigen maaksel aan verschillende deelen harer kleeding te wiegelen; beekjes liepen langs haar hoed en haar Romeinschen neus af. In zulk een toestand stond mevrouw Sparsit in het dichtst van het heesterplantsoen verborgen en overwoog wat nu te doen.Zie, daar komt Louisa het huis uit. Haastig, in een mantel gewikkeld, sluipt zij heen. Zij neemt met haar minnaar de vlucht! Zij valt van de laagste trede en wordt door den afgrond verzwolgen!Onverschillig voor den regen en met snelle en vaste schreden voorstappende, sloeg zij een zijpad in, dat evenwijdig met de oprijlaan liep. Mevrouw Sparsit volgde haar tusschen het geboomte op zeer korten afstand; want het was niet gemakkelijk eene gedaante, die zich snel door de beschaduwde duisternis bewoog, in het oog te houden.Toen zij bleef stilstaan om het zijhekje zonder gerucht te sluiten, stond mevrouw Sparsit ook stil. Toen zij weder voortstapte, stapte mevrouw Sparsit insgelijks voort. Louisa volgde den weg, dien mevrouw Sparsit gekomen was, ging het groene laantje door, den puinweg over en de houten trap van het station op. Een trein naarCoketownzou spoedig voorbijkomen, dit wist mevrouw Sparsit, en zij begreep dus, datCoketownhare eerste plaats van bestemming was.Druipnat en gehavend als zij was, behoefde mevrouw Sparsit geene uitgebreide voorzorgen aan te wenden om haar gewoon voorkomen te veranderen; maar zij bleef toch bij den muur van het station in de schaduw staan, trok haardoek op eene vreemde manier over hare schouders en sloeg hem over haar hoed. Zoo vermomd, was zij niet bevreesd herkend te zullen worden, toen zij insgelijks de houten trap opging en in het kantoortje haar geld betaalde. Louisa bleef in een hoek zitten wachten, mevrouw Sparsit in een anderen hoek. Beiden luisterden naar de zware donderslagen en naar den regen, die over het dak stroomde en kletterend over de goten stortte. Twee of drie lantarens waren uitgeregend en uitgewaaid, en zoo konden beiden den bliksem, die over de ijzeren sporen heen en weder speelde, zeer voordeelig zien uitkomen.Het trillen van het station, langzamerhand in een dreunend schokken overgaande, kondigde de nadering van den trein aan. Vuur, stoom, rook en rood licht; een gesis, een gekraak, een klokgelui en een gillend fluiten; Louisa stapte in een rijtuig, mevrouw Sparsit in een ander, en het kleine station was weder eene eenzame plek in den donderstorm.Hoewel de vochtige koude haar deed klappertanden, verheugde mevrouw Sparsit zich bovenmate. De gedaante was van de steilte afgestort, en zij hield als het ware de wacht bij het lijk. Kon zij, die zoo werkzaam was geweest om een statelijke begrafenis aan te leggen, minder doen dan inwendig juichen? „Zij zal lang vóór hem teCoketownzijn,” dacht mevrouw Sparsit, „al heeft hij nog zulk een goed paard. Waar zal zij hem wachten? Geduld. Wij zullen zien.”De geweldige regen veroorzaakte eene geduchte verwarring, toen de trein op de plaats zijner bestemming stilhield. Goten en waterpijpen waren gebarsten, riolen waren overgeloopen en straten stonden onder water. Terwijl zij afstapte, richtte mevrouw Sparsit hare verbijsterde oogen naar de wachtende koetsen, waarvan men zich om strijd meester wilde maken. „Zij zal in een daarvan stappen,” dacht zij, „en voort zijn eer ik haar met eene andere kan narijden. Al zou ik overreden worden, ik moet het nommer zien en hooren wat zij tegen den koetsier zegt.”Doch mevrouw Sparsit maakte eene verkeerde berekening. Louisa stapte niet in eene koets en was reeds weg. De zwarte oogen, die het spoorrijtuig, waarmede zij gekomen was, bewaakten, hadden zich een oogenblik te laat daarop gevestigd. Daar het portier na verloop van verscheidene minuten niet geopend werd, ging mevrouw Sparsit het een paar malen voorbij, zag niets, keek binnen en vond het ledig. Door en door nat,terwijl het water met elken stap, dien zij deed, uit hare doorweekte schoenen spoot, en de regen nog steeds hare classieke trekken bleef bekletteren; met een hoed, die naar eene onrijpe vijg geleek; met al hare kleederen bedorven; met vochtige indrukselen van elken knoop, ieder bandje, elk haakje en oogje op haar aanzienlijk geparenteerden rug; met een schimmelig groen, gelijk zich op een oud staketsel langs een vochtig laantje aanzet, over geheel haar uitwendigen mensch—had mevrouw Sparsit geene andere toevlucht meer dan in bittere tranen uit te barsten en te jammeren: „Ik ben haar kwijt!”

De gedaante daalde de groote trap af, steeds lager en lager aangetrokken, naar het scheen, gelijk een zwaar gewicht in diep water, door den zwarten afgrond beneden.

Mijnheer Gradgrind onderricht van het overlijden zijner vrouw, kwam vanLondenover en begroef haar naar behooren. Daarna keerde hij met allen spoed naar de nationale aschbelt terug en ging weder aan het ziften, om de nesterijen, die hij zocht, er uit te halen, en andere lieden, die andere nesterijen zochten, het stof in de oogen te strooien—kortom, begaf zich weder aan de vervulling zijner parlementaire plichten.

Ondertusschen hield mevrouw Sparsit onvermoeid de wacht. Hoewel zij de geheele week door zoo ver van hare trap verwijderd was, als de geheele lengte van den spoorweg tusschenCoketownen het buitengoed bedroeg, bleef zij toch door haar man, door haar broeder, door James Harthouse, door het adres van brieven en pakjes, door alles wat nu en dan naar de trap ging, eene katachtige waakzaamheid over Louisa uitoefenen. „Uw voet op de laatste trede, mevrouwtje,” zeide mevrouw Sparsit, de nederdalende gedaante aansprekende en met haar mofje dreigende, „en al uwe kunsten zullen mij niet verblinden.”

Doch het mocht kunst of natuurlijke aanleg zijn—de oorspronkelijke aard van Louisa’s karakter, of de wijziging welke de omstandigheden daaraan hadden gegeven—hare zonderlinge achterhoudendheid stelde toch mevrouw Sparsit met al hare schranderheid teleur, terwijl hare nieuwsgierigheid daardoor nog te meer werd geprikkeld. Er waren dagen wanneer zelfs James Harthouse niet zeker van haar was. Er waren dagen, wanneer hij het gezichtje, dat hij zoo lang had bestudeerd, niet lezen kon, en die eenzame jonge vrouw een geheimzinniger raadsel voor hem was, dan eenige vrouw uit de groote wereld, door een kring van satellieten bijgestaan.

Zoo verliep de tijd, tot het gebeurde dat mijnheer Bounderby van huis werd geroepen door zaken, die voor drie of vier dagen zijne tegenwoordigheid elders vorderden. Het was op een vrijdag dat hij dit aan mevrouw Sparsit op het kantoor mededeelde, en erbijvoegde: „Maar gij gaat morgen toch maar eveneens naar buiten, juffrouw. Gij gaat maar even alsof ik er ware. Dat zal geen verschil voor u maken.”

„O, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „laat ik u mogen verzoeken om dat niet te zeggen. Uwe afwezigheid zal een groot verschilvoor mij maken, mijnheer, gelijk ik denk dat gij zeer wel weet.”

„Wel, juffrouw, dan moet gij het in mijne afwezigheid maar zoo goed maken als gij kunt,” zeide Bounderby lang niet misnoegd.

„Mijnheer Bounderby,” hervatte mevrouw Sparsit, „uw wil is mij een wet; anders zou ik wel genegen zijn mij tegen uw vriendelijk bevel te verzetten, daar ik mij niet zeker acht, of mijne komst wel zoo aangenaam voor Miss Gradgrind zal wezen, als zij voor uwe eigene milde gastvrijheid altijd geweest is. Maar ik zal er niets meer van zeggen, mijnheer. Op uwe uitnoodiging zal ik gaan.”

„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, met wijd geopende oogen, „als ik u bij mij aan huis noodig, zou ik toch denken, dat gij geene andere uitnoodiging behoeft.”

„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „ik zou ook wel denken van neen. Zeg niets meer, mijnheer. Ik wenschte maar, dat ik u weder vroolijk kon zien.”

„Wat meent ge, juffrouw?” viel Bounderby uit.

„Mijnheer,” antwoordde zij, „gij placht eene levendigheid van geest te hebben, die ik nu met leedwezen mis. Gij moest u wat opbeuren, mijnheer!”

Op dezen raad door een medelijdenden blik aangedrongen, wist mijnheer Bounderby niets anders te doen dan op eene flauwe, belachelijke manier zijn hoofd te krabben, en naderhand zijn gevoel van eigenwaarde te handhaven, door den geheelen ochtend tegen alle ondergeschikten, die hem in den weg kwamen, uit te bulderen.

„Bitzer,” zeide mevrouw Sparsit dien namiddag, toen haar patroon zijne reis had aanvaard, eer het kantoor gesloten werd, „ga eens mijn compliment doen aan den jongen heer Thomas, en vraag hem of hij wil bovenkomen en eene lamskarbonade met een glas oude ale gebruiken?”

De jongeheer Thomas, die doorgaans voor zoo iets te vinden was, liet een gunstig antwoord terugbrengen en volgde dit zelf op de hielen.

„Mijnheer Thomas,” zeide mevrouw Sparsit, „daar ik deze kleinigheid juist op tafel had, dacht ik dat ge misschien trek zoudt hebben.”

„Zeker, dank je wel, mevrouw Sparsit,” antwoordde de hondsvot, en ging met sombere gretigheid aan het eten.

„Hoe vaart mijnheer Harthouse, mijnheer Tom?” vroeg mevrouw Sparsit.

„O, heel wel,” antwoordde Tom.

„Waar zou hij tegenwoordig zijn?” vroeg mevrouw Sparsit, op een toon alsof zij maar een gezellig praatje zocht, nadat zij bij zich zelve den hondsvot, om zijn gebrek aan spraakzaamheid, aan de Furiën had gewijd.

„Hij is inYorkshireaan het jagen,” antwoordde Tom. „Hij heeft Louisa gisteren eene mand met wild gezonden zoo groot als eene halve kerk.”

„Hij is juist iemand,” zeide mevrouw Sparsit zeer vriendelijk, „van wien men wel zou durven wedden dat hij een knap schutter moest wezen.”

„Duivelsch knap,” zeide Tom.

Sedert langen tijd was Tom gewoon meestal voor zich op den grond te kijken, maar sedert kort was deze gewoonte zoozeer toegenomen, dat hij nooit meer iemand drie seconden lang in het gezicht zag. Mevrouw Sparsit had dus ruim gelegenheid om zijn uitzicht waar te nemen, indien zij daartoe genegen was.

„Ik vind mijnheer Harthouse een heel pleizierig man,” zeide zij, „gelijk ook inderdaad de meeste menschen hem vinden. Zouden wij mogen hopen hem binnenkort hier te zien, Tom?”

„Wel, ik denk hem morgen te zien,” antwoordde de hondsvot.

„Goed nieuws!” zeide mevrouw Sparsit zeer zoetsappig.

„Ik heb afspraak met hem gemaakt, om hem tegen den avond hier aan het station op te wachten,” hervatte Tom, „en zal dan met hem gaan dineeren, geloof ik. Hij zal nog in geene week op het buiten komen, want hij is ergens anders gevraagd. Hij zegt zoo ten minste, maar het zou mij niet verwonderen als hij zondag hier overbleef en dan eens naar buiten ging.”

„Dat doet mij ergens aan denken,” zeide mevrouw Sparsit. „Zoudt gij eene boodschap aan uwe zuster kunnen onthouden, mijnheer Tom, als ik er een meegaf?”

„Wel, ik zal het probeeren,” antwoordde de onwillige hondsvot,„als de boodschap niet te lang is.”

„Het is alleen mijn eerbiedig compliment,” hervatte mevrouw Sparsit, „en dat ik vrees dat ik haar deze week niet met mijn gezelschap zal lastig vallen, daar ik nog wat zenuwachtig ben en misschien beter in mijne eenzaamheid blijf.”

„O, als dat alles is,” merkte Tom aan, „zou het er niet veel op aan komen, al vergat ik het, want als Louisa u niet ziet, zal zij waarschijnlijk niet eens aan u denken.”

Nadat hij zijn onthaal met dit vleiende compliment had betaald, verzonk hij weder in zijne norsche stilte, tot de gebottelde ale op was, en toen zeide hij: „Wel, mevrouw Sparsit, nu moet ik voort.” En daarmede vertrok hij.

Den volgenden dag, zaterdag, zat mevrouw Sparsit den geheelen dag voor haar venster naar de beweging op straat te kijken, inzonderheid acht gevende op de brievenbestellers en allen die het kantoor uit- en ingingen, terwijl zij ondertusschen hare gedachten over allerlei dingen liet gaan, maar hare aandachtvooral op de trap gevestigd hield. Toen de avond naderde, zette zij haar hoed op, sloeg haar doek om, en ging stil uit, daar zij hare redenen had om, zich zooveel mogelijk schuilhoudende, om het station heen te dwalen, waar een passagier uitYorkshirezou aankomen, en liever achter een pilaar, uit een hoekje of uit het venster eener dames-wachtkamer te gluren, dan zich openlijk daar te laten zien.

Tom was op zijn post en bleef heen en weder kuieren tot de verwachte trein aankwam. Deze bracht geen mijnheer Harthouse mede. Tom wachtte tot de menigte zich verstrooid had en het gewoel voorbij was, bekeek toen de aangeplakte lijst der treinen en raadpleegde de kruiers; en dit gedaan hebbende, stapte hij dralend heen, bleef nu en dan op straat staan om heen en weer te kijken, nam zijn hoed af en zette dien weder op, geeuwde en rekte zich uit, en vertoonde al de verschijnselen van doodelijke verveling, welke men van iemand verwachten kon, die nog moest blijven rondslenteren tot de volgende trein over een uur en veertig minuten zou aankomen.

„Dit is een streek om hem uit den weg te houden,” zeide mevrouw Sparsit, van het doffe kantoorvenstertje opstaande, waarvoor zij het laatst had wacht gehouden.

Deze gedachte was eene ingeving, en zij snelde heen om die ingeving te volgen. Het station van den spoorweg, die naar het buiten voerde, was aan het andere eind der stad; de tijd was kort, de weg niet gemakkelijk; maar zij was zoo vlug om eene nog ledige koets in beslag te nemen, er weder uit te springen, haar geld te passen, haar plaatsbriefje te grijpen en een rijtuig van den trein binnen te stommelen, dat zij over de bogen door het land van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen vloog, alsof zij door eene wolk opgenomen en weggevoerd was.

Zoolang de reis duurde, ontwaarde zij onbeweeglijk in de lucht, maar toch nooit verflauwende, ja, even duidelijk voor de scherpe oogen van haar geest als de electrieke draden, welke de avondlucht als een kolossale strook muziekpapier linieerden, voor de oogen van haar lichaam zichtbaar waren, hare trap en de afdalende gedaante—thans zeer dicht bij den voet, op den rand van den afgrond.

Een betrokken September-avond zag, juist bij het vallen van den nacht, onder zijne half gelokene oogleden, mevrouw Sparsit uit haar rijtuig stappen; de houten trap van het kleine station af- en den puinweg opgaan, een laantje inslaan en tusschen de takken en bladeren van het zomerloof verdwijnen. Een of twee nog laat wakkere vogeltjes, die slaperig in hun nestje zaten te tjilpen, eene vleermuis, die met logge vlucht om haar heen fladderde, en het schoffelen van haar eigen tred in het dikke stof, dat op het gevoel naar fluweel geleek, waren al wat mevrouw Sparsit hoorde of zag, totdat zij zeer zacht een hek achter zich sloot.

Zij sloeg den weg naar het huis in, tusschen het heesterplantsoen blijvende en ging er omheen, om door de vensters der benedenverdieping binnen te kijken. De meesten daarvan stonden open, gelijk met zulk warm weder doorgaans het geval was, maar er was nog geen licht en alles was stil. Zij doorzocht den tuin met geen beter gevolg. Toen dacht zij aan het bosch, en sloop daarheen zonder zich aan het lange gras en struiken, of aan de wormen, slakken en allerlei andere kruipende dingen te storen. Met hare donkere oogen en haar haakneus voorzichtig vooruit, drong zij behoedzaam door de dichte struweelen, zoo geheel vervuld van haar doel, dat zij waarschijnlijk eveneens zou gedaan hebben al ware het bosch vol adders geweest.

Luister!

De vogeltjes hadden wel uit hunne nestjes kunnen tuimelen, betooverd door het glinsteren van mevrouw Sparsit’s oogen in de duisternis, toen zij bleef stilstaan om te luisteren.

Zachte stemmen dichtbij. Zijne stem en de hare. De afspraak om hem op te wachten was dus inderdaad eene list om den broeder weg te houden! Daar ginds waren zij, bij dien gevelden boom!

Laag bukkende tusschen het bedauwde gras, kroop mevrouw Sparsit dichter naar hen toe. Zij richtte zich op en bleef achter een boom staan, gelijk Robinson Crusoë in zijne hinderlaag tegen de wilden; zoo dichtbij, dat zij met een sprong, en dat geen grooten, beiden had kunnen aanraken. Hij was daar heimelijk gekomen en had zich niet aan huis vertoond. Hij was te paard gekomen, en moest door de naburige velden zijn gereden, want zijn paard was op weinige schreden afstands buiten aan het staketsel gebonden.

„Mijn liefste lief,” zeide hij, „wat kon ik doen? Toen ik wist dat gij alleen waart, was het toen mogelijk dat ik kon wegblijven?”

„Ja, gij moogt uw hoofd wel laten hangen om u meer aantrekkelijk te maken; ik weet niet wat zij aan u zien als gij het ophoudt,” dacht mevrouw Sparsit, „maar gij denkt weinig, mijn liefste lief, wie u in het oog houdt!”

Dat zij haar hoofd liet hangen, was zeker. Zij drong hem om heen te gaan; zij beval hem heen te gaan; maar zij keerde haar gezicht niet naar hem toe, hief het zelfs niet op. En toch was het opmerkelijk, dat zij zoo stil zat als de goede vrouw in de hinderlaag haar ooit had zien zitten. Hare handen lagen in elkander, gelijk de handen van een steenen beeld; en zelfs hare manier van spreken was niet haastig.

„Kindlief,” zeide Harthouse (mevrouw Sparsit zag met verrukking, dat hij zijn arm om haar heen sloeg), „wilt ge dan mijn gezelschap niet een kort poosje dulden?”

„Hier niet.”

„Waar dan, Louisa?”

„Hier niet.”

„Maar wij hebben zoo weinig tijd om ons ten nutte te maken, en ik ben zoo ver gekomen, en ben zoo onrustig en verlangend. Nooit werd een slaaf, zoo getrouw en onderdanig, zoo door zijne meesteres mishandeld. Uwe vroolijke welkomst te verwachten, die mij levenswarmte heeft gegeven, en zulk eene ijskoude ontvangst te vinden, is hartverscheurend.”

„Moet ik nog eens zeggen, dat ik hier alleen gelaten moet worden?”

„Maar wij moeten elkander wederzien, dierbare Louisa. Waar zullen wij elkander spreken?”

Beiden schrikten. De luisteraarster schrikte insgelijks, want zij dacht, dat er nog iemand anders tusschen de boomen stond te luisteren. Het was slechts de regen, die met zware droppels begon te vallen.

„Zal ik zoo straks naar het huis rijden, in de eenvoudige meening, dat de meester thuis en verheugd zal zijn mij te zien?”

„Neen.”

„Uwe wreede bevelen moeten onvoorwaardelijk gehoorzaamd worden; hoewel ik, naar mij dunkt, de ongelukkigste man van de wereld ben, dat ik voor alle andere vrouwen ongevoelig ben gebleven, en eindelijk neergevallen ben voor en onder den voet van de schoonste, de innemendste en de heerschzuchtigste van allen. Dierbare Louisa, ik kan niet heengaan, of u laten gaan, terwijl gij uwe macht zoo onbarmhartig misbruikt.”

Mevrouw Sparsit zag hoe hij haar met den arm, die haar omringde, vasthield, en hoorde hoe hij voor hare (mevrouw Sparsit’s) gretig luisterende ooren verklaarde dat hij haar beminde, en dat zij de prijs was, waarvoor hij vurig verlangde al wat hij op de wereld bezat en het leven hem aanbood te verspelen. Het doel, waarnaar hij in den jongsten tijd had gestreefd, verloor, bij haar vergeleken, alle waarde; de zegepraal, die bijna in zijn bereik was, wierp hij om harentwil als eene ellendige beuzeling weg. Evenwel, dat doel te vervolgen, als het hem in hare nabijheid hield, of er van af te zien als het hem van haar verwijderde, of de vlucht, wanneer zij daarin deelde, of geheimhouding, wanneer zij hem die gebood, of welk lot het ook wezen mocht, alles was hem onverschillig, als zij hem maar trouw bleef—den man, die gezien had hoe eenzaam zij was en hoe weinig gewaardeerd, wien zij bij hunne eerste ontmoeting eene bewondering en belangstelling inboezemde, waartoe hij zich zelven buiten staat had geacht, wien zij in haar vertrouwen had genomen, die geheel aan haar was toegewijd en haar aanbad. Dit alles en meer, haastig en zacht gesproken, hoorde mevrouw Sparsit aan in de bedwelming harer bevredigde boosheid, onder den indruk der vrees van ontdekt te worden, en onder het toenemende gedruisch van den regen tusschen het gebladerte en van eene naderende onweersbui; en zoo verward en onduidelijk moest alles daardoor voor haar worden, dat zij, toen hij eindelijk het staketsel overklom en zijn paard aan de hand heenleidde, niet zeker wist waar zij elkander zouden opwachten of wanneer, behalve dat hij gezegd had dat het dien nacht zou zijn.

Doch een van hen bleef nog binnen haar bereik in de duisternis, en zoolang zij deze in het oog hield, moest zij op den rechten weg zijn. „O mijn liefste lief,” dacht mevrouw Sparsit, „weinig denkt gij hoe goed er op u gepast wordt.”

Mevrouw Sparsit volgde haar het bosch uit en zag haar het huis binnengaan. Wat verder te doen? Het stortregende nu. Mevrouw Sparsit’s witte kousen hadden allerlei kleuren aangenomen, waaronder het groen den boventoon had; er waren stekelige dingen in hare schoenen geraakt; rupsen hingen in hangmatten van eigen maaksel aan verschillende deelen harer kleeding te wiegelen; beekjes liepen langs haar hoed en haar Romeinschen neus af. In zulk een toestand stond mevrouw Sparsit in het dichtst van het heesterplantsoen verborgen en overwoog wat nu te doen.

Zie, daar komt Louisa het huis uit. Haastig, in een mantel gewikkeld, sluipt zij heen. Zij neemt met haar minnaar de vlucht! Zij valt van de laagste trede en wordt door den afgrond verzwolgen!

Onverschillig voor den regen en met snelle en vaste schreden voorstappende, sloeg zij een zijpad in, dat evenwijdig met de oprijlaan liep. Mevrouw Sparsit volgde haar tusschen het geboomte op zeer korten afstand; want het was niet gemakkelijk eene gedaante, die zich snel door de beschaduwde duisternis bewoog, in het oog te houden.

Toen zij bleef stilstaan om het zijhekje zonder gerucht te sluiten, stond mevrouw Sparsit ook stil. Toen zij weder voortstapte, stapte mevrouw Sparsit insgelijks voort. Louisa volgde den weg, dien mevrouw Sparsit gekomen was, ging het groene laantje door, den puinweg over en de houten trap van het station op. Een trein naarCoketownzou spoedig voorbijkomen, dit wist mevrouw Sparsit, en zij begreep dus, datCoketownhare eerste plaats van bestemming was.

Druipnat en gehavend als zij was, behoefde mevrouw Sparsit geene uitgebreide voorzorgen aan te wenden om haar gewoon voorkomen te veranderen; maar zij bleef toch bij den muur van het station in de schaduw staan, trok haardoek op eene vreemde manier over hare schouders en sloeg hem over haar hoed. Zoo vermomd, was zij niet bevreesd herkend te zullen worden, toen zij insgelijks de houten trap opging en in het kantoortje haar geld betaalde. Louisa bleef in een hoek zitten wachten, mevrouw Sparsit in een anderen hoek. Beiden luisterden naar de zware donderslagen en naar den regen, die over het dak stroomde en kletterend over de goten stortte. Twee of drie lantarens waren uitgeregend en uitgewaaid, en zoo konden beiden den bliksem, die over de ijzeren sporen heen en weder speelde, zeer voordeelig zien uitkomen.

Het trillen van het station, langzamerhand in een dreunend schokken overgaande, kondigde de nadering van den trein aan. Vuur, stoom, rook en rood licht; een gesis, een gekraak, een klokgelui en een gillend fluiten; Louisa stapte in een rijtuig, mevrouw Sparsit in een ander, en het kleine station was weder eene eenzame plek in den donderstorm.

Hoewel de vochtige koude haar deed klappertanden, verheugde mevrouw Sparsit zich bovenmate. De gedaante was van de steilte afgestort, en zij hield als het ware de wacht bij het lijk. Kon zij, die zoo werkzaam was geweest om een statelijke begrafenis aan te leggen, minder doen dan inwendig juichen? „Zij zal lang vóór hem teCoketownzijn,” dacht mevrouw Sparsit, „al heeft hij nog zulk een goed paard. Waar zal zij hem wachten? Geduld. Wij zullen zien.”

De geweldige regen veroorzaakte eene geduchte verwarring, toen de trein op de plaats zijner bestemming stilhield. Goten en waterpijpen waren gebarsten, riolen waren overgeloopen en straten stonden onder water. Terwijl zij afstapte, richtte mevrouw Sparsit hare verbijsterde oogen naar de wachtende koetsen, waarvan men zich om strijd meester wilde maken. „Zij zal in een daarvan stappen,” dacht zij, „en voort zijn eer ik haar met eene andere kan narijden. Al zou ik overreden worden, ik moet het nommer zien en hooren wat zij tegen den koetsier zegt.”

Doch mevrouw Sparsit maakte eene verkeerde berekening. Louisa stapte niet in eene koets en was reeds weg. De zwarte oogen, die het spoorrijtuig, waarmede zij gekomen was, bewaakten, hadden zich een oogenblik te laat daarop gevestigd. Daar het portier na verloop van verscheidene minuten niet geopend werd, ging mevrouw Sparsit het een paar malen voorbij, zag niets, keek binnen en vond het ledig. Door en door nat,terwijl het water met elken stap, dien zij deed, uit hare doorweekte schoenen spoot, en de regen nog steeds hare classieke trekken bleef bekletteren; met een hoed, die naar eene onrijpe vijg geleek; met al hare kleederen bedorven; met vochtige indrukselen van elken knoop, ieder bandje, elk haakje en oogje op haar aanzienlijk geparenteerden rug; met een schimmelig groen, gelijk zich op een oud staketsel langs een vochtig laantje aanzet, over geheel haar uitwendigen mensch—had mevrouw Sparsit geene andere toevlucht meer dan in bittere tranen uit te barsten en te jammeren: „Ik ben haar kwijt!”


Back to IndexNext